iii ereleden
i rain
le)
ihe
Map ¥ hi
po ih
I in Erika a aag ToN
Gi tito | 4 ii
a
IHREN
il
ih
I
aders
HIVER
Pa I
(PI
= ae
== =
= ES
ES
= a
eretto
=
EE
Tree Jean —
STI
See
=
ana
=
SS
=
PE = =
3
qi RATE unten
TERN } ; \ ‘ PACI I meld dns En fl hi ya È
RL Metti; DNS I Ka DI tal sii di ne
ae DM ate : H fs sl MEIN, ju a ju PEN
RAC {| i Hl it ii MISERIA
shied Dern ti I y
i ah uni i i ti i
Hin IE SSR
ci EE AAR
Ihe qu Kai cn
i ; Dan CH
RAA Et EDE EINE
ip ANNE HEA ii i Ppt att
gee ’ I 1 wi v ints} | surf NN
URLO ili lad 4 nl) lg 1
ony i MEER nem int id hi HA
Tahsin] Ka it ENE n
| AL IT it dept id heel, A
in | Wee Tine GH HE ay i
| MU INH KUREN
Mn NM a
ere AR GA (it EEDE È
KE a herbe or Hi
tet Ù vie og th Vue that ate i Bik i dii H |
UNE il KUREN Ana si a |
=
I
u
+4
è mm +
Set Mo eu
Tijdschrift voor Entomologie
UITGEGEVEN DOOR
De Nederlandsche Entomologische Vereeniging
ONDER REDACTIE VAN
DR. D. MAC GILLAVRY, J. B. CORPORAAL,
J.J. DE VOS TOT NEDERVEEN CAPPEL
EN G. L. VAN EYNDHOVEN
ZES-EN-TACHTIGSTE DEEL
JAARGANG 1943
(Gepubliceerd 7 April 1944)
——— en
INHOUD VAN HET ZES-EN-TACHTIGSTE DEEL
Verslag
Verslag
Verslag
van de voorloopige oprichtingsvergadering van de af-
deeling voor toegepaste entomologie
van de eerste vergadering van de Afdeeling voor IB: II)
van de tweede vergadering van de Afdeeling voor T.E. T 9—T12
Bladz.
De 72
Verslag van de excursie naar den proeftuin en het laboratorium
van het Z.-H. glasdistrict T13—T15
Verslag van de vierde Herfstvergadering . 5 5 I-X1l
Verslag van de zes-en-zeventigste Wintervergadering à . XIIL-XLIV
Verslag van de acht-en-negentigste Zomervergadering . .XLV-LXVI
Bernet Kempers,
K. W. J. a De larven der Helodidae (Cyphonidae) 85— 91
Eyndhoven, G. L.
van. i 3 In memoriam Dr A. C. Oudemans,
12 Nov. 1858—14 Jan. 1943. . 1— 56
Kruseman Ihe, (Cr | Voorloopige naamlijst van Nederl. Pso-
coptera, benevens van die, welke in
het aangrenzende gebied gevonden
zijn (4e mededeeling over Psocop-
tera) DR RL n A OT
Meijere, J. C. H. de | Over de metamorphose van Metopia
leucocephala Rossi, Cacoxenus inda-
gator Löw, Palloptera saltuum L.,
Paranthomyza nitida Mg. en Hydrel-
lia nigripes Zett. (Dipt.) . . . 57— 61
Meijere, J. C. H. de | Die Larven der Agromyzinen. (Sieben-
ter Nachtrag) Su 61— 76
Pol, P. H. van de | Investigations concerning the androco-
nia of certain Satyridae, in particu-
lar of Coenonympha pamphilus L. 91— 94
Roepke, W.. On the genera Dudusa Walk. and Tar-
solepis Butl. in the Dutch East In-
dies en Het., fam. Notodon-
tidae) : È ; 01742183
Werf, G.J. van der | Een onbekend Trichopteren-larfje Or-
thotrichia angustella dl he OS exe)
Register 98— 107
Register van de in de Necrologie van
Dr A. C. Oudemans voorkomende
namen van mijten en insecten . 108— 130
| Errata 131 —132
JUL 1 8 1949
PA Nr
El y
AS
+ ben
ar Fey |
VER
}
n
Br:
i
PA
i
> à 7 2
tate hugs > x Sr
E x
or Entomologie =
Nederlandsche Entomologische Vereeniging
SRO ONDER REDACTIE VAN n
D. MAC GILLAVRY, J. B. CORPORAAL, — :
J. J. DE VOS TOT NEDERVEEN CAPPEL
EN G. L. VAN EYNDHOVEN. en |
wi
vA 5
ati ae CRE | > À
3 5 GIRA
x dem ) Pr
a
ZES-EN-TACHTIGSTE DEEL. ne
_ JAARGANG 1943, —
99
7 April 1944) —
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
De contributie voor het lidmaatschap bedraagt f 10.—
per jaar. Ook kunnen Natuurlijke Personen, tegen het stor-
ten van f 150.— in eens, levenslang lid worden.
Natuurlijke Personen, niet ingezetenen van het Rijk in
Europa, Azié of Amerika, kunnen tegen betaling van f 60.—
lid worden voor het leven.
Begunstigers betalen jaarlijks minstens f 10.— of (alleer.
voor Natuurlijke Personen) f 100.— in eens.
De leden ontvangen gratis de Entomologische Berichten
(6 nummers per jaar; prijs voor niet-leden f 0.50 per num-
mer), en de Verslagen der Vergaderingen (2 à 3 per jaar;
prijs voor niet-leden f 0.60 per stuk).
De leden kunnen zich voor f 6.— per jaar abonneeren op het
Tijdschrijt voor Entomologie (prijs voor niet-leden f 12.—
per jaar). À
De oudere publicaties der vereeniging zijn voor de leden
voor verminderde prijzen verkrijgbaar.
Aan den boekhandel wordt op de prijzen voor niet-leden
geene reductie toegestaan.
da
TR
had de Kart
au
dé ENO, hante >
VERSLAG
VAN DE
VOORLOOPIGE OPRICHTINGSVERGADERING
… VAN DE AFDEELING VOOR TOEGEPASTE ENTOMOLOGIE
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
GEHOUDEN IN HET GEBOUW VAN DEN PLANTENZIEKTENKUNDIGEN DIENST
WAGENINGEN OP ZATERDAG 17 MEI 1941 DES MORGENS TE 11 UUR.
Op initiatief van enkele leden der Nederlandsche Entomologische Vereeniging en
“van de Nederlandsche Plantenziektenkundige Vereeniging werd op Zaterdag 17 Mei
1941 een bijeenkomst gehouden in het gebouw van den Plantenziektenkundigen Dienst
te Wageningen, teneinde te komen tot de oprichting van een groep van in de praktijk
werkende entomologen.
_ Op deze bijeenkomst waren aanwezig:
- Dr. G. Barendrecht, Dr. A. F. H. Besemer, Dr. C. J. Briejèr, Dr. L. W. D. Caudri,
Ir. J. Doeksen, D. Hille Ris Lambers, Mej. Ir. H. Kronenberg, M. de Koning,
‚B. J. Krijgsman, Dr. D. J. Kuenen, R. J. van der Linde, F. E. Loosjes, Ir. J. P.
‘uwstraten, Ir. N. van Poeteren, Prof. Dr. W. K. J. Roepke, T. A. C. Schoevers,
A. D. Voûte, Dr. D. J. Wilcke.
Op deze bijeenkomst werd het volgende besloten :
‚ De groep zal omvatten practici-entomologen, die zich bezig houden met problemen
Be land-, tuin- en boschbouw, medicijnen, diergeneeskunde en bijenteelt. Zooveel mo-
elijk zal aan deze entomologen een uitnoodiging worden gezonden om tot de groep
e te treden. Bovendien zullen zij, die door hun werk in contact komen met de toe-
gepaste entomologie, dan wel er belangstelling voor hebben, welkom zijn in de groep.
De bijeenkomsten zullen tenminste tweemaal per jaar plaats vinden, eenmaal in den
zomer, zoo mogelijk in de nabijheid van een veldlaboratorium en eenmaal in den
nter. Tijdens deze bijeenkomsten zullen de leden mededeelingen doen betreffende de
erkzaamheden op het gebied der toegepaste entomologie.
. Deze mededeelingen zijn bestemd voor vakgenooten en zullen worden gepubliceerd.
De kosten van het lidmaatschap van de groep zullen zoo laag mogelijk worden
Lo. en mogen de f2.50 per jaar en per persoon niet te boven gaan.
iv. Tot voorzitter en secretaris worden resp. benoemd: Dr. A. D. Voüte en
Dr C. J. Briejer.
| VI. Ter bestrijding van de te maken kosten zullen de leden een bedrag groot f 1.—
orten op de postrekening van Dr. C. J. Briejèr (Postgiro No. 300.726 te Hillegom).
Vervolgens besloot de vergadering, na langdurige discussie, dat voorzitter en secre-
‘taris over het onderstaande voorstel overleg zullen plegen met het bestuur van de
Nederlandsche Entomologische Vereeniging :
. 1. De groep treedt toe tot de Nederlandsche Entomologische Vereeniging als af-
deeling voor toegepaste entomologie. |
* 2. Practici-entomologen kunnen lid worden van de afdeeling zonder lid te zijn van
de Entomologische Vereeniging. Zij dragen op nader overeen te komen wijze bij in
de onkosten van de afdeeling.
| 3. De verslagen van de bijeenkomsten van de sectie worden gepubliceerd in het
Tijdschrift voor Entomologie. Overdrukken van deze verslagen worden gezonden aan
leden van de Entomologische Vereeniging, van de afdeeling en, wanneer het Bestuur
van de Plantenziektenkundige Vereeniging daar prijs op stelt en een evenredig deel
van de kosten voor haar rekening wenscht te nemen, ook aan de leden van deze ver-
eeniging.
4. De leden van de Plantenziektenkundige Vereeniging hebben in bovengenoemd
val toegang tot de wetenschappelijke vergaderingen van de afdeeling evenals de leden
_ de Entomologische Vereeniging, die zich niet als lid van de afdeeling hebben
ten inschrijven.
e vergadering sprak als haar meening uit, dat het van het grootste belang moet
n geacht-voor de Entomologie in ons land, dat het contact tusschen de toege-
a N Fa ar na 5
ÿ Bj 8 3 Lai > Vera
a
CA è AO 4, rd
k HE. 7 ©
dar DE pss
este en zuivere nal el bft, om welk den ij het zeer
zou stellen, wanneer de Entomologische Vereeniging zich bereid zo
groep als afdeeling toe te laten.
_ De besprekingen met het Bestuur der Nederlandsche Entomolögische>
leidden ertoe, dat op 16 November 1941 een. Wetswijziging dezer Vereeniging
aangenomen, waarbij een ,,Afdeeling voor Toegepaste Entomologie” werd opg
ae verslag van de daartoe gehouden Buitengewone tg der en.
VERSLAG -
| WETENSCHAPPELUKE MEDEDEELINGEN
DER
EERSTE VERGADERING
_ VAN DE
AFDEELING VOOR TOEGEPASTE ENTOMOLOGIE
HOUDEN IN HET ZOÖLOGISCH LABORATORIUM DER UNIVERSITEIT VAN
AMSTERDAM OP ZATERDAG 5 JULI 1941 DES MORGENS TE 11 UUR.
Voorzitter: Dr. A. D. Voûte.
anwetzig zijn de genoodigden: Ir. A. W. van der Plassche, Inspecteur van den
"uinbouw, de Heer A. de Mooy, Secretaris der Centrale Organisatie voor T.N.O. en
de leden: Dr. G. Barendrecht, Dr. A. F. H. Besemer, Dr. C. J. Briejèr, Dr. L. W. D.
ÉCaudri, Mej. G. F. E. M. Dierick, G. J. H. Ebbinge Wubben, D. Hille Ris Lambers,
Prof. Dr. C. J. van der Klaauw, Mej. Ir. H. G. Kronenberg, Dr. D. J. Kuenen, Dr. S.
Leefmans, R. J. van der Linde, F. E. Loosjes, W. J. Maan, Dr. D. Mac Gillavry,
Ir. G. S. van Marle, D. Noordam Jr., Ir. J. M. Riemens, L. E. van 't Sant, Dr. G. H.
chuurmans Stekhoven, Mej. S. H. de Vlieger, Dr. A. D. Voûte, J. de Wilde, Dr.
L. Uyttenboogaart.
De Voorzitter opent de vergadering met een woord van welkom. Hij spreekt ook
namens de afdeeling zijn groote waardeering er over uit, dat Ir. Van der Plas-
sche en de Heer de Mooy ondanks hun drukke werkzaamheden gelegenheid
hebben gevonden de vergadering bij te wonen.
Ir. A. W. van der Plassche juicht het oprichten van de afdeeling zeer toe. In het
gemeen zal de entomologische arbeid er door bevorderd worden, terwijl het tevens
en groot landbouwbelang is. Voor dit werk moeten wij enthousiaste menschen hebben
een goed onderling contact is daarbij van groot nut. Spr. zegt gaarne zijn mede-
werking tot verdere ontwikkeling van dit contact toe. De Rijkstuinbouwconsulenten
hebben vaak vraagstukken op te lossen, waarbij zij terzijde gestaan moeten worden
door entomologen en biologen in het algemeen. Daartoe worden bij de consulenten
nge menschen geplaatst, die daar hun practische loopbaan beginnen. Een schaduw-
Zijde daarvan is, dat zij daarbij veelal geïsoleerd zitten in de provincie en weinig
onderling contact hebben. Daarin voorziet dan de afdeeling en spreker zal gaarne
toestaan, dat zij hun reiskosten declareeren.
… De Heer A. de Mooy, sprekend voor de Gentrale Organisatie v. T.N.O. wijst erop,
at T.N.O. vooral de samenwerking der wetenschappelijke werkers wil bevorderen.
pr. betuigt dan ook de groote sympathie van de Organisatie voor ons initiatief.
3 Mocht er, voor het bereiken van bepaalde practische resultaten, steun noodig zijn,
i 4
_ Na een discussie over het verband van de groep van praktijksentomologen met de
Nederlandsche Entomologische Vereeniging volgen een aantal wetenschappelijke mede-
deelingen, die echter wegens papierschaarschte slechts zeer verkort kunnen worden
eergegeven.
De D hide door dezen kever veroorzaakt, wordt blijkbaar nog weinig door de fruittelers
tend. Steeds worden de z.g. verbrande bloesemknoppen geweten aan vorst. Onder-
schen neemt de schade door het insect veroorzaakt in ons land hand over hand
estrijding schijnt uiterst moeilijk, vandaar dat Spr. hoopt, dat er onder de leden
Mad VERSLAG.
van deze groep eenige gevonden zuilen worden, die de bestudeering van de biologie
van den kever ter hand willen nemen, om zoodoende een praktische bestrijdingswijze
te vinden, aangepast aan onze vaderlandsche behoefte.
De Heer C. J. van der Klaauw heeft een aanbod en een vraag te doen.
Het aanbod is: aan niet ,,oud-Leidenaren” om gebruik te mogen maken van de diep-
gaande Leidsche ervaringen betreffende instrumentenbouw en microtechniek.
De vraag: Blijft ook tegelijkertijd bioloog, kleedt Uw stof in zooals andere stof.
De Heer C. J. Briejèr doet, mede namens Mej. G. Dierick, eenige mededeelingen
over het entomologisch werk op het Laboratorium der B. P. M
De Heer G. H. Schuurmans Stekhoven spreekt over proeven met Calandra species,
die later elders gepubliceerd zullen worden.
De Heer F. E. Loosjes doet een mededeeling over het biologisch werk op de Af-
deeling Handelsmuseum van het Koloniaal Instituut te Amsterdam. Deze afdeeling steli
zich o.m. ten doel het bestudeeren en het propageeren en daarnaast het zoeken naar
nieuwe afzetmogelijkheden voor Oost- of West-Indische producten. Als insecticide
werd in hoofdzaak het Derrispoeder bestudeerd. Een ander product, waarmee onder-
zoekingen werden verricht, is Quassia, een waterig aftreksel van het oudere hout
van Picraena excelsa Lindl. of van Quassia amara L. Als insecticide
wordt dit voornamelijk toegepast op zaagwespen. Op eenige Nederlandsche schadelijke
insecten, zooals de bastaardsatijnrups en de larven van de dennenbladwesp, bleek het
nauwelijks eenigen invloed te hebben. Wel bezit het een afstootende werking (,.re-
pellent’’).
Spr. noemde vervolgens Croton. afkomstig van Croton tiglium L. een tro-
pische plant, behoorende tot de Euphorbiaceae. Het zaad hiervan bevat een vrij hoog
percentage olie. Een onderzoek naar de mogelijkheden van dit zaad, het extractie-
product (de olie) en het residu als insecticide, is onder handen genomen. Verder noemt
spr. gemalen zaal van Bangkowang (Pachyrrhizus angulatus Rich),
één van de tropische vischvergiften. Dit zaad bevat giftige bestanddeelen, die ver-
moedelijk verwant zijn aan rotenon.
De Heer D. J. Kuenen doet mededeeling over de biologie en bestrijding van het
fruitspint Metatetranychus ulmi Koch. In 1938 is door Geyskes hierover een ar-
tikel gepubliceerd. Hiermee zijn de voornaamste feiten van de biologie onder de om
standigheden van het Nederlandsche klimaat bekend geworden en ook voor de praktijk
had dit onderzoek belangrijke resultaten. De bestrijding is echter nog niet in alle
opzichten bevredigend.
De belangrijkste punten van het onderzoek, dat nu wordt ingesteld, zijn de volgende:
1. Het verloop van de dichtheid van de populatie wordt gedurende den geheelen zomer
gevolgd op geheel verwaarloosde boomen, op goed verzorgde boomen, die echter dit
jaar niet worden gespoten, en op boomef, die in den loop van den zomer op gezette
tijden gespoten worden. We kunnen zoo dus gestoorde en ongestoorde biocoenose
vergelijken. Hierbij blijkt weer duidelijk, dat de gebruikelijke bespuitingen de spintaan-
tasting min of meer in de hand werken. De meest bekende theorie, die dit verklaart,
nl. door te veronderstellen, dat de natuurlijke vijanden van het spint gevoeliger zijn
voor de bespuiting dan het spint zelf, is niet bewezen. Aangezien er daarnaast nog
verscheidene andere theorieën zijn, zal aan deze kwestie speciale aandacht worden
geschonken. Hiervoor wordt dan in de eerste plaats gelet op de biotische connex in.
onbespoten boomgaarden.
Tegelijk met de tellingen worden klimatologische waarnemingen gedaan om een cor-
relatie tusschen weersgesteldheid en ontwikkeling te kunnen vaststellen.
2. Het is van belang om te weten of er binnen de systematische soort M. ulmi nog |
rassen voorkomen, die uitsluitend of bij voorkeur op één of slechts enkele van alle
bekende voedselplanten voorkomen. Entingsproeven hierover zijn aan den gang. In
eng hierop zullen proeven gedaan worden over de wijze van verspreiden van —
e mijten
3. De fruitkweeker beoordeelt een aantasting door het spint zoo goed als alleen mì
het uiterlijk van de bladeren. Het beeld van de aantasting is echter niet alleen afhan-
kelijk van het aantal mijten per blad, maar ook van den gezondheidstoestand van den
boom, van het weer, den bodem, enz. Getracht zal worden om met gebruikmaking
van de gegevens, die de kweekers kunnen verstrekken, dit samenstel van factoren te
VERSLAG. 15
twarren om zoo tot een beter begrip van de epidemiologie te komen.
Wat de bestrijding betreft, worden proeven gedaan met verschillende middelen in
schillende concentraties, voorloopig hoofdzakelijk in het veld, omdat een goede
oratoriumtechniek nog niet is uitgewerkt. Ook wordt, in verband met het biologisch
derzoek, naar het juiste oogenblik voor de bespuiting gezocht. Voor de winter-
spuiting wordt hieraan een embryologisch onderzoek gekoppeld.
‘De Heer A. D, Voüte spreekt daarna over het boschbouwdierkundig werk aan het
iologisch Laboratorium „Hoenderloo’.
In het jaarverslag van het Comite ter bestudeering en bestrijding van insectenplagen
‘in bosschen, waaronder het Biologisch Laboratorium ressorteert, kan men lezen, dat
‘als doel van het werk moet worden beschouwd :
| »l. te trachten door bestudeering van de levenswijze van verschillende schadelijke
insecten en van de omstandigheden, die tot een massale vermeerdering en dienten-
gevolge tot een plaag kunnen leiden, de middelen te vinden om — b.v. door het
toepassen van bepaalde cultuurmethoden — een dergelijke plaag te voorkomen ;
2, naar middelen te zoeken, waardoor een eenmaal uitgebroken plaag het best en meest
afdoend kan worden bestreden.”
_ Spr. bepaalde zich voorloopig tot punt 1.
_ Teneinde te kunnen nagaan, op welke wijze een plaag kan worden voorkomen, is
“het gewenscht, dat men een inzicht heeft in de factoren, die de bevolkingsdichtheid
“van de betreffende soort regelen. Deze factoren kunnen gelegen zijn in het klimaat,
den bodem en de levensgemeenschap, waarin de soort deel uitmaakt.
Het onderzoek zal dus moeten (zijn gericht op de oekologie van de schadelijke insecten.
De tot dusver behaalde resultaten wijzen er op, dat we mogen uitgaan van de vol-
… gende hypothese: In een bepaald gebied wordt de fauna bepaald door bodem, klimaat
en plantengroei, niet slechts qualitatief, maar ook quantitatief. Door deze factoren
wordt van de schadelijke insecten niet slechts het gemiddelde, maar ook de extremen
van de populatiedichtheid bepaald.
Bodem en klimaat kunnen tamelijk ingrijpend worden veranderd door bodembewer-
_ king, bemesting, het aanleggen van singels, waardoor de wind minder in het boschi
kan doordringen, het minder sterk of sterker dunnen van het bosch, enz.
De plantengroei wordt in hooge mate bepaald door de boomsoorten, die men voor
het bosch kiest,
__ Uit het bovenstaande blijkt, dat men sterk zal kunnen ingrijpen in de samenstelling
«van de fauna van een bosch en dat men dus theoretisch het bosch meer of minder
| vatbaar voor bepaalde plagen maken kan.
_ Van bovengenoemden gedachtengang gaat het werk van het Comité uit.
_ De Heer G. S. van Marle doet een mededeeling over het Entomologisch onderzoek
| op den proeftuin te Aalsmeer.
_ Dit onderzoek, dat dit voorjaar aangevangen is, betreft de dierlijke parasieten in de
_ bloementeelt.
Als eerste onderwerp is aangesneden het onderzoek van de mijten, behoorende tot
het geslacht Tarsonemus. Het optreden van deze mijten is hier te lande, tenminste wat
di bloementeelt betreft, nog vrijwel niet bestudeerd. Als proefplant dient momenteel
3 de Begonia, een belangrijke cultuurplant voor Aalsmeer, die door de mijten ernstig
_ aangetast kan worden. Hiernaast wordt gespeurd naar het voorkomen op andere ge-
| wassen, terwijl ook overbrengingsproeven op het programma staan.
Naast het mijtenvraagstuk wordt er ook begonnen aan andere problemen, maar dit
_ werk heeft een voorbereidend karakter, bestaande in het verzamelen van materiaal.
Te noemen vallen: thrips, spint en bladluis.
ae
_ De Heer L. W. D. Caudri vermeldt eenige gegevens over de overwinterende rupsen
“van de bastaardsatijnvlinder.
Het in het voorjaar uitknippen van de nesten, waarin de jonge bastaardsatijnrupsen
(N ygmia phaeorrhoea Don.) overwinteren, wordt in verschillende deelen van Neder-
land als bestrijdingsmethode van deze plaag toegepast. Wanneer vastgesteld kon
worden, dat vogels onder deze nesten een belangrijke opruiming hielden, zou in som-
mige gevallen geadviseerd kunnen worden het uitknippen achterwege te laten, wat
een belangrijke bezuiniging zou zijn. Deze kwesties werden daarom nader onderzocht.
| Hiertoe werd in Maart in verschillende gebieden bij de Hooge Veluwe (b.v. op
verschillenden afstand van bebouwde kommen gelegen) uitsluitend uit eik een groot
antal nesten verzameld en bestudeerd.
T 6 VERSLAG. RE
Reeds spoedig bleek, dat het niet mogelijk was door uitwendige beschouwing de
vermoedelijke rupsenopbrengst van een door vogels aangetast nest te beoordeelen,
daar oegenschijnlijk „sterk aangepikte” nesten herhaaldelijk meer rupsen opleverden
dan ,,matig’ of „weinig aangepikte nesten van dezelfde grootteklasse.
Beter resultaat werd daarna verkregen door langs het fietspad Ede Otterlo, dat in
rechte lijn gebieden van zeer verschillende bebossching doorsnijdt, op diverse plaatsen
monsters te nemen, die bestonden uit een tiental nesten van zooveel mogelijk gelijk
gemeenschappelijk volume. Ook hiervan werd de opbrengst aan rupsen door telling
bepaald, waaruit het volgende kwam vast te staan:
1. de uitpikking door vogels kan binnen kleine grenzen sterk verschillen en is afhan-
. kelijk van de bebossching ;
2. de uitpikking door vogels heeft nooit een grondige opruiming der rupsen tengevolge.
De Heer J. de Wilde doet een mededeeling betreffende een onderzoek naar: Biolo-
gie en bestrijding van de koolvlieg, Chortophila brassicae Beche.
__ Twee ,,Repellents” worden hier te lande toegepast, die de wijfjes verhinderen nabij
de koolplanten eieren te leggen. Dit zijn echter weinig dynamische middelen, niet aan
te passen bij de sterkte van de plaag ; bovendien wordt deze er slechts door verplaatst
en de maden niet gedood.
Getracht wordt de nog gedeeltelijk onbekende biologie van de vlieg aa te gaan,
waarbij vooral gelet zal worden op den duur der diverse stadia onder optimale condities.
Tevens wordt nagegaan of andere, polyphage Anthomyiden ook op kool leven; dit
is van belang voor de gewaswisseling en het samenplanten van diverse gewassen.
De bedoeling is te komen tot het aanwijzen van tijden, waarop door spuitmiddelen
de vlieg kan worden bestreden.
De Heer J. M. Riemens vertelt het een en ander over zijn werk in het Westland.
Een nieuw laboratorium is daar juist gereed gekomen. Spr. vestigt speciaal de aandacht
op de zoo noodzakelijke samenwerking tusschen wetenschap en praktijk.
De Heer R. J. van der Linde spreekt daarna over zijn werk met de dennenscheerder
(Myelophilus piniperda L.) in het Biologisch Lab. „Hoenderloo te Hoenderloo (G.).
Dit werk omvat o.a. een aanvullend onderzoek naar de levensgeschiedenis.
Punten van onderzoek zijn:
1°. De vraag naar den aard van de z.g. „tweede generatie.
Is dit een tweede broed of een echte tweede generatie ?
2°. In verband met het voorgaande is het gonadenonderzoek gedurende het geheele
jaar van belang. Langs dezen weg kunnen we een antwoord verwachten op _
vragen omtrent: ;
a. Regeneratie- of rijpingsvraat in de dennentoppen. 3 a
b. Mogelijkheid van tweede generatie of tweede broed. È
3°. Het gedrag van de dieren in de dennentoppen gedurende den zomer. &
a. Worden meerdere dennentoppen door éénzelfde dier aangevreten ?
b. Gaat een met top en al afgevallen dier opnieuw naar de dennenkronen ?
4°. De winterkwartieren.
a. In den boschgrond of in den boom zelf? Waar? È,
b. Verplaatsen de dieren zich nog gedurende den winter?
(Vooral van belang in verband met de voorjaarvluchten.)
5°. Karteering van het aangetaste gebied in verschillende opeenvolgende zomers.
Verplaatst het gebied van zwaarste aantasting zich?
De Heer D. Noordam Jr. doet daarna mede namens Mej. S. H. de Vlieger een mede-
deeling over hun onderzoek der bodemfauna.
Het is gebleken, dat de verhouding plant-dier-bodem bepalend is voor den weerstand È
tegen insectenplagen. Hierover is echter nog maar weinig bekend. Wel is uit onder- —
zoekingen b.v. gebleken, dat de verwerking van bladstrooisel tot humus nauw samen-
hangt, niet alleen met de flora, maar ook met de fauna van het strooisel. Hierover
hebben Bornebusch e.a. quantitatieve onderzoekingen gedaan. 1
Een hiaat in deze onderzoekingen bestaat hierin, dat niet bekend is, wat de gevon-
den organismen doen in het strooisel en wat hun aandeel is in de omzetting tot humus.
Dit alles was aanleiding tot het instellen van een orienteerend onderzoek betreffende
de levensgemeenschap van den bodem, waarbij wij ons voorloopig beperkten tot de
fauna van den boschbodem. De methode, welke hierbij gebruikt wordt, is de volgende:
Met een bodemzeef volgens Berlese-Tullgren wordt een hoeveelheid strooi-
n door > te dt in glazen nes Dit laatste geldt speciaal voor de be-
ste danse van het strooisel, de mijten.
ej. H. G. oe spreekt daarna over haar onderzoek naar aardbeienziekten
Kennemerland.
Tot dusverre heeft zij zich, wat de afzonderlijke ziekten der aardbeien betreft, vrij-
el geheel bezig gehouden met dierlijke aantastingen; daarvan moet eerst genoemd
orden de aardbeienmijt, Tarsonemus fragariae Zimm., die vooral in warme droge
zomers de jonge blaadjes aantast, en deze belet uit te groeien, waardoor na de voor-
aarsbladen geen blad meer tot gezonde ontwikkeling komt bij ernstige gevallen van
aantasting. Deze mijten zitten voor een groot deel verscholen in de jonge, nog toege-
vouwen blaadjes, en tusschen de knopschubben, waardoor ze zeer moeilijk te bestrij-
den zijn. De belangrijkste wijze van verspreiding geschiedt langs de stolonen der
| planten, waardoor tevens de jonge planten, het plantgoed voor nieuwe akkers, met
mijten besmet worden.
_ Enkele snuitkevers zijn eveneens zeer schadelijk en komen veel voor, n.l. de bloesem-
kevertjes (Anthonomus rubi Hrbst), die de jonge bloemknopjes afsteken, waardoor naar
| schatting wel tot 50% oogstverlies geleden kan worden. Voorts kunnen plekken of
| heele akkers vernietigd worden door de larven’ van enkele snuitkevers, die de wortels
der aardbeien afbijten en zich in de rhizomen invreten. Het gaat hier om larven van
Otiorrhynchus sulcatus F. en Phyllobius urticae de Geer.
De kern van het probleem der algemeene degeneratie der aardbeien ligt evenwel
niet in genoemde, dierlijke parasieten, hoewel ook deze ieder op zichzelf een probleem
voor de streek vormen, maar in een complex van degeneratieziekten, die zich mogelijk
voor een deel als virus-ziekten zullen manifesteeren.
N
De Heer W. J. Maan spreekt daarna over de prei-insecten. Als insecten, die schade
van economisch belang in de preicultuur aanrichten, zijn te noemen: de prei- of uien-
vlieg, Chortophila antiqua Meigen en het preimotje, Acrolepia assectella Z. Hierbij
moet opgemerkt worden, dat ook de andere gekweekte Alliumsoorten, zooals uien en
sjalotten, door deze zelfde insecten aangetast worden.
De levenswijze van vlieg en mot is in het kort als volgt. De preivlieg overwintert
als puparium in den grond. Eind Mei en begin Juni komen hieruit de imagines, eerst
_ komen de mannetjes en daarna de wijfjes uit den grond. De wijfjes leggen haar eieren
- in de bladscheede van de nog jonge preiplanten. De uit de eieren gekomen jonge
larven boren zich naar binnen en vreten het stammetje van de preiplant van binnen
_ geheel uit, waarbij het vegetatiepunt vernield wordt en de plant ten gronde gaat. Vaak
. is de larve dan nog niet volgroeid, zij verplaatst zich dan door den grond naar een
| gezonde plant en boort zich daar even boven den wortelkrans naar binnen.
Van de puparia van de eerste generatie komt slechts een klein deel in Juli van het-
» zelfde jaar uit, de meeste blijven echter één of meer winters overliggen. Het geringe
aantal vliegen, dat in Juli uitkomt, maakt dat de schade, die door de larven van de
_ 2de generatie wordt aangericht, van weinig belang is. Daarentegen kan de schade op
_ de preibedden vaak zeer aanzienlijk zijn.
Het preimotje overwintert als imago. Daartoe verbergt het dier zich in het najaar
| onder dor blad. In het voorjaar (Mei) komt het motje te voorschijn en begint dan
terstond met het leggen van eieren. Enkele uren na het uitkomen boort de jonge rups
zich in het preiblad in en graaft gangen in het blad (mineert), waarbij de epidermis
«aan beide zijden blijft staan. Graaft het rupsje naar het hart van de plant, dan sterft
_ deze meestal af. In één enkele preiplant vond hij eens 22 rupsjes. Vermoedelijk heeft
8 de preimot 3 generaties per jaar.
_ Als bestrijdingsmethode tegen de vlieg werd hier te lande reeds behandeling van
het zaad met calomel en lijm toegepast. Deze methode had goede resultaten. De duurte
| ervan was echter een bezwaar. De bestrijding van het motje was het bovengronds af-
… schoffelen der planten, die dan uit het stammetje wel weer nieuwe bladeren vormden.
De planten herstelden zich wel weer, ten koste van een belangrijke groeivertraging.
Het doel van zijn onderzoek is in de eerste plaats: exacte gegevens te verkrijgen
over de biologie van genoemde insecten. Als we de levenscyclus en het geheele gedrag
“van een schadelijk insect kennen, kunnen we immers bepalen waar in deze levens-
clus een kwesbare plaats aanwezig is. Juist. op deze kwetsbare plaats moet onze
estrijdingswijze aangrijpen.
ee Het verkrijgen van nauwkeurige biologische gegevens van deze insecten is echter
VENEN 28 7 TELS ED
T 8 | VERSLAG.
niet voldoende. Immers men weet dan wel hoe men zijn bestrijdingswijze zal hebben
te kiezen, maar nog niet: wanneer men bestrijden moet.
Daarvoor is de kennis van de phaenologie noodzakelijk. Het onderzoek naar het
oorzakelijk verband tusschen de klimaatsfactoren en het optreden van de insecten is
dan ook een belangrijk onderdeel van mijn werk. Hiertoe zullen in alle deelen van ons
land waarnemingen moeten worden gedaan.
Tenslotte geeft de Heer G. J. H. Ebbinge Wubben een overzicht van het onderzoek
naar oecologie van Rhynchaenus quercus L.
He doel van het onderzoek is in de eerste plaats zuiver wetenschappelijk ; de schade
wordt althans, evenals die van andere bladmineerders, meest onbelangrijk geacht. Spr.
betwijfelt echter de juistheid van deze meening; de door de aantasting ontstane ver-
mindering van de assimilatiemogelijkheid wordt niet, zooals bij kaalvraat, gecompen-
seerd door een vroeger en overvloediger uitloopen van het St. Janslot.
Aanleiding tot het onderzoek was de omstandigheid, dat naast elkaar bosschen voor-
komen, die niet en die sterk zijn aangetast, met vrij scherpe grenzen ertusschen, m.a.w.
het lijkt of het eene bosch gezond t.a.v. een plaag van dit dier is en t.a.v. het andere
ongezond. De opzet is dan ook te trachten voor deze tegenstelling een verklaring te
vinden. Naast het controleeren van de levensgeschiedenis van de soort en het nagaan
van bepaalde onderdeelen van het gedrag is het onderzoek daarom voornamelijk ge-
richt op de mortaliteitsfactoren.
De Voorzitter dankt hierna de sprekers voor hun mededeelingen en sluit de verga-
dering.
| OVERSLAG.
IN WETENSCHAPPELUKE MEDEDEELINGEN
DER
TWEEDE VERGADERING
VAN DE
4 AFDEELING VOOR TOEGEPASTE ENTOMOLOGIE
_ GEHOUDEN IN HET LABORATORIUM VOOR VERGELIJKENDE PHYSIOLOGIE TE
| UTRECHT, OP ZATERDAG 25 APRIL 1942 DES MORGENS TE 11.30 UUR,
VOORTGEZET IN HET ZOÖLOGISCH LABORATORIUM TE 1.30 UUR.
= PR EIRE TTI
… Voorzitter Dr. À. D. Voûte.
Aanwezig de leden: Dr. G. Barendrecht, L. Bels, P. J. Bels, Dr. A. F. H. Besemer,
3 Dr. C. J. Briejer, Mej. W. de Brouwer, G. J. H. Ebbinge Wubben, G. L. van Eynd-
_ hoven, Mej. Ir. H. G. Kronenberg, Dr. B. J. Krijgsman, Dr. D. J. Kuenen, F. E. Loosjes,
_ W. J. Maan, Ir. G. S. van Marle, D. Noordam Jr., Mej. A. J. ter Pelkwijk, Ir. N. van
- Poeteren, Prof. Dr. W. J. K. Roepke, L. E. van ’t Sant, Dr. J. H. Schuurmans Stek-
| hoven, F. G. A. M. Smit, Dr. D. J. Wilcke, J. de Wilde.
De Voorzitter opent de vergadering, die in hoofdzaak gewijd is aan het probleem
. der diapause.
Dr. B. J. Krijgsman houdt
Een physiologisch-oecologische inleiding over diapause.
In de ontwikkeling van het insect kan een periode aanbreken, waarin de groei
| vrij plotseling tot stilstand komt. Deze ontwikkelingsstilstand, de diapause, die
… zoowel in het ei-, larve- als popstadium kan optreden, duurt soms maanden lang. De
diapause is anatomisch gekarakteriseerd door ontbreken van morphologische verande-
_ ringen. Physiologisch is een sterke depressie van de stofwisseling karakteristiek, die zich
in de eerste plaats uit in het zuurstofverbruik, en wel door een scherpe daling en con-
_ stant blijven op een laag niveau, zoolang de diapause duurt. Het verminderde zuurstof-
| verbruik werd o.a. vastgesteld bij eieren van Melanoplus sp. In verband hiermee wordt
tijdens de diapause zeer weinig reservevoedsel verbruikt, hetgeen bij de coloradokever
duidelijk tot uiting komt, die in de winterrust haast geen vet verbruikt.
____Diíapause kan optreden door uitwendige oorzaken, bijv. daling van de temperatuur
_ (overwinteren). Toch is de lage stofwisseling tijdens de diapause niet direct gekoppeld
aan de heerschende lage temperatuur, want een insect (wespen, mieren), dat in dia-
x pause is, heeft bij 0° een veel geringer zuurstofverbruik dan hetzelfde insect, niet
| in diapause, bij die temperatuur. Het insect in diapause heeft zijn stofwisseling dus op
_ een veel lager niveau gebracht dan ea voor die lage temperatuur
“ noodig was.
Dat de lage temperatuur niet de directe oorzaak is voor de lage stofwisseling, blijkt
ook uit het feit, dat droogte of honger een diapause (met gering zuurstofverbruik)
_ kunnen oproepen.
Merkwaardig is echter, dat verschillende insecten in de herfst een diapause beginnen
| als de temperatuur van de omgeving nog niet gedaald is en ook geen andere millieu-
factoren als prikkel optreden. Het is gebleken, dat ook inwendige factoren een rol
spelen. Roubaud heeft in verband hiermee de insecten verdeeld in 2 groepen:
1) Homodynamische insecten, waarvan de generaties in een constant milieu onver-
traagd doorgaan en waarbij de diapause direct door een milieu-invloed wordt opge-
roepen.
2) Heterodynamische insecten, waarbij een groeistilstand optreedt, onafhankelijk van
het milieu.
_ Bij de heterodynamische insecten is dus een inwendige oorzaak aanwezig, waardoor
het tijdstip van de diapause erfelijk is vastgelegd. Dikwijls zien we echter een mengsel
Van uit- en inwendige factoren, dw.z. ondanks een erfelijke aanleg oefent het milieu
L och invloed uit (b.v. bij Bombyx mori, voltinisme).
110 VERSLAG.
De diepere oorzaak van de diapause kent men nog niet, aangezien nog niet bekend
is, welke processen zich in het organisme afspelen, die de groei stopzetten en de stof-
wisseling verlagen. Roubaud meent, dat de diapause het gevolg is van een op-
hooping van chemische stoffen. Wigglesworth heeft de opvatting, dat de dia-
pause optreedt door een tijdelijke afwezigheid van groeihormonen.
De beteekenis van de diapause is, het dier door een ongunstige periode heen te
helpen ; zoodanig bezien kan men het insect in diapause opvatten als een ruststadium,
dat weer geactiveerd -wordt, zoodra het milieu weer gunstig is. Anderzijds schijnt het
insect, phylogenetisch gedacht, zoo aan deze periodisch terugkeerende rusttoestand ge-
wend te zijn, dat het er niet meer buiten kan. Zonder winterslaap bij lage temperatuur
kunnen vele insecten zich in het voorjaar niet of slechts zeer langzaam ontwikkelen.
De oorzaak hiervan is nog geheel onbekend. De mogelijkheid bestaat echter, dat de
insecten bij hooge wintertemperatuur tot sterkere stofwisseling en dus tot grooter
reserveverbruik worden gedwongen. Het gevolg hiervan zou kunnen zijn, dat er bij
het ontwaken niet genoeg reservevoedsel meer over is om de ontwikkeling verder te
volbrengen. Over dit probleem worden momenteel onderzoekingen’ uitgevoerd.
De Heer Kuenen vraagt naar de definitie van diapause.
De Heer Krijgsman : Een plotselinge stilstand in den groei van het insect, die morpho-
logisch en physiologisch karakteristiek is en een zekeren tijd kan duren.
De Heer Roepke : Beschouwt U de normale rust als diapause ?
De Heer Krijgsman: Dit is niet geheel zeker. soms ondergaat het insect een lang-
zame verdere ontwikkeling. Dit is dus wel winterrust, maar geen diapause. Diapause
is een abnormale rust, waarbij de ontwikkeling totaal stopt.
De Heer Besemer vraagt hoe het einde van de diapause wordt veroorzaakt.
De Heer Krijgsman : Bij homodynamische door milieufactoren, o.a. temperatuur-
verandering.
De Heer Besemer: Waarom blijven sommige insecten dan meerdere seizoenen in
diapause ?
De Heer Krijgsman : Dit is nog niet verklaard.
De Heer Hille Ris Lambers acht naast de indeeling hetero- en homodynamische nog
een derde categorie noodzakelijk, namelijk de insecten, die in een bepaald temperatuur-
gebied heterodynamisch zijn en in een ander temperatuurgebied homodynamisch.
De Heer Krijgsman acht deze te rangschikken onder beide groepen, al naar het
temperatuurgebied, waarin ze leven. Wellicht vormen zij ook een mengsel.
De Heer Hille Ris Lambers: Dit wijst er toch op, dat de diapause niet JO
wordt door vergiften.
De Heer Krijgsman : De hypothese van Roubaud mist inderdaad elke experimen-
teele basis.
De Heer Voûte: Vertoonen onze overwinterende dieren alle een diapause en ligt
de diapause bij een bepaald stadium vast (ei, pop of larve).
De Heer Krijgsman : Het is nog niet zeker of overwintering altijd een e is.
De diapause ligt bij een bepaald stadium vast.
De Heer Ebbinge Wubben vraagt naar de stofwisseling bij normale winterrust.
De Heer Krijgsman: Dan is er een zuurstofverbruik, dat past bij de gegeven tem-
peratuur.
De Heer Voüte wijst op een merkwaardig geval van diapause bij Calosoma, de
poppenroover, die in ijs uit Indië in Holland ingevoerd werd.
De dieren legden daar direct eieren, de jonge imagines gingen) in diapause. Bij de
volgende generatie trad deze diapause weer op, maar veel korter.
De Heer Roepke : Het diapause probleem is zeer ingewikkeld. Zie bijv. de ina
der. Deze gaat in diapause, zoodra de rijst aren gaat vormen. Na eenige maanden,
bij het invallen van den regen, eindigt deze diapause.
De Heer Krijgsman: Als de dieren pas in diapause zijn, kan men ze dan wekken
door vocht ?
De Heer Roepke: Dit is onmogelijk. Ze gaan echter niet in diapause als ze met
jonge rijstplanten gevoed worden. Blijkbaar is de physiologische toestand van de voedsel-
plant de aanleiding tot de diapause.
Dr. A. F. H. Besemer doet een mededeeling over:
De diapause van bladwespen, in het bijzonder van Diprion pini L. (de dennenbl dé 3
Bij een monster van cocons, dat in het najaar van 1938 werd verzameld en daarna È
onder zoo natuurlijk mogelijke omstandigheden bewaard werd, kwam een deel van de
imagines normaal uit in April 1939, een grooter deel bleef liggen tot Juli 1939, terwijl
| dieren nog langer bleef overliggen, zelfs tot voorjaar 1941. Van de
aarsgeneratie van het volgend jaar was het aantal overliggers zeer gering, slechts
cele dieren bleven overliggen tot Juli 1940, nog langer overliggende dieren kwamen
iet voor. Spr. vond nooit, dat Diprion in de cocons, die in den zomer boven den
jrond gesponnen worden, in diapause gaat. Hierover zijn echter wel enkele literatuur-
gaven. Of deze echter een natuurlijken toestand weergeven, wordt betwijfeld door
pr., daar de dieren ingehoesd werden. Het gelukte in zomer 1939 aan Spr. ook om
ieren van de voorjaarsgeneratie in diapause te doen gaan, door ze op hun voedsel-
lant in te hoezen, terwijl van de dieren, die zich normaal ontwikkelden geen enkele
n diapause ging.
Over de oorzaken van a diapause, heerschen zeer veel tegenstrijdige meeningen
in de literatuur.
Gösswald (1935) meent, dat lage temperatuur tijdens de larvestadia de oorzaak is.
Eliescu (1932) wijt het aan te lage vochtigheid.
Wa arschijnlijk hebben alle auteurs ten deele gelijk. Alle factoren, die ongunstig
| werken op de ontwikkeling van de larven, of althans van de laatste larvestadia, doet
het aantal overliggers grooter worden. Naast de bovengenoemde factoren, bleek ook
. bijv. „hongeren het in diapause gaan sterk te bevorderen. Ook wanneer de dieren
ingehoesd werden was het aantal overliggende dieren altijd grooter dan bij zich nor-
È È maal ontwikkelende. Wat de oorzaak is van het beëindigen van de diapause is niet
eenvoudig te zeggen. Het is niet waarschijnlijk, dat een hoogere temperatuur het af-
breken van de diapause kan veroorzaken. De temperatuur heeft geen invloed op de
cocons waarin de dieren in diapause zijn. Zijn de pronymphen eenmaal verpopt, dan
| is de ontwikkeling wel door de temperatuur te beïnvloeden. De dieren verpoppen
echter slechts ongeveer twee weken voordat ze uitkomen.
De Heer Krijgsman vraagt hoe het inhoezen geschiedt.
De Heer Besemer : Dit gebeurt door kaasdoek om de takken te binden, er ontstaat
dan o.m. een hoogere vochtigheid.
De Heer Ebbinge Wubben vraagt of de gewone winterrust van Diprion diapause is.
De Heer Besemer : Neen, reeds in December is te zien in de cocons, welke dieren
in diapause zijn en welke niet. Bij de dieren, die normaal in April uitkomen is de
ontwikkeling verder gegaan en is o.a. reeds het ,,poppenoog’’ zichtbaar. Bij de andere
staat de ontwikkeling stil op een vroeger stadium. Zij blijven liggen als pronymphe.
Het zuurstofverbruik van deze overliggende cocons is in dien tijd veel geringer dan
van dieren, die na een normale winterpause eind April zullen uitkomen.
à LI ee
Dr. D. J. Kuenen doet hierna een voorloopige mededeeling over zijn
Onderzoek naar de invloed van Vruchtboomcarbolineum en Aardolieëmulsie
op de eieren van Appelbladluis en Spint.
Het is bekend dat Vruchtboomcarbolineum (VBC) bladluiseieren doodt en aardolie
| spinteieren, maar dat omgekeerd spint zoo goed als ongevoelig is voor VBC, en luis-
eieren niet door aardolie worden gedood. Om te trachten een verklaring voor deze
_verschillen te vinden werd het volgende onderzoek verricht.
Sproeimiddelen kunnen op verschillende manieren hun doodende werking uitoefenen.
De volgende mogelijkheden zijn denkbaar :
| 1. Het sproeimiddel vormt een harde laag om het ei waardoor het uitkomen on-
_ mogelijk wordt gemaakt.
2. Het sproeimiddel verzacht de buitenste laag van de omhulsels cf lost deze op,
_ waardoor de normale ontwikkeling in de war wordt gestuurd.
3. Het sproeimiddel komt in contact met het uitkomende insect.
4. Het sproeimiddel vormt een afsluitende laag waardoor het ei verstikt wordt.
Bes! <5. ace sproeimiddel dringt in het ei door en doodt het embryo door directe toxische
8 wer ing
In de eerste plaats werd nu getracht na te gaan of het mogelijk was vast te aller
Bop welke van deze 5 wijzen de sproeimiddelen in kwestie hun invloed op de eieren
_ laten gelden. —
Het ei van de Appelbladluis (Aphis pomi de G.).
Bij het onderzoek bleek:
_ 1. VBC dringt niet in het ei door. Hierdoor is dus de laatste der 5 mogelijkheden
i uitgeschakeld.
2. De ontwikkeling van het embryo is kort na de bespuiting nog normaal, maar
rdt spoedig vertraagd. Het embryo sterft voordat het volledig ontwikkeld is. Hier-
112 VERSLAG.
door zijn de mogelijkheden 1 en 3 uitgeschakeld. In beide gevallen moest n.l. de ont-
wikkeling tot het laatst toe normaal zijn.
3. Buiten het chorion ligt een dikke gelatineuze kitlaag die het geheele ei omhult.
Deze laag wordt door een bespuiting met VBC aangetast en gedeeltelijk verwijderd.
Hierdoor wordt het dus waarschijnlijk dat we met geval 2 te maken hebben. De
veronderstelling ligt voor de hand dat de laag uitdroging tegengaat en dat door de
VBC-bespuiting het ei dus uitdroogt.
2. Het ei van spint (Mefatetranychus ulmi Koch).
De resultaten van het onderzoek waren de volgende:
1. Aardolie dringt niet in het ei door. Evenmin als bij het luisei kan hier dus van
een directe toxische werking sprake zijn.
2. De ontwikkeling van het embryo gaat ook na de bespuiting nog geheel normaal
verder tot het laatst toe. Alleen het uitkomen van het ei heeft niet plaats. Hierdoor
worden de mogelijkheden 2, 3 en 4 onwaarschijnlijk. Het maakt de indruk dat de
eischaal door de bespuiting taai wordt en niet barsten wil bij de geringe druk die de
ongeboren larve kan uitoefenen.
3. Bij ‘het ei van spint ontbreekt de gelatineuze laag zoo goed als geheel. Van
‘ eenige invloed op de eiomhulsels is hier niets waar te nemen.
Vergelijken we nu deze twee wijzen van dooding, dan kunnen we ook een hypothese
opstellen over de oorzaak van de verschillende werking van de twee middelen.
De VBC kan geen gelatineuze laag van het spintei aantasten en daarom ook geen
uitdrogende werking uitoefenen. Blijkbaar gaat er geen verzachtende invloed op het
chorion van het spintei van uit.
De aardolie kan het chorion van het luisei niet bereiken omdat dit is afgedekt door
de gelatineuse laag. Overigens is het chorion normaal veel meer leerachtig bij luis dan
bij spint (het wordt ook opengesneden en hoeft niet bij lichte druk reeds te
splinteren).
Ook het ei van een wantsensoort werd onderzocht en hier klopte de bouw met de
verwachting op grond van de hypothese. Fr is geen gelatineuze laag van beteekenis.
Het onderzoek wordt voortgezet.
De heer Roepke vraagt of er nog andere stoffen bekend zijn, die de gelatineuze laag
oplossen. Wat doet DNC (dinitroorthocresol).
De Heer Kuenen: Andere stoffen zijn mij niet bekend. DNC dringt binnen als toxi-
cans, het is een middel, dat de stofwisseling stimuleert.
De Heer Barendrecht: Is het niet mogelijk, dat andere stoffen uit VBC in het ei
doordringen ?
De Heer Kuenen: Men weet van VBC slechts weinig af, in het algemeen werken
bij olie niet de vluchtige stoffen.
De Heer Hille Ris Lambers wijst er op, dat luizeneieren nog in het allerlaatste stadium
van hun ontwikkeling kunnen uitdrogen. Spinteieren zouden zeer wel kunnen verstikken
door minerale olie.
De Heer Krijgsman gelooft het laatste niet. CO» en O2 gaan prachtig door een
oliefilmpje heen.
De Heer Roepke sluit zich hierbij aan, evenals de spreker.
De Voorzitter sluit hierop de vergadering.
VERSLAG
VAN DE EXCURSIE NAAR DEN PROEFTUIN EN HET
LABORATORIUM VAN HET Z.-H. GLASDISTRICT
OP ZATERDAG 20 SEPTEMBER 1941.
De deelnemers werden ontvangen op het Laboratorium waar Ir. J. M. Riemens een
inleiding hield over het Z.H. Glasdistrict. Met behulp van eenige cijfers werd de
È beteekenis, die dit gebied in de Nederlandsche tuinbouw inneemt, aangetoond.
“à Zoo is b.v. in geldswaarde uitgedrukt ongeveer de helft van de aanvoer van
Nederlandsche tuinbouwproducten afkomstig uit het Z.H. Glasdistrict; in 1938 werd
voor 67,306 millioen gulden aan tuinbouwproducten geveild, hiervan was voor een
waarde van 33,628 millioen gulden uit het Z.H. Glasdistrict afkomstig.
À Gewas Omzet in millioenen guldens.
Z. H. Glasdistrict Nederland.
2 Komkommers i aa 2,290 2,832
‘a lomatens ter a hee 0,195 6,950
7 See a 353924 4,333
Druiven . . SZ) 5,936
De teelt in het ZH. Cid ne heeft voor het grootste deel onder glas plaats,
waardoor de groote quanta, die afgeleverd worden dan ook te verklaren zijn.
Er ligt daar 2015 ha cultuurgrond onder glas, in het overige gedeelte van Nederland
ligt 963 ha onder glas. Door stoken (in 1938 werden 230.000 ton steenkolen verbruikt)
wordt de productie nog opgevoerd.
Hoe intensief gewerkt wordt kan ook uit de volgende cijfers afgeleid worden.
Per ha weiland wordt per jaar f 32.— aan arbeidsloon uitbetaald.
» » tarweland 3 et Od à ”
» » suikerbieten Si e ne ZOOs Li 3
» », aardappelen x at ee) a È n
» » intensieve x fe Cea) ois S200 —— |} 5) i
cultuur in Z.H.
Glasdistrict.
Men haalt per jaar van 1 stuk grond 2 a 3 oogsten b.v. stookkomkommers gevolgd
door tomaten of bloemkool, daarna tomaten; of voorteelt (radijs, spinazie of raap-
stelen, enz.), druiven, nateelt (koolrabi, andijvie of chrysanthen enz.).
Op enkele uitzonderingen na zijn alle tuinders in het ambtsgebied lid van de Ver-
eeniging Proeftuin Z.H. Glasdistrict te Naaldwijk. De vereeniging heeft ruim 5300 leden.
Er bestaat een nauw contact tusschen de practijk en de Proeftuin. De tuinders kunnen
| geregeld advies krijgen inzake bemesting, gietwater, plantenziekten, verwarming enz.
_ Op de proeftuin worden hieromtrent proeven genomen. In het laboratorium worden
grondmonsters en zieke planten) onderzocht. In 1941 werden voor de practijk 4126
grondmonsters onderzocht.
| Na de bezichtiging van het nieuwe laboratorium (le steen gelegd 9 Mei 1940) werd
| een rondgang gemaakt door de tuin, waar o.a. bijzondere aandacht werd besteed aan
_ de bemestingsproeven op druiven en tomaten.
¥. Dierlijke beschadigingen van de Champignoncultuur.
È In de namiddag hield Mej. W. de Brouwer een voordracht over dierlijke beschadi-
f gers bij de champignoncultuur. De gegevens waren voor een deel ontleend aan het
. onderzoek dat Dr. S. Broekhuizen heeft ingesteld gedurende den tijd dat hij
aan den Proeftuin was verbonden (zie Tijdschrift over Plantenziekten Jrg. 44, Afl. 3).
“= Het onderzoek was onder meer mogelijk doordat geregeld champignons op de Proef-
| tuin geteeld zijn.
Achtereenvolgens zijn verschillende schadelijke insecten en mijten genoemd. Doordat
de Proeftuin steeds veel bereidwilligheid van deskundigen heeft mogen ontvangen bij
- het determineeren van de parasieten, is bekend welke soorten voorkomen.
«Van veel belang zijn de champignonmugjes (Neosciara fenestrialis Zett) en cham-
| pignonvliegjes (Megaselia halterata Wood). Beide richten dikwijls groote schade aan
4
| doordat de maden al etend de steel en bij hevige aantasting ook de hoed van de
T 14 VERSLAG:
champignons doorboren. De mugjes treden zeer algemeen op en kunnen door massaal
optreden een geheele oogst te gronde richten. Er is nog een Sciara-soort in Naaldwijk
waargenomen, vermoedelijk Sciara recurva Löw. ;
Een paar keer zijn champignons gevonden met oranje larven. Waarschijnlijk waren
het larven van Mycophila speyeri Barnes. De beschadiging is niet ernstig doch wan-
neer vele larven voorkomen kunnen de hoeden niet geveild worden. :
Als schadelijke mijt werd Coelognathus dimidiatus Herm. genoemd. Deze vreet van
buiten af gaten in de hoeden.
Verder treedt Linopodes motatorius L. dikwijls op. De schade, die deze mijt veroor-
zaakt lijkt gering. Volgens een Engelsche publicatie (Mushroom growing, Bull. 34 Min.
of Agriculture and Fisheries) tast L. motatorius de champignons echter aan de basis
van de steel aan en voedt zich daar met myceliumdraden. Op de proeftuin is waar-
genomen dat bij een aantasting door deze mijt de champignons erg los zitten. De
steeltjes zijn door de beschadiging onderaan roodachtig gekleurd. De aangetaste cham-
pignons groeien slecht. Waak ziet men op de bedden roofmijten (o.a. Macrocheles
muscae domesticae Scop.) ; deze tasten de champignons niet aan doch kunnen wanneer
ze in groote getale optreden, hinderlijk zijn.
Springstaarten (o.a. Hypogastrura armata Nic.) komen regelmatig op de bedden
voor ; de schade is doorgaans van niet veel beteekenis.
Ter voorkoming en bestrijding van de kwalen kunnen verschillende maatregelen
genomen worden.
Wordt de temperatuur beneden 15° C. gehouden dan vermenigvuldigen de mugjes
en vliegjes zich niet zoo snel. In de grotten in Zuid-Limburg (=. 10° C.) richten
deze insecten doorgaans niet veel schade aan.
Andere maatregelen zijn o.a.:
1. het goed fermenteeren van de mest ;
2. geen nieuwe bedden aanleggen in een ruimte waar al bedden liggen ;
3. afval verwijderen ;
4. ontsmetten van gereedschappen en teeltruimte enz.
Ook kunnen in sommige gevallen bestrijdingsmiddelen toegepast worden b.v. Calcid
(blauwzuurgas), Pyrethrum praeparaten, nicotine enz.
Bestrijding van wortelaaltje.
Daarna werd door Ir. van Koot een overzicht gegeven van het werk, dat in
de loop der jaren op de Proeftuin Zuid-Hollandsch Glasdistrict door verschillende
onderzoekers verricht is op het gebied van de bestrijding van het wortelaaltje van de
tomaat (Heterodera marioni). Dit aaltje, dat in het Westland zeer algemeen voorkomt,
tast nog tal van andere groentegewassen aan b.v. komkommer, boonen, peen, sla en
andijvie. Bovendien worden, zooals uit een onderzoek van Hauser gebleken is,
ook talrijke hier voorkomende onkruiden' aangetast.
Hierdoor is het bijzonder moeilijk alleen door vruchtwisseling de „knol -aantasting
in toom te houden. Daarom heeft het onderzoek zich in hoofdzaak geconcentreerd op
het beproeven van directe bestrijdingsmiddelen ter ontsmetting van den grond. Terwijl
de toepassing hiervan in de landbouw vrijwel uitgesloten is, zijn in de tuinbouw dure
ontsmettingsmaatregelen, zooals stoomen van den grond, economisch verantwoord i.v.m.
de veel hoogere geldelijke opbrengst per oppervlakte eenheid.
De grondontsmettingsmiddelen, die in de praktijk het meeste tegen het „knol -aaltje
toegepast worden, zijn het stoomen van den grond, in het Westland ingevoerd door
Ir. Riemens, en de behandeling met zwavelkoolstof. In het kort werd uiteengezet,
hoe deze ontsmetting in de practijk uitgevoerd wordt (later in den middag werd deze
. ontsmetting gedemonstreerd).
Op de proeftuin zijn ook tal van andere grondontsmettingsmiddelen onderzocht
(o.a. door Hauser, Rietberg en Mej. de Brouwer), zoowel in potproeven
als in veldproeven: chloorpicrine, formaline, cystogon, verschillende emulsies, waarin
één of meer dezer stoffen verwerkt zijn, en verschillende teerproducten. Bij dit onder-
zoek werd op verschillende punten gelet:
1. Het aaltjes-doodend effect. Dit werd o.a. nagegaan met behulp van de indicator-
plant-methode van Godfrey.
2. De beschadigende werking op de plant. Daarbij werd ook onderzocht in hoeverre
de omstandigheden, waaronder de ontsmetting plaats heeft, hierop invloed uitoefenen.
3. De groei-stimuleerende werking. De gevolgen van de z.g. partiëele sterilisatie van
den grond t.o.v. het vrijkomen van voedingsstoffen en het bacterieleven werden
uitvoerig onderzocht. De invloed van deze 3 factoren op het resultaat van de
rt den zei ie onderzoekingen verricht betreffende den invloed van
ige omstandigheden op de ontwikkeling van de wortelaaltjes (o.a. door Jume-
os Hauser). Hierbij is zeer sile dat het „knolaaltje” zich in hoofdzaak
dersteld wordt, dat hier sprake is van een ander physiologisch verschillend ras van
eterodera marioni.
Na afloop van de voordrachten werd nog even gedemonstreerd hoe CSe in den grond ~
werd gebracht. Dit geschiedt met behulp van een soort hark (er bevinden zich gaatjes
n de tanden) die door den grond. getrokken wordt. De CS2 wordt door de hark
gepompt.
Op een bedrijf te Loosduinen was men bezig Stoomsterilisatie toe te passen, nog
steeds het beste middel voor bodemdesinfectie. Door geperforeerde buizen wordt stoom
in den grond geblazen en de temperatuur tot 100° C. opgevoerd. De meeste deelnemers
vonden gelegenheid deze werkwijze in oogenschouw te nemen.
VERSLAG
i VAN DE
| VIERDE HERFSTVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
__ GEHOUDEN IN HET RESTAURANT VAN „NATURA ARTIS MAGISTRA” TE
4 MSTERDAM OP ZONDAG 22 NOVEMBER 1942 DES MORGENS TE 11 UUR.
| Voorzitter: de President, Dr. D. Mac Gillavry.
fico de gewone leden: Dr. G. Barendrecht, L. Bels, Ir. G. A. Graaf Bentinck,
] . J. W. Bernet Kempers, A. J. Besseling, Prof. Dr. H. Boschma, Prof. Dr. S. L. Brug,
Mej. A. M. Buitendijk, J. B. Corporaal, Dr. K. W. Dammerman, Prof. Dr. W. M.
Docters van Leeuwen, P. H. van Doesburg, H. C. L. van Eldik, A. M. J. Evers,
@ L. van Eyndhoven, F. C. J. Fischer, W. H. Gravestein, De Nederlandsche Heide-
maatschappij vertegenwoordigd door den Heer H. S. de Koning, S. van Heynsbergen,
D. Hille Ris Lambers, J. A. Janse, Dr. C. de Jong, Dr. W. J. Kabos, B. H. Klynstra,
F. B. Klynstra, het Laboratorium voor Entomologie der Landbouwhoogeschool, ver-
tegenwoordigd door Prof. Dr. W. K. J. Roepke, B. J. Lempke, Dr. D. Mac Gillavry,
6. S. A. van der Meulen, A. C. Nonnekens, Dr. S. J. van Ooststroom, D. Piet, Proef-
tuin Alsmeer, vertegenwoordigd door Ir. G. S. van Marle, Dr. A. Reyne, het Rijks-
museum van Natuurlijke Historie, vertegenwoordigd door Dr. L. D. Brongersma, H. G.
M. Teunissen, Dr. D. L. Uyttenboogaart, L. Vari, P. M. F. Verhoeff, J. J. de Vos
‘tot Nederveen Cappel, P. van der Wiel, Dr. J. Wilcke, Ir. T. H. van Wisselingh,
J. H .E. Wittpen, J. C. Wijnbelt.
Afwezig met kennisgeving : het Eerelid Dr. A. C. Oudemans en de gewone leden :
|P. J. Brakman, H. Coldewey, Dr. Ir. J. Doeksen, D. Hemminga, J. W. Kenniphaas,
…Mei. M. E. Mac Gillavry, J. J. Plomp, Aug. Stärcke, Dr. A. D. Voûte.
De Voorzitter opent de vergadering en geeft het woord aan Prof. Dr. W. K. J.
oepke tot het houden van zijn voordracht:
De nomenclatuur-impasse, en wat moeten wij doen om eruit te geraken.
Het is geen bepaald plezierig onderwerp, waarvoor ik vandaag Uw aandacht vraag.
Ook moge ik de opmerking vooraf doen gaan, dat ik zelve geen al te groote vriend
an de nomenclatuurregelen ben, eerder beschouw ik ze als een soort noodzakelijk
kwaad, dat men niet kan negeeren, maar dat men met groote voorzichtigheid moet
hanteeren. Daarom ben ik ook geen voorstander van een of andere richting, ik ben
“dus noch purist, — al voel ik in principe voor het prioriteits-beginsel — noch ga ik
accoord met het continuiteitsprincipe van Heikertinger ea, wetende dat men
| hiermede toch niets bereikt. Ik zou in de nomenclatuur-regelen liefst niets anders willen
zien dan een stelsel van algemeene richtlijnen, waaraan men zich als regel dient te
‘houden, maar waarvan men in uitzonderingsgevallen ook mag afwijken, nl. wanneer
EA de logica of het gezond verstand dit gebieden.
i Allereerst rijst de vraag, hoe komt het, dat de nomenclatuurregelen ons voor moeilijk-
| een plaatsen, moeilijkheden, die eerder nog zullen toe- dan afnemen, althans nog
voor geruimen tijd, en die den toestand hoe langer hoe onhoudbaarder zullen maken.
Velnu, deze moeilijkheden zijn niet van nieuwen datum, integendeel, zij zijn zoo oud
als onze nomenclatuur zelve, en zij namen in omvang en beteekenis toe naar gelang
on e descriptieve wetenschap uitgroeide tot hetgeen ze heden ten dage geworden is.
Deze gang van zaken heeft al in de vorige eeuw den wensch naar vaste, internationale
voorschriften doen ontstaan, die dan in 1901, op het 5e Internat. Zool. Congres te
Berlijn belichaamd werden door de Internationale Nomenclatuur-Regelen, sedert dien
op verscheidene volgende congressen aangevuld en geamendeerd. Deze regels bestaan
uit articles, recommendations en opinions. Hun werking is tweeledig.
4 ») beoogen ze voorschriften te geven voor de vorming van nieuwe namen. Deze
foorschriften zijn over het algemeen goed, en als zij behoorlijk in acht worden geno-
men, is de kans gering, dat er in de toekomst nieuwe, nomenclatorische ongelukken
II VERSLAG.
uit voortkomen. Als linguist betreur ik alleen, dat in een enkel opzicht de voorschriften
niet in overeenstemming zijn met de taalregels, nl. voor zoover het betreft de vorming
van patronymische namen in den Zen naamval. Is het uitgangswoord gelatiniseerd,
zooals Linnaeus, Fabricius, Toxopeus, dan zow de speciesnaam moeten
worden : linnaeusi, fabriciusi, toxopeusi. leder kenner der klassieke talen voelt dit als
iets onmogelijks aan, ik houd mij dan ook aan linnaei, fabricii, toxopei enz. Hetzelfde
geldt voor Scriba, Nauta, Agricola, Cantor e.d, naar mijn opvatting ver-
dient scribae, nautae, agricolae, cantoris de voorkeur boven het onmogelijke scribai,
nautai, agricolai, cantori enz. Natuurlijk zijn hiervan uitgezonderd niet gelatiniseerde
woorden als Ritsema, Calberla, Failla e.d, waarvan de 2e naamval moet
luiden ritsemai, calberlai, faillaï enz. Niet mooi is ook de bepaling, dat de 2e naam-
val van den persoonsnaam altijd door een enkele i resp. ae moet worden gevormd.
Dit is taalkundig niet altijd juist, want gelatiniseerd eindigen bepaalde persoonsnamen
op -ius, resp. -ia, beter is dus leefmansii resp. walshiae dan leefmansi resp. walshae.
Als geslachtsnaam heet het toch ook Leefmansius en Walshia, en niet Leefmansus en
Walsha! Maar afgezien van deze schoonheidsfouten kan men met voldoening con-
stateeren, dat in dit opzicht de regels aan hun doel beantwoorden en zegenrijk werken.
2°) Beoogen zij de vaststelling der juiste namen, die in het verleden zijn gebezigd, val.
voor de genera en species. Als leidend beginsel is hiervoor het zg. prioriteitsprincipe
aanvaard, d.w.z. geldig is uitsluitend de oudste naam. Dit klinkt zeer eenvoudig en
lijkt volkomen logisch en juist, het heeft echter in de practijk tot dusdanige moeilijk-
heden aanleiding gegeven en doet dit nog dagelijks, dat wij in een moeras terecht zijn
gekomen, waarin wij voorloopig nog steeds dieper wegzakken. Vooral onze oude namen
van omstreeks 1800 en kort daarna, alsmede de namen van onze groote en meest be-
studeerde insectengroepen, zijn hiervan het slachtoffer geworden; het is geen overdrij-
ving wanneer men zegt, dat onze oudere nomenclatuur grootendeels op losse schroeven
is komen te staan. Tal van overigens wel bekende insecten hebben nu twee en meer
namen, en niemand weet, welke de juiste is. Voorbeelden zijn er voor het grijpen, ik
behoef ze hier niet aan te halen, en welke moeilijkheden dit oplevert voor den practi-
schen entomoloog, voor den docent, den verzamelaar, die up-to-date wil zijn, voor den
wetenschappelijken schrijver enz., dit alles behoeft niet nader uiteengezet te worden.
De situatie klemt te meer, daar er specialisten zijn geweest, de z.g. puristen, die zoo
zeer het prioriteits-principe hebben nagestreefd, dat zij oudere, echter onzekere namen,
noodeloos hebben ingevoerd voor nieuwere, die volkomen ingeburgerd waren en boven
alle verdenking stonden, zoodat later weer de jongere namen in eere hersteld moesten
worden. Ik herinner slechts aan het geval Pompilus en Psammochares, aan Sesia en
Aegeria en misschien valt Locusta en Acridium ook in dit kader. Ik kan mij desnoods
ermede vereenigen, dat men een jongeren naam vervangt door een ouderen, echter
alleen op die voorwaarde, dat diens geldigheid onomstootelijk en ondubbelzinnig vast
staat, ik ga er echter niet accoord mede, dat een „zekere naam wordt vervangen
door een ,,onzekeren’” en ik betreur een dergelijke manier van doen ten zeerste. Het
heeft ons voor groote en aanhoudende moeilijkheden: geplaatst.
Het is niet mijn bedoeling over dit punt nader uit te wijden. Trouwens met jammer-
klachten komen wij er niet. De vraag rijst, zooals ook blijkt uit den titel van deze
mededeeling, wat moeten wij doen om uit de impasse te geraken? Het antwoord zou
natuurlijk moeten luiden, dat wij moeten trachten langs legalen weg den onhoudbaren
toestand op te heffen, d.w.z. door middel van internationale congres-besluiten. Wan-
neer men echter bedenkt, dat men hierover nu al ongeveer 40 jaar doende is, zonder
dat men meer bereikt heeft dan dat enkele der meest schrijnende plekjes zijn weg-
gewerkt, en wanneer men zich verder rekenschap geeft van den tegenwoordigen in-
ternationalen toestand, dan zal men wel begrijpen, dat het streven naar afdoende
internationale regeling niets anders beteekent, dan dat de toestand zoo blijft als die
is. Men meene vooral niet, dat men met moties, op het eerstvolgende congres in te
dienen, iets bereikt ; dit is tot nog toe doelloos gebleken. Ook lange lijsten van nomina
conservanda hebben geen succes, want geen Congres acht zich competent zulke lijsten
op hun steekhoudendheid te controleeren, laat staan ze en bloc te accepteeren.
Uitvoerige betoogen in de literatuur, soms min of meer aandoenlijk en niet altijd
even zakelijk, kunnen we met stilzwijgen voorbij gaan, met dergelijke middelen komen
wij er ook nooit.
Aangezien nu de kans op spoedige Internationale regeling bedroevend klein is, stel
ik voor, een Nationale, Nederlandsche Commissie voor de nomenclatuur (speciaal der
insecten) in te stellen of te doen herleven, met als voornaamste taak:
1°) naamlijsten op te stellen van de meest algemeene en economisch belangrijke in-
secten uit alle orden, in samenwerking met binnenlandsche en desgewenscht ook met
buitenlandsche specialisten,
VERSLAG. III
2°) Deze lijsten na gereedkoming spoedig te publiceeren, de daarin gebezigde namen
zijn in Nederland geldig, zoolang niet onomstootelijk aangetoond is, dat zij onjuist zijn
. en/of dat een Internationaal Congres anders beslist heeft.
3°) De Commissie wendt zich geregeld tot de eerstvolgende congressen met de be-
doeling, om in bepaalde, moeilijke of twijfelachtige gevallen een bindend besluit uit
te lokken. Zij doet dit op grond van gemotiveerde voorstellen en desgewenscht in
samenwerking met buitenlandsche zusterinstellingen.
4°) De leden der Ned. Ent. Ver. en van haar onderafdeelingen kunnen voorstellen
van nomenclatorischen aard bij de Commissie indienen, de Commissie onderzoekt deze
voorstellen, zij dient zoo mogelijk van advies en maakt zoo mogelijk deze voorstellen
gereed voor een behandeling op een eerstvolgend Congres.
15°) De Commissie vertegenwoordigt desgewenscht de Ned. Ent. Ver. en hare onder-
afdeelingen op de secties voor de nomenclatuur op de eerstvolgende Int. Zool. resp.
Ent. Congressen.
6°) De Commissie bepaalt hare werkzaamheden zelf in overleg met het Bestuur der
Ned. Ent. Vereeniging.
De heer de Meijere merkt het volgende op:
Als Nederlandsch lid sinds 1932 van de Internationale Entomologische Nomenclatuur-
commissie zij het mij vergund over de questie der nomenclatuur mijne meening te doen
kennen. Mi. worden de moeilijkheden in hoofdzaak veroorzaakt door drie factoren :
ten Iste den prioriteitsregel, ten 2de den typencultus, ten 3de de te ver gaande split-
sing in genera. Daarbij komen dan nog allerlei lastigheden van minderen omvang.
Alleen de twee eersten zijn door de commissie en door de congressen, voorgestaan.
Beide zijn in theorie volkomen juist, maar geven in de praktijk aanleiding tot velerlei
moeilijkheden en onzekerheden door de onvolledigheid der oudere beschrijvingen, het
verloren gaan of den onherkenbaren staat der typen, hunne mogelijke verplaatsingen
enz. enz., en ook als alles zeker is, zijn daardoor vele langgebruikte namen vervallen
verklaard en door geheel onbekende vervangen. Dat het betere de vijand is van
het goede, is hierbij overvloedig gebleken. Vooral zij, die zich interesseeren voor de
economisch belangrijke insecten, die toch verre in de minderheid zijn, hebben hierover
geklaagd, daar hun die veranderingen niets dan last veroorzaakten.
Linnaeus heeft gemeend door zijne genera de verwantschap of althans onderlinge
gelijkenis te kunnen aangeven, maar tegenwoordig zijn er auteurs, die op zoo kleine
plastische verschillen nieuwe genera invoeren, dat dit voordeel grootendeels verloren
gaat. Voegen latere auteurs dan zulke geslachten weer bijeen, dat moeten inmiddels
opgestelde gelijke soortnamen ook weer ten deele veranderd worden.
Ik zou willen aanraden bij pogingen, om uit de moeilijkheden te geraken met de
ingestelde internationale commissie in elk geval voeling te houden. Wijlen Dr. Horn
wenschte in 1938 op het congres te Berlijn, dat de commissie af zou treden, omdat
zij geen adviezen, maar wetten wilde geven. Ik geloof niet, dat dit juist is; wel hoopte
zij, dat anderen hare adviezen zouden aannemen, daar het geen principes maar slechts
een hulpmiddel betreft. Als ieder op zijn standpunt blijft staan, komen wij nooit tot
een eenvormige nomenclatuur. De tot nu ingestelde veranderingen te herroepen zal ook
niet gaan, daar zij al in vele werken zijn ingevoerd; hoogstens zou men kunnen be-
proeven den prioriteitsregel voor namen, die nu nog niet ontdekt zijn en minstens b.v.
30 jaren oud zijn en voor even oude typen te doen vervallen, maar ook dit stuit, behalve
de inconsequentie, die er in zou liggen, op allerlei bezwaren, want vele oude namen
zijn wel reeds bekend, maar door geen auteur nog weder ingevoerd en vele gave oude
typen, vooral van exoten, zijn nog nooit opnieuw onderzocht.
Den heeren van de toegepaste entomologie zoude ik willen aanraden de namen uit
goede, nieuwere handboeken of catalogi, zooals die van Sorauer, Escherich,
den catalogus voor macros van Lempke enz. te gebruiken, desnoods met den
vroegeren naam tusschen haakjes erbij.
De Heer Dammerman zegt, dat hij het met Prof. Roepke geheel eens is wat be-
treft de impasse waarin wij geraakt zijn. Bij zijn eigen zoögeographisch werk heeft
hij herhaaldelijk ondervonden, hoezeer dit werk bemoeilijkt, dikwijls zelfs haast onmo-
gelijk gemaakt wordt door de voortdurende naamsveranderingen.
Als men het prioriteits-principe niet volledig aanvaardt maar slechts incidenteel
wenscht toe te passen, dan zal het toch noodig zijn hierbij bepaalde regels tot richt-
| snoer te nemen, anders behoudt’ieder onderzoeker eigen inzicht en smaak en kan zich
over elke soortnaam of genusnaam debat ontspinnen.
Ook het opstellen van nationale, beter regionale, lijsten van soortnamen op grond
van een nationaal decreet of een regionale publicatie is niet aan te bevelen, daar dan
elk land een eigen nationale nomenclatuur gaat volgen, die in andere landen geen
IV: VERSLAG.
weerklank zal vinden, voor Nederland vooral is dit bezwaar groot, daar ons land
veel te beperkt is en geen bepaald zoögeographisch gebied omvat.
Naar Spr. meent komt men dan ook niet uit de moeilijkheden als men niet in plaats
van het tot nu toe gevolgde prioriteitsprincipe een ander beginsel als grondslag neemt
dat voor alle gevallen geldt en door alle landen aanvaard kan worden. Spr. stelt daarom
voor, dat men zal uitgaan van de volgende beginselen :
1. Geldig zijn in de eerste plaats de namen voor soorten, geslachten en hoogere
groepen, gebezigd in een monographie, catalogus of naamlijst met literatuuropgave,
aangaande een bepaalde diergroep, liefst niet lager dan een orde, verschenen tusschen
1864 en 1905.
2. Alle literatuur verschenen vóór de uitgave van bedoelde monographie, catalogus
of naamlijst, wordt verwaarloosd, voor zoover het nomenclatuur be-
treft, eveneens alle literatuur na dien datum verschenen, voor zoover deze niet
wordt vermeld in de Zoölogical Records tot en met 1905.
3. Ten aanzien van namen gegeven aan nieuwe soorten, geslachten, enz., na 1 Ja-
nuari 1906, geldt de prioriteitsregel.
Zoo zou men bijvoorbeeld wat betreft de kevers de Catalogus Coleopterorum van
Gemminger and Harold, 1868—1876, als uitgangspunt kunnen nemen, alle
daarin vermelde namen zijn dus te beschouwen als nomina conservanda.
Er doen zich bij toepassing van boven vermelde regels natuurlijk nog tal van moeilijk-
heden voor, die ondervangen moeten worden, spreker hoopt daarom zijn voorstel nog
nader uit te werken.
De Heer Hille Ris Lambers stelt, speciaal in verband met de behoeften der toege-
paste Entomologie, voor, dat men steeds die namen zal bezigen, welke gebruikt worden
in de „Review of Applied Entomology”. Op deze wijze kan dan van de economisch
belangrijkste insecten een naamlijst worden opgesteld, die bindend zou moeten zijn
voor de toegepaste entomologie.
De Voorzitter merkt op, dat, wil men dezen weg volgen, het wenschelijk is den
datum van de Review bij den gebruikten naam te voegen.
De Heer Boschma wijst er op, dat het sterk af te raden is om iets te doen, dat in
strijd is met de Internationale Commissie voor Zoölogische Nomenclatuur, omdat zulks
nooit kans van levensvatbaarheid zal hebben op internationaal gebied. Wel zal het
mogelijk zijn de verwarring op nomenclatorisch gebied te verminderen door werk te
verrichten zooals dat in Engeland geschied is bij het vaststellen van de juiste weten-
schappelijke namen van Britsche dieren en zooals men in Amerika gedaan heeft bij het
kiezen van den meest geschikten of meest gewenschten naam onder de vele Engelsche
namen waaronder het dier tot nu toe in de literatuur werd aangeduid.
De Voorzitter heeft van twee leden reeds voor de vergadering schriftelijk enkele
opmerkingen over de nomenclatuurkwestie ontvangen en wel van de heeren À, C.
_ Oudemans en Aug. Stärcke,
Den Heer Oudemans is nooit de noodzakelijkheid gebleken van een speciale ento-
mologische nomenclatuurcommissie !
De Voorzitter merkt hierbij op, dat de heer Oudemans door zijn omvangrijke histo-
risch-kritische studien over de Acari en eenigermate ook voor de Aphaniptera, een
grondslag gelegd heeft om tot stabilisatie te geraken. Hem is wel geen der oudere
schrijvers ontsnapt en waar hij op grond hiervan oudere namen substitueerde voor
latere, toen meer gangbare, ‘heeft de acarologie hem zeer dikwijls gevolgd. Echter
niet steeds, wat natuurlijk hieraan is toe te schrijven, dat hij wel getracht heeft de
onduidelijke diagnosen der oudere schrijvers te duiden, maar dat andere onderzoekers
het hierin niet altijd met hem eens waren. Dit blijft het zwakke punt van het opdiepen
van oude, later vergeten of miskende schrijvers. Ware bijtijds ook op andere gebieden
de oude literatuur zoo volledig mogelijk en kritisch door competente schrijvers onder
de loupe genomen dan waren ons veel moeilijkheden bespaard gebleven. De vraag is:
wie is in deze werkelijk competent ?
De Heer Stärcke merkte het volgende op:
De Congresbesluiten aangaande de prioiteit zijn gegeven voor de gevallen waarin
verwarring bestaat, niet voor de gevallen waarin thans geen verwarring bestaat doch
ontstaan zou indien opzettelijk oude namen uitgegraven en in circulatie gebracht zouden
worden. Forel, Wheeler en Emery hebben een goed voorbeeld gegeven
toen zij met een zucht van verlichting den naam Lasius voor een Formicidengenus
herstelden ofschoon ergens een oud Apidengenus van dien naam was opgegraven. Het
zou weinig moeite kosten om voor allerlei gebruikelijke namen oudere op te graven.
Dit moet niet geschieden.
Het splitsen van genera, dat zoo dikwijls aanleiding wordt tot nieuwe naamsveran-
de dende sois, à
VERSLAG. Vv
deringen door het opnieuw valide worden van synonymen, moet worden beperkt tot
gevallen waarin species blijken niet te beantwoorden aan de genus-diagnose, maar
| niet toegelaten worden zóó maar, voor het gemak. Daarvoor is een subgenus voldoende.
Men moet zich aanpassen aan de omwenteling, die het algemeen gebruik van de
vergrootingen tot 100 X der binoculairen in de soortsbeschrijvingen geeft. Hierin worden
dan kenmerken opgegeven, waarop de oudere typen van Linné e.d. niet meer onder-
zocht kunnen worden wegens ontharing en verweering der microstructuur. Daarom
“moet een datum worden vastgesteld waarop verder gebruik van die oudere typen buiten
werking wordt gesteld.
_ De tijdschriften dienen geen nieuwe beschrijvingen (van soorten enz.) op te nemen
tenzij de auteur een nieuwe synopsis van het genus er bij geeft of althans duidelijk
aangeeft wat de verschillen zijn met alle verwante soorten. Bij de Formiciden zondigden
èn Forel èn Santschi èn Karawaiew dikwijls in erge mate hiertegen.
De Heer Roepke betoogt, dat de zienswijze van Dr. Dammerman niet nieuw is, zij is
reeds kort na de inwerkingtreding der nomenclatuur-regelen meermalen naar voren ge-
komen, heeft echter internationaal geen schijn van een kans op verwezenlijking. De
Commissie zou dus dezen weg niet moeten. bewandelen. Ook betreurt Spr., dat Dr. D.
terug wil gaan tot zoo oude catalogi als dien van Gemminger & Harold, het
wiel des tijds zou daardoor te veel achteruitgedraaid worden.
De Heer Roepke is van meening, dat het standpunt van den Heer Hille Ris
Lambers uiteindelijk niet zoo heel veel verschilt van het zijne, beide streven in
hoofdzaak naar de vastlegging van den „besten naam, die op een gegeven oogenblik
vastgesteld kan worden. De Heer Hille Ris Lambers wenscht echter onver-
brekelijke koppeling van den genus- en speciesnaam, speciaal ten behoeve van de toe-
passende entomologen. De Commissie wil ook lijsten van vaste namen opmaken, waar-
mede dus aan den wensch van den Heer Hille Ris Lambers is voldaan. Alleen
wenscht de Heer Hille Ris Lambers aan zijn naam-combinaties een meer per-
manent karakter te geven, terwijl de Commissie meent, tegenover noodzakelijk wordende
naamveranderingen niet afwijzend te moeten staan. Het gevaar is niet denkbeeldig, dat
zoodoende op den duur een afzonderlijke nomenclatuur voor de toegepaste entomologie
ontstaat, en Spr. acht het uitgesloten, dat een dergelijke gang van zaken internationaal
instemming zou kunnen vinden.
De Heer Hille Ris Lambers antwoordt, dat het juist geenszins zijn bedoeling is, dat
genus- en soortsnaam onverbrekelijk aan elkaar gekoppeld zouden worden. Hij acht
het integendeel juist een groot bezwaar van het voorstel van Dr. Dammerman
dat de specialisten in hun vrijheid belemmerd zouden worden. om een soort in een
ander genus te plaatsen. Zijn voorstel heeft uitsluitend betrekking op de practijk der
toegepaste entomologie.
De Heer Dammerman antwoordt op de bezwaren, die Prof. Roepke naar voren
heeft gebracht, dat het teruggrijpen op een oude monographie of catalogus geenszins
beteekent de klok terugzetten, men verliest daarbij, zooals zoo vaak geschiedt, uit het
oog dat het aanvaarden van oude namen niets met het systeem als zoodanig heeft
uit te staan. Als dit waar zou zijn, dan is het aanvaarden van de door Linnaeus
ingevoerde namen nog veel verwerpelijker, want Linnaeus als systematicus is
toch meer verouderd dan allen die op hem volgden! Als we volgens het prioriteits-
beginsel uitgaan van Linnaeus dan beteekent dit toch ook alleen dat wij zooveel
mogelijk de door hem gebezigde namen behouden en niet zijn systeem volgen. Even-
zoo, als we Gemminger en Harold voor de kevers als uitgangspunt nemen,
slaat dit uitsluitend op de aldaar gebezigde namen, niet op het daar gevolgde systeem.
Het voorstel beteekent dan ook geenszins een stap terug, het is veeleer een stap
vooruit, meer dan een eeuw vooruit en langer, wanneer we niet 1758 maar 1864 of
een later tijdstip als beginpunt aannemen.
Het aanvaarden van een moderne catalogus als die van Junk heeft het bezwaar,
dat men daardoor gedwongen zou zijn de allernieuwste namen te gebruiken, terwijl
het er juist om gaat zooveel mogelijk oude reeds lang ingeburgerde namen niet over-
| boord te werpen en te vervangen door nieuwe, die geheel onbekend zijn en geen
verband houden met het verleden. Het voorstel van Spr. beoogt juist de oude namen
in stand te houden, namen die in de vorige eeuw algemeen gebruikelijk waren en
die men herhaaldelijk in de oudere literatuur tegenkomt. De toestand is thans eigenlijk
zoo, dat men bij gebruik van een geheel nieuwe naam toch weer een of twee oudere
namen moet voegen, waaronder het dier vroeger algemeen bekend was.
Spr. heeft bovenbedoeld voorstel reeds eerder aanbevolen en ook toegepast ten
aanzien der zoogdieren, waarbij de bekende Catalogus van Trouessart als grond-
_ slag werd genomen. Hierbij werden tot nu toe geenerlei onoverkomelijke bezwaren
ondervonden.
VI VERSLAG.
Naar aanleiding van een opmerking van den Voorzitter, merkt de Heer Dammer-
man op, dat het natuurlijk geenszins de bedoeling is alle oudere literatuur te negeeren.
Men moet die literatuur zeker bestudeeren zoo er iets belangwekkends in staat, maar
het napluizen van alle mogelijke en onmogelijke geschriften alleen terwille van een
naam is toch noodeloos monnikenwerk. Het gaat er alleen om slechts een beperkt en
voor een ieder toegankelijk aantal publicaties te laten gelden voorzoover het de
nomenclatuur betreft.
Wat nu de opmerkingen van den Heer Hille Ris Lambers aangaat, zou
Dr. Dammerman ook hier weer er op willen wijzen, dat men toch vooral niet
systematiek en nomenclatuur met elkaar moet verwarren. Als men een oude mono-
graphie of catalogus als grondslag neemt dan wil dit alleen zeggen, dat zooveel
mogelijk de daar gebezigde namen voor soorten, geslachten en families behouden
blijven, natuurlijk niet steeds in dezelfde combinatie, maar wel elke naam op zichzelf.
Het beteekent alleen, dat men de daar gebezigde namen niet door nieuwe gaat ver-
vangen uitsluitend op prioriteitsgronden. Het staat natuurlijk ieder systematicus vrij
een oud geslacht te splitsen of nieuwe geslachten of families op te stellen. Als hij dit
op goede gronden doet kan men hem daarin volgen, maar dit heeft ook weer niets
te maken met het invoeren van nieuwe namen voor oude bestaande en reeds lang
ingeburgerde namen, die een goed systematisch begrip weergeven.
De Heer Roepke dankt tenslotte den Voorzitter voor de welwillendheid, waarmede
hij hem gelegenheid tot spreken heeft geboden, en de aanwezigen voor hun aandachtig
gehoor. Hij stelt de vraag, wie de Nederlandsche nomenclatuur-commissie hebben
gevormd of nog vormen, en hij verzoekt het Bestuur met klem om spoedig ertoe over
te gaan de Commissie opnieuw te installeeren. ?
De Voorzitter antwoordt, dat in de Bestuursvergadering van 26 Jan. 1913 op ver-
zoek van het ,,International Committee on Nomenclature’, ingesteld door het 3e Intern.
Entomologen Congres te Oxford, een Nederlandsche sub-commissie is benoemd, be-
staande uit de Heeren Dr. J. Th. Oudemans, Prof. Dr. J. C. H. de Meijere,
Dr. D':MacGillavry en Dr AC. Owdemans. Dr. J. Ih, Oudewmanis
is inmiddels overleden en in den’ loop van 1941 deelden Prof. Dr. J. C. H. de Meijere
en Dr. A. C. Oudemans den President mede, dat zij hun mandaat ter beschikking
stelden. De President heeft toen, voorloopig Prof. Dr. H. Boschma aangezocht
en bereid gevonden zitting te nemen in de Nederlandsche Commissie.
De Voorzitter stelt thans voor deze handelingen goed te keuren en Prof. Boschma
en hem zelven te machtigen nog eenige heeren uit te noodigen tot de commissie toe
te treden, hierbij de hoop uitsprekende, dat de aldus vernieuwde commissie spoedig
aan het werk zal kunnen gaan. Dit voorstel wordt zonder discussie aangenomen.
Vervolgens brengt de Voorzitter nog een huishoudelijke aangelegenheid ter sprake
en wel deze of het, vooral met oog op de 's Zondags in sommige opzichten zeer be-
perkte reisgelegenheid, geen aanbeveling zou verdienen bij wijze van proef de a.s.
Wintervergadering op Zaterdag te houden. Een aanzienlijke meerderheid der verga-
dering blijkt dit voorstel te ondersteunen, zoodat dit wordt aangenomen.
Aangezien na de middagpauze de nomenclatuurkwestie voldoende blijkt te zijn be-
handeld, krijgen nog eenige sprekers over andere onderwerpen het woord.
Prof. Dr. W. M. Docters van Leeuwen doet de volgende mededeelingen.
Over Gilletteella cooleyi Gill.
De bladluizen, behoorende tot de familie van de Chermesidae, vertoonen een zeer
ingewikkelde levenscyclus. Voor een volledige cyclus zijn twee gastheeren noodig,
beide behoorende tot de Coniferae. Een der gastheeren is altijd een Picea-soort, waarop
gallen ontstaan. De andere gastheer is al naar gelang van de soort een Abies, Larix,
Pinus of Pseudotsuga-soort. Op deze gastheeren worden geen gallen gevormd. In elke
cyclus komt een sexueele generatie voor. Er kunnen echter modificaties voorkomen,
waarbij de dieren op één gastheer blijven en de geslachtelijke generatie abortief wordt.
Gilletteella (Chermes) cooleyi Gill. vormt in Amerika gallen op Picea Engelmanni E.,
pungens E. en sitchensis Carr. Door R. N. Chrystal werd het volgende omtrent
de levenscyclus van deze soort ontdekt. De luizen overwinteren als larven op Picea,
vastgezogen aan de spruit onder de eindknop. In April worden de dieren actief en
groeien na enkele vervellingen uit tot de stammoeders, die veel wollige was afscheiden
en 300 tot 500 eieren leggen. Na een week komen de larven uit en zij zetten zich
VERSLAG. VII
| vast tegen de binnenkant van de bases van de pas uit de knop te voorschijn gekomen
naalden. Hier ontstaat binnen een week een karakteristieke gal.
De gallen openen zich in Juni en de nymphen van de IIde generatie komen er uit
te voorschijn en zij zetten zich op de naalden. Daar veranderen zij in gevleugelde
individuën, die naar de Douglas-spar vliegen en 100 tot 150 eieren leggen. Na een
_ week komen de larven uit, die zich vastzuigen aan de onderkant van de naalden.
Daar blijven zij tot het volgend voorjaar. In Mei ontwikkelen deze zich tot de IIIde
| generatie, Elk individu legt 30 tot 60 eieren, die na = 3 weken uitkomen. Deze generatie
is dimorph. De luizen, die 't eerst uitkomen, ontwikkelen zich tot gevleugelde indivi-
duën van generatie IV, die naar de Picea terugvliegen. Degene, die zich later ont-
- wikkelen, blijven op de Douglas-spar. Verder tast men in het duister. De sexueele
generatie is in Amerika nog niet gevonden.
De Douglas-spar werd in Europa ingevoerd en later kwamen ook de luizen over.
De levenscyclus van deze luis werd in Engeland eveneens door Chrystal onder-
zocht. Hij vond, dat de luizen hoofdzakelijk tot de Douglas-spar beperkt blijven.
Wel vliegt een deel naar Picea sitchensis en daarop ontstaan zelfs © © en 4 4,
die in Amerika nog niet waargenomen zijn, maar gallen werden in Engeland nog niet
ontdekt. De levenscyclus is dus in Engeland incompleet. Op de Douglas-spar ontstaan
twee generaties, een voorjaarsgeneratie en een najaarsgeneratie, die als jonge larven
overwintert.
Ook in Nederland komt Gilletteella algemeen voor en zij kan de aangetaste Douglas-
sparren in zoo groot aantal bedekken, dat de boomen door de afgescheiden was er als
wit bestoven uitzien. Toch schijnen de boomen niet zeer onder de aantasting te lijden,
daar zij zich snel herstellen. De hevigheid van de aantasting wisselt van jaar tot jaar.
Ook hier schijnt deze luis haar geheele ontwikkeling op de Douglas-spar te kunnen
beperken, gallen op Picea waren tot voor kort nog niet gevonden.
In 1934 plantte ik in mijn tuin een rij blauwsparren. Een daarvan vertoonde sterke
groei en zeer vroege kegeldracht, de anderen hebben nog geen kegels voortgebracht.
Materiaal van dit eene exemplaar werd door Dr. H. J. Venema als Picea glauca Voss.
gedetermineerd. Op dit exemplaar werden door mij nu reeds enkele jaren gallen van
een Chermeside waargenomen, die ik met de mij ter beschikking staande literatuur
niet thuis kon brengen. Prof. W. K. J. Roepke, die ik materiaal toezond, meende,
dat dit de gal van Gilletteella cooleyi was. Dit jaar (1942) ving ik de gevleugelde exem-
plaren, die zich uit de gallen ontwikkelden. Chrystal zegt, dat in Amerika de
gallen in de maand Juni opengaan, in mijn tuin kwamen de dieren pas in Augustus
uit de gallen. Of deze gevleugelde luizen nu naar de Douglas-spar overgaan is niet
door mij waargenomen. Maar wij mogen als zeer waarschijnlijk aannemen, dat de
Douglaswolluis in Nederland wel gallen, nl. op Picea glauca vormt. Kort geleden
kreeg ik van de Heer Leclercq uit Luik galmateriaal ter determinatie, dat geheel
op de Gilletteella-gal geleek.
Spreker laat materiaal van de gal rondgaan.
Diplolepis disticha Htg.
Op de achterkant van de eikebladeren kan men in de herfst vijf verschillende min
of meer bolvormige gallen vinden. De bekendste is de zuiver kogelvormige gal van
Diplolepis quercus-folii L., eveneens algemeen zijn de gallen van D. longiventris Htg.
en van D. divisa Htg. Zeldzaam zijn in Nederland de gallen van D. disticha Htg. en
die van D. agama Htg. De laatste soort wordt door Dieckmann van Zuid-Limburg
vermeld en ik vond haar daar en ook in de omgeving van de Plasmolen bij Mook.
Diplolepis disticha is ongeveer in 1880 in de omgeving van Wageningen door Be ij e-
rinck gevonden. Hij vermeldt de gal in een aanteekening in margine in het werk
van Mayr: „Die mitteleuropäischen Eichengallen in Wort und Bild’. Van deze
gal zegt Beijerinck, dat hij haar vond bij hotel Oostkant langs het Bergpad en
slechts op één eikje. Ik zelf vond deze gal eerst in Zuid-Limburg, later in groot aantal
bij de Plasmolen. Kort geleden vond ik haar ook bij Leersum op de Darthuizerberg
en G. Kruseman ontdekte haar in de buurt van Hooglaren. Het merkwaardige is,
dat alle Nederlandsche exemplaren, waarvan het substraat met zekerheid bekend is,
niet voorkomen op de gewone zomereik, Quercus Robur L., maar op de wintereik,
Quercus petraea Liebl: (syn. Q. sessiliflora Salisb.). Ik had deze gal in de omgeving
van Leersum nog nooit gevonden, maar dit jaar ontdekte ik een groepje van de wintereik
_ en daarop kwamen de gallen tamelijk algemeen voor. Op de gewone zomereik in de
| directe omgeving vond ik er geen een.
= De Ei kom in Centraal- en West-Europa voor, maar naar het schijnt nergens alge-
VII VERSLAG.
meen. Van Engeland wordt zij door Connold en Swanton van Quercus Robur
vermeld, maar deze opgaven zijn niet zeker. Houard geeft de gal op als voorkomende
op beide Quercus-soorten en ook op Q. pubescens Willd., maar Mayr en Riedel
vermelden haar uitdrukkelijk van Quercus petraea.
Deze gal lijkt op die, veroorzaakt door Diplolepis divisa, maar zij is niet zoo glad,
nooit rood en de top van de disticha-gal is ingezonken en vertoonte vaak een klein
tepeltje op den bodem van de inzinking. Het duidelijkste verschil ziet men op een
doorsnede. De gal van divisa vertoont een holte, die van disticha twee kamers boven
elkaar. In de onderste woont de larve, de bovenste is leeg.
Van deze galwesp is alleen de agame-generatie bekend. Ik ben reeds jaren doende
naar de sexueele generatie te zoeken, maar tot heden zonder succes. Het is niet ge-
makkelijk de wespen in voldoende aantal te kweeken, daar het grootste deel der gallen
door inquilinen of door parasieten geïnfecteerd wordt. Kinsey geeft 5 soorten in-
quilinen en 17 soorten parasieten op! Ik vermoed, dat de gal van de sexueele voor-
jaarsgeneratie zal gelijken op een der gallen van Diplolepis taschenbergi Schltd., similis
Adl. of verrucosa Schltd., die alle van Nederland bekend zijn.
Dit jaar kwamen de disticha-wespen begin November uit en zij begonnen dadelijk
eieren te leggen op de gewone knoppen van de wintereik. Daar de voorjaarsgallen van
quercus-folii en longiventris respectievelijk faschenbergi en similis zich uit de crypto-
blasten van de eik ontwikkelen en die van divisa uit de gewone knoppen, bestaat de
mogelijkheid, da de sexueele generatie van disticha in gallen zal wonen, die gelijken
op de gallen van Diplolepis verrucosa, d.i. de voorjaarsgeneratie van D. divisa. De
voorjaarsgallen zijn zoo goed bekend, dat men moeilijk kan aannemen, dat er nog
een nieuwe gal gevonden zou kunnen worden. Maar het verdere onderzoek zal hierin
licht moeten brengen.
In 1840 werd de disficha-wesp door Hartig in het geslacht Cynips geplaatst,
Mayr bracht haar in 1871 in het genus Dryophanta, Dalla Torre en Kieffer
in 1910 in het genus Diplolepis en ten slotte keerde zij in 1929 door Kinsey weer
bij Cynips terug. Wie volgt ?
Spreker laat materiaal van de gallen en levende disticha-wespen rondgaan.
Prof. Roepke merkt op, dat de Gilletteella cooleyi veel later dan de Pseudotsuga
in Europa is aangekomen. Het insect vertoonde zich eerst in Schotland, daarna in
N.W. Duitschland, en van hier hebben wij het waarschijnlijk, ongeveer 15 jaar ge-
leden, gekregen. Hij wijst terloops op een nomenclatorische moeilijkheid : op grond van
de prioriteitswet zou de naam Psylla Latr. vervangen moeten worden door Chermes L.
(1758) : typ. pyri L., fix. Westwood (1840), en voor Chermes komt Adelges Vall.
(1836) : typ. laricis Vall. in de plaats. Alhoewel dit geval ondubbelzinnig is, voelt hij
meer voor de handhaving van de sinds ongeveer een eeuw ingeburgerde namen en
zou hij een Internationaal congresbesluit in die richting toejuichen.
Vervolgens deelt de Heer W. H. Gravestein het volgende mede.
Nieuwe zeldzame Hemiptera Heteroptera.
1. Gonocerus juniperi H.S.
Op de drie-en-zestigste Wintervergadering te Wageningen, op 16 Febr. 1930, deelde
Dr. MacGillavry de eerste vondst van dit dier in Nederland mede en wel van
een enkel exemplaar, door hem op Juniperus gevangen in Juni 1916 bij Ommen. Sinds-
dien is dit dier niet meer in Nederland gesignaleerd.
Op 20 Aug. 1941 had Spr. het geluk dit dier op Juniperus te attrapeeren en wel
op de Lemelerberg, alwaar veel Juniperus bijeen staat. De vindplaats is dus niet ver
van de vorige verwijderd en is onder te brengen onder het ambt Ommen.
Spr. vond na eenige uren kloppen, twee imagines en twee volwassen larven ; een
ervan was reeds den volgenden dag verveld. Het andere dier dat hij tezamen met
een larve van Picromerus bidens L. met eenige rupsjes in een doosje bewaard had,
vervelde op 26 Aug. Omdat het dier nog niet uitgekleurd was, liet hij het nog een
nacht in het doosje om den volgenden dag tot een eigenaardige ontdekking te komen:
het doosje weer geïnspecteerd, zag hij slechts het geraamte der chitinehuid. Het dier
was als slachtoffer gevallen van de niet te verzadigen zuiglust der Picromerus-larve.
Spr. laat hierbij het exemplaar in questie zien en tevens een der volwassen imagines.
2. Pithanus maerkeli H.S. f. macroptera.
Dit langvleugelige exemplaar is het derde bekende voor Nederland en was sinds
1915 niet meer gevonden.
Het dier werd tezamen met vele brachyptere exemplaren door Spr. gesleept van
grassen, te Arcen, 4-7-42.
VERSLAG. 7 IX
3. Calocoris ochromeles f. fornicatus Fieb.
Een nieuwe variéteit voor onze fauna, door Spr. gevonden tijdens de zomerverga-
dering te Bergen, dd. 20-6-42, tezamen met het type.
Deze variéteit schijnt een noordelijke kustvorm te zijn en werd in Engeland op enkele
plaatsen gevonden Saunders (pag. 238) en Butler (pag. 406), geven een
goede beschrijving, die volkomen overeenkomt met het hier vertoonde insect.
} Deze bleeke vorm maakt wel een groot verschil met de extreme donkere vorm, die
| Spr. 13-6-42 te Driehuis-Westerveld vond en die hij hierbij laat zien, tezamen met
> het type.
i Als varieteit is dit dier nergens beschreven.
Spr. geeft hier de beschrijving van deze vorm waarin hij de afwijkingen van het
type aangeeft. Het betreft hier een manlijk exemplaar :
Sprieten geheel donker, kruin zwart met gele vlekjes. Pooten bruin, de voorpooten
donker, schenen in ‘t midden iets lichter; femora der midden- en achterpooten in het
midden en distaal breed donker gevlekt; tibiae proximaal en distaal zwart. Pronotum
zwart, geheel zeer fijn geel omrand, een gele middenstreep en zeer fijne gele omranding
der voorbulten.
Corium: clavus geheel zwartbruin; de gele streepen van het corium zeer breed in-
eenvloeiend zwart omlijst.
Scutellum aan de basis zwart, voorhoeken zwart en twee langwerpige zwarte vlekken
aan weerszijden van het midden. Butler (pag. 406) schrijft van het type: „In
colorations it Varies considerably, according to the extent to wich the dark margins
of the nerves are developed; but the immaculate yellow scutellum and base of cuneus
alwas remain distinct !”
Waar hier ook juist het scutellum afwijkend geteekend is, meent Spr. dit dier te
mogen opgeven als een nieuwe aberratie.
4. Polymerus holosericeus Hlm.
Van dit diertje was slechts één exemplaar bekend van Epen (L.) aldaar gevonden
door Dr. MacGillavry.
Het tweede exempaar voor Nederland, sleepte Spr. op 5-8-41 te Arcen, op een
ruigte, alwaar ook Galium aanwezig was. Elf maanden later, nl. op 3-7-42 sleepte
Spr. van dezelfde plek nog een exemplaar.
Nog een vierde werd inmiddels dit jaar gevonden en wel door den Heer v. d. Wiel
te Winterswijk (in coll. Reclaire). Dit diertje blijkt dus wel zeer zeldzaam te zijn
en steeds in zeer gering aantal aanwezig.
5. Orthotylus bilineatus Fall.
Deze soort, die nieuw is voor de Nederlandsche fauna, werd door Spr. gesleept van
hooge grassen aan een boschrand te Arcen op 9-7-42.
Het dier wordt vermeld van Populus tremula e.a. ; deze was in de buurt voldoende
aanwezig, zoodat de vondst op grassen een toevallige kan zijn. Dit jaar schijnt het
dier ons land wel te zijn binnen gedrongen, daar er nog een exemplaar werd gevonden
te Borghaeren, ook in Zuid-Limburg, op 20-7-42, door J. Maessen (in coll. Rec
laire), dus elf dagen later; wel een merkwaardige coïncidentie !
a TNT EE et rn 5
Merkwaardig winterverblijf van een Chrysomelide.
Overwintering van Phyllodecta vulgatissima L. in het klokhuis van een appel?
Van een vriend, den heer J. C. Beek, kreeg Spr. dezer dagen bovengenoemd
kevertje, dat zijn zoontje in twee exemplaren uit het klokhuis van een appel haalde.
Ze zaten aan het einde van een vraatgang van een andere larve, die niet meer aan-
wezig was. Datum was A'dam 2-11-42.
De jongen bewaarde de diertjes eenige dagen in een lucifersdoosje boven de kachel
en gaf ze dagelijks een stukje appel, waarvan ze kennelijk vraten. Na ongeveer een
| week was één diertje dood.
| Spr. vermeldt deze merkwaardige vindplaats en zou gaarne vernemen of een derge-
- lijke ,,winterberging” meer is waargenomen.
| Dit wordt door den Voorzitter bevestigd, cf, Tijdschr. v. Ent. LXX, 1927, p. X.
Vervolgens spreekt Dr. G, Barendrecht over:
Insectensystemen.
Het zal menigeen misschien vreemd voorkomen, dat het systeem der insecten nog
een onderwerp van bespreking kan vormen. Immers, wij allen hebben de insecten, om
Au
x | VERSLAG.
zoo te zeggen van kindsbeen af, leeren beschouwen als een bij uitstek wel omschreven
klasse van dieren, die op een zeer voor de hand liggende wijze in een aantal duidelijk
begrensde orden verdeeld kan worden, <
Het is waar, dat de oudere onderzoekers, die zich met deze materie bezig hielden,
zich aog al eens hebben schuldig gemaakt aan het opstellen van heterogene orden,
waarin zij meenden verschillende groepen samen te kunnen brengen, die waarschijnlijk
naar hun meening te klein waren om een zelfstandig bestaan te mogen voeren. Zoo
b.v. de Neuroptera, die vóór Brauer een ware rommelzolder van kleinere orden
vormden, terwijl ook de Sfrepsiptera op de vreemdste wijze door het insectenrijk hebben
rondgezworven eer zij als zelfstandige orde erkend werden.
Maar, te beginnen met de publicatie in 1885 van Brauer's systeem, had het er
toch veel van, dat deze kinderziekte zonder veel moeite was overwonnen en dat wij
op den duur spelenderwijs in het bezit zouden komen van een systeem, dat uit een
aantal (hoe groot dat aantal is, doet er niet toe) orden bestaat waar de scherpste
kritiek niet van zou kunnen beweren dat zij elementen in zich vereenigen, die niet
vereenigd behooren te worden. Wij noemen dit dan natuurlijke orden. Heelemaal zijn
waar we wezen moeten, doen wij nog niet aangezien enkele van de meest notabele
toepassers van een gewijzigd systeem Brauer, b.v. Imms en Essig, nog steeds
niet hebben kunnen breken met de oude orde Orthoptera als bergplaats voor de Salfa-
toria, Blattariae, Phasmida, Mantodea. Door de eenvoudige verheffing van genoemde
groepen tot de rang van orde, is dit euvel echter op even eenvoudige als afdoende
wijze te verhelpen.
Helaas is deze ontwikkeling echter verstoord door de poging van Handlirsch
om boven het totdien voornamelijk geldende morphologische indeelingsprincipe het
phylogenetische beginsel te stellen.
Eenerzijds voerde dit tot splitsing van een aantal orden van het oude systeem, waar
echter op bovengenoemde gronden niet veel bezwaar tegen is, al ging Handlirsch
ook hiermede wel wat ver.
Anderzijds echter bracht zijn streven om het vermoedelijke phylogenetische verband
tusschen deze orden in zijn systeem uit te drukken hem er toe een aantal subclasses,
later superorden genoemd, op te stellen, waarin de orden groepsgewijs vereenigd wer-
den. De verschillende groepen van Apterygoten werden in het geheel niet meer tot
de insecten gerekend en als afzonderlijke klassen beschouwd.
Met eenige geringe wijzigingen heeft Handlirsch dit systeem toegepast in
Schròder's „Handbuch d. Entomologie” en later ook nog in het bekende handboek
van Kükenthal-Krummbach.
Herman Weber paste het, weer eenigszins gewijzigd, toe in zijn „Lehrbuch der
Entomologie” en in de „Grundriss en kort geleden heeft Eidmann, om de een-
heid te bewaren, zooals hij zelf niet heel enthousiast opmerkt, het in zijn leerboek
eveneens opgenomen,
Hiermede heeft het systeem van Handlirsch, waartegen als samenvatting van
een op zichzelf hoogst verdienstelijke reeks onderzoekingen over de phylogenie der
insecten geen enkel bezwaar te makem zou zijn, zijn intrede gedaan in de leerboeken
en daarmede in de entomologische practijk en hiertegen zijn wel bezwaren aan te
voeren.
Het zijn deze bezwaren waarop ik thans de aandacht wensch te vestigen.
Allereerst moeten wij ons realiseeren aan welke eischen het systeem van een dier-
klasse dient te voldoen.
Wij kunnen dan vooropstellen, dat bij een groep als de insecten, waar de palaeontolo-
gische gegevens slechts licht werpen op het minst gespecialiseerde gedeelte en overi-
gens weinig bruikbaar zijn, het morphologische beginsel dient te praevaleeren boven
het phylogenetische.
Zoo komen wij tot de volgende eischen:
1. De kern van het systeem worde gevormd door een reeks systematische eenheden,
hier de orden, welke ieder de vormen in zich vereenigen, die een gemeenschappelijk
bouwplan vertoonen.
Over de begrenzing van de orden behoeft zelden twijfel te bestaan, indien men de
twijfel zelve als motief voor splitsing neemt.
Splitsing dient echter steeds achterwege te blijven indien hierdoor twee orden zouden
ontstaan, die op vele belangrijke punten aan vrijwel dezelfde beschrijving zouden
voldoen.
2. Deze orden worden zoo gerangschikt, dat de volgorde overeenstemt met het ver-
moedelijke phylogenetische verband en voor zoover deze maatstaf tekort schiet,
VERSLAG. XI
zooals bij de groote, sterk gedifferentieerde orden steeds het geval is, plaatse men
hen in volgorde van differentiatie.
Onderscheidingen als Apterygota — Pterygota en Holometabola — Heterometabola
blijven gehandhaafd.
. Er mogen geen categoriën en termen worden ingevoerd, die grootendeels zinledig
en daardoor in de practijk zeer hinderlijk zijn, veel minder nog mogen deze cate-
goriën tot de eigenlijke ruggegraat van het systeem worden gemaakt.
Het is juist deze laatste eisch waaraan het systeem van Handlirsch met zijn
stelsel van superorden allerminst voldoet. Vooropgesteld zij, dat ik tegen het faculta-
tieve gebruik van een term als „orthopteroide insecten’ in het geheel geen bezwaar
heb. Waar ik echter met nadruk tegen meen te moeten opkomen is het gebruik van
een doorgevoerd stelsel van superorden, die grootendeels louter hypothetische verban-
_ den suggereeren en als systematische eenheid zinledig en daardoor onbruikbaar zijn,
tenzij ze, wat hier en daar ook reeds gebeurd is, onder splitsing van bestaande orden
5 in de plaats van deze treden, wat echter wel nauwelijks de oorspronkelijke bedoeling
kan zijn.
; Ik moge de juistheid van deze kritiek met enkele aan Weber's Grundriss ont-
leende voorbeelden toelichten.
Daar zijn in de eerste plaats de superorden, die ieder slechts één orde rijk zijn:
Hymenopteroidea, Thysanopteroidea, Embioidea enz. Wat wordt hier met het opschrift
Hymenopteroidea vlak boven: Hymenoptera anders aangeduid, dan onze totale on-
wetendheid omtrent de verwantschap van deze groep ? Dit kan dan evengoed met een
enkele regel tekst weergegeven worden. Dit is echter nog het onschuldigste gebruik
van de superorde, het betreft slechts een schoonheidsfout !
Erger wordt het al wanneer een superorde kennelijk op de plaats van een orde is
getreden. Voorbeeld: de Hemipteroidea. Hier staat aan het begin van het hoofdstuk
een overzichtje van het systeem der twee „orden Heteroptera en Homoptera en dan
volgt verder één beschrijving voor de geheele superorde. Dit dus in krasse tegenstelling
tot de eerstgenoemde superorden waar uiteraard geen woord tekst aan besteed is.
Vrijwel hetzelfde geldt voor het derde voorbeeld, dat gevormd wordt door twee
superorden, die weliswaar uit een aantal, in één geval zelfs uit een groot aantal orden
bestaan, die echter zoo weinig gemeenschappelijks vertoonen, dat over de superorden
eigenlijk niets te zeggen valt.
Dit zijn natuurlijk de Coleopteroidea, met de Coleoptera en Sfrepsiptera en de Neu-
ropteroidea !
Bij de laatste is het systeem ad absurdum gedreven, want wat kan men anders zeggen
van een groep, die moet vereenigen, alsof zij even nauw verbonden waren als de
Heteroptera en Homoptera: Neuroptera sl. (Megaloptera, Rhaphidides, Planipennia),
Mecoptera, Trichoptera, Lepioptera, Diptera, Aphaniptera !
Bij beschouwing van deze drie soorten superorden kan toch bezwaarlijk worden
volgehouden, dat wij hier te doen hebben met een categorie, die overal waar zij ge-
bruikt wordt, dezelfde beteekenis heeft en deze eisch mogen wij toch aan een syste-
matische categorie wel stellen.
Men versta mij wel: ik misgun aan niemand het genoegen zich een beeld te vormen
van de vermoedelijke afstamming der verschillende insectenorden, al is dit naar mijn
smaak een vrij steriel genoegen, maar het gaat toch werkelijk niet aan om in onze
leerboeken het insectenrijk te verdeelen in een aantal genummerde superorden alsof
dit nu eigenlijk de systematische categorieën waren waar het op aan komt.
Hoofdzaak dienen de welomschreven orden te blijven en dan kunnen diegene daar-
onder, die werkelijk nauwe verwantschap vertoonen, zooals b.v. de Orthopteroidea,
samengevat worden in een grooter verband. Het is echter mi. volstrekt niet nood-
„zakelijk dat dit dan ook consekwent wordt uitgebreid over de andere orden, die zich
er niet toe leenen. Niemand voelt er immers behoefte aan alle keverfamilies in grootere
verbanden te organiseeren omdat wij nu eenmaal een groep verwante families als
Lamellicornia kunnen aanduiden.
Het geheele door Handlirsch ingevoerde stelsel behoort in leer- en handboeken
dan ook verbannen te worden naar het hoofdstuk over phylogenie en palaeontologie !
De Heer Roepke deelt de bezwaren van Dr. Barendrecht ten opzichte van de super-
orden, ook volgens hem zijn deze laatstgenoemden geheel ongelijkwaardig en heterogeen.
Het eenvoudigste is ze geheel buiten beschouwing te laten, wat niet wegneemt, dat
men van orthopteroïde insecten kan blijven spreken. Hij heeft groote waardeering
voor het systeem van Handlirsch in een iets gewijzigden vorm, waardoor het
| aantal orden iets verkleind wordt. De moeilijkheid blijft natuurlijk bestaan, dat men
XII VERSLAG.
op lineaire rangschikking aangewezen is, terwijl men zich de phylogenetische ontwik-
keling tridimensionaal moet voorstellen. Oneffenheden zijn dus niet te vermijden, hoe
men de orden ook rangschikt. ì
De Heer Boschma wijst nog op het werk van Tillyard, waardoor veel licht is
geworpen op de onderlinge verwantschap der Neuropferoidea.
Hierna wordt de vergadering door den Voorzitter onder dankzegging aan de sprekers
gesloten.
habe an Ci} A re AE
VERSLAG
EN WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN
VAN DE
ZES-EN-ZEVENTIGSTE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
GEHOUDEN IN HET RESTAURANT VAN ,,NATURA ARTIS MAGISTRA”
TE AMSTERDAM OP ZATERDAG 6 MAART 1943, DES MORGENS TE 11 UUR.
Voorzitter : de Vice-President, Dr. D. L. Uyttenboogaart.
Aanwezig het Eerelid: Prof. Dr. J. C. H. de Meijere en de gewone leden : H. A.
Bakker, Dr. G. Barendrecht, Prof. Dr. L. F. de Beaufort, Ir. G. A. Graaf Bentinck,
K. J. W. Bernet Kempers, A. J. Besseling, Dr. H. C. Blôte, W. C. Boelens, D. G. J.
Bolten, Prof. Dr. H. Boschma, W. F. Breurken, J. B. Corporaal, Dr. K. W. Dammer-
man, Dr. Ir. J. Doeksen, P. Hi van Doesburg Sr., G. L. van Eyndhoven, F. C. J. Fischer,
W. H. Gravestein, G. Helmers, D. Hille Ris Lambers, de Ned. Heide Mij., vertegen-
woordigd door den Heer H. S. de Koning, S. van Heynsbergen, D. Hemminga, Dr.
C. de Jong, Dr. G. Kruseman Jr., H. B. Klynstra, Dr. W. J. Kabos, B. J. Lempke,
J. Lindemans, A. C. Nonnekens, D. Piet, F. Smit, L. Vari, J. C. de Vos tot Nederveen
Cappel, Dr. A. D. Voûte, P. M. F. Verhoeff, Ph. H. van Westen, P. van der Wiel,
Dr. J. Wilcke, Ir. T. H. van Wisselingh, J. H. E. Wittpen, J. C. Wijnbelt.
Afwezig met kennisgeving de leden: Mr. C. M. C. Brouerius van Nidek, B. H.
Klynstra, F. E. Loosjes, G. S. A. van der Meulen, Dr. C. O. van Regteren Altena,
Prof. Dr. W. Roepke, Aug. Stärcke.
De Voorzitter opent de vergadering en deelt mede, dat de President door ongesteld-
heid verhinderd is deze vergadering bij te wonen.
Vervolgens herdenkt de Voorzitter de sinds de vorige vergadering overleden leden
Dr. A. C. Oudemans, eerelid en J. C. Ceton, welke woorden door de verga-
dering staande worden aangehoord.
Bij de behandeling van punt 1 van de agenda: Vaststelling van de plaats waar de
volgende Wintervergadering zal worden gehouden, stelt de Voorzitter voor, zulks
aan het Bestuur over te laten, hetgeen door de vergadering wordt goedgekeurd.
Hierna zijn aan de orde:
WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN.
Afwijkende Curculioniden.
De Heer D, L. Uyttenboogaart deelt het volgende mede:
Bagous frit Hrbst. en longitarsis Thoms. Reitter, Adolphe Hoffmann,
Hustache e.a. stipuleeren uitdrukkelijk, dat bij frit de dekschilden aan den naad-
hoek uiteenwijken (klaffen). Aan dit kenmerk beantwoordt niet het door Everts
gedetermineerde ex. in mijn collectie. Dit beantwoordt echter geheel aan de beschrij-
ving bij genoemde auteurs van longitarsis Thoms. evenals 2 ex. die ik bij gelegenheid
der laatste zomervergadering te Bergen N.H. ving. In mijn palaearctische collectie
bevinden zich 2 ex. van longitarsis uit Salzburg (ex. coll. Paganetti) en 1 uit
Portugal (ex. coll Melichar), die met mijn Nederl. ex. overeenstemmen, behalve
dan dat de Salzburgsche kleiner zijn. Wat aan deze soort vooral opvalt zijn de lange
tarsen, die meer dan half zoo lang zijn als de schenen. Bij de 3 ex. van frit in mijn
palaearctische collectie zijn de tarsen aanmerkelijk korter. Overigens gelijken beide
soorten sterk op elkaar.
Rhynchaenus angustifrons West. is bij Heemstede op de buitenplaats Ipenrode even
gewoon als foliorum, de eerste soort klopte ik echter uitsluitend uit populieren, de 2e
| uit wilgen.
_ Rhamphus oxyacanthae Mrsh. Ik klopte in het voorjaar van 1942 zoowel te Heem-
KV VERSLAG.
stede (Ipenrode) als in de Amsterdamsche waterleidingduinen eenige ex. Rhamphus
uit meidoorns, die zich van pulicarius onderscheiden door de meer verspreide bestip-
peling van het halsschild, de meer dwarsrimpelige sculptuur der tusschenruimten op
de dekschilden aan de basis en op ééne uitzondering na ook door geringere grootte.
Die ééne uitzondering is echter grooter dan mijn grootste pulicarius.
4 Juni 1942 was Grypidius equiseti F. talrijk aanwezig in de gazons van het laag-
gelegen (veenachtige) landgoed Ipenrode te Heemstede; Equisetum groeide daar niet
in de onmiddellijke nabijheid. Het viel mij toen reeds op dat deze soort zoowel in
grootte als in kleur zeer variabel is. Men kan wat de ab. col. betreft 2 serieën onder-
scheiden, die op gelijke wijze varieeren nl. aanvangend met een geheel zwarte dan
wel bruine (tot roodbruine) schijf der dekschilden en van het halsschild, waarin slechts
hoogst enkele geelgrauwe schubjes zijn ingestrooid ; meestal bevindt zich op elk der
dekschilden een licht schubvlekje juist voor de achterste verhevenheden. Van deze
extreme vormen uitgaande nemen nu de lichtgekleurde schubjes in de donkere schijven
toe totdat ten slotte nog alleen de verhevenheden donker beschubd zijn. Steeds zijn
echter bij deze serieën een donker vlekje op den kop benevens witte dijringen aan-
wezig. Bij de uiterste lichte vorm der bruine serie ziin de pooten en sprieten geheel
rood en is ook de beschubbing der verhevenheden roodachtig. Uit den aard der zaak
is bij deze vorm de scherpe afscheiding van het afhellend deel der elytra niet meer
aanwezig.
Op.12 Augustus 1942 ving ik op dezelfde plaats weer 2 ex. waarvan 1 de extreme
lichte bruine vorm van equiseti F. is, doch het tweede volkomen beantwoordt aan
Zumpt's beschrijving van afrirostris F., die hij voor een sp.pr. houdt (in Col. Centr.
bl. 4 1929 p. 70). Nu ontbreken n.l. ook de witte dijringen en de kop is geheel wit,
de schubjes zijn kleiner en liggen wijder uiteen. Mocht dit ex. inderdaad overeenkomen
met de door Delahon in Brandenburg verzamelde ex., die Zumpt als afrirostris F.
bestemde dan betwijfel ik toch sterk of dit een sp.pr. is, want in mijn groote serie van
equiseti F. zijn ook de schubjes niet steeds even groot noch even dicht geplaatst, de
dijringen niet altijd even duidelijk en het zwarte vlekje op den kop niet steeds scherp
zichtbaar.
Op 20 September 1942 nam ik het volgende waar: i
Bij zonnebloemen, waarvan de topbloem verwijderd is, bezoeken talrijke wespen en
vliegen de stengels, ze houden zich bij voorkeur in de bladoksels op, terwijl bij exem-
plaren waarvan de topbloem nog aanwezig is, deze insecten slechts die bloem be-
zoeken of, zoo deze reeds tot zaadvorming is overgegaan, blijft insectenbezoek geheel
achterwege. Kan het zijn dat bij de getopte planten een uitzweting van zoetig sap
plaats heeft ?
Te vermelden valt voorts nog de vangst van één ex. der zeldzame Staphylinide
- Encephalus complicans Westw. in de Amsterd. Waterleidingduinen op 31 Juli 1942.
Bij het determineeren van Curculioniden uit de omstreken van Hamburg voor een
nieuwe uitgave der Fauna Hamburgensis werd mijn aandacht getrokken door het
afwijkend voorkomen van twee ex. eener Elleschus-soort, die door een krijtwitte streep
langs den naad der elytra op het eerste gezicht aan scanicus Payk. deden denken.
De zwarte snuit wees echter op bipunctatus L. Echter ontbrak althans bij één ex. elk
spoor der zwarte vlekken op de achterhelft der elytra, terwijl het tweede eenigszins
afgewreven is, doch juist waar het afhellend gedeelte begint geen zwart vertoont,
terwijl zich toch juist daar de donkere vlekken moeten bevinden waaraan de soort
haar naam ontleent. Bij ‘dertigmalige vergrooting, waarbij de witte kleur langs den
naad ook bij het afgewreven ex. veel duidelijker uitkomt, blijken de puntstrepen der
dekschilden en de punkteering van het halsschild iets grover en de schenen en tarsen
iets dunner en slanker te zijn dan bij bipunctatus. Bij het nazien van mijn talrijk in-
landsch en uitlandsch materiaal vond ik geen enkel ex. dat er volkomen mede over-
eenstemde, wel enkele waarbij de bekleeding langs den naad iets lichter van kleur is
dan de rest der elytra. Gedachtig aan den raad van Dr. Zumpt om mogelijke mu-
taties door naamgeving te signaleeren heb ik dezen vorm albosuturalis gedoopt. De
beschrijving kan men vinden in „BOMBUS, Faun. Mitt. aus Nordw. Deutschl. u. d.
Nordmark” Jan. 1943 Nr. 24, 194, waarin Dr. Titschack, Directeur van het Hamb.
Zool. Museum haar heeft doen opnemen. Het mooiste meest typische ex. is naar Ham-
burg terug gegaan, zoodat ik alleen het afgewreven ex. kan laten zien, waarnaast ik
ter vergelijking twee normale inl. ex. van bipunctatus plaatste. De soorten van het
Genus Elleschus leven op de katjes van wilgen en populieren „zoodat er weldra ge-
legenheid zal zijn op de jacht te gaan, waarbij men zich niet door slecht weer moet
laten weerhouden. .
VERSLAG. XV
Nieuwe en zeldzame Microlepidoptera.
De Heer G. A. Bentinck vermeldt en vertoont voor een gedeelte het volgende :
I. Wat zijn eigen vangsten betreft :
a. Daar Spr. eenigszins twijfelde aan de juiste determinatie zijner exx, van Co-
| leophora argentula Z., verzocht hij den heer Vari deze naar de genitaliën nader te
onderzoeken, wien; het gelukte een ex. Col. artemisiae Mühlig uit Overveen daaronder
| te ontdekken, nieuw voor de Nederl. fauna.
b. Een ex. van Coleophora orbitella Z. en van Col. paripennella Z., bemachtigde
Spr. te Geulem verleden zomer. Daar deze 3 voornoemde exx. zich thans in Spr.'s
collectie in het Leidsche Museum bevinden, is het hem door evacuatie niet mogelijk
deze thans te vertoonen.
c. De heer Vari onderzocht ook Spr.’s groep van Coleophora caespititiella Z. naar
«de genitaliën en vond daaronder, behalve deze soort zelf, ook eenige exx. van C. glau-
…—. cicolella Wood. en 1 ex. van Col. tamesis Wat., welke laatste hij zelf behandelen zal.
Doch van de exx. glaucicolella kweekte Spr. 1 ex. el. De zak van deze laat zich goed
onderscheiden van die van caespititiella.
i d. De heer Vari deelde Spr. onlangs mede dat de beide soorten Lithocolletis con-
| comifella Bnks. en blancardella F. naar genitaliën onderzoek identiek waren. Dit be-
rustte op het scheiden der beide zoogenaamde soorten naar het eerste binnenrands
. haakje, dat bij blancardella (de gewone soort) niet verbonden is met de wortelstreep.
__ terwijl het bij concomitella (minder algemeen) met die wortelstreep wel verbonden is.
+ Nadat Spr. dit geval nader onderzocht had, ontdekte hij ergens anders een verschil
in species. Uit zijn gekweekt materiaal verkreeg hij een groot aantal exx. scherp,
glanzend geteekend, het goud bevat vele zwarte schubben en de zilverkleurige tegen-
vlekken en wortelstreep zijn duidelijk zwart afgezet ; eerste binnenrandshaakje soms met
de wortelstreep verbonden. Deze blijken nu naar een opnieuw ingesteld genitaliën
onderzoek door den heer Vári concomitella Bnks. te zijn en wel de gewoonste soort.
Deze onderscheiden zich weer van de zeldzamere soort blancardella F. door dat deze
doffe en niet scherp geteekende voorvleugels heeft, het goud bevat weinige of geene
zwarte schubben en de tegenvlekken en wortelstreep zijn evenmin zwart afgezet; eerste
binnenrandshaakje zelden met de wortelstreep verbonden.
II. Op verzoek van den heer Doets, zijne vangsten:
a. Twee 9|9 van Lipopfycha safurnana Gn. gekweekt uit wortels van Chrysan-
themum vulgare te Huizen N.H. Wortels bewaard in een bak onder aarde. De ima-
| gines. verschenen 4 en 6 Juni. De cocons zijn stevig, met korrels zand bekleed en de
- ledige huls steekt boven de aarde uit. Bekend in geheel Europa, ook Engeland.
Nieuw voor de Nederl. fauna.
b. De algemeen bekende Coleophora lutipennella Z. moet, zooals op de vorige ver-
gadering vermeld, flavipennella H.S, heeten, terwijl lutipennella de nieuw ontdekte
soort was met meer donkere beschubbing. Hier is thans ook duidelijk het verschil in
kleur tusschen de beide zakken en poppenhulzen te zien. De zak van de veel zeld-
zamere lutipennella is veel lichter en de poppenhuls daarentegen veel donkerder dan
bij de gewone soort flavipennella.
c. Coleophora pallorella Benander, in 1938 beschreven, (ook mogelijk identiek met
versurella Z.). Daar Zeller’s material in het Britsch Museum is, kan dit voor-
loopig niet nader onderzocht worden. Hij ving vele exx. van deze nieuwe soort voor
de Nederl. fauna tusschen Chenopodium planten tegelijk met laripennella Zett., die
echter iets vroeger verdwenen is. Pallorella ving hij begin Aug. en verder in de heele
maand Juli.
d. Coleophora inulifolia Benander, ook in 1938 beschreven ; deze soort staat zeer
dicht bij froglodytella Dup., waarmee ze altijd verward is. Van deze nieuwe soort
voor de Nederl. fauna vond hij zeer vele zakken aan bladeren van Eupatorium can-
nabinum te Nieuwkoop, 's Graveland en Ankeveen. Ook deze zak lijkt veel op die
- van C. froglodytella. De rupsen zijn gemakkelijk te vinden, daar ze duidelijke vensters
- in de bovenste bladeren maken. De soort zal wel in 't heele land voorkomen. Imagines
_ kwamen uit van 2 Juli tot 2 Aug.
e. Ornix carpinella Frey. De heer Doets vond eenige rupsen aan Carpinus betulus
__bij Hilversum. De kweek leverde slechts 1 ¢ op 6/5 van deze nieuwe soort voor de
| Nederl. fauna, die niet algemeen is, ze komt in Engeland niet voor.
| f. Van Nepticula gei Wck. vond hij 18 rupsen en zeer vele reeds verlaten mijnen
aan Geum urbanum in 't Korversbosch te Hilversum op 16.10; later ook nog zulke
te Oud-Valkenveen. Rupsmijnen en imago gelijken veel op die van N. splendidissi-
mella H.S. In geheel Europa algemeen, ook Engeland. Het is te hopen dat deze kweek
=
XVI VERSLAG.
imagines zal leveren van deze nieuwe soort voor de Nederl. fauna. (Det. J. Kli-
mesch).
g. Van Nepticula occultella Hein. vond hij slechts één verlaten mijn aan Potentilla
tormentilla te Holl. Rading, hoewel honderden planten afgezocht werden. Misschien
leeft de rups vroeger en waren de gemineerde blaadjes al afgevallen. In elk geval
komt deze nieuwe soort voor Nederland hier voor, dit getuigt deze ééne mijn. (Det.
Teek lim esch).
h. Hij kweekte verder 9 exx. van Gelechia lentiginosella Z., die hij het vorige jaar
met één ex. als nieuw voor Nederland kon vermelden. Rups algemeen aan genista
pilosa tusschen hei bij Hilversum.
i. Coleophora annulatella Tengstr. Deze nieuwe soort, het vorige jaar vermeld, vond
de heer Doets wederom, ze vliegt zeer laat, nl. pas begin Aug. als laripennella
Zett. en pallorella Benander al verdwijnen. In Juli derhalve nog niet te verwachten.
Een vliegje van Krakatau.
De Heer J. C. H. de Meijere heeft onlangs van den heer Dammerman eene vraag
gekregen omtrent een vliegje van Krakatau. Deze meende hierin Lauxania viatrix de
Meij. van hetzelfde eiland te herkennen, maar had een exemplaar uit Londen terug
ontvangen onder de benaming: Ochthiphila discoglauca, door Walker beschreven
in zijne lijst der Diptera, door Wallace op Celebes verzameld (Journ. Proceed.
Linn. Soc. IV 1860 pag. 147). Inderdaad past ook de zeer opvallende kleurverdeeling
zeer goed op viafrix, maar door de plaatsing in een geheel verkeerd genus en zelfs
familie is deze soort van Walker indertijd over het hoofd gezien. Zij moet dus au
heeten : Homoneura (want Lauxania wordt nu in een aantal genera verdeeld, zie b.v.
Malloch, Notes on some oriental Sapromyzid flies, Proceed. United States Nation.
Mus. 74 Art. 6 p. 49) discoglauca Walk, met synonymen Ochthiphila discoglauca
Walk. 1860 en Lauxania viatrix de Meij. 1910.
De Nederlandsche Sarcophaga-soorten.
Voorts heeft de Heer de Meijere zich den laatsten tijd gewijd aan eene revisie
van de Nederlandsche soorten van het genus Sarcophaga, de dambordvliegen. De
vroeger hierbij gebruikte kenmerken zijn gebleken bijna alle inconstant te zijn, zelfs
de dichte beharing der schenen en de roode kleur van het tweede genitaalsegment,
en ook de grootte. Uit de onderzoekingen van Pandellé, Villeneuve en
Böttcher is gebleken, dat daarentegen de penis en de daarbij liggende tangen en
haken constante en groote verschillen toonen, waardoor ook de twijfelachtige exem-
plaren met zekerheid te determineeren zijn. Het resultaat is geweest, dat uit de Naam- :
lijst van 1939 drie soorten moeten vervallen, maar dat er een elftal bijkomt, want het
aantal soorten is nog grooter dan men vroeger meende. Deze zullen in zijn 7de supple-
ment der Nederlandsche Diptera worden opgegeven. Dat zoo groote verschillen bin-
nen de grenzen van één genus in de genitaliën kunnen voorkomen, is een opmerkelijk
verschijnsel, dat bij Dipteren herhaaldelijk gevonden wordt, zoo onder de Agromy-
ziden bij het genus Phytomyza, terwijl bij andere de onderlinge verschillen gering zijn.
Een langen tijd voor de vorming behoeft men niet aan te nemen; dergelijke phan-
tastische vormen kunnen ook plotseling ontstaan en blijven bestaan, zoolang ze niet
schadelijk zijn voor de soort. Ook voor de Sarcophaga's zijn correspondeerende ver-
schillen bij de 9 © niet vastgesteld. Als dergelijke lusus naturae kan men ook de
wonderlijke aanhangsels op het pronotum van de Membraciden enz. beschouwen.
De Secretaris leest de volgende mededeelingen van den Heer D. Mac Gillavry voor.
Waar kunnen de mieren-typen van Latreille zijn ?
Naar aanleiding van het zoeken naar de mieren-typen van Latreille, (zie Versl.
Zomerverg. der N.E.V. 1942, p. LIII), vond ik nog met behulp van L. de Nussac
— Les Débuts dun Savant Naturaliste P. A. Latreille à Brive, 1907 p. 201 — en
Horn & Kahle — Ueber entomol. Sammlungen I 1935, II 1936 —, dat Dejean
in 1826 de toenmalige collectie van Latreille overnam. Van Dej ean gingen
de Hymenoptera deels naar M. de Spinola, deels naar J. P. Rambur.
Spinola's Hymenoptera bevinden zich nu in het Zoöl. Univ. Museum te Turyn.
Over de Hymenoptera van Rambur zegt Horn niets, zijn andere insecten gingen
deels naar Oxford, deels naar 't Museum Brussel en naar Oberthiir.
De beste kans om nog iets van Latreille’s mieren-typen te vinden, zou dus zijn
in het Museum van Turyn te zoeken.
HE TTI
|
VERSLAG. XVII
Wie was de Charles van Latreille’s Mieren-Excursies ?
Op de 7le Winterverg. der N.E.V. Febr. 1938 (T. v. E. LXXXI 1938 p. XI) re-
leveerde ik, dat Latreille zijn mierenboekje van 1798 opdroeg „a mon jeune élève
Charles’. Ik waagde toen de onderstelling, dat deze Charles baron de Walcke-
naer zou kunnen (zijn, niettegenstaande de leeftijden niet klopten. Achteraf blijkt
dat het een andere Charles moet zijn en wel Charles Antoine Léonard
d'Espagnac, de zoon van generaal baron Jean Frédéric d'Espagnac,
gouverneur des Invalides. Deze Charles was geboren in 1788 waarmede dus de op-
‚gave van 1798, dat Charles toen tien jaar oud was, volkomen overeenkomt. Be-
halve „élève'’ moet deze Charles ook een halfbroer van Latreille zijn geweest,
daar nu wel positief schijnt vast te staan, dat Latreille de natuurlijke zoon was
van d Espagnac den gouverneur bovengenoemd.
Deze gegevens putte ik uit de noten van L. de Nussac, bij de uitgave der
brieven van Latreille aan zijn familie in: Les Débuts d'un Savant Naturaliste,
le Prince de l'Entomologie, Pierre André Latreille à Brive de 1762 à 1798, door
Louis de Nussac, Paris Steinheil 1907.
Nieuwe en zeldzame Hymenoptera.
De Heer G, Barendrecht laat de volgende Hymenoptera rondgaan.
1. Osmia brachicerus Blüthg., faunae nova spec. Dit ex. een 9, werd op 4 Juli 1942
nabij Heerlen gevangen.
2. Ammobates punctatus F. Van deze zeldzame parasiet van Anthophora bimaculata
Panz. werd op dezelfde plaats waar ook Osmia brachycerus vloog, een © en een &,
resp. op 10 en 4 Juli, gevangen.
3. Stephanus serrator F.. De heer Bentinck ving op 17 Juni 1942 te Geulem
een 9 van deze zeldzame sluipwesp, dat hij aan Spr. afstond en vervolgens op
17 Juli te zelfder plaatse nog een 9. De heer Bentinck deelde Spr. nog mede,
dat hij zoo goed als zeker een jaar te voren op die plaats ook een 9 heeft waar-
genomen. Waar deze sluipwesp slechts zelden gevonden wordt, is dit dus wel een
merkwaardige opeenstapeling van vondsten te Geulem !
De Heer Lindemans wijst er nog op, dat de & 4 van deze soort nog zeldzamer
zijn dan de 9 9.
Namens den Heer Stärcke, die verhinderd is, leest de Secretaris een en ander
voor uit onderstaande mededeeling.
Nederlandsche Adventief-mieren
i door Aug. Stàrcke.
Adventief-planten komen hier hoofdzakelijk: A. door graan- of meel-import (De-
venter, Wormerveer enz.), B. bij textielfabrieken (wol-adventieven, Tilburg), C. door
botanische tuinen en kweekerijen (waterpest, waterhyacinth), D. door aanplemping
en grondophooging, maar dat geldt meer regionale dan areaal-adventie, E. langs de
spoorlijnen (Oenothera, Erigeron, Galinsoga), F. langs dé groote rivieren.
Adventief-mieren komen hier: A. door import van bananen, B. id. van kasplanten,
vooral Orchideeén en Bromeliaceeën, C. id. van bloembollen e.a. plantendeelen uit het
Midd.-Zeegebied, D. id. van ruwe kurk, E. door onderlinge ruil van botanische tuinen,
F. door schepen. Voor zoover ze uit tropisch of subtropisch gebied komen en de reis
in dikwijls centraal verwarmde schepen goed doorstaan hebben, hangt het krijgen van
vasten voet h.t.l. af van hun contact met warme kassen of andere centraal-verwarmde
gebouwen, en van hun concurrentie-vermogen tegenover inheemsche soorten. Sommige
blijven tropicopoliet, andere worden cosmopoliet in dien zin dat zij in gematigde streken
in kassen e.d. standmieren worden.
Forel (Int. ent. Congr. Brussel 1910 publ. 1911) geeft het volgende lijstje van
11 soorten die cosmopolitisch zijn verbreid en voor een deel de oorspr. fauna hebben
verdrongen, nl. 1 Odontomachus haematodes L.; 2 Monomorium destructor Jerd.,
3 M. floricola Jerd., 4 M. pharaonis L., 5 Solenopsis geminata F., 6 Pheidole mega-
cephala F., 7 Tetramorium guineense F., 8 T. simillimum F.Sm., 9 Tapinoma melano-
cephalum F., 10 Parafrechina longicornis Latr., 11 Nylanderia vividula Nyl. Boven-
dien waren volgens Forel de volgende 4 bezig cosmopoliet te worden: Anoplolepis
longipes Jerd., Triglyphothrix striatidens Em., Iridomyrmex humilis Mayr. Cardiocon-
dyla Emeryi For.
XVII VERSLAG.
In ons land zijn van het eerste lijstje de volgende spp. gevonden :
1. Odontomachus haematodes. Van deze groote Ponerine werden Maart 1926 door
L. A. W. C. Venmans eenige werksters in een tropische kas van den Utrechtschen
hortus aangetroffen. Ik zag deze exemplaren niet doch er kan weinig twijfel over
bestaan.
Den 22-8-'34 ontving ik van den Heer Kuiper, Directeur der Rott. Diergaarde,
een busje mieren, levend aangetroffen in een zending uit Colon, Panama, nl. 1° 4
levende werksters van Odontomachus haematodes, 2° 1 werkster van Camponotus
(Myrmobrachys) Lindigi Mayr, bij aankomst dood ; 3° een ontvleugeld zeer glimmend
Camponotus-wijfje van 13 mm. (dat dus niet het 9 van C. Lindigi kan zijn dat maar
6 mm. lang is) ook dood, en eenige eieren van langwerpigen vorm en ruim 1 mm.
lang. Ik hield die eieren natuurlijk voor afkomstig van die doode moer, doch tot mijn
verrassing sjouwden de Odontomachi ermee en legden ook in het glasnest zulke eieren,
en wel terstond. >
9 Jan. ‘35 kwam de eerste larve te zien, de vier hadden toen al sinds eind November
een mooie gemetselde nestkamer bovenop de turf, met gevoerde zoldering en een fraai
pijpje als uitgang, voor 4 losse werksters al een mooie prestatie. Bij gevaar liepen er
1 of 2 aan met 180° geopende kaken, waarmee ze niet beten maar door een uitval
gepaard aan dichtknippen een soort boksstoot uitdeelden. Een binnengelaten andere
mier lag dan een eind verder met een hersenschudding te kramptrekken. Verder bericht
later; den 26 Juni 1936 overleed de laatste der vier. Deze soort kan dus in een cen-
traal verwarmde kas zeer wel bestaan, doch heeft hier toch geen kans omdat ze zoo
gemeen steekt dat elke kasbeheerder zal trachten ze uit te roeien. Bij mij stond het
glasnest, gelijk alle andere, gewoon op het gaas boven de radiator, met de droge
kamer boven de koele vensterbank.
No. 2, 3, 5, 6 en 8 zijn hier nog niet aangetroffen, doch zooveel te meer in de
Overzeesche Deelen des Rijks.
No. 4, de beruchte Pharaomier, is al sinds een eeuw bij uitzondering in warme
kassen, maar vooral in centraal-verwarmde gebouwen en in bakkerijen door het ge-
heele land verspreid. Bekend is vooral de geschiedenis van het postkantoor te Leeuwar-
den geworden. In Artis is ze bijna altijd wel ergens aan te treffen, vooral bij vleesch-
etende dieren. In onze verzamelingen zijn overigens naar verhouding weinig vind-
plaatsen vertegenwoordigd. Ik noteerde Amsterdam 9 ‘83 (O.) 29-3-07 (O) 2 deal. id.
3 ; den Haag 15-11-26 (H. Cornet); schadelijk in een woning N. Duinweg ;
Goes, bij een bakker (L. H. van Berk '31) ; Artis 1927 e.a. jaren. Haagsche dieren-
tuin 1930. Algemeen op de groote mailbooten. Het aantal moertjes van één volk kan
meer dan 10000, dat der werksters meer dan een millioen bedragen.
No. 7, Teframorium guineense F. is misschien onze meest algemeene warme-kasmier,
leeft o.a. sedert minstens 34 jaar in de tropische kas te Utrecht, met Parafrechina
longicornis Latr. (zie S. Ent. Ber. 1926 86—97). Hortus Amsterdam, cactuskas © à
Bels! Jan. ‘33 No. 236, tr. kas Zeist! Febr. 33 8 Bels! No. 237; tr. kas Drie-
bergen % Febr. '33 Bels! 241. Sinds ‘32 niet meer in den Hortus te Utrecht (Bels),
doch ‘41 een nest achter de kasdeur (S.). Kas Artis 1938, volk met 2 moeren (P o-
lak!) ; Frederiksoord % met Lasius fuliginosus, w. kas Westhoff '41!. Strand-
reep Scheveningen een ws. verdwaalde % (S.; aan dit ex. werd mijn vermoedens-
wijze uitgesproken det. het eerst door Wasmann en Schmitz bevestigd, olim!)
Kas te Wageningen (Hille Ris Lambers). Het volkje van Polak heb ik
gekweekt, bericht later. De soort lijkt veel op een kleine Myrmica, de werksters loopen
elk apart op vaste paden op de verwarmingsbuizen en verspreiden zich van daar om
hun Cocciden en Aphiden te melken en kleine insecten te vangen. Nest in den grond.
No. 9. Tapinoma melanocephalum F. In coll. Mac Gilla vry bevinden zich exem-
plaren die 1917 werden aangetroffen in de Orchideeënkas van Dr. Holleman
te Amsterdam. Orch. kas Aerdenhout o--deal. Beels no.-12; id. 3° no. Ib top.
kas Gemeente-kweekerij Aerdenhout Jan. ‘33 Bels no. 235, met Pheidole anastasii
var. cellarum For.; aan Orchideeënwortels in de kas van den heer J. M. Mooren
te Aerdenhout. Uit deze kas ontving ik 28 Jan. '32 van den heer L. Bels te Haarlem
een levend volkje (deze uitdrukking neem ik gaarne over van Escherich en
V. Westhoff) met 7 moertjes, larven en nymphen. Om ze in de transportbus te
krijgen waren ze met pot en al aan de winter-buitenlucht blootgesteld en in verstijfden
toestand overgeschud. Hoewel gaarne verdunde honing drinkend zijn ze wel zóó carni-
voor dat er 14 Juli "33 nog slechts 1 moertje was (zoo groot als een werkster Lasius
niger), met circa 120 werksters en broed, nadat 4 maanden geen dierlijk voedsel was
gereikt. Dit laatste moertje was 1 Nov. ook verdwenen, en 17 Febr. 34 waren nog
slechts 6 werksters over. Nadat 1 Nov. '33 ook het laatste moertje geconsumeerd was
VERSLAG. XIX
| was er ook geen larve meer, doch waren, als regeneratie-poging, 3 geslachtsnymphen
| geproduceerd, waarvan 6 Nov. ook 1 3, nog on-uitgekleurd, zich bewoog, en den
volgenden dag no. 2. No. 1 was toen al verslonden,
Ook werksters werden vaak gescheurd bij het reinigen, en dan in alle gemoedsrust
verder uitgelikt. Behalve dit kannibalisme werden genoteerd: stervormige
in plaats van paarsgewijze kropvoedering, actief aanbieden
door volgedronken werksters, zéér uitgesproken patrouille-phenomeen (hier-
onder versta ik het niet zelve consumeeren van bruikbaar voedsel, maar zich na ver-
kenning naar huis haasten in een bizondere bewegingswijze, den koerierspas,
waarna elke door deze koerier aangesprieterde werkster in groote opwinding geraakt
en op het spoor van de koerier naar de buit snelt.). Meegaan van moertjes
bij opwindingsstroomen naar het „omgevings -schaaltje, gebruik ook van de
voorpooten bij suikertransport, aanbieden van oningeslikte meege-
brachte vaste suiker. Een en ander als teekens van zeer hoog ontwikkeld
sociaal niveau. Centraal Zenuwstelsel enorm en vroegtijdig ont
wikkeld (zie Starcke T. v. Ent. LXXVI blz. XXVI—XXXII 1933), in ver-
houding tot het kleine lichaampje. Het aantal moertjes kan verscheidene honderden
bedragen (volk uit Moengo Suriname, Poot!). De larven hebben een rudimen-
taire beharing, maar scheiden een kleverig exsudaat af en bezitten een
knopvormig capillair zuignap-bultje aan het staarteinde.
Den 17 Dec. ‘32 ontving ik van den heer L. Bels een tweede volkje, uit de kas
van ,,Kareol” te Aerdenhout, bestaande uit 6 moertjes, = 200 werksters en = 1000
eieren, larven en nymphen, nest in verdroogde Philodendron-vruchten. Ook dit kweekte
ik totdat 18 Jan. ‘36, dus na ruim 3 jaar de laatste werkstertjes dood waren, na duide-
lijke ziekteverschijnselen.
In 1936 ontving ik door vriendelijke bemiddeling van Dr. Uyttenboogaart
van den heer Mooren een Orchidee in pot, waarin een volkje met 22 moertjes enz.
Dit volkje splitste ik, 5 moertjes met een deel van de broedmassa in een afzonderlijk
glasnest plaatsend, na de pot een poos in een bak water geïsoleerd open te hebben
voortgekweekt. De rest verhuisde via een water-arena naar een tweede glasnest. Beide
werden gekweekt tot aan mijn ziekte in ‘39. Het grootste volk ging ten onder door
een endemie van groote roode Acarinen die zich in zoo grooten getale vooral aan de
pooten hadden vastgehecht dat de miertjes die nog alleen met moeite en stampende
konden neerzetten.
De herkomst van deze in kweekerijen nuttige mier is onbekend, ze is zoowel in
Nederl. Oost-Indië als in Suriname algemeen. Verwante soorten vond mej. Dr. E.
Skwarra in Mexico vooral in de bladtrechters van epiphytische Bromeliaceeën en
andere epiphyten. Ik heb T. melanocephalum veelvuldig likkende aan de Orchideeën-
wotels aangetroffen. Een andere verwante soort, T. andamanense var: capsincola For.
leeft met Crematogaster Vanderpyli Ske. in de holle doorns van Accacia leucophlaea
in de res. Tjeribon. De bewegingen van deze zijn even bliksemsnel als die van
melanocephalum. (!). |
No. 10, Paratrechina longicornis Latr. constateerde ik in 1909 in de warme kas van
den Hortus te Utrecht (zie Ent. Ber. 1926 l.c. alwaar ook oecologie). Zij is bovendien
genoteerd van Hortuskassen te Amsterdam (Bels no. 16). Te Utrecht is zij standmier
(1941 S. en Dr. v. Ooststroom). Uit een kweekerij te Aerdenhout ontving ik
3 wijfjes en 8 werksters, levend aangetroffen bij bollen van Iris tingitana uit Cannes.
Kweekbericht later.
P. longicornis is algemeen op tropenschepen en in warme kassen door geheel
Europa verspreid. Oorsprong wellicht Oost-Indie.
No. 11. Nylanderia vividula Nyl. Komt h.t.l. meer ephemeer als overheerschende
soort voor. Artis Oct. "25 (v. d. W.!) 7 Sept. en 23 Sept. 9 © alatae en 24-29 Oct.
4 & (v. d. W.!) Heeft in Artis 1926 in een gebouw de Pharaomier verdrongen
(19 Maart vele 9 9 en 4 & v. d. W.!); den Haag (Everts!); kas Arboretum
_ Wageningen 1-4-37 (Geyskes!) Van deze loc, ook de var. Mjöbergi For. uit
Stockholm beschreven. Dit is wellicht slechts eene fluctuatie. Oorsprong ws. Indo-
Australië. Ik kweekte deze sp. niet. ;
Van Forel's tweede lijstje heb ik alleen no. 1. Anoplolepis longipes Jerdon, de
gramang-mier, eenmaal levend ontvangen, 22 werksters, 30-9-'34 met bollen van Lilium
candidum (Phytopath. Dienst Wageningen.). Zij behoorden tot de weinige tropenbe-
woonsters die bij mij niet wilden gedijen, zaten verwezen op hun turfplaatje, dronken
| suikerwater totdat zij bijna barstten maar stierven snel zoodat er 2 Dec. nog maar 3
in leven waren. De aangeboden muggen werden versmaad. Wellicht zijn zij kieskeurig
op hun voedsel. Dit is de soort die door bestrijding van de zwarte cacaomier schadelijk
XX VERSLAG.
wordt in cacao-cultures (zie de monographieën door Dr. P. van der Goot. Med.
Proefstation Midden-Java No. 19 (1915) en No. 22 (1916)). Hoe ze bij de leliebollen
kwam is niet opgehelderd, vermoedelijk vanuit andere gekweekte planten van Indischen
oorsprong.
Iridomyrmex humilis Mayr., de „Argentine Ant” is naar bekend ondersteld mag
worden, een wereldpest geworden die rondom vele havenplaatsen in sub-tropen tot
ver in het binnenland is doorgedrongen en in Portugal, de Kaapkolonie, Canarische
eilanden, Madera, de Zuidelijke U.S.A.-staten en deelen van Brazilié, de Azoren enz.
de inheemsche mierfauna heeft verdrongen. Op onze breedte wordt ze uit kassen te
Kew (Donisthorpe) 1927. Belfast (D. '08) Brussel (Bondr. Ann. s. Belg. 1911)
en Breslau (Goetsch 1942) vermeld, in den zomer ook in den tuin. Hier te lande
voor zoover mij bekend nog niet ievend gevonden, doch dit kan elk oogenblik gebeuren.
De prognose van Forelis dus niet geheel uitgekomen. De soorten die thans bezig
zijn cosmopoliet te worden zijn: Ponera punctatissima Rog., Pheidole anastasii Em. var.
cellarum For., Iridomyrmex cellarum Ske., Technomyrmex detorquens Walker (= al-
bipes Mayr.), Brachymyrmex Heeri For., en Plagiolepis Alluaudi Em.
Die slagende wereldveroveraars zijn bijna alle kleine of zeer kleine miertjes, vele
geel en allen zeer vruchtbaar en meestal meer-moerig en hoog sociaal georganiseerd.
Relatief vele behooren tot de kleine subfam. der Dolichoderinae, die m.i. meer recht
heeft aan het hoofd der Formicidae geplaatst te worden dan de Formicinae, waartoe
meer neiging bestaat. Kleinheid is bij hooge sociale organisatie
een groot voordeel: het houdt de vitale factor 3/7 hoog.
Ponera punctatissima Rog. werd 8 Oct. 1925 voor het eerst h.t.l. gevonden door
Van der Wiel in een compost-hoop bij een boerderij te Mijdrecht, voorts nog
gevonden te Houthem 24 Mei ‘26 (2 8 8 v. d. W.!), in kas te Aerdenhout Juli 32
(L. Bels) in een bakkerij te Goes (L. H. van Berk 25 © © deal!), den Dolder
(S.) één ontvleugeld wijfje, loopend op een tafeltje op mijn terras. Zij komt dus in
Nederland meer verspreid voor dan coarctata Latr., die hier tot Limburg en Nijmegen
beperkt is en daar de N.W.-grens van haar continentaal areaal bereikt. De puncfatis-
sima-volkjes tellen gemiddeld meer individu’s. Het eerst is deze uit den Leidschen
hortus opgegeven (1924 Betrem), hetgeen ik destijds heb bevestigd. Later zag ik
eenige verwante tropische spp. en daar de Leidsche exemplaren ook aanmerkelijk
kleiner zijn dan die uit Mijdrecht, meen ik thans dat ze wel tot eene van deze kunnen
behooren. Dr. van Ooststroom berichtte 1942&de soort in denzelfden Hortus
te hebben weergevonden.
Iridomyrmex cellarum Stärcke 1933 is in een Orchideeënkas\te Loosdrecht 1926
ontdekt door den Plantenziektekundigen Dienst, waar ze Maart 1932 door L. Bels
(no. 138, 139, 140) werd weergevonden. Kas Duin-en-Daal te Bloemendaal 4 (Bels
no. 9, % no. 14). De werkster is niet te onderscheiden van J. iniquus Mayr. var.
nigella Em.; als zoodanig is ze in mijn tabel van 1926 en uit kassen te Brussel ver-
meld, doch niet uit Kew. Het @ is verschillend van dat wat door Forel aan iniquus
wordt toegeschreven. Oorsprong : tropisch en subtropisch Z.-Amerika.
De heer L. Bels bezorgde mij 22 Juli ‘32 een fraai volkje uit Aerdenhout nl.
1 moer, 2 gevl. wijfjes, 8 4 4, 1 © pop, 33 8 è, eenige eieren en 5 3 nymphen.
Dit kweekte ik tot Febr. 1936. Over de daarmee gedane proeven wordt later bericht.
Ik meen dat deze soort uit alle Europeesche mieren de kroon spant wat sociale orga-
nisatie betreft. Het C.Z.S. is weer dermate ontwikkeld, ook in den thorax,
dat op doorsnede alle andere organen daarbij in het niet zinken. De larven hebben
geen capillair hechtbultje aan het staarteinde, zooals Tapinoma en Tech-
nomyrmex, maar een sensilvoerend bultje op het midden van
diem yr: i
Er is een zekere neiging om de Formicinae, en daaronder nog weer de bloedroode
roofmier, als de intelligentste mieren te beschouwen. M.i. geheel ten onrechte. De
Attini onder de Myrmicinae en de Tapinomini en Iridomyrmex onder de Dolichoderinae
staan sociaal veel hooger, althans de tropische vertegenwoordigers van deze groepen.
Technomyrmex detorquens Walker is hier niet adventief waargenomen, maar in
kassen te Kew de algemeenste (Donisthorpe Br. Ants Ed. II 1927). Ik kweekte
meer dan een volkje, doch deze waren uit den tuin van Dr. Jacobson te Bandoeng
(zie Stärcke Fauna Javana I en II. T. v. Ent. 1938 en 1940). Een van deze ont-
snapte en leefde maandenlang in mijn kamer, brak zelfs bij een initiaal Camponotus-volk
in en moordde het uit.
Pheidole anastasii Em. v. cellarum For. is in kassen over geheel Europa verbreid.
Kas te Baarn 2-8'17 (-O.). Kas te Laren © deal. (O. no. 208, 209, 210): Artis te
Amsterdam, div. gebouwen Juli 32 Bels no. 137; Trop. kas Gemeentekweekerij
i K
vi
Si
hi
5
VERSLAG. XXI
Aerdenhout Juni 33 Bels no. 235! (met Tap. mel.). Trop. kas v. Ginkel te Baarn
(werkster en soldaat ‘33 Bels!; Trop kas Dirkse Utrecht Febr. ‘32 Bels!;
Trop. kas Kantonspark Baarn Febr. ‘32 Bels!).
Uit het Reptielenhuis van Artis, waar ik ze in het hok van een ratelslaag aantrof,
ontving ik van den Heer R. A. Polak in ‘35 en 36 vier levende volkjes ; bericht
daarover later. Een daarvan had een nest in een gemetselde muur. De werkstertjes
passeeren door onmogelijk nauwe spleetjes. Bij deze soort observeerde ik o.a, dwerg-
soldaten, hetgeen voor in het ei reeds vastgelegde aanleg voor een bepaalde
kaste pleit, in tegenstelling tot mijn vroegere meening (en tot die van bijna alle myrm.
_ auteurs).
Brachymyrmex Heeri For., beschreven uit een Hortuskas te Ziirich in 1874 werd
voor het eerst h.t.l. gevonden door Dr. W. C. van Ooststroom (var. obscurior
For.), die daarover nader zal berichten. Ik ontving Heeri van St. George (Bermudas),
Dr. J. C. van den Bergh leg. Oorsprong Midden-Amerika.
Plagiolepis Alluaudi Em. (= Pl. exigua For. van mijn lijst 1926).
Santschi, in 1904 Zürich bezoekende en wenschende Brach. Heeri te verzamelen,
nam eenige zeer kleine daar aangetroffen gele miertjes mede, doch bevond bij later
onderzoek (1919) dat de Brach. door een ander zeer klein geel miertje vervangen
was, dat hij als Plagiolepis Foreli nov. sp. (en var. ornafa) beschreef. (Bull. Vaud
1920). Emery bracht 1922 een deel van PI. exigua For. en deze PI. Foreli terug
tot zijn PI. Alluaudi van de Seychellen, en bij deze uitspraak heb ik mij neergelegd.
Bij een tweede bezoek aan de kassen te Ziirich, twee maanden later, vond Sant-
schi noch Brachymyrmex, noch Plagiolepis, maar een derde even klein geel
. miertje, Pheidole anastasii Em. var. cellarum For. (zie boven), waarvan de kas we-
melde. In dien korten tijd had dus een derde conquistador den tweeden geheel uitge-
roeid. Zoo is ook op Madera eerst verovering door Pheidole megacephala F., later
door Iridomyrmex humilis Mayr. geconstateerd.
PI. Alluaudi Em. komt volgens Geyskes sedert minstens 10 jaar in de kas van
het Arboretum te Wageningen voor. Ik ontving van hem 3 April 1937 een volkje met
2 moertjes, die dood hadden moeten zijn want ze hadden een uur in een HCN-flesch
doorgebracht. Ze kwamen bij mij spoedig bij en ik kweekte ze een jaar lang, totdat
ze door het eerder vermelde uitschieten der centrale verwarming den dood vonden.
Bericht later.
Neal A. Weber (Ecology Juli 39 „Tourist Ants”) maakt op het feit opmerk-
zaam dat het verspreiden van al deze cosmopolieten door de scheepvaart algemeen
wordt aangenomen maar het aantal concrete observaties op schepen gering is, te
weten: Ponera punctatissima, Monomorium Pharaonis, M. destructor, Paratreechina
longicornis en Camponotus sericeiventris rex For. Weber geeft dan een lijst van
16 soorten die door hemzelf op schepen in de tropen zijn aangetroffen, nl. Neoponera
sp. near foetida, Odontomachus haematodes, Pheidole fallax Jelskyi Mayr, Cremato-
gaster brevipinosus Mayr, Cr. sp., Monomorium floricola Jerd., M. pharaonis, Solenop-
sis geminata F., Tetramorium guineense F., T. simillimum F. Sm., Cryptocerus (Hypocr.
sp. Cr. (Cyathom.) varians F. Sm., Tapinoma melanocephalum, Azteca sp., Paratrechina
longicornis, Nylanderia vividula, alle in de Nieuwe Wereld, de meesten op een rivier-
boot. De algemeenste scheepsmieren zijn Mon. Pharaonis en Paratr. longicornis. Een
enkel schip werd door 7 van de 11 cosmopol. soorten bewoond.
Andere adventiefmieren in Nederland.
8 April 1938, groote geel-en-zwarte Camponotus (Dr. C. de Jong) 7 April bin-
nenshuis in een apotheek te Gouda gevangen: C. (Myrmothria) ustulatus For. è !.
Hoe deze Zuid-Amerikaan daar kwam is niet opgehelderd.
C. Bugnioni For.! 3 5 8, 6 Dec. ‘31 van Ir. Graaf Bentinck ontvangen.
Nachtelijke levenswijze, Zeer dom. Optimumtemp. bij hygr. vm 75° EF,
(30 Dec.), doch verdroegen 7 Febr. ‘32 97° F. gedurende 8 uur. Herhaaldelijk met
bananen levend ingevoerd.
C. (Tanaemyrmex) mitis F.Sm.!. In een groote kist, van Java afkomstig, werden
op het Kol. Instituut een; aantal groote mieren, nl. 22 levende en 4 doode wijfjes,
2 levende en 1 doode werkster gevonden (Prof. Dr. L. Ph. le Cosquino de Bussy).
Ik kweekte ze in een Krausse-arena Dom, aggressief-angstig, zeer
laag sociaal georganiseerd, gedrag meer als een Ponerine of een roofkever
((o.a. kannibalisme ondanks ruime vleeschvoeding) dan als een sociaal Hy-
menopteer. Schemerings- en nachtmier. Carnivoor, hoewel suiker niet
versmaad werd.
Van twee bakkerijen te Goes werd in de eene Ponera punctafissimal, in de andere
Mon. Pharaonis! gevonden. (L. H. van Berk 20-12-31.)
XXII VERSLAG.
Onder schors van een dwerg-Pinus uit Japan werden te Buitenzorg 4 9 © en 4 3 5
van Nylanderia vividula Nyl. (geen flavipes) aangetroffen!.
Febr. 1937 van Dr. Uyttenboogaart ontvangen: 1. Camponotus (Myrme-
pomis) Sericeiventris Guér. subsp. rex For. ab. devalata nov. ab.
De gouden glans der pubescentie als bij rex, maar beperkt tot het gaster, de ge-
heele voorhelft van het dier dof grijs-zwart. Pas bij vergr. 30 X ontdekt men ook
daar een uiterst fijne en niet zeer dichte bestippeling, vanwaar een fijne en korte
goudkleurige pubescentie uit gaat. De lengte der haartjes is iets kleiner dan de afstand
der stippeltjes. Bovendien kop boven en onder afstaand behaard; deze haren zijn
middelmatig lang, stevig en donker; ook op den thorax eenige dergelijke, ongeveer
als bij middelmatige Formica rufibarbis F.. De tophoek der pronotumuitsteeksels is
ongeveer 80°, maar het uiterste puntje is apart iets meer naar voren gericht en wat
scherper. 11 mm. Uit (Jamaica?) bananen.
Rex is ook door Wheeler als scheepsreiziger vermeld.
2. Pseudomyrma sp. uit Orchideeën uit Brazilië,
3. Cryptoceride uit Z.-Am. Orchidee.
Crematogaster (Orthocrema) sp. (geen sordidula) 3-6-'35 eenige werksters in bloe-
men. N.V. Floricultura, Haarlem. ;
Acromyrmex octopinosus Reich, eenige 5 5 levend in bananenpakhuis te Amster-
dam. (R. A. Polak.)
Uit ruwe kurk aan de IJkade te Amsterdam verzameld 1 Jan. ‘33 door L. en P. Bels
ontwikkelden zich bij hen eerst Crematogaster scutellaris Ol. var. algirica For.!, en
later 4 2] 2| en 8 3 8 Colobopsis truncata Ol.! Oorsprong Portugal of N.-Afrika.
Met tropisch siergewas meegekomen zijn vermoedelijk behalve bovengenoemden :
Pheidole sp. uit den Leidschen Hortus. Beschrijving zie tabel De Lev. Nat. 1926.
Nog grooter dan deze is een Pheidole sp. uit de buurt van plagiaria F. Sm. waarvan
soldaat en werkster door A. Raignier en L. Bels in een kas te Driebergen
werden verzameld. Tropische Pheidole van onbekende patria zijn alleen bij toeval
determineerbaar. Een nog niet vermelde bron voor adventiefmieren zijn de zoölogen.
Zoo vermeldt Wasmann 1000 levende Crematogaster sulcata Mayr. uit een hem
toegezonden carton-nest (T. v. Ent. XLVIII (1901). Opzettelijk levend overgezonden
exoten, zooals de bij mij gekweekte Javaansche em Zuid-Europeesche mieren, zijn
niet als adventief beschouwd.
Het kwam mij goed voor de rekening van dit tijdvak op te maken voordat een
nieuw tijdvak van toenemende centrale verwarming en vliegverkeer nieuwe mogelijk-
heden schept.
©, = Dr. J: Th. Oudemans; v.d. W. = P. van der WielzBels —
L. en P. Bels te Haarlem. Het teeken ! beduidt dat ik de determinatie heb gecon-
troleerd of verricht.
(Lab. der W. Arntsz-Stichting te den Dolder, afd. exp. en verg. Soc.).
Fauna N.O. Polder.
De Heer K. W. Dammerman deelt een en ander mede over zijn onderzoek naar de
nieuwe fauna in de N.O. Polder verricht in Juli en Augustus 1942. Hij heeft zich
daarbij beperkt tot de bodemfauna en de fauna van het zoete water.
Wat de bodemfauna aangaat werden alle dieren verzameld levend op of in de
bodem, bodemmonsters werden meegenomen zoowel voor grondonderzoek als voor
onderzoek op micro-organismen. Bij het wateronderzoek werd evenwel het plankton
buiten beschouwing gelaten daar dit onderzoek wordt verricht door den heer J. Kloos.
Teneinde vergelijkbare cijfers te verkrijgen over de op en'in de bodem voorkomende
fauna werden ook quantitatieve onderzoekingen uitgevoerd. Hiertoe werd nagegaan
hoeveel dieren (soorten en individuen) voorkomen op een oppervlakte van 25 bi
25 cm en tot een diepte van 5 cm. De eventueel aanwezige vegetatie werd bij de
grond afgesneden, de zich op de bodem bevindende vergane plantendeelen en humus
werden uitgezeefd met een keverzeef en zoowel het op de zeef achtergebleven grovere
materiaal als het zeefsel met het bloote oog uitgezocht. De rest van de aarde met de
plantenwortels werd door een tweetal zeeven in water uitgespoeld, bij de fijnste zeef
is de maaswijdte 1 mm. Dieren kleiner dan 1 mm werden met deze methode dus niet
verkregen. De geschetste methode is vrij grof en een aantal dieren zullen hierbij zeker
aan de aandacht ontsnappen, Waar het echter te doen is om vergelijkbare cijfers te
verkrijgen is de methode nog zeer bruikbaar. Een meer nauwkeurige methode b.v. door
middel van het Berlese-apparaat, was ook niet uitvoerbaar, daar vooreerst aanschaf-
VERSLAG. XXIII
fing of aanmaak van zulke apparaten uitgesloten was en bovendien verwarming van
| het apparaat ter plaatse waar het onderzoek verricht werd (Urk en Schokland) vrijwel
onmogelijk bleek.
Het bovenbedoelde quantitatieve bodemonderzoek werd nu verricht op Schokland,
Urk en verschillende punten in de polder. Op Schokland komen slechts twee biotopen
| hiervoor in aanmerking, nl. rietland en grasland, op Urk is alleen grasland aanwezig.
In de polder strekte zich het onderzoek uit over de geheel onbegroeide bodem, de
nog uiterst spaarzaam begroeide bodem, b.v. met slechts hier en daar een graspol, en
bodem bedekt met een reeds aaneengesloten vegetatie.
Over de resultaten valt voorloopig nog zeer weinig mede te deelen, daar het hier
vooral gaat om de veranderingen die in de loop der jaren zullen optreden. Zoo zal
_ het rietland op Schokland vermoedelijk geheel verdwijnen, vooreerst doordat het riet
À thans steeds zeer jong gemaaid wordt en ten tweede doordat de bodem voortdurend
droger zal worden. Het land verandert dan geleidelijk in grasland en we zullen dus
daarbij na kunnen gaan hoe ook de fauna van de eene biotoop geleidelijk overgaat in
die van de andere.
Slechts op een paar bijzonderheden zou hier nog gewezen kunnen worden. Zoo
werd op Schokland in de bodembedekking van rietland veelvuldig een klein kevertje
aangetroffen, een Lathridiide, Corticaria longicornis Hrbst, en een aantal larven, die
de heer Bernet Kempers, aan wien het materiaal ter hand gesteld werd, niet
kon thuis brengen. Vermoedelijk zijn dit de larven van genoemde soort. In grasland
werden twee soorten Halticiden gevonden, Crepidodera ferruginea Scop. en C. inter-
punctata var. sublaevis Motsch., soorten die zeer nauw verwant zijn en in elkaar
overgaan. Het komt mij voor dat het eenigszins twijfelachtig is of we hier wel met
twee goede soorten te maken hebben, daar beide op een zeer klein gebied, 25 bij
25 cm. bijeen leefden in een zeer eenvormig milieu. Bovendien werden beide genoemde
soorten ook op Urk tezamen aangetroffen.!)
Wat de bodemfauna in het algemeen betreft kan vooreerst opgemerkt worden, dat
mieren nog zeer schaars vertegenwoordigd zijn. Op Urk komen drie soorten voor:
Lasius umbratus Nyl., L. niger Auct. en Myrmica rugulosa Nyl., beide laatstgenoemde
soorten worden ook op Schokland aangetroffen. M. rugulosa is een vrij zeldzame
soort die vooral aan de zeekant wordt gevonden. In de polder, in de nabijheid van
Urk, werd slechts één exemplaar van Lasius niger aangetroffen, een gewone arbeider,
vermoedelijk door de wind verwaaid.
Overigens werden op Urk opvallend weinig soorten verzameld die eigen zijn aan
eilanden, aan zilte gronden, of bij voorkeur langs de zeekust zich ophouden. Zij zijn
misschien voor een deel reeds verdwenen. Zoo werd in 1928 op het eiland nog aan-
getroffen Atheta flavipes Thoms., een soort die alleen langs de zeekust wordt gevon-
den, maar thans niet werd ontdekt.
Daarentegen vinden wij op Schokland nog een vrij groot aantal halophilen of
halobionten, in de eerste plaats loopkevers: Bembidion minimum F., B. iricolor Bed.
en Amara convexiuscula Mrsh. Ook werd op Schokland nog verzameld Stenus calcara-
tus Scriba, een soort met zeer beperkt verspreidingsgebied (Maasmonding en Zeeburg
bij Amsterdam). Van de genoemde soorten werden tot nu toe Bembidion minimum en
Amara convexiuscula ook in de polder aangetroffen. Een andere halobiont die wel
i > polder, maar niet op Urk of Schokland werd waargenomen, is Dyschirius salinus
chaum.
De eenige vertegenwoordiger van het geslacht Carabus was C. granulatus L., die op
Schokland niet zeldzaam is en ook in de polder werd gezien, zij het niet ver van ge-
noemd eiland af.
In de polder hebben zich reeds tal van soorten verspreid, in de eerste plaats loop-
kevers en kortschildkevers, verder vooral ook spinnen. Over deze laatste diergroep kan
Spr. helaas niet veel zeggen, daar het materiaal nog onbewerkt bleef. Op de totaal
onbegroeide bodem is gewoonlijk niets aan te treffen behalve enkele soorten die
door de wind worden voortgerold. Bevinden zich echter steenen op het terrein of zijn
er graspollen aanwezig, dan schuilen hieronder al dadelijk meerdere soorten. Vooreerst
Staphylinidae, voornamelijk Trogophloeus-soorten, dan Bembidion-soorten, in de eerste
plaats B. varium Oliv. en B, femoratum Strm. Hierbij voegen zich dan nog vliegen en
spinnen. Onder de vliegen is vooral Ephydra riparia Fall. vertegenwoordigd, een
| typische halobiont. Raakt het terrein meer begroeid dan treden nog op, behalve weer
verschillende kortschildkevers, loopkevers zooals Elaphrus riparius L. en Agonum
____1) Volgens een nader onderzoek van Dr. D. L. Uyttenboogaart betreft het
hier slechts één soort, nl. C. ferruginea.
XXIV VERSLAG.
marginatum L., verder Helophorus-soorten (H. brevipalpis Bed.), Stenus biguttatus L.,
oeverwantsen (Saldula) en de Collembool Hypogastrura viatica Tullb.
Komen we nu tot de zoetwaterfauna dan zien we vooral op Urk, in tegenstelling
met hetgeen bij de bodemfauna werd opgemerkt, dat hier nog verschillende aan
brakwater eigen soorten voorkomen, ofschoon het water op Urk practisch reeds ge-
heel verzoet is. Zulke brakwatersoorten zijn onder de kevers de Dytisciden Coelam-
bus parallelogrammus Ahr en Agabus conspersus Mrsh en de Hydrophilide Enoplurus
spinosus Stev. Een andere halophiele soort op Urk aangetroffen is Daphnia magna
Straus.
Tot de waterwantsen die in 1928 verzameld werden, behooren Corixa panzeri Fieb.,
welke soort niet is teruggevonden. evenals Sigara lugubris Fieb., een brakwatervorm,
die in 1928 nog zeer algemeen was. Wel werden andere Sigara-soorten gevonden,
waaronder de zeer algemeene S. sfriata L.
Van de genoemde brakwatervormen heeft zich nog geen in de polder verspreidt
behalve Enoplurus spinosus, die aangetroffen werd in een met riet begroeide plas,
ruim anderhalve kilometer noord van Urk.
Op Schokland zijn daarentegen brakwatersoorten zeer spaarzaam vertegenwoordigd.
Ofschoon vele Sigara-soorten werden gevangen ontbrak ook hier S. lugubris, terwijl
onder de talrijke waterkevers geen halophilen of halobionten aanwezig waren. Alleen
onder de Diptera zijn eenige typische halophiele of halobionte soorten, waarvan de
larven in brakwater leven, zooals Collinellula limosa Fall, en de reeds tevoren ge-
noemde Ephydra riparia. Voorts is ook zeer algemeen de Chironomide Tendipes ten-
fans F., een vooral uit de kuststreek bekende soort.)
Gaan we nu na welke soorten in het water van de polder optreden, dan vinden we dat
in nieuw gegraven kanalen en slooten, waarin geenerlei begroeiing en nagenoeg ook
geen detritus nog aanwezig is, uitsluitend één soort muggelarve, een roodgekleurde
Chironomide, wordt aangetroffen, die in de modder leeft. Deze larven werden nog niet
gedetermineerd, maar mogelijk hebben we hier te doen met de zoo juist genoemde
Tendipes. Komt er eenige begroeiing in het water, b.v. wieren, of is er op de bodem
rijkelijk detritus aanwezig, dan zijn het in de eerste plaats ook weer vliegenlarven
die het water bevolken en gewoonlijk meerdere soorten tezamen. Indrogende plassen
geven dan vaak een dikke brei van larven te zien.
Krijgt het water een meer normaal aanzien, d.w.z. komen er eenige waterplanten in
en blijft het niveau normaal, dan verschijnen ook al spoedig waterkevers, zoowel
Dytisciden (Haliplus fluviatilis Aubé, Hydroporus palustris L., Coelambus impresso-
puncatatus Schall.), als Hydrophiliden (Helophorus brevipalpis Bed.), ook water-
wantsen (vooral Sigara-soorten en Nofonecta lutea Müll.) en op het water de gewone
Gerris thoracica Schumm.
Vindplaatsen van mieren.
De Heer G. Kruseman Jr. deelt een en ander mede over vindplaatsen van Formica
exsecta Nyl., F. pressilabris Nyl., en Polyergus rufescens Latr.
In Augustus 1940 werden op Texel door Ir. J. Vlieger en Spr. een negental nesten
van Formica pressilabris Nyl. gevonden. Bij Craaila in het Gooi is Formica exsecta Nyl.
op verschillende plaatsen te vinden. Spr. vond ze in de gemeenten Hilversum, Laren
N.H., Blaricum en Huizen. Vroeger is door een oppasser van Artis een Polyergus
kolonie bij Hilversum gevonden (opgave van den Heer Polak). Spr. was zoo ge-
lukkig een kolonie op de terugtocht te observeeren in de Gemeente Hilversum bij het
kamp van Laren. Bovendien werd een exemplaar gebracht, dat op een broekspijp in
de gemeente Blaricum verzameld werd.
Nieuwe Psociden voor Nederland.
Bij het opbergen der Psocidae uit de collectie MacGillavry en het materiaal
door Prof. de Meijere verzameld en door Dr. Barendrecht ter onzer be-
schikking gesteld vond Spr. eenige nieuwe soorten; bovendien verzamelden de Heer
Piet en Spr. in Artis een soort; ten slotte deelde de Heer Evenhuis hem nog
de vangst mede van Bertkauia lucifuga Ramb. Deze laatste soort is door de Heeren
MacGillavry en Bakker gedetermineerd.
2) Volgens Dr. G. Kruseman is dit niet T. tenfans, maar T. plumosus L., de
bekende Zuiderzee-mug.
VERSLAG. XXV
-
De nieuwe soorten zijn:
Trichopsocus hirtellus Mc.Lach. Palmenkas Artis, Kruseman en Piet; Tr.
dalii Me. Lach. Amsterdam, Vari; Amphigerontia intermedia Tet. Doetinchem, de
Meijere; Ecfopsocus briggsi Mc. Lach, Heemstede, Douglas.
Spr. verzoekt de leden, aangezien er nog weinig Psocidae in Nederland verzameld
werden, deze dieren voor den Heer Bakker of Spr. te willen verzamelen. Zoowel
op alcohol als droog verzameld materiaal is welkom.
De Heer Voüte deelt naar aanleiding van het bovenstaande mede, dat de Amazone-
mier op verschillende plaatsen waar zij vroeger algemeen was, zooals te Otterloo en
Lochem, thans verdwenen is. Daarentegen verschijnt zij op plaatsen waar zij vroeger
ontbrak.
Eenige voor Nederland nieuwe Lepidoptera.
(3e Faunistische Mededeeling.)
De Heer L. Vari geeft uit de collectie van het Zoëlogisch Museum te Amsterdam
en zijn collectie enkele nieuwe soorten rond en deelt daarover het volgende mede :
In het afgeloopen jaar heeft Spr. door het genitalia-onderzoek weer enkele soorten
aan de lijst der inlandsche Lepidoptera kunnen toevoegen. Dat we deze soorten onder
de „micros moeten zoeken valt niet te verwonderen, daar toch op dit terrein nog
veel te doen is in ons land.
Vooral in het genus Eupista (Coleophora), dat vele nauwverwante soorten herbergt,
werden de aanwinsten gevonden. Ook de Stigmella’s (Nepticula) leverden. een belang-
rijk aandeel op, daar hun mijnen veelal zeer goed te determineeren zijn. Enkele moei-
lijker te onderscheiden soorten werden nog niet vermeld, daar hier beter is de imagines
af te wachten,
Hieronder volgen dan eerst de nieuwe soorten:
1. Polychrosis euphorbiana Frey. 1 ex. uit de Botshol.
2. Glyphipterix struvei Ams. 1 ex. van Terschelling.
3. Platyedra malvella Hb. 1 ex. van Diemen.
4. Pancalia latreillella Curt. Enkele exx. uit Wolfhezen.
5. Eupista frischella L. Ook hiervan slechts 1 ex. uit Bussum.
6. E. salicorniae Hein. Enkele exx. van Griend.
7. E. benanderi Toll. Enkele exx. van Rotterdam en 1 ex. van Amsterdam.
8. E. galactaula Meyr. Een der soorten van de groep van caespititiella Z., die allen
op Juncus sp. leven.' Meerdere exx. vorig jaar in Amsterdam.
9. E. tamesis Waters. Als vorige, Amsterdam en 1 ex. uit Overveen.
10. E. adjunctella Hodgk. Als vorige, alleen Amsterdam in enkele exx.
11. E. agrammella Wood. In 1941 in Amsterdam ontdekt, later ook uit Breda uit coll.
Heylaerts, 2 exx.
12. E. artemisiae Mühl. 1 ex. uit Overveen.
13. E. suaedivora Durr. 1 ex. van Griend.
14. Stigmella basiguttella Hein. De mijn gevonden in Holl. Rading, Hulshorst en
Kraailo (‘t Gooi), steeds in slechts 1 ex.
15. Sf. fletcheri Tutt. In Amsterdam enkele mijnen.
16. St. ulmifoliae Hering. Als vorige.
17. St. ulmicola Hering. Vorig jaar 1 ex. gekweekt uit Amsterdam.
18. St. africollis Stt.. Meerdere mijnen in Nunspeet.
19. Sf. angulifasciella Stt. Vele mijnen in Nunspeet.
Tenslotte geeft Spr. een kleine tabel tot het bepalen van de soorten uit de groep
van Eupista caespititiella Z.
iemNocivieugelsitgeheel'veenldeurigro. 0.0 n die case clteececeses see seereece 2
tietébente langsljuen met eeen ea apo 3
Di Voorvl. bruinachtig, costa witachtig geel afstekend, sprieten alleen
Baserleswortelhelfte gerin gaeta nia he adjunctella Hodgk.
Voorvl. bleekgeel, costa iets lichter, sprieten geheel licht en
EERE FE ESE AIAR REA ai AREN Sn agrammella Wood.
3. Voorvl. met duidelijke lichte lijnen, waarvan 1 in de vouw ........................ 4
È onduidelijk geteekend, geen lichte lijn in de vouw ........................ 5
4. Lichte langslijnen vrij breed, vleugelspanning grooter dan 12 mm … famesis Wat.
2) sola akiemertdant I2 ie li galactaula Meyr.
5, Voorvl. vrijwel eenkleurig, soms met aanduiding van lichte langslijnen, lichter
of donkerder leemkleurig, sprieten meestal onduidelijk bruinachtig geringd, spits
it, ever ce CCE ee A EER OE caespititiella Z.
XXVI VERSLAG.
Voorvl. meestal met aanduiding van donkere schaduwen over de vleugellengte,
kleur meestal bleeker dan bij caespititiella, sprieten soms zwak grijs geringd
aan de wortelhelft, verder eveneens wit ....................... …. glaucicolella Wood.
Voor verdere gegevens verwijst Spr. naar het Natuurhistorisch Maandblad v. Lim-
burg van 1943.
Trichoptera uit Drentsche Heiplassen.
De Heer F. C. J. Fischer laat eenige imagines en kokertjes zien van Molanna albi-
cans Zett. (= palpata Me Lachl.) van welke soort hij in Juni 1942 een groot aantal
exemplaren in Drente ving. Tot nu toe was deze soort slechts bekend van het Esmeer
bij Veenhuizen door de publicatie van Dr. W. Beyerinck in de Lev. Nat. 39,
p. 34—35, 1934. Hij sprak toen reeds het vermoeden uit, dat de soort meer zou worden
gevonden in de oligotrophe heiplassen. Dit blijkt volkomen juist te zijn, want hoewel
Spr. de soort niet in alle bezochte plassen kon vinden, heeft hij toch haar aanwezig-
heid in de meeste kunnen vaststellen, over het algemeen in groote hoeveelheid. Daar
de meeste gevonden huisjes nog larven bevatten, schijnt Spr. zelfs nog vóór het hoogte-
punt van den vliegtijd, dat wel eerst in Juli-Augustus zal vallen, ter plaatse geweest
te zijn.
Een constante begeleider was Phryganea obsoleta Hag., die hier in een prachtige,
scherp geteekende variëteit, die Spr. van geen enkele andere vindplaats bekend is,
voorkomt. Ook de typische vorm en overgangsvormen werden waargenomen. In één
der plassen nl. in den Kraloër Plas kwam naast de genoemde soorten nog de zeldzame
Holocentropus stagnalis Albda. in aantal voor.
Van de overige circa 40 verzamelde soorten Trichoptera verdienen nog vermelding :
Linmophilus luridus Curt, die slechts op het eigen terrein van Dr. Beyerinck
gevangen werd en L. elegans Curt., die hier en daar — soms in aantal — door kloppen
bemachtigd werd.
Zeldzame Lepidoptera in 1942.
De Heer T. H. van Wisselingh doet eenige mededeelingen over de vangst van zeld-
zame lepidoptera in 1942.
Op de vorige Wintervergadering wees Spr. op den van den normalen afwijkenden
vliegtijd van Pergesa procellus L. x
In 1941 ving Spr. deze soort in aantal tusschen 23 Juni en 1 Juli en daarna tusschen
18 Juli en 20 Augustus. In 1942 trof Spr. gedurende de normale vliegperiode procellus
geen enkele maal aan, in tegenstelling met andere jaren, waarin procellus steeds een
geregelde bezoeker is van de in zijn tuin staande kamperfoelie en anjelieren; het
weer was in den voorzomer over het algemeen koud en guur. Eerst op 25 Augustus
verscheen het eerste exemplaar en daarna was tot 1 September procellus bijna iederen
avond, soms in meer exemplaren, te vinden. In 1942 viel de vliegtijd derhalve nog
later ge de tweede periode in 1941 en gemiddeld ongeveer 21% maand later dan de
normale. x
Of men hier te doen heeft met een tweede generatie, dan wel met een verlaten
vliegtijd, is ten gevolge van het te geringe aantal gegevens niet uit te maken. Spr.
verzoekt’ daarom andere Lepidopterologen hem met eventueele waarnemingen omtrent
de vliegtijden van procellus in 1941 en 1942 in kennis te stellen.
Tusschen 18 Juli en 3 Augustus verzamelde Spr. in Zuid-Limburg in de omgeving
van Epen. Hoewel het weer gedurende deze periode niet zeer fraai was, kreeg Spr.
den indruk, dat 1942 zeer rijk was aan dagvlinders.
Gedurende 16 dagen, waarvan nog 6 wegens regen verloren gingen, trof Spr. niet
minder dan 38 van onze dagvlindersoorten aan, waaronder eenige zeer zeldzame.
Van Argynnis adippe Rott zag hij meerdere exemplaren op klavervelden vliegen.
Bij een der drie gevangen exemplaren ontbreken de zilvervlekken op de onderzijde
der achtervleugels (als ab. eris Meigen van A. niobe L.).
Apatura iris L. ving Spr. meerdere malen ; een exemplaar wijkt van de normale af
door een sterk gereduceerde vlekkenteekening. Op de voorvleugels zijn alle vlekken
aanwezig, doch zeer klein, zooals bij de ab. deschangei Cabeau. Bij deze ab. zijn echter
de achtervleugels normaal. Op de achtervleugels van het door Spr. gevangen exem-
plaar is de witte dwarsband zeer smal en uiteengevallen in vijf duidelijk van elkaar
gescheiden vlekjes, zooals bij de ab. sfrictica Cabeau. Bij laatstgenoemde ab. is echter
de ken der voorvleugels gereduceerd tot acht of negen zeer kleine witte
vlekjes.
VERSLAG. XXVII
_ Araschnia levana L. Deze overigens in ons land zeer zeldzame soort vloog de laatste
. dagen van Juli en begin Augustus in aantal langs den rand van het Onderste Bosch
- bij Epen. De vlinders rustten bij voorkeur op de bloemen van Umbelliferen. Tusschen
29 Juli en 2 Augustus ving Spr. hier 24 stuks. De vlinder varieert zeer sterk. Alle
_ exemplaren behooren tot den zomervorm prorsa L. De dwarsbanden op voor- en achter-
vleugels zijn soms zuiver wit, soms lichter of donkerder geel. Exemplaren met zuiver
witte dwarsbanden komen bij de 9:9 meer voor dan bij de 4 3. Van de 13 wijfjes
hebben 5 een zuiver witte dwarsband van de 11 mannetjes slechts 1. Zoowel bij de
& & als bij de 9:9 komen exemplaren voor met een meer of minder sterke zwarte
bestuiving in den band op de achtervleugels. Verder varieert het aantal bruine lijnen
op de achtervleugels sterk, sommige exemplaren vertoonen drie doorloopende bruine
lijnen ; andere twee, terwijl soms het bruin op achter. en voorvleugels is gereduceerd
tot enkele kleine vlekjes (ab. obscura Fent.). Voorts varieert de breedte en de vorm
van den lichten band op de achtervleugels; deze is meestal aan den voorrand veel
smaller dan aan den binnenrand, bij enkele exemplaren is de band echter overal even
breed.
Bij eenige 9,9 is de bruine lijn langs den achterrand der achtervleugels gedeeltelijk
wit (overgang naar de ab. margine-lineata Horch).
Bij een der 9 © is de band op de voorvleugels sterk bruin gemengd, terwijl tevens
de bruine lijnen op voor- en achtervleugels sterk ontwikkeld zijn (ab. intermedia
Stichel). De exemplaren. met gele banden kunnen worden beschouwd als overgangen
naar deze ab. welke vooral in koele regenachtige zomers schijnt voor te komen.
Op 10 Mei 1942 vloog in het berkenbosch op den Imbosch Aglia tau L. in grooten
getale. Bij vergelijking met ex. uit vorige jaren blijkt, dat de 4 4 in 1942 over het
algemeen iets donkerder zijn. Het eenige in 1942 gevangen wijfje is veel bruiner dan
normaal en bijna zoo bruin als 4 4 uit vorige jaren. (ab. androides Heinrich trans).
De vraag doet zich voor of het koude voorjaar invloed op de kleur kan hebben gehad.
In Wassenaar ving Spr. op stroop op 18 September een zeer donkeren nagenoeg
zwarten vorm van Aporophila lutulenta Bkh. ab aferrima Warnecke en op 1 October
een exemplaar van de bij ons zeer zeldzame Lithophane (Xylina) socia Rott.
i
À
o i COPA
Philonthus (Subgen. Gabrius) nigritulus Grav. (Col. Staphyl.).
De Heer W. C. Boelens deelt het volgende mede over de soorten van de groep
Ph. nigritulus Grav. Onder deze groep worden in den regel gerangschikt de soorten
van het sub-gen. Gabrius met 5 stippels (de eerste stippel aan den voorrand niet
medegerekend) op het halsschild, waarvan de zijden parallel zijn en met zwart, zwart-
bruine of bruine dekschilden, niet grooter dan 5 mm. Philonthus astutus Er. valt hier
eigenlijk buiten, daar de grootte is5,5—6,5 mm, (niet 4,5—6 mm. zooals Everts aan-
geeft) en door de dicht bestippelde dekschilden.
In deze groep vermeldt Everts in Col. Neerl. I, p. 293 de soorten frossulus Nordm.
en nigritulus Grav. en voegt daarbij in Col. Neerl. III, p. 125 de a. subnigritulus
Reitter. In 1910 publiceerde Sharp een artikel waarin hij er op wees dat Philonthus
nigritulus Grav. een collectief begrip is, te splitsen in meerdere soorten; hij gaf daarbij
een korte beschrijving van de aedeagus, helaas zonder teekeningen. In 1913 voegde
Joy, na een onderzoek van een 600t-al ex. van het sub-gen. Gabrius, vooral uit
Oost-Europa en de Kaukasus, nog vele soorten toe aan de reeds door Sharp be-
schrevene. Beider onderzoek baseerde zich vooral op de bouw van de penis als ken-
merk om de soorten te kunnen onderscheiden.
In 1920 en in latere publicaties bewerkte Gridelli het sub-gen. Gabrius; vooral
van belang is de uitgebreide publicatie van 1920 in Ann. Mus. Civ. etc. Genova,
vol. XLIX. De beschrijvingen van Sharp en Joy zijn alle vaag en een determinatie,
is daarop niet goed mogelijk. Cridelli beschrijft de hem bekende soorten uitvoerig,
maar legt vooral de nadruk op de bouw van de penis, waarvan hij vele afbeeldingen
weergeeft.
Ook Joy gaf teekeningen die echter wel zeer primitief zijn ; niettemin zijn de meeste
soorten er wel aan te herkennen. 3
Uhmann plaatste in Ent. Blätt. 24, 1928, p. 51 een korte determinatietabel van
de soorten nigritulus Grav., pennatus Sharp en appendiculatus Sharp ; de betreffende
afbeeldingen kloppen echter niet; de afbeelding van pennafus Sharp is suffragani Joy
en van appendiculatus is trossulus Nordm. Deze tabel is ook opgenomen in Horion,
- Nachtrag zu Fauna Germanica von Reitter „Käfer, p. 147 (jaar 1935) en is
_ dus niet te gebruiken.
si Mei 1934 publiceerde Wüsthoff „Die Forcipes der mitteleuropäischen Arten der
XXVIII VERSLAG.
O U CO Ne
5d 5 v. 3) lk
. Philothus pennatus Sharp. Hengelo (O), 21-5-1941. lengte: 625 u. -
. Philonthus ravasinii Gridelli. Houthem (L), 27-5-1926. (P. van der Wiel).
lengte : 625 u.
. Philonthus appendiculatus Sharp. Hengelo (O), 5-4-1941. lengte: 660 y.
. Philonthus stipes Sharp. Hengelo (O), 20-5-1941. lengte: 660 u.
. Philonthus nigritulus Gravy. Hengelo (O), 31-8-1940. lengte: 690 u.
. Philonthus trossulus Nordm. Hengelo (O), 4-3-1939. lengte: 775 u.
d = dorsaal, v = ventraal, 1 = lateraal.
VERSLAG. XXIX
| Oide 2 ov. 91.
7. Philonthus toxotes Joy. Lochem, 16-5-1942. lengte: 625 y.
8. Philonthus keysianus Sharp. Oostkapelle (Zeeland), 5-1941. (P. J. Brakman.
lengte: 875 u.
9. Philonthus velox Sharp. Wamel (Gld.), 22-3-1919. (P. van der Wiel).
lengte : 750 u.
d = dorsaal, v = ventraal, 1 = lateraal.
Staphyliniden-gattung Philonthus” met o.a. de teekeningen der & genitalia van de
nigritulus-groep ; -hij zegt dat hij niet zeker is van de juistheid van de determinaties ;
hij had wel het artikel van Uhmann en het werk van Gridelli doorgezien,
maar vond niet dat de teekeningen zoo waren, dat de soorten aan de hand daarvan
gedetermineerd konden worden, behalve dan nigritulus Grav. en appendiculafus Sharp.
De teekening welke Wüsthoff geeft van apendiculatus is echter toch weer pen-
natus Sharp. Het is merkwaardig dat Wüsthoff na de bestudeering van Gri-
delli niet tot een goede determinatie gekomen is: o.a. pennafus Sharp is duidelijk
afgebeeld, vooral de parameer en zij-aanzicht; Gridelli baseert zijn determinaties
op de beschrijvingen van de penis door Sharp en de wel moeilijk te duiden af-
beeldingen van Joy.
In 1937 in Ent. Blätt. 33, p. 31 laat Wüsthoff in een nieuw artikel, daartoe
aangezet door mededeelingen van Prof. Gridelli, een aantal correcties het licht
zien, waaruit nu met voldoende zekerheid de determinaties van de verschillende soorten
mogelijk is.
Het genitaalapparaat is gemakkelijk uit te prepareeren, als men eerst de dieren
24 uur in half verdunde ijsazijn legt; ze zwellen dan zoo sterk op dat vaak de penis
vanzelf of anders door lichte druk op het achterlijf naar buiten komt ; zooveel mogelijk
XXX VERSLAG.
ontdaan van de omringende vliezen zijn ze dan direct gereed bekeken te worden;
een en ander wordt zeer vergemakkeliikt door te werken met de stereoskopische
binoculaire microscoop van Leitz of Zeiss. Men kan het preparaat naast de kever
op het witte kartonnetje bevestigen of insluiten in venetiaansche terpentijn tusschen
twee dekglaasjes zooals aangegeven is door Prof. de Meijere voor de larven der
Agromyzinen.
De 4 & zijn gemakkelijk te herkennen door de uitbochting van de achterrand van
het zesde sterniet; dit geldt in tegenstelling met wat Joy beweert ook voor sfipes
Sharp, alleen is hier de uitbochting ingenomen door een witachtig-doorschijnende
membraan. De soorten die tot nu toe in. Nederland gevonden zijn, zijn de volgende
(de verbreiding is mij voor de meeste soorten meegedeeld door den heer P. van
der Wiel):
nigritulus Grav.: de gewoonste soort; in Twenthe echter minder algemeen dan
trossulus Nordm.
pennatus Sharp.: gewoon, verspreid; in Twenthe vrij zeldzaam.
trossulus Nordm.: zeldzamer, doch van vele plaatsen bekend; in Twenthe vrij alge-
meen.
velox Sharp.: als frossulus Nordm.: in Twenthe nog niet gevonden.
appendiculatus Sharp: A'dam, Ginneken bij Breda, Rhenen, Denekamp, Wijster (Dr.)
en op vele plaatsen in Z. Limburg ; Neerlangbroek bij Doorn: in
Twenthe vrij algemeen (Hengelo, Enschede, Denekamp: vele ex.
in aanspoelsel van de Dinkel).
stipes Sharp: zeldzaam: Loosduinen Amstelveen. A'dam, Ederveen, den Haag. Neer-
langbroek bij Doorn; in Twenthe gevonden te Hengelo en Dene-
kamp, niet zeldzaam.
toxotes Joy (nieuw voor de Nederl. fauna) ; één ex. gesleept van lage planten langs
de Berkel bij Lochem; Mei 1942; ook bij Aken gevonden.
keysianus Sharp. : (nieuw voor de Nederl. fauna): Oostkapelle (Walcheren), gevan-
gen door P. J. Brakman: Mei 1941; ook in Engeland.
ravasinii Gridelli: (nieuw voor de Nederl. fauna): Houthem (L.): gevangen door
Pr vd \Vrel
In aangrenzend gebied komen nog voor: suffragani Joy (Rijnland) en bishopi Sharp
Engeland). Van de als inlandsch bekende soorten heb ik de penis geteekend en wel
gezien achtereenvolgend van dorsaal, ventraal en zijwaarts.
De volgende tabel is een determinatietabel die gemaakt is naar Gridelli; men
komt er voor verschillende gevallen mee uit; in andere is het onmogelijk de 92 9 ex.
te onderscheiden, vooral in de pennafus-groep. Hiervan zijn alleen de 4 4 ex. zeker
te determineeren.
Bernhauer schijnt, althans volgens Wüsthoff (1934) de verschillende soor-
ten niet te willen erkennen; hij beschouwt ze alle als nigrifulus Grav., waarvan de
penis nu eenmaal sterk zou varieeren ; de vormen zijn echter zoo constant dat redelijke
twijfel aan de echtheid der soorten niet kan bestaan.
Toxotes en appendiculatus lijken veel op elkaar in penisvorm ; ik heb echter dezelfde
verschillen gevonden als Gridelli: kleinere penis, de vijfhoekige apex is smaller
en langer, de rami van de parameer zijn korter. :
Merkwaardig is dat de lengte van de penis ook bij groote ex. van een soort binnen
enge grenzen constant is.
De soort ravasinii Gridelli was reeds als zoodanig vermoed door den heer P. van
der Wiel, maar voorzien van ??. Ik meen hem wel gelijk te kunnen geven dat
ravasinii voor Nederland gevonden is; de penis lijkt zeer sterk op die van nigrifulus,
is echter kleiner en met meer parallele zijden; de kop van het dier is echter duidelijk
veel slanker en smaller dan bij nigrifulus en hoort daardoor wat uiterlijk betreft bij
de pennatus-groep.
Determinatie tabel voor de in Nederland te verwachten soorten van de groep
Philonthus (Subgen. Gabrius) nigritulus Grav.
1. Dekschilden korter dan het halsschild ; sprietbasis helder roodbruin frossulus Nordm.
Dekschilden langer of ongeveer zoo lang als het halsschild ........................ 2
2. Lichaam tamelijk vlak, breed en gedrongen; kop breeder, de stippels op het
halsschild grover en dieper ,de bestippeling van de dekschilden veel grover dan
inde VOlqende <soorten: i... let ee ee stipes Sharp.
Lichaam minder breed en minder vlak, bestippeling van halsschild en dekschilden
Gl LD CT IR srl ci seele code ae CRORES Cor en RS 3
VERSLAG. | NE NON
Vi met stipes Sharp. ALI door de langer dan breede kop, die naar achte-
ren sterk versmald is en door het slankere lichaam; verder is het verschil met de
volgende soorten de kleur, de vorm van de kop en de grovere bestippeling van
deksch. Kop en halsschild glanzend zwart, dekschilden. en achterlijf donker, pek-
bruin, sprieten, en tasters zwart-bruin, pooten rood-bruin met licht rood-bruine
ER de DOOREN keysianus Sharp.
. Kop breed, de zijden naar achteren! convergeerend ; lichaam slanker dan bij stipes,
maar veel robuster dan bij de volgende soorten. Pooten, sprietbasis, tasters en
de achterranden der tergieten rood tot lichtbruin; halsschild zwart, dekschilden
IDE RD A An RON SS CAS RANA FEO nigitulus Grav.
Kop veel smaller, met parallele zijden, lichaam veel slanker, pek-zwart van kleur
met een karakteristieke glans ; de achterrand der tergieten veel donkerder ; pooten,
Spmetbasiskenstasterssdonkerderkt ne note inesatte
4. Kop veel langer dan breed, de zijden recht en parallel, de achterhoeken stomp,
1 maar duidelijk afgerond; sprietbasis en tasters rood-bruin, pooten donker geel-
bruin; de achterrand van de tergieten met een smalle roodachtige rand ............
à Ne IRINA pennatus Sharp.
à . ;
NE a NL SAAS suffragani Joy.
‘ OEE AAE velox Sharp.
erge dde meurs Mc ait wen bishopi Sharp.
een eea ravasinii Gridelli.
Kop korter, aan de zijden afgerond, de kopbasis is één boog afgerond, zonder
duidelijke achterhoeken ; tergieten gelijkmatig zwart .................................... 5
5. Lichaam robuster, geheel zwart, kop breed, pooten donker pekbruin,
tarsen roodachtig … … appendiculatus Shun
Lichaam slanker, pooten lichter van kleur, kop slanker en de zijden minder afge-
RER Ce SR RR tO OEE toxotes Joy.
Stenus Aceris Steph. (aerosus Er.). Deze soort, nieuw voor de Nederlandsche fauna
werd door den heer P. J. Brakman gevangen in Aug. 1941 te Oostkapelle (Zee-
land) ; één exemplaar.
Everts vermeldt deze soort in Col. Neerl. I voor Noord-Frankrijk, Grevelingen
in de duinen, onder dorre struiken van de duindoorn.
Vespa vulgaris L. en V. germanica F.
De Heer C. de Jong leest de volgende mededeeling van den heer C. O. van
Regteren Altena voor:
| Bij het determineeren van de 9 % van onze gewone wespen Vespa germanica F.
en V. vulgaris L. kon ik aanvankelijk niet steeds tot een bevredigend resultaat komen.
- Dit was mij aanleiding om de 9 9 en % % van deze twee soorten in de collectie
van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie eens door te zien, terwijl ik ook de
series van den Heer Van Ooststroom ter inzage ontving. Enkele opmerkingen
naar aanleiding van dit onderzoek kunnen misschien anderen van nut zijn.
Schmiedeknecht scheidt de twee soorten aldus:
„Clypeus mit.einem oder drei schwarzen Punkten. Der hintere Augenkreis ganz gelb:
germanica ;
Clypeus mit einem schwarzen zackigen Längsstreifen. Der hintere Augenkreis teilweise
schwarz: vulgaris”.
| InBerland's bewerking van de Vespidae in de Faune de France vinden wij echter :
Première bande jaune de l'abdomen large avec trois échancrures en avant, la médiane
5 en forme de fer de lance: germanica.
Première bande jaune de l'abdomen plus étroite, avec seulement une très large échan-
crure au milieu: vulgaris”.
De Heer C. de Jong wees mij voorts op de korte karakteristieken, waarmee
_ Friese in zijn boek over de bijen en wespen in de serie „Die Insekten Mitteleuropas
insbesondere Deutschlands de twee soorten schetst. Daar vindt men sub vulgaris:
„schwarz mit gelben Zeichnungen und ziemlich dicht gelblich abstehend behaart
Clypeus meist mit schwarzem Längsstrich'', en sub germanica: „schwarz mit gelben
Zeichnungen und schwarzer Behaarung auf Kopf und Thorax, Clypeus meist mit
kleinem schwarzem Punkt.”
_ ‘Tenslotte maakte de heer Van Ooststroom mij er opmerkzaam op, dat de
À gele strepen op den prothorax in het algemeen bij germanica breeder zijn dan bij
vulgaris.
XXXII VERSLAG.
Hieronder wil ik de variabiliteit van de boven ter sprake gebrachte kenmerken,
zooals die uit mijn materiaal bleek, bespreken, 2
Uit Friese’s geciteerde opmerkingen zou men opmaken, dat de beharing, althans
van de kop, uitsluitsel over de soort zou kunnen geven. Daarvan is mij niets geble-
ken: uitgekleurde exemplaren met een gele beharing vond ik in het geheel niet, in-
tegendeel is naar mijn ondervinding bij inlandsche zoowel als buitenlandsche exem-
plaren van beide soorten de kop steeds zwart behaard. Friese's uitlating kan ik niet
verklaren.
Dat de teekening van den clypeus bij germanica varieert is reeds door G. Held-
mann (Zool. Anz. vol. 108, pp. 266—270, 1 fig., 1934) beschreven. Mijn waarne-
mingen bevestigen de zijne; ik vond op 137 % g 3 exemplaren met effen clypeus,
19 met één zwarte punt, 52 met drie punten, 52 met een vertikale streep en twee punten
(in één geval één punt) en 11 met een ankervormige teekening. Op de 50 9 9 hadden
er 39 drie zwarte punten, 9 een vertikale streep met twee punten en twee een ankertje.
Het extreem van deze reeks, het ankertje, is voor vulgaris typisch en komt daar vrij-
wel constant voor. Een enkele maal vond ik een der armen van het ankertje gedeel-
telijk (1 van de 73 8 8) of geheel (1 van de 73 9 8) afwezig, terwijl één van de
16 onderzochte 9 @ in plaats van een ankertje een vertikale streep met twee punten
vertoonde.
De gele omranding van de achterzijde van het oog heeft bij vulgaris in het typische
geval een breede zwarte onderbreking, die den zwarten achterrand van de kop met
het oog verbindt. Deze onderbreking kan echter onduidelijk worden, waarbij soms het
oog niet meer door het zwart wordt bereikt, soms is zij tot een zwarte stip in het
geel gereduceerd of zelfs nauwelijks als een kleine inham in het geel aangeduid. De
laatste twee gevallen trof ik alleen bij 8 % aan. Bij de 9 9 en è ÿ van germanica
vond ik in deze omranding slechts bij hooge uitzondering aan één of beide zijden
eenig Zwart.
De gele strepen op den prothorax zijn bij vulgaris smal. Bij germanica hebben zij
aan de onderzijde een driehoekige uitzakking (soms ook een los geel vlekje), die
echter ook weinig of niet ontwikkeld kan zijn.
De zwarte teekening op het eerste abdominale segment tenslotte vertoont bij germa-
nica, steeds één mediane lanspuatvormige en twee laterale achterwaarts gerichte uit-
breidingen, welke laatste ook bij uitzondering (alleen bij % 8 gevonden) als stippen
los van het basale zwart kunnen voorkomen. Bij vulgaris vindt men in het typische
geval het basale zwart met een breede punt achterwaarts in het geel uitsteken (14
van 16 9 9, 21 van 73 8 3). In dit zwart kunnen links en rechts van het midden
gele vlekken optreden (1 van 16 9 9, 15 van 73 g 5), die zich zoo sterk kunner
uitbreiden, dat zij met het overige geel van dit segment vervloeien, waardoor dan een
soortgelijke teekening als bij germanica ontstaat met dit verschil, dat de middelste
lanspuntvormige uitlooper van het zwart bij vulgaris meestal breeder is dan bij ger-
manica. Dit laatste geval trof ik bij 1 van 16 9 © en bij 37 van 73 8 ÿ aan.
De teekening van den clypeus en de zijstreepen op den prothorax zijn dus variabel
bij germanica, terwijl men bij vulgaris vrijwel constant één der extremen Van deze
variabiliteit aantreft. Het zwart in de achterste oogomranding en aan de basis van
het eerste abdominale segment zijn daarentegen variabel bij vulgaris, terwijl germanica
vrijwel constant één der extremen van deze variabiliteit vertoont. Al zijn mijn getallen
voor de 9 © klein, toch blijkt er wel uit, dat de variabiliteit bij de 8 & grooter is
dan bij de 9 9. i
Voor de determinatie is het al of niet voorkomen van zwart in de gele oogomran-
ding het beste kenmerk, al zullen in vele gevallen ook de andere hier genoemde ken-
merken vergeleken moeten worden. Met de combinatie der vier hier genoemde ken-
merken vindt men vrijwel steeds een bevredigende oplossing.
Onderzoek van geheele volken uit nesten van beide soorten zou misschien uit kunnen
maken of deze oplossing altijd terecht bevredigend is. Bij geruchte is mij bekend dat
in de Entomologische Afdeeling van het Zoëlogisch Museum te Amsterdam in die
richting is gewerkt.
Uit Z. Amerika geimporteerde kevers.
De Heer C. de Jong deelt het volgende mede:
1. Eenige jaren geleden ontving het Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden
van den Heer Snel te Utrecht een doosje met eenige honderden kevers welke door
hem uit een lading lijnzaad uit La Plata (Argentinië) werden verzameld. Het waren
alle dieren, welke dood waren vervoerd, dus geen eigenlijke wareninsecten. Spr. krijgt
VERSLAG. XXXIII
“den indruk, dat deze dieren op de planten leefden en door een grove wijze van oogsten
| met het zaad verzameld zijn. De groote meerderheid werd gevormd door 2 soorten
… Cassidinae, nl. Chelymorpha crucifera Boh. en Ch. variabilis Boh. De eerstgenoemde
soort, welke een duidelijk zwart kruis op de dekschilden draagt is tamelijk variabel.
“Er zijn een aantal overgangsvormen tusschen de stamvorm met de breede zijarmen
“ aan het kruis en de extreme vorm, waar de verbindingen met de zwarte sutuurlijn
zijn vervallen en alleen op ieder der elytra een longitudinale zwarte streep bij en
È evenwijdig met den zijrand is overgebleven. Onafhankelijk van deze dekschildvariatie
| vinden we ook een variabiliteit in de halsschildteekening, welke echter onafhankelijk
| van de eerste is. Normaal heeft het halsschild 2 zijdelingsche zwarte vlekken tegen
__ de zijranden en een groote driehoekige zwarte vlek in het midden, welke met de basis
tegen den achterrand ligt en met den top tegen den voorrand. De achterhoeken van
dezen vlek zijn iets afgerond. Tusschen de vlekken blijven eem paar geelachtig bruine
strepen over, welke naar vóór en achter iets zijn verbreed. De variatie doet zich nu
als volgt voor: De randvlekken worden gereduceerd in de voorste helft, tegelijkertijd
gaat de driehoekige vlek twee insnoeringen vertoonen, één vlak onder den top en één
op ongeveer de helft van de lengte. Een verdere vorm van reductie van de zwarte
middenvlek is een gele longitudinale middenstreep, welke top en basis niet bereikt.
Het volgend stadium is, dat de insnoeringen en de middenstreep zich met elkaar ver-
eenigen en een min of meer duidelijke V-vormige zwarte vlek met breede basis tegen
den achterrand blijft bestaan met daarvóór 2 stippen en nog één stip tegen den voor-
rand. In één geval is ook deze laatste stip nog verdwenen.
De tweede genoemde soort, welker naam reeds aanduidt, dat zij zeer variabel is,
is geelachtig met een tamelijk fijne zwarte stippeling op de elytra en enkele zwarte
stippen op het halsschild. De dekschildstippeling varieert van tamelijk zwaar tot ge-
heele afwezigheid. De halsschildteekening bestaat in het meest voorkomende geval uit
2 driehoekige vlekken, welke tegen de zijranden aan liggen, verder 2 groote stippen
links en rechts van het midden, vóór den achterrand, en 2 kleinere er vóór. Dit patroon
varieert op de volgende wijze. De zwarte stippen kunnen 2 aan 2 in de lengterichting
versmelten, doch de randvlek is onafhankelijk daarvan grooter of kleiner. Dit is
trouwens bij de normale exemplaren ook het geval. De randvlekken kunnen geheel
zijn gereduceerd, zoodat alleen de 4 stippen over blijven. In 2 exemplaren, waar
overigens de dekschildteekening ook geheel is verdwenen, ontbreken bovendien de 2
achterste stippen.
De overige insecten, welke in dit partijtje zijn vertegenwoordigd, zijn, voor zoover
mogelijk, op naam gebracht. Dit was vaak moeilijk, daar de meeste meer of minder
ernstig beschadigd waren en belangrijke kenmerken ontbraken. Het zijn de volgende:
Chrysomelidae. Behalve de reeds genoemde soorten :
1 ex. Pseudomesomphalia lacordairei Boh.
6 exx. 3 andere soorten Cassidinae, welke niet in de Leidsche verzameling aanwezig zijn.
2 exx. Disomycha conjuncta Germ.
2 exx. Zygogramma quadrilorata Stal.
2 exx. Chrysodina semiarmata Lef.
2 exx. Phaedra spec.
Buprestidae :
2 exx. Diadora (Bergidora) picturella Kerr.
Elateridae :
4 exx. Monocrepidius scalaris Germ.
3 exx. Heteroderus spec. 3 soorten.
Tenebrionidae :
2 exx. Tenebroides sulcifrons J. du Val.
Cerambycidae :
2 exx. nog niet gedetermineerd, zeer beschadigd.
Curculionidae :
De Heer D. L. Uyttenboogaart was zoo vriendelijk de exemplaren van
deze familie voor ons te determineeren, voor zoover dit aan het slechte materiaal
mogelijk was:
… 4 exx. Naupactus leucoloma Boh.
_ 3 exx. Naupactus ? durius Germ.
| 3 exx. Pantophanes (sensu Heller) spec.
2 exx. Listroderes argentinensis Hust.
Orde Rhynchota :
1 ex. Acledra kinbergi Stal (det. Blôte).
1 ex. Dichelops transversalis H. Sch. (det. Blöte).
XXXIV VERSLAG.
Spreker laat hierna het materiaal rondgaan.
2. Eenige jaren geleden ontving Spr. van een firma uit Rotterdam een aantal door
insecten aangetaste vruchten van de Mbocaya palm (Acrocomia sclerocarpa Mart.) uit
Paraguay. Het gelukte om eenige dieren uit te kweeken. Het bleek te zijn: Pachymerus
nucleorum F., een Bruchide, welke ook in Suriname voorkomt. De bouw van de
Mbocaya vrucht doet eenigszins aan die van de Cocosnoot denken : een vezelige buiten-
laag, een harde vruchtwand en daarbinnen een vetrijke kern. De eieren schijnen in
de jonge vrucht gelegd te worden. De larve werkt zich naar den kern toe, vreet deze
geheel op, verpopt zich in de kernholte. De kever vreet bij het uitkomen een gang
van bijna 14 cm middellijn naar buiten. De kever is dan nog zacht en bruin van kleur.
Na één of twee dagen is de kever uitgekleurd en grijsgroen. Spr. heeft geen verdere
gegevens of deze soort zich in ons klimaat ook in voorraden verder ontwikkeld heeft.
Het betrof hier een kleine proefzending, waarin men toevallig aantasting ontdekte.
Mezium affine Boield te Rotterdam gevonden? -
3. Met de mededeeling van den Heer S. J. van Ooststroom (Ent. Ber., No. 240,
1 Juli 1941) nog versch in de herinnering viel den Heer C. de Jong het genoegen te
beurt een derde vondst van een Mezium-soort ter determinatie te krijgen. Het exem-
plaar werd 22 Mei 1942 te Rotterdam tusschen puin en planten gevangen door den
Heer H. van Goch en aan het Museum te Rotterdam geschonken. Het bleek bij
onderzoek, dat het exemplaar afwijkt van alle in Leiden en Amsterdam ter vergelijking
geraadpleegde exemplaren van de tot nu toe waargenomen soort Mezium affine Boield.
Deze soort wordt vermeld als transparant, rood of roodbruin, met vergroeide elytra.
Het exemplaar, dat thans samen met dat van den Heer van Ooststroom wordt
rondgegeven, wijkt van de voor affine gegeven diagnose af: le door de meerdere
grootte, 2e door de niet vergroeide elytra, 3e door de kleur, die ondoorschijnend pek-
bruin is. De overige kenmerken komen met die van affine overeen. Om meer zekerheid
omtrent een juiste determinatie te krijgen heeft Spr. ook oudere literatuur geraadpleegd
en kwam daarbij tot een eigenaardige ontdekking. Zooals wel bekend mag worden
verondersteld bij de Coleopterologen zijn de platen van Reitter’s Fauna Germa-
nica, Käfer voor het overgroote gedeelte overgenomen uit Sturm’s Fauna Deutsch-
lands, 5e afd. Insecten, Kevers. Sturm beeldt af Mezium sulcatum F. dorsaal en
lateraal (pl. 248) en bovendien een aantal details. In Reitters werk zien we
nu het eigenaardige verschijnsel, dat de details alle gewoon zijn overgenomen, maar
als behoorende tot Mezium affine Boiel. De laterale figuur is in vele details overge-
nomen uit Sturm, echter is de vorm van de elytra iets anders, de beharing ontbreekt
en de kleur is veel lichter en helderder. De dorsale figuur bij Reitter (pl. 123,
fig. 2a) wijkt in vrijwel alles af van Sturm's figuur. Het duidelijkst is dat te zien
in de vorm van halsschild en elytra. Dit zou er op kunnen wijzen, dat deze figuur
werkelijk naar een exemplaar van Mezium affine is gemaakt. In dat geval is fig. 2b
onjuist, aangezien de vorm van het halsschild bij affine van terzijde geen groote bult
vertoont maar veel vlakker is. Juist de vorm van het halsschild heeft voor mij de door-
slag gegeven om het boven besproken exemplaar eerder tot affine dan tot sulcafum
te rekenen. Volgens o.a. Reiter zou sulcafum verder duidelijk van affine verschillen
doordat de rand van gele beharing aan de basis van het halsschild onderbroken is tot
6 bultjes of kwastjes.
Een ander punt, dat verder bij deze soorten nog even de aandacht verdient, is het
volgende. Sturm schrijft over sulcafum, dat deze soort als jong exemplaar voorzien
is van een witte, ruim staande beharing op de elytra, hij beeldt het dier ook zoo af.
Hij zegt er over, dat deze beharing gemakkelijk verloren kan worden, waarna dus de
dieren geheel glad zijn. Reiter zegt over affine, dat deze soort volkomen glad is,
maar dat er een varieteit bestaat met lichtgele ruimstaande beharing, welke door
Reiche hirfipenne werd genoemd. Indien Sturm gelijk heeft vraagt Spr. zich af,
of deze varieteit misschien op hetzelfde verschijnsel berust en dus inderdaad geen
reden van bestaan heeft. Eén en ander is intusschen interessant genoeg om reeds mede
te delen. Het is nl. nog mogelijk, dat het donkere exemplaar met niet vergroeide elytra
niet tot Mezium affine behoort, maar tot een voor Europa nog niet bekende soort.
Daar Spr. nog niet alle daarvoor benoodigde literatuur heeft kunnen nagaan is het hem
niet mogelijk daarover nu reeds een uitspraak te doen.
Over Nederlandsche Neuropteroidea en Mecoptera.
De Heer H. A. Bakker deelt het volgende mede.
1. Myrmeleon formicarius L. (mierenleeuw met ongevlekte vleugels) is, met uit-
NERSERE O XXXV
ondering van een exemplaar op 13 Juni 1937 te Belfeld bij Venlo door Geyskes
evangen, in ons land alleen bekend van de Veluwe, waar deze soort, die ook in
elgie lang zoo algemeen niet schijnt te zijn als Euroleon nostras (Fourcr.), de ge-
lekte mierenleeuw, algemeen voorkomt. Van E. nosfras zijn exemplaren bekend uit
Gelderland, Utrecht, Limburg en Brabant, terwijl hij ook in het Gooi en het duingebied
van Noord- en Zuid-Holland voorkomt. Mac Gillavry (Entom. Ber. 232, DI. X,
1940, pp. 225— 227) gaf een overzicht van de in de literatuur tot nog toe bekende
vindplaatsen en vermeldt daarin ook een aantal opgaven in De Levende Natuur en
| meent van al die opgaven wel te mogen aannemen, dat ze betrekking hebben op
E. nosfras. Spr. meent, dat hieraan toch wel eenige twijfel mogelijk is, omdat de
A larven wel door geen der amateurs onderscheiden werden en M. formicarius op
i meer plaatsen in ons land voorkomt dan men wel dacht.
«+ Op 20-27 Juni 1942 werden door Spr. op Berkenheuvel bij Diever in Drente tal-
rijke trechters met larven van M. formicarius gevonden, die meerendeels midden op
… met dennennaalden bedekte paden gelegen waren. Enkele kuilen werden echter aan-
| getroffen onder, voor E. nostras zoo karakteristieke, overhangende, beschuttende
_ zandwalletjes. Bij één van deze walletjes werd een tweetal pas uitgekomen imagines
+ van M. formicarius bij de kuilen aangetroffen.
«In de nabijheid op den z.g. Pottenheuvel werden larven en poppen van E. nostras
gevonden bij een overhangend randje. Deze poppen van 27 Juni kwamen na 40 dagen
uit, zoodat thans van deze vindplaats larven en imagines van beide soorten bekend
zijn. Dr. W. Beyerinck vond later nog poppen van E. nostras in het Lheeër Zand,
bij Spier en op Berkenheuvel allen onder overhangende kantjes.
Redtenbacher heeft in zijn Übersicht der Myrmeleoniden-Larven (Denkschr.
Math.-Naturw. Cl. Kais, Akad. Wien, 48, 1884, pp 361—363, taf. VII) de larven
van beide soorten duidelijk beschreven. De twee meest opvallende verschillen zijn:
1°. het voorkomen van een zwarte vlek op de achter-coxae en -femora van M. for-
micarius, en 2° de kop van E. nostras, die duidelijk langer dan breed is met nage-
noeg evenwijdig loopende zijranden. terwijl de kop van M. formicarius korter en
breeder is met sterker convergeerende zijranden.
Redtenbacher zegt ook, dat de trechters van E. nosfras steeds op be
schutte plaatsen voorkomen, terwijl M. formicarius ze in den regel op onbe-
schutte plaatsen maakt, behalve in Oberösterreich, waar hij ze steeds onder over-
hangende wortels vond, wat hij verklaart uit het feit, dat er in de buurt van deze
vindplaats (een dicht beukenbosch met vochtigen bodem) geen andere droge plaats te
vinden was. Op Berkenheuvel gaat deze verklaring echter niet op.
Spr. acht deze kwestie van belang omdat de bekende dierpsychologische studie
van Franz Doflein (Der Ameisenlowe, Jena, 1916) met M. formicarius zou
zijn verricht. Doflein komt wat te trechterbouw aangaat op verschillen met
Rösel (III, 1755) en Redtenbacher (lc, p. 341). Het verschil bestaat in
hoofdzaak hierin, dat volgens Rôsel en Redtenbacher de larve haar trechter-
. bouw begint met het graven van een groeve ter grootte van den omtrek van den
trechter, zoodat er in het midden een kegel blijft staan, die het dier in een spiraal
achterwaarts kruipend verwijderd door het zand met den naar het middelpunt ge-
keerden voorpoot bovenop den kop te schuiven en vervolgens naar buiten te slin-
geren. Volgens Doflein zou de larve geen groeve maken, maar direct in het
middelpunt beginnen en zich daar ter plaatse al dieper ingraven.
Doflein oppert zelf de mogelijkheid, dat Rösel en Redtenbacher met
E. nostras gewerkt hebben. Redtenbacher zegt, dat hij met E. nostras werkte
en de figuren van Rösel laten volgens Spr. hieromtrent ook geen twijfel. Doflein
acht deze verklaring der verschillen niet waarschijnlijk, omdat hij het onaannemelijk
acht, dat zoo groote biologische verschillen bij twee zoo na verwante soorten zouden
voorkomen.
___Ondertusschen neemt Doflein aan, dat hij zelf met M. formicarius heeft ge-
_ éxperimenteerd. De figuren van de larven (Fig. 2—4) zijn wel van deze soort, maar
_ de imago (Fig. 43) die hij afbeeldt is ontwijfelbaar die van E. nostras, daar de z.g.
. trigonale vork duidelijk kleiner is dan 45° (vgl. Esben Petersen, Help-notes
towards the determination and the classification of the European Myrmeleonidae ;
_ Entom. Meddel. Bd. 12, 1919, pp. 97—127, taf. I—X). Bovendien. zegt hij, dat de
typische vindplaats van de larven „an überdachten Stellen, wo Wurzeln eines Baumes,
je Rasenpolster, Felsen und Steine etwas unterwiihlt...... sind’ was, maar dat hij de larven
ook vond „an heidekrautbewachsenen offenen Stellen" (lc. p. 4). De geconstateerde
verschillen meent Doflein te kunnen verklaren doordat de proefdieren van
Redtenbacher en Rösel een te ondiepe zandlaag. ter beschikking hadden.
XXXVI VERSLAG.
Stäger (Biol. Zentr. BI., Bd. 45, 1925, pp. 65—93) komt met E. nosfras tot
dezelfde resultaten als Rôsel en Redtenbacher en meent, dat Doflein
ook met E. nosfras geëxperimenteerd moet hebben, gezien de opgave van zijn vind-
plaatsen. Volgens Spr. staat dit echter in het geheel niet vast, weten we niet
met welke soort Doflein zijn belangrijk werk verrichtte en is het noodzakelijk
den trechterbouw van beide soorten naast elkaar te vergelijken, wat hij zich voor-
stelt dezen zomer te doen, waartoe hij verzoekt om toezending van materiaal.
De noordgrens van E. nostras in Zweden is Gotska Sandôn, van M. formicarius
is Helsingland daar de noordelijkste vindplaats.
2. Naar aanleiding van een tweetal nog niet gepubliceerde vondsten in ons land
van Psectra diptera (Burm.) heeft Spr. teekeningen vervaardigd van het vrij sterk
varieerend aderverloop van alle hier aanwezige exemplaren van dit interessante, tot
de Hemerobiidae behoorende, insect. Van het zeldzame materiaal wenscht hij de
volgende gegevens vast te leggen.
1°. Aug. 1857 dipteer & te Driebergen door G. A. Six. Thans Rijks Museum
te Leiden, coll. Albarda, Cat. No. 3. Door Albarda als 9 bepaald. Lichaam
zonder vleugels over. Literatuur: Six, T. v. E., 1, 1858, pp. 12 en 39; Albarda,
WEN ERS pp. XVI en) VIE
2°. Aug. 1857 dipteer te Driebergen door G. A. Six. Thans R. M. te Leiden,
Cat. No. 1. Slechts één opgeplakte voorvleugel over. Lit. als sub 1°.
3°. Vóór 1873 quadripteer 9 te Utrecht door A. M. van Hasselt. Thans R. M.
te Leiden, coll. Albarda, Cat. No. 3. Door Albarda als © bepaald. Linker
vleugels ontbreken. Lit. Albarda, T. v. E., 17, 1874, p. XVIII.
4°. 1874 quadripteer te ’s-Gravenhage door G. A. Six. Thans R. M. te Leiden,
coll. Albarda, Cat. No.'5. Door Albarda als © bepaald. Eén voorvleugel,
linkerachtervleugel en abdomenspits ontbreken. Lit. Albarda, brief van 23 Januari
11872.
5°. Aug. 1877—1889 dipteer 3 te Staalduinen door S. C. Snellen van Vol
lenhoven. Thans R. M. te Leiden, coll. Albarda, Cat. No. 4. Door Albarda
als 4 bepaald. Goed geconserveerd.
De vijf voorgaande exemplaren zijn door Albarda vermeld in zijn Catalogue
vansi 9998. v BE, 329817)
6°. 10 Aug. 1918 dipteer 4 te Zwammerdam door J. C. H. de Meijere. Door
de Meijere als 4 bepaald. Goed geconserveerd. Lit. de Meijere, T. v. E., 52,
1919, p. VI.
_ 7°. 12 Sept. 1923 dipteer 4 in Meiendel 10 door H. C. Bléte. Thans R.M. te
Leiden. Abdomen en rechter voorvleugel mankeeren. Niet eerder gepubliceerd.
8°. 11 Nov. 1923 dipteer 4 in het Naardermeer J. B. Corporaal. Thans Zoël.
Mus. te Amsterdam. Door Corporaal voor een © gehouden. Goed geconserveerd.
D a Jaarb. Vereen. Beh. Natuurmonum. 1923-1928, p.p. 122 en 123,
p. ab, DL
9°. 25 Juli 1926 dipteer 4 in Heerenduin door H. A. Bakker. Goed geconser-
veerd. Niet eerder gepubliceerd. Ò
10°. Vóór 1873 dipteer te Salzburg in Oostenrijk door Ed. Everts. Thans R.M.
te Leiden, coll Albarda, Cat. No. 5. Door Albarda als 4 bepaald. Abdomen
en linker voorvleugel mankeeren. Lit. Albarda, T. v. E., 17, 1874, p. XVIII.
Spr. laat bovengenoemde exemplaren circuleeren met afbeeldingen van de vleugels
van diptere en quadriptere vormen. Van beide vormen komen 4 4 en 9 © voor.
De oudere literatuur vindt men H. A. Hagen (Entom. Americ., vol. 2, 1886, pp.
21—24). Van de nieuwere literatuur moeten genoemd: Killington en Kimmins,
On the male genital structure of Psectra diptera Burm. (Neur.), with some remarks
on the wing venation (Ent. Mo. Mag., 68, 1932, pp. 153—156, pl. 6) ; Bo Tjeder,
Studies on Psectra diptera Burm. (Notulae Ent. 16, 1936, pp. 97—101, pl.) over de
genitalia der beide sexen; K. J. Morton en F. C. Fraser (Ent. Mo. Mag. 72,
1936, pp. 252—257, pl. IV) met een zeer duidelijke habitus-teekening en genitalia
van het 4.
Van de levenswijze van dit merkwaardige insect is niets bekend. In Scandinavië
en Finland schijnt Psectra dipfera minder zeldzaam te zijn.
3. Als aanvulling op zijn mededeeling over de Hemerobiidae op de vorige Winter-
vergadering kan Spr. als nieuwe vindplaats van Sympherobius elegans (Steph.) melden
Heek (L.) op 27 Juni 1937 (Nat. Hist. Mus. Maastricht).
Een door Albarda als Hemerobius humuli L. vermeld exemplaar uit Leeuwarden
bleek evenals een dergelijk exemplaar uit Apeldoorn een ;9 van H. lufescens Fab. te
zijn. Het exemplaar van Apeldoorn is van v. Medenbach de Rooy, waarmee
Mo Gr ete À A FE: Li #9
ASL ALAIN x NERO A
EN 7 ; \
: VERSLAG. XXXVII
Apeldoorn als vindplaats van H. humulinus definitief komt te vervallen. Daar eenige
exemplaren uit de voormalige collectie van Van den Brandt ook tot H. lutescens
blijken te behooren, vervalt vermoedelijk ook de vindplaats Venlo van Albarda.
Als nieuwe vindplaats van Hemerobius afrifrons Mc Lachl. is te noemen Putten,
… 20 Juli 1914, J. Th. Oudemans. (Coll. MacGillavry, Zoöl. Mus. Amster-
dam). Van Wesmaelius quadrifasciatus (Reuter) leverde Putten een 9 exemplaar op;
16 Juli 1914, J. Th. Oudemans (Coll MacGillavry).
| 4, MacGillavry (T. v. E., 59, 1916, p. XIX, Versl. 49e winterverg.) deelde
mede de vangst van twee Chrysopa’s, die hij voor C. nigricostata Brauer hield, doch
hij was niet geheel zeker van deze determinatie. In de collectie MacGillavry
| vond Spr. een zestal exemplaren door MacGillavry als nigricosta aangegeven.
Een tweetal determinaties is door Navás bevestigd. In de collectie Geyskes
» vond Spr. een exemplaar op 30 Juni 1937 door Hille Ris Lambers op Pinus
nigra op de Wageningsche Berg gevangen, dat een @ van deze soort zou kunnen
zijn. In zijn eigen collectie bevindt zich een © op 29 Mei in Den Haag gevonden,
dat tot nigricostata kan worden gerekend. Spr. twijfelt er echter aan of C. nigri-
costata wel een eigen soort vertegenwoordigt. Behalve dat C. nigricostata iets
grooter zou zijn dan C. albolineata Killington (= C. tenella Schneider W. Th. et
aucts) moet nigricostafa grasgroen zijn met een lichtgele longitudinale dorsale streep
over den thorax, en albolineata meer witgroen met lichteren, thorax en abdomen, die
echter niet geelachtig zijn. Daar er geen structuurverschillen opgegeven worden en
Spr. niet over vergelijkingsmateriaal van nigricostata beschikt, die meer in zuidelijks
streken schijnt voor te komen, meent hij voorloopig beide soorten als synoniem te
moeten beschouwen, waarbij het de vraag is of dan niet aan nigricostata de prioriteit
moet toekomen.
5. Van den Heer Kruseman ontving Spr. een aantal exemplaren uit de coll.
van het Zoöl. Mus. in Amsterdam en uit Wageningen van Boreus hyemalis L., waar-
van hij vermoedde, dat zij B. wesfwoodii Hag. waren. Op grond van den vorm van
het hypandrium van het 4 meent Spr. echter dat al deze exemplaren tot hyemalis
behooren. Ook de exemplaren in het Museum te Leiden behooren tot hyemalis. Daar
de © exemplaren niet duidelijk groener zijn dan de 4 4 zullen ook deze tot hyemalis
behooren. In de collectie Ge yskes trof Spr. een paartje in copulatie aan, dat tot
de meest brons-groene exemplaren behoort en door Ge yskes dan ook tot westwoodii
gerekend werd, samen met twee andere wijfjes van dezelfde Zwitsersche vindplaats.
Daar het copuleerende & echter een toegespitst hypandrium heeft hebben we ook
hier met hyemalis te maken. Volgens de beschrijvingen zou hyemalis brons-bruin en
westwoodii brons-groen zijn, volgens MacLachlan (Trans. Ent. Soc. Lond. 1869,
p. 400, fig. 1 en 2) is het hypandrium van hyemalis ,,triangular, the sides slighltly
rounded, the lower surface convex, and the apex somewhat produced and elliptical’
en dat van westwoodii ‘shorter, the sides not rounded, the apex sharply truncate, and
even slightly incised’. Hagen verwijst naar de figuur in Westwood (Introd.
Mod. Class. I, frontispice), en het daar afgebeelde exemplaar is veel groener dan
eenig exemplaar dat Spr. onder oogen kwam. De bronzen metaalglans van Boreus
hyemalis varieert van bruin tot bruin-groen en blauw.
Als vindplaatsen van B. hyemalis kan Spr. vermelden :
Velp, 12 Maart 1901, 1 9 (de Vos tot Nederveen Cappel); Wagenin-
gen, 21 Febr. 1918, 1 4 (Ritsema); Bilthoven, 16 Febr. 1927, 1.9, 2 Dec. 1928,
1 9 ; 30 Nov. 1929, 1 4, en 2 Dec. 1929, 1.2 (Bouwman); Apeldoorn, 29 Jan.
… 1929, 4 4 4 en 49,9 (Bléte); Hilversum, 2 Nov. 1929, 1 g (v. d. Wiel);
Baam, 27 Dec. 1930, 6 4 3 en 1 © (Reclaire); Wageningen, 4 4 à
(Geyskes).
B. hyemalis is van October tot April te vinden tusschen mos en dorre bladen en
komt soms plaatselijk zeer talrijk voor.
6. Spr. vestigt de aandacht op een publicatie van Klingstedt over de Sialidae
van Finland; Revision der Gattung Sialis nebst Beschreibung von zwei neuen Arten
(Mem. Soc. Faun. Flor. Fenn., 8, 1931, sep. pp. 3—14).
Klingstedt vond, dat onder Sialis flavilatera (L.) (= lutaria Fab.) drie soorten
voorkomen, die slechts door de mannelijke genitalia te onderscheiden zijn. Hij stelt
daarom twee nieuwe soorten op S. morio en sordida. Tevens meldt hij uit Finland
| naast S. fuliginosa Pict. ook nog het voorkomen van S. sibirica Mac Lachl., die uit
| Oost-Siberië bekend is. Terwijl het voorkomen van de laatstgenoemde soort in ons
| land wel niet waarschijnlijk is, zullen de beide ‘andere soorten morio em sordida vermoe-
- delijk hier ook wel te ontdekken zijn. Spr. zou daarom gaarne materiaal van een aantal
| plaatsen in ons land willen onderzoeken en verzoekt om toezending van droog of in
_ alcohol geconserveerd materiaal om de genitalia te onderzoeken.
À
er f
de /
ELU }
Ei; ‘
XXXVII VERSLAG.
De heer Hille Ris Lambers merkt op, dat bij Wageningen zoowel Euroleon nostras
als Myrmeleon formicarius talrijk voorkomen in verschillende biotopen en wel E. nosfras
onder beschutte plekken, walletjes, e.k., M. formicarius op paden en zandwegen waar-
van de bovenlaag plaatselijk gebroken is, b.v. door de voetstappen van paard of mensch.
Beide kunnen volgens de spiraalmethode kuilen maken. Kunnen hun prooi achter-
volgen buiten de kuil etc. Van Doflein's „reflex-automaat” blijft weinig over, omdat
er, zooals Stäger (Biol. Zentralblatt 1925) opmerkte, veel te veel gecompliceerde
handelingen voorkomen bij de jacht op de prooi.
De heer Lindemans beveelt den heer Bakker aan, ook eens te letten op de
zeldzame sluipwespen van de mierenleeuwen.
Zeldzame Nederlandsche Diptera.
De heer D. Piet vertoont. de volgende, in Nederland nog weinig gevangen Diptera :
1. Flabellifera elegans Mg. Een 4 gevangen in Dwingelo 28-5-1942. Speciaal de
4 & van deze soort worden weinig gevangen. Slechts enkele exemplaren zijn bekend.
2. Eristalomyia anthophorina Fall. Van deze fraaie syrphide ving Spr. enkele exem-
plaren bij Dwingelo en tusschen Wapse en Wapserveen. (Begin Juli 1942.) Voordien
was slechts één Nederl. exemplaar bekend gevangen bij Schellinkhout N.H. Op beide
vindplaatsen vlogen de dieren aan den rand van de lage graslanden langs den stroom.
Waarschijnlijk is de soort in Drente op de geschikte terreinen niet zoo zeldzaam.
3. Eristalis pratorum Mg. Gevangen bij de inventarisatie van Botshol (Veenplas in
de gemeente Abcoude), d.d. 21-4-1942. Van deze Syrphide kent Spr. slechts een oude
vondst bij Rotterdam. Door de sterke gelijkenis met Erisf. tenax en Erist. pertinax
wordt deze soort waarschijnlijk steeds over het hoofd gezien. Van Erisf. fenax onder-
scheidt ze zich door de behaarde sprietborstel, van Erist. pertinax door de donkere
voortarsen, Ook is Erist. praforum iets forscher dan Erisf. pertinax.
4. Liops vittata Mg. Van deze overal zeldzame Syrphide werd 19-5-42 bij de in-
ventarisatie van Botshol een exemplaar door Spr. gevangen.
5. Trixa grisea Mg. Deze Tachinide was slechts in één Nederl. exemplaar bekend.
De beide door Spr. bij Epen Z. L. d.d. 1-6-42 gevangen dieren werden door Dr. W.
J. Kabos gedetermineerd en komen overeen met de beschrijving van Prof. de Meijere
in het 4e Suppl. op de Nieuwe Naamlijst van Nederl. Diptera.
Nederlandsche Syrphidae.
De Heer P. H. van Doesburg deelt het volgende mede:
Hoewel Spr.'s belangstelling hoofdzakelijk Kevers betreft, heeft hij bij zijn vangsten
in en om Baarn zoo nu en dan wel eens dieren uit andere groepen verzameld, welke
om een of andere reden zijn opmerkzaamheid trokken. Toen Spr. deze vangsten vorigen
zomer aan de Heeren Piet en Dr. Kabos toonde, bleken er twee exx. bij te zijn
van de zeldzame Zweefvlieg Volucella zonaria Pod. Dit was voor Spr. aanleiding
om in de maanden Juli-September van 't vorige jaar eens speciaal wat Zweefvliegen
te verzamelen, hoofdzakelijk in Spr.s tuin te Baarn. Het resultaat daarvan is, dat Spr.
meer dan 30 soorten kon bemachtigen. Natuurlijk zijn het de meest gewone soorten,
maar Spr. had daarnaast 't geluk, van Tubifera hybrida Loew., welke soort voor 't eerst
door ons medelid Piet in 1936 bij Wageningen werd ontdekt, 8 exx. te bemachtigen,
nl. het 2de-4de Ned. mannetje en het Iste-5de Ned. vrouwtje van deze soort. Het
Iste vrouwtje ving Spr. 26-7-'42 te Lage Vuursche op Distels; de overige exx. alle
in Spr. tuin op Sneeuwbes (Symphoricarpus).
Spr. ving ook nog 2 exx. van Chrysochroma bipunctatum Scop. welke mooie vlieg
volgens Dr. Kabos zeer zeldzaam is.
Alle vangsten van Spr. werden door de Heeren Dr. Kabos en Piet gedetermi-
neerd, waarvoor Spr. hun hierbij nogmaals zijn dank betuigt.
Bembidion velox L. en B. bipunctatum L.
Deze beide Bembidion-soorten, welke volgens Everts zeldzaam, resp. zeer zeld-
zaam zijn, werden door Spr.s zoon begin Augustus ‘42 gevangen te De Voorst, bij
Vollenhove (O), resp. in 7 en 1 exx.
Aceraius oculidens Zang. (Passalidae)
Naar aanleiding van Spr.'s mededeeling over deze soort in de vorige Winterverga-
dering (Verslag 75ste Winterverg. p. XXXVI) ontving Spr. het volgende schrijven
van den Hoofdconservator te Stuttgart, Dr. E. Lindner:
„Für Ihre Ubersendung der Veröffentlichung über unsere erste Sendung danken wir
_ VERSLAG. <<»
hnen verbindlichst. Sie äussern darin bezüglich der Richtigkeit der Fundortsangabe
| Tien-Tsin bei Aceraius oculidens Zang. Zweifel, die mich veranlassten Herrn Feifel,
… den Sammler, zu befragen. Er erinnert sich noch wohl, dass er selbst diese Käfer bei
| Tien-Tsin gefangen und von den Sunda-Inseln usw. nichts mitgebracht hat.”
Op grond van ‘t bovenstaande moet Spr. dus wel aannemen, dat de vindplaats-
| opgave van t besproken dier juist is.
Opmerkingen over Hymenoptera aculeata,
De Heer P, M. F. Verhoeff deeit mede er een gewoonte van te hebben gemaakt om
telkenjare op daartoe geschikte plaatsen nestbuisjes uit te zetten. Stukjes tonkin van
10 tot 25 cm., waaruit de losse mergachtige inhoud is verwijderd en welke tevoren
aan één zijde worden gespleten en dan weer met schellak dichtgeplakt en met dun
koperdraad stevig samengebonden. Het is steeds weer een verrassing de bewoonde
buisjes te openen, terwijl de kweek zich dan verder gemakkelijk laat observeeren. Deze
tonkinbuisjes zijn dikwijls wijder dan braamstengels, zoodat ook grootere soorten daar-
van gebruik kunnen maken.
Het is aan te nemen, dat de aculeaten, die in deze buisjes komen nestelen voor
nestgelegenheid ook elke andere holte zullen accepteeren, zij het een spijkergat of oude
kevergang in massief hout, dan wel een holle stengel, welke zich leent tot de zooge-
naamde liniebouw. In de natuur zullen de nestelende dieren dikwijls merg of zachte
houtresten opruimen; voor het uitboren van gangen in stevig hout zijn de mandibels
echter te zwak.
In de bedoelde nestbuisjes konden door spreker worden gekweekt verscheidene
soorten van de genera: Osmia, Megachile, Eriades, Prosopis, Thypoxylon, Psenulus,
Passaloecus en Odynerus. De nesten van twee soorten acht Spr. onbekend genoeg
om op deze vergadering rond te laten gaan,
1. Megachile ericetorum Lep.
M. Ch. Ferton trof het nest blijkbaar herhaaldelijk aan in de omgeving van
Marseille (Nouvelles observations sur l'instinct des hyménoptères gastrilégides de la
Provence; Act. Soc. Lin. Bordeaux, T. XLVIII, 1896) en hij beeldde het nest ook
af (id., T. LII, 1897, PI. IV, fig. 12). Ferton vond de nesten in taluds, in gangen
door andere insecten uitgehold, maar het meest in riet. De holte van het door Ferton
afgebeelde nest had een diameter van 12 mm. De bewoonster had blijkbaar niet de
geheele doorsnede noodig, zoodat tusschen de cellenreeks en de wand van de riet-
stengel een open ruimte bleef, waar de kogeltjes metselspecie te onderscheiden zijn.
Ferton vermeldt voorts een overigens onbevredigende beschrijving door Ad. B e l-
levoye in 1883 van een nest uit de omgeving van Metz.
Een derde beschrijving werd gegeven door H. Höppner in 1899 (Ill. Z. f.
Entom., Vol. 4, p. 377) van een nest in een leemwand, waarvan de holte eerst vier
cm. naar binnen liep en daar een rechte hoek maakte en nog ongeveer tien cm. even-
wijdig met de leemwand verliep; achterin bevonden zich twee cellen.
Het door Spr. vertoonde nest werd afgenomen half Juli 1932 te Kerk-Avezaath,
Betuwe. De diameter der holte bedraagt 9 mm., welke doorsnede geheel gebruikt
werd, zoodat de klei glad langs de wand werd gemetseld. Er zijn vier cellen van ca.
15 mm. De afscheiding tusschen de cellen is aan de buitenzijde zichtbaar doordat de
… deksels van de cellen tot aan de rand toe met een harslaagje worden overtrokken,
hetgeen zich aan de buitenzijde iets donker afteekent. De celtuben worden van binnen
ook geheel met hars gevernist voordat het stuifmeel wordt binnengebracht; de binnen-
zijde van de celdeksel kan door de bij voor een soortgelijke behandeling technisch
niet worden bereikt. Op de bovenzijde van de vierde celdeksel is het harslaagje duidelijk
te zien. De afsluitprop van de nestholte, waarin geen hars was verwerkt, laat nog een
looze ruimte van 3 cm. boven de laatstaangelegde cel. De eerste, opengebroken, cel
| vertoonde een stuifmeelklomp met zeer hoog honinggehalte en daarop het Megachile-ei.
. De kweek is om onbekende reden mislukt.
2. Discoelius zonalis (Pz.).
In Juli 1941 waren in den Dolder twee kweekbuizen bezet door de behangerswesp.
Het eene (diam. 7 mm.) bevatte een volmaakte liniebouw van 14 cellen: eerst werden
19 9 Qcellen van ca. 12 mm. aangelegd en daarna 5 & 4 cellen van ca. 814 mm. Het
andere nestje (diam. 6 mm.) bevatte slechts twee broedcellen van 18 mm. lengte, welke
9:9 opleverden. Bij één mm. geringere diam. heeft de wesp dus een aanmerkelijk
langere cel moeten maken. Bij het eerste nest bedraagt de afstand van de laatste cel
tot de afsluitprop 10 mm., bij het tweede nest 57 mm. Het is aannemelijk, dat de lengte
van deze looze cel wordt bepaald door toevallige omstandigheden; aanwezig is zij
echter steeds.
à
7
a
a.
%
nt
XL VERSLAG.
_ Merkwaardig bij deze beide nesten is, dat de sluitprop niet geheel aan de ingang
van de buis is aangelegd, doch ca. 15 mm. naar binnen ligt. B. E. Bouwman
(De Lev. Nat. 1910, DI. XV, p. 96) teekent bij een door hem in een paal gevonden
nest ook geen prop aan de ingang. De beschrijving van den Heer P. Haverhorst
(De Lev. Nat. 1924, DI. XXIX, p. 180) geeft in dit opzicht geen zekerheid, doch
de Heer J. P. van Lith te Rotterdam deelde mij mede, dat het door Haverhorst
beschreven nest zich in het museum te Rotterdam bevindt en dat daar de sluitprop
toch wél aan de ingang van het nest is gelegen. Misschien, dat een sluiting aan de
ingang, waarbij dus de nestopening niet meer opvalt (parasieten !), aan het nest meer
veiligheid biedt. Voor de entomoloog ligt het geval echter andersom: aanvankelijk
viel het Spr. niet op, dat deze twee kweekbuizen bewoond waren. Wanneer de beide
getoonde nesten door hetzelfde individu zijn gemaakt, hetgeen niet onwaarschijnlijk is,
dan moet het dier het eerstaangelegde nest als geheel afgebouwd hebben beschouwd
en van verdere sluiting hebben afgezien; anders was het niet aan het tweede nest
begonnen. Intusschen blijkt hier, gezien het nest van den Heer Haverhorst, niet
van een constante eigenschap.
Bouwman en Haverhorst hebben in de aangehaalde publicaties het meest
bijgedragen tot de bekendheid van de nestwijze van de behangerswesp. Voor volledige
litteratuur zie bij L. Berland, 1928 (Faune de France, Hym. vespiformes II, p. 12).
Bouwman ontdekte, dat deze wesp gave én fijngekauwde bladstukjes bij de bouw
van zijn nest verwerkt (Lepeltier verkeek zich toen hij „une petite boule de
mortier” zag binnenbrengen in een opening in een steenen muur). Haverhorst
observeerde de ontwikkeling uit het ei tot het uitloopen der wespen.
Uit de gekweekte nesten blijkt, dat de wesp bij elk tusschenschot begint met het
aanbrengen van enkele bladstukjes en daarna deze aan de wand vastmetselt met blad-
cement en dan meest het geheele schot bedekt met een laag cement, soms echter zoo
dun, dat de bladnerf van het laatstgebruikte bladstukje nog zichtbaar is.
De cocon is licht rose-bruin, dun-vliezig en ligt vrij, doch overal tegen de wand
van de cel gedrukt; de excrementen liggen, samen met chitineuse resten van de prooi-
rupsen, onderling én met de cocon versponnen, buiten de cocon aan het uiteinde naar
de uitgang van het nest gericht.
Spr. voegt bij ter bezichtiging een volgroeide larf en eenige niet-determineerbade
prooi-rupsjes op formol. 4
De kweek leverde van 8 tot 22 Juni 1942 een serie gave exemplaren, waarbij de
vroegste © 9 vijf dagen na het laatste 4 uitliepen.
Halictus quadricinctus L.
Spr. toont een gaaf 9 van deze soort door hem op 30 Augustus 1942 gevangen
op distel bij Noordwijk op de geestgrond. Tot dusver is deze soort voor Nederland
slechts bekend uit Zuid-Limburg. Deze hoogontwikkelde Halictus heeft op den geest-
grond blijkbaar voldoende leemachtige bodem aangetroffen voor haar nestbouw, welke
is te beschouwen als een primitieve verticale raatbouw. Spr. toont een afbeelding van
het nest uit Die europàischen Bienen van H. Friese,
Door deze vangst te Noordwijk wordt een andere questie weer naar voren gebracht,
met name of Sphecodes fuscipennis Germ. parasiteert bij Colletes cunicularis (L.) of
wel bij Halictus quadricinctus. P. Blüthgen in Revision der schweizerischen Col-
letes-Arten (Mitt. Schw. entom. Ges., Bd. XIV, Heft 6, 1930) schrijft: „Allem An-
schein nach schmarotzt Sphecodes f. bei Colletes c. Alfken (1913, Die Bienenfauna
von Bremen) hat diesen bei Bremen, Dr. Krüger ihn bei Hamburg an den Nestern
des Colletes beobachtet, und Dr. J. van der Vecht schrieb mir, dasz er ihn in
den Dünengebieten Hollands an Orten angetroffen habe, wo Hal. quadricinctus völlig
fehle, dagegen Coll. c. häufig sei.”
Tengevolge van de vangst te Noordwijk mag de mededeeling van Van der
Vecht in de bedoelde questie niet meer doorslaggevend zijn. Trouwens Alfken
(Lc.) schrijft: „Ich wage nicht zu behaupten, dasz Sph. f. bei Coll. c. schmarotzt.
Auch an einer steilen Wand sah ich ein © verschiedene Bienennester untersuchen.
Die 4 4 flogen mite denen von Hal q. zusammen.” Daarbij komt nog, dat de voor-
jaars- (alleen © ©) en najaarsgeneratie (© © en 4 4) van Sph. f. geheel parallel
loopen met de generaties van Hal. q., terwijl Coll. c. uitsluitend in het voorjaar vliegt.
Smicromyrme rufipes F. var. nigra, f.n.var.
Een geheel zwart & van de mutil rufipes werd door Spr. gevangen te den Dolder op
30 Juni 1940. Bij de normale vorm zijn pronotum, mesonotum en scutellum rood. In
de omgeving van Berlijn en meer zuidelijk schijnt de verhouding normale vorm tot
varieteit bij de 4 & vrijwel in evenwicht; nog verder oostelijk is de zwarte varieteit
in de meerderheid (Max Müller: Ueber seltene märkische Bienen und Wespen;
VERSLAG. | : RE
Tube 1918). L. Berland (Fase Ee Fr, Hym. vespif. I, p. 328) vermeldt: „il
d'assez nombreuses variétés de mâles, qui diffèrent par la couleur du thorax, plus
| ou moins envahi par le noir.” In ons gebied is de zwarte varieteit zeer zeker zeldzaam.
| Omalus biaccinctus Buysson, f.n.sp.
— Op 29 Juli 1939 ving Spr. een © van deze soort. Het toeval wilde, dat Spr. daarna
| in 1941 uit een nestje van Passaloecus brevicornis A. Mor, (tonkin-buisje, den Dolder)
een paartje van deze Omalus kweekte, hetwelk bij uitloopen onmiddellijk copuleerde.
. De celschotjes van deze Passaloecus bestonden uit dunne geele harsplaatjes. De
Passaloecus larve maakt geen cocon.
De cocon van Omalus biaccinctus is doorschijnend witachtig, ca. 5 mm. lang en ligt
tegen het achtereinde van de cel van Passaloecus. Zij bestaat aan de voorzijde uit
… een geelachtig met concentrische ringen gesponnen vlak dekseltje, hetwelk rondom tegen
de wand van het nest steunt. 1)
1 Colletes. succincta halophila, n.ssp.
3 Bij faunistisch onderzoek van het geslacht Colletes Latr. trof Spr. in de collectie van
{ het Zoölogisch Museum te Amsterdam, gerangschikt onder C. succincta (L.), een vijftal
exemplaren aan, 3 © © en 2 4 4, welke opvielen door het groote formaat tezamen
met het feit, dat zij waren gevangen onder Amsterdam, Zeeburg (in September 1909/1911
i door Dr. J. Th. Oudemans). In navolging van de meeste auteurs (laatstelijk
Jj. D. Alfken, Die Bienen Nordwestdeutschlands als Blütenbesucher ; Abh. Nat.
… Ver. Brem. Bd. XXIX, 1934/35) hield Spr. C. succincta voor absoluut oligotroop, een
typische bezoeker van Calluna vulgaris, behoudens de exemplaren bij uitzondering ge-
vangen in dezelfde biotoop op Achillea (F. K. Stoeckhert, Die Bienen Frankens,
Beiheft D.E.Z. 1932), op Epilobium (Putten, leg. J. Th. O., coll. A'dam; Bennekom,
leg v. Giersb. coll. Leiden Cat. Nos. 92 en 93), op Knautia (Dolsberg bij Gulpen,
leg. Rits, coll. Leiden Cat. No. 57) en op Reseda (den Dolder, leg. Bouwman,
coll. A’dam.). Deze uitzonderlijke vangsten zijn te verklaren uit de omstandigheid,
dat ter plaatse Calluna vermoedelijk nog niet of niet in voldoende mate bloeide
(honingde). De vangst te Zeeburg, waar zeker geen Calluna voorkomt, was dus
merkwaardig.
In Februari 1937 publiceerde de heer J. P. van Lith in De Levende Natuur een
artikel genaamd „Het zijdebijtje en haar nest’, waarin de nestwijze werd beschreven
van C. succincta, door hem in groote kolonies aangetroffen in grootendeels met mos
begroeid zand op de Beer (Rozenburg), bij Hellevoetsluis en ook bij Pernis in klei-
achtig opgesloten zand, De dieren vlogen in groote getale op Aster tripolium ; Calluna
was ook daar natuurlijk niet aanwezig. Door bemiddeling van den heer van Lith
kon spr. een aantal exemplaren, welke in het museum te Rotterdam berusten, bestu-
deeren ; zij bleken in gelijke mate als de exemplaren van Zeeburg af te wijken van
de heide-vorm van C. succincta: È
O. W. Richards publiceerde op 14 Juli 1937 (Trans. Soc. Brit. Entom., Vol. 4
Pt. 2) een studie over de genera Epeolus en Colletes, waarin o.m. het volgende :
»C. succincta (L.) is normally restricted to heath-land, thé female obtaining her
pollen entirely or almost entirely from Erica and Calluna. Until recently, I had sup-
posed that C. succincta was absolutely confined to heath-land areas, but in Sept.
1935, Mr. G. M. Spooner found large colonies at Scolt Head and Blakeney Point,
E. Norfolk, on maritime sand. The nests were in firm sand, sometimes fixed by grass,
etc. Both sexes were visiting Aster tripolium in large numbers, while a few were also
found on Limonium sp. and on Senecio Jacobaea ; no Erica or Calluna were present.”
De veronderstelling ligt voor de hand, dat de heer Spooner in Engeland het-
_ zelfde maritieme ras van C. succincta aantrof als Dr. J. Th. Oudemans en de
heer J. P. van Lith hier te lande.
«+ In de genoemde publicatie van den Heer van Lith, alsmede in een door deze
_ aangehaalde publicatie van den Heer van der Vecht in de Zoölogische Meder
… deelingen 1930, DI. XIII, wordt nog verwezen naar de Naamlijst van C. Ritse-
_ ma Cz. in het T. v. E. XXII, waarin worden vermeld een aantal vindplaatsen van
. €. succincta (L.), onder meer:
1. Het 9 bij Leiden, v. Voll. (Museum te Leiden, Cat. No. 56);
Ze Leiderdorp, Rits, (Mus. Leiden, Cat. No. 7:90 13 IX 73);
«3. In de duinen bij Katwijk binnen, Rits. (Mus. Leiden, Cat. No. 6: x 5 IX 78
op distel! en Cat. No. 55: 9 5 IX 78 op Brassica!);
KI) Noot bij de correctie. Dr. G. Kruseman deelde spr. mede, dat zich in het Museum
te Amsterdam twee exx. van O. biaccinctus bevinden, geyanıden door Bouwman
resp. Juni 1918 en 1929 te Bilthoven.
XLII VERSLAG.
4. Meerdervoortsche duinen bij den Haag des avonds geheele klompen 4 4 aan
helmstengels, v. Voll. (Mus. Leiden, Cat. Nos. 8, 97 en 98: 3 4 4).
Al deze zich in het Rijksmuseum te Leiden bevindende exemplaren werden, evenals
door den heer van der Vecht, door Spr. nagezien. Het bleken alle exemplaren
van de normale heidevorm te zijn. Voorts bleek het bekend, dat Calluna in de duinen
plaatselijk voorkomt. Latere vangsten van de heide-vorm in de duinen vond Spr. echter
niet vermeld.
De specifieke kenmerken bij het genus Colletes worden voornamelijk gevonden in
de lengte der genae (malarspace), bouw van de achtertars, bandeering van het abdomen,
bestippeling en beharing, terwijl bij de 4 4 de genitaliën met het 7de en 8ste ventrale
segment buitengewoon specifiek zijn, evenals de bewimpering en sculptuur van de
sternieten, vooral van het 6e.
In deze specifieke kenmerken blijkt het maritieme ras van de C. succincta echter
met de stamvorm volkomen overeen te stemmen; bij de mannelijke genitaliën is geen
verschil aan te wijzen. Slechts in de meer varieerende kenmerken van lengte, bestip-
peling en beharing wijken de dieren af. Overgangen zullen zeer zeker aanwezig zijn.
Redenen, waarom de heer van Lith en Spr. deze maritieme vorm dan ook be-
schouwen als een ras en niet meer dan dat, met eigen biotoop, hetwelk Spr. voorstelt
te noemen : Colletes succincta halophila.
Ter onderscheiding van C. succincta (L.) het volgende:
o. 12—14 mm. (stamvorm 11—12 mm.)
Het eerste tergiet is grover en ook dichter bestippeld; zoo dicht, dat de stippels
elkaars vorm beinvloeden en dan niet meer rond zijn, zooals dit bij de stamvorm meest
het geval is. Ook de mesopleuren zijn grover en dichter bestippeld.
De vlekken van neergedrukte vrij korte haren aan weerskanten van het eerste tergiet
op de overgang van het verticale naar het horizontale gedeelte, zijn ook aanwezig,
doch hier over de geheele oppervlakte vermengd met lange afstaande haren. Welis-
waar heeft ook de stamvorm somtijds aan de bovenrand langere afstaande haren, doch
nooit in zoo sterke mate en zoo gelijkmatig over de geheele zone als bij C. succincta
halophila.
4. 11-12 mm. (stamvorm 10—11 mm.)
Bestippeling op mesonotum, mesopleuren en vooral op eerste tergiet belangrijk grover.
Holotype: 9, de Beer (Rozenburg, Holland) 18 VIII 1935 (leg. J. P. van Lith,
op Aster tripolium), m.c.
Allotype: 4, de Beer 18 VIII 1935 (leg. v. Lith), m.c.
Paratypen: 3 © ©, Amsterdam, Zeeburg 8/20 IX 1907 en 11 IX 1911, 2 @ a,
A'dam, Zeeburg 8/20 IX 1907 (leg. J. Th..Oudemans), Zoöl. Mus. A'dam;
2 © 2, de Beer 18 VIII 1935, © en &, Pernis 15 IX 1935 (leg. v. Lith), Nat.
Hist. Mus. Rotterdam,
Summary.
In studying some specimens of Colletes succincta auctt. (Hym., Apid.) captured on
Aster tripolium remote from heath-land areas (whereto this species until lately was
supposed to be confined), it was stated that such specimens did show some distinct
variation from the typical form. The supposition is made that also the specimens found
by Mr. G. M. Spooner in E. Norfolk, Fngland, on Aster pripolium belong to
this oecological race (see O. W. Richards, 1937, loc. cit.). The race is named by
writer: Colletes succincta halophila (n.ssp.).
Compared with C. succincta (L.) it is distinguished as follows :
o. Length, 12—14 mm. First tergite and mesopleurae coarser and also closer
punctured. The procumbent, short and dense pubescence on either side on the basal
part of tergite 1 is all over mingled with long bristling hairs.
&: Length, 11—12 mm. First tergite, mesonotum and mesopleurae considerably
coarser punctured.
Zeldzame Diptera.
De Heer W. J. Kabos wenscht allereerst eenige opmerkelijke Diptera-vangsten te
vermelden.
Argyramoeba anthrax Schr.
1 ex. van Utrecht (Verhoeff) en 1 ex. van Epen Z.L. (W. Vervoort).
Anthrax afer F.
Deze Bombyliide is plotseling van 2 vindplaatsen — Noordwijk alz en Overveen —
bekend geworden, nadat er in de laatste decennién geen exemplaren van deze uit
Z. Europa afkomstige soort gevangen waren. P. M. F. Verhoeff en Dr. C. O.
van Regteren Altena.
n
VERSLAG. XLIN
Lasiopticus seleniticus Mg. RR
_ Op de excursie gehouden na de Zomervergadering te Bergen N.H. ving Spr. een
- Syrphidenlarve die hem onbekend was. Het dier was lichtbruin met een okergele rug-
. streep. De larve was volgroeid en bleek den volgenden dag reeds te zijn verpopt.
… Wit het puparium ontwikkelde zich een vrouwelijk exemplaar van deze soort. De larve
. verschilt dus belangrijk van de pyrastri-larve, welke groen is, met een lichtere rug-
„streep.
-Didea alneti Fallen.
Deze soort is nieuw voor de fauna en heeft, in tegenstelling tot de beide andere
Didea-soorten lichtgroene vlekken op het abdomen, die de zijranden daarvan niet
bereiken. (Boxtel 19-VIII-1942. Kabos).
Cerioides conopoides L.
1 exemplaar van Kerk-Avezaath (21-VI-1942, Verhoeff).
Eriozona syrphoides Fall.
Van deze zeldzame soort ontving Spr. een exemplaar dat door den Heer Teunis-
sen was gevangen te Tegelen (2-VIII-1942).
Clythia rufa Mg.
1 exemplaar door den Heer Vàri te Amsterdam gevangen, 6-X-1942.
Liopiophila nigriceps Mg.
Een groot aantal exemplaren werd aangetroffen op de Potvisch welke eenige
jaren geleden aanspoelde. (21-7-37). Dr. C. de Jong.
Myennis fasciata F.
Een groot aantal exemplaren werd door Spr. aangetroffen op populieren langs den
weg van Boxtel naar Oisterwijk.
Euribia cardui L.
Eenige exemplaren van Arcen (Gravestein 4-VII-42) en 1 ex. van Valkens-
waard. (Blöte, 28-VI-'42).
Pegomyza praepotens Wied.
1 stuk door D. Bolten gevangen te Amersfoort (5-IX-41).
Eischaal-structuren bij Syrphiden.
Vervolgens komt Spr. tot zijn eigenlijke onderwerp nl. de structuur van de eischaal
van een aantal Syrphiden. In de literatuur over Syrphiden vindt men bijna geen
beschrijvingen van de eieren. Bij Leuckart (1855) treft men beschrijvingen aan
van de eieren van Syrphus ribesii en Eristalomyia tenax. Hij wees er op dat de
schaal der eieren voorzien: is van zigzagvormige lijsten die bij E. tenax anders zijn
dan bij S. ribesii. Uitvoerige onderzoekingen werden gedaan door F. Klein-Kraut-
heim 1936. De volgende soorten werden vergeleken : Erisfalomyia tenax L., Eristalis
arbustorum L., Eristalis pertinax Scop., Myiatropa florea L., Eristalinus sepulchralis L.,
Lampetia equestris F., Eumerus strigatus Fall. en Syritta pipiens.
Spr. heeft waar hij in de gelegenheid was om zulks te doen, deze onderzoekingen
voortgezet. De moeilijkheid is voornamelijk gelegen in het feit, dat sommige Syrphiden
in gevangen staat er niet toe zijn te brengen om hun eieren af te zetten. Van aphidi-
phage soorten kan men eieren verkrijgen door de 9 © in een flesch te doen met
takjes waarop bladluizen zitten. De Eristalinae kan men tot eiafzetting brengen op
bakjes met modder die men in de flesch, waarin men ze houdt, plaatst. De Heer
Piet is erin geslaagd een Erisfalis-soort ab ovo te kweeken. Verder is de onder-
zoeker van het toeval afhankelijk of hij van verschillende Syrphiden eieren verkrijgt.
De eischaalstructuur kan men microscopisch onderzoeken in alcohol gemengd met
glycerine. Het chorion kan men met behulp van een naaldje isoleeren, onder een
dekglas platleggen en vervolgens onder het microscoop bestudeeren. Spr. onderzocht
eenige Eristalissoorten die dezelfde bouw bleken te hebben als Klein-Krautheim
aangeeft. Syrphus corollae F. werd door Spr. onderzocht, evenals Volucella bombylans
È Eurinomyia transfuga L., Chrysotoxum festivum L. en Chrysotoxum octomaculatum
urt,
De structuur van het chorion is voor elke soort karakteristiek en kan gebruikt wor-
den als determinatie-kenmerk. Nauw verwante soorten, zooals de Eristalis- en
| Tubifera-groep hebben een gemeenschappelijk familiepatroon voor de lijsten op het
chorion. Hier ziet men overal zigzagvormig gebogen lijsten die kleine ovale of ruit-
vormige velden omsluiten. Leuckart sprak hiervan als „Körbchen”.. Bij Syrphus
corollae vond Spr. een ander patroon n.l. korte vertakte lijsten die nergens een gesloten
veld omsluiten. Er is een zeer belangrijk verschil tusschen de bouw van het chorion
van Syrphus en dat van de Eristalinae. De soorten van deze onderfamilie verschillen
onderling zeer belangrijk wat dikte.en structuur der lijsten betreft. Uit de afbeeldingen
x
XLIV VERSLAG. -
die Spr. laat rondgaan blijkt dit dadelijk. Het chorion van Volucella bombylans
bleek zeer belangrijk te verschillen van de andere Syrphiden. De lijsten waren hier
‘ vijfhoekig of veelhoekig en het geheel deed denken aan een coupe van een planten-
weefsel. Het heeft volgens Spr. bevinding nog de meeste overeenkomst met het chorion
van Syritta pipiens L. Ook hier treft men rechte lijsten aan die veelhoeken omsluiten.
Het patroon van Lampetia equestris F. verschilt zeer belangrijk van dat der overige
Eristalinae. Wanneer men de bouw van het chorion als criterium neemt, valt deze
soort eigenlijk buiten de groep der Eristalinae. Van gebogen lijsten is hier niets te
bespeuren, de eischaal vertoont slechts zwakke aanduidingen van polygone structuren
evenzoo als men bij sommige Milesinae aantreft. De vraag rijst of Lampetia equestris
O. wel in de groep der Eristalinae thuisbehoort. Eumerus sfrigatus valt volgens
Klein-Krautheim op door de merkwaardige lengtelijsten die over het ei ver-
loopen en sluit zich eenigszins bij de Eristalinae aan. Uit verdere onderzoekingen zal
moeten blijken of de indeeling der Syrphiden, die alleen berust op kenmerken der ima-
gines door de structuur van het chorion gesteund wordt.
De heer Hille Ris Lambers wijst nog op de zeer afwijkende eischaal van Lasiopticus.
Mijten van Vleermuizen (V.)
(Chiropterologische Mededeelingen No. 231))
De Heer G. L. van Eyndhoven vermeldt, in aansluiting op zijn mededeelingen op
vroegere vergaderingen, eenige aanvullende bijzonderheden omtrent Acari op Vleer-
muizen.
Van 2-10 Januari en 22—30 December 1942 zijn twee series excursies gehouden
ten behoeve van het Nederlandsche Vleermuizen-onderzoek, waarbij vrijwel alle
grotten van Zuid-Limburg tweemaal grondig zijn onderzocht, evenals zulks reeds in
voorafgaande jaren was geschied. Bij de meeste excursies heeft Spr. tegenwoordig
kunnen zijn, waardoor hij gelegenheid had een groot aantal vleermuizen op Acari te
inspecteeren. Zoowel in Januari als in December werden omstreeks 1500 dieren onder-
zocht.
De Teken, Ixodes (Eschatocephalus) vespertilionis C. L. Koch IX.1841 worden
nog steeds zeldzaam aangetroffen. In Januari werd één teek waargenomen op Rhino-
lophus ferrum equinum ferrum equinum (Schreb. 1774) (48 dieren onderzocht), één
teek op Myotis mystacinus (Leisl. in Kuhl 1819) (205 dieren onderzocht) en één teek
op Myotis dasycneme (Boie 1825) (209 dieren onderzocht). In December werden
slechts 2 teken gevonden, beide op Myotis emarginatus (Geoffr. 1806) in de Ge-
ee te Valkenburg (L.), op 63 onderzochte dieren in deze grot en ruim 300
in totaal.
Van Rhinolophus f.e. ferrum equinum werden in Januari 48 en in December 67 exem-
plaren op het voorkomen van Spinfurnix oudemansi v. Eyndh. V. 1941 nagezien.
Merkwaardig is, dat deze mijt, die op de vlieghuid leeft, 'swinters vrijwel niet te
vinden is. In Januari vond Spr. in het geheel slechts 5 exemplaren, in December zelfs
geen enkel. Bij de eerste vangst, in September 1938, leverde het inspecteeren van 2
vleermuizen reeds verschillende exemplaren op, terwijl P. J. Bels op 3 Augustus 1939
in de kraamkamer van Rhinolophus vele exemplaren van deze mijt op de vleermuizen
aantrof. Mögelijk heeft het seizoen hier dus een zekeren invloed.
Dr. K. W. Neumann te Rostock schonk Spr. een exemplaar van Spinfurnix
punctatus (Sund. 1833) [= barbastelli (Kolenati 1856)], door hem gevonden op Bar-
bastella barbastella (Schreb. 1774). Deze vleermuis is in Nederland zeer zeldzaam,
in het geheel zijn slechts 31 exemplaren waargenomen, daarvan in Januari 1942 2 en in
December 1942 geen enkel. Ofschoon Spr. bij verscheidene vangsten tegenwoordig is
geweest, is het hem nog nooit gelukt deze mijt te vinden. Het merkwaardige daarbij
is, dat Kolenati zoowel in 18572): als in 18593) vermeldt, dat deze mijt vrij alge-
meen is.
Van de besproken soorten laat Spr. afbeeldingen rondgaan.
Niets meer aan de orde zijnde, wordt de vergadering door den Voorzitter onder dank-
zegging aan de sprekers, gesloten.
1) Een volledige lijst der Nos. 1—22 vindt men in: L. Bels, De vleermuis-fauna der
oe oe mergelgrotten. Natuurh. Maandbl. XXXI, No. 3, 27.III.1942,
p —
2) F. A. Kolenati, Die Parasiten der Chiropteren. 32. Vers. naturf. Aerzte, Dres-
den, 1857, p. 27.
3) F. A. Kolenati, Beiträge zur Kenntniss der Arachniden. Sitz.-Ber. math.-natw.
Cl. k, Akad. Wiss. XXXV, 1859, p. 11 (163).
f VERSLAG
| EN WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN
q VAN DE
- ACHT-EN-NEGENTIGSTE ZOMERVERGADERING
‘ DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
GEHOUDEN IN HOTEL ,, TERMINUS” TE UTRECHT,
OP ZATERDAG 3 JULI 1943, DES MORGENS TE 11 UUR.
Voorzitter: De President, Dr..D. Mac Gillavry.
Aanwezig de gewone Leden: H. A. Bakker, Dr. G. Barendrecht, Ir. G. A. Graaf
Bentinck, K. J. W. Bernet Kempers, Dr. A. F. H. Besemer, Dr. H.-C. Blôte, P. J.
Brakman, Mr. C. M. C. Brouerius van Nidek, J. B. Corporaal, Dr. K. W. Dammerman,
Prof. Dr. W. M. Docters van Leeuwen, P. H. van Doesburg Sr., P. H. van Does-
burg Jr., G. L. van Eyndhoven, F. C. J. Fischer, H. Franzen, W. H. Gravestein, de
- Ned. Heidemij., vertegenwoordigd door den heer S. de Koning, D. Hille Ris Lambers,
_ F. K. ten Hove, Dr. C. de Jong, J. W. Kenniphaas, B. H. Klynstra, Dr, G. Kruseman
Jr, F. J. Kuiper, J. Lindemans, H. van der Meulen, R. H. Mulder, Dr. S. J. van
Ooststroom, Dr. A. Reclaire, N. S. Ritsma, M. Stakman, Aug. Stärcke, Dr. D. L. Uyt-
tenboogaart, P. M. F. Verhoeff, J. J. de Vos tot Nederveen Cappel, Dr. A. D. Voûte,
Dr. P. Wagenaar Hummelinck, J. Walhout, P. van der Wiel, Dr. J. Wilcke, Ir. T. H.
van Wisselingh.
Afwezig met kennisgeving : het Eerelid Prof. Dr. J. C. H. de Meijere en de gewone
. Leden: Prof. Dr. L. F, de Beaufort, W. C. Boelens, Prof. Dr. H. Boschma, W. F.
Breurken, Mej. A. M. Buitendijk, H. Landsman, Mej. M. E. Mac Gillavry, E. J.
. Nieuwenhuis, D. Piet, L. Vari.
De Voorzitter opent de vergadering met de volgende rede :
Mijne Heeren. Ik heet u welkom in de grijze domstad, de stad waar voor 70 jaar
de rupsen van de Koninginnepage en de meikevers mijn eerste entomologische be-
langstelling hadden.
Overzien wij de lotgevallen der vereeniging over het afgeloopen jaar, dan blijken
wij niet minder dan twee onzer eereleden door den dood te hebben verloren. Dit zijn
Dr. A. C. Oudemans en Prof. A ug. L. G. Lameere.
A. C. Oudemans is den meesten uwer nog persoonlijk bekend. Meer dan zestig
jaar maakte hij deel uit van onze vereeniging. In 1932 werd hij het eerelidmaat-
schap deelachtig. Daar reeds in de Ent. Ber. een kort woord aan hem gewijd werd
en een meer uitgebreide biographie, benevens een beschrijvende bibliographie in het
Tijdschrift verschijnen zal, moge ik hier volstaan met de vermelding, dat hij zijn
acarologische bibliotheek, waarin vervat een volledige serie van zijn eigen publicaties,
aan onze vereeniging vermaakte,
Lameere, de uitstekende Belgische entomoloog, was sinds 1937 eerelid. Zijn werk
bestreek voornamelijk de boktorren en wel vooral de Prionidae. Verder had de ont-
wikkeling der insecten en het tot stand komen hunner metamorphoses in den loop der
| tijden zijn speciale belangstelling. Gracieus bood de familie eenige werken aan van
_ de hand van den overledene, zoo deze in onze bibliotheek mochten ontbreken.
- De rij onger eereleden is wel gedund. ©
… Van de gewone leden verloren. wij den heer J. C. Ceton. Oorspronkelijk coleo-
| pteroloog en lepidopteroloog, bleef zijn belangstelling later tot de vlinders beperkt.
‚Op dit gebied werkte hij faunistisch, over Nederland en ook over sommige streken
| van Zwitserland. De meeste zijner waarnemingen vindt men in opstellen in de Levende
- Natuur, gewoonlijk geillustreerd door voortreffelijke foto's. Zijn collectie berust bij
de Plantenziektenkundigen dienst, nadat eerst de heer A. J. Lanz en daarna het
_entomologisch Laboratorium te Wageningen er eenige desiderata uit verkregen.
XLVI VERSLAG.
Het strekt tot verheuging, dat geen onzer leden voor het lidmaatschap bedankte,
terwijl 18 nieuwe leden onze gelederen kwamen versterken. Hun namen zijn:
S. L. Andersen, Amsterdam. 6
J. Bolland, Driehuis-Velsen.
H. Franzen, ‘s-Gravenhage.
G. Helmers, Amsterdam.
EF. K. ten Hove, Zuilen.
C. A. W. Jeekel, Heemstede.
F. J. Kuiper, Bilthoven.
N. Loggen, Hilversum.
H. van der Meulen, Geleen.
„Natura Docet’, Denekamp.
M. de Nijs, Tienhoven.
Prof. dr. W. K. J. Roepke, Wageningen.
A. van Roon, Ambij.
N. S. Ritsma, Amsterdam.
C. van der Stelt, Rotterdam.
C. J. F. Stuldreher, Oldenzeal.
J. Walhout, Eindhoven.
H. Wories, Bussum.
Wij heeten hen van harte welkom in ons midden.
Een zeer moeilijk punt in het afgeloopen jaar vormden onze publicaties. Het
Tijdschrift is slechts in zeer beperkten vorm verschenen. Voor de Verslagen en de
Wetenschappelijke mededeelingen op de verschillende vergaderingen gehouden, hebben
wij, in verband met de gedwongen beperking en vooral wegens de schaarschte aan
goed papier een kleiner lettertype en een grooter drukspiegel genomen.
Toen het, na eindeloos schijnende démarches, ten slotte gelukte de Entemologische
Berichten weder op gang te brengen en wel op goed papier, stonden wij voor de keus
de geringe voorraad goed papier, die ons nog restte, of voor de Ent. Ber. of voor het
Tijdschrift te gebruiken; voor beide uitgaven was er niet genoeg. Uitgaande van het
standpunt, dat het voor de leden van het grootste belang is het contact met de ver-
eeniging en het onderling verband niet te verliezen, zijn wij tot een compromis over-
gegaan, nl. om Verslagen en Entomologische Berichten voor te laten gaan ‘aan het
Tijdschrift zelf. Wel is waar vormt ook het Tijdschrift een niet te verwaarloozen
band, vooral in het internationaal entomologisch verkeer, maar daar het helaas nog
veel te weinig inteekenaren onder de leden zelf telt en het internationaal verkeer
voorloopig toch zoo besnoeid is, moest het verschijnen der andere publicaties voor-
loopig als voor ons van meer gewicht beschouwd worden. Er zijn stappen gaande om
te trachten de publicatie der voor het Tijdschrift bestemde manuscripten niet al te lang
vertraging te laten ondervinden. Reeds wordt met het drukken een aanvang gemaakt.
De opmerkzame lezers zullen hebben gezien, dat het ons gelukt is, in het 15 Maart
‘43 verschenen driedubbele nummer, meer stof onder te brengen, dan anders in een
geheel jaar verwerkt werd, waardoor de achterstand van 1942 kon worden ingehaald.
De redacteur der Berichten was verblijd de dikke portefeuille met manuscripten te
zien slinken. Hij hoopt echter spoedig een volgend nummer ter perse te leggen. De
vele toegezonden artikels getuigen van een zoo opgewekt entomologisch leven, dat
hij hoopt, dat de stroom van manuscripten niet zal ophouden. Misschien kunnen eenige
langere artikels in het Tijdschrift geplaatst worden, om zoodoende ruimte voor meer-
dere kleinere bijdragen te verkrijgen. Een ander punt is, dat het drukken van al deze
saamgedrongen wetenschap groote offers van onze financiën eischt. Wij zullen zoo
dadelijk cijfers over het afgeloopen jaar en de begrooting voor het volgende onder
de oogen moeten zien. Voor de vele bijdragen in de Verslagen vermeld, geldt het
zelfde, toch kunnen wij niet anders dan dankbaar zijn, voor het vele belangwekkende
dat wij op onze vergaderingen te hooren krijgen.
Voor ik afstap van het punt der publicaties, wil ik niet nalaten hulde te brengen
aan die bestuurs- en redactieleden, die zich speciaal uitgesloofd hebben om het be-
reikte mogelijk te maken. Op details wil ik hier niet ingaan, zij die het aangaat weten
wat ik bedoel; namens de Vereeniging breng ik hen hier onzen hartelijken dank.
Onze Vergaderingen konden alle gehouden worden en het drukken der
Verslagen bijgehouden; gelukkig ook eindelijk die van de Afdeeling voor toegepaste
Entomologie.
Zooals ik reeds boven vermeld heb, was het aantal mededeelingen, die op de ver-
- gaderingen voorgedragen werden, zeer groot, evenals de opkomst der leden. Zelfs op
de herfstvergadering bleek gelegenheid te bestaan, om na het officieel aangekondigde
_ VERSLAG. XLVII
rogramma, nog een drietal en zeker geen onbelangrijke voordrachten aan te hooren.
Deze gelegenheid deed zich voor, doordat, in plaats van de twee grootere voordrach-
| ten, die gewoonlijk op het programma der herfstvergadering staan, ditmaal slechts een
. punt behandeld werd: het betrof echter de zeer gewichtige kwestie der nomenclatuur,
ingeleid door prof. Roepke.
Als gevolg van deze bespreking, kon de bestaande nomenclatuurcommissie
eenige diergenen, die zich extra voor deze materie bleken te interesseeren,uitnoodigen,
de gedunde gelederen van deze commissie te versterken. Van twee der uitgenoodigden
ontvingen wij bericht van bereidverklaring tot medewerking. De samenstelling van
deze commissie is nu als volgt: Dr. D. Mac Gillavry, voorzitter, Prof. Dr. H.
Boschma.. secretaris, Dr. K. W. Dammerman, D. Hille Ris Lambers,
leden. Wij hopen, dat de Nederlandsche entomologen die verlangens of voorstellen
op nomenclatuurgebied te doen hebben, zich daarmede tot den secretaris der commissie
zullen wenden. Ook al zijn de tegenwoordige tijden niet geschikt om internationaal
contact te vinden, ordening voor wat ons eigen land aangaat, kan er door bevorderd
worden en gegevens voor later verzameld.
Ook dit jaar was de vice-president zoo bereidwillig om voor mij het presidentieele
bezoek te brengen aan de bibliotheek. Aan zijn mededeelingen ontleen ik het
volgende: De toestand der boekerij is goed. In aanmerking genomen, dat de verwar-
ming geschiedt door groote cokeskachels, viel de stofplaag nog mede. Wij overwegen,
om zoodra dit weer mogelijk is, een zgn. boekenstofzuiger aan te schaffen. Mocht een
der leden soms reeds nu een dergelijk meubel ter beschikking kunnen, stellen, dan zou
dat een uitkomst zijn. Uit den aard der zaak wordt er niets meer ingebonden en
zal daarin later belangrijke achterstand moeten, worden ingehaald. De heer Piet
maakt zich zeer verdienstelijk met het herstellen van kapotte banden en van vervallen
uitgerafelde pagina's. Er is echter een achterstand in het bijhouden van het kaart-
register gebleken. Wij hopen dit euvel, zij het tegen finantieele vergoeding, zoo spoedig
mogelijk te corrigeeren en herhaling voor de toekomst te voorkomen. De twee halve
dagen, die mevr. Schuurmans voor ons beschikbaar heeft, zijn niet toereikend,
om alle bibliotheekwerkzaamheden te verrichten ; over haar ijver overigens niets dan
lof. De bibliothecaris zal het zeer op prijs stellen, als zij, die boeken aanvragen, pak-
materiaal ter beschikking willen stellen. Het verzenden van boeken dreigt op het
gebrek hieraan vast te loopen.
Slechts eenige personalia, die mij ter oore kwamen, wil ik vermelden. Ons
lid van verdienste Prof. J. C. H. de Meïjere herdacht in stilte zijn 50-jarig doctor-
schap. À. Stärcke werd in het Ned. Geneeskundig Tijdschrift gehuldigd wegens
het feit, dat hij voor 40 jaar tot arts bevorderd werd. Onze vice-president Dr. D. L.
Uyttenboogaart bereikte den 70-jarigen leeftijd, terwijl dit eveneens het geval
was met ons oud langjarig medelid rector Jos. Cremers, nu in België. Verschei-
dene leden moesten met hun bezittingen de moeilijkheden der evacuatie ondervinden.
Voor enkelen was het zelfs aanleiding afstand te doen van hun collecties ten behoeve
onzer musea. Ook nu weder ondergaan jongere leden de bezwaren der huidige tijds-
omstandigheden. Mogen zij spoedig weer behouden in hun ouden werkkring terug
keeren.
Hiermede ben ik aan het einde van mijn verslag gekomen. Ik heet u allen welkom,
vooral hen, die voor het eerst onze bijeenkomst bijwonen, ik open de 98e Zomer-
vergadering.
Vervolgens krijgt de heer Bentinck het woord tot het uitbrengen van het
VERSLAG VAN DEN PENNINGMEESTER OVER HET BOEKJAAR 1942,
Mijne Heeren,
Hierbij laat ik de Balans en de Verlies- en Winstrekening rondgaan met een korte
toelichting.
BALANS, Debetzijde :
De Inschrijving Grootboek Nationale Schuld en Effecten in vollen eigendom zijn
berekend naar de Beurswaarde van ultimo Dec. 1942. Voor die in blooten eigendom
heb ik wederom de waarde aangenomen van 29.12.1939.
P
| BALANS, Creditzijde :
Reserve voor Koersverlies op Effecten in vollen eigendom: De totale koersstijging
dezer effecten, bedroeg f 385,81. Daar er op de vorige balans nog een Reserve stond
van f 527,61, werd dit bedrag vermeerderd tot f 913,42.
XLVII i VERSLAG.
Fonds Leden voor het Leven: Dit fonds steeg van az tot f 3850,—, doordat
een nieuw lid zich voor het leven inschreef.
Crediteuren : Het op deze rekening vermelde bedrag was nog te betalen voor een
deel der drukkosten T. v. E. 1942, voorts voor Omzetbelasting, Porti Secretaris, enz.
Afd. Toegepaste Ent.: Deze Afd. ontving f 103,— voor ontvangen contributies en
bezit thans f 87,50, na aftrek Porti Secretaris en Penningmeester.
Kapitaal : Deze rekening daalde met f 208.66 door afboeking van het aadeelig saldo
over 1941,
Balans Boekjaar 1942.
Activa :
Postrekening No: 188130; suey. ies Guk ta LA ERESSE
Inschrijving Grootboek N.S. in vollen eigendom . . . . . . . . … 9396,75
Inschrijving Grootboek N.S. in blooten ur ae : 3 » 8540,—
Effecten in blooten eigendom 7 de, „ 10687,62
Leden Debiteuren : 5 +. 124,08
Effecten in vollen eigendom È 1 È 813875
Bibliothecaris ; 10,38
Amsterdamsche Bank > AA,
Debiteuren niet-leden! 382,79
f 40389,42
Passiva : à
Fonds Hacke-Oudemans 200,—
» Vv. Eyndhoven 1121,26
„ MacGillavry . 43,62
»Hartogh Heys v. d Lier 9396,75
Reserve voor Koersverlies . 913,42
Legaat Dr. Reuvens … . » 8540,—
Nalatenschap Dr. H. Ji Veth. , 10687,62
Fonds Leden voor het Leven . » 3850,—
Kapitaal . . 2092785
ID reve era ay Oudemans So 276,63
Crediteuren . . 852,11
Vereen. tot Financ. der 100-jarige Jub. d. NEV. 3 1,50
Ned Ind. Ent Verre À an 02
Afd. Toegepaste Ent. 87,50
Leden Crediteuren 170,—
Batig Saldo 1942 . 1183,14
f 40389,42
Verliesen Winst Boekjaar 1942.
Verlies :
Onkosten . : 1: 33150
Tijdschrift voor Entomologie 537,05
Entomologische Berichten . 184,65
Batig Saldo 1942 1183,14
f 2256,34
Winst :
Bibliotheek i 19,76
Boekenfonds 462,75
Contributies . 1424,—
Rente 349.83
f 2256,34
VERLIES- EN WINSTREKENING, Debetzijde :
Tijdschrift voor Entomologie: De totale drukkosten voor deel 85 bedroegen
f 1265,07. Hiervan kon in mindering gebracht worden: het Rijkssubsidie (in 1943 pas
ontvangen), de abonnementsgelden en het bedrag voor verkochte exx. Het nadeelig
PT Eon ded
+
VERSLAG. XLIX
saldo werd door dit beknopt deel, ondanks de hoogere drukkosten, f 537,05, of bijna
f418— lager dan in 1941.
Entomologische Berichten: Doordat deze ook veel beknopter waren, bedroegen de
drukkosten slechts f 227,71, en was het nadeelig saldo evenredig lager n.l. f 184,65
of c.a. f 217,— lager dan in 1941.
Onkosten: Dit zijn alle onkosten, zooals: porti, drukwerk, contributies aan andere
vereenigingen, reiskosten, omzetbelasting, enz.
Batig Saldo: Eindelijk mogen wij weer eens een batig saldo zien, en wel van
f 1183,14, aanmerkelijk grooter dan ik het vorige jaar voorspeld had.
VERLIES- EN WINSTREKENING, Creditzijde :
Bibliotheek en Boekenfonds : Deze staan thans gescheiden. Dit was Hoodia voor de
omzetbelasting, alleen toepasselijk op het Boekenfonds. Hoewel de post Boekenfonds,
die vanzelfsprekend steeds met een voordeelig saldo sluit, van Bibliotheek gescheiden
is, sluit deze laatste toch nog met een klein voordeelig saldo. Voor aankoop van
boeken en vervolgwerken werd f 1416,03 besteed, van welk bedrag weer f 1400,—
in mindering gebracht kon worden aan den verkoop van oude boekwerken. Het salaris
van de assistente bedroeg {192,—. De onderhoudskosten, porti, enz. bedroegen
f 151,94; deze werden ruim gedekt door de daarvoor bestemde rente uit het Fonds
Hartogh-Heys f 302,74, en Porti aan leden, enz. met f 76,99.
Voor 1943 geef ik de volgende globale begrooting :
INKOMSTEN :
Tartes PONTS el EN NR OM ee ear Media Pose
eerie. VI EEE 0 Al SRE ARE D NEN, AO red 9 0
BAS ee ain Gl Seam Da UT e rach MIE Ao AZ LAT RO AI STOVE i ee
UITGAVEN :
@akosten > /380,— + Verzekering f320— . „1.2... 2 ef 700
Tijdschr. van Ent. (f 925,— — R.S. f 225,—) SL ENLACE NE AU EPA ET OO
Entomol. Berichten TÀ AO a e 0 ME APE e OOO
Elicona te a A AI LI ON I SERI Re Aiace e NT ero LOS OO
. f 2300,—
Financieel Verslag der Dr. J. Th Oudemans-Stichting.
Het bedrag der inschrijving Grootboek N.S. 213% bleef onveranderd f 6000,—
nominaal. Voor de helft der gekweekte rente in 1942, f 74,20 werd deze stichting in
de boeken der N.E.V. gecrediteerd, zoodat op 31 Dec. 1942 een rentesaldo van
f 276,63 aanwezig was.
Vereeniging tot het financieren der viering van
het 100-jarig bestaan der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging.
Het bezit dezer Vereeniging bedroeg volgens het vorige verslag f 403,01 met inbe-
grip van een storting van f5,— bestemd voor 1942. In 1942 mocht ik 19 bijdragen
ontvangen, in totaal f 46,50, waarvan f 45 — reeds gestort is op de Amsterdamsche
Goederen Bank. De gekweekte rente bedroeg in het afgeloopen jaar f 14,03, zoodat
op 31 Dec. het bezit bedroeg f 463,54.
De heer Klynstra deelt namens de Commissie tot nazien der rekening en verant-
woording van den Penningmeester mede, dat zij verklaart boeken en bescheiden te
hebben gecontroleerd en alles volkomen in orde te hebben bevonden. Aan den wensch
der toenmalige Commissie, op de zomervergadering 1940 bij monde van den heer
Bernet Kempers geuit, om het systeem der boekhouding bij verandering van
penningmeester te bestendigen, heeft de tegenwoordige functionaris geheel voldaan.
Hoewel dit voor hem eerst een grondige studie der boekhoudkunde beteekende.
De Commissie verzoekt het beheer van den Penningmeester goed te keuren en hem
dank te zeggen voor de nauwgezette en kundige wijze waarop deze de boekhouding
_ heeft gevoerd en voor de vele moeite welke hij zich voor dit doel heeft getroost.
ne
L VERSLAG.
De Penningmeester wordt hierna onder dankzegging voor zijn zorgvuldig beheer
gedechargeerd.
De Voorzitter wijst voor het nieuwe boekjaar als leden der Commissie tot nazien
der rekening en verantwoording van den Penningmeester aan de heeren Fischer
en Van Eyndhoven, die beiden hun benoeming aanvaarden.
De Voorzitter geeft hierna het woord aan den heer J. B. Corporaal tot het uitbren-
gen van het
Verslag van den Bibliothecaris over het jaar 1942/43,
Ook in dit jaar vallen over onze bibliotheek geene emotioneele gebeurtenissen te
vermelden.
Slechts enkele aankoopen werden gedaan, meest ter aanvulling van onvoliedige
serieën.
Eene hoogst belangrijke aanwinst was het legaat van ons overleden eerelid Dr. A.
C. Oudemans, bestaande uit niet minder dan 9848 werkjes en werken over Acaro-
logie, waarbij eene volledige collectie van zijne eigene geschriften, niet minder dan
584 stuks. Van deze laatste zijn 322 stuks, die betrekking hebben op de acarologie,
opgenomen in de reeds genoemde 9848 werkjes; met de resteerende 262 stuks is
onze bibliotheek dus met ruim 10.000 titels verrijkt. Hierbij nog zijne ontzagwekkende
kartotheek met circa 65,000 kaarten en 16 doozen met afbeeldingen van Acari. Dit
alles is voorloopig in bruikleen gegeven aan ons medelid den heer G. L. van Eynd-
hoven, die het dagelijks noodig heeft voor het afwerken van deel IV van het
Kritisch Historisch Overzicht der Acarologie, waarmede hij zich overeenkomstig den
wensch van den erflater belast heeft. Tevens zal de heer Van Eyndhoven zorg
dragen voor het catalogiseeren der boeken, separaten en afschriften, en ze van het
stempel der N.E.V. voorzien. Hiermede neemt hij mij zeer veel werk uit handen,
dat anders, door de weinige hulpkrachten waarover ik beschikken kan, eerst over
geruimen tijd gereed zou kunnen komen.
Dit tekort aan hulpkrachten was ook reeds aanleiding geweest, dat eenige achter-
stand was ontstaan in het bijhouden van den kaartcatalogus van onze bibliotheek.
Gelukkig echter is mij thans door het Bestuur toegestaan, hierin te voorzien door het
aanstellen van eene tijdelijke hulpkracht. Hiervoor vond ik ons medelid den heer
D. Piet bereid; wij mogen hopen, dat binnen enkele maanden ook dit nuttige hulp-
middel a dato zal zijn.
Geheel los hiervan, heeft de heer Piet in zijn vrijen tijd nog ander hoogst nuttig
werk voor onze bibliotheek verricht, en wel het herstellen, zoowel van den inhoud
als van banden, van een groot aantal werken, die ernstige slijtage- en ouderdoms-
verschijnselen gingen vertoonen. Voor de keurige wijze, waarop de heer Piet dit
werk geheel belangeloos heeft verricht, zijn wij hem grooten dank verschuldigd.
Ook in dit verslagjaar is geen bindwerk verricht kunnen worden; dat zal wel
moeten wachten op betere tijden. Het goede materiaal voor dit werk is thans
moeilijk te verkrijgen. Eene uitzondering hierop is een van onze twee exemplaren
van den thans volledigen Coleopterorum Catalogus (Junk-Schenkling), dat
in doorloopend bruikleen ter beschikking van het Zoölogisch Museum te Amsterdam
is gesteld, Van de 31 deelen, waaruit deze Catalogus bestaat, zijn voor de meeste door
den uitgever halfleeren banden verkrijgbaar gesteld, en op kosten van de Gemeente
Amsterdam zijn die thans om de boeken aangebracht. Van 8 deelen waren de banden
nog niet verkrijgbaar; ook dit wacht op betere tijden. Voor die 8 deelen, die even
veel in gebruik zijn als de overige, heb ik nette portefeuilles laten maken, zoodat zij
van het gebruik niet meer te lijden hebben dan onvermijdelijk is.
Het aantal personen en instellingen, die van 1 Juni 1942 tot 1 Juni 1943 boeken ter
leen ontvingen, bedroeg 50: 509 boeken werden uitgeleend op 376 bons. Op 1 Juni
was de stand der uitgeleende werken totaal 584 op 445 bons. Het aantal bezoekers
bedroeg circa 70, ongerekend het personeel van het Amsterdamsch Zoölogisch Museum.
Geschenken mocht onze bibliotheek ontvangen van de volgende personen en instel-
lingen: D. Bakker, L. Bels, P.J. Bels, P. Benno, Dr. A. T.H. Besemer, A. J. Besseling,
P. J. Brakman, Dr. A. de Buck, J.B. Corporaal, Dr. K. W. Dammerman, Deutsches En-
tomologisches Institut (Berlin-Dahlem), Prof. Dr. W. M. Docters van Leeuwen, P. H.
van Doesburg, A. M. J. Evers, F. C. J. Fischer, H. Goecke, W. H. Gravestein,
E. Heinze, Prof. Dr. K. M. Heller, Jhr. Dr. Ir. F. C. van Heurn, Instituut voor toe-
gepast Biologisch onderzoek in de Natuur, Dr. C. de Jong, R. Kleine, Koninklijke
Vereeniging „Koloniaal Instituut’, A. J. Lanz, B. J. Lempke, Dr. D. Mac Gillavry,
Dr. À. C. Oudemans, Dr. M. Pinkhof, Plantenziektenkundige Dienst, Prof. Dr. W.
VERSLAG. LI
Roepke, A. Stärcke, Dr. D. L. Uyttenboogaart, Vakblad voor Biologen, L. Vári,
Dr. A. D. Voûte, V. Westhof, P. van der Wiel, Dr. J. Wilcke, Zeeuwsch Genoot-
- schap der Wetenschappen, F. Zumpt.
De Voorzitter dankt den heer Corporaal voor zijn verslag en voor de goede zorgen
* aan de Bibliotheek besteed.
. De Voorzitter stelt voor de vaststelling van de plaats der volgende Zomervergade-
: ring aan het Bestuur over te laten, hetgeen door de vergadering wordt goedgekeurd.
Bij de hierna aan de orde zijnde verkiezing van een lid in de Commissie voor de
- Redactie voor de publicaties krijgt de periodiek aftredende heer J. J. de Vos tot
Nederveen Cappel 33 stemmen tegen 5 stemmen voor Dr. A. Reclaire,
zoodat eerstgenoemde herkozen is.
Vervolgens doet de Voorzitter mededeeling van het plan om in 1945 een jubileum-
nummer van het Tijdschrift voor Entomologie uit te geven, opdat de leden hierop met
eventueele bijdragen reeds rekening kunnen houden.
De heer Van der Wiel zegt het te betreuren, dat, wanneer een lid van het Bestuur
onzer Vereeniging, veelal na vele jaren lang daarin eene functie te hebben bekleed,
meent zich niet meer herkiesbaar te moeten stellen, onze Vereeniging en ons Bestuur
voortaan verstoken zijn van geregeld contact met hem, terwijl wij toch van zijne groote
ervaring en routine nog zeer veel zouden kunnen profiteeren, ook zonder van zijne
werkzaamheid te groote offers te vragen. Gesprekken met eenige Bestuursleden hebben
Spr. in deze meening gesterkt. Hij meent daarom te mogen aanbevelen, onze Wet als
volgt aan te vullen:
a) Aan Art. 10 toe te voegen eene alinea:
„Leden van Verdienste, die te voren eene bestuursfunctie hebben bekleed, ver-
„werven door hunne benoeming tevens het Honorair lidmaatschap van het Bestuur.’
b) Aan Art, 13, eerste alinea, toe te voegen:
„/. de honoraire leden van het Bestuur.”
en eene nieuwe alinea:
„Aan honoraire leden worden alle meer belangrijke rondzendbrieven van het
„Bestuur toegezonden. Zij kunnen ‚als zij dat wenschen, aan alle Bestuursverga-
„deringen deelnemen, en hebben daarin eene adviseerende stem.”
De Voorzitter zegt dat dit voorstel thans niet in behandeling zal worden genomen,
doch dat het Bestuur zorg zal dragen het op de agenda te plaatsen eener Buitengewone
Vergadering, die aan de eerstkomende Herfst- of Wintervergadering kan voorafgaan.
Hierna zijn aan de orde
WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN..
Bestuiving bij Arum en Aristolochia door kleine Dipteren.
Op verzoek van den heer J. C. H. de Meijere deelt de heer Corporaal het
volgende mede:
Sinds geruimen tijd is het bekend, dat bij Aronskelken en ook bij Aristolochia's de
bestuiving pleegt te geschieden door kleine Dipteren, die in deze bloemen binnen drin-
_ gen, maar door benedenwaarts gerichte haren belet worden er weer uit te gaan. Door
een opstel van den heer A. J. de Boer te Deventer, in het maandblad „Weer en
Wind" 1942 p. 99, waarin ook van een paar duizend vliegjes sprake was, weder op
_ deze zaak opmerkzaam gemaakt, heb ik den schrijver gevraagd, of hij mij eenig mate-
| riaal hiervan kon verschaffen. Met de grootste bereidwilligheid zond hij mij in Juni 1942
| een aantal bloeiende twijgen van Aristolochia clematitis, uit welke plant mij toevallig in-
| tusschen ook Prof. Stom ps een paar mugjes toezond, en 28 April 1943 een bloeikolf
1 van Arum maculatum, volgens den heer De Boer de eenige, die hij toen nog vinden
_ kon. Mijn bevinding was, dat hierin onderaan een zwarte massa dicht opeengedrongen
doode mugjes aanwezig was, wel alles Psychoda phalaenoides L., en, naar schijnt.
allen wijfjes. De mugjes waren erg beschadigd, de sprieten afgebroken, maar ik vond
_ daartusschen nog eenige malen het afgebroken sprietuiteinde, dat volgens Tonnoir
als soortkenmerk karakteristiek is: de twee laatste leden. even groot, en half zoo groot
. als het voorafgaande. Tusschen de mugjes waren ook een aantal eieren, witachtig, van
ovale gedaante, iets meer dan 0,3 mm lang en 0,1 mm breed. Een buis van 16 mm
inwendige middenlijn was tot 14 mm hoogte met deze massa gevuld; het waren er
zeker meer dan duizend; bij ruwe telling kwam ik op ca. 1200.
LII VERSLAG.
Geheel anders was mijn vondst bij Aristolochia clematitis. Hier was de buit gering,
maar bestond uit verschillende soorten. Er werden gevonden:
Scatopsidae :
Scatopse brevicornis Mg. 4 exx.
Heleidae :
Forcipomyia sp., 1 4, wellicht bipunctata L..
Dasyhelea sericata Winn, van Prof. Stomps ontvangen, 2 9 9
Monohelea leucopeza Mg. 4 exx.
Tendipedidae:
Limnophyes spec.
Wat vroegere vondsten aangaat trof Müller bij Arum maculatum alleen Psychoda
in eenige honderden exx. aan en voegt erbij: volgens Winnertz alles phalaenoides,
maar het aantal Psychoda’s is sedert belangrijk vermeerderd en over de sexe spreekt
hij niet, zoodat mijn onderzoek niet overbodig was. Delpino vermeldt echter Cera-
topogon, Chironomus, Sciara, Psychoda, Limosina, Drosophila, dus een geheel ander
resultaat, waarvan de oorzaken wel in weersomstandigheden zullen liggen.
Voor Aristolochia clematitis geeft Müller op: Cerafopogon sp. Chironomus sp.
Scatopse soluta Lw. alles door Winnertz gedetermineerd; dit klopt ook ongeveer
met mijne bevinding.
Voor Aristolochia sipho met zijn veel grootere bloemen vond hij Sapromyza apicalis
zeer talrijk, Myodina vibrans spaarzamer, en een heel kleine mug in groot aantal, die
hij niet bestemmen kon, wat wel jammer is.
In Abhandl. zool. bot. Gesellsch. Wien XII, 1921—26, vermeldt Knoll in het 4de
deel van zijn verhandeling „Insekten und Blumen”, p. 380— 480, zijn bevindingen bij
Arum nigrum in den Midden-Balkan ; zijne lijsten bestaan, wat Dipteren betreft, voor-
namelijk uit een aantal Sphaeroceriden, echter niet in grooten getale ; overigens worden
slechts genoemd: Chironomus sp. 1 ex. Nemopoda cylindrica 1 ex., Phytomyza sp.
enkele exx. ; wel deelt hij mede, dat Arum conophalloides in den Botanischen tuin te
Weenen alleen bloedzuigende Heleiden en Melusiniden aanlokte : in één scheede vond
hij op den avond van 31 Mei 1922 427 Culicoides aricola Kieff. Psychodiden worden
door hem in t geheel niet genoemd, maar vondsten van vroegere auteurs vermeldt
hij niet. Elke opgave heeft hier dus nog waarde.
3e Mededeeling over Nederlandsche Psocoptera.
De heer G. Kruseman doet de volgende mededeeling over Nederlandsche Psocoptera.
Sinds de vorige wintervergadering vond Spr. een aantal soorten uit de orde der
Psocoptera nieuw voor de Nederlandsche fauna. Ten deele zijn dit soorten, die bi
revisie in de collectie reeds aanwezig bleken ; ten andere deele zijn het nieuwe vangsten.
Spr. zag nog geen ander materiaal dan te Amsterdam aanwezig; hij wil zich eerst
in al de genera goed inwerken alvorens collecties te raadplegen.
1. Amphigerontia contaminata (Steph.) blijkt evenals elders in Europa de gewone
soort te zijn; terwijl Amph. bifasciata Latr. veel zeldzamer is. Amph. contaminata
(Steph.) is van de volgende vindplaatsen in het Zoölogisch Museum vertegenwoor-
digd: Deurne (N.B.) Mac Gillavry; Oud Valkenveen J. K.; Amsterdamsche
Waterleiding Duinen Barendrecht; Naardermeer (Naardermeer Collectie) ;
Oisterwijk de Meijere; Empe v. d Wulp; Hilversum de Meijere; Santpoort
de Meijere; terwijl van Amph. bifasciata Latr. alleen over bleven twee exemplaren
resp. van Baarn en Oisterwijk beiden leg. de Meijere.
2. Loensia picicornis (Steph.) Voorzoover uit de oorspronkelijke beschrijving en uit
de door Pearman medegedeelde kenmerken kan worden opgemaakt behooren twee
exemplaren in onze collectie (Aerdenhout Mac Gillavry en Nederland de
Meijere) tot deze soort.
3. Peripsocus parvulus Klb. Destijds deelde Dr. Mac Gillavry (T. v. E. LX
blz. 92) Peripsocus phaeopterus mede voor Terschelling ; mijns inziens is het echter een
exemplaar van P. parvulus Klb. i
4 + 5. Onder Mesopsocus unipunctatus (Müll.) bleken niet minder dan drie soorten
te schuilen n.l.: M. unipunctatus (Müll.), M. laficeps Klb. en M. immunis (Steph.).
M. unipunctatus (Mill) is aanwezig van: Nunspeet Mac Gillavry en
Leeuwarden H. Albarda; M. immunis (Steph.) van: Overveen Bentinck,
Aerdenhout Mac Gillavry, Amsterdam De Meijere, Vari, Gravestein
en Kruseman, Bergen (N.H.) Vari; Vlissingen Mac Gillavry, Vollenhoven
de Meijere, Venlo v. d. Brandt en Laren (NH.) Mac Gillavry.
6. Pseudopsocus fuscipes Reut. Baarn op lindenstam 13.VI.1943 Kruseman 1 FOR
. VERSLAG. - LIN
| 7. Psyllipsocus ramburi Sélys. Amsterdam in allerlei kelders Kruseman en Piet,
Hengelo (O.) Kruseman (het dier is verongelukt). Deze soort komt kort- en
langvleugelig voor volgens Pearman verschijnen de langvleugelige exemplaren einde
Juli tot midden October (Ent. Month. Mag. 71 blz. 84—85 1935); Spr.s exemplaar
| is 11 Juni van dit jaar gevangen. (Zie ook Badonnel, Bull. Soc Ent. France Vol
D XLIII biz. 153 ev.).
8. Lepinotus patruelis Pearman. Haarlem in huis Loosjes, Amsterdam in huis
Corporaal, Th. Dresscher, Kruseman; Nunspeet Sept. 1931 uit hout
“ van Prunus. Bij deze laatste vindplaats hoort een toelichting; het etiquet is van de
hand van wijlen den heer Broerse, deze heeft destijds uit Prunushout afkomstig van
Dr. Mac Gillavry uit Nunspeet kevers gekweekt en er ook een tiental Lepinotus
pafruelis Paerman in verzameld. Hiermede is natuurlijk niet gezegd, dat deze dieren er
reeds in Nunspeet in zaten; zij kunnen evengoed te Amsterdam de kweek binnen ge-
drongen zijn; mogelijk kan Dr. Mac Gillavry hierover nadere inlichtingen ver-
schaffen.
Het aantal inlandsche soorten bedraagt nu 44.
stevens Abbasiden Wal. EAD SO soorten
Benten enc lb OV LC EVI eno losoort
Giorno maar vn LT Colo Isoort
Kruseman, hiv. E. DS Soi vo Nsoorter
id. heden ran AND eat ONSOOTten
totaal) hn 4onsoorten
Vervalt St. Lachlani Klb., welke meestal als varieteit van St. impunctatus (Steph)
wordt opgevat blijft 44 soorten.
Crepidodera-soorten.
De heer Uyttenboogaart deelt het volgende mede:
In de laatste wintervergadering liet Dr. Dammerman een aantal ex. rondgaan
van Crepidodera (Col. Halt.), gevangen bij den pas drooggemalen N.O. polder nil.
op Urk en Schokland, die volgens Dr. C. de Jong gedeeltelijk tot ferruginea Scop.,
gedeeltelijk tot den vorm sublaevis van interpunctata Motsch. behoorden. Zijn determina-
tie berustte op een vergelijking met het materiaal dezer soorten uit de collectie Everts
in het museum te Leiden. Dr. Dammerman was daardoor tevens tot de gevolg-
trekking gekomen, dat het op zijn minst zeer twijfelachtig was of hier van twee soorten
gesproken kan worden. Op mijn verzoek mocht ik het geheele materiaal van Dr. D a m-
merman medenemen ter nadere bestudeering. Deze studie, uitgevoerd met behulp
van mijn speciaal microscoop, leidde mij tot de conclusie dat alle door Dr. D. verza-
melde ex. zonder eenige uitzondering behoorden tot ferruginea Scop. Deze uitspraak
gaf Dr. C. de Jong aanleiding om mij het geheele materiaal toe te zenden, dat in de
collectie Everts onder sublaevis Motsch. stond en na bestudeering daarvan kwam
ik tot de gevolgtrekking dat van de 25 ex. slechts 3 werkelijk tot sublaevis behooren
en wel 1 ex. uit Heerde VIII zonder jaartal (Mac Gilavry!) en 2 ex. uit Druten
21-8-1918 (v. d. Wiel!) ; alle overige behooren zonder twijfel tot ferruginea Scop.
Zooals bekend maakte Dr. E verts bij zijn determinaties slechts zelden gebruik van
een microscoop en hieraan schrijf ik de begane vergissingen toe. Ik veronderstel dat
althans de 2 ex. uit Druten reeds door den) heer van der Wiel, die wel een
microscoop gebruikt, juist waren gedetermineerd. Het meest opvallend uitwendig zicht-
baar kenmerk bestaat uit den vorm van het halsschild, waarvan de zijden bij sublaevis
veel sterker gebogen zijn, zoodat de verbreeding even voor of in het midden in het
oog valt, niettegenstaande het feit dat het halsschild minder breed in verhouding tot
de lengte is dan bij ferruginea; bij laatstgenoemde zijn bovendien de achterhoeken
onder den randzoom iets verdikt, waardoor, schuin van terzijde gezien,
de achterhoeken iets uitgebogen schijnen. Bij sublaevis ontbreekt deze verdikking
en is, recht van boven gezien, een flauwe uitbuiging van den nauwelijks
verdikten randzoom zichtbaar, waardoor de achterhoeken iets uitsteken. De algemeene
habitus van sublaevis is slanker, hoewel de schouders meer uitpuilen. Daardoor zou
zij met kleine mannelijke ex. van fransversa Mrsh. verward kunnen worden, doch is
daarvan onmiddellijk te onderscheiden doordat bij laatstgenoemde de randzoom van
het halsschild sterk verdikt is en de basaalindruk nagenoeg glad.
i =
de
LIV VERSLAG.
Dr. C.’de Jong, die op mijn verzoek mijn determinatie nogmaals controleerde,
maakte een schetsteekening van dit voornaamste kenmerk die ik hierbij laat rondgaan.
De overige verschillen door Everts en Reitter op-
genoemd tusschen ferruginea en sublaevis zijn niet volkomen
constant en scherp en komen dus slechts in de tweede plaats
in aanmerking. Met name laat zich de grovere punctuur,
die bij sublaevis de schouderbuil van binnen scherper en
dieper begrenst, slechts juist beoordeelen als men die bij
minstens 30 X vergrooting vanuit verschillende gezichts-
hoeken bekijkt. In mijn collectie bevinden zich nog de vol-
à gende door mijzelf verzamelde ex. van sublaevis: 3 ex.
Ommen VI 1918; 1 ex. Anlo Dr. VI 1928. Het voorkomen
in het Westen van ons land, dat mij steeds onwaarschijnlijk
voorkwam (de stamvorm is O. Europeesch!), is dus nog
niet geconstateerd.
Mr. C. Brouerius van Nidek maakt zich steeds
zeer verdienstelijk door een nader onderzoek van de co-
leopterafauna van Groningen en Drente in het bijzonder van
die van het Friezenveen. Daar de resultaten van het laatst-
b genoemd onderzoek, dat in samenwerking met andere bio-
logen geschiedt, te zijner tijd gepubliceerd zullen worden,
Crepidodera. zal ik daaromtrent niets mededeelen, hoewel ik er reeds
a. ferruginea Scop. zeer opmerkelijke resultaten van gezien heb. Van Drente
b. C. inferpunctata v. vermeld ik de vangst van 3 ex. van Cryptophagus cylindrus
sublaevis Motsch. Ksw., te Roden, de 2de vondst in ons land (de eerste wordt
door Everts uit Assen gemeld). Deze meer Z. Europee-
sche soort, die in Griekenland op Abies cephalonica (apollinis) voorkomt, is bij het
aanplanten van deze coniferen op de Karst bij Triest daar ingevoerd en vervolgens
ook een paar maal hier en daar in midden-Europa gevonden. De heer van Nidek
zal nu stellig trachten te constateeren op welke conifeer de soort in Drente leeft.
Daarna vestigt Spr. de aandacht op een artikel van Dr. Klaus Günther, con-
servator te Dresden, getiteld: Weber Faktoren der Formendifferenzierung sowie öko-
nomische und luxurierende Typen bei Insekten (Photographie und Forschung Bnd. 3,
Heft 10, Dec. 1942.1) Uitgaande van het bekende feit, dat in de Klasse der Insecten,
meer dan in elke andere Klasse van het Dierenrijk, de neiging tot mutatie bestaat,
die dan hoofdzakelijk het uitwendig skelet betreft, betoogt hij dat, wanneer niet alle
energie door de levenswijze der betreffende soort in beslag wordt genomen, een over-
maat van levensenergie aanleiding kan geven tot het instandhouden van volkomen
overbodige of wel luxe-mutaties en dat hierdoor het bestaan van fantastische vormen
te verklaren is, waarvan het nut voor de instandhouding der soort voor ons onver-
klaarbaar is. Dat het de overmaat van levensenergie is die hierbij een rol speelt zou
o.a. blijken uit het feit dat die fantastische luxe-typen bij vele soorten alleen bij het
mannetje voorkomen indien dit aan de verzorging der nakomelingschap geen deel
heeft en dus minder energie dan het wijfje verbruikt.
Hoewel er bij de Scarabaeidae wel enkele gevallen zijn (speciaal bij het genus
Phanaeus), die hiermede niet stemmen, is er toch veel dat voor zijn hypothese pleit
en beveel ik de lezing van het artikel, dat vele fraaie fotografische afbeeldingen bevat,
ten zeerste aan. Spr. laat de genoemde aflevering ter bezichtiging rondgaan.
Nederlandsche Syrphidae.
‘De heer P. H. van Doesburg Sr. vertoont een exemplaar van Callicera rufa Schm.
17 Mei 1943 door hem gevangen in de Torenlaan te Baarn. Het was een zeer warme
middag en het dier zat zich te zonnen op een blad van een bloeienden Rhododendron.
Aan de tamelijk lange, recht vooruit stekende antennen zag Spr. dadelijk met geen
gewone Eristalis of zoo te doen te hebben. Spr. vertoonde zijn vangst aan de heeren
Kabos en Piet, die hem behulpzaam waren bij het identificeeren van het dier, daar
Spr. met behulp van het werkje van Sack wel op het genus Callicera uitkwam, doch
het dier niet beantwoordde aan de daarin beschreven Callicera aenea F.
C. rufa Schm. schijnt in Z.W. Europa, o.a. Spanje, thuis te hooren en Spr.'s vangst
kan men moeilijk als een aanwinst voor de Ned. Fauna rekenen. Spr. oppert de moge-
lijkheid, dat het dier ingevoerd is met de sinaasappelen, die juist omstreeks dezen tijd
1) Dit tijdschrift is in onze bibliotheek aanwezig.
VERSLAG. | LV
È middels Het Roode Kruis in zoo grooten getale uit Zuid-Europa zijn aangevoerd als
extra voeding voor de kinderen.
Tubifera hybrida Lw. Van deze soort ving Spr. 14-5-'43 een aan den Eemdijk, ten
N. van Baarn; en 16-5-'43 een in de Koningslaan voor het Paleis Soestdijk. Spr. ving
dus van deze soort totaal 10 exx., van vier verschillende vindplaatsen in en om Baarn.
Van Lampetia equestris F., de Narcisvlieg, ving Spr. dit voorjaar te Baarn 3 exx.,
(2 exx. 26-5 en 1 ex. 9-6). Dit schijnt tevens de meest Oostelijke vindplaats in Ne-
derland te zijn. Wel zag Spr. in de collectie van Prof. De Meijere exemplaren
uit Wageningen, doch denkelijk zijn deze uit toegezonden aangetaste bollen gekweekt.
Alle overige vindplaatsen waren tot nu toe uit de kuststrook en Texel bekend.
Van de zeer zeldzame Sphaerophoria Rippelli Wied. (flavicauda Zett.) ving Spr.
19-5-'43 een ex. te Baarn, langs den straatweg naar Hilversum, op Boterbloem.
Cinxia borealis Fall, de Hoogveen-zweervlieg, ving Spr. in 1 ex. in de Konings-
laan, 26-5-43, op bloeienden Rhododendron. Het dichtst bijzijnde veen van eenige
beteekenis is het Soesterveen.
De heer D. Mac Gillavry doet de volgende mededeelingen :
I. Vliegvermogen van gevleugelde Coleoptera.
In het Bull. d. 1. Soc, Ent. de France 1942 No. 10 vestigt op p. 154 Dr. Jeannel
de aandacht op het onderzoek van C. H. Lindroth te Djursholm (Zweden) over
het gebruik, dat gevleugelde Coleoptera van hun vliegvermogen. maken. Medewerking
door bijeenbrengen, van observaties is gewenscht. Voorloopig strekt zich het onderzoek
vooral uit over de Carabidae. Het komt mij voor, dat vermelding van de omstandig-
heden waaronder het vliegvermogen geobserveerd wordt, zooals geographische plaats,
data, dag- of nachtvliegen, zoo mogelijk leeftijd, enz., hierbij nog meer van belang
zijn, dan het enkele feit van het vliegen. Door Jeannel wordt van de volgende
Carabidae gemeld, dat men ze nog nooit zag vliegen. Dit zijn: Leistus, Nebria, No-
tiophilus, Broscus, Tachyta, Panagaeus, Metabletus, Odacantha, Stomis, Calathus,
Synuchus, Olisthopus, Masoreus, Brachinus,
Nu valt te betwijfelen of hier en daar in de literatuur niet eene observatie te vinden
is, die over het hoofd is gezien. Zelf bv. publiceerde ik het vliegen van Broscus cepha-
lotes L. in het Verslag der 60e Wintervergadering der Ned. Ent. Ver., Tijdschr. v.
Entom. Vol. LXX p. XII 1927. Hierop maakte ik Jeannel per brief attent.
Een tweede mogelijkheid is, dat er observaties zijn, die tot nu toe niet zijn gepubli-
ceerd. In het belang van Lindroth’s onderzoek is het dus gewenscht, dat zij, die
desbetreffende waarnemingen deden, deze bekend zullen maken. Zelf kan ik daartoe
een bijdrage leveren, die ik eveneens aan Jeannel opzond, maar toch hier ook wil
mededeelen. Ook deze waarneming betreft een der bovengenoemde Carabidae en wel
Odacantha melanura L.
De lezing van Snellen van Vollenhoven's beschrijving, in zijn Neder-
landsche insecten, over de enorme massa's Odacantha's door hem op de Morschweg
bij Leiden geobserveerd, had mede geholpen; om mijn sluimerende entomologische be-
langstelling wakker te maken, Toen ik dan ook als gymnasiast met eenige andere kor-
nuiten mij op de insectenwereld geworpen had, was de Morschweg, op voorbeeld van
Snellen van Vollenhoven, een onzer meest geliefde excursieoorden. Behalve
de gemakkelijke bereikbaarheid vlak bij de stad, was mede een prikkel, dat wij daar
bijna steeds wat goeds vonden, ook al was van het oorspronkelijke moeras (Morsch !)
nog maar bedroefd weinig over. Ik noem slechts Aromia moschata L., Dicranthus ele-
gans F., Lixus, enz. enz. Ook Odacantha werd daar gevonden, steeds in enkele exem-
plaren. Eén keer echter troffen wij Odacantha in onnoemelijk aantal aan, (zie ook Tijd-
schr. v. Ent. LXXIV, p. LXXXI 1931), 't Was in 't voorjaar, als ik mij niet vergis
in Mei 1885, dat wij letterlijk alle rietstengels bedekt zagen met de kleurrijke dieren,
die zich langs de stengels op- en afloopend verdrongen, maar ook van stengel
naar stengel vlogen. Blijkbaar betrof het een huwelijkszwerm. Slechts eenmaal
in mijn lange entomologische loopbaan was mij het voorrecht beschoren, van dit schouw-
spel te genieten; de werkelijkheid overtrof verre de voorstelling, die ik mij van dit
natuurverschijnsel door Snellen van Vollenhoven's boek gemaakt had.
Nu ik toch over het vliegen van kevers schrijf, wil ik hierbij vermelden, dat ik
hetzelfde op deze plek waarnam van de bovengenoemde Dicranthus elegans F. Ook
hier betrof het een huwelijksvlucht van dit zeldzame insect op het reeds bloeiende riet.
De aantallen waren echter zeer beperkt en de dieren moeilijk te vangen. Dat moet in
‘t voorjaar 1886 geweest zijn.
Zie ook wat ik over het vermoedelijk nachtelijk vliegen van Calosoma mededeelde
op de Winterverg. der N.E.V. 22 Febr. 1942 p. XXII sc.
LVI VERSLAG.
Nog wil ik hier aan toevoegen dat wanneer men kennissen in de tropen er toe kan
brengen, de insecten die ‘savonds op de lamp komen aanvliegen, bijeen te vegen en
over te zenden, dat zoodoende heel wat over het vliegvermogen van kevers te ver-
zamelen is. Carabidae, Paussidae, etc. zijn daar genoeg bij. Tevens wijst dit er op,
dat de geographische plaats, met daarbij behoorend klimaat, een factor is, die, zooals
ik reeds boven schreef, niet verwaarloosd mag worden. Wat op de eene plaats waar
is, behoeft niet op een andere plaats en onder andere omstandigheden waar te zijn.
In elk geval zijn door de attractie, die lichtbronnen uitoefenen, nachtelijke vluchten
aan te toonen.
Over het vliegen van gevleugelde insecten uit andere orden, zag ik in de Neder-
landsche entomologische lectuur slechts één observatie over de oorwurm Forficula auri-
cularia L. en wel door J. P. Thysse ergens in de Levende Natuur; eveneens op
licht,
II. Blatta als waard van Rhipidius pectinicornis Tnb,
Waar het over het hoofd zien van eene zoo ter loops geuite mededeeling over het
vliegvermogen van Broscus zeer begrijpelijk is, wil ik toch eene andere omissie uit de
Nederlandsche litteratuur eveneens releveeren, welke voorkomt in een artikel van
P. de Peyerimhoff „Les Rhipidius peuvent-ils parasiter les chenilles?” Bull.
Soc. Entom. Fr. T. XLVII No. 11 1942 pp. 172—177. In dit artikel, waarin o.a. be-
discussieerd wordt, of ook andere insecten dan Blattidae de gastheeren der Rhipidius-
larven kunnen zijn, komt op p. 174 de bewering voor, dat slechts tweemaal Rh. pecti-
nicornis Tnb. uit Blafta gekweekt werd, nl. door C. J. Sundevall (1831) en door
R. H. Stamm (1915).
Hierbij wordt nu over het hoofd gezien, dat het aan Prof. J. C. H. de Meijere
eveneens gelukte een © van deze soort uit eene Blattide (Phyllodromia germanica L.)
te kweeken. De Meijere deelde dit mede op eene vergadering der Ned. Ent. Ver.
zie Tijdschr. v. Ent. Vol. 54 1911 p. XL. Verder vindt men het feit vermeld door
Ed. J. G. Everts in zijn Ville Lijst van soorten ‚enz. T. v. E. Vol. 54, 1911 pp.
228/9 en in zijn toch ook genoeg in het buitenland bekende „Coleoptera Neerlandica’
T. HI 1922 p. 388, terwijl het ten slotte nog door Everts weer terloops vermeld
Merde ve Vol. 6501022 ps
III, Een huisinvasie door Camponotus ligniperda Latr.
Tijdens een kort verblijf te Bennekom op den Hullenberg merkte ik den avond van
aankomst 10-VI-43 eenige mieren op, die op de stoep van het huis liepen. Deze trokken
mijn aandacht door hun grootte, zoodat ik eenig vermoeden had met Camponotus te
doen te hebben. De volgende dagen kwamen de dieren in grooten getale te voorschijn
in de gang, waar zij zich onder vloermatten verschuilden. Collega Wilcke, door
Spr. te hulp geroepen, determineerde de mieren inderdaad als Camponotus ligniperda
Latr. Tegelijkertijd werden aan den heer Stärcke inlichtingen gevraagd over de
biologie dezer tot nu toe voor ons land zoo zeldzame mieren. Deze zond mij het ge-
schrift van H. Eidmann: ,,Zur Kenntnis der Biologie der Rossameise (Camponotus
herculeanus L.)”, Zeitschr, f. angew. Entomol. XIV, 2, 1928 p. 229—253. Aan de
hand van Eidmann’s verhandeling wil ik de volgende korte opmerkingen. maken.
Nestplaats.
E. maakt onderscheid tusschen aardnesten en houtnesten. Bij de laatsten nog weer
verschil of ze in levend hout of dood hout zitten. Zeer veel zijn de nesten gemengd,
dwz. bij boomnesten! strekt zich het nest gewoonlijk ook uit in de aarde er onder. De
aardnesten bevinden zich veelal onder platte steenen. Het nest in het huis te Bennekom
zal vermoedelijk wel tot de laatste categorie te rekenen zijn, daar de dieren blijkbaar
onder de cementen gangvloer zaten. Door openingen op zij bij deurposten en plinten
kwamen| zij boven gronds. Het valt niet uit te maken, of ze ook in de draagbalken
der kamervloeren waren doorgedrongen. Er is nog geen vloer, die teekenen van door-
zakken toont.
Voedsel.
De huisvrouw heeft tot nu toe geen schade aan voorraden opgemerkt. Alleen bleek
een aantal der mieren in een open thermosflesch te zitten, welke flesch vroeger zoetig-
heid bevat had en een tijd lang ongebruikt open in een donkere kast stond.
Gasten.
Het schijnt, dat deze mieren behalve mijten bijna geen gasten herbergen. Op de
gevangen mieren vond ik geen mijten en het nest zelf was onbereikbaar.
PM el need hea
| VERSLAG. LVII
Activiteit.
Hierbij kan alleen opgemerkt, dat de meeste rondloopende mieren ‘savonds geob-
serveerd werden. Overdag schuilden ze bij voorkeur onder vloermatten. Gestoord liepen
ze sneller dan gewoonlijk, veel transporteerden zij elkaar tijdens het vluchten. Het zijn
lichtschuwe dieren. Buitenshuis waren er gewoonlijk weinig en dan tegen de voegen
tusschen de steenen aangedrukt. In den tuin zag ik nooit een rondloopende ligniperda.
Dit in tegenstelling met wat ik zag in de Ardennen, waar ik overdag talrijke Campo-
nofus op mierenstraten zag rondloopen. Dit waren waarschijnlijk herculeanus L. Zie
ook onder bij „vijanden, Ik reken de Nederl. Camponofus tot de nachtmieren.
Ontwikkeling.
Over eieren, larven em poppen kan ik niet oordeelen, ik zag ze niet.
Gedurende 10—17 Juni werden alleen werksters geobserveerd van verschillend for-
maat, 17—23 was ik afwezig. Ik had echter verzocht, scherp op te letten, of er ook
gevleugelde individuen te voorschijn zouden komen. Inderdaad zijn deze juist tijdens
mijn afwezigheid gekomen. Van de = 20 geziene zijn er 6 gevangen en aan Dr.
Wilcke ter praeparatie overhandigd. Alle geziene gevleugelden hadden groote koppen
en waren blijkbaar 9 9.
24 en 25 Juni vond ik zelf nog telkens één ©, daarna niet meer, 4 & zijn niet
gezien, wel nog eenige werksters. Hierbij moet niet vergeten worden, dat de bewoners
uit zelfverdediging, getracht hebben zooveel mogelijk al deze ongewenschte huisgenoo-
ten te vernietigen em de gaten, waaruit zij te voorschijn kwamen, met petroleum be-
handelden. Wanneer men in aanmerking neemt, dat alles bijeen vermoedelijk 100 à
200 mieren, vernietigd zijn, dan mag wel geconcludeerd worden, dat wij hier met een
jong nest te maken hebben, vermoedelijk een jaar oud. Daarvoor pleit ook, dat deze
in ‘t oog vallende groote mieren hier in vorige jaren nooit gezien zijn.
Eidmann merkt op, dat de ontwikkeling der gevleugelden vermoedelijk reeds in
den nazomer compleet is. Zij blijven echter in het nest tot de bruiloftsvlucht en zijn
dus als imago reeds bijna 1 jaar oud. Tevens is van belang, dat hij in de onderzochte
nesten steeds mannetjes en wijfjes vond en dat bij de vlucht steeds beide geslachten
uit hetzelfde nest tegelijkertijd te voorschijn komen om aan de paringsvlucht deel te
nemen. Dit in tegenstelling met zoovele andere mieren, waar òf wel een nest slechts
mannetjes of vrouwtjes levert òf, zoo beide aanwezig zijn, er bij het uitvliegen toch
een proterogynie valt waar te nemen,
Het onderhavige Camponotus-nest maakt dus een uitzondering op de door E. vast-
gestelde regel. Het is natuurlijk mogelijk, dat hier toch in het nest 4 4 waren, maar
dat een geringe proterogynie aanwezig was en de genomen verdelgingsmaatregelen de
mannetjes verhinderden ook naar buiten te komen. Mogelijk is echter ook, dat er
werkelijk alleen © © waren. Misschien kan ondersteld worden dat de eenzijdigheid,
als deze bestond, te wijten is aan de jeugd van het nest. Het zal dus zaak zijn, zoo er
gelegenheid bestaat jonge nesten te onderzoeken, aandacht te wijden aan deze zaak.
Vijanden.
In verband: met de door Eidmann niet genoemde vijanden, bestaat de mogelijk-
heid, dat buiten rondloopende werksters ten prooi vallen aan groote padden en hage-
dissen. Door mij werd op 24 Juni in den tuin vlak bij het huis een groot wijfje van
den gewonen heihagedis opgemerkt, hier in den tuin een ongewone verschijning, terwijl
‘savonds verscheidene groote padden rondliepen.
Wel wordt door Eidmann gewezen op het feit, dat de Camponotus een hoofd-
bron van voedsel is voor de zwarte specht vooral in den winter. Is er voor ons land
samenhang tusschen de blijkbare uitbreiding van zwarte specht en Camponotus ? Het
zou dan voor de hand liggen te onderstellen, dat de mier al veel meer verbreid is,
dan wij tot nu toe gemerkt hebben. De zwarte specht weet zijn voedsel beter te loca-
liseeren dan wij. Beschadiging van schijnbaar gezonde boomen: door de specht, is
meestal een indicator, dat Camponotus in de boom huist, merkt Eidmann op (lc.
fig. 2 en 9). Hier zou maag- en ontlastingonderzoek kunnen helpen om gegevens te
vinden over de uitbreiding van Camponofus in ons land.
Schade.
Behalve de schade aan gezonde en doode boomen (resp. hout), blijkt dus eveneens
af en toe het nestelen in huizen te bestaan, met het gevaar voor het huis en de last
voor de bewoners. Eidmann kent deze schade voornamelijk voor houten blok-
huizen midden in de bosschen, maar als uitzonderingen.
Dan citeeren Eidmann (lc.p. 253) en Prell het aanvreten van schors en bast
van jonge 2—3-jarige dennen, vermeld door Ritsema Bos in 1891. Dit slaat blijk-
baar op hetgeen staat in de Duitsche vertaling van zijn leerboek. Vermoedelijk heeft
R. Bos dit weer ontleend aan een ander. Het zal zeker geen, waarneming zijn in
Nederland gedaan.
È
vate en
à, a PUR
LVII VERSLAG.
Prognose. i
Men mag aannemen, dat de oude koningin nog in het huisnest is achtergebleven,
al of niet vergezeld van eenige werksters. Afgewacht dient dus te worden of het
volgend jaar weer een eruptie van nieuw broed te voorschijn zal komen.
De heer Blöte deelt naar aanleiding van de eerste mededeeling van den heer Mac
Gillavry mede, dat hij het vliegen van Forficula auricularia eens op een zeer
warmen nacht heeft waargenomen. ,
De heer Voüte deelt mede, dat in het vorige jaar door den heer Wierts 2 kolo-
nies van C. ligniperda op de Hooge Veluwe werden gevonden. Overdag liepen zij
op de stammen van berken. Hoewel op de H. V. vrij veel zwarte spechten voorkomen,
werden deze boomen niet aangepikt.
De heer Bentinck zegt, dat volgens de ornithologen de zwarte specht in de afgeloo-
pen strenge winters zeer is achteruit gegaan. Bij Amerongen is hij niet meer te zien.
De heer Besemer gelooft niet, dat de zwarte specht zich voornamelijk met Campo-
nofus zou voeden, hij zag hem ‘swinters veel Formica rufa eten.
Een kleinigheid over de ontwikkeling der organen bij den groei van larven.
De heer K. J. W. Bernet Kempers doet de volgende mededeeling :
Het is bekend, dat de larven van kevers eenige malery vervellen en dat bij den
overgang van larve tot imago de inwendige deelen van de larve opgelost worden en
zich geheel nieuwe organen vormen onder verbruik van de overblijfselen; dier inwen-
dige deelen en de in het vetlichaam opgeloste reserve materialen.
De ontwikkeling is een volkomen gedaanteverwisseling (holometabolie) dat is de
larve behoudt gedurende haar leven ongeveer dezelfde gedaante als waarin zij het
ei verliet. Uitzondering bij Rhipiphoridae, Meloidae en bij enkele Staphylinidae, zooals
Aleochara, bij welke meer dan een larvevorm voorkomt; toenadering tot den vorm
van imago komt niet voor.
Maar hoe is nu de ontwikkeling der organen gedurende het larvestadium ?
Bij larven die nog vervellen moeten, trof Spr. meermalen aan dat de vervangende
organen reeds aanwezig waren. |
Zoo bij Hygrobia tarda het nieuwe eindlid van den spriet in het bestaande; bij
Habrocerus de nieuwe mandibel in de oude, bij Aleochara 4 borstelharen van het eindlid
van den spriet binnen het voorlaatste oude lid; bij een Oxytelus de nieuwe maxille
binnen de bestaande, eveneens bij Hydrobius fuscipes en Dermestes alsmede Helodes,
wat de mandibel betreft.
Bij Scolytus was de nieuwe maxille reeds in de oude aanwezig.
Bij een Elateride was de verdubbeling der organen aanwezig, maar niet de nieuwe
binnen de te vervangen organen, maar afzonderlijk in aanleg. Alleen binnen de zes
pooten was de nieuwe poot aanwezig, maar zoo dat de klauw te zien was binnen
het tarslid.
Bij een huidje van Anthrenus waren alle organen en haren intact gebleven. Bij een
Hydroporus waren de ocellen reeds tot samengestelde cogen overgaand.
Spr. meent dus, dat de nieuwe organen ontstaan nabij de te vervangen organen, dat
deze nieuwe organen zich gaan verplaatsen tot in de oude, dat de oude organen door
de nieuwe verdreven worden en dat zooals bij Anfhrenus de oude organen niet op-
gelost worden, maar worden verlaten.
„Irichopterorum Catalogus”,
De heer F. C. J. Fischer deelt mede, dat hij thans reeds twaalf jaar werkt aan een
catalogus der Trichoptera van de geheele wereld. De uitgeverij Junk zou dit werk
als ,,Trichopterorum Catalogus” uitgeven.
In verband met de tijdsomstandigheden meent spreker thans de mogelijkheid van
een uitgave als zeer beperkt te moeten beschouwen en daarom wenscht hij thans het
één en ander omtrent den voortgang van dit werk mede te deelen.
Het kaartsysteem, dat als grondslag voor het manuscript moet dienen, is in zooverre
gereed, dat alle soorten en andere systematische eenheden met hun synoniemen hierin
zijn opgenomen, voor zoover de publicatie ervan vóór het einde van 1938 geschiedde.
In verband met het uitbreken van den oorlog in den loop van 1939 werd het niet
raadzaam geoordeeld later beschreven soorten op te nemen. Uit den aard der zaak
konden echter nog niet alle publicaties worden verwerkt, daar het inzien van zeld-
zame boekwerken thans buitengewoon moeilijk geworden is, ten eerste omdat vele
Nederlandsche bibliotheken hun zeldzame werken voor den duur van den oorlog op
VERSLAG.
LIX
|‘. veiliger plaats hebben opgeborgen en ten tweede doordat het bijna niet meer mogelijk
is uit het buitenland boeken te ontvangen, of die ter plaatse te gaan inzien.
Spr. heeft echter reeds 88% van de + 3.000 sinds 1758 tot en met 1938 over Tri-
choptera verschenen publicaties zelf kunnen inzien, terwijl nog een gedeelte van de
resteerende in Nederland bereikbaar is.
Daar, zooals reeds gezegd, alle species opgenomen werden, is het mogelijk een
overzicht te geven van de eind 1938 bekende vormen. Deze zijn:
Sub-sp., var.
Familie Genera | Species > a an oe
i ossiel |eenh. kleiner | niemen
dan sp.
Necrotauliidae . . . . . 7 19 19 Le
Prosepididontidae . . . 2 2 2 ar
Philopotamidae. .\.... 16 158 fi 7
Stenopsychidae . . . . 4 44 1 _
Polycentropodidae . . . 31 321 85 6
Bsyehomwidae u 4 18 134 17 1
Hydropsychidae . . . . 44 595 8 17
Aretopsychide ...... 3 19 — 1
Biivacophilidae nn uw e- . 30 364 6 4
Elydroptülidaer c.s 44 220 5 2
Calamoceratidae . . . . 11 92 2 _
Philorheithridae +... 3 4 — —
Odontoceridae, 1. . 14 48 6 —
Molannidae, anw nen 4 23 4 2
mleptoceridaen "0 45 485 7 Wi,
Phryganeidae "ut"... 18 113 37 8
Kifagamitdae sic... 7, 1 o _ I
Eimmophilidae "4.1.1. . 104 628 17 40
Sericostomatidae . . . . 111 402 27 5
lncertae,isedis salt oe, ii 7 5 1
fiorale NE neat 517 3702 255 112
Het is interessant een vergelijking te maken tusschen het vorenstaande soortentotaal
en dat, waartoe Ulmer in 1907 kwam in zijn „Genera Insectorum”, Er waren toen
van de geheele wereld slechts bekend: 1280 (214 genera) recente soorten, zoodat
dit aantal intusschen bijna verdrievoudigd is.
De enorme vooruitgang, die sinds 1907 in de kennis der Trichoptera heeft plaats
gevonden, is wel in de eerste plaats te danken aan een intensiever onderzoek der
exotische fauna's. Vele auteurs hebben belangrijke bijdragen tot de kennis der Noord-
Amerikaansche en tropische Trichoptera geleverd; terwijl ook eerst na 1907 de fos-
siele Trichoptera beter bekend zijn geworden en dat in hoofdzaak door het werk van
Ulmer: „Die Trichopteren des baltischen Bernsteins’’ 1912.
Een belangrijk gedeelte van de in vorenstaande lijst genoemde fossiele soorten werd
in dit boek beschreven. Het is te betreuren, dat uit oudere lagen nog slechts weinig
fossiele resten bekend zijn, daar dit voor het vaststellen der verwantschap en dus ook
voor de systematiek van het grootste belang zou zijn.
Hoewel mij de volgorde van de systematische groepen der Trichoptera (door mij
als families opgevat), niet zeer belangrijk voorkomt, daar het nu eenmaal onmogelijk
is den graad van verwantschap der verschillende evolutiereeksen daarin tot uitdrukking
te brengen, heb ik in vorenstaande lijst zooveel mogelijk rekening gehouden met opvat-
tingen van auteurs, die palaeontologisch materiaal bestudeerden. De families met de
meest primitieve kenmerken uit iedere reeks werden boven de meer gespecialiseerde
geplaatst. De beide eerste families zijn, zooals uit de cijfers blijkt, alleen als fossielen
bekend en wel uit het secundair, De tertiaire Trichoptera (voornamelijk uit het barn-
steen) konden met uitzondering van enkele soorten, waarvan de systematische plaats
niet was vast te stellen, in families van recente species ondergebracht worden.
De laatstgenoemde familie is feitelijk nauwelijks meer dan een) vergaarbak voor in
verschillende richting gespecialiseerde genera en hoewel verschillende auteurs reeds de
LX VERSLAG.
wenschelijkheid bepleit hebben van een juistere indeeling of splitsing, is het tot nu toe
niet tot een serieuze poging daartoe gekomen. à
Het aantal beschreven ondersoorten, variéteiten e.d. is in de onderhavige orde
uiterst gering, wanneer wij dit vergelijken met b.v. in Lepidoptera. De oorzaak van dit
verschijnsel is wel zonder twijfel de groote eenvoud van het kleurenpatroon der vleu-
gels, daar over het algemeen op grond hiervan variéteiten worden benoemd.
Het is overigens te wenschen, dat er spoedig eens een trichopteroloog over zooveel
tiid en materiaal de beschikking zal hebben, dat hij in staat zal zijn de verschillende
geographische rassen der thans bekende soorten te bestudeeren. Misschien zou het dan
mogelijk zijn tot de opstelling van geographische „Rassenkreise’ in den zin van
Rensch te komen, Het lijkt mij niet onwaarschijnlijk, dat dan het aantal „soorten”
wel weer wat verminderd zou worden. -
Wat het totale aantal soorten betreft is verder nog op te merken, dat vermoedelik in
de eerstvolgende jaren nog een gedeelte der namen als synoniem zal moeten vallen,
daar een overzicht van wat er over deze orde bekend was, niet bestond em er dus
heel wat soorten beschreven zullen zijn, die reeds eerder benoemd waren. Stellig zal dit
met een groot percentage van de door Naväs beschreven soorten het geval zijn.
Tenslotte wil Spr. er nog de aendacht op vestigen, dat alleen in den laatsten tijd
bij het beschrijven van nieuwe genera het nogal eens voorkomt, dat een genotype wordt
aangewezen. Vroegere systematici hebben zich, met enkele uitzonderingen, hierom nooit
bekommerd en op Spr. rust dus de taak voor die genera, waarvoor dit nog niet heeft
plaats gehad, een genotype aan te wijzen.
Hoewel de internationale nomenclatuur--regels dit niet bindend voorschrijven, heeft
Spr. het plan uitsluitend als genotypen soorten aan te wijzen, die nog niet in andere
genera werden ondergebracht, teneinde eem naamwijziging, die anders het gevolg van
het aanwijzen van een genotype zou zijn, te voorkomen. Spr. heeft namelijk de over-
tuiging, evenals naar op de laatste herfstvergadering bleek, de meerderheid der Neder-
landsche entomologen, dat de wetenschap door het steeds wijzigen van de namen
slechts geschaad kan worden.
Directe adoptie van Lasius fuliginosus bij L. niger, hesmosis bij
Strongylognathus testaceus.
De heer À. Stärcke demonstreert een geheel glazen 4-kamerig groot (22 X 41 cm)
Fielde-nest ; in Kamer D ingebouwd labyrinth voor psychologische proeven. Dergelijke
nesten zijn voor myrmecophilen bruikbaarder dan de gewoonlijk door hem gebruikte
geheel glazen Petri-schaal-nesten. Een nadeel is dat de temperatuur niet zoo gediffe-
rentieerd kan worden als bij de tweeschaaltjes-nesten. Eieren: en nymphen behoeven een
andere temperatuur als de larven.
In het vertoonde glasnest zetelt een volk van Lasius niger auct. werksters die een
wijfje van L. fuliginosus Latr. hebben geädopteerd, dat reeds talrijke eieren heeft ge-
legd en, zooals bij ful.-moertjes gebruikelijk, een zoo sterk gezwollen (repleet) gaster
vertoont dat het wit- en zwart dwarsbandig lijkt.
De levenshistorie van de gitzwarte houtmier is weliswaar sedert 1906 in veel op-
zichten opgehelderd, maar veel is nog te ontdekken. Wat men weet, en samenvat in
de hier bekend te onderstellen. betiteling van initiaal-sociaal-parasitisme van den tweeden
graad (1° bevrucht L. umbrafus s. amplo (9 geädopteerd bij L. niger of L. alienus
Foerst — 2° geleidelijk uitsterven der niger-werksters, overgang in + 3 jaar in um-
brafusvolk. — 3° adoptie daarin van bevrucht fuliginosuswijfje. — 4° door uitsterven
der umbratus overgang in fuliginosusvolk) is op de volgende mijlpalen gegrond.
Gemengde volken umbr.-ful. Donisthorpe 1897, Crawley 1898, Lannoy
1906 obs. publ. 1908. Donisthorpe 1918, Lomnicki 1918, Hallett 1919,
Wasmaan 1923, Harwood 1925, Stärcke 1924, publ. 1925. — Opstellen der
verklaring door het initiaal sociaal-parasitisme bij L. ful.: Emery en Forel 1908,
Wasmann 1909, Wheeler 1910. — Vermoedelijke polygynie en vermenigvul-
diging door afleggers Crawley 1910-1912 (waarnemen van versch-bevruchte ful.
2 9 in het ouderlijk volk Crawley 1905 te Ouchy Zw.; copulatie in den regel -
dichtbij het nest Crawley 1912). — Proefondervindelijk adoptie van ful. © bij moer-
looze umbratus Crawley 1910, na verscheidene mislukkingen, productie van circa
volwassen larven 1912 (productie van imagines nog niet bewezen. 1943; © legt pas
in het jaar volgend op de copulatie zoowel bij umbr. als bij ful. Crawley 1912,
ne van het produceeren van eieren tot dat van volwassen larven duurde
jaar !).
Bij Spr.s weten was geen exp. adoptie beproefd van ful. bij niger of alienus, met
Soft
VERSLAG. . LXI
overslaan dus van het umbratus-stadium, noch ook de geheele cyclus exp. verkregen
of waargenomen. Dit heeft Spr. beide beproefd, (Juli 1933, genoemd doch niet be-
schreven in het Jaarverslag der W. Arntsz-Stichting ed. 1934) met het resultaat dat
adoptie, zoowel bij (moerlooze) niger als bij dito alienus zonder veel moeilijkheid ge-
lukte (20 Juli). In het niger-volkje (I) werden twee dagen later 6 nieuwe niger-
werksters, 1 4 en circa 70 cocons niger in de droge kamer gevoegd, waar het ful.
© zich binnen een uur bij stationneert, echter aangevallen door de nieuwe niger.
Zij komt steeds bij de coconhoop ‘terug en ligt 3 Aug. dood op den afvalhoop. Dit zelfde
niger-volkje adopteerde drie dagen later zonder bezwaar 2 umbrafus-moertjes, waarvan
reeds 30 Aug. een groot eierpakket, waaruit 29 Nov. 64 larfjes ontwikkeld waren;
(in contr. met Crawley dus, maar: centrale verwarming).
II. 15 Juli 32 werden 26 wijfjes (en 5 werksters) ful, die ter Breite IC CHE hun nest
verlieten in een moerlooze alienus-kolonie gedaan, die uit weinige werksters en vele
cocons bestond. Adoptie had schier onmiddellijk plaats, doch de meeste ful. stierven
doordat zij den weg naar de vochtige kamer niet vonden. Tenslotte bleef er 1 over,
die de vleugels afwierp en met de alienus onder de turf leefde totdat ze door exp. c.
toegevoegde Formica’s in Juli van het volgend jaar werd gedood. Broed werd niet
geproduceerd. Vermoedelijk was, gezien het afwerpen der vleugels, dit wijfje reeds
in het nest bevrucht en is de zgn. „bruidsvlucht’ van fuliginosus voor sommige 9 2
inderdaad bruidsvlucht, voor andere disseminatievlucht.
III. Adoptie van meridionalis Q deal. bij moerlooze alienus, voort-
gekweekt tot mer. imagines na 3 jaar: adoptie van bevr. ful. ©.
6 Aug. '33, temp. 24° C. ontvl. mer. 9, den zelfden avond gevangen, bij 2 moerlooze
alienus-werksters, met 2 gevl. © 9, 1 & en eenige cocons gebracht. Na 3 dagen
adoptie, weer 3 dagen later zijn de beide gevl. alienus © 9 dood, maar de mer.-moer
leeft, met 10 al. werksters en 1 cocon. Nu werden 62 al-cocons toegevoegd die in
Oct. behoorlijk werksters opleverden. 25 Aug. van het volgend jaar (34) zijn er 11
zeer kleine larfjes, 22 Nov. zijn er de eerste 6 meridionalis imagines + 5 co-
cons ; 21 Jan, ‘35 zijn er weer 11 kleine larfjes van het tweede broed + 4 halfwas,
18 Dec. van datzelfde jaar verschijnen reeds eenige larfjes van het derde broed, die
in April 36 2 cocons opleverden. 17 Juli 1936 bestaat het volkje uit: de mer. 9,
eenige werksters, zoowel mer. als alienus, en enkele kleine larfjes. Dien dag werd een
ontvleugeld fuliginosus-wijfje gevangen onder een dakpan die een umbratus- (of
meridionalis-) nest bedekt, waarschijnlijk in afwachting van een gelegenheid. Zij wordt
1 uur in een buis gehouden met eenige mer.-larven en -cocons, daarna in het
gemengde nest gedaan, met 2 mer. werksters uit een ander nest, Deze negeeren de
ful. © en loopen evenals zij snel en zoekend rond. Na eenige minuten laat de ful. zich
op het hoopje broed neer, is meteen rustig, pakt nu en dan een cocon en legt die
om. Als een onrustig rondloopende mer. 5. voorbijkomt bedelt de ful. haar dringend
aan, maar zonder succes. Uit het nest komt eene alienus-werkster, die sterk wan-
trouwend tegen de mer.-werksters en vijandig tegen de ful, 9 reageert, welke ,,ver-
zoening gebaart maar hardnekkig bij den r. funiculus blijft gesjord. Een tweede alienus
pakt een poot en dan ziet het er even bedenkelijk uit. Na eenige minuten is de ful.
weer vrij en dit herhaalt zich nog een paar maal. Na 11% uur wordt een der nieuwe
mer. door een alienus gevoederd, en even later ook het ful. wijfje. Onderwijl worden
bijgegeven mer.-cocons naar het nest vervoerd. De ful. verzet zich niet daartegen.
Vermoedelijk was de toevoeging van de meridionalis-cocons de oorzaak van het milder
worden van de reactie der alieni, die daardoor werden afgeleid.
18 Juli ‘36 is de ful. ‘smorgens alleen in de droge kamer met 2 mer.-werksters, alle
broed is in de buis en in de vochtige kamer. Te 12.20 wordt opnieuw een halve thee-
lepel alienus-cocons bijgegeven. De ful. 9 loopt eerst naar de alienus-cocons, be-
snuffelt die, vertoeft er een paar minuten, gaat dan aarzelend verder en blijft hangen
op de mer.-cocons en -larven, waar ze zich poetst. Een zeer levendig transport door
de buis naar de vochtige (nest-) kamer begint nagenoeg direct. Nadat meer dan de
helft is weggehaald begeeft zich de ful. 9 ook in de buis en gaat meteen door naar
de vochtige kamer waar ze zonder te worden lastiggevallen op den coconhoop gaat
zitten. Een uur later wordt zij nog even, bij belichting, door een alienus aan een spriet
gesjord, maar spoedig weer losgelaten. Nadat de heele voorraad mer.-cocons is ver-
voerd, (ook de alieni lieten het alienus-broed liggen!) begint mer. de
alienus-cocons eveneens binnen te dragen. Te 14.30 wordt nog een volle theelepel
mer.-cocons en -larven in de dr. k. gegeven, waarbij enkele 5 è: meekomen.
Den 19 Juli liggen alle cocons door elkaar op 1 groote hoop, en de larven (alleen
mer.) op 2 hoopen. Het mer.-moertje op haar gewone plaats onder de turf, rustig
nt ful.-moertje niet zichtbaar. Verder bleef dit gemengde volk bloeiend, doch ging
LXII VERSLAG.
in den loop van Sept. en Oct. door mijtenschurft te gronde.
IV. De vertoonde sociaal-chimaere fuliginosus-niger. 9 April 1942 15 ful.-werksters
met 8 zwarte Lasiusleeuwen (Myrmedonia funesta) in groot Fielde-glasnest over-
gebracht; 3 nestkamers A, B, en C, met aangebouwd labyrinth D. In À natte turf,
en stukje eikenhout, in B diverse takjes en stukjes oud hout. (De observaties over
Myrmedonia worden hier weggelaten). 26 Mei 6 niger-werksters in D gegeven, waarop
zich onmiddellijk de zwarte Myrmedonia's storten; na enkele oogenblikken loopen er
twee met een niger aan zich vastgebeten en doen wanhopige pogingen om zich daar-
van te bevrijden. Te 19.50 zijn beide negatief phototactisch geworden en aan het ver-
scheuren in een donker hoekje; gevechten volgen doordat andere Myrm. plotseling
de prooi wegsleuren. In een uur zijn ze verbruikt. 27 Mei opnieuw 6, die 3 Juni alle
zijn verbruikt, waarna 4 Juni 9 ful.-werksters bijgevoegd +4 eenige niger die zich ver-
stoppen. Ofschoon de Myrmedonen hongerig rondloopen, doen zij den heelen avond
geen aanval zooals bij de niger-toevoeging wél het geval was. Het resultaat op 5 Juni
is: 1° de overgebleven niger met een groote larve op een kluitje in B, de overgebleven
ful. (5) op een ander kluitje 8 cm. daar vandaan. 14 Juni toegevoegd 7 9 © ful.
2 & & em 7 werksters, ful., 11 @ cocons niger, 21 % cocons niger, enkele larven
en 8 werksters om de cocons in orde te houden. TR
20 Juli zijn alle niger's gevreten, met de meeste ful. 3% 3. De ful.-wijfjes onfuleu-
geld bij elkaar in B, terwijl nog enkele ful.-werksters rondloopen. Opnieuw een aantal
niger met cocons toegevoegd. Een Myrmedonia tracht een cocon open te bijten, wat
haar in eenige minuten ook lukt; den inhoud, een witte nymph, vreet zij op.
7 Aug. opnieuw een niger-voorraad bijgegeven. De ful. zijn gereduceerd tot 3 wijfjes
en 3 werksters. 15 Aug. hebben de niger's zich in A, gevestigd, het ful.-overschot
(3 9 ©) in B, de niger's maken een omweg daaromheen. Bijgegeven 1 © deal. niger
uit de bruidsvlucht van hedenavond. Ook de 3 niger-wijfjes die er al waren hebben
de vleugels afgeworpen en er zijn enkele eieren. 19 Aug. blijken de 3 ful.
Q 9 vreedzaam bij de niger in A ingetrokken. Een ontvl. niger 9
daar vlakbij, maar bemoeit zich niet met ze. De 3 ful, voeren, elkaar en zijn volkomen
rustig op en tusschen de niger-cocons. 50 doode niger gegeven D als Myrm. voedsel.
21 Aug. wordt te 19.40 gezien dat een niger ÿ, nog niet geheel uitgekleurd, die
eerst een ful. Q had gevoerd, haar een pas geboren larfje aanbood. De ful. 2 nam
het in de kaken en bleef volle 4 minuten de merkwaardige streelbeweging met de
voorpooten, maken die anders het gevoerd worden begeleidt, maar nu in de ledige
ruimte ! Daarna kwamen de andere twee ful. 9 © die eerst elkaar gevoerd hadden en
stoorden haar. Er was levendig gestreel onder de drie en ze stonden met de bekken tegen
elkaar. Toen ze klaar waren was het larfje verdwenen, zonder twijfel door de ful. op-
gesoupeerd. Later op den avond circuleeren 2 Myrmedonia's in B, C, en D. De beide
niger 99 zijn wat onrustig geworden en zoeken rust in B, tot groote opwinding onder
de werksters. 22 Aug. ‘savonds + 200 niger-cocons in D bijgevoegd, worden het
eerste uur niet gevonden. Er blijkt maar 1 niger-wijfje bij de nestgenooten in A en
te 22 uur komt de aap uit de mouw. Een niger 8 sleept het andere niger 9,
dat al halfdood is, op onvriendelijke wijze aan de kaak voort en
deponeert haar in een kuiltje, waarna ze op haar rug klimt en daar iets tracht door
te bijten. Gezien dat een ful. © door een niger 8 gevoerd werd.
(23 Aug. ligt het andere niger © dood in A, Een ful. 9 wordt door een niger &
schoongelikt. 12 Sept. is het overgebleven niger © dood en verminkt op een kerkhof.)
12 Sept. zijn twee van de drie ful. © © bedolven: onder likkende en voerende nigers.
De eene is repleet. Zoodra het niger-volk talrijk genoeg werd door de meer dan 100
ontpopte werksters moesten de Myrmedonia's het afleggen en zijn nu verdwenen. Er
zijn 3 eieren (ful.) zeer gecourtoiseerd door de werksters niger. 14 Sept. is alleen
het meest replete ful. © nog over van de drie. Haar qaster is zeer gezwollen, wit met
zwarte dwarsbanden. Er is een eierpakket in A. De © ful. kiest zelf de warmste
plek (vingerproef), ev. ook tegen het dekglas. Zij wordt enorm gecourtoiseerd.
24 Jan. ‘43 is alles beweeglijk gebleven, hoewel de kamer onverwarmd is. 14 April
gaat een tweede kluit niger's niet genoeg uit elkaar om te zien) wat de kern is. Ten-
slotte gelukt dit door kloppen en blijkt daar niets te zijn, maar het is de plek waar
het ful.-moertje gewoonlijk zit! 2 Juni is er voor het eerst een grooter eierpakket. Het
zal binnen enkele maanden moeten blijken of zich daaruit werksters dan wel <a
ontwikkelen, dwz. of het ful. © werkelijk in het nest bevrucht was, of alleen is gaan
leggen, door het afwerpen der vleugels. In elk geval is ontwijfelbaar gebleken dat
adoptie van ful. bij niger mogelijk is, zonder den omweg over umbratus.
Spr. wil nog met een enkel woord een waarneming over bruidsvlucht of
disseminatie-loop bij Strongylognathus testaceus Nyl. releveeren. 1 Aug. ‘42
_ VERSLAG. LXIII
was er ‘savonds tegen 5 uur veel drukte van Teframorium-werksters op een klein
nestje in Spr.'s proeftuin, gelegen tusschen wortels van Potentilla verna op een zandige
‚ kalkrijke Zuid-helling. Verscheidene Strongylognathus-wijfjes, alle gevleugeld, ontsnap-
| ten, sommige loopend, andere eenige c.m. vliegend. Zij werden door werksters gevolgd,
à la file, ook op de grashalmen, en dit is het bijzondere: dit waren allen Sér.-
werksters, waarvan er in elk volkje maar weinig plegen te zijn. De loopend zich
verwijderende wijfjes hadden de meeste Sfr. achter zich aan, van vier tot tien elk.
Onderwijl liep de Tetramorium-werksters geagiteerd rond; sommige Sfr.-wijfjes wer-
den door de Tetr. weer naar binnengetrokken. Een uur later was buiten het nest niets
meer te zien. 15 Aug. 's middags 16.20 herhaalde zich dit tafreel, thans echter bijna
alleen 4 4, en zonder gevolg. (Tegelijk br. vl. Lasius niger en L. flavus.) 17 Aug.
16.20 derde br. vl. thans alleen wijfjes, met gevolg. De Tetr. zijn zeer klein van stuk,
nest: zanderig plekje, handpalm groot, besjouwd met berkenvruchtjes. Te 18.20 nog
slechts enkele © © daarop rondloopend. 26 Aug. Vierde vliegdag, alleen 9 @. Van
8 opgepakte werksters zijn 3 Sfrong. (dus buiten verhouding veel.) 27 Aug. Vijfde
vliegdag, tegelijk met een tweede Strong-volkje, 115 M. verder, ook alleen 9 9, maar
zonder gevolg van werksters. 28 Aug. 6e Vliegdag. Daarna niet weer. — Ofschoon
de Strong.-werksters, voor zoover te zien was, terugkeerden, en de waarneming dus
onvoltooid bleef, lijkt dit veel op een rudimentair zwermen (hesmosis), zooals
men bij de honingbij en bij verscheidene tropische Vespinen vindt, en onder de mieren
bij Carebara, waar het reusachtige wijfje aan de tarsharen enkele werksters op de br.
vl. meeneemt. Spr. beveelt dit verschijnsel in de aandacht van entomologen aan die
gelegenheid hebben in den nazomer Sfr.-nesten te bezoeken. Er is zeer weinig over
de bruidsvlucht van Sfr. bekend. Forel 1874 zegt nadrukkelijk dat de uitzwermende
Str. uitsluitend door Tefr. gevolgd werden. In het glasnest hield bij mij in vroegere
proeven het Sfrong.-moertje zich angstvallig in de onmiddellijke nabijheid der veel
grootere Tefr.-moer, en had eveneens een gevolg van 3 à 5 Strong.-werksters.
Zusammenfassung. Adoption des Weibchens Lasius fuliginosus Latr. kann exp. auch
direkt bei L. niger und L. alienus erfolgen, ohne den Umweg über ein umbra-
tus-Stadium. Gefl. wie entflügelte niger-Weibchen werden dann von den
eigenen niger- 8 3 getötet. — Andeutung von Hesmosis bei Strongylognathus
testaceus. i
Résumé. Observations exp. d'adoption de la Lasius fuliginosus © chez. L. niger et
L. alienus et chez une fourmilière meridionalis Bondr. qui à son tour vivait été
faite exp.. et vivait dans un nid artif. depuis 3 ans.
Summary. Records of experimental adoption of Lasius fuliginosus-females in L. niger
and L. alienus colonies, without the interlude with umbratus, and exp. adoption
L. ful. 9 by L. meridionalis Bondr. which had been got by exp. adoption
and lived in a glass-nest since 3 years. — Traces of swarming (Hesmosis)
with Strongylognathus.
Vroege Macrolepidoptera in 1943 en vondsten van zeldzame soorten,
De heer T. H. van Wisselingh doet eenige mededeelingen over het verschijnen van
lepidoptera in het jaar 1943.
De buitengewoon zachte winter en het vroege voorjaar hebben in sterke mate invloed
uitgeoefend op het verschijnen van vele soorten macrolepidoptera, welken invloed ook
thans, begin Juli nog merkbaar is. Vele soorten verschenen vroeger, sommige veel
vroeger dan de vroegste in de catalogus der Nederlandsche Lepidoptera van Lempke
genoemde data. Een aantal der door Spr. in 1943 waargenomen soorten is met ver-
melding van de data van eerste waarneming in onderstaanden staat opgenomen.
(p. LXIV).
Voorts was opvallend het geringe aantal exemplaren van Orthosia-(Taeniocampa)
soorten, dat in 1943 werd aangetroffen; van de meest gewone soorten, als O. stabilis
Schiff, O. incerta Hufn., O. cruda Schiff. en gothica L. verschenen slechts enkele
exemplaren op de stroop.
Spr. maakt verder nog melding van de vangst van eenige zeldzame lepidoptera.
Eulype (Larentia) hastata L.. gewoonlijk zeer zeldzaam, vloog in Mei op vele plaat-
sen op de Veluwe in aantal in dennenbosschen waar veel boschbessen staan. Op 23 Mei
ving Spr. tusschen Elspeet en Apeldoorn 25 stuks; de soort vloog overal waar bosch-
en groeiden. Ook in Zuid-Limburg vond Spr. deze soort einde Mei op verschillende
plaatsen.
Volgens de literatuur zou de rups van hastafa L. tusschen bijeengesponnen bladeren
nn E :
LXIV VERSLAG.
van berk leven in tegenstelling met die van subhastata Nolchen, die op boschbessen
voorkomt. g
Doordat hastata alleen werd gevonden bij boschbessen, ook op plaatsen waar berken
geheel ontbraken, twijfelde Spr. aan de juistheid van de mededeeling dat hastata alleen
op berk zou leven. Hij heeft daarom de van een der gevangen 9 9 afkomstige jonge
rupsjes berk en boschbessen voorgezet. De rupsjes bleken alle aan boschbessen de
voorkeur te geven; van het berkeblad werd niet gegeten. Tengevolge van uitstedig-
heid is de verdere kweek mislukt. Toch is wel gebleken, dat hastata L. ook boschbes
als voedselplant heeft. )
Eupithecia lariciata Frr. is nog slechts eenige jaren geleden als nieuw voor de Ne-
derlandsche fauna ontdekt. Spr. ving deze soort in 1943 op 23 Mei te Wiesel ten
N. van Apeldoorn en eind Mei en begin Juni in aantal in de omgeving van Epen L.
In Zuid-Limburg vond Spr. de soort overal waar larix stond; hij is van meening, dat
lariciata veel minder zeldzaam is dan wordt gemeend. De vlinders zijn echter moeilijk
te vinden, ze zitten hoog tegen de larixstammen, meestal 3 a 4 m. boven den grond
tusschen de takken ‚tengevolge waarvan ze weinig opvallen en moeilijk zijn te be-
machtigen.
Eupithecia bilunulata Zett (abietaria Goeze) was einde Mei in Zuid-Limburg op
verschillende plaatsen in dernenbosschen te vinden.
De zeer zeldzame Hesperia sertorius Hffms. (sao Hb.) ving Spr. op 31 Mei op den .
Welterberg bij Heerlen.
Parasemia plantaginis L. vloog in het geheele gebied tusschen Epen en Vaals tal-
rijk. Van de 25 gevangen 4 4 behoorden 5 tot de ab hospita Schiff. met witte achter-
vleugels; de overige 4 4 hadden alle gele achtervleugels, doch van twee was de
grondkleur der voorvleugels zuiver wit inplaats van licht of donkerder geel.
Ten slotte vermeldt Spr. nog de vangst van Leucania comma L. op 5 October 1942
op stroop te Wassenaar. Dit is de eerste maal dat in ons land het voorkomen van
een tweede generatie van deze soort is waargenomen.
Vroegste datum Waargenomen in
Sodi cat. Lempke 1943
Aglais urticae L.
overwinterd Maart 22 Februari
le generatie half Juni 31 Mei
Pieris brassicae L. 2e helft Mei 23 April
Pieris rapae L. Sinne 31 Maart 21 Maart
Parage megera L. . . - begin Mei 5 Mei
Lophopteryx camelina L. . 25 April 23 April
Ochropleura plecta L. . 1 Mei 20 April
Naenia typica L. ae 17 Mei 9 Mei
Agrotis ditrapezium Bk . 16 Mei 13 Mei
Triphaena orbona Hufn, . 30 Juni 22 Juni
Polia nebulosa Hufn. . 1 Juni 1 Juni
Polia advena F. . SR 13 Juni 29 Mei
Melanchra persicariae L. . 6 Juni 28 Mei
Bijzondere Vlinders voor de Nederlandsche Fauna.
De heer G. A. Bentinck vermeldt en vertoont het volgende :
I. Verleden najaar ontving hij een partij Abies nobilis kegels van Dr. Th. C. Oude-
mans uit Putten, die beweerde dat deze erg aangetast waren door een Microlepi-
dopteron. Dit bleek juist te zijn, want op 30.5.’43 vertoonde zich het eerste dier, nl.
een ex. van Dioryctria abietella F., een soort als zeldzaam bekend, doch thans schade-
lijk optredend. Geen meer exx. vertoonden zich, behalve een sluipwesp met zeer lange
legboor, die half Juni verscheen. Spr. vraagt den aanwezigen wie dit laatste dier kent.
IT. Twee exx. van Lithocolletis viminiella Stt., gekweekt uit Salix viminalis mijnen
uit Overveen. Eenige jaren geleden ontdekte Spr. deze nieuwe soort voor de Nederl.
fauna. (Zie DI. 81 p. XLVIII en LXXXIX.)
III. Een ex. van Incurvaria koerneriella Z. gekweekt uit een zakje, gevonden te
Amerongen. In DI. 84. p. XLVIII beschreef Spr. reeds zulke zakjes, samengesteld
uit elliptisch uitgesneden stukjes beukenblad.
IV. Verscheidene exx. van Acrolepia assectella Z. overwinterende in huis te Ame-
rongen en wel tot de maand Mei.
„VERSLAG. LXV
- V. Narycia monolifera Geoffr. als imago gevangen te Amerongen. Spr. treft deze
| soort veel aan als rups, ze kweekt gemakkelijk, doch als imago had Spr. de soort nog
nooit aangetroffen.
VI. Een ex. van Argyresthia cornella F. op 4.643 te Meerssen, gevangen.
VII. Een merkwaardige perkamentachtige Neuropteron, in April gevangen te Ame-
rongen. Spr. had reeds eerder zulk een ex. gevangen te Aerdenhout. Volgens den
heer Geyskes was het destijds iets heel bijzonders, Spr. vraagt den aanwezigen wie
deze soort kent.
De Voorzitter deelt den heer Bentinck mede dat dit Neuropteron Drepanopteryx
phalaenoides L. is.
* Dipterocecidiën op een paddenstoel.
De heer G. L. van Eyndhoven vermeldt de vondst van een paddenstoel, behoorende
tot de Agaricaceeën of Plaatzwammen, waarop gallen voorkomen. De zwam be-
hoort tot het genus Conocybe Fayod (= Galera (Fr.) Quél. p.p.) en werd een week
tevoren (27 Juni 1943) door Spr. verzameld op het landgoed Leyduin bij Vogelenzang.
De diameter van den hoed is 23 mm. De lamellen vertoonen 5 gallen: van = 6 X 24
mm, welke zijn ontstaan doordat telkens 2 à 3 lamellen onder invloed van een prikkel
zijn vervormd tot een soort hollen knobbel. Spr. heeft een dier gallen voorzichtig
losgemaakt en onderzocht, waarbij hem bleek, dat zich daarin een wit larfje bevond
van omstreeks 114 mm lengte, zonder chitineuze bestanddeelen. Helaas is het niet
gelukt het dier op te kweeken. Prof. Dr. J. C. H. de Meïjere, aan wien Spr. een
schets van de larve liet zien, vermoedt, dat wij hier met een Cecidomyide te maken
hebben.
De zwam bevindt zich thans in de collectie van Prof. Dr. W. M. Docters van
Leeuwen. Daar het materiaal zich niet voor demonstratie leent, moet Spr. vol-
staan met het rondgeven van een teekening, welke een en ander poogt weer te geven.
De gebruikelijke handboeken over gallen geven geen uitsluitsel, ofschoon van Aga-
ricaceeën wel een gal op de lamellen wordt vermeld, die echter volgens de beschrijving
geheel anders moet zijn. De vondst is nog van te recenten datum dan dat Spr. ge-
legenheid heeft gehad verder in de literatuur te zoeken. Hij hoopt hierop dan ook
nog later terug te komen. Inmiddels vestigt hij evertwel de aandacht der aanwezigen
op het voorkomen van dergelijke gallen en hij houdt zich ten zeerste aanbevolen voor
toezending van materiaal, liefst in verschen (niet geconserveerden) toestand.
Hemiptera Heteroptera,
De heer W. H. Gravestein demonstreert een aantal dieren van een recente vangst
eener zeer zeldzame ,,graswants’: Terafocoris antennatus Boh. Het dier was bekend
van enkele exemplaren van Zierikzee, in 1879 door Fokker verzameld. Daarna
werd eerst in 1931 door Dr. Reclaire bij Kortenhoef één 4 gevangen. Verleden
jaar ving Spr. zelf een © in ,,t Bosch” te A'dam.
Dan is dit de vierde vindplaats en nu in aantal, nl. het Ilperveld, gemeente Lands-
meer, op 27-6-'43.
De dieren werden door Spr. geklopt van Scirpus maritimus een plant, die reeds door
Butler als gastplant werd aangegeven. (Zie ook Nederl. Naamlijst van Dr.
Reclaire).
Het grootste deel der dieren van deze vangst is brachypteer en wordt vertegenwoordigd
door 9 9. Zij zijn alle ongeteekend, waarschijnlijk nog niet voldoende uitgekleurd.
Er is één 4, dat beantwoordt aan de beschrijving van het type em één & dat
gelijk is aan de var, bohemani Stich.
Verder zijn er twee © ® macropteer.
Mierenleeuwen en een nieuwe Psocide.
De heer H. A. Bakker deelt mede, dat de mierenleeuwlarven, door hem in den
zomer van het vorige jaar te Diever in Drente verzameld en als larven van Myrmeleon
formicarius L. beschouwd, voor eem deel zijn uitgekomen en inderdaad alle tot deze
soort blijken te behooren. Hiermede staat nu wel vast, dat deze soort zoowel onder
beschutte randjes als op meer open plaatser zijn kuilen; maakt, doch een voorkeur
heeft voor de open plaatsen en slechts bij toeval op meer beschutte plaatsen voorkomt.
Spr. heeft ook kunnen constateeren, dat beide wijzen van kuilbouw, zooals die op de
wintervergadering ter sprake kwamen door beide soorten worden toegepast. De waar-
LXVI VERSLAG.
genomen verschillen berusten dus niet op verschil tusschen de geobserveerde soorten.
Sedert geruimen tijd wordt Euroleon nosfras (Fourcroy) hier en daar in onze duinen
waargenomen en-dit schijnt evenals het meer frequente voorkomen van M. formicarius
te wijzen op een migratie van onze beide mierenleeuwen. Dr. Mac Gillavry
deelde Spr. mede, dat het daarom van belang zou zijn na te gaan of op het vroegere
buiten van Snellen van Vollenhoven ook mierenleeuwen voorkwamen.
Deze, die zich er op beroemde de larven beter dan anderen te kunnen vinden zal deze
zeker op zijn eigen terrein niet over het hoofd hebben gezien. Mochten daar dus
mierenleeuwen gevonden worden dan is migratie sedert de tweede helft der vorige
eeuw zoo goed als zeker.
In verband met het voorkomen van mierenleeuwen in onze duinen is ook van belang
het voorkomen van Acanthaclisis occitanica Vill. op de Frische Nehrung, een mieren-
leeuw uit het mediterrane gebied met zijn noordelijkste vindplaatsen in Oostenrijk,
Wallis en bij Reims (Speiser, Südliche Elemente in der altpreussischen Tierwelt ;
Schr. Phys. ökon. Ges. Königsb., 1927, Bd. 65, H. 2, p. 106). In de duinen heerscht
daar een microklimaat, dat van het klimaat van zuidelijker streken niet veel verschilt.
Evenals het niet voorkomen van mierenleeuwen in Engeland zou ook dit op een post-
glaciale uitbreiding in noordelijke richting kunnen wijzen, waarbij de noordgrens op
het oogenblik in Zuid-Zweden is gelegen.
Van den heer Evenhuis in Groningen ontving spreker vier exemplaren van
de Psocide Bertkauia lucifuga (Ramb.), waarvan de 9 9 ongevleugeld zijn. Deze
soort is nieuw voor onze fauna, en de op 5 en 6 September te Roden onder bladeren
en takken gevonden exemplaren zijn alle wijfjes. Naar de heer Evenhuis hem
mede deelde komt deze soort geregeld te Rhoden voor. Deze soort leeft vaak samen
met een roodachtige zwartbruine Sminthuride met sneeuwwitte antennen Pfenothrix
afra (L.), die waarschijnlijk op dezelfde vindplaats zou zijn aan te treffen.
Niets meer aan de orde zijnde wordt de vergadering door den Voorzitter onder
dankzegging aan de sprekers gesloten.
RUE x
WE
In memoriam Dr. À. C. Oudemans
12 Nov. 1858-14 Jan. 1943
door
G. L. VAN EYNDHOVEN
Haarlem
(Met twee portretten)
„De toekomst zal leeren, in
hoeverre ik goed of verkeerd
geoordeeld heb.”
Oudemans, 70e Winter-
verg. Ned. Ent. Ver. 1937. (Opus
570, p. XIV).
Bovenstaande woorden kwamen mij in de gedachte, toen ik het bericht ontving, dat
ons eerelid Dr. A. C. Oudemans, tevens het oudste lid onzer Vereeniging en
nestor der Acarologen, op 14 Januari 1943 te Arnhem was overleden, Zij werden
door hem uitgesproken op een der laatste vergaderingen, welke hij in verband met
zijn gezondheidstoestand kon bijwonen, en waarop hij een nieuwe opvatting met be-
trekking tot de Acari naar voren bracht, welke de systematiek dezer groep tot in haar
grondvesten aantastte.
Ik citeer die woorden hier, omdat zij zoo uitstekend den grooten geleerde kenmerken,
die gedurende 65 jaar werkzaam is geweest op het zoo moeilijke gebied der systematiek
zonder nochtans ooit iemand zijn meening op te dringen of die van anderen te ne-
geeren, en die er daarom ook niet voor terugschrok op het hoogtepunt van zijn roem
een nieuw inzicht te uiten van zoo ingrijpenden aard, dat het zeker niet zonder ver-
weer door al zijn vakgenooten zou worden aanvaard.
Ik wil trachten in het volgende de beteekenis te schetsen, welke Oudemans.
voor de wetenschap heeft gehad. Het innige verband, dat bij zijn persoon tusschen
de begrippen mensch en geleerde bestond, maakt, dat ik dit niet kan doen zonder
hier en daar ook iets dieper in te gaan op zijn eigenschappen als mensch, als leeraar
en als vriend.
Dr. Anthonie Cornelis Oudemans werd 12 November 1858 te Batavia
geboren als zoon van Prof. Dr. J. A. Chr. Oudemans, die als hoofd-ingenieur
van den Geographischen Dienst in Nederlandsch-Indië en als sterrenkundige grooten
naam heeft gemaakt. Zijn grootvader was A. C. Oudemans, schrijver o.a. van
„Bijdragen tot een Middel- en Oud-Nederlandsch Woordenboek’. Twee zijner ooms
waren Prof. Dr. A. C. Oudemans, een verdienstelijk scheikundige en Prof. Dr. C.
A. J. A. Oudemans, de beroemde botanicus en mycoloog. Een zijner broeders,
G. J. Oudemans, bracht het tot resident der Preanger Regentschappen op Java;
een zijner neven, zoon van Prof. Dr. C. A. J. A. Oudemans, was Dr. J. Th.
Oudemans uit Putten, vele jaren president onzer Nederlandsche Entomologische
Vereeniging. De thans ontslapene heeft er dus toe bijgedragen de wetenschappelijke
traditie der familie hoog te houden,
Reeds op jeuadigen leeftijd werd Oudemans naar Nederland gezonden om
daar zijn opleiding te ontvangen. In 1871 kwam hij te Arnhem op de H.B.S. met
5-jarigen cursus, in 1878 werd hij student in de biologie te Utrecht, waar hij in 1885
zijn studie voltooide.
Als jong student sloot hij zich aan bij de Nederlandsche Entomologische Ver-
eeniging, waar hij in 1879 zijn eerste bijdrage leverde tot de acarologie (op. 2).
Gaarne zou hij ook op een acarologisch onderwerp zijn gepromoveerd; zijn promotor,
2 G. L. VAN EYNDHOVEN,
Prof. Dr. A. A. W. Hubrecht, dacht er evenwel anders over. Zelf werkzaam op
het gebied der Snoerwormen (Nemertini), verlangde hij van zijn promovendus een
studie over hetzelfde onderwerp en aldus ontstond de „Bijdrage tot de kennis van het
bloedvaatstelsel en de nephridia der Nemertinen’ (op. 12), kort daarna ook in de
Engelsche taal verschenen (op. 13), welke in vakkringen zeer veel waardeering vond.
In 1886 werd Oudemans directeur van het Zoölogisch-Botanisch Genootschap
te 's-Gravenhage, in welke functie hij 8 jaar, tot Januari 1895, werkzaam bleef. Op
verschillende punten weken zijn inzichten echter af van die zijner superieuren, zoodat
hij ten slotte besloot ontslag te vragen. Hij werd leeraar in de biologie te Sneek en
daarna, in 1896, te Arnhem aan dezelfde H.B.S. waar hij als schooljongen in de ban-
ken had gezeten. Na 27 jaar, in December 1923, toen hij als 65-jarige den pensioen-
gerechtigden leeftijd had bereikt, trad hij af.
Zoodra hij zijn geheelen tijd ter beschikking had, installeerde Oudemans zich
geheel als acaroloog, werkte van den ochtend tot den avond en schreef nog ruim 100
kleinere en grootere publicaties, waaronder zijn zeer omvangrijk „Kritisch Historisch
Overzicht der Acarologie’, dat van 1926 af in druk verscheen.
Over zijn particuliere leven sprak Oudemans niet veel en ik zal dit hier ook
eerbiedigen. Nadat hem tweemaal een geliefde echtgenoote door den dood was ont-
rukt, woonde hij gedurende 22 jaar samen met Mej. J. B. Bruyn, leerares in de
aardrijkskunde, die de huishoudelijke zorgen van hem wegnam. Door haar heeft hij onge-
stoord zijn wetenschappelijken arbeid kunnen voortzetten en is hem in de laatste jaren
zijns levens, toen zijn gezondheid achteruitgaande was, een liefderijke verpleging deel-
achtig geworden.
Ondanks de verzwakking zijner krachten bleef zijn geest helder en tot in Januari
1943 correspondeerde hij met zijn vakgenooten over wetenschappelijke onderwerpen.
Op 8 Januari schreef hij zijn laatsten brief aan mij, den 10en begon de inzinking, die
op 14 Januari den dood ten gevolge had. De teraardebestelling vond plaats op den
19en Januari. Op zijn uitdrukkelijk verzoek waren er geen bloemen en werd aan het
graf niet gesproken. Vele vrienden, leeraren en oud-leerlingen waren echter gekomen
om de eenvoudige plechtigheid bij te wonen. Ook het Bestuur onzer Vereeniging was
hierbij vertegenwoordigd.
De hierbij gevoegde portretten geven hem weer op 35-jarigen leeftijd, zooals alleen
de ouderen onzer leden hem zich nog herinneren, en op omstreeks 80-jarigen leeftijd,
zooals wij allen hem hebben gekend.
De bescheiden aard van Oudemans maakte, dat hij in het dagelijksch leven
weinig op opvallende wijze op den voorgrond trad. Door zijn functie als leeraar en
als voorzitter van de Afdeeling Arnhem der Nederlandsche Natuurhistorische Ver-
eeniging, was hij evenwel in zijn woonplaats een zeer bekende persoonlijkheid en de
groote belangstelling aan het graf weerspiegelde de genegenheid, die men hem alge-
meen toedroeg. Helaas heb ik hem niet zelf als leeraar gekend, doch gesprekken met
oud-leerlingen laten geen twijfel bestaan aan de prettige wijze, waarop hij pleegde te
doceeren. Men leze slechts, wat hieromtrent in de Arnhemsche Courant!) en in de
Nieuwe Rotterdamsche Courant?) is geschreven. Door zijn prettigen omgang met de
jongeren en zijn groote algemeene kennis, werd hij door hen niet slechts geraadpleegd
voor kwesties, welke met het leervak plant- en dierkunde in verband stonden, doch ook
met betrekking tot moeilijk te begrijpen onderwerpen uit andere vakken of zelfs
moeilijkheden van particulieren aard.
In de jaren 1901—1903 verscheen zijn „Leerboek der Natuurlijke Historie” (op.
114, 136, 137), waarin hij poogde den nadruk te leggen op het verband tusschen het
vele, dat de natuur biedt en hierdoor de stof voor de leerlingen aantrekkelijker te
maken dan veelal het geval is. Hij slaagde hierin volkomen; de waarde van zijn
leerboek werd erkend en het werd op de scholen toegelaten. Toch was er een groot
bezwaar aan verbonden: andere scholen in het land volgden het oude systeem en
deze omstandigheid leverde moeilijkheden op bij overplaatsingen van leerlingen. Het
gevolg was, dat er ten slotte van werd afgezien het leerboek te gebruiken, hetgeen men
slechts kan betreuren.
Bij zijn aftreden als leeraar viel hem een huldiging ten deel, die klonk als een klok.
Een zeer groot aantal leerlingen en oud-leerlingen werkte er aan mede!
Het historische element interesseerde Oudemans altijd bijzonder. Ik kom daarop
nog terug bij het behandelen van de acarologie. Met name komt deze voorliefde voorts
tot uiting in zijn geschriften over de Zeeslang en over de Dodo's.
1) R. W. B. in: Arnh. Crt. 12.X1.1938. 2e bl, p. 1, kol 5.
2) A.B. van Deinse in: Nwe rotterd. Crt. 18.1.1943, p. 2, kol. 6.
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 3
Aan zijn groote werk „The Great Sea-Serpent' (op. 37), werkte hij van 1889 tot
1892. Hij ging hierbij uit van de veronderstelling, dat de talrijke berichten over dit dier
niet alle op louter fantasie konden berusten, doch dat er zeker iets moest bestaan,
dat tot deze verhalen aanleiding gaf. Zorgvuldig verzamelde hij alle gegevens, ver-
geleek ze, en kwam tot de conclusie, dat er verschillende punten waren, waarin de
mededeelingen met elkaar overeenstemden. Gedachtig aan het feit, dat er meer dieren
in de zee voorkomen, waarvan het bestaan oorspronkelijk werd ontkend, zooals b.v.
de Reuzeninktvisschen, kwam hij tot de overtuiging, dat de zeeslang inderdaad bestond
A. C. OUDEMANS op 35-jarigen leeftijd.
en hij ontwierp een dier, dat de resultante vormde van de gegevens uit de verhalen en
dat geen reptiel, dus geen „slang zou zijn, doch een zoogdier van langgestrekten
bouw, behoorende tot de Pinnipedia (Zeeleeuwen e.d.).
Ik geloof wel, dat men het hem in zoölogische kringen min of meer kwalijk heeft
genomen, dat hij geloof hechtte aan de verhalen der zeelieden. Het heeft hem niet
gedeerd ; het was zijn eerlijke overtuiging, dat het dier kon bestaan en dat de simpele
bewering der zoölogen, dat het dier nog nooit was gevangen, geen afdoend bewijs
voor het tegendeel vormde.
Later publiceerde hij nog eenige kortere mededeelingen omtrent dit onderwerp (o.a.
op. 145, 183, 184, 187, 197), doch eerst toen het „monster van Loch Ness” gesigna-
leerd werd en er een goede kans bestond, dat ditmaal een „zeeslang’ in handen der
zoölogen zou geraken, leefde zijn belangstelling weer ten volle op. Hij verzamelde alle
gegevens omtrent het dier van Loch Ness, correspondeerde met de Engelsche onder-
zoekers, daarin bijgestaan door ons medelid Ir. G. A. Graaf Bentinck, en legde
de resultaten van zijn bevindingen neer in een geschriftje, dat bij Brill te Leiden werd
uitgegeven (op. 554) en in een serie artikelen in „De Levende Natuur (op. 555,
556, 558, 559).
Helaas heeft hij het niet meer mogen beleven, dat het bewuste dier werd gevangen
en het is de vraag, of de kans daarop ook voor later niet reeds is verkeken. Daar
het dier zwaarder is dan water, zal het, indien het zijn natuurlijken dood sterft, zinken.
Niettemin kan niet worden ontkend, dat de waarnemingen, aan het monster van Loch
Ness verricht, merkwaardig goed overeenkomen met de eigenschappen van het dier,
4 G. L. VAN EYNDHOVEN,
dat door Oudemans 40 jaar eerder, in 1892, op grond van zijn onderzoek der
bestaande verhalen was ontworpen.
In 1917 verscheen zijn publicatie ,,Dodo-studién” (op. 382, tevens 388). De directe
aanleiding was de ontdekking van een gevelsteen te Vere, welke de afbeelding van
een Dodo vertoont met het jaartal 1561. Dat was in Augustus 1909; eerst in 1912
kon het verzamelen van gegevens beginnen en het is interessant te lezen, hoeveel moeite
het heeft gekost om zooveel mogelijk oude verhalen en afbeeldingen bijeen te brengen
en daaruit conclusies te trekken. Het is verblijdend te zien, hoeveel personen, door
hem in verband met zijn onderzoek aangeschreven, hem bereidwillig hebben ingelicht
en hem kostbare eigendommen in leen hebben afgestaan.
In tegenstelling met de Zeeslang is het voorkomen der Dodo's niet twijfelachtig.
De moeilijkheid is slechts, dat alle (minstens 3) soorten reeds lang zijn uitgestorven
(uitgeroeid door menschenhanden), zoodat men alle conclusies moet afleiden uit vond-
sten van beenderen, oude scheepsverhalen, prenten en schilderijen en daarbij tevens
moet laveeren tusschen. vele juiste en onjuiste interpretaties daarvan, die in den loop
der jaren door allerlei schrijvers zijn gepubliceerd.
Zooiets was juist werk voor Oudemans. Hij stelde een lijst samen van 70
volksnamen en een literatuurlijst van omstreeks 450 titels. Van den Gewonen Dodo
van Mauritius (Raphus cucullatus L. 1758) geeft hij een opsomming van 124 afbeel-
dingen; van den Witten Dodo van Mascarenhas (Apterornis solitarius Selys 1848)
48 afbeeldingen. De 3e soort, de Solitaire van Rodriguez, Pezophaps folitarius (L.)
Gmel. 1788 (spelling van den oudst gegeven naam) is veel minder bekend en er be-
staan slechts enkele afbeeldingen van.
Belangrijk is de critische verwerking van al dit materiaal, waardoor de soortsver-
schillen, sexueele en getijde-verschillen, het uiterlijk, de kleuren’ en de biologie beter
bekend zijn geworden.
Voor ik overga tot de behandeling der entomologie wil ik nog vermelden, dat de
veelzijdigheid van Oudemans zich uitte in geschriften van allerlei aard. Men vindt
ze in de literatuurlijst vermeld. Ik noem meer speciaal: Geïllustreerd Hoenderboek
(op. 19), Beknopte Zak- en Schoolflora (op. 71), Onze Flora (op. 109), Voorloopige
lijst van Nederlandsche Volksnamen van Planten (als medewerker) (op. 152), Neder-
landsche Plantennamen (als medewerker) (op. 213), Diepzee-onderzoek en diepzee-
dieren (op. 215—219), Woordenboek der Nederlandsche Volksnamen van Planten
(als medewerker) (op. 225).
Overtuigd van het belang de liefde tot de natuur bij zooveel mogelijk menschen op
te wekken, droeg hij de Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging een warm hart toe.
Jarenlang was hij voorzitter van haar afdeeling Arnhem en deze benoemde hem bij
zijn aftreden tot haar eerelid. Uit dit streven komen ook de talrijke publicaties voort
in de dagbladen en in ,, Natura”. In „De Levende Natuur” schreef hij een lange serie
„Opmerkingen bij het lezen van De Levende Natuur. In „De Hoogere Burgerschool
Koerier" schreef hij voor de leerlingen korte samenvattingen van waarnemingen, die
van maand tot maand konden worden gedaan. i
Menigvuldig zijn zijn korte publicaties in allerlei tijdschriften met betrekking tot
onderwerpen van natuurlijke historie, zoölogie, ornithologie, dierpsychologie, natuur-
kunde enz.
Van verschillende wetenschappelijke vereenigingen is hij jarenlang lid geweest. Ik
noem daarvan de Nederlandsche Dierkundige Vereeniging, de Nederlandsche Ornitho-
logische Vereeniging en de Nederlandsche Entomologische Vereeniging. Voor laatst-
genoemde heeft hij langen tijd deel uitgemaakt van de Redactie en zij heeft zijn ver-
diensten zoowel voor de Vereeniging als voor de wetenschap willen erkennen door
hem in 1932 tot eerelid te benoemen.
Naast zijn wetenschappelijk werk ging zijn belangstelling ook uit naar de muziek.
Jaren achtereen bezocht hij geregeld de uitvoeringen der Arnhemsche Orkest Vereeni-
ging, tot ten slotte zijn gezondheidstoestand het hem onmogelijk maakte zich daarheen
te begeven.
Ik zal dit gedeelte besluiten met de vermelding, dat Oudemans als lid van onder-
scheidene commissies nuttig werk heeft verricht in het belang van stad, land en weten-
schap, en zal mij thans verder bepalen tot de entomologie.
Het was oorspronkelijk geenszins Oudemans’ bedoeling de entomologie en meer
speciaal de acarologie tot onderwerp zijner studiën te maken. Integendeel, de ornitho-
logie had zijn belangstelling. Kleine oorzaken hebben echter vaak groote gevolgen en
de oorzaak lag bij een eenvoudige Huismusch (Passer domesticus domesticus L.). De
zoojuist gestorven, nog warme musch had hij ter bestudeering op zijn werktafel ge-
legd. Bij zijn terugkomst constateerde hij, dat een menigte zeer kleine diertjes het
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 5
inmiddels afgekoelde lichaampje verlieten en het toeval wilde, dat de bewuste mijten,
Analges passerinus (L. 1758) s. lat., in het 4 geslacht zeer opvallend waren door de
enorme afmetingen van het 3e pootpaar. Enthousiast geworden door het beeld, dat
een blik door den microscoop opleverde, werd hij geprikkeld tot verder onderzoek.
Het onderwerp liet hem niet meer los en zoo ontwikkelde zich uit den ornitholoog een
acaroloog. ;
Het begon heel bescheiden met een opsomming van de soorten, welke hij ter ver-
gadering liet rondgaan en waarvan hij meende de juiste namen te hebben gevonden
aan de hand van het werk van Andrew Murray: Economic Entomology,
Aptera, 1877. Op deze mededeeling (op. 2) volgde na een paar jaar een rectificatie
(op. 3).
Oudemans placht te zeggen, juist ook in de laatste jaren zijns levens: ,,De
acarologie staat nog in de kinderschoenen”. In verhouding tot deze uitspraak mogen
wij wel zeggen, dat zij zich, toen hij in 1879 met de studie begon, nog in de windselen
bevond. Weliswaar bestonden er talrijke korte mededeelingen! over Acari in tijdschriften
en boeken, terwijl een 40-tal jaren tevoren C. L. Koch zijn beroemde werken op het
gebied der Spinachtigen publiceerde, doch van een wetenschappelijke acarologie kon
men nauwelijks spreken. Toch waren er eenige personen, die zich reeds eenige jaren
zeer verdienstelijk met de ecarologie bezig hielden en van wie ik wil noemen:
P. Kramer, G. Haller en A. D. Michael. Eerstgenoemde ontwierp reeds
in 1877 een systeem der Acari, dat ondanks de niet te vermijden fouten veel inhield,
dat als grondslag voor latere systemenl kon dienen.
In 1881 verscheen de eerste publicatie van Antonio Berlese, die in de jaren
1882—1898 in talrijke afleveringen een fraai plaatwerk deed verschijnen: Acari, My-
riopoda, Scorpiones hucusque in Italia reperta. Ook Michael heeft in later jaren
vele gekleurde platen) van Tyroglyphiden en Oribatiden het licht doen zien, terwijl
hij door moeizame kweekproeven veel heeft gedaan om onze kennis van de biologie
en ontwikkeling dezer dieren te verrijken.
Weldra nam Oudemans temidden van hen een eervolle plaats in. Het „systeem
is daarbij wel een van de onderwerpen geweest, die hem het meest interesseerden.
Daaraan heeft hij zijn geheele leven gewerkt, steeds bezig verbeteringen en wijzigin-
gen aan te brengen, als zijn nieuwe inzichten, hem daartoe aanleiding gaven. Velen
hebben met hem in den loop der jaren aan het systeem hun krachten gegeven, dikwijls
zeer verdienstelijk, Vooral moet in dit opzicht Enzio Reuter worden genoemd.
Op dezen auteur baseerde Oudemans zijn op. 460, waarin hij alles neerlegde wat
volgens zijn inzichten het meest een natuurlijk systeem nabijkwam (1923). De hoofd-
zaken hiervan zijn nog steeds van kracht. Een niet gering gedeelte van dit succes had
hij te danken aan zijn gave het juiste verband te (zien tusschen, ,,kleinigheden”, die
anderen ontgaan waren of waaraan zij niet de waarde meenden te mogen toekennen,
welke hij daaraan hechtte. In vele gevallen echter werd hij door de ontwikkeling onzer
kennis in het gelijk gesteld. Omtrent dit onderwerp raadplege men vooral zijn opera
4, 9, 16, 135, 189, 191, 254 en 460.
In 1937 uitte hij de woorden, welke ik als motto boven dit „In Memoriam” plaatste.
Zijn mededeeling van destijds beteekende een omverwerpen van de oude traditie vol-
gens welke de mijten als een gezamenlijke groep werden beschouwd. Uitgaande van
het standpunt, dat dieren met vrije of vaste coxae niet nauw met elkaar verwant
kunnen zijn, ging hij er toe over onderscheid te maken tusschen Soluticoxata en Fixi-
coxafa (s. Arachnoidea)(op. 570). Tot de eerstgenoemde groep zouden dan, voor
zoover het de Acari betreft, de Nofostigmata, Holothyridae en Mesostigmata behoo-
ren, tot de tweede de Acari sensu stricto (= Trombidi-Sarcoptiformes), de Ixodides
en de Spinturnicidae. In 1940 heeft hij deze verdeeling nog verder ontwikkeld, waarbij
hij de dieren met vaste coxae in 3 groepen splitste, nl. de Spinturnicidae, de Ixodides
en de Arachnoidea. Tot de Arachnoidea behooren van de mijten dan nog slechts de
Trombidi-Sarcoptiformes (op. 583).
Deze opvatting is nog niet algemeen aanvaard, integendeel, zij wordt nog bestre-
den. Het heeft geen doel hier dieper op deze kwestie in te gaan, daar de tijd hiervoor
nog niet rijp is. Slechts wil ik zeggen, dat Oudemans mij bij een onzer laatste
gesprekken nog eens zeide er vast van overtuigd te zijn, dat men vroeg of laat ge-
noodzaakt zou worden zijn opvatting althans in groote trekken te aanvaarden.
Oudemans was ook beroemd om zijn prachtige teekeningen. Van het begin af
aan heeft hij er naar gestreefd werkelijk natuurgetrouwe afbeeldingen te geven. Ik
noemde reeds de publicaties van Berlese en Michael. Zij hebben bij al hun
verdienste het bezwaar „meer artistiek dan natuurgetrouw’ te zijn. Geleidelijk heeft
men het belang van goede afbeeldingen leeren inzien en het latere werk van Ber-
6 G. L. VAN EYNDHOVEN,
lese b.v. is in dit opzicht veel beter dan zijn ,, Acari, Myriopoda, Scorpiones hucusque
in Italia reperta”. i
Al teekenende ontdekte Oudemans veel bijzonderheden, welke anderen ontgaan
waren en zijn succes heeft meermalen bij de collega's den indruk gewekt, dat hij
„mit überlegenen optischen Hilfsmitteln” en ,,mit einer 2550-fachen Vergrösserung”
werkte. Niets is minder waar. Zijn microscoop dateerde van 1895 en had een betrek-
kelijk ouderwetsch statief; er waren geen andere lenzen bij dan die, waarover een
ieder kan beschikken. Echter, de lenzen waren prima en de microscopische beelden
werden critisch en met kennis van zaken bekeken. Afgezien daarvan evenwel heeft
Oudemans veel baat gevonden bij een „Engelmann's kastje’, dat hem ver-
oorloofde bij het microscopiseeren in het donker te zitten en het storende opvallende
licht buiten te sluiten (zie op. 521).
Oudemans had, zooals ik reeds opmerkte bij het behandelen van de Zeeslang
en de Dodo's, een groote belangstelling voor de historie. Hij achtte de kennis daarvan
ook onmisbaar voor een juist inzicht in de te behandelen materie. Dat is dan ook de
reden, dat hij meer dan wie ook zich verdiepte in de oude literatuur over de mijten,
waardoor hij zich een schat van gegevens verwierf, die eenig is in zijn soort. Ik geloof
niet, dat één acaroloog zich een dergelijke kennis van de oude publicaties heeft weten
eigen te maken. Daarom vroeg hij zich bij zijn studie ook steeds af, wat oudere auteurs
konden hebben bedoeld en was hij er een tegenstander van de in vroeger jaren (veelal
slecht of onvolledig) gepubliceerde soorten te negeeren.
Hij vond bij deze onderzoekingen zooveel interessante gegevens, dat hij besloot tot
het schrijven van een „Kritisch Historisch Overzicht der Acarologie”. In dit werk heeft
hij zijn ziel gelegd, hiervoor leefde hij nog in die laatste jaren, toen de lichamelijke
kwalen toenamen en hem het werken steeds moeilijker maakten. Wie toen met hem
in contact was, weet, hoe hij tot het einde heeft doorgezet en de pen niet eerder dan
vier dagen voor zijn dood heeft neergelegd.
Het eerste deel van dit reuzenwerk werd begonnen in 1924 en kon in 1926 het licht
zien. Het verscheen als supplement op het Tijdschrift voor Entomologie, doch werd
op kosten van den auteur uitgegeven, o.a. met behulp van het bedrag, dat bij zijn
afscheid als leeraar was bijeengebracht.
Onmiddellijk daarna werd begonnen aan deel II, dat 25 Mei 1929 persklaar was.
Hier deed zich hetzelfde probleem van de kosten voor. Goede vrienden zegden finan-
cieelen steun toe en ook dit deel kon op dezelfde wijze verschijnen. Ieder, die eenig
inzicht heeft in de kosten, welke het leenen van boeken uit talrijke bibliotheken, het
laten vervaardigen van foto's en cliché's, het zetwerk etc. kost, kan begrijpen, dat deze
beide uitgaven ondanks den geldelijken steun voor Oudemans een groot financieel
offer hebben beteekend, dat hij echter gaarne in het belang zijner geliefkoosde studie
heeft gebracht.
Met het verschijnen der beide eerste deelen waren de perioden 850 v. Chr.—1758
(Linnaeus) en 1759— 1804 (Hermann) behandeld. Twee mijlpalen waren bereikt.
Het derde deel moest de periode 1805— 1850 omvatten. Daarin moest ook worden
opgenomen het groote en zeldzame werk van C. L. Koch (1836—1841) : Deutsch-
lands Crustaceen, Myriapoden und Arachniden. Op 25 October 1929 werd begonnen ;
in Augustus 1933 kwam het manuscript gereed. De omvang was echter zoo groot, dat
de uitgave voor een enkeling uit financieel oogpunt een onmogelijkheid was gewor-
den. Het manuscript bleef dus in de kast, tot een belangstellend familielid hem den
raad gaf zich tot eenige uitgevers te wenden. Het gelukte in de firma E. J. Brill
te Leiden iemand te vinden, die de uitgave aandurfde, mits er een subsidie zou zijn.
Het verkrijgen van een officieel subsidie mislukte geheel en al, doch met inspanning
van alle krachten en vriendelijke hulp van milde gevers kwam het bedrag toch bij
elkaar en kon werkelijk op 15 Juni 1936 met het drukken worden begonnen. Dat
deel III (in 7 banden) ten slotte in druk verschenen is, beteekende voor Oudemans
een voldoening en vreugde, die zich niet laat beschrijven.
Ondanks zijn hoogen leeftijd zette hij zich aan het verzamelen van de gegevens
voor, en het schrijven van het vierde deel, de periode 1851—1880 omvattende. Het was
zijn bedoeling dit als slot te beschouwen. Na 1880 begint de nieuwere acarologie met
de publicaties van Berlese e.a. en de gegevens worden na 1880 niet alleen te om-
vangrijk, doch de registratie ervan is na dien tijd ook veel beter en meer toegankelijk.
Het is hem niet gegeven geweest dit manuscript te beëindigen. Omstreeks 10 jaar
heeft hij afgewerkt, voor zoover hij de gegevens kon verzamelen. Het uitbreken van
den oorlog met als gevolg het wegvallen van vele internationale verbindingen en het
bezwaar van vele buitenlandsche bibliotheken om boeken naar Nederland te zenden,
waren bovendien niet bevorderlijk om alles compleet in bezit te krijgen.
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 7
Niettemin, met het in druk verschijnen van alle oudere literatuur (voor zoover doen-
lijk) tot en met het jaar 1850, is voor iederen acaroloog de mogelijkheid geopend zich
rekenschap te geven van hetgeen door oudere auteurs is gepubliceerd. Het vaststellen
van den modernen wetenschappelijken naam van die ontelbare, vaak onvolledig en
gebrekkig beschreven of afgebeelde dieren, is een werk geweest, dat slechts een autori-
teit als Oudemans met succes kon volbrengen. Wij behoeven ons niet te vleien
met de hoop, dat hij steeds juist gegrepen heeft; geen werk is zonder fouten en onze
kennis neemt steeds toe. In verhouding tot de hoeveelheid verwerkt materiaal zullen
de misgrepen evenwel niet talrijk en in ieder geval steeds vergeeflijk zijn en zij kunnen
nooit afbreuk doen aan de onschatbare diensten, die dit werk aan de acarologie zal
blijven bewijzen.
Daar hij wel besefte, dat de publicatie van het vierde deel van zijn „K.H.O.A.”
betrekkelijk onzeker was of althans nog vele jaren zou moeten worden uitgesteld, ging
hij er toe over de verdere ontdekkingen te publiceeren in een reeks artikelen ,, Nieuwe
vondsten’, resp. „Neue Funde” (op. 573, 574, 577, 578, 579, 580 en 581). Met het
verschijnen van opus 583 achtte hij zijn pennevruchten beëindigd en liet hij de nummers
552— 583 vereenigen tot band Varia No. 26 van eigen werken. Edoch, in het najaar
van 1941 was het aantal ontdekkingen alweer zóó toegenomen, dat hij de lust niet kon
weerstaan ze te publiceeren. Zoo verscheen op. 584, No. VIII van de serie „Neue
Funde”, en de boekbinder kreeg instructie zijn vakkennis aan te wenden om deze
publicatie nog in te lasschen, hetgeen hem zeer goed is gelukt.
Het was de wensch van Oudemans, dat ik zou trachten het vierde deel van
het „K.H.O.A.” af te werken, indien hij voor de voltooiing hiervan mocht komen te
overlijden. Te dien einde zijn de reeds verzamelde gegevens dan ook in mijn handen
overgegaan. De huidige omstandigheden laten niet toe reeds thans iets te voorspellen
omtrent de mogelijkheden van publicatie van een werk, dat zooveel voorbereiding van
den auteur en commercieelen durf van den uitgever vergt, doch de hoop blijft gerecht-
vaardigd, dat het op eenigerlei wijze zal gelukken later vasten vorm aan dit voornemen
te geven.
Andere gegevens, welke zich nog in de nagelaten aanteekeningen bevinden, zullen
na te zijn doorgewerkt zeker nog stof voor kleinere publicaties opleveren.
De belangstelling van Oudemans voor de groote lijnen en zijn pogingen om
de oudere auteurs te begrijpen, hebben er toe medegewerkt, dat hij zich nooit heeft
toegelegd op publicatie van een groot aantal nieuwe soorten. Hij heeft 194 genera en
731 soorten van Acari nieuw beschreven, een respectabel aantal, dat echter ver achter-
blijft bij dat van Berlese, die zich uitputte in nieuwe soortsbeschrijvingen, meer-
malen 100 tegelijk, hetgeen wel eens ten koste ging van de nauwkeurige bestudeering
en beschrijving. Daar Berlese vaak ook weinig notitie nam van zijn voorgangers,
heeft hij meer fouten begaan, dan noodig was geweest. Overigens heeft Oudemans
natuurlijk ook fouten gemaakt. Hij heeft die steeds erkend, zichzelf in zijn critische
geschriften niet gespaard en veel zelf verbeterd, vooral in het begin, „faute de com-
battants'’, zooals hij het noemde.
Met zeer veel acarologen stond hij in verbinding. Velen heeft hij persoonlijk ont-
moet en zijn gastvrij huis stond steeds voor hen open. Zijn lijst van acarologen, met
wie hij in briefwisseling stond, bevatte bij zijn overlijden 211 adressen en hierbij zijn
niet de talrijke personen gerekend, die in vroeger jaren reeds kwamen te overlijden.
Wie hem schreef, kreeg zoo uitvoerig mogelijk antwoord; alleen zijn correspondentie
met mij, waarin zeer vele belangrijke gegevens verwerkt zijn, omvat al een geheelen
briefordner. Met allen stond hij op goeden voet, mits men de goede vormen in acht
nam. Berlese heeft eens in zeer onvriendelijke bewoordingen een aanval op Oud e-
mans gedaan. Hij liet dit niet op zich zitten. In behoorlijke, doch krachtige termen
volgde „Zur Verteidigung” (in op. 397) en het pleit voor Berlese, dat hij zijn
onjuiste houding erkende, zijn portret inzond en in een brief zijn excuses aanbood.
Het deed Oudemans altijd bijzonder veel pleizier, als hij weer een acaroloog
ontdekte; ik kreeg dan onmiddellijk het adres, opdat ik zelf ook met hem in ver-
binding kon komen.
Mijn kennismaking met O udemans was betrekkelijk toevallig. Het was in den
tijd, toen ik mij nog niet had gespecialiseerd, dat wij aan het gezamenlijk diner onzer
vereeniging na afloop van de 62e wintervergadering van 24 Maart 1929 te 's-Graven-
hage naast elkaar kwamen te zitten. Ik verzamelde destijds ijverig gallen en via de
galmijten hadden wij al spoedig een geanimeerd gesprek. Oudemans ried mij aan
eens eenig materiaal aan hem te zenden, mits geen galmijten, en omstreeks een jaar
daarna, in Februari 1930, was daarvoor een goede gelegenheid, toen ik op een stuk
kaas een flinke mijtenaantasting ontdekte. Het bleek Tyrophagus dimidiatus (Herm.
8 G. L. VAN EYNDHOVEN,
1804) te zijn en het antwoord kwam prompt, vergezeld van eenige boeken, opdat ik
mij eenigszins in de materie zou kunnen inwerken.
Hoewel het ook toen nog geenszins mijn bedoeling was mij speciaal met mijten te
gaan bezig houden, bleef de correspondentie gaande en op 29 Maart d.a.v. ontving
ik een langen brief met volledige aanwijzingen voor het prepareeren, verzamelen enz.
Na de eerste schreden te hebben gezet kreeg echter mijn belangstelling voor mycologie
. en cecidologie weer de overhand en de mijtenstudie doofde langzaam uit.
Op 23 Maart 1931 ondernam Oudemans opnieuw een poging om mij voor het
vak te winnen. Hij schreef een langen brief, wees er op, dat ons medelid A. J. Besse-
ling zich reeds met de watermijten bezig hield, zoodat hij graag zou zien, dat ik de
terrestre acari voor mijn rekening zou nemen, want „bij wijze van spreken zijn mijne
dagen geteld’. Als resultaat hiervan bezocht ik hem op 12 April d.a.v. en sinds dien
dag heeft de acarologie geleidelijk een steeds grooter gedeelte ingenomen van den
tijd, dien ik naast mijn dagelijksch werk aan de natuurstudie kon wijden.
Na dien 12en April heb ik nog dikwijls te Arnhem gelogeerd, waarbij wij den
geheelen dag, ook ‘savonds, mijn preparaten en andere acarologische problemen
bespraken. Wij leerden dan van elkaar, want met groote vreugde ontdekte hij in
mijn materiaal allerlei bijzonderheden, die hem voordien nog niet onder de oogen
waren gekomen.
Het verheugde hem altijd, wanneer van de collega's weer belangrijk werk verscheen.
Dat waardeerde hij zeer. Van Dr. H. Graf Vitzthum b.v, die kort geleden op
65-jarigen leeftijd overleed en eerst in 1912 met de acarologische studie begon, ge-
tuigde hij: „Hij was mijn leerling, maar hij is mij in veel opzichten boven het hoofd
gegroeid”. Nooit poogde hij ten koste van den inhoud van zijn werken alles op eigen
naam te doen, getuige de wijze, waarop hij bij de publicatie van zijn levenswerk, het
»K.H.O.A.”, met de deskundigen voor zekere groepen heeft samengewerkt.
Enorm is de arbeid, die zit in het bijeengegaarde materiaal, dat hij bij zijn overlijden
in bezit had. Zijn omstreeks 7500 preparaten en de vele honderden teekeningen had
hij kort te voren geschonken aan het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie te Leiden.
Na zijn overlijden is zijn bibliotheek van bijna 10.000 werkjes over Acari, alsmede
zijn kartotheek van omstreeks 65.000 kaarten overgegaan in het bezit der Nederland-
sche Entomologische Vereeniging, die daardoor beschikt over een hoeveelheid gegevens,
die eenig is in haar soort. Men behoeft zich slechts in te denken, wat het wil zeggen
zooveel geschriftjes te verzamelen, duizenden ervan zelf over te schrijve uit even
zoovele boeken, geleend uit 53 binnenlandsche en 62 buitenlandsche bibliotheken.
Bij zijn overlijden is de Vereeniging tevens in het bezit gekomen van een complete
serie zijner werken, welke bestaat uit de grootere uitgaven, alsmede uit 26 banden in
8° en 2 in 4°, welke de kleinere artikelen (,, Varia ) bevatten.
Bij het werken in de acarologie kwam Oudemans tevens in aanraking met de
Suctoria en Mallophaga. Gedurende eenige jaren heeft hij zich intensief met de vlooien
bezig gehouden en in mindere mate ook met de Mallophaga. Zijn belangstelling ging
hierbij vooral uit naar de systematiek. Van zeer veel belang zijn de artikelen over
den geleden kop der Suctoria (o.a. op. 236, 245, 251) en de overzichten in op. 256,
343 en 344. Bijzonder fraai zijn de bij deze studie vervaardigde teekeningen, welke
zich thans te Leiden bevinden.
De behulpzame aard van Oudemans bracht mede, dat hij bij al zijn voorliefde
voor de exacte studie toch steeds klaar stond om den werkers in de toegepaste acaro-
logie van advies te dienen. „Dat gaat voor; daarmede zijn belangen gemoeid”, zeide
hij, als er weer zoon pakje bij hem werd binnen gebracht. Van zijn menigvuldige
hulp leggen de Verslagen van den Plantenziektenkundigen Dienst te Wageningen
getuigenis af. Ook op medisch en veterinair gebied heeft hij zijn medewerking ver-
leend ; ik noem b.v. op. 490, 494, 349, 483 en 492,
Wanneer wij aldus op dit leven terugzien, dan houden wij de herinnering aan
iemand, die in staat is geweest zijn groote persoonlijke en wetenschappelijke eigen-
schappen te vereenigen tot een harmonisch geheel van zeldzame gaafheid.
* *
*
Dit „In Memoriam” zou niet aan zijn bedoeling beantwoorden, indien ik er niet
een lijst aan toevoegde van de geschriften, welke van de hand van Oudemans het
licht hebben gezien. Ik ben de Redactie erkentelijk voor haar toestemming in die lijst
ook de betrekkelijk vele titels op te nemen, welke niet met de entomologie in verband
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 9
staan. Hiermede zijn ook zij gebaat, die op ander gebied iets in zijn publicaties willen
naslaan.
Waar het mij dienstig leek, heb ik eenige aanduidingen omtrent den inhoud der
opera gegeven. Het is menigeen bekend, dat de wijze van publiceeren, welke O ud e-
mans toepaste, ook zijn bezwaren had. Hoe dikwijls moet men niet om iets te vinden,
talrijke artikelen doorbladeren. De titels zijner geschriften (o.a. Acarologische Aan-
teekeningen No. ...; Notes on Acari No. ...) dragen er voorts veelal niet toe bij dit
zoeken te vergemakkelijken. Ik geloof dan ook, dat ik met mijn inhoudsopgave velen,
zoowel systematici als practici. een dienst zal bewijzen.
Gaarne was ik daarbij nog uitvoeriger geweest, doch ik heb een grens moeten trek-
ken en in vele gevallen heb ik mij er dan ook toe bepaald een opsomming der behandelde
soorten te geven. Hoezeer een beperking noodig was, moge men afleiden uit het feit,
dat Oudemans’ eigen inhoudsgegevens „Acarologische Inhoud mijner Penne-
vruchten’ een kaartsysteem van bijna 5000 kaarten omvat.
Een vrij langdurig nazoeken zal dus ondanks alles niet steeds kunnen worden ver-
meden. Men houde daarbij in het oog, dat Oudemans de gewoonte had geregeld
zijn ontdekkingen te publiceeren, zoodat vele artikelen, vooral de „Acarologische Aan-
teekeningen, vaak een zeer heterogenen inhoud hebben.
Het spreekt voorts vanzelf, dat in deze talrijke opera, die een tijdperk van ruim
60 jaar omvatten, van een tak van wetenschap welke zich in opkomst bevindt, het
aantal naamswijzingen door herstelde fouten, synonymie en nieuwere inzichten legio is.
Het was ondoenlijk hierop binnen het kader dezer necrologie nader in te gaan. Spe-
ciaal bij de oudere publicaties neme men dus namen als Parasitus, Notaspis etc etc.
steeds „sensu latissimo”.
De lijst der geschriften omvat 584 nummers. Met No. 382A zijn dit 585 titels. Deze
nummers heb ik ontleend aan Oudemans’ „Lijst mijner Pennevruchten , thans in
het bezit onzer Vereeniging. Bij ieder opus is de datum vermeld, welke door O ud e-
mans zelf daarvoor is aangegeven. Zij wijken vaak vrij belangrijk af van de data,
die op de publicaties gedrukt staan. Het belang van het bekend zijn der juiste data
is vooral voor systematici, die met de prioriteit rekening moeten houden, zeer groot.
Ik behoef slechts te herinneren aan de namen Eriophyes von Siebold 1850 (foutief
voor II. 1852 en Phytopfus Dujardin VII. 1851 (vgl. op. 573, p. VII), waarbij door de
verkeerde interpretatie van een datum eerstgenoemde naam wederrechtelijk gedurende
40 jaar in zwang is geweest.
Volledigheidshalve vermeld ik de volgende afkortingen uit de lijst der opera:
T. v. E. — Tijdschrift voor Entomologie.
E. B. — Entomologische Berichten.
De lev. Nat. — De Levende Natuur.
Arch. Natg. — Archiv für Naturgeschichte.
Waar mij dit wenschelijk scheen, heb ik bovendien tusschen [ | achter den titel
aangegeven, welke dier- of plantgroepen in het bewuste geschrift worden behandeld.
Ten slotte heb ik aan dit overzicht een lijst toegevoegd van zooveel mogelijk namen,
welke als „nieuw door Oudemans zijn ingevoerd, Verreweg de meeste hiervan
hebben natuurlijk betrekking op de acarologie. Achter iederen genusnaam is het type
vermeld ; daar deze lijst echter slechts als register bedoeld is, heb ik van verdere aan-
duidingen afgezien. Men zal toch steeds op de publicaties zelf moeten teruggrijpen.
Om dezelfde reden heb ik mij moeten onthouden van het vermelden van synoniemen.
Dit zal evenwel niet zeer bezwaarlijk zijn, aangezien de namen; systematisch staan
gerangschikt. |
De nieuwe namen staan in vetdruk, de overige entomologische in cursief en de niet-
entomologische in gewonen druk. Achter iederen naam is de datum van publicatie
vermeld, alsmede in vetdruk het opus-nummer van de voorafgaande lijst der penne-
vruchten, met daarnaast in gewonen druk het nummer der pagina. Vooral in vroeger
jaren heeft Oudemans de gewoonte gehad om van zijn nieuwe soorten eerst een
korte diagnose te geven en pas later de beschrijving met afbeeldingen. Ik heb er naar
gestreefd ook de plaats der uitvoerige beschrijving te vermelden, aangezien een diagnose
m.i. in de meeste gevallen een weliswaar geldige maar toch ontoereikende wijze van
publiceeren beteekent.
Wat de genera en species betreft meen ik geheel volledig te zijn. Bij de namen van
hoogere rangorde zou ik dit niet zeker durven beweren, ofschoon ik geloof, dat ik
in verband met de gegevens, welke mij ten dienste stonden, de volledigheid wel ten
naastenbij heb bereikt.
Haarlem, Juni 1943.
10
G. L. VAN EYNDHOVEN,
Lijst der opera.
. IV.1879. Over eene albino varieteit van Epinephele Janira L. T. v. E. XXII,
Verslagen, p. LXXXIV. [Lepidopt.]
. X11.1879. (Eerste uitkomsten van mijne studie der Acari.) T. v. E. XXIII, Ver-
slagen, p. XVII—XVIIT.
Trombidium, Gamasus, Hydrachna, Dermanyssus, Ixodes, Tyroglyphus, Gly-
cyphagus, Sarcoptes, Demodex, Hyalomma, Diplostaspis, Oribata, Cheyletus,
Dermaleichus.
. X1.1880. (Rectificatiën van mijne vroegere mededeelingen betreffende Acari).
de ve Ee XNA NMerslagenyp: XV.
Gamasus, Dermanyssus, Ixodes, Glycyphagus, Sarcoptes, Hydrachna.
. III.1881. Over eene parasitische Franjestaart. — Over eene Meloë-larva, door
den heer E. Piaget op Tarpa spissiformis gevonden. [Coleopt.] — Systema-
tische plaatsing en verdeeling der Acari. — Synonymie van Analges passerinus L.
en Analges Halleri mihi. T. v. E. XXIV, Verslagen, p. CXVI—CXVIII.
Franjestaart: Podurhippus pityriasicus.
18.1.1881. Recapitulatie van de lijsten der onderteekenaars van het adres van
Prof. Harting in zake de Transvaalbeweging. Utr. Dagbl. 19.1.1881, ver-
schenen 18.I.1881.
. 24.1.1881. Naschrift op de Recapitulatie van de lijsten der onderteekenaars van
het adres van Prof. Harting in zake de Transvaalbeweging. Utr. Dagbl.
25.1.1881, verschenen 24.1.1881.
. 1.VII.1881. Iets over Acarina in 't algemeen. T. v. E. XXIV, p. 101-108, PI
11-12, f. 1-23,
Gamasus, Calyptostoma, Cheyletus, Myobia, Demodex, Linopodes, Scirus,
Tetranychus, Smaridia, Trombidium, Erythraeus, Atax, Phytopfus, Tyrogly-
phus, Glycyphagus, Oribatidae, Hoplophora.
. 12.XI.1882. Tets over fabelachtige verhalen en over het vermoedelijk bestaan van
de groote zeeslang. Album d. Nat. XXXI, p. 13—27, f. 1—6. (sep. p. 1-15.)
[Mammal.]
IV.1882. Over de systematische plaats der Acari. — Over gehoor- en reukorga-
nen der Acari. — Rectificatie in de synonymie van Analges Hallerii. T. v. E.
XXV, Verslagen, p. CXXIX—CXXXI.
. XI.1882. Hoofdstuk Acarina. In: Handleiding voor het verzamelen, bewaren en
verzenden van uitlandsche Insecten, uitgegeven door de Nederlandsche Entomo-
logische Vereeniging. Zie ook: T. v. E. XXVI, p. CXXVII CXXX.
. IV.1883. Over de zuignappen bij de geslachtsopeningen van Thrombidiidae en
Hydrachnidae. T. v. E. XXVI, Verslagen, p. CXLVIII.
. 27.111.1885. Bijdrage tot de kennis van het bloedvaatstelsel en de nephridia der
Nemertinen. Proefschrift ter verkrijging van den graad van Doctor in de Plant-
en Dierkunde aan de Rijks-Universiteit te Utrecht. Utrecht, P. W. van de Weijer,
p. 1114, Pl. I-II, f. 1—75..[Vermes.]
. 1.VII.1885. The Circulatory and Nephridial Apparatus of the Nemertea. Quart.
Jour: mier. Set, Suppl, p. 1-80, Plt TI, f. 1-75. [Vermes.|
. 10.XII.1885. In memoriam (aan Prof. P. Harting). Vox Studiosorum.
. 28.XII.1885. Etwas über Scudder's Nomenclator. Zool. Anz. VII, No. 212,
p. 744-749.
Talrijke genera behandeld, op velerlei gebied.
. 17.11.1886. Die gegenseitige Verwandtschaft, Abstammung und Classification der
sogenannten Arthropoden. Tschr. ned. dierk. Ver. (2). I, p. 37—56. (sep. 1—20).
. 9.11.1888 (Loligo todarus, gevangen aan ’t strand te Loosduinen.) Haagsche
Nieuwsbladen : Het Dagblad, Het Vaderland, De Haagsche Courant, De Avond-
post [Mollusc.
. 25.V.1888. (Syrrhaptes paradoxus in Nederland (Loosduinen).) Haagsche Nieuws-
bladen, als op. 17. [Steppenhoen, Aves.]
. 1.IX.1888. Geïllustreerd Hoenderboek. Elsevier, Amsterdam. p. I—XII, 1—290,
div. tekstfig. en 40 gekl. platen. [Aves.]
. 5.1X.1888. Syrrhaptes paradoxus in Holland, Zool. Garten. XXIX, No. 8, p.
234—235. [Aves.]
. 5.IX.1888. Eine Môwe als Krankenwärterin. en p. 243—244. [Aves.]
. 1.1X.1889. Engano (bewesten Sumatra), zijne geschiedenis, bewoners en voort-
brengselen. Tschr. ned. aardrijksk. Genootsch. (2), VI, No. 1, p. 109—164, Kaart 2.
23.
24.
25:
26.
27.
28.
29
+
30
+
31
+
32,
33.
34,
35
36.
+
37.
38
+
39
+
40.
41
+
42,
43,
44
+
45,
46
+
47.
48,
49,
50
+
51
+
52.
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 11
4.X.1889.(Sterna caspia te Loosduinen en Sula sula te ‘s-Gravenhage door storm
aangeland.) Haagsche Nieuwsbladen, als op. 17. [Aves.]
21.X.1889. (Fringilla coelebs alba te 's-Gravenhage gevangen.) Haagsche Dag-
bladen, als op. 17 [Aves.]
6.1.1890. (Ommastrephes (Loligo) todarus te Scheveningen gestrand.) Haagsche
Dagbladen, als op. 17. [Mollusc.]
20.V.1890. Phoca foetida, Fabricius. Tschr. ned. dierk. Ver. (2). III, No. 1,
p. 1—-11. [Mammal.]
15.X.1890. Über zwei seltene und eine neue Art Affen des Zoologischen Gartens
im Haag. Zool. Garten. XXXI, No. 9, p. 266-269. [Mammal.]
Macacus nemestrinus var. leoninus, Cercopithecus aterrimus n.sp., erythrarchus,
aligena.
13.1.1891. Über die Paarung der Krontaube, Goura steursi Temm. (= Goura
victoriae Fraser). Zool. Garten. XXXI, No. 12, p. 369—370. [Aves.]
16.VI.1891. Über den nackten Schnabelgrund der Saatkrähe, Corvus frugilegus L,
Zool. Gart. XXXII, No. 4, p. 123—125. [Aves.]
23.VIII.1891 (Cyanecula suecica coerulecula te ‘s-Gravenhage gevangen.) Haag-
sche Dagbladen, als op. 17; Vogelwereld; Avicultura. [Aves.]
en (Hypolais polyglotta te ‘s-Gravenhage gevangen.) Idem ibidem.
ves.]
3.1X.1891. (Reusachtige Anodonta cygnea cellensis.) Haagsche bladen, als op. 17.
[Mollusc. ]
6.1X.1891. (Sperwer door een glasruit gevlogen.) Idem. [Aves.]
12.1X.1891. (Saxicola oenanthe albiceps en Emys lutaria beide bij ‘s-Gravenhage
in het wild gevangen.) Idem. [Aves; Reptil.]
8.X.1892. Kostbare vederen. Vogelwereld. [Aves.]
22.X.1892. (Larus sabinii, een voor onze Fauna nieuwe soort van meeuw.) Nwe.
rotterd. Cour., le blad A, le pag., 5e kolom. [Aves.]
1.XI.1892. The Great Sea-Serpent. An historical and critical treatise. With the
reports of 187 appearances (including those of the appendix), the suppositions
and suggestions of scientific and non-scientific persons, and the authors conclu-
sions. Brill, Leiden; Luzac, London. p. I—XV, 1—592, f. 1—82. [Mammal.]
Megophias megophias.
2.XI.1892. (Phoca foetida aan den Hoek van Holland.) Nwe. rotterd. Cour., 2e
blad A, 4e pag., 2e en 3e kolom. [Mammal.]
10.XI.1892. Invoer van vossen in Australié. Nwe. rotterd. Cour., le blad A, le
pag., 5e kolom. [Mammal]
11.XI.1892. Invoer van bevroren kabeljauw uit Noorwegen. Nwe rotterd. Cour.,
2e blad A, 2e pag., 3e kolom. [Pisces.]
16.XI.1892. (Haliaetus albicilla te Scheveningen geschoten.) Haagsche bladen, als
op. 17. [Aves.]
6.XII.1892. (Stranding van een molensteenvisch (Orthagoriscus ozodura) te Sche-
veningen.) Nwe. rotterd. Cour., le blad A, 2e pag., le kolom. [Pisces.]
9.XII.1892. Een nieuw handelsartikel. In chie gelegde vischsoorten van Balaklava
‘of de (ee Zee. Nwe. rotterd. Cour., le blad B, 2e pag., 3e & 4e kolom.
isces.
9.XII.1892. (Een aanval van mieren, Monomorium pharaonis, op het postkantoor
te Leeuwarden.) Nwe. rotterd. Cour., 2e blad, 2e pag. 4e & 5e kolom. [Hym.,
Formic. |
281.1893. Klimmende en zwemmende konijnen in Australië. Nwe rotterd. Cour.
le blad B, 2e pag., 4e kolom. [Mammal.]
29.1.1893. Een land-octopus. — Een dierenverslindende plant in Nicaragua. Nwe.
rotterd. Cour., 2e blad B, le pag., 3e kolom. [Mollusc.]
3.11.1893. De photographie als hulpmiddel bij wetenschappelijk onderzoek. Nwe.
rotterd. Cour., le blad A, 2e pag., le kolom.
9.11.1893. Postvalken. Nwe. rotterd. Cour., 2e blad A, 2e pag., 3e kolom. [Aves.]
11.11.1893. Vruchtbaarheid van eenige zeevisschen. Nwe. rotterd. Cour., 2e blad,
2e pag., 3e kolom. [Pisces.]
16.11.1893. Trekkende Muizen. Nwe. rotterd. Cour., le blad À, 2e pag., le & 2e
kolom. [Mammal.]
24.11.1893. Kameelen in Zuid-Rusland. Nwe. rotterd. Cour., le blad À, 2e pag.
le kolom. [Mammal.]
4.111.1893. Wolven en Beren in Frankrijk en Bosnié. Nwe. rotterd. Cour., 2e
blad, 2e pag., 2e & 3e kolom. [Mammal.]
12
53.
54.
55.
56.
57.
58
+
59
+
60
+
61
+
62
+
63
+
64
+
65.
66
+
67
+
68
+
69
+
G. L. VAN EYNDHOVEN,
24.111.1893. Bescherming van vogels in Nieuw Zeeland. Nwe. rotterd. Cour., le
blad A, 2e pag., 4e kolom. [Aves.]
18.IV.1893. Paarden uit Australië en Hongarije in Engelsch-Indië. Nwe. rotterd.
Cour., 2e blad A, 2e pag., le kolom. [Mammal.]
28.1.1894. Uitroeiing van den Paradijsvogel. Nwe. rotterd. Cour., 2e blad A,
le pag., 5e kolom. [Aves.]
15.1V.1896. Over versteend riet in het meertje van Rockanje. De Natuur. XVI,
p. 126, kolom 2. {Plantae.]
15.V.1896. Over wringing van boomstammen. De lev. Nat. I, No. 3, p. 52,
kolom 1. [Plantae]
15.VI.1896. Over het voorkomen van Pinguicula bij Delden en Lutte. De lev.
Nat. I, No. 4, p. 74, kolom 2. [Plantae]
1.VII.1896. List ot Dutch Acari Latr., First Part, Oribatei Dug., with synony-
mical notes” and other remarks. T. v. E. XXXIX, No. 1/2, p. 53—65.
Hoplophora, Phthiracarus, Oppia, Leiosoma, Cepheus Koch, Cepheus Nic.
Belba, Hermannia, Eremaeus, Nothrus, Hypochthonius, Pelops, Oribates, alle
sensu lato. Opmerkingen over: Acarus sl, Holetra, Oribates, Hydrachna,
Phthiracarus, Hoplophora, Notaspis, Leiosoma, Cepheus, Belba, Liodes, Ori-
batei, cephalothorax, Nothrus.
15.VIII.1896. Over de eerste eieren van eenjarige vogels en over het ,,verloren”
leggen van vogels. De lev. Nat. I, No. 6, p. 116, kolom 1. [Aves.]
15.1.1897. List of Dutch Acari. Second Part: Gamasides, with notes on Synony-
my, and other remarks. T. v. E. XXXIX, No. 3/4, p. 131—141.
Parasitus, Uropoda, Emeus, Laelaps, Zercon, Celaeno (Trachynotus), Epi-
crius, Cryptognathus, Smaridia, Ichoronyssus, Celeripes, Diplostaspis, Gen.?
sp. ?, alle sensu lato. Opmerkingen: Nomenclatuur der genera.
15.1.1897. Notes on Acari. T. v. E. XXXIX, No. 3/4, p. 175—187, Pl. X, f. 1—23.
Hoplophora magna, Oppia confervae, Cepheus sp. nph.; Belba geniculata, forva.
15.1.1897. List of Dutch Acari Latr., Third Part: Riciniae Latr., with synonymical,
biological and other notes. T. v. E. XXXIX, No. 3/4, p. 191—197.
Ixodes, Dermacentor. (geen Argasides). Opmerkingen: Amblyomma, Rhipi-
stoma, Hyalomma, Rhipicephalus, Dermacentor, Acarus tristriatus Panzer,
Ixodes, over bloedzuigen, nomenclatuur der Ixodidae en Argasides.
10.X.1897. List of Dutch Acari, Fourth Part :Cursoria Grube, with synonymical
notes. T. v. E. XL, No. 2, p. 111—116.
Tydeus, Eupodes, Linopodes, Scyphius, Penthaleus, Bdella. Opmerkingen
over: Cursoria, Tydeus, Trombidium celer, Eupodides, Eupodes, Scyphius,
Penthaleus, Bdellei, Bdella longicornis.
10.X.1897. List of Dutch Acari Latr., Fifth Part: Trombidides Leach, with sy-
nonymical notes and other remarks, and description of an apparently new, but
indeed very old species of Cheyletus, Ch. squamosus de Geer. T. v. E. XL, No. 2,
p 117135, PIV, fi 1-14
Trombidium, Raphignathus, Erythraeus, Anystis, Balaustium, Tetranychus,
Bryobia, Cheyletus, Myobia, Picobia, Psorergatus. Opmerkingen over:
Trombidides, Trombidiacea, Tromb. opilionis, Anystis, A. baccarum, Balau-
stium, Cheyletides, Myobia, Cheyl. eruditus, longipes, venustissimus, squa-
mosus en andere spp.
20.X11.1897. Over Cheylefus squamosus; over het hart der Gamasiden; over
vervelling der Acari; over Nycteridocoptes poppei nov. gen. nov. sp. T. v. E.
XL, Verslagen, p. 49—50.
(Nyct. poppei nom. nud.).
1.111.1898. (met F. Koenike) Acari collected during the Willem
SCIA = z-Expeditions of 1881 and 1882. T. v. E. XL, No. 3/4, p. 238—
Bdella villosa, Trombidium laevicapillatum, armafum, Lebertia oudemansi
Koenike nov. sp. |
1.III.1898. List of Dutch Acari, Sixth Part: Hydrachnellae Latr. 1802, with
synonymical notes. T. v. E. XL, No. 3/4, p. 243—249.
Hydrodroma, Hydrachna, Diplodontus, Eylais, Atax, Tiphys, Arrenurus,
Brachypoda, Frontipoda, Midea, Piona, Curvipes, Unionicola. Opmerkingen
over: familie- en genusnamen, Pachygaster.
1.111.1898. List of Dutch Acari, Seventh Part: Acaridiae Latr. 1806, and Phy-
toptidae Pagenst. 1861, with synonymical Remarks en description of new species
civ E EI Ne. 3/4,0p.250- 209!
70..
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 13
Acarus (lees: Tyroglyphus), Carpoglyphus, Coepophagus, Glycyphagus,
Anoetus, Labidophorus, Anoplites, Freyana, Crameria, Pterolichus, Pseudal-
loptes, Falciger, Pteronyssus, Pterophagus, Proctophyllodes, Pterodectes,
Pterocolus, Alloptes, Dimorphus, Analges, Hartingia, Listrophorus, Myocoptes,
Cytodytes, Sarcoptes, Knemidocoptes, Psoroptes, Chorioptes, Dermatophagoi-
des, Demodex, Eriophyes. Opmerkingen over Acaridiae sl. Tyroglyphina,
Acarus en over de nomenclatuur van families, genera en soorten. Nieuwe
soorten : Hartingia lari n.g.n.sp., Sarcoptes cati v. musculi n. var., Demodex
folliculorum var. musculi n. var.
1.111.1898. À Sarcoptes of a Bat. T. v. E. XL, No. 3/4, p. 270—277, Pl. XI, f. 1—18.
Nycteridocoptes Poppei n.g.n.sp
71. 25.111.1898. Beknopte Zak- en Si Handleiding tot het gemakkelijk en
72.
13.
74.
75
+
76.
77
+
78
+
79,
80
+
81.
82,
83,
84.
85.
86.
snel bepalen der in Nederland wildgroeiende, verwilderde en verbouwde planten.
Thieme, Zutphen. p. 1—216, I—XIX.
25.V.1898. Over het hart van Gamasiden. T. v. E. XLI, Verslagen, p. 29—31.
23.1.1899. Kraai als eierendief. De lev. Nat. III, No. 11, p. 220. [Aves.]
20.111.1899. Opmerkingen bij het lezen van „De Levende Natuur. De lev. Nat.
IV, No. 1, p. 18—19. [Aves; Plantae.]
Wat zijn zangvogels?; over het zindelijk houden der nesten door de vogels;
hoe vinden trekvogels has weg ?; de naam Speenkruid; speenkruidbloemen
zonder zaad (Ficaria).
20.1V.1899. Opmerkingen bij het lezen van „De Levende Natuur”, De lev. Nat.
IV, No. 2, p. 43-44. [Coleopt. ; Aves.]
Geur van draaikevertjes (Gyrinus) ; Meiworm (Meloë) ; onzelievenheers-
beestjes (Coccinella) en Bladluizen ; spintkevers (Scolytus) ; diergeluiden ;
vogeleieren ; onbesuisde sperwer; „schadelijke” dieren.
23.V.1899. Opmerkingen bij het lezen van „De Levende Natuur. De lev. Nat.
IV, No. 3, p. 64—65. [Rept.; Aves; Mamm.; Coleopt. ; Plantae. |
Ringslang ; luchtpijp der slangen ; reuzenslangen ; nestversieringen van vogels
en zoogdieren; bijtend vocht van kevers (Coccinella, Scymnus tegenover
Bembidium, Badister, Demetrias) ; Cicuta virosa; bestuiving van Aspidistra,
Calla en Chrysosplenium.
23.V.1899. Zeldzame afwijking bij bloemen van Ajuga reptans. Idem, p. 72.
[Plantae.]
1.VII.1899. Opmerkingen bij het lezen van „De Levende Natuur’. De lev. Nat.
IV, No. 4, p. 107—108.
Kip en kikker; Hybocamba Milhauseri of Harpyia sp. [Lepidopt.] in een
notedopvormige cocon, of wel een bladwesp ; larven van Hydrachna cruenta
Müll. op waterinsecten; ,,sterreschot’ of ,,sterresnot’” in slooten [Algae] ;
kolenkalksteen met fossiel.
1.VII.1899. Een kat, die mollen en spitsmuizen vangt. Idem, p. 115—116.
[Mammal. ]
1.V111.1899. Opmerkingen bij het lezen van „De Levende Natuur’. Idem, p.
132—133. [Coleopt.; Plantae ; Aran.]
„Wreedheid’ bij mensch en dier; Vliegend Hert (Lucanus) tracht Vanessa
te vangen; Epilobium ; bouw der spinnen.
20.1X.1899. Opmerkingen bij het lezen van „De Levende Natuur”. De lev. Nat.
IV, No. 7, p. 177—178. [Aves; Acar.; Aran.]
Afdrukken van plantenbladeren ; roodborstjes in gevangenschap; kraaien,
Tetranychus tiliarum op Tilia; botkol-eieren ; Jan van Gent (Sula) ; conser-
veeren van Spinnen.
20.1X.1899. Vergroeiing van Primula’s. Idem, p. 182. [Plantae.]
20.X.1899. Opmerkingen bij het lezen van „De Levende Natuur”. De lev. Nat.
IV, No. 8, p. 198-200. [Algae; Pisces; Aves; Rept.]
Groene ,,ballen” in water; kijken van een snoek; baardmeezen (Panurus) ;
hagedissen ; conserveervloeistof.
20.X1.1899. De broeibak. De lev. Nat. IV, No. 9, p. 223—224, f. 1—7.
20.X1.1899. Over de verdeeling van vlinders in kleinere groepen. Idem, p. 230—
231. [Lepidopt.]
20.X11.1899. Opmerkingen bij het lezen van „De Levende Natuur’. De lev. Nat.
IV, No. 10, p. 250—251. [Protoz.; Aves; Dipt.; Acar.; Coleopt.; Plantae.]
Vorticella ; zwaluwen ; Stiefmoedertje ; Doodaraver; schrijfwijze van vogel-
namen ; Tabanus en Hypoderma ; Silene en Cucubalus ; Nederlandsche vogel-
namen ; mijten op kevers.
14
87
+
88
+
89.
90
+
91.
92.
93,
94,
95,
96.
97
98.
+
99
+
100.
101.
102.
103.
104.
105.
G. L. VAN EYNDHOVEN,
20.1.1900. Opmerkingen bij het lezen van „De Levende Natuur’. De lev. Nat
IV, No. 11, p. 273—274. [Aves; Coleopt. ; Odon. ; Mollusc. ; Plantae.]
Stilstaan in de lucht; Trichius ; amandelen ; conserveeren ; Parnassia en
Adoxa; libellenvleugels ; kraai en mossel; Helix nemoralis; Wijngaardslak
(Helix pomatia) ; moedermoed van zwaluw.
19.11.1900. Zwei neue Acariden. Zool. Anz. XXIII, No. 608, p. 89—91.
Notaspis schneideri, sanremoensis.
31.III.1900. Een beleefd verzoek aan den heer H. J. Klaassen ep aan allen,
die parasieten op hagedissen en op andere dieren of planten vinden. De lev. Nat.
Wi ING il, pa 266
26.1V.1900. Bandvorming (fasciatie) bij een tak van de Waterwilg (Salix caprea
L.). De lev. Nat. V, No. 2, p. 47. [Plantae.]
22.V1.1900. Een en ander over Koekoeken. De lev. Nat. V, No. 4, p. 73—76,
1 Plaat. [Aves.]
22.V1.1900. Melanisme bij een hagedis. Idem, p. 76. [Rept.]
2.VIII.1900. Een reuzenspin. De lev. Nat. V, No. 5, p. 108. [Aran.]
Buitenlandsche, niet gedetermineerde soort.
2.VIII.1900. Wickersheimer's vocht. Idem, p. 108.
2.VIII.1900. De Koekoek. Idem, p. 109—111. [Aves.]
2.VIII.1900. Iets over den honingvogel. Idem, p. 111. [Aves.]
Indicatoridae ; Indicator Sparrmanni.
2.VIII.1900. Een kat een ellendig dier? Idem, p. 111. [Mammal.]
2.VIII.1900. De roode uitwas op planten. Idem, p. ill.
Gallen van Eriophyes.
2.VIII.1900. Twee botanische bizonderheden. Idem, p. 112.
Centaurea Cyanus L. met een wit bloemkorfje; Turgenia latifolia Hoffm.
2.VIII.1900. Beekprik. Idem, p. 132.
Petromyzon planeri Blch. [Pisces.]
2.VIII.1900. Lacerta agilis L. niger en Petromyzon pianeri. Tschr. ned. dierk.
Mer. (2). VIE tp EXS MIL [Rept Pisces]
5.1X.1900. Further notes on Acari. T. v. E. XLIII, No. 1/2, p. 109—128. PI.
V—VI, f. 1-40. 7
1. List of Acari, collected near Macognaga. (Oribata, Camisia, Parasitus,
Cyrtolaelaps, Hologamasus, Erythraeus, Coeculus)
. Camisia Fischeri n.sp.
. List of Acari, collected near Astrachan and near or in Abo. (Scufovertex,
Macrocheles, Argas)
. Scufovertex spoofi n.sp.
. List of Acari, collected at Bremen. (Poecilochirus, Holostaspis, Polyaspis,
Uropoda, Trichotarsus)
Uropoda ovalis (C. L. Koch)
. Trichotarsus alfkeni n.sp.
. Trichotarsus japonicus n.sp.
. Trichotarsus ornatus n.sp. (met determ. tabel)
. On some Italian Acari. (Erythraeus, Serrarius, Scutovertex ovalis, determ.
tabel voor Scutovertex)
11. List of Acari collected by Mr. S. A. Poppe. (Dermanyssus, Leiognathus,
Celeripes, Laelaps, Parasitus, Syringophilus, Notoedres, Prosopodectes,
Listrophorus, Myocoptes, Proctophyllodes, Aleurobius, Tyroglyphus, Car-
poglyphus, Glycyphagus, Dermacarus)
12. Celeripes vespertilionis (L.) tritonympha
13. Dermacarus arvicolae Duj.
14. Acari, collected by Dr. F. Heim, Paris (Seius, Laelaps, Ixodes, Trom-
bidium, Bryobia, Rhizoglyphus)
15. On a strange feed of Tyroglyphus longior Gerv. (op champignons).
5.1X.1900. Bemerkungen über Sanremeser Acari. T. v. E. XLIII, No. 1/2, p.
129—139, PI. VII—VIII, f. 1—58.
Rhipicephalus, Parasitus, Macrocheles, Uropoda, Cillibano, Poecilochirus, No-
faspis, Kochia, Liacarus, Eremaeus, Bryobia.
5.1X.1900. Remarks on the denomination of the genera and higher groups in „Das
Tierreich, Oribatidae”. T. v. E. XLIII, No. 1/2, p. 140—149.
(Zeer vele behandeld).
5.1X.1900. New List of Dutch Acari, Ist Part. T. v. E. XLIII. No. 1/2, p.
150—171. Pl. IX. f. 1—7.
SO NA NB WIN
106.
107.
108.
109.
110,
111.
112.
113.
114.
115.
116.
117,
118,
119,
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 15
Hoploderma, Phthiracarus, Eremaeus, Liacarus, Cepheus, Carabodes, Scuto-
vertex, Kochia, Oribata, Hermannia, Cymbaeremaeus, Camisia, Hypochtho-
nius, Pelops, Notaspis.
20.1X.1900. Lichenen en Bosch'sche Planten. De lev. Nat. V, No. 7, p. 152 (zie
tevens p. 132 in No. 6, 2.VIII.1900.)
20.1X.1900. Phallus impudicus. Idem, p. 152. [Fungi.]
20.X.1900. Vogels en katten. De lev. Nat. V, No. 8, p. 171—172. [Aves ; Mam-
mal. ]
12.X1.1900. Onze Flora. Beschrijving van de familiën, voornaamste geslachten en
soorten der in Nederland in het wild groeiende, verwilderde, verbouwde en aan-
geplante gewassen, alsmede van eenige fraaie en nuttige Middel-Europeesche Plan-
ten. Naar de 2e uitgave van Carl Hoffmann's Botanischer Bilder-Atlas vrij
bewerkt.
W. J. Thieme, Zutphen, p. 1—191, f. 1—364, PI. I-LXXX, f. 1—459.
20.XI.1900. Allerlei bizonderheden over Acari. T. v. E. XLIII, Verslagen, p.
69—73. ;
Camisia, Scutovertex, Trichotarsus, Serrarius, Myobia, Dermacarus, Eremaeus,
Notaspis, Liacarus, Oribata, Damaeus, Parasitus, Laelaps, Limnochares, Ixodes.
25.XII.1900. Opmerkingen bij het lezen van „De Levende Natuur. De lev. Nat.
V, No. 10, p. 207—208, 2 fig. [Aves; Lepid.; Hymen.; Coleopt.; Acar. ;
Dermapt. |
Volksnamen van vogels; drinken van Lasiocampa potatoria ; Hommelmijten ;
Doodgravermijten, o.a. Uropoda vegetans; te veel levende hommels in een
fleschje ; oorwormen en rupsen.
25.1.1901. Opmerkingen bij het lezen van „De Levende Natuur’. De lev. Nat. *V,
No. 11, p. 228—230. [Moll. ; Coleopt. ; Aves; Hymen.; Amph.; Mamm. ; Aran. ;
Plantae. |
Paludina vivipara (waterslak) ; Gyrinus ; haantje en hennetje (Gentiana Pneu-
monanthe) ; papegaai nagejouwd door vogels; appels zijn schijnvruchten ;
stemgeluid ; oogen van slakken ; ontmoeting tusschen mieren ; gehoor van den
mensch ; jonge kikkerlarven ; Molge cristata (salamander) ; middel tegen eek-
hoorns ; akkermaalshout; pupillen bij dieren; het spinnen van een spin;
mieren in diep verblijf; het zingen der bijen.
22.1V.1901. Iets over Laelaps cossi (Ant. Dug.) en over symbiose tusschen Kop-
torthosoma en eene mijt.. T. v. E. XLIV, Verslagen, p. 23—24.
15.IX.1901. Leerboek der Natuurlijke Historie. I. Dierkunde. W. J. Thieme,
Zutphen, p. 1—479, f. 1-596.
Arthropoda: p. 155—184; 294— 364.
Acari: p. 162—167 ; 308—310.
20.X.1901. Opmerkingen bij het lezen van „De Levende Natuur . De lev. Nat.
VI, No. 8, p. 184—185. [Rept.; Aves; Plantae; Fungi]
Adders vangen; Phallus impudicus ; nachtpitjes van plantenmerg ; Latijnsche
verzen ; draaihals; Pirola secunda; Pirola of Ramischia ; Caprifolium.
31.X.1901. Drei neue Acari von der Insel Juist. Abh. nath. Ver. Bremen, XVII,
No. 1, p. 222—227, Taf. III, f. 1-17.
Trombidium insulanum, Smaris leegei, nov. spp., alsmede tabel voor de genera
Trombidium en Smaris ; voorts Parasitus longulus var. robusta nov. var, echter
i. re nudum, daar de beschrijving eerst in opus 131 is verschenen
p. 38).
23.X1.1901. Opmerkingen bij het lezen van „De Levende Natuur”. De lev. Nat.
VI, No. 9, p. 200—202. [Vermes; Aves; Rept.; Amph.; Aran.; Coleopt. ;
Lepidopt. ; Plantae ; Musci]
Anthyllis vulneraria; kleurenzin bij insecten; Gordius (koordworm) ; door
schrik verlamde vogels; geelgors; badende vogels; merkwaardige planten ;
Gordius (koordworm) ; slangen in gevangenschap ; slangen, die elkaar grijpen ;
kikkers houden niet van padden ; door schrik verlamde kikkers ; spinnewebben ;
Gordius (koordworm) ; determineerboekjes voor insecten ; watertorren ; Sphag-
num; Tinea tapezella; dubbele veeren; mimicry ; geconserveerde planten.
23.X1.1901. Een kool door een knoopsgat gegroeid, d.w.z. door het gat in een
knoop ; De lampionplant. Idem, p. 211, 212. [Plantae]
30.X1.1901. Notes on Acari. Third Series. Tschr. ned. dierk. Ver. (2). VII, No. 2,
p. 50—88, Pl. I—III, f. 1-61.
1. Acari of unknown countries (Hyalomma, Rhipicephalus)
2. Acari of Sumatra. (Laelaps celeripediformis, Haemaphysalis, Rhipicephalus)
16 G. L. VAN EYNDHOVEN,
3. Acari of Italy. (Macrocheles marginatus, Liponyssus rhinolophi n.sp.)
4. Acari of Cochin China. (Hyalomma affine)
5. Acari of Java. (Uropoda, Tyroglyphus, Glycyphagus, Cheyletus, Greenia,
Neoparasitus, Amblyomma, Hypopus, Trichotarsus, Pachylaelaps, Cillibano)
6. Neoparasitus Oudms. nov. gen.
7. Neoparasitus oudemansi n.sp.
8. Pachylaelaps ctenophorus n.sp.
9. Pachylaelaps minutus n.sp.
10. Key to the species of Pachylaelaps
11. Key to the genera of Parasitinae
12. Greenia nov. gen.
13. Greenia perkinsi n.sp.
14. Key to the genera of Laelaptinae
15. Liponyssus Klti. (met tabel der genera)
16. Liponyssus rhinolophi n.sp.
17. Liponyssus saurarum n.sp.
18. Key to the species of Liponyssus Klti.
19. Subfamily Spinturnicinae
20. Key to the genera of Spinfurnicinae
21. Uropoda javensis n.sp.
22. Key to the species of Uropoda Latr.
23. Cillibano heliocopridis n.sp.
24. Key to the species of Cillibano v. Heyd.
25. Camisia horrida, biverrucata, berlesei, nicoletii and fischeri
26. Emendation in the key of the species of Camisia (Das Tierreich, Ori-
batidae, p. 69)
27. Eremaeus confervae Schrank
28. Scutovertex spoofi Oudms. = bilineatus Michael
29. Key to the species of Scufoverfex Michael
30. Scutovertex spoofi, nympha = Hermannia convexa (C. L. Koch), nympha
31. Notaspis alafus Herm.
32. Trichotarsus koptorthosomae n.sp.
33. Key to the species of Trichotarsus Can.
34. Glycyphagus ornatus Kram.
35. Labidophorus Kram.
36. Key to the genera of Tyroglyphinae
37. Hypopus minutus n.sp.
38. Key to the species of Hypopus
39. Tyroglyphus trifolium n.sp.
40. Key to the species of T'yroglyphus Latr.
120. 24.XII.1901. Opmerkingen bij het lezen van „De Levende Natuur”. De lev. Nat.
VI, No. 10, p. 228—229. [Aves; Pisc.; Rept.; Moll.; Acar.; Coleopt.; Ver-
mes; Amph.; Hymen.; Plantae.]
Geur van bladeren ; Scrofularia ; weersvoorspelling van de zwaluw ; modder-
kruiper ; oogleden der slangen ; paling in jenever; vergiftige mosselen (hierbij
Atax ypsilophorus) ; lievenheersbeestjes (Coccinella) ; modderkruipers ; koord-
worm (Gordius) ; kikkers; huidmondjes van bladeren; bloeden der berken;
middel tegen mieren.
121, 1.1.1902. Entomologische aanteekeningen (lees: Acarologische aanteekeningen I).
E-B..I, No. 3, p. 11617.
Sarcopsylla; Notodonta bicoloria; Lophopteryx carmelita; Acarus dimidia-
tus; Eremaeus novus; Caenonychus fallax; Parasitus sexclavatus, vespillo-
num; Tyroglyphus fucorum. È
122. 25.1.1902. Kraanvogels (Grus grus L.). De lev. Nat. VI, No. 11, p. 260. [Aves.]
123. 1.111.1902. Entomologische aanteekeningen (lees: Acarologische aanteekeningen
I) SESBARIMNO 4 0020223
Parasitus sexclavatus, subterraneus; Glycyphagus bomborum, fuscus ; Dispa-
ripes bombi; Trichotarsus osmiae; Liponyssus saurarum, albatus; Trombi-
dium novum. 1
124. 10.III.1902. Uber eine sonderbare Art von Überwinterung einer Milbe. Zool. Anz.
XXV, No. 666, p. 218—219.
Erythraeus hibernans, alsmede phalangioides, acis, regalis.
125. 29.111.1902. Boekenschorpioenen of Basterdschorpioenen. De lev. Nat. VII, No. 1,
p. 20. [Chelonethi.]
IN MEMORIAM DR. À. C. OUDEMANS. 17
126. 5.1V.1902. Over eenige nieuwe Acari. T. v. E. XLV, Verslagen, p. 9—11.
Een aantal soorten genoemd zonder details. Voorts met details: Nofaspis
schiitzi; Liponyssus saurarum, corethroproctus; Seiulus plumosus; Laelaps
agilis; Hypoaspis hypudaei, celeripediformis ; Cyrtolaelaps transisalae ; Eury-
parasitus terribilis; Parasitus subterraneus.
127. 16.VI.1902. Notaspis voigtsi. Zool. Anz. XXV, No. 673/674, p. 473. (Diagnose
in artikel van Voigts).
128. I.VII.1902. Acarologische aanteekeningen (lees: Acar. aant. III). E.B. I, No. 6,
p. 36—39.
Eremaeus novus; Erythraeus hibernans, lomani ; Trombidium novum ; Greenia
alfkeni; Hypoaspis greeni; Liponyssus lepidopeltis; Periglischrus iheringi ;
Uropoda wagneri,
129, 18.VII.1902. Notes on Acari. Fourth Series. Tschr. ned. dierk. Ver. (2). VII,
No. 3/4, p. 276—311, Pl. VIII—X, f. 1—50.
1. Acari of Cape-Colony. (Amblyomma splendidum)
2. Acari of Africa. (Amblyomma hippopotamense)
3. Acari of England. (Unionicola ypsilophorus)
4. Acari of Germany. (Disparipes, Oribata, Laelaps, Liponyssus, Argas,
Glycyphagus, Hypoaspis, Parasitus, Macrocheles, Notaspis, Trombidium,
Erythraeus, Trichotarsus)
Acari of Dutch Guyana. (Amblyomma sabanerae, geayi)
Acari of France. (Parasitus, Spinturnix, Liponyssus, Trombidium, Bdella,
Tetranychus, Notaspis, Tyroglyphus, Macrocheles, Emeus, Ixodes,
Anystis, Oribata)
7. Acari of the Gold-Coast. (Hyalomma affine)
8. Acari of Borneo. (Neoparasitus oudemansi, Emeus bosschai)
9. Acari of West-Africa. (Trombidium tinctorium)
10. Acari of Transvaal. (Haemaphysalis leachi, Rhipicephalus evertsi)
11. Parasitus marinus (Brady)
12. Parasitus evertsi n.sp.
13. Key to the species of Parasitus
14. Hydrogamasus salinus Lab.
(5°, aelapsi(GAL Koch)
16. Laelaps agilis C. L. Koch
17. Key to the species of Laelaps (C. L. Koch)
18. Hypoaspis Can.
18a. Hypoaspis fuscicolens n.sp. (nom. nud.)
19, Emeus pyrenaicus n.sp.
20. Emeus bosschai n.sp.
21. Key to the species of Emeus Mégn.
22. Key to the genera of Laelaptinae
23. Liponyssus musculi C. L. Koch
24. Liponyssus chelophorus n.sp.
25. Liponyssus spinosus n.sp.
26. Key to the species of Liponyssus Klti.
27. Spinturnix mystacina Klti.
28. Key to the species of Spinturnix v. Heyden
29. Trombidium tinctorium (L.)
30. Trichotarsus intermedius n.sp.
31. Trichotarsus Can.
32. Key to the species of Trichotarsus Can.
130. rear Acarologische aanteekeningen (lees: Acar. aant. IV). E. B. I, No. 7,
p —
Trombidium russicum ; Eremaeus hessei ; Trichotarsus helenae, hipposideros ;
Acotyledon paradoxa ; Caenonychus fallax ; Tarsonemus soricicola ; Nanacarus
minutus,
131. 10.IX.1902. New List of Dutch Acari. Second Part. With remarks on known
and descriptions of a new subfamily, new genera and species. T. v. E. XLV,
No. 1/2, p. 152, Pl. I-VI, f. 1—120.
Oribatidae : Notaspis, Carabodes, Eremaeus, Oribata, Hermannia, Hoploderma
Rhodacarinae nov. subfam.: Rhodacarus roseus nov. gen., nov. sp.
Parasitidae : Parasitus, Macrocheles, Cyrtolaelaps, Pachylaelaps, Hypoaspis,
Liponyssus, Emeus, Laelaps, Neopodocinum, Epicrius, Caeleno, Ptilonyssus,
Dermanyssus, Spinturnix, Seiulus, Asca, Eurylaelaps, Haemogamasus, Uropoda,
au
ry
18
G. L. VAN EYNDHOVEN,
Cillibaena, Dinychus, Uroseius
Speciaal behandeld :
Notaspis schützi
Dermanyssus gallinae
Liponyssus saurarum, albatus, corethroproctus en tabel der soorten
Seiulus plumosus en tabel der soorten.
Hypoaspis pavidus, cossi, hypudaei, krameri, celeripediformis en tabel der
soorten
Neopodocinum jaspersi
Cyrtolaelaps cervus, nemorensis, transisalae en tabel der soorten
Pseudoparasitus
Euryparasitus
tabel der genera van Parasitinae
Parasitus subterraneus, sexclavafus, mustelarum, vespillonum, bomborum,
cornutus, kempersi, longulus cum var. robusta, dentipes, wasmanni, septen-
frionalis en tabel der soorten
Macrocheles longispinosus, longulus, tridentinus, ferreus, vagabundus en tabel
der soorten
Asca affinis
Uropoda tecta, ovalis, krameri
Cillibaena cassideus, minor
Uroseius novus
Caeleno
tabel der subfamiliae der Parasitidae
Rhodacarinae ; Rhodacarus roseus
132. 17.1X.1902. Over eenige Acari. Tschr. ned. dierk. Ver. (2). VIII, p. XV—XVI.
Glycyborus, Nodipalpus, Cerophagus, Macrocheles, Cheyletus.
133. 31.X.1902. Notes on Acari. Seventh Series. Tschr. ned. dierk. Ver. (2). VIII,
No. 1, p. 17—34, Pl. I—IV, f. 1-52.
Liponyssus musculi, lobatus, albatus, albato-affinis, kolenatii en tabel der
soorten
Spinturnix vespertilionis, plecoti, carnifex en tabel der soorten
134. 3.XI.1902. Acarologische aanteekeningen (lees: Acar. aant. V). E.B. I, No. 8,
p. 46-49.
Anoetus spiniferus, neglectus
Liponyssus musculi, lobatus, albatus, albato-affinis, kolenatii
Spinturnix vespertilionis, plecoti, carnifex
135. 11.XI.1902. Nieuws over oude Acari. — Nieuwe Acari. — Classificatie der Acari.
— Over Meloë-larven van Ceylon.
Parasitus, Euryparasitus, Haemogamasus, Hypoaspis, Asca, Pachylaelaps,
Uropoda, Cyta, Trombidium, Camisia, Eremaeus, Zetorchestes, Notaspis ;
tabellen der subfamiliae.
136. 24.XI.1902. Leerboek der Natuurlijke Historie. II. Plantkunde. W. J. Thieme,
Zutphen, p. 1—274, f. 1—408.
137. 23.1V.1903. Leerboek der Natuurlijke Historie. III. Delfstof- en Aardkunde.
W. J. Thieme, Zutphen, p. 1—160, f. 1—216.
138. 5.V.1903. Afypus piceus. E. B. I, No. 11, p. 72. [Aran.]
139. 14.V.1903. Notes on Acari. Fifth Series. T. v. E. XLV, No. 3/4, p. 123—150,
Pl. X—XII, f. 1-49,
Il,
SJ © Ud. O N
Acari of Russia. (Argas, Parasitus, Uropoda, Tydeus, Linopodes, Anystis,
Tarsonemus, Rhombognathus, Camisia, Liacarus, Eremaeus, Scutovertex,
Notaspis, Lentungula, Eriophyes, Spinturnix, Liponyssus, Trombidium,
Acotyledon)
. Acari of Congo. (Eremaeus, Liponyssus, Amblyomma, Hyalomma, Rhipi-
cephalus, Trombidium)
. Acari of Chili. (Erythraeus lomani)
. Acari of Brazil. (Periglischrus jheringi)
. Acari of Luxemburg. (Hypoaspis, Glyphopsis)
. Acari of Malakka. (Greenia alfkeni)
Acari of India. (Greenia, Hypoaspis, Trichotarsus)
Speciaal behandeld :
Greenia alfkeni en tabel der soorten
Hypoaspis greeni en tabel der soorten.
Liponyssus lepidopeltis en tabel der soorten
IN MEMORIAM DR. À. C. OUDEMANS. 19
Periglischrus jheringi en tabel der soorten
Uropoda wagneri en tabel der soorten
Erythraeus lomani en tabel der soorten
Trombidium russicum en tabel der soorten
Eremaeus hessei en tabel der soorten
Trichotarsus helenae, hipposiderus en tabel voor de hypopoda
Acotyledon paradoxa
tabel der genera der Tyroglyphinae
140, 1.VII.1903. Weidebloem. De lev. Nat. VIII, No. 4, p. 79.
; Bellis perennis. [Plantae.]
141. 17.VII.1903. Lepisma saccharina L., lichtgevend. E.B. I, No. 12, p. 82 [Thysan.]
142, 17.VIL.1903. Acarologische Aanteekeningen VI. Idem, p. 83—88.
Acarus denticulatus Schrank; Cepheus heimi; Cheletes ferox, malaccensis,
vorax, rapax, intrepidus ; Parasitus mustelarum, poppei, crinitus, burchanen-
sis, tricuspidatus; Epicrius mollis, corniger, laelaptoides, glaber ; Hypoaspis
incisus, fuscicolens, necorniger, subglabra; Uropoda bosi, ritzemai ; Erythraeus
germanicus,
143. 28.VII.1903. Notes on Acari. Sixth Series. T. v. E. XLVI, No. 1, p. 1—24, PI.
I-II, f. 144.
Caenonychus fallax
tabel der genera der Eupodinae
Trombidium novum en tabel der soorten
Tarsonemus soricicola
Eremaeus novus en tabel der soorten
tabel der tribus en genera der Tyroglyphinae
Nanacarus minutus
Glycyborus plumiger en andere soorten.
Nodipalpus ulmi
tabel der soorten van Hypopus Duj.
Cerophagus bomborum
Glycyphagus fuscus en tabel der soorten.
Tyroglyphus fucorum en tabel der soorten
Anoetus spiniferus, neglectus en tabel der hypopoda.
144, 2.1X.1903. Acarologische Aanteekeningen VII. E.B. I, No. 13, p. 91—92.
Emeus inexpectatus ; Thrombus gymnus; Erythraeus ignotus, glaber, flavus ;
Hydrarachna tectocervix ; Scutovertex schneideri.
145. 7.1X.1903. Over de Groote Zeeslang. Tschr. ned. dierk. Ver. (2). VIII, p.
XLV—XLVI. [Mammal.]
146. 1.XI.1903. Symbiose van Koptorthosoma en Greenia. Eene prioriteits-kwestie. E.B.
I, No. 14, p. 98—100. [Hymenopt.; Acar. ]
147, 1.XI.1903. Acarologische Aanteekeningen VIII. Idem, p. 100—103.
Parasitus minor; Hypoaspis ometes; Emeus maior; Neopodocinum vosi,
nederveeni ; Neoseius novus; Uropoda alfkeni; Acheles mirabilis ; Cheletes
eruditus ; Sebaia rosacea; Eremaeus confervae ; Aleurobius farinae; Glycy-
phagus cadaverum, domesticus, domesticus varr. concretipilus et unisetus,
sefosus, troupeaui, sculptilis, michaeli, burchanensis, privatus, fustifer ; Anoe-
fus sumatrensis, discrepans.
148. 8.XII.1903. Symbiose von Coptorthosoma und Greenia. Eine Prioritätsfrage. Zool.
Anz. XXVII, No. 4, p. 137—139. [Hymenopt. ; Acar.]
149, 10.XII.1903. Notes on Acari. Eighth Series. Tschr. ned. dierk. Ver. (2). VIII,
No. 2, p. 70—92, PI. V—VI, f. 1-45.
Acari of Germany. (Parasitus, Euryparasitus, Macrocheles, Haemogamasus,
Hypoaspis, Emeus, Laelaps, Liponyssus, Spinturnix, Asca, Uroseius, Argas,
Ixodes, Scirus, Anystis, Myobia, Smaris, Trombidium, Pygmephorus, Tarso-
nemus, Notaspis, Nanacarus, Dermacarus, Glycyphagus, Labidophorus, Anoe-
tus, Prosopodectes.
Speciaal behandeld :
Parasitus sexclavatus, vespillonum, emarginatus, spinipes + rubescens, met
tabel der soorten
Euryparasitus terribilis
Haemogamasus hirsutus, michaeli en tabel der soorten
Hypoaspis talpae en tabel der soorten
Asca affinis,
150, 12.XII.1903. Inlandsche Rivierkreeften. De lev. Nat. VIII, No. 9, p. 176. [Crust.]
20
151.
152.
153.
154.
155.
156.
157.
158.
159.
160.
161.
162.
163.
154.
165.
166.
167,
G. L. VAN EYNDHOVEN,
1.1.1904. Acarologische Aanteekeningen IX. E.B. I, No. 15, p. 119—120.
Trombidium holosericeum, poriceps, tecfocervix, striaticeps ; Parasitus affinis.
8.1.1904. (als medewerker) Voorloopige lijst van Nederlandsche Volksnamen van
planten. Uitgave Nederl. natuurh. Ver., p. 1—95.
13.1.1904. Notes on Acari. Eleventh Series. T. v. E. XLVI, No. 2., p. 93—134,
Pl. XI—XIII, f. 1-51.
Remarks on the relative ancienty and mutual relation of the Families of Acari,
met tabellen
Acari of France. (Dermacentor reticulatus ; Glycyphagus destructor)
Acari of Brasil. (Macrocheles badius)
Parasitus coleoptratorum, crassipes
Macrocheles longispinosus, tridentinus
Pachylaelaps furcifer, ensifer
Liponyssus pipistrelli
On the larva of Spinturnix
Neoseius novus
Uropoda ritzemai, bosi
Caligonus humilis
Cheletes eruditus, schneideri, trouessarti
Labidostomma denticulatum.
30.1.1904. Adonis autumnalis. De lev. Nat. VIII, No. 11, p. 216. [Plantae.]
3.11.1904. (tezamen met F. Heim) Nouvelle espèce fungivore de Cepheus
(Acar.). Bull. Soc. ent. Fra. 1903, No. 18, p. 311—313, f. 1-3.
Cepheus heimi.
1.1I1.1904. Acarologische Aanteekeningen X. E.B. I, No. 16, p. 140—141.
Parasitus primitivus ; Iphidoides + Iphis + Eumaeus + Emeus + Iphidop-
sis + Iphiopsis ; Poecilochirus ; Melichares agilis. i
21.1II.1904. (tezamen met F. Heim) Sur deux nouvelles formes larvaires de
Thrombidium (Acar.) parasites de l'homme. C. R. Sea. Ac. Sci. CXXXVII, No.
11, p. 704-706, f. 1-9.
Trombidium striaticeps, poriceps.
26.111.1904. Mijten in urine. Pharmaceut. Weekbl. XLI, No. 13, p. 269-271.
Tyroglyphus longior ; Glycyphagus privatus ; Nephrophagus sanguinarius.
23.IV.1904. (tezamen met F. Heim) Deux nouvelles espèces de Thrombidium
de France (Acariens), Bull. Soc. ent. Fra. 1904, No. 4, p. 91—97, f. 1—9.
Trombidium striaticeps, poriceps.
1.V.1904. Acarologische Aanteekeningen XI. E.B. I, No. 17, p. 153—155.
Parasitus delta, iota, cappa, coleoptratorum var. concretipilus ; Cheletoides +
Acaropsis + Cheletes + Cheletia; synonymie van Sarcopterus ; Sarcoborus ;
Nephrophagus sanguinarius.
14.VI.1904. (tezamen met Hans Voigts) Neue Milben aus der Umgegend von
Bremen. Zool. Anz. XXVII, No. 20/21, p. 651—656.
Parasitus bremensis, consanguineus, eta, consimilis, congener, beta, alpha, theta,
zeta, setosus, consors ; Pergamasus gamma ; Eugamasus epsilon ; Hypoaspis lubri-
ca; Seiulus levis ; Metaparasitus suboles ; Uropoda levisetosa ; Eremaeus varius.
18.VI.1904. Over mijten in urine en in de nieren. Med. Weekbl. v. Noord- en
Zuid-Nederland. Separatum p. 1—13.
Zie op 158. i
1.VII.1904. Acarologische Aanteekeningen XII. E.B. I, No. 18, p. 160—164.
Laelaps versteegi; Varroa jacobsoni; Cheletes promptus, saevus, strenuus,
schneideri, fortis, audax, alacer, acer, ferox, trouessarti ; Cheletomorpha venus-
tissimus ; Cheletophanes montandoni ; Cheletia flabellifera ; Cheletomimus trux ;
Acaropsis eruditus ; Cheletopsis nörneri, major ; Chelonotus selenorrhynchus ;
Chrithoptes (Chrithocoptes) monunguiculosus ; Trouessartia trouessarti, rosterii.
8.VII.1904. On a new genus and species of parasitic Acari. Notes Leyd. Mus.
XXIV, Note 8, p. 216—222, f. 1-9.
Varroa jacobsonii.
8.VII.1904. Laelaps versteegii, a new species of parasitic mite. Idem, Note 9, p.
223-231, f. 1—15.
24.VII.1904. Mauersegler, Cypselus (Micropus) apus L. Natw. Wochenschr.
XIX, p. 683. [Aves.] 4
28.VII.1904. Notes sur les Acariens. Xe Série. Parasitidae (vel Gamasidae),
Thrombididae et Oribatidae d'Italie. Mém. Soc. zool. Fra. XVI. ,,1903”, p. 5—32,
PI. III, f. 1—84.
IN MEMORIAM DR. À. C. OUDEMANS. 21
Pachylaelaps siculus, tetragonoides
Hypoaspis hermaphroditoides, holaspis, myrmecophila var. longisetosa, lepta,
arcualis, multiformis
Uropoda paradoxoides
Cheletes schneideri
Cyta latirostris
Trombidium granulafum
Sur un mode curieux d’hivernage d'un Acarien (Erythraeus hibernans)
Erythraeus hibernans, trimaculatus
Camisia nicoleti, biciliata ; Camisiinae
Eremaeus sanremensis, schneideri, tibialis, propinquus, cognatus
Zetorchestes consanguineus
Notaspis subseminulum
168. 1.IX.1904. Acarologische Aanteekeningen XIII. E.B. I, No. 19, p. 169—174.
Varroa; Cheletes ; Cheletopsis ; Cheletomorpha ; Syringophilus ; Pterolichus ;
Alloptes ; Dermoglypheae ; Syringobia ; Dermoglyphus ; Columellaia ; Plutar-
chusia ; Thecarthra.
169. 10.IX.1904. Notes on Acari IX. Acariden von Borkum und Wangeroog. (Para-
170.
17
=
+
172.
173.
174.
175.
sitidae, Thrombidiidae, Oribatidae). Abh. nath. Ver. Bremen. XVIII, No. 1., p.
77—98, Taf. II—VIII, f. 1—96 (Ik heb niet met zekerheid kunnen uitmaken, hoe
het datumverschil met opus 178 is ontstaan).
Berichtigungen (Liponyssus, Glycyphagus, Nanacarus)
Parasitus mustelarum, crinitus, burchanensis, tricuspidatus, robustus
Hypoaspis incisus, fuscicolens, mollis, laelaptoides, glabra, corniger, necorni-
ger, subglabra
Emeus inexpectatus
Thrombus gymnus
Erythraeus ignotus, glaber, flavus
Trombidium tectocervix
Scutovertex schneideri
16.X.1904. Een nieuwe plant voor onze Flora. De lev. Nat. IX, No. 7, p. 152.
Gilia achillaeifolia, tevens Phacelia tanacetifolia.
1.XI.1904. Acarologische Aanteekeningen XIV. E.B. I, No. 20, p. 190—195.
Syringophilus ; Cheletomorpha ; Anoeteae nov. nom.; Canestriniinae ; Der-
maleichus ; Photia; Freyana ; Xoloptes; Falculiger ; Bdellorrhynchus ; Chilo-
ceras ; Pterolichus ; Thecarthra ; Sammonica ; Syringobia ; Hemisarcoptinae ;
Dermoglyphus ; Megninia ; Pteralloptes ; Alloptes ; Dermatophagoides ; Pso-
roptinae +} Acarinae; Psoralginae ; Heteropsorinae ; Laminocoptinae ; Lino-
biinae.
1.X1.1904. Wonderbaarlijke Arthropoden. Idem, p. 195—198.
Ignotus aenigmaticus ; Platypsyllus castoris ; Thaumatoxena wasmanni ; Koe-
nenia mirabilis; Opilioacarus. [Coleopt.; Rhynch. ; Arachn.]
14.XI1.1904. Tropische gewassen in ons land. De lev. Nat. IX, No. 9, p. 192.
[Plantae.]
Kiemen van gedroogde dadelpitten en zaden van geconfijte vruchten.
1.1.1905. Acarologische Aanteekeningen XV. E.B. I, No. 21, p. 207—210.
Syringophilus ; Cheletosma ; Cheletoides ; Cheletomimus ; Cheletogenes ; Aca-
ropsis; Suidasia; Dermoglyphus; Thecarthra; Pterolichus ; Avenzoaria ;
Mégninia.
14.1.1905. Notes on Acari. XIIIth Series (Parasitidae, Bdellidae, Thrombidiidae,
Oribatidae). T. v. E. XLVII. No. 2/4, p. 114-135, Pl. VI—IX, f. 1—66.
Parasitus poppei; Neopodocinum vosi, nederveeni, jaspersi; Uropoda alf-
keni; Sebaia rosacea; Erythraeus germanicus; Eremaeus confervae ; Notas-
pis voigtsi; Glycyphagus setosus, fustifer, burchanensis ; Anoetus discrepans,
sumatrensis.
176. 18.1.1905. Notes on Acari. XIIth Series (Parasitidae, Oribatidae, Tyroglyphidae).
Tschr. ned. dierk. Ver. (2). VIII, No. 3, p. 202—239, PI. VIII—X, f. 1—45.
Parasitus minor, longulus; Hypoaspis ometes; Emeus major; Eremaeus con-
junctus ; tabel voor hypopoda der Tyroglyphinae; Aleurobius farinae ; Gly-
cyphagus cadaverum, domesticus cum varr. unisefus et concretipilus, pruno-
rum, hyalinus, cubicularius, setosus, ornatus, troupeaui, fuscus, sculptilis,
michaeli, burchanensis, privafus ; indeeling van het genus Glycyphagus.
177. 1.11.1905. Acarologische Aanteekeningen XVI. E.B. I, No. 22, p. 216—218.
Caelenopsis weberi; Amblyomma scaevola ; Sarcoborus wordt Sarcopterinus ;
22
G. L. VAN EYNDHOVEN,
Trombidium vandersandei, wichmanni; Erythraeus debeauforti; Dermogly-
phinae ; Falculigerinae ; Syringobiinae ; Eustathiinae ; Eustathia; Chauliacia.
178. 10.III.1905. (tezamen met Hans Voigts) Zur Kenntnis der Milben-Fauna von
179,
180.
res
181.
182.
183,
184.
185.
Bremen. Abh. nath. Ver. Bremen. XVIII, ,,1904”, No. 1, p. 199-253, Taf.
XII—XIX, f. 1—138 (Zie opmerking bij opus 169).
167 soorten, behoorende tot de genera :
Parasitus ; Pergamasus; Trachygamasus; Gamasoides; Eugamasus; Eury-
parasitus; Macrocheles ; Cyrtolaelaps; Gamasellus; Haemogamasus; Lae-
laps; Hypoaspis; Poecilochirus ; Seiulus; Euiphis; Melichares; Dermanys-
sus; Liponyssus; Spinturnix; Metaparasitus; Asca; Neoseius; Polyaspis ;
Uropoda ; Cilliba; Argas; Ixodes; Tydeus; Poecilophysis; Eupodes; Lino-
podes ; Penthalodes ; Penthaleus ; Bimichaelia; Bdella; Cyta; Anystis; Tar-
sotomus; Tetranychus; Bryobia; Cheletes; Syringophilus; Myobia; Cu-
naxa; Trombidium ; Allothrombidium ; Erythraeus; Balaustium; Achorolo-
phus ; Tarsonemus ; Pygmephorus ; Disparipes ; Camisia; Hermannia; Hy-
pochthonius ; Oribata ; Liacarus ; Eremaeus ; Banksia; Cepheus ; Scutovertex ;
Notaspis; Pelops; Hoploderma; Nanacarus; Tyroglyphus; Aleurobius ;
Trichotarsus ; Carpoglyphus; Labidophorus; Glycyphagus ; Dermacarus ;
Anoetus ; Myocoptes; Listrophorus ; Pseudalloptes ; Mégninia; Proctophyl-
lodes ; Notoedres ; Prosopodectes.
1.V.1905. Acarologische Aanteekeningen XVII. E.B. I, No. 23, p. 222—226.
Seiulus ; Megisthanus ; Fallopia ; Limnesia ; Unionicola ; Tyroglyphus ; Anoe-
tus; Analgidae; Gabucinia; Trouessartia; Ingrassia; Pteralloptes; Ptero-
dectes ; Proctophyllodes.
1.VII.1905. Acarologische Aanteekeningen XVIII. E.B. I, No. 24, p. 236—241.
Megisthanus ; Macrocheles ; Celaenopsis ; Ptilonyssus ; Uropoda; Erythraeus,
Aleurobius ; Glycyphagus ; Dermacarus ; Anoetus; Analges; Trouessartia ;
Pseudalges ; Pterophagus ; Joubertia ; Proctophyllodes ; Montesauria ; Varchia ;
Pterodectes ; Pteralloptes ; Alloptes ; tabel der genera der Proctophyllodinae.
15.VII.1905. Bizonderheden over bekende en nieuwe Acari. T. v. E. XLVIII,
Verslagen, p. LXXVII LXXXI.
Macrocheles; Gamasellus; Hypoaspis; Seiulus; Uropoda; Cilliba; Tetra-
nychus; Balaustium; Eulais; Hydrarachna; Dermolichus; Tyroglyphus ;
Glycyphagus ; Anoetus ; Trichotarsus.
1.1X.1905. Acarologische Aanteekeningen XIX. E. B. II, No. 25, p. 4—12.
Parasitus ; Pergamasus ; Cyrtolaelaps; Veigaia; Gamasellus; Macrocheles ;
Gamasoides ; Hypoaspis ; Emeus ; Iphidoides ; Euiphis ; Seiulus ; Celaenopsis ;
Cilliba ; Cillibaena ; Sebaia; Penthaleus; Tetranychus; Balausfium ; Ery-
fhraeus ; Achorolophus ; Trombidium ; sexueel verschil bij Oribates ; Murcia;
Acarus passularum; Tyroglyphus ; Aleurobius; Trichotarsus; Nycterido-
coptes ; Plutarchusia ; Pterolichus; Demodex ; Pterodectes.
1.1X.1905. De groote zeeslang. I. Het nederl. Zeewezen IV, No. 15, p. 257—
261, 1 fig. [Mammal.]
15.1X.1905. De groote zeeslang. II. Idem, No. 16, p. 273—277, 3 fig.
1.X1.1905. Acarologische Aanteekeningen XX. E. B. II, No. 26, p. 15—23.
Pergamasus ; Laelaps; Tydeus; Cheletes; Allothrombidium; Achorolophus ;
Tarsonemus ; Erythraeus ; Aleurobius ; Glycyphagus ; tabel der hypopoda der
Tyroglyphinae ; Horstia; Sennertia; Vidia; Trichotarsus ; Proctophyllodes.
186. 31.XII.1905. Notes on Acari. XIVth Series. (Parasifidae, Thrombidiidae). T. v.
E. XLVIII, No. 4, p. 221—244 (1—24), Pl. VIII—X, f. 1—53.
Acari of Germany. (Aleurobius, Glycyphagus, Tyroglyphus)
Acari of France. (Parasitus, Euiphis, Seiulus, Thyas, Rhaphignathus, Te-
tranychus, Trombidium, Balaustium, Oribata, Glycyphagus, Anoetus)
Acari of Brazil. (Parasitus primitivus)
Acari of French Guiana. (Parasitus primitivus)
Voorts behandeld: Parasitus delta, iota, affinis; Melichares agilis ; Bryobia
graminum, cristata.
187, 1.1.1906. Een groote zeeslang voor Zandvoort. Het ned. Zeewezen. V, No. 1,
p. 10—12. 1 fig. [Mammal.]
188, 2.1.1906. Acarologische Aanteekeningen XXI. E.B. II, No. 27, p. 37—43.
Hyalomma ; Liponyssus ; Labidostomma ; Pygmephorus ; Rhagidia ; Eupodes ;
Ereunetes ; Bdella; Raphignathus ; Caligonus; Stigmaeus; Acarus piger ;
Allothrombidium ; stigmata van Trombidium ; Aleurobius.
189, 2.1.1906. Nieuwe classificatie der Acari. Idem, p. 43—46.
IN MEMORIAM DR. À. C. OUDEMANS. 23
190. 2.1.1906. Morphologische beteekenis van de leden der mandibula bij de Acari.
Idem, p. 4748.
191. 8.1.1906. Das Tracheensystem der Labidostomidae und/neue Klassifikation der
Acari. Zool. Anz. XXIX, No. 20, p. 633—637, 1 fig.
192, 8.1.1906. Über die morphologische Bedeutung der Glieder der Mandibeln bei den
Acari. Idem, p. 638—639.
193. 1.1II.1906. Acarologische Aanteekeningen XXII. E.B. II, No. 28, p. 55—62.
Ixodes reduvius + Allothrombidium vandersandei +A. wichmanni + Derma-
tophilus penetrans; Linopodes ; Penthaleus ; Penthalodes ; Rhagidia ; Eupo-
des; Bdella; Stigmaeus ; Cunaxa ; Bryobia ; Trombidium ; Allothrombidium ;
Liponyssus ; tabel voor de genera der Notaspidinae ; Joelia : Elafenzejj ze
194, 1.111.1906. Aanteekeningen over Suctoria. Idem, p. 62.
Dermatophilus penetrans ; Xestopsylla gallinacea.
195. 26.11.1906. Eenige bizonderheden over Acari. T. v. E. XLIX, Verslagen, p.
XVI—XIX.
Tarsonemus minusculus ; Pediculoides spinosus, pilosus, aestivus.
196. 31.1II.1906. Wie kann man die vor einem fortgeschleuderten Körper komprimierte
Luft sehen? Natw. Wochenschr. XXI, p. 221.
197. 15.1V.1906. Een groote zeeslang voor Zandvoort. Het Ned. Zeewezen. V, No. 8,
p. 126. [Mammal.]
198. 17.IV.1906. Uber Genitaltracheen bei Chernetiden und Acari. Zool. Anz. XXX,
No. 5, p. 135—140, 1 fig.
199, 1.V.1906. Reuzeninktvisschen. Het ned. Zeewezen. V, No. 9, p. 132—136, 5 fig.
[ Mollusc. ]
200. 1.V.1906. Aanteekeningen over Suctoria II. E.B. II, No. 29, p. 73—77.
Synonymie van den naam Suctoria.
201. 1.V.1906. Acarologische Aanteekeningen XXIII. Idem, p. 81—88.
Oerstigmata ; Tracheeénsysteem (Balaustium, Anystis, Tarsotomus) ; Geni-
taaltracheeënsysteem (Cyta, Balaustium, Anystis) ; zintuigen der Ixodidae ;
sexueele verschillen (Balaustium, Anystis) ; verbeteringen, aanvullingen, no-
menclatuur en geographische verbreiding (Anystis, Tarsotomus, Rhipicephalus,
Trombidium, Cyta, Balaustium, Linopodes, Rhagidia, Hyalomma, Ixodes,
Amblyomma).
202. 15.VI.1906. (tezamen met F. Heim) Nouvelle espèce du genre Pergamasus Ber-
lese (Acar.) originaire de la Guyane et du Brésil. Ann. Soc. ent. Fra. LXXV,
p. 57—62, Pl. IV—VI, f. 1—19.
Pergamasus primitivus.
203. 1.VII.1906. Eene geluid makende Gryllotalpa-larve. E.B. II, No. 30, p. 95—96.
[Orthopt.]
204. 1.VII.1906. Acarologische Aanteekeningen XXIV. Idem, p. 96—101.
Oerstigmata ; verwantschap der Tyroglyphidae en Oribatidae ; verbeteringen,
aanvullingen, nomenclatuur en geographische verbreiding (Rhipicephalus,
Murcia, Hologamasus, Hypoaspis, Hermannia, Raphignatus, Ixodes) ; genus
Eremaeus gesplitst (Eremaeus, Liacarus, Xenillus, Liebstadia, Oribatula).
205. 1.VII.1906. Aanteekeningen over Suctoria III. Idem, p. 101—105.
Nomenclatuur en synonymie der familien; Malacopsylla; Rhynchopsyllus ;
Hectopsylla (Hectoropsylla) ; Dermatophilus.
206. 1.VIII.1906. Acari. Nova Guinea: Résultats de l'expédition scientifique néerlan-
daise à la Nouvelle-Guinée. vol. V, livr. 1, Zoologie, p. 101—161, Pl. I-IV
(lees: II—V), f. 1—118.
I. Review of the Acari hitherto found in New Guinea. Opsomming van 177
soorten, behoorende tot de Parasitinae, Laelaptinae, Celaenopsinae, As-
cainae, Antennophorinae, Uropodinae, Holothyrinae, Ixodinae, Anystinae,
Thrombidiinae, Erythraeinae, Hygrobatinae, Camisiinae, Oribatinae, Ere-
maeinae, Notaspidinae, Phthiracarinae, Tyroglyphinae, Dermoglyphinae,
Falculigerinae, Syringobiinae, Analginae, Proctophyllodinae.
II. Description of the new species. 12 soorten, behoorende tot de genera
Seiulus, Celaenopsis, Megisthanus, Amblyomma, Trombidium, Erythraeus,
Limnesia, Acarus (lees: Tyrophagus), Tyroglyphus, Anoetus.
III. Historical, biological and pathological notes about the New Guinea and
other Harvest-Mites.
207. 1.IX.1906. Acarologische Aanteekeningen XXV. E.B. II, No. 31, p. 121—123.
Liacarus poppei; Eremaeus copulatus; Glycyphagus setosus, pilosus; T yro-
glyphus novus.
24
208.
209,
210.
211.
212,
213.
214.
215.
216
217.
218.
219.
220,
+
221.
224,
225.
G. L. VAN EYNDHOVEN,
1.1X.1906. Aanteekeningen over Suctoria IV. Idem, p. 123—126.
Pulex, Rhynchoprion, Ceratophyllus, Ischnopsyllus, Dermatophilus, Sarco-
haga, Sarcopsylla ; nomenclatuur. >
17.1X.1906. Drinkende vleermuizen. — Wormen in een kip-ei. — Monomanie
bij een slak. — Helix pomatia te Arnhem. Tschr. ned. dierk. Ver. (2). X, p.
XXXII-XXXINI. [Mammal.; Vermes; Mollusc.]
15.X.1906. (tezamen met S. A. Poppe) Nachtrag zur Milben-Fauna der Um-
gegend Bremens. Abh. nath, Ver. Bremen. XIX, No. 1, p. 47—67, Taf. II, f. 1—14.
Opsomming van vele soorten, behoorende tot de Parasitidae, Laelap-
tidae, Ascaidae, Dermanyssidae, Uropodidae, Tarsonemidae, Bdellidae, Tydi-
dae, Eupodidae, Halycidae, Tetranychidae, Thrombidiidae, Smaridae, Ery-
thraeidae, Cheletidae, Sciridae, Rhyncholophidae, Camisiidae, Oribatidae, Ere-
maeidae, Serrariidae, Notaspididae, Phthiracaridae, Tyroglyphidae, Sarcopti-
nae, Canestriniinae, Listrophorinae, Pterolicheae, Dermoglypheae, Analgeae,
Proctophyllodeae, Epidermopteae, Demodicides, Phytoptidae.
Speciaal behandeld: Liacarus poppei; Eremaeus copulatus ; Hoploderma
italicum ; Tyroglyphus novus; Glycyphagus pilosus, setosus.
23.X.1906. Mededeelingen over Hymenoptera, Gryllidae, Acari en Suctoria, T. v.
E. XLIX, Verslagen p. L—LIX.
Koptorthosoma tenuiscapa en Greenia ; geluid van Acheta domestica en Gryl-
lus campestris; Glycyphagus pilosus, setosus; pootleden der Oribatidae,
speciaal Phthiracaridae ; Nebenborsten, sternieten, tergieten, pleuraalschubben
der Suctoria; Ctenocephalus (Ctenophthalmus) + Trichopsylla; Ischno-
psylla + Nycteridopsylla.
1.XI.1906. Aanteekeningen over Suctoria V. E.B. II, No. 32, p. 131—134.
Ceratopsyllus, synonymie en verwante genera.
XII.1906. (als medewerker) Nederlandsche Plantennamen voor algemeen gebruik
gekozen door de Commissie voor Nederlandsche Plantennamen. Uitgave Nederl.
natuurh. Vereen., p. 1—79.
29.XII.1906. Notes on Acari. XVIth Series. (Parasitidae, Bdellidae, Acaridae).
T. v. E. XLIX, No. 4, p. 237270, Pl) IX KIT, £ 1551.
Parasitus bomborum ; Sebaia palmata; Suidasia pontifica; Thecarthra bou-
veti; Plutarchia chelopus ; Sammonica ovalis, interifolia, loryphora ; Dermo-
glyphus arami ; Ingrassia veligera.
1.1.1907. Diepzee-onderzoek en Diepzee-dieren. I. Inleiding — Geschiedenis. Het
ned. Zeewezen. VI, No. 1, p. 58, f. 18.
15.1.1907. Idem, II. De Uitrusting. Idem, No. 2, p. 20—24, f. 9—18.
1.11.1907. Idem, III. De Resultaten. Idem No. 3, p. 38—A1, f. 19—21.
15.11.1907. Idem, IV. De Resultaten (vervolg). Idem, No. 4, p. 52-58, f. 22-33.
1.111.1907. Idem, V. De Resultaten (slot). Idem, No. 5, p. 71-75, f. 34-39.
a Revision des Chélétinés. Mém. Soc. zool. Fra. XIX, No. 1, p. 36-144,
Uitgebreide behandeling van alle soorten, met beschrijvingen, determineer-
tabellen etc. Zie ook op. 223. Behandelde genera: Syringophilus, Picobia,
Sarcoborus, Psorergates, Cheletes, Cheletia, Cheletomimus, Cheletophanes,
Cheletomorpha.
10.1X.1907. Mededeelingen over Acari en Lepidoptera. T. v. E. vol. L, Verslagen,
p. XLVIII—XLIX.
Over de namen Ptyctima en Aptyctima; Amphidasis betularia var. double-
dayaria; Aglia tau; een Indische Hypenide met zeer langen snuit; een In-
dische Pyralide ; rups van Endromis versicolora.
15.IX.1907. Over het ontmannen van hazen en konijnen. — Over de groote
zeeslang, eindelijk door Zoëlogen waargenomen. Tschr. ned. dierk. Ver. (2). X,
No. 4, p. XLIX—LI [Mammal.]
15.X.1907. Révision des Chélétinés. Mém. Soc. zool. Fra. XIX, No. 2, p.
145—218, f. 37—66.
2e gedeelte. Zie op. 220. Behandelde genera: Chelefogenes, Chelonotus,
Acaropsis, Cheletosoma, Cheletopsis, Cheletoides, Cheletiella, Myobia.
15.X.1907. Leerboek der Natuurlijke Historie. I. Dierkunde. 2e druk, W. J. Thieme,
Zutphen, p. 1—528, I-XVI, f. 1—663.
Arthropoda: p. 53—75; 164—268.
Acari: p. 190—193.
1.X1.1907. (als medewerker) Woordenboek der Nederlandsche Volksnamen van
Planten, uit de gegevens, verzameld door de Commissie voor Nederlandsche Plan-
226.
227.
‘228.
229,
230.
231.
232,
233,
234,
235.
236.
237.
238.
239.
240.
241.
IN MEMORIAM DR. À. C. OUDEMANS. 25
tennamen, bewerkt door H. Heukels, Secretaris der Commissie. Uitgave Ne-
derl. natuurh. Vereen. p. I—VIII, 1-—332.
1.1.1908. Aanteekeningen over Suctoria VI. E.B. II, No. 39, p. 218—222.
Hectopsylla, Sarcopsylla. Pulex, Trichopsylla, Ctenophthalmus, Ctenonotus,
Cerafophyllus, Ctenopsyllus, Rhynchopsyllus, Hystrichopsylla, Typhlopsylla,
alsmede de synonymie hiervan.
1.111.1908. Aanteekeninger over Suctoria VII. E.B. II, No. 40, p. 224—228.
Oude, weinig bekende soorten van Pulex, Monopsyllus, Ctenocephalus, Mala-
copsylla, Ceratophyllus, gepubliceerd in 1881 of eerder; oude literatuur over
Dermatophilus penetrans ; Pulex boleti.
1.111.1908. Natuurhistorie. Maart. Hoogere Burgerschool Koerier 1 Mrt. 1908.
Insecten: eenige algemeene namen.
28.III.1908. Eenige kleine bijdragen tot de Fauna van een Ms vs JB Ol
Verslagen, p. VII.
Machilia maritima ; Thermophila domestica ; Caenis robusta; Aeschna cyanea.
[Archaeogn.; Thysan.; Agnath.; Odon.]
1.IV.1908. Natuurhistonie! fon Fée Burgerschool Koerier 1 Apr. 1908.
Insecten : Eenige algemeene namen van Coleoptera, Hymenoptera, Lepidop-
fera, Diptera.
12.1V.1908. (Kleiner Beitrag zur Kentniss der) Autotherapie (bei Tieren). Natw.
Wochenschr. N.F.VII, No. 15, p. 240.
Insecten : Goniodes van hoenders op een hond. [Malloph.]
1.V.1908. Aanteekeningen over Suctoria VIII. E.B. II, No. 41, p. 238—240.
Literatuur na 1881. Malacopsylla, Vermipsylla, Echidnophaga, Stephanocircus,
Ceratopsylla, Ctenopsylla, Typhlopsylla, Pulex, Palaeopsylla, Neopsylla,
Typhloceras.
1.V.1908. Natuurhistorie. Mei. Hoogere Burgerschool Koerier 1 Mei 1908.
Insecten : algemeene namen van Odonata, Rhynchota, Lepidoptera, Coleoptera,
Hymenoptera.
6.V.1908. Bijdragen tot de literatuur over de Roode Boschmijt van Nieuw Guinea.
T. v. E. LI, No. 1, p. 25—27.
Trombidium vandersandei, wichmanni.
6.V.1908. Notes on Acari. XVth Series. (Parasitidae, Acaridae) Idem, p. 28—88,
PI. I—III, f. 1—46.
Parasitus coleoptratorum cum var. concretipilus, cappa. — Results of my
having made acquaintance with Syringobia; New Classification of Acaridae.
— On parthenogenesis or agamic reproduction in Acari. — On the Sucker-
plate of the hypopi of Tyroglyphidae.
6.V.1908. Aanteekeningen over Suctoria IX. Idem, p. 89—104, f. 1-4.
Vlooien met geleden kop (/schnopsyllidae) ; nieuwe indeeling der Suctoria
(Integricipita, Fracticipita) ; bizonderheden aan een caput integrum (Pulex,
Ceratophyllus, Ctenocephalus, Spilopsyllus, Chaetopsylla, Echidnophaga) ; de
zoogenaamde pleuraalschub (Ischnopsyllus) ; benaming der thoraxdeelen
(Ischnopsyllus, Ceratophyllus) ; 11-ledige antennae; zintuigen; onderscheid
tusschen, naverwante soorten; onderscheid tusschen 4 en 9 ; onderscheid
tusschen /schnopsyllus en Nycteridopsylla ; Chiropteropsylla nov. gen.; over
de soortnaam monoctenus.
1.VI.1908. Natuurhistorie. Juni. Hoogere Burgerschool Koerier 1 Jun. 1908.
Insecten : algemeene namen van Odonata, Ephemoptera, Trichoptera, Lepi-
doptera, Coleoptera, Hymenoptera.
1.VII.1908. Aanteekeningen over Suctoria X. E.B. II, No. 42, p. 250—253.
Ligging der sternieten (Pulex irritans) ; Voedsel; labrum em epipharynx;
zintuigen; indeeling der Integricipita (Solitothoracica, Brevithoracica) ; sub-
ordo Fracticipita (Stephanocircus) ; penis; tanden van Pulex irritans.
1.VII.1908. Vermipsylla hyaenae (Kol.) nebst anatomischen Bemerkungen über
edere Organe bei den Suctoria. Ann. k.k. nath. Hofmus. XXII, p. 9—19,
Vermipsylla hyaenae, striatus, alacurt, strandi ; Chaetopsylla mikado ; Cteno-
cephalus canis, felis.
1.VII.1908. Natuurhistorie. Juli, Augustus, Hoogere Burgerschool Koerier 1 Jul. 1908.
Insecten: algemeene namen van Hymenoptera, Lepidoptera, Coleoptera,
Odonata, Orthoptera, alsmede Araneae.
1.VIII.1908. Woestelingen onder kauwen en pimpeltjes. De lev. Nat. XIII, No. 5,
p. 99 [Aves.]
26
242,
243,
244.
245.
246.
247,
248.
249,
250.
251
+
252.
253.
254.
255,
256.
257.
258,
259,
260,
261,
262,
263.
G. L. VAN EYNDHOVEN,
20.VIII.1908. Notizen über Acari. XVII. Reihe. (Syringobia.) Zool. Jahrbü. Abt.
Syst. XXVI, No. 5, p. 567—590, Taf. XXXIII, f. 1—50.
Syr. chelopus, calceata, calcarata, totani, calidridis. -
1.1X.1908. Ignotus aenigmaticus A. T. Slosson. E.B. II, No. 43, p. 257—258.
[Coleopt.]
22.1X.1908. Biologische bizonderheden over Diestrammena marmorata de Haan,
over dagvlinders (hooge vlucht) en over Elateriden. T. v. E. LI, Verslagen, p.
LXIII, LXIV, LXXII—LXXIII. [Orthopt.; Lepidopt. ; Coleopt.]
13.X.1908. Insekten met geleden kop. Tsch. ned. dierk. Ver. (2). XI, No. 1,
p. XX—XXI, 1 fig. [Suct.]
Nycteridopsylla ; Integricipita en Fracticipita.
31.X11.1908. Prof. Emile Magnin en Mlle. Magdeleine. Nwe. arnh. Crt. XV, No. 3958.
Over bedrog bij hypuose.
1.1.1909. Aanteekeningen over Sucforia XI. E.B. II, No. 45, p. 277—282.
Oogen (Nycteridopsylla ; Ischnopsyllus) ; zonderlinge zintuigen (Cerafo-
phyllus, Ischnopsyllus, Nycteridopsylla, Chaetopsylla, Ctenophthalmus +
Ctenocephalus, Archaeopsylla, Pulex, Echidnophaga) ; oogvormige orgaantjes
(Ceratophyllus columbae) ; vergroeide antenne-leden (Cerafophyllus, Pulex,
Ctenocephalus, Archaeopsylla, Echidnophaga) ; monddeelen (Pulex) ; Cteno-
phthalmus segnis, musculi; pleuradeelen (Pulex, Ceratophyllus) ; subordo
Fracticipita.
15.1.1909. Hoe kan men de voor een weggeslingerd lichaam samengeperste lucht
zien? De Natuur, XXIX, 15 Jan. 1909, p. 13—14.
1.111.1909. Aanteekeningen over Suctoria XII. E. B. II, No. 46, p. 306—314.
Dubbele receptacula seminis (Hystrichopsylla, Macropsylla, Coptopsylla,
Typhloceras ; rectificatie van de beschrijving van Hystrichopsylla talpae ;
kopleden (bespreking van vele genera); sprietvormen; (idem).
15.111.1909. Nog eens: met het bloote oog waar te nemen samengeperste lucht.
De Natuur, XXIX, 15.Mrt.1909, p. 86.
13.1V.1909. (Mededeelingen over zijne nieuwste ontdekkingen op het gebied van
de geleed zijn van den kop van Suctoria). T. v. E. LII, Verslagen, p. XIX—
XIII.
1.V.1909. Acarologische Aanteekeningen XXVI. E. B. II, No. 47, p. 317—320.
Hartingia lari = Pferalloptes stellaris; Avenzoariinae, tabel der genera;
Demodex musculi en Psorergates simplex; mijten van Java (Hypochthonius,
Vidia, Tyroglyphus, Glycyphagus).
1.V.1909. Aanteekeningen over Sucforia XIII. Idem, p. 321—329.
Overzicht van alle bekende genera, tevens determinatietabel ; Nycteridopsylla ;
de pestvloo (Loemopsylla cheopis); vlooien van Java (Loemopsylla, Cteno-
cephalus).
29.V.1909. Über die bis jetzt genauer bekannten Thrombidium-Larven und über
eine neue Klassifikation der Prostigmata. T. v. E. LIL, No. 1/2, p. 19—61, PI.
IV—VII, f. 1-40.
5.VI.1909. Ischnopsyllus schmitzi n.sp. Anhang zu: Die Insectenfauna der Höhlen
von Maastricht und Umgegend. Unter besonderer Berücksichtigung der Dipteren.
Von H. Schmitz S. J. T. v. E. LIL, No. 1/2, p. 96—108, PI. 9, f. 15. [Suct.]
19.VI.1909. Neue Ansichten über die Morphologie des Flohkopfes, sowie über
die Ontogenie, Phylogenie und Systematik der Flôhe. Novitates Zoologicae. XVI,
p. 133-158, Pl. XII-XIII, f. 1—19, Tekstfig. A. [Suct.]
1.VII.1909. Acarologische Aanteekeningen XXVII. E. B. II, No. 48, p. 331—332.
Rivoltasia bifurcata ; tabel voor de genera der Avenzoariinae.
1.VII.1909. Aanteekeningen over Suctoria XIV. Idem, p. 333—334.
Ischnopsyllus intermedius abusievelijk afgebeeld onder den naam Ischn.
schmitzi ; Sarcopsyllide uit Nederland (= Hectopsylla psittaci).
1.VII.1909. Mededeelingen over Mallophaga en Pediculi I. Idem, p. 334—335.
Ontwikkelingstoestanden.
1.IX.1909. Acarologische Aanteekeningen XXVIII. E. B. III, No. 49, p. 2-3.
Megninia ibidis en centropodos behooren tot het genus Ingrassia.
1.1X.1909. Aanteekeningen over Suctoria XV. Idem, p. 3—6.
Rhinolophopsylla ; Hexactenopsylla ; wijzigingen determineertabel ; Neopsylla
bisseptemdentata ; Hystrichopsyllidae ; Rhopalopsyllus cleophontis.
1.1X.1909. Mededeelingen over Mallophaga en Pediculi II. Idem, p. 7.
Aantal vervellingen ; eieren van Docophorus.
5.IX.1909. Over een toestel om parasieten te vangen. — Waarneming bij
264.
265.
266.
267.
277.
278,
279.
280.
281.
IN MEMORIAM DR. À. C. OUDEMANS. 21
Gastroidea viridula. T. v. E. LII, Verslagen, p. XLIII—XLV. [Coleopt.]
7.1X.1909. Über den systematischen Wert der weiblichen Genitalorgane bei den
Suctoria (Flöhen). Zool. Anz. XXXIV, No. 24/25, p. 730—736, f. 111.
Ischnopsyllus, Nycteridopsylla, Ceratophyllus, Monopsyllus, Trichopsylla,
Ctenonotus.
7.1X.1909. Beschreibung des Weibchens von Ischnopsyllus schmitzi Oudms. Idem,
p. 736—741, 1 fig. [Suct.]
13.IX.1909. (Over Apus apus apus; over door vogels uitgebraakte ballen; over
het prepareeren van schedels.) Tschr. ned. dierk. Ver. (2). XI, No. 2, p. LVII—
LVIII. [Aves]
1.XI.1909. Acarologische Aanteekeningen XXIX. E. B. III, No. 50, p. 14—24.
Trombidium-larven ; tabel der soorten; mijne spelling der wetenschappelijke
namen ; de soortnaam gymnopterorum ; Trombidium demeijerei ; Zemiostigmata
(rectificatie) ; Metaparasitus soboles (rectificatie) ; Dermacarus sciurinus 9,
* Suidasia pontifica en Ctenoglyphus plumiger ; Anoetus crenulatus, dugesi.
30.XII.1909. Pygicpsylla robinsoni (Rothschild) 4. Notes Leyden Mus. XXXI,
Note XI, p. 195—200, 1 fig. [Suct.]
30.XII.1909. List of the Suctoria (Retzius 1783) (Aphaniptera Kirby and Spence
1823) in the Leyden Museum. Idem, Note XII, p. 201—206.
1.1.1910. Acarologische Aanteekeningen XXX. E. B. III, No. 51, p.29—34.
Genustabel der Thrombidiidae ; Trombidium granulatum ; Metaparasitus sobo-
les; Erythraeus froggatti, singularis; Achorolophus longicollis; determineer-
tabel voor de larven der Erythraeidae.
3.1.1910. Notes on Acari. XIXth Series (Acaridae). Deu. ent. Zschr. 1910, p.
39—55, f. 1—17.
Pterolichus pavonis ; Megninia pavonis.
1.111.1910. Acarologische Aanteekeningen XXXI, E.B. III, No. 52, p. 47-51.
Allothrombium neapolitanum; Microtrombidium russicum en muscae ; wijzi-
ging determineertabel der Thrombidiidae; Achorolophus gracilipes; Haupt-
mannia longicollis; Bochartia kuyperi; Stigmaeus kermesinus; Hypopus
farsispinus ; Anoetus dionychus ; Profalges en Hartingia.
1.11.1910. Aanteekeningen over Suctoria XVI. Idem, p. 51—52.
Chaetopsylla globiceps, trichosa en kohauti ; Pulex martis.
1.V.1910. Acarologische Aanteekeningen XXXII. E. B. III, No. 53, p. 67—74.
Laelaps wolffsohni ; Spinturnix plecotinus, kolenatii, carnifex, noctulae, my-
stacinus, vespertilionis, murinus en hun synonymie ; Periglischrus rhinolophinus,
hipposideros, interruptus en hun synonymie ; Spinfurnix-embryo met gevuld
darmkanaal; Kolenatis Caris; Achorolophus gagrellae; Charletonia
froggatti, singularis ; Tyroglyphus casei in urine; Glycyphagus tjibodas.
1.V.1910. Aanteekeningen over Suctoria XVII. Idem, p. 75—76.
Suctoria uit de „Fauna des Altvaters” van Kolenati; Spalacopsylla bisbi-
dentatus, unidentatus.
4.V.1910. (Mededeelingen over Ixodidae en Insecta in verband met kwaadaardige
ziekten, die zij verspreiden; over 5 soorten van Thrombidium holosericeum L. en
over drie oude en minder bekende Acari. T. v. E. LIII, Verslagen, p. IV— XII.
Vele soorten Ixodidae en Insecta; nauwverwante soorten van Trombidium ;
Microtrombidium sylvaticum, rhodinum en Balaustium quisquiliarum.
1.V11.1910. Acarologische Aanteekeningen XXXIII. E.B. III, No. 54, p. 83---90.
Parasitus heliocopridis ; Laelaps mullani ; Microthrombidium thomasi, tinami,
alfreddugesi, göldii, sulae, bruyanti, muris, fahrenholzi, trägärdhi, ardeae ;
Schöngastia froussarti, cercopitheci ; Doloisia synoti ; Heterothrombidium hy-
lodeus, verduni ; Charletonia jagerskioeldi ; verval van cellen tot lichaams-
materiaal (bij Trombidiidae en Oribatidae) ; Oribatidae-nymphae.
15.VII.1910. Notes on Acari. XXth Series. (Acaridae). Deu. ent. Zschr. 1910,
p. 389—407, f. 1—29.
Eustathia cultrifera ; Chauliacia securigera ; Varchia gambettae ; Trouessartia
trouessarti, rosterii; Alloptes gambettae, ditrichus.
16.VII.1910. Nouvelle espèce d’Acarien du Chili. Rev. chil. Hist. nat. XIV, p.
147—151, Lam. V, f. 1—6.
Laelaps wolffsohni.
30.VII.1910. A short survey of the more important families of Acari. Bull. ent.
Research I, Jul. 1910, p. 105—119, f. 1—22.
15.1X.1910. Hommels en Oost-Indische Kers. De lev. Nat. XV, No. 10, p. 190.
[Hymenopt. ; Plantae. ]
28
282.
283.
284.
285
+
286.
287.
288.
289.
290.
291.
292.
293.
294.
295
+
296
+
297,
298,
299,
300.
G. L. VAN EYNDHOVEN,
15.1X.1910. Hommels en Blauwe Regen. Idem, p. 190. [Hymenopt. ; Plantae]
Bombus terrestris. i
15.X.1910. Dermanyssidae mononymphaal. — Rudimentaire stigmata bij larven
van Ixodidae. — Invasie van Glycyphagus. T. v. E. LIII, Verslagen, p. LXII—
LXIV.
Dermanyssidae ; Rhipicephalus, Ixodes en Amblyomma; Glycyphagus do-
mesticus.
1.X1.1910. Acarologische Aanteekeningen XXXIV. E.B. III, No. 56, p. 103—109.
Zijn Argasidae jonger of ouder dan Ixodidae?; Laelaps mullani ; Microthrom-
bidium minutissimum ; Heterothrombidium polydiscum ; Typhlothrombium na-
nus; Parathrombium egregium ; Charletonia = Erythraeus ; Erythraeus kibo-
notensis, braunsi, areolatus, volzi, brunni; Achorolophus gagzoi, siemsseni ;
Hauptmannia brevicollis.
31.XII.1910. Notes on Acari. XVIIIth Series. (Acaridae). T. v. E. LIII, No. 3/4,
p. 197—234, Pl. IX—XII, f. 151. k
Avenzoaria, 12 spp. + synonymie.
1.1.1911. Acarologische Aanteekeningen XXXV. E.B. III, No. 57, p. 118—126.
Bryobia prafensis; Tetranychus bimaculatus; Rhagidia pallida; Linopodes
antennaepes ; Microthrombidium locustarum; Achorolophus ignotus; Micro-
thrombidium alfreddugèsi en Tetranychus tlalzahuatl ; Microthrombidium hel-
leri, tlalzahuatl ; Rohaultia biungulum ; Metathrombium inexspectatum ; Ty-
phlothrombium nanus; Parathrombium meruense ; Trombidium africanum ;
Blankaartia nilotica; Etfmülleria sucidum ; Achorolophus ignotus, sieversi,
schedingi, lomani ; Thecarthra porzanae.
2.11.1911. Boekbeoordeeling. Weekbl. v. gymnas. en middelb. Onderw. VII, No. 23,
p. 872—874.
M. L. van Gemert: Het Firmament. 1910.
1.11.1911. Acarologische Aanteekeningen XXXVI. E.B. III, No. 58, p. 137—139.
Heterothrombidium ; Hannemania ; Leeuwenhoekia ; Achorolophus sudanensis.
8.IV.1911. (Onderzoek van den maaginhoud van Enicmus (Lathridium)-larven. —
Demonstratie van zakvormige Enicmus-vleugels. — Over de oorzaken van het
minder voorkomen van Lymanfria monacha L., na de jaren van verwoesting.)
T. v. E. LIV, Verslagen, p. V—VII. [Coleopt. ; Lepidopt.]
15.V.1911. (Buchbeurteilung) Deu. ‘ent. National-Bibliothek II, No. 10, p. 73.
A. Nalepa: Eriophyiden, Gallmilben.
15.V.1911. Beknopt overzicht van de voornaamste plantfamilies. (gedrukt voor
de leerlingen der Hoogere Burgerschool) p. 1A.
1.VII.1911. Onze Amphibiën. De lev. Nat. XVI, No. 5, p. 112—116.
1.1X.1911. Acarologische Aanteekeningen XXXVII. E.B. III, No. 61, p. 165—175.
Trichotarsus anthidii; Tortonia smitsvanburgsti; determineertabel voor de
hypopoda der Tyroglyphidae ; Glycyphagus tjibodas ; Tyroglyphus macgilla-
vryi; Hypopi van Histiogaster ; Histiogaster javensis; zijn er parasitische
Oribatiden ?; Xenillus blattarum; Anoetus longipes, longipes forma brevipes,
banjuwangicus, cirratus, indicus ; Bonomoia primitiva; morfologische betee-
kenis der zuignappen, zuignapvormige kleefharen en klauwen bij Acari, althans
bij Tyroglyphidae.
15.1X.1911. Over springboontjes van Euphorbia, Sarothamnus en Crataegus. T. v.
E. LIV, Verslagen, p. XLVIII.
Microlepidopteron; Apion striatum. [Coleopt.]
I.XI.1911. Acarologische Aanteekeningen XXXVIII. E.B. III, No. 62, p. 183—191.
Namen voor lichaamsafdeelingen ; Ixodes reduvius ; Eugamasus tricuspidatus ;
Ascaidae met pedunculus ; Musitania verrucipes; Pediculoides blattae ; Cal-
volia hagensis ; Tyroglyphus heterocomus, mycoborus, eurynympha ; Lipstor-
pia mixta; Anoetus fropicus.
1.XII.1911. Veulenmilt. De lev. Nat. XVI, No. 15, p. 343—347, f. 1—7.
[Mammal.]
1.XII.1911. Weer een! groote zeeslang. Het ned. Zeewezen, X, No. 23, p. 356—
358, 1 fig. [Mammal.]
1.1.1912. Uit onze kolonién. De lev. Nat. XVI, No. 17, p. 397—398, 1 fig.
Boktorren: Bafocera sp. [Coleopt.]
1.1.1912. Acarologische Aanteekeningen XXXIX. E.B. III, No. 63, p. 215—217.
Pergamasus probsti; Hypoaspis heselhausi; mijten op vlooien (Tyroglyphus
putrescentiae als hypopus op Hystrichopsylla talpae).
1.1.1912. Aanteekeningen over Suctoria XVIII. Idem, p. 217—218.
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 29
Xenopsylla cheopis ; Ctenocephalus felis ; vlooien als omnibus (zie ook op. 299).
301. 1.1.1912. Mededeelingen over Mallophaga en Pediculi, III. Idem. p. 218—224.
Hoe houdt men Mallophaga lang levend?; eenige bizonderheden aan eieren
(Lipeurus quadripunctatus) ; over nymphae femininae en masculinae (Lipeu-
rus) ; over mares en feminae en over de paring ; over de postembryonale ont-
wikkeling (Lipeurus, Nirmus, Docophorus) ; over bewegingen der Mallophaga.
302. 1.11.1212. Nog eens veulenmilt. De lev. Nat. XVI, No. 19, p. 445. [Mammal.]
303, 15.11.1912. Die bis jetzt bekannten Larven von Thrombidiidae und Erythraeidae
mit besonderer Berücksichtigung der für den Menschen schadlichen Arten. Zool.
Jahrbü. Abt. Syst. Suppl. XIV, No. 1, p. 1—230, f. A—G? (= 57 fig.).
304. 1.111.1912. Acarologische Aanteekeningen XL. E.B. III, No. 64, p. 231—236.
Hypoaspis laevis var. pilifer; Liponyssus gigas; Pediculoides amaniensis ;
Hannemania lees: Hannemannia; Tyroglyphus putrescentiae ; Anoetus cras-
sipes, trichophorus, ensifer, phyllophorus.
305. 1.III.1912. Aanteekeningen over Suctoria XIX. Idem, p. 236—238.
Suctoria uit Java (Ctenocephalus felis, canis) ; Suctoria uit Duitschland (Ce-
rafophyllus sciurorum); © 9' van Spalacopsylla bisbidentatus, agyrtes, con-
gener.
306. 20.III.1912. (Diversen over Mallophaga, Suctoria en nieuwe Acari.) T. v. E. LV,
Verslagen, p. XXVII—XXX. [tevens Orthopt.; Hymenopt.]
Demonstratie van Lipeurus, Hystrichopsylla, Tyroglyphus en Echidnophaga ;
teekeningen van Pediculoides, Xenillus, Glycyphagus, Histiogaster, Bonomoia,
Anoetus, Lipstorpia, Trichotarsus, Tortonia, Calvolia, Tyroglyphus ; geel-
bruine Locusta viridissima ; gallen van Rhodites mayri. (Zie voor de Acari :
op. 293 en 295.)
307. 9.1V.1912. Description d'une nouvelle espèce d’Acarien. Bull. sci. de la France
et de la Belgique. (7). XLVI, p. (87)—(91) = 59—63, Pl. II, f. 1—12.
Cilliba bordagei.
308. 1.V.1912. Acarologische Aanteekeningen XLI. E.B. III, No. 65, p. 243—251.
Eugamasus oudemansi, remberti; Hwypoaspis stabularis, laevis var. pilifer ;
Trachyuropoda rackei; Disparipes bombi; Ereynetes sittardiensis ; Achoro-
lophus phalangii cum varr. frimaculatus, nemorum et niger; Xenillus limbur-
giensis; Tyroglyphus ovatus, mycolichus.
309, I.VII.1912. Acarologische Aanteekeningen XLII. E.B. III, No. 66, p. 260—265.
Parasitus mustelarum ; Eugamasus immundus, oudemansi; Gamasellus spala-
cis; Androlaelaps pilifer ; Laelaps agilis; Dolaea nov. nom. pro Greeniella ;
Cheletomimus berlesei; Bryobia ribis; Achorolophus opilionis; Aoûtats; Ba-
laustium murorum ; Achorolophus ignotus ; Glycyphagus cadaverum.
310. 1.1X.1912. Korte diagnosen van nieuwe Acari. T. v. E. LV, Verslagen, p. L—LII.
Eugamasus, Pergamasus, Androlaelaps, Hypoaspis, Liponyssus, Trachyuro-
poda, Pediculoides, Ereynetes, Xenillus, Tyroglyphus, Anoetus (Zie op. 299,
304, 308.) i
311. 1.1X.1912. Acarologische Aanteekeningen XLIII. E.B. III, No. 67, p. 272—278.
Liponyssus musculi; Aponomma decorosum, gervaisi, exornatum, simplex ;
Amblyomma decoratum, dissimile; Bryobia speciosa; Gahrliepia ; Thrombi-
dium; Dinothrombium ; Euthrombidium ; Diplothrombium ; Musitania; Ery-
thraeus hibernans ; Achorolophus opilionis ; Fessonia papillosa ; Tyroglyphus
mycophagus, putrescentiae ; Otodectes cynotis furonis.
312. 1.IX.1912. Mededeelingen over Mallophaga en Pediculi IV. Idem, p. 278—279.
Liotheum dissimile, flavescens; Philopterus ceblebrachys, macrocephalus;
Goniodes stylifer ; Laemobothrium circi, giganteum.
313. 1.X1.1912. Acarologische Aanteekeningen XLIV. E.B. III, No. 68, p. 291—292.
| Rohaultia; Neothrombium ; Neotrombidium ; Tyroglyphus putrescentiae op
Ctenophthalmus segnis.
314. 1.X1.1912. Aanteekeningen over Suctoria XX. Idem, p. 292—295.
Aantal stigmata bij larven (Hystrichopsylla) ; mondledematen der larven;
Spalacopsylla orientalis, congener ; Ctenophthalmus segnis met mijten (T'yro-
glyphus pufrescentiae).
315. 1.1.1913. Aanteekeningen over Suctoria XXI. E.B. III, No. 69, p. 326—327.
Voedsel, zenuwstelsel en aantal stigmata der larven; Hexactenopsylla ; Spa-
lacopsylla ; Hystrichopsylla ; wijziging tabel der Ischnopsyllidae,
316. 1.1.1913. Acarologische Aanteekeningen XLV. Idem, p. 328—330.
Glycyphagus-groepen ; opmerkingen over opus 280.
317. 20.III.1913. Acarologische Aanteekeningen XLVI. E.B. III, No. 70, p. 333—340.
30 G. L. VAN EYNDHOVEN,
Parasitus talparum ; „Sandflies” zijn geen Thrombidium-arven ; Microthrom-
bidium ; Tragardhula en Blankaartia ; Rohaultia ; Musitania ; Diplothrombium-
groep ; Erythraeus hibernans ; rectificatie Histiogaster.
318, 20.III.1913. Aanteekeningen over Suctoria XXII. Idem, p. 340—345.
Ceratophyllus mustelae ; Rhadinopsylla pentacanthus; Neopsylla bidentatifor-
mis; Ctenophthalmus ; Spalacopsylla ; Ctenophthalmus segnis ; rudimenten van
ledematen bij vloo-embryonen ? ; Palaeopsylla sorecis.
319, 1.V.1913. Acarologische Aanteekeningen XLVII. E.B. III, No. 71, p. 372—376.
Parasitus falcomontanus ; Eugamasus loricatus, cornutus, magnus var. tra-
gärdhi ; Laelaps oribatoides; Uropoda dampfi; Xenillus limburgensis, paolii ;
O. F. Müller's lijst van ,,Vandspindler’ (Hydrachna).
320. 1.V.1913. Aanteekeningen over Sucforia XXIII. Idem, p. 376—377.
Subantennale tand bij diverse genera.
321. 1.VII.1913. Acarologische Aanteekeningen XLVIII. E.B. III, No. 72, p. 384—387.
Liponyssus isabellinus, carnifex, arcuatus, musculi.
322. 15.VII.1913. Titel en Inhoud van en Register op Deel III der Entomologische
Berichten. p. I--VIII ; 1—22.
323. 25.VII.1913. Over Protura, Argas, Locusta, Pediculus, Turksche Coleoptera, een
vraatstuk van Limnoria en over Cryptostoma tarsale Rob. Desv., alsmede over
Acarus libellulae en de genealogie der Hydrachniden. T. v. E. LVI, Verslagen,
p. XLV—LIX, LXI—LXV.
Argas reflexus; Locusta viridissima en Phyllium pulchrifolium; Pediculus
schäffi, oblongus, consobrinus, lobatus; Limnoria terebrans [Crust.] ; Crypto-
stoma tarsale = Uropoda vegetans.
324, 1.1X.1913. Acarologische Aanteekeningen XLIX. E.B. IV, No. 73, p. 2—18.
Parasitus lunaris; Eugamasus oudemansi, loricatus, magnus; Haemogamasus
hirsutus, horridus, michaeli, Euryparasitus terribilis ; Macrocheles decoloratus,
hypochthonius ; Hypoaspis hypudaei, stabularis ; Laelaps hilaris, pachypus,
echidninus ; Euiphis halleri ; Trachyuropoda rackei ; Cilliba minor ; Disparipes
talpae, bombi, subterraneus ; Molgus capillatus ; Cheletia flabellifera ; Micro-
thrombidium sylvaticum, italicum ; Dinothrombium plancum ; Balaustium mu-
rorum, globigerum, rhopalicus, quisquiliarum ; Achorolophus molochinus, ru-
bricatus, trimaculafus, opilionis, vertex, sigthori.
325. 15.1X.1913. Suctoria ; Acari. In: Fr. Heselhaus : Über Arthropoden in Maulwurfs-
nestern. T. v. E. LVI, No. 3, p. 220—222 (Suctoria), 224—234 (Acari), 281
(Nachtrag Suctoria), 282 (Nachtrag Acari).
Suctoria: Hystrichopsylla, Spalacopsylla, Palaeopsylla; Acari: opsomming
van 45 soorten. Nachtrag : Suctoria: Rhadinopsylla, Ceratophyllus; Acari:
opsomming van 30 soorten.
326. 15.1X.1913. Sucteriologisches aus Maulwurfsnestern. Idem, p. 238—280, PI.
VIII—XIV, f. 1—62.
Beschrijving der soorten uit op. 325; tevens Ctenophthalmus segnis.
327. 1.XI.1913. Acarologische Aanteekeningen L. E.B. IV, No. 74, p. 29—40.
Uropoda vegetans, tarsale, obscurus, spatulifera, tecta, marginatus; Urodi-
nychus janeti; Cilliba romana; (Notaspis) immarginatus, orbicularis ; Opli-
tis; Uroseius degeneratus ; Petrobia lapidum; Acaropsis docta; tracheeén en
stigmata.
328. 1.1.1914. Acarologische Aanteekeningen LI. E.B. IV, No. 75, p. 53—59.
Wat is Acarus coleoptratorum van Linnaeus en anderen?
329, 1.III.1914. Acarologische Aanteekeningen LIL. E.B. IV, No. 76, p. 65—73.
Porrhostaspis ; Gamasus; Parasitus japeti; Gamasus badius; Macrocheles
carinatus, latus; Neopodocinum rhinolophi; Holostaspis isotricha; Euiphis
rufus ; Hypoaspis spirostrepti ; Liponyssus javensis; Anoetus sapromyzarum,
insularis, maritimus, litoralis, campanula, lanceocrimus (lees: lanceocrinus),
polypori, polaki ; Lipstorpia brevimana.
330. 20.III.1914. Acarologisches aus Maulwurfsnestern. Arch. Natg. LXXIX—A,
„1913”, No. 8-9-10, p. 108—-200, f. 1—260; p. 68—136, f. 261—361; p. 1-69;
tevens Taf. II—XVIII.
Vele soorten, behoorende tot de genera: Parasifus, Eugamasus, Haemogama-
sus, Veigaia, Euryparasitus, Macrocheles, Androlaelaps, Hypoaspis, Laelaps,
Liponyssus, Asca, Uropoda, Trachyuropoda, Cilliba, Pediculoides, Disparipes,
Ereynetes, Tydeus, Molgus, Microthrombidium, Dinothrombium, Trombidium,
Dinothrombium, Atomus, Balaustium, Lepfus, Hypochthonius, Murcia, Galum-
na, Notaspis, Pelops, Tyroglyphus, Glycyphagus, Anoetus, Acarus ; voorts
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 31
bespreking van oogen der Oribatiden en de quaestie Acarus siro/Acarus farinae.
331. 21.11.1914. Over mondledematen van Acari. T. v. E. LVII, Verslagen, p. XXII—
XXVII.
332. 1.V.1914. Acarologische Aanteekeningen LIII. E. B. IV, No. 77, p. 84-89.
Veigaia wyandottensis; Macrocheles stygius, troglodytes; Hypoaspis caver-
nicola; Spinturnix javensis; Acarus lactucae Motschulsky; T'arsonemus
minusculus, floricolus; Rhagidia cavernarum, weyerensis; Microthrombidium
sanborni, schmitzi; Riedlinia coeca; Balaustium murorum.
333. 26.VI.1914. Chernetes en Acari. in: D. Mac Gillavry: De entomologische
i fauna van het eiland Terschelling voor zoover zij tot nu toe bekend is. T. v. E.
NONO 2 pol:
Chelifer peculiaris ; voorts diverse Acari, behoorende tot de genera : Parasitus,
Gamasoides, Macrocheles, Ixodes, Hydryphantes, Piona, Balaustium, Meta-
trombius, Tyroglyphus, Anoetus.
334. 26.VI.1914. Beschrijving van een weinig bekende en drie nieuwe soorten van
Anoetus. T. v. E. LVII, No. 2, p. 107—119, Pl. III-IV, f. 1-14.
A. sapromyzarum, maritimus, insularis, litoralis.
335, 1.VII.1914. Acarologische Aanteekeningen LIV. E. B. IV, No. 78, p. 101—103.
Cheletophyes vitzthumi; Galumna dorsalis; Calvolia heterocomus ; T yrogly-
phus putrescentiae ; Glycyphagus tjibodas ; groepen van Glycyphagus-soorten.
336. 1.VII.1914. Aanteekeningen over Suctoria XXIV. idem, p. 104-108.
Over den oorsprong der Sucforia en over hunne vleugelloosheid (eerste ge-
deelte).
337. 1.IX.1914. Aanteekeningen over Sucforia XXV. E. B. IV, no. 79, p. 115—123.
Vervolg van op. 336; voorts speciaal over Spilopsyllus.
338. 5.X.1914. Over de afstamming der Suctoria. T. v. E. LVII, Verslagen, p. LIV—
LVII.
Samenvatting van op. 336—337.
339, 1.XI.1914. Aanteekeningen over Suctoria XXVI. E. B. IV, No. 80, p. 128—140.
Vervolg van op. 338 (Spilopsyllus) ; over den eigenlijken penis en over de
copulatie ; voedsel der vloolarven ; kleurlooze ctenidium-tanden ; zintuigen ;
ruggroeven der mares; metapleurum ; over Cfenopthalmus ; Hystrichopsylla
talpae ; Typhloceras poppei; Spilopsyllus cuniculi; Spalacopsylla heselhausi,
agyttes.
340. 1.1.1915. Aanteekeningen over Suctoria XXVII. E. B. IV, No. 81, p. 147—149.
Hexactenopsylla (type) ; Ceratophyllus sciurorum cum var. dryas, columbae,
fasciatus, styx, gallinae; Xenopsylla scopulifer ; Pulex irritans uit Cairo.
341, 1.1.1915. Acarologische Aanteekeningen LV. Idem, p. 149—150.
Latreille's „Precis” ; misstelling bj Cuvier's „Règne Animal”; Para-
situs cappa.
342. 15.1.1915. Halacarus basteri Johnston 1836, faunae nova species. Tschr. ned.
dierk. Ver. (2). XIV, No. 1, p. XXIII—XXIV.
343. 15.11.1915. Systematisch Overzicht, tevens determineertabel van de familiae en
genera der Suctoria, bijgewerkt tot 1 September 1914. T. v. E. LVIII, No. 1/2,
p. 52—59.
344, 15.11.1915. Kritisch Overzicht der Nederlandsche Suctoria. Idem, p. 60—97.
345, 1.V.1915. Acarologische Aanteekeningen LVI. E. B. IV, No. 83, p. 180—188.
Misstelling bj Cuvier’s ,Règne Animal le ed”; Parasitus mustelarum,
voigtsi; Pergamasus italicus, gamma; Macrocheles sp., hamatus, vulgaris,
carinatus ; Hypoaspis oculatus ; Eviphis mullani; Seiulus finlandicus, spoofi ;
Pneumotuber macaci; Paulitzia; Nenteria; Argas; Argas vespertilionis uit
Nederland; Tarsonemus fennicum ; wat zijn Acarus sambuci, Smaris sambuci,
Smaris Latr. en Smaris Berl. non Latr.?; Hafenrefferia gilvipes.
346. 1.V.1915. Over Dytiscus, Dryobius roboris, Argas en Galumna. T. v. E. LVIII,
Verslagen, p. IX—XIV. [Coleopt.; Rhynch.; Acar.]
Galumna elimatus, lanceatus, alatus, dorsalis, filata, linata, tarsipennata, auran-
fiaca, georgiae, allifera, altera, retalata.
347. 1.VII.1915. Acarologische Aanteekeningen LVII. E.V. IV, No. 84, p. 192—200.
Rectificaties inzake Pergamasus italicus en Smaris : Bryobia en Petrobia; een
Oribatide met een oog! (Cymbaeremaeus cyclops); Cultroribula diversa ;
Carabodes reticulatus, taprobanae, alveolatus ; Zetorchestes saltator ; Murcia
indica, insularis ; Oribatella ceylanica ; Galumna oceanica, colossus ; Frischia
elongata; Tyroglyphus berlesei; Labidophorus en Dermacarus met de spp.
soricis, talpae, sciurinus, hypudaei, platygaster, dispar.
32
348.
349,
350.
351.
360.
361.
362
+
363.
364.
365.
G. L. VAN EYNDHOVEN,
28.VII.1915. Notizen über Acari. XXII. Reihe (Parasitidae) Arch. Natg. LXXXI-
À, No. 1, p. 122—180, f. 1—170. z
Neopodocinum rhinolophi; Macrocheles siculus, voigtsi; Hypoaspis spiro-
strepti, oculatus ; Eviphis mullani, rufus, concentricus, siculus ; Seiulus rhena-
nus, truncatus, finlandicus, spoofi ; Liponyssus cyclaspis, javensis ; Spinturnix
javensis ; Celaenopsis togoënsis.
1.1X.1915. Camisia palliatus, C. L. Koch 1839, als huidparasiet bij het schaap.
Tschr. v. vergelijk. Geneesk. I, No. 3, Art. XVIII, p. 173—182, f. 1—21 op 2
laten. |
1.1X 1915. Pneumotuber macaci Landois & Hoepke. Idem, Art. XIX, p. 183—186,
f. 1-4 op 1 plaat.
1.IX.1915. Eenige bizonderheden over Acari, Suctoria, Hypoderma, Branchipus
en Apus. T. v. E. LVIII, Verslagen, p. XLVII—LVII. [Acar.; Suct.; Dipt.;
Crust.]
Pergamasus crassipes, monachus, testudinarius, frispinosus, longulus, septen-
trionalis; Gamasus marginellus, hamatus; Amblygamasus septentrionalis ;
Veigaia nemorensis, herculeana, transisalae; Macrocheles longispinosus, opa-
cus; Ceratophyllus gallinae in nestkastjes; Hypoderma bovis; Branchipus
diaphanus, grubei, stagnalis ; Apus productus, cancriformis.
1.IX.1915. Acarologische Aanteekeningen LVIII. E.B. IV, No. 85, p. 210—212.
Dermacarus crameri; Notoedres cati, musculi, muris, alepis.
1.1X.1915. Overzicht der tot 1898 beschreven Phthiracaridae. Idem, p. 212—226
(zie ook op. 357 en 358).
20.1X.1915. Bij de platen van Tarsonemus spirifex Marchal. Tschr. ov. Plantenz.
XXI, No. 4, p. 124-130, Pl. VI—VII, f. 1-10.
5.X.1915. Notizen über Acari. XXI. Reihe (Parasitidae). T. v. E. LVIII, No. 3/4,
p. 192—212, Pl. III—VIII, f. 1—66. i
Parasitus japefi, vesparum, heliocopridis ; Pergamasus probsti.
5.X.1915. Suctorien (nach Wirten geordnet; systematisch geordnet). in: Fr.
Heselhaus: Weitere Beiträge zur Kenntnis der Nidicolen. Idem, p. 269—272.
24 soorten opgesomd.
31.X.1915. Zie op. 364.
1.XI.1915. Overzicht der tot 1898 beschreven Phfhiracaridae. (vervolg). E.B. IV,
No. 87, p. 230—234.
XI.1915. Zie op. 361.
1.1.1916. Overzicht der tot 1898 beschreven Phthiracaridae. (Slot). E.B. IV,
No. 86, p. 245—249.
Hierin: Hummelia karpellesi en de Tritia-soorten.
1.1.1916. Acari, verzameld bij Bonn. Idem, p. 250—251.
Opsomming van vele soorten; opmerkingen over Trachytes lagenarius ; Uro-
dinychus tecta. Zie ook op. 362.
1.1.1916. C. L. Reuvens. (in memoriam) Idem, p. 252.
XI.1915. Notizen. über Acari. XXIII. Reihe (Uropodidae, Tarsonemidae, Bdelli-
dae). Arch. Natg. EXXXTAR, Neo. 5, p, 1278, 2.0 5%
Uroseius degeneratus ; Uropoda vegetans, tarsale, obscurus, spatulifera ; Paulit-
zia africana; Nenteria tropica ; Tarsonemus fennicum ; Pediculoides amanien-
sis, blattae ; Tetranychus carpini; Petrobia lapidum ; Cheletophyes vitzthumi ;
Rhagidia mordax; Tydeus celer, clivaceus : Eupodes viridis, melanurus ;
Linopodes flexuosus ; Ereynetes lapidarius ; Penthaleus erythrocephalus.
1.111.1916. Acari, verzameld bij Bonn. E.B. IV, No. 88, p. 261—266.
Behandeld: Trachytes aegrota; Cilliba cassideus ; Discopoma minor; Labi-
dostomma denticulatum ; T'etranychus carpini; Camisia palliatus : Hypochtho-
nius rufulus; Pelops auritus; Phthiracarus piger, lentula; Tritia ardua;
Schwiebea talpa; Garsaultia testudo; Sancassania chelone. Zie ook op. 359.
1.111.1916. Myrmekofile Acari uit Salatiga. Idem. p. 266—268.
Seiulus similis; Tarsonemus floricolus : Pronematus; Cosmochthonius pluma-
tus; Tyroglyphus javensis, australasiae, vandergooti, kramerii.
31.X.1915. Anoetus guentheri nov. sp. in: Konrad Guenther: Die leben-
den Bewohner der Kannen der insektenfressenden Pflanze Nepenthes destillatoria
aut Ceylon. Zschr. f. wiss. Insektenbiol. N.F.XI (= XX), No. 9/10, p. 242—243,
ig.
15.1V.1916. Over het hypostoom bij Acari, over springende Acari, over Hetero-
‚trichus inaequarmatus Donn. 1876, over het gezichtsvermogen van Carabus nemo-
ralis Müll., over het springen der Elateridae, en over eieren van Cloéon dipte-
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 53
rum L. T. v. E. LIX, Verslagen, p. VII—XVI [Acar.; Coleopt.; Agnath.]
Carabodes alveolatus, Banksia tegeocranus, Parasitidae, Uropodidae, Liponys-
sus, Spinturnicidae ; Zetorchestes, Eupodes, Nanorchestes, Bdella, Carabodes ;
Heterotrichus is een fragment van een Lithosia-beerrupsje.
366. 1.V.1916. Trogulus tricarinatus L. E.B. IV, No. 89, p. 277. [Arachn., Opil.]
367. 1.V.1916. Bibliotheek. Idem, p. 278—284.
— 16.V.1916. Zie op. 400.
368. 1.VI.1916. Notizen über Acari. 24. Reihe. (Trombidiidae, sensu lato). T. v. E.
LIX, No. 1/2, p. 18—54, f. 1—154.
Microtrombidium rhodinum, schmitzi ; Riedlinia coeca; Allothrombium fuligi-
nosum, adustum, fuligineum, incarnatum, molliculum ; Balaustium murorum.
369. 1.VII.1916. Acarologische Aanteekeningen LIX. E.B. IV, No. 90, p. 296—299.
Misstelling in Cuvier’s ‘Règne Animal”; ademen van Parasitidae ; Para-
situs coleoptratorum, fucorum; Pergamasus pilipes, oxygynellus, longulus ;
Eugamasus protonymphae, magnus, lunulata; Euryparasitus emarginatus ;
Hypoaspis pygmaeus.
370. 29.VI.1916. Een boek, dat in geen Bibliotheek H.B.S. of Gymnasium ontbreken
mag. Weekbl. v. gymn. em middelb. Onderw. XII, No. 44, p. 1572—1573.
Boekbeoordeeling H. Schmitz: De Nederlandsche Mieren en haar Gasten.
371, 1.VII.1916. Een heerlijk boek voor jongens. De lev. Nat. XXI, No. 5, p. 99—100.
Boekbeoordeeling (als op. 370).
372. 14.VII.1916. De Nederlandsche Mieren en haar Gasten, door H. Schmitz, S.].
Natura, Jg. 1916, No. 13 (= No. 211), p. 99. (Boekbeoordeeling).
373. 1.1X.1916. Camponotus ligniperda bij Arnhem. E.B. IV, No. 91, p. 307—308.
[Hymenopt., Formic.]
374. 1.1X.1916. Acarologische Aanteekeningen LX. Idem, p. 308—316.
Hypoaspis gehennalis, haemisphaericus ; Laelaps microti, arvicolae ; Eviphis
ciliatus ; Halarachne halichoeri, americana, zalophi, rosmari ; Dermanyssus ;
Megisthanus antènnaepes ; Cilliba copridis ; Discopoma minimum ; oude waar-
nemingen aan Ixodidae ; Scutacaridae.
— 10.1X.1916. Zie op. 393, 394 en 395.
375. 1.XI.1916. Acarologische Aanteekeningen LXI. E.B. IV, No. 92, p. 331—332.
Scutacaridae (vervolg van op. 374) ; Pediculoides setosus ; Scutacarus femo-
ris; Anystis baccarum; Microtrombidium.
376. 1.1.1917. Boekweitdoppen als dek voor bollevelden. E.B. IV, No. 93, p. 340.
Gevaar voor besmetting met T'yroplyphus farinae.
377. 1.1.1917. Acarologische Aanteekeningen LXII. Idem, p. 341—348.
Dinothrombium purpureum, klugkisti; Trombidium pygiacum; Rohaultia ;
Hannemannia rouxi,ylongicollis; oude waarnemingen aan Oribatidae; Hy-
pochthonius luteus ; Cosmochthonius ; Tyroglyphinae en „Analgesinae” ; mond-
ledematen der hypopoda; Hericia greeni; Tyroglyphus-groepen; Tyrogly-
phus en Hypopus ; Tyroglyphus sumatrensis, mycophagus, vethi, macgillavryi,
neotropicus, australis.
378. 1.11.1917. Nog eens: Zwaluwen als oogziektenverspreiders. Maandbl. tegen Ver-
valschingen, tevens gewijd aan Hyg. en Industr. XXXIII, No. 7, p. 62—63. [Aves.]
De „zwaluwen” zijn Sterntjes en misschien Kokmeeuwen, welke in Zwitser-
land ,,Schwalben” worden genoemd.
379, ur Bewusztsein im Traum. Natw. Wochenschr. N.F.XVI (= XXXII),
o. 6, p. 88.
380, 15.1V.1917. Sind die Maskarenen und die zentralpazifischen Inseln ozeanisch ?
Natw. Wochenschr. N.F. XVI (= XXXII), No. 15, p. 201—203.
381. 27.V.1917. Ergänzungen zu dem Aufsatz: „Sind die Maskarenen und die zentral-
pazifischen Inseln ozeanisch?’ Natw. Wochenschr. N.F. XVI (= XXXII),
Nos Zit hp. 296.
382. VI.1917. Dodo-studién, naar aanleiding van de vondst van een gevelsteen, met
Dodo-beeld van 1561 te Vere. Verh. kon, Akad. v. Wetensch., 2e Sectie, XIX,
No. 4, p. I—VIII, 1—140, Pl. I—XV, f. 1—41. [Aves.]
Raphus cucullatus ; Apterornis solitarius; Pezophaps folitarius.
382a. 1.VII.1917. Schelpen op akkers. De lev. Nat. XXII, No. 3, p. 119.
383. 1.VII.1917. Acarologische Aanteekeningen LXIII. E.B. IV, No. 96, p. 391—396.
Vidia lineata; Tortonia fluctuata; Hypopoda der groep Anoeteae ; Anoetus
crassipes, brevimana, turcastanae, spinitarsus ; Acarinae (Sarcoptinae) ; Aca-
‘tus sito (Sarcoptes scabiei), caprae, equi, cuniculi; Analges corvinus; Di-
morphus cubitalis.
Heu
34
384,
385.
386.
387.
388.
389,
390.
391.
392,
393,
394,
395,
396.
397
+
398,
399,
400,
401.
402.
403.
404
+
405.
406.
407.
408,
409,
410.
G. L. VAN EYNDHOVEN,
1.VII.1917. Aanteekeningen over Suctoria XXVIII. Idem, p. 396.
Hystrichopsylla talpae ; Ceratophyllus gallinulae, gallinae; over den penis;
rectificatie op. 344. (Mus decumanus, lees: Mus musculus.)
10.VII.1917. Titel en Inhoud van en Register op het 4e deel der Entomologische
Berichten. p. I—VII, 1—20.
3.VIII.1917. Is mais zoo'n slecht voedsel? Arnh. Crt., Avondblad, p. 2.
25.VIII.1917. Leguatia gigantea Schleg. Ardea VI. No. 2, p. 37—55, f. 1—3 en
Plaat I. [Aves.]
25.VIII.1917. Mededeelingen door Dr. A. C. Oudemans over zijne „Dodo-
Studién”, gedaan in de Vergadering der ,,Nederlandsche Ornithologische Vereeni-
ging’, gehouden te Winterswijk op 9 Juni 1917. Idem, p. 74—79. [Aves.]
1.1X.1917. Acarologische Aanteekeningen LXIV. E.B. V, No. 97, p. 10—11.
Pterolichus urogalli ; Psoroptes ovis ; Demodex folliculorum, canis, equi, bovis,
spec. ? =:
XI1.1917. Notizen über Acari, 25. Reihe. (Trombidiidae, Oribatidae, Phthiracari-
dae). Arch. Natg. LXXXII-A, No. 6, ,,1916”, p. 1—84, f. 1—132, 1 Taf. met
fig. 58—64.
i Trombidium pygiacum ; Dinothrombium purpureum, klugkisti; Camisa pallia-
tus ; uit op. 347 : Cymbaeremaeus, Cultroribula, Carabodes, Zetorchestes, Mur-
cia, Oribatella; Hypochthonius luteus, rufulus ; Cosmochthonius gemma; Ha-
fenrefferia gilvipes ; Xenillus speciosus, subtrigonus, paolii, blattarum ; Oriba-
tula exilis, frisiae; Vorbemerkungen zu den folgenden Mitteilungen ; Pfyctima
und Apfyctima ; Di-, Mono- und Agastropeltae ; Einteilung der Oribatoidea ;
Tritia arctata, ardua; Phthiracarus ferruginea ; Lesseria szanislöi.
10.IV.1918. Lijst van eenige Nederlandsche en aangekweekte Planten, die geheel,
of gedeeltelijk voor consumptie geschikt zijn. Verslag Bevindingen en Handelin-
gen der Gezondheidscomm. v. d. Gemeente Arnhem over het jaar 1917, p. 46—52.
20.1V.1918. Oudemans on the Dodo. The Ibis for April 1918, p. 316—321. [Aves.]
10.1X.1916. (Verslag over de Bibliotheek.) T. v. E. LIX, Verslagen, p. XLV—
XLVIII.
10.1X.1916. (Over 2 titellooze exemplaren van Herrich-Schäffer's „Neue
Schmetterlinge aus Europa und den angrenzenden Ländern”, in de Bibliotheek
der Nederlandsche Entomologische Vereeniging.) Idem, p. XLVIII—XLIX.
10.IX.1916. (Voorstel om Dr. Antonio Berlese tot Eerelid der Nederland-
sche Entomologische Vereeniging te benoemen.) Idem, p. L.
10.VII.1918. Iets over de Journalen van Van Neck en anderen. Bijdr. v. va-
derl. Geschied. en Oudheidk. 1918, p. 289—339.
29.V11.1919. Notizen über Acari. 26. Reihe. (Oribafoidea) (Gruppe der Galum-
nae) Arch. Natg. LXXXIILA, „1917”, No. 4, p. 1—84, f. 1—114.
1.1X.1919. Een Vogelmijtplaag. E.B. V, No. 109, p. 176—178.
Dermanyssus gallinae.
1.X1.1919. Witte Leeuwrik. De lev. Nat. XXIV, No. 7, p. 222. [Aves.] «
16.V.1916. Het kleine padje. De lev. Nat. XXI, No. 2, p. 39—40. [Amph.]
17.X11.1919. Opheldering in Geslachtszaken. Weekbl. v. gymnas. en middelb. On-
derw. XVI, No. 16, p. 680-632.
7.1.1920. Opheldering in Geslachtszaken. Weekbl. v. gymnas. en middelb. Onderw.
XVI, No. 19, p. 795—797. |
28.11.1920. Psychologie der Dieren. Nwe arnh. Crt., 3e blad, jo, IL
Boekbeoordeeling Dr. F. J. J. Buytendijk: Psychologie der Dieren.
15.111.1920. De luchtkamer in het ei. Natura, Jg. 1920, No. 3 (= No. 258), p.
13—14. [Aves.]
15.11.1920. Plantenparelen. Idem. p. 16. [Mollusc.]
Gemaakt uit de schelpen Hippopus maculatus of Tridacna gigas.
28.11.1920. Vom Daumenflügelchen. Natw. Wochenschr. N.F. XIX (= XXXV),
No. 13, p. 208. [Aves.]
15.1V.1920. De koe en haar staart. Natura, Jg. 1920, No. 4 (= No. 259), p. 17.
(Mammal. ]
1.V.1920. Het springen der Knip- of Springkevers. De lev. Nat. XXV, No. 1,
p. 9—17, f. 1—3. [Coleopt.]
Elateridae.
15.V.1920. Heimans als Popularisator van de Natuurhistorische Wetenschap-
pen. Natura. Jg. 1920, No. 5 (=No. 260), p. 22—23.
1.VI.1920. Vergroeiing bij Peen (Daucus carota). De lev. Nat. XXV, No. 2,
p. 58. [Plantae.]
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 35
411. 1.VII.1920. Een Geofrupes-leger (Col.). E.B. V, No. 114, p. 258—259.
412. 1.VII.1920. Acarologische Aanteekeningen LXV. Idem p. 259—260.
Terrestre Acari uit hydrobiologische onderzoekingen. Opsomming van 14 soor-
ten der Parasitidae, Bdellidae en Oribatidae.
413. 1.1X.1920. Over het voorkomen van Acari in het darmkanaal van dier en mensch,
met diarrhee of den dood als gevolg. — Leucodonta bicoloria voor de tweede
maal in Nederland [Lepidopt.]. T. v. E. LXIII; Verslagen, p. LXV—LXVII.
„Acarus dysenteriae’, Cheyletus eruditus, Tyroglyphus farinae.
414, 8.X.1920. Referaten. Vakbl. v. Biologen. II, No. 2, p. 31.
i Vitzthum: Neue myrmecophile Milben.
Nöller: Kurze Bemerkungen zur Biologie und Bekämpfung der Sarkoptes-
milbe des Pferdes.
415. 8.X1.1920. Referaten. Vakbl. v. Biologen. II, No. 3, p. 47.
G. Romijn: De Fauna der Zuidwillemsvaart.
W. Hinz: Milben (Tyroglyphus und Cheyletus) im Intestinaltraktus des
Hundes.
416. 1.1.1921. Over de plaats der Demodicidae in het systeem der Acari, EB. V,
No. 117, p. 310—312 (eerste gedeelte).
417. 1.1.1921. lets over het zweven van draakjes en slangen, en over het kruipen van
slangen. De lev. Nat. XXV, No. 9, p. 206—210. [Rept.]
418, 8.1.1921. Referaten. Vakbl. v. Biologen. II, -No. 5, p. 78—79.
Schuurmans Stekhoven Jr.: Van de wieg naar het graf; enkele
grepen uit het leven van de schurftmijt van de rat.
Soar: Hydracarina: The genus Oxus, Kramer.
Berlese: Generi nuovi di Acari.
Trouessart: Diagnoses de Genres nouveaux de Sarcoptides plumicoles
(Analgesinae).
Viets: Liste von Hydracarinen aus dem Weserberglande bei Eschershausen
(Kr. Holzminden).
Trouessart: Monographie des genres Hemialges et Hyperalges (Sarcop-
tides plumicoles). i
419, 8.11.1921. Referaten. Vakbl. v. Biologen. II, No. 6, p. 94.
Willmann: Diagnosen‘ einiger neuen Oribatiden aus der Umgegend Bre-
mens.
Halbert: The Acarina of the Seashore.
420. 11.1921. Das Dollosche Gesetz der Irreversibilität. Arch. Natg. LXXXVI-A,
1920”, No. 9, p. 1—10.
421, 11.1921. Die Luftkammer im Ei. Idem, p. 10—11. [Aves.]
422, 11.1921. Die Langarmigkeit der Anthropomorphen und die Geradbeinigkeit der
Menschen. Idem, p. 11—14.
423. 11.1921. Die Abbildungen der Fliegenden Fische. Idem, p. 14—18. [Pisces.]
424. 11.1921. Der Nordpol als Völkerheimat. Idem, p. 18—21.
425. 11.1921. Ein Pferd mit 8 Incisivi. Idem, p. 21. [Mammal.]
426. 1.111.1921. Over de plaats der Demodicidae in het systeem der Acari. E.B. V,
No. 118, p. 315—318. (Zie ook op. 416.)
427. 8.111.1921. Referaten. Vakbl. v. Biologen. II, No. 7, p. 110—111.
St. Hirst: Studies on Acari, No. 1. The genus Demodex, Owen.
Zacher: Vorläufige Diagnosen einiger neuer Spinnmilbenarten.
Vitzthum: Acarologische Beobachtungen, 2. Reihe.
Romijn: Hydracarinen in Limburg 1918 en 1919 met aanhangsels: Hala-
carinen in Limburg.
nn ck: Die Oribatiden der Bernsteinsammlung der Universität Königs-
berg i. Pr.
428, 15.1V.1921. Der Sbalzo (Der Sprung). Natur. XII, No. 14, p. 158.
429, 8.V.1921. Referaten. Vakbl. v. Biologen. II, No. 9, p. 143.
Berlese: Centuria quinta di Acari nuovi.
Zacher: Neue und wenig bekannte Spinnmilben.
Sellnick: Neue und seltene Oribatiden aus Deutschland.
430. 30.V.1921. De Mammouthboom. Arnh. Crt. [Plantae]
431. 8.VI.1921. Referaat. Vakbl. v. Biologen. II, No. 10, p. 159.
Walter: Die Bedeutung der Apodermata in der Epimorphose der Hydra-
carina.
432, 1.VII.1921. Acarologische Aanteekeningen LXVI. E. B. V, No. 120, p. 358—359.
Tarsotomus domesticus ; Cheyletia en Cheletomimus.
458.
G. L. VAN EYNDHOVEN,
1.VII.1921. Trekkende spinnen. Idem, p. 359—365. [Aran.]
1.VII.1921. Register op deel V der Entomologische Berichten. Idem, p. 367—384.
1.VIII.1921. Van een kleine kat en een groote hond. Arnh. Crt. [Mammal.]
15.1X.1921. Dytiscus punctulatus F. ab. T. v. E. LXIV, Verslagen, p. LIII.
[Coleopt.].
8.X.1921. Referaten. Vakbl. v. Biologen. III, No. 2, p. 31.
Donisthorpe: Myrmecophilous Notes for 1920.
Vitzthum: Acarologische Beobachtungen. 4. Reihe.
Newstead and Pillers: Reports of the Grain Pests (War) Committee.
8.X.1921. Voorloopers der Vliegmachines. Het Vliegveld. V, No. 21, p. 294—295.
8.X1.1921. Referaat. Vakbl. v. Biologen. III, No. 3, p. 46—47.
Reichenow: Digestiön intracellular en un äcaro.
8.XII.1921. Referaten. Vakbl. v. Biologen. III, No. 4, p. 57—59, 63.
Schuurmans Stekhoven Jr. und Notokworo: Zur Biologie der
Krätzmilben.
Reichenow: Los Hemococcidios de los Lacértidos, observaciones previas
y la parte: Estudio del Desarrollo de Karyolysus.
8.1.1922. Referaat. Vakbl. v. Biologen. III, No. 5, p. 79.
Menzel: Mijten in theezaad.
25.11.1922. Plantenpaarlen. De Natuur. XLII, No. 2, p. 60—62.
Conclusie als op. 405.
15.1V.1922. De oorsprong der Maleiers. Natura Jg. 1922, No. 4 (= No. 283),
p. 61—63.
1.VII.1922. Acarologische Aanteekeningen LXVII. E. B. VI, No. 126, p. 81—84.
Schöngastia salmi; Acari van Spitsbergen {Rhagidia, Bdella, Eupodes met
nomenclatorische en andere opmerkingen).
17.V11.1922. Waterspreeuw. Ardea. XI. No. 1, p. 92. [Aves]
1.IX.1922. Acarologische Aanteekeningen LXVIII. E. B. VI, No. 127, p. 108—111.
Acari van Sumatra (Microfrombidium jabanicum; Enemothrombium walchi,
eufrichum ; Rosenhofia machairodus ; Raphignathus deliensis, walchi ; Murcia
deliensis).
1.IX.1922. Ringmusch. De lev. Nat. XXVII, No. 5, p. 157 [Aves]
15.X.1922. Ueber die Metamorphose der Vogelbewohnenden Acaridiae, T. v. E.
LXV, p. 184-191.
1.XI.1922. Acarologische Aanteekeningen LXIX. E. B. VI, No. 128, p. 113—120.
Acari van Java (Cunaxa, Microtrombidium, Schôngastia, Dimorphus) ;
rectificatie (Hypoaspis necorniger, lees subglabra); critische opmerkingen
over Raphignathidae (zie ook op. 452 en 453).
. 15.XII.1922. Individualiteit bij Katten. Natura. Jg. 1922, No. 12 (= No. 291),
p. 185—186. [Mammal.]
1.1.1923. Eene invasie van Sminthurus (Collembola). E.B. VI, No. 129, p.137—138.
1.1.1923. Acarologische Aanteekeningen LXX. Idem, p. 138—144.
Raphignathidae (vervolg). Raphignathus, Stigmaeus, Caligonus, Eustigmaeus.
1.111.1923. Acarologische Aanteekeningen LXXI. E. B. VI, No. 130, p. 145—155.
Raphignathidae (vervolg). Macrostigmaeus, Homocaligus, Linotetranus,
Eupalopsis, Storchia, Ledermiilleria, Podaia.
15.1V.1923. De vogels in het wapen van Liverpool. Natura, Jg. 1923, No. 4
(= No. 295), p. 62—63. [Aves]
. 1.V.1923. Acariden, in: Flora en Fauna der Zuiderzee, Monografie onder redactie
ven a 5 Re ee Uitg. Nederl. dierk. Vereen., Den Helder, ,,1922”, p. 363—
Parasitus flevensis; Lasioseius subglabra; Microtrombidium simulans; Hala-
carus basteri; Copidognathus fabricii.
+ 1.V.1923. Mededeelingen over Mallophaga en Pediculi V. E. B. VI, No. 131,
p. 163—168.
Ontwikkelingstoestanden van Pediculus capitis, humanus, schäffi.
15.V.1923. Demonstratie van een winternest van Tefranychus telarius L. —
Schizocarpus mingaudi Trt. — Verklaring der platte gangen van Agromyza car-
D T. v. E. LXVI, Verslagen, p. XXI—XXII, XXVIII, XXXV. [Acar ;
ipt.
25.V.1923. Sur une nouvelle espèce de Hannemannia Oudms. (Trombidiidae). ia :
F. Sarasin & J. Roux: Nova Calédonia, Zoologie, III, No. 1, p. 127—131,
f. 1-11. (Kreidel, Berlin).
Hannemannia rouxi Oudms. 1916.
459,
460.
461.
462.
467.
468.
469.
470,
471,
472,
473.
474.
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 37
1.VII.1923. Acarologische Aanteekeningen LXXII. E. B. VI, No. 132, p. 177—188.
Wat is Acarus geniculatus Linné 1758 ? ; Stigmaeus bdelloides ; Raphignathus
humilis; Myobia brevihamatus; Strômia cantharobius ; Acari van Sumatra
(Varroa, Parasitus, Hypoaspis, Seiulus, Eugamasus, Cheletomorpha) ; Pso-
roptidae en Anacrofricha ; Nodipalpus : Nanacarus ; Froweinia ; Canestrinia ;
Dermaleichus ; Coleopterophagus ; Photia; Percanestrinia; Dicanestrinia ;
Coleoglyphus ; Megacanestrinia ; Canestriniella.
1.VIII.1923. Studie over de sedert 1877 ontworpen Systemen der Acari; Nieuwe
Classificatie ; Phylogenetische Beschouwingen. T. v. E. LXVI, p. 49—85.
15.VIII.1923. Individualiteit bij katten. II. Natura, Jg. 1923, No. 8 (= No. 299),
p. 125—126. [Mammal.]
1.IX.1923. Acarologische Aanteekeningen LX XIII. E.B. VI, No. 133, p. 201—208.
Rosensteinia sieversi; Photia procustidis, bourgognei; Canestrinia javensis,
macgillauryi ; Coleopterophagus megninii ; Rhizoglyphidae, Nanacaridae, Mea-
liidae, Winterschmidtiidae, Carpoglyphidae, Nodipalpidae nov. famm. ; Scato-
glyphus ; Rhizoglyphus ; Petzschia ; Valmontia ; Winterschmidtia ; Aphelenia ;
Pontoppidania ; Tyroglyphus deliensis.
7.1X.1923. Referaten. Vakbl. v. Biologen. V, No. 1, p. 15—16.
P. Schulze: Biologie der Tiere Deutschlands: Vitzthum — System der
Milben ; Schulze — Ixodina.
8.X.1923. Referaten. Vakbl. v. Biologen. V, No. 2, p. 28—30.
P. Schulze: Biologie der Tiere Deutschlands: Schulze — Eriophyina ;
Vitzthum — Acarina; Viets — Hydracarina.
1.1.1924. Autobiografieën van Entomologen, (over uitgave van Embric Strand).
E.B. VI, No. 135, p. 225—226.
1.1.1924. Analytical Key for the Classification of Families and Genera of Diacro-
fricha Oudms. 1906 (Acari). E.B. VI, No. 135, p. 226—235.
1.11.1924. Acarologische Aanteekeningen LXXIV. E.B. VI, No. 136, p. 249—260.
Nuchaalhaartjes der Tyroglyphidae ; groepen van Tyroglyphus-soorten ; hy-
popus van Tyroglyphus farinae en farris ; propodosomatic shield bij Tyrogly-
phus farinae ; Monieziella trifolium ; genus Hypopus ; Acarus spinitarsus Herm.
1804; Rhizoglyphus echinopus, solani, callae ; Pefzschia gibba; Saproglyphus
australis, neotropicus.
1.1V.1924. (Nieuwste onderzoekingen in de groep der Tyroglyphidae, vulgo kaas-
mijten.) T. v. E. LXVII, Verslagen, p. XXII-XX VIII.
Tyroglyphus laevis, farinae, putrescentiae, dimidiatus, palmarum, casei, siculus.
1.V.1924. Acarologische Aanteekeningen LXXV. E.B. VI, No. 137, p. 265—274.
Tyroglyphidae en Rhizoglyphidae ; Eberhardia; Tyroglyphus michaeli, dimi-
diatus en indeeling ; Rhizoglyphus dujardinii ; Schwiebea italica, talpa; Val-
montia mira; Acaridina balaenarum.
3.V.1924. Mogelijke veranderingen in den zeebodem van den Indischen Oceaan
in en na 1598. Tschr. ned. aardrijksk. Genootsch. (2). XLI, No. 3, p. 269—285.
1.VII.1924. Antwoord op het artikel van Hanna Schulze. — Antwoord op
de „Anmerkung während der Korrektur” van Hanna Schulze. EB. VI,
No. 138, p. 292—294.
In dit nummer ook het artikel van Hanna Schulze: Die Hypopi der
Mehlmilbe Tyroglyphus farinae L. 1758. Over hypopus I en hypopus II,
alsmede over Tyr. farinae en farris.
25.VIII.1924. Over de resultaten van zijn onderzoek van door Acari aangetaste
bloembollen. T. v. E. LXVII, Verslagen, p. LIV—LIX.
Rhizoglyphus echinopus, solani, columbianus; Pediculoides mesembrinae ;
Cheyletus schoeversi. Voorts genoemd: Tyroglyphus farinae, dimidiatus, in-
festans, humerosus ; Seiulus sp., Parasitus sp.; Anoefus feroniarum ; voeding
van hypopus ?
1.IX.1924. Acarologische Aanteekeningen LXXVI. E.B. VI, No. 139, p. 300—310.
Systematische opmerkingen en tabel der Diacrotricha.
15.X.1924. Individualiteit bij Katten. III. Natura, Jg. 1924, No. 10 (= No. 312),
p. 174—175. [Mammal.]
1.X1.1924. Acarologische Aanteekeningen LXX VII. E.B. VI, No. 140, p. 317—336, 2 fig.
Histiogaster corticalis ; Caloglyphus brasiliensis, mycophagus ; Olafsenia trifo-
lium ; Ceroglyphus monstruosus ; Suidasia en Aphelenia ; Suidasia medanensis ;
Froriepia vimariensis; Rhizoglyphus columbianus ; Schwiebea scalops ; genus
Hypopus; Acarus spinitarsus gevonden (m.afb.) ; Tyroborus lini; Tyropha-
gus muris, putrescentiae, vanheurni; Povelsenia neotropicus; Ebertia austra-
38
475.
476.
477,
478.
479,
480,
481.
482.
483,
484.
485.
486.
487,
488,
489,
490,
G. L. VAN EYNDHOVEN,
lis; Tortonia helenae; Vidia lineata; Forcellinia ; Glycyphagus domesticus ;
Chaetodactylus claviger ; Cerophagus bomborum ; Sennertia koptorthosomae,
sumatrensis, greeni, roepkei, flabellifera; Anoetus type, alicola, feroniarum,
sapromyzarum, necrophori, setipes ; Zwickia ; Mealia.
25.V.1925. Over een uiterst zeldzaam boekje (M.A.C.D.). — Over eene bijzonder-
heid uit het leven van de wasmot, Galleria mellonella [Lepidopt.] T. v. E.
LXVIII, Verslagen, p. XXII—XXXI.
Acarus siro.
1.VII.1925. Acarologische Aanteekeningen LXXVIII. EB. VI, No. 144, p.
400-410.
Amende honorable aan Hanna Schulze (inderdaad 2 hypopus-vormen) ;
Chaetodactylus osmiae ; Chorioptes caprae ; Saproglyphus neglectus ; Camisia
monodactylus ; Rivoltasia en Pferonyssus.
1.1X.1925. Willughby's Historia Insectorum en Methodus Insectorum. E.B.
VII, No. 145, p. 14—16.
1.1X.1925. Een wolk van rupsen. Idem, p. 16. [Lepidopt.]
15.X.1925. Over zijne nieuwste onderzoekingen op het gebied der Acari. T. v. E.
LXVIII, Verslagen, p. LXXXVI—XCVIII.
Parasitus vespillonum, setosus; Pediculoides ventricosus; Tenuipalpus cunea-
tus; Riemia hesperidum ; Pteronyssus besselingi, puffini ; Hydrozetes speciosus
= confervae.
19.1X.1925. De verwekker van ,,Creeping Disease”. Ned. Tschr. Geneesk LXIX,
PAZ AN M2%p21583;
Psoroptes equi 9 ?
1.XI.1925. Acarologische Aanteekeningen LXXIX. E.B. VII, No. 146, p. 26-34.
Camisia amictus; Seiulus corbicula; Eriophyes oculafus; Acari uit Ambon
(Laelaps soricis ; Hypoaspis rhinocerotis ; Seiulus amboinensis; Liponyssus
echinus ; Spinfurnix amboinensis ; Eschatocephalus ropsteini (lees: kopsteini) ;
Aponomma gervaisi; Haemaphysalis spinigera; Lorryia superba; Tyropha-
gus amboinensis, putrescentiae) ; zuignappen van Pferonyssus; rectificatie
(Pteronyssus en Rivoltasia).
1.111.1926. Acarologische Aanteekeningen LXXX. E.B. VII, No. 148, p. 67—80.
Rectificatie (Ropstein, lees Kopstein); fouten in op. 477; Dolaea af-
finis; Tarsonemus minusculus ; Raphignathus pilispinus ; Cheyletiella macro-
nycus; Tydaeus xylocopae; Acari tusschen glimmerplaatjes (Tarsonemus,
Cheyletus) ; Chaetodactylus ludwigi; hypostoom, aanhechting der pooten,
palpleden der Ptyctima; Tritia corporaali.
15.1V.1926. Chorioptes caprae (Del. & Bourg. 1858). T. v. E. LXIX, No. 1, p.
1—18, Pl. I-IV, f. 1-32.
25.1V.1926. (Onderzoekingen omtrent Acari.) T. v. E. LXIX, Verslagen, p.
XIX—XXVI.
Bijzonderheden der Acaridiae, speciaal Acarus; An-, Mono-, Di- en Tri-
acrotricha ; Pontoppidania littoralis ; Eriophyes oculatus.
1.V.1926. Acarologische Aanteekeningen LXXXI. E.B. VII, No. 149, p. 97—102.
Parasitus goetsei ; Pergamasus mediocris ; Amblygamasus dentipes ; Hypoaspis
Se microti; Caloglyphus kramerii, weeversi; klemorganen bij Tyro-
phagus.
15.V.1926. Individualiteit bij katten. IV. Natura, Jg. 1926, No. 5 (= No. 332),
Jubileumnummer ,p. 112—113. [Mammal.]
1.VII.1926. Acarologische Aanteekeningen LXXXII. E.B. VII, No. 150, p.
119—126, 8 fig.
Pergamasus-crassipes-groep ; Pergamasus corporaali; Cyrtolaelaps mucrona-
tus; Haemogamasidae ; Laelaptidae ; Dermanyssidae ; Spinturnicidae ; Lasio-
seius subglabra ; Neophyllobius vanderwieli ; Balaustium bulgariense ; Anoetus
tienhoveni ; Eriophyes oculatus, drabae var. camelinae.
Ru Acarologische Aanteekeningen LXXXIII. E.B. VII, No. 151, p.
Dolaea affinis Oudms. wordt vitzthumi : Tyrophagus infestans, viviparus ;
palp der Tyroglyphidae sensu lato.
pie: Halarachne-Studien Arch. Natg. XCI-A, ,,1925”, No. 7, p. 48—108,
Halarachne halichoeri, americana, attenuata, zalophi, rosmari.
1.X.1926. Over creeping disease. T. v. E. LXIX, Verslagen, p. XCII—XCVII,
2 afb. [Dipt.; Acar.]
491.
492,
493.
494
+
495.
496.
497.
498,
499,
500.
501.
502.
503.
504
+
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 39
Gasfrophilus haemorrhoidalis, nasalis, pecorum, intestinalis, flavipes, ternicinc-
tus; Hypoderma ; Psoroptes equi; Gnathostoma (Nematoden).
1.X.1926. Hierin tevens vermelding door J. B. Corporaal van Acari uit het
Naardermeer (det. et descr. Dr. A.C. Oudemans) p. C.: Pergamasus corpo-
raali, Cyrtolaelaps mucronatus, Neophyllobius vanderwieli, Anoetus tienhoveni,
Sphaerozetes numerosus.
19.X.1926. Kritisch Historisch Overzicht der Acarologie. Eerste gedeelte, 850 v.
C. tot 1758. T. v. E. LXIX, Suppl., p. I—VIII, 1—500, f. 1—68.
20.XI.1926. Étude du genre Notoedres Railliet 1893 et de l'espèce Acarus bubulus
Oudms. 1926. Arch. néerl. Sci. exact. et nat., sér. IIIB, IV, p. 145—262 (1—118),
f. 1-85.
Notoedres cati, caniculi, alepis, spec., muris, musculi ; Sarcopfes spec., rupica-
prae ; Listrophorus gibbus, mustelae ; Psorergates simplex; Acarus bubulus en
verwante soorten.
15.XI.1926. Individualiteit bij katten V. Natura, Jg. 1926, No. 11 (= No. 338),
p. 206-207. [Mammal.]
11.XII.1926. Nog iets over ,,Creeping Disease”. Ned. Tschr. v. Geneesk. LXX,
Pe INN 24,.2.2727.
Cordylobia anthropophaga (Dipt.).
1.1.1927. Acarologische Aanteekeningen LXXXIV. E.B. VII, No. 153, p. 176—180.
Rectificatie (vindplaats Hypoaspis en Caloglyphus van op. 485) ; Pseudolep-
tus floridanus, arechavaletae, vandergooti.
15.1V.1927. Acarologische Aanteekeningen LXXXV. E.B. VII, No. 154/155, p.
208—212.
Aponomma kerberti ; capitulum der Ixodidae.
IV.1927. Notizen über Acari. 27. Reihe (Oribatidae). Arch. Natg. XCI-A, ,,1925”,
No. 8, p. 120—147, f. 1—36.
Lichaamsafdeelingen ; pteromorphae ; Nofaspis coleoptratus, punctata, nitens,
intermedia, patavinus, italicus.
7.V.1927. Iets over de geschiedenis omtrent Scabies en de Acarus siro, Ned.
Tschr. v. Geneesk. LXXI, P. 1, No. 19, p. 2519—2525, f. 1—5.
25.V.1927. Over de door hem onderzochte Acari. T. v. E. LXX, Verslagen, p.
XXXII—XXXVII.
Aponomma decorosum ; Tarsonemus ovivorus, aurantii ; Parasifus macgilla-
vryi; Chorioptes equi.
i Acarologische Aanteekeningen LXXXVI. E.B. VII, No. 156, p.
25—230.
Acari uit Boeroe (Macrocheles (Coprholaspis) buruensis ; Celaenopsis
(Anoplocelaeno) indica, tropica ; Euzercon ovale; Toxopeusia strandi, vitzthu-
mi; Allothrombium aequinoctiale ; Enemothrombium distinctum ; Xenothrom-
bium insulare; Caenothrombium caloris; Sphaerolophus novus; Nanacarus
minutus ; Anoetus toxopei.)
1.1X.1927. Acarologische Aanteekeningen LXXXVI (lees: LXXXVII). E.B.
VII, No. 157, p. 242—248.
Halacaridae hebben 5 palpleden; wijziging van een gedeelte der familién-
tabel der Diacrotricha ; Nanacaridae ; Ensliniellidae ; Winterschmidtia hama-
si Czenspinkia ; Pontoppidaniidae ; Lardoglyphus; Olafsenia ; Forcelli-
niidae.
15.X.1927. De Mammouthboom. Natura, Jg. 1927, No. 10 (= No. 349), p.
185—189. [Plantae.]
27.X.1927. Over zijne laatste onderzoekingen omtrent Acari. T. v. E. LXX, Ver-
slagen, p. LXX—LXXVI.
Tanaupodus passimpilosus ; Centrotrombidium schneideri; Microtrombidium
batatas = helleri Oudms; Raoiella; Lentungula fusca; Glycyphagus genicu-
latus; Anoetoglyphus ateuchi; Hermannia reticulata; Tyroglyphus farinae
in massa.
Pre Acarologische Aanteekeningen LXXXVIII. E.B. VII, No. 158, p.
Acari van Herdla (Parasitus, Pergamasus, Lasioseius, Bryobia, Villersia,
Eustigmaeus, Bonzia, Bdella, Tanaupodus, Centrotrombidium, Leptus, Ery-
thraeus, Camisia, Cosmochthonius, Hydrozetes, Limnozetes) ; Acari van Òen
(Tarsotomus, Anystis, Erythraeus, Halolaelaps) ; Acari bij Osund (Halolae-
laps, Sessiluncus, Anystis, Diplodontus) ; Poecilochirus en Iphidosoma ; Poe-
cilochirus macgillavryi; Halolaelaps marinus; Bryobia ribis; genustabel der
<
40
505.
506.
507.
508.
509.
510.
511.
512.
513.
514.
515.
516.
517.
518.
519.
520.
G. L. VAN EYNDHOVEN,
Raphignathidae ; Stigmaeodes elongatus var. longipilis ; Villersia vietsi; Zet-
zellia methlagli ; Bonzia halacaroides ; Ereynetes limacum ; Trombicula autum-
nalis, inopinatum ; Tanaupodus passimpilosus ; Centrotrombidium schneideri ;
Caloglyphus kramerii, leefmansi ; Sellnickia heveae.
1.1.1928. Acarologische Aanteekeningen LXXXIX. E.B. VII, No. 159, p. 285—293.
Seiulus ; verwantschap tusschen Trombidiformes en Sarcoptiformes ; Tarsone-
mus; Tetranychidae ; Pseudoleptidae ; Raphignathidae ; Cheyletidae ; Anysti-
dae; Epitetranychus asparagi, alceae ; Schmiedleinia tiliae ; Corethrothrom-
bium ; Lardoglyphus zacheri ; Glycyphagus destructor, tjibodas ; Mealia toxo-
ei.
12.1.1998. Aus P. Kramers Nachlasz (Acari). Arch. Natg. XCILA, „1926”,
No. 4, p. 99—119, 8 fig.
Trombidium pectinifer, tinctorium; Megisthanus lamellicornium, oblongus;
* Stenosternum bipilosum ; Dinogamasus crassipes; Lobocephalus acuminatus;
Euzercon ovale,
12.1.1928. Leelaps-Studién. T. v. E. LXX, No. 3/4, p. 163—209, f. 1—62.
Acarus muris Ljungh; Laelaps agilis, hilaris, festinus, pachypus, muris John-
ston, lemni, echidninus, agilis Koch apud Berl., glabratus, wyandottensis, caver-
nicola, oribafoides, crassipes Schrank, elegans, modestus, brunneus, agilis
Oudms., versteegi, wolffsohni, mullani, microti, arvicolae, soricis.
20.1.1928. Acari uit Ambon. Zoöl. Med. (’sRijks Mus. nat. Hist.). X, No. 4,
Art. X, p. 185—237, f. 1—113.
- Soorten als op. 481.
30.1.1928. Acari von Svalbard (früher ,,Spitzbergen’”). Arch. Natg. XCILA,
„1926, No. 5, p. 106-127, f. 1—53.
Rhagidia gelida; Bdella littoralis; Eupodes clavifrons.
1.111.1928. Acarologische Aanteekeningen XC. E. B. VII, No. 160, p. 310—313.
Lasioseius subglabra; Tydeus en Rhagidia behooren tot de Sfomafostigmata ;
Villersia; Podothrombium macrocarpum; Enemothrombium ramosa; hypopus
en verwantschap ; Caloglyphus feytaudi.
1.V.1928. Acarologische Aanteekeningen XCI. E.B. VII, No. 161, p. 324—329.
Ledermülleria maculatus; hypopharynx der larvae der Trombidiidae ; Lenzia
arboricola; Caloglyphus dampfi; een geval van asymmetrie (Caloglyphus) ;
Ameronothrus bilineatus.
I.VI.1928. Over zijne nieuwste ontdekkingen op het gebied der tracheeënstelsels
bij Acari. T. v. E. LXXI, Verslagen, p. XIII—XV.
15.VI.1928. Individualiteit bij honden. Natura. Jg. 1928; No. 6 (= No. 357),
p. 143. [Mammal.] -
1.VII.1928. Acarologische Aanteekeningen XCII. E.B. VII, No. 162, p. 341—345.
Aponomma ecinctum ; Avrosia translucens ; Cheletomorpha orientalis; Trom-
bidium bicolor ; Tyroglyphus farinae.
1.IX.1928. Acarologische Aanteekeningen XCIII. E.B. VII, No. 163, p. 346-348.
Anecdote (a posthumus paper by the late Professor A. C. Oudemans,
kindly sent by Professor Van den Schruver): Thrombidium striaficeps ;
Ferminia fuscus ; Blomia.
1.X1.1928. Acarologische Aanteekeningen XCIV. E.B. VII, No. 164, p. 374382.
Haemolaelaps mohrae ; Laelaps hilaroides ; Meristaspis calcarafus; Argas pi-
pistrellae; Amblyomma helvolum ; Haemaphysalis traguli; Tydeus croceus,
kochi, albellus, olivaceus, italicus, spathulatus, reticulatus, claviger, striatellus ;
Ereynetes limacum, berlesei, sittardiensis, lapidarius, ministralis.
10.X1.1928. Fauna buruana. Acari. in: Boeroe-Expeditie 1921—1922. III. Inver-
es No. 2, p. 37—100, f. 1—175. Tevens verschenen in Treubia. VII, Suppl.
om.
Soorten als op. 500.
1.1.1929. Acarologische Aanteekeningen XCV. E.B. VII, No. 165, p. 393—399.
Hypoaspis cadaverinus ; Laelaps echidninus ; Dermanyssus murinus ; Tydeus
mali; Brevipalpus pereger ; Raphignathidae; Zetzellia zacheri : Podothrom-
bium filipes; Neotrombidium vietsi; Corethrothrombium vandermeermohri :
Schöngastiella disparunguis ; Johnstoniana.
31.XII.1928. Aponomma komodoense nov. spec. Zoöl. Meded. ('s Rijks Mus. nat.
Est) SI, Nod, Art. X, ,p. 227 231, PISTE Se
1.11.1929. Acarologische Aanteekeningen XCVI. E.B. VII, No. 166, p. 421—429.
Cyrtolaelaps ; Dolaea collarti, schoutedeni : Ameroseius corbicula : Polyaspis ;
Trachytes ; Uroseius degeneratus ; Tarsonemus typhae; Stomatostigmata ;
521.
‚322,
523.
524.
525.
526.
527.
528.
529,
530.
531.
532.
533.
534.
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 41
Tydeus reticulatus, pulcher, concinnus, mutabilis, commutabilis, pinicolus ;
Eleutherengona.
1.V.1929. Acarologische Aanteekeningen XCVII. E.B. VII, No. 167, p. 448—455.
Fedrizzia helleri; Laelaps glabratus; rectificatie (Laelaps lemni) ; Tarsone-
mus typhae; Bdellidium ; Carpoglyphus lactis; Anoetus; Myianoetus; Sel-
lea; Wichmannia; Zschachia; Anoetoglyphus ; Glyphanoetus ; Mauduytia ;
Zwickia; Anoetus conclavicola; Zschachia laevis; Glyphanoetus fulmeki ;
Nothrus biciliatus; Belba geniculosa; Peloptulus phaeonotus, berlesei ; Phyl-
locoptes paenulatus ; waarom ik zooveel meer zie dan een ander.
25.V.1929. Kritisch Historisch Overzicht der Acarologie. Tweede gedeelte,
1759—1804, T. v. E. LXXII, Suppl., p. I—XVII, 1—1097, f. 1—267.
10.VI.1929. (Anoplura hebben 10 abdominaalsegmenten. — Ook de Eupodidae
behooren tot de Sfomatostigmata.) T. v. E. LXXII, Verslagen, p. VIII—IX.
Hoplopleura acanthopus.
1.VII.1929. C. D. Sherborn en de Acarologie. E.B. VII, No. 168, p. 473—476.
Beschouwingen en critiek; vele oude namen.
1.VII.1929. Acarologische Aanteekeningen XCVIII. Idem, p. 476—485.
Beaurieuia ; Ololaelaps haemisphaericus ; Tydeus albellus, claviger, cruciatus,
demeyerei, fenilis, pinicolus, subterraneus, tiliae, triophthalmus, viridis ; Lor-
ryia; Ereynetes; Tetranychus; Tenuipalpus cactorum ; Oligonychus musco-
rum, potentilae ; Viedebanttia schmitzi.
15.VII.1929. Mededeelingen over Mallophaga en Pediculi VI. T. v. E. LXXII,
No. 2, p. 148—153, 1 fig.
Hoplopleura acanthopus.
1.1X.1929. Acarologische Aanteekeningen XCIX. E.B. VII, No. 169, p. 11—20.
Parasitus ancoriferus, fossorius ; Macrocheles ; Coprholaspis hypochthonius ;
Gamasus fardus, badius ; Haemolaelaps molestus; Seiulus; Typhlodromus
pyri, tiliae, bulbicolus ; Tydeus alni, boicus, bavaricus, tiliarum en indeeling ;
Oligonychus alni; Bryobia praetiosa.
25.X.1929. Het in massa optreden van Acari, T. v. E. LXXII, Verslagen, p.
XCVI—XCIX.
Dermanyssus gallinae; Ixodes reduvius ; Amblyomma americanus; Tetrany-
chus telarius ; Epitetranychus ludeni; Acarus batatus (Microtrombidium hel-
leri) ; Trombicula autumnalis, inopinatum ; Coleopterophagus megninii ; Aca-
rus siro; Oribata geniculatus; Bryobia praetiosa; Haemolaelaps molestus.
1.X1.1929. Acarologische Aanteekeningen C. E.B. VIII, No. 170, p. 28—36.
Haemolaelaps molestus ; Melichares ; Typhlodromus bulbicolus, domesticus,
mali, musci, pomorum, pruni, tiliacolus, tilae, tineivorus; Cheiroseius un-
guiculatus ; Trombidium (groefjes op den rug); Erythraeus phalangoides ;
Calvolia zacheri.
1.1.1930. Acarologische Aanteekeningen CI. EB. VIII, No. 171, p. 48—53.
Typhlodromus aberrans, bulbicolus, domesticus, elongatus, finlandicus, tiliae,
tiliarum, tineivorus ; overeenkomst tusschen Eleufherengona en Acaridiae ;
Tetranychus telarius; Caloglyphus feytaudi, weeversi; Histiostoma =
Zschachia.
29.1.1930. Bryobia borealis ; Podothrombium svalbardense. in: Sig Thor: Bei-
träge zur Kenntnis der Invertebraten Fauna von Svalbard. Skrift, om Svalb. og
Ishavet, No. 27, p. 101—103, 105—107, Tab. XVI-a, Suppl., f. 111—120, Tab.
XVI-b, f. 55—66.
1.111.1930. Acarologische Aanteekeningen CII. E.B. VIII, No. 172, p. 69—74.
Typhlodromus cucumeris, foenilis, reticulatus, similis; Dinychella asperata ;
Cynorhaestes ; Xenillus = Banksia ; Banksinoma.
1.V.1930. Boekbespreking. Chas. D. Soar & W. Williamson, The Bri-
tish Hydracarina. 3 Vols. London. Ray Society, 1925. 1927. 1929. E.B. VIII,
No. 173, p. 89—95.
Nomenclatorische en systematische opmerkingen; het uiteenvallen der Hy-
dracarina in Hydrachnellae en Halacaridae.
1.V.1930. Eenige opmerkingen bij het doorbladeren van boeken over parasieten
en parasitisme uit den nieuweren tijd. Idem, p. 95—97.
Kaupp: Animal Parasites and parasitic Diseases. 1925.
NoelPillers: Notes on Mange, and allied Mites for Veterinarians. 1921.
Underhill: Parasites and Parasitosis of the domestic Animals. 1924.
Ewing: A Manual of external Parasites. 1929.
Miller: Some Parasites of British Sheep. 1925.
42 G. L. VAN EYNDHOWEN,
Behandeld : Dermanyssus, Eulaelaps, Tydeus, Trombicula, Laelaptide, Tyro-
glyphus, Tyrolichus, Labidophorus, Analges, "Sarcoptes’.
535, 1.V.1930. Acarologische Aanteekeningen CIII. Idem, p. 97—101.
Typhlodromus heveae, hevearum, spoofi, vitis; indeeling der soorten.
536. 1.1X.1930. Acarologische Aanteekeningen CIV. E.B. VIII, No. 175, p. 135—140.
Kleemannia pavidus, plumosus, plumea, plumigera.
537. 1.XI.1930. Acarologische Aanteekeningen CV. E.B. VIII, No. 176, p. 157—172.
Dinogamasus crassipes; Uropoda vegetans, orbicularis; Ixodes canisuga ;
Tydeus spathulatus ; Tetranychus-studién (eerste gedeelte): algemeen, Te-
franychus althaeae, telarius, sambuci, reinwardtiae ; andromorphe feminae ;
Bryobia praetiosa ; Schmiedleinia.
538. 1.1.1931. Acarologische Aanteekeningen CVI. E.B. VIII, No. 177, p. 189—204.
Het type van Eupalus ; Tydeus triophthalmus ; Eupodes ; Tetranychus, tweede
gedeelte (Epitetranychus althaeae, caldarii, sambuci, reinwardtiae, spec.; Te-
tranychus telarius, pruni, linteari(c)us, prunicolor, cristatus, longipes, cauda-
tus, celer, glabrum, tenuipes, major, urticae, ulmi; Metatetranychus ; Tenui-
palpus) ; Eupalus coecus; Phyllocoptes castaneae; Eutrombidium rostratus ;
Donndorffia transversostriata ; Banksinoma.
539, 1.III.1931. Acarologische Aanteekeningen CVII. E.B. VIII, No. 178, p. 221—236.
Tetranychus, 3e gedeelte (Tefranychus telarius, fragariae, fransseni, ludeni,
salviae, urticae, tiliarium, populi, russeolus, socius, viburni, salicis, fervidus ;
Oligonychus ; Paratetranychus ; Schizotetranychus ; Neofetranychus; Metate-
tranychus ulmi, alni, muscorum, potentillae ; Apotetranychus muscicola ; Eote-
tranychus telarius, jungiae ; Amphitetranychus viennensis.)
540. 1.V.1931. Acarologische Aanteekeningen CVIII. E.B. VII, No. 179, p. 251—263,
f. 1—7.
Stomatostigmata en de hiertoe behoorende familiae ; Penthalodes; Willania
mira; Zetzellia zacheri, alni; Tetranychus, 4e gedeelte (over de verdwenen
setae verticales; Tefranychus aspidisfrae ; Schizotetranychus schizopus) ; Ce-
derhjelmia quadriuncinata ; verwarring bij de types (Parasitus, Uropoda).
541. 8.V.1931. Over zijne nieuwste ontdekkingen over de ligging der stigmata bij
eenige Acari. dl. v. E.EXXIV, Verslagen, ps KDE RON 7
Vooral Stomatostigmata.
542. 1.VIII.1931. Eene nog weinig bekende eigenschap van onzen egel (Erinaceus
europaeus). De lev. Nat. XXXVI. No. 4, p. 128. [Mammal.]
543. 1.VIII.1931. Hop (Upupa epops). Idem, p. 128. [Aves.]
544. 1.VII.1931. Acarologische Aanteekeningen CIX. E.B. VIII, No. 180, p. 272—280.
Indeeling der Macrochelidae (Neopodocinum, Macrholaspis, Macrocheles, Ho-
lostaspella, Geholaspis) ; Ixodidae van Diceros bicornis (Hyalomma, Am-
blyomma, Dermacentor, Rhipicephalus) ; Tetranychus, 5e gedeelte (Tetra-
nychus choisyae, stellariae, urficae, violae ; Paratetranychus ununguis) ; ver-
warring bij de types (Ixodes, Trombidium, Allothrombium, Amblygamasus,
Ameroseius, Analges, Asca, Cilliba).
545, Be Een Nacht-Cactus binnenshuis. Arnh. Crt., le blad, p. 1, col. 3.
antae
546. 1.1X.1931. Acarologische Aanteekeningen CX. E. B. VIII, No. 181, p. 289—296.
Tetranychus, 6e gedeelte (lensvormige organen; Tefranychus manihotis,
spec. ; Eotetranychus carpini; Metatetranychus mali; Paratetranychus primu-
lae; Schizotetranychus asparagi; overzicht der 11 genera) ;Tydeus thori;
Trombidium hermanni.
547, 1.XI.1931. Egel. De lev. Nat. XXXVI, No. 7, p. 223. [Mammal.]
548. 1.XI.1931. Acarologische Aanteekeningen CXI. E. B. VIII, No. 182, p. 312—331.
Beteekenis der haartjes voor systematiek en verwantschap ; nieuwe indeeling
tot in cohortes en subcohortes ; Liponissus bacoti; aantal „mantels, gnatho-
soma, revisie der Tarsonemini (Scutacarus, Disparipes, Pygmephorus, Pedi-
culoides, Pediculopsis, Microdispodides, Resinacarus, Tarsonemus, Tarsone-
moides, Acarapis, Pseudotarsonemoides, Tarsonemella, Avrosia, Podapolipus,
Tarsopolipus, Tetrapolipus, Eutarsopolipus ; Locustacarus) ; Pygmephorus
graminum.
549, NE Acarologische Aanteekeningen CXII. E. B. VIII, No. 183, p. 350—364,
ig.
Tydeus aberrans, hyacinthi ; lensvormige organen ; Teneriffia quadripapillata ;
Anychus; Septanychus; tracheeën bij Acaridiae (Chorioptes, Glycyphagus,
Ofodectes, Chirodiscus, Ferminia, Mycetoglyphus, Caloglyphus) ; anaalzuig-
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 43
nappen der 4 4 der Acaridiae (Histiogaster, Monieziella, Mycetoglyphus,
Caloglyphus, Cosmoglyphus, Ceroglyphus, Suidasia, Rhizoglyphus, Tyroborus,
Lardoglyphus ; Psoroptidae, Gliricolae, Avicolae, Photia, Tyroglyphus, Nana-
carus, Pontoppidania) ; Caloglyphidae; Achropodophorus ; Caloglyphus
spinitarsus ; Cosmoglyphus ; Mycetoglyphus fungivorus ; invasie van Hume-
robates fungorum ; Limnozetes ciliafus, rugosus; Hydrozetes lacustris
octosetosus.
550. 22.XI.1932. Opus 550. T. v. E. LXXV, Suppl, ter gelegenheid van den 70en
551,
552
+
553.
554.
555
+
556
+
557.
558.
559,
560
+
561
+
562.
563.
564.
565.
566.
567,
gchoortedag van Dr. J. Th. Oudemans, president sedert 6 Juni 1903. p. 202—
210, f. 140.
Acarus criceti; Ljunghia selenocosmiae ; Creutzeria tobaica.
1.XII.1932. Over eenige twijfelachtige Acari. T. v. E. LXXV, Verslagen, p.
LIX—LXVI, 1 fig.
Acarus coleoptratorum, criceti; Cyclothorax carcinicola.
15.VII.1933. Ein neuer Stygobiont, Sfygophalangium karamani Oudms. Zool.
Anz. CIII, No. 7/8, p. 193—198, f. 1-9. [Arachn.; Opil.]
20.VII.1933. Over zijn vondsten op historisch gebied der schurftmijt. Verslag
Vergad. Genootsch. v. Geschied. d. Genees-, Natuur- en Wisk. op 10 en 11 Juni
1933 te Deventer, in: Ned. Tschr. v. Geneesk. LXXVII, No. 26, p. 3061, separa-
tun) psd:
11.V.1934. The Loch Ness Animal. E. J. Brill, Leiden, p. 1—14, f. 1—8. Tevens:
Luzac, London. Ook verschenen onder den titel: The Loch Ness Monster.
[Mammal.]
12.XI.1934. Het Loch Ness Monster (eerste gedeelte). De lev. Nat. XXXIX,
No. 7, p. 214-225, f. 1-11. [Mammal.]
ne Het Loch Ness Monster. II. De lev. Nat. XXXIX, No. 8, p. 248—
255, f. 12—18.
1.1.1935. Description du Myialges anchora Sergent et Trouessart 1907 (Acarien).
Ann. Parasitol. hum. et comp. XIII, No. 1, p. 1—11, £1—3 (= 1—31).
8.1.1935. Het Loch Ness Monster. III. De lev. Nat. XXXIX, No. 9, p. 281—287,
f. 19—24. |
DD: Het Loch Ness Monster. IV; De lev. Nat. XXXIX, No. 10, p. 316—320,
. 25—28.
21.111.1935. Kritische Literaturübersicht zur Gattung Pneumonyssus. Beschreibung
a Arten, darunter einer neuen. Zschr. f. Parasitenk. VII, No. 4, p. 466—512,
. 1—60.
Pneumonyssus simicola (griffithi, macaci, foxi), duttoni, congoensis, stammeri,
dinolti.
25.VII.1935. Iets over de economische beteekenis der Acari. De lev. Nat. XL,
Gedenkboek Dr. Jac. P. Thijsse, p. 178—181, f. 1—29.
Opsomming van 29 soorten van min of meer economisch belang.
17.X.1936. Neues über Pediculoides Targ. Tozz. 1878. Festschr. z. 60. Geburts-
tage von Prof. Dr. Embrink Strand, vol. I, p. 391—404, f. 1—10.
Pediculoides hartigi, tritici, rhynchitinus, herfsi, venfricosus, eccoptogasteri,
bruckeri, alastoris, scolyti, fortuitus ; Phthiroides megnini.
25.X.1936. Kritisch Historisch Overzicht der Acarologie. Re ee Sur-
+ of Acarology). Derde Gedeelte, 1805—1850, Band A. E. J. Brill, Leiden,
. I—XX, 1—430, f. 1—179.
Acari in het algemeen ; Holothyroidea ; Mesostigmata. Met medewerking van
Dr. Max Sellnick, voor zoover het de Mesostigmata betreft.
25.XI.1936. Kritisch Historisch Overzicht der Acarologie. Derde Gedeelte, Band
B. E. J. Brill, Leiden, p. I—XI, 431—797, f. 180—349.
Ixodides, met medewerking van Dr. Paul Schulze.
28.XI.1936. Neues über Anystidae. Arch. Natg. (Zschr. f. wiss. Zool. Abt. B),
N.F. V, No. 3, p. 364-446 f. I—XXVIII.
Alle soorten uit de genera Anystis, Scharfenbergia, Snartia, Walzia, T'enca-
teia, Autenriethia, Barellea, Erythracarus, Schellenbergia (vide op. 571, 572),
Bechsteinia, Tarsotomus, Tarsolarkus, Anandia, Siblyia, Chabrieria.
4.1.1937. Kritisch Historisch Overzicht der Acarologie. Derde Gedeelte, Band C.
E. J. Brill, Leiden, p. I—XXIII, 799-1348, f. 350— 579.
Tarsonemini, (a ar re Eleutherengona (incl. Halacaridae en Tetrapo-
dili), met medewerking van Dr. Karl Viets, voor zoover het de Halacari-
dae betreft. À
1.111.1937. Kritisch Historisch Overzicht der Acarologie. Derde Gedeelte, Band D.
44
568.
569,
570.
571.
572.
573.
574.
575.
576.
577.
578.
579,
580,
G. L. VAN EYNDHOVEN,
E. J. Brill, Leiden, p. I—XIX, 1349—1998, f. 580—911.
Parasitengona, met medewerking van Dr. Karl Viets, voor zoover het de
Hydrachnellae betreft.
30.III.1937. Kritisch Historisch Overzicht der Acarologie. Derde Gedeelte, Band
E en F. E. J. Brill, Leiden, Band E: p. I—XII, 1999—2520, f. 912—1070 ; Band
F: p. I—XV, 2521-2735, f. 1071-1217.
Band E: Acaridiae; Band F: Oribatei, met medewerking van Carl Will
mann.
25.V.1937. Kritisch Historisch Overzicht der Acarologie. Derde Gedeelte, Band G.
E. J. Brill, Leiden, p. 2737—3379.
Algemeen register: Idonomie ; Anatomie ; Histologie ; Physiologie ; Teratolo-
gie ; Oekologie ; Embryologie ; Ontogenie ; Phylogenie (incl. Genealogie, Ver-
wantschap en Indeeling) ; Chorologie (Milieukunde, Habitat) ; Chronologie
(Tempus); Diapherologie (Zoögeographie, Verbreidingskunde, ,,Patria’’) ;
Oekonomie ; Iatrozodlogie (Medische Zoölogie) ; Onomatologie (Nomencla-
tuur) : Technische termen, triviale en niet-wetenschappelijke namen, weten-
schappelijke namen ; Literatuur ; Verbeteringen.
25.V.1937. Mededeelingen. T. v. E. LXXX, Verslagen, p. IV—XVI.
De veelheid der soorten van Pediculoides ; idem van Anystis; het uiteenval-
len van de groep der Acari. Zie ook op. 562 en 565. Indeeling der Arthropoda
in Progoneata en Opisthogoneata en deze laatste in 2 reeksen : Soluficoxafa
en Fixicoxata s. Arachnoidea. Van de Acari sl. behooren de Notostigmata,
Holothyridae en Mesostigmata tot de eerste reeks; de Acari s.s. (= Trom-
bidi-Sarcoptiformes), de Ixodides en de Spinturnicidae tot de tweede.
15.X.1937. Namensänderung. Zool. Anz. CXX, No. 3/4, p. 80.
Schellenbergia wordt Chaussieria (op. 565).
15.X.1937. Namensänderung. Arch. Natg. (2), VI, No. 4, p. 662.
als op. 571.
28.1V.1938. Nieuwe vondsten op het gebied der Systematiek en der Nomenclatuur
der Acari. T. v. E. LXXXI, Verslagen, p. II-X.
Sejus; de diverse „Ixodes vespertilionis” ; Pyemotes (Pediculoides) ; Siterop-
tes (Pygmephorus) ; Therismoptes (Tarsonemus) ; Acarus mori; Trichadenus
sericariae ; Phytoptus heeft prioriteit boven Eriophyes ; Otonyssus en Trom-
bicula; Coelognathus infestans; Acaridina balaenarum, Coelognathus belli.
26.1X.1938. Nieuwe vondsten op het gebied der Systematiek en der Nomencla-
tuursder Acari ve) EX xO I Verslagen, pe
Diverse Parasitiden; Acarus hyacinthi en Rhizoglyphus; Therismoptes en
Tarsonemus ; diverse Tetranychiden; Trichadenidae; Cheylefus; Harpy-
rhynchus; Phytoptus pyri en andere Phytoptiden ; diverse Trombididen s.l.;
Tyroglyphiden ; de naam Tyrophagus hersteld ; diverse Acaridiae van vogels
en zoogdieren.
22.1V.1939. Over het uiteenvallen van de groep der Acari en over de plaats in
het Systeem van Koenenia en Sternarthron. T. v. E. LXXXII, Verslagen, p.
XXXVI—XKXXVII.
Beknopt overzicht; zie op. 570 en op. 583.
22.1V.1939. Voorbeeld van speciale zintuigen bij Acari. Idem, p. LII-LIN.
Hypoaspis cadaverinus op zoek naar voedsel.
15.1V.1939. Neue Funde auf dem Gebiete der Systematik und der Nomenclatur
der Acari. III. Zool. Anz. CXXVI, No. 1/2, p. 20—24.
Over de groepen der Acari; Veigaiaidae, Parasitidae, Neoparasitidae, Gama-
solaelaptidae en Parasitidae incertae : Allolaelaptidae ; Uropodina ; Gamasodes.
1.VI.1939. Neue Funde auf dem Gebiete der Systematik und der Nomenklatur
der Acari. IV. Zool. Anz. CKXVI, No. 7/8, p. 195—201.
Behandeling van diverse soorten der Parasitidae, Neoparasitidae, Gamasolae-
laptidae, Macrohelidae en Pachylaetaptidae ; Epicriopsis berlesei ; Gamasodes
berlesei, ignoratus ; Saintdidieria. :
1.VII.1939. Neue Funde auf dem Gebiete der Systematik und der Nomenklatur
der Acari. V. Zool. Anz. CXXVI, No. 11/12, p. 303—309.
Hypoaspis paradoxus, richardiü : Lasioseius berlesei : Platyseius tricornis ;
Typhlodromus minimus, plumifer, similis, viridis; Zercoseius; Zerconopsis
remiger ; Macronyssus pferoptoides; Dermanyssus chelidonis; Epicrius reti-
culatus, mollis, geometricus, canestrinii, cavernarum ; Megisthanus mégnini ;
Uropoda mégnini; Pseuduropoda canestrinii, italica, levisetosa.
1.VIII.1939. Neue Funde auf dem Gebiete der Systematik und der Nomenklatur
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 45
der Acari. VI. Zool. Anz. CXXVII, No. 3/4, p. 75—80.
Ixodes testudinis ; Haemalastor argentinae, compressum, pacificum, rostrafum ;
Haemaphysalis rhinolophi, sulcata ; Ixodes crassipes ; Pachygnathus cavernico-
la; Erythracarus parietinum; Metatetranychus canestrinii; Trichadenidae ;
Raoiella mori; Trichadenus arechavaletae ; Molgus ; Halacarus ; Thalassa-
rachna ; Phytoptus coryli, aceris, taxi; Erythraeus oedipodarum ; Leptus
rileyi. |
581. 1.IX.1939. Neue Funde auf dem Gebiete der Systematik und der Nomenklatur der
Acari. VII. Zool. Anz. CXXVII, No. 7/8, p. 184—190.
Zuignappen der Acaridiae; Thyreophagus corticalis ; Acaridina ; Tyrophagus
oblongulus ; Nanacarus minutus ; Gohieria; Histiostoma armatus ; Pterolichus
chrysolophi ; Falculifer propus ; Thecarthra starnae ; Dimorphus cirratus, gal-
linulae, setifer, columbae ; Mesalges caudilobus ; Psoropfes cuniculi; Acarus
caprinus, ovillus; Notoedres musculi; Caleremaeus ; Cepheus ; Odontoce-
pheus hirtus; Adoristes ovatus; Xenillus truncatum ; Sphaerozetidae ; Hume-
robates fungorum.
582. 21.XII.1939. Uber Phthiriasis und über ihren Erzeuger, Harpyrynchus tabescen-
tium (Berthold 1845). Zschr. f. Parasitenk. XI, No. 2/3, p. 145—198, f. 1—2.
583. 1.X.1940. Die Stellung van Koenenia und Sfernarthron im System und die Auflö-
sung der Gruppe ,,Acari”. Zool. Anz. CXXXI, No. 11/12, p. 287—296, f. 1—10.
Verdeeling der Arthropoda in de 5 ondergroepen: Progoneata, Soluticoxata,
Spinturnicidae, Ixodides, Arachnoidea ; zie ook op. 570 en 575.
584. 15.XII.1941. Neue Funde auf dem Gebiete der Systematik und der Nomenklatur
der Acari. VIII. Zool. Anz. CXXXVI, No. 9/10, p. 177—186, f. 1—15.
Behandeling van vele Hydrachnellae, Leptidae en Smarididae ; Veithia schnei-
deri, assmuthi ; Leuchsia grandjeani, vestita; Tyroglyphus canestrinii Karp.
is een Camisia ; Pteronyssidae.
Lijst der nieuw gegeven namen
A. ACARI
Namen van den rang van subfamilia en hooger.
Distigmata 2.1.1906. 189 45
Parasitidae incertae 15.1V.1939. 577 22
Veigaiaidae 15.1V.1939. 577 21
Parasitidae 30.XI.1901. 119 59
Neoparasitidae 15.1V.1939. 577 21
Gamasolaelaptidae 15.1V.1939. 577 22
Metaparasitinae 14.VI.1904. 161 655,
178 235
Haemogamasidae 1.VII.1926. 487 120
Allolaelaptidae 15.1V.1939. 577 23
Macronyssidae 25.X.1936. 563 274
(nom. nud.)
Halarachnidae 2.1.1906. 189 44 (nom.
nud.)
Rhodacaridae 10.IX.1902. 131 48
Toxopeusiidae 1.VII.1927. 500 227, 517
60
Parastigmata 2.1.1906. 189 44
Trachytidae 1.111.1929. 520 424
‘ Spinturnicidae 30.XI.1901. 119 69
Haemaphysalidae 25.XI.1936. 564 563
Spelaeorhynchidae 11.XI.1902. 135 55
Trombidi-Sarcoptiformes 1.XI.1931. 548
318
Antistigmata (cohors hypothetica) :
2.1.1906. 189 44
Trachelostigmata 2.1.1906. 189 44
Therismoptidae 28.1V.1938. 573 VII
Podapolipodidae 1.XI.1931. 548 327
Scutacaridae 1.IX.1916. 374 316
Stomatostigmata 2.1.1906. 189 44
Rhagidiidae 1.VII.1922. 444 83
Stigmaeidae 1.V.1931. 540 252
Penthaleidae 1.V.1931. 540 252
Eleutherengona 29.V.1909. 254 59
Calyptostomidae 1.VIII.1923. 460 77
Anystidae 11.XI.1902. 135 59
Erythracarinae 28.X1.1936. 565 427
Pterygosomidae 30.VII.1910. 280 113
Pseudoleptidae 1.1.1928. 505 287
Trichadenidae 26.IX.1938. 574 LXXV
Ereynetidae 1.V.1931. 540 253
Lipostigmata 2.1.1906. 189 46
Demodicides 2.1.1906. 189 46
Pseudochelidae 29.V.1909. 254 60
(nom. nud.)
Cryptognathidae 11.X1.1902. 135 59
Pleuromerengona 29.V.1909. 254 59
Xemiostigmata (Zemiostigmata)
2.1.1906. 189 46
Parasitengona 29.V.1909. 254 59
Engonostigmata 29.V.1909. 254 56
Phanerostigmata 29.V.1909. 254 56
Otonyssidae 25.X.1936. 563 430 (nom.
nud.)
Piersigiinae 11.X1.1902. 135 61
46 G. L. VAN EYNDHOVEN,
Piersigies 29.V.1909. 254 60
Calyptostigmata 29.V.1909. 254 58
Sperchonae 15.XII.1941. 584 178
Nilotoniidae 15.XII.1941. 584 177
Oxidae 15.X11.1941. 584 178
Torrenticolidae 15.XII.1941. 584 178
Torrenticolinae 15.XII.1941. 584 178
Limnesiae 15.XII.1941. 584 168
Atractidinae 15.XII.1941. 584 178
Unionicolae 29.V.1909. 254 60
Tiphysidae 15.XII.1941. 584 178
Tiphysinae 15.XII.1941. 584 178
Aturae 15.XII.1941. 584 178
Aturidae 15.XII.1941. 584 178
Anitsiellinae 15.XII.1941. 584 177
Brachypodinae 15.XII.1941. 584 178
Mideae 15.X11.1941. 584 178
Arrenurae 11.XI.1902. 135 61
Apobolostigmata 29.V.1909. 254 59
Diacrotricha 2.1.1906. 189 46
Caloglyphidae 1.1.1932. 549 456
Rhizoglyphidae 1.IX.1923. 462 205
Hypopodidae 1.VIII.1923. 460 77 (nom.
nud.)
Ebertiidae 1.IX.1927. 501 243
Tyrophagidae 1.IX.1924. 472 302
Lenziidae 1.V.1928. 511 327
Forcelliniidae 1.IX.1927. 501 243
Nanacaridae 1.1X.1923. 462 206
Winterschmidtiidae 1.IX.1923. 462 206
Pontoppidaniidae 1.IX.1927. 501 244
Czenspinkiidae 1.IX.1927. 501 244
Lardoglyphidae 1.IX.1927. 501 244
Saproglyphidae 1.IX.1924. 472 303
Olafseniidae 1.IX.1927. 501 244
Carpoglyphidae 1.IX.1923. 462 206
Nodipalpidae 1.1X.1923. 462 206
Anoetidae 1.XI.1904. 171 191
Linobiidae 1.XI.1904. 171 195
Psoralgidae 1.XI.1904. 171 195
Falculigeridae 1.III.1905. 177 218
Monacrotricha 2.1.1906. 189 46
Eustathiidae 1.III.1905. 177 218
Anacrotricha 2.1.1906. 189 46
Pteronyssidae 15.XII.1941. 584 186
Avenzoarinae 1.1.1905. 174 209
Mealiidae 1.IX.1923. 462 206
Acaridae 13.1.1904. 153 104
Cytoditidae 11.X1.1902. 135 63
Psoroptidae 1.XI.1904. 171 195
Hemisarcoptidae 1.XI.1904. 171 193
Heteropsoridae 1.XI.1904. 171 195
Laminocoptidae 1.XI.1904. 171 195
Octostigmata 2.1.1906. 189 45
Aptyctima 15.X.1906. 210 51 (nom.
nud.), 390 74
Monogastropeltae XII.1917. 390 75
Digastropeltae XII.1917. 390 75
Lesseriidae XII.1917. 390 76
Epilohmanniidae 1.VIII.1923. 460 79
Camisiidae 5.IX.1900. 104 142
Eremaeidae 5.1X.1900. 104 141
Notaspididae 5.IX.1900. 104 140
Gustaviidae 5.IX.1900. 104 141
Sphaerozetidae 1.IX.1939. 581 190
Agastropeltae XII.1917. 390 76
Ptyctima 15.X.1906. 210 58 (nom. nud.),
390 75
Namen van genera en species
Nemnichia 25.X.1936. 563- 72 — type
elegantulus C. L. Koch
Pseudoparasitus 30.XI.1901. 119 60, 131
29 — type meridionalis G. et R.
Can.
Veigaia 1.IX.1905. 182 6 — type nemo-
rensis C. L. Koch
transisalae 10.IX.1902. 131 28
Amblygamasus septentrionalis
18.VII.1902. 129 286, 131 39
Eugamasus evertsi 18.VII.1902. 129 283
immundus 1.VII.1912. 309 260
epsilon 14.VI.1904. 161 654, 178 228
kochi 25.X.1936. 563 140
tricuspidatus 17.VII.1903. 142 86, 169
81.
remberti 1.V.1912. 308 243, 330 131
trägärdhi 1.V.1913. 319 373
Holoparasitus 25.X.1936. 563 164 — type
calcaratus C. L. Koch
berlesei 25.X.1936. 563 166
Parasitus ancoriferus 1.IX.1929, 527 11
alpha 14.VI.1904. 161 653, 178 220
beta 14.VI.1904. 161 652, 178 219
delta 1.V.1904. 160 153, 186 2
theta 14.VI.1904, 161 653, 178 222
eta 14.VI.1904. 161 652, 178 215
zeta 14.VI.1904. 161 653, 178 222
iota 1.V.1904. 160 153, 186 5
cappa 1.V.1904. 160 153, 235 40
consimilis 14.VI.1904. 161 652, 178 216
setosus 14.VI.1904. 161 653, 178 224
affinis 1.1.1904. 151 120, 186 7
talparum 20.III.1913. 317 333, 330 108
burchanensis 17.V11.1903. 142 86, 169
80
bremensis 14.VI.1904. 161 651, 178 210
voigtsi 6.V.1908. 235 43, 345 181
bomborum 10.IX.1902. 131 33, 214 237
coleoptratorum var. concretipilis
1.V.1904. 160 154, 235 39
congener 14.VI.1904. 161 652, 178 218
consanguineus 14.VI.1904. 161 651,
178 212
flevensis 1.V.1923. 455 364
consors 14.VI.1904. 161 654, 178 225
crinitus 17.VII.1903. 142 85, 169 79
falcomontanus 1.V.1913. 319 372, 330
112
goetsei 1.V.1926. 485 97
heliocopridis 1.VII.1910. 277 83, 355
205
japeti 1.III.1914. 329 65, 355 192
kempersi 18.VII.1902. 129 285, 131 36
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 47
kochi 25.X.1936. 563 127
macgillavryi 25.V.1927. 499 XXXV
mustelarum 17.VII.1903. 142 85, 169
78
poppei 17.VII.1903. 142 85, 175 114
vesparum 1.IX.1905. 182 4, 355 196
vespillonum 1.1.1902. 121 17, 131 33,
149 75
Pergamasus corporaali 1.VII.1926. 487
119
gamma 14.VI.1904. 161 654, 178 227
italicus 1.XI.1905. 185 16
johnstoni 25.X.1936. 563 159
primitivus 1.III.1904. 156 140, 202 57
probsti 1.1.1912. 299 215, 355 208
robustus 10.IX.1902. 131 38, 169 82
wasmanni 18.VII.1902. 129 285, 131
39
Beaurieuia 1.VII.1929. 525 476 — type
nederveeni 1.XI.1903. 147 100, 175
118
Donia 1.VI.1939. 578 197 — type ge-
hennalis 1.IX.1916. 374 308
Epicriopsis berlesei 1.VI.1939. 578 198
Neoparasitus 30.XI.1901. 119 53 — type
oudemansi 119 53
Poecilochirus macgillavry 1.X1.1927. 504
528
Euryparasitus 30.XI.1901. 119 60 —
type ferribilis Mich. (emarginatus
C#EWKoch)
Eurylaelaps 10.IX.1902. 131 8 (nom.
nud. ; lapsus) — type ferribilis (zie
Euryparasitus)
Gamasodes 15.1V.1939. 577 24 — type
spinipes C. L. Koch, non Say
berlesei 1.VI.1939. 578 198
ignoratus 1.VI.1939. 578 199
spalacis 1.VII.1912. 309 261
spiniger 25.X.1936. 563 202
Gamasolaelaps soboles (suboles) 14.VI.
1904. 161 655
Metaparasitus 14.VI.1904. 161 655 —
type soboles (suboles) (zie Gama-
solaelaps)
Saintdidieria 1.V1.1939. 578 200 — type
sexclavatus 1.1.1902. 121 17, 149
74, 181 LXXVI
Holostaspella ornata 1.VII.1931. 544 273
vagabundus (non Berl.) 10.IX.1902.
131 43
Macrholaspis 1.VII.1931. 544 272 —
type opacus C. L. Koch
Macrocheles buruensis 1.VII.1927. 500
225, 517 39
hamatus 1.V.1915. 345 182
siculus 1.IX.1905. 182 7, 348 125
voigtsi 1.VII.1905. 180 236, 348 128
vulgaris 26.VI.1914. 333 91, 345 182
Nothrholaspis hypochthonius 1.IX.1913.
324 6, 330 175
Neopodocinum 30.XI.1901. 119 63 —
type jaspersi 10.IX.1902. 131 25,
175 119
rhinolophi 1.III.1914. 329 67, 348 122
vosi 1.XI.1903. 147 100, 175 117
Pachylaelaps ctenophorus 30.XI.1901.
119 55
ensifer 11.XI.1902. 135 52, 153 109
furcifer 30.XI.1901. 119 58/59 (als
peetinifer, Gan.) MISE 2229,
135 52, 153 107
minutus 30.XI.1901. 119 56
Haemogamasus michaeli 11.XI.1902. 135
51, 149 37, 330 155:
Androlaelaps pilifer 1.III.1912. 304 231,
330 179
Coleolaelaps celeripediformis 10.IX.1902.
131 22
rhinocerotis 1.XI.1925. 481 30, 508
189
Copriphis mullani 1.VII.1910. 277 83,
284 104, 348 137
militiformis 11.X1.1902. 135 53, 167 14
Iphidoides 1.III.1904. 156 140 — type
ostrinus C. L. Koch
Greenia 30.XI.1901. 119 60 — type
perkinsi (zie Dinogamasus)
Dolaea 1.VII.1912. 309 262 (pro Greenia)
Dinogamasus perkinsi 30.X1.1901. 119 60
alfkeni 1.VII.1902. 128 37, 139 126
collarti 1.III.1929. 520 422
schoutedeni 1.III.1929. 520 423
affinis 1.III.1926. 482 68
vitzthumi 1.IX.1926. 488 144 (pro
affinis)
Haemolaelaps microti 1.V.1926. 485 101
mohrae 1.XI.1928. 516 374
oculatus 1.V.1915. 345 183, 348 134
spirostrepti 1.III.1914. 329 69, 348 131
talpae 11.XI.1902. 135 51, 149 89
molestus 1.IX.1929. 527 13
Hyletastes bosschai 18.VII.1902. 129 290
concentricus 1.III.1904. 156 140, 348
149
inexpectatus 2.1X.1903. 144 91, 169 89
maior 1.XI.1903. 147 100, 176 204
pyrenaicus 18.VII.1902. 129 289
rufus 1.111.1914. 329 68, 348 146
siculus 1.1X.1905. 182 7, 348 150
Hypoaspis ampullarius 25.X.1936. 563
204
fuscicolens 17.VII.1903. 142 87, 169 83
hermaphroditoides 11.X1.1902. 135 53,
167 10
heselhausi 1.1.1912. 299 216, 330 183
holaspis 11.X1.1902. 135 53, 167 11
incisus 17.VII.1903. 142 86, 169 82
johnstoni 25.X.1936. 563 209
lepta 11.X1.1902. 135 53, 167 12
lubrica 14.VI.1904. 161 654, 178 230
weeversi 1.V.1926. 485 101
hypudaei 10.IX.1902. 131 21, 330 185
subglabra 17.VII.1903. 142 87, 169 88
myrmecophila var. longisetosa 11.XI.
1902. 135 53, 167 12
Jôrdensia 25.X.1936. 563 214 — type
cossi Ant. Dug.
48 G. L. VAN EYNDHOVEN,
Kleemannia 1.1X.1930. 536 135 — type
pavidus C. L. Koch (zie Zercoseius)
Laelaps arvicolae 1.IX.1906. 374 310,
grubei 26.IX.1938. 574 LXXI
hilaroides 1.XI.1928. 516 375
kochi 25.X.1936. 563 244
soricis 1.XI.1925. 481 29, 508 185
versteegi 1.VII.1904. 163 160, 165 223
wolffsohni 1.V.1910. 274 67, 279 147
microti 1.IX.1916. 374 309
Lasioseius berlesei 28.IV.1938. 573 II
Ljunghia 22.X1.1932. 550 204 — type
selenocosmiae 550 204
Platyseius necorniger 17.VIL1903. 142
87, 169 87
Pneumolaelaps greeni 1.VII.1902. 128 37,
139 128
Typhlodromus aberrans 1.1.1930. 530 48
amboinensis 1.XI.1925. 481 30, 508 194
bulbicolus 1.1X.1929. 527 15
cucumeris 1.III.1930. 532 69
dahliae 25.X.1936. 563 260
domesticus 1.XI.1929. 529 29, 530 49
elongatus 1.1.1930. 530 50
finlandicus 1.V.1915. 345 183, 348 159
foenilis 1.11.1930. 532 70
heveae 1.V.1930. 535 97
hevearum 1.V.1930. 535 97
levis 14.VI.1906 161 655, 178 232
mali 1.XI.1929. 529 30
musci 1.X1.1929. 529 31
novaeguineae 1.V.1905. 179 222, 206
120
pomorum 1.X1.1929. 529 31
pruni 1.X1.1929. 529 32
reticulatus 1.111.1930. 532 70
rhenanus 15.VII.1905. 181 LXXVII,
348 154 |
spoofi 1.V.1915. 345 184, 348 161,
535 98
tiliacolus 1.XI.1929. 529 33
tiliae 1.1X.1929. 527 14, 530 51
tiliarum 1.1.1930. 530 51
— tineivorus 1.X1.1929. 529 34
truncatus 1.IX.1905. 182 8, 348 156
vitis 1.V.1930. 535 99
Varroa 1.VII.1904. 163 161, — type
jacobsoni 163 161, 164 217
Zercoseius ometes 1.XI.1903. 147 100,
176 203
plumea 1.IX.1930. 536 139
plumigera 1.1X.1930. 536 140
plumosus 10.IX.1902. 131 17
Macronyssus albato-affinis 31.X.1902.
133 24, 134 48
chelophorus 18.VII.1902. 129 295
corethroproctus 30.X1.1901. 119 68,
131 15
echinus 1.XI.1925. 481 31, 508 198
gigas 1.III.1912. 304 231, 330 84
isabellinus 1.VII.1913. 321 384, 330 80
johnstoni 25.X.1936. 563 284
pipistrelli 13.1.1904. 153 111, 188 37
rhinolophi 30.XI.1901. 119 65
saurarum 30.XI.1901. 119 66
spinosus 18.VII.1902. 129 296
Steatonyssus cyclaspis 1.III.1906. 193 61,
348 165
javensis 1.IIL1914. 329 69, 348 167
kolenatii 31.X.1902. 133 25, 134 48
Dermanyssus chelidonis 1.VII.1939. 579
306
murinus 1.1.1929. 518 394
Halarachne rosmari 1.IX.1916. 374 312,
489 96
zalophi 1.IX.1916. 374 312, 489 85
Pneumonyssus dinolti 21.11.1935. 560
503
Rhodacarus 10.IX.1902. 131 50 — type
roseus 131 50 ;
Anoplocelaeno indica 1.VII.1927. 500
226, 517 43
mégnini 26.IX.1938. 574 LXX
tropica 1.VII.1927. 500 226, 517 46
Dinocelaeno 25.X.1936. 563 363 — type
gigas Dug.
Celaenopsis togoënsis 1.VII.1905. 180
236, 348 177
weberi 1.111.1905. 177 216, 206 122
Dwigubskyia 25.X.1936. 563 364 — type
togatus C. L. Koch
Zercon affinis 10.IX.1902. 131 45, 135
52, 149 92, 330 91
Megisthanus mégnini 1.VII.1939. 579 308
moadfensis (moaifensis) 1.V.1905. 179
222, 180 236, 206 124
orientalis 1.V.1905. 179 222, 206 127
Toxopeusia 1.VII.1927. 500 227 — geen
type (zie Fedrizzia)
Fedrizzia strandi 1.VII.1927. 500 228,
517 60
helleri 1.V.1929. 521 448
vitzthumi 1.VII.1927. 500 228, 517 66
Neoseius 1.XI.1903. 147 100 — type
novus 10.IX.1902. 131 47
Trachytes rackei 1.V.1912. 308 245, 330
98
Uroseius degeneratus 1.XI.1913. 327 37,
361 1
Nenteria 1.V.1915. 345 185 — type
tropica 1.VII.1905. 180 237, 361 32
Paulitzia 1.V.1915. 345 185 — type afri-
cana 1.VII.1905. 180 237, 361 28
Pseuduropoda 25.X.1936. 563 407 —
type vegetans de Geer
bosi 17.VII.1903. 142 88, 153 114
canestrinii 1.VII.1939. 579 308
dampfi 1.V.1913. 319 374, 330 94
italica 1.VII.1939. 579 308
javensis 30.XII.1901. 119 72
kempersi 1.IX.1905. 182 8, 361 19
levisetosa 14.VI.1904. 161 655, 178 238
paradoxoides 11.XI.1902. 135 54, 167
15
ritzemai 16.V 11.1903. 142 88, 153 113
wagneri 1.V11.1902. 128 38, 139 138
Eucylliba bordagei 9.1V.1912. 307 59
(87)
IN MEMORIAM DR. À. C. OUDEMANS. 49
Uropoda copridis 1.1X.1916. 374 314
alfkeni 1.XI.1903. 147 101, 175 120
mégnini 1.VII.1939. 579 308
heliocopridis 30.XI.1901. 119 74
minimum 1.1X.1916. 374 315
Periglischrus iheringi (jheringi) 1.VII.
1902. 128 38, 139 135
Spinturnix amboinensis 1.X1.1925. 481
31, 508 207
javensis 1.V.1914. 332 85, 348 175
kolenatii 1.V.1910. 274 68
noctulae 1.V.1910. 274 68
plecoti 31.X.1902. 133 32, 134 48
Aponomma kerberti 15.1V.1927. 496 208
komodoense 31.XII.1928. 519 227
Haemalastor fennelli 25.X1.1936. 564 511
scaevola 1.III.1905. 177 216, 206 130
Dermacentor variatus 25.X1.1936. 564 590
Haemaphysalis troguli 1.X1.1928. 516 376
kolenatii 28.1V.1938. 573 III
Indocentor hahni 25.XI.1936. 564 795
Ixodes ropsteini (kopsteini) 1.X1.1925.
481 32, 482 67, 508 217
Microdispodides amaniensis 1.111.1912.
304 233, 361 38
Phthiroides 17.X.1936. 562 403 — type
megnini 562 403
Pyemotes bruckeri 17.X.1936. 562 396
fortuitis 17.X.1936. 562 401
hartigi 17.X.1936. 562 392
herfsi 17.X.1936. 562 397
scolyti 17.X.1936. 562 399
Siteroptes pilosus 26.III.1906. 195 XVIII,
330 110
setosus 1.XI.1916. 375 331
Avrosia 1.VII.1928. 514 341 — type
translucens Nietn.
Therismoptes (Tarsonemus) aurantii
25.V.1927. 499 XXXV
fennicum 1.V.1915. 345 186, 361 35
maddoxi 26.IX.1938. 574 LXXII
ovivorus 25.V.1927. 499 XXXIV
soricicola 1.IX.1902. 130 45, 143 5
typhae 1.III.1929. 520 425
Podapolipus blattae 1.XI.1911. 295 187,
361 41
Scufacarus subterraneus 1.IX.1913. 324
10, 330 118
talpae 1.IX.1913. 324 9, 330 114
N mordax 2.1.1906. 188 39, 361
Cres
Barbutia 1.XI.1927. 504 262 — type
anguineus Berl.
Caligonus deliensis 1.IX.1922. 446 110
walchi 1.IX.1922. 446 111
Eupalopsis pinicola 1.111.1923. 453 149
punctulata 1.111.1923. 453 149
Ledermülleria 1.111.1923. 453 150 — type
segnis C. L. Koch
Storchia 1.III.1923. 453 150 — type
robustus Berl.
Podaia 1.111.1923. 453 152 — type rubens
Schrank
Villersia 1.X1.1927. 504 261 — type
vietsi 504 263
Zetzellia 1.XI.1927. 504 262 — type
methlagli 504 263
alni 1.V.1931. 540 257
zacheri 1.1.1929. 518 396
Pachygnathus cavernicola 1.VIII.1939,
580 77
Sebaia 1.XI.1903. 147 101 — type ro-
sacea 147 102, 175 122
palmata 1.IX.1904. 168 171, 214 241
Willania 1.V.1931. 540 255 — type
| mira 540 256
Eupodes oedipus 4.1.1937. 566 888
viridis 2.1.1906. 188 40, 361 64
Protereunetes lapidarius 2.1.1906. 188
40, 361 73
Calotydeus 4.1.1937. 566 922 — type
croceus Linn.
bavaricus 1.IX.1929. 527 17
hyacinthi 1.1.1932. 549 351
kochi 1.X1.1928. 516 378
subterraneus 1.VII.1929. 525 479
xylocopae 1.11.1926. 482 72
Coccotydeus claviger 1.X1.1928. 516 381
Lorryia 1.X1.1925. 481 32 — type su-
perba 481 33
concinnus 1.11.1929. 520 427
mali 1.1.1929. 518 394
pulcher 1.11.1929. 520 426
reticulatus 1.XI.1928. 516 380
Tectotydeus 4.1.1937. 566 922 — type
demeyerei 1.VII.1929. 525 478
Triophtydeus pinicolus 1.11.1929. 520
428
tiliarum 1.IX.1929. 527 18
triophthalmus 1.VIL1929. 525 479
viridis 1.VII.1929. 525 480
Tydeus aberrans 1.1.1932. 549 350
alni 1.IX.1929. 527 16
boicus 1.IX.1929. 527 17
commutabilis 1.11.1929. 520 427
italicus 1.XI.1928. 516 379
spathulatus 1.XI.1928. 516 380
thori 1.IX.1931. 546 293
tiliae 1.VII.1929. 525 479
Calyptostoma leegei 31.X.1901. 116 225
Anystis andréi 28.XI.1936. 565 408
berlesei 28.XI.1936. 565 395
borussica 28.XI.1936. 565 405
citreola 28.XI.1936. 565 410
germanica 28.XI.1936. 565 403
kochi 28.XI.1936. 565 399
rosae 28.XI.1936. 565 397
sellnicki 28.XI.1936. 565 401
voigtsi 28.XI.1936. 565 405
Thrombus 1.IX.1903. 144 91 — type
gymnus 144 92, 169 91
Autenriethia 28.X1.1936. 565 425 — type
velox Berl.
Barellea 28.XI.1936. 565 427 — type
sinensis Berl.
Scharfenbergia 28.XI.1936. 565 412 —
type hilaris C. L. Koch
gauthieri 28.XI.1936. 565 414
50 G. L. VAN EYNDHOVEN,
Snartia 28.XI.1936. 565 417 — type
nepenthus 565 417
Tencateia 28.XI.1936. 565 422 — type
besselingi 565 424
toxopei 28.XI.1936. 565 425
Walzia 28.XI.1936. 565 419 — type
antiguensis Stoll
Bechsteinia 28.XI.1936. 565 436 — type
schneideri 565 436
Chabrieria 28.X1.1936. 565 446 — type
terminalis Banks
Schellenbergia 28.XI.1936. 565 433 —
type domesticus C. L. Koch
berlesei 1.V.1906. 201 87, 565 434
Chaussieria 15.X.1937. 571 80, 572 662
(pro Schellenbergia)
Siblyia 28.XI.1936. 565 445 — type
ignipes Dug.
Tarsotomus callunae 28.X1.1936. 565 438
Amphitetranychus 1.III.1931. 539 224 —
type viennensis Zacher (crafaegi
Hirst)
Apotetranychus 1.III.1931. 539 225 —
type muscicola 539 234
Schmiedleinia 1.1.1928. 505 290 — tvpe
tiliae 505 291
Bryobia borealis 29.1.1930. 531 102
Eotetranychus 1.11.1931. 539 224 — type
telarius L.
carpini 15.VII.1905. 181 LXXIX, 361
44
jungiae 1.111.1931. 539 225
pruni 1.1.1931. 538 195
Eurytetranychus 1.11.1931. 539 224 —
type latus Can. & Fanz.
Metatetranychus 1.1.1931. 538 199 —
type ulmi C. L. Koch
alni 1.IX.1929. 527 19
canestrinii 1.VIII.1939. 580 78
mali 1.IX.1931. 546 290
muscorum 1.VII.1929. 525 484
potentilae (potentillae) 1.VII.1929. 525
484
Neophyllobius vanderwieli 1.VII.1926.
487 122
Paratetranychus primulae 1.IX.1931. 546
291
Platytetranychus 1.111.1931. 539 224 —
type gibbosus R. Can.
Schizotetranychus asparagi 1.1.1928. 505
288
Brevipalpus cactorum 1.VII.1929. 525
483
Tenuipalpus donnadieui 26.IX.1938. 574
LXXII
Tetranychus aspidistrae 1.V.1931. 540
258
caldarii 1.1.1931. 538 194
choisyae 1.VII.1931. 544 274
dahliae 4.1.1937. 566 1022
fragariae 1.11.1931. 539 226
fransseni 1.11.1931. 539 227
manihotis 1.1X.1931. 546 289
reinwardtiae 1.X1.1930. 537 170
salviae 1.11.1931. 539 230
stellariae 1.VII.1931. 544 275
violae 1.VII.1931. 544 277
Pseudoleptus vandergooti 1.1.1927. 495
179
Acheles 1.XI.1903. 147 101
mirabilis 147 101
Rondaniacarus 28.1V.1938. 573 VII —
type mori Rondani
Ereynetes sittardiensis 1.V.1912. 308 247,
330 120
berlesei 1.XI.1928. 516 382
Riccardoella jenynsi 4.1.1937. 566 1093
Cheletogenes 1.1.1905. 174 208, 223 153
— type ornatus Can. et Fanz.
Cheletoides 1.V.1904. 160 154, 223 204
— type uncinatus
Cheletomimus 1.VII.1904. 163 163 —
type trux 1.1.1905. 174 208 (= or-
natus Berl. non C. & F.)
berlesei 1.V.1904. 160 154, 220 136
Cheletomorpha 1.VII.1904. 163 162, 220
144 — type venustissimus C. L.
Koch
orientalis 1.VII.1928. 514 343
Cheletophanes 1.VII.1904. 163 162, 220
140 — type montandoni Berl. & Trt.
Cheletophyes 1.VIL1914. 335 101 —
type vitzthumi 335 101, 361 51
Cheletopsis 1.VII.1904. 163 163 — type
nôrneri Poppe
anax 1.IX.1904. 168 170, 223 175
animosa 1.IX.1904. 168 170, 223 189
basilica 1.IX.1904 168 170, 223 186
impavida 1.IX.1904. 168 170, 223 174
magnanima 1.1X.1904. 168 170, 223
193
Cheletosoma 1.1.1905. 174 207 — type
tyrannus 174 207, 223 168
Cheyletus acer 1.VII.1904. 163 162, 220
112
alacer 1.VII.1904. 163 162, 220 108
audax 1.VII.1904. 163 162, 220 99
fortis 1.VII.1904. 163 161, 220 96
intrepidus 17.VII.1903. 142 84, 220
119
malaccensis 17.VII.i903. 142 84, 220
88 :
promptus 1.VII.1904. 163 161, 220 81
rapax 17.VII.1903. 142 84, 220 103
saevus 1.VII.1904. 163 161, 220 84
schneideri 17.IX.1902. 132 XV, 153
128, 167 16
schoeversi 25.VIII.1924. 471 LVII
strenuus 1.VII.1904. 163 161, 220 83
trouessarti 17.IX.1902. 132 XVI, 153
129
vorax 17.VII.1903. 142 84, 220 122
Sarcoborus 1.V.1904. 160 154, 220 73
— type nidulans Nitzsch
Pe
Syringophilus helleri 1.XI.1904. 171 190,
220 62
minor 10.X.1897. 65 121 (nom. nud.)
berlesei 1.1.1905. 174 207
IN MEMORIAM DR. À. C. OUDEMANS. 51
totani 1.IX.1904. 168 171, 220 57
trouessarti 1.XI.1904. 172 190, 220 67
Demodex musculi 1.111.1898. 69 269
Caenonychus 1.1.1902. 121 17 — type
fallax 121 17, 130 45, 143 2
Bdellidium 1.V.1929. 521 449 — type
vulgaris Herm.
Bdella kochi 4.1.1937. 566 1198
obesa 4.1.1937. 566 1211
' Bdellodes 4.1.1937. 566 1217 — type
longirostris Herm.
oblongula 4.1.1937. 566 1221
Biscirus curtirostris 4.1.1937. 566 1223
Caenobdella 4.1.1937. 566 1227 — type
crassipes C. L. Koch
Neomolgus 4.1.1937. 566 1229 — type
littoralis L.
Troglobdella 4.1.1937. 566 1228 — type
obisium Gerv.
Bonzia 1.X1.1927. 504 264 — type hala-
caroides 504 264
Eupalus coecus 1.1.1931. 538 200
Rosenhofia 1.1X.1922. 446 110 — type
machairodes 446 110
Phyllocoptes castaneae 1.1.1931. 538 202
paenulatus 1.V.1929. 521 453
Phytoptus cordai 4.1.1937. 566 1325
oculatus 1.X1.1925. 481 27, 487 123
Allothrombium adustum 1.X1.1905. 185
17, 368 34
fuligineum 1.X1.1905. 185 17, 368 38
incarnatum 1.X1.1905. 185 18, 368 40
aequinoctiale 1.VII.1927. 500 229, 517
15
neapolitanum 1.III.1910. 272 47, 303
92
Blankaartia 1.1.1911. 268 123 — type
niloticum Träg.
Caenothrombium 1.VII.1927. 500 230 —
type caloris 500 230, 517 84
Corethrothrombium 1.1.1928. 505 292 —
type pectinifer Kram.
vandermeermohri 1.1.1929. 518 398
Dinothrombium 1.11.1910. 272 48 — type
tinctorium L.
coya 1.11.1937. 567 1429
klugkisti 1.1.1917. 377 341, 390 6
rubropurpureum 20.11.1914. 330 132
Doloisia 1.VIL1910. 277 87 — type
synoti 277 87, 303 68
Enemothrombium walchi 1.IX.1922. 446
108
Ettmülleria 1.1.1911. 286 124 — type
sucidum Träg.
Eutrombicula alfreddugèsi 1.VII. 1910.
277 84, 303 18
Eutrombidium italicum 29.V.1909. 254 26
Typhlothrombium 1.X1.1910. 284 105 —
type nanus 284 105, 303 83
Typhlotrombidium 10.X1.1928. 517 91
(pro Typhlothrombium; zie echter
Gahrliepia !)
Gahrliepia LIX. 1912. 311 273 (pro Ty-
phlothrombium)
Hannemania (Hannemannia) 1.11.1911.
288 137 — type hylodeus 1.VII.1910.
277 88, 303 71
rouxi 1.1.1917. 377 342, 458 127
Heterotrombidium granulatum 11.X1.1902.
135 54, 167 17, 254 33
sanremense 1.1.1910. 270 30
Rohaultia 1.1.1911. 286 121 — type
biungulum 286 122, 303 87
Musitania 1.XI.1911. 295 186 — type
verrucipes 295 186
Leeuwenhoekia 1.11.1911. 288 137 —
type verduni 1.VII.1910, 277 88, 288
138, 303 74
jagerskioeldi 1.11.1911. 288 138, 303
79
polydiscum 1.X1.1910. 284 105, 303 77
Metathrombium 1.X1.1909. 267 16 —
type poriceps (zie Trombidium)
Microtrombidium africanum 1.1.1911. 286
123, 303 116
kochi 1.11.1937. 567 1412
mengei 26.1X.1938. 574 LXXVIII
parvum 20.11.1914. 330 129
inopinatum 29.V.1909. 254 43
meridionale 29.V.1909. 254 45
demeijerei 1.XI.1909. 267 22, 303 113
striaticeps 1.1.1904. 151 120, 157 704,
159 91, 254 31
tectocervix 2.1X.1903. 144 92, 151 119,
169 96, 254 28
sulae 1.VII.1910. 277 85, 303 7
Neothrombium 1.XI.1909. 267 17 — type
neglectum Bruyant
Neotrombidium insulanum 31.X.1901.116
222
vietsi 1.1.1929. 518 397
Ocypete svalbardense 29.1.1930. 531 105
Otonyssus bruyanti 1.VII.1910. 277 85,
303 26
russicum 1.IX.1902. 130 43, 139 142,
254 41
minutissimum 1.XI.1910.284 104,303 42
schmitzi 1.V.1914. 332 87, 368 22
fahrenholzi 1.VII.1910. 277 85, 303 35
gôldii 1.VII.1910. 277 84, 303 13
muris 1.VII.1910. 277 85, 303 33
thomasi 1.VII.1910. 277 84, 303 28
tinami 1.VII.1910. 277 84, 303 24
trägärdhi 1.VII.1910. 277 86, 303 37
muscae 2.1.1906. 188 43, 254 35
helleri 1.1.1911. 286 120, 303 15
wichmanni 1.III.1905. 177 217, 206
132, 254 38
Riedlinia 1.V.1914. 332 88 — type
coeca 332 88, 368 26
Schöngastia 1.VII.1910. 277 86 — type
vandersandei 1.11.1905. 177 216,
206, 131, 254 50
berlesei 14.V.1903. 139 143, 254 48
salmi 1.VII.1922. 444 81
trouessarti 1.VII.1910. 277 87, 303 65
Schöngastiella disparunguis 1.1.1929. 518
398
52 G. L. VAN EYNDHOVEN,
Tigayia 1.11.1937. 567 1502 — type
sulcatus ©. F. Müll.
Trombidium degeeri 4.V.1910. 276 XI
poriceps 1.1.1904. 151 119, 157 705,
159 93, 254 22
inexpectatus 29.V.1909. 254 24
hermanni 1.IX.1931. 546 294
Xenothrombium 1.VII.1927. 500 229 —
type insulare 500 230, 517 81
Hydryphantes novus 1.II1.1902. 123 22,
128 37, 143 3
Diplohydrachna lucasi 1.11.1937. 567
1627
Hydrachna haldemani 1.1II.1937. 567
1589
Limnesia jamurensis 1.V.1905. 179 223,
206 136
Piona fuscescens 25.V.1929. 522 483
pulchella 1.111.1937. 567 1803
Balaustium bulgariense 1.VII.1926. 487
122
flavus 2.IX.1903. 144 92, 169 96
glaber 2.IX.1903. 141 92, 169 95
kochi 1.111.1937. 567 1941
stolli 26.IX.1938. 574 LXXVII
Charletonia 1.V.1910. 274 73 — type
singularis (zie Hehlenia)
volzi 1.XI.1910. 284 107, 303 152
braunsi 1.X1.1910. 284 106, 303 147
brunni 1.XI.1910. 284 108, 303 142
froggatti 1.1.1910. 270 31, 303 144
Cloquetia 15.XII.1941. 584 179 — type
medioareolatus Kram.
Eatoniana georgei 15.XII.1941. 584 179
plumifer forma transcaspica 15.XII.
1941. 584 179
Erythraeus banksi 15.XII.1941. 584 179
germanicus 17.VII.1903. 142 88, 175
124
hibernans 10.11.1902. 124 218, 128
36, 167 20
johnstoni 1.11.1937. 567 1967
Fallopia 1.V.1905. 179 222 — type
poriferus Kram.
Grognieria 15.X11.1941. 584 179 — type
agilis Can.
Bochartia 1111910. 272 49 — type
kuyperi 272 49, 303 127
Hauptmannia 1.III.1910. 272 48 — type
longicollis 1.1.1910. 270 31, 303 181
brevicollis 1.XI.1910. 284 109, 303 184
Legneria 15.XII.1941. 584 179 — type
arvensis Banks
Leptus berlesei 20.III.1914. 330 19
debeauforti 1.III.1905. 177 217, 206
134
gagrellae 1.V.1910. 274 73, 303 178
gagzoi 1.XJ.1910. 284 108, 303 161
gracilipes 1.11.1910. 272 48, 303 168
ignotus 1.IX.1903. 144 92, 184 9, 169
94, 303 156
lomani 1.VII.1902. 128 39, 139 141,
303 175
ochroniger 20.III.1914. 330 15
rileyi 1.VIIL1939. 580 80
schedingi 1.1.1911. 286 125, 303 165
siemsseni 1.XI.1910. 284 109, 303 158
sieversi 1.1.1911. 286 124, 303 170
sigthori 1.IX.1913. 324 17, 330 20
sioni 1.VIL1905. 180 237, 303
1
sudanensis 1.III.1911. 288 138, 303 173
trimaculatus var. niger 1.X1.1905. 185
18
Morieria 15.XII.1941. 584 179 — type
novae-hollandiae 584 179 (pro
Erythraeus froggatti Berl. non
Oudms.)
Sphaerolophus novus 1.VIL1927. 500
230, 517 91
Dupréia 15.XII.1941. 584 181 — type
pilifera Karp.
Hehlenia 15.XII.1941. 584 181 — type
papillosus C. L. Koch
hermanni 15.X11.1941. 584 181
kochi 15.XII.1941. 584 181
plumulosa 15.XII.1941. 584 181
singularis 1.1.1910. 270 31, 303 130
Leuchsia 15.XII.1941. 584 182 — type
grandjeani 584 182
Niemannia 15.X11.1941. 584 181 — type
ampulligera Berl.
Samouellea 15.XII.1941.584 181 — type
depilata Berl.
Veithia 15.XII.1941. 584 182 — type
schneideri 584 182
assmuthi 15.XII.1941. 584 182
° Tyroglyphus farris 1.XI.1905. 185 20,
330 45
farinae var. africana 2.1.1906. 188 43,
280 117
sumatrensis 1.1.1917. 377 347
Acaridina belli 28.1V.1938. 573 X
Caloglyphus brasiliensis 1.XI.1924. 474
318
mycolichus 1.V.1912. 308 250
mycoborus 1.XI.1911. 295 188
fucorum 1.1.1902. 121 17, 143 18
vethi 1.1.1917. 377 347
weeversi 1.V.1926. 485 102
Petzschia 1.IX.1923. 462 207 — type
gibba 1.III.1924. 466 259
Cosmoglyphus 1.1.1932. 549 358 — type
kramerii Berl.
feytaudi 1.11.1928. 510 313
dampfi 1.V.1928. 511 328
leefmansi 1.XI.1927. 504 267
Eberhardia 1.1.1924. 465 230 — type
agilis Mich.
michaeli 1.V.1924. 468 267
Suidasia 1.1.1905. 174 209 — type pon-
tifica 174 209, 214 245
Aphelenia 1.IX.1923. 462 208 — type
medanensis 1.XI.1924. 474 320
Thyreophagus javensis 1.IX.1911. 293
170
Valmontia 1.IX.1923. 462 207 — type
mira 1.V.1924 468 272
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 53
Garsaultia 1.11.1916. 362 265 — type
testudo 362 265
Rhizoglyphus columbianus 25.VIII.1924.
471 LVI, 474 321
callae 1.111.1924 466 258
tarsispinus 1.III.1910. 272 50
solani 1.11.1924. 466 258
Sancassania 1.III.1916. 362 265 — type
chelone 362 266
‘ Schwiebea 1.III.1916. 362 264 — type
talpa 362 265
italica 1.V.1924. 468 271
scalops 1.XI.1924. 474 322
Ebertia 1.IX.1924. 472 307, 474 327 —
type australis 1.1.1917. 377 348, 466
258
Acotyledon 1.IX.1902. 130 44 — type
paradoxa 130 44, 139 147
Mycetoglyphus 1.1.1932. 549 358 — type
fungivorus 549 360
Podoglyphus 30.III.1937. 568 2077 —
type buski Murr.
Povelsenia 1.IX.1924. 472 307, 474 327
— type neotropicus 1.1.1917. 377
348, 466 258
Tyroborus 1.IX.1924. 472 307 — type
lini 1.XI.1924. 474 325
Tyrolichus 1.III.1924. 466 250 — type
casei 1.V.1910. 274 74, 467 XXVII
Tyrophagus 1.11.1924. 466 250 — type
putrescentiae Schrank
amboinensis 1.X1.1925. 481 33, 508
233
australasiae 1.11.1916. 363 267
deliensis 1.1X.1923. 462 208
eurynympha 1.XI.1911. 295 189
humerosus 1.V.1924. 468 269
javensis 1.11.1916. 363 267
macgillavryi 1.IX.1911. 293 169
muris 1.V.1924. 468 270
novus 1.IX.1906. 207 122, 210 59
palmarum 1.1V.1924. 467 XXVI
vandergooti 1.11.1916. 363 267
vanheurni 1.XI.1924. 474 326
viviparus 1.IX.1926. 488 146
Lenzia 1.V.1928. 511 327 — type arbo-
ricola 511 327
Forcellinia 1.1.1924. 465 231 — type
wasmanni Moniez
Nanacarus 1.IX.1902. 130 45 — type
minutus 30.XI.1901. 119 85, 130 45,
143 11
Froweinia 1.VII.1923. 459 183 — type
minutus (zie Nanacarus)
Donndorffia 1.1.1931. 538 203 — type
transversostriata 538 203
Horstia 1.XI.1905. 185 20 — type or-
natus 5.IX.1900. 102 117
Riemia 15.X.1925. 479 LXXXIX — type
hesperidum 479 XC
Tortonia 1.IX.1911. 293 166 — type
intermedius 293 166
fluctuata 1.VII.1917. 383 391
helenae 1.IX.1902. 130 43, 139 144
smitsvanburgsti 1.IX.1911. 293 166
Vidia 1.XI.1905. 185 21 — type undu-
lata 185 22
lineata 1.VII.1917. 383 391
squamata 1.V.1909. 252 320
Winterschmidtia 1.1X.1923. 462 207 —
type hamadryas Vitzth.
Pontoppidania 1.IX.1923. 462 208 —
type littoralis Halb.
Czenspinkia 1.IX.1927. 501 246 — type
heterocomus Mich.
Lardoglyphus 1.IX.1927. 501 247 — type
zacheri 501 247
Olafsenia 1.IX.1924. 472 306 — type
trifolium 30.XI.1901. 119 86, 474
318
Calvolia 1.XI.1911. 295 187 — type
hagensis 295 187
zacheri 1.XI.1929. 529 36
Gohieria 1.IX.1939. 581 185 (pro Fer-
minia)
Ferminia 1.IX.1928. 515 348 — type
fuscus 1.III.1902. 123 21, 143 15
Blomia 1.IX.1928. 515 348 — type tji-
bodas 1.V.1910. 274 74
Cerophagus 17.IX.1902. 132 XV — type
bomborum 1.III.1902. 123 20, 143
14
Chaetodactylus anthidii 1.:IX.1911. 293
165
claviger 1.XI.1924. 474 328
reaumuri 15.VII.1905. 181 LXXXI
Crasti(do)glyphus 30.11.1937. 568 2095,
569 3379 — type hyalinus C. L.
Koch
Glycyphagus troupeaui 1.XI.1903. 147
102
privatus 1.XI.1903. 147 103, 176 232
Labidophorus soricis 1.VII.1915. 347 198
Glycyborus 17.IX.1902. 132 XV, 143 8
— type plumiger C. L. Koch
Lepidoglyphus burchanensis 1.X1.1903.
147 103, 175 131
fustifer 1.XI.1903. 147 103, 175 129
michaeli 1.XI.1903. 147 103, 176 231
pilosus 1.IX.1906. 207 122
Oudemansium domesticum var. concreti-
pilum 1.XI.1903. 147 102, 176 226
domesticum var. unisetum 1.XI.1903.
147 102, 176 226
Sennertia 1.XI.1905. 185 21 — type
cerambycinus Scop.
alfkeni 5.IX.1900. 102 115
flabellifera 1.XI.1924. 474 331
greeni 1.1.1917. 377 345
hipposideros 1.IX.1902 130 44, 139 145
japonicus 5.IX.1900. 102 117
koptorthosomae 30.XI.1901. 119 81
roepkei 1.XI.1924. 474 330
sumatrensis 1.XI.1924. 474 329
Strömia 1.VII.1933. 459 181 — type
cantharobius 1.VII.1905. 180 238
-Anoetus conclavicola 1.V.1929. 521 451
discrepans 1.XI.1903. 147 103, 175 32
54 G. L. VAN EYNDHOVEN,
Bonomoia 1.IX.1911. 293 168 — type
primitiva 293 174
Cederhjelmia 1.V.1931. 540 261 — type
quadriuncinata 540 261
Creutzeria 22.XI.1932. 550 207 — type
tobaica 550 207
Glyphanoetus 1.V.1929. 521 450 — type
fulmeki 521 451
Histiostoma banjuwangicus 1.IX.1911.
293 172
brevipes 1.IX.1911. 293 172
cirratus 1.IX.1911. 293 173
indicus 1.IX.1911. 293 173
longipes 1.IX.1911. 293 171
toxopei 1.VII.1927. 500 230, 517 97
x. sumatrensis 1.XI.1903. 147 103, 175
23134
brevimana 1.11.1914. 329 73
campanula 1.11.1914. 329 71
litoralis 1.11.1914. 329 71, 334 116
maritimus 1.11.1914. 329 71, 334 110
insularis 1.11.1914. 329 70, 334 113
polaki 1.III.1914. 329 72
polypori 1.11.1914. 329 72
lanceocrinus 1.11.1914. 329 72
crenulatus 1.XI.1909. 207 23
gervaisi 30.11.1937. (568 ) 2145
ensifer 1.111.1912. 304 236
trichophorus 1.III.1912. 304 235
laevis 1.V.1929. 521 451
lorentzi 1.V.1905. 179 223, 206 146
phyllophorus 1.VII.1905. 180 238
spinitarsus 1.VII.1917. 383 392
tienhoveni 1.VII.1926. 487 123
turcastanae 1.VII.1917. 383 392
neglectus 3.XI.1902. 134 46, 143 21
Zschachia 1.V.1929. 521 450 — type
feroniarum Duj. i
Lipstorpia 1.XI.1911. 295 189 — type
mixta 295 190
crassipes 1.III.1912. 304 234
Mauduytia 1.V.1929. 521 450 — type
tropica 1.XI.1911. 295 190
Myiancetus 1.V.1929. 521 449 — type
muscarum L.
dionychus 1.III.1910. 272 50
Sellea 1.V.1929. 521 449 — type
pulchrum Kram.
Viedebantia 1.VII.1929. 525 485 — type
schmitzi 525 485
Wichmannia 1.V.1929. 521 450 — type
spiniferus Mich.
Zwickia 1.IX.1924. 472 310 — type
guentheri 31.X.1915. 364 242
Amansia 30.III.1937. 568 2152 — type
chrysomelinus C. L. Koch
Canestrinia javensis 1.IX.1923. 462 203
macgillavryi 1.IX.1923. 462 204
Photia 1.XI.1904. 171 192 — type
procrusti(dis) Berl.
bourgognei 1.IX.1923. 462 203
Rosensteinia 1.IX.1923. 462 201 — type
sieversi 462 202
Dermoglyphus arami 1.1.1905. 174 209.
214 264 -
Gabucinia 1.V.1905. 179 224 — type
delibatus Rob.
Pterolichus chrysolophi 1.IX.1939. 581
186
pavonis 1.1.1905. 174 210, 271 39
Columellaia 1.IX.1904. 168 173 — type
varians Trt.
Plutarchusia (Plutarchia) 1.IX.1904. 168
173 — type chelopus Trt & Nn.
Sammonica 1.X1.1904. 171 192 — type
ovalis Trt.
doryphora 1.XI.1904. 171 192, 214 261
Syringobia calcarata 1.XI.1904. 171 193,
242 584
calidridis 1.IX.1904. 168 173, 242 587
totani 1.IX.1904. 168 173, 242 586
Analges halleri IIL1881. 4 CXVIII
Hartingia 1.11.1898. 69 266 — type
lari 69 266
Dimorphus megnini 30.11.1937. 568 2187
pavonis 1.1.1905. 174 210, 271 43
Chauliacia 1.11.1905. 177 218 — type
securiger Rob.
Eustathia 1.11.1905. 177 218 — type
cultrifer Rob:
Trouessartia trouessarti 1.VII.1904. 163
163, 278 397
Avenzoaria 1.1.1905. 174 209 — type
totani Can.
americanus 1.XI.1904. 171 193, 285
224
asiaticus 1.XI.1904. 171 194, 285 226
australis 1.X1.1904. 171 194, 285 214
bengalensis 1.XI.1904. 171 193, 285
206
indicus 1.XI.1904. 171 193, 285 222
calidridis 1.IX.1904. 168 172, 285 210
gambettae 1.IX.1904. 168 171, 285 200
limicolae 1.IX.1904. 168 172, 285 220
grallatoris 1.IX.1904. 168 172, 285 217
tringae 1.IX.1904. 168 171, 285 199
Ingrassia 1.V.1905. 179 224 — type
veligera 1.XI.1904. 171 194, 214
265
Mealia toxopei 1.1.1928. 505 293
Pteronyssus besselingi 15.X.1925. 479
XCII
Varchia 1.VII.1905. 180 240 — type
gambettae 1.XI.1904. 171 194, 278
395
Alloptes ditrichus 1.XI.1904. 171 195,
278 406
gambettae 1.IX.1904. 168 172, 278 402
Joubertia 1.VII.1905. 180 239 — type
microphyllus Rob. & Mégn.
Montesauria 1.VII.1905. 180 240 — type
cylindricus Rob.
corvincola 1.V.1905. 179 225
Proctophyllodes detruncatus 1.V.1905.
179 225
separatifolius 1.V.1905. 179 225
Psoroptes wombati 30.III.1937. 568 2217
i
W
_ Acarus bubulus 25.1V.1926. 484 XIX,
492 88
caballi 25.V.1929. 522 761
lemuris 30.III.1937. 568 2314
leporis 30.11.1937. 568 2297
caninus 30.11.1937. 568 2298
ovillus 30.11.1937. 568 2314
melis 30.III.1937. 568 2301
caprinus 26.1X.1938. 574 LXXIX (ten
tweeden male als nov. nom. ge-
publiceerd : 1.IX.1939. 581 188)
Nofoedres musculi 1.111898. 69 267
Nycteridocoptes 1.III.1898. 70 277 —
type poppei 70 277
Lesseria XII.1917. 390 78 — type sza-
nislöi 1.XI.1915. 357 232
Hypochthonius luteus 1.1.1917. 377 343
Sphaerochthonius gemma 1.V.1909. 252
320, 390 25
Camisia fischeri 5.IX.1900. 102 109, 119
75
berlesei 5.IX.1900. 102 110, 119 75
nicoleti 5.1X.1900. 102 110, 119 75
Cymbaeremaeus cyclops 1.VII.1915. 347
193, 390 18
Damaeus geniculosa 1.V.1929. 521 452
Porobelba michaeli 5.IX.1900. 105 169
Oppia blattarum 1.IX.1911. 293 171,
390 41
neerlandica 5.IX.1900. 105 168
ornata 5.IX.1900. 105 167
subpectinata 5.IX.1900. 105 166
novus 1.VII.1902. 128 36, 143 6
Oribella conjunctus 11.XI.1902. 135 54,
176 205
paolii 1.V.1913. 319 375, 390 38
limburgiensis 1.V.1912. 308 249
Sellnickia 1.X1.1927. 504 268 — type
heveae 504 268
Sucfobelba subtrigonus 5.IX.1900. 105
166, 390 34
Lucoppia sanremoensis 19.11.1900. 88 89,
103 136
Oribata schneideri 19.11.1900. 88 90, 103
137
Carabodes alveolatus 1.VII.1915. 347
194, 390 49
reticulatus 1.VII.1915. 347 194, 390 55
ee 1.VII.1915. 347 194, 390
7
“a heimi 17.VII.1903. 142 83, 155
11
Kochia 5.IX.1900. 104 141 — type
tegeocranus Herm.
Banksia 10.III.1905. 178 248 (pro
Kochia)
Banksinoma 1.111.1930. 532 74 — type
castaneus Herm.
Scutovertex schneideri 2.IX.1903. 144 92,
169 97
Ameronothrus spoofi 5.IX.1900. 102
112
Adoristes poppei 1.IX.1906. 207 121,
210 52
IN MEMORIAM DR. A. C. OUDEMANS. 55
Cultroribula diversa 1.VII.1915. 347 193,
390 47
copulatus 1.IX.1906. 207 121, 210 54
Hafenrefferia 1.II1.1906. 193 62 — type
gilvipes C. L. Koch
Eporibatula hessei 1.IX.1902. 130 43,
139 .143
Liebstadia 1.VII.1906. 204 100 — type
similis Mich
Zygoribatula propinquus 11.XI.1902. 135
54, 167 26
cognatus 11.X1.1902. 135 54, 167 27
varius 14.VI.1904. 161 656
frisiae 5.IX.1900. 105 163, 390 43
Zetorchestes consanguineus 11.XI.1902. A
135 54, 167 28
saltator 1.VII.1915. 347 194, 390 60
Chamobates subglobulus 5.IX.1900. 105
158
voigtsi 16.VI.1902. 127 473, 175 126
Euzetes subseminulum 11.XI.1902. 135
55, 167 29
Murcia deliensis 1.IX.1922. 446 111
Galumna allifera 1.V.1915. 346 XIV,
397 54
retalata 1.V.1915. 346 XIV, 397 32
altera 1.V.1915 346 XIV, 397 28
filata 20.III.1914. 330 33
linata 20.III.1914. 330 35, 397 51 _
tarsipennata 20.III.1914. 330 36, 397
39
lanceatus 5.IX.1900. 105 160, 397 46
colossus 1.VII.1915. 347 195, 397 67
berlesei 29.VII.1919. 397 43
hermanni (pro alatus Hermann 1804;
vermoedelijk nooit gepubliceerd,
daar de naam alafus behouden
kan blijven. Vide 568 p. 2692 —
naschrift)
Joelia 1.111.1906. 193 61 — type fiorii
Coggi
Kratzensteinia 29.VII.1917. 397 13 —
type rugifrons Stoll
Neoribates aurantiaca 20.1II.1914. 330
36, 397 16
oceanica 1.VII.1915. 347 195, 397 19
Notaspis anglicus 20.III.1914. 330 41
italicus 20.11.1914. 330 41, 497 142
patavinus 20.11.1914. 330 41, 497 139
Oribatella ceylanica 1.VII.1915. 347 195,
390 70
Sandenia 29.VII.1919. 397 13 — type
georgiae 20.11.1914. 330 36, 397 75
Scheloribates indica 1.VII.1915. 347 194,
390 64
insularis 1.VII.1915. 347 194, 390 67
schützi 10.IX.1902. 131 2
Vaghia 29.VII.1917. 397 13 — type stu-
pendus Berl.
Frischia 1.VII.1915. 347 195 — type
elongata 347 195
Pelops sulcatus 20.III.1914. 330 43
Peloptulus berlesei 1.V.1929. 521 452
Hoploderma berlesei 1.1X.1915. 353 214
56 G. L. VAN EYNDHOVEN,
magna forma anomaloides 1.IX.1915,
353 219
magna forma oblonga 1.IX.1915. 353
219
magna forma rotunda 1.IX.1915. 353
218
magna forma transitans 1.IX.1915. 353
219
Hummelia 1.1.1916. 358 249 — type
karpellesi- 358 249
Oribotrifia banksi 1.1.1916. 358 247
corporaali 1.11.1926. 482 79
Phthiracarus italicus 5.IX.1900. 105 170,
210 58
undatus 1.X1.1915. 357 233
B. SUCTORIA
Namen van den rang van subfamilia en hooger.
Fracticipita 6.V.1908. 236 92
Posttuberata 1.V.1909. 253 321
Macropsyllidae 1.V.1909. 253 321
Intuberata 1.V.1909. 253 322
Integricipita 6.V.1908. 236 92
Longiclavata 1.V.1909. 253 323
Dolichothoraca 1.V.1909. 253 323
Neopsyllidae 1.V.1909. 253 323
Neopsyllinae 1.V.1909. 253 323
Listropsyllinae 1.IX.1909. 261 5
Spilopsyllinae 1.V.1909. 253 323
Dolichopsyllidae 1.V.1909. 253 323
Hoplopsyllinae 1.V.1909. 253 324
Anomiopsyllidae 1.V.1909. 253 324
Brachythoraca 1.V.1909. 253 325 |
Hectoropsyllidae 1.VII.1906. 205 101
Dermatophilidae 1.VII.1906. 205 102
Breviclavata 1.V.1909. 253 325
Solitothoracica 1.VII.1908. 238 252
Archaeopsyllidae 1.V.1909. 253 325
Uropsyllidae 1.V.1909. 253 326
Rhopalopsyllinae 1.V.1909. 253 326
Brevithoracica 1.VII.1908. 238 252
Echidnophagidae 1.V.1909. 253 326
Namen van genera en species.
Nycteridopsylla 22.X.1906. 211 LVII
— type pentactenus Kol.
bouchéi 22.X.1906. 211 LIX
Chiropteropsylla 6.V.1908. 236 102 —
type aegyptius Rothsch.
Ischnopsyllus schmitzi 5.VI.1909. 255 97
Hexactenopsylla 1.IX.1909. 261 4 — type
hexactenus Kol.
Rhinolophopsylla 1.IX.1909. 261 3 — type
unipectinata Taschenb.
Spalacopsylla 22.X.1906. 211 LII — type
falpae Bché.
heselhausi (15.IX.1913.) 326 274 (sine
nomine) 1.XI.1914. 339 139
Chaetopsylla kohauti 11111910. 273 52
C. Op ander gebied.
Cercopithecus aterrimus 15.X.1890: 27
267 [Mamm., Simiae]
Raphidae V1.1917. 382 100 [Aves,
Columbiformes]
Ornithodinosauria 11.1921. 420 9 [Rept.]
Stygophalangium karamani 15.V11.1933.
552 198 [Arachn., Opilioni]
Proagnostus 17.11.1886. 16 51 [Arachn.,
Trilobita ; hypothetisch genus]
Carinoma 27.11.1885. 12 32
[Plathelminthes]
Tonga-Rapa 15.1V.1917. 380 203
[Geogr. : Centraalpacif. bergland]
Over de Metamorphose van Metopia leucocephala
Rossi, Cacoxenus indagator Lôw, Palloptera
saltuum L., Paranthomyza nitida Mg.
en Hydrellia nigripes Zett. (Dipt.)
door
Prof. Dr. J. C. H. DE MEIJERE.
Metopia leucocephala Rossi. Fig. 10, 11.
Bij zijn onderzoek omtrent de levenswijze van Ammophila campestris in zijn proef-
schrift (G. P. Baerends, Fortpflanzungsverhalten ond Orientierung der Grabwespe
Ammophila campestris Jur. Tijdschr. voor Entomologie. Deel 84, 1941 p. 68—275)
heeft ons medelid ook deze Tachinide ontmoet, die in deze nesten op de prooi dezer
graafwesp, die uit rupsen bestaat, parasiteert en kon mij daarvan de pupariën bezorgen,
die ik nog niet kende, evenmin als de larven.
Deze pupariën zijn 5—6 mm lang, roodbruin van kleur, niet glanzig en van het
gewone tonnetjesmodel. Het vooreinde is iets versmald en eindigt van boven naar
beneden afgeplat, het bovenste dekseltje heeft aldaar als twee kleine uitsteeksels de
voorstigmen der larve, die elk uit eenige knoppen bestaan, die vertikaal dicht opeen-
staan, zoodat hun aantal moeilijk te zien is. De ringen zijn niet duidelijk van elkaar
gescheiden, insnijdingen zijn er eigenlijk niet en de wratjesringen, grootendeels aan
den voorrand van een segment gelegen, zijn smal en bestaan uit vele ringen van zeer
kleine driehoekige wratjes zonder spitsen, die op zijde ook nauwelijks uitsteken.
72 D e
>
IZ
î =) À È =:
IRA
CT DS RES
SS NERE
ı3 © SRI
ais: SSR
esa
3 = SOLARA
14 i è ti
13 13 MCE
A
Fig. 10—11. Metopia leucocephala Rossi, voor- resp. achterstigmen. Fig. 12—14 tweede
soort, 12 voorstigmen. 13 achterstigmen. 14 pharynxskelet v: Metopia.
Fig. 15—18. Palloptera saltuum L. 15 voorstigmen. 16 pharynxskelet, 17 wratjesgordel,
18 achtereinde,
58 PROF. DR. J. € H. DE MEIJERE, OVER DE
Achteraan hebben zij een dwarse holte, waarin van boven de achterstigmen der larve
liggen, die elk slechts 3 langwerpige, niet uitstekende knoppen dragen ; verdere aan-
hangsels ziet men oppervlakkig aan dit weinig gewelfde uiteinde niet. Ook zijn aan
het Iste abdominaalsegment geen openingen aanwezig, waardoor de prothorakaalhoorns
der pop, die het voorstigma voorstellen, zouden uitsteken. Ook onder andere Tachini-
den zijn er, waar deze hoorns ontbreken, o.a. bij Echinomyia, Masicera, Baumhaueria,
Sarcophaga. Den ingewikkelden bouw dezer voorstigmen der poppen heb ik in mijn
verhandeling : Über die Prothorakalstigmen der Dipterenpuppen, Zool. Jahrbücher. Abt.
Anat. XV 1902 p. 623—692 vergelijkend uiteengezet; voor Tachiniden zie p. 680 en
p. 681. Van de inwendige deelen heb ik nog de monddeelen kunnen zien. Vooral de
holte aan het achtereinde, die overeenkomt met den toestand bij Sarcophaga, klopt met
de indeeling van Mefopia in de afdeeling Sarcophaginae der Tachiniden ; wegens den
naakten sprietborstel behoort dit genus tot de onderafdeeling der Miltogrammini.
De heer Baerends geeft ook nog eenige mededeelingen over de biologie dezer soort
(Diss. p. 90 en 128—130.). Wat het afleggen der eieren betreft heeft hij gezien, dat
zii deze legt op de rups, die door de Ammophila zoo juist in het nest is gesleept;
meest zijn het er 3. Volgens Maneval zou Hilarella stictica Mg. (wat waarschijnlijk
een synonym is van Hilarella dira R.D.) het op dezelfde wijze doen. Volgens Ferton
echter zou dit vliegje van den rand van het nest af 3 larven in het nog geopende
nest laten vallen. Ik moge hier herinneren aan een waarneming, die indertijd in „De
Levende Natuur” is vermeld. De heer Reuvenkamp, van Deventer, deelde daarin mede
(Lev. Nat. XXXIV, 1929 p. 286) dat een sluipvliegje dit laatste deed bij het nest
van een rupsendooder, dus ook wel een Ammophila. Het was een 4 mm lang, grijs
vliegje met zwarte stipjes op het achterlijf, dat eenigen tijd op de loer had gezeten en
een eitje (of larfje ?) liet vallen, toen de wesp juist de rups naar binnen getrokken
had; dit moet wel een Hilarella geweest zijn. Ik kan niet uitmaken, of Maneval's
determinatie niet juist geweest is of dat deze Tachinen het misschien niet altijd op
dezelfde manier doen. Baer zegt in zijn werk: „Die Tachinen als Schmarotzer der
schädlichen Insekten”, 1921, Paul Parey, Berlin, p. 6 in eene Bemerkung slechts:
Die Raubwespen-Schmarotzer wagen sich nicht in die Höhle des Wirtes hinein, sondern
benutzen den Augenblick, indem dieser mit dem Einfahren beschäftigt ist, um an dem
Beutetier das alsbald ausschlüpfende Ei anzubringen. Die Bienen-Schmarotzer müssen
indessen selbst bis zur Zelle im Bau vordringen. Alleen Pfychoneura cylindrica Fl.
zou dit bij de graafwesp Coelocrabro cinxius Dahlb. ook doen. Nu komt dus Metopia
melanocephala hier ook bij.
Bij de drie volgens mijne opgave op p. 130 van Baerends genoemde Aculeaten,
waarbij Metopia leucocephala leeft, moet volgens Baer ook nog genoemd worden:
Crabro peltarius Schreb.
Volgens Baerends kwam een ei van Mefopia reeds 30 minuten, nadat het was af-
gelegd, uit: deze soort is dus ovovivipaar. Van de drie larven worden er gewoonlijk
slechts hoogstens twee volwassen, wel ten gevolge van cannibalisme ; een of twee
rupsen zijn voor een vliegenlarve voldoende.
Naast eenige tonnetjes, die aan bovenstaande beschrijving beantwoorden was er
ook nog een daarop uitwendig zeer gelijkend tonnetje bij, dat in de details toch anders
was. (Fig. 12—14.) Het is 5 mm lang, de voorstigmen der larve steken als korte,
dikke staafjes uit met aan het einde ca. 4 niet uitstekende knoppen, de achterstigmen
liggen vlak tegen elkaar in het niveau van de huid van het achtereinde, dat weinig
gewelfd is; zij hebben elk ook 3 knoppen. De wratjesgordels bestaan uit weinige rijen
van ver uiteenstaande, smalle driehoekige, puntige bruine wratjes. In Nielsen's talrijke
beschrijvingen van Tachiniden-pupariën kon ik er geen vinden, dat hieraan beant-
woordde, zoodat ik den naam niet kan aangeven.
Wel zijn in Greene's verhandeling: An illustrated synopsis of puparia of 100
Muscoid flies Proc. U.S. Nation. Mus. Vol. 60, Art. 10, alleen Noord-Amerikaansche
Tachiniden, verscheidene soorten met dergelijke achterstigmen aanwezig. Misschien zou
het ook een verdwaalde Anthomyide kunnen zijn.
Nog kan ik hieraan toevoegen, dat ik in mijne verhandeling: Beiträge zur Kenntnis
der Dipteren-Larven und -Puppen, Zool. Jahrb. XL Abt. f. Syst. Taf. 12 Fig. 159 een
we gaf van het Íste stadium van Metopia leucocephala ter wille van het labrum,
(Gs jo ;
Cacoxenus indagator Löw. Fig. 1—9.
Dit is een kleine, zwarte vlieg, die in nesten van Osmia leeft en zich voedt met het
voedsel, dat deze bij voor haar eigen kroost had bijeengebracht. Van ons medelid
Verhoeff ontving ik in het voorjaar van 1941 hiervan materiaal. In een nest van een
METAMORPHOSE VAN METOPIA LEUCOCEPHALA ROSSI ENZ. 59
“Osmia, afkomstig van Kerk-Avezaath bij Geldermalsen, 1940, dat uit 10 cellen be-
“stond, was in verscheidene cellen de inhoud, een balletje van honig en stuifmeel, ver-
vangen door een kluwen excrementdraadjes van de larven van dit vliegje, die er
einde Maart, toen ik het ontving, gedeeltelijk nog als volwassen larve in aanwezig
waren, gedeeltelijk ook reeds uitgekomen waren. Voor zoover ik weet, zijn de vroegere
stadiën van dit vliegje nog niet beschreven en ik wil beginnen met hierin te voorzien.
vuren wv
u
“pur
Fig. 1—9. Cacoxenus indagator Lw., 1 larve, 2,3,4 achtereinde, van terzijde, boven en
achteren, 5 vooreinde langstrachee, 6 achterstigma, 7,8 pharynxskelet van boven en
terzijde, 9 mondhaak.
De volwassen larven zijn ca. 45—5 mm lang, 2 mm breed, dus naar verhouding
wat breeder dan de meeste vliegenmaden ; zij zijn iets van boven naar beneden afge-
plat, van onderen vlakker. Zij zijn geel van kleur; er waren verscheidene in elke cel;
ik vond er ten hoogste 8, zij waren weinig bewegelijk.
De oppervlakte der larve is geheel met kleurlooze driehoekige wratjes bezet; aan
de zijden der segmenten steken de zijdelingsche papillen als puntige staafjes uit. Aan
het achtereinde zijn van boven en ter zijde aan weerszijden wat grooter verhevenheden
te zien, welke ook papillen dragen, onderaan zijn er twee nog grootere uitsteeksels,
elk aan het einde in tweeën gedeeld, waarop eenige papillen staan. In het door deze
8 uitsteeksels besloten middenveld zijn de twee achterstigmen op ongeveer halfbol-
vormige, bruine dragers geplaatst, elk stigma bestaat uit 3 dunne plekjes.
Het pharynxskelet is naar verhouding breed en van samengestelden bouw; de beide
bovenste aanhangsels dragen bovenaan van voren een beiden verbindenden band, meer
naar beneden gaan van hen de beide lateraalstaven uit; aan het H-vormige stuk zitten
meer naar voren nog twee fijne dwarsbandjes, het eerste in het midden met een bril-
vormig verbindingsstuk; dit alles is van zwarte kleur, evenals de mondhaken, die
slechts een eindtand hebben.
Zeer merkwaardig is, dat de voorstigmen ontbreken; de langstrachee eindigt in het
midden van het 2de thorakaalsegment, ongeveer op de hoogte van de splitsing in
dorsale stukken van het pharynxskelet, inwendig plotseling,, meer naar achteren ziet
men aan de zijtakken vele bundels van tracheolae ; om dit te zien, heb ik een larve
met aether gedood, daarna in het midden doorgesneden, het vooreinde iets leeggedrukt
en dan in glycerine gebracht, dan blijft de lucht er lang in. Het ontbreken van de
voorstigmen is een zeer merkwaardig feit; het is door mijzelf gevonden bij eenige
60 PROF. DR: J. C. H. DE MEIJERE, OVER DE
Conopidenlarven (Beitràge zur Kenntnis der Biologie und der systematischen Ver-
wandtschaft der Conopiden. Tijdschr. voor Entomologie 46, 1903 [1904], p. 143—224),
b.v. bij Physocephala rufipes F. en vittata F. Bij Sicus ferrugineus L. is het voorhan-
den, maar de trachee een solide streng geworden, zonder spiraaldraad, zoodat het
niet functioneeren kan. Ook bij sommige Ephydriden ontbreken zij, zie onder bij Hy-
drellia nigripes; bij Notiphila brunnipes R.D. heb ik ze evenmin, althans aan het
puparium, kunnen vinden, zie Ent. Bericht. X. No. 236/237 p. 285. De kluwens, die
de voedselballen van de bij vervangen, bestaan uit elk 4—5 mm lange, excrement-
draadjes, waarin men talrijke leege stuifmeelkorrels ziet en daartusschen een onregel-
matig korrelige massa.
De puparia zijn ca. 4 mm lang, geelbruin, weinig of niet glanzig, teer van bouw,
met weinig duidelijke insnijdingen ; het iets gewelfde achtereinde vertoont nog duidelijk
het bij de larve beschreven beeld.
Palloptera saltuum L. Fig. 15—18.
In de door Czerny samengestelde aflevering van Lindners handboek, die over
de Lonchaeiden handelt, zegt deze, dat van de levenswijze der larven van Palloptera
niets bekend is, wat niet geheel juist is. Zelf heb ik in mijn Derde Supplement op
de Nieuwe Naamlijst van Nederlandsche Diptera, Tijdschr. v. Entomol. 62, 1919 p.
190 medegedeeld, dat ik uit een larve, gevonden in een rotten tak te Amsterdam, een
Pallopfera umbellatarum Fall. gekweekt heb. Verder heb ik in de vergadering van
16 Juni 1928, Tijdschr. v. Entomol. 71, p. LXXVI medegedeeld, dat zich uit gele
larven in een stengelstuk van Heracleum sphondylium, dat ik in den zomer van 1927
te Bussum gevonden had, in het volgende jaar exx. van Pallopfera saltuum L. ont-
wikkelden. Larve geel, ca. 4,5 mm lang, nauwelijks 1 mm breed. Mondhaken be-
halve den eindtand met een korten tand in het midden, zwart evenals het pharynxskelet
tot en met het voorste gedeelte van de bovenste aanhangsels, het overige bruingeel,
de wratjesrijen zijn slechts ventraal ontwikkeld en bestaan daar uit een reeks ver-
schillende dwarsrijen, als in fig. 17 aangegeven. Voorstigmen met 7 vrij kort gesteelde
knoppen. De achterstigmen elk met 3 knoppen, zij liggen op 2 ver van elkaar staande
halfbolvormige verhoogingen aan het achtereinde, waaraan overigens geen uitstekende
dragers. van papillen te zien zijn.
Puparium ca. 4 mm lang, 1 mm breed, langwerpig, naar voren en achteren ver-
smald, geelbruin, met talrijke dwarslijnen voorzien; insnijdingen onduidelijk.
Paloptera saltuum is uit ons land bekend van ‘s Gravenhage, Leimuiden, Linschoten,
Schalkwijk, Bussum.
O.a. door de ongelijkmatigheid der wratjes in de gordels wijkt de larve van Palloptera
van die van Lonchaea af. Volgens Hennig: Arbeit, üb. morphol. u. taxon. Entom.
Bd. 8, 1941 Nr. 1 p. 54, zijn beide groepen, die gewoonlijk als Lonchaeidae vereenigd
worden, in het geheel niet naverwant.
Fig. 19—23. Paranthomyza nitida
Mg. 19 mondhaken en pharynx-
skelet, 20 cardo, 21 voorstigma, 22
achterstigma, 23 stigmaveld, van
boven gezien. Fig. 24— 28, Hydrel-
lia nigripes Zett. 24 larve, 25
vooreinde, 26 mondhaken en pha-
rynxskelet, 27 het laatste, van on-
deren gezien, 28 achtereinde.
Paranthomyza nitida Mg. Fig. 19—23.
Uit Dipterenlarven, die onder de epidermis van reeds afgestorven stengels van
Melandryum rubrum Garcke mineeren, bij grootere droogte het parenchym binnen in
den stengel verteren; Dr. Buhr leg. 1942. Larfjes van ca. 3 mm lengte. Mondhaken
met langen eindtand ; het pharynxskelet gelijkt veel op dat van Drosophila (de
Meijere, Zoolog. Jahrb. XL. Abt. Syst. Taf. 11 Fig. 147), het voorste deel van het
H-vormige stuk naar binnen gebogen, het boogvormige stuk der vertikaalplaten niet
daarvan gescheiden. De bovenste en onderste aanhangsels zijn beide slechts door een
METAMORPHOSE VAN METOPIA LEUCOCEPHALA ROSSI ENZ. 61
dunne gebogen zwarte staaf aangeduid; op den bodem van den pharynx zijn de
chitineribben der saprophytische larven aanwezig. Boven de mondhaken de huid wat
rimpelig, maar zonder wratjes, ook de zintuiggroep geheel kleurloos ; onder de mond-
haken fijne zijdelingsche lijnen. Wratjesgordels nergens te zien, schijnen afwezig. Voor-
stigmen wat uitstekend met 5 zijdelingsche knoppen ; achterstigmen op korte dragers,
met 3 ovale knoppen; wimperharen aan den rand aanwezig. Achtereinde recht afge-
sneden,
Volgens Séguy, Fn. de France, Acalypt. p. 304 heeft Perris deze soort reeds ver-
meld uit Lamium maculatum L.
‘Van Prof. Hering, die dezen kweek uitvoerde, hoorde ik, dat hij uit deze stengels
ook een ex. van Anagnota bicolor Mg. en van Ophiomyia melandryi de Meij. ver-
kregen had. In de leege stengelstukken, die hij mij toezond, vond ik wel 2 leege
pupariën van de laatste soort, maar geen spoor van de Anthomyzinen, die dus niet in
den stengel verpoppen.
Hydrellia nigripes Zett. Fig. 24—28.
De larven mineeren in de bladeren van Callitriche spec. Buhr leg. ‘43. Het zijn
langgestrekte, cylindrische maden van ten slotte 6 mm lengte. Mondhaken slechts met
eindtand ; pharynxskelet compact, bovenste aanhangsels smal, het onderste naar het
uiteinde verbreed. Boven de zintuiggroep een volledige dwarsband van wratjesrijen,
aan de 10 volgende ringen evenzulke wratjesrijen, alle wratjes zijn smalle haakjes ; aan
pro- en mesothorax zijn het volledige gordels, aan de volgende bijna alleen ventraal,
aan den laatsten ring een volledige gordel van wat grootere wratjes. Voorstigmen ont-
brekend, achterstigmen conisch uitstekend, waarschijnlijk met 3 smalle knopjes naast
elkaar. =
In tegenstelling tot de Agromyziden zijn de stigmata niet bijzonder ontwikkeld. De
larve van H. nigripes moet ook beschreven zijn door G. W. Müller, maar daar zij
aan wortels van waterplanten zoude voorkomen, is het niet zeker, dat hij dezelfde
soort gehad heeft, zie Lindner, Ephydridae p. 5.
Het puparium is ca. 2,5 mm lang, bruingeel, vrij smal, en dunwandig, de stigma-
hoorntjes aan het uiteinde schijnen mij te kort om zich in een plantendeel in te boren.
Die Larven der Agromyzinen.
Siebenter Nachtrag
von
Prof. Dr. J. C. H. DE MEIJERE
(Amsterdam)
In diesem Nachtrag möchte ich einige Funde von Herrn Sönderup (Maribo, Däne-
mark) und von Dr. Buhr, darunter eine neue Art aus Asparagus, erwähnen, welche Dr.
Buhr in Deutschland sammelte und die nach Prof. Hering die Type einer neuen
Gattung darstellt. Dann habe ich einige Notizen eingefügt zu H. Buhr, Dipteren-,
insbesondere Agromyziden-Minen aus Süd- Europa. Stettiner Entomol. Zeitung 102,
1941 p. 73—119 und H. Buhr, Mecklenburgische Minen. IV. Nachtrag zu den
Dipteren- Minen mit Einschluss der in den Rostocker Botanischen Gärten festgestellten.
2 des Vereins der Freunde der Naturgeschichte in Meckl. N.F. 15 Band. 1941 p.
Agromyza Fall.
Agromyza airae Karl Fig. I, 1.
Von dieser Art habe ich die Larve beschrieben im Nachtrag 1 p. 146. Hendel hat
sie nach den Fliegen als Synonym zu seiner lucida gestellt, die namentlich in Phrag-
mites lebt, und bis vor kurzem mit nigripes Mg. zusammengefasst wurde (Hendel
Wien. Entom Zeitg. 1922 p. 66, auch in Lindmer, Agromyzidae p. 129). Nach
meinen Larvenbeschreibungen kann dies aber nicht richtig sein; airae, die ich ausser
aus Deschampsia (= Aira) auch aus einigen anderen Gràsern, u. a. Glyceria und
Holcus mollis kenne, unterscheidet sich von lucida (meine Hauptarb. I. p. 226) na-
mentlich durch den Besitz von 3 Zähnen, nicht 2, an jedem Mundhaken und durch den
dichten Besatz mit Wärzchen in der Analgegend, welche bei lucida fehlt. Verglei-
chende Beschreibung gebe ich unten.
62 PROFTDRAJICIEHEDEMEINERE,
Die Fliegen sind einander wohl sehr ähnlich. Von airae besitze ich keine; nach den
Beschreibungen kann ich nur herausfinden, dass bei airae-die Schüppchen braungrau
und dunkel gewimpert sind und die Fliigelwurzel mit den Schiippchen gleichfarbig,
während Hendel für lucida angibt; Ausserste Flügelwurzel gelbbraun; Schüppchen
weisslich, ockerig gerandet und dunkelbraun, am Schüppchenwinkel sogar schwärzlich
gewimpert.
Fig. I. Für alle Abbildungen dieser Figur
TA ist a Schlundgerüst, b Mundhaken, c Vor-
d
CY
an derstigma. 1 Agromyza airae Karl 2 Agro-
myza albipennis Mg. 3 Agromyza ambigua
Fall. und mobilis Mg.e Vorderende.4 Agro-
4 n myza lucida Hendel.
ZE
Von Prof. Hering hörte ich, dass auch nach seinem Material an Imagines lucida
und airae zwei verschiedene Arten sind, und dass bei airae die Ränder der Schüpp-
chen auch gelbweiss können sein mit ockerbraunen Wimpern. Aber lucida besitzt das
abweichende dritte Fühlerglied, das auch nigripes auszeichnet, der Oberrand ist länger
als der Unterrand, der Vorderrand ist schräg abgeschnitten und nach unten zu fast
concav. Dagegen ist es bei airae etwa im Profil kreisrund, auf jeden Fall vorn gerun-
det. Ich denke, daraus stammt auch die Angabe: 3. Fühlerglied rund, in der Tabelle bei
lucida (Lindner p. 95).
Merkmale von airae sind: Mundhaken mit je 3 Zähnen, selten 4, welche kaum alter-
nieren ; obere Fortsätze des Schlundgerüstes am Ende geschlossen, weil die Flügel
einander dort berühren; keine Wärzchen am Kopfe, weder über der Sinnesgruppe
noch unmittelbar unter den Mundhaken ; stark entwickelte Gürtel am Metathorax und
an den ersten 6 Segmenten des Abdomens, am 7ten weniger und viele Warzen rund,
am 8ten nur ventral; die Analläppchen dicht mit spitzen Wärzchen besetzt; Vorder-
stigmenknospen relativ zahlreich (7 bis 9 + 4 bis 5 an der Medianseite, ausnahmsweise
noch mehr, 11 + 5), die 3 Knospen der Hinterstigmen relativ lang vorspringend.
Hinterende abgerundet.
Merkmale von lucida: Mundhaken je mit 2 Zähnen, ungleich gross, beim kleineren
der 2te Zahn viel kleiner, die Zähne stark alternierend ; obere Fortsätze hinten weit
offen, parallel; am Kopfabschnitt keine Wärzchen ; starke Gürtel am Metathorax und
an den ersten 5 Abdominalsegmenten, auch dorsal und ventral, am 6ten weniger, am
7ten und Sten, und an den Analläppchen keine ; Vorderstigmen mit weniger, ca. 6 + 2
Knospen ; Hinterstigmen mit kürzeren Knospen : Hinterende abgerundet.
Die Larve von nigripes kann ich einstweilen nicht von lucida unterscheiden. Zum
Vergleiche schliesse ich die übrigen mir bekannten Gramineen-Agromyzen hier an:
albipennis Mg. Fig. I. 2. Nachtr. 2 p. 246. Mundhaken je mit grossem 2ten Zahn,
die Zähne alternierend ; obere Fortsätze geschlossen ; Filamente gefiedert; am Kopf-
abschnitt keine Wärzchen ; am Metathorax und den ersten 5 Abdominalsegmenten
starke Gürtel, am 6ten wenig, am 7ten nur ventral. Anallamellen mit Wärzchen ; Vor-
derstigmen mit relativ vielen (ca. 9 + 5) Knospen ; Hinterstigmen einander berührend,
mit relativ langen Knospen ; Hinterende dorsal stark ablaufend.
ambigua und mobilis, Fig. I. 3. Hauptarb. I p. 236 und 238, Mundhaken mit je 2
Zähnen, diese 2 gleichgross oder der hintere kleiner, mehr oder weniger alternierend,
bisweilen ein kleiner 3ter Zahn ; Filamente einfach ; obere Fortsätze geschlossen, oder
hinten sehr wenig offen; Warzenband über der Sinnesgruppe, wenig oder nicht ge-
färbt, auch Warzen unter den Mundhaken, diese immer deutlich gefärbt, am Meta-
thorax und den ersten 6 Hinterleibssegmenten starke Warzengürtel, mit spitzen Wärz-
chen, am 7ten und 8ten spärlicher. Analgegend mit gefärbten Wärzchen ; Vorderstig-
men mit ca. 5 + 2 Knospen, Hinterstigmen mit kurzen Knospen ; Hinterende schief
eo unten abgestutzt. Die Larven dieser beiden Arten kann ich nicht unter-
scheiden.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 63
niveipennis Zett. Fig. II, 1. Hauptarb. 1 p. 239. Mundhaken je mit 2 grossen und
einem kleinen 3. Zahn, die Zähne nicht alternierend, Obere Flügel mässig gebogen,
die oberen Fortsàtze sehr schmal offen ; über den Mundhaken sehr kurze Filamente ;
höchstens ein farbloses Warzenband über der Sinnesgruppe, wohl gefärbte Wärzchen
unter den Mundhaken ; am Metathorax und den folgenden 6 Segmenten starke Gürtel,
an den 2 darauf folgenden spärlicher, auch Analgegend mit Wärzchen. Vorderstigmen
CF Fig. II. a-d wie in Fig. I. 5 Agromyza
On niveipennis Zett. ban Avena, e an Secale,
©
DOSI ia Vorderende f Hinterende, g Warzen. 6
Ie EC Agromyza phragmitidis Hend. e Hinter-
> = ende.
e Ed 8
mit ca. 5 + 2. Knospen; Hinterstigmen mit länglichen Knospen ; Hinterende abge-
stutzt.
Agr. (Domomyza) spec. an Hafer. Hauptarb. I p. 240, welche sich von ambigua und
mobilis hauptsächlich durch stärkere Warzengürtel unterscheidet, halte ich jetzt für
identisch mit niveipennis.
ocellaris Hendel in diesem Nachtrag p. 64.
phragmitidis Hendel. Fig. II, 6. Hauptarb. I p. 228. Mundhaken je mit 2 gleich-
grossen Zähnen, diese nicht alternierend, selten ein kleines 3. Zähnchen ; obere Fort-
sätze hinten offen, die Säume sehr wenig gefärbt ; Filamente an der Spitze mit einem
Ausschnitt ; am Kopfabschnitt keine Warzen ; Gürtel an allen Segmenten, Wärzchen
an der Seite spitz, dorsal und ventral mehr rundlich mit kleiner oder ohne Spitze, alle
wenig gefärbt, an den 4 letzten Segmenten fast farblos, an der Analgegend spitz ;
Vorderstigmen mit ca. 5 + 3 Knospen, Hinterstigmen mit kurzen Knospen mit kurzen
Haarflecken ; Hinterende schief nach oben und unten abgeschnitten.
Von graminicola Hend., Gras, und oryzae Hend., auf Reis gefangen, kenne ich die
Larve noch nicht, ebenso wenig von nigrifemur Hend. und nigrociliata Hend., wovon
die Wirtpflanzen noch unbekannt sind, welche aber systematisch zu dieser Gruppe
gehören,
De
Bestimmungstabelle.
LEN EzEentunteriden Mundhaken se.) 0 er MAR Ar 2
CEB EI ORNE RENE ERLE RS 4
2. Hinterende von oben und unten zusammen laufend ............ ambigua und mobilis
ACI CIE O RC O I OTT TE
3. Mundhaken je mit kleinem 3ten Zahn; kurze Filamente .................. niveipennis
——— nur je mit 2 grossen Zähnen ; ohne Filamente .................. ocellaris
4. Mundhaken mit Ien Zähnen een tee airae
—n nl e A ZE I A OR RA ERA EER ETC 5
Re nentmiehtwaltfernierend. AOC ARE lede nanda ac phragmitidis
AlErOLEren PEREN PANELEN, AEN A LO eon blast AR Gc aac 6
Ogibihaterstigmenteinander) berührend utente iena albipennis
ENEN RICER OE LA Oi nigripes und lucida.
*Agromyza genistae Hendel. Diese Art befallt nach Dr. Buhr Meckl.
Min. IV p. 92 auch Spartium junceum, vielleicht gehôren die Nachtr. 3 p. 243 er-
wähnten Minen hieher.
Agromyza flavipennis Hendel.
Von mehreren Larven bewohnte Blasen an Lamium album, Dr. Buhr leg. Bei diesen
Larven waren alle Wärzchen farblos, sodass man die Gürtel zuerst gar nicht sah.
Nur bei ein paar Larven des zweiten Stadiums waren sie dunkel gefärbt, dreieckig mit
64 PROE DRC De, MENERE
ziemlich langer Spitze, die mittleren in den Gürteln grösser ; die Gürtel an den ersten
5 Abdominalsegmenten gut entwickelt, am Metathorax weniger, aber auch gefärbt.
*Agromyza ocellaris Hendel. Fig. III, 7.
An Hafer minierend in Belgien, erhalten von Prof. R. Mayné, Direktor von Station
d’Entomologie de l'État, Gembloux. Auf dem Haferfelde wurden Exemplare von
Agr. ocellaris Hend. gefunden (Bestimmung von Prof. Hering), sodass es kaum zweifel-
haft ist, dass die Larven dieser Art angehören, zumal sie mit keiner der verwandten
Arten stimmen. Mundhaken nicht oder kaum alternierend, je mit 2 Zähnen, unpaarer
Abschnitt des Schlundgerüstes gerade, schwarz, die Fortsätze nur an der äussersten
Wurzel schwarz, die beiden Flügel des oberen dicht beisammen, der obere sehr schmal,
Fig. III a-d wie in Fig 1.7 Agromyza ocellaris
Hend. e Vorderende, f Hinterende. Underst oben.
der untere nach hinten erweitert, beide von brauner Farbe, wie auch der untere Fort-
satz. Statt der Filamente liegt über und zwischen den Mundhaken ein wenigstens vorn
zylindrisches Stäbchen mit abgerundetem Vorderende und jederseits einem schwarzen
Streifen. Über diesem Gebilde liegt die Sinnesgruppe und über dieser eine aus dreiecki-
gen, farblosen Warzen bestehenden Gruppe, welche sich nur wenig nach den Seiten
erstreckt. Direkt unter den Mundhaken finden sich einige Warzen, wenig davon ent-
fernt fängt ebendort an den Seiten der Prothorakalgürtel an, welcher sich über das
Vorderende des unpaaren Abschnittes dorsalwärts erstreckt und aus meistens in Reihen
angeordneten, dreieckigen Wärzchen mit dunkler Spitze besteht; in den 8 folgenden
Gürteln stehen die relativ kleinen, fast gleichgrossen Wärzchen zerstreut und am Isten
und 8ten noch kleiner und spärlicher, auch der Gürtel schmaler, aber alle mit dunkler
Spitze ; die meisten Gürtel sind in der Mitte der Seite am breitesten. Vorderstigmen
einhörnig, knopfförmig mit 9 Knospen in 2 Reihen; Hinterstigmen nicht weit von
einander, je mit 3 ovalen Knospen, ohne Fächerhaare. Das Hinterende gerade abge-
stutzt, ganz ohne Warzen, auch in der Analgegend, unten mit 2 gerundeten Lamellen.
*Agromyza orobi Hendel. Fig. IV, 8.
Larven aus Minen in den Flügeln des Stengels von Lathyrus silvester, Haiger (West-
falen), 7 Juli 1942, leg. Dr. A. Ludwig, mir von Prof. Hering zugesandt, halte ich
von dieser Art, die schon im isten Nachtrag p. 14 behandelt wurde.
Vom Schlundgerüst ist der etwas gebogene unpaare Abschnitt schwarz, die Fort-
sätze sind braun. Die Warzen in den Gürteln sind fast gleichgross ; Vorderstigmen
mit ca. 12 Knospen in zwei Reihen ; Hinterstigmen getrennt, mit nach vorn gebogenen
Knospen, die Filzkammer kaum erweitert.
*Agromyza polygoni Her. Unter diesem Namen beschrieb Hering die Art aus Poly-
gonum bistorta, deren Larve ich als Agr. sp. im 3ten Nachtr. p. 174 und im 4ten
Nachtr. p. 67 behandelt habe.
Hering M. Minenstudien 16, Deutsch. Ent. Zeitschr. 1941 p. 10.
Agromyza rufipes Mg. Nachtr. 5 p. 161 Cynoglossum aus Kamerun, ist aus Cyn.
lanceolatum, vergl. Buhr, Meckl. Min. IV p. 50
*Agromyza spec. Fig. IV, 9.
Von dieser Art erhielt ich von Prof. Hering 2 Larven, die er in seinem Garten in
Berlin an Phaseolus am 25. Juli 1942 gefunden hatte in ihm ganz unbekannten primären
Platzminen. Ich habe alle Agromyza-Minen von Papilionaceen verglichen, von welcher
nach Hendels Wirtpflanzenliste in ,,Lindner” ich nur Agr. websteri an Wistaria nicht
kannte, aber sie stimmten mit keiner, sodass ich sie als eine eigene Species betrachten
muss. Von Phaseolus sind nur die polyphagen Phytomyza atricornis Mg. und Liriomyza
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 65
strigata Mg. und die an vielen Papilionaceen lebende Lir. congesta Beck. bekannt.
Mundhaken mit 2 starken Zähnen, welche nicht alternieren, unpaarer Abschnitt ziem-
lich kurz, gerade, schwarz, wie das ganze Schlundgeriist, oberer Fliigel des oberen
Fortsatzes stark gebogen und grossenteils schmal, der untere Fortsatz relativ lang;
am hinteren Teil des Kopfes ein breites Band von sehr kleinen, spitzen Wärzchen,
hinter den Vorderstigmen zunächst 2 schmale Gürtel mit kleineren Wärzchen, dann 8
breitere mit grösseren, namentlich die in der Mitte der Gürtel, hinten meist kleinere
Fig. IV. a-d wie in Fig. I. 8 Agromyza orobi
Hend., e Hinterende. 9 Agromyza spec. an
Phaseolus, e Hinterende, f Warzen.
öfters in kleinen Gruppen, die Gürtel dorsal und ventral sehr schmal werdend, dann
folgt noch ein 11ter Gürtel mit breitem ventralen Teil in der Analgegend und schmäle-
rem, davon getrenntem, seitlichem Teil darüber ; die Warzen sind rundlich mit relativ
langer, schmaler Spitze. Die Vorderstigmen sind klein, knopfförmig mit ca. 7 Knospen
in 2 Reihen ; die Hinterstigmen, welche in der Mitte des von oben und unten spitz
zulaufenden Hinterendes stehen, unmittelbar neben einander, haben je 3 divergierende
gerade Knospen in einer schwarzen Platte, die Filzkammer ist gerade und nicht er-
weitert wie es bei den meisten Agromyzen der Papilionaceen wohl der Fall ist. Warzen
mit langer Spitze finden sich u.a. auch bei Agr. de-meijerei Hend., aber diese hat
andere Hinterstigmen. :
Melanagromyza Hendel.
Fig. V. 28—31.
*Melanagromyza arnicarum Hering Mitt. Deutsch. Ent. Ges. E. V. XI, 1942 p. 66—68.
Lemvig in Dänemark, Puparien im Herbst 1941 im Stengel von Arnica montana L,,
Sônderup leg.
ATTIRA
LA 3) Fig. V. 28—31. Melanagromyza arnicarum Hering.
A 0
DO 095 28. Mundhaken. 29. Hinterstigmenträger. 30. Vorder-
(a
h © | =
Co
37 N 10 A
Puparium gelbbraun, kaum etwas glänzend, mit ziemlich deutlichen Einschnitten,
hinten weniger deutlich. Hinterende abgerundet, über der Mitte liegen die zwei Hinter-
stigmen etwas mehr als ihr Durchmesser von einander entfernt, in der Mitte auf der
Stigmennarbe mit kurz-stabförmiger Erhebung, ringsum in einem fast geschlossenen
Kreise die 17 Knospen nach dem Schema der aeneiventris-Gruppe, die Tüpfel auf den
Knospen ungleich gross ; die Vorderstigmen jedoch anders gebildet, sie ragen wenig
vor und tragen eine unregelmässig zweireihige Gruppe von ca. 23 fast sitzenden
Knospen.
Mundhaken ungleich gross, je nur mit Endzahn, der unpaare Abschnitt kurz, schwarz,
die Fortsätze braungelb, der obere mit zwei Flügeln, einem sehr dünnen oberen und
einem nach hinten etwas verbreiterten unteren.
stigma. 31. Hinterstigma.
66 PROF? DR. I CM IDEMENERE,
Warzengürtel mit mehreren Reihen von ziemlich grossen, zerstreuten, dreieckigen,
aber wenig spitzen Warzen, vorn und hinten hin und wieder ein paar Reihen kaum
grôssere mehr in Querreihen.
Nach Prof. Herings schriftlicher Mitteilung gehört die Fliege nicht zur aeneiventris-
Gruppe, sondern in die Nähe von M. goniaea Hend.
*Melanagromyza beckeri Hendel. Fig. VI, 13.
Aus Frassgängen an Taraxacum officinale, Hypochoeris radicata und Helminthia
(Picris) echioides, die meist auf der Blattunterseite, nur gelegentlich auch auf dem
Mittelnerven, seitlich in die Fläche ausstrahlend, verlaufen, Dr. Buhr leg. Februar 1943.
Er konnte sie von solchen von der Mel. pulicaria nicht unterscheiden, erhielt aber
immer Mel. beckeri daraus.
Fig. VI. 12 Melanagromyza lappae
Löw in Senecio, a Schlundgerüst, b
Vorderstigma, c, d Hinterstigmen, e
Horn. 13 Melanagromyza beckeri, a
Schlundgerüst, b Mundhaken, c Vor-
derstigma, d Hinterstigma. 14 Phyta-
gromyza buhri de Meij. Puparium. 15
Pseudonapomyza atra Mg. a Hinter-
ende, b, c Hinterstigmen.
Schlanke Larven von bräunlich gelber Farbe, bis 4 mm lang, überall gleichbreit.
Mundhaken breit und kurz, je mit kleinem 2ten Zahn, die des vorderen Hakens gehen
voran. Unpaarer Abschnitt schwarz, die Fortsätze dunkelbraun bis schwarz. Keine
Warzen am Kopfe. Die Warzengürtel sind wohl nach demselben Schema gebildet wie
bei pulicaria aber weniger entwickelt ; ich sah nur hinten ca. 4 Reihen grösserer
und davor das Band sehr kleiner aber selten vordere Reihen. Vorderstigmen einhörnig,
von der Seite mit ca. 7 Knospen. Hinterstigmen zweihörnig mit 10—12 Knospen in
regelmässigem Bogen. Hinterende abgestutzt, ohne Warzen.
Diese Art steht Mel. pulicaria Mg. sehr nahe; als Unterschiede fand ich nur, dass
bei letzterer die Zahl der Hinterstigmenknospen meistens grösser ist, 14, aber auch bis 11
kommen vor, bei beckeri meistens 10, ausnahmsweise 11—12, und dass die Warzen-
gürtel hier etwas weniger entwickelt sind.
*Melanagromyza fuscociliata Hend. Fig. VII, 9—12.
Im Stengelmark von Urtica, Maribo, Dänemark, Sônderup leg. 1940.
Puparium 3 mm lang, matt gelblich, zart, langlich oval. Einschnitte nicht deutlich.
Mundhaken mit je zwei Zähnen, wie der unpaare Abschnitt des Schlundgerüstes von
schwarzer Farbe, das Übrige gelbbraun, nach vorn etwas dunkler.
Warzengürtel schmal, mit zerstreuten, meistens ziemlich grossen Warzen, hin und
wieder in der Mitte des Gürtels etwas kleinere.
Hinterstigmen oval, ungefähr so weit von einander wie ihr kürzerer Durchmesser,
mit fast geschlossenem Bogen von 15 relativ grossen ovalen Tüpfeln, bisweilen einige
etwas unregelmässiger angeordnet, die vorspringende Stigmennarbe ein gerades Stäbchen.
Das Puparium der aeneiventris nahe stehenden, in Urtica lebenden Art habe ich
in der Hauptarbeit I p. 243 schon erwähnt. Es unterscheidet sich durch hellere Farbe
des Pupariums, durch schwarze, nicht braune Farbe des unpaaren Abschnitts, durch
die relativ grösseren Warzen. Wenigstens bei der typischen Form in Aster tripolium
ist es tiefer gelb und glänzend. Die Imagines unterscheiden sich durch dunkel braune
Wimpern.
Bezüglich aeneiventris Fall. gab ich in der Hauptarbeit p. 242 an. den Hinterstigmen
18 Knospen an; für lappae Löw fehlt p. 244 die Angabe. Hendel hat in Lindner p.
168 für sie einen ebenfalls fast geschlossenen Bogen von ca. 18 ovalen Knospen
angegeben ; ich fand deren 16—19 (Nachtr. 4 p. 68). Leider sind in Hendels Figuren
181 und 182 die zwei Arten verwechselt, die Fig. 181 mit 2 einander berührenden
Hinterstigmen bezieht sich auf lappae Löw. Fig. 182 mit etwas weniger als ihr Quer-
durchmesser getrennten wohl ebenfalls; im Texte sind die Verschiedenheiten
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 67
richtig angegeben. Im Nachtrag 2 p. 251 habe ich meine Differenz in den vortretenden
Stigmennarben festgehalten ; die von lappae endigen mit umgebogener Spitze. (Fig. 13).
Melanagromyza lappae Lw.? Fig. VI, 12.
Puparien aus dem Mark des Stengels von Senecio erucifolius, Dr. Buhr leg. Fe-
bruar 1943.
Sie sind 3 mm lang, von gelbweisser Farbe, die Hinterstigmen etwas weniger als
ihr Durchmesser von einander entfernt, bei einem Stück sich fast berührend, mit 15—17
Knospen und deutlichem Horn auf der Mitte; darum wohl lappae.
Die Legeröhre des 9 stimmt besser mit lappae, aber die Zähne der Säge sind grösser ;
vielleicht gibt es in dieser Gruppe noch besondere Arten. An einem Puparium aus
„distel” (Carduus oder Cirsium), das Weijenbergh seinerzeit züchtete, sind die Hinter-
stigmen etwas weiter entfernt als ihr querer Durchmesser, und haben bzw. 13 und 14
Knospen, die „Hörner sind abgebrochen ; dies ist wohl aeneiventris.
Fig. VII. 9—12 Melanagromyza fuscociliata Hend., 9 Vorderstigma, 10 Schlundgeriist
des Puparium, 12 die beiden Hinterstigmen in ihrer Entfernung, 11 Hinterstigmenträger
13 id. von Mel. lappae Lw., 14—17 Phytagromyza anteposita Strobl, 14 Puparium,
15 Schlundgerüst, 16 Vorderstigma, 17 Hinterstigma.
Ophiomyia Braschnikow.
*Ophiomyia galii Her. mit schwarzen und gelben Puparien, vergl. Buhr, Meckl. Min.
VET kE
*Ophiomyia melandricaulis Hering Eos XIX 1943 p. 53.
An Melandryum rubrum Garcke. Stengelrindenbewohnende Art. Puppe in der
Stengelmine. Dr. Buhr leg. 1942.
Eine echte Ophiomyia, Hinterstigmen mit 9—11 Knospen ; solche hat auch. u. a. Oph.
proboscidea Strobl, die an Hieracium und anderen Compositen lebt, sonst vom selben
Bau wie diese, und wie persimilis Hend. u.s.w. Puparium ganz vom Bau dieser
Gruppe, braun. Ophiomyia melandryi de Meij. miniert in derselben Pflanze, aber im
hohlen Stengelinneren, wo man auch die Puparien findet ; sie hat 12—13 Knospen an
den Hinterstigmen.
*Ophiomyia sp. Nachdem ich Nachtr. 4 p. 73 auf die Inconstanz der Farbe der
Puparien dieser Gattung hingewiesen habe, kònnen diese schwarze Puparien aus Matri-
caria inodora und Achillea sehr gut von Oph. achilleae sein, wie auch Dr. Buhr
meinte Meckl. Min. IV p. 69.
*Ophiomyia sp. Nachtr. 4 p. 72 ist auch nach Dr. Buhr trotz der nicht gelben
Farbe Oph, labiatarum.
Dizygomyza Hendel.
*Dizygomyza iridis Hendel. Fig. VIII, 10.
Larven und Puparien in Iris foetidissima L. Dr. Buhr leg. 1942. Diese Art habe ich
nach spärlichem Material schon in der Hauptarbeit I p. 267 als Diz. aff, morosa Mg.
68 PROF: DR. J. €. H. DE MEIJERE,
behandelt; ich kann jetzt noch einiges hinzufügen.
Die Larven sind relativ schmal ; die Mundhaken haben je zwei Zähne, welche alter-
nieren, das unpaare Stück ziemlich lang, gerade, die oberen Fortsätze nur an der
Wurzel gebogen, weiterhin gerade und schmal, bräunlich, der untere länger als ihre
Hälfte. Über der Sinnesgruppe eine breite Stelle, welche mit ziemlich langen Härchen
besetzt ist. Wärzchen in den Gürteln auch bei den Larven kaum sichtbar, ganz farblos
und rundlich. Vorderstigmen zweihörnig, mit ca. 10 Knospen. Hinterstigmen mit 3,
ausnahmsweise mit 4 Knospen. Hinterende abgerundet. |
Dizygomyza sp. aus Kamerun, Nachtr. 5 p. 175, nach Buhr Meckl. Min. IV p. 51
doch Diz. humeralis v. Ros., auch Buhr Stett. Ent. Zeit. 102 p. 99.
Din.
6 Te) Fig. VIII. Dizygomyza iridis Hend.
ZN N a Vorderende, b Vorderstigma, c-e
nen Hinterstigmen. 11 Liriomyza eruci-
3,
AS ARP folii Hering Hinterstigma.
Liriomyza Mik.
*Liriomyza erucifolii Hering in litt. Fig. VIII, 11.
Mine im Blatte von Senecio erucifolius L. Verpuppung ausserhalb der Mine. Dr.
Buhr leg.
Larve der pusilla. Gruppe. Mundhaken je mit 2 Zähnen, welche alternieren, der
vordere nicht grôsser, unpaarer Abschnitt kurz und gerade, die oberen Fortsätze ganz
schwarz, mässig gebogen, ziemlich dick; über der Sinnesgruppe ein Band von kleinen,
dreieckigen, dunkelbraunen Wärzchen, kein Stirnfortsatz ; Vorderstigmen knopfférmig,
mit mehreren kleinen Knospen; Hinterstigmen mit 3 gebogenen Knospen, Warzen-
giirtel ziemlich breit, mit zerstreuten drieieckigen Warzchen.
Liriomyza flavonotata Hal.
Meine Beschreibung der Larve findet sich im 6ten Nachtrag, p. 18; die kleinen
Larven machen zuerst einen schmalen Gang nach unten ; auch bei der Bildung des 3ten
Stadiums ist der Gang nur erst ca. 0,75 mm breit; die erwachsene Larve ist gelb, sie
verpuppt ausserhalb der Mine.
Liriomyza virgo Zett.
An Equisetum limosum L. in den Internodien minierend. Verpuppung im Hohlraum
des Stengels. Dr. Buhr leg. 1942.
Diese Art beschrieb ich schon in der Hauptarbeit I p. 292; II p. 307. Die Larve
ist relativ lang und schmal. Am Hinterende der Mundhaken geht ein breiter, schwarzer
Band nach oben. Unterer Fortsatz kurz. Vorderstigmen von der Seite einhörnig.
*Liriomyza sp. in Achillea N. 3 p. 202 ist Lir. flavopicta Hendel, vergl. Buhr,
Meckl. Min. IV p. 29.
*Liriomyza sp. Nachtr. 3 p. 204 und 4 p. 83 ist von de Meijere beschrieben als
Phytagromyza buhri, Entom. Berichten No. 224, 1938, p. 83, Vergl. auch Buhr,
Meckl. Min. IV p. 55.
Phytagromyza Hendel.
Phytagromyza anteposita Strobl. Fig. VII, 14—17.
Im Stengelmark von Galium mollugo, Maribo (Dänemark) Sönderup leg. 1940.
Puparium 2,5 mm lang, weiss, ringsum die Mundöffnung etwas rötlich, nach hinten
verschmälert, mit deutlichen Einschnitten, die oberen Fortsätze des Schlundgerüstes
liegen im Pup. parallel. An den Seiten in den Einschnitten beobachtet man einige
parallelle Querstreifen, aber keine Warzen. Vorderstigmen der Larve weit von ein-
ander entfernt, einhörnig, das Stigma mit mehreren zweireihigen Tüpfeln, der Träger
kurz. Die Hinterstigmen sind auch für diese Gattung eigentümlich; sie stehen auf
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 69
kurz-stabförmigen Trägern weit aus einander und sind bogenförmig mit zahlreichen,
ziemlich lang gestielten Knospen, diese Stiele öfters mehrteilig.
Verwandlung ausserhalb des Stengels.
: Diese Art habe ich Tijdschr. v. Entomol. 67, 1924, für Holland schon angegeben.
Hering M. Mitt. Deutsch. Entomol. Gesellsch. X No. 5/6 1941.
*Phytagromyza buhri de Meij. Fig. VI, 14. Unter diesem Namen beschrieb ich die
Art aus den dünnen Stengelteilen der Blütenstände von Galium mollugo, in Entom.
Berichten No. 224 Deel X p. 83-84. Die Larve hatte ich vorher beschrieben in
Nachtr. 3 p. 204 und Nachtr. 4 p. 83.
Puparium gelbbraun, mit deutlichen Einschnitten, nach hinten verschmälert. Prof.
Hering hat diese Art in 1943 auch gezüchtet; er teilte mir mit, dass sie 3 dc hat,
nicht 2, wie ich angab, weil ich diese Stelle an meinem einzigen Ex. nicht gut beobach-
ten konnte. Mit der Tabelle in „Lindner kommt man nach 1, 2, 4 und 7 auf zernyi
und orphana, welche beide die tp haben und von welchen letztere ebenfalls auf Galium
lebt.
Phytagromyza flavocingulata Strobl.
Beschreibung der Larve Nachtr. 6 p. 21; in der ersten Hälfte von Mai machten
die © © zahlreiche kleine Bohrlöcher in der oberen Hälfte der Grasblätter im Glas-
zylinder, worin ich sie gebracht hatte: darunter war ab und zu eins, das ein tiefgelbes,
fast oranienfarbiges Eichen enthielt. Die Lärvchen krochen zuerst nach oben, an der
Spitze des Blattes oder schon eher drehen sie sich um und fressen, die Mine erweiterend,
nach unten, wobei mehrere Minen zusammenfliessen können ; am 9ten Mai verpuppte
die erste Larve, ausserhalb der Mine.
Phytagromyza lucens de Meij.
Die © © bohren in die Blätter von Galium aparine und etwas zurückgehend säu-
gen sie daraus ; etwas später findet man namentlich in den kleineren, oberen Blättchen
schmale Gänge, oft am Blattrand, von den jüngsten Larven ; später gehen sie in den Sten-
gel, bohren unmittelbar unter der Epidermis ; als sie unten einen Knoten erreichen
gehen sie wieder nach oben.
Phytagromyza orphana Hendel.
Die Eier von orphana sind spindelförmig, 0,4 mm breit und 0,15 mm lang.
Phytagromyza lucens oder orphana, Hierzu kann die von Dr. Buhr Meckl. Min.
IV p. 56 aus Galium aparine erwähnte Larve gehören.
Pseudonapomyza Hendel.
Pseudonapomyza atra Mg. Fig. VI, 15.
Von dieser Art habe ich in Nachtr. 6 p. 22 angegeben, dass die Hinterstigmen mir
noch unbekannt waren. In dem grossen Minenwerke von Prof. Hering finde ich an
mehreren Stellen die Angabe, dass diese mehr als dreiknospig sind, z. B. p. 40, leider
ohne nähere Beschreibung.
Im November 1942 hatte Prof. Hering die Freundlichkeit, mir ein Puparium zu
übersenden, das er von Dr. Buhr erhalten hatte und das von Hordeum sativum stammt.
Dadurch wurde ich in die Lage gestellt, auch die Hinterstigmen zu untersuchen. Diese
sind klein, oval und liegen weit von einander getrennt je auf einem konischen Träger,
wodurch sie schwer von oben zu sehen zu bekommen sind. Am einen sehe ich 7
ungestielte Knospen in einem regelmässigen Bogen, am anderen ist noch eine 8te vor-
handen. Somit stimmen sie besser mit denen der ersten Art dieser Gattung, weiche ich
im Nachtr. 5 von Kamerun beschrieb (Tijdschr. v. Entom. 1940 p. 179) als mit der 2ten
Art, deren Hinterstigmen 3 gestielte Knospen aufweisen ; letztere steht jedoch afra näher
durch die stark vorragenden Papillen, obgleich sie von anderer Form sind. In anderen
Gattungen, so bei Agromyza, Dizygomyza, Liriomyza, finden wir auch sowohl drei- wie
mehrknospige ; diese sind offenbar öfters entstanden.
Phytomyza Fall.
*Phytomyza athamantae Hering. Eos XIX, 1943 p. 59. Fig. IX. 16.
Mine an Athamanta cretensis L. gefunden von Herrn J. Klimesch am Traunstein
(Donau), 26.7.1942.
70 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
Puparium schwarz, glänzend, langgestreckt, nach hinten etwas verschmälert, Ein-
schnitte undeutlich.
Warzengürtel schmal, aus sehr kleinen dreieckigen Wärzchen gebildet. Vorderstig-
men knopfförmig, von der Seite mit ca. 6 Knospen. Hinterstigmen oval mit einem
etwas unregelmässigen Bogen von ca. 12 Knospen. Hinterende abgerundet, die Anallap-
pen relativ gross.
Phytomyza atricornis Mg. Über diese und weitere europäische Minierer im Kamerun-
Material sehe Buhr, Stett. Ent. Zeit. 102, 1941 p. 9.
Fig. IX. 16 Phytomyza athaman-
tae Hering, a Puparium, b Hinter-
ende, c Vorderstigma, d Hinter-
stigma. 17 Phytomyza conopodii
Hering a Vorderende, b Schlund-
gerüst, c Vorderstigma, d Hinter-
stigma. 18. Phytomyza cardui He-
ring, a Mundhaken, b Vorderende,
c Vorderstigma, d Hinterstigma.
*Phytomyza cardui Hering. Eos XIX, 1943 p. 55. Fig. IX, 18 und Fig. XI, 18e.
Mehrere Larven von Dr. Buhr erhalten Februar 1943 mit der Angabe: Die Larve
frisst an den in der Regel ansehnlichen Rosetten von Cirsium palustre anfangs schmale
und wenig auffallige, später dann breiter werdende und dunkel gefärbte Gange in den
unteren breiteren Teil des Mittelnerven und geht von dort aus oft unterseits am Nerven
bis zu etwa'?/3 der Blattlänge aufwärts. Angegriffen werden in der Regel die ausge-
wachsenen inneren Rosettenblätter und zwar mehrere nach einander (4—9, je nach
Blattgrösse), wobei die Larve von aussen nach innen geht.
Auch ein Blatt von Cirsium lanceolatum mit einer Larve unterseits auf dem Mittel-
nerven ; alles Febr. ‘43. — Einige Tage später sandte Prof. Hering mir das Pupar der
Originalzucht dieser Art, nebst einer Larve aus Cirsium lanceolatum, welche einer
vorhergehenden Generation der gleichen Art angehören dürfte und die er noch in
Zucht hat.
Die Larve dieser Art ist bis 4 mm lang, gelblich, überall gleichbreit, fast 1 mm.
Mundhaken breit und kurz, je mit 2 Zähnen, welche alternieren. Der unpaare Ab-
schnitt des Schlundgerüstes kurz, wenig gebogen. schwarz, die oberen Fortsätze stärker
gebogen, nur an der Wurzel schwarz, weiterhin braun, der untere ziemlich lang. Über
der Sinnesgruppe ein, von der Seite gesehen dreieckiger Stirnfortsatz mit langer Spitze,
welche bei einer Larve aus C. palustre an der äussersten Spitze braun und davor
eine kurze Strecke schwarz ist, bei einer anderen aus C. lanceolatum, ganz farblos,
und bei den übrigen nicht zu sehen ist, vielleicht unter der folgenden Wölbung ver-
steckt. Keine Warzen am Kopfabschnitt. Die Warzengürtel sind schmal und bestehen
aus zerstreuten, dreieckigen oder rundlichen Wärzchen, höchstens mit sehr kleiner
dunkler Spitze ; sie sind dorsal und an den Seiten zu sehen. Die Vorderstigmen sind
relativ gross, einhörnig, mit nach vorn gerichtetem Horn, sie tragen 2 unregelmässige
Reihen von zahlreichen Knospen ; die Hinterstigmen zeigen denselben Bau mit noch
zahlreicheren nach oben gerichteten Knospen, namentlich an dem Ende, und zeigen
eine lange, breite Filzkammer. Hinterende etwas schief nach hinten abgestutzt, ohne
Wärzchen.
Das Puparium ist 313 mm lang, gelbweiss, mit sehr deutlichen Einschnitten.
Diese Larve sieht Ph. cecidonomia aus Hypochoeris radicata, Nachtr. 3 p. 216,
ähnlich, aber hat viel mehr Knospen an den Stigmen.
Phytomyza cineracea Hendel. Fig. XII, 22.
Von Herrn Sönderup erhielt ich Puparien aus den hohlen Stengeln von Ranunculus,
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 71
die er zu Rom Heide (Hegndal) bei Lemvig (Danemark) gefunden hatte. Die Zucht
von Puppen von Dr. Buhr ergab bei Prof. Hering obige Art, deren Okologie noch
unbekannt war, das Puparium beschrieb ich nach einem angeschwemmten und ge-
züchteten Stück schon 1928 im lten Nachtrag p. 168.
Diese Puparien sind von braungelber Farbe, wenig glänzend, ziemlich langgestreckt,
mit undeutlichen Finschnitten. Die Mundhaken sind kurz, je mit einem langen Endzahn,
dahinter höchstens mit einem kleinen, runden Höckerchen ; das Schlundgerüst ganz
schwarz, die oberen Fortsätze fast nicht gebogen. Die Vorderstigmen sind einhörnig,
von der Seite gesehen mit ca. 9 Knospen, die Hinterstigmen oval, mit einem fast regel-
mässigen Bogen von ca. 16 Knospen. Die Warzengürtel 'sind schmal und wenig auf-
fällig, aus kleinen dreieckigen, nicht sehr dicht stehenden Wärzchen gebildet.
*Phytomyza conopodii Hering. Eos XIX, 1943 p. 56. Fig. IX, 17.
Mine an Conopodium majus (Gouan) Loret & Barr., gefunden von Dr. H. Buhr.
Ende Mai, Im. 14 Juni. Fundort Verson bei Caen (Nord-Frankreich).
Puparium schwarz, ziemlich stark gewölbt.
Schlundgerüst schwarz, obere Fortsätze wenig gebogen.
Warzengürtel mässig breit, aus kleinen zerstreuten, dreieckigen oder abgerundeten
Wärzchen gebildet. Vorderstigmen zweihörnig, mit ca. 12 Knospen. Hinterstigmen oval,
nach Schätzung mit einem Bogen von ca. 20 Knospen.
Von Dr. Buhr erhielt ich im Januar 1943 einige Minen dieser Art, welche er im
Mai 1942 gesammelt hatte, sodass ich noch etwas hinzufügen kann. Die Mundhaken
haben je 2 spitze Zähne, welche alternieren, das Schlundgerüst ist ganz schwarz, die
oberen Fortsätze sind wenig gebogen ; hinter der Sinnesgruppe findet sich weder ein
Warzenband noch ein Stirnfortsatz. Die Vorderstigmen sind zweihörnig und haben
ca. 13 Knospen mit einer Unterbrechung in der Mitte; auch die Hinterstigmen sind
zweihörnig, mit einem Bogen von ca. 14 Knospen, bisweilen ebenfalls in der Mitte
unterbrochen. Das Hinterende ist gerade abgestutzt und ohne Wärzchen.
*Phytomyza diversicornis Hendel. Fig. X, 18—22.
Im Stengelmark von Pedicularis palustris Maribo, (Dänemark), Sönderup leg. 1940.
Puparium braunrot, nach hinten etwas verjüngt, mit deutlichen Einschnitten. Obere
Fortsätze des Schlundgerüstes quer ausgespreizt, schwarz, wenig gebogen.
In den Einschnitten sind auch in den Seiten keine Warzen erkennbar, hier wohl
äusserst zahlreiche und feine Querlinien.
Vorderstigmen weit von einander, schwarz, einhörnig sehr kurz gestielt mit zahl-
reichen sitzenden Knospen. Hinterstigmen auf äusserst kurzen Trägern, oben mit runder
Fläche, worin in der Mitte eine kurz stabförmige Stigmennarbe hervorragt ; das Stigma
selbst zeigt eine radienartige Verteilung und die Radien verbreitern sich nach aussen
hin in einige Knospenstiele, die Knospen oben, z. T. an oder nahe dem Rande. Am
merkwürdigsten für diese Art sind die Stäbchen in der Mitte der Hinterstigmen, wo-
Fig. X. 18—22. Phytomyza diversicornis Hend. 18 Puparium, 19 Vorderstigma, 20 Vor-
derende, 21 Hinterstigma, 22 der Träger mit Horn. 23—25 Phytomyza sönderupi Hering,
23 Puparium, 24 Vorderstigma, 25 Hinterstigma, Phytomyza calthophila,
26 Hinterstigmen, 27 Vorderstigmen.
72 PROP. DRC. Ey DE METIERE;
durch diese Art gewissen Melanagromyzen ähnelt aus der Gruppe von M. aeneiventris
Fall. Verwandlung im Stengel-Innern. i
Hering M. Mitt. Deutsch. Entomol. Gesellsch. E.V. X No. 5/6 1941.
*Phytomyza fallaciosa Bri. ist nicht = auricomi, was eine besondere Art ist, sondern
= mimica Her.; notata Mg. (Hendel in Lindner p. 465) ist auch eine besondere Art.
von welcher ich die Larve noch nicht gehabt habe ; zu ihr gehòrt Herings Mine No. 2165.
Hering, Minenstudien 16, Deutsch. Ent. Zeitschr. 1941 p. 16.
*Phytomyza gentianae Hendel. An Erythraea centaurium Pers. Phytomyza gentianae,
deren Larven im Herbst an dieser Pflanze von den Blättern aus auch in die Stengel
gehen. Dr. Buhr 1942.
Ist richtig diese Art, die von mir beschrieben wurde in der Hauptarbeit p. II p. 262.
*Phytomyza klimeschi Hering. Eos XIX, 1943 p. 57. Fig. XI, 19.
Mine an Achillea moschata Wulf., gefunden von Herrn Klimesch zwischen dem
9. und 11. August in der Nähe des Hochjochhospizes (Oetztaler Alpen). Die Art
hatte Prof. Hering ursprünglich beschrieben nach Stücken aus Achillea clavenae L.,
an der sie Klimesch bereits am 5. Juli 1942 auf dem Traunstein fand. Von beiden
Substraten sind sowohl Minen wie Imagines vollständig identisch. Die Mine ist ausge-
zeichnet durch eine starke fadenförmige Kotspur.
Puparium breit und kurz, bräunlich schwarz, wenig glänzend, Vorderstigmen dicht
bei einander, Hinterstigmen weiter getrennt. Mundhaken mit je 2 spitzen Zähnen,
welche alternieren, Schlundgerüst ganz schwarz, unpaarer Abschnitt etwas gebogen,
obere Fortsätze stärker gebogen. Uber der Sinnesgruppe ein Warzenband, vielleicht
auch ein kleiner Stirnfortsatz, an einem Larvenrest in einer Mine nicht genügend sicht-
Dili Fig. XI. 18 Phytomyza cardui Hering e
Puparium. 19 Phytomyza klimeschi He-
= Sf ring, a Puparium, b Vorderstigma, c
es Schlundgerüst, d Hinterstigma. 20 Phy-
tomyza plantaginis R. D. a Schlundge-
rüst, b Hinterstigma. 21 Phyfomyza oro-
) banchia Kalt. Hinterstigma.
bar. Warzengürtel schmal, aus zerstreuten kleinen dreieckigen nicht spitzen Wärzchen
bestehend. Vorderstigmen einhörnig, von der Seite mit ca. 7 Knospen, im ganzen mit
ca .9; der Träger unten mit einem breiten Höcker ; Hinterstigmen mit einem unregel-
mässigen Bogen von ca. 14 Knospen, an jedem Ende mit einer Gruppe von 5—6, die
dazwischen liegenden mehr gesondert oder anschliessend und dann etwas zahlreicher.
Hinterende abgerundet, ohne Wärzchen.
Phytomyza orobanchia Kalt. Fig. XI, 21.
Aus Orobanche cruenta Bert. in dem Stengel bzw. Wurzelhalse, wo die Larven das
Parenchym verzehren ; die Art tritt gelegentlich als echte Miniererin auf. Dr. Buhr
leg. 1942. Desgleichen in Orobanche minor Sutt.
Diese Art beschrieb ich schon in der Hauptarbeit p. II p. 279.
Mundhaken gross, je mit 2 Zähnen. Über der Sinnesgruppe weder Warzenband
noch Stirnfortsatz. Die oberen Fortsätze unten mit breitem Saume, welcher schwarze
Wärzchen trägt. Die Warzen in den Gürteln stehen unregelmässig zerstreut und ziem-
lich weit aus einander. Vorderstigmen zweihörnig, Hinterstigmen desgleichen.
In Fig. 104a der früheren Beschreibung ist die punktierte Linie zu entfernen.
*Phytomyza penicilla Hend. Fig. XII, 23.
Die Larven dieser Art leben ganz genau so wie die von Phyfomyza cardui in den
Blättern von Lactuca scariola bei La Baule (Loire inf.). Dr. Buhr leg.
Puparium 4 mm lang, zart, weiss bis sehr hell bräunlich gelb, mit deutlichen Ein-
schnitten, Mundhaken mit je 2 Zähnen, welche alternieren. Schlundgerüst schwarz, wie
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 19
bei cardui gebildet. Warzengürtel schmal, aus zerstreuten, winzigen, dreieckigen Wärz-
. chen bestehend; Vorderstigmen klein, einhörnig, mit 2 etwas unregelmässigen Reihen
von ca. 20 Knospen, Hinterstigmen von gleicher Bildung aber unregelmässiger, je mit
etwas mehr als 20 Knospen.
Fig. XII. 22 Phytomyza cine-
racea Hend. a Puparium, b
Mundhaken, c Schlundgeriist,
d Vorderstigma, e Hinterstigma.
23 Phytomyza penicilla Hend.,
a Puparium, b Schlundgeriist,
c Vorderstigma, d Hinterstigma.
Phytomyza spec. Fig. XI, 20.
Im Stengel minierende Larve bei Plantago lanceolata L. Verpuppung im Stengel.
Dr. Buhr leg. 1942.
Die kleine Larve des 2ten Stadiums, welche ich erhielt, gehôrt wohl zu der neuen
Art im Stengel dieser Pflanze, welche ich im folgenden Nachtrag beschreiben werde.
*Phytomyza sisonis Hering. Eos XIX, 1943 p. 58. Fig. XIII, 24.
Mine an Sison amomum L., gefunden von Dr. H. Buhr bei Verson bei Caen. Nord-
frankreich, 9 Juni, Imago am 16. Juli 1942.
Puparium glänzend schwarz, breit, stark gewölbt. Enschnitte undeutlich. Schlundgeriist
ganz schwarz, obere Fortsätze wenig gebogen. Warzengürtel breit, mit zahlreichen
zerstreuten, kleinen, dreieckigen Wärzchen. Vorderstigmen dicht beisammen, rauten-
förmig. Jedes dieser hat eine Längsreihe von ca. 9 kurz gestielten Knospen, an welche
sich hinten noch ca. 4 zurücklaufende anschliessen und vorn auch noch eine. Hinter-
stigmen zweihörnig, das hintere Horn länger, mit ca. 25 Knospen.
Phytomyza sonchi R.D. Fig. XIII, 25.
An Helminthia echioides Gaertn. im Blatte minierend ; Verpuppung ausserhalb der
Mine. Dr. Buhr leg. 1942.
Fig. XII. 24 Phytomyza sisonis
Hering a Puparium, b Schlundge-
rüst, c, d Vorderstigmen, e Hinter-
stigma, 25 Phytomyza sonchi R.
D. a, b Vorderstigma, c Hinter-
stigma. 26 Phytomyza tenella
Mg. Puparium. 27 Phytomyza
spec. an Umbilicus, Hinterstigma.
Mundhaken je mit 2 Zähnen, diese alternierend. Schlundgeriist schwarz, obere Fort-
sätze wenig gebogen und ziemlich dünn, unpaarer Abschnitt nur etwas gebogen, ziem-
lich lang. Warzengiirtel mässig breit, mit dreieckigen, braunen, zerstreuten Wärzchen,
die vorderen am kleinsten, die hinteren am grössten und mehr in Reihen. Über der
Sinnesgruppe kein Warzenband, ein keiner Stirnfortsatz wahrscheinlich vorhanden.
74 PROP. ‘DR, JCH DE MEIJERE,
Vorderstigmen zweihörnig, mit ca. 8 Knospen. Hinterstigmen oval, mit einem etwas
unregelmässigen Bogen von 22-—26 Knospen. Hinterende abgestutzt.
Meijere, J. C. H. de, Hauptarb. II, 267, (als lampsanae Her.) Nachtr. 3. 205, 231.
*Phytomyza sönderupi Hering. Fig. X, 23—25.
An Caltha palustris; die Larve lebt sowie Hering es in seinem Minenwerke für
Ranunculus angegeben hat unter No. 2159a. Gangmine aus dem Blattstiele kommend,
später verzweigt; oft stossen mehrere Gangstücke stollenförmig aus dem Blattstiel in
die Blattspreite. Maribo (Dänemark) Sönderup leg. 1940.
Nach Hering, Minenstudien 16, Deutsch. Entom. Zeitschr. 1941 p. 20 ist es noch
nicht sicher, ob die Stollen in dem Blatt von dieser Phytomyza herrühren oder von
Neosciara globulifera Lgdf., deren Larven ebenfalls in den Blattstielen gefunden wur-
den. Daselbst auch die Beschreibung der Imago.
Die Mine No. 2159a an Ranunculus soll nach Buhr, Meckl. Minen IV, Archiv,
Vereins Freunde Naturg. in Mecklbg. N. F. Bd. 15, 1941 p. 82 eine Ephydride ge-
liefert haben.
Puparium 2,5 mm lang, bräunlich schwarz, matt, nach hinten schmäler, ohne sicht-
bare Einschnitte. Oberfläche mit zahlreichen unregelmässigen weit getrennten Querlinien.
Mundhaken mit je zwei Zähnen, die Haken wenig an Grösse verschieden. Schlund-
gerüst schwarz, die oberen Fortsätze neben einander liegend, schmal, wenig gebogen.
Warzengürtel sind auch an den Seiten nicht erkennbar, auch an dem oberen Deckel
sieht man keine. Vorderstigmen nicht weit von einander auf gemeinsamem Sockel,
einhörnig mit zahlreichen Tüpfeln. Hintere Stigmenträger relativ gross, konisch, in
bestimmter Richtung sieht man die zwei Hälften des Hinterstigmas, je mit zahlreichen
Tüpfeln.
Das Puparium sieht demjenigen von Ph. calfhophila Hering (Hauptarb. II p. 276 als
nigritella Zett.) sehr ähnlich, auch was die Hinterstigmen anlangt, welche hier bei der
Larve deutlich in zwei bandfôrmige Teile getrennt sind (Fig. 26), was wahrscheinlich
auch bei sönderupi der fall ist. Als Unterschiede sah ich nur, dass bei der altbekannten
Art die oberen Fortsätze in der Endhälfte braun sind; wenigstens die Larven be-
sitzen hier Warzengürtel, beim Puparium kann ich sie aber auch hier nicht erblicken.
Nach Hendel in Lindner, Agromyzidae p. 368, handelt es sich bei Hering. Zeitschr.
f. Morphol. u. Ökol. der Tiere, Bd. 4, 1925, p. 509, Fig. 4 um calthivora Hend., die
Hering als mit albimargo Her. nächstverwandt angibt. In den Hinterstigmen sehen
calthophila Her., calthivora Hend. und sönderupi «Her. einander ähnlich ; calthivora und
s6nderupi weichen durch die auf gemeinsamem Sockel stehenden Vorderstigmen von
calthophila ab, wo dieser fast fehlt.
Die Träger stehen bei calthivora nach Herings Figur senkrecht nach aussen, bei
sönderupi divergierend oder parallel nach vorne.
Von calthae Her. ist Larve und auch Puparium noch unbekannt.
*Phytomyza tenella Mg. Fig. XIII, 26.
Von Herrn Sönderup erhielt ich ein paar Puparien, welche er zu Th born bei
Lemvig, wohin er von Maribo übergesiedelt ist, in Früchten von Odontites (Euphrasia)
rubra L. gefunden hatte. Hendel hat in Lindner p. 489 mitgeteilt, dass er Ph. tenella Mg.
einmal zahlreich auf Euphrasia rostkowiana gekôtschert hat; es kam bei Prof. Hering
wirklich diese Art heraus; er fing sie auch an Melampyrum.
Diese Puparien sind den übrigen von Rhinanthaceensamen lebenden Arten in der
Gestalt sehr ähnlich ; sie sind breit und stark gewölbt, glänzend schwarz, die Hinter-
stigmen auch von demselben Bau, rund mit einem geschlossenen Kreis von Knospen,
ich zählte ca. 25 ; dadurch und durch die schwarze Farbe sind sie denen von Ph. vari-
pes Macq. am ähnlichsten, die in Rhinanthussamen lebt.
Phytomyza veratri Hering. Die Beschreibung dieser Art findet sich in Minenstudien
16, Deutsch. Ent. Zeitschr. 1941 p. 13.
Phytomyza spec. Fig. XII, 27.
In Blasen an Umbilicus (Crassulaceae) ; Dr. Buhr leg.
Ich erhielt zwei Blättchen, die Blasen Fassan nur den Rand frei und enthielten je
ein Puparium, welches leider zerstümmelt war; ich könnte nur sehen, dass sie ziemlich
hell grau und zart waren; die schmalen Gürtel haben kleine, zerstreute dreieckige
Wärzchen, die Hinterstigmen sind zweihörnig, mit einem fast regelmässigen Kreise
von ca. 10 Knospen.
Phytomyza sp. Nachtr. 3 p. 240. Diese Art habe ich nur gesehen von Pimpinella
magna, Neuhaldensleben, die von P. saxifraga von Teterow, Ribnitz, Sollin auf Rügen,
TITLE
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 75
waren die richtige adjuncfa Her. (ibid. p. 208). Nach Buhr, Meckl, Min. IV p. 77
auch an P. saxifraga.
Ptochomyza Hering i. litt.
*Ptochomyza asparagi Hering. Zeitschr. Pflanzenkrankh. 52, 1942, p. 529—533. Fig.
XIV, 1-8.
Anfang September 1941 erhielt ich von Dr. Buhr einige Zweige von Asparagus
officinalis welche von einer kleinen Agromyzide miniert waren; er hatte sie im Dorfe
Zinna bei Jüterborg (Mark Brandenburg) am 30ten August gefunden. In dieser Pflanze
war bis jetzt in Deutschland nur Melanagromyza simplex Löw bekannt, in seinem
Material aus Süd-Europa hatte ich zweierlei Agromyziden-Minen angetroffen, deren
Larven ich in meinem 3ten Nachtrag zu den „Larven der Agromyziden” in Tijdschrift
voor Entomologie 80, 1937, beschrieben habe, eine grössere Art mit den Merkmalen
von Ophiomyia in den Zweigen, von Istrien (Brioni, Carlo di Leme) und eine kleinere,
von welcher ich die Gattung nicht angeben konnte von Istrien (Brioni) und Korsika
Fig. XIV. 28 Ptochomyza asparagi Hering, 1 Larve, 2, 3 Vorderende, 4 Warzen-
gürtel, 5 Hinterstigmen, 6 Vorderstigmen, 7 oberer Deckel des Pupariums, 8 Puparium.
(Ajaccio, Barbicaja) in den Nadeln. Beide hat auch Dr. Buhr in seiner vor kurzem
erschienenen Abhandlung über süd-europäische Minen, in Stettiner Entomol, Zeitung
102, 1941, p. 88 behandelt. Es war zunächst die Frage, ob die jetzt gefundene mit
einer der südlichen Arten identisch sei ; es zeigte sich mir bald, dass das nicht der Fall
ist, dass sie jedoch der zweiten, kleinen Art sehr nahe steht, womit auch stimmt, dass
hauptsächlich Nadeln befallen waren, obgleich auch in den Zweigen selbst einige vor-
handen waren. Für die Lärvchen genügt meistens eine Nadel, die hier ca. 2 cm lang
waren; die Puparien finden sich am Ende der Mine und nehmen die ganze Breite
derselben ein ; sie liegen bald nahe der Basis, bald nahe der Spitze der Nadeln, sodass
die Mine sowohl von oben nach unten, wie von unten nach oben verlaufen kann;
es scheint mir meistens nach unten.
Die Larven sind von gelber Farbe, jüngere wenigstens hinten gelblich ; sie werden
nur 1,5—2,5 mm lang, unter den in den Zweigen sind die längsten ; sie sind in Überein-
stimmung mit ihrem engen Wohnorte von schmal zylindrischer Gestalt mit parallelen
Seiten. Die Mundhaken haben je zwei Zähne, die nicht alternieren ; das Schlundgerüst
ist ganz schwarz, mit einheitlichen oberen Fortsätzen, der untere Fortsatz ist ziemlich
breit und ebenso lang wie der obere, von einer Gräte als Rest des unteren Flügels ist
nichts vorhanden ; der unpaare Abschnitt ist kurz. Zu beiden Seiten der Mundhaken
findet sich eine nach unten gerichtete Falte, welche an ihrem uneren Ende Wärzchen
trägt. Die Sinnesgruppe zeigt in der Mitte ein schwarzes Fleckchen von rautenförmiger
oder V-förmiger Gestalt; hinten wird sie durch eine Warzenreihe begrenzt. An den
Ringgrenzen zeigt sich je ein Warzenring von äusserst kleinen Wärzchen, welcher
dorsal etwas breiter ist; am Prothorax ist sie ventral am stärksten. Das letzte Segment
endet unten mit einer zweiteiligen Wölbung, welche oben einen Einschnitt zeigt und
weniger Linien zeigt als die südliche Art, sondern fast glatt ist. Vorn liegen unmit-
telbar neben einander die ziemlich langen Träger der Vorderstigmen, die in zwei un-
regelmässigen Reihen mehrere Tüpfel ragen, das Stigmenfeld ist dunkel, die Träger
76 PROEF DRAC EH DEIMEIJERE:
sind hell gefärbt. Die Hinterstigmen liegen dicht bei einander auf dem verschmälerten
Endteil des Körpers auf kurzen Trägern und führen mehrere Tüpfel in zwei Reihen,
enden mit einer Spitze und sind wieder im Gegensatz zu den Trägern dunkel gefärbt.
Das Puparium ist von schmaler Gestalt und endet vorn mit den zwei Vorderstigmen
in V-Form, die die Epidermis der Nadel durchbohren, und hinten mit den zwei weit
ausgespreizten Hinterstigmen ; jetzt sind auch alle Träger von dunkler Farbe. Das
Puparium selbst hat eine gelbe Grundfarbe und ist grossenteils verdunkelt, sodass es
ohne Vergrösserung fast schwarz aussieht, es kann auch schwärzlich mit gelben Quer-
binden sein; es ist ca. 1,5 mm lang, die im Stengel wieder etwas länger, bis 2 mm.
Aus der Beschreibung geht hervor, dass diese Art namentlich durch die Gestalt der
Hinterstigmen von der südlichen abweicht ; im übrigen stimmt fast alles ; selbst der Zahn
auf dem Träger der Vorderstigmen ist vorhanden.
Dieser Fund ist namentlich deswegen von Interesse, weil ich von der südlichen Art
die Gattung nicht angeben konnte. Von der jetzt vorliegenden hat Prof. Hering ausge-
dehntes Zuchtmaterial von Dr. Buhr erhalten und es schlüpften ihm aus diesem am
12 Februar 1942 die ersten sehr kleinen Fliegen in beiden Geschlechtern, die 4 &
0,9, de © © 1,3 mm lang; er befand, dass es eine Phyfomyza-ähnliche Fliege ist,
welche namentlich Ph. pulchra Hend, gleicht, aber sich namentlich durch den Besitz
von nur einer Notopleuralborste, welche in der Mitte des Notopleuraldreiecks steht,
von dieser Gattung unterscheidet, weshalb er sie in eine neue Gattung, Pfochomyza,
stellt. Was die Larve anlangt, so unterscheidet sich von den Gattungen mit einheit-
lichen oberen Fortsätzen Liriomyza dadurch, dass der Vorderzahn bei dieser durch
Grösse auffällt, bei Phytagromyza ist meistens eine deutliche Gräte als Rest des unteren
Flügels vorhanden ; Cerodonta hat ganz andere Stigmen ; Dizygomyza und auch Phy-
tomyza haben oberhalb der Sinnesgruppe nie eine einzige Warzenreihe, auch die an-
deren Gattungen nicht ; auch sind die Vorderstigmen meistens von anderem Bau; diese
erinnerten mich sehr an das Verhalten von gewissen Melanagromyza- und Ophiomyia-
Arten.
Zu dieser neuen Gattung würden nur die beiden Arten aus Asparagus gehören, die
deutsche aus A. officinalis und die süd- europäische aus À. acutifolius.
Gymnophytomyza Hendel.
Gymnophytomyza heteroneura Hendel.
Bei der Zucht in einem Glaszylinder sah ich vom 30ten Juni ab die Copulation
sowohl am Morgen als am Mittag auch auf den Früchtchen von Galium. Am 3ten
Juli sah ich zum ersten Mal, dass ein © in ein Früchtchen dieser Pflanze bohrte. Die
Eier sind spulförmig, weiss, 0,25 mm lang, 0,1 mm breit ; die erwachsenen Larven sind
schmutzig weiss, 215 mm lang; sie verpuppen in der Erde.
ERRATA.
Zu Nachtr. 3, 1937 :
p. 193 Zeile 10 v. u. und der Mundhaken ist zu streichen.
p. 201 Zeile 10 v. o. sonchi R. D. soll heissen sonchi Hendel.
Zu Nachtr. 4, 1938:
p. 105. 1. Col. zwischen Zeile 6 und 7 ist einzuschalten
ALECTOROLOPHUS (= RHINANTHUS)
Phytomyza varipes Macq.
p. 106 2te Columne Zeile 17 v. u. Hend. soll heissen Hering.
p. 110 Iste Columne, nach Zeile 20 v. o. ist zu lesen:
Liriomyza sonchi Hend. (als hieracii Kalt.) I. p. 279 N. 4. 83.
Phytomyza sonchi R. D. N3. 205 231.
p. 114, 2te Columne, nach Zeile 10 v. o. ist einzuschalten
SCABIOSA.
p. 166, 2te Columne 12 v. o.:
Phytomyza tenella Mg. ist zu streichen, dies war Phyt. asteris Hend.
Zu Nachtr. 6, 1941:
p. 21 Zeile 23 v. o. ist zu lesen:
oben, bei der Spitze oder vorher drehen sie sich um und geht die Mine, sich verbrei-
ternd, nach unten.
p. 27 Zeile 8 v. o. mutellinum soll heissen mutellina Gaertn.
Zur Orientierung über das von Dr. Buhr besuchte Gebiet in Bulgarien méchte ich
hinweisen auf: Toeristenkampioen VI 15 März 1941 p. 246—248. Da findet sich auch
eine Abbildung des Rila-Klosters ; auch einige in VII von 7 Maart 1942, p. 115—117.
On the genera Dudusa Walk. and Tarsolepis Butl.
in the Dutch East Indies
(Lepidopt. Het., fam. Notodontidae)
by
W. ROEPKE, Wageningen
(Entomological Laboratory).
The specimens of the above named genera belong to the most striking Notodontid
moths in the entire Far East. When alive, they are conspicuous not only by there
large size and their sphingoid appearance, but still more so, by the peculiar manner
they have of moving the elongated abdomen up and down, with the spatulate anal
hairs widely spread out in all directions. This attitude is a reaction when being disturbed.
The thorax shows a high crest which is less distinct in dried specimens.
1. Dudusa.
This genus was founded by Walker (1865), for his only species nobilis from
North China. This locality, however, seems to be somewhat doubtful, as the insect
has never been recorded again from this region. A second species is sphingiformis
Moore (1872) from North India, a third one was described by Snellen (1880)
from Central Sumatra as Crinodes vethi. This species of which I have seen the type
specimen in the Leiden Museum, corresponds exactly which what is generally called
nobilis Walk., as far as its general appearance is concerned. Hampson (1896)
records nobilis from the Khasis, Malacca and Celebes, Swinhoe (1907) also from
Singapore. In the same year, Swinhoe established a new species, synopla, from
the Khasis which is treated by Gaede in Seitz X (1930) as a subspecies of
nobilis. Unfortunately, this author gives as locality, erroneously, Formosa.
In 1922, Mell described two species from South China, the first of which he calls
sphingiformis distincta, hab. North Kwantung. He compares it with specimens from
the Archipelago (speaking of „Inselindier') and he pays special attention to the silvery
patch below r3-forewing. Sphingiformis, however, is not known from the Archipelago,
so that he probably means nobilis ; but in this species, the r3-patch is not silvery, but
pure white or creamy, its extension being rather variable.
The second species is introduced by M ell as D. (sphingiformis ?) rufobrunnea from
South Kwantung. I cannot imagine, from the description only, what it may be, probably
it is a distinct species.
Finally, Matsumura (1925, 1929) added two species from Formosa, as fumosa
and baibarana, which also remain unknown to me.
The occurence of D. nobilis in Continental India and in Upper Burmah is stated by
Bell (1936) and by Carrot (1936) recently.
The life history of this insect in Java is fully described by Roepke (1919) and
in India by Mell (1936), the descriptions of the caterpillars as given by both authors,
agreeing fairly well. The only known food plant in Java is Nephelium lappaceum
(Sapindac.), whereas Bell gives Schleichera trijuga (Sapindac.) for the Indian form.
As already stated by Hampson, the species occurs in Celebes. It is represented
from this island, by a number of specimens in the Leiden Museum, in the Zool. Museum
Amsterdam (Artis) and in the Wageningen collection. Furthermore, I have a male
from Samarinda. S. E. Borneo, leg. Qu. de Quarles; it is, however, in a badly
worn state, and the wings are so completely rubbed off that nothing can be said about
its pattern. Thus, the range of D, nobilis covers a fairly large area, from Northern
(?) and Southern China into Continental India, through Burmah and Malacca to
Singapore, Sumatra, Java, Borneo and Celebes; only the first cited locality, N. China,
remaining rather doubtful.
Now the question arises, if the insular forms of this species must be considered as
subspecies. The continental forms must remain beyond consideration, on account of lack
of material.
Of the Sumatran form, I am only acquainted with Snellen’s type specimen
from Surulangun, Central Sum,, and with a second specimen, a female, from Palem-
bang, both in the Leiden Museum. There is no other material available from this
78 W. ROEPKE,
island; I have never received it among large series of Heterocera from various parts
of Sumatra, so that it must be a rare species there,
In Java, it is common from low elevations (Buitenzorg 250 m), penetrating into the
mountainous region up to 1500 m or higher (Perbawattee, W. J.; Djunggo-Ardjuno ;
Nongkodjadjar ; Idjen Plains, E. J., all above 1000 m). As the caterpillar lives on an
ordinary fruit tree, planted ‘everywhere in the native villages, the insect is one of the
5mm
Fig. 1. Male genitals of D. nobilis javana, from Java. Unc uncus, sca scaphium, aed
aedeagus, va valva, ha aborted harpe? One valva ommitted.
common features of the densely populated cultivation zone. Its general coloration is
somewhat variable, from greyish brown to more or less vivid fulvous, especially the
specimens from the higher mountains showing the brighter coloration.
The male genitals, as far as examined in several specimens from different localities,
show practically no variation. See fig. 1. They are of a robust, rather simple con-
struction. The uncus is deeply bifid and strongly bent downwards; below it, a long
and movable paired appendix is attatched, perhaps a scaphium sensu Pierce. The valva
is simply built, short and rather broad at base, the apex bent inwards in a somewhat
complicated manner, its lower, thickened margin, near middle, bears a small, sharp tooth,
also directed inwards, not unlikely an aborted harpe. The aedeagus is straight, slender,
at its tip are some chitinous teeth. In some specimens, it bears a small, chitinous tooth
at its ventral surface, at a distance of about 14 from apex.
Examining these organs of a male from N. Celebes, one is immediately struck by
the obvious differences they show in comparison to the Javanese Dudusa. See fig. 2.
The whole structure is less robust, the bifid uncus and the paired scaphium are much
shorter, the valva is weaker and more slender, the margins not thickened and the lower
margin without a tooth. The aedeagus is slightly angled, the placing of the spinules
near its apex is quite different, they are not arranged in different rows. See fig. 2.
The only Bornean specimen shows again quite a different structure. See fig. 3. The
bifid uncus and the paired scaphium are slender, the valva is triangular, broad at base
and tapering strongly towards apex. The inner tooth at lower margin is well developed,
in the slide more directed downwards. The aedeagus is slender, slightly curved
upwards, its apical structure consists of a large number of spines, arranged in two rows.
When considering the three described structures, one must admit that the Dudusa's
from Java, Celebes and Borneo exhibit differences even so remarkable that judging
from the slides alone, one would not hesitate to consider them as three distinct species.
There are, at least, many examples of certainly „good” species in other Lepidopera
ON THE GENERA DUDUSA WALK. ETC. 79
So NN
ed
Fig. 2. Male genitals of D. nobilis celebensis, from N. Celebes.
The same explanation as in fig. 1
the genitals of which are less different. In view of these structural differences, I
think it advisable to treat these insects as subspecies, proposing the following names :
Dudusa nobilis celebensis n.ssp.: Tondano, N. Cel.
Dudusa nobilis borneensis n.ssp.: Samarinda, S.E. Born.
It is inconvenient, of course, that nothing is known about the structure of the topo-
typical nobilis from N. China nor of those from other regions. If the Sumatran and
Javanese forms might differ from it, and provided that the Sumatran and Javanese
Dudusa are not identical infer se, the following names become appliable :
Dudusa nobilis vethi Sn.: Centr. Sum,
Dudusa nobilis javana n. ssp.: Java.
As already pointed out, the two only known Sumatran specimens correspond with
Javanese ones, regarding their general appearance. About the feature of the only
Bornean male, unfortunately nothing can be said, on account of its bad state. The
Celebes specimens are more brightly coloured, more fulvous and therefore somewhat
resembling the Java specimens from the higher mountains. The hind margins af the
black scaled abdominal tergites are more sharply defined by white scaling, a dorsal
ochreous streak is more or less distinct. The marginal lunules of both wings are more
prominent than in Javanese specimens. The shape of the wing may be a little broader,
although the specimens from Java show some variation in this respect. A female in the
Leiden Mus., labelled Gurupahi, N. Cel., 20.7.17, leg. Kaudern, measuring 112 mm
from top to tip, has the wings obviously broad. The Wageningen coll. has three males
from Todjambu, near Paloppo, Centr. Cel. leg. Toxopeus; they correspond, in
regard to their general feature, exactly with the specimens from N. Cel,
Bibliography of Dudusa nobilis.
Walker (1865): List 32, 447 4 : N. China. — Snellen (1880): Midd.-
Sum.- Exp. Lep., 40 ¢, pl. 4, fig. i—2 4 (Crinodes vethi) : Centr. Sum. 4 (Java
2). — Swinhoe (1892): Cat. Ox. 1, 303: N. China; Singap. — Hampson
(1896) : Fauna Br. Ind., Moths 4, 453: N. China; Khas. ; Mal. ; Cel. — Swinhoe
(1907) : Ann. Mag. NH. (7) 19, 205: Ichang; Cel. ; Khas. ; Singap. ; Mal. ; Sum. ;
id. ib, 205 9 (synopla) : Khas. — Hampson (1910): Jrnl. Bomb. N.H. Soc. 20,
80 W. ROEPKE,
89 © : Khas. — Koningsberger (1913): Trop. Nat. 2, fig. on pl. (both not
numbered) 4 : Java; id. (1915) : Java Zool. & Biol. 143 (Dudusa sp.). — Roepke
(1919) : Trop. Nat. 8, 72, fgg. (1, 4, 9). — Mell (1922): Dtsche. Ent. Ztschr.,
121 & 2 (sphingiformis distincta): N. Kwantung; id. ib. (sphingif. rufobrunnea ;
an species alter?) : S. Kwantung. — van Eecke (1930): Het. Sum. sep. 421 4
(D. vethi): Sum.; Java. — Gaede (1930): Seitz 10, 608, pl. 79 b (nobilis); id.
(1934) : Lep. Cat. pars 59, 6. — Bell (1936) : Jrnl. Bomb. NH. Soc. 38, 134, pl. 1,
& ©, pl. 2, 1. & p.: North Canara, Western Ghats. — Carrot (1936): ib. 633:
Upp. Burmah.
Fig. 3. Male genitals of D. nobilis borneensis from Samarinda, S.E. Borneo.
The same explanation as in fig. 1.
2. Tarsolepis.
This genus was founded by Butler (1872) on his sole species remicauda, from
Batavia. At present, several species are placed in this genus, enlisted by Gaede
(1930, 1934). The two oldest known species have caused some difficulties to the
systematist, as I have already shown earlier (Roepke 1932). These species are
sommeri H b. and remicauda Butl., they are generally confounded by several authors,
only van Eecke (1930) and I myself (1932) express some doubt regarding their
specific value.
Having now some more material at my disposal, the question becomes quite clear
and may be explained in the following way. There are indeed two different species,
viz. the above named sommeri and remicauda ; probably several of the other described
species are merely subspecies of the one or the other, and by the following discussion,
later authors may be able to classify them correctly.
T. sommeri is chiefly known from Java, T. javana Swinh. (1907) is a mere
synonym, I saw the type specimen in the Brit. Mus. I have two males from Sumatra
also, the locality is Sunggei Mengkarang, Djambi, 9. 25, leg. Posthumus. These
are the only specimens, I know from that island. Furthermore, it is recorded and cor-
rectly figured by Semper (1896) from the Philippines. In 1904, Bethune-Baker
described a T. sommeri dinavensis from Dinawa, Br. N. Guinea. He says that the
femoral tuft of the hindleg is not scarlet, but pale ochreous. I cannot decide, if it belongs
to sommeri or to remicauda. Marumo (1920) mentions sommeri from Japan; in his
diagnosis of the genus, he states correctly that the hairbrushes do not originate from
the hind legs, but from he underside of the abdomen. Unfortunately, he does not mention
the colour of these brushes, and from his figure 9 B on pl. 31, I am not able to con-
clude with certainty if one has to do with sommeri or with remicauda, the abdomen of
sommeri also being very hairy at the base of its underside.
ON THE GENERA DUDUSA WALK. ETC. 81
In Java, sommeri is generally uncommon, at certain times, however, it develops
numerously, the caterpillars then are defoliating the food plant, Nephelium lappaceum.
This is also the case in Sumatra, as described by Leefmans (1919).
The species is of a more greyish brown coloration in both sexes. In the male, the
antennae are bipectinate, except in the apical one third. The female has the antennae
practically filiform, as already figured by Hübner, so that his type specimen must
have been a female. Semper also figures the female correctly and Leefmans
mentions the filiform antennae of this sex. The abdomen at base of its underside is
thickly haired in both sexes, in the male, I cannot discern a special brush formation at
this place. i
Fig. 4. Male genitals of T. sommeri Hb. from Java.
Same explanation as in fig. 1; a. t. anal tube.
The male genitals are of the same type as in Dudusa, the uncus being strongly
curved and bifid, the paired scaphium well developed, the anal tube being elongated.
See fig. 4. The valva is rather broad, with the upper and lower margin thickened, the
apex simple, blunt. The thickened lower margin ends about midway in two internal
processes of unequal length which may represent the harpe. The larger one is simply
pointed. In the apical portion of the aedeagus, a number of irregular spiculi is visible.
The genitals of one of the above mentioned males from Sumatra are exactly the same,
regarding the structure of the uncus and the valva; the aedeagus has the tip broken
off so that nothing can be said about its structure.
The other species, T. remicauda, was described by Butler (1872) from Batavia.
Hampson (1893) does not mention this habitat, but gives Sikkim and Borneo. Van
Eecke (1930) records two males from Tapanuli, Sum., Roepke (1932) one male
from Deli, N.E. Sum. The Wageningen coll. has one male from Blawan, Idjen, E. Java,
about 1000 m, leg. Lucht, and one female, from Perbawattee, W.J. leg. Walsh,
about 1000 m. The Leiden Mus. has one male from Gurupahi, N. Cel., leg. Ka u-
dern. In this specimen, the ground colour of fore wing is more cinereous, the hind
wing being lighter greyish too. In the fore wing, the postmedian line, bordering the
silvery spots, is less bent inwards. This specimen may perhaps represent a new sub-
species. The distribution of remicauda, as far as is known with certainty, thus becomes
India, Sumatra, Java and Celebes. Borneo, as mentioned by Hampson, remains
rather doubful, until it becomes confirmed by renewed examination or by new material.
When Butler had published his diagnosis, there arose a controversy between
him and Mr. Ritsema from the Leiden Mus. who claimed that the species had
already been known long ago as Crinodes sommeri Hb. but now we only can state
that both authors were right, Ritsema only had the sommeri specimens in the
Leiden Mus., Butler had described a distinct species indeed, without having
knowledge of sommeri, however. From this moment, the confusion of both species in
literature started.
82 W. ROEPKE,
There can not be the slightest doubt that remicauda is virtually a distinct species.
It is mostly larger than sommeri, its general coloration is more saturated greyish brown
in the male; the only female, at my disposal it is even of a beautiful purplish brown.
The male has a pair of very obvious crimson hair brushes at the base of abdomen
underside, as already correctly stated by Butler. They may be erectile, but even in
dried specimens, they are clearly visible. The statement of Hampson and other
authors that these brushes originate from the hind femora, is evidently wrong; Ma-
rumo has drawn attention to this fact. In sommeri, no such tufts are present, or are
they in dried specimens not to be distinguished from the surrounding very dense pilosity.
Emm
Fig. 5. Male genitals of T. remicauda Butl. from Java.
Same explanation as in fig. 1 and 4.
The male genitals of remicauda have a great resemblance to those of sommeri ; see
fig. 5. The apex of the valva, however, is broader, the larger part of the harpe which
is simply pointed in sommeri, is broadened also, its shape becoming somewhat hatchet-
like. The aedeagus has the spiculi less numerous and more delicate; dorsally, it bears
a small, thorn-like process.
The only female at my disposal, is at once characterized by the structure of its
antennae which are distinctly bipectinate over two third, though of course not so
strongly as in the male. Bij this structure, it may be easily distinguished from the
sommeri female which has the antennae practically filiform, as already mentioned.
In 1917, Rothschild described a T. rufobrunnea and figured two specimens of it,
from Travancore and the Khasis, announcing them as males. Gaede (1930, 1934)
treats it as a subspecies of remicauda which he calls sommeri. Indeed, there is some
possibility that the Indian form represents a subspecies and that, therefore, the name
rufobrunnea must be applied to it. On the other hand, however, Rothschild may
have described the female, though he speaks of males ; in his short diagnosis, he mentions
the purplish groundcolour, also prevailing in the female from Java, furthermore, he
describes the antennae with the ,,pectinations short’, finally he does not allude to
the crimson hair brushes so obvious in the male sex.
The life history of T. remicauda seems to be completely unknown.
Bibliography of Tarsolepis sommeri.
Hübner (1824): Samml. Exot. Schm. 2, pl. 410 (129), fig. 1—2 2 (Crino):
S. America (ex err, rect. Java). — Ritsema (1872): Ann. Mag. NH. (4) 10,
228, 446; id. (1872) : The Ent. Mo. Mag. 9, 94, 164 (remicauda Rits. nec Butl.):
Java. — Piepers & Snellen (1876—77): Tijds. Ent. 20, 16 (Crinodes) : Java.
— Snellen (1879—80): ib. 23, 99 footnote: Java, nec S. Amer. — Semper
(18961902): Schmett. Phil? Ins 2, 409, pl. J, tig. ONE Epl NS MS
(T. sommeri) : Luzon, Phil. — Swinhoe (1907): Ann. Mag. NH. (7) 19, 204 &
ON THE GENERA DUDUSA WALK. ETC. 83
(T. javana) : E. Java. — Leefmans (1919): Trop. Nat. 8, 21, 6 figg. (remicauda
nec Butl.) : Padang, Sum. — Gaede in Seitz 10, 607 (javana). — Roepke
(1932) : Mém. Mus, Roy. N.H. Belg., hors série, 4/6, 82, (sommeri sommeri). —
Gaede (1934): Lep. Cat. pars 59, 5 (sommeri).
Bibliography of Tarsolepis remicauda.
Balten (1872); Ann Mag N.H. (4) 10,125 3, pl: 8 4 : Batavia; id. ib. 274;
id. (1872) : The Entom. Mo. Mag. 9, 111. — Snellen (1880): Midd.-Sum. Exp,
Lep., 40 4 (Crinodes sommeri nec Hb.): Centr. Sum. — Hampson (1893):
Héuna Br. Ind. Moths 1,127 4, fig, 73 & : Sik.; Born.; id. (1896): ib. 4, 453
(sommeri nec Hb.). — Bethune-Baker (1904): Nov. Zool. 11, 373 4 (som-
meri dinavensis) : Dinawa, Br. N. Guin. — Rothschild (1917): Nov. Zool. 24,
25300 (rectius (O0) pl. 7, fig. 11, 12 & (rectius © ?) (rufobrunnea): Travan-
core; Khasis. — Gaede (1930): Seitz 10, 607 (sommeri nec Hb.). — Roepke
(1932) : Mém. Mus. Roy. H.N. Belg., hors série, 4/6. 82 (sommeri remicauda) : NE.
Sum. — Gaede (1934): Lep. Cat. pars 59, 5 (sommeri p.p.).
SUMMARY.
1. The male genitals of the Notodontid moth Dudusa nobilis W1k. from Java,
Celebes and Borneo differ so considerably that it is advisable to regard these forms
as subspecies: D. nobilis javana, nobilis celebensis and nobilis borneensis. The Suma-
tran form could not be examined ; if it might differ from the other Dudusa forms, the
name nobilis vethi Sn. becomes appliable.
2. Tarsolepis sommeri Hb. and T. remicauda Butl. are two distinct species, both
occuring in Java as well as in Sumatra. The male genitals show considerable diffe-
rences. Furthermore, the male of remicauda has two obvious red hair brushes at the
base of abdomen underside, whereas in sommeri, they are lacking. The female of
sommeri has the antennae rather filiform, in the remicauda female, the antennae are
bipectinate over two thirds of their length.
3. The bibliography of the species under consideration is given as correctly as
possible.
Een onbekend Trichopteren-larfje,
Orthotrichia angustella
door
G. J. VAN DER WERF.
In Juni 1938 vond ik in de nabijheid van de stad Groningen een Trichopteren-larfje,
dat mij door de vorm van het kokertje een Orthotrichia sp. leek te zijn. Van dit ge-
slacht is volgens Lestage ?) slechts de larve van één soort, nl. van O. fetensii
bekend. In ons land is deze soort niet waargenomen ; wel is de imago van O. angu-
stella in ons land gevonden*). Het leek me van belang, na te gaan of de gevonden
larve tot de soort O. angustella dan wel tot de soort O, tetensii behoorde. In het
eerste geval zouden we met een nog onbeschreven larve te doen hebben, in het tweede
geval met een voor de Nederlandsche fauna nieuwe soort.
Ik heb dus allereerst nagegaan , of de gevonden larve overeenstemde met die van
O. tetensii, waarvan ik de beschrijving en enkele afbeeldingen vond bij Ulmer4) en
Lestage?). Hierbij bleek, dat noch de beschrijving, noch ook de figuren met de door
mij gevonden larven overeenstemden.
Teneinde vast te stellen, tot welke soort de gevonden larfjes behoorden, heb ik en-
kele ervan opgekweekt en de uitgekomen imagines ter determinatie opgezonden naar
den heer Fischer te Rotterdam, die me mededeelde, dat ze behoorden tot de soort
O. angustella Mc. Lachlan.
Daar de weinige publicaties!), die ik (behalve de reeds genoemde) kon opsporen, ook
geen nadere bijzonderheden van bovengenoemde soort gaven, zal ik hierover thans iets
meer meedeelen. In het bijzonder zal natuurlijk de nadruk vallen op die punten, waarin
de door mij gevonden larve van die van O. fetensii afwijkt.
De larven leefden in practisch stilstaand water aan de stengels van Potamogeton en
aan stengels en bladeren van Nuphar luteum. Speciaal aan de drijvende bladeren van
84 G. J. VAN DER WERE.
Nuphar blijken de kokertjes van de nymphen vastgehecht te zijn. De larven werden
vooral in de maand Mei gevangen ; een enkele ook in 't begin van Juni. In Juni vond
ik overigens vooral poppen, die deels in 't laatst van deze maand, deels begin Juli
uitkwamen.
Figuur 1. Monddeelen van O. an-
gustella. a; linker mandibel. b: rechter
mandibel met antenne. c: clypeus en
labrum. a en b 187 X, c 87 X vergroot.
Van de haren is alleen de aanhech-
tingsplaats door een cirkeltje aange-
geven.
a
De kokertjes waren gelijk aan die, welke van O. tefensii beschreven zijn: langwer-
pig tonvormig, iets zijdelings samengedrukt, met voor en achter, zoowel aan de boven-
als onderzijde, een driehoekige insnijding. Het kokertje is 3—5 mm lang en = 1, mm
breed. De kleur is donkerbruin, maar aan de buikzijde aanmerkelijk lichter. Bij ver-
schillende exemplaren was het aan de buikzijde over de geheele lengte gespleten. Dit
laatste komt bij de nymphenkokertjes niet voor. De kokertjes bestonden alleen uit
spinsel ; zandkorreltjes kwamen er nooit in voor, plantaardig materiaal evenmin.
De larve is 2—3 mm lang, kop en thorax nemen hiervan = 1/5 deel in, het veel
dikkere achterlijf + 4/5 deel. Alleen kop en thorax zijn van een bruin chitinepantser
voorzien ; de huid van het achterlijf is dun, zoodat de groenachtige lichaamsinhoud
er doorheen schemert. Het achterlijf is rolrond met een duidelijke scheiding tusschen
de segmenten ; het borststuk is iets afgeplat. De kop is glad, met enkele haren; de
oogen zitten zijdelings op ongeveer de helft van de kop. Antennen dicht achter de
mandibels ingeplant, + 60 y lang, stevig. Labrum (fig. 1c) driedeelig, de beide zij-
lobben sterk behaard. De beide mandibels zijn ongelijk.
Figuur 2.
Maxillen en labium van O. angustella (187 X).
Linker mandibel (fig. 1a). Buitenrand eerst recht, daarna even beneden de
helft iets terugwijkend, vervolgens sterk gebogen verloopend tot het spitse topeinde.
Snijkant hol, bij de top sterk gebogen, later minder gebogen verloopend en aan de
basale kant begrensd door een vrij stompe tand. Binnenrand eerst ongeveer evenwijdig
aan het onderste stuk van het gebogen gedeelte van de buitenrand, daarna naar de
basis uitwijkend. Gewrichtsknobbel op + 2/5 van de basis van buiten gelegen. Op
de helft van 't rechte stuk van de buitenrand twee rugborstels. Aan de topzijde is de
snijkant door een uitgroeiing aan de onderkant van de kaak verdubbeld.
Rechter mandibel (fig. 1b). Buitenrand flauw gebogen, naar de top plotse-
ling sterk gekromd. Snijrand eenigszins s-vormig gebogen, van de binnenrand gescheiden
door een flinke tand. Binnenrand flauw hol gebogen. Twee rugborstels op 14 van de
buitenrand, gewrichtsknobbels op 14 van de basis van buiten.
Maxillen (fig. 2). Maxillairtasters vijfledig, laatste lid met twee duidelijk
zichtbare staafjes. Taster + 40 y lang, kaakdeel met hoekige punten bezet, alleen het
laatste lid van de taster steekt boven het kaakgedeelte uit. Labiaaltasters tweeledig,
= 20 y lang, met 2 à 3 spitse staafjes aan 't eind. Labium aan de voorzijde halfcirkel-
vormig afgerond, + 30 y breed.
Thorax licht tot donkerbruin, thoracaalnota hoornachtig. Meso- en metanotum met
een donkere achterrand.
Pooten (fig. 3) krachtig gebouwd, geel tot bruin. — Eerste paar pooten zeer
krachtig gebouwd, scheen met driehoekig, binnenwaarts gekeerd uitsteeksel, dat voor-
zien is van een krachtige doorn. Eindklauw met basale doorn (lengte 1/3 van de lengte
der eindklauw). — Tweede paar pooten slanker, evenals het derde paar, dat ongeveer
113 X zoo lang is. Bij beide pooten is de eindklauw 3 X zoo lang als haar doorn.
Het achterlijf is rolrond; de huid is dun. Aan de onderzijde van het 8ste achter-
és as
EEN ONBEKEND TRICHOPTEREN-LARFJE ENZ. 85
Figuur 3.
Pooten van O. angustella (103 x).
a, b en c resp. eerste, tweede en
derde poot. Haren aangegeven als
in fig. 1.
lijfssegment bevinden zich een paar haken en de achterlijfssteunplaat. — Gelijk bekend
bezitten de larven van de Hydroptilidae, waartoe ook deze soort behoort, geen trachee-
kieuwen.
Het belangrijkste verschilpunt met de larve van O. fefensii is de vorm van de
linker mandibel, die bij O. fefensii volgens Lestage afgeknot is, doch bij O. an-
gustella scherp toeloopt.
Over de nymphen kan ik nog niets mededeelen, daar ik wegens tijdgebrek hiervan
nog geen materiaal heb kunnen bewerken. Over de tijd van eierleggen en eventueele
bijzonderheden van de larven in het eerste stadium hoop ik deze zomer waarnemingen
te doen.
LITERATUUR.
1. Morton, K. J., Entomologists Monthly Magazine XXIII, p. 201, 1887.
id. XXIV, p. 171, 1888.
id. XXV, p. 93, 1888.
2. Lestage, J. A., Les larves et nymphes aquatiques des Insectes d'Europe.
Bruxelles, 1921.
Sse hier MF. Cs Lijdschrift voor, Entomologie, Di: 77, blz. 177, 1934:
4. Ulmer, G, in Brauer, Die Süsswasserfauna Deutschlands Hft. V—VI,
p. 225 (Jena, 1909).
Groningen, Februari 1942.
De larven der Helodidae (Cyphonidae)
door
K. J. W. BERNET KEMPERS.
ii mn
De larven dezer familie wijken in zeer veel kenmerken af van die der overige kever-
families, waarom ik mij geroepen voel deze groep hier te bespreken.
De Helodidae worden, in Everts’ Nieuwe Naamlijst, onderverdeeld in drie onder-
families, de Helodinae, Eubriinae en Eucinetinae. In de Helodinae worden te zamen
gebracht de genera Helodes met twee soorten. Microcara met één soort, Cyphon met
vijf soorten, Hydrocyphon, Prionocyphon elk met één soort en Scirtes met twee soor-
ten. De Eubriinae tellen bij ons slechts één genus met één soort, de Eucitinae eveneens.
Volgens Reitter Fauna Germanica III p. 242 hebben de drie onderfamilies een ver-
schillende leefwijze. De ontwikkelingsphasen van Eubriinae zijn tot nu toe onbekend.
De kever zelf werd door mij indertijd in enkele exemplaren gevangen op moerasplanten
bij Bunde (Zuid-Limburg). Eucinetus, behoorende tot de onderfamilie Eucinetinae, is
nog niet lang geleden in ons land waargenomen. Reitter zegt, dat de larve, pop en
imago leven onder boomschors, aan Byssus en andere cryptogamen. De larve van
Eucinetus morio Lec? uit Florida is afgebeeld op pl. 26 door A. G. Böving en F. C.
Craighead in hun Larvae of Coleoptera 1931.
Ik moet mij dus beperken tot de Helodinae.
De Helodinae leven grootendeels in staand, enkelen uisluitend in stroomend water
(Hydrocyphon). Everts, Fauna Neerlandica deel II p. 137 geeft de navolgende be-
86 K. J. W. BERNET KEMPERS,
schrijving van Helodes minuta L. (zie fig. 1.) Deze bezit slechts één paar stigmata,
welke zich aan den voorlaatsten achterlijfsring bevindt. Bovendien vertoont het uit-
einde van het achterlijf fiine tracheén-kieuwen (welke lang niet gemakkelijk waar te
nemen zijn). De beide hoofdtakken van het tracheéen-stelsel zijn buitengewoon sterk
blaasvormig. Door de twee stigmata ademen zijn aan de oppervlakte, terwijl zij steeds
een luchtbel met zich mede voeren.
De larve welke iets aan een Lepisma- of Silpha-larve doet denken, is langwerpig-
eirond, naar achteren geleidelijk versmald, op de bovenzijde matig gewelfd, grauwzwart,
met eenigszins lederachtig huidskelet, waarop korte, stijve haren, de ringen schildvormig
verbreed, die van den thorax iets langer dan de 8 abdominale ringen, de anale ring
niet medegerekend. Kop breed, aan weerszijden, achter de inplanting der sprieten, met
een groepje van 3 ocellen. Sprieten (zie fig. 2) borstelvormig, zoo lang als 1/3 van de
lichaamslengte, uit 34 leedjes bestaande, (Als maximum telde ik bij een andere soort
+ 174 leedjes.) waarvan de eerste twee veel grooter dan de volgenden zijn. Bovenlip
(fig 3 en 7) groot, vooruitstekend. Voorkaken (fig. 4) klein (?), iets gebogen, aan
de basis met een dwrasgeribd kauwvlak. Achterkaken (fig. 5) tweelobbig, de buitenlob
klein, dun en spits, de binnenlob groot, breed, aan den top bewimpeld. Kaaktasters
4-ledig, het eerste lid zeer klein. Kin zeer groot (vgl. fig. 11), nagenoeg de geheele
onderzijde van den kop bedekkend. Liptasters (zie fig. 6) met twee bijna gelijke leedjes.
Pooten (zie fig. 8) vrij kort; de dijen en schenen gedoornd; de tarsen uit één enkel
klauwvormig lid bestaande met een tandje (lees twee borstelharen) in het midden.
Uiteinde a het achterlijf met 7, in een halven cirkel geplaatste, tracheéen-kieuwen
(zie fig. 1). i
De larve van Helodes minuta L. is door Chapuis en Candèze, Tournier en Bourgeois,
die van Helodes marginata F. door Tournier en Rolph beschreven. Een afbeelding van
een Helodes-soort wordt, wat de hypopharynx betreft, gegeven door Carpenter en
Mac Dowel. i
De hierbij afgebeelde larve (zie fig. 1) voldoet aan de beschrijving. Zij is 4 mm
lang en gevonden 11.VIII.1935 aan de Plasmolen bij Mook.
Fig. 6 stelt labium voor met hypopharynx. De tweeledige palpus in een vlak met
ligula, paragossen en glossen. De geheele labiumoppervlakte wordt bedekt door een
zeer samengestelde hypopharynx. Deze wordt gevormd door een ongepaard voorstuk
met twee zijstukken. Het voorstuk draagt aan de voorzijde 2 waaiervormige borstels
en 2 lager geplaatste smalle lange aan den top gespleten borstels, die boven de ligula
van het labium uitsteken. De zijranden hebben een rij in kringvorm geplaatste kegel-
vormige uitsteeksels, daarachter een rij gebogen borstels. De paraglossen zijn van in
rijen geplaatste kleine doorns voorzien.
Fig. 7 is het labrum aan de onderzijde gezien.
Bij twee larven A en B (fig. 12 en 13) verzameld 18.III.1936 in een bronnetje bij
den Grebbeberg respectievelijk lang 6 en 9 m.m. eindigt de voorkaak in een spitsen
top (zie fig. 9). Labium en hypopharynx stemmen nagenoeg geheel overeen met de
hierboven ad fig. 6 gegeven toelichting.
Bij de larve A is de breedte naar verhouding tot de lengte grooter geworden en is de
vorm meer eivormig. Het aantal leedjes van de antenne is ongeveer 50; ieder lid is
voorzien van zintuiguitsteekseltjes.
Fig. 10 geeft de bovenlip weer, die bij larve B eender gevormd is. Zoo ook is de
kinplaat bij larven A en B gelijkvormig (fig. 11) en de achterkaak (fig. 14).
Van Microcara testacea L. is de larve en pop door Beling beschreven. Te Leersum
trof ik 25.111.1938 talrijke larven aan, kruipende op halfvergane biezen in een ondiep
slootje. In den zomer van dat jaar werden terzelfder plaatse door mij waargenomen
de volwassen Microcara testacea L. kevers, zoodat ik veronderstel, dat de bedoelde
larven tot deze soort gerekend moeten worden.
De larve is 44% à 5 mm. lang en 114 mm. breed, vuil grijs van kleur en doet denken
aan een kleine pissebed. De spriet bestond uit + 130 leedjes. De ocellen zijn tot een
zwart klompje samen gegroeid. (Zie fig. 15.)
Op den tong zijn 4 getande borstels verschenen (zie fig. 16), terwijl de lange borstels
als in fig. 6 afgebeeld zijn, niet aanwezig zijn.
De bovenlip wordt afgebeeld als fig 17, de voorkaak als fig. 18.
De klauwen der pooten zijn sikkelvormig met twee borstels iets meer naar den top;
de binnenrand is kort bedoornd. (Zie fig. 19.)
Van kieuwvormige aanhangsels aan de laatste segmentring is niets te bespeuren.
(Zie fig. 20.)
DE LARVEN DER HELODIDAE (CYPHONIDAE.). 87
De achterkaak is ongeveer gelijk aan die der vorige beschrijvingen ; de palp duidelijk
vierledig. (Zie fig. 21.)
Van twee Javaansche Scirtes-soorten geeft Dr. D. C. Geyskes een gedetailleerde
beschrijving met duidelijke afbeeldingen in Ent. Med. Ned.-Indië 1936 no. 3.
Everts, Fauna Neerlandica, vermeldt geen schrijvers over dit genus, Reitter Fauna
Germanica evenmin.
Het labrum is vierhoekig met vooruitspringende voorhoeken (vgl. fig. 7) aan de
binnenzijde aan weerskanten met vijf krachtige borstels. (Zie fig. 22.)
Mandibelen driehoekig aan de binnenkant concaaf, halfcirkelvormig uitgesneden, de
spits met een duidelijken neventand, beharing als bij de reeds beschreven soorten.
(Zie fig. 23.)
Maxillen als de reeds afgebeelden. De palpen 4-ledig, lid 1 en 3 ongeveer gelijk,
het 2e lid iets korter, het 4e lid gereduceerd tot een driehoekige eindknop. (Zie fig. 24.)
Labium in hoofdzaak overeenstemmend met fig. 6. Het voorstuk van den hypopha-
rynx met 4 aan den voorrand gezaagde borstels, die over de ligula uitsteken (zie fig. 25),
evenals bij fig. 16.
88
K. J. W. BERNET KEMPERS,
13
JUAN RISE
TTI I E
DE LARVEN DER HELODIDAE (CYPHONIDAE.).
89
90 K. J. W. BERNET KEMPERS,
Het laatste segment van het abdomen is aan den achterrand uitgesneden ; daar treden
de luchtkamertuben naar voren. Anaalkieuwen uiterlijk niet zichtbaar, inwendig bij
sterke vergrooting als korte stompjes herkenbaar, waarschijnlijk ten getale van 7 aan-
wezig. (Zie fig. 26.) Verg. fig. 20.
Het verschil met de afgebeelde soorten zetelt dus voornamelijk in het aanwezig zijn
van 4 getande borstels in plaats van 2 als bij Helodes, en in den toptand van de
mandibels.
De larve van Hydrocyphon deflexicollis Müll is beschreven door Tournier. Zij komen
voor aan de onderzijde van in snel stroomend water liggende steenen. Aldus Everts
II p. 142. Van de larve komt een afbeelding voor bij Reitter III p. 245, echter niet
van de monddeelen.
De larve van Prionocyphon serricornis Müll is beschreven door Beling. De levens-
wijze is onbekend. Zij verpoppen zich achter eikenschors.
De larve van Prionocyphon discoideus Say is afgebeeld op pl. 65 door Böving en
Craighead. (Zie fig. 27 en 28.)
Mandibel eenigszins driehoekig, aan de binnenzijde concaaf halfcirkelvormig uitge-
sneden, de top zonder neventand. (Zie fig. 27.) Maxillen als bij de overige soorten.
Het labrum (zie fig. 28), met vooruitspringende hoeken met krachtige borstelharen.
Labium in hoofdzaak overeenstemmend met fig. 6.
De larve van Cyphon variabilis Thunb. is door v. Frauenfeld, die van coarctatus
Payk. door Beling beschreven. Zij leven in staande wateren, tusschen kroos en andere
drijvende planten; zij zijn vlug en voeden zich met allerlei kleinere dieren, die zich
tusschen de wortels ophouden. Aldus Everts II p. 140.
Te Bergen (N.H.) werden in een sloot op 20.6.1942 door mij larven gevangen uit
kroos en andere waterplantjes, afwijkend van de vorige afgebeelde dieren, die dus
waarschijnlijk Cyphon-larven moeten zijn, want meer genera dan hiervoor vermeld zijn,
zijn in Nederland niet bekend.
De larven zijn 6 tot 8 mm lang. sepiakleurig, lang gerekt, van voren breeder dan
van achteren. (Zie fig. 29.) De kop is in het halsschild voor de helft verscholen.
De sprieten tellen ruim 100 leedjes, waarvan het eerste en tweede lid belangrijk
grooter zijn dan de overigen. (Zie fig. 30.) Terzijde van het tweede lid bevindt zich
een lang haar.
DE LARVEN DER HELODIDAE (CYPHONIDAE.). 91
De voorkaak is aan den top voorzien met 7 tot 9 flinke tanden. Overigens is er
geen verschil met de voorhaken der andere Helodidae. De haren die aan de binnenkant,
den binnenrand bedekken zijn vertakt.
Het labrum heeft afgeronde, uitstekende voorhoeken, waarop zich naar buiten getande
stevige lange borstelharen bevinden. Aan de binnenzijde, aan den voorrand bevinden
zich een viertal stevige borstels. Op de oppervlakte zijn een zestal tanden en een gelijk
aantal ronde openingen waar te nemen, benevens enkele verdikkingen. (Zie fig. 32.)
De hypopharynx is weder zeer ingewikkeld. Op de tong vier gezaagde borstelharen,
respectievelijk met 6, 5, 6, 5 tanden. Voorts met kegelvorige en gebogen tanden, en
zeer kleine, toch duidelijk zichtbare tandjes op de zijflanken. (Zie fig. 33.)
De achterkaak verschilt nagenoeg niet met dien der hiervoor afgebeelde achterkaken.
De palpen bestaan uit drie leden. (Zie fig. 34.) Nagenoeg even lang. Het laatste lid
is voorzien met allerlei zintuig-uitsteeksels. (Zie fig. 34a.) De haren, waarmede de
kaaklob bewimperd is zijn in rijen geplaatst en eindigen in gebogen haakjes. De lacinia
heeft kammen afgebeeld in fig. 34b.
De liptasters zijn tweeledig. (Zie fig. 35.)
Op het tweede gedeelte van den schedel bevindt zich een niet scherp begrensde
lichte oppervlakte, zijnde een ocel. Een epicraniale naad is duidelijk te onderscheiden.
(Zie fig. 36.)
Aan het laatste segment zijn een zevental kieuwblaasjes te zien. (Zie fig. 37.) De
pooten zijn flink met stekelharen bezet. De klauw heeft twee stevige borstelharen
voorbij het midden, naar den top geplaatst, met een rij tandjes aan den binnenrand.
(Zie fig. 38.).
De zekerheid, dat men hier met larven van Cyphon te maken heeft, zou door kwe-
king eerst uitgemaakt kunnen worden. Dit opkweeken is misschien niet moeilijk, daar
deze larven op kroos aangetroffen worden ; zij verlaten het water om te verpoppen,
wat na 2 of 3 dagen plaats vindt; de poppen behouden de afgestroopte larvenhuid
ean done van het lichaam. Na 11 à 12 dagen kruipen de kevers uit. Zie Everts
D: (140:
‘s-Gravenhage, Augustus 1942.
K. J. W. BERNET KEMPERS.
Investigations concerning the androconia of
certain Satyridae, in particular of
Coenonympha pamphilus L.
by
Ir. P. H. VAN DE POL
In the autumn of 1941 I collected a large number of specimens of Coenonympha
pamphilus in the neighbourhood of my home, in order to ascertain whether these be-
longed to the second or to an eventual third generation. The inducement to this inquiry
formed a publication by Ball (1919), who directs attention to the differences between
the androconia of the pamphilus generations. According to this author the androconia
of the spring butterflies are more rounded off at the base than those of the summer
specimens (fig. 2 and 3). Ball found spring scent-scales on the 20th of June and
summer scales on the 26th of June, with which Verity (1926) considers his suppo-
sition proved that there are two generations which overlap at the end of June and in
the beginning of July.
From the examination made at the Entomological laboratory (Wageningen, Hol-
land) of a large number of specimens of pamphilus, it appeared that the androconial
scales of this species are particularly variable, so that by no means it is possible to
establish with certainty to which generation a certain specimen belongs.
Great differences occur inter alia in length and breadth of the androconial scales
of pamphilus individuals. The proportion between length and breadth appears to vary
from 8 to 16 (fig. 4 and 5). In the first generation it varies from 8 to 13; in the
second from 10 to 16. I suppose that this numbers do not however indicate the extreme
limits of variation.
92 IR. P. H. VAN DE POL,
The distinction, as stated by Ball, between spring and summer butterflies, is not
affirmed by the investigation. Specimens of the first generation may possess summer
scent-scales (fig. 6), specimens of the second generation may have spring scales
(fig. 7). Therefore it is impossible to find out by the examination of androconia
whether specimens flying in autumn (the end of September and the beginning of
October) belong to the second or to an eventual third generation.
As C. pamphilus distinguishes itself from all the other Satyridae by,the great variety
of the androconial scales, this species is very interesting, also in connection with the
theory which Warren (1936) gives about the origin and development of the Saty-
ridae-androconia. According to this investigator the androconial scales originate in the
ordinary scales. In the genus Erebia three types of scent-scales may be distinguished
which Warren considers to represent three consecutive stages in the androconial
development. Because each species is in the same phase of development on all the
spots where it is found, Warren supposes that the androconial scales of the pre-
sent type were already present before the present geographical distribution of the
species. In the various genera of the Satyridae the development of the androconia
takes place on the same principle as in the genus Erebia.
The results of my observations of the various Satyridae which I examined are quite
in accordance with the above-written theory, as far as Coenonympha pamphilus is not
concerned. The examination of the latter species produced some interesting points,
rather in contradiction with Warren's theory.
If one considers the androconia to be derived
from the ordinary scales, it is necessary to com-
pare both types of scales and to trace what stages
of transition may occur. The ordinary type of
È long scale of the Satyridae is pointed at the base ;
the greatest breadth of the scales is above the
b middle, distally they are round or more or less
dentated (fig. 1 a and b). The pigmentation con-
sists of dark dots which are arranged in parallel
rows. In contradistinction to the ordinary scales,
most androconial scales are broadest close to the
base; they end in a shaft, provided with a
feathered top. The pigmentation of the androco-
nial scales is irregular.
To the eomorphic (first) phase in the develop-
@ ment of the androconial scale, Warren reckons
scales which are characterized by a pointed base,
more or less parallel sides and a dentated top
(fig. 1 c). At the top the pigmentation is irregular
in consequence of contraction. In the case of the
palaeomorphic scale, which represents the second
phase of development, the contraction is conti-
Fhe, il nued; the sides converge and form a neck with
KAT a terminal tuft (fig. 1d). The pigmentation of
a. Common scale of Eumenis the whole scale is irregular. The neomorphic
semele L. (third) stage is characterized by a delicate shaft
b. Dentate top of a common (fig. le).
scale of Eumenis semele L. So far no species that is in the eomorphic phase
c. Dentate top of an eomorphic is known to me. Eomorphic scales occur rarely
androconial scale of Eumenis in neomorphic and more frequently in palaeomor-
semele L. phic species. Of the species studied, Eumenis
d. Androconial scale of Eumenis semele L. is in the palaeomorphic phase. Pararge
semele L. aegeria L., P. megera L., Aphantopus hyperantus
e. Androconial scale of Maniola L., Maniola jurtina L. and M. tithonus L. possess
fithonus L. neomorphic androconial scales which are smaller
than the palaeomorphic scales of E. semele, in
accordance with W arren’s statement that the contraction correlates with a shortening.
From the drawings made of the various preparations with the aid of a prism, it
appears that there is a distinct variation between the scent-scales of the different species
and individuals. By its particularly strong individual variation C. pamphilus distinguishes
itself from the Erebia's examined by Warren and from the species of other genera
which I examined. Also as to the phases of Warren great individual differences
occur. In fig. 8 eo-palaeomorphic scales have been drawn and in fig. 9 neomorphic
INVESTIGATIONS CONSERNING THE ANDROCONIA A.S.0. 93
2 9
Fig. 2. Androconial scales of the first generation of Coenonympha pamphilus (Grebbe,
25-5-1939). Fig. 3. Androconial scales of the second generation of C. pamphilus (Ben-
nekom, 12-8-1941). Fig. 4. Androconial scales of C. pamphilus Proportion L : B = 8
(Leuvenum, 2-9-1920). Fig. 5. Androconial scales of C. pamphilus Proportion L : B
— 16 (Oosterbeek, ?-5-1862). Fig. 6. Summer scales in the first generation of C. pam-
philus (Vaassen, 16-6-1921). Fig. 7. Spring scales in the second generation of C. pam-
philus (Amsterdam, 19-8-1864). Fig. 8. Eo-palaeomorphic androconial scales of C. pam-
philus (Ede, 25-9-1941). Fig. 9. Neomorphic androconial scales of C. pamphilus
(Wolfheze, 1-8-1858).
94 IR. P. H. VAN DE POL,
scales. It is remarkable that the presence of eo-palaeomorphic scales in a certain in-
dividual does not form an exception, but becomes dominant in this individual. Besides
eo-palaeomorphic individuals, there also occur palaeomorphic and neomorphic ones.
The greater part of the specimens appear to be palaeomorphic in different degrees.
The above-mentioned variations do not agree with Warrens theory, according
to which the androconial scale occurs in each species in the same phase of develop-
ment, independently of geographical or individual differences. This makes me doubt
the correctness of the theory that each phase lasts a certain time and consequently
represents a certain period in the androconial development. On the basis of the results
of this investigation it is, in my opinion, unlikely that the neomorphic androconial
scales have developed from the ordinary scales via the eomorphic and palaeomorphic
hase.
à My investigations show that within C. pamphilus both forms with nearly comple-
tely eo-palaeomorphic androconia and forms with nearly completely neomorphic andro-
conia may occur. Moreover, transsitions between the extreme formis may be common.
This fact does not suggest an interrelation between the shapes of androconial scales
and phylogenetical age. Genetical investigations may throw more light on these rather
nebulous problems.
LITERATURE.
Ball, F. J. 1919. Le dimorphisme saisonnier des androconia chez certains Rhopalo-
cères. Ann. Soc. Ent. Belg. 58, pg. 170—182.
Verity, R. 1926. The geographical and seasonal variations of Coenonympha pam-
philus. Zeitschr. wiss. Ins. Biol. 21, pg. 191—208.
Warren, B. C. S. 1936. The androconial scale and its development in the genus
Erebia. Monograph of the genus Erebia, London, pg. 15—21.
Voorloopige Naamlijst
van Nederlandsche Psocoptera, benevens van die,
welke in het aangrenzende gebied gevonden zijn
(4de mededeeling over Psocoptera)
door
Dr. G. KRUSEMAN Jr.
Sinds Albarda in 1889 zijn „Catalogue raisonné et synonymique des Névroptères,
observés dans les Pays-Bas et dans les Pays limitrophes” schreef, werden slechts enkele
nieuwe soorten voor ons land vermeld, of werden aanteekeningen over deze orde hier
te lande gemaakt ; zoodat het mij nuttig voorkomt, onze kennis na ruim 50 jaar opnieuw
samen te vatten.
Albarda kende 30 soorten als inlandsch. Nadien vond ik slechts twee soorten als
inlandsch vermeld, waarvan een zelfs met ?; te weten: Everts T.v.E. DI. 68 p. IV
Clothilla inquilina Heyd. det. Blöte; en Corporaal T. v. E. DI. 69 p. C Elipsocus
abietis Klbe. ? det Mac Gillavry. In totaal dus 32 soorten. In 1943, toen ik mij op deze
orde ging toeleggen, vond ik in het ongedetermineerde en in het gedetermineerde, doch
niet gepubliceerde materiaal eenige nieuwe soorten (T. v. E. DI. 86 p. XXIV) terwijl
van de nieuwe vangsten en vondsten op de Zomervergadering 1943 (T. v. E. DI. 86)
verantwoording werd gedaan.
Verantwoording der fauna nova species.
1° Door den Heer Th. Drescher werd op het Kamper eiland in een boerderij, te
samen met Lepinotus inquilinus Heyd, Trogium pulsatorium (L.) en Myopsocnema
annulata (Hag.), een beschadigd exemplaar van een Lepinofus-soort gevangen, welke
vermoedelijk tot L. reticulatus End. behoort.
2° In 'sRijks Museum v. Natuurlijke Historie te Leiden bevinden zich exemplaren
van Cerobasis britannicus (Harrison), in een tuin te Leiden 17.IX.1928 door Mej.
Bonebakker verzameld. Zoo ver ik na kan gaan, werd deze soort tot nu toe
slechts twee maal in Engeland gevangen. Volgens Roesler 1943 moet Hyperetes
Klbe. 1880 (nec Rafinesque 1815) door Cerobasis Klbe. 1880 vervangen worden.
VOORLOOPIGE NAAMLIJST ENZ. 95
3° Lepidilla Ribaga 1905 (nec Matthew 1886) moet vervangen worden door Pferoxa-
nium Enderlein 1922 (zie Roesler 1943).
4° In 'sRijks Museum v. N. H. te Leiden bevinden zich twee exemplaren van Kolbia
quisquiliarum Bertkau, gevangen te Lochem 23-26 IX 1929 door den Heer H. C.
Blöte. Ook ontving ik met grooten dank één 4 Roden 24.VIII.1943 van den Heer
H. H. Evenhuis voor het museum te Amsterdam ten geschenke.
5° Ook in Nederland is Caecilius burmeisteri Brau. de gewone soort. Ik was nog
niet zoo gelukkig, een exemplaar van C. despaxi Bad. (= C. obsoletus auct. nec
Steph.) te vinden. Doch wel bracht de Heer D. Piet een exemplaar van Enderleinella
obsoleta (Steph.) uit Bussum mee; ook de Heer H. H. Evenhuis ving twee
exemplaren te Steenbergen 7.VII.1943, waarvan hij zoo vriendelijk was, één exemplaar
aan het museum te Amsterdam af te staan.
6° Caecilius piceus Kolbe werd door den Heer D. Piet te Amsterdam Sept. 1943
van Taxus geklopt en door hem en mij te Huizen (N.H.), Craailo, van Picea ver-
zameld.
7° Den 13den Juni 1943 sleepte ik op de heide bij Jans kerkhof (Hilversum) een
exemplaar van Caecilius rhenanus Tet. (zie Roesler 1939). Te Leiden bevinden
zich twee oude kortvleugelige Caecilius-exemplaren van Snellen van Vollen-
hoven met vindplaats ,,Z. Holl.’, welke mogelijk ook tot deze soort gerekend moe-
ten worden. Ze waren door Albarda als C. burmeisteri Brau. gedetermineerd.
8° Behalve het ééne exemplaar door Albarda vermeld, werd Caecilius africornis
M' Lachl. in moerassen van riet en zeebies te Ankeveen en Amsterdam, resp. door
den Heer D. Piet en den Heer W. H. Gravestein geklopt.
9° Caecilius gynapterus Tet. werd door Mej. Bonebakker, zoowel in haar eigen
materiaal als in dat van Dr. D. Mac Gillavry gevonden.
10° Elipsocus cyanops Klbe. door Mej. A. Bonebakker gevonden en gedetermineerd.
11° Door Dr. Mac Gillavry werd te Nunspeet 2.VIII.1928 een 4 van Perip-
socus didymus Roesl. 1939 gevonden.
12° De Heer D. Piet en ik verzamelden te Huizen N.H. (Craailo) een exemplaar
van Lachesilla quercus (Klbe.).
Deze lijst sluit op een totaal van 53 soorten.
De volgorde is die van het systeem Pearman-Roesler.
ATROPETAE |
I. Trogiidae
Rhyopsocopsis peregrinus Pearm.
Embidopsocus minor (Pearm. 1931)
IV. Pachytroctidae
1929
Deipnopsocus spheciphilus End. 1903
Psoquilla marginepunctata Hag. 1865
Lepinotus inquilinus Heyd. 1850
patruelis Pearm. 1931
reticulatus End. 1905
Trogium pulsatorium (L. 1761)
Myopsocnema annulata (Hag. 1865)
Cerobasis (Hyperetes) guestfalicus
(Klbe. 1880)
britannicus (Harrison 1916)
DU N=
7
II. Lepidopsocidae
Thylacopsis madagascariensis
(Klbe. 1885)
Soa flaviterminata End. 1906
Pteroxanium kelloggi (Rib. 1905)
NANOPSOCETAE
III. Liposcelidae
8 Liposcelis divinatorius (Müll. 1776)
bicolor (Banks 1900)
— meridionalis v. Ros. 1911
— priesneri End. 1905
—— virgulatus Pearm. 1929
—— (formicarius Hag. 1865 ?)
Embidopsocus enderleini
(Rib. 1905)
Tapinella castanea Pearm, 1932.
PSOCATROPETAE
V. Psyllipsocidae
9 Psyllipsocus ramburi Sel. 1872
Dorypteryx pallida Aar. 1884
Psocatropos lachlani Rib. 1899
VI. Scoliopsyllopsidae
Prionoglaris stygia End. 1909
EPIPSOCETAE
VII. Epipsocidae
10 Epipsocus (Bertkauia) lucifugus
(Ramb. 1842)
CAECILIETAE
VIII. Caeciliidae
11 Kolbia quisquiliarum Bertkau 1883
12 Caecilius fuscopterus (Latr. 1793)
flavidus (Steph. 1836)
despaxi Bad. 1936
14 —— burmeisteri Brau. 1876
15 —— piceus Klbe. 1882
16 rhenanus Tet. 1891
—— (kolbei Tet. 1891 ?)
atricornis M' Lachl. 1869
18 —— gynapterus Tet. 1891
96 DR. G. KRUSEMAN JR,
19 Enderleinella obsoleta (Steph. 1836)
IX. Stenopsocidae
20 Stenopsocus immaculatus
(Steph. 1836)
21 lachlani Klbe. 1880
22 stigmaticus (Imh. et Labr.
1846)
23 Graphopsocus cruciatus (L. 1768)
PSOCETAE
X. Psocidae
24 Amphigerontia bifasciata
(Latr. 1799)
intermedia (Tet. 1891)
pearmani Roesl. 1943
27 Blaste (Euclismia) quadrimaculata
(Latr. 1794)
Neopsocopsis hirticornis
(Reut. 1893)
28 Trichadenotecnum fasciatum
(F. 1687)
29 — — variegatum (Latr. 1799)
30 —— macilentum Roesl. 1943
sexpunctatum (L. 1761)
—— germanicus Roesl. 1939
maius (Loens 1890)
Copostigma contrarium (Reut. 1893)
. 32 Clematostigma morio (Latr. 1794)
33 Psocus bipunctatus (L. 1761)
Neopsocus rhenanus Klbe. 1882
Oreopsocus montanus (Klbe. 1884)
34 Metylophorus nebulosus
(Steph. 1836)
35 Psococerastis gibbosa (Sulz. 1776)
XI. Mesopsocidae
36 Philotarsus flaviceps (Steph. 1836)
37 Elipsocus cyanops Rost. 1876
? abietis Klbe. 1880
—— pallidus Jentsch 1938
38 —— westwoodi M' Lachl. 1867
39 hyalinus (Steph. 1836)
Pseudopsocus rostocki Klbe 1882
40 fusciceps (Reut. 1893)
meridionalis Bad. 1936
Hemineura dispar Tet. 1891
41 Mesopsocus laticeps (Klbe 1880)
unipunctatus (Müll. 1764)
immunis (Steph. 1836)
XII. Pseudocaeciliidae
44 Trichopsocus hirtellus
(M Lachl. 1877)
dali (M Lachl. 1867)
Reuterella helvimacula (End. 1901)
neglecta Roesl. 1935
Chaetopsocus richardsi Pearm. 1929
46 Peripsocus phaeopterus
(Steph. 1836)
47 —— didymus Roesl. 1939
48 —— parvulus Klbe. 1882
49 alboguttatus (Dalm. 1823)
50 subfasciatus (Ramb. 1842)
51 Ectopsocus briggsi M Lachl. 1899
XIII. Lachesillidae
52 Lachesilla quercus (Klbe. 1882}
livida (End. 1903)
—— pedicularia (L. 1758)
—— greeni (Pearm. 1933)
LITERATUUR.
SecretarisiN JE SV VE DIS
1872 p. XXXIV
idem lv. E. DI. 2971886,
p. XXXIV
Albarda T. v. E. DI. 32 1889 p. 221 e.v.
v. d. Weele Ent. Ber. DI. 2 1906 p. 146
v. d. Weele T. v. E. DI. 50 1907 p. 121
Mac Gillavry T. v. E. DI. 57 1914 p. 92
degMeijere lav. Er 62 51920 5p a
Eyerts- I. v. 4816801925 pv
Genummerde soorten: inlandsch ; idem ?:
Mac Gillavry Ent. Ber. DI. 6 1925 p. 398
Corporaal T. v. E. 69 1926 pr E
Mac Gillavry T. v. E. 78 1935 p. II
Pearman Proc. R. Ent. Soc. Ser. B
Vol 5 1936 p. 58
Roesler Zool. Anz. Bnd. 125 1939 p. 157
Roesler Stett. Ent. Zeit. Jahrg. 104
ii O45 up al
Kruseman T. v. E. DI. 86 1943 p. XXIV
idem le v.-E- DI 66 195%
vermoedelijk inlandsch ; alleen ?: ver-
meld, doch zeer waarschijnlijk ten onrechte; soorten (2?) : species incertis sedis; niet
genummerde soorten komen in het omliggende gebied voor, doch werden nog niet
als inlandsch geconstateerd.
Van de in het omliggende gebied gevonden soorten zijn:
Rhyopsocopsis peregrinus Pearm., Deipnopsocus spheciphilus End., Thylacopsis
madagascariensis (Klbe.), Soa flaviterminata End., Liposcelis priesneri End., Liposce-
lis virgulatus Pearm., Embidopsocus minor (Pearm.) Tapinella castanea Pearm., Pso-
catropos lachlani Rib. en Chaefopsocus richardsi Pearm. import dieren.
Over de plaatsen, waar we de meeste kans hebben om de nog niet als inlandsch
vermelde soorten te vinden, diene het volgende :
Pteroxanium kelloggi (Rib.) in Engeland op brandhout in een schuur gevangen;
benevens losse vangsten o.a. uit een vogelnest.
Liposcelis bicolor (Banks) werd door Roesler achter schors in wijngaarden van de
Haardt gevangen.
VOORLOOPIGE NAAMLIJST ENZ. 97
-Liposcelis formicarius Hag. werd in mierennesten gevonden. Men vermoedt, dat het
een vorm van L. divinatorius (Müll.) is.
Embidopsocus enderleini (Rib.) achter doode schors.
Dorypteryx pallida Aar. zeldzaam in huis.
Prionoglaris stygia End. in grotten en mijnen.
Caecilius despaxi Bad. op Picea-naalden.
Caecilius kolbei Tet. is een kritieke soort, welke bij Berlijn van dennen geklopt werd.
Neopsocopsis hirticornis (Reut.) uitsluitend uit Finland bekend; biologie van de
soorten uit dit genus is onbekend.
| Trichadenotecnum germanicus Roesl. leeft in Juni op vochtige plaatsen op oude
stammen ; deze soort schijnt door de goede schutkleur moeilijk te ontdekken te zijn.
Trichadenoteenum maius (Loens) spaarzaam op stammen gevonden en van takken
van loof- en naaldhout geklopt.
Copostigma confrarium (Reut.) door Roesler op stervende jonge dennen ge-
vonden.
Neopsocus rhenanus Klbe. op de Noordzijde van groote steenen, vooral in het medi-
terane gebied; doch ook in het Rijngebied ; vocht minnend.
Oreopsocus montanus (Klbe.) is een bergdier, dat door Roesler in enkele Duitsche
middelgebergten gevonden werd op stervende sparretakken, welke niet te sterk be-
schaduwd waren.
Elipsocus abietis Klbe. op Coniferen, Juli-September.
Elipsocus pallidus Jentsch op loofhout vaak te samen met E. wesfwoodi M' Lach. ;
E. pallidus Jentsch is te kernen aan de lichte kleur. Juni-September.
Pseudopsocus rostocki Klbe. leeft verborgen onder korstmossen op boomen en steenen.
Pseudopsocus meridionalis Bad. op steenen, op stammen en onder schors.
Hemineura dispar Tet. vermoedelijk van Calluna te sleepen.
Reuterella helvimacula (End.) en H. neglecta Roesl. op stammen onder spinsel.
Lachesilla livida End. op eiken.
a greeni (Pearm.) kortvleugelige dieren; werden o.a. van takkenbossen
geklopt.
REGISTER”)
ANOPLURA.
Mallophaga 8.
APHANIPTERA.
Aphaniptera XI.
Suctoria 8.
ARACHNOIDEA.
Analges passerinus L. 5.
Arachnoidea 5.
Coelognathus dimidiatus Herm. T14.
Eschatocephalus vespertilionis
[CNE Koch XTIV.
Eriophyes v. Sieb. 9.
Fixicoxata 5
Holothyridae 5.
Ixodides 5.
Linopodes motatorius L. T14.
Macrocheles muscae domesticae
[Scop. T14.
Mesostigmata Can. 5.
Metatetranychus ulmi C. L. Koch
BIZ
Notostigmata With 5.
Parasitus Latr. 9.
Phytoptus Duj. 9.
Soluticoxata 5.
Spinturnicidae 5.
Spinturnix barbastelli Klti. XLIV.
oudemansi v. Eyndh. XLIV.
punctatus Sund. XLIV.
Tarsonemus Can. & Fanz. T5.
fragariae Zimm. T7.
Trombidi-Sarcoptiformes 5.
Tyrophagus dimidiatus Herm. 7.
COLEOPTERA.
Aceraius oculidens Zang XXXVIII,
[XXXIX.
Agabus conspersus Mrsh. XXIV.
Agonum marginatum L. XXIV.
Aleochara Grav. LVIII.
Amara convexiuscula Mrsh. XXIII.
Anthonomus rubi Hbst. T7.
Anthrenus Geoffr. LVIII.
Aromia moschata L. LV.
Atheta flavipes Thoms. XXIII.
Bagous frit Hbst. XIII.
longitarsis Ths. XIII.
Bembidion Latr. XXIII.
—— bipunctatum L. XXXVIII.
femoratum Strm. XXIII.
iricolor Bed. XXIII.
minimum F. XXIII.
varium Ol. XXIII.
velox L. XXXVIII.
Bergidora picturella Kerr. XXXIII.
Brachinus Web. LV.
Broscus Panz. LV, LVI.
cephalotes L. LV.
Buprestidae XXXIII.
Calathus Bon. LV.
Calosoma Web. T10, LV.
Carabidae LV, LVI.
Carabus granulatus L. XXIII.
Cassidinae XXXIII.
Cerambycidae XXXIII.
Chelymorpha crucifera Boh. XXXIII.
variabilis Boh. XXXIII.
Chrysodina semiarmata Lef. XXXIII.
Chrysomelidae XXXIII.
Coelambus impressopunctatus Schall.
[XXIV.
parallelogrammus Ahr. XXIV.
Coleoptera XI.
Coleopteroidea XI.
Corticaria longicornis Hbst. XXIII.
Crepidodera Chevr. LIII.
ferruginea Scop. XXIII, LIII,
[LIV.
interpunctata v. sublaevis Motsch.
[XXI ZEIT ZEINZ
transversa Mrsh. LIII.
Cryptophagus cylindrus Ksw. LIV.
Curculionidae XXXIII.
Cyphon Payk. 85, 90.
coarctatus Payk. 90.
—— variabilis Thunb. 90.
Cyphonidae 85.
Dermestes L. LVIII.
Diadora picturella Kerr. XXXIII.
Dicranthus elegans F. LV.
Disomycha conjuncta Germ. XXXIII.
Dyschirius salinus Schm. XXIII.
Elaphrus riparius L. XIV.
Elateridae XXXIII.
Elleschus Steph. XIV.
albosuturalis Uyttenb. XIV.
—— bipunctatus L. XIV.
scanicus Payk. XIV.
_*) De wetenschappelijke namen in de necrologie van Dr. A. C. Oudemans zijn in
een afzonderlijk register opgenomen.
Een T vóór de cijfers verwijst naar de verslagen van de afdeeling voor toegepaste
entomologie.
REGISTER. 99
. Encephalus complicans Westw. XIV.
. Enoplurus spinosus Stev. XXIV.
Eubriinae 85.
Eucinetinae 85.
Eucinetus Germ. 85.
morio Lec.? 85.
Grypidius atrirostris F. XIV.
equiseti F. XIV.
Habrocerus Er. LVIII.
Haliplus fluviatilis Aubé XXIV.
‘ Helodes Latr. LVIII, 85, 86, 90.
marginata F. 86.
minuta L. 86.
Helodidae 85.
Helodinae 85.
Helophorus brevipalpis Bed. XXIV.
Heteroderus spec. XXXIII.
Hydrobius fuscipes L. LVIII.
Hydrocyphon Redtb. 85.
deflexicollis Müll. 90.
Hydroporus Clairv. LVIII.
palustris L. XXIV.
Hygrobia tarda Hbst. LVIII.
Lamellicornia XI.
Leistus Frôhl. LV.
Listroderes argentinensis Hust. XXXIII.
ixus E IV.
Masoreus Dej. LV.
Meloidae LVIII.
Metabletus Schm.-Göb. LV.
Mezium affine Boield. XXXIV.
hirtipenne Rche. XXXIV.
sulcatum F. XXXIV.
Microcara Ths. 85.
testacea L. 86.
Monocrepidus scalaris Germ. X XXIII.
Myelophilus piniperda L. T6.
Myrmedonia funesta Grav. LXII.
Naupactus (?) durius Grm. X XXIII.
leucoloma Boh. XXXIII.
Nebria Latr. LV.
Notiophilus Dum. LV.
Odacantha Payk. LV.
melanura L. LV.
Olisthopus Dej. LV.
Otiorrhynchus sulcatus F. T7.
Oxytelus Grav. LVIII.
Pachymerus nucleorum F. XXXIV.
Panagaeus Latr. LV.
Pantophanes (sensu Heller) spec.
[XXXIII
Paussidae LVI.
Phaedra spec. XXXIII.
Phanaeus Mc. L. LIV.
Philonthus Curt. XXIX.
appendiculatus Shp. XXVII,
[XXVIIIfig., XXIX—XXXI.
astutus Er. XXVII.
—— bishopi Shp. XXX, XXXI.
keysianus Shp. XXIX fig., XXX,
[XXXI.
— — nigritulus Grav. XXVII,
[XXVIII fig.
—— —— v. subnigritulus Rttr. XXVII.
Philonthus (Gabrius) nigritulus Grav.
[XXVIL XXX.
pennatus Shp. XXVII, XXVIII
fig., XXIX—XXXI.
ravasinii Grid. XXVIII fig.
[XXX, XXXI.
—— stipes Shp. XXVIII fig, XXX.
— suffragani Joy XXVII, XXX,
[XXXI.
—— toxotes Joy XXIX fig., XXX,
[XXXI.
— trossulus Nordm. XXVII,
[XXVII fig, XXX.
—- velox Shp. XXIX fig., XXX,
[XXX].
Phyllobius urticae de G. T7.
Phyllodecta vulgatissima L. IX.
Prionocyphon Redtb. 85.
discoideus Say 90.
serricornis Müll. 90.
Pseudomesomphalia lacordairei Boh.
[XXXIII
Rhamphus Tnb. LVI.
Rhamphus pulicarius Hbst. XIV.
oxyacanthae Mrsh. XIII.
Rhipidius Tnb. LVI.
pectinicornis Tnb. LVI.
Rhipiphoridae LVIII.
Rhynchaenus angustifrons West XIII.
foliorum Müll. XIII.
quercus L. T8.
Scarabaeidae LIV.
Scirtes Illig. 85, 87.
Scolytus Geoffr. LVIII.
Silpha L. 86.
Staphylinidae LVIII.
Stenus aceris Steph. XXXI.
aerosus Er. XXXI.
—— biguttatus L. XXIV.
calcaratus Scr. XXIII.
Stomis Clairv. LV.
Synuchus Gylh. LV.
Tachyta Kirby LV.
Tenebrioides sulcifrons J. du Val
[XXXIIT.
Tenebrionidae XXXIII.
Trogophlaeus Mnnh. XXIII.
Zygogramma quadrilorata Stal XXXIII.
COLLEMBOLA.
Hypogastrura armata Nic. T14.
viatica Tullb. XXIV.
Ptenothrix atra L. LXVI.
CRUSTACEA.
Daphnia magna Straus XXIV.
DERMATOPTERA.
Forficula auricularia L. LVI, LVIII.
DIPTERA.
Agromyza Fall. 61, 69.
airae Karl 61—63.
albipennis Mg. 62, 63.
ambigua Fall. 62, 63.
demeijerei Hend. 65.
flavipennis Hend. 63.
genistae Hend. 63.
graminicola Hend. 63.
lucida Hend. 61—63.
mobilis Mg. 62, 63.
nigrifemur Hend. 63.
nigripes Mg. 61—63.
nigrociliata Hend. 63.
niveipennis Zett. 63.
ocellaris Hend. 63, 64.
orobi Hend. 64.
oryzae Hend. 63.
phragmitides Hend. 63.
polygoni Her. 64.
rufipes Mg. 64.
spec. 63, 64.
websteri Mill. 64.
Anagnota bicolor Mg. 61.
Anthomyidae Te.
Anthrax afer F. XLII.
Argyramoeba anthrax Schr. XLII.
Baumhaueria 58.
Cacoxenus indagator Löw 58, 59.
Callicera aenea F. LIV.
rufa Schm. LIV.
Ceratopogon Mg. LII.
Cerioides conopoides L. XLIII.
Cerodonta Rond. 76.
Chironomus Mg. LII.
Chortophila antiqua Mg. T7.
brassicae Bché. T6. i
Chrysochroma bipunctatum Scop.
ii
[XXXVIIL.
Chrysotoxum festivum L. XLIII.
octomaculatum Curt. XLIII.
Cinxia borealis Fall. LV.
Clythia rufa Mg. XLIII.
Collinellula limosa Fall. XXIV.
Culicoides aricola Kieff. LII.
Dasyhelea sericata Winn. LII.
Didea alneti Fall. XLIII.
Diptera XI, XLII.
Dizygomyza Hend. 67, 69, 76.
humeralis v. Ross. 68.
iridis Hend. 67, 68 fig.
morosa Mg. 67.
spec. 68.
Domomyza spec. 63.
Drosophila Fall. LII, 60.
Echinomyia Dum. 58.
Ephydra riparia Fall. XXIII, XXIV.
Eriozona syrphoides Fall. XLIII.
Eristalinae XLIV.
Eristalinus sepulchralis L. XLIII.
Eristalis Latr. XLIII, LIV.
arbustorum L. XLIII.
pertinax Scop. XXXVIII, XLIII.
00 REGISTER.
Eristalis pratorum Mg. XXXVIII.
tenax L. XXXVIII.
Eristalomyia anthophorina Fall.
(XXXVII.
tenax L. XLIII.
Eumerus strigatus Fall. XLIII, XLIV.
Euribia cardui L. XLIII.
Eurinomyia transfuga L. XLIII.
Flabellifera elegans Mg. XXXVIII.
Forcipomyia bipunctata L. LII.
spc. LII.
Gymnophytomyza Hend. 76.
heteroneura Hend. 76.
Hilarella 58.
dira R.D. 58.
stictica Mg. 58.
Homoneura discoglauca Walk. XVI.
Hydrellia nigripes Zett. 60 61.
Lampetia equestris O. XLIII, XLIV, LV.
Lasiopticus Rond. XLIV.
seleniticus Mg. XLIII.
Lauxania viatrix de Meij. XVI.
Limnophyes spec. LII.
Limosina Macg. LI.
Liopiophila nigriceps Mg. XLIII.
Liops vittata Mg. XXXVIII.
Liriomyza Mik. 68, 69, 76.
congesta Beck. 65.
erucifolii Her. 68.
flavonotata Hal. 68.
flavopicta Hend. 68.
hieracii Kalt. 76.
pusilla Mg. 68.
sonchi Hend. 76.
spec. 68.
strigata Mg. 64.
virgo Zett. 68.
Lonchaea Fall. 60.
Masicera Macq. 58.
Megaselia halterata Wood T13.
Melanagromyza Hend. 65, 76.
aeneiventris Fall. 65—67, 72.
arnicarum Her. 65.
beckeri Hend. 66.
—— fuscociliata Hend. 66, 67 fig.
—— goniaea Hend. 66.
lappae Löw 66, 67.
pulicaria Mg. 66.
Metopia Macq. 58.
leucocephala Rossi 57, 58.
melanocephala 58.
Milesinae XLIV.
Miltogrammini 58.
Monohelea leucopeza Mg. LII.
Mycophila speyeri Barnes T14.
Myennis fasciata F. XLIII.
Myiatropa florea L. XLIII.
Myodina vibrans L. LII.
Nemopoda cylindrica F. LII.
Neosciara fenestrialis Zett. T13.
globulifera Lgdf. 74.
Notiphila brunnipes R.D. 60.
Ochthiphila discoglauca Walk. XVI.
Ophiomyia Braschn. 67, 75, 76.
o
Ophiomyia achilleae Her. 67.
galii Her. 67.
labiatarum Her. 67.
— melandricaulus Her. 67.
melandryi de Meij. 61, 67.
—— persimilis Hend. 67.
—— proboscidea Strobl 67.
spec. 67.
Palloptera saltuum L. 60.
umbellatarum Fall. 60.
Paranthomyza nitida Mg. 60.
Pegomyza praepotens Wied. XLIII.
Physocephala rufipes F. 60.
vittata F. 60.
Phytagromyza Hend. 68, 76.
anteposita Strobl 67 fig., 68.
—— buhri de Meij. 66 fig., 68, 69.
flavocingulata Strobl 69.
lucens de Meij. 69.
orphana Hend. 69.
zernyi 69.
hytomyza Fall. XVI, 69, 74, 76.
adjuncta Her. 75.
albimargo Her. 74.
asteris Hend. 76.
athamantae Her. 69.
atricornis Mg. 64, 70.
auricomi Hend. 72.
calthae Her. 74.
calthivora Hend. 74.
calthophila Her. 71 fig., 74.
cardui Her. 70, 72, 73.
cecidonomia Her. 70.
cineracea Hend. 70, 73 fig.
conopodii Her. 70 fig., 71.
diversicornis Hend. 71.
fallaciosa Bri. 72.
gentianae Hend. 72.
klimeschi Her. 72.
lampsanae Her. 74.
mimica Her. 72.
nigritella Zett. 74.
notata Mg. 72.
orobanchia Kalt. 72.
penicilla Hend. 72, 73 fig.
plantaginis R.D. 72 fig.
pulchra Hend. 76.
sisonis Her. 73.
sonchi R.D. 73.
sônderupi Her. 71 fig., 74.
Speen Ell 73,74:
tenella Mg. 73 fig., 74, 76.
varipes Macq. 74, 76.
veratri Her. 74.
Pseudonapomyza Hend. 69.
atra Mg. 66 fig., 69.
Psychoda Latr. LII.
phalaenoides L. LI.
Ptochomyza Her. 75.
asparagi Her. 75.
Ptychoneura cylindrica Fall. 58.
Sapromyza apicalis Lw. LII.
Sarcophaga Mg. XVI, 58.
Sarcophaginae 58.
ae)
Re
REGISTER. 101
Scatopse brevicornis Mg. LII.
soluta Lw. LII.
Scatopsidae LII.
Sciara Fabr. LII.
recurva Löw T14.
Sicus ferrugineus L. 60.
Sphaerophoria flavicauda Zett. LV.
rüppelli Wied. LV.
Syritta pipiens L. XLIII, XLIV.
Syrphidae XXXVIII, XLIII, LIV.
Syrphus corollae F. XLIII.
ribesii L. XLIII.
Tendipedidae LII.
Tendipes plumosus L. XXIV noot.
tentans F. XXIV.
Trixa grisea Mg. XXXVIII.
Tubifera XLIII.
hybrida Lw. XXXLIII, LV.
Volucella bombylans L. XLIII, XLIV.
zonaria Poda XXXVIII.
EMBIOPTERA.
Embioidea XI.
HYMENOPTERA.
Acromyrmex octospinosus Reich XXII.
Ammobates punctatus F. XVII.
Ammophila Kirby 58.
campestris Jur. 57.
Anoplolepis longipes Jerd. XVII, XIX.
Anthophora bimaculata Panz. XVII.
Attini XX.
Azteca spec. XXI.
Brachymyrmex heeri For. XX, XXI.
v. obscurior For. XXI.
Camponotus Mayr XX.
bugnioni For. XXI.
herculeanus L. LVI, LVII.
—— ligniperda Latr. LVI—LVIII.
lindigi Mayr XVIII.
—— mitis F. Sm. XXI.
—— sericeiventris rex For. XX, XXII.
a. devalata Ske. XXII.
ustulatus For. XXI.
Cardiocondyla emeryi For. XVII.
Carebara Westw. LVII.
Coelocrabro cinxius Dahlb. 58.
Colletes Latr. XLI, XLII.
cunicularius L. XL.
succincta L. XLI, XLII.
halophila Verh. XLI, XLII.
Colobopsis truncata OI. XXII.
Crabro peltarius Schreb. 58.
Crematogaster brevipinosus Mayr XXI.
scutellaris v. algirica For. XXII.
sordidula Nyl. XXII.
spec. XXI, XXII.
—— sulcata Mayr XXII.
vanderpyli Ske. XIX.
Cryptocerus spec. XXI, XXII.
varians F. Sm. XXI.
Cynips L. VIII.
Diplolepis Geoffr. VIII.
102 REGISTER.
Diplolepis agama Htg. VII.
disticha Htg. VII, VIII.
divisa Htg. VII, VIII.
longiventris Htg. VII, VIII.
quercus-folii L. VII, VIII.
similis Adl. VIII.
taschenbergi Schltd. VIII.
verrucosa Schltd. VIII.
Diprion pini L. T10, T11.
Discoelius zonalis Panz. XXXIX.
Dolichoderinae XX.
Dryophanta Htg. VIII.
Epeolus Latr. XLI.
Eriades XXXIX.
Formica L. LXI.
exsecta Nyl. XXIV.
pressilabris Nyl. XXIV.
Titan Di FAVALLI E
rufibarbis F. XXII.
Formicidae XX.
Formicinae XX.
Halictus quadricinctus L. XL.
Hymenoptera XL.
aculeata XXXIX.
Hymenopteroidea XL.
Hypocryptocerus spec. XXI.
Iridomyrmex Mayr XX.
cellarum Ske. XX.
—— humilis Mayr XVII, XX, XXI.
iniquus Mayr XX.
v. nigella Em. XX.
Lasius alienus Fôrst. LX, LXI, LXIII.
flavus de G. LXIII.
—— fuliginosus Latr. XVIII,
DO
|
[LX—LXM.
—— meridionalis Bondr. LXI, LXIII.
—— niger auct. LX—LXIII.
—— TES Van ORGUE
Megachile Latr. XXXIX.
ericetorum Lep. XXXIX.
Monomorium destructor Jerd. XVII,
[XXL
floricola Jerd. XVII, XXI.
pharaonis L. XVII, XXI.
Myrmepomis sericeiventris rex
[a. devalata Ske. XXII.
Myrmica Latr. XVIII.
rugulosa Nyl. XXIII.
Myrmicinae XX.
Myrmobrachys Lindigi Mayr XVIII.
Myrmothria ustulatus For. XXI.
Neoponera foetida XXII.
spec. XXI.
Nylanderia flavipes XXII.
vividula Nyl. XVII, XIX,
DOS SORTE
v. Mjöbergi For. XIX.
Odontomachus haematodes L. XVII,
(XVIII, XXI.
Odynerus Latr. XXXIX.
Omalus biaccinctus Buyss. XLI.
Orthocrema sordidula Nyl. XXII.
spec. XXII.
umbratus Nyl. XXIII, LX—LXIII.
Osmia Panz. XXXIX, 58, 59.
brachycetus Blüthg. XVII.
Paratrechina longicornis Latr.
[XVII—XIX, XXI.
Passaloecus XXXIX, XLI.
brevicornis A. Mor. XLI.
Pheidole anastasii v. cellarum For.
[XVIII, XX, XXI.
—— fallax Jelskyi Mayr XXI.
—— megacephala F. XVII, XXI.
—— plagiaria F. Sm. XXII.
spec. XXII.
Plagiolepis Alluaudi Em. XX, XXI.
exigua For. XXI.
—— Foreli Sants. XXI.
v. ornata Sants. XXI.
Polyergus rufescens Latr. XXIV.
Ponera coarctata Latr. XX.
punctatissima Rog. XX, XXI.
Prosopis Fabr. XXXIX.
Psenulus XXXIX.
Pseudomyrma spec. XXII.
Smicromyrme rufipes v. nigra Rossi XL.
Solenopsis geminata F. XVII, XXI.
Sphecodes fuscipennis Germ. XL.
Stephanus serrator F. XVII.
Strongylognathus testaceus Nyl.
[LXII, LXIII.
Tanaemyrmex mitis F. Sm. XXI.
Tapinoma Först. XX.
andamanense v. capsincola For.
[XIX.
—— melanocephalum F. XVII—XIX,
[XXI.
Tapinomini XX.
Technomyrmex albipes Mayr XX.
detorquens Walk. XX.
Tetramorium Mayr LXIII.
guineense F. XVII, XVIII, XXI.
simillimum F. Sm. XVII, XXI.
Triglyphothrix striatidens Em. XVII.
Trypoxylon Latr. XXXIX.
Vespa germanica F. XXXI, XXXII.
vulgaris L. XXXI, XXXII.
LEPIDOPTERA.
Acrolepia assectella Zell. T7, LXIV.
Aglais urticae L. LXIV.
Aglia tau L. XXVII.
a. androides Heinr. XXVII.
Agrotis ditrapezium Bkh. LXIV.
Apatura iris L. XXVI.
a. deschangei Cab. XXVI.
a. strictica Cab. XXVI.
Aphantopus hyperantus L. 92.
Aporophila lutulenta a. aterrima Warn.
[KXVII.
Araschnia levana L. XXVII.
a. intermedia Stich. XXVII.
a. margine-lineata Horch
[XXVI.
a. obscura Fent. XXVII.
f. prorsa L. XXVII.
Argynnis adippe Rott. XXVI.
REGISTER. 103
Argynnis nicbe a. eris Mg. XXVI.
Argyresthia cornella F. LXV.
Bombyx mori L. T9.
Coenonympha pamphilus L. 91, 92,
(95), sig, See.
Coleophora Hb. (zie ook onder Eupista)
[XXV.
annulatella Tengstr. XVI.
argentula Z. XV.
artemisiae Mühlig XV.
caespititiella Z. XV.
flavipennella H.S. XV.
glaucicolella Wood XV.
inulifolia Benander XV.
laripennella Zett. XV, XVI.
lutipennella Z. XV.
orbitella Z. XV.
pallorella Benander XV, XVI.
paripennella Z. XV.
tamesis Wat. XV.
troglodytella Dup. XV.
versurella Z. XV.
Crinodes sommeri Hb. 81—83.
vethi Sn. 77, 79.
Dioryctria abietella F. LXIV.
Dudusa Walk. 77—80, 83.
baibarana Matsum. 77.
—— fumosa Matsum. 77.
—— nobilis Walk. 77, 79, 80, 83.
LEN
celebensis Rpke. 79, 83.
vethi Sn. 80.
spec. 80.
sphingiformis Moore 77.
distincta Mell 77, 80.
—— rufobrunnea Mell 77, 80.
synopla Swinh. 77, 79.
vethi Sn. 80.
subhastata Nolchen LXIV.
Eumenis semele L. 92.
Eupista adjunctella Hodgk. XXV.
agrammella Wood. XXV.
artemisiae Mühl. XXV.
benanderi Koll. XXV.
caespititiella Z. XXV.
frischella L. XXV.
galactaula Meyr. XXV.
glaucicolella Wood. XXVI.
salicorniae Hein. XXV.
suaedivora Durr. XXV.
tamesis Wat. XXV.
Eupithecia abietaria Goeze LXIV.
— bilunulata Zett. LXIV.
lariciata Frr. LXIV.
Gelechia lentiginosella Z. XVI.
Glyphipterix struvei Ams. XXV.
Hesperia sao Hb. LXIV.
sertorius Hffms. LXIV.
Incurvaria koerneriella Z. LXIV.
Larentia hastata L. LXIII, LXIV.
bh
borneensis Rpke. 79, 80 fig.,
[83.
javana Rpke. 78 fig., 79, 83.
Larentia subhastata Nolck. LXIV.
Lepidoptera XI, 25.
Leucania comma L. LXIV.
Lipoptycha saturnana Gz. XV.
Lithocolletis blancardella F. XV.
concomitella Bnks. XV.
viminiella Stt. LXIV.
Lithophane socia Rott. XXVII.
Lophopteryx camelina L. LXIV.
Maniola jurtina L. 92.
tithonus ,L. 92.
Melanchra persicariae L. LXIV.
Naenia typica L. LXIV.
Narycia monolifera Geoffr. LXV.
Nepticula v. Heyd. (zie ook onder
[Stigmella) XXV.
—— gei Wck. XV.
occultella Hein. XVI.
splendidissimella H.S. XV.
Nygmia phaeorrhoea Don. T5.
Ochropleura plecta L. LXIV.
Ornix carpinella Frey XV.
Orthosia O. LXIII.
cruda Schiff. LXIII.
gothica L. LXIII.
incerta Hufn. LXIII.
stabilis Schiff. LXIII.
Pancalia latreillella Curt. XXV.
Pararge aegeria L. 92.
megera L. LXIV, 92.
Parasemia plantaginis L. LXIV.
a. hospita Schiff. LXIV.
Pergesa procellus L. XXVI.
Pieris brassicae L. LXIV.
rapae L. LXIV.
Platyedra malvella Hb. XXV.
Polia advena F. LXIV.
nebulosa Hufn. LXIV.
Polychrosis euphorbiana Frey XXV.
Satyridae 91, 92.
Stigmella angulifasciella Stt. XXV.
atricollis Stt. XXV.
basiguttella Hein. XXV.
—— fletcheri Tutt XXV.
ulmicola Her. XXV.
ulmifoliae Her. XXV.
Taeniocampa Guén. LXIII.
Tarsolepis Butl. 77, 80.
javana Swinh. 80, 83.
remicauda Butl. 80—83.
rufobrunnea Rothsch. 82, 83.
sommeri Hb. 80—83.
dinavensis Bethune-Baker
[80, 83.
si
remicauda 83.
sommeri 83.
Triphaena orbona Hufn. LXIV.
Xylina socia Rott. XXVII.
MECOPTERA.
Boreus hyemalis L. XXXVII.
westwoodii Hag. XXXVII.
Mecoptera XI, XXXIV.
104 REGISTER.
MEGALOPTERA.
Megaloptera XI.
Sialidae XXXVII.
Sialis Latr. XXXVII.
flavilatera L. XXXVII.
fuliginosa Pict. XXXVII.
—— lutaria Fab. XXXVII.
— morio Klingstedt XXXVII.
—— sibirica Mc. Lachl. XXXVII.
—— sordida Klingstedt XXXVII.
NEUROPTERA.
Acanthaclisis occitanica Vill. LXVI.
Chrysopa albolineata Killington
[XXXVII.
—— nigricostata Brauer XXXVII.
tenella Schn. XXXVII.
Drepanopteryx phalaenoides L. LXV.
Euroleon nostras Fourcr. XXXV,
[XXXVI, XXXVIII, LXVI.
Hemerobiidae XXXVI.
Hemerobius atrifrons Mc. Lachl.
[XXXVII
—— humuli L. XXXVI.
— humulinus L. XXXVII.
lutescens Fab. XXXVI, XXXVII.
Myrmeleon formicarius L. XXXIV—
[XXXVI, XXXVIII, LXV, LXVI.
Neuroptera X, XI.
Neuropteroidea XI, XII, XXXIV.
Psectra diptera Burm. XXXVI,
Sympherobius elegans Steph. XXXVI.
Wesmaelius quadrifasciatus Reut.
IXXXVIL.
ORTHOPTERA.
Blatta L. LVI.
Blattariae X.
Blattidae LVI.
Mantodea X.
Melanoplus spec. T9.
Orthoptera X.
Orthopteroidea XI.
Phasmida X.
Phyllodromia germanica L. LVI.
Saltatoria X.
PLANIPENNIA. |
Planipennia XI.
PSOCOPTERA.
Amphigerontia bifasciata Latr. LII, 96.
contaminata Steph. LII.
intermedia Tet. XXV, 96.
pearmani Roesl. 96.
Atropetae 95.
Bertkauia lucifuga Ramb. XXIV,
[LXVI, 95.
Blaste quadrimaculata Latr. 96.
Caeciliidae 95.
Caecilius atricornis Mc. Lachl. 95.
burmeisteri Brau. 95.
Caecilius despaxi Bad. 95, 97.
flavidus Steph. 95.
— fuscopterus Latr. 95.
—— gynapterus Tet. 95.
—— kolbei Tet. 95, 97.
—— obsoletus auct. nec Steph. 95.
— piceus Klbe. 95.
rhenanus Tet. 95.
Cerobasis Klbe. 94.
britannicus Harr. 94, 95.
guestfalicus Klbe. 95.
Chaetopsocus richardsi Pearm. 96.
Clematostigma morio Latr. 96.
Clothilla inquilina Heyd. 94.
Copostigma contrarium Reut. 96 97.
Deipnopsocus spheciphilus End. 95, 96.
Dorypteryx pallida Aar. 95, 97.
Ectopsocus briggsi Mc. Lachl. XXV, 96.
Elipsocus abietis Klbe. 94, 96, 97.
cyanops Klbe. 95, 96.
— hyalinus Steph. 96.
pallidus Jentsch 96, 97.
—— westwoodi Mc. Lachl. 96, 97.
Embidopsocus enderleini Rib. 95, 97.
minor Pearm. 95, 96.
Enderleinella obsoleta Steph. 95, 96.
Epipsocetae 95.
Epipsocidae 95.
Epipsocus lucifugus Ramb. 95.
Euclismia quadrimaculata Latr. 96.
Graphopsocus cruciatus L. 96.
Hemineura dispar Tet. 96, 97.
Hyperetes Klbe. 94.
guestfalicus Klbe. 95.
Kolbia quisquiliarum Bertk. 95.
Lachesilla greeni Pearm. 96, 97.
livida End. 96, 97.
pedicularia L. 96.
quercus Klbe. 95, 96.
Lachesillidae 96.
Lepidilla Rib. 95.
Lepidopsocidae 95.
Lepinotus inquilinus Heyd. 94, 95.
patruelis Pearm. LIII, 95.
reticulatus End. 94, 95.
Liposcelis bicolor Banks 95, 96.
divinatorius Miill. 95, 97.
formicarius Hag. 95, 97.
— meridionalis v. Ros. 95.
—— priesneri End. 95, 96.
virgulatus Pearm. 95, 96.
Loensia picicornis Steph. LII.
Mesopsocidae 96.
Mesopsocus immunis Steph. LII, 96.
laticeps Klbe. LII, 96.
unipunctatus Müll. LII, 96.
Metylophorus nebulosus Steph. 96.
Myopsocnema annulata Hag. 94, 95.
Nanopsocetae 95.
Neopsocopsis hirticornis Reut. 96, 97.
Neopsocus rhenanus Klbe. 96, 97.
Oreopsocus montanus Klbe. 96, 97.
Pachytroctidae 95.
Peripsocus alboguttatus Dalm. 96.
REGISTER. 105
. Peripsocus didymus Roesl. 95, 96.
parvulus Klbe. LII, 96.
— phaeopterus Steph. LII, 96.
subfasciatus Ramb. 96.
Philotarsus flaviceps Steph. 96.
Prionoglaris stygia End. 95, 97.
Pseudocaeciliidae 96.
Pseudopsocus fusciceps Reut. LII, 96.
meridionalis Bad. 96, 97.
—— rostocki Klbe. 96, 97.
Psocatropetae 95.
Psocatropos lachlani Rib. 95, 96.
Psocetae 96.
Psocidae XXIV, 96.
Psococerastis gibbosa Sulz. 96. -
Psocoptera LII, 94.
Psocus bipunctatus L. 96.
Psoquilla marginepunctata Hag. 95.
Psyllipsocidae 95.
Psyllipsocus ramburi Sél. LIII, 95.
Pteroxanium End. 95.
kelloggi Rib. 95, 96.
Reuterella helvimacula End. 96, 97.
neglecta Roesl. 96, 97.
Rhyopsocopsis peregrinus Pearm. 95, 96.
Scoliopsyllopsidae 95.
Soa flaviterminata End. 95, 96.
Stenopsocidae 96.
Stenopsocus immaculatus Steph. 96.
impunctatus Steph. LIII.
lachlani Klbe. LIII, 96.
stigmaticus Imh. & Labr. 96.
Tapinella castanea Pearm. 95, 96.
Thylacopsis madagascariensis Klbe.
[95, 96.
Trichadenotecnum fasciatum F. 96.
germanicus Roesl. 96, 97.
—— macilentum Roesl. -96.
—— maius Loens 96, 97.
—— sexpunctatum L. 96.
variegatum Latr. 96.
Trichopsocus dalii Mc. Lachl. XXV, 96.
hirtellus Mc. Lachl. XXV, 96.
Trogiidae 95.
Trogium pulsatorium L. 94, 95.
RHAPHIDIINAE.
Rhaphidides XI.
RHYNCHOTA.
Acledra kinbergi Stal XXXIII.
Adelges Vall. VIII.
Aphis pomi de G. T11.
Calocoris ochromeles f. fornicatus
Chermes L. VIII.
cooleyi Gill. VI.
laricis Vall. VII.
Chermesidae VI.
Corixa panzeri Fieb. XXIV.
Dichelops transversalis H. Schm.
[XXXIIT.
Gerris thoracica Schumm. XXIV.
[Fieb. IX.
Gilletteella cooleyi Gill. VI—VIII.
Gonocerus juniperi H.S. VIII.
Hemipteroidea XI.
Heteroptera XI.
Homoptera XI.
Notonecta lutea Müll. XXIV.
Orthotylus bilineatus Fall. IX.
Picromerus bidens L. VIII.
Pithanus maerkeli H.S. f. macroptera
[VIII.
Polymerus holosericeus Him. IX.
Psylla Latr. VIII.
Py is VIL:
Rhynchota XXXIII.
Saldula XXIV.
Sigara lugubris Fieb. XXIV.
striata L. XXIV.
Teratocoris antennatus Boh. LXV.
v. bohemani Stich. LXV.
STREPSIPTERA.
Strepsiptera X.
THYSANOPTERA.
Thysanopteroidea XI.
THYSANURA.
Lepisma L. 86.
TRICHOPTERA.
Arctopsychidae LIX.
Calamoceratidae LIX.
Holocentropus stagnalis Albda. XXVI.
Hydropsychidae LIX.
Hydroptilidae LIX.
Kitagamiidae LIX.
Leptoceridae LIX.
Limnophilidae LIX.
Limnophilus elegans Curt. XXVI.
luridus Curt. XXVI.
Molanna albicans Zett. XXVI.
palpata Mc. Lachl. XXVI.
Molannidae LIX.
Necrotauliidae LIX.
Odontoceridae LIX.
Orthotrichia angustella Mc. Lachl.
[83—85.
spec. 83.
tetensii Klbe. 84, 85.
Philopotamidae LIX.
Philorheithridae LIX.
Phryganea obsoleta Hag. XXVI.
Phryganeidae LIX.
Polycentropodidae LIX.
Prosepididontidae LIX.
Ptychomyidae LIX.
Rhyacophilidae LIX.
Sericostomatidae LIX.
Stenopsychidae LIX.
Trichoptera XI, XXVI, LVIII, 83.
VERMES.
Heterodera marioni T14.
Nemertini 2, 10.
106 REGISTER.
ALGEMEENE ZAKEN.
Andersen (S. L.). Lid. XLVI.
Bakker (H. A.). Over Nederl. Neuro-
pteroidea en Mecoptera. XXXIV.
Mierenleeuwen en een nieuwe Pso-
cide. LXV.
Barendrecht (Dr. G.). Insectensystemen.
IX
—— Nieuwe en zeldzame Hymenoptera.
XVII.
Bentinck (Ir. G. A. Graaf). Nieuwe en
zeldzame Microlepidoptera. XV.
Bijzondere vlinders voor de Nederl.
fauna. LXIV,
Bernet Kempers (K. W. J.). Een kleinig-
heid over de ontwikkeling der orga-
nen bij den groei der larven. LVIII.
Besemer (Dr. A. F. H.). De diapause
van bladwespen, i. h. bijz. v. Diprion
pini L. (de dennenbladwesp). T10.
Bibliothecaris. Verslag 1942. L.
Boelens (W. C.). Philonthus (subgen.
Gabrius) nigritulus Grav. XXVII.
Bolland (J.). Lid. XLVI.
Ceton (J. C.). Lid overleden. XLV.
Commissie v. h. nazien der rek. en ver-
antw. over 1942. XLIX.
id. 1943. Benoemd. XLIX.
Dammerman (Dr. K. W.). Fauna NO.
polder. XXII.
Docters van Leeuwen (Prof. Dr. W.
M.). Over Gilletteella cooleyi Gill.
VI.
Over Diplolepis disticha Htg. VII.
Doesburg (P. A. van). Nederl. Syrphi-
dae. XXXVIII.
Bembidion velox L. en Bembidion
bipunctatus L. XXXVIII.
—— Aceralus oculidens Zang (Passa-
lidae). XXXVIII.
—— Nederl. Syrphidae. LIV.
Eyndhoven (G. L. van). Mijten van
vleermuizen (V). XLIV.
Dipterocecidién op een paddestoel.
LXV.
Fischer (F. C. J.). Trichoptera uit Drent-
sche heiplassen. XXVI.
» Trichopterorum Catalogus”.
LVIII.
Franzen (H.). Lid. XLVI.
Gravestein (W. H.). Nieuwe zeldzame
Hemiptera Heteroptera. VIII.
Merkwaardig winterverblijf van een
Chrysomelide. IX.
Hemiptera Heteroptera. LXV.
Helmers (G.). Lid. XLVI.
Hove (F. K. ten). Lid. XLVI.
Jeekel (C. A. W.). Lid. XLVI.
Jong (Dr. C. de). Uit Z. Amerika ge-
importeerde kevers. XXXII.
Mezium affine Boield. te Rotter-
dam gevonden? XXXIV.
Kabos (Dr. W. J.). Zeldzame Diptera.
XLII.
—— Eischaal-structuren bij Syrphiden.
XLIII.
Koot (Ir. van). Bestrijding van wortel-
aaltje. T14.
Kruseman Jr. (Dr. G.). Vindplaatsen van
mieren. XXIV.
—— Nieuwe Psociden voor Nederland.
XXIV.
Derde mededeeling over Nederl.
Psocoptera. LII.
Krijgsman (Dr. B. J.). Een physiologisch-
en inleiding over diapause.
9,
Kuenen (Dr. D. J.). Onderzoek naar den
invloed van vruchtboomcarbolineum
en aardolieëmulsie op de eieren van
appelbladluis en spint. T11.
Kuiper (F. J.). Lid. XLVI.
Lameere (Prof. Dr. Aug. L. G.). Eere-
lid overleden. XLV.
Loggen (N.). Lid. XLVI.
Mac Gillavry (Dr. D.). Waar kunnen
de mieren-typen van Latreille zijn ?
VI
—— Wie was de Charles van Latreille's
mieren-excursies ? XVII.
—— Vliegvermogen van gevleugelde
Coleoptera. LV.
Blatta als waard van Rhipidius
pectinicornis Fab. LVI.
Een huisinvasie door Camponotus
ligniperda Latr. LVI.
Meulen (H. van der). Lid. XLVI.
Meijere (Prof. Dr. J. C. H. de). Een
vliegje van Krakatau. XVI.
—— De Nederl. Sarcophaga-soorten.
XVI. i
—— Bestuiving bij Arum en Aristolochia
door kleine Dipteren. LI.
» Natura Docet”. Lid. XLVI.
Nijs (M. de). Lid. XLVI.
Oudemans (Dr. A. C.). Eerelid over-
leden. XLV.
Penningmeester. Verslag 1942. XLVII.
Financieel verslag Dr. J. Th. Oude-
mans-stichting. XLIX.
Financieel verslag Vereeniging tot
het financieren der viering van het
100-jarig bestaan der N.E.V. XLIX.
Piet (D.). Zeldzame Nederl. Diptera.
XXXVIII.
President. Jaarverslag. XLV.
Regteren Altena (Dr. C. O. van). Vespa
vulgaris L. en Vespa germanica F.
XXXI.
Ritsma (N. S.) Lid. XLVI.
Roepke (Prof. Dr. W. K. J.). De nomen-
clatuur-impasse, en wat moeten wij
doen om eruit te geraken. I.
REGISTER. 107
Roepke (Prof. Dr. W. K. J.). Lid.
XLVI.
Roon (A. van). Lid. XLVI.
Stärcke (A.). Nederl. adventief-mieren.
XVII.
—— Directe adoptie van Lasius fuligi-
nosus Latr. bij Lasius niger L., hesmo-
sis bij Strongylognathus testaceus Nyl.
LX
Stelt (C. van der). Lid. XLVI.
Stuldreher (C. J. F.). Lid. XLVI.
Uyttenboogaart (Dr. D. L.). Afwijkende
Curculioniden. XIII.
Crepidodera-soorten. LIII.
Vari (L.). Eenige voor Nederland nieu-
we Lepidoptera (3de faunistische me-
dedeeling). XXV.
Verhoeff (P. M. F.). Opmerkingen over
Hymenoptera aculeata. XXXIX.
Walhout (J.). Lid. XLVI.
Wintervergadering 1944. Aan het Be-
stuur overgelaten. XIII.
Wisselingh (Ir. T. H. van). Zeldzame
Lepidoptera in 1942. XXVI.
Vroege Macrolepidoptera in 1943
en vondsten van zeldzame soorten.
LXIII.
Wories (H.). Lid. XLVI.
Zomervergadering 1944. Aan het Be-
stuur overgelaten. LI.
REGISTER*)
van de in de Necrologie van Dr. A. C. Oudemans
voorkomende namen van mijten en insecten.
ACARI.
Acarapis Hirst 548.
Acari Latr. 2 e.v.v.
Acaridae Kirby 88, 153, 214, 235, 285.
Acaridiae Latr. 69, 448, 484, 530, 549,
[568,. 574, 581.
Acaridina v. Ben. 581.
balaenarum v. Ben. 468, 573.
belli Oudms. 573.
Acarina Nitzsch 7, 10, 419, 464.
Acarinae v. Leeuwen 171, 383.
Acaropsis Mog, Tand. 160, 174, 223.
docta Berl. 327.
eruditus Oudms. 163.
Acarus L. 59, 69, 206, 330.
batatus L. 528.
bubulus Oudms. 484, 492.
caballi Oudms. 522.
caninus Oudms. 568.
caprae Mill. 383.
caprinus Oudms. 574, 581.
coleoptratorum L. 328, 551.
criceti Sulz. 550, 551.
cuniculi Neum. 383.
denticulatus Schrk. 142.
dimidiatus Herm. 121.
dysenteriae Nyl. 413.
equi Gerl. 383.
farinae L. 330.
geniculatus L. 459.
hyacinthi Boisd. 574.
lactucae Motsch. 332.
lemuris Oudms. 568.
leporis Oudms. 568.
libellulae de G. 323.
melis Oudms. 568.
mori Rond. 573.
muris Ljungh 507.
ovillus Oudms. 568, 581.
passularum Her. 182.
piper Scop. 188.
sambuci Schrk. 345.
siro L. 330, 383, 475, 498, 528.
spinitarsus Herm. 466, 474.
tristriatus Panz. 63.
Acheles Oudms. 147.
mirabilis Oudms. 147.
Achorolophus Berl. 178, 182, 185.
„an naher daran
Achorolophus gagrellae Oudms. 274.
gagzoi Oudms. 284
gracilipes Oudms. 272.
ignotus Oudms. 286, 309.
lomani Oudms. 286.
longicollis Oudms. 270.
molochinus C. L. Koch 324.
opilionis O. F. Müll. 309, 311, 324.
phalangii de G. 308.
v. nemorum C. L. Koch 308.
—— v. niger Oudms. 308.
v. trimaculatus Herm. 308.
rubricatus C. L. Koch 324.
schedingi Oudms. 286.
siemsseni Oudms. 284.
sieversi Oudms. 286.
sigthori Oudms. 324.
sudanensis Oudms. 288.
trimaculatus Herm. 324.
vertex Kram. 324.
PARENT PEN)
paradoxa Oudms. 130, 139.
Adoristes poppei Oudms. 207, 210.
ovatus C. L. Koch 581.
Agastropeltae Oudms. 390.
Aleurobius Can. 102, 178, 180, 182, 185,
[186, 188.
farinae L. 147, 176.
Allolaelaptidae Oudms. 577.
Alloptes Can. 69, 168, 171, 180.
—— ditrichus Oudms. 171, 278.
gambettae Oudms. 168, 278.
Allothrombidium Bruyant 178, 185, ©
[188, 193.
—— vandesandei Oudms. 193.
wichmanni Oudms. 193.
Allothrombium Berl. 544.
adustum Oudms. 185, 368.
—— aequinoctiale Oudms. 500, 517.
—— fuligineum Oudms. 185, 368.
— fuliginosum Herm. 368.
—— incarnatum Oudms. 185, 368.
— molliculum C. L. Koch 368.
neapolitanum Oudms. 272, 303.
Amansia Oudms. 568.
chrysomelinus C. L. Koch 568.
Amblygamasus Berl. 544.
—— dentipes C. L. Koch 485.
*) De getallen verwijzen naar de nummers van de opera van Dr. O.
REGISTER.
Amblygamasus septentrionalis Oudms.
2941813551:
Amblyomma C. L. Koch 63, 119, 139,
[201, 206, 283, 544.
americanus L. 528.
—— decoratum C. L. Koch 311.
—— dissimile C. L. Koch 311.
—— geayi Neum. 129.
helvolum C. L. Koch 516.
—— hippopotamense Denny 129.
—— sabanerae Stoll 129.
— scaevola Oudms. 177.
splendidum Gieb. 129.
Ameronothrus bilineatus Bostock 511.
spoofi Oudms. 102.
Ameroseius Berl. 544.
à corbicula Sowerby 520.
Amphitetranychus Oudms. 539.
crataegi Hirst 539.
viennensis Zach. 539.
Anacrotricha Oudms. 189, 459, 484.
Analgeae Can. 210.
Analges Nitzsch 69, 180, 534, 544.
corvinus Mégn. 383.
halleri Oudms. 4, 9.
passerinus L. 4.
Analgesinae Trt. et Mégn. 377, 418.
Analgidae 179.
Analginae Mich. 206.
Anandia Hirst 565.
Androlaelaps Berl. 310, 330.
pilifer Oudms. 304, 309, 330.
Anitsiellinae Oudms. 584.
Anoetoglyphus Vitzt. 521.
ateuchi Vitzt. 503.
Anoetus Duj. 69, 149, 178, 179, 180,
[181, 186, 206, 306, 310,
[330, 333, 334, 521.
alicola Duj. 474.
banjuwangicus Oudms. 293.
brevimana Oudms. 383.
campanula Oudms. 329.
cirratus Oudms. 293.
conclavicola Oudms. 521.
crassipes Oudms. 304, 383.
crenulatus Oudms. 267.
dionychus Oudms. 272.
discrepans Oudms. 147, 175.
dugesi Clap. 267.
ensifer Oudms. 304.
feroniarum Duf. 471, 474.
guentheri Oudms. 364.
indicus Oudms. 293.
insularis Oudms. 329, 334.
lanceocrimus Oudms. 329.
lanceocrinus Oudms. 329.
litoralis Oudms. 329, 334.
longipes Oudms. 293.
f. brevipes Oudms. 293.
maritimus Oudms. 329, 334.
necrophori Duj. 474.
neglectus Oudms. 134, 143.
RARE RAPPEL PPT CE
109
Anoetus phyllophorus Oudms. 304.
polaki Oudms. 329.
polypori Oudms. 329.
sapromyzarum Duf. 329, 334,
[474
setipes C. L. Koch 474.
spiniferus Mich. 134, 143.
spinitarsus Oudms. 383.
sumatrensis Oudms. 147, 175.
tienhoveni Oudms. 487, 490.
toxopei Oudms. 500.
trichophorus Oudms. 304. :
tropicus Oudms. 295.
turcastanae Oudms. 383.
A AREAS
mégnini Oudms. 574.
tropica Oudms. 500, 517.
Antennophorinae 206.
Antistigmata Oudms. 189.
Anvchus McGreg. 549.
Anystidae Oudms. 135, 505, 565.
Anystinae 206.
Anystis v. Heyd. 65, 129, 139, 149,
1178201504 565570!
andréi Oudms. 565.
baccarum L. 65, 375.
berlesei Oudms. 565.
borussica Oudms. 565.
citreola Oudms. 565.
germanica Oudms. 565.
kochi Oudms. 565.
rosae Oudms. 565.
sellnicki Oudms. 565.
voigtsi Oudms. 565.
Aphelenia Oudms. 462, 474.
medanensis Oudms. 474.
Apobolostigmata Oudms. 254.
Aponomma decorosum C. L. Koch
[311 499:
Ro
—— ecinctum Neum. 514.
—— exornatum C. L. Koch 311.
—— gervaisi Luc. 311, 481.
—— kerberti Oudms. 496.
—— komodoense Oudms. 519.
simplex Coop. & Rob. 311.
Apotetranychus Oudms. 539.
muscicola Oudms. 539.
Aptyctima Oudms. 210, 221, 390.
Argas Latr. 102, 129, 139, 149, 178,
192393434 340,
—— pipistrellae Aud. 516.
— reflexus F. 323.
vespertilionis Latr. 345.
Argasidae C. L. Koch 284.
Argasides C. L. Koch 63.
Arrenurae Oudms. 135.
Arrenurus Dug. 68.
Asca v. Heyd. 131, 135, 149, 178,
8307542
affinis Oudms. 131, 149.
Ascaidae 210, 295.
Ascainae 206.
Atax Dug. 7, 68.
110 REGISTER.
Atax ypsilophorus v. Ben. 120.
Atomus Latr. 330.
Atractidinae Oudms. 584.
Aturae Oudms. 584.
Aturidae Oudms. 584.
Atypus piceus Sulz. 138.
Autenriethia Oudms. 565.
velox Berl. 565.
Avenzoaria Oudms. 174, 285.
americanus Oudms. 171, 285.
asiaticus Oudms. 171, 285.
australis Oudms. 171, 285.
bengalensis Oudms. 171, 285.
calidridis Oudms. 168, 285.
gambettae Oudms. 168, 285.
grallatoris Oudms. 168, 285.
indicus Oudms. 171, 285.
limicolae Oudms. 168, 285.
totani Can. 174.
tringae Oudms. 168, 285.
Avenzoariinae Oudms. 252, 257.
Avicolae Rob. 549.
Avrosia Oudms. 514, 548.
translucens Nietn. 514.
Balaustium v. Heyd. 65, 178, 181, 182,
[186, 201, 330, 333.
bulgariense Oudms. 487.
flavus Oudms. 144, 169.
glaber Oudms. 144, 169.
globigerum Beri. 324.
kochi Oudms. 567.
murorum Herm. 309, 324, 332, 368.
quisquiliarum Herm. 276, 324.
rhopalicus C. L. Koch 324.
stolli Oudms. 574.
Banksia Oudms. 178, 532.
tegeocranus Herm. 365.
Banksinoma Oudms. 532, 538.
castaneus Herm. 532.
Barbutia Oudms. 504.
anguineus Berl. 504.
Barellea Oudms. 565.
sinensis Berl. 565.
Bdella Latr. 64, 129, 178, 188, 193, 365,
[444, 504.
ll
(I,
—— kochi Oudms. 566.
littoralis L. 509.
longicornis L. 64.
obesa Oudms. 566.
villosa Kram. 67.
Bdellei Dug. 64.
Bdellidae Bronn 175, 210, 214, 361, 412.
Bdellidium Oudms. 521.
vulgaris Herm. 521.
Bdellodes Oudms. 566.
longirostris Herm. 566.
oblongula Oudms. 566.
Bdellorrhynchus Trt. 171.
Beaurieuia Oudms. 525.
nederveeni Oudms. 147, 175.
Bechsteinia Oudms. 565.
schneideri Oudms. 565.
Belba v. Heyd. 59.
geniculata L. 62.
Belba geniculosa Oudms. 521.
torva C. L. Koch 62.
Bimichaelia S. Thor. 178.
Biscirus curtirostris Oudms. 566.
Blankaartia Oudms. 286, 317.
nilotica Träg. 286.
Blomia Oudms. 515.
tjibodas Oudms. 274.
Bochartia Oudms. 272.
kuyperi Oudms. 272, 303.
Bonomoia Oudms. 293, 306.
primitiva Oudms. 293.
Bonzia Oudms. 504.
halacaroides Oudms. 504.
Brachypoda Leb. 68.
Brachypodinae Oudms. 584.
Brevipalpus cactorum Oudms. 525.
pereger Donn. 518.
Bryobia C. L. Koch 65, 102, 103, 178,
[193, 347, 504.
borealis Oudms. 531.
cristata Dug. 186.
graminum Schrk. 186.
praetiosa C. L. Koch 527, 528, 537.
pratensis Garm. 286.
ribis Thomas 309, 504.
speciosa C. L. Koch 311.
Caeleno Berl. 131.
Caelenopsis weberi Oudms. 177, 206.
Caenobdella Oudms. 566.
crassipes C. L. Koch 566.
Caenonychus Oudms. 121.
fallax Oudms. 121, 130, 143.
Caenothrombium Oudms. 500.
caloris Oudms. 500, 517,
Caleremaeus Berl. 581.
Caligonus C. L. Koch 188, 452.
deliensis Oudms. 446.
— humilis C. L. Ko:ch 153.
walchi Oudms. 446.
Caloglyphidae Oudms. 549.
Caloglyphus Berl. 495, 511, 549.
brasiliensis Oudms. 474.
—— dampfi Oudms. 511.
feytaudi Oudms. 511.
fucorum Oudms. 121, 143.
kramerii Berl. 485, 504.
leefmansi Oudms. 504.
mycoborus Oudms. 295.
mycolichus Oudms. 308.
mycophagus Megn. 474.
spinitarsus Herm. 549.
vethi Oudms. 377.
weeversi Oudms. 485, 530.
Calotydeus Oudms. 566.
bavaricus Oudms. 527.
croceus L. 566.
hyacinthi Oudms. 549.
kochi Oudms. 516.
subterraneus Oudms. 525.
xylocopae Oudms. 482.
Calvolia Oudms. 295, 306.
hagensis Oudms. 295.
heterocomus Mich. 335.
I
AL.
|
REGISTER. 111
Calvolia zacheri Oudms. 529.
Calyptostigmata Oudms. 254.
Calyptostoma Cambr. 7.
leegei Oudms. 116.
Calyptostomidae Oudms. 460.
Camisia v. Heyd. 102, 105, 110, 119,
3511899178504, 582.
amictus Sowerby 481.
berlesei Oudms. 102, 119.
—— biciliata C. L. Koch 167.
—— biverrucata C. L. Koch 119.
fischeri Oudms. 102, 119.
horrida Joh. Herm. 119.
—— monodactylus Mich. 476.
—— nicoleti Oudms. 102, 119, 167.
Camisiidae Oudms. 104, 210.
Camisiinae Oudms. 167, 206.
Canestrinia Berl. 459.
javensis Oudms. 462.
macgillavryi Oudms. 462.
Canestriniella Berl. 459.
Canestriniinae Oudms. 171, 210.
Carabodes C. L. Koch 105, 131, 365, 390.
alveolatus Oudms. 347, 365, 390.
reticulatus Oudms. 347, 390.
taprobanae Oudms. 347, 390.
Caris Klti. 274.
Carpoglyphidae Oudms. 462.
Carpoglyphus Rob. 69, 102, 178.
lactis L. 521.
Cederhjelmia Oudms. 540.
guadriuncinata Oudms. 540.
Celaeno Grube 61.
Celaenopsinae Berl. 206.
Celaenopsis Berl. 180, 182, 206.
indica Oudms. 500.
togoënsis Oudms, 180, 348.
tropica Oudms. 500.
Celeripes Mont. 61, 102.
vespertilionis L. 102.
Centrotrombidium schneideri Kram. 503,
[504.
Cepheus C. L. Koch 59.
Ries 59,105, 155,178, 381:
heimi Oudms. 142, 155.
spec. 62.
Ceroglyphus Vitzt. 549.
monstruosus Vitzt. 474.
Cerophagus Oudms. 132.
Chabrieria Oudms. 565.
terminalis Banks. 565.
Chaetodactylus anthidii Oudms. 293.
claviger Oudms. 474.
ludwigi Trt. 4822. —
osmiae Duf. 476.
reaumuri Oudms. 181.
Chamobates subglobulus Oudms. 105.
voigtsi Oudms. 127, 175.
Charletonia Oudms. 274, 284.
braunsi Oudms. 284, 303.
—— brunni Oudms. 284, 303.
froggatti Oudms. 270, 274, 303.
pailiatus C. L. Koch 349, 362, 390.
bomborum Oudms. 123, 143, 474.
Charletonia jägerskioeldi Träg. 277.
singularis Oudms. 274.
volzi Oudms. 284, 303.
Chauliacia Oudms. 177.
securiger Rob. 177, 278.
Chaussieria Oudms. 571.
Cheiroseius unguiculatus Berl. 529.
Cheletes Latr. 160, 168, 178, 185, 220.
acer Oudms. 163, 220.
alacer Oudms. 163, 220.
audax Oudms. 163, 220.
eruditus Schrk. 147, 153.
ferox Berl. & Trt. 142, 163.
fortis Oudms. 163, 220.
intrepidus Oudms. 142, 220.
malaccensis Oudms. 142, 220.
promptus Oudms. 163, 220.
rapax Oudms. 142, 220.
saevus Oudms. 163, 220.
schneideri Oudms. 132, 153, 163,
[167.
strenuus Oudms. 163, 220.
trouessarti Oudms. 132, 153, 163.
vorax Oudms. 142, 220.
Cheletia Hall. 160, 220.
flabellifera Mich. 163, 324.
Cheletidae Leach 210.
Cheletiella Oudms. 223.
Cheletogenes Oudms. 174, 223.
—— ornatus Can. & Fanz. 174, 223.
Cheletoides Oudms. 160, 174, 223.
uncinatus Hell. 160, 223.
Cheletomimus Oudms. 163, 174, 432.
berlesei Oudms. 160, 220, 309.
— ornatus Berl. 163, 174.
trux Oudms. 163, 174, 220.
Cheletomorpha Oudms. 163, 168, 171,
[220, 459.
OR
orientalis Oudms. 514.
venustissimus C. L. Koch 163, 220.
Cheletophanes Oudms. 163, 220.
montandoni Berl. & Trt. 163, 220.
Cheletophyes Oudms. 335.
vitzthumi Oudms. 335, 361.
Cheletopsis Oudms. 163, 168, 223.
anax Oudms. 168, 223.
animosa Oudms. 168, 223.
basilica Oudms. 168, 223.
impavida Oudms. 168, 223.
magnanima Oudms. 168, 223.
major Trt. 163.
nörneri Poppe 163.
Cheletosoma Oudms. 171, 174, 223.
tyrannus Oudms. 174, 223.
Chelonotus Trt. 223.
selenorrhynchus Trt. 163.
Cheyletia Hall. 432.
Cheyletidae Leach 505.
Cheyletides Leach 65.
Cheyletiella macronycus Megn. 482.
Cheyletus Latr. 2, 7, 65, 119, 132, 415,
[482, 574.
Aa
eruditus Schrk. 65, 413.
—— longipes Megn. 65.
112 REGISTER.
Cheyletus schoeversi Oudms. 471.
squamosus de G. 65, 66.
venustissimus C. L. Koch 65.
Chiloceras Trt. 171.
Chirodiscus Trt. & Neum. 549.
Chorioptes Gerv. 69, 549.
caprae Del. & Bourg. 476, 483.
equi Gerl. 499.
Chrithocoptes monunguiculosus Geber
[163.
Chrithoptes monunguiculosus Geber 163.
Cilliba v. Heyd. 178, 181, 182, 330, 544.
—— bordagei Oudms. 307.
cassideus Herm. 362.
—— copridis Oudms. 374.
— minor Berl. 324.
romana G. & R. Can. 327.
Cillibaeno Oudms. 131, 182.
cassideus Herm. 131.
— minor Berl. 131.
Cillibano Gerv. 103, 119.
heliocopridis Oudms. 119.
Cloquetia Oudms. 584.
medioareolatus Kram. 584.
Coccotydeus claviger Oudms. 516.
Coeculus Duf. 102.
Coelognathus belli Oudms. 573.
infestans Berl. 573.
Coepophagus Mégn. 69.
Coleoglyphus Berl. 459.
Coleolaelaps celeripediformis Oudms.
[131.
rhinocerotis Oudms. 481, 508.
Coleopterophagus Berl. 459.
megninii Berl. 462, 528.
Columellaia Oudms. 168.
varians Trt. 168.
Copidognathus fabricii Lohm. 455.
Coprholaspis buruensis Oudms. 500.
hypochthonius Oudms. 527.
Copriphis militiformis Oudms. 135, 167.
mullani Oudms. 277, 284, 348.
Corethrothrombium Oudms. 505.
vandermeermohri Oudms. 518.
Cosmochthonius Berl. 377, 504.
gemma Oudms. 390.
plumatus Berl. 362.
Cosmoglyphus Oudms. 549.
dampfi Oudms. 511.
feytaudi Oudms. 510.
kramerii Berl. 549.
leefmansi Oudms. 504.
Crameria Hall. 69.
Crasti(do)glyphus Oudms. 568, 569.
hyalinus C. L. Koch 568, 569.
Creutzeria Oudms. 540.
tobaica Oudms. 550.
Cryptognathidae Oudms. 135.
Cryptognathus Kram. 61.
Cryptostoma tarsale Rob. Desv. 323.
Ctenoglyphus plumiger C. L. Koch 267.
Cultroribula Berl. 390.
copulatus Oudms. 207, 210.
—— diversa Oudms. 347, 390.
Cunaxa v. Heyd. 178, 193, 449.
Cursoria Grube 64.
Curvipes Koen. 68.
Cyclothorax carcinicola Frauenf. 551.
Cymbaeremaeus Berl. 105, 390.
cyclops Oudms. 347, 390.
Cynorhaestes Herm. 532.
Cyrtolaelaps Berl. 102, 131, 178,
[182, 520.
cervus Kram. 131.
mucronatus G. & R. Can. 487, 490.
nemorensis C. L. Koch 131.
transisalae Oudms. 126, 131.
Cyta v. Heyd. 135, 178, 201.
latirostris Herm. 167.
Cytoditidae Oudms. 135.
I
‘ Cytodytes Mégn. 69.
Czenspinkia Oudms. 501.
heterocomus Mich. 501.
Czenspinkiidae Oudms. 501.
Damaeus C. L. Koch 110.
geniculosa Oudms. 521.
Demodex Owen 2, 7, 69, 182, 427.
bovis Stiles 389.
canis Leydig 389.
—— equi Raill. 389.
folliculorum Simon 389.
v. musculi Oudms. 69.
musculi Oudms. 69, 252.
spec. ? 389.
Demodicidae Nic. 416, 426.
Demodicides Oudms. 189, 210.
Dermacarus Hall. 102, 110, 149,
[178, 180.
arvicolae Duj. 102.
— crameri Mich. 352.
—— hypudaei C. L. Koch 347.
sciurinus C. L. Koch 267, 347.
Dermacentor C. L. Koch 63, 544.
reticulatus Fabr. 153.
variatus Oudms. 564.
Dermaleichus C. L. Koch 2, 459.
Dermanyssidae 210, 283, 487.
Dermanyssus Dug. 2, 3, 102, 131, 178,
34332
chelidonis Oudms. 579.
gallinae de G. 131, 398, 528.
murinus Oudms. 518.
Dermatophagoides Bogd. 69, 171.
Dermoglypheae Trt. & Megn. 168, 210.
Dermoglyphinae Oudms. 177, 206.
Dermoglyphus Mégn. 168, 171, 174.
arami Oudms. 174, 214.
Dermolichus C. L. Koch 181.
Diacrotricha Oudms. 189, 465, 472, -
[484, 501.
Dicanestrinia Berl. 459.
Digastropeltae Oudms. 390.
Dimorphus Hall. 69, 449.
cirratus J. Müll. 581.
columbae Buchh. 581.
cubitalis Megn. 383.
—— gallinulae Buchh. 581.
—— megnini Oudms. 568.
Dimorphus pavonis Oudms. 174, 271.
setifer Gieb. 581.
Dinocelaeno Oudms. 563.
gigas Dug. 563.
Dinogamasus affinis Oudms. 482.
—— alfkeni Oudms. 128, 139.
—— collarti Oudms. 520.
crassipes Kram. 506, 537.
—— perkinsi Oudms. 119.
—— schoutedeni Oudms. 520.
vitzthumi Oudms. 488.
Dinothrombium Oudms. 272, 311, 330.
coya Oudms. 567.
—— klugkisti Oudms. 377, 390.
planum C. L. Koch 324.
purpureum C. L. Koch 377, 390.
rubropurpureum Oudms. 330.
—— tinctorium L. 272.
Dinychella asperata Berl. 532.
Dinychus Kram. 131.
Diplodontus Dug. 68, 504.
Diplohydrachna lucasi Oudms. 567.
Diplostaspis Klti. 2, 61.
Diplothrombium Berl. 311, 317.
Discopoma minimum Oudms. 374.
minor Berl. 362.
Disparipes Mich. 129, 178, 330, 548.
bombi Mich. 123, 308, 324.
—— subterraneus Oudms. 324.
talpae Oudms. 324.
Distigmata Oudms. 189.
Dolaea Oudms. 309. -
affinis Oudms. 482, 488.
collarti Oudms. 520.
schoutedeni Oudms. 520.
—— vitzthumi Oudms. 488.
Doloisia Oudms. 277.
synoti Oudms. 277, 303.
Donia Oudms. 578.
gehennalis Oudms. 374.
Donndorffia Oudms. 538.
transversostriata Oudms. 538.
Dupreia Oudms. 584.
pilifera Karp. 584.
Dwigubskyia Oudms. 563.
togatus C. L. Koch 563.
Eatoniana georgei Oudms. 584.
plumifer f. transcaspica Oudms.
[584.
Eberhardia Oudms. 465, 468.
agilis Mich. 465.
michaeli Oudms. 468.
Ebertia Oudms. 472, 474.
australis Oudms. 377, 466, 474.
Ebertiidae Oudms. 501.
Eleutherengona Oudms. 254, 520, 530, 566.
Emeus Megn. 61, 129, 131, 149,
[156, 182.
bosschai Oudms. 129.
inexpectatus Oudms. 144, 169.
— maior Oudms. 147, 176.
pyrenaicus Oudms. 129.
Enemothrombium distinctum Can. 500.
eutrichum Berl. 446.
REGISTER. 113
Enemothrombium ramosa George 510.
walchi Oudms. 446.
Engonostigmata Oudms. 254.
Ensliniellidae Vitzt. 501.
Eotetranychus Oudms. 539.
carpini Oudms. 181, 361, 546.
jungiae Oudms. 539.
—— pruni Oudms. 538.
telarius L. 539.
Epicriopsis berlesei Oudms. 578.
Epicrius Can. & Fanz. 61, 131.
canestrinii Hall. 579.
—— cavernarum Abs. 579.
—— corniger Berl. 142.
—— geometricus Can. & Fanz. 579.
—— glaber Berl. 142.
laelaptoides ‘Berl. 142.
mollis Kram. 142, 579.
—— reticulatus Grube 579.
althaeae Haust. 538.
—— asparagi Oudms. 505.
—— caldarii Oudms. 538.
—— ludeni Zach. 528.
reinwardtiae Oudms. 538.
sambuci Schrk. 538.
[eile ales, 139, 178, 204.
cognatus Oudms. 167.
confervae Schrk. 119, 147, 175.
conjunctus Oudms. 176.
copulatus Oudms. 207, 210.
hessei Oudms. 130, 139.
novus Oudms. 121, 128, 143.
propinquus Oudms. 167.
sanremoensis Oudms. 167.
schneideri Oudms. 167.
tibialis Nic. 167.
varius Oudms. 161.
Ereunetes, zie Ereynetes.
Ereynetes Berl. 188, 310, 330, 525.
berlesei Oudms. 516.
lapidarius Oudms. 361, 516.
— limacum Schrk. 504, 516.
—— ministralis C. L. Koch 516.
sittardiensis Oudms. 308, 330, 516.
Ereynetidae Oudms. 540.
Eriophyes v. Sieb. 69, 98, 139.
drabae v. camelinae Nal. 487.
oculatus Oudms. 481, 484, 487.
Eriophyina 464.
Erythracarinae Oudms. 565.
Erythracarus Berl. 565.
parietinum Herm. 580.
Erythraeidae Rob. Desv. 210, 270, 303.
Erythraeinae 206.
Erythraeus Latr. 7, 65, 102, 129, 178,
[180, 182, 206, 284, 504.
TITTI
Erythraeus acis Berl 124.
areolatus Trag. 284.
banksi Oudms. 584.
braunsi Oudms. 284.
brunni Oudms. 284.
debeauforti Oudms. 177.
flavus Oudms. 144, 169.
froggatti Oudms. 270.
germanicus Oudms. 142, 175.
glaber Oudms. 144, 169.
hibernans Oudms. 124, 128, 167,
31,317.
ignotus Oudms. 144, 169.
johnstoni Oudms. 567.
kibonotensis Träg. 284.
lomani Oudms. 128, 139.
oedipodarum Frauenf. 580.
phalangioides de G. 124.
phalangoides de G. 529.
regalis C. L. Koch 124.
singularis Oudms. 270.
trimaculatus Rossi 167.
volzi Oudms. 284.
Eschatocephalus ropsteini (lees:
[kopsteini) Oudms. 481.
Ettmülleria Oudms. 286.
sucidum Träg. 286.
Eucilliba bordagei Oudms. 307.
Eugamasus Berl. 178, 310, 330, 459.
cornutus G. & R. Can. 319.
—— epsilon Oudms. 161, 178.
— immundus Oudms. 309.
— kochi Oudms. 563.
—— loricatus Wank. 319, 324.
— lunulata Jul. Müll. 369.
—— magnus Kram. 324, 369.
—- v. trägärdhi Oudms. 319.
— oudemansi Berl. 308, 309, 324.
—— remberti Oudms. 308, 330.
—— trägärdhi Oudms. 319. È
—— tricuspidatus Oudms. 142, 169, 295.
uiphis Berl. 178, 182, 186.
—— ciliatus C. L. Koch 374.
— concentricus Oudms. 348.
—— halleri G. & R: Can. 324.
ARIE
mullani Qudms. 345, 348.
rufus Oudms. 329, 348.
siculus Oudms. 348.
Eulaelaps Berl. 534.
Eulais, zie Eylais.
Fumaeus C. L. Koch 156.
Eupalopsis G. Can. 453.
pinicola Oudms. 453.
punctulata Oudms. 453.
Eupalus C. L. Koch 538.
coecus Oudms. 538.
Eupodes C. L. Koch 64, 178, 188, 193,
18654445538:
—— clavifrons R. Can. 509.
—— melanurus C. L. Koch 361.
—— oedipus Oudms. 566.
—— viridis Oudms. 361.
Eupodidae C. L. Koch 210, 523.
Eupodides C. L. Koch 64.
14 REGISTER.
Eupodinae Trt. 143.
Eurylaelaps Oudms. 131.
terribilis Mich. 181.
Euryparasitus Oudms. 119, 131, 135,
[149, 178, 330.
emarginatus C. L. Koch 119, 369.
terribilis Mich. 119, 126, 149, 324.
Eurytetranychus Oudms. 539.
latus Can. & Fanz. 539.
Eustathia Oudms. 177.
cultrifer Rob. 177, 278.
Eustathiidae Oudms. 177.
Eustathiinae Oudms. 177.
Eustigmaeus Berl. 452, 504.
Eutarsopolipus Berl. 548.
Eutrombicula alfreddugesi Oudms.
[277, 303.
Eut(h)rombidium Verd. 311.
italicum Oudms. 254.
rostratus Scop. 538.
Euzercon ovale Kram. 500, 506.
Euzetes subseminulum Oudms. 135,
[167.
Eviphis, zie Euiphis.
Eylais Latr. 68, 181.
Falciger Tr. 69.
Falculifer propus Nitzsch 581.
Falculiger Raill. 171.
Falculigeridae Oudms. 177.
Falculigerinae Oudms. 177, 206.
Fallopia Oudms. 179.
poriferus Kram. 179.
Fedrizzia helleri Oudms. 521.
strandi Oudms. 500, 517.
vitzthumi Oudms. 500, 517.
Ferminia Oudms. 515, 549.
fuscus Oudms. 123, 143, 515.
Fessonia papillosa Herm. 311.
Forcellinia Oudms. 465, 474.
wasmanni Moniez 465.
Forcelliniidae 501.
Freyana Hall. 69, 171.
Frischia Oudms. 347.
elongata Oudms. 347.
Frontipoda Koen. 68.
Froriepia vimariensis Vitzt. 474.
Froweinia Oudms. 459.
minutus Oudms. 459.
Gabucinia Oudms. 179.
delibatus Rob. 179.
Gahrliepia Oudms. 311.
Galumna v. Heyd. 330, 346.
alatus Herm. 346, 568.
—— allifera Oudms. 346, 397.
— altera Oudms. 346. 397.
aurantiaca Oudms. 346.
berlesei Oudms. 397.
—— colossus Oudms. 347, 397.
—— dorsalis C. L. Koch 335, 346.
—— elimatus C. L. Koch 346.
— filata Oudms. 330, 346.
—— georgiae Oudms. 346.
—— hermanni Oudms. 568.
—— lanceatus Oudms. 105, 346, 397.
‘REGISTER.
Galumna linata Oudms. 330, 346, 397.
oceanica Oudms. 347.
retalata Oudms. 346, 397.
tarsipennata Oudms. 330, 346, 397.
Galumnae 397.
Gamasellus Berl. 178, 181, 182.
spalacis Oudms. 309.
Gamasidae Bronn 66, 72, 167.
Gamasides Leach 61.
Gamasodes Oudms. 577.
berlesei Oudms. 578.
—— ignoratus Oudms. 578.
—— spalacis Oudms. 309.
—— spiniger Oudms. 563.
spinipes C. L. Koch 577.
Gamasoides Berl. 178, 182, 333.
Gamasolaelaps suboles Oudms. 161.
Gamasolaelaptidae Oudms. 577, 578.
Gamasus Latr. 2, 3, 7.
Jul. Müll. 329.
badius C. L. Koch 329, 527,
-—— hamatus C. L. Koch 351.
—— marginellus C. L. Koch 351.
tardus C. L. Koch 527.
Garsaultia Oudms. 362.
testudo Oudms. 362.
Geholaspis Berl. 544.
Gliricolae Megn. 549.
Glycyborus Oudms. 132, 143.
plumiger C. L. Koch 132, 143.
Glycyphagus Her. 2, 3, 7, 69, 102,
19, 129, 149, 169, 176, 178,
180-181, 185, 186, 252, 283,
[306, 316, 330, 335, 549.
bomborum Oudms. 123.
— burchanensis Oudms. 147, 175, 176.
cadaverum Schrk. 147, 176, 309.
cubicularius C. L. Koch 176.
destructor Schrk. 153, 505.
domesticus de G. 147, 176,
[283, 474.
—— v. concretipilus Oudms.
[147, 176.
v. unisetus Oudms. 147, 176.
fuscus Oudms. 123, 143, 176.
fustifer Oudms. 147, 175.
geniculatus Vitzt. 503.
hyalinus C. L. Koch 176.
michaeli Oudms. 147, 176.
ornatus Kram. 119, 176.
pilosus Oudms. 207, 210, 211.
privatus Oudms. 147, 158, 176.
prunorum Her. 176.
sculptilis Mégn. 147, 176.
setosus C. L. Koch 147, 175, 176,
907,210, 211:
tjibodas Oudms. 274, 293,
333,505.
troupeaui Oudms. 147, 176.
HER
Greenia Oudms. 119, 139, 146, 148, 211.
Greenia alfkeni Oudms. 128, 139.
perkinsi Oudms. 119.
Greeniella Oudms. 309.
Grognieria Oudms. 584.
agilis Can. 584.
Gustaviidae Oudms. 104.
Gymnopterorum L. spec. nom. 267.
Haemalastor argentinae Neum. 580.
compressum Macalister 580.
fennelli Oudms. 564.
—— pacificum Murr. 580.
rostratum Murr. 580.
scaevola Oudms. 177, 206.
Haemaphysalidae Oudms. 564.
Haemaphysalis C. L. Koch 119,
kolenatii Oudms. 573.
leachi Aud. 129.
—— rhinolophi Can. & Fanz. 580.
—— spinigera Neum. 481.
—— sulcata Can. & Fanz. 580.
traguli Oudms. 516.
Haemogamasidae Oudms. 487.
Haemogamasus Berl. 131, 135, 149,
[178, 330.
—— hirsutus Berl. 149, 324.
— horridus Mich. 324.
Haemolaelaps microti Oudms. 485.
mohrae Oudms. 516.
. molestus Oudms. 527, 528, 529.
— oculatus Oudms. 345, 348.
—— spirostrepti Oudms. 329, 348.
talpae Oudms. 135, 149.
Hafenrefferia Oudms. 193.
Halacaridae 501, 533, 566.
Halacarus Gosse 580.
basteri Johnst. 342, 455,
Halarachne Allm. 489.
americana Banks 374, 489.
attenuata Banks 489.
halichoeri: Allm. 374, 489.
rosmari Oudms. 374, 489.
zalophi Oudms. 374, 489.
Halarachnidae Oudms. 189.
Halolaelaps Berl. & Trt. 504.
marinus Brady 504.
Halycidae 210.
Hannemania Oudms. 288, 304.
Hannemannia Oudms. 304, 458.
hylodeus Oudms. 277, 303.
longicollis Oudms. 377.
rouxi Oudms. 377, 458.
Harpyrynchus Mégn. 574.
tabescentium Berthold 582.
Hartingia Oudms. 69, 272.
lari Oudms. 69, 252.
Hauptmannia Oudms. 272.
brevicollis Oudms. 284, 303.
Hehlenia Oudms. 584.
hermanni Oudms. 584.
kochi Oudms. 584.
papillosus C. L. Koch 584.
michaeli Oudms. 135, 149, 330, 324.
gilvipes C. L. Koch 193, 345, 390.
longicollis Oudms. 270, 272, 303.
116 REGISTER.
Hehlenia plumulosa Oudms. 584.
singularis Oudms. 270, 303.
Hemialges Trt. 418.
Hemisarcoptidae Oudms. 171.
Hemisarcoptinae 171.
Hericia greeni Oudms. 377.
Hermannia Nic. 59, 105, 131, 178, 204.
convexa C. L. Koch 119.
reticulata Thor. 503.
Heteropsoridae,Oudms. 171.
Heteropsorinae 171.
Heterotrichus Donn. 365.
inaequarmatus Donn. 365.
Heterot(h)rombidium Verd. 288.
granulatum Oudms. 135, 167, 254.
—— hylodeus Oudms. 277.
polydiscum Oudms. 284.
sanremoense Oudms. 270.
verduni Oudms. 277.
Histiogaster Berl. 293, 306, 317, 549.
corticalis Mich. 474.
javensis Oudms. 293.
Histiostoma Kram. 530.
armatus Can. & Fanz. 581.
banjuwangicus Oudms. 293.
brevimana Oudms. 329.
brevipes Oudms. 293.
campanula Oudms. 329.
cirratus Oudms. 293.
crenulatus Oudms. 267.
ensifer Oudms. 304.
gervaisi Oudms. 568.
indicus Oudms. 293.
insularis Oudms. 329, 334.
laevis Oudms. 521.
lanceocrinus Oudms. 329.
litoralis Oudms. 329, 334.
longipes Oudms. 293.
lorentzi Oudms. 179, 206.
maritimus Oudms. 329, 334.
neglectus Oudms. 134, 143.
phyllophorus Oudms. 180.
polaki Oudms. 329.
polypori Oudms. 329.
spinitarsus Oudms. 383.
sumatrensis Oudms. 147, 175.
tienhoveni Oudms. 487.
toxopei Oudms. 500, 517.
trichophorus Oudms. 304.
turcastanae Oudms. 383.
PAPE BEE PAPA)
berlesei C. L. Koch 563.
calcaratus C. L. Koch 563.
Holostaspella Berl. 544.
ornata Oudms. 544.
vagabundus Oudms. 131.
Holostaspis Klti. 102.
isotricha Klti. 329.
Holothyridae Thor. 2, 3, 59, 68, 319.
Holothyrinae Oudms. 206.
Holothyroidea Reut. 563.
Homocaligus Berl. 453.
Hoploderma Mich. 105, 131, 178.
berlesei Oudms. 353.
italicum Oudms. 210.
magna f. anomaloides Oudms. 353.
f. oblonga Oudms. 353.
—— f. rotunda Oudms. 353.
f. transitans Oudms. 353.
Hoplophora C. L. Koch 7, 59.
magna Nic. 62.
Horstia Oudms. 185.
ornatus Oudms. 102.
Humerobates fungorum L. 549, 581.
Hummelia karpellesi Oudms. 358.
Hyalomma C. L. Koch 2, 63, 119, 139,
[188, 201, 544.
affine Nn. 119, 129.
Hydracarina Can. 418, 431, 464, 533.
Hydrachna Miill. 2, 3, 59, 68, 319.
cruenta Mull. 78.
haldemani Oudms. 567.
Hydrachnellae Latr. 68, 533, 567, 584.
Hydrachnidae Leach 11.
Hydrarachna Herm. 181.
tectocervix Oudms. 144.
Hydrodroma C. L. Koch 68.
Hydrogamasus salinus Lab. 129.
Hydrozetes Berl. 504.
confervae Schrk. 479.
lacustris octosetosus Willm. 549.
speciosus Piers. 479.
Hydryphantes C. L. Koch 333.
novus Oudms. 123, 128, 143.
Hygrobatinae Claus 206.
Hyletastes bosschai Oudms. 129.
concentricus Oudms. 156, 348.
inexpectatus Oudms. 144, 169.
maior Oudms. 147, 176.
pyrenaicus Oudms. 129.
rufus Oudms. 329, 348.
siculus Oudms. 182, 348.
Hyperalges Trt. 418. :
Hypoaspis Can. 129, 131, 135, 139, 149,
178, 181, 182) 208,31053305353:
ampullarius Oudms. 563.
arcualis C. L. Koch 167.
—— cadaverinus Herm. 518, 576.
II
cavernicola Pack. 332.
celeripediformis Oudms. 126, 131.
—— corniger Berl. 169.
—— cossi Dug. 131.
—— fuscicolens Oudms. 129, 142, 169.
—— gehennalis Oudms. 374.
—— glabra Berl. 169.
—— greeni Oudms. 128, 139.
—— haemisphaericus C. L. Koch 374.
—— hermaphroditoides Oudms.
[135, -167.
—— heselhausi Oudms. 299, 330.
— holaspis Oudms. 135, 167.
—— hypudaei Oudms. 126, 131,
[324,:330:
incisus Oudms. 142, 169.
johnstoni Oudms. 563.
—— krameri G. & R. Can. 131.
|
|
ta
Lia
REGISTER. — 117
Hypoaspis laelaptoides Berl. 169.
laevis v. pilifer Oudms. 304, 308.
lepta Oudms. 135, 167.
lubrica Oudms. 161, 178.
microti Oudms. 485.
militiformis Oudms. 167.
mollis Kram. 169.
myrmecophila v. longisetosa
[Oudms. 135, 167.
necorniger Oudms. 142, 169, 449.
oculatus Oudms. 345, 348.
ometes Oudms. 147, 176.
paradoxus Kram. 579.
pavidus C. L. Koch 131.
pygmaeus Jul. Mill. 369.
rhinocerotis Oudms. 481.
richardii Can. & Fanz. 579.
spirostrepti Oudms. 329, 348.
stabularis C. L. Koch 308, 324.
subglabra Oudms. 142, 169, 449.
talpae Oudms. 149.
weeversi Oudms. 485.
Hypochthonius C. L. Koch 59, 105,
178, 2522330;
—— luteus Oudms. 377, 390.
rufulus C. L. Koch 362, 390.
REA
— minutus Oudms. 119.
tarsispinus Oudms. 272.
Ichoronyssus C. L. Koch 61.
Indocentor hahni Oudms. 564.
Ingrassia Oudms. 179, 260.
veligera Oudms. 171, 214.
Iphidoides Oudms. 156, 182.
ostrinus C. L. Koch 156. .
Iphidopsis Berl. 156.
Iphidosoma Berl. 504.
Iphiopsis Berl. 156.
Iphis C. L. Koch 156.
Ivodes Tate. 2,2 3,163, 102, 110,129,
NM 2010204283 333, 544.
canisuga Johnst. 537.
crassipes Klti. 580.
reduvius L. 193, 295, 528.
ropsteini (lees: kopsteini)
[Oudms. 481, 482, 508.
testudinis Conil 580.
vespertilionis C. L. Koch 573.
Ixodidae Murr. 63, 201, 276, 283,
[284,374 496, 544;
Ixodides Leach 563, 570, 583.
Ixodina Berl. 463.
Ixodinae Vitzt. 206.
Joelia Oudms. 193.
fiorii Oudms. 193.
Johnstoniana George 518.
Jördensia Oudms. 563.
cossi Dug. 563.
Joubertia Oudms. 180.
microphyllus Rob. & Megn. 180.
Kleemannia Oudms. 536.
pavidus C. L. Koch 536.
EIFEL
Kleemannia plumea Oudms. 536.
plumigera Oudms. 536.
plumosus Oudms. 536.
Knemidocoptes Fürst. 69.
Kochia Oudms. 103, 104, 105.
tegeocranus Herm. 104.
Kratzensteinia Oudms. 397.
rugifrons Stoll 397.
Labidophorus Kram. 69, 119, 149, 178,
[534.
—— dispar Mich. 347.
—— platygaster Mich. 347.
soricis Oudms. 347,
talpae Kram. 347.
Labidostomma Kram. 188.
denticulatum Schrk. 153, 362.
Labidostommidae Oudms. 191.
Laelaps C. L. Koch 61, 102, 110, 129,
[3149301736135 330,507.
agilis C. L. Koch 126, 129, 309,
[507.
—— C. L. Koch apud Berl.
507
arvicolae Oudms. 374, 507.
brunneus Kram. 507.
cavernicola Pack. 507.
celeripediformis Oudms. 119.
cossi Dug. 113.
crassipes Schrk. 507.
echidninus Berl. 324, 507, 518.
elegans G. Can. 507.
festinus C. L. Koch 507.
glabratus Berl. 507, 521.
grubei Oudms. 574.
hilaris C. L. Koch 324, 507.
hilaroides Oudms. 516.
kochi Oudms. 563.
lemni Grube 507, 521.
microti Oudms. 374, 507.
modestus G. Can. 507.
mullani Oudms. 277, 284, 507.
muris Johnst. 507.
oribatoides Mich. 319, 507.
pachypus C. L. Koch 324, 507.
soricis Oudms. 481, 507, 508.
versteegi(i) Oudms. 163, 165, 507.
wolffsohni Oudms. 274, 279, 507.
wyandottensis Pack. 507.
Laelaptidae Berl. 210, 487.
Laelaptinae Träg. 119, 129, 206.
Laminocoptidae Oudms. 171.
A ee
zacheri Oudms. 501, 505.
Lasioseius Berl. 504.
berlesei Oudms. 573, 579.
subglabra Oudms. 455, 487, 510.
Lebertia oudemansi Koen. 67.
Ledermülleria Oudms. 453.
maculatus Schrk. 511.
segnis C. L. Koch 453.
Leeuwenhoekia Oudms. 288.
jaegerskioeldi Oudms. 288, 303.
118 REGISTER.
Leeuwenhoekia polydiscum Oudms.
[284, 303.
verduni Oudms. 277, 288, 303.
Legneria Oudms. 584.
arvensis Banks 584.
Leiognathus Can. 102.
Leiosoma Nic. 59.
Lentungula Mich. 139.
fusca Lohm. 503.
Lenzia Oudms. 511.
arboricola Oudms. 511.
Lenziidae Oudms. 511.
Lepidoglyphus burchanensis Oudms.
WAZ, 7173:
—— fustifer Oudms. 147, 175.
—— michaeli Oudms. 147, 176.
pilosus Oudms. 207.
Leptidae Bllb. 584.
Leptus Latr. 330, 504.
berlesei Oudms. 330.
debeauforti Oudms. 177, 206.
gagrellae Oudms. 274, 303.
gagzoi Oudms. 284, 303.
gracilipes Oudms. 272, 303.
ignotus Oudms. 144, 184, 169, 303.
lomani Oudms. 128, 139, 303.
ochroniger Oudms. 330.
rileyi Oudms. 580.
schedingi Oudms. 580.
siemsseni Oudms. 284, 303.
sieversi Oudms. 286, 303.
sigthori Oudms. 324, 330.
stieglmayri Oudms. 180, 303.
sudanensis Oudms. 288, 303.
trimaculatus v. niger Oudms. 185.
Lesseria Oudms. 390.
szanislöi Oudms. 357, 390.
Lesseriidae Oudms. 390.
Leuchsia Oudms. 584.
grandjeani Oudms. 584.
vestita Gerv. 584.
Liacarus Mich. 103, 105, 110, 139, 178,
[204.
AS DS
poppei Oudms. 207, 210.
Liebstadia Oudms. 204.
similis Mich. 204.
Limnesia C. L. Koch 179, 206.
jamurensis Oudms. 179, 206.
Limnesiae Oudms. 584.
Limnochares Latr. 110.
Limnozetes Hull 504.
ciliatus Schrk. 549. :
rugosus Selln. 549.
Linobiinae Oudms. 171, 19.
Linopodes C. L. Koch 7, 64, 139, 178,
[193, 201.
antennaepes Banks 286.
flexuosus C. L. Koch 361.
Linotetranus Berl. 453.
Liodes v. Heyd. 59.
Liponissus, zie Liponyssus
Liponyssus Klti. 119, 29139,
[149, 169, 178, 188,
IG}, BNO), S80, Sica),
Liponyssus albatus C. L. Koch 123,
È 113,13, 454
albato-affinis Oudms. 133, 134.
arcuatus C. L. Koch 321.
bacoti Hirst. 548.
carnifex C. L. Koch 321.
chelophorus Oudms. 129.
corethroproctus Oudms. 126, 131.
cyclaspis Oudms. 348.
echinus Oudms. 481.
gigas Oudms. 304.
isabellinus Oudms. 321.
javensis Oudms. 329, 348.
kolenatii Oudms. 133, 134.
lepidopeltis Klti. 128, 139.
lobatus Klti. 133, 134.
musculi C. L. Koch 129, 133, 134,
1311324:
pipistrelli Oudms. 153.
rhinolophi Oudms. 119.
saurarum Oudms. 119, 123, i
131
AAA AU
spinosus Oudms. 129.
Lipostigmata Oudms. 189.
Lipstorpia Oudms. 295, 306.
brevimana Oudms. 329.
crassipes Oudms. 304.
mixta Oudms. 295.
Listrophorinae Trt. 210.
Listrophorus Pagst. 69, 102, 178.
gibbus Pagst. 492.
—— mustelae Mégn. 492.
Ljunghia Oudms. 550.
— — selenocosmiae Oudms. 550.
Lobocephalus acuminatus Kram. 506.
Locustacarus Ewing 548.
Lorryia Oudms. 481, 525.
— concinnus Oudms. 520.
—— mali Oudms. 518.
—— pulcher Oudms. 520.
— reticulatus Oudms. 516.
superba Oudms. 481.
Lucoppia sanremoensis Oudms. 88, 103.
Macrholaspis Oudms. 544.
opacus C. L. Koch 544.
Macrocheles Latr. 102, 103, 129, 131,
[132, 149, 178, 180, 181,
[1821530335 82 991%
badius GC. LE. Koch! 153:
—— buruensis Oudms. 500, 517.
carinatus G. L. Koch 3297345:
decoloratus C. L. Koch 324.
hamatus Oudms. 345.
hypochthonius Oudms. 324, 330.
latus’E. I. Koch 323:
longispinosus Kram. 131, 153, 351.
longulus Berl. 131.
marginatus Herm. 119.
opacus C. L. Koch 351.
siculus Oudms. 182, 348.
spec. 345.
stygius Pack. 332.
terreus Can. & Fanz. 131.
tridentinus G. & R. Can. 131, 153.
BEREK
REGISTER: 119
Macrocheles troglodytes Pack. 332.
vagabundus Berl. 131.
voigtsi Oudms. 180, 348.
vulgaris Oudms. 333, 345.
Macrochelidae Vitzt. 544, 578.
Macronyssidae Oudms. 563.
Macronyssus albato-affinis Oudms. 133,
LISE
chelophorus Oudms. 129.
echinus Oudms. 481, 508.
gigas Oudms. 304, 330.
isabellinus Oudms. 321, 330.
johnstoni Oudms. 563.
pipistrelli Oudms. 153. 188.
pteroptoides Mégn. 579.
rhinolophi Oudms. 119.
saurarum Oudms. 119.
spinosus Oudms. 129.
pi
tropica Oudms. 295.
Mealia Trt. 474.
toxopei Oudms. 505.
Mealiidae Oudms. 462.
Megacanestrinia Tràg. 459.
Megisthanus Thor. 179, 180, 206.
antennaepes Say 374.
—— lamellicornium Kram. 506.
—— mégnini Oudms. 579.
—— moadfensis (moaifensis) Oudms.
[179, 180, 206.
—— oblongus Kram. 506.
orientalis Oudms. 179, 206.
Megninia Berl. 171, 174, 178.
centropodos Megn. 260.
—— ibidis Trt. 260.
pavonis Oudms. 271.
Melichares Her. 178, 529.
agilis Her. 156, 186.
Meristaspis calcaratus Hirst 516.
Mesalges caudilobus Grube 581.
Mesostigmata Can. 563, 570.
Metaparasitinae Oudms. 161, 178.
Metaparasitus Oudms. 161, 178.
suboles Oudms. 161, 267, 270.
Metatetranychus Oudms. 538.
alni Oudms. 527, 538, 539.
— canestrinii Oudms. 538, 580.
— mali Oudms. 538, 546.
—— muscorum Oudms. 525, 538, 539.
—— potentilae (potentillae) Oudms.
[525, 538, 530.
ulmi C. L. Koch 538, 539.
Metathrombium inexspectatum Oudms.
[286.
poriceps Oudms. 267.
Metatrombius Oudms. 267, 333.
Microdispodides Vitzt. 548.
amaniensis Oudms. 304, 361.
Microt(h)rombidium Hall. 317, 330,
7577449:
africanum Che 286, 303.
alfreddugèsi Oudms. 277, 286.
corethroproctus Oudms. 119, 131.
Microt(h) rombidium ardeae Träg. 277.
batatas L. 503.
bruyanti Oudms. 277.
demeijerei Oudms. 267, 303.
fahrenholzi Oudms. 277.
göldii Oudms. 277.
helleri Oudms. 286, 503, 528.
inopinatum Oudms. 254.
italicum Berl. 324.
jabanicum Berl. 446.
kochi Oudms. 567.
locustarum Walsh 286.
mengei Oudms. 574.
meridionale Oudms. 254.
minutissimum Oudms. 284.
muris Oudms. 277.
muscae Oudms. 272.
parvum Oudms. 330.
rhodinum C. L. Koch 276, 368.
russicum Oudms. 272.
sanborni Pack. 332.
schmitzi Oudms. 332, 368.
simulans Berl. 455.
striaticeps Oudms. 151, 157,
[159, 254.
—— sulae Oudms. 277, 303.
—— sylvaticum C. L. Koch 276, 324.
tectocervix Oudms. 144, 152,
[169, 254.
AAA AAA) |
|
— thomasi Oudms. 277.
—— tinami Oudms. 277.
— tlalzahuatl Murr. 286.
trägârdhi Oudms. 277.
Midea Bruz. 68.
capillatus Kram. 324.
Monacrotricha Oudms. 189, 484.
Monieziella Berl. 549.
trifolium Oudms. 466.
Monogastropeltae Oudms. 390.
Montesauria Oudms. 180.
corvincola Oudms. 179.
cylindricus Rob. 180.
Morieria Oudms. 584.
novae-hollandiae Oudms. 584.
Murcia C. L. Koch 182, 204, 330, 390.
deliensis Oudms. 446.
indica Oudms. 347.
insularis Oudms. 347.
Musitania Oudms. 295, 311, 317.
verrucipes Oudms. 295.
Mycetoglyphus Oudms. 549.
fungivorus Oudms. 549.
Myialges anchora Serg. & Trt. 557.
Myianoetus Oudms. 521.
dionychus Oudms. 272.
muscarum L. 521.
Myobia v. Heyd. 7, 65, 110, 149. 178, 223.
brevihamatus Hall. 459.
Myocoptes Clap. 69, 102, 178.
Nanacaridae Oudms. 462, 501.
Nanacarus Oudms. 130, 149, 169,
1178, 459,549.
120 REGISTER.
Nanacarus minutus Oudms. 119, 130,
[143, 500, 581.
Nanorchestes Tops. & Trt. 365.
Nemnichia Oudms. 563.
elegantulus C. L. Koch 563.
Nenteria Oudms. 345.
tropica Oudms. 180, 361.
Neomolgus Oudms. 566.
littoralis L. 566.
Neoparasitidae Oudms. 577, 578.
Neoparasitus Oudms. 119.
oudemansi Oudms. 119, 129.
Neophyllobius vanderwieli Oudms.
[487, 490.
Neopodocinum Oudms. 119, 131, 544.
jaspersi Oudms. 131, 175.
nederveeni Oudms. 147, 175.
rhinolophi Oudms. 329, 348.
vosi Oudms. 147, 175.
Neoribates aurantiaca Oudms. 330, 397.
oceanica Oudms. 347, 397.
Neoseius Oudms. 147, 178.
novus Oudms. 131, 147, 153.
Neotetranychus Träg. 539.
Neot(h)rombidium Leon. 313.
insulanum Oudms. 116.
vietsi Oudms. 518.
Neothrombium Oudms. 267, 313.
neglectum Bruyant 267.
Nephrophagus sanguinarius Miyake
[& Scriba 158, 160.
Niemannia Oudms. 584.
ampulligera Berl. 584.
Nilotoniidae Oudms. 584.
Nodipalpidae Oudms. 462.
Nodipalpus Karp. 132, 459.
ulmi Karp. 143.
Notaspidinae 193, 206.
Notaspis Nic. 59, 103, 105, 110, 129,
H512155:139,4149,178%350;
alatus Herm. 119.
anglicus Oudms. 330.
coleoptratus L. 407.
immarginatus C. L. Koch 327.
intermedia Mich. 497.
italicus Oudms. 330, 497.
nitens Nic. 497.
orbicularis C. L. Koch 327.
patavinus Oudms. 330, 497.
punctata Nic. 497.
sanremoensis Oudms. 88.
schneideri Oudms. 88.
schitzi Oudms. 126, 131.
subseminulum Oudms. 167.
voigtsi Oudms. 127, 175.
Nothrus C. L. Koch 59.
— HbicdlatusiC Koch SAL
Notoedres Raill. 102, 178, 492.
alepis Raill. & Lucet 352, 492.
caniculi Gerl. 492.
cati Her. 352, 492.
muris Mégn. 352, 492.
REBELLEN
A
musculi Kraemer 69, 352, 492, 581.
Notoedres spec. 492.
Notostigmata -With 570.
Nycteridocoptes Oudms. 70, 182.
poppei Oudms. 66, 70.
Octostigmata Oudms. 189.
Ocypete svalbardense Oudms. 531.
Odontocepheus hirtus Can. & Fanz. 581.
Olafsenia Oudms. 472, 501.
trifolium Oudms. 119, 474.
Olafseniidae Oudms. 501.
Oligonychus Berl. 539.
alni Oudms. 527.
—— muscorum Oudms. 525.
— potentilae (potentillae) Oudms.
(525,
Ololaelaps haemisphaericus C. L. Koch
[525.
Opilioacarus With 172.
Oplitis Berl. 327.
Oppia Grube 59.
—— blattarum Oudms. 293, 390.
— confervae Schrk. 62.
— neerlandica Oudms. 105.
— novus Oudms. 128, 143.
— ornata Oudms. 105.
— subpectinata Oudms. 105.
Oribata Latr. 2, 102, 105, 110, 129,
[131, 178, 186.
geniculatus L. 528.
schneideri Oudms. 88, 103.
Oribatei Dug. 59, 568.
Oribatella Banks 390.
ceylanica Oudms. 347, 390.
Oribates Latr. 59, 182.
Oribatidae C. L. Koch 7, 104, 119, 131,
[167, 169, 175, 176, 204, 210,
[211, 277, 37723903 4127497.
Oribatinae 206.
Oribatoidea 390, 397.
Oribatula Berl. 204.
exilis Nic. 390.
— frisiae Oudms. 390.
Oribella conjunctus Oudms. 135, 176.
—— limburgiensis Oudms. 308.
paolii Oudms. 319, 390.
Otodectes Can. 549.
cynotis v. furonis Raill. 311.
bruyanti Oudms. 277, 303.
fahrenholzi Oudms. 277, 303.
—— göldii Oudms. 277, 303.
— helleri Oudms. 286, 303.
—— minutissimum Oudms. 248, 303.
muris Oudms. 277, 303.
muscae Oudms. 188, 254.
— russicum Oudms. 130, 139, 254.
— schmitzi Oudms. 332, 368.
— thomasi Oudms. 277, 303.
—— tinami Oudms. 277, 303:
—— trägärdhi Oudms. 277, 303.
—— wichmanni Oudms. 177, 206, 254.
Oudemansium domesticum v. concretipi-
[lum Oudms. 147, 176.
_ REGISTER. 121
Oudemansium domesticum v. unisetum
[Oudms. 147, 176.
Oxidae Oudms. 584.
Oxus Kram. 418.
Pachygaster Leb. 68.
Pachygnathus cavernicola Oudms. 580.
Pachylaelaps Berl. 119, 131, 135.
ctenophorus Oudms. 119.
— ensifer Oudms. 135, 153.
—— furcifer Oudms. 119, 131, 135, 153.
—— minutus Oudms. 119.
—— siculus Berl. 167.
tetragonoides Dug. 167.
Pachylaelaptidae Vitzt. 578.
Parasitengona Oudms. 254, 567.
Parasitidae Oudms. 119, 131, 167, 169,
HSE US6210/214235 348),
855. 3652369 412% 577.578.
incertae 577.
Parasitinae 119, 131, 206.
Parasitus Latr. 61, 102, 103, 110, 129,
[131, 135, 139, 149, 178, 182,
1186,73307333,.459,504,°540.
affinis Oudms. 151, 186.
alpha Oudms. 161, 178.
ancoriferus Oudms. 527.
beta Oudms. 161, 178.
bomborum Oudms. 131, 214.
bremensis Oudms. 161, 178.
burchanensis Oudms. 142, 169.
cappa Oudms. 160, 235, 341.
coleoptratorum L. 153. 235, 369.
v. concretipilus Oudms.
[160, 235.
congener Oudms. 161, 178.
consanguineus Oudms. 161, 178.
consimilis Oudms. 161, 178.
consors Oudms. 161, 178.
cornutus G. & R. Can. 131.
crassipes L. 153.
crinitus Oudms. 142, 169.
delta Oudms. 160, 186.
dentipes C. L. Koch 131.
emarginatus C. L. Koch 149.
eta Oudms. 161, 178.
evertsi Oudms. 129.
falcomontanus Oudms. 319, 330.
flevensis Oudms. 455.
fossorius Berl. 527.
fucorum de G. 369.
goetsei Oudms. 485.
heliocopridis Oudms. 277, 355.
iota Oudms. 160, 186.
japeti Oudms. 329, 355.
kempersi Oudms. 129, 131.
kochi Oudms. 563.
longulus C. L. Koch 131, 176.
v. robusta Oudms. 116, 131.
lunaris Berl. 324.
macgillavryi Oudms. 504, 528.
marinus Brady 129.
minor Berl. 147, 176.
mustelarum Oudms. 131, 142,
[169, 309, 345.
(ELA PEL PIE PA
Parasitus poppei Oudms. 142, 175.
primitivus Oudms. 156, 186.
robustus Oudms. 169.
rubescens G. & R. Can. 149.
septentrionalis Oudms. 131.
setosus Oudms. 161, 178, 479.
sexclavatus Oudms. 121, 123,
[131, 149.
spec. 471.
spinipes Oudms. 149.
subterraneus J. Müll. 123, 126, 131.
talparum Oudms. 317, 330.
theta Oudms. 161, 178.
tricuspidatus Oudms. 142, 169.
vesparum Oudms. 182, 355.
vespillonum Oudms. 121, 131,
[149, 479.
voigtsi Oudms. 235, 345.
wasmanni Oudms. 131.
zeta Oudms. 161, 178.
Parastigmata Oudms. 189.
Paratetranychus Zach. 539.
primulae Oudms. 546.
ununguis Jac. 544.
Parathrombium egregium Bruyant 284.
meruense Träg. 286
Paulitzia Oudms. 345.
africana Oudms. 180, 361.
Pediculoides Targ. Tozz. 306, 310, 330,
[548, 562,570, 573:
aestivus Berl. 195.
alastoris Froggatt 562.
amaniensis Oudms. 304, 361.
blattae Oudms. 295, 361.
bruckeri Oudms. 562.
eccoptogasteri Am. 562.
fortuitus Oudms. 562.
hartigi Oudms. 562.
herfsi Oudms. 562.
mesembrinae R. Can. 471.
pilosus Oudms. 195.
rhynchitinus Debey 562.
scolyti Oudms. 562.
setosus Oudms. 375.
spinosus Kram. 195.
tritici Lagreze Fossat 562.
ventricosus Newp. 479, 562.
Pediculopsis Reut. 548.
Pelops C. L. Koch 59, 105, 178, 330.
auritus C. L. Koch 362.
sulcatus Oudms. 330.
Peloptulus berlesei Oudms. 521.
phaeonotus C. L. Koch 521.
Penthaleidae Oudms. 540.
Penthaleus C. L. Koch 64, 178,
[182, 193.
erythrocephalus C. L. Koch 361.
Penthalodes Murr. 178, 193, 540.
Percanestrinia Berl. 459.
Pergamasus Berl. 178, 182, 185,
[202, 310, 504.
corporaali Oudms. 487, 490.
crassipes L. 351, 487.
— gamma Oudms. 161, 178, 345.
nei RAA
SER
Pergamasus italicus Oudms. 185, 345, 347.
johnstoni Oudms. 563.
longulus C. L. Koch 351, 369.
mediocris Berl. 485.
monachus C. L. Koch 351.
oxygynellus Berl. 369.
pilipes C. L. Koch 369.
primitivus Oudms. 156, 202.
probsti Oudms. 299, 355.
robustus Oudms. 131, 169.
septentrionalis Oudms. 351.
testudinarius C. L. Koch 351.
trispinosus Kram. 351.
wasmanni Oudms. 129, 131.
Periglischrus hipposideros Klti. 274.
iheringi (jheringi) Oudms.
ii
[128, 139.
interruptus Klti. 274.
rhinolophinus C. L. Koch 274.
Petrobia Murr. 347.
lapidum Hammer 327, 361.
Petzschia Oudms. 462.
gibba Oudms. 466.
Phanerostigmata Oudms. 254.
Photia Oudms. 171, 459, 549.
bourgognei Oudms. 462.
—— procusti(dis) Berl. 462.
Phthiracaridae Perty 210, 211, 353,
[357, 358, 390.
Phthiracarinae 206.
Phthiracarus Perty 59, 105.
ferruginea C. L. Koch 390.
lentula C. L. Koch 362.
—— piger Scop. 362.
Phthiroides Oudms. 562.
—— megnini Oudms. 562.
Phyllocoptes castaneae Oudms. 538.
paenulatus Oudms. 521.
Phytoptidae Murr. 69, 210.
Phytoptus Duj. 7, 573.
aceris Kalt. 580.
cordai Oudms. 566.
coryli Frauenf. 580.
oculatus Oudms. 481, 487.
pyri Westw. 574.
taxi Murr. 580.
Picobia Hall. 65, 220.
Piersigies Oudms. 254.
Piersigiinae Oudms. 135.
Piona {GAI Koch 68, 333:
fuscescens Oudms. 522.
pulchella Oudms. 567.
Platyseius necorniger Oudms. 142, 169.
tricornis Kram. 579.
Platytetranychus Oudms. 539.
gibbosus R. Can. 539.
Pleuromerengona Oudms. 254.
Plutarchusia (Plutarchia) Oudms.
II
[168, 182.
chelopus Trt. & Nn. 168, 214.
Pneumolaelaps greeni Oudms. 128, 139.
Pneumonyssus Banks 560.
congoensis Ewing 560.
—— dinolti Oudms. 560.
22 REGISTER.
Pneumonyssus duttoni Newst. & Todd
: [560.
foxi Weidw. 560.
griffithi Newst. 560.
macaci Land. & Hoepke 560.
simicola Banks 560.
stammeri Vitzt. 560.
Preumotuber macaci Land. & Hoepke
[345, 350, 560.
II
Podaia Oudms. 453.
rubens Schrk. 453.
Podapolipodidae Oudms. 548.
Podapolipus Rov. & Grassi 548.
blattae Oudms. 295, 361.
Podoglyphus Oudms. 568.
buski Murr. 568.
Podothrombium filipes C. L. Koch 518.
macrocarpum Berl. 510
svalbardense Oudms. 531.
Poecilochirus G. & R. Can. 102, 103,
[156, 178, 504.
Poecilophysis Cambr. 178.
Polyaspis Berl. 102, 178, 520.
Pontoppidania Oudms. 462, 549.
littoralis Halbert 462, 484.
Pontoppidaniidae Oudms. 501.
Porobelba michaeli Oudms. 105.
Porrhostaspis Jul. Müll. 329.
Povelsenia Oudms. 472, 474.
neotropicus Oudms. 377, 466, 474.
Proctophyllodeae Trt. & Mégn. 210.
Proctophyllodes Rob. 69, 102, 178,
[179, 180, 185.
detruncatus Oudms. 179.
separatifolius Oudms. 179.
Proctophyllodinae Oudms. 180, 206.
Pronematus R. Can. 363.
Prosopodectes Can. 102, 149, 178.
Prostigmata Kram. 254.
Protalges Trt. & Megn. 272.
Protereunetes lapidarius Oudms. 188, 361.
Pseudalges Trt. 180.
Pseudalloptes Trt. 69, 178.
Pseudochelidae Oudms. 254.
Pseudoleptidae Oudms. 505.
Pseudoleptus arechavaletae Bruyant 495.
floridanus Banks 495.
vandergooti Oudms. 495.
Pseudoparasitus Oudms. 119, 131.
meridionalis G. & R. Can. 119, 131.
Pseudotarsonemoides Vitzt. 548.
Pseuduropoda Oudms. 563.
bosi Oudms. 142, 153.
canestrinii Oudms. 579.
dampfi Oudms. 319, 330.
italica Oudms. 579.
javensis Oudms. 119.
kempersi Oudms. 182, 361.
levisetosa Oudms. 161, 178, 579.
paradoxoides Oudms. 135, 167.
ritzemai Oudms. 142, 153.
vegetans de G. 563.
wagneri Oudms. 128, 139.
Psoralgidae Oudms. 195.
I
REGISTER. 123
Psoralginae 171.
Psorergates Tyrr. 65, 220.
simplex Tyrr. 252, 492.
Psoroptes Gerv. 69.
cuniculi Ziirn 581.
equi Her. 480, 490.
—— ovis Her. 389.
wombati Oudms. 568.
Psoroptidae Can. 171, 459, 549.
Psoroptinae Berl. 171.
Pteralloptes Mégn. 171, 179, 180.
stellaris Buchh. 252.
Pterocolus Hall. 69.
Pterodectes Rob. 69, 179, 180, 182.
Pterolicheae Trt. & Mégn. 210.
Pterolichus Rob. 69, 168, 171, 174, 182.
chrysolophi Oudms. 581.
pavonis Oudms. 174, 271.
urogalli Nörn. 389.
Pteronyssidae Oudms. 584.
Pteronyssus Rob. 69, 476, 481.
besselingi Oudms. 479.
puffini Buchh. 479.
Pterophagus Megn. 69, 180.
Pterygosomidae Oudms. 280.
Ptilonyssus Berl. & Trt. 131, 180.
Ptyctima Oudms. 210, 221, 390, 482.
Pyemotes Am. 573.
bruckeri Oudms. 562.
tortuitus Oudms. 562.
hartigi Oudms. 562.
herfsi Oudms. 562.
scolyti Oudms. 562.
Pygmephorus Kram. 149, 178, 188,
[548, 573.
graminum Reut. 548.
Raoiella Hirst 503.
mori Rond. 580.
Raphignathidae Kram. 449, 452, 453,
[504, 505, 518.
Raphignathus Dug. 65, 186, 188, 204, 452.
deliensis Oudms. 446.
—— humilis C. L. Koch 459.
—— pilispinus Goosmann 482.
walchi Oudms. 446.
Resinacarus Vitzt. 548.
Rhagidia Thor. 188, 193, 201, 444, 510.
cavernarum Pack. 332.
—— gelida Thor. 509.
— mordax Oudms. 188, 361.
—— pallida Banks 286.
weyerensis Pack. 332.
Rhagidiidae Oudms. 444.
Rhaphignatus, zie Raphignatus.
Rhipicephalus C. L. Koch 63, 103, 119,
11399201, 2042283544.
evertsi Neum. 129.
Rhipistoma C. L. Koch 63.
Rhizoglyphidae Oudms. 462, 468.
Rhizoglyphus Clap. 102, 462, 549, 574.
callae Oudms. 466.
columbianus Oudms. 471, 474.
dujardinii Clap. 468.
echinopus Rob. & Fum. 466, 471.
Rhizoglyphus solani Oudms. 466, 471.
tarsispinus Oudms. 272.
Rhodacaridae Oudms. 131.
Rhodacarinae 131.
Rhodacarus Oudms. 131.
roseus Oudms. 131.
Rhombognathus Trt. 139.
Rhyncholophidae Grube 210.
Riccardoella jenynsi Oudms. 566.
Riciniae Latr. 63.
Riedlinia Oudms. 332.
coeca Oudms. 332, 368.
Riemia Oudms. 479.
hesperidum Oudms. 479.
Rivoltasia Can. 476, 481.
bifurcata Riv. 257.
Rohaultia Oudms. 286, 313, 317, 377.
biungulum Oudms. 286, 303.
Rondaniacarus Oudms. 573.
mori Rond. 573.
Rosenhofia Oudms. 446.
machairodus Oudms. 446.
Rosensteinia Oudms. 462.
sieversi Oudms. 462.
Saintdidieria Oudms. 578.
sexclavatus Oudms. 121, 149, 181.
Sammonica Oudms. 171.
doryphora Oudms. 171, 214.
interifolia Trt. & Mégn. 214.
ovalis dirt) Il 214:
Samouellea Oudms. 584.
depilata Berl. 584.
Sancassania Oudms. 362.
chelone Oudms. 362.
Sandenia Oudms. 397.
georgiae Oudms. 330, 397.
Saproglyphidae Oudms. 472.
Saproglyphus australis Oudms. 466.
neglectus Berl. 476.
neotropicus Oudms. 466.
Sarcoborus Oudms. 160, 177, 220.
nidulans Nitzsch 160, 220.
Sarcopterinus Raill. 177.
Sarcopterus Gieb. 160.
Sarcoptes Latr 2, 3,1 09) 7/0 554
cati v. musculi Oudms. 69.
rupicaprae Her. 492.
scabiei L. 383.
spec. 492.
Sarcoptiformes Reut. 505.
Sarcoptinae Mégn. 210, 383.
Scatoglyphus Berl. 462.
Scharfenbergia Oudms. 565.
gauthieri Oudms. 565.
hilaris. €: L. Koch 565.
Schellenbergia Oudms. 565, 571.
berlesei Oudms. 201, 565.
domesticus C. L. Koch 565.
Scheloribates indica Qudms. 347, 390.
insularis Oudms. 347, 390.
schützi Oudms. 131.
Schizocarpus mingaudi Trt. 457.
Schizotetranychus Träg. 539.
asparagi Oudms. 546, 505.
124 REGISTER.
Schizotetranychus schizopus Zach. 540.
Schmiedleinia Oudms. 505, 537.
tiliae Oudms. 505.
Schéngastia Oudms. 277.
berlesei Oudms. 139, 254.
cercopitheci Träg. 277.
salmi Oudms. 444.
—— trouessarti Oudms. 277, 303.
vandersandei Oudms. 277.
Schöngastiella disparunguis Oudms. 518.
Schwiebea italica Oudms. 468.
scalops Oudms. 474.
talpa Oudms. 362, 468.
Sciridae Donn. 210.
Scirus Herm. 7, 149.
Scutacaridae Oudms. 374, 375.
Scutacarus Gros 548.
femoris Gros 375.
—- subterraneus Oudms. 324, 330.
talpae Oudms. 324, 330.
Scutovertex Mich. 102, 105, 110, 119,
[139, 178.
spoofi Oudms. 102, 119.
Scyphius C. L. Koch 64.
Sebaia Oudms. 147, 182.
palmata Oudms. 168, 214.
rosacea Oudms. 147, 175.
Seius C. L. Koch 102.
Seiulus Berl. 131, 178, 179, 181, 182,
[186, 206, 459, 505. 527.
amboinensis Oudms. 481, 508.
corbicula Sowerby 481.
finlandicus Oudms. 345, 348.
levis Oudms. 161.
plumosus Oudms. 126, 131.
rhenanus Oudms. 348.
similis C. L. Koch 362.
spec. 471.
spoofi Oudms. 345, 348.
truncatus Oudms. 348.
PI
pulchrum Kram. 521.
Sellnickia Oudms. 504.
heveae Oudms. 504.
Sennertia Oudms. 185.
alfkeni Oudms. 102.
cerambycinus Scop. 185.
flabellifera Oudms. 474.
greeni Oudms. 377, 474.
—— hipposideros Oudms. 130, 139.
japonicus Oudms. 102.
— koptorthosomae Oudms. 119, 474.
roepkei Oudms. 474.
sumatrensis Oudms. 474.
Septanychus McGreg. 549.
Serrariidae 210.
Serrarius Mich. 102, 110.
Sessiluncus Can. 504.
Siblyia Oudms. 565.
—— ignipes Dug. 565.
Siteroptes Am. 573.
pilosus Oudms. 195, 330.
setosus Oudms. 375.
Smaridia Dum. 7, 61.
Smaridiae 210.
Smarididae Kram. 584.
Smaris Berl. 116, 149, 345, 347.
Late 1545
leegei Oudms. 116.
sambuci Latr. 345.
Snartia Oudms. 565.
nepenthus Oudms. 565.
Spelaeorhynchidae Oudms. 135.
Spergonae Oudms. 584.
Sphaerochthonius gemma Oudms.
[252, 390.
Sphaerolophus novus Oudms. 500, 517.
Sphaerozetes numerosus Selln. 490.
Sphaerozetidae Oudms. 581.
Spinturnicidae Oudms. 33, 38, 119,
[365, 487, 570, 583.
Spinturnicinae 119.
Spinturnix v. Heyd. 129, 131, 139,
[153, 178, 274.
amboinensis Oudms. 481, 508.
—— camifex C. L. Koch 133, 134,
[274.
—— javensis Oudms. 332, 348.
kolenatii Oudms. 274.
—— murinus Walck. 274.
—— mystacina Kiti. 129.
mystacinus Klti. 274.
noctulae Oudms. 274.
plecoti Oudms. 133, 134.
plecotinus C. L. Koch 274.
vespertilionis L. 133, 134, 274.
Steatonyssus cyclaspis Oudms. 193, 348.
javensis Oudms. 329, 348.
kolenatii Oudms. 133, 134.
Stenosternum bipilosum Kram. 506.
Stigmaeidae Oudms. 540.
Stigmaeodes elongatus v. longipilis
[R. Can. 504.
Stigmaeus C. L. Koch 188, 193, 452.
— bdelloides C. L. Koch 459.
kermesinus C. L. Koch 272.
Stomatostigmata Oudms. 189, 510, 520,
[523,-540;-541,-566.
Storchia Oudms. 453.
robustus Berl. 453.
Strömia Oudms. 459.
cantharobius Oudms. 180, 459.
Suctobelba subtrigonus Oudms. 105, 390.
Suidasia Oudms. 174, 474, 549.
medanensis Oudms. 474.
pontifica Oudms. 174, 214, 267.
Syringobia Trt. & Mégn. 168, 171,
1235::242:
calcarata Oudms. 171, 242.
—— calceata Trt. 242.
calicridis Oudms. 168, 242.
—— calceata Trt. 242.
—— totani Oudms. 168, 242.
Syringobiinae Oudms. 177, 206.
Il
‘ REGISTER. 125
Syringophilus Hell. 102, 168, 171,
[174, 178, 220.
berlesei Oudms. 174.
helleri Oudms. 171, 220.
—— minor Oudms. 65.
— totani Oudms. 168, 220.
trouessarti Oudms. 172, 220.
Tanaupodus Hall. 504.
passimpilosus Berl. 503, 504.
Tarsolarkus S. Thor. 565.
Tarsonemella Hirst 548.
Tarsonemidae Kram. 210, 361.
Tarsonemini Can. & Fanz. 548, 566.
Tarsonemoides Träg. 548.
Tarsonemus Can. & Fanz. 139, 149, 178,
[85984825057 548, 373, 374
—— aurantii Oudms. 499.
—— fennicum Oudms. 345, 361.
—— floricolus Can. & Fanz. 332, 363.
— maddoxi Oudms. 574.
— minusculus Can. & Fanz. 195,
[332, 482.
ovivorus Oudms. 499.
soricicola Oudms. 130, 143.
spirifex Marchal 354.
typhae Oudms. 520, 521.
Tarsopolipus Berl. 548.
Tarsotomus Berl. 178, 201, 504, 565.
callunae Oudms. 565.
—— domesticus C. L. Koch 432.
Tectotydeus Oudms. 566.
demeyerei Oudms. 525.
Tencateia Oudms. 565.
besselingi Oudms. 565.
toxopei Oudms. 565.
Teneriffia quadripapillata S. Thor. 549.
Tenuipalpus Donn. 538.
cactorum Oudms. 525.
cuneatus Can. & Fanz. 479.
donnadieui Oudms. 574.
Tetranychidae Donn. 210, 505.
Tetranychus Duf. 7, 65, 129, 178,
[181, 182, 186, 525, 537,
[538, 539, 540, 544, 546.
althaeae Hanst. 537.
aspidistrae Oudms. 540.
bimaculatus Harvey 286.
caldarii Oudms. 538.
carpini Oudms. 361, 362.
caudatus Dug. 538.
celer Dug. 538.
choisyae Oudms. 544.
cristatus Dug. 538.
dahliae Oudms. 566.
fervidus C. L. Koch 539.
fragariae Oudms. 539.
fransseni Oudms. 539.
glabrum Dug. 538.
linteari(c)us Duf. 538.
longipes Dug. 538.
ludeni Zach. 539.
major Dug. 538.
manihotis Oudms. 546.
populi C. L. Koch 539.
BELLE
Tetranychus pruni Oudms. 538.
prunicolor Dug. 538.
reinwardtiae Oudms. 537.
russeolus C. L. Koch 539.
salicis C. L. Koch 539.
salviae Oudms. 539.
sambuci Schrk. 537.
socius C. L. Koch 539.
spec. 546.
stellariae Oudms. 544.
telarius L. 457, 528, 530, 537,
[538, 539.
tenuipes Dug. 538.
tiliarium L. 81, 539.
tlalzahuatl Murr. 286.
ulmi C. L. Koch 538.
urticae C. L. Koch 538, 539, 544.
viburni C. L. Koch 539.
violae Oudms. 544.
Tetrapodili Bremi 566.
Tetrapolipus Berl. 548.
Thalassarachna Pack. 580.
Thecarthra Trt. 168, 171, 174.
-— bouveti Megn. & Trt. 214.
porzanae Can. 286.
starnae Can. & Fanz. 581.
Therismoptes Am. 573, 574.
aurantii Oudms. 499.
—— fennicum Oudms. 345, 361.
—— maddoxi Oudms. 574.
KELLER DaB
ovivorus Oudms. 499.
soricicola Oudms. 130, 143.
typhae Oudms. 520.
Therismoptidae Oudms. 573.
Thrombidiidae Leach 11, 167, 169, 175,
HSCH210N270M272 0277,
[301, 368, 390, 458, 511.
Thrombidiinae Murr. 206.
Thrombus Oudms. 144.
gymnus Oudms. 144, 169.
Thyas C. L. Koch 186.
Thyreophagus corticalis Mich. 581.
javensis Oudms. 293.
Tignyia Oudms. 567.
sulcatus O. F. Miill. 567.
Tiphys C. L. Koch 68.
Tiphysidae Oudms. 584.
Tiphysinae Oudms. 584.
Torrenticolidae Oudms. 584.
Torrenticolinae Oudms. 584.
Tortonia Oudms. 293, 306.
fluctuata Oudms. 383.
helenae Oudms. 130, 139, 474.
smitsvanburgsti Oudms. 293.
Toxopeusia Oudms. 500.
strandi Oudms. 500.
vitzthumi Oudms. 500.
Toxopeusiidae Oudms. 500, 517.
Trachelostigmata Oudms. 189.
Trachygamasus Berl. 178.
Trachynotus Kram. 61.
Trachytes Mich. 520.
aegrota C. L. Koch 362.
lagenarius Dug. 359.
126 REGISTER.
Trachytes rackei Oudms. 308, 330.
Trachytidae Oudms. 520.
Trachyuropoda Berl. 310, 330.
rackei Oudms. 308, 324.
Tragardhula Berl. 317.
Triacrotricha Oudms. 484.
Trichadenidae Oudms. 574, 580.
Trichadenus arechavaletae Bruyant 580.
sericariae Rond. 573.
Trichotarsus Can. 102, 110, 119, 129,
RISO AS ET DSE
alfkeni Oudms. 102.
anthidii Oudms. 293.
helenae Oudms. 130, 139.
hipposideros Oudms. 130, 139.
intermedius Oudms. 129.
japonicus Oudms. 102.
koptorthosomae Oudms. 119.
ornatus Oudms. 102.
osmiae Duf. 123.
Triophtydeus pinicolus Oudms. 520.
tiliarum Oudms. 527.
triophthalmus Oudms. 525.
viridis Oudms. 525.
Tritia Berl. 358.
arctata Riley 390.
ardua ©. Ls Koch 362, 390.
corporaali Oudms. 482.
Troglobdella Oudms. 566.
obisium Gerv. 566.
Trombicula Berl. 534, 573.
autumnalis Shaw 504, 528.
inopinatum Oudms. 504, 528.
NARNIA
Trombidiformes Reut. 505.
Trombidi-Sarcoptiformes Oudms.
+578: 270;
Mrombidinms Ean 2e 7,165, 102, 116;
(129) 165, ISS RS 5759,78,
[182, 186, 188, 193, 201, 206, 254,
(Dor, ION SISSORS AE
africanum Oudms. 286.
armatum Kram. 67.
bicolor Herm. 514.
celer Herm. 64.
degeeri Oudms. 276.
demeijerei Oudms. 267.
granulatum Oudms. 167, 270.
hermanni Oudms. 546.
holosericeum L. 151, 276.
inexspectatus Oudms. 254.
insulanum Oudms. 116.
laevicapillatum Kram. 67.
novum Oudms. 123, 128, 143.
opilionis Müll. 65.
pectinifer Kram. 506.
poriceps Oudms. 151, 157,
[159, 254.
pygiacum C. L. Koch 377, 390.
russicum Oudms. 130, 139.
striaticeps Oudms. 151, 157,
Ee DEE
tectocervix Oudms. 151, 169.
ehe SHEER EEEN
VITTI EDEL
Trombidium tinctorium L. 129, 506.
vandersandei Oudms. 177, 234.
wichmanni Oudms. 177, 234.
Trouessartia Can. 179, 180.
rosterii Berl. 163, 278.
trouessarti Oudms. 163, 278.
Tydeus C. L. Koch 64, 139, 178, 185,
[330, 510, 534.
—— aberrans Oudms. 549.
albellus C. L. Koch 516, 525.
alni Oudms. 527.
bavaricus Oudms. 527.
boicus Oudms. 527.
celer Herm. 361.
claviger Oudms. 516, 525.
commutabilis Oudms. 520.
concinnus Oudms. 520.
croceus L. 516.
cruciatus C. L. Koch 525.
demeyerei Oudms. 525.
fenilis G. Can. 525.
hyacinthi Oudms. 549.
italicus Oudms. 516.
kochi Oudms. 516.
mali Oudms. 518.
mutabilis C. L. Koch 520.
olivaceus C. L. Koch 361, 516.
pinicolus Oudms. 520, 525.
pulcher Oudms. 520.
reticulatus Oudms. 516, 520.
spathulatus Oudms. 516, 537.
striatellus C. L. Koch 516.
subterraneus Oudms. 525.
thori Oudms. 546.
tiliae Oudms. 525.
tiliarum Oudms. 527.
triophthalmus Oudms. 525, 538.
viridis Oudms. 525.
xylocopae Oudms. 482.
idae Kram. 210.
hlodromus aberrans Oudms. 530.
amboinensis Oudms. 481, 508.
bulbicolus Oudms. 527, 529, 530.
cucumeris Oudms. 532.
dahliae Oudms. 563.
domesticus Oudms. 529, 530.
elongatus Oudms. 530.
finlandicus Oudms. 345, 348, 530.
foenilis Oudms. 532.
heveae Oudms. 535.
hevearum Oudms. 535.
levis Oudms. 161, 178.
mali Oudms. 529.
minimus Kram. 579.
musci Oudms. 529.
novaeguineae Oudms. 179, 206.
plumifer Can. & Fanz. 579.
pomorum Oudms. 529.
pruni Oudms. 529.
pyri Scheuten 527.
reticulatus Oudms. 532.
rhenanus Oudms. 181, 348. — ~
similis C. L. Koch 532.
spoofi Oudms. 345, 348, 535.
Wie
HH
ele
ONE
REGISTER. 127
Typhlodromus tiliacolus Oudms. 529.
— tiliae Oudms. 527, 529, 530.
— tiliarum Oudms. 530.
—— tineivorus Oudms. 529, 530.
—— truncatus Oudms. 182, 348.
-—— viridis Megn. 579.
—— vitis Oudms. 535.
Typhlothrombium Oudms. 284.
—— nanus Oudms. 284, 286, 303.
Typhlotrombidium Oudms. 517.
Tyroborus Oudms. 472, 549.
lini Oudms. 474.
Tyroglyphidae Donn. 1726204210;
[235, 293, 466, 467, 468, 488.
Tyroglyphina Donn. 69.
Tyroglyphinae Oudms. 119, 139, 143,
Liep Wey, HO SU
Tyroglyphus Latr. 2, 7, 69, 102, 119,
(129, 178, 179, 181, 182, 186,
[206, 252, 306, 310, 330, 333,
(Sl 4665354549;
australasiae Oudms. 363.
australis Oudms. 377.
berlesei Mich. 347.
canestrinii Karp. 584.
casei Oudms. 274, 467.
deliensis Oudms. 462.
dimidiatus Herm. 467, 468, 471.
eurynympha Oudms. 295.
farinae L. 376, 413, 466, 467, 470,
[471, 503, 514.
v. africana Oudms. 188, 280.
farris Oudms. 185, 330, 466, 470.
fucorum Oudms. 121, 143.
heterocomus Mich. 295.
humerosus Oudms. 471.
infestans Berl. 471.
javensis Oudms. 363.
kramerii Berl. 363.
laevis Duj. 467.
longior Gerv. 102, 158.
macgillavryi Oudms. 293, 377.
michaeli Oudms. 468.
mycoborus Oudms. 295.
mycolichus Oudms. 308.
mycophagus Mégn. 311.
neotropicus Oudms. 377.
novus Oudms. 207, 210.
ovatus Troup. 308.
palmarum Oudms. 467.
putrescentiae Schrk. 299, 304, 311,
1813531471335, "467.
siculus Fum. & Rob. 467.
sumatrensis Oudms. 377.
trifolium Oudms. 119.
vandergooti Oudms. 363.
vethi Oudms. 377.
Tyrolichus Oudms. 466, 534.
casei Oudms. 274, 467.
Tyrophagidae Oudms. 472.
Tyrophagus Oudms. 206, 466, 485, 574.
amboinensis Oudms. 481, 508.
australasiae Oudms. 363.
deliensis Oudms. 462.
e EEE
A.
Tyrophagus eurynympha Oudms. 295.
humerosus Oudms. 468.
infestans Berl. 488.
javensis Oudms. 363.
macgillavryi Oudms. 293.
muris Oudms. 468, 474.
novus Oudms. 207, 210.
oblongulus C. L. Koch 581.
palmarum Oudms. 467.
putrescentiae Schrk. 466, 474, 481.
vandergooti Oudms. 363.
vanheurni Oudms. 474.
viviparus Oudms. 488.
Unionicola Hald. 68, 179.
ypsilophorus Bonz 129.
Unionicolae Oudms. 254.
Urodinychus janeti Berl. 327.
tecta Kram. 359.
Uropeda Batı22 161 102 03/19/1310
1135. 139} 178,1 180, 181,
[330, 540.
alfkeni Oudms. 147; 175.
bosi Oudms. 142, 153.
copridis Oudms. 374.
dampfi Oudms. 319.
heliocopridis Oudms. 119.
javensis Oudms. 119.
krameri G. Can 131.
levisetosa Oudms. 161.
marginatus C. L. Koch 327.
mégnini Oudms. 579.
minimum Oudms. 374.
obscurus C. L. Koch 327, 361.
orbicularis O. F. Mull. 537.
evalis(@, Ey Kochr102,21S
paradoxoides Oudms. 167.
ritzemai Oudms. 142, 153.
spatulifera Mon. 327, 361.
tarsale Rob. Desv. 327, 361.
tecta Kram. 131, 327.
vegetans Latr. 111, 323, 327, 361
[594
Regio
wagneri Oudms. 128, 139.
Uropodidae Berl. 210, 361, 365.
Uropodinae Oudms. 206, 577.
Uroseius Berl. 131, 149.
degeneratus Oudms. 327, 361, 520.
novus Oudms. 131.
Vaghia Oudms. 397.
stupendus Berl. 397.
Valmontia Oudms. 462.
mira Oudms. 468.
Varchia Oudms. 180.
gambettae Oudms. 171, 278.
Varroa Oudms. 163, 168, 459.
jacobsoni(i) Oudms. 163, 164.
Veigaia Oudms. 182, 330.
herculeana Berl. 351.
nemorensis C. L. Koch 182, 351.
transisalae Oudms. 131, 351.
wyandottensis Pack. 332.
Veigaiaidae Oudms. 577.
Veithia Oudms. 584.
assmuthi Oudms. 584.
128 REGISTER.
Veithia schneideri Oudms. 584.
Vidia Oudms. 185, 252.
lineata Oudms. 383, 474.
squamata Oudms. 252.
undulata Oudms. 185.
Viedebanttia Oudms. 525.
schmitzi Oudms. 525.
Villersia Oudms. 504, 510.
vietsi Oudms. 504.
Walzia Oudms. 565.
antiguensis Stoll 565.
Wichmannia Oudms. 521.
spiniferus Mich. 521.
Willania Oudms. 540.
mira Oudms. 540.
Winterschmidtia Oudms. 462.
hamadryas Vitzt. 462, 501.
Winterschmidtiidae Oudms. 462.
Xemiostigmata Oudms. 189.
Xenillus Rob. Desv. 204, 306, 310, 532.
blattarum Oudms. 293, 390.
—— limburgiensis Oudms. 308, 319.
—— paolii Oudms. 319, 390.
speciosus Piers. 390.
—— subtrigonus Oudms. 390.
truncatum Can. & Fanz. 581.
Xenothrombium insulare Oudms. 500,
[517.
Xoloptes Can. 171.
Zemiostigmata Oudms. 189, 267.
Zereon CL IKoch 61
Zerconopsis remiger Kram. 579.
Zercoseius Berl. 579.
ometes Oudms. 147, 176.
—— plumea Oudms. 536.
—— plumigera Oudms. 536.
plumosus Oudms. 131.
Zetorchestes Berl. 135, 365, 390.
consanguineus Oudms. 135, 167.
saltator Oudms. 347.
Zetzellia Oudms. 504.
alni Oudms. 540.
—— methlagli Oudms. 504.
zacheri Oudms. 518, 540.
Zschachia Oudms. 521, 530.
laevis Oudms. 521.
feroniarum Duj. 521.
Zwickia Oudms. 472, 474, 521.
guentheri Oudms. 364.
Zygoribatula cognatus Oudms. 135, 167.
—— frisiae Oudms. 105, 390.
propinguus Oudms. 135, 167.
—— varius Oudms. 161.
AGNATHA.
Caenis robusta Eaton 229.
ANOPLURA.
Anoplura 41, 523.
Docophorus 262, 301.
Goniodes 231.
stylifer Nitzsch 312.
affinis Oudms. 131, 135, 149, 330.
Hoplopleura acanthopus Burm. 523, 526.
Laemobothrium circi Geoffr. 312.
giganteum Nitzsch 312.
Liotheum dissimile Piag. 312.
flavescens Nitzsch 312.
Lipeurus 301, 306.
quadripunctatus Denny 301.
Mallophaga 259, 262, 301, 305,
[312, 456, 526.
Nirmus 301.
Pediculi 259, 262, 301, 312, 456, 526.
Pediculus L. 323.
capitis de G. 456.
consobrinus Piag. 323.
humanus L. 456.
lobatus Fahrh. 323.
oblongus Fahrh. 323.
schäffi Fahrh. 323, 456.
Philopterus ceblebrachys Nitzsch 312.
macrocephalus Nitzsch 312.
APHANIPTERA.
Anomiopsyllidae 253.
Aphaniptera 269.
Archaeopsylla Dampf 247.
Archaeopsyllidae 253.
Brachythoraca 253.
Breviclavata 253.
Brevithoracica 238.
Ceratophyllus Klti. 208, 226, 227, 236,
[247, 264, 325.
columbae Gerv. 247, 340.
fasciatus Bosc 340.
gallinae Schrk. 340, 351, 384.
gallinulae Dale 384.
mustelae Wagn. 318.
sciurorum Schrk. 305, 340.
v. dryas Wagn. 340.
styx Rothsch. 340.
Ceratopsyllus(a) Klti. 212, 232.
Chaetopsylla Kohaut 236, 247.
globiceps Taschb. 273.
— kohauti Oudms. 273.
— mikado Rothsch. 239.
trichosa Kohaut 273.
Chiropteropsylla Oudms. 236.
aegyptius Rothsch. 236.
Coptopsylla Jord. 249.
Ctenocephalus Klti. 211, 227, 236,
1247, 253:
canis Curt. 239, 305.
felis Bché. 239, 300, 305.
Ctenonotus Klti. 226, 264.
Ctenophthalmus Klti. 211, 226, 247
[318, -339.
TIT]
—— musculi Dug. 247.
segnis Schönh. 247, 313, 314,
[318, 326.
Ctenopsyllus(a) Klti. 226, 232.
Dermatophilidae 205.
Dermatophilus Guér. 205, 208.
penetrans L. 193, 194, 227.
Dolichopsyllidae 253.
. REGISTER. 129
Dolichothoraca 253.
Echidnophaga Olliff 232, 236, 247, 306.
Echidnophagidae 253.
Fracticipita 236, 238, 245, 247.
Hectopsylla Frauenf. 205, 226.
psittaci Frauenf. 258.
Hectoropsylla Frauenf. 205.
Hectoropsyllidae Oudms. 205.
Hexactenopsylla Oudms. 261, 315, 340.
; hexactenus Klti. 261.
Hoplopsyllidae Oudms. 253.
Hystrichopsylla Taschb. 226, 249, 306,
914315, 323.
talpae Curt. 249, 339, 384.
Hystrichopsyllidae 261.
Integricipita 236, 238, 245.
Intuberata 253.
Ischnopsyllus(a) Westw. 208, 211,
[236, 247, 264.
— intermedius Rothsch. 258.
schmitzi Oudms. 255, 258, 265.
Ischnopsyllidae 236, 315.
Listropsyllinae 261.
- Loemopsylla Jord. 253.
cheopis Rothsch. 253.
Longiclavata 253.
Macropsylla Rothsch. 249.
Macropsyllidae 253.
Malacopsylla Wey. 205, 227, 232.
nom. spec. monoctenus Klti 236.
Monopsyllus Kiti. 227, 264.
Neopsylla Wagn. 232.
bidentatitormis Wagn. 318.
bisseptemdentata Klti. 261.
Neopsyllidae 253.
Neopsyllinae 253.
Nycteridopsylla Oudms. 211, 236,
[245, 247, 253, 264.
— bouchéi Oudms. 211.
pentactenus Klti. 211.
Palaeopsylla Wagn. 232, 325.
sorecis Dale 318,
Posttuberata 253.
Psilopsyllidae 253.
Balen 208) 226,1227,,232,, 236, 247.
boleti Guer. 227.
imitans, L.. 238, 340.
—— martis Bché. 273.
Pygiopsylla robinsoni Rothsch. 268.
Rhadinopsylla Jord. & Rothsch. 325.
pentacanthus Rothsch. 318.
Rhinolophopsylla Oudms. 261.
unipectinata Taschb. 261.
Rhopalopsyllinae 253.
Rhopalopsyllus cleophontis Rothsch. 261.
Rhyuchoprion Herm. 208.
Rhynchopsyllus Hall. 205, 226.
Sarcophaga 208.
Sarcopsylla Westw. 121, 208, 226.
Solitothoracica 238.
Spalacopsylla Oudms. 211, 315,
1318, 325.
agyrtes Hell. 305, 339.
_—— bisbidentatus Klti. 275, 305.
Spalacopsylla congener Rothsch.
BOSS IF
—— heselhausi Oudms. 326, 339.
—— orientalis Wagn. 314.
—— talpae Bche. 211.
—— unidentatus Klti. 275.
Spilopsyllus Baker 236, 337, 339.
cuniculi Dale 339.
Stephanocircus Skuse 232, 238.
Suctoria 194, 200, 205, 208, 211, 212,
26822792323. 2567, 23852383
aS 247249 25172539258
[201264265 268 26977273:
275% 3007303, 306, 314, 315;
[318,7320,"325, 336, 337, 338;
33953407343, 344, 3517, ON
[384.
Trichopsylla Klti. 211, 226, 264.
Typhloceras Wagn. 232, 249.
—— poppei Wagn. 339.
Typhlopsylla Taschb. 226, 232.
Uropsyllidae 253.
Vermipsylla Schimk. 232.
alacurt Schimk. 239.
—— hyaenae Klti. 239.
strandi 239.
striatus 239.
Xenopsylla cheopis Rothsch. 300.
scopulifer Rothsch. 340.
Xestopsylla gallinacea Westw. 194.
ARACHNOIDEA s. lat.
(excl. Acari)
Arachnoidea 570, 583.
Araneae 240.
Chelifer peculiaris L. 333.
Fixicoxata 570.
Koenenia Grassi 575, 583.
mirabilis Grassi 172.
Opisthogoneata 570.
Progoneata 570, 583.
Soluticoxata 570, 583.
Sternarthron 575, 583.
Stygophalangium karamani Oudms. 552.
Trogulus tricarinatus L. 366.
COLEOPTERA.
Apion striatum Mrsh. 294.
Badister Clairv. 76.
Batocera spec. 298.
Bembidion Latr. 76.
Carabus nemoralis Miill. 365.
Coleoptera 230, 233, 237, 240, 323.
Coccinella L. 75, 76, 120.
Demetrias Bon. 76.
Dytiscus L. 346.
punctulatus F. 436.
Elateridae 365, 408.
Enicmus Thms. 289.
Gastroidea viridula de G. 263.
Geotrupes Latr. 411.
Gyrinus L. 75, 112.
130 REGISTER.
Ignotus aenigmaticus Slosson 172, 243.
Lathridius Hbst. 289.
Lucanus L. 80.
Meloë L. 4, 75, 135.
Platypsyllus castoris Rits. 172.
Quedius longicornis Kr. 276.
Scolytus Geoffr. 75.
Scymnus Kugel. 76.
richins or
COLLEMBOLA.
Sminthurus Latr. 451.
CRUSTACEA.
Apus Scop. 351.
cancriformis Jur. 351.
productus Latr. 351.
Branchipus Schäff. 351.
diaphanus 351.
grubei Dyb. 351.
stagnalis Latr. 351.
Limnoria Leach 323.
terebrans Leach 323.
DIPTERA.
Agromyza carbonaria Zett. 457.
Cordylobia anthropophaga 494.
Diptera 230.
Gastrophilus flavipes Ol. 490.
haemorrhoidalis L. 490.
—— intestinalis de G. 490.
—— nasalis L. 490.
—— pecorum F. 490.
ternicinctus Ged. 490.
Hypoderma 86, 351, 490.
bovis de G. 351.
Tabanus L. 86.
EPHEMEROPTERA.
Cloéon dipterum L. 365.
Ephemeroptera 237.
HYMENOPTERA.
Bombus terrestris L. 282.
Camponotus ligniperda Latr. 373.
Hymenoptera 211, 230, 233, 237, 240.
Koptorthosoma D. Torre 113, 146, 148.
tenuiscapa Westw. 211.
Monomorium pharaonis L. 44.
Rhodites mayri Schlecht. 306.
Tarpa spissiformis KI. 4.
LEPIDOPTERA.
Aglia tau L. 221.
Amphidasis betularia v. doubledayaria
[Mill. 221.
Endromis versicolora L. 221.
Epinephele janira L. 1.
Galleria mellonella L. 475.
Harpyia spec. 78.
Hybocampa milhauseri F. 78.
Hypenide 221.
Lasiocampa potatoria L. 111.
Lepidoptera 221, 230, 233, 237, 240.
Leucodonta bicoloria Schiff. 413.
Lithosia F. 365.
Lophopteryx carmelita Esp. 121.
Lymantria monacha L. 289.
Notodonta bicoloria W. V. 121.
Pyralide 221.
Tinea tapetzella L. 117.
Vanessa F. 80.
ODONATA.
Aeschna cyanea v. d. Lind. 229.
Odonata 233, 237, 240.
ORTHOPTERA.
Acheta domestica L. 211.
Diestrammena marmorata de Haan 244.
Gryllidae 211.
Gryllotalpa Latr. 203.
Gryllus campestris L. 211.
Locusta de G. 323.
viridissima L. 306, 323.
Orthoptera 240.
Phyllium pulchrifolium Serv. 323.
PROTURA.
Protura Börn. 323.
RHYNCHOTA.
Dryobius roboris L. 346.
Rhynchota 233.
Thaumatoxena wasmanni Bred.
[& Börn. 172.
THYSANURA.
Lepisma saccharina L. 141.
Machilis maritima Leach 229.
Podurhippus pityriasicus Mégn. 4.
Thermophila domestica Pack. 229.
TRICHOPTERA.
Trichoptera 237.
ERRATA.
DEEL LXXXV.
pag. LX regel 15 v.o.
DEEL LXXXVI.
Op het omslag van het verslag van de T.E. vergaderingen staat abus. LXXXV,
lees LXXXVI.
staat prammophile, lees psammophile.
pag. T6 regel 14 v.b. staat Beche, lees Bché.
TZ Ri 3 v.o. ,, kwesbare, lees kwetsbare.
fa hee BS) » 12 v.o ,, millieu, lees milieu.
„ VIII PAIE D MN datleestdat
Pete De vi 2° Elm less Flhn:
go endl „ 25 v.o. „ Lepioptera, lees Lepidoptera.
amd GV A „ 19 v.o. ,, material, lees materiaal,
» XVII „ 19 v.b. , brachicerus, lees brachycerus.
EUX » 26 v.o. „ wotels, lees wortels.
LED, ©, , 22 v.b. ,, factor 3/7, lees factor 3/r.
SID È „ 28 v.o. ,, Paratreechina, lees Paratrechina.
EX, MORTON nig rant var lees) nigra Rossi kn) var.
ENV By 3 v.b. ,, Me. Lach, lees Mc. Lach.
5 ONAL » 11 v.o. ,, Rott lees Rott.
3. OMA » 19 v.o. ,, 600t-al, lees 600-tal.
n° ISIDE „ 13 v.o. ,, apendiculatus, lees appendiculatus.
, XXXIII » 14 v.o „ Tenebroides lees Tenebrioides.
OTN , 12 v.o. ,, Reiter, lees Reitter.
ai XXV „ 27 v.o. ,, Ameisenlowe, lees Ameisenlöwe.
5 = „ 26 v.o. „ te trechterbouw, lees de trechterbouw.
» XXXVIII 5 3 v.b. „ ek. lees e.d.
si LOD » 23 v.b. „ Thypoxylon, lees Trypoxylon.
KI „ 19 v.b. ,, octopinosus, lees octospinosus.
5 de „ 21 v.b. ,, Lepeltier, lees Lepelletier.
fi DI „ 32 v.b. ,, determineerbade, lees determineerbare.
5 DI » 21 v.o. „ cunicularis, lees cunicularius.
I à A 9 v.o. ,, mite, lees mit.
SEN „ 19 v.o. ,, pripolium, lees tripolium.
a Di » 17 v.o. , writer, lees the author.
È ze » 13 v.o. , bristling hairs, lees arising hairs.
FLAT „ 13 v.b. „ zweervlieg, lees zweefvlieg.
zo JENA DA 1 v.b. ,, Nolchen, lees Nolck.
ESV. „ 9 v.b. ,, Drepanopteryx, lees Drepanepteryx.
12 „ 21 v.o. ,, Psorergatus, lees Psorergates.
zele) „ 28 v.o. ,, Hybocamba, lees Hybocampa.
CNE TE 7 v.o. ,, tapezella, lees tapetzella.
19 „ 29 v.b. „ Hypopus Duj., lees Hypopus Dug.
2] PE 3 v.b. ,, multiformis, lees militiformis.
Ee, » 11 v.b. , sanremensis, lees sanremoensis.
TER » 18 v.o. „ Cheletosma, lees Cheletosoma.
2.023 „ 22 v.o. ,, Raphignatus, lees Raphignathus.
rat „ 32 v.o. ,, loryphora, lees doryphora.
25 „ 15 v.b. „ Machilia, lees Machilis.
Aaa » 17 v.o. ,, Ephemoptera, lees Ephemeroptera.
DT „ 16 v.o. ,, troussarti, lees trouessarti.
DANE » 15 v.o. ,, jagerskioeldi, lees jaegerskioeldi.
DE „ 28 v.b. ,, Lathridium, lees Lathridius.
33 „ 30 v.o. ,, Tyroplyphus, lees Tyroglyphus.
34 PRIOR D Camisa lees, Gamisia.
NE à SOONG til aenmleesmtiliaes
ad » 10 v.o. ,, Macrohelidae, lees Macrochelidae.
Bin » n V.O. , Pachylaetaptidae, lees Pachylaelaptidae.
ii 40 » 12 v.b. ,, Avenzoarinae, lees Avenzoariinae.
ERRATA.
staat concretipilis, lees concretipilus.
meere eer Ae 0 ler ene)
troguli, lees traguli. .
machairodes, lees machairodus.
268, lees 286.
jagerskioeldi, lees jaegerskioeldi.
inexpectatus, lees inexspectatus.
141, lees 144.
Viedebantia, lees Viedebanttia.
ond, lees und.
Gras, lees auf Gras.
Enschnitte, lees Einschnitte.
uneren, lees unteren.
attatched, lees attached.
Lepidopera lees Lepidoptera.
from he, lees from the.
Bij, lees By.
Eucitinae, lees Eucinetinae.
ademen zijn, lees ademen zij.
formis, lees forms.
A a ae LA NT A o tee
INHOUD VAN HET ZES-EN-TACHTIGSTE DEEL
N. Bladz.
_ Verslagen en Wetenschappelijke Mededeelingen van de Voorloopige ni
Oprichtingsvergadering, Eerste Vergadering, Tweede Vergadering
van de Afdeeling voor Toegepaste Entomologie en van de Excursie
naar den Proeftuin en het Laboratorium van het Z.H. Glasdistrict T1-T 15
Verslagen en Wetenschappelijke Mededeelingen van de Vierde
Herfstvergadering, Zes-en-Zeventigste Wintervergadering en Acht-
en-Negentigste Zomervergadering . 1- CXVIII
G. L van Eyndhoven, In memoriam Dr. A. C. Oudemans, 1-56
12 Nov. 1858-14 Jan. 1943
Prof. Dr. J. C. H. de Meijere, Over de Metamorphose van Metopia
leucocephala Rossi, Cacoxenus indagator Low, Palloptera sal-
tuum L., Paranthomyza nitida Mg. en Hydrellia nigripes Zett. (Dipt.) 57-61
Prof. Dr. J. C. H. de Meijere, Die Larven der Agromyzinen,
Siebenter Nachtrag . 61-76
W. Roepke, On the genera Dudusa Walk. and Tarsolepis Butl. in
the Dutch East Indies (Lepidopt. Het., fam. Notodontidae) 77-83
G. J. van der Werf, Een onbekend Trichopteren-larfje Orthotrichia
gel e n 8
K. W. J. Bernet Kempers, De larven der Helodidae (Cyphonidae) 85-91
Ir. P. H. van de Pol, Investigations concerning the androconia of
certain Satyridae, in particular of Coenonympha pamphilus L. 91-94
Dr. G. Kruseman Jr., Voorloopige Naamlijst van Nederlandsche
Psocoptera, benevens van die, welke in het aangrenzende
gebied gevonden zijn (4de mededeeling over Psocoptera) 94-97
Register. . 98-107
Register van de in de Necrologie van Dr. A. C. Oudemans voorkomende
namen van mijten en insecten . 108-124
125-126
Avis
La Société Entomologique des Pays-Bas prie les Comités
d'adresser dorénavant les publications scientifiques, qui lui
sont destinées, directement à : Bibliotheek der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging, AMSTERDAM, Zeeburger-
dijk 21.
Toutes les autres publications et la correspondance doivent
être adressées au Secrétaire. L'expédition du ,,Tijdschrift
voor Entomologie” est faite par lui.
Si l'on n'a pas reçu le numéro précédent, on est prié de lui
adresser sa réclamation sans aucun retard, parce qu'il ne lui
serait pas possible de faire droit à des réclamations tardives.
Dr. G. BARENDRECHT,
we Secrétaire de la Société
entomologique des Pays Bas.
p/a. Zoölogisch Laboratorium,
Doklaan 44, Amsterdam C.
P.V.2015/1. Verantwoordelijk voor den geheelen inhoud; J. B. Corporaal te
Amsterdam. Uitgeefster : De Nederl. Entomologische Vereeniging, Secretariaat:
Plantage Doklaan 44 te Amsterdam. Drukkers: Firma Ponsen & Looijen,
Heerenstraat 19 te Wageningen. Kengetal 2491.
4
Fa
FA L 4 n | pi ar 1
PE TA ed ENS AT STE i VR
4. Pe Re NE bp OM UE ee PP PONS PNR TES r
N
to
i VEN
ek LA
fi 5
\ AI
ty
È
PSI da
>
=
Ù
n
RO
MURS
ey Hin i
UE
AE
Rev
;
WE
16—6059
e.
i MMI 3 9088 0090