Wr ke NEA, à D 4
ENE a
+ 54 = Je) 5 har: x da
tai E RA AI %
x A i a dis À at CA
% 274 vation
ine Oey ASN
Ÿ Pia Là PF.
|: 4 è A
(0) de SANE ( Ve":
ceo, TE CN ti 9 ny
QI SEN
Wee
L LES i
2 0 Oy Wa PIU
DA Hit
N
ay
N
wey + “a
IVAN 4
"a a a
st} a à
AAA V
N wy
@\ Er.
USE CR
wy ì le
GAN
Rhee
|
. 49
ji h =
\ x ra
a Br 417
Ela
© Mk
OR i
DS
PE Ô x
gt
D 3 B d
x a # ;
"I t
3 Ke,
PZ
a 2 nr”
"n Mr =”
N 4 >
et I fa
KL À.
> 7
4
Md /
ee sm |
ACT -
EST U
ak i
AN
iS
Lo 9
0
PNA Fb
eo ‘|
a a J
N x
~ > e
be, 4 7 , 4
Mer A
or 5
£ % È »;
NI SIE
ÈS ERS hi
x 7 =
È
Sal Collections
Library of the Museum
OF
COMPARATIVE ZOOLOGY,
AT HARVARD COLLEGE, CAMBRIDGE, MASS.
Pounded by private subscription, in 1861.
Nn en Orn OOO
if
Er 7 sé ‘|
4 4 00, RAA )
real : att Bi
ws
dns È
Ji
Zy > oO |
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE,
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
|
| ONDER REDACTIE VAN
| Dr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN,
| Dr. A. W. M. VAN HASSELT
| EN
F. M. VAN DER WULP.
|
i
ee
|
DERTIENDE JAARGANG.
n LS
TWEEDE SERIE. — VIJFDE DEEL.
een ee
'S GRAVENHAGE,
MARTINUS NIJHOFF.
1870.
ER
INHOUD VAN HET VIJFDE DEEL DER TWEEDE SERIE.
Verslag van de 24° Algemeene Vergadering, gehouden na
Yiwolle densal duly SBO wo Vee i
Busti der ledono u... UD
Bijgekomen boeken. . . Nn Are aA
Inhoud van ontvangen tiidlsehriflen. BE DAN (CO SO
SNELLEN van VOLLENHOVEN, De inlandsche bladwespen, vijf-
Bende stuk. 5 - 39
P.G. T. SneLLEN, Naschrift tot sate deo over ela
Huperi WON. een RAA ON See ANNEE Man 7
Dezelfde, Aanteekeningen over Neenee Lepidoptera . 76
Mr. H. w. ne Graar, Sciaphila ictericana en hare synonimie 95
P. C. T. Snerren, Aanteekening over de Europeesche soorten
der Cymatophorina . . . RN OG
C. Rirsema Cz., De Enoicyla nisi Bara SRO SORDI
A. H. Mavrissen, Supplément à la liste des Macot. ac
Limbourg Néerlandais . . . . el role . 122
P. C. T. Sneruen, Aanteekeningen op Dr. Herrich- Schaeffer's
Prodromus Systematis Lepidopterorum. . . . . . . 158
F. J. M. Heyiarrts Firs, Les Macrolépidoptères des environs
de Be ende Re IP DEC Ar A
S. van VorLeNHoveN, Bijschrift bij Plaat 6 . . . . . 158
A. W. M. van Hassett, Studiën over den Pholcus An
MOES NS CIE EE MLN EE CCE LS es 199
Verslag van de Wetenschappelijke Vergadering, gehouden
ESnDecember 1869 a 3 ar en aa
H. Wevensercu Jr., Nederlandsche Diptera . . . . . . 190
Bladz.
F. M. van per Worp, Opmerkingen omtrent uitlandsche
Asiliden . . . 207
H. W. pe Graar en p. c. T. Sane iMiciolépidoptenth
nieuw voor de Fauna van Nederland . . . . . . . 218
F. M. van DER Worp, Psilopus flewus Löw. . . . . 225
P. C. Zeızer, Beobachtungen über die Spätlinge unter aes
Lepidoptern des Nordöstlichen Deutschlands . . . . . 227
S. C. SNELLEN van VOLLENHOVEN , De inlandsche Hemipteren ,
Berdesstuk ihe i. AAE Te Le Lg 0 E N hai
Bladz. 111
DRUKFOUTEN.
in de diagnose staat: Long. c. alis 2,5 m., lees: Long. c.
alis 24”,
reg. 4 v. b. staat: en Freyburg, lees: in Freyburg.
reg. 20 v. b. staat: S. 174, lees: S. 164.
reg. 29 staat: die der vrouwelijke, dees: die der mannelijke.
in de noot staat: bezetten, fees: bezitten.
reg. 2 v. b. is achter eindsporen bij te voegen: de formule
van dit genus is dus: 0,2,2.
VERSLAG
VAN DE
VIER-EN-TWINTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING DER NEDERLANDSCHE
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN
te Zwolle, den 31sten Julij 1869.
Voorzitter Mr. J. H. Albarda.
Tegenwoordig zijn de heeren: Mr. J. H. Albarda, Mr. S. C.
Snellen van Vollenhoven, Dr. M. C. Verloren, Mr. H. W. de
Graaf, J. G de Man, P. C. T. Snellen, D. J. R. Jordens,
Mr. W. Albarda, Baron Lewe van Middelstum, €. Ritsema Cz.,
M. Breukelman, Dr. A. W. M. van Hasselt en J W. Lodeesen.
De Voorzitter opent de Vergadering met eene korte toespraak.
Het verheugt hem de leden welkom te mogen heeten in Zwolle
en hij wijst er op hoezeer het houden van vergaderingen op ver-
schillende plaatsen van ons land het doel der Vereeniging kan
bevorderen. Daardoor toch wordt de Vereeniging meer bekend.
Getuige de heer Thiebout, Advocaat enz. te Zwolle, die met
het bestaan en het doel der Vereeniging bekend gemaakt, in
den morgen van dezen dag als begunstiger tot haar is toege-
treden. Verder herinnert de Voorzitter aan het gewigt der
werkzaamheden, die aan de orde zullen worden gesteld. De
Vergadering toch zal geroepen worden haar oordeel uit te spre-
ken over eene geheel nieuwe wet en in de treurige noodzake-
lijkheid zijn een nieuw Bestuur te kiezen. Men mag zeggen dat
de bloei der Vereeniging bij een en ander zeer naauw betrokken
1
9 Wik Sin Ae
is. Spreker eindigt met den wensch te uiten, dat ook deze
vergadering zich moge kenmerken door denzelfden wetenschap-
pelijken en echt kameraadschappelijken zin, die de vorige
bijeenkomsten zoo aangenaam heeft gemaakt.
De notulen der vorige vergadering worden goedgekeurd en
geteekend.
De President van het Bestuur, Mr. Snellen van Vollenhoven
brengt het volgende verslag uit over het jaar 1868—69.
M. H.
Het is mij niet mogelijk dit verslag op eene andere wijze
aan te vangen dan met den uitroep: is er weder een jaar ver-
vlogen sedert wij gezamenlijk te Nijmegen, onder het voortzitter-
schap van onzen waarden van Hasselt, huishoudelijke belangen
der Vereeniging en wetenswaardige onderzoekingen bespraken ?
Is een der tijdperken waarmede wij menschen ons leven meten
in zulk een ommezien voorbijgegaan? Het is als reden wij over
een weg, aan eene zijde met mijlpalen bezet, die onze Neder-
landsche mijlen aanwijzen. Wij zijn een dier mijlpalen voorbij-
getrokken en een der aanwezigen in het rijtuig begint een ver-
haal, maar eer hij het ten einde heeft kunnen brengen, zien
wij den tweeden mijlpaal aan onze zijde verschijnen en verdwijnen,
Hoe kort evenwel de periode van een omloop om de zon,
dat middelpunt van ons planetenstelsel is, zij is lang genoeg
om daarin op velerlei wijze nuttig te zijn, zij is lang genoeg
om daarin veel goeds en nadeeligs te ondervinden.
Hoe is het te dien opzigte met onze Vereeniging gesteld
geweest ?
Laat ons in de eerste plaats op de personen zien, onze
makkers, die ons ontvallen zijn en hen die zich aan onzen
bond zijn komen aansluiten. Reeds in de wetenschappelijke
vergadering, dezen winter te Leyden gehouden, moest ik U,
M. H. wijzen op twee verliezen die ons gevoelig aandeden;
sedert is het getal van hen, die wij verloren, met twee ver-
meerderd.
-
VERS LAG. 0
Professor Carl Henric Boheman, eerelid onzer Vereeniging,
werd den 10 Juli} 1796 te Jönköping geboren. Een enkel
jaar is hij aan de Universiteit te Lund student geweest, doch
de studie der regten had voor hem minder aantrekkelijkheid
dan het krijgsmansleven; in 1815 werd hij als sergeant bij het
Jönköpinger regiment aangenomen , nam deel aan den veldtogt
in Noorwegen, werd spoedig officier en nam na 50jarigen dienst,
toen hij sedert geruimen tijd den rang van kapitein bekleedde,
zijn ontslag uit den dienst. Reeds als kind had hij neiging voor
_ entomologie gevoeld, als officier offerde hij er al zijnen vrijen
tijd aan op, even als zijn landgenoot de majoor Gyllenhal. Met
dezen en Fallen leverde hij onschatbare bijdragen voor het
groote werk van Schönherr, waarvan de basis en indeeling
tegenwoordig mogen gelaakt, maar waarvan de beschrijvingen
wel altijd als toonbeelden zullen geprezen worden. Meer dan
5000 soorten heeft Boheman voor de Genera el Species Curcu-
lionidum beschreven.
In 184í werd er eene intendants- (of zoo wij zeggen: con-
servators-) betrekking aan het Museum te Stockholm gesticht en
Boheman daartoe aangesteld. Hij begon met zijne vrij rijke
verzameling insecten aan het Museum af te staan, en bleef
voorts 26 jaren onvermoeid in zijne betrekking werkzaam. De
entomologische verzameling, die aan zijne zorg was toevertrouwd,
werd in dien tijd vermeerderd met de schatten van Schönherr
en de kostbare menigte insecten, die J. A. Wahlberg van de
Kaap en het Kafferland had overgezonden en medegebragt. De
verzameling Coleoptera van het Stockbolmer Museum is misschien
de best gedetermineerde in Europa en het is aan de bewerking
van dat gedeelte dat wij de beide uitmuntende werken: Mono-
graphia Cassididarum en Insecta Caffrariae te danken hebben,
waarbij om het beeld van Boheman te voltooijen talrijke op-
stellen moeten vermeld worden, die op zijne reizen, zijne onder-
zoekingstogten en de fauna van Scandinavie en Spitsbergen be-
trekking hebben. Den 1” April 1857 ontving Boheman op zijn
verzoek zijn ontslag, doch bleef tot zijnen dood voor de ento-
mologie werkzaam.
4 Vik RS ML ANG:
Een geheel ander beeld staat voor onzen geest, als wij ons
M. G. van Woerden, corresponderend, vroeger werkzaam lid onzer
Vereeniging voorstellen. Even ijverig als Boheman was hij minder
wetenschappelijk gevormd en heeft zich al te vroeg door den
dood den weg naar eer en roem zien afsnijden. Hij was te
Rotterdam geboren, zoo ik meen in 1844, en reeds zeer vroeg
vol geestdrift voor de natuur. Voor de zaken zijns vaders dik-
werf reizen doende door Schotland, Engeland, geheel Frankrijk,
België en de Nederlanden, verzuimde hij geene gelegenheid om
met ijver Lepidoptera te verzamelen, ‘tgeen hij niet minder
deed, wanneer hij zich te Rotterdam ophield. Alsdan was hij
de onvermoeide medgezel van den ijverigen Snellen. Voor on-
geveer 5 jaren ontving hij eene aanstelling op een der kantoren
van de Africaansche handelsvereeniging en het is u allen bekend
M. H. welke groote plannen van natuuronderzoek van Woerden
koesterde toen hij afscheid nam om de reis naar de verrader-
lijke kust te aanvaarden. Gij herinnert u den brief door hem
geschreven en in eene onzer Vergaderingen voorgelezen, gij
herinnert u de kleine, maar schoone collectie door hem overge-
zonden. Zijn spoedige dood — hij was naauwelijks vier maanden
in Africa — verijdelde echter al zijne plannen en beroofde de
wetenschap van een harer ijverigste adepten. Zijne kleine ver-
zameling , belangrijk met opzigt tot de weinige jaren, die hij
aan hare vorming had besteed, is thans het eigendom van de
hoogere burgerschool te Rotterdam.
Behalve deze beide leden, ware entomologen, ontnam ons de
dood een lid, den heer J. J. van Voorst te Amsterdam woon-
achtig, die ofschoon zelf geen natuurkundige, het lidmaatschap
dezer en van eenige andere vereenigingen aanvaard had omdat
hij al wat goed, nuttig en edel was, verlangde te ondersteunen
en te bevorderen. Vrede zij hunner assche.
De heer M. Snellen te Delft heeft voor zijn lidmaatschap bedankt.
Het getal onzer leden is evenwel niet verminderd, daar de
volgende personen zich aan onze Vereeniging hebben aangesloten :
Als begunstiger is toegetreden: Dr. F. J. J. Schmidt te
Rotterdam.
Vali ReS 5 DAs Ge 5
Als leden:
R. Sinia, phil. nat. student te Leyden.
J.G. de Man, » » » » »
Dr. F. W. O. Kallenbach, te Rotterdam.
W. Marshal, assistent aan ’s Rijks Museum voor natuurlijke
historie te Leyden.
A. Cankrien, te Rotterdam.
Mr. C. J. Sickesz, burgemeester van Laren bij Lochem en
C. J. M. Jongkindt Coninck, directeur der Maatschappij van
Weldadigheid te Frederiksoord.
Na het personeel komt wel in de eerste plaats de nervus
rerum agendarum, het geld, in aanmerking. Dank zij den ijver
en de naauwlettendheid van onzen Secretaris-penningmeester is
de staat der kas zeer voldoende, gelijk u nader uit zijne reke-
ning en verantwoording blijken zal. Onze voornaamste uitgaaf
blijft altijd het tijdschrift, doch voor de eerstvolgende jaren be-
hoeven wij tegen die uitgaaf niet als tegen de krachten uitput-
tende bestijging van een hoogen berg op te zien; want onze
Haarlemsche Maecenaten hadden wederom de welwillendheid ons
van de noodige reispaarden ter beklimming te voorzien. Op 15
Januarij dezes jaars is door het bestuur geschreven aan HH.
directeuren van Teyler’s 2° Stichting te Haarlem. Met toezending
van een smaakvol ingebonden exemplaar van het toen onlangs
verschenen deel van ons Tijdschrift, is hun tevens verzocht, aan
de Vereeniging na afloop van den door hen bepaalden termijn
die dezen zomer ten einde loopt, weder voor 5 jaren eene jaar-
lijksche bijdrage van / 200 te willen toekennen ten behoeve der
uitgave van het Tijdschrift.
Hierop is gunstig antwoord ontvangen. De nooit genoeg door
ons te prijzen welwillendheid der directeuren van Teyler’s Stich-
ting heeft ons andermaal hare zoo noodwendige ondersteuning
toegezegd. Van wege het bestuur is daarop den 1* Februarij
een brief van dankbetuiging aan de directie geschreven.
Onze verhouding tot het buitenland is dezelfde gebleven; de
ruil van tijdschriften, waardoor onze boekerij zoo krachtig ver-
meerderd wordt, is op dezelfde wijze voortgezet. Van het werk
6 VERRAS VANG:
van Snellen over de vlinders van Nederland, Macrolepidoptera ,
is door het Bestuur een exemplaar ten geschenke gezonden aan
den heer H. T. Stainton te Londen en een ander aan de Société
entomologique Belge, bepaaldelijk met het doel om de kennis
van dit werk in den vreemde te bevorderen. Van beide zijden
is wegens die toezending een brief van dankbetuiging ontvangen.
De Secretaris der Belgische Vereeniging noemt den arbeid van
ons medelid «un ouvrage intéressant au point de vue de notre
faune nationale (de Belgische). Il contient des renseignements
précieux pour quantité d’especes que nous n'avons pas encore
rencontrés sur notre territoire malgré nos patientes recherches.»
De heer Stainton schrijft dat dit deel hem met verlangen doet
uitzien naar het vervolg over de Microlepidoptera, welk verlan-
gen voorzeker door ons allen gedeeld wordt.
Het reeds gedrukte en verspreide Verslag van de wetenschap-
pelijke vergadering, in December te Leyden gehouden, bespaart
mij de moeite om daarover uit te wijden; evenzeer kan ik
zonder uitwijding vermelden dat ingevolge een besluit der vorige
algemeene vergadering het bestuur een concept van wet heeft
geformuleerd, betreffende eene verandering der inrigting van het
bestuur en de verdeeling van de werkzaamheden er van. Ik
mag zoo veel te eer mij bepalen bij het aanduiden van het feit
dat het ontwerp van verandering in de wet in het begin van
Mei ll. aan de leden toegezonden is, daar het wetsontwerp een
der punten van behandeling voor deze vergadering uitmaakt.
Overgaande tot een verslag van den toestand onzer bezitlin-
gen, de boekerij en de collectie, kan ik met satisfactie meedeelen
dat beiden regelmatig voortschrijden naar de volkomenheid. Aan
beiden is een grens gesteld, die wij nu niet bepalen kunnen,
maar wanneer beide vooruitgaan, gelijk zij dit in den afgeloopen
jaarkring gedaan hebben, is er geen reden om niet met over-
tuiging te gelooven dat zij eenmaal die grens of dat toppunt
bereiken zullen.
De vermeerderingen der verzameling waren vrij talrijk en
zeer merkwaardig. De heer Kinker schonk een zeker aantal
exemplaren van niet voorhanden soorten van kevers, de heer
VERS L AG. Yi
Ritsema gaf al zijne blad- en houtwespen ten geschenke, de
heer Heylaerts vermeerderde de collectie met eenige zeldzame
soorten, in de omstreken van Breda gevangen, ik zelf gaf wat
ik in de laatste jaren had opgedaan en de heer Six schonk een
zeer merkwaardig getal uiterst kleine Goleoptera, Hemiptera en
Hymenoptera, terwijl de heer van der Wulp wederom, gelijk
vroeger de verzameling van inlandsche Diptera vermeerderde.
Ten gevolge daarvan komt de collectie tot eene hoogte dat men
niet meer vraagt wat zij bevat, maar wat haar ontbreekt. Ik
behoef er niet bij te voegen dat voor de rangschikking en be-
waring goede zorg wordt gedragen. Alleen moet ik er opmerk-
zaam op maken, dat terwijl de collectie in de eerste jaren niet
veel meer dan Lepidoptera bevatte, zij nu omgekeerd de zoo
lang achter gestelde orden beter bezet kan vertoonen dan juist
die der vlinders, en eindelijk dat het mij bevreemt dat de op-
roeping voor twee jaren aan de leden gerigt, om Phryganiden
te verzamelen, tot welker determinatie de heer Mac Lachlan
zich bereid verklaarde, in ons waterrijk Nederland zoo gering
effect heeft gehad.
Keeren wij ons tot de Bibliotheek, zoo vinden wij ook daar
grooten aanwas en wel in zoodanige mate, dat de Bibliothecaris
zich genoodzaakt heeft gezien nog twee kasten te laten maken
van denzelfden vorm als de vorige. Vooreerst dient opgeteekend,
‘tgeen Ul. wel reeds bekend is, dat van de erven van ons
vroeger medelid Sepp ontvangen zijn de teekeningen van Scheller,
die gediend hebben voor het werk over de Surinaamsche vlin-
ders, door die firma uitgegeven, benevens een zeker aantal
teekeningen van dezelfde hand, voorstellingen bevattende der
metamorphose van andere insecten, waarvan er nu drie in dezen
jaargang van ons tijdschrift opgenomen zijn; ten andere mag ik
u mededeelen dat de heer Ludeking ons verschillende werkjes,
waaronder beschrijvingen van eenige districten in Oost-Indië heeft
ten geschenke gegeven. Daarvoor is aan beide genoemden bij ge-
schrift van onzen Secretaris de dank der Vereeniging betuigd.
Het bestuur heeft gevolg gegeven aan het mandaat der laatste
vergadering met betrekking tot het aankoopen van boeken op
8 VEL IS LIA NG:
de auctie der boekerij van wijlen Professor Jan van der Hoeven.
De som daarvoor besteed, bedraagt f 179.573; onder anderen
zijn daardoor in onze bibliotheek ingelijfd de volgende werken:
De 12° editie van Linnaeus’ Systema Naturae,
Kirby and Spence, Introduction to Entomology,
Burmeister, Handbuch der Entomologie ,
Westwood, Introduction to the modern classific. of Insects,
De Réaumur, Mémoires en
Panzer, Deutschlands Insecten.
Bovendien is de boekerij door ruilhandel verrijkt met de
vervolgen van eene zeer groote menigte tijdschriften, zoo als
zulks sedert eenige jaren gebruikelijk is.
Het voorname middel om dien ruilhandel mogelijk te maken
is het geregeld voortzetten van ons Tijdschrift, waarvan de
5° afl. des vierden deels van de tweede serie op het punt is te
verschijnen. Twee vreemdelingen hebben bijdragen geleverd tot
hetgeen dit jaar het licht heeft gezien, de heeren Zeller en
Fauvel; hel is mij aangenaam u te kunnen mededeelen, dat
de Redactie van den eerstgenoemde weder een vrij omvangrijk
stuk heeft ontvangen.
Door de Vereeniging werd voorts uitgegeven en aan de leden
rondgedeeld eene tweede aflevering der Schetsen ten gebruike
bij de studie van Hymenoptera, 5 platen in dwars folio, behel-
zende de Genera der Braconiden. Ook het werk van Sepp is
regelmatig voortgezet en de 42° plaat van het loopende deel op
steen gebragt.
Ziedaar, mijne heeren, een zoo naauwkeurig mogelijk rapport
omtrent den toestand en de werkzaamheden der Vereeniging in
het afgeloopen jaar. Wij spoeden naar het Tijdpunt dat voor
ons Genootschap een vierde eeuw bestaans insluiten zal. Moge
niets verhinderen dat de rapporteur, welke bij die gelegenheid
de geschiedenis onzer Vereeniging zal vervolgen, waar ik haar
heden moet laten steken, met even veel voldoening en even
zeer naar waarheid als ik heden, van dat tijdperk getuigen
moge: het is een gunstig, een vruchtdragend tijdperk geweest.
Ik heb gezegd.
VUE Ry Sp lu AG) 9
De Voorzitter bedankt den heer Snellen van Vollenhoven voor
zijn naauwkeurig en uitgebreid verslag, waarin ook dat van den
Conservator-Bibliothecaris is opgenomen, die verhinderd werd
ter vergadering tegenwoordig te zijn.
De Secretaris doet verslag van den staat der kas.
De ontvangsten hebben over het maatschappelijk jaar 1868/69
HEURE. PSN An NE NE SD ON ES ONE EGAIIS7 2
Le E varied EN a UND PME RE IMT 08
Zoodat de rekening sloot met een batig saldo van . f 529.953
In dit saldo is begrepen het overschot van het legaat van
Eyndhoven, groot f 100 met verschenen rente.
De Voorzitter benoemt de heeren Breukelman en Ritsema om,
ingevolge art. 25 der wet, de rekening en verantwoording van
den Secretaris na te zien.
De vergadering neemt in behandeling de „Ontwerp-wet der
Nederlandsche Entomologische Vereeniging”, welk ontwerp als
voorstel van het Bestuur in Mei Il. aan de leden is toegezonden
en overeenkomstig art. 20 der wet onder de punten van be-
schrijving vermeld is,
Over het wets-ontwerp in ‘t algemeen verlangt niemand het
woord.
Evenmin over hoofdstuk I.
Art. 1 wordt aangenomen.
Art. 2. Een der leden stelt voor om de woorden „ van
publicatien » te vervangen door » der uitgave ».
Dit voorstel wordt ondersteund, en na discussie in stemming
gebragt zijnde, aangenomen. Overigens wordt het geheele ar-
tikel onveranderd vastgesteld, als volgt:
„Art. 2. Onder de middelen, die haar daartoe ten dienste
staan, rekent zij: 1°. het houden van twee jaarlijksche verga-
deringen ; 2°. het bijeenbrengen van eene verzameling; 5°. het
bijeenbrengen eener bibliotheek en 4°. het uitgeven van een
Tijdschrift voor Entomologie en het ondersteunen der uitgave
van werken betrekking hebbende op de entomologie van Nederland.»
Over hoofdstuk IT in ’t algemeen verlangt niemand het woord.
10 VIVE SRS AG.
Een der leden stelt voor, om art. 6 te stellen in de plaats
van art. 5,
Daar de vergadering zich hiermede vereenigt, wordt art. 6
nu art. 9. |
Het art. zelf wordt onveranderd aangenomen.
Art. 4. Zijnde art. 5 van het ontwerp.
Een der leden stelt voor dit art. aldus te lezen:
«Inwoners van het Rijk en zijne Overzeesche Bezittingen kun-
nen gewoon lid worden. Daartoe zullen zij door een der leden
schriftelijk bij het bestuur moeten voorgesteld worden. »
Dit voorstel wordt ondersteund en, na discussie in stemming
gebragt, aangenomen.
Art. 5. Zijnde art. 4 van het ontwerp.
In dit art. is een drukfout ingeslopen. Er staat nl. tot ultimo
Julij. Dit moet zijn tot ultimum Julij.
Behoudens die verbetering wordt het art. onveranderd vastgesteld.
Art. 6. Zijnde art. 5 van het ontwerp.
Dit art. wordt aangenomen.
Evenzeer art. 7.
Aan art. 8 wordt op voorstel van een der leden, na discussie,
eene tweede alinea toegevoegd van na te melden inhoud:
Daar het art. overigens zoo als het is voorgesteld wordt aan-
genomen, luidt het nu in zijn geheel:
„Art. 8. Entomologen buiten ’s lands, die verlangen lid te
worden, zullen betalen f55.— entrée, en vrijgesteld zijn van
contributie.
Zij hebben dezelfde regten als de gewone leden, behoudens
de bepaling van art. 44.»
Art. 9 Een der leden stelt voor om vóór »f10.—» het woord
„minstens te plaatsen.
Het art. wordt met deze bijvoeging aangenomen en luidt dus:
„Art. 9. De begunstigers hebben het regt de vergaderingen bij
te wonen en des verkiezende aan de discussiën deel te nemen.
Zij schenken eene jaarlijksche bijdrage van minstens f 10.—»
Art. 10 en 11 achtereenvolgens in stemming gebragt, worden
aangenomen.
VERSLAG, 11
Art. 12. Een voorstel om te lezen weere- en corresponderende
ledeny en »deel daaraan te nemen wordt ondersteund. Het
art. met deze wijzigingen aangenomen luidt dus:
„Art. 12. De eere- en corresponderende leden hebben het
regt de vergaderingen bij te wonen en werkzaam deel daaraan
te nemen, doch zij hebben geene stem en betalen geene con-
tribulie.”
Over hoofdstuk IIT in ’t algemeen wordt door niemand het
woord verlangd.
| Art. 15. Een voorstel om in de eerste regel tusschen de
woorden of en »zes» in te voegen «zoo noodig uit» wordt
ondersteund en aangenomen. Het art. wordt overigens onveran-
derd vastgesteld.
Art. 15 luidt dus: » Het bestuur der vereeniging bestaat uit
vijf, of zoo noodig uit zes leden, die enz.
Art. 14 en 15 worden achtereenvolgens onveranderd aange-
nomen.
Art. 16. Een voorstel om voor »die» te lezen » de”, wordt
na eenige discussie afgestemd. Daarentegen wordt een ander
voorstel, om het woord „anders te plaatsen voor »gekozenv,
aangenomen.
Daar het art. overigens tot geene discussie aanleiding geeft,
wordt het met de vermelde bijvoeging gearresteerd en luidt:
„Art. 16. Aan den president is de leiding van alle vergade-
ringen opgedragen met uitzondering van die zomervergaderingen,
op welke een ander gekozen lid voorzit; zie art. 59.»
Art. 17 en 18 worden achtereenvolgens onveranderd vastgesteld.
Art. 19. Alleen de laatste zinsnede van dit art. geeft aan-
leiding tot discussie. Men verlangt te lezen: bij het verslag
der zomervergadering wordt de naamlijst der leden gevoegd met
opgaaf van het jaar hunner toetreding en van het onderdeel
der entomologie, hetwelk meer bepaald het onderwerp hunner
studie uitmaakt ».
Met deze gewijzigde redactie wordt art. 19 vastgesteld.
Art. 20, 21, 22, 25 en 24 worden achtereenvolgens aangenomen.
Art. 23. Een voorstel om de tweede zinsnede van dit artikel
12 VAE (Rus LA VG.
te vervangen door de volgende: „Tot het doen van onvoorziene
uitgaven behoeft hij magtiging van het Bestuurs wordt aange-
nomen en het geheele artikel met deze verandering vastgesteld.
Art. 26. Dit art. wordt met twee wijzigingen vastgesteld. In
de eerste plaats zal het art. aanvangen: ~ Hij legt jaarlijks en
niet „Jaarlijks legt de penningmeesters. En in de tweede plaats
zullen de slotwoorden „en na goedkeuring» enz. vervallen.
Art. 26 luidt dus:
„Hij legt jaarlijks op de zomervergadering de rekening en
verantwoording van zijn beheer, met de daarbij behoorende
bewijsstukken, over, die door twee leden, door den President
aan te wijzen, zal worden nagezien »,
Art. 27, 28, 29, 50, 51 en 52 worden achtereenvolgens
aangenomen.
Over hoofdstuk IV in ’talgemeen wordt door niemand het
woord verlangd.
Art. 55, 54, 58 en 56 worden achtereenvolgens vastgesteld.
Art. 57. Er wordt besloten in dit art. te lezen art. 11, 41 en
44 in de plaats van »11 en 417.
Met die verandering wordt het art. vastgesteld.
Art. 58. Het woord »Zij» waarmede dit art. aanvangt, wordt
vervangen door » De zomervergadering». Overigens wordt het
art. onveranderd aangenomen.
Art. 59 en 40 worden achtereenvolgens vastgesteld.
Art. 41. Het woord »Voorslagen» waarmede dit art. aanvangt,
wordt vervangen door » Voorstellen». En in de plaats van „Tot
de verandering» wordt gesteld: » Tot wetsverandering »
Art. 41, zoo als het is vastgesteld luidt dus:
„Voorstellen tot het veranderen der wet zullen den Secretaris
voor 1°. Mei schriftelijk worden medegedeeld en door hem onder
de punten van beschrijving volledig worden opgenomen. Tot
wetsverandering wordt eene meerderheid van 2 der uitgebragte
stemmen vereischt. /
Art. 42 en 45 worden achtereenvolgens vastgesteld.
Over hoofdstuk V in ’talgemeen wordt door niemand het
woord verlangd.
KERS LA 6: 15
Art. 44. Aan dit art. wordt eene tweede alinea toegevoegd
van na te melden inhoud.
Het art. in zijn geheel vastgesteld luidt alsnu:
» Geene eigendommen der Vereeniging worden naar het buiten-
land ter leen gegeven. Die eigendommen kunnen niet worden
vervreemd dan met goedkeuring van } der ter vergadering
aanwezige leden, behoudens art. 52.
Art. 48 wordt gewijzigd en aldus vastgesteld:
„In het archief zullen de verslagen van den President en
verder alle officieele stukken worden bewaard».
Art. 46. In de plaats van „der stukken wordt gesteld
„van het archief r.
Het art. luidt dus: „Een inventaris van het archief zal steeds voor-
handen moeten zijn en in afschrift onder den president berusten ».
Art. 47 wordt overbodig geacht en mitsdien afgestemd.
Het gevolg daarvan is dat al de volgende artikelen een lager
nommer krijgen.
Art. 47 (48 ontw.) wordt aangenomen.
Art. 48 (49 ontw.) wordt gewijzigd en aldus vastgesteld:
„De toezendingen moeten vergezeld gaan van eene aanwijzing
waar en op welken tijd ieder exemplaar gevangen is.
Art, 49 (50 ontw.) wordt vastgesteld.
Art. 50 (51 ontw.) wordt vastgesteld met verandering sub 5°.
van de woorden » jaarlijksche vergadering» in »zomervergadering».
Art. 51, 52 en 55 (52, 55 en 54 ontw.) worden achtereen-
volgens aangenomen.
Hoofdstuk VI geeft geen aanleiding tot algemeene beschouwingen.
Art. 54 (55 ontw.) wordt vastgesteld.
Art. 55 (56 ontw.) wordt vastgesteld met weglating der
woorden 7 van hetzelve».
Het art. luidt dus:
„De redactie is opgedragen aan enz.»
Art 56 (57 ontw.). De woorden 7In hetzelve» waarmede dit
art. aanvangt, worden vervangen door In het Tijdschrift”. De
woorden » van de bijdragen der leden» worden weggelaten.
Art 56 luidt dus:
14 Vi ERS AG:
„In het Tijdschrift zal worden opgenomen het verslag der
jaarlijksche vergaderingen en verder al datgene wat de redactie
oordeelt te moeten plaatsen.
Hoofdstuk VII geeft geene aanleiding tot eenige beschouwing
in ‘t algemeen.
Art. 57 (58 ontw). Voor dit art. wordt de volgende redactie
aangenomen :
„Een gedrukt exemplaar der wet wordt door den Secretaris
aan al de leden toegezonden.
Art. 58 (59 ontw.) wordt aangenomen.
Hoofdstuk VIII. Over dit hoofdstuk in ’t algemeen verlangt
niemand het woord.
Art. 59 (60 ontw.)
Voor dat dit art. in behandeling wordt genomen, verzoekt de
Voorzitter dat voorlezing worde gedaan van een brief van Dr.
Piaget bij het Bestuur ingekomen.
In dien brief wijst Dr. Piaget er op dat de Vereeniging het
volgend jaar haar 25jarig bestaan zal vieren en het komt hem
voor dat al de leden met het oog daarop ongaarne eene veran-
dering zouden zien in het tegenwoordige Bestuur. Hij beschouwt
het als een regt, maar ook als een pligt, dat het tegenwoordige
Bestuur bij die feestviering voorzitte. Het is daarom dat hij voor-
stelt om de wet — in de onderstelling dat zij wordt aangeno-
men — eerst in werking te doen treden in het volgend jaar,
na de viering van het 25jarig bestaan der Vereeniging. Men
zou den in het volgende jaar in alle opzigten eene nieuwe periode
ingaan in de geschiedenis onzer Vereeniging. Het tegenwoordige
Bestuur zou in functie blijven en men zou de zekerheid hebben
dat binnen kort verandering komt in den tegenwoordigen toestand.
De Voorzitter zegt dat hij zich zeer goed kan vereenigen met
de zienswijze van den geachten schrijver van den brief, zóó
zelfs dat hij voornemens was in denzelfden geest eene verande-
ring voor te stellen in het thans aan de orde zijnde art. van
het wets-ontwerp.
Alvorens dit evenwel te doen, noodigt hij de leden van het
Bestuur uit zich wel te willen verklaren of zij, met het oog op
VP OR is DA IG. 15
de aangevoerde redenen, genegen zouden zijn nog een jaar aan
te blijven. Het zou hem bijzonder aangenaam zijn indien het
Bestuur daartoe mogt kunnen besluiten.
De vergadering bekrachtigt de woorden van haren voorzitter
door teekenen van bijval.
De heer Snellen van Vollenhoven vat het woord op en zegt
hoofdzakelijk, dat het bestuur wel indachtig was geweest aan
hetgeen nu door Dr. Piaget en den voorzitter was in herinnering
gebragt, doch dat het gemeend had ten opzigte van den tijd
| waarop de nieuwe wet zou in werking treden, een voorstel van
de vergadering te kunnen afwachten. Dat echter, nu de aan-
wezige leden hun verlangen hadden te kennen gegeven dat het
aanstaande zilveren feest zou gevierd worden onder voorzitting
van het tegenwoordige bestuur, hij voor zich als president gaarne
bereid was gehoor te geven aan den eervollen en vriendelijken
drang der vergadering, om nog een jaar in functie te blijven.
De heeren Dr. Verloren en Mr. de Graaf, vice-president en
secretaris, spreken in gelijken geest en de president en secre-
taris maken zich sterk, dat ook de heer N. H. de Graaf, con-
servator, met hen zou instemmen. indien hij ter vergadering
tegenwoordig had kunnen zijn.
De voorzitter zegt dat hij met genoegen deze bereidverklaring
van het bestuur heeft vernomen (teekenen van bijval) en alsnu
vrijheid vindt om voor te stellen in art. 59 (60 ontw.) de
woorden «dadelijk na hare aanneming» te vervangen door «op
de zomervergadering van 1870.»
Art. 59 zal dan luiden:
«Deze wet treedt in werking op de zomervergadering van
1870. »
Het art. wordt, aldus gewijzigd, vastgesteld.
Art. 60. (61 ontw.)
Dit art. wordt, met verandering van het jaartal 1869 in 1870,
aangenomen.
Art. 61 (62 ontw.) Ook dit art. wordt vastgesteld met ver-
andering van het jaartal 1871 in 1872.
Met 7 tegen 6 stemmen wordt besloten, dat de vijf-en-twin-
16 VISE RES I NANG:
tigsle algemeene vergadering, tevens viering van het 25jarig be-
staan der vereeniging, zal gehouden worden te Leiden of bij
Leiden, in een der zomermaanden, op een dag nader door het
bestuur te bepalen. Zes leden stemden voor Amsterdam.
De leiding dier vergadering wordt door de leden met alge-
meene stemmen opgedragen aan Mr. S. G. Snellen van Vollen-
hoven, die zich deze keuze welwillend laat welgevallen.
De heeren Breukelman en Ritsema deelen mede dat zij de
rekening en verantwoording van den secretaris nagezien, met de
bescheiden vergeleken en conform bevonden hebben.
De vergadering keurt alsnu de rekening goed en magtigt beide
heeren daarvan te doen blijken, door hunne handteekening
onder de rekening te stellen.
De voorzitter bedankt den secretaris voor zijn gehouden beheer
en de commissie voor haar onderzoek en verslag.
De vergadering wordt voor korten tijd geschorst.
Na hervatting der werkzaamheden stelt de voorzitter aan de
orde, de benoeming van twee leden voor de redactie van het
Tijdschrift.
Volgens art. 55 der wet zijn door het bestuur twee dubbel-
tallen voorgedragen.
Eerste dubbeltal: de heeren Dr. A. W. M. van Hasselt en
Mr. E. A. de Roo van Westmaas.
Tweede dubbeltal: Mr. J. H. Albarda en F. M. van der Wulp.
Over ieder dubbeltal wordt afzonderlijk gestemd.
De uitslag daarvan is dat
Dr. A. W. M. van Hasselt .... 9 slemmen
Mr. E. A. de Roo van Westmaas. 4 »
Mire. HA bar dateren ea. 0. 2 »
E.M: van der Wulp = MR 11 »
op zich vereenigd hebben, zoodat de heeren van Hasselt en van
der Wulp als leden der redactie van het Tijdschrift zijn herkozen.
De heer van Hasselt verklaart zich bereid die benoeming aan
te nemen,
Aan den heer van der Wulp zal kennis worden gegeven van
de op hem bij vernieuwing uitgebragte keuze, onder mededee-
VY Bas DA 6: 17
ling dat het aan de vergadering aangenaam zal zijn, indien bij
hem geene bezwaren bestaan om de opdragt aan te nemen’.
De president van het bestuur draagt tot eere lid voor, den
heer Alex. H. Haliday Esq., wonende op de villa Pisani bij Lucca.
De redenen die het bestuur hebben geleid tot deze voordragt
zijn tweederlei: 1°. bewondering van zijne buitengemeene kennis
van de allermoeielijkst te bestuderen familiën der Hymenoptera,
kenbaar uit de opstellen die hij in verschillende tijdschriften
heeft geplaatst en voornamelijk in The entomological Magazine,
en 2°. erkentelijkheid voor de welwillende hulp door hem ver-
leend aan de «Schetsen ten gebruike bij de studie der Hyme-
noptera,» een werk dat door de Entomologische Vereeniging
wordt uitgegeven. Deze voordragt is onder de punten van be-
schrijving opgenomen.
De vergadering benoemt den heer Haliday met algemeene
stemmen tot eere-lid.
De secretaris zal hem daarvan berigt zenden.
Na afloop der huishoudelijke werkzaamheden gaat men over
tot de Wetenschappelijke medeelingen.
Mr. Snellen van Vollenhoven zegt het volgende:
In het voorjaar van dit jaar (1869) bragt mij op zekeren morgen
ons medelid, de ijverige onderzoeker Ritsema een klein groen
spinnetje met eene rij zwarte stipjes geteekend, dat hij den vorigen
middag gevonden had zittende op een syringeblad in den wel
bekenden tuin Zomerzorg nabij Leyden. Hij had dit spinnetje,
dat mij later bleek eene Miranda cucurbitina te zijn, medege-
nomen omdat hij er iets vreemds op had bespeurd, dat hij nog
bij geene andere spin, ‘tzij van deze, 'tzij van eene andere
soort, had waargenomen. Het spinnetje droeg namelijk op den
rug, even voor het abdomen en daar als tegen aangesloten eene
grauwe larve, die hare plaats niet verliet. Daar de larve geene
pooten en wel een afgescheiden hoofd scheen te hebben, meenden
wij haar tot de parasitische Hymenoptera te moeten brengen.
1 Het doet den Secretaris genoegen hierbij te kunnen voegen dat de heer Van der
Wulp zijne benoeming welwillend heeft aangenomen.
2
18 VERSLAG.
Ik deed de spin met de larve in een stopfleschje, waarin
ik eenige uitspruitsels of topeindjes van rozenstruiken vol rozen-
bladluizen gezet had en bond over het glas een stuk wit papier.
Den volgenden dag had de spin eenige draden over het papier
gesponnen en zat daarop, terwijl de bladluizen overal tegen het
glas liepen. De larve was terzelfder plaatse op het spinnetje
blijven zitten.
Ongelukkiglijk had ik het dien dag en de drie of vier vol-
gende dagen zoo druk met verschillende bezigheden dat ik ver-
zuimde de larve af te teekenen, iets dat mij nu zeer leed doet,
daar het mij later gebleken is, dat ik hier met een zeer bijzon-
der geval te doen had en dat niet alleen de larve dezer soort
van Ichneumonide onbekend is gebleven, maar bovendien zeer
weinig parasiet-larven buiten haren gastheer leven en eindelijk het
getal afgebeelde Ichneumonen-larven zeer gering is.
Toen ik na eenige dagen weder naar het spinnetje omzag,
bleek mij dat het zeer geweldig in omvang was afgenomen,
dat het dier in de onmogelijkheid verkeerde om te gaan en zijn
laatste uur nabij scheen. De larve zat nog op den rug, maar
zoog niet langer en sloeg met den kop heen en weder. Den
daarop volgenden dag had zij onder de doode spin tegen het
papier een zeer doorschijnend spinsel gesponnen, waarin zij zich
bewoog. Dat spinsel was op den avond van dien dag geheel
gereed, slank cylindrisch met afgeronde einden en zoo wit als
het papier, zoodat ik moeite had het te onderscheiden. Daaruit
kwam ongeveer na 12 dagen, een mannelijk exemplaar van
Polysphincta carbonator Grav., dat ik de eer heb bij dezen u
ter bezigtiging aan te bieden.
Het spreekt van zelf dat ik nu het welbekende werk van Rat-
zeburg opsloeg om te weten of de levenswijze van deze Ichneu-
monide bekend was en zoo ja, of zij altijd op dezelfde wijze
leefde. Ik vond bij de vermelding van Carbonator alleen opge-
teekend, dat de heer Drewsen de soort uit spinneneijeren had
_ opgekweekt. Nu is het eene bekende zaak, die ik ook reeds
eenmaal in mijne naamlijst van inlandsche Hymenoptera heb
aangehaald, dat larven van Pimpla, Hemiteles en Cryptus in
VERSLAG. 19
cocons van spinnen aangetroffen worden en daarin van de eijeren
leven, die zij uitzuigen, maar van eene uitwendig op eene half-
wassen spin levende parasiet-larve vind ik bij geenen mij be-
kenden schrijver gewag gemaakt. Hier is dus een nieuw feit,
waarvan wij de kennis aan de investigatien en den scherpen
blik van den heer Ritsema te danken hebben.
Het is te hopen dat wij in een volgend voorjaar zoo gelukkig
zullen zijn, nogmaals eene dergelijke parasietlarve in zoodanige
omstandigheden aan te treffen. In dat geval of indien mij door
iemand uwer eene zoodanige larve wordt toegezonden, zal ik
alle bezigheden op zijde zetten om te zorgen dat wij eene dra-
gelijke afbeelding van het dier, ik mag wel zeggen van het
phaenomeen verkrijgen.
Ratzeburg meldt dat zekere heer Jacobi 5 d van Pimpla
angens uit een spinnencocon heeft gekweekt. Voor jaren vond
ik in het Haagsche bosch een cocon met spinneneijeren , waarbij
eene grijze larve, die later in P. rufata veranderde. Ook Bouché,
de Berlijnsche tuinman, heeft waargenomen dat men deze soort
in *tnajaar in de spinsels van Zpeira diadema aantreft; volgens
hem verpoppen zij ten getale van 10—15 in een spinnencocon
in papierachtige spinseltjes, ‘tgeen niet met mijne waarneming
overeenkomt. Ik weet echter niet op te geven van welke spin
de eijeren waren, die ik in het Haagsche cocon vond. Van kleur
waren zij bepaald oranje.
Ook werden twee soorten van Pteromalinen uit spinnencocons
opgekweekt, doch het is geheel onzeker of de larven dezer
dieren wel uitwendig aan de eijeren gezogen hebben. Men
weet dat zeer kleine Pteromalinen binnen in vlinder-eijeren hun
larvenstadium doorbrengen.
Bij Ratzeburg vind ik overigens betreffende spinneneijeren het
volgende vermeld, ’t geen misschien nog niet aan alle hier aan-
wezige leden bekend is geworden.
Den 17™ Mei 1881 bevond hij zich in gezelschap van Prof.
Lichtenstein in de omstreken van Berlijn te Copenick op een
weiland, waar hun eene ongeloofelijke menigte witte en gele
coconnetjes in ‘toog vielen, die aan grashalmen gehecht waren.
20 VERSLAG
Zij waren van spinnetjes, volgens Lichtenstein van een Salticus,
maar bevatten geene eitjes, doch wel klompjes bruinachtige
maden. Honderd geopende coconnetjes gaven hetzelfde resultaat.
De cocons werden medegenomen en in glazen gedaan. Eenige
dagen daarna kwamen daarin honderden Microgasters uit, Mi-
crogaster perspicuus Nees; tegen het eind van Mei, toen dezen
allen reeds dood waren, kwam Pezomachus instabilis Först. en
Hemiteles rufocinctus Grav. te zamen uit, waarschijnlijk 4 en 2
van eene soort.
Men ziet hieruit dat het verzamelen van spinnencocons som-
tijds zeer rijken buit voor den Hymenopteroloog kan opleveren.
De heer Verloren herinnert er aan, dat de larve van Pom-
pilus viaticus L. ook leeft uitwendig op den rug der spin,
gelijk hij dat heeft beschreven in zijne verhandeling, Sur la
Circulation dans les Insectes, p. 26 noot. Op de aanmerking
van den heer Snellen van Vollenhoven, dat dit geheel iets
anders is, daar deze dieren eene voorraad spinnen in een hol
bijeenbrengen, waarvan de larve leeft, merkt de heer Verloren
nog op, dat deze Pompilus slechts eene spin in het hol in den
grond brengt en dat de larve op den rug van die spin vol-
maakt op dezelfde wijze is geplaatst, als door den heer van
Vollenhoven is afgebeeld, terwijl zij aldus de spin langzamer-
hand uitzuigt.
De heer Verloren doet, ook namens het eerelid Prof. West-
wood te Oxford, eene kleine mededeeling omtrent eene vreemde
soort van Coccus. De heer Westwood heeft namelijk in het be-
gin der week ook een paar dagen bij spreker vertoefd, die hem
voorstelde de week uit te blijven en Zaturdag de vergadering
onzer vereeniging mede te gaan bijwonen. Het speet den heer
Westwood zeer dit niet vroeger te hebben geweten, daar hij dan
zeker zijn reisplan zoodanig zou hebben ingericht , dat hij daarvan
gebruik had kunnen maken, doch dat het hem nu onmogelijk was
zoo lang te blijven. Op sprekers aanmerking, dat hij er toch
niet veel aan zou gehad hebben, wegens de onbekendheid met
de taal en de discussien over wetsherziening, zeide hij, dat het
VEEN Ru S, Uy. AL Ge 21
hem zeer aangenaam zou zijn geweest eens persoonlijk met de
leden kennis te hebben kunnen maken.
De Camellias bij spreker ziende, vroeg de heer Westwood,
of wij daarop dezen zomer ook eene vreemde soort van Coccus
hadden waargenomen. Spreker zeide zich niet te herinneren
immer Coccus-soorten op Camellia’s te hebben opgemerkt en,
den tuinman er naar vragende, gaf die ook een ontkennend
antwoord. De heer Westwood zeide, dat hij die een paar maan-
den geleden in Engeland voor het eerst had waargenomen , dat zij
hem toeschenen een geheel vreemde en onbekende soort te zijn,
die nog niet beschreven was, en aan Boisduval, die eene mono-
graphie over deze dieren heeft gegeven, althans ook niet bekend
scheen te zijn. De Camellia’s daarop naauwkeuriger naziende
werd weldra eene plant gevonden, waarop zij ook aanwezig
waren, maar ook slechts op die eene plant, terwijl op alle
anderen niets kon worden waargenomen.
De heer Verloren vertoont eenige bladeren waarop zij aanwe-
zig zijn en eene daarbij door den heer Westwood gevoegde
schetsteekening, daar het eigenlijk slechts de overblijfselen der
dieren zijn, die men op de bladeren waarneemt. Even als andere
Coccus-soorten scheiden zij namelijk eene witte, vlokkige, was-
achtige stof uit, die op de bladeren met de eijeren daarin terug
blijft. Het wijfje op het blad voortgaande, laat deze stof als
eene witte rolronde streep daarop achter. Aan het einde laat
die strook zich los van ket blad, rigt zich op naar boven en
eindigt met eenen naar beneden omgebogen kronkel, aan welks
einde het uitgedroogde en van eijeren ontdane wijfje, als een
bruin vliesje bevestigd blijft. Deze overblijfselen op de bladeren
hebben volmaakt het aanzien alsof het excrementen van kleine
vogels zijn, waarvoor men ze bij eene oppervlakkige beschou-
wing aanziet.
De heer van Hasselt zegt, in het afgeloopen jaar door veran-
dering van dienstbetrekking, geen tijd te hebben gevonden voor
de studie der araneologie. Intusschen is het hem aangenaam,
toch, als het ware ter loops, eene observatie te hebben kunnen
99 VERSLAG.
volbrengen, die hem reeds jaren bezig hield en waarover hij
de vergadering meermalen mogt onderhouden. Deze betreft
namelijk de Pholcus opilionides, waarvan hij thans met zeker-
heid kan mededeelen, dat hij tot de inlandsche Fauna behoort.
‚De bijzonderheden, waarvan hij voorloopig nog den gang der
ontdekking opgeeft, zullen door spreker in een afzonderlijk opstel
in dit Tijdschrift worden geplaatst.
De heer C. Ritsema, Cz. leest de twee volgende mededeelin-
gen voor. De eerste betreft den Periphyllus Testudo v. d. H.,
de tweede een nieuw geslacht uit de orde der Suctoria, Deg.
E. In onze, verleden zomer te Nijmegen gehouden vergade-
ring, maakte ik mijn voornemen bekend, nauwkeurig uit te
vorschen, waarvoor men den Periphyllus Testudo v. d. H. te
houden hebbe. Met het ten uitvoer leggen daarvan, heb ik mij dan
ook dit voorjaar onder anderen bezig gehouden. Ik acht het
evenwel hier de plaats niet, dit onderzoek uitvoerig mede te
deelen, te meer daar ik voornemens ben het op de eene of
andere wijze te publiceeren, na het in het volgend jaar nog
eens herhaald en met afbeeldingen voorzien te hebben, waartoe
mij nu de tijd geheel ontbrak. Ook heb ik mijn onderzoek
slechts ten deele kunnen volbrengen, zoo als straks blijken zal.
Zie hier echter in korte trekken, wat ik waargenomen heb.
Reeds in het begin van Februari vond ik op takjens van den
Acer pseudoplatanus L. jonge zwarte bladluislarven van onge-
veer 0,5 mm. lengte, die zoo even het ei verlaten hadden. Zij
ontwikkelden zich in de laatste dagen van Maart tot ongevleu-
gelde, donkergroen of bruingekleurde imagines, welke zich spoe-
dig door lichtgroene larven begonnen voort te planten, die
zelven in de laatste helft van April haren volkomen toestand be-
reikten. Hierin waren sommigen gevleugeld , anderen vleuggelloos.
Reeds met de eerste generatie had ik de soort met behulp van
Walkers «Descriptions of Aphides» als Aphis Aceris L. bestemd,
hetgeen bevestigd werd, door de gevleugelde exemplaren der
tweede generatie met Kaltenbach’s en Koch’s beschrijving dezer
soort te vergelijken.
VERSLAG. 95
Nadat de imagines der tweede generatie vele jongen hadden
voortgebracht, die geheel overeenkwamen met den eersten leef-
tijd hunner moeders, zag ik tot mijne voldoening individuen
geboren worden, die ik dadelijk als den Periphyllús Testudo
herkende. De normale larven ontwikkelden zich verder, en
waren tegen het midden van Mei weder gevleugelde en onge-
vleugelde imagines geworden, terwijl de Periphylli onveranderd
gebleven waren.
De derde generatie bracht op hare beurt weder eerst normale
larven voort en daarna Periphylli, in grooter aantal evenwel
dan de tweede generatie dit gedaan had. Ik werd nu echter
zeer verrast, door onder deze larven exemplaren te vinden, die
duidelijk den overgang uitmaakten, tusschen de beide larven-
vormen, de normalen en de Periphylli, doordien bij hen de
bladvormige aanhangsels minder in aantal, en meer smal lancet-
vormig waren, ja bij sommigen trapsgewijs in haren overgingen.
Al deze overgangsvormen misten de regelmatige figuren, die op
den rug der Periphylli voorkomen, maar bezaten de twee rijen
knobbels met borstelharen en de beide honigbuisjens, die men
op de rugzijde der normale larven aantreft, maar die bij de
Periphylli ontbreken. Deze individuen ontwikkelden zich verder ,
en waren na de eerste vervelling geheel aan de normale larven
gelijk.
De leden dezer vierde generatie, de Periphylli uitgezonderd,
bereikten in de laatste dagen van Mei den toestand vaa vol-
maakt insekt, en begonnen zich als zoodanig voort te planten,
maar niet zoo als die der beide voorgaande generatien, eerst
door normale larven en vervolgens door Periphylli, maar om-
gekeerd: eerst door eene menigte Periphylli, daarna door eenige
overgangsvormen, en ten laatste door een betrekkelijk gering
aantal normale larven.
Tot mijne groote teleurstelling bezweek deze vijfde generatie
echter, terwijl ik mij voor eenige dagen langer dan naar ge-
woonte van huis had begeven, zoodat ik dit jaar mijn onder-
zoek niet verder kon voortzetten.
Uit het medegedeelde blijkt echter reeds, dat de resultaten
94 VERS LAC.
van mijn onderzoek, wat de herkomst van den Periphyllus
Testudo betreft, overeenstemmen met die der HH. Balbiani en
Signoret, en dat dit fraaie diertjen slechts een afwijkende, veel-
licht voor verdere ontwikkeling onvatbare, larvenvorm van den
Aphis Aceris L. is, die door de tweede, derde en vierde
generatie, waarschijnlijk ook nog door volgende generatien dezer
bladluissoort wordt voortgebracht.
Voor het vermoeden dat de Periphylli voor verdere ontwik-
keling onvatbaar zijn, pleit, dat die welke in het begin van
Mei uit de tweede generatie geboren en dus de oudsten zijn,
tot nu toe, 25 Juli, geheel onveranderd zijn gebleven; wel
vind ik dikwijls huidjens van hen op de bladeren, maar deze
doen meer aan vernietiging van het individu, dan aan vervel-
ling denken; te meer, daar ik dikwijls kleine wantsen vond,
bezig met het uitzuigen van jonge bladluizen; vervellende Peri-
phylli heb ik nimmer aangetroffen.
IE. In het begin van dit jaar zond Dr. A. A. van Bemmelen,
direkteur van den Zoologischen tuin te Rotterdam, mij als bever-
vlooijen een tiental parasieten toe, die door hem in het laatst
van het vorig jaar op een’ in genoemde Diergaarde gestorven
bever (Castor fiber L.), gevangen waren. Bij eene vluchtige
beschouwing meende ik echter geene vlooijen, maar luizen voor
mij te hebben, daar hun lichaam niet gelijk bij alle tot nu
toe beschreven vlooijen, van ter zijde, maar zoo als bij de luizen
het geval is, van boven naar beneden platgedrukt is.
Bij eene nauwkeuriger beschouwing met het mikroskoop zag
ik echter spoedig mijne dwaling in, daar aan den voet des
zuigers gelede palpen voorkomen, de tarsen uit vijf leedjens
bestaan, waarvan het laatste twee diep ingesneden klauwtjens
draagt, de thorax vier schubvormige aanhangsels (wings van
Westwood) bezit, en de sprieten zeer sterk met die der andere
vlooien overeenkomen.
Deze kenmerken duiden genoegzaam aan, dat dit insekt, hoe-
wel in habitus veel op de Parasitica gelijkende, niet te min in
de orde der Suctoria, Deg. (Siphonaptera, Latr., Aphaniptera,
Kirby) te huis behoort; misschien echter zal het geslacht Platy-
KEREN AG 25
psyllus, dat ik er voor heb opgericht, niet in de familie der
Pulicidae, tot nu toe de eenige van genoemde orde, opgenomen
kunnen worden.
In den volgenden jaargang van ons Tijdschrift hoop ik dit
uiteen te zetten, en deze vloo onder den naam van Platypsyl-
lus Castoris mihi, uitvoerig te beschrijven en af te beelden,
terwijl ik hier slechts eene beknopte beschrijving volgen laat.
Lichaam van boven naar beneden platgedrukt (corpus depres-
sum), van eene éironde gedaante, veel met dat van sommige
luizen overeenkomende, kleur bruin, kop en borst met de
rudimentaire vleugels donkerder dan het achterlijf en de pooten;
de zuiger het donkerst, met zwarten zoom; lengte + 2,5 mm.,
breedte + 1 mm.
Kop van voren afgerond, op het midden van den gezaagden
achterrand echter stomphoekig, sprieten ver naar achteren aan
den rand des kops geplaatst, uit drie geledingen bestaande,
waarvan de eerste het langst en smalst, en aan den binnen-
rand behaard, de tweede korter, het breedst en aan het einde
van lange haren voorzien, en de derde het kleinst en duidelijk
geringd is; zij kunnen in eenen gleuf aan den rand van kop
en borst, teruggeslagen worden. Bovenlip duidelijk zichtbaar,
maar kort; zuigerscheede plat, aan den zoom van lange haren
voorzien; onderkaaks (onderlips?) voelers kort, uit vier geledin-
gen bestaande, waarvan de derde het breedst, en de vierde
min of meer smal driehoekig is.
Op de rugzijde ziet men slechts den prothorax, die ongeveer
den vorm van een gelijkbeenig trapezium heeft; de achterrand
is gegolfd, en aan de hoeken van eenige lange, dicht op een-
staande haren voorzien. Tusschen het voorste paar rudimentaire
vleugels, dat aan den mesothorax gehecht en het grootste is,
ligt een driehoekig deel, dat geheel met het schildjen (scutellum)
der Hemiptera en Coleoptera overeenkomt. Het tweede, aan den
metathorax gehechte paar, is zeer klein en ligt aan den zoom
van het achterlijf. De pooten zijn kort, het achterste paar ech-
ter het langst; de scheenen, vooral der beide laatste paren,
zijn van stevige borstels voorzien; de tarsen bestaan uit vijf ge-
26 VERSLAG.
ledingen, die aan de onderzijde kleine doorntjens dragen, welke
aan het voorste pootenpaar ongekleurd, en eenigszins verbreed
zijn; de laatste geleding is de langste, en draagt twee lange
klauwtjens; de vier eerste geledingen zijn onderling even lang.
Het achterlijf bestaat uit zes ringen, die op de rugzijde met
eene gesloten rij, en eenige verspreide, korte fijne borstels
bezet zijn. De eerste achterlijfsring wordt door de vleugelrudi-
menten bedekt. i
De heer Lewe van Middelstum geeft eene doos met Gelder-
sche Hymenoptera voor de collectie der vereeniging ten geschenke
en laat ter bezigtiging rondgaan eene doos met Lepidoptera,
meerendeels uit zeer fraaije exemplaren bestaande. Tot toelich-
ting wordt daarbij het volgende medegedeeld.
Coenonympha Davus. Van deze soort heeft spreker 9 stuks
gevangen onder Ottersum in Limburg, 21 Junij. Het vertoonde
exemplaar van Callimorpha Hera is gekweekt uit eene rups,
waarvan de moedervlinder gevangen was in het Brohlthal. —
Lithostege griseata & en 2 zijn gevangen bij Nijmegen, 25 Mei.
Verder bevatte de doos Selenia lunaria, Acidalia decorata en
Mamestra leucophaea & en 2 :.
Mr. W. Albarda deelt mede dat hij, in Junij van dit jaar
te Groningen, vijf exemplaren heeft gevangen van de zeldzame
Macroglossa fuciformis, vliegende op Lychnis flos cuculi. Hij
biedt een exemplaar voor de collectie der vereeniging aan, het-
welk in dank wordt aangenomen.
De heer Jordens biedt evenzeer voor de collectie een exem-
plaar aan van Peil. celerio, door hem in October 1862 te
Zwolle gevangen. Ook dit geschenk wordt in dank geaccepteerd.
1 Na de vergadering heeft de heer Lewe mij verzocht op te nemen, dat door hem
gevangen zijn:
Limenitis Sibylla, onder Groesbeek, laatst van Augustus. Xylina Zinckenti, in
Aug. uitgekomen uit rupsen, 21 Junij Il. in het Ottersumsche Veen uit Gagel geklopt
en Ammoconia caecimacula in zijn tuin te Beek, op stroop.
VERSLAG. 97
De heer P. C. T. Snellen leest het volgende opstel voor van
den heer F. J. M. Heylaerts, te Breda, getiteld: «Uit mijne
Entomologische aanteekeningen over 1869. »
1. Lophyrus Pini L. (Laatste aanmerking sluitende aan de
beide voorgaanden.) De verwoesting dezer soort in het Mastbosch
is gedaan. De larven en cocons zijn thans bijna zeldzaam. Het
kon ook niet anders: parasieten van allerlei aard, Hymenoptera
en Diptera, hadden zoo hun best gedaan, dat uit vele, in het
najaar van 1868 en voorjaar van 1869 verzamelde cocons niets dan
Crypten te voorschijn kwamen. Alles is aan Dr. Snellen van
Vollenhoven gezonden, die er zelfs nieuwe sluipwespen voor de
fauna in vondt. De Tachinariën, die ik onvoorzichtig ook in de
flesch had gelaten, waren gedurende de reis stukgebeten door de
Hymenoptera, zoodat van de talrijke exemplaren slechts brok-
stukken werden teruggevonden.
9. Deilephila Porcellus L. Van deze soort vond ik een pas
uitgekomen ex. op 20 Mei Il., dat enorm verschilt van den type.
De kleur is nl. muisvaal, hier en daar iets bruinachtig, terwijl
alleen de staartkleppen (het is een 2) aan de punt rood zijn.
Bij opmerkzame beschouwing ziet men op de bovenvleugels
sporen der typische teekening.
5. Lycaena Acis S. V. Deze soort vliegt talrijk om en bij
Breda, dit jaar in gezelschap met Z. Alcon S. V. Bijzonder ge-
meen is Hesperia Thaumas en vooral H. Lineola O. in onze ves-
tingwerken dit jaar. Zoo komt ook Spil. Malvarum nu meer
voor dan gewoonlijk. C. Paniscus was zeer gemeen in het Lies-
bosch, Melitaea Athalia vond men er bij duizenden.
4. Het is opmerkelijk, dat vele soorten, die gewoonlijk
schaars voorkomen, in 1869 zich weer meer voordoen. Zoo
is b. v. Orgyia gonostigma nu alles behalve zeldzaam.
3. Bombyx neustria heeft veel schade gedaan in ons geheele
arrondissement en er verschijnen weer nesten van Cn. proces-
sionea L. in onze buurt, o. a. te Rijsbergen op de hofstede
van Dr. Rens.
6. Hoewel de Noetuinen in het voorjaar en den zomer betrekke-
lijk minder voorkwamen, waren toch enkele soorten vrij gemeen,
98 VERSLAG.
daaronder b. v. Dianthoecia conspersa S. V., die men overal
aantrof.
7. Eenmaal rapporteerde ik reeds, dat Ep. nitidella Ochs. zich
met een dooden vlinder voedde; thans meld ik van Psyche
fusca Haw., dat ook deze cannibaal schijnt te wezen. Een zak
van deze species gevonden hebbende, deed ik dezen in een micro-
doosje, waarin zich reeds bevond het spinsel met een popje
van Cerostoma costella F. Te huis komende opende ik het
doosje en zie de rups van Fusca had het halve spinsel veror-
berd en was bezig met zich te goed te doen aan het popje!
Ook uit deze kreeg ik een gaven 2 vlinder.
Zijn de Psychiden-rupsen ook roovers?
8. Opmerkelijk is dit jaar het overgroot aantal sluipwespen
die men uit poppen verkrijgt; niels is verschoond, zelfs geen
Coleophoren.
9. Een takje van Aranja albens Don., ter beschouwing.
Ongelukkig nog niet open. Bloem anders schoon wit. Heeren
leden kunnen op franco aanvrage stekken van deze, voor lepi-
dopterologen merkwaardige plant, en wel gratis bekomen bij
F. J. M. Heylaerts, Jr.
De heer Snellen van Vollenhoven biedt voor de bibliotheek
aan de drie eerste afleveringen van zijn werk: « Gedaantewis-
seling en Levenswijze der Insecten.» uitmakende de eerste
afdeeling van de » Natuurhistorische Bibliotheek,» uitgegeven
wordende door den heer A. C. Kruseman te Haarlem.
De voorzitter zegt hem hiervoor dank.
De vergadering wordt gesloten.
Den volgenden dag werd eene excursie gemaakt op Molencate
bij Hattem. Een tiental leden nam daaraan deel, waaraan zich
ook later de heer Groll uit ’s Gravenhage aansloot. Het terrein
bestond uit zandgrond gedeeltelijk met dennen en heide, ge-
VERSLAG 29
deeltelijk met eiken, berken, enz. bezet. Het weder was afwis-
selend, doch over het geheel viel het meê. Eerst tegen den
avond begon het aanhoudend te regenen. Verscheidene onzer
waren nog al te vreden over hunne vangst en sommigen hunner
hebben daarvan lijsten opgesteld, die in dit Tijdschrift zullen
worden opgenomen. De vriendschappelijke en prettige toon, die
ook nu weder heerschte zal niet weinig bijdragen om dezen dag
in aangename herinnering te doen blijven,
50 VERSLAG.
ARANEAE op de excursie van 1 Aug. 1869
te Molencate gevangen door Dr. A. W. M. van
Hasselt.
Miranda cucurbitina. Drassus nocturnus. (Zeer
Zilla reticulata. fraaije exempl. 3 en ©).
” calophylla. Zora spinimana.
Theridion nervosum. Ocyale mirabilis.
” varians. Pardosa monticola.
” vittatum. Thomisus dorsatus (pullus).
» redimitum. Xysticus lanio 9. (fraai
Linyphia resupina. en groot exemplaar).
” montana. Heliophanus cupreus.
Clubiona nutrix (pulli). Marpissa muscosa.
Tegenaria campestris. Enophrys falcata.
Alzoo geene andere dan de op zand- en heidegronden en in
eiken- en sparrenbosschen gewone soorten. Geene enkele mij
onbekende soort kwam mij voor.
Interressant echter was eene reeds dikwijls gedane waarne-
ming van de wijze waarop sommige sluipwespen hare larven
voeden. Tallooze exemplaren van rietjes met aarde toegemetseld ,
waarin groote hoeveelheden vrij goed geconserveerde spinnen
van verschillende soorten (hier vooral Linyphia montana en
resupina, Miranda cucurbitina en Theridion redimitum) kwamen
mij dezen dag in handen. Ik heb een doosje vol van op die
wijze aangesleepte spinnen medegenomen, om te zien, hoelang
zij nog in leven bleven, doch ofschoon verscheidene slechts
schijndood waren bij de inzameling, zijn ze toch allen spoedig
gestorven. De wesp die hier in menigte zwermde en die ook
rondom eenige rieten hutjes tallooze spinnen-offers kwam aan-
dragen, was cen 7rypoæylon-soort.
er tte mer
VERBS LAG. dA
INSECTEN gevangen te Molencate, 1 Aug.
1869, door S. C. Snellen van Vollenhoven.
Exochomus auritus Scrib. Op biezen.
Aelia acuminata L. Op korenaren.
(Dit voorwerp heeft geheel de liverij der soort, doch
de kop is even sterk gebogen als die van Aelia Klugit,
zoodat blijkbaar de neigende lijn van den kop in
profiel geen zuiver kenmerk ter onderscheiding oplevert).
Corizus pratensis.
Phytocoris Populi L. (Donker roestbruine varieteit).
Micropeza corrigiolata L.
Ichneumon nigritarius, var. aethiops Grav. 4.
” digrammus Grav. 3.
” (Platylabus) errabundus Grav. à.
” sexalbatus 4 Wesm. = sedulus var. 5. Grav.
Cryptus assertorius Gr. 4 (Ischnus porrectorius Gr.)
Glypta mensurator F. 2.
Pimpla alternans Gr. 2.
Ammophila sabulosa L. 34.
Trypoxylon figulus L. 2.
” clavicerum Lepel. 2.
Panurgus lobatus Panz. 4.
Dasypoda hirtipes Latr. 2.
OH
wo
VE R 8 L A G
LIJST der door C. Ritsema Cz. op de algemeene
Excursie van A Aug. 1869 op Molencate bij
Hattem gevangen Hymenoptera en Diptera.
Dolerus Eglanteriae, F. 2.
Selandria (Eriocampa) adumbrata, Kl. 2.
)*Ichneumon tergenus, Gray. 2.
; ” gracilicornis? Grav. 2.
Lissonota impressor, Grav. 9.
Ephialtes carbonator, Chr. 9.
*Trioxys Heraclei, Hal. 2. g. uit bladluizen van een der com-
positae.
Eulophus pectinicornis, Latr. g. 3. uit een vlinderlarve.
Hedychrum lucidulum, F. 9.
Formica rufa, L. 8. zeer algemeen.
Mimesa unicolor, v. d. L. 9.
Ammophila sabulosa, L. 2 & niet zeldzaam.
Pompilus pectinipes, v. d. L. 3?
Cerceris variabilis, Schr. 2.
polo ig à beide soorten in Hent di
i daden Lop 9 de rietstengels der tuinhuis-
jes nestelende.
Crabro (Crossocerus) quadrimaculatus, Spin. Dhlb. 22 type en var.
Odynerus constans, H. Sch. 2.
Prosopis communis, Nyl. g.
Halictus laevigatus, Kirby 4.
Andrena convexiuscula, Kirby. 4?
Dasypoda hirtipes, Fabr. g 4, niet zeldzaam, meer grijs van
kleur dan Holl. exemplaren.
Panurgus dentipes, Latr. enkele gg.
*Saropoda rotundata, Pz. 22 44.
2) De van een * voorziene soorten, waren tot dusverre nog nict als inlandsch inge-
schreven, en zijn dus nieuw voor onze fauna.
VERSLAG,
Sargus cuprarius, L. 9.
Dioctria Reinhardi, Wied. 2.
1) Anthrax fenestrata, Fall. 4.
Eristalis intricarius, L. 9.
Echinomyia tessellata, Fabr. 4
Metopia leucocephala, Rossi 2 4.
Anthomyia mitis, Meig. 9.
?) Micropeza lateralis, Meig. 2.
Oliviera lateralis, Fabr. è 4.
been
59
1) Volgens een schrijven van den heer van der Wulp, komt deze soort alicen in
het oosten van ons land voor.
2) Deze vlieg is mede volgens den heer van der Wulp, nog al zeldzaam.
3
4 VERSLAG.
LIJST der op Molencate bij Hattem gevonden
insecten door den heer J G. de Man, 1 Augus-
tus 1869. *
Serica brunnea, Linn.
Cimex oleraceus, Linn.
Dasypoda hirtipes, Fabr. 3 et 9.
Trypoxylon figulus, Linn.
Libellula Roeselii, Curtis.
Lestes viridis, v. d. Lind.
Asilus albiceps, Meig. 3 9.
Thereva subfasciata, Schumm. 9
Chrysopila atrata, Fabr
Medeterus truncorum, Meig. .
Platychirus clypeatus, Meig. 9.
Melanostoma mellina, Linn. 2.
Melithreptus scriptus, Linn. 9 d.
Oliviera lateralis, Fabr. {.
Spilogaster quadrum, Fabr. &.
Ensina Sonchi, Linn. 4.
Sepsis cynipsea, Linn. 4.
Micropeza lateralis, Meig. {.
Meromyza variegata, Meig. 4. (Deze is de var. met 3 rood-
gele banden op den thorax).
Oscinis maura, Fall. 2.
Notiphila cinerea, Fall. 4.
Opomyza Germinationis, Linn. d.
Geomyza combinata, Linn. 2.
Ochthiphila aridella, Meig. 2.
ı De Diptera zijn door den heer van der Wulp bestemd,
LIJST DER LEDEN
VAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
op 31 Julij 1869.
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
BEGUNSTIGERS.
Heeren Directeuren van Teyler’s Stichting te Haarlem. 1860.
De heer Mr. C. W. Hubrecht, te Leiden. 1859.
LA
#
"
[4
#
#
Dr. C. G. R. Ontijd, Huize Rhienderstein bij Brummen. 1864.
J. Kneppelhout, Hemelsche Berg te Oosterbeek. 1867.
Frangois Pollen, te Scheveningen. 1861.
Mevrouw Hartogh Heys van de Lier, geboren Snoeck, te Delft. 1868,
De heer Dr. F. J. L. Schmidt, te Rotterdam. 1869.
#
a
Mr. J. Thiebout, te Zwolle. 1869.
EERE-LEDEN.
De heer C. F. Westerman, Directeur van het Koninklijk Zoologisch
Genootschap Natura <Artis Magistra, te Amsterdam. 1858.
H. T. Stainton, Esq. Mountfield, Lewisham bij Londen. 1861.
Dr. C. Felder, lid der Kais. L. C. Academie der Naturwis-
senschaften en Burgemeester van Weenen. 1861.
Dr. H. Löw, Director der Real-Schule, te Meseriéz in Posen.
1862.
Prof. J. O. Westwood, F. L. S., Directeur van het Hopean
Museum te Ozford. 1862.
A. E. W. Ludeking, Officier van gezondheid bij het Nederl.
_ Indische leger. 1862.
Jhr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort, Officier van gezond-
heid der 3de klasse, thans te ’s Gravenhage. 1864.
Prof. J. J. P. Hoffmann, te Leiden. 1865.
56
LIJST DER LEDEN ENZ.
De heer Dr. Gustav L. Mayr, te Weenen. 1867.
LA
De heer
De heer
#
[/4
Alex. H. Haliday, Esq. wonende op de villa Pisani bij Lucca.
1869.
CORRESPONDERENDE LEDEN.
Th. Lacordaire, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Zwik.
1853.
C. Wesmael, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Brussel,
1853.
Arn. Förster, Hoofdleeraar aan de hoogere Burgerschool te
Aken. 1853.
Emil vom Bruck, te Crefeld. 1853.
Dr. C. Stal, Professor aan het Kon. Zoologisch Museum te
Stockholm. 1864.
Frederie Moore, Bestuurder van het Museum der voormalige
Oost-Indische Compagnie te Londen. 1864.
J. W. May, Consul-Generaal der Nederlanden te Londen. 1865.
Mr. J. W. van Lansberge, Secretaris-Generaal bij het Minis-
terie van Buitenlandsche Zaken te ’s Gravenhage. 1865.
Prof. P. C. Zeller, te Meseritz. 1867.
W. Mink, Hoofdleeraar aan de hoogere Burgerschool te Cre-
feld, 1867.
BUITENLANDSCHE LEDEN.
Vicomte Henri de Bonvouloir, Archiviste-adjoint de la société
entomologique de France, te Parys, Rue de l’Université, 15.
H. Jekel van Westing, lid der K. Acad. der natuuronderzoe-
kers te Moscou en van verscheidene entomol. genootschappen,
te Parÿs, 13 Rue de Lille.
GEWONE LEDEN.
1845—46.
Dr. J. G. Rombouts, te Amsterdam.
F. M. van der Wulp, Spui, n°. 60, te ’s Gravexhage. —
Diptera.
Dr. M. C. Ver Loren van Themaat, huize Schotkorst, te
Hoogland bij Amersfoort. — Algemeene Entomologie.
J. Backer Sr., te Oosterbeek.
J. W. Lodeesen, Prinsengracht bij de Reestraat, KK, 561,
te Amsterdam. — Lepidoptera indigena.
Dr. J. R. E. van Laer, te Utrecht.
Th. J. van Campen, te Amsterdam.
Dr. P. H. J. Wellenbergh, Veeartsenijschool te Utrecht.
Mr. H. Ver Loren van Themaat, te Utrecht. — Lepidoptera.
Ld
LIJST DER LEDEN ENZ. 57
De heer Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, Breedestraat, IV-276,
De heer
De heer
te Leiden. — Algemeene Entomologie,
W. O. Kerkhoven, te Amsterdam.
È: 1946-47.
Jhr. J. C. Martens, te Meern hij Utrecht, — Coleoptera.
1851-52.
R. T. Maitland, Directeur van den Koninkl. Zoolog. Botan.
tuin te ’s Gravenhuge. — Algemeene Entomologie.
to} te)
P. C. T. Snellen, Nieuwe Haven, XII-14b, te Rotterdam. —
Europesche Lepidoptera.
Dr. J. A. Herklots, te Soeterwoude bij Leiden, — Algem.
Entomologie.
Dr. M. Imans, te Utrecht.
Dr. W. A. J. van Geuns, Oude Gracht, te Utrecht.
1852-53.
N. H. de Graaf, Haarlemmerstraat, te Leiden. — Lepidoptera.
Mr. H. W. de Graaf, Hoogstraat, te Rotterdam. — Inl,
Lepidoptera, bijzonder Microlepidoptera.
G. M. de Graaf, te Leiden. — Lepidoptera.
Dr. L. A. J. Burgersdijk, professor aan het Athenaeum te
Deventer. — Algem. Entomol.
G. A. Six, Weerd-Cingel, Wijk M, n°. 610°, te Utrecht. —
Hymenoptera.
Prof. W. Berlin, te Amsterdam.
1855—56.
A. A. van Bemmelen, Directeur van de Diergaarde te £ot-
terdam. — Algemeene Entomologie.
Mr. E. A. de Roo van Westmaas, Huize Daalhuizen, te
Velp. — Lepidoptera.
M. Breukelman, te Delfshaven.
~856—57.
Mr. J. Herman Albarda, te Leeuwarden. — Inlandsche Lepi-
doptera , bijzonder Microlepidoptera.
Mr. W. Albarda, te Groningen.
A. P. H. Kuipers, te Leeuwarden.
Dr. A. W. M. van Hasselt, Prinsengracht bij de Reguliers-
gracht, AA-627, te Amsterdam.
1857-58.
De heer Dr. J. W. Schubärt, te Utrecht.
4”
#
W. K. Grothe, te Zeist.
58
”
LIJST DER LEDEN ENZ.
1858-59.
heer J. C. J. de Joncheere, Voorstraat, D, 368, te Dordrecht. —
uv
Lepidoptera.
J. Backer Jr., te Oosterbeek. — Lepidoptera.
1860-61.
heer J. Kinker, Oudezijds- Achterburgwal bij de Oudemanhuispoort,
[2
[24
B. 261, te Amsterdam. — Lepidoptera en Coleoptera indigena.
Dr. E. Piaget, Koréenaarstraat, te Rotterdam. — Diptera en
Parasitica.
H. Weijenbergh Jr., phil. nat. stud. , Rozenlust bij Haarlem, —
Lepidoptera.
1861—62,
heer H. Hartogh Heys van de Lier, te Delft. — Entomologische
Bibliographie.
1862-63.
heer H. Baron Lewe van Middelstum, te Beek bij Nymegen. —
Lepidoptera.
1863—64.
heer Jhr. Mr. W. C. M. de Jonge van Ellemeet, te Oost-Capelle
(4
[A
[4
bij Middelburg.
Mr. R. Th. Bijleveld, Rapenburg te Leiden. — Algemeene
Entomologie.
Prof. M. Salverda, te Groningen. — Vergelijkende ontleedkunde.
D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal, F, 3471, te Zwolle. —
Lepidoptera.
1864—65.
leer Mr. A. H. Maurissen, te Maastricht. — Lepidoptera.
“
”
H. J. Veth, Phil. nat. stud., te Leiden. — Lepidoptera.
H. W. Groll, te ’s Gravenhage. — Coleoptera.
1865—66.
heer Dr. H. C. van Medenbach de Rooy, Weerdjesstraat, te
”
4
Arnhem. — Lepidoptera.
W. J. Boogaard, Kleine Houtstraut, te Haarlem. — Micro-
lepidoptera en Hymenoptera.
A. Brants, Student in de regten, te Leiden. — Lepidoptera.
1866—67.
heer F. J. M. Heylaerts Jr., te Breda. — Lepidoptera enz.
u
[4
Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Leeraar aan de hoogere Burger-
school te Rotterdam. — Algemeene Zoologie.
A. van den Brandt, te Venlo. — Lepidoptera.
LIJST DER LEDEN, ENZ. 59
1867—68.
De heer C. Ritsema Cz., Phil. nat. stud., te Leiden. — Hymenoptera,
Aphaniptera en Neuroptera.
vw Mr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Phil. nat. Doct. te Delft.
1868-69.
De heer J. J. M. Gordon, te Amersfoort.
» w» R. Sinia, Phil. nat. stud., te Leiden. — Orthoptera.
e» J. G. de Man, Phil. nat. stud., te Leiden. — Algemeene
Entomologie.
» » Dr. T. W. O. Kallenbach, te Rotterdam.
_» a W. Marshal, Assistent bij het Museum van Natuurl. Geschie-
denis, te Leiden.
» + A. Cankrien, te Rotterdam. — Lepidoptera.
« » Mr. C. J. Sickesz, Burgemeester van Laren, Huize de Cloese
bij Lochem.
w = ©. J. M. Jongkindt Coninck, Directeur der Maatschappij van
Weldadigheid, te Frederiksoord,
BESTUUR.
President. Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven.
Vice-President. Dr. M. C. Ver Loren van Themaat.
Secretaris. Mr. H. W. de Graaf.
Conservator. N. H. de Graaf.
COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT.
De President van het Bestuur.
Dr. A. W. M. van Hasselt.
F. M. van der Wulp.
BIBLIOTHEEK
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
Bijgekomen Boeken 1868/69.
A.
1, Annuaire de l’Académie Royale des sciences, des lettres et des
beaux arts de Belgique, 1867, 1868, 1869.
os
Jahrbücher des Vereins für Naturkunde in Nassau, 1864—1866.
4. Annual Report of the Board of Regents of the Smithsonian Insti-
tution for 1865 and 1866.
8. The Entomologist’s Annual, 1869.
19. Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie, 1864—65.
11. Linnaea Entomologica. Zeitschrift herausg. von dem Entomolog.
Vereine zu Stettin, Band XVI, 1866,
12. Berliner entomologische Zeitschrift, herausgegeben von dem Ento-
mologischen Vereine in Berlin, XII Jahrgang, 1868.
13. Bericht über die wissenschaftliche Leistungen im Gebiete der Ento-
mologie während der Jahre 1862—66.
14. Wiener entomologische Monatschrift, Band VIII, 1864.
15. Annales de la Société entomologique Belge, tome VIII, 1864.
16. Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging, 2° Serie, deel IV, aflev. 1—6.
17. Verslagen en mededeelingen van de Kon. Akademie van Weten-
schappen, Afd. Natuurkunde, 2° reeks, deel I, 1 en 3, IT en
III, 1 en 2.
20.
40.
45.
46.
48.
50.
52.
54.
56.
60.
62.
66.
67.
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING. 4A
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou,
1867, n°. 4, 1868 n°. 1 en 2.
The Transactions of the entomological Society of London, Third
Series, vol. I en II, 1862—66.
The Entomologist’s monthly Magazine, vol. V,
The Journal of the Linnean Society, vol. VIII, 1865, IX, 1868.
List of the Linnean Society of London, 1866.
Verhandlungen des zoologisch-botanischen Vereins in Wien,
Band XVIII, 1868.
Bericht des Offenbacher Vereins fir Naturkunde über seine
Thatigkeit, n°. IX, 1868.
Schriften der Kon. physikal.-ökonomischen Gesellschaft zu Königs-
berg, Jahrgang V, VI, VII, 1864—66.
Proceedings of the Entomological Society of Philadelphia, vol. V,
IV, 1865—66.
Boston Journal of Natural History, containing papers and com-
munications read before the Boston Society of Natural History,
New series, vol. I, part 3, 1868.
Proceedings of the Boston Society of Natural History, vol. XI,
1866—68.
Verhandlungen des naturforschenden Vereines in Briinn, Band III,
1869.
Abhandlungen des zoologisch mineralogischen Vereines in Regens-
burg. Heft VIII, IX, 1860—64.
Mededeelingen der Hollandsche Maatschappij van Landbouw,
186 .n. 2, 1868. no 1,
Korrespondenzblatt des zoologisch-mineralogischen Vereins in Re-
gensburg, 1866, Jahrgang XX.
The Proceedings of the scientific Meetings of the Zoological
Society of London, 1868.
Bulletins de l’Académie Royale des sciences, des lettres, et des
beaux arts de Belgique, 2° Serie, 1867 et 1868, tome XXIII
—XX VI.
Proceedings of the Essex Institute, Vol. VEEN Lai A
1864—66.
The Entomologist , a Journal of British Entomology, conducted
by E. Newman, vol. III, 1866—67.
49
69.
10.
(DE
12,
13.
14.
15.
59.
60.
61.
62.
63.
64.
65.
66.
61.
68.
69.
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING.
Transactions of the Chicago Academy of Sciences, vol. I, part. I,
1867.
Annual of the Boston Society of Natural History, 1868.
Verslag van het 21° Landhuishoudkundige Congres te Breda, 1867.
Transactions of the American entomological Society, Philadelphia,
vol. I, 1867 —68.
The practical Entomologist, a monthly Bulletin, published by the
Entomological Society of Philadelphia, vol. II, n°. 3—12.
Mittheilungen der schweizerischen entomologischen Gesellschaft,
Band I und II, 1865—66.
Bulletino della Societa entomologica Italiana, 1869, Pars 1.
B.
Klug, F, entomologische Monographien, Berlin 1824.
Linné, (C. a) Systema Naturae per regna tria Naturae secundum
classes, ordines, genera, species, cum characteribus, differentiis,
synonymis, locis. Holmiae, 1766, 3 vol.
Burmeister (H.), Handbuch der Entomologie, Berlin 1832—47,
5 Theile m. Abbild, in 4°.
Magazin der Entomologie, herausg. von E. F. Germar und
J. E. F. F. Zincken, Halle 1818—21, 4 Theile.
Sundevall (C. J.), om insekternas extremiteter samt deras hufvud
och mundelar. Kjöb. 1860, gr. in 4°.
Réaumur, Mémoires pour servir à l’histoire des Insectes, Paris,
1734, 6 volumes, 4°.
Bouché (P. Fr), Naturgeschichte der Insekten, besonders in Hin-
sicht ihrer ersten Zustände als Larven und Puppen, Liefr. I,
Berlin, 1834.
Swammerdam (J.), Bijbel der Natuur of historie der Insecten,
Leyden, 1737. 2 dn., in 3 halve led. band., fol.
Panzer (G. W. F.), Deutschlands Insecten, fortgesetzt von Herrich-
Schaffer, in portefeuilles.
Pollen et v. Dam, Liste des insectes rapportés de l’île de la
Réunion, des îles Comores et de Madagascar, 4°.
Catalogue de la bibliothèque délaissée par J. van der Hoeven,
Leide, 1869.
10.
Tl.
218,
oe
59.
60.
61.
62.
29.
30.
BIBLIOTHEEK DEK NED. ENT. VEREENIGING. 45
Merian (M. S.), De Europische insecten, Amst. 1730, folio.
Merian (M. S.), Over de voortteeling en wonderbaarlijke verande-
ringen der Surinaamsche insecten, Amst. 1730, fol.
C, D, E en F.
Niets bijgekomen.
G.
Löw (H), Neue Beiträge sur Kenntnis der Dipteren , VIII" Beitrag,
Berlin 1861, 4.
Löw (H), Diptera Americae septentrionalis indigena, Berolini 1861.
H.
Snellen (P.C. T.), De vlinders van Nederland, Macrolepidoptera,
systematisch beschreven, ’s Gravenhage 1867.
Berce (E), Faune entomologique Frangaise, Papillons, (Lépidop-
tères), Paris 1867—68, 2 vol. avec planches coloriées, (tome I
Rhopalécères, tome II Hétérocéres.)
Zeller (P. C), Beitrag zur Kenntnis der Lepidoptern Fauna der
Umgegend von Raibl in Oberkärnthen und Preth im angrenzenden
Küstengebiet. (Overdruk.)
Merian (M. S.), Der rupsen begin, voedsel en wonderbare veran-
dering, Amst. 4%,
Niets bijgekomen.
K.
Ludeking (E. W. A.), Natuur- en geneeskundige Topographie van
Agam (westkust van Sumatra), ’s Grav. 1867. (Geschenk van
den Auteur).
Ludeking (E. W. A.), Schets van de residentie Amboina. ’s Grav.
1868. (Geschenk van den Auteur).
44
sl.
82.
33.
34.
85.
BIBLIOTHEEK DER NED. ENT. VEREENIGING.
Monthly report of the Departement of Agriculture for 1866 and
1867. Washington 1867—68.
Report of the Commissioner of Agriculture for 1866. Washington
1867.
Smissen (L. v. d.), Pleitrede ter verdediging der vliegen.
Heller (C.), die Zoophyten und Echinodermen des Adriatischen
Meeres, Wien 1868.
Neilreich (A.), die Vegetations-Verhältnisse von Croatien, Wien
1868.
INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN,
De Nederlandsche Entomologische Vereeniging ontving in:
October 1868.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou, Année
1867, n°, 4.
Bevat niets over Entomolugie, maar een zeer interressant opstel
over den gewonen witten ooievaar.
November 1868.
Proceedings of the Scientific meetings of the Zoological Society of
London, 1868, Part. 1 et 2.
Entom. Inhoud:
Part. 1. Descriptions of new or little known Species of Lepidoptera.
Bij Arthur G. Buttler, with a Plate.
Part. 2. Niets.
Hierbij is gevoegd de INDEx over de jaren 1848—1860.
Maart 1869.
Bulletino della Società entomologica italiana, Anno primo, Fascicolo 1.
(In ruil van de Italiaansche entomologische Vereeniging.)
Inhoud:
Ortalidae italicae, collectae, distinctae et in ordinem dispositae a
Prof. Camillo Rondani. — F. Piccioli, nuova specie d’imenottero
della famiglia degli sfecidei. — Cav. Dr. A. Garbiglietti, Catalogus
methodicus et synonymicus hemipterorum heteropterorum, Italiae
‘indigénarum. — Cav. Vittori Ghiliani, Nota sulla Phaneroptera
liliifolia F. — F. Piccioli, Catalogo sinom. e topogr. dei coleotteri
della Toscana, — Rivesta entomologica. — Annunzi di operi
entomologiche.
46 INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN
Van de Engelsche Entomologische Vereeniging:
The Transactions of the Entomological Society of London, Third Series,
Vol. III, Part. 6. (Jn ruil).
The same for the year 1868; Part. III, IV et V.
Inhoud :
Vol. III, Part. 6. Longicornia Malayana, by F. Pascoe.
1868 Part. 8. F. Bates, Descriptions of new Genera and Species of
Heteromera. — Sir John Lubbock, on the larva of Micropeplus
staphylinoides. — A. E. Eaton, on some points in the Anatomy
of the immature Coenis macrura of Stephens.
1868 Part. 4. A. G. Butter, Observations on some South-African
Butterflies (Satyridae). — R; Me. Lachlan, Contributions to a
knowledge of European Trichoptera. — F. Bates, Descriptions of
new Genera and Species of Heteromera. — J. O. Westwood,
Descriptions of new Genera and Species of Hymenoptera.
1868 Part. 5. List of Members; Journal of Proceedings, Index.
April 1869.
Neunter Bericht des Offenbacher Vereins für Naturkunde über seine
Thätigkeit, vom 12 Mai 1857 bis 17 Mai 1868. (Jn ruil van het
Of. Verein).
Entom. Inhoud:
Die Hymenopteren der Umgegend von Frankfurt und Offenbach von
F. Jaennicke. Die Dipteren der Umgegend von Frankfurt und
Offenbach, von dem selben. (Naamliÿsten).
In ruil van het Zoologisch-bot. Genootschap te Weenen
de drie volgende werken:
Verhandlungen der K.K. Zoologisch-botanischen Gesellschaft in Wien,
Band XVIII, Jahrgang 1868.
Entom. inhoud :
Verscheidene kleine mededeelingen in de Sitzungs-Berichte, voorts:
L. Miller, Eine entomologische Reise in die Ostgalizischen Karpathen ,
p. 3. — R. Damianitsch, über die Metamorphose des Xylophagus
ater F. p. 117. — Dr. Stefano Bertolini, neue Käferarten des
Trentinogebietes, p. 119. — G. Ritter von Frauenfeld, Zoologi-
sche Miscellen XIV. p. 147. — F. Brauer, Neue und wenig be-
kannte vom Hrn. Dr. Semper gesammelte Odonaten, p. 167. —
Idem, Zwei neue Myrmeleon-Arten, p. 189. — Ferd. Kowarz,
Dipterologische Notizen, p. 213. — Fr. Brauer, Neue vom Hrn.
Dr. G. Semper gesammelte Neuropteren, p. 268. — C. Tschek,
Beiträge zur Kenntniss der österreichischen Pimplarien, p. 269. —
Dr. Rud. Felder, Diagnosen neuer von E. Baron von Ransonnet
INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. 47
in Vorder-Indien gesammelter Lepidopteren, p. 281.— Dr. Gustav
L. Mayr, Cremastogaster Ransonneti n. sp., p. 287. — G. von
Frauenfeld, Beiträge zur Fauna der Nicobaren II, p. 289. —
Fr. Brauer, Verzeichniss der bis jetzt bekannten Neuropteren, p.
359. — G. von Frauenfeld, Mittheilung über den Baumwollschäd-
ling Egyptens, p. 417. — C. Tschek, Beiträge zur Kenntniss der
österreichischen Tryphoniden, p. 437. — Dr. F. Fieber, Euro-
päeische Bythoscopiden. p. 449. — Idem, Die europ. Aelia-arten,
p. 465. -- J. Winnertz, Acht neue Arten der Gattung Sciara,
p. 533. — Fr. Brauer, über die von G. Semper gesammelten
Neuropteren, p. 541. — Dr. J. R. Schiner, Schlussbericht über
die von der Novarareise mitgebrachten Dipteren, p. 559. —
P. C. Zeller, Beiträg zur Kenntniss der Lepidopternfauna von
Raibl und Preth, p. 563. — Fr. Brauer, Verzeichniss der bis
jetzt bekannten Neuropteren im Sinne Linne’s (Fortsetzung)
p. 711. — A. Förster, Monographie der Gattung Campoplex,
p- 761. — G. R. von Frauenfeld. über den von Herrn Schirl
erfundenen Schmetterling-Sebstfänger, p. 881. — Idem, Miscellen
XV, p. 885. — Dr. Schiner, Miscellen, p. 909. — O. Hermann,
über das Sexualorgan der Æpeira quadrata, p. 923.
Die Zoophyten und Echinodermen des adriatischen Meeres von Prof.
Cam. Heller. Mit 2 Tafeln.
Die Vegetationsverhältnisse von Croatien von Dr. August Neilreich.
April 1869.
Van de Académie royale de Belgique (in ruil).
Annuaire de l’Académie royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-
arts de Belgique 1869.
Bulletins de l’Académie royale, 37° Année, 2e Série, Tome 25 et 26.
Deze bulletins behelzen niets dat betrekking heeft op entomologie.
Van de Société Impériale des Naturalistes de Moscou (in ruil).
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou, Année
L868 ne. Let 2.
Mei 1869.
Van de Entomologischer Verein in Berlin (in ruil).
Berliner Entomologische Zeitschrift, 12° Jahrgang (1868) 3* und 4°
Vierteljahrsheft, und 13° Jahrgang (1869) 1° und 2° Vierteljahrsheft.
Inhoud:
XII® Jahrg. — Th. Kirsch, Beiträge zur Käferfauna von Bogota;
Ueber Monarthrum Chapuisi, Kirsch. — G. Kraatz, über einige
48
INHOUD DER ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
europ. Bruchus-Arten. — Rostock, Verzeichniss sächsischer Neu-
ropteren. — L. von Heyden, über das Männchen von Xyloterus
fuscicornis F. — Loew, über Einpis nitida Meig. — Dr. Gust.
Joseph, Cyphophthalmus duricorius, eine neue Arachniden-Gat-
tung. — Graf Ferrari, Nachträge zu den Arten der schädlichen
Borkenkäfer (Tomicides Lac.) — H. v. Kiesenwetter, Noch ein
Wort über die Gattung Byturus. — v. Hagens, Bemerkungen
über Ameisen. — W. Eichhoff, Neue Borkenkäfer und neue exo-
tische Xyleborus-arten. — Beiträge zur Kenntniss der deutschen
Käferfauna, 6° bis 22° Stück. — Dr. Doebner, über Cryphalus
Thomsoni Ferr. — Dr. H. Loew, Cilicische Dipteren. — Idem,
die ächte Micropeza lateralis. — v. Harold, Coptochirus singularis,
eine neue europ. Aphodiinen-Art. — Vogel und Kraatz, über
Bruchus Retamae. — Reise-berichte. — Synonymische Bemerkun-
gen. — Bericht über die 42° Versammlung Deutscher Natur-
forscher u. Aerzte in Dresden. — Literatur.
XIII" Jahrg., Heft 1 n°. 2. H. Loew, Diptera Americae septen-
trionalis idigena, Centuria Octava. — L. v. Heyden, uber neue
von Herrn v. Frivaldsky beschriebene Insekten-Arten. — H. Loew,
über einige Æmpis-Arten. — Idem, Drepanephora, eine neue
Gattung der Sapromyzidae. — Th. Kirsch, Beitrag zur Kenntniss
der Gattung Omophlus. — Dr. Kraatz, über die deutschen Coxi-
nomus-Arten. — Idem, über einige deutsche Blaps-Arten. —
Idem, über die europ. Arten der Gattungen Sacium Le Conte
und Arthrolips, Woll. — De Marseul, Histérides du sud de
Afrique, recueillis par M. le Dr. Fritsch. — Stein, zur neuesten
Ausgabe des Catalogus Coleopterorum Europae. — W. Eichhof,
über die Gattungen Corthylus, Corlhylomimus, Morizus, Cosmo-
corynus und Monarthron. — Dr. Kraatz, über den neuen Zeich-
nungs-apparat von Dr. J. R. Schiner.
Juli 1869.
Proceedings of the Scientific meetings of the Zoological Society of
London for the year 1868, Part. III.
Entom. inhoud:
Arthur Gardiner Butler, A monographic Revision of the Lepidoptera
hitherto included in the Genus Adolias, with descriptions of new
Genera and Species.
Augustus 1869.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou, Tome XLI,
Année 1868, n°. 3.
INHOUD DER ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. 49
Entom. Inhoud:
Enumération des nouvelles espèces de Coléoptères rapportés de ses
voyages par Victor Motschoulsky (avec une planche),
Natuurkundig tijdschrift voor Nederlandsch Indie, uitgegeven door de
Kon. Natuurkundige Vereeniging in Ned. Indie. Deel V, der zesde
Serie, Aff. 3-—6.
Bevat niets over entomologie.
Van de Smithsonian Institution te Washington:
Annual Report of the Board of Regents of the Smithsonian Institution.
Report of the Commissioner of Agriculture for the year 1867.
Daarin, bl. 58—76 het Report of the Entomologist, met vele
houtgravuren.
Monthly reports of the Department of Agriculture for the year 1868.
Edited by J. R. Dodge, Statistician.
Smithsonian Miscellaneous Collections. Catalogue of the Orthoptera of
North America, described previous to 1867, prepared for the Smith-
sonian Institution bij Samuel H. Scudder.
Van de Boston Society of Natural History:
Portret van Dr. Harris.
Memoirs, Volume 1, Part. 4.
Zij bevatten niets over entomologie.
Proceedings of the Boston Society, Vol. XII, blad 1—17.
Voor inhoudsopgave schier onvatbaar.
Occasional Papers n°. 1.
Inhoud :
Memoir of Dr. T. W. Harris by Col. T. W. Higginson. — Entom.
Correspondence of Dr. Harris with Prof. N. M. Hentz, Dr. Mels-
heimer, Mr. Doubleday, Mr. Herrick, Dr. J. L. le Conte, Miss
Morres, Mr. Thom. Say, Dr. Zimmerman and others, Descriptions
of Larvae, their Metamorphoses, Habits etc.
Van den Heer Samuel H. Scudder te Boston:
Check-list of the Butterflies of New Eneland.
Notes on the Stridulation of some New England Orthoptera.
Supplement to a list of the Butterflies of New England.
Entomological notes I.
Memoirs of the Peabody Academy of Science. Vol I, Number 1.
Dit nommer bevat: Revision of the large, stylated, fossorial
crickets, by Samuel H. Scudder,
4
50 INHOUD DER ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
Van de Amer. entom. Society:
Transactions of the American Entomological Society, Volume II,
Numb. 1 et 2.
Inhoud :
E. T. Cresson, Mexican Hymenoptera. — Fr. Sumichrast, Habits
of Mexican Hymenopt. — R. Osten Sacken, a new Species of
Culicidae. — John L. le Conte, New Amer. Coleoptera. — Grote
and Robinson, Notes on N. Am. Lepidoptera. — E. T. Cresson,
A list of the Ichneumonidae of N. Am. with descriptions of new
Species, Part. 2. — A. Grote, On the Synonomy of certain
Species of Amer. Lepidoptera. — Edwards, Hesperia Waco, n. sp. —
G. H. Horn, Catalogue of Coleopt. from South Western Virginia. —
Idem, New Species from the Pacific District. — C. Zimmermann,
Synopsis of the Scolytidae of America, north of Mexico. — John
L. le Conte, Appendix. — A. Grote and Robinson, Descriptions
of Americ. Lepidopt. n°. 4. — Edwards, Variety of Pap. Turnus. —
E. Norton, Catalogue of the described Tenthredinidae and Uroce-
ridae of North Ameriea; continued. — Proceedings of meetings.
Afzonderlijk nog de overdruk van:
List of the Lepidoptera of North America by Aug. R. Grote & C. T.
Robinson, I.
Proceedings of the Portland Society of Nat. History, Vol. I, Part. 2.
(Van dat Genootschap).
Entomol. inhoud :
On the Orthoptera of the State of Maine by Sidney Smith. — The
characters of the Lepidopterous family Noctuidae by A. S. Packard , Jr.
Proceedings of the Essex Institute, Vol. V, n°. 7 et 8. (Van die
instelling).
Bevatten niets over entomologie.
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society of
London, for the year 1869, Part. I.
Entomol. inhoud :
Arthur G. Butler, Description of a new Genus of Heterocerous
Lepidoptera, founded upon the Papilio Charmione of Fabricius.
The Transactions of the Entomological Society of London for the year
1869, Part. I—IV.
Inhoud :
Part. 1. E. Saunders, Nine new Species of Buprestidae. A. G.
Butler, Hestina Zella n. sp. — E. T. Higgens, New Genus and
Species of Prionidae. — Waterhouse, New Genus and some new
Species of Lucanidae. — J. Jenner Weir, On the relation between
the edibility of Lepidoptera and their Larvae by birds. — A. G.
Butler, Remarks upon certain Caterpillars, which are unpalatable
INHOUD VAN ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, 51
to their enemies. — W. C. Hewitson, Two new Species of Papilio
from Ecuador. — Idem, Six new Species of diurnal Lepid. from
Nicaragna. — H. W. Bates, Contributions to an Insect Fauna of
the Amazon Valley (Prionides). — R. Mac Lachlan, Synopsis
of the Europ. Species of Panorpa, with a description of a singular
new Species from Java. — W. C. Hewitson, New Species of
Diurnal Lepidoptera. — A. R. Wallace, Notes on eastern But-
terflies. — Baly, Undescribed Species of Cassididae and Hispidae.
Part. 2 and 3. David Sharp, A revision of the British Species of
Homalota.
Part. 4. Butler, Descriptions of new or little known forms of Diurnal
Lepidoptera. — A. R. Wallace, Notes on eastern Butterflies. —
Fred. Smith, the Genus Pison. — Idem, Descriptions of New
Genera and Species of exotic Hymenoptera. — F. Walker, Notes
on Chalcididae and Description of a new Sp. of Megastigmus. —
J. O. Westwood, Remarks on the Genus Hetrephes and descrip-
tions of New exotie Coleoptera. — Edw. Brown, on the Austra-
lian Species of Zetracha.
September 1869.
Schriften der Kon. Physikalisch-ökonomischen Gesellschaft zu Königs-
berg, Neunter Jahrgang 1868. Abth. 1 und 2. (Van het Genoot-
schap in ruil tegen het tijdschrift.)
Entom. inhoud:
Abth. I. Zur Bernstein-Fauna von Pfarrer v. Duisburg in Steinbeck.
Van den heer H. Jekel te Parijs de volgende werken en
brochures ten geschenke:
Frabricia entomologica, Première Partie, 3 Livraisons.
Insecta Saundersiana, or Characters of undescribed insects in the col-
lection of W. W. Saunders. — Cleoptera, Curculionides, Part. 1 et 2.
Recherches sur la Classification naturelle des Curculionides.
Lettre adressée a M. Jacquelin du Val sur le Barypeithes rufipes.
Remarks on the Pollinosity of the Genera Lixus und Larinus.
Observations suggérées par les notes de M. Chevrolat sur les Céram-
bicides de M. Thomson.
Zijnde dit werken van den donateur zelven.
Catalogue des Coléoptéres de la Collection J. B. Géhin, Pharmacien
à Metz, 2 fascicules.
59 INHOUD DER ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
Op niet aangeteekenden tijd:
Annales de la Société entomologique de Belgique.
Tome X, 1866. Inhoud:
Révision générale des Clivinides par M. J. Putzeys.
Notice sur un nouveau genre de Curculionides d'Australie ( Acroteriasus
Haagii, subniticus, nubilus et emarginatus) par M. W. Roelofs.
Cousidérations sur cette notice par M. Lacordaire.
Description d’un nouveau genre de Curculionides de Montevideo
(Georynchus Mortetii) par M. W. Roelofs.
Notice sur une nouvelle espèce de Nemoptera (Nemoptera Lederert) ,
par M. Kd. de Sélys-Longchamps.
Verslagen van vergaderingen.
De Sélys-Longchamps, Ravages de la Noctua Segetum en 1866. —
Capronnier, Observations sur 2’ Acherontia Atropos.
Tome XI, 1867—1868. Inhoud:
Supplément à la révision générale des Clivinides, par M. I. Putzeys.
Additions et corrections au catalogue raisonné des Orthoptéres de
Belgique, par M. de Sélys-Longchamps.
Révision du groupe des Ozénides, par M. le Baron de Chaudoir.
Notice sur le genre Acroteriasus, par M. W. Roelofs.
Note sur le Georynchus Mortetii, door denzelfden,
Variabilité des caractéres sexuels secondaires chez les Curculionides,
door denzelfden.
Etude sur le groupe des Bruchites d'Europe et du bassin de la
Méditerranée, par E. Allard.
Notice sur un nouveau geure de Ténébrionides appartenant au groupe
des Adeliides (Ceradelium armatum), par M. A. Preudhomme de
Borre.
Note sur le genre Oxystomus, Latr. par M. le Baron de Chaudoir,
et sur le genre Carenum, Bonelli door denzelfden. — Révision
des Trigonotomides door denzelfden.
Verslagen der vergaderingen; daarin:
Acridium peregrinum, par de Sélys-Longchamps. — Note sur les
Formicides de Belgique, par M. Sauveur. — Deilephila Esulae,
par de Sélys-Longchamps. — Rapport sur les carabiques recueillis
dans l’excursion de Vielsalm, par M. Putzeys. — Note sur quel-
ques fourmis cosmopolites, par M. Puls. — Fil des araignées,
par M. Breyer. — Note sur les Lépidoptères recueillis à Vielsalm,
par M. Sauveur. — Nouvelles espèces d'Odonates du Mexique,
par de Selys-Longehamps. — Diagnose d’un nouveau genre d’Agri-
INHOUD DER ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, dò
onine d’Australie: Hemiphlebia mirabilis; Idem Synlestes Weyersii ;
Idem, d’une Panorpide nouvelle d’Australie Bittacus nigriceps;
Lycacna Alcon et L. Euptemus; Macromia splendens; alles van
de Sélys-Longchamps. — Diagnose d'un nouveau genre de la
tribu des Hélopides: Ceradelium armatum, par M. de Borre.
The Transactions of the Entomological Society of Londen. Third
series, Vol. IV, 1865—1868.
Inhoud :
Phytophaga Malayana; a Revision of the Phytophagous Beetles of
the Malay Archipelago, with Descriptions of the new species col-
lected by M. A. R. Wallace. By Joseph S. Baly.
On the Pieridae of the Indian and Australian Regions. By A. R.
Wallace.
On the Distribution of Lepidoptera in Great Britain and Ireland.
By Herbert Jenner.
A Catalogue of the Cetoniidae of the Malayan Archipelago, with
Descriptions of the new Species. By A. R. Wallace.
The Entomologist’s Annual for 1869, with a plain plate.
Inhoud :
CoLFOPTERA. New British Species, corrections of Nomenclature,
etc., noticed since the publications of the Entomologist’s Annual,
1868. By E. C. Rye.
HyMenoPTERA. Notes on Hymenoptera. By Frederic Smith.
LePipoprERA. On the British species of Tortrices belonging to the
genus Eupoecilia of Curtis. (Conchylis van Treitschke). By R.
Me. Lachlan.
On sericulture. By A. Wallace.
Notes on new an rare British Lepidoptera (excepting Tineina) in
1868. By H. G. Knaggs.
Op de plaat zijn voorgesteld: Odynerus basalis Smith, Neuronia
clathrata Kolen., Crambus myellus Hübn., Leucania albipuncta W.V.,
Barypeithes pellucidus Schönh., Cathormiocerus socius Schönh.,
Cryptohypnus sabulicola Bohem. en Phosphaenus hemipterus Geoff.
The Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. V, Junij 1868 tot Mei
1869.
Behalve eene menigte korte opgaven vindt men in dit deel:
New species, etc. of Heterocerous Lepidoptera from Canterbury,
New Zealand, collected by Mr. Fereday. By Achille Guenée. —
Notes on some British Syrphi. By Verrall. — On two new species
of Lamellicorn Beetles (Rutelidae) from N. Australia. By Water-
house. On some species of Trichopterygia new to the British list.
By Matthews. — Notes on collecting, management, etc. (Lepi-
54
INHOUD DER ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
doptera). By Knaggs. — List of captures of Hemiptera in Palestine
and Syria, with descriptions of new species. By Douglas and
Scott. — Notes on Lepidoptera from Goolmurg in Cashmere. By
Lang. — On the British Gyrinidae. By Sharp. — Description of
a new species of West African Papilio, hihertho considered to be
the P. Zenobia Fab. By Buttler. — An outline of a re-arrange-
ment of the genera of Ephemeridae. By Eaton. — Notes on the
genus Acidalia, with description of the larva of Acid. holosericata.
By Hellins. — Notes on the earlier stages of some species of
Lithosidae. By Hellins. — A list of Gall-bearing British plants.
By Kidd and Müller. — Description of a new species of Thyamis.
By Rye. — On the abundance of certain Insects in certain years.
By Jordan. — Notes on some parasitic Hymenoptera, with des-
cription of new species. By Marshall. — Observations on the
occurrence of Sphinx Convolvuli in Great Britain. By Hellins. —
Notes on the British Halticidae. — Lycaena Medon and Artaxerxes
are they distinct? By Zeller. — On the European species of
Syrphus allied to S. Ribesi. By Verrall. — Note on the genus
Rygmodus. By Waterhouse. — Description of a new species of
Psocidae (Caecilius atricornis) inhabiting Britain. By Mc-Lachlan. —
An analytical view of the Lepid. Fauna of Haslemere and its
vicinity. By Barrett. — On a Neuropt. insect from N. W. India
(Dilar Hornet). By Me-Lachlan. — Natural history of Zycaena
Aegon. By Buckler. — Notes on some British species of Zupoe-
cilia (Conchylis). By Barrett. — British Hemiptera, Additions and
corrections. By Douglas and Scott. — Description of a new spe-
cies of Bibio (en wel B. anglicus verwant aan B. hortulanus L.)
By Verrall. — Descriptions of species of Lepid., confounded
with others described by Lin. and Fab. By Butler. — Notes on
Cicindelidae from tropical America, with descriptions of four new
species. By Bates. — Notes on the British species of Scoparia
(Eudorea). By Knaggs, met houtsneden en plaat, bevattende
19 figuren.
pe
an
ST ¥
eh (Fe
inn
DE INLANDSCHE BLAD WESPEN
IN HARE GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE BESCHREVEN
DOOR
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven.
VIJFTIENDE STUK.
NEMATUS APPENDICULATUS, Harr.
No. 65 Nieuwe Naamlijst.
Vergelijk voor het volkomen insect:
Harrie, Blatt- und Holzwespen, bl. 202 n°. 54.
Larve onbeschreven.
Nematus niger, subnitidus, clypeo et pedibus pallide ochra-
ceis, anlennis subtus et alarum stigmate fuscescentibus.
eT acta
Reeds had ik meermalen op roode aalbessen eene kleine
groene bladwesplarve gezien, die kennelijk een’ Nematus toehe-
hoorde, doch ik had mij om haar niet bijzonder bekommerd.
Hare kleinheid, hare groene kleur, de waarschijnlijkheid dat
zij ook al weder eene geel- en zwartbonte Nematus zou ople-
veren, wier getal legio schijnt, de afwezigheid van iets opval-
lends in haar zijn, haren habitus, dat alles stootte mij af in
plaats van mij toe te lagchen. Eindelijk toch, weder in de
gelegenheid haar op te kweeken, en wel in eene bijzonder
x
2
56 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
gunstige, daar ik eene school in mijnen tuin aantrof, haalde
ik mij zelven over om haar niet minder te keuren dan zoo vele
anderen en nam ik er eenigen van op mijne kamer om die af
te beelden en hare levenswijze waar te nemen.
Het was den 50% Junij 1867. Ongelukkiglijk waren de lar-
ven reeds zoo goed als volwassen; ik meen mij echter te herin-
neren, dat de jongeren, die ik vroeger wel gezien heb, niet
van de ouden verschillen, dan in grootte.
De kop (fig. 5) was van de gewone gedaante, tamelijk plat
van voren; haar kleur was grijsachtig groen; de oogen stonden
in vrij groote ronde zwarte vlekken. Van ieder der vlekken liep
eene bruine, langzamerhand versmallende streep naar den sche-
del, op welke beiden elkander ontmoeten. Aan de monddeelen
zag men eenige bruine stipjes en de tandjes der bovenkaken
waren van dezelfde kleur.
Het ligchaam was vrij lang en slank (zie de beide fig. 1 en 2)
en had in het geheel 20 pooten. Boven de lijn der tracheen
was de huid vrij sterk gerimpeld; ik telde op elk segment vijf
plooijen. Het eerste segment, de omgeving der stigmaten, de
midden- en achterpooten, het elfde segment en de anusklep
waren groengeel, het overige groen. In den hals bespeurde
men ter wederzijde achter den kop ter hoogte van het oog en
desgelijks boven iedere voorpoot een fijn zwart omgekeerd keper-
tje (fig. 4). De klaauwtjes dier pooten waren bruin.
De lengte dezer diertjes was bijna twee duim Ned., zij zaten
meest regtuitgestrekt langs den rand van het blad met eene
kleine buiging in de laatste ringen, gelijk zulks bij fig. 1 afge-
beeld is; minder in de gekromde stelling van fig. 2, welke
anders gewoonlijk die van vele Nematen is.
Toen zij volwassen waren, daalden zij van de bladeren op
den grond, op de aarde en sponnen zich daar onder beschut-
ting van eenige afgevallen bladeren, bruine glanzige coconnetjes ,
waarvan het eene wel wat lichter dan het andere was. De
gewone kleur en gedaante wordt voorgesteld door fig. 5. Deze
hulsels waren enkelvoudig en tusschen 6 en 7 mm. lang.
Den 16%" Julij daaraanvolgenden vond ik des morgens twee
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE, 57
wijfjes uitgekomen in de suikerflesch, waarin ik de larven en
cocons bewaarde. Naar eene van haar is de 6e figuur ver-
vaardigd.
Van de geheele school kwamen acht wespjes uit, allen wijfjes.
Ik zou het mannetje, dat Hartig t. a. pl. ook niet beschreven
heeft, niet kennen, indien niet de heer G. Ritsema Cz. er cen
(8 Mei 1868) op het Bolwerk te Haarlem gevangen en aan de
collectie der N. E. V. ten geschenke had gegeven.
Zie hier de beschrijving van het wijfje. De lengte was nage-
noeg 4, de vlugt 11 millim. Het lijf kort en gedrongen, het
achterlijf vrij breed en aan de voorlaatste ringen ook vrij hoog;
daardoor in vorm afwijkende van vele andere Nematen. De
kleur van kop en lijf is een glanzig, min of meer naar het
bruin hellend zwart. De kop en de rug van den thorax zijn
met zeer korte, donkergrijze haartjes dik bekleed. De sprieten
ziju slank, draadvormig, langer dan het halve ligchaam, bij
eenigen geheel zwart, doch bij de meesten aan de onderzijde
roestkleurig. Het kopschildje boven den bovenlip regt afgesneden;
de bovenlip, de basis der bovenkaken en de voelers roodach-
tig wit.
Aan den thorax zijn de schouderdekseltjes bruin en de rug-
gekorreltjes grijs. De vleugels zijn eenigzins berookt, maar toch
met regenboogkleuren spiegelend; de voorrandader en het stigma
zijn licht bruinachtig, ’t geen ik zou noemen thee-kleur. Men
vergelijke voor dit alles fig. 6.
De pooten zijn licht geelachtig rood, als een onrijpe geele
meloen; bij eenigen zijn zij donkerder, bij anderen lichter. De
basis der heupen en het midden der dijen is gewoonlijk min
of meer bruinachtig; aan de achterpooten (zie fig. 7) zijn de
uiteinden der scheenen en der leedjes van de tarsen helder
roestkleurig.
Van deze beschrijving wijkt nu het mannetje af doordien het
veel slanker is, een van boven gezien langeren kop heeft, een
rolrond achterlijf, dat aan den anus met twee horizontale kleppen
sluit en open gaat. Ook zijn de sprieten langer, halende wel £ van
het ligchaam, geheel ros met uitzondering der bovenzijde van de
38 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
o eerste leedjes. Voorts is het beloop der aderen aan de onder-
zijde der cubitaalcellen eenigzins anders. Eindelijk zijn de poo-
ten ietwat langer, de dijen zonder bruin en de achtertarsen
nagenoeg zwart.
Het ei is mij onbekend; ik vermoed dat het in wondjes der
blad-aderen geschoven wordt. Het uitkomen der volkomen insecten
in Julij en het vangen van een ander in Mei duidt op twee of
meer generatien in het jaar.
Verklaring van Plaat 1, bovengedeelte.
Fig. 1 en 2. Volwassen larven.
„ 9. De kop, vergroot.
y 4, Eene voorpoot, vergroot.
„ 5. Het cocon.
„ 6. Eene vrouwelijke wesp, vergroot.
„ 7. Haar achterpoot, sterker vergroot.
» 8. Een mannelijke wesp, vergroot.
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE, 09
NEMATUS SOLEA, Vout.
Larve en wesp onbeschreven.
Om de overeenkomst in de verschillende standen met de
vorige, laat ik deze soort hier dadelijk volgen. Zij is nieuw,
ten minste het is mij niet mogen gelukken hare beschrijving
ergens te vinden. Waarschijnlijk evenwel is zij Hartig’s onbe-
schreven N. wanthophorus van zijne tabel in den eersten jaar-
gang van de Stettiner Zeitung, omtrent welk opstel het zeer te
betreuren is, dat het nimmer nader is uitgewerkt. Misschien
zelfs is het niets dan Nem. Laricis Hart. in het mannelijke
geslacht, dat hij niet gekend heeft.
Ik noem haar Solea omdat zij even als de tong (platvisch)
aan de bovenzijde zeer donker, aan de onderzijde wit is.
De larve, die op den lorkenboom (Larix) leeft en in het
midden van Julij volwassen is (26 Julij 1861 ontving ik vol-
wassen voorwerpen van wijlen Dr. J. Wttewaall), heeft 20 poo-
ten en is geheel sapgroen op rug en zijden. De kop is zeer
glanzig, iets breeder dan bij den vorigen, van kleur feuille-
morte met twee vrij groote ronde zwarte plekken, waarin de
oogen. Hare zes voorpooten zijn glasachtig groen met bruine
klaauwtjes. De huid van den rug was zeer sterk geplooid; de
4 of 5 voorste ringen vertoonden ieder twee dwarsrijen uiterst
fijne doorntjes. De twee laatste ringen waren lichter van kleur,
meer geel; de buik, buikpooten en achterpooten vertoonden
dezelfde vuilgele kleur.
Op den 27** Julij begonnen deze larven zich tusschen de
afgevallen naaldjes, die op den bodem van het glas lagen,
waarin zij bewaard werden, in te spinnen. Het cocon was
glanzig lichtbruin, van grootte al bij de vorige soort,
60 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
Het duurde slechts een tiental dagen tot de wesp te voor-
schijn kwam, die bij fig. d. en e. afgebeeld is. Uit mijne cocons
verkreeg ik slechts eene wesp, een mannetje nagenoeg 4 mm.
lang.
De kop was vrij breed, tusschen de oogen en de clypeus en
bovenlip wat vooruitstekende. Oogen vrij groot, ovaal, bruin-
grauw; ocellen zeer wijd uiteenstaand. Kleur van den kop licht
okergeel met een breeden vierhoekigen vaalzwarten schedelvlek.
Sprieten voor het genus dik en kort, roestgeel, met een bruinen
gloed op de bovenzijde, de beide eerste leedjes met zwarte
streepjes op de bovenzijde.
Het lijf aan de onderzijde licht okergeel, aan de rugzijde
vaalzwart, behalve de randen van den prothorax , de schouder-
knobbels en de zoomen van het achterlijf. Het schildje vertoont
een’ rossen gloed.
De pooten kebben geheel de kleur van borst en buik; alleen
draagt de basis der vier achterste heupen een zwart stipje en
zijn de achtertarsen aan de bovenzijde zwartachtig. De vleugel-
tjes zijn geheel doorschijnend met lichtgeelen voorrand en
stigma.
Het wijfje, het ei en de jonge larve zijn mij onbekend.
Verklaring van Plaat 1, beneden-gedeelte.
Fig. a. De larve vergroot.
vb. Omtrek der natuurlijke groote.
mc. Het cocon.
» d. De mannelijke wesp, vergroot.
» @. Dezelfde op zijde en vergroot,
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE, 61
EMPHYTUS SEROTINUS, Kr.
N°, 112. Nieuwe naamlijst.
Vergelijk voor het volkomen insect:
Kive, Blattw. in Magazin Berlin, VIII p. 288, n°. 215.
Harrie, Blatt- und Holzwespen, p. 255, n°. 22.
Larve onbeschreven.
Emphytus niger, abdomine et femoribus fulvis, tibiis flavis,
lursis posterioribus fuscis.
Ofschoon deze levensbeschrijving nog onvolledig is, daar de
kennis van het ei en ook van de pop mij ontbreken, meen ik
toch tot de publicatie te moeten overgaan, daar het mij blijkt
dat deze soort zeer zeldzaam is en ik misschien nog lang te
vergeefs op aanvulling van het ontbrekende zou moeten wach-
ten. De eerste larve van deze soort heb ik namelijk vele jaren
geleden waargenomen op het landgoed de Beele bij Voorst en
sedert heb ik niet meer dan twee anderen gevonden en is mij
ook door geen mijner entomologische vrienden een ander voor-
werp ter hand gesteld of toegezonden. Ik geloof dat het in
zoodanig geval beter is te geven wat men reeds heeft, om zoo
doende anderen op het spoor te brengen dat gevolgd moet wor-
den, wil men tot volledige kennis geraken.
De larven, die ik vond, waren nagenoeg volwassen, zoo wel
die van Voorst als die welke ik tusschen Wassenaar en den
Haag aan de kanten van den straatweg aantrof. Allen moesten
nog voor de laatste maal vervellen.
Ik vond deze dieren op eiken in het begin der maand Junij;
zij schenen bij voorkeur jongere blaadjes tot voedsel te gebruiken.
In de rust lagen zij, even als de larven van Emphylus cinctus L.
in spiraal opgerold, gelijk onze figuur 1 dit voorstelt. Bij het
62 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
eten begonnen zij aan den rand van het blad en aten van daar
naar den middelnerf toe.
Het ligchaam dezer larven was rolrond, zeer rimpelig op den
rug, geheel naakt, zonder eenige wratten of haren. Zij waren
van 22 pooten voorzien. De huid was zeegroen van kleur, doch
geheel met wit waas of poeder bedekt, zoodat de ware kleur
alleen duidelijk in de voegen der plooijen te zien was. De 18
luchtgaten hadden zeer smalle vuilwitte randen en vielen dus
zoo weinig in het oog dat men er met eene loupe naar zoeken
moest om hen te onderscheiden.
De kop was rond van omtrek, behalve aan de monddeelen
en plat van voren; paarsgrijs tot even boven de oogen en van
daar af zeer licht geel. Langs den achterrand was hij ook
rijkelijk met wit poeder bekleed. Als naar gewoonte stonden
de oogen in ronde zwarte plekken (verg. fig. 2). De klaauwtjes
der voorpooten waren bruin.
Nadat deze larven voor het laatst verveld waren, was het
witte poeder of exsudaat ten eenen male verdwenen. De kop
was nu glanzig okerbruin met de zwarte plekken, waarin de
oogen (zie fig. 5 en 4) en het ligchaam bleek feuille-morte van
kleur, overigens nog altijd gerimpeld en de huid geplooid als
vroeger. Om te verpoppen daalden zij in de aarde en daar ik
telken reize maar in het bezit was van een of twee voorwerpen
en de overtuiging heb dat de wespen niet uitkomen wanneer
men de aarde omwoelt, liet ik hen bedaard liggen. Waarschijn-
lijk had ik het daaraan te danken dat de volkomen insecten te
voorschijn kwamen, doch de kennis van de pop is er bij inge-
schoten.
De wespen kwamen uit in het begin van October. Ik vind
twee data opgeteekend, namelijk den 5° en den 14° dier maand.
Zij behooren, wat de gestrektheid van het ligchaam en meer
nog wat het beloop der aderen in de vleugels betreft , stellig
tot het geslacht Emphytus, het maaksel der sprieten evenwel
nadert meer tot dat der Nematen, en de levenswijze der larve
komt sterk met die van vele Selandrien overeen.
De kop is vierkant met afgeronde hoeken (van boven gezien),
FAT
ematus app endiculatus , Hart.
N
N. sculps
I
Sv. V fec.
Nematus solea, Vall.
Emphytus
serotinus, Klug.
Pl 2
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE, 65
zwart, met zeer korte haartjes dik bezet. De zijden van het
hoofd achter de oogen, puilen sterk uit; de schedel heeft ver-
schillende uitpuilende punten. De bovenlip is zeer harig, de
bovenkaken kort en breed; de middelste leedjes der vrij lange
palpen zijn witachtig. Aan den thorax, die mede met een kort vilt
bedekt is, zijn de vleugelschubbetjes bruin en de ruggekorreltjes
helder wit. De cerste ring van het achterlijf is zwart, aan den
achterrand diep ingekeept, zoodat er even als bij Cimbex-man-
netjes een vrij groot driehoekig onbedekt gedeelte open blijft,
waarin men eene witte membraan ziet. Het overige gedeelte
van het achterlijf is boven en onder oranjegeel, glanzig. De
kleppen der legboor zijn donkerbruin, bijna zwart.
De sprieten zijn langer dan anders bij Emphytus het geval
is, en zwart. De vleugels doorschijnend, iriserend, aan de spits
een weinig donkerder; de voorrand-ader en het stigma zijn vaal
bruin, de radius en mediaan-ader met hunne vertakkingen
donkerbruin, de overige aderen oranje. Aan de pooten zijn de
heupen zwart, de dijen oranje, de scheenen geel, de spits der
achtersten bruin en de tarsen bruin met gele basis van het eerste
lid. De lengte der wesp is 8 mm., de vlugt 17 mm.
Verklaring van Plaat 2.
Fig. 1. Eene bijna volwassen rups, rustende in spiraal.
„ 9, Dezelfde, eenigermate vergroot.
» 5. Eene rups na de laatste vervelling.
„ 4. Haar kop en voorste ringen, vergroot.
„ 5. De wesp, vergroot.
64 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
CIMBEX FEMORATA, L.
N°. 3. Nieuwe naamlijst (lutea).
Vergelijk voor larve en wesp:
Briscuxe und Zappacn, Beobachtungen über die Arten der
Blati- und Holzwespen (in Schriften der K. physikalisch-
oekonomischen Gesellschaft zu Königsberg, 5° Jahrg. 1862)
p. 252 en de daar aangehaalde schrijvers.
Cimbex (8) violaceo nigra, antennis tarsisque luteis; (2)
lutea, thorace fusco-piloso, abdominis basi cingulo nigro-
violaceo.
De inlandsche Cimbices vormen vier groepen. C. humeralis
Fourc. staat op zich zelve en evenzeer C. Amerinae L; Lucorum,
Vitellinae en Betuleti Kl. vormen de derde groep (indien men
van de twee vorigen zeggen mag, dat zij ieder afzonderlijk
eene groep uitmaken) en men houdt na aftrekking der genoem-
den over €. connata Schr., Sylvarum F, Femorata L. en mis-
schien Fagi Zadd. omtrent welke het nog niet uitgemaakt is
niet alleen of zij inlandsch, maar ook of zij wel eene soort is.
Deze laatste groep werd door Klug, en later in navolging
door Hartig, als een species beschouwd en genoemd Cimbex
variabilis, welken naam ik in mijne eerste naamlijst gebruikt
heb. Het is echter volkomen zeker en door herhaalde opkwee-
king uit de larve gebleken, dat C. connata, de eerste soort
mijner nieuwe naamlijst en die ik in hare metamorphose be-
schreven en afgebeeld heb in het zevende deel van dit Tijd-
schrift (bl. 59 en volgg. pl. 1 en 2), eene bepaalde afzonder-
lijke soort is. Ongeveer met dezelfde zekerheid, voornamelijk
steunende op de afwijkende kleur der vrouwelijke wesp, kan
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE, 65
men aannemen dat Sylvarum F. (Betulae Zadd.) eene bepaalde
soort is. Misschien moet Fagi tot deze laatste soort terug gebragt
worden, misschien ook niet, indien, gelijk Brischke meent,
de larve vaste onderscheidingsteekenen oplevert en het voedsel —
beukenbladeren — uitsluitend door haar gebruikt wordt.
Er blijft dan eindelijk nog eene soort over, die op wilgen
leeft en aan wie wij deze bladzijden wijden willen. Deze
evenwel levert nu nog weder eene moeijelijkheid op. Brischke
namelijk, die deze dieren in menigte gevonden heeft, scheidt
de larven weder in twee groepen; de eerste die gedurende
hare geheele larven-periode vaal groen blijft, leeft volgens hem
op gladbladerige wilgen, de andere, die tegen het eind dier
periode roodachtig, ja zelfs vleeschkleur wordt, leeft van de
bladeren der wolwilg (Salix capraea). Zoodanige roode larven
heb ik nooit gezien, maar ik heb ook nimmer Cimbex-larven
op wolwilgen aangetroffen; het kan ons dus vooreerst vrij
onverschillig zijn of deze ons alleen uit beschrijvingen bekende,
werkelijk eene soort zij of niet; mogt zij evenwel, en zij alleen
gelijk Brischke wil, de bleeke verscheidenheid Pallens opleveren,
dan zou zij in de omstreken van Arnhem voorkomen.
Ofschoon wilgen in ons waterland zeer talrijk zijn, treft men
de grootere insecten welke op die boomsoort huizen, nimmer
in aanzienlijke hoeveelheid aan. Misschien zouden togten naar
en op onze rivieren, aan wier oevers men schier niets dan
waardhout, kat en wolwilg ziet, op eenen bepaalden gunstigen
tijd ondernomen, de moeite wel beloonen. Ik heb dit middel
tot nog toe niet aangewend en heb slechts zelden op wilgen,
langs straat- en binnenwegen of slooten, Cimbex-larven aange-
troffen. Verre weg dus van, als Brischke van de omstreken van
Dantzig, van ons land te durven zeggen dat onze soort er tal-
rijk vertegenwoordigd is, moet ik verklaren dat zij zeer schaars
voorkomt. Behalve door mijzelven is de larve gevonden door
C. B. Voet, den grooten Lyonet en de heeren H. Gerlach en
F. J. M. Heylaerts, Jr.
Zie hier wat de eerstgenoemde schrijft in zijn manuscript
werk, voor den stadhouder Willem den derden bestemd.
66 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
«Deze rups vond ik op de wilgeboomen. Als hij voortkruipt ,
gebruikt hij voornamelijk zijne zes scherpe voorklaauwtjes ; voor
de rest heeft hij nog 16 heel korte stompe pootjes of uitpuilin-
gen daar zij zich heel sterk meê aan de bladeren vastzuigt,
naar mijn begrip op die manier als de jongens met de zuigleé-
ren de steenen; doch hiertoe heb ik hem alleen de 8 voorsten
die aan de scherpen volgen zien gebruiken, slepende de rest van
het achterlijf rondachtig naar beneden gebogen zoo maar mee.
Hij beweegt of kruipt zeer zelden, liggende meest altijd in het
rond met het achterste onder tegen de voorpootjes en het hoofd.
Hij at tot laat in September wilgenloof en kroop doen in het
mul der verrotte boomen, enz.»
Lyonet schrijft in zijn werk Recherches sur l'anatomie et
les métamorphoses de différentes espèces d' Insectes, bl. 168 en 169
het volgende:
«La mouche dont on va parler naît d’une fausse-chenille
encore à vingt-deux jambes et dont le onzième anneau est le
seul qui en est dépourvu. Elle vit de feuilles de saule et a un
pouce et sept lignes de longueur. Je suis porté à croire que
c'est la même dont parle Goedaert, tom. 1, expér. 64 et qu'il
prend pour une chenille véritable. Il dit pareillement que la
sienne vivoit des feuilles du même arbre, mais il ajoute qu’elle
ne faisoit qu'un repas par jour, et vécut chez lui deux ans et
vingt-quatre jours sans manger ni agir: aussi ne marque-t-il pas
qu'elle ait changé de forme, ce qui pourroit bien n'être provenu
que de ce qu'elle ne se portoit pas bien, ou avoit été gardée
dans un lieu trop froid; car le froid, ainsi qu'il est connu,
retarde les fonctions animales des insectes, et les suspend même
entièrement quand il parvient à un certain point; de sorte
qu'un animal peut rester ainsi des années dans un état d entière
léthargie et de parfaite inactivité, sans mourir, et peut reprendre
ensuite toutes ses fonctions lorsqu'on le transporte dans un air
tempéré. Quoi qu'il en soit, les miennes firent leurs deux ou
trois repas par jour; et après s'être repues, elle se courberent
en hélice ou limacon, comme la sienne, ainsi qu'on la voit
représentée fig. 22, en se tenant couchées sur la feuille dont
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE. 67
elles vivoient et accrochées par les six pates antérieures, avec
une force suffisante 4 pouvoir braver des vents assez violens.
En Juillet, mes fausses-chenilles de cette espèce, sans que
j'aie remarqué qu'elles eussent premièrement quitté leur peau
comme le font grand nombre de celles de leur classe, entrè-
rent en terre. Elles s’y firent des coques ovalaires, passable-
ment unies, dont la forme, un peu rétrécie vers le milieu, se
voit fig. 25, et qui, pour la couleur, ressembloient à du cuivre
rouge mat, et par la dureté pouvoient résister à une pression
de quelque force. L’insecte s’y changea en une nymphe blan-
châtre, à yeux noirs, dont tous les membres se distinguoient
aisément, et étoient arrangés ainsi qu'on le voit par devant
fig. 24, et de côté fig. 25. Il n’y avoit que les ailes, qui
ramassées en tas, et appliquées contre les côtés de la nymphe,
se terminoient entre la seconde et la troisième paire de jambes,
qui ne se reconnoissoient pas si bien. J’eus en juin de l’année
suivante des mouches mâles et femelles de ces fausses-chenilles,
et ainsi après moins d’une année de jeûne. »
Na deze beide aanhalingen zal ik mij in mijne beschrijving
zeer kunnen bekorten. Het ei bleef mij onbekend en wordt
waarschijnlijk door den forschen legboor van het wijfje in eene
door haren zaag veroorzaakte snede van een wilgentakje ge-
schoven. De larven die ik vond, waren reeds twee- of driemaal
verveld; zij waren dan, op de grootte na, gelijk aan de vol-
wassene, afgebeeld bij fig. 1. De kleur van kop en ligchaam
is een grauw groenachtig geel; over den rug loopt, te beginnen
vlak achter den kop en doorloopende tot zeer digt bij den anus
eene helder blaauwe streep, die in de plooijen donkerder is;
het geheele lijf is door plooijen overdwars in rimpels verdeeld
en op de rimpels staan fijne witte korreltjes of pukkeltjes. Er
zijn 22 pooten. De luchtgaten zijn zwart omzoomd en de zoo-
men aan de onderzijde wat verbreed, zoodat zij hertenhoefvor-
mig worden; daar boven liggen de spuitgaatjes.
Van de reeds beschreven larve van Connata verschilt deze
doordien er geene geele strepen op den rug tegen de blaauwen
aanliggen, doordien de grondkleur niet zoo groen is en boven
68 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
de luchtgaten geene rij donkere stippen vertoont en de huid
onder de luchtgaten niet zoo wratachtig is.
Van de larve van Sylvarwm verschilt zij doordien zij minder
geel, meer grauw is, een donkerder kop heeft en share rugge-
streep hooger begint en lager voortloopt; ook is die onder de
luchtgaten wratachtiger.
Wat het voedsel betreft, Femorata eet bladeren van witte wilg of
schiet- en knotwilg, Connata elzen- en Sylvarum berkenbladeren.
Als larve leeft Femorata van Junij tot Augustus of Septem-
ber; zij verpopt niet aan de takken, maar maakt haar cocon
in het molm der boomen of aan hunnen wortel. Het cocon is
donker gekleurd. Het dier verpopt eerst 14 dagen of drie weken
voor het uitkomen der wesp; deze knaagt of knipt, gelijk de
andere soorten, met de kaken een calotje van het cocon af.
Enkele larven blijven twee winters, of beter gezegd anderhalf
jaar in het spinsel.
De mannelijke wesp is van die van Connala niet te onder-
scheiden dan door dat de vleugels geen hemelsblaauwen gloed
vertoonen. Ik vind het overbodig dit dier omstandig te be-
schrijven; de vergelijking der teekening fig. 4 en 5 met die
van fig. 16 op Plaat 2 Deel VII, eerste Serie, moge volstaan.
Alleen zou ik zeggen dat de kleur van het ligchaam mij don-
kerder schijnt; terwijl de sprieten meer geheel rood zijn, doch
ik durf niet beweren dat deze kenmerken altijd doorgaan.
Het wijfje verschilt mede zeer weinig van dat van gemelde
soort. Het borststuk, dat bij Connata meer gebronsd is, ver-
toont zich bij onze soort even als de kop met eene dikkere be-
kleeding van wollige bruingeele haren bedekt. Het purper van
het achterlijf is hier veel zwarter, niet zoo roodkoperkleurig en
strekt zich gewoonlijk minder ver naar achteren uit; bij Connata
namelijk is segment 1 en 2, met een driehoek op 5 van die
kleur, bij Femorata alleen segment À met driehoekjes op het
midden van 2 of meer volgende segmenten *.
1 Ik kan mij niet genoeg beklagen over het slechte coloriet van de beide platen
van Connata; de eerste is nog dragelijk, ofschoon slordig, maar de tweede heeft vele
gebreken. Fig. 3 mist alle spiegeling van licht; bij fig. 14 zijn de wangen, de
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE. 69
Bij fig. 6 heb ik de tars van een achterpoot vergroot afge-
beeld om de aardige zooltjes duidelijk in het oog te laten vallen,
die de leedjes aan de onderzijde aanbieden. Deze zooltjes be-
staan uit eene platte schijf met dikken, uitpuilenden spierach-
tigen rand.
In de naamlijst heb ik deze soort Cimbex lutea genoemd;
het is de Linneaansche naam van het wijfje. Ik noemde haar
zco in navolging van Zaddach; ik zie evenwel dat Linnaeus het
mannetje, dat hij Femorata noemt, eerst beschreven heeft en
geloof daarom dat het verstandiger is dezen laatsten naam te
gebruiken, tenzij men beide namen als collectief-namen van
eenige soorten, welke door hem voor een werden aangezien,
geheel late vallen, in welk geval aan den naam van Brischke
en Zaddach Cimbex Saliceti de voorrang moet worden toegekend.
De vrouwelijke verscheidenheid Pallens , die volgens genoemde
schrijvers mede uit larven op wilgen is voortgekomen, verschilt
door de volgende kenmerken: de rug van haar borststuk is
van dezelfde leemgeele kleur als de randen van den prothorax
en draagt alleen eene wigvormige bruine vlek op den meso-
thorax; het achterlijf is bij de twee mij bekende exempla-
ren geheel geel, zonder donkerpaarse band of vlekken; eindelijk
zijn de pooten geheel geel en is de buitenrand der voorvleugels
bruin bewolkt. Deze twee voorwerpen missen het bewijs van
herkomst, waarom ik niet durf verzekeren dat zij inlandsch zijn.
Verklaring van Plaat 5.
De volwassen larve,
Het cocon.
De pop.
De mannelijke wesp.
Een harer sprieten, vergroot.
Een achtertars, vergroot.
Eene vrouwelijke wesp.
à
x SO Gm OT LD =
hoeken van den prothorax en de voorrand van den metathorax bruin in plaats van
geel; het achterlijf geverwd, in plaats van met sapverw geteekend en de vleugels zijn
veel te donker en missen alle licht. Bij fig. 16 zijn mede de vleugels door het op-
leggen van te veel kleur geheel verknoeid.
70 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
BIJVOEGSELS TOT REEDS VERSCHENEN BESCHRIJVINGEN.
Plaat 4.
4. Cimgex Lucorum L. Sedert ik deze soort in het laatste
door mij uitgegeven stuk (2e Serie, Deel HI, bl. 197 vlgg.) be-
handelde, heb ik ook met hare pop kennis gemaakt. Mijn
vriend Mr. de Roo van Westmaas deelde mij mede dat de
soort in berkenboomen op zijne plaats Daalhuizen, bij Velp,
niet zeldzaam was, dat de cocons des winters tegen de takjes
zeer zigtbaar waren en dat hij er voor mij zou laten verzame-
len. In het begin der maand Maart ontving ik dan ook door
zijne bereidvaardigheid een zeker aantal cocons, die larven en
poppen bevatten; tegen het midden dier maand trok ik eene
der laatsten uit haar cocon en beeldde haar af; naar die tee-
keningen zijn fig. Î en 2 vervaardigd. Men ziet aan de kleur
dat de pop reeds eenige dagen buiten de laatste rupsenhuid
heeft vertoefd; zij moet evenwel nog sterker verkleuren, eer
zij zich van haar zeer dun poppenhuidje ontdoet.
2. Cimpex Syıvarım F. Onze afbeelding (fig. 5) dient eigen-
lijk tot aanhangsel van de soort, die wij zoo even heschreven
hebben, C. femorata. Het kwam mij niet ongepast voor, de
larve van Sylvarum nu maar dadelijk bekend te maken, of-
schoon het mij aan afbeeldingen van ei, pop en cocon ontbreekt
om de geheele metamorphose mede te deelen. Men kan nu het
verschil tusschen de beide soorten in larventoestand om zoo te
zeggen, met een opslag van het oog leeren apprecieren, want
het zal iedereen terstond opvallen dat de larve van C. Sylvarum
een grooter en bleeRer kop heeft, dat de geheele grondkleur
van hare huid geeler is, vooral in de omgeving van hare lucht-
gaten en naar de blaauwe ruggestreep toe, voorts dat deze
ruggestreep verder van den kop af begint en verder van den
anus ophoudt. Builendien is, hetgeen men in de teekening niet
Cimbex femorata, L.
S.v.V. fec.
v7
N VT Zg Las x
a Nr je L A
IP, j
[ / D 4
à 4
n Z
; 7 4
a ;
2
=
3 A OT LS
Sa
3 Cimbex Sylvarum.
1,2 Cimbex Lucorum.
4,5 Lophyrus Pini, var. 6-9 Nematus ventricosus
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE. 71
zoo duidelijk waarnemen kan, het ligchaam boven de pooten
met grooter wratten bezet dan bij de andere soort.
Het zou mij zeer aangenaam zijn indien ik de geheele levens-
geschiedenis dezer soort spoedig in dit Tijdschrift kon mede-
deelen, doch daar het schijnt dat alle Cimbices in ons land
tamelijk zeldzaam zijn, voed ik daartoe nog geringe hoop.
Ondertusschen vlei ik mij met de gedachte dat de leden van
onze vereeniging, nu door deze afbeelding het dier, dat ver-
langd wordt, kennende, de voorwerpen die zij er van tegen-
komen, wel zullen willen opzenden aan mijn adres.
5. Loruyrus Pint. L. Wanneer men de larve bij Fig. 4
afgebeeld, vergeliikt met die in Deel I op Plaat 11 gegeven,
dan zou men zeker verwachten dat zij eene andere soort van
Lophyrus-wesp zoude opleveren; zoo dacht ik ook, en werd
slechts gedetrompeerd door het te voorschijn komen der wespen,
4 in getal, 5 wijfjes en 1 mannetje. De heer N. H. de Graaf
had deze larven den 7% Julij 1858 op dennen buiten Wasse-
naar gevonden en had de beleefdheid die voor mij mede te
nemen. De kop (fig. 3) was bijzonder langwerpig, lichtgroen
gekleurd, eenigzins bruinachtig met de oogen in twee pekzwarte
vlekken en van daar uit twee vuilgroene kromme veegen, die
naar elkander en de middennaad toeloopen; eene dergelijke dwars-
vlek zag men op het kopschild. De kleur van het ligchaam aan
rug en zijden was vuilgroen, aan den buik groenachtig geel;
over den rug liep eene zeer onregelmatige zwarte streep, nu
eens wat breeder, dan wat smaller. Het geheele lijf was zeer
gerimpeld en behalve de bij Pint gewone zwarte dwarsstreepjes
boven elke poot, zag men op de zijden van het lijf nog elf
bruine vlekken ter wederzijde, waarvan de 5 eersten wat ver
der van elkander stonden dan de & laatsten. De laatste ring
van het ligchaam was glad en zonder rimpels Bij de laatste
vervelling verkregen zij bruine koppen, zoo als de type bezit,
doch iets smaller; de vlekken in de zijden en de ruggestreep
waren toen ook nog aanwezig. Zij begonnen den 19%" Julij
hunne cocons te vervaardigen en de wespen kwamen uit zonder
dat ik den juisten dag heb genoteerd,
72 DE INLANDSCHE BLADWESPEN IN HARE
Is dit nu slechts eene varieteit der rups, zoo als Hartig in
zijn bekend werk er eenigen heeft opgeteekend, of hebben wij
hier, even als in het geval met de zoogenaamde Cimbex varia-
hilis met meer dan een soort te doen, waarvan de larven ver-
schillen, maar de wespen zoo sterk op elkander gelijken, dat
zij niet te onderscheiden zijn? Men zal zich herinneren dat
Lophyrus similis alleen om het verbazend groote verschil in
kleur in den larventoestand, stellig voor eene andere soort ge-
houden wordt.
4, Nematus ventricosus? Zie hier nog een dergelijk raadsel.
Eene geheele school larven, gelijk aan de afgebeelde bij fig. 6,
werd door Dr. Wttewaall den 50° Mei te Voorst op wilde
(of verwilderde) kruisbessen gevonden. Later vond hij eene andere
dergelijke school op gecultiveerde kruisbessen in een’ tuin te
Utrecht. Beiden leverden wespen, die niet verschilden van de
soort, door mij reeds vroeger (Deel II Plaat 4) onder dien naam
behandeld. Ondertusschen verschilden de larven toch te sterk,
om haar voor eene en dezelfde soort te houden.
In de voorlaatste rupsenhuid (zie fig. 6 en 7) was de larve
niet groen of blaauwgroen, gelijk de type van Ventricosus,
maar grijs, eenigzins naar het blaauwe zweemend; de kop was
glanzig zwart, met groene wangen; het eerste en het 10° en
11 segment waren bleek geel, de buik en stompe pooten licht-
grijs. Overigens was het lijf bezet met rijen zwarte knobbeltjes,
die elk een kort zwart haartje droegen, doch het kwam mij
voor, dat er in iedere rij minder knobbeltjes waren dan bij
den type. Dit is evenwel bij vergelijking mijner beschrijving en
afbeelding in het tweede deel niet uit te maken, waaruit ten
4° is af te leiden dat deze beschrijving en afbeelding onvol-
doende zijn en ten andere, dat men eigenlijk in beschrijvingen
niet omstandig genoeg wezen kan, daar men niet kan voorzien,
welke geringe bijzonderheden later blijken van bijzondere waarde
te zijn. Waarom zijn eigenlijk alle beschrijvingen der oude ento-
mologen, zoo zij niet versterkt worden door hunne aanhalingen
van duidelijke figuren, of zoo zij niet door anderen worden
verduidelijkt na inspectie hunner verzamelingen, van zeer ge-
=
GEDAANTEWISSELING EN LEVENSWIJZE. 75
ringe waarde? Omdat hunne beschrijvingen, zelfs de langsten ,
te oppervlakkig zijn.
Boven de pooten hadden mijne kruisbessen-larven breedere
zwarte wratjes, met meer dan een haar bezet, en aan den anus,
na eene dubbele rij van kleine zwarte stipjes, een vierhoekig
glanzig zwart vlekje, aan wederzijde afgesloten door een zwart
blinkend doorntje (zie fig. 8).
Na de laatste vervelling was er mede groot verschil tusschen
deze verscheidenheid en den type. De type was lichtgroen met
geele eerste en laatste segmenten; de varieteit was vuil paars-
kleurig, met een bijna niet te schatten zweem van groene
kleur; de eerste ring, de zijden van den tweeden, en aan
wederzijde eene vlek op den vierden met het 11° en 15° seg-
ment waren oranjekleurig; het 12° segment, tusschen dezen,
was alleen wat geeler dan de middensegmenten.
De wesp uit deze larven was volkomen gelijk aan de vroeger
gekweekte exemplaren van Nem. ventricosus.
5. NEMATUS VALLATOR. De eijeren van deze soort worden ten
getale van 2. 5 of 4 naast elkander in de middenader van een
populierblad aan de onderzijde ingestoken.
6. Nematus SEPTENTRIONALIS. In de maanden Junij en Juli)
vond ik larven van deze soort op berken; gelijk ik bij de be-
schrijving der soort mededeelde, komt zij volgens Ratzeburg
ook nog op breedbladige wilgen, vogelkersen, hazelaren en
balsempopels voor. Ik hield dit voor eene verwisseling van ver-
schillende, weinig van elkander afwijkende soorten, doch om-
trent het voorkomen op berken moet ik nu (in 1859 had ik
de larven nog maar uitsluitend op elzen waargenomen) Ratze-
burg gelijk geven. Ik vond tusschen al die larven geen verschil.
Uit larven die in half Junij hunne cocons sponnen, kwam den
19%" Julij eene vrouwelijke wesp te voorschijn. Deze verschilde
van den type alleen daarin, dat de scheenen der middenpooten
bovenaan wit zijn en daarna zwart (in plaats van bruinachtig
lichtrood) en de tarsen zwart. Bij een exemplaar dat den
215% Augustus uitkwam, nam ik hetzelfde waar. Later heb ik
eene geheele school van larven, op berken aangetroffen, opge-
74 DE INLANDSCHE BLADWESPEN ENZ.
kweekt, die mij elf wespen opleverde, zes mannelijke, en vijf
vrouwelijke. Het merkwaardige van deze opkweeking was, dat
alle mannetjes volkomen overeenkwamen met de beschrijving
bij Hartig, doch dat de wijfjes allen afweken en wel voorna-
melijk door de kleur der midden- en achterdijen, gelijk zulks
uit de volgende tegenstelling blijkt.
Pooten. Man. Wijf.
1° paar. Heup en apophysen zwart... . zwart.
Dip TOO onee BE 5 Gis oo. se 3 zwart, laatste vierde rood.
Scheen rood met witte basis... rood met witte basis.
Harsnoode rene 0 rood.
9° paar. Heup en apoph. zwart...... zwart met een wit boordsel.
Dij rood, met zwarten sche-
mer aan de basis........ zwart.
Scheen half wit, half rood met
bruin randje aan de spits. . half wit, half roestbruin.
Tarsrood un an. roestachtig rood.
5° paar. Heup half zwart, half wit... . zwart met wit uiteinde.
Apophssenwit ii. wit.
Di) rood met zwarte knie... . zwart.
Scheen half wit, half zwart .. half wit, half zwart.
Mans zwant. oe 29 2 zwart.
In allen gevalle blijkt hieruit dat het kenmerk der kleur
onstandvastig is. De dwarsband op de vleugels, welke Nematus
varus Villaret mist, was bij al deze voorwerpen zeer duidelijk
zigtbaar.
Verklaring van Plaat 4.
Fig. Pop van Cimbex Lucorum.
Dezelfde vergroot.
Larve van Cimbex Sylvarum.
Verscheidenheid der larve van Lophyrus Pini.
de
” 9
3
4
» 5. Haar kop van voren.
6
7.
8.
9?
”
Larve van Nematus.... ventricosus ?
Haar voorste ringen, vergroot.
Haar anusklep, vergroot.
Dezelfde larve na de laatste vervelling.
NASCHRIFT TOT DE AANTEEKENING OVER
CHLOANTHA HYPERICI W. V.
(Zie Tijdschr. v. Ent. 2e Serie, IV, p. 175.)
DOOR
PIE DT SN EEE EN:
Een afdruk dezer aanteekening aan Prof. Zeller zendende,
ontving ik weldra van ZEd. eenen brief waarin hij mij berigtte
dat hij na lezing van het door mij medegedeelde de in zijne
collectie aanwezige 14 exemplaren had onderzocht en bevonden
had dat allen onbehaarde oogen hadden, zoodat hij vermoedde
dat mijn voorwerp eenen valschen kop had en mij dus aanried
dit te onderzoeken, Onmiddelijk na ontvangst van dit schrijven
zette ik mijn exemplaar van Chloantha Hyperici op nat zand
te weeken en inderdaad hing den volgenden dag de kop los bij
het ligchaam, zijnde hij er met arabische gom aangeplakt.
Prof. Zeller ried mij aan om, wanneer ik inderdaad bevond
dat ik met een vervalscht voorwerp bedrogen was, den naam
bekend te maken van hem die het mij had geleverd, want,
gelijk hij zeer te regi aanmerkt, « zulke bedriegerijen kunnen
niet streng genoeg worden bestraft.» Ik zal echter den naam
van mijnen leverancier niet schandvlekken, want het geheele
exemplaar duidt aan dat het niet door hem is opgezet en hij dus
waarschijnlijk van de gepleegde vervalsching geene kennis droeg.
Het vormen van een nieuw genus voor Noctua Hyperici is
dus niet noodig daar zij eene echte Chloantha is.
Rotterdam, 14 Sept. 1869. P. C. T. SNELLEN.
AANTEEKENINGEN OVER
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
Naauwelijks is er een jaar verloopen sedert het manuscript
mijner «Vlinders van Nederland » mijne handen verliet en reeds
zie ik mij in staat, het waarnemen van een aantal voor ons
vaderland nieuwe soorten, tot de Macrolepidoptera behoorende,
mede te deelen. Dat het toeval de ontdekking van die soorten
moge begunstigd hebben, is wel aan te nemen, doch de hoofd-
oorzaak ligt daarin, dat verscheidene ijverige Entomologen in
de zuiderhelft des lands — tevens het aan vlindersoorten rijkste
gedeelte daarvan — zich bijzonder op het nasporen der inland-
sche Lepidoptera hebben toegelegd. Hoewel het met grond te
verwachten is dat de ontdekking van nog meer soorten het ge-
volg van de voortdurende werkzaamheid onzer Lepidopterologen,
vooral in het bovengenoemde gedeelte onzes vaderlands zal zijn,
zoo komt het mij toch voor dat ik onbillijk zoude handelen
met de vermelding van het reeds gevondene langer uit te stellen.
De vriendelijkheid der ontdekkers toch die mij hunne voorwerpen
tot verifiëering der determinatie toezonden, maakt het mij ten
pligt, de gelukkige vondsten bekend te maken, ook tot aanspo-
ring van anderen. Ik heb dus het genoegen hierbij de namen
van 19 Macrolepidoptera, nieuw voor de fauna van Neder-
land, op te geven, met korte vermelding hunner kenmerken
en der vindplaatsen, terwijl ik de gelegenheid waarneem hierbij
tevens eenige door mij verzamelde aanteekeningen over de
AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA, 77
reeds door mij beschrevene soorten het licht te doen zien en
het stuk van den heer de Gavere, getiteld: « Notices sur quel-
ques Macrolépidoptères indigénes» zie Tijdschrift voor Entomo-
logie, X° deel (2° Serie, deel 2) p. 185 enz. te bespreken. De
vermelding van eenige andere mij nog buitendien als nieuwe
inlandsche Macrolepidoptera opgegevene soorten, houd ik om
verschillende redenen terug, daar ik het mij tot vasten regel
heb gesteld om geene soorten op te geven dan die, waarvan
ik exemplaren heb gezien’, en die mij ook buitendien niet
den minsten twijfel aan hare indigeniteit overlaten.
Het is mijn voornemen, deze opgaven van tijd tot tijd te
vervolgen, weshalve ik mij aanbeveel voor mededeelingen van
nieuwe soorten, vangplaatsen van reeds bekende doch zeer zeld-
same soorten en in het algemeen van alle opmerkingen die tot
aanvulling en verbetering zouden kunnen strekken van mijne
beschrijving der Nederlandsche Macrolepidoptera.
De nieuwe soorten, systematisch gerangschikt, zijn:
Sect. A. Rhopalocera.
Fam. A. PAPILIONIDAE.
Subfam. B. Sarinypag.
Genus. II. Pararge Ub. *
5. Maera L.
Bovenzijde bruingrijs met hoogrood geel, de vleugelwortels
ddar ongeteekend. 44—48 mm.
L. S. N. Ed. X. 96. — H. Pap. f. 174, 175 2 p. 29. N. 50. —
O. et Tr. 1. 1. 931; X. 1. 56. — Adrasta O. et Tr. IV.
157. — H. Pap. f. 856—859.
De vlinder onderscheidt zich van Megaera met wien hij in
bouw en aanleg van teekening zeer overeenkomt, behalve door
2 Ik neem dus de vier door den heer de Gavere als nieuw opgegeven soorten, te
weten: Argynnis Pales W. V. (Arsilache Esp.), Zygaena Minos W. V., Z. Lonice-
rae Esp. en Nemoria Porrinata Zell. nog niet op. De nasporing dezer species beveel
ik der zorgeñ van onze Lepidopterologen bijzonder aan,
* Volgens Dr. Speyer en niet Pararga Hb.
78 AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA.
zijne meerdere grootte, steeds door het ontbreken der teeke-
ningen op de bovenzijde der vleugelwortels. Slechts zelden is
een flaauw spoor te zien van de duidelijke donkere streepjes
die men bij Megaera in de middencel der voorvleugels bemerkt.
De type dezer nieuwe soort is overigens op de bovenzijde effen
donker grijsbruin van grondkleur; veorbij de dwarsaders met
eenen band van hoogroodgele vlekken voor den achterrand; een
groot, zwart, witgekernd oog in de voorvleugelpunt en twee of
drie kleinere langs den achterrand der achtervleugels; bij de
varieteit, Adrasta Hfimgg., O., verbreidt zich dit roodgeel ook
wortelwaarts der dwarsaders over den vleugel.
Rups volgens Ochsenheimer groen met witte zijdestreep en
donkere ruglijn. Op Poa, Festuca.
Door den heer F. M. J. Heylaerts Jr. is einde Julij een
stuk op de Galdersche heide bij Breda in Noordbrabant gevon-
den, terwijl de heer Maurissen mij opgeeft dat de heer Maassen
einde Junij een exemplaar der varieteit Adrasta bij Vaals in
Limburg ving.
Fam. 2. HESPERIDAE.
Gen. I. Syrichthus, Bdv.
2, Sao H.
Vergelijk VL v. N. p. 80 noot 1 voor de kenmerken enz.
dezer soort, die eene vlugt heeft van 21—25 mm.
Zij is niet zeer zeldzaam in het begin van Junij in de ves-
tingwerken ten zuiden van Maastricht (Maurissen.).
Sect. B. Heterocera.
Fam. 6. PSYCHIDAE,
Gen. 1. Psyche Schrank.
1°. Villosella, 0.
De op p. 121 noot 1 der VI. v. N. vermelde zakken hebben
in Julij 1867 vlinders van Psyche villosella opgeleverd; ik ont-
ving de voorwerpen echter te laat, om de beschrijving nog te
kunnen opnemen,
AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 79
De invoeging dezer nieuwe soort vereischt eene kleine wijzi-
ging in de analytische tabel van het genus Psyche op p. 121.
I blijft, doch dan komt: Achtervleugels met 7 aderen (Unicolor,
Villosella.) Achtervleugels met 8 aderen (Fusca). De nadere ken-
merken van Villosella zijn alsdan:
Vleugels dun grijs behaard, de voorrand der voorvleugels
bijna ongebogen, hunne dwarsader donkerder en dikker
bekleed dan het overige van den vleugel; lijf zeer dik en
wollig behaard. Vlugt 24--26 mm.
Vergelijk: O. et Tr. 5. 180. — H.S. S. B. 2 p. 20 Bomb.
f. 100 (3). — v. Hein. I p. 181. — Backer T. v. E. X.
(2° serie 2) p. 256—9 pl. 11.
Voor beschrijving van rups en vlinder zie men verder het
Tijdschrift 1. c..
Behalve op de heidevelden der Veluwe in Gelderland waar de
heer Backer Jr. te Oosterbeek deze soort het eerst ontdekte,
is zij ook in Noordbrabant bij Breda door den heer Heylaerts
aangetroffen.
Fam. 9. CHELONARIAE.
Subfam. B. Norina.
Gen. II. Nola Leach.
1°. Togatulalis H,
Behoort onder afdeeling I en hare diagnose is:
In de achtervleugels ader 4 aanwezig, gesteeld met 5; op de
voorvleugels de eerste en tweede dwarslijn spits geland, de
laatste van ader 5 tot den voorrand met eene groote bogt;.
tusschenbeiden meestal eene zeer dikke, rondgebogen zwarte
middenlijn. Vlugt 22—26 mm.
Bye 1. 1500 Klo) pr 7 Ni 4. — Os et Tr. VIL 91, X.
5. 40.
Verreweg de grootste soort van het genus. De steel van ader
5 en 4 der achtervleugels zeer lang en daardoor die aderen
vrij kort. Grond der voorvleugels witgrijs, het middenveld don-
80 AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA,
kerder, de middenlijn soms dubbel (bij het exemplaar van
Maurissen) ook wel niet aanwezig volgens Treitschke. Achter-
vleugels bruingrijs, zonder middenvlek.
Van einde Junij tot in Julij.
Rups op eiken, zie bij Tr., X. 5. 40, waar zij uitvoerig be-
schreven is.
Een exemplaar dezer nieuwe soort is bij Venlo in Limburg
gevonden (mededeeling van den heer Maurissen).
Fam. 16. CYMATOPHORIDAE.
Gen. II. Nov. Gen. *
4. Diluta W. V.
W. V. p. 87. Fam. I. N. 6. — H. Noct. f. 206 2. — O. et Tr.
V. 1. 90, VI. 1. 580. — Wd. f. 550. — Vlugt 50 —55 mm.
Voor de kenmerken van het m. i. onder de Cymatophoriden
nieuw te vormen genus, zie men de in de noot aangehaalde
plaats. Diluta onderscheidt zich overigens van Cymatophora Or
en Ocularis, met wie zij in bouw, grootte en teekening over-
eenkomt, door het ontbreken der cijfervormige lichte vlekken
in het middenveld der voorvleugels; dit middenveld is afgezet
door twee bruine banden, aan de toegewende zijden gezoomd
mel fijne zwarte, tegen den voorrand divergeerende lijnen.
September.
Rups volgens Treitschke in Mei op eiken, waskleurig bleek-
geel met zwarten kop.
Een exemplaar dezer voor onze fauna nieuwe vlindersoort is
door den heer Hamm in Limburg bij Venlo gevangen. Het zal
in September tegen een eikenboompje (Maurissen).
Fam. 17. NOCTUINA.
Gen. VII. Cirrhoedia Gn.
1. Xerampelina H.
Voor de generieke en specifieke kenmerken dezer nieuwe
+
1 Het stuk waarop de schrijver doelt en dat wegens plaatsgebrek is blijven liggen,
zal in de volgende aflevering het licht zien. Rep.
AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA, 81
soort vergelijke men VI. v. N. p. 244, noot 2. De vlugt
van den vlinder is 27—55 mm.
Een 2 is door den heer Ziegeler tegen eenen esschenstam in
Limburg bij Maastricht gevonden (Maurissen).
Gen. XI. Anchocelis Gn.
1. Lunosa Haw.
Haw. If. 205. — Wd. f. 185 (3). — Gn. Noct. I. p. 567.
N. 612. — H. S. S. B. 2. p. 199 noot, f. 289 (9). —
Neurodes H. S. Noct. f. 94. — Vlugt 52—56 mm.
Het onderscheid tusschen Aporophyla en Anchocelis zou vol-
gens Lederer (Noctuinen Europa's, p. 50 sub. N. 26) daarin
bestaan, dat bij het eerstgenoemde genus de palpen opgerigt
en de habitus en teekening die der Hadeniden zouden zijn,
terwijl hij van het tweede zegt: » Palpen hangend, habitus en
teekening der Orthosiden.» Bij het schrijven van mijn boek
bezat ik Auch. lunosa nog niet, doch thans kan ik, bij onder-
zoek mijner 3 stuks, zooveel verschil in den toestand der pal-
pen met Aporophyla niet zien, maar het tweede kenmerk
onderscheidt ten minste onze Aporophyla-soort, lutulenta W.V.,
duidelijk van Anchocelis lunosa, want de vlinder herinnert dade-
lijk aan Orthosia pistacina en Tueniocampa gracilis. Guenée,
die deze vooral in het westen van Europa voorkomende soort
omstandig en ook met hare rups beschrijft, beschouwt als type
de voorwerpen met zwartgrijze, scherp heldergeel geaderde,
duidelijk geteekende voorvleugels; var. À heeft bruinachtig,
roodachtig of groenachtig gele voorvleugels die mede duidelijk
geteekend zijn, en bij var. B zijn zij ijzerroestkleurig zonder
andere teekening dan eene zeer duidelijke reeks van zwarte stippen
langs de golflijn. De rups gelijkt naar zijne beschrijving op die
eener Agrotis van afdeeling C. Zij wordt in April op drooge
‚plaatsen gevonden, waar zij van gras leeft. Vliegtijd volgens
Guenée Julij (Zie onder).
De eerste waarnemer hier te lande is de heer van Medem-
bach de Rooy Jr., die den Aster October 1867 een d, tot de
82 AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA.
var. A behoorende, te Beek bij Nijmegen ving. Het exemplaar
is gaaf en behoort misschien tot eene tweede generatie, waar-
van Guenée niet spreekt,
Gen. XXXII". Hyppa Dup.
1. Rectilinea Esp.
Het uit ééne europesche soort bestaande genus Hyppa in
mijne analytische tabel der Noctuinen-genera op p. 245 komende,
onder: ee, f, gg, » Thorax zonder pluim achter den halskraag. —
Vlinders groot, stevig gebouwd. — De bekleeding van den rug
alleen uit haren bestaande,» — is van het mede uit eene soort
bestaande genus Moma H te onderscheiden door de palpen,
wier eindlid bij Hyppa kort en dik is, terwijl de kleur en de
aanleg van de teekening der voorvleugels geheel afwijken van
Moma en aan Xylina en Cucullia herinneren.
Men zie voor de beschrijving van het volmaakt insekt noot 1
op de genoemde p. 245 en de daar opgegeven schrijvers. De
vlugt van den vlinder is 55—40 mm. Rups volgens Treitschke
in gedaante op die van Dipter. scabriuscula gelijkende, bruin, op
den rug met schuine donkerder streepjes en een blaauw waas.
Zij leeft in October en November volwassen op bramen, weeg-
bree, aardbeziënplanten en andere lage gewassen, overwintert
en verpopt in het voorjaar.
De heer F. M. J. Heylaerts ving een afgevlogen, doch nog
kenbaar voorwerp in het begin van Junij bij Breda. Tezelfder
tijd zijn verscheidene exemplaren door de heeren Lewe van
Middelstum, van Medembach de Rooy Jr. en door mij in het
Rijkswoud bij Kleef, digt bij onze grenzen gevangen.
Gen. LIP. Meliana Curt.
1. Dubiosa Tr.
O. et Tr. X. 2. 86. — H. S. S. B. 2. p. 226 Noct. f. 556 2. —
Schmidt, Stett. E. Z. 1858 p. 545. — Flammea Wd. f.
1458. — Vlugt 55—40 mm.
Zie voor de generieke en specifieke kenmerken noot 2 op
p. 240 mijner VI. v. N. De kop van den vlinder is echter niet
AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA, 85
met schubben, maar met kort afgeschoren haren bekleed en
de achtervleugels van al de mannelijke vlinders die ik zag zijn
grijs.
Van deze soort heeft de heer J. C. J. de Joncheere, te
Dordrecht, den 18 Mei 1867 een 4 bij die stad gevangen en
in Mei 1868 weder een. Ook bij Groningen gevonden door
Dr. de Gavere.
Gen. LV. Agrotis OF et Tir:
B. .
7°. Neglecta H.
Vlugt 55—40 mm. De kenmerken waardoor deze soort zich
van de naauwverwante Xunthographa onderscheidt, zijn op p. 409
mijner VI. v. N. opgegeven, als ook de voor haar te vergelijken
schrijvers. Agrotis neglecta varieert sterk; de vlinders kunnen
echter tot 2 hoofdrassen worden gebragt en daarvan is het
typische (Neglecta H, Tr., H. S.) op thorax en voorvleugels
grijs, lichter of donkerder, met roodachtig grijze franje; de
varieteit Cerasina H. S. f. 151—5, heeft die ligchaamsdeelen
roodbruin, ongeveer gelijk aan den type van Xanthographa ,
doch de geheele beschubbing is bij Neglecta dof en glansloos.
Augustus. Eene generatie.
Rups, door Speyer zeer uitvoerig beschreven, van het najaar
tot einde Junij op heide en boschbessen. Zij is groen, geel of
bruinachtig met breede lichte zijstreep, spint in den grond in
en ligt 4 weken eer zij verpopt.
De heer J. Backer Jr. te Oosterbeek, heeft Agrotis neglecta
het eerst hier te lande waargenomen; hij ving den 18 Aug.
1868 een lichtgrijs typisch exemplaar bij Wolfhezen, dat hij
mij ter determinatie zond. Welligt behoort ook tot deze soort
de op de titelplaat van Sepp’s IV° deel afgebeelde roodbruine
heiderups.
Gen. LVI. Caradrina, O. et Tr.
A.
1. Exigua H.
H. Noct. T. 78 f. 562 2. — O. en Tr. V. 2. 254
I
54 AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA.
H. S. S. B. 2 p. 212. f. 441 (niet duidelijk). — Milliére
Icones II. p. 222. pl. 75. f. 2, 5. (Met rups, vlinder zeer
goed). Vlugt 28—50 mm.
Noctua exigua H., door Lederer tot Caradrina gerekend, zou, .
naar mijne analytische tabel der Noctuinen-genera, een nieuw
genus vereischen, want kop en thorax zijn met groote, platte
schubben bedekt terwijl zij bij de mij bekende, waaronder ook
de, inlandsche soorten van Caradrina, slechts haren dragen. Ook
zijn de palpen zeer smal, en pooten en borst vrij glad beschubd,
terwijl Lederer teregt opmerkt dat de rug van het achterlijf op
ring 1 een pluimpje draagt.
De generieke kwestie echter daarlatende, is het zeker dat
het bovenstaande genoeg is om Zwigua van onze overige Cara-
drinen te onderscheiden en wij haar wel als eene afzonderlijke
afdeeling aan het hoofd van het genus kunnen plaatsen.
De vlinder gelijkt overigens in bouw, kleur en teekening veel
op onze bekende Clavipalpis , doch de witte, glanzige achter-
vleugels hebben bij Ewigua eenen sterken weerschijn en zijn
meer driehoekig.
Rups op Polygonum en andere lage planten, rond, naar
voren iets verdunnend, de rug zwart, de buik bleek okergeel,
de zijden met eene aan de rugzijde als een kamrad getande
vuilwitte streep (Millière).
Van deze, hoofdzakelijk het zuiden van Europa bewonende
soort, die in Italie en Spanje gemeen doch in het zuiden van
Frankrijk zelden voorkomt , terwijl zij even zoo zeldzaam is in
het zuiden van Engeland en in Duitschland nog niet gevonden
is, werd den 24 Julij dezes jaars een vrij groot (50 mm.) dui-
delijk geteekend, gaaf exemplaar gevangen bij Dordrecht, door
den heer J. C. J. de Joncheere, die dus onze fauna met eene
zeer belangwekkende soort heeft verrijkt.
Gen. LXXII. £rastria O. en Tr.
2, Deceptoria Scop.
Wortelveld en gewaterde hand der voorvleugels geheel wit,
AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 85
het middenveld grauwhruin; geene lichte tapvlek aan de
franjezijde der niervlek, — 22—26 mm.
Scop. p. 214. N. 527. — Afratula H. Noct. f. 296 e. —
O. en Tr. V. 5. 261. — Wilde p. 518.
Door het in de diagnose vermelde wordt Deceptoria van
Pyrarga onderscheiden. Men merkt verder op dat de tweede
dwarslijn der voorvleugels zeer sterk getand en gebogen is en
zich geene zwarte langsstreepjes in de bovenhelft van het mid-
denveld en van den gewaterden band bevinden.
Rups, volgens de aangehaalde schrijvers, op gras.
De heer F. M. J. Heylaerts ving bij Breda in den zomer van
het jaar 1868 een exemplaar dezer soort die nieuw voor onze
fauna is.
Fam. 19. GEOMETRIDAE.
Gen. XXVIII. MNyssia Bdv.
A.
1°, Zonaria W. V.
Zie voor de kenmerken etc. VI. v. N. p. 582, noot 1. —
Vlugt van het g 26—28 mm.
Ader 5 der achtervleugels is bij deze soort slechts weinig
dunner dan de andere aderen, doch de zeer plompe bouw van
den geheelen vlinder toont ten eerste het genus Nyssia aan.
In Limburg gevonden. Bij Venlo 2 exemplaren (van den
Brandt); Maastricht (Clumper, Maurissen, beiden 1 exemplaar);
allen in het voorjaar.
Gen. XXXI. Boarmia Tr.
C.
8. Consonaria H,
H. Geom. f. 157. — H. S. S. B. 5 p. 82 f. 246 9, — Wilde
p. 406. — Vlugt 52—54 mm.
Deze reeds op p. 589 in noot 2 besproken soort, komt in
de analytische tabel van het genus onder III, A, aaa, en
onderscheidt zich van Punctulata door de meerdere grootte en
86 AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA.
door dat: 1° de achterrand der achtervleugels puntig gegolfd,
90 de kleur lichtgrijs is. Verder is de eerste dwarslijn op de
voorvleugels dubbel, de tweede op de achtervleugels duidelijk
getand. Voor het onderscheid van Crepuscularia waarop zij in
uiterlijk zeer gelijkt, zie men noot 2 op de boven aangehaalde
bladzijde.
April, Mei. Eene generatie ?
Rups naar Wilde in het najaar op berken en linden, schors-
kleurig; verandert in den grond.
De heer H. Baron Lewe van Middelstum ving te Beek bij
Nijmegen een exemplaar dezer voor onze fauna nieuwe soort.
Gen. XXXII. Gnophos Tr.
1° Furvata W. V.
W. V. p. 108. Fam. I N. 1. — O. en Tr. VI. 1. 161. —
Furvaria H. Geom. f. 144 (3). — Vlugt 45—54 mm.
Van onze tot dusverre eenige inlandsche Gnophos (Obscurata)
onderscheiden door veel aanzienlijker grootte, heeft deze vlin-
der zeer spitsgepunte, donker blaauwgrijze vleugels; op de voor-
vleugels wordt het donkerder middenveld door 2 getande don-
kere lijnen ingesloten. Middenvlek en golflijn flaauw.
Rups volgens Treitschke op lage planten, zeer stokkerig en
stijf.
Een 3 in Limburg op den St. Pietersberg bij Maastricht door
den heer Clumper gevangen (Maurissen).
Gen. XLIX. Cidaria Tr.
K.
575, Fluviata H.
H. Geom. f. 280 2 f. 281 4. -- Hein. p. 799. — Millière
Icones II p. 577, pl. 90 f. 4—10. — Gemmata H. Geom.
f. 285. — O.et Tr. X. 2. 207. — 20—25 mm.
Deze nieuwe soort komt onder I, D, aa, bb, cc, waar eene
nieuwe verdeeling wordt gevormd:
ddd. Middenveld in het midden zwartgrijs met kleinen,
AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 37
witten, zwartgekernden ring; het overige der voor-
vleugels roodbruin met zeer fijne witte, gegolfde
teekeningen. Achtervleugels donkergrijs en roodbruin
met fijne witte lijnen.
De achterrand zie ik niet gegolfd, gelijk Heinemann opgeeft.
Deze soort verbindt eigenlijk afdeeling C en K van Cidaria.
Voor de rups vergelijke men Millière, die ik op het oogen-
blik niet bij de hand heb.
Limburg; een exemplaar bij Venlo in September door den
heer van den Brandt gevangen. (Maurissen.)
M.
66. Bifasciata Haw.
Grondkleur der voorvleugels in het middenveld zwartgrijs,
dit franjewaarts onder ader 2 ongegolfd als de deelingslijn
der tweede lichte dwarsstreep, in cel 2 en 5 met een scher-
pen hoek of twee zulke tandjes. — 18—20 mm.
Haw. II. 554. — Hein. p. 744. — Aquilaria H. S. S. B.
Ill. p. 165 f. 556. — A. Schmid, Berl. E. Z. VII p. 65 (rups).
Sprieten als bij de overige soorten van M, doch de voorvleu-
gels met vrij scherpe punt. De teekening duidelijk, eerste en
tweede lichte dwarsstreep sterk bruingeel gemengd, de voor-
vleugelpunt met een zwart, naar binnen breed vervloeijend
streepje. Het ontbreken van de lobachtige tanden in cel 2 en 5,
aan de franjezijde van het middenveld der voorvleugels onder-
scheidt deze soort dadelijk van Affinitata en Alchemillata.
Augustus. Rups, volgens Schmid, op £uphrasia lutea.
Van deze soort ving de heer van Medembach de Rooij Jr. in Aug.
1866 een fraai exemplaar op het Langewater te Velp bij Arnhem.
Gen. L. Eupithecia Curtis.
I.
A:
f.
8. Consignata Borkh.
Borkh. V. 515. 146. — Hb. Geom. f. 247 2 — 0. en Tr. VI. 2.
117. — Wilde 11. 452. — Vlugt 20—25 mm.
1
88 AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA.
Komt in de meeste opzigten overeen met de op p. 685 der
VI. v. N. noot 4 beschreven Eup. venosata F., doch de voor-
rand der voorvleugels heeft 4 groote, min of meer driehoekige
bruine vlekken die met de basis aan den voorrand hangen.
Middenvlek der voorvleugels zeer dik en lang.
April, Mei en Junij
Rups, volgens Wilde, in Junij op peeren- en pruimenboomen;
zeegroen met eene reeks van vermiljoen-roode vlekken over den
rug en eene gele zijlijn. Luchtgaten zwart, kop bleekgroen.
In Limburg; een exemplaar bij Venlo (van den Brandt), en
een ¢ bij Maastricht (Maurissen).
B.
28>. Debiliata H.
De kenmerken enz. dezer nu ook in ons vaderland ontdekte
Eupithecia zijn door mij op p. 686 noot 4 van mijn boek opge-
geven. Zij is even groot als Rectangulata.
Junij.
Een exemplaar is in Gelderland, te Beek bij Nijmegen, door
den heer van Medembach de Rooij Jr. gevangen; een ander in
Noordbrabant bij Breda door den heer F. M. J. Heylaerts Jr.
AANTEEKENINGEN.
Pag. 55 en 57 Lycaena Semiargus v. Rottb. Ik zag over het
hoofd dat de oogen, ofschoon fijn, echter duidelijk
behaard zijn. De vlinder is echter van de mede be-
haarde oogen hebbende Lyc. Icarus door het ontbre-
ken van de roodgevulde randvlekken der onderzijde
dadelijk te onderscheiden.
”„ 38. Lycaena Argiolus L. Nu ook in Zuid-Holland bij Rot-
terdam door Dr. Kallenbach gevangen.
Pag.
”
”
”
u
”
uv
”
L/4
65.
180.
LS)
En
KO
bo
S :
1O
AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 89
Noot 1 en p. 729 staat door eene schrijffout overal
Pol. Hipponoë L, dit moet zijn Hippothoë L.
. Sciapteron tabaniformis v. Rottb. In Limburg (Mau-
rissen).
. Sesia spheciformis Esp. In Limburg (Maurissen).
. Psyche fusca Haw. Noordbrabant, Breda (Heylaerts) ;
Limburg (Maurissen).
. Psyche plumifera 0. Na 1864 ook door den heer
de Roo van Westmaas weder in de omstreken van
Arnhem gevonden.
. Orgyia Ericae Germ. In 1868 talrijk in Noordbra-
bant bij Breda (Heylaerts).
. Porthesia chrysorrhoea L. Een exemplaar van den
heer Maurissen heeft op de voorvleugels twee fijne
zwarte stippen in de middencel, eene in het midden
van cel 5 en een fijn zwart half maantje in den
binnenrandshoek.
Bombyx tremulifolia B. Nu ook in Gelderland bij
Nijmegen door den heer Lewe van Middelstum. Zie
mede verslag der 25° Alg. Verg. van de Ned. Ent.
Vereeniging, p. 19.
en 455. Scoliopterya libatriv L. In de analytische
tabel van de genera der Noctuinen zijn door mij de
naakte oogen van het genus Scoliopteryx verkeerde-
lijk als onbewimperd opgegeven. In het afgeloopen
najaar een paar versch gedoode exemplaren van
Libatrix onderzoekende, zag ik echter de roodgele
wimperharen zeer duidelijk en tegelijk, dat wanneer
men den spriet op en neder bewoog, ook de wim-
perharen de beweging volgden, waaruit ik opmaak
dat zij met de inrigting der sprieten in verband
slaan en dat dus de oogbewimpering niet zoo onbe-
teekenend is als men op het eerste gezigt wel zou
denken.
. Acronycta Euphorbiae W.V. Door den heer Heylaerts
bij Breda weder ontdekt in twee exemplaren (4 2)
90 AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA.
die ik door de vriendelijkheid van den vinder voor
mij heb. De vlugt is 51—52 mm.; zij zijn dus klei-
ner dan de door mij voor Zuphorbiae opgegeven
maat, verder is de kleur nog donkerder en de zwarte
bestuiving grover en digter dan bij duitsche exem-
plaren in mijne collectie. In vleugelvorm toonen zij
geen overgang naar Acronycla Myricae Gn. uit
Schotland, maar komen in dat opzigt juist overeen
met Euphorbiae H. S. f. 575, 576. Waarschijnlijk
zijn echter Euphorbiae W.V., Euphrasiae Brahm.,
abscondita Tr. en Myricae Gn. niet specifiek verschillend.
De heer H. had Zuphorbiae eerst voor Auricoma
aangezien. Deze soort onderscheidt zich echter hij
al het overeenkomende met Euphorbiae bijzonder
duidelijk daarvan door de zwarte pijlvlek in cel 1°,
welke bij laatstgenoemde ontbreekt.
Pag. 280. Aporophyla lutulenta W. V. De zoon van den ont-
dekker dezer soort hier te lande, de heer van Medem-
bach de Rooy Jr., had het genoegen haar bij Arnhem
weder te vinden. Bij Wolfhezen trof hij met den
heer Backer Jr. in Junij verscheidene rupsen op
Calluna vulgaris. Ook zijn in Noordbrabant bij Breda
door den heer Heylaerts een 9 en in Utrecht bij
Soest door den heer Kinker een g gevangen.
» 504. Orrhodia Silene W.V. Ook in Noordbrabant bij Breda
(Heylaerts).
„ 315. Xylina furcifera Hin. Bij Breda een exemplaar (Hey-
laerts); Limburg (opgave van den heer Maurissen).
„ 522. Cucullia Absinthiù L. In Noordbrabant is door den
heer P. J. Veth Jr. een exemplaar bij St. Oedenrode
gevonden.
„ 578. Luperina strigilis L. Dr. A. Speyer in de Stett. Ent.
Zeit. 1867, p. 126 de var. Fasciuncula dezer soort
besprekende, meent voor haar specifiek verschil met
Strigilis en Latruncula (mede voor twee soorten ge-
houden) grond te vinden:
AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 91
1° In den vorm der voorvleugels die spitser zijn,
terwijl de voorrand vlakker, in het midden zelfs
iets hol en de achterrand op ader 5 hoekiger is,
en van daar schuiner loopt dan bij Strigilis.
Vier mijner Fasciuncula hebben wel de spitscre
vleugelpunt en den hoekiger achterrand, doch bij de
andere 5 is de vleugelvorm volstrekt niet te onder-
scheiden van Sfrigilis. Het concave van den voorrand
zie ik wel bij 2 Strigilis var. Aethiops, doch bij geen
mijner 7 Fasciuncula.
2° Het middenveld is bij Fasciuncula onder de
ronde en niervlek tot op de helft versmald.
Gaat niet door; bij 2 spits- en 1 stompvleugelige
Fasciuncula is het middenveld wel zoo als Speyer
opgeeft, doch bij 2 spits- en 2 stompvleugelige exempl.
zelfs breeder dan bij 1 Strigilis type en 1 var. Aerata.
Agrotis Ericae Bsd. Bij Nijmegen door den heer
Lewe van Middelstum en bij Breda door den heer
Heylaerts gevonden.
. Caradrina sericea m. Van deze nieuwe soort komt
onder denzelfden naam ook eene beschrijving door
Dr. Speyer voor, in de Stett. Entom. Zeitung van
1867 p. 76, die eer gepubliceerd is dan de mijne.
De heer Speyer moet dus als auteur vermeld worden.
Caradr. sericea is ook in Duitschland ontdekt. Voor
de kenmerken vergelijke men nog nader de aange-
haalde plaats in de Stett. Entom. Zeitung, waar eene
zeer uitvoerige beschrijving voorkomt ook van het 9,
want behalve mijn 4, had Dr. Speyer ook een duitsch 9.
. Hydrelia venustula H. Na de ontdekking dezer soort
in 1864 door den heer M. G. van Woerden, is zij
op verschillende plaatsen aangetroffen, als: weder bij
Arnhem door de heeren Backer Jr., de Roo van
Westmaas en door mij; bij Ruurlo door mij; bij
Breda door den heer Heylaerts en, volgens eene op-
gave van den heer Maurissen, ook in Limburg.
92 AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA.
Pag. 565. Acidalia umbalaria H. Een fraai paar dezer zeldzame
soort is door den heer Backer Jr, bij Oosterbeek
gevangen.
‘n 585. Amphidasys betularia L. Zie over de geheel kool-
zwarte varieteit dezer soort, door den heer Heylaerts
bij Breda gevangen, het Verslag der 25° Alg. Verg.
van de Ned. Ent. Vereeniging, p. 25.
„587. Synopsia fagaria Thb. De rups leeft op Brem. De
heeren van Medembach de Rooy en Backer Jr., von-
den bij Arnhem in 1868 eenige exemplaren en kweek-
ten daaruit de vlinders.
» 9890. Boarmia viduata W.V. Ook bij Nijmegen (van Medem-
bach de Rooy Jr.)
» 595. Boarmia cinclaria W. V. Ook bij Breda (Heylaerts)
en in Limburg (Maurissen).
De heer de Gavere geeft in zijn bovengemeld stuk zes voor
de Nederlandsche fauna nieuwe Macrolepidoptera op, te weten:
Argynnis Arsilache Esper (= Pales W.V. var.), Zygaena Loni-
cerae Esp., Zygaena Minos W. V., Lithosia pallifrons Zeller,
Meliana flammea Curtis (= dubiosa Tr.) en Nemoria porri-
nata Zeller. Wat Meliuna dubiosa aangaat, zoo is deze soort
ook in Zuidholland ontdekt door den heer de Joncheere (zie
boven) terwijl ik naar de beschrijving, die een mijner vrienden
geeft van het voorwerp in de collectie van Natura Artis Magistra ,
waarnaar de heer de Gavere verwijst, alle reden heb om de
determinatie voor juist te houden. Van de andere soorten zag
ik echter nog geene inlandsche exemplaren en kan deze dus
nog niet opnemen. Wat betreft Arg. Pales, zoo uitte ik reeds
het vermoeden dat deze soort in Nederland voorkomt (VI. v. N.
p. 28, noot 2) en tegen Zygaenu Minos zou ik ook geene be-
zwaren hebben, doch wat Z. Lonicerae aangaat, is het niet
AANTEEKENINGEN OVEB NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 95
onmogelijk dat Dr. de Gavere eene Trifolii met 5 duidelijke
vlekken voor Lonicerae had gehouden, daar ik nergens vind aan-
geteekend dat Lonicerue op dezelfde plaatsen als Trifolii voor-
komt die op moerassige weilanden vliegt, maar het tegendeel
wel stellig verzekerd wordt, zie Ochsenh. en Treitschke Schm.
v. E. I. p. 49, X. 1. 105. Evenzoo vermoed ik dat de deter-
minatie van Memoria porrinata niet juist is; het onderscheid
tusschen deze soort en Viridata ligt niet alleen in de tint van
het groen, dat bij Viridata door den invloed van het zonlicht
zeer spoedig verschiet, maar ook en wel hoofdzakelijk in de
teekening van den voorrand der voorvleugels, die bij Viridata
eenkleurig bleekgeel is, terwijl hij zich bij Porrinata duidelijk
bruingevlekt vertoont, en in de kleur van voorhoofd en voor-
heupen, bij Viridata donkerbruin, bij Porrinata bruingrijs.
Daarenboven zijn, volgens Zeller en anderen, de vliegplaatsen
van beide soorten verschillend en komt Porrinata meer zuide-
lijk voor dan Viridata, op plaatsen waar geen heide groeit,
maar in bosschen waar de rups op loofhout leeft.
Wat eindelijk Lithosia pallifrons Zeller aangaat, zoo heb ik
het voorwerp waarvan Dr. de Gavere op p. 199 van zijn opstel
spreekt, nog in mijne collectie. Om de gele kleur van het gezigt
hielden wij het in der tijd voor Pullifrons, doch overigens,
vooral wat de gele kleur der vleugels aangaat, staat het zoo
wat in het midden, tusschen Pullifrons en Lutarella Zeller.
Men vergelijke overigens wat ik op p. 151 van mijn werk over
deze soorten of varieteiten gezegd heb. Ik kan hier nog bijvoe-
gen dat sedert mijn geloof aan het specifieke verschil van bei-
den niet versterkt is, daar Zeller mij schrijft dat Lutarella
„doeh auch in der Farbe des Kopfes etwas veränderlich ist»,
terwijl een door hem als Pallifrons gezonden exemplaar, juist
den voorvleugelvorm heeft van eene zeer geprononceerd typische
Lutarella, die ik van hem ontving.
Op p. 192 geeft Dr. de Gavere van-de inlandsche exempla-
ren zijner collectie van Melituea Artemis W. V. (= Aurinia
v. Rottb.) de vlugt op als 45—47 mm. Zoo groote inlandsche
exemplaren zag ik nog nooit. Mijn grootste £ van var. Beckeri
94 AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA.
uit Spanje, haalt naauwelijks 47 mm. en mijn grootste inland- .
sche slechts 57 mm. Ik houd dus die cijfers voor het gevolg
eener schrijffout en denk dat men lezen moet 55—57 mm.
Overigens moet ik aanteekenen dat het vermelde grootste inland-
sche voorwerp de varieteit Desfontainesii van Herrich-Schäffer
zeer nadert,
Rotterdam, 6 December 1868.
SCIAPHILA ICTERICANA Haw.
EN HARE SYNONIMIE
DOOR
Mr. H. W. DE GRAAF.
Jaren geleden vond ik te Katwijk aan Zee eene Tortrix uit
het genus Sciaphila, die ik destijds meende te herkennen in de
afbeeldingen door Wood in zijn Index methodicus gegeven,
onder fig. 997 2 en 998 3; en wel de man met den naam
Cnephasia ictericana en het wijfje als Cneph. longana. Daar
Wood echter geene beschrijvingen geeft en ik toen geene andere
werken ter mijner beschikking had om ten opzigte der bedoelde
soort in het reine te komen, hield ik de determinatie aan.
Later had ik gelegenheid eenige exemplaren dezer Sciaphila, die
inmiddels ook door Mr. de Roo van Westmaas bij Velp was
aangetroffen, ter bezigtiging te zenden aan den heer Mann te
Weenen, van wien ik ze onder den naam Sciaph. Loewiana Zell.
terug ontving, met eene mannelijke verscheidenheid als Zuri-
dalbana Zell. bestemd. Bij vergelijking van het inmiddels door
de Vereeniging aangekochte werk van Herrich- Schaeffer kwam
mij deze determinatie juist voor en ik heb de soort als zoodanig
in de Bouwstoffen opgegeven. Toch bleef ik hechten aan mijne
eerste opvatting en ik werd daarin versterkt, toen ik later in
het bezit was gekomen van Stainton’s Manual en The British
Tortrices van Wilkinson. De beschrijvingen toch, die deze auteurs
van Sphaleroptera ictericana geven, pasten volkomen op de
exemplaren, die Mann als Loewiana benoemd had, en ik kwam
-
96 SCIAPHILA ICTERICANA HAW. EN HARE SYNONIMIE.
alzoo tot het besluit, dat met beide namen dezelfde soort be-
doeld was. Aangenaam was het mij dit gevoelen gedeeld te zien
door den heer Stainton, aan wien ik dezelfde exemplaren op-
zond, die door Mann bestemd waren. Ik stelde er prijs op, nu
ook het gevoelen te leeren kennen van Prof. Zeller, en ik deelde
hem daarom de redenen mede, die mij tot het gezegde besluit
hadden geleid. Ik had het genoegen onlangs van hem het vol-
gende antwoord te ontvangen : » Hinsichtlich der Sciaph. Loewiana
werden sie wohl das Richtige gesehen haben. Meine wenigen
Exemplaren sind alt und nicht viel werth, und Englische habe
ich nicht gesehen. Ik vermuthe stark, dass meine Sciaph. stra-
fana, mit welcher in Staud. Catal. Zuridalbana und Insolatana
richtig verbunden sind, sich nicht als verschieden von Loewiana
wird behaupten lassen. Das Vorkommen dieser Art bei Ihnen
. ist mir auffallend. Da meine Exemplare von Loewiana, Stratana ,
Luridalbana und Insolatana in den Mittelmeerländern und wohl
allen auf Kalkboden leben, so würde ihr Vorkommen in den
kreidehaltigen Gegenden Englands, das überdies manche südeuro-
päische Art nährt, mich weniger befremden.....»
Wat bij Zeller als een sterk vermoeden geldt, wordt door
von Heinemann als zekerheid aangenomen. Deze schrijver toch
brengt in zijne beschrijving der » Wickler (Die Schmetterlinge
Deutschlands und der Schweiz. Abth. 2, Band 1. Heft 1, p. 55)
Loewiana, Stratana, Insolatana en Luridalbana zonder eenige
bedenking tot een. Is dit gevoelen juist, en ik kom er straks
op terug, dan blijkt er uit dat wij met eene zeer veranderlijke
soort te doen hebben. Ik wil daarom trachten eene voorstelling
te geven van het volmaakt insekt, zoo als het zich in Nederland
vertoont, te oordeelen naar de exemplaren, die ik op dit oogen-
blik uit Holland en Gelderland voor oogen heb. Daaronder be-
vinden zich 15 mannetjes en 14 wijfjes, mij welwillend verstrekt
door de heeren de Roo van Westmaas, Snellen en Snellen van
Vollenhoven, mede gerekend de voorwerpen uit mijne eigen
verzameling
Ik kies twee sterk gekleurde vrouwelijke individus voor de
beschrijving van :
SCIAPHILA ICTERICANA HAW. EN HARE SYNONIMIE, 07
HET WIJFJE,
Vlugt van 22 mm. tot 19 mm. De breedte der bovenvleugels
van de grootste voorwerpen is 4 mm. van de kleinsten 24 mm.
De binnenrand is 1 mm. korter dan de voorrand en de ietwat
naar buiten gebogen achterrand loopt in die verhouding schuin.
Bovenvleugels met glans; grondkleur bleek okergeel, okerbruin
gereticuleerd, meer of minder met die kleur bedekt. Op de
grondkleur vertoont zich de gewone Sciaphiliden teekening, het
meest overeenkomende met die van Sciaph. communana. Zij
bestaat uit twee okerbruine dwarsbanden en eene langwerpige
vlek van dezelfde kleur, die in hare lengte tegen den achter-
rand sluit. De eerste band is breed, loopt van den voorrand
tot den binnenrand en sluit een wortelveldje van de grondkleur
af. Zij schiet een straal in den vleugelwortel en is aan de
tegenovergestelde zijde van een uitstekenden tand voorzien, die
in het grondkleurig middenveld op de vleugelvouw rust. Op dit
middenveld volgt de tweede band, die een vlekkig aanzien
heeft. Wel kan men in dien band een binnenrandsvlek, een
middenvlek en een wijdbeenige voorrandsvlek onderscheiden,
maar zij zijn niet van elkander afgezonderd. Zij vormen te zamen
een doorloopenden band, die in het middenveld sterker op de
grondkleur afsteekt, dan aan de tegenovergestelde zijde. De
binnenrandsvlek is langwerpig, ietwat driekant en loopt met
hare spitse punt in den binnenrandshoek uit. De middenvlek
steekt tandvormig op het middenveld uit en rust op de vleu-
gelvouw. De voorrandsvlek loopt aan de eene zijde in de vleu-
gelpunt uit en gaat aan de andere zijde tot in of tot vlak bij
den eersten band. Tusschen de beenen der voorrandsvlek komt
de grondkleur slechts zeer flaauw, of in het geheel niet voor
den dag en alsdan is de geheele voorrand okerbruin. Franje
iets lichter dan de grondkleur, uiteinde donkerder. Kop en rug
van de kleur der banden.
Ondervleugels met glans; licht grauw met gele tint, naar de
punt donkerder en aldaar met oker tint. Franje lichter dan de
vleugels.
98 SCIAPHILA ICTERICANA HAW. EN HARE SYNONIMIE.
Onderzijde. Bovenvleugels grauw; voorrand, achterrand en
franje geelachtig wit. Ondervleugels, met de franje, vuil wit.
Met deze exemplaren komt Wood’s Longana, Fig. 997, wel
niet in alle opzigten overeen, maar zij geeft er toch eene goede
voorstelling van. Exemplaren als de beschrevene zijn mij tot
nog toe alleen uit de Hollandsche duinstreek voorgekomen. Om
te kunnen zeggen dat deze vorm daar constant is, zou men
echter meer voorwerpen moeten vergelijken dan ik doen kan.
Al de Geldersche wijfjes zijn meer of minder afgevlogen. Ik zal
er daarom alleen dit van zeggen, dat de bovenvleugels vuil
wit zijn met oker tint. De eerste band is onduidelijk, en de
tweede lost zich op in afzonderlijke binnenrands- , midden- en
voorrandsvlekken. Bij andere 22 is de geelachtig-witte grond-
kleur met een menigte bruine stippen, of zeer kleine vlekjes
bezet, die ik als overblijfselen beschouw van de gedeeltelijk
afgevlogen gereticuleerde bedekking; de banden zijn bruin
(Hübner’s Lutosana, fig. 2002). Een enkel zeer gaaf 2, te Velp
gevangen, heeft bleek okerbruin bestoven bovenvleugels, waarop
zich de grondkleur alleen vertoont als een geelwitte straal, die
regt in de vleugellengte loopt tusschen de voorrands- en mid-
denvlek van den tweeden band, beginnende op 4 der vleugel
lengte en aan den achterrand eindigende, hoewel aldaar minder
duidelijk. Op dit exemplaar zijn ook de banden zeer onvolko-
men en flaauw. Van de eerste ziet men niet veel meer dan de
tandvormige verlenging, die op de vleugelvouw rust, en van
de tweede zijn alleen de bovenrands- en middenvlekken aange-
duid. Dit 9 helt dus sterk tot het eenkleurige over. Eigenaardig
is de lichte straal, waarvan men ook op andere exemplaren
sporen vindt.
DE MAN.
Vlugt van 20 mm. tot 154 mm. Een exemplaar slechts 14 mm.
Breedte der bovenvleugels bij de grootste voorwerpen 4 mm., bij
de kleinste 5 mm.
Bovenvleugels met glans, eenkleurig, grauwachtig oker, alle
SCIAPHILA ICTERICANA HAW. EN HARE SYNONIMIE. 99
tinten doorloopend door bijna zuiver oker-geel heen tot vuil
wit met gele tint; alleen langs den voorrand donkerder. Enkele
individus hebben een flaauw spoor van de voorrandsvlek der
tweede band van het wijfje.
Ondervleugels en onderzijde als in het vrouwelijke geslacht.
Sewueel verschil. Vleugelhaakje bij den man uit één, bij het
wijfje uit twee haren bestaande. De sprieten van den man ver-
toonen door de loupe afgezonderde leedjes. Die van het wijfje
zijn draadvormig te noemen. De vraag of de man hier te lande
de teekening van het wijfje aanneemt, en of omgekeerd het
eenkleurig kleed van het mannetje ook wel door de andere
kunne gedragen wordt, moet tot nader onderzoek onbeantwoord
blijven. Van den heer Mann ontving ik indertijd een 3 en 2,
waarvan de herkomst echter niet werd opgegeven. Beide exem-
plaren hebben eenkleurig witte bovenvieugels, met gele tint.
Haworth is de eerste geweest die onze soort beschreven heeft.
Zijn werk over de Lepidoptera Britannica behoort tot de zeld-
zaamheden en het doet mij daarom bijzonder veel genoegen
door vriendelijke mededeeling van Mr. J. H. Albarda in staat
te zijn gesteld daaruit het volgende over te nemen.
Haworth beschrijft op blz. 465, onder n°. 221 Longana:
T. (The Long-winged) alis albo-cinereis longiusculis, fusco
maculatim fasciatis.
Habitat in pascuis. Imago vix frequens.
Expansio ularum 9-—10 lin.
Descriptio. Alae anticae longiusculae seu certe longiores quam
in caeteris ratione magnitudinis, apice rotundatae: cinereo-albae
maculis subtribus irregulariter confluentibus transversis fuscis
ante medium; aliisque tribus majoribus posticis, magisque con-
fluentibus irregularibusque. Juxta apicem alae subinde fusco
reticulatae sunt. Posticae albicantes.
8. Omnino pallidior maculis plus minus evanescentibus.
Forte exemplarium senectum.
En op bladz. 469 onder n°. 959 Ictericana :
T. (The jaundiced Drab) alis sordide flavicantibus immaculatis.
Habitat in pascuis.
100 SCIAPHILA ICTERICANA HAW. EN HARE SYNONIMIE.
Expansio alarum 8 lin.
Descriptio:
a. Alis anticis apice rotundatis: posticis albis.
8. Alis anticis lacteis: posticis rufo-albidis.
Vergelijkt men deze beschrijvingen met die welke ik zelf gaf,
dan is het duidelijk dat Haworth den man als Ictericana en het
wijfje onder den naam van Longana beschreven heeft. De pun-
ten van verschil laten zich gereedelijk verklaren, indien men
aanneemt, dat Haworth voorwerpen heeft gehad, die òf gevlo-
gen hadden, of bleeker waren dan de door mij beschrevene.
Stainton noemt dan ook de bovenvleugels van het 2 greyish
ochreous (niet albo-cinereae), en Wilkinson zegt, dat grondkleur
en teekening een ochreous tinge hebben. En wat de ondervleu-
gels betreft, Wilkinson beschrijft ze als griseae, d. i. grey,
with a slight pearly lustre, and yellow at the apex, en dus
niet albicantes of albae, zoo als Haworth. Zijne diagnose van
var. @ van den man schijnt, naar de bovenvleugels te oordeelen,
op de nader te vermelden Luridalbana betrekking te hebben;
maar met de bijvoeging, alae posticae rufo-albidae, moet ik
erkennen geen weg te weten.
De beschrijving van Longana gaat in Haworth’s werk aan die
van Ictericana vooraf. Met de Engelsche auteurs neem ik even-
wel den laatsten naam voor de soort aan. Wij verkeeren hier
in hetzelfde geval als met Satyrus Jurtina 2 en Janira 3. Men
noemt de soort Janira, naar den man, ofschoon de naam van
het wijfje in het Systema naturae vooraf gaat.
Het staat dus vast dat de hierboven door mij beschreven
soort Ictericana Haw. is. De Isis, waarin Zeller Loewiana be-
schreef, heb ik niet. Ik moet mij daarom bepalen tot eene
verwijzing naar von Heinemann’, wiens Loewiana Zell. onge-
twijfeld dezelfde soort is als mijne Ictericana Haw.
Behooren nu ook Stratana, Insolatana en Luridalbana tot
Ictericana? Volgens von Heinemann is bij
1 Zie ook Lederer, Classification der Europ. Tortricinen, Wien, Entomol. Monat-
schrift, Bd. III, pag. 251 in de noot,
SCIAPHILA ICTERICANA HAW, EN HARE SYNONIMIE. 101
Loewiana de grondkleur meer bepaald geel; met scherpere
roestbruine teekening dan bij
Stratana; die eene meer geelachtig witte grondkleur heeft,
met roestgele teekening.
Insolatana is wit, zeer flaauw naar het bruingeel trekkend,
met geelachtige vleugelpunt en onduidelijken middenband.
Luridalbana verschilt van Insolatana door het gemis van
alle teekening.
Deze vormen loopen dus ineen. Zeller geeft toe, dat tusschen
de drie laatste geen specifiek verschil bestaat en daar nu, zoo-
als is opgegeven, de okerkleurige man van Ictericana, door
alle tinten, in het witte overgaat (Luridalbana), meen ik het
er voor te mogen houden, dat von Heinemann gelijk heeft met
de vier genoemde vormen als eene soort aan te nemen.
De Engelsche schrijvers geven als vliegplaats op: Meadows
and marshy places, en als voedsel der rups Aster tripolium
and other plants. Zeller schrijft mij, dat eene dergelijke locali-
teit evenmin met zijne bevinding strookt, als de genoemde voe-
dingsplant. Ook hier te lande is, zoo ver ik weet, Ictericana
nergens op moerassige plaatsen aangetroffen, maar integendeel
uitsluitend op drooge zandgronden. In Holland werd zij gevon-
den in en bij de duinen en in Gelderland, te Velp, Dieren en
Keppel. Als vliegtijd mag men Julij aannemen, in welke maand
de meeste exemplaren, die in onze collectien bewaard worden,
gevangen zijn. De Roo van Westmaas meldt mij dat hij in den
buitengemeen warmen zomer van 1868 de vroegste exemplaren
op 15 Junij ving. De mannetjes vlogen op grasplaatsen en de
wijfjes zaten tegen schuren, schuttingen, raslers enz.
De rups is, ni fallor, nog niet beschreven. Snellen heeft haar
gevonden, en mij welwillend de volgende aanteekening verstrekt ,
onder opmerking evenwel dat zij, wat de rups aangaat, zeer
ter loops is gemaakt, terwijl hij op reis was.
„Rups 19 Junij bij Keppel op Tanacetum vulgare, boven in
de plant tusschen de punten der bladeren gesponnen. Gedaante
niet spoelvormig, maar in het midden slechts weinig dikker dan
vóór en achter. Kleur bleekgroen met twee roode lijnen over
102 SclAPHILA ICTERICANA HAW. EN HARE SYNONIMIE.
den rug. Verpopte na eenige dagen tusschen de bladeren ,en de
vlinder, een eenkleurig vrij donker geel mannetje, kwam
14 Julij uit.”
De meening van Wilkinson dat de rups polyphaag is, zal
dus wel met de waarheid overeenkomen.
De duitsche lepidopterologen geven op dat onze soort voor-
komt in Klein-Azie (Rhodes), Dalmatie en op Sicilie (Syrakuse).
Heinemann noemt Duitschland, en bij Herrich-Schaeffer vind
ik bepaaldelijk Stiermarken opgeteekend. De vorm waarin zij
zich in onze kust-Fauna vertoont, schijnt met den Engelschen
overeen te stemmen. Ek meen dat te mogen aannemen, deels
omdat Stainton geenerlei opmerking heeft gemaakt ten opzigte
van de exemplaren, die hij uit Nederland ontvangen heeft,
deels met het oog op de afbeelding, die Wood van het wijfje
heeft gegeven, en die eene veel betere voorstelling geeft van
hetgeen ik voor den typischen inlandschen vorm houd, dan
Herrich-Schaeffer’s figuren 581 en 582.
En nu de synonimie. Daaromtrent heerscht eene groote ver-
warring. De duitsche lepidopterologen hebben, zoo ver ik heb
kunnen nagaan, Herrich-Schaeffer alleen uitgezonderd, niet op-
gemerkt, dat Zeller's Loewiana reeds door Haworth en latere
Engelsche auteurs, als Ictericana = Longana beschreven was.
De twee laatste namen komen bij Lederer (Classification der
europaische Tortricinen, Wien. Entomol. Monatschrift Bd. II,
p. 255), Staudinger en Wocke (Catolog. der Lepidopteren Europa’s
pag. 97) zelfs in een ander genus (Sphaleroptera) voor, dan
Loewiana (Sciaphila). Toch halen de verdienstelijke opstellers
van genoemden catalogus de figuren van Wood aan, die ik in
het begin van dit opstel vermeld heb. En Lederer citeert Her-
rich-Schaeffer, di. sechter reeds op den goeden weg was, toen
hij in zijne Syst. Bearbeit. der Schmetterl. von Europa, DI. IV,
pag. 178, Ictericana met een ? bij Ablabia luridalbana plaatste,
en in DI. VI in de Nachträge zum vierten Band, bladz. 157,
de meening uitte, dat Ictericana identiek was met Insolatana of
Luridalbana. Ook v. Heinemann, die bij de beschrijving der
Tortricinen Stainton en Wilkinson doorloopend pleegt te citeren
SCIAPHILA ICTERICANA HAW. EN HARE SYNONIMIE. 105
laat bij Loewiana beiden geheel weg. Het is derhalve duide-
lijk dat noch Lederer, noch Woeke, noch v. Heinemann in de
afbeeldingen en beschrijvingen der Engelschen hunne Loewiana
hebben terug gevonden. Gebrek aan exemplaren en de veran-
derlijkheid der soort zullen, als men naar de reden daarvan
vraagt, wel voornamelijk in aanmerking komen. Maar omgekeerd
hebben de Engelschen in hunne Ictericana Zeller’s Loewiana
niet herkend. Dit blijkt uit den Synon. Catalog. van Doubleday
bladz. 25, eerste kolom onderaan, alwaar als synoniem alleen
Capillana Gn. wordt opgegeven, terwijl de supplementen niets
dienaangaande bevatten
Over Hiibner’s Tort. lutosana fig. 200 verkeert men nog altijd
in het onzekere. Herrich-Schaeffer houdt haar voor eene afbeel-
ding van Conch. Baumanniana, oud exemplaar, DI. IV, bl. 184.
Lederer brengt deze figuur met een ? als varieteit bij Grapho-
litha citrana Hb., Classification pag. 557. In den Catalogus van
Staud. en Wocke, vind ik den naam van Lutosana zelfs niet
vermeld. Ook niet bij v. Heinemann, Treitschke of Doubleday.
Ook Heydenreich wist er geen weg mede. Guenée laat Lutosana Hb.
als afzonderlijke soort onmiddelijk op Citrana volgen. Bij al die
onzekerheid durf ik mij naauwlijks vleijen de waarheid te heb-
ben gevonden. Op mij toch maakt Hübner’s afbeelding den
indruk van eene Ictericana 2 vervaardigd naar een exemplaar,
zoo als ik hierboven heb aangeduid. De bruine besprenkeling,
het beloop der banden en den vorm daarvan vind ik terug op
figuur 200 van Hiibner’s werk, in het exemplaar dat Snel-
len van Vollenhoven bezit. Neemt men aan dat de donkere
band op de ondervleugels van die afbeelding sterk overdreven
is, dan zal men moeten erkennen dat Ictericana 2 daartoe
eerder aanleiding kan hebben gegeven dan Baumanniana, of
Citrana. Bij Ictericana toch worden de ondervleugels althans
naar de vleugelpunt donkerder, hetgeen bij de twee andere
species niet eens het geval is.
Is deze Lutosana werkelijk Ictericana, dan zal het de vraag
zijn welke naam ouder is. Ik heb echter nu de noodige boeken
niet bij de hand om na te zien of daarop een bepaald ant-
8
104 SCIAPHILA ICTERICANA HAW. EN HARE SYNONIMIE.
woord te geven is. Haworth's derde deel verscheen in 1812
Volgens Herrich-Schaeffer, VI. p. 152, citeert Illiger in zijne
uitgave des Wiener Verzeichniss van 1801 de platen van Hüb-
ner’s Tortricinen tot tab. 50. Lutosana komt op tab. 52 voor.
Maar wanneer zag die plaat het licht?
Ten slotte merk ik op dat Ictericana blijkens hare generieke
kenmerken duidelijk eene Sciaphila is en geene Sphaleroptera.
Cnephasia ictericana
" [2
LA W
Sphaleroptera _
W UA
? Tortrix lutosana
Sphaleroptera capillana
Sciaphila loewiana
WY [4
SYNONIMIE.
& = Longana 9. Haworth Insecta Britan-
nica, de stuk , bladz. 469 n°. 259 en bladz.
465 n°. 291. — 1812.
g = Longana 9 Stephens Illustrat. of
British Entomology. Haustellata IV, pag.
127. — 1854.
4 = Longana g. Wood Index Methodicus ,
Fig. 998 en 997. — 1859.
Stainton, Manual of British Butterflies
and Moths. Vol. 2, pag. 256. — 1859.
Wilkinson, The British Tortrices, bladz.
247. — 1859.
Hübner, Fig. 200. — 1822,
Guenée, Europaeorum Microlepidoptero-
rum Index methodicus, bladz. 55. Het
wijfje. — 1845.
Zeller, Isis 1847, pag. 25.
Herrich-Schaeffer, System. Bearbeit. der
Schmetterl. von Europa. DI. IV, pag. 202,
Fig. 582. — 1849.
v. Heinemann, Die Schmetterl. Deutsch-
lands und der Schweiz. Abth. 2. Bd. 1.
Hft. 1. pag. 55. — 1869,
SCIAPHILA ICTERICANA HAW. EN HARE SYNONIMIE. 105
VARIETEITEN ;
Sciaphila stratana. Zell. Isis t. a. p. bladz. 671.
” ” Herrich-Schaeff., t. a. p. Fig. 581.
” ” v. Heinemann, t. a. p.
Ablabia insolatana Herrich-Schaeff., IV. pag. 178. Fig 152 en
DI. VI. bladz. 157.
Sciaphila ” v. Heinemann, t. a. p.
Ablabia luridalbana Herrich-Schaeff., IV. pag. 178, Fig. 155.
Sciaphila ” v. Heinemann, t. a. pl.
Rotterdam, April 1869.
AANTEEKENING OVER DE EUROPESCHE
SOORTEN DER CYMATOPHORINA.
DOOR
B CG TONEEL EN
Voor eenigen tijd opmerkende dat Lederer Cymatophora diluta
W. V. onder zijn genus Asphalia rangschikt, waarvan hij als kenmerk
opgeeft «behaarde oogen» (zie Berliner Entomol. Zeitschrift, II,
p. 559) terwijl von Heinemann (Schmetterlinge Deutschlands
und der Schweiz, |, p. 284) deze soort tot het genus Cymato-
phora Tr., Led., met naakte oogen brengt, bewoog dit mij,
de beide mij ten dienste staande exemplaren nader te onder-
zoeken. Hierop bleek mij dat de oogen van een ¢ (zeer gaaf en
ongeschonden) geen spoor van beharing vertoonden, terwijl een
ander, dat min of meer afgevlogen was, duidelijk zigtbare
(schoon weinige) haartjes op dit ligchaamsdeel droeg. De euro-
pesche soorten der genoemde familie, die ik met uitzondering
van Cymat. albuncula Eversmann bezit, daarop aan een verder
onderzoek onderwerpende, bevond ik dat de aangenomen genera
zich door te letten op den bouw der palpen en den toestand
van ader 5 der achtervleugels, beter laten preciseeren, dan door
de al of niet behaarde oogen, en ook welligt nog met twee
zullen moeten worden vermeerderd, zoodat het getal dan tot
vijf genera, wel is waar zeer arm aan soorten zijnde, zoude moeten
klimmen. Welligt zal echter bij het nader bekend worden der
vlinders uit andere werelddeelen, in het soortental eene gunstige
verandering komen.
AANTEEKENING OVER DE EUROPESCHE SOORTEN, ENZ. 107
De bepaling van den naam der nieuwe genera laat ik aan
anderen, meer bevoegden over.
Ik moet nog opmerken dat wat Lederer, I. c. p. 558, zegt —
dat de Cymatophorinen met de Noctuinen hetzelfde aderstelsel
der voorvleugels hebben — niet geheel juist is, daar bij de laat-
sten ader 5 der voorvleugels zeer digt bij 5 en 4 ontspringt,
terwijl die ader bij de eersten, even als bij de Notodontinen,
uit het midden der dwarsader komt. Dat dit verschil in den
oorsprong van ader 5, benevens den geheel van de Noctuinen
verschillenden toestand van ader 6 —8 der achtervleugels, geene
genoegzame reden zou zijn om de Cymatophorinen als afzonder-
lijke familie van de Noctuinen te scheiden, gelijk von Heine-
mann meent, kan ik niet toegeven, want dan zouden m. i.,
de Notodontinen ook met de Noctuinen moeten worden ver-
eenigd, daar deze beide familien in het aderstelsel nog veel
meer overeenkomst hebben en wanneer men den toestand van
ader 5 der voorvleugels buiten rekening laat, slechts zeer moeije-
lijk te scheiden zijn. Von Heinemann weerspreekt zich ook in
zijne analytische tabel der familien, want daar geeft hij p. 6,
sub. n°. 22 tot scheiding van Notodontina (zie onder N. 52)
en Noctuina (zie onder N. 25) op: «Rippe 5 der Vorderfliigel
entspringt in der Mitte zwischen R. 4 und 6» en: «Rippe 5
der Vdfl. näher an Rippe 4 als an 6», terwijl hij vervolgens de
genera van zijne Noctuinen, die dan in het eerste opzigt ook
met de Notodontinen overeenkomen, (Cymatophoridae Led.)
van de Notodontinen poogt te scheiden door te zeggen, sub.
n°. 24: «Rippe 5 der Hinterflügel entspringt in der Mitte zwi-
schen Rippe 4 und 6» — Notodontina — en: «Rippe 5 der
Htfl. näher an Rippe 4 als an 6».
Dat dit laatste bij de Cymatophorinen niet doorgaat, zal uit
de nevensgaande tabel blijken, aangezien de toestand van ader 5
der achtervleugels bij die vlinders zeer verschillend is, terwijl
men onder de Notodontinen bij de genera Pygaera en Cnetho-
campa slechts moeijelijk iets van ader 5 zien kan wanneer men
den vleugel niet ontschubt.
108 AANTEEKENING OVER DE EUROPESCHE
I. Binnenrandshoek der voorvleugels gelobd. *)
Ader 5 der achtervleugels uit het benedenste
vierde der dwarsader ontspringende; palpen
met breed, plat, kort behaard middenlid en
kort, stomp, opgerigt eindlid; forsch ge-
bouwde vlinders; oogen geheel naakt.....
IT. Binnenrandshoek der voorvleugels niet gelobd.
A. Ader 5 der achtervleugels uit de bene-
denhelft der dwarsader ontspringende ;
eindlid der palpen ten minste ter lengte
van de helft van het middenlid; forsch
gebouwde vlinders.
1. Palpen met lang, aan het eind knop-
vormig verdikt, bijna horizontaal
eindlid en met lange grove haren
ruig bekleed middenlid; ader 5 —5
der achtervleugels aan haren oor-
sprong digt opeengedrongen, bijna
uit een punt; voorvleugels smal;
oogen sterk behaard............
Palpen met kort, opgerigt eindlid en
vrij glad behaard middenlid; ader
5—5 der achtervleugels aan haren
oorsprong digt opeengedrongen, bijna
uit een punt; voorvleugels breed ;
oogen een weinig behaard of naakt. .
Palpen met kort, opgerigt eindlid en
vrij glad behaard middenlid ; ader 5
der achtervleugels op drievierden der
dwarsader ontspringende, verwijderd
van 9 en 4; voorvleugels breed; oogen
geheel naakt . ....... Sr Re RER
B. Ader 5 der achtervleugels uit het mid-
den der dwarsader ontspringende, ver
van 9 en 4; palpen met kort behaard,
smal middenlid ; het eindlid ten hoogste
ter lengte van een derde van lid 2, op-
gerigt ; slank gebouwde, zeer breedvleu-
gelige vlinders ; oogen geheel naakt
LO
DI
I. Thyatira (Ba
tis L., Derasa
L.2):
Il. Asphalia (Fla-
vicornis L,
Putris Hfn.,
Ridens F.,
Ruficollis W.
V5)
Il. (Nov. gen.)
(Diluta W.V.)
4),
IV. Cymatophora
(Or W. V.,
Ocularis L.,
? Albuncula
Ev.)
V. (Nov. gen.)
Fluctuosa H.,
Duplaris L.
SOORTEN DER CYMATOPHORINA. 109
AANMERKINGEN.
1) Dit kenmerk zet ik voorop, als het eerst in het oog vallende.
o)
3
*)
Het komt mij onnoodig voor om het genus Thyalira nog te
splitsen in twee anderen; Gonophara Bruand. — Beharing van
den rug in het midden versmald, achterlijf ruig behaard,
dat van het z3 en diens middenscheenen van onderen met
haarbosjes; ader 7 en 8 der voorvleugels gesteeld (Derasa L) —
en Thyatira O., zich daarvan onderscheidende door glad
behaard achterlijf, het g ook zonder haarbosjes aan de poo-
ten; ader 7 en 8 der voorvleugels ongesteeld. (Batis L).
Von Heinemann heeft deze verdeeling ook niet aangenomen;
Staudinger in zijnen catalogus wel.
Asphalia ruficollis onderscheidt zich nog door de getande
sprieten van de beide andere soorten, bij welke zij geheel
draadvormig zijn.
De geheel verschillende vliegtijd van Diluta (Augustus, Sep-
tember) terwijl bij al de andere soorten de pop overwintert,
mogt ook voor de vorming van een nieuw genus pleiten.
Rotterdam, 26 Sept. 1868.
nr
DE ENOICYLA PUSILLA Burm.
IN HARE VERSCHILLENDE TOESTANDEN
DOOR
C. RITSE MA Cz,
Vergelijk voor het volkomen insekt:
Burmeister, Handbuch der Entomologie. 1859. Bd. II. S. 951.
(Beschrijving van 3 als Limnophilus pusillus).
Rambur, Histoire Naturelle des Insectes. Néuroptères. 1842. p. 488.
(Beschrijving van 4 als Enoicyla sylvatica).
Kolenati, Genera et Species Trichopterorum. 1848. Pars prior. p. 74.
(Beschrijving van & als Plyopteria Reichenbachit).
von Heyden, Stettiner Entomologische Zeitung. 1850. S. 85.
(Beschrijving van 2 als Dromophila montana).
Brauer und Löw, Neuroptera Austriaca. 1857. S. 45. |
Voor de larve:
Brauer und Löw, Neur. Austr. S. XX. (zeer beknopt).
Voor het kokertje:
Brauer und Löw, Neur. Austr. S. XX.
Hagen, Stettiner Entomologische Zeitung. 1864. S. 119.
Voor de biologie:
Fletcher, vermeld door Mc.Lachlan in The Entomologist's Monthly
Magazine. Vol. V. p. 45, 145, 170.
Limnophilus pusillus: corpore cum antennis fusco; alis, palpis,
tibiis tarsisque testaceis ; alis nitidis subpilosis , pilis venarum
longis patentibus. Long. c. alis 2, 5 m. g. (Burmeister I. c.)
Sedert lang vond ik jaarlijks, reeds in het begin van Februarij ,
in de bosschen om Haarlem, zoo als in den Haarlemmerhout ,
9
449 DE ENOICYLA PUSILLA BURM. IN
het Bloemendaalsche bosch en de Schapenduinen, vooral aan
den voet der boomen, op mos en dorre bladeren, eene menigte
kokertjes van zand, waarin Phryganiden-larven leefden.
Dergelijke larven waren reeds vroeger door yon Siebold en
Freyburg aan beuken en eiken kruipend waargenomen, hetgeen
hij aan Dr. H. Hagen mededeelde, die ze begon te beschouwen
als de larven der Enoicyla sylvatica Ramb., eene kleine Phry-
ganide, die in October en November in bosschen op vrij grooten
afstand van water voorkomt , en waarvan nog slechts het man-
netje bekend was.
Later vond Hagen in de collectie van Prof. Schenck te Weil-
burg een & exemplaar van genoemde soort, waaraan een vleu-
gelloos diertje, dat hij als Dromophila montana v. Heyd. her-
kende, als 9 was toegevoegd. Na naauwkeurig onderzoek stemde
hij met deze bijeenvoeging in, en meende dus de Dromophila
montana voor het nog onbekende wijfje der Enoicyla sylvatica
te moeten houden, welke soort echter door Burmeister reeds
als Limnophilus pusillus beschreven was, en nog na Rambur’s
beschrijving, van Kolenati den naam van Ptyopteria Reichen-
bachii ontving (Hagen, Stett. Ent. Zeit. 1851, S. 174). Ter
handhaving van het prioriteitsregt, moest dus de soortnaam van
Burmeister, en de geslachtsnaam van Rambur behouden worden *.
De feiten waarop de zoo even genoemde gissingen gegrond
waren, vermeldt Hagen op blz. 118 en 119 van de Steté. Ent.
Zeit. van 1864, en deelt daar tevens mede, dat zij eerst kort
te voren door von Siebold tot zekerheid waren gebragt, van
wien men dan ook binnen korten tijd eene uitvoerige beschrij
ving van de ontwikkeling en levenswijze van dit insekt kon te
gemoet zien.
Naar alle waarschijnlijkheid is deze echter in von Siebold’s
pen gebleven, daar het mij ten spijt van Albert Günther’s
Record of Zootogical Literature en Gerstaecker's Berichten über
1 In de typen-collectie van Curtis vond Hagen enkele mannelijke exemplaren van
deze soort, die door Pictet als Pirygania Fontium geéliquetteerd , doch niet in zijne
Monographie beschreven waren (Stett. Hnt. Zeit, 1859. S. 141).
HARE VERSCHILLENDE TOESTANDEN. 113
die wissenschafllichen Leistungen im Gebiete der Entomologie
niet is gelukt te ontdekken, waar de resultaten van zijn onder-
zoek gepubliceerd ziju. De eerste mij bekende kweeking der
Enoicyla pusilla uit de land-Phryganiden-larve, is die van
Fletcher in 1868, door Me.Lachlan t. a. pl. vermeld.
Ik zelf had reeds eenige jaren achtereen getracht, uit deze
merkwaardige larven de imagines op te kweeken, doch steeds
te vergeefs; zij stierven allen bij mij na slechts weinig gegroeid
te zijn.
Hierop voorzag ik in Februarij 1869 een groot langwerpig
vierkant aquarium van tuinaarde, mos en dorre bladeren, steeds
zorgende dat de aarde een zekeren graad van vochtigheid be-
hield, en plaatste daarin eene menigte der larven, die reeds
zoo dikwijls mijne hoop te leur gesteld hadden. Tot mijne
voldoening gelukte deze kweeking echter volkomen, waardoor
ik in staat gesteld werd, de levensgeschiedenis van dit insekt
naauwkeurig na te gaan en te beschrijven ’.
Zoo als aan het begin van dit opstel gezegd is, zijn de larven
reeds in het begin van Februarij in menigte in bosschen aan
te treffen. Hare kokertjes die dan gemiddeld slechts 5 mm.
lang zijn, bestaan uit heldere zandkorrels, door een aan de
binnenzijde zeer glad glasachtig spinsel bijeen gehouden, zij zijn
bijna eylindrisch, van voren echter iets wijder dan van achteren,
aan beide zijden open, en in het vertikale vlak eenigzins gekromd.
De larve die er in huist, voedt zich niet zoo als Bremi ge-
loofde met mieren, maar eerst met de Mnium hornum Hedw.,
een onzer gemeenste bladmossoorten, van welker blaadjes zij
de randen en de middelnerf spaart, en later met dorre bladeren.
Zij bestaat, de kop niet medegerekend, uit twaalf geledingen,
die allen op de-rug- en buikzijde eenige zwarte haren dragen.
Bij het loopen komen alleen de drie eerste geledingen, die
waaraan de pooten bevestigd zijn, uit het kokertje te voorschijn,
terwijl de larve zich bij aanraking snel in hare woning terug-
2 De heer Snellen van Vollenhoven nam met zijne gewone bereidwilligheid de ver-
vaardiging der afbeeldingen op zich.
114 DE ENOICYLA EUSILLA BURM. IN
trekt; wanneer men haar tusschen de vingers vasthoudt, laat
zij een donkerbruin vocht uit den mond vloeijen.
De harde hoornachtige, donker kastanjebruin gekleurde kop,
is tot tusschen de oogen grof gestipt. iets hooger dan breed,
en met vele fijne lichtbruine haartjes, benevens eenige lange
zwarte borstels bezet. De beide zijdelings ongeveer ter halve hoogte
van den kop geplaatste zwarte oogen, schijnen uit de vereeniging
van eenige kleinere te bestaan, terwijl men bij hun binnen-bene-
denrand eene tepelvormige verhevenheid aantreft, waarop een ho-
rentje is ingeplant. Vooral naar aanleiding der plaatsing, moeten
deze deelen welligt als rudimentaire sprieten beschouwd worden.
Op den kop volgen de drie langzaam iets breeder wordende
borstringen, die ieder een paar bruine, van eenige zwarte
borstelharen voorziene pooten dragen, waarvan het eerste paar
het kortst maar krachtigst, en het tweede even lang of iets
langer dan het derde is. De prothorax, die de smalste is,
is lederachtig, helder kastanjebruin, en aan het voorste ge-
deelte op dezelfde wijze als de kop, met fijne lichtbruine
haartjes bezet. De mesothorax is lichtbruin van kleur en weeker,
en vertoont aan wederzijde van den rug een donkerbruin vlekje,
dat misschien een stigma aanduidt. De metathorax, waarop
een paar lichtbruin gekleurde stigmata schijnen voor te komen,
is even als de nu volgende negen abdominaalsegmenten, die
naar het einde iets smaller worden, met eene zachte kleurlooze
huid bekleed, die het voedsel laat doorschemeren.
Het eerste achterlijfssegment is op den rug van een vleezig
horentje, dat door de larf naar voren gebogen kan worden, en
aan wederzijde van een vleezigen intrekbaren knobbel voorzien,
terwijl aan de onderzijde van de laatste geleding, twee bruine
haakvormige, uit drie korte geledingen bestaande aanhangsels
(Nachschieber van Burmeister) gevonden worden, die wel iets
op de borstpooten van vlinderlarven gelijken. Met deze vijf
genoemde deelen klemt de larve zich in haar kokertje vast. De
anaalkleppen zijn lichtbruin, en van eenige zwarte haren voor-
zien, terwijl boven hen op het laatste segment, nog een licht
bruin vlekje voorkomt.
HARE VERSCHILLENDE TOESTANDEN. 115
In het midden van Junij, toen de kokertjes ongeveer 8 mm.
lang geworden en veelal ook met stukjes van dorre bladeren
voorzien waren, bespeurde ik dat sommige larven, die nu eene
lengte van ruim 7 mm. haalden, hare woning van achteren
gesloten hadden, met een glasachtig plaatje, dat uit concentri-
sche ringen bestond, terwijl alle onverwerkte voedingstoffen,
uit het nu lichtgeel gekleurde ligchaam verwijderd waren. Meer-
malen zag ik nu ook eene larve zich in haar kokertje omkeeren ,
om de achterste opening digt te spinnen of liever te gieten, en
zich na dit verrigt te hebben, weder in haren vorigen stand
plaatsen. Eenigen tijd hierna, kropen zij met hare kokertjes
even onder de oppervlakte van den lossen zandgrond, waar zij
eerst in het laatst van Augustus, enkelen zelfs nog in het begin
van October, de voorste opening harer woning op dezelfde wijze
als de achterste volkomen sloten. Ongeveer veertien dagen later
waren zij dan in eene pop veranderd, die voor beide sexen nog
al punten van verschil aanbiedt.
Zij is eerst lichtgeel van kleur met bruine oogen en boven-
kaken, maar wordt langzamerhand zwartachtig, en vertoont ten
laatste eenigzins de kleuren die het volkomen insekt hebben zal.
Even als de larve is zij duidelijk uit dertien segmenten zamen-
gesteld, als: de kop, drie borst- en negen achterlijfsringen.
De kop is klein, en van eenige zwarte haren voorzien; de
heide zamengestelde oogen zijn groot en rond, de enkelvoudige
niet duidelijk waar te nemen. De sprieten, even als de pooten
en vleugelscheeden tegen de buikzijde teruggeslagen, reiken bij
. de vrouwelijke pop tot aan den vierden achterlijfsring , bij de
mannelijke echter ver over den laatsten heen, en zijn hier aan het
einde naar de rugzijde omgebogen; de beide eerste geledingen
dragen enkele zwarte haren. De bovenlip is half cirkelrond en
vleezig, en draagt twee paar zwarte haren; de bovenkaken,
die aan den grond eveneens van eenige haren voorzien zijn,
zijn smal en zeer spits toeloopend; de geledingen der palpi
maxillares en labiales duidelijk zigtbaar.
De prothorax is smaller dan de mesothorax, en duidelijk
daartegen afgezet. Bij de mannelijke pop is de mesothorax
116 DE ENOICYLA PUSILLA BURM. IN
bijna zoo lang als breed, en draagt behalve het tweede pooten-
paar een paar vleugelscheeden, dat tot op de vierde achterlijfs-
geleding ligt. De metathorax is minder lang dan breed, en
draagt met de achterpooten , die langer zijn dan het achterlijf,
het tweede paar vleugelscheeden, dat tot op de derde geleding
van het abdomen reikt. Bij de vrouwelijke daarentegen komen
de meso- en metathorax meer met de ringen van het achter-
lijf overeen, en bezitten zij slechts rudimentaire vleugelscheeden.
Het achterste paar pooten reikt hier tot op het zevende abdo-
minaalsegment. Stigmata schijnen op de meso- en metathorax ,
die ook enkele zwarte haren dragen, voor te komen.
De tweede, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende geleding
van het achterlijf dragen aan den voorrand, de vijfde ook aan
den achterrand der rugvlakte, twee kleine verhevenheden, die
van eenige achterwaarts gerigte zwarte tandjes voorzien zijn.
Verder treft men op den rug van ieder achterlijfssegment eenige
zwarte haren aan.
De lengte der vrouwelijke pop, die over het geheel sterker
ontwikkeld is dan de mannelijke bedraagt + 6, die der vrou-
welijke + 5 mm.
In de laatste dagen van September begonnen de imagines
zich te vertoonen. Waarschijnlijk met behulp der straks ge-
noemde tandjes, die op de rugzijde van het achterlijf voorko-
men, werkt de pop zich naar het voorste gedeelte van haar
kokertje, ten einde hier het spinsel te kunnen doorbijten, ligt
dit daarna als een dekseltje op, en begeeft zich naar de op-
pervlakte van den grond; hier verlaat de imago het pophulsel ,
dat dan ook steeds aan de oppervlakte van den grond gevon-
den wordt.
De mannelijke imago heeft een korten, breeden, zwarten kop,
waarvan de schedel met eenige gele en het aangezicht met
zwarte haren voorzien is. De beide ronde, sterk uitpuilende
zamengestelde oogen zijn donkerbruin, van de drie zwarte
enkelvoudige is er één tusschen den grond der sprieten geplaatst,
terwijl de beide andere zich daarachter bevinden. De hoog op
den kop ingeplante sprieten zijn bijna draadvormig, zwart, zeer
-
HARE VERSCHILLENDE TOESTANDEN. 117
fijn behaard en van de lengte der voorvleugels; de eerste gele-
ding is lang en dik, en vooral aan de binnenzijde sterk behaard,
de tweede kort en dunner, en de derde van gelijke dikte,
maar ongeveer tweemaal zoolang als de tweede; naar het einde
der spriet worden de geledingen echter wederom korter en iets
dunner.
De palpi maxillares steken regt vooruit, zijn veel langer dan
de palpi labiales, en even als deze weinig en fijn behaard en
uit drie leedjes bestaande. Van de eersten is de eerste ge-
leding zeer kort, de tweede de langste, en de derde iets korter
dan de tweede. Van de tweeden is de derde geleding de kortste.
Van beiden is de laatste geleding zwart, en de beide eersten,
even als de overige deelen van den mond en de hals bruinach-
tig geel van kleur.
De thorax is zwart en met eenige gele haren bezet; de pro-
thorax ringvormig, en smaller dan kop of mesothorax , het
prosternum bruinachtig geel.
De vleugels zijn aan het einde eenigszins scheef afgerond; zij
zijn bijna naakt, maar worden door fijne haartjes omzoomd.
Het voorste paar heeft eene vuilbruine kleur en dikke zwart-
bruine aderen, die verspreide zwarte haren dragen. Wat het
verloop der vleugeladeren betreft, nimmer heb ik een insekt
gezien, dat hierin zoo vele afwijkingen en onregelmatigheden
vertoont als deze kleine Phryganide ; steeds echter is de discoi-
daalcel gesloten, en vereenigen zich de subcosta en de radius
op de hoogte van het pterostigma, om zich daarna weder van
elkander te verwijderen; waarschijnlijk moet men dat zelfs als
eene kruising dezer aderen beschouwen, verder bereikt de vijfde
apicaalcel de anastomose niet, en is het thyridium duidelijk
zigtbaar. De achtervleugels zijn weinig korter en breeder dan
de voorvleugels, en veel lichter van kleur, ook wat de aderen
betreft.
De pooten zijn lang, fijn behaard, en aan de scheenen en
tarsen van eenige verspreide stekels * voorzien. Slechts de scheenen
1 Burmeister geeft als duidelijk kenmerk tusschen stekels en sporen op, dat de
eersten eene zwarte, de tweeden echter meer de gele kleur der pooten bezetten.
118 DE ENOICYLA PUSILLA BURM. IN
van het middelste en van het achterste paar' dragen sporen,
en wel twee eindsporen. Van alle pooten is het heupgewricht
en het einde der dij, van het middelste en achterste paar het
begin der tars, van het middelste paar de geheele, van het
voorste paar het eerste drie-vierde, en van het achterste paar
het eerste derde gedeelte van de scheen bruinachtig geel van
kleur, het overige zwart. Van de tarsen is het eerste lid het
langst, het vierde het kortst. Van het laatste pootenpaar is de
scheen langer dan de dij.
De geledingen van het naar achteren eenigzins breeder wor-
dend, en aan het einde als afgehakte achterlijf, zijn zwart met
geelachtigen zoom; een evenzoo gekleurde band loopt ook
langs de zijden van het achterlijf en van den thorax. Het
anaalsegment is met twee korte, opwaarts gekromde, zeer
sterk gecomprimeerde divergerende aanhangsels voorzien , waar-
onder twee breede ronde, en aan den rand behaarde kleppen
voorkomen.
De vrouwelijke imago wijkt in de volgende opzichten van de
mannelijke af. De kop is langer en daardoor ronder. De
sprieten, die steeds in beweging worden gehouden, zijn veel
korter dan het ligchaam en draadvormig, naar het einde zelfs
iets dikker wordend. De geledingen worden van de derde af,
van meer lang dan breed, langzamerhand meer breed dan lang.
De maxillaarpalpen bestaan uit vijf leedjes, waarvan het tweede
het langste is; de drie eersten zijn bruinachtig geel, de beide
laatsten zwart.
De prothorax is weinig minder breed dan kop of mesothorax,
welke laatste het grootste der drie borstsegmenten is. Het pro-,
meso- en metanotum en de geledingen van het achterlijf zijn
glanzend vaalzwart met geelachtigen zoom. De vleugels zijn
zeer rudimentair, ongekleurd, en met eenige flaauwe aderen,
die enkele zwarte haren dragen, voorzien. De pooten zijn kort
en ongeveer even als bij de mannelijke individuen geteekend ; de
1 Sommigen, waaronder ook Brauer, spreken van eene eindspoor aan de scheenen
van het eerste pootenpaar, ik heb haar echter bij geen enkel exemplaar waargeno-
men, tenzij men aanneemt dat zij hier zwart gekleurd is.
HARE VERSCHILLENDE TOESTANDEN. 119
scheenen vertoonen echter een’ grijsachtigen weerschijn. Het
achterlijf is sterk ontwikkeld en iets breeder dan de thorax ;
het heeft even als bij den & een’ geelachtigen band over de
zijden.
De lengte van het ligchaam bedraagt ongeveer 6 mm., doch
krimpt na het eijerleggen zeer in; ook ontstaat hierdoor op het
midden van den rug een scherpe kiel, zoodat het achterlijf
eenigzins dakvormig wordt. Het exemplaar dat von Heyden
t. a. pl. als Dromophila montana beschreef, was zulk een wijfje.
Van het mannelijk individu bedraagt de lengte zonder de vleu-
gels gemiddeld 4, met de vleugels echter 7 mm., terwijl het met
uitgespreide vleugels eene breedte van ongeveer 15 mm. beslaat.
Spoedig na het uitkomen der vrouwelijke imagines, die min-
der in aantal zijn dan de mannelijke, heeft de paring plaats,
waarbij de beide sexen onbewegelijk in denzelfden stand,
elkanders verlengde, geplaatst blijven. Zij is niet van langen
duur, en werd soms nog na het eijerleggen herhaald, hoewel
de wijfjes nimmer voor de tweede maal eijeren voortbragten.
Alleen kort na de eerste paring leggen zij, tusschen het mos op
de vochtige aarde, vele gele ronde eitjes, die door eene sterk
klevende, heldere, geleiachtige zelfstandigheid, tot een klompje
van ongeveer 2,5 mm. in diameter vereenigd zijn.
Langzamerhand schijnt dit geleiachtig omkleedsel geabsorbeerd
te worden, de eitjes worden bleeker van kleur, en bij eene
vrij sterke vergrooting kan men de trapsgewijze ontwikkeling
van het embryo in het ei waarnemen. Na ruim eene maand is
het reeds volkomen ontwikkeld, verbreekt de schaal van het
eitje, en de ter naauwernood één millimeter lange jonge larf
treedt te voorschijn, om dadelijk met het vervaardigen van
haar kokertje aan te vangen. Wegens hare bijzondere kleinheid
is het mij evenwel niet mogelijk geweest, naauwkeurig na te
gaan, op welke wijze zij den grondslag van hare woning leggen,
en hoe zij verder bij het bouwen te werk gaan. Alleen zag ik
dat zij de zandkorrels met bek en pooten aangrepen, en ze aan
een door haar vervaardigd netvormig spinsel vasthechtten.
Daar de kokertjes in de eerste dagen van Februarij reeds
190 DE ENOICYLA PUSILLA BURM. IN
eene lengte van ongeveer 5 mm. bezitten, brengen de larven
den winter waarschijnlijk langzaam voortgroeijende door.
Dat deze merkwaardige Phryganide over een groot gedeelte
van ons werelddeel verspreid is, blijkt uit de volgende lijst der
vindplaatsen.
In de Stett. Ent. Zeitung 1864. bl. 120 geeft Hagen als zoodanig op:
Saksen: bij Pillnitz, door Kolenati; Oostenrijk: bij Purkersdorf,
door Frauenfeld; Basel, door Imhoff (zijne exemplaren waren
verkeerdelijk als Rhyacophila angularis Pict. bestemd); Genève,
door Pictet (als Phryganea Fontium Pict. in de typen-collectie
van Curtis); Frankrijk: bij Parijs, door Rambur; Halle, door
Burmeister; Hamburg? door von Winthem; Nederland: bij
Scheveningen; en verder: Baden, Weilburg, Rödelheim, hohe
Mark auf der Höhe. Kesselbruch, Gernsbach, Falkeustein en
Ginsheimer, allen door von Heyden. Deze lijst wordt door
Hagen in de Sfett. Ent. Zeit. 1865. bl. 224 nog vermeerderd
met: Zurich, door Bremi.
Behalve Freyburg, waar de larven door von Siebold gevonden
zijn, en dat hier evenwel door Hagen niet wordt opgegeven,
kan ik er nog bijvoegen: Engeland: bij Worcester, door Fletcher;
Nederland: bij Driebergen , door Six (volgens een mannelijk en
2 vrouwelijke exemplaren in de collectie der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging). en bij den Haag en Wassenaar,
door Snellen van Vollenhoven. terwijl ik zelf haar bij Leiden
op Endegeest en Poelgeest, en bij Haarlem op de reeds ge-
noemde plaatsen aantrof.
Ten slotte vermeld ik nog, dat bij mij in het midden van
Augustus, uit een toen reeds gesloten kokertje, een vrouwelijk
exemplaar van eene waarschijnlijk nieuwe soort van het geslacht
Phygadeuon als parasiet te voorschijn kwam.
pusilla, Burm.
DI
Enoicvla
”
”
”
. a. Basaalgeledingen
HARE VERSCHILLENDE TOESTANDEN. 191
Verklaring der Plaat.
Alle figuren , behalve fig. 1 , zijn vergroot voorgesteld.
. Kokertje der volwassen larf van ter zijde, nat. grootte.
. Volwassen larf in haar kokertje.
. Volwassen larf uit haar kokertje genomen.
. Kop der larf van voren.
. Poot van het middelste paar.
. Voorste gedeelte der larf, sterker vergroot, voor de
aanhangsels van het eerste abdominaalsegment.
. De laatste geleding der larf met de haakvormige aanhang-
sels, sterker vergroot; de buikzijde is naar bovengekeerd.
. De manlijke pop.
. De vrouwelijke pop.
. a. Spinsel, waarmede de larve de voorste opening van
haar kokertje sluit.
b. De losgebeten rand hiervan, 50 maal vergroot.
11. Mannelijke imago.
2 i van eene spriet daarvan.
b. Middelste geledingen |
. Maxillaarpalp van de mannelijke imago.
. Achterpoot.
. Scheen met een gedeelte der dij van het middelste paar.
. Voor- en achtervleugel.
. Achterlijf ¢ op de rugzijde.
. a. Laatste achterlijfsring met de aanhangsels, van ter
zijde.
b. Hetzelfde van boven.
. Vrouwelijke imago.
. Kop en borst hiervan sterker vergroot, voor de vleugel-
rudimenten en de inplanting der sprieten.
. Basaalleedjes der spriet.
22. Maxillaarpalp.
SU PB LE MEINT
à LA
LISTE DES MACROLEPIDOPTERES DU LIMBOURG NEERLANDAIS
PAR
A. H. MAURISSEN.
AVANT-PROPOS.
En publiant une premiere liste des Macrolépidopteres du Lim-
bourg néerlandais en 1866, j'ai exprimé l'intention de faire
connaître les espèces qui pourraient être observées par la suite,
A cette époque je n’avais nullement l'idée que cette liste, déjà
composée de 442 espèces, presque toutes recueillies par moi-
même, pourrait être suivie si tôt d’une liste supplémentaire.
Aussi, je dois me hater de le dire, j’ignorais complétement que
les parties septentrionales de notre Province étaient déjà três-
bien explorées et que deux amateurs fort zélés y avaient fait
des recherches assidues depuis une douzaine d’années. Ges deux
amateurs, MM. A. van den Brandt et G. Hamm, ont bien
voulu mettre leurs collections à ma disposition et m'ont fait
connaître tous les précieux matériaux qu'ils ont recueillis.
Grace à l’obligeance extréme de ces deux Messieurs, qui ha-
bitent la ville de Venlo, et au concours bienveillant de plusieurs
autres amateurs et naturalistes distingués, parmi lesquels je
citerai surtout MM. P. Maassen! et J. H. Kaltenbach d’Aix-la-
1 Mr. Maassen demeure actuellement a Elberfeld.
SUPPLEMENT A LA LISTE DES MACROLÉPIDOPTÈRES ETC. 195
Chapelle, ainsi que MM. G. Clumper et E- Ziegeler de Maestricht,
je me trouve en état de donner, en ajoutant le résultat de mes
propres recherches, un supplément de 119 espèces, de sorte
que le nombre de Macrolépidoptéres actuellement connus du
Limbourg est maintenant porté à 561.
Parmi les 119 espèces dont se compose le présent Supplé-
ment, 111 avaient déjà été observées en Néerlande , tandis que
les 8 autres n'y étaient pas connues a ce que je sache. En
retranchant des 50! espèces inconnues en Néerlande en Decembre
1865, les 7° découvertes depuis cette publication, il reste 25
espéces, de sorte qu’on en connait en ce moment 51 du Lim-
bourg qui n’ont pas encore été observées dans les autres parties
de la Néerlande.
Pour ce qui concerne la valeur que l'on peut attacher aux
déterminations, il suffira bien certainement, je pense, d'ajouter
que presque toutes les espèces, surtout celles qui sont nouvelles
pour la faune néerlandaise, ont été passées en revue par notre
éminent lèpidoptérologue Mr. P. G. T. Snellen.
Maestricht, le 16 Février 1869.
A. B. Maurissen.
1 Je dis ici 30 espèces, tandisque dans l’avant-propos de ma précédente liste
j'avais indiqué le nombre de 31, en y comprenant par erreur |’ Acronycta leporina Ts.
Je dois ajouter encore que l’astérisque, qui aurait dû se trouver à la Cidaria aquata H.
avait été oublié par le typographe.
2 D’après une récente communication de Mr. P. C. T. Snellen, il y a parmi ces
7 espèces 2, notamment: Bombyx tremulifolia H. et Cucullia Absynthii L., qui
ont encore été découvertes dans d’autres Provinces depuis la publication de son grand
ouvrage sur les Macrolépidoptéres de la Néerlande.
494 SUPPLÉMENT À LA LISTE DES MACROLÉPIDOPTÈRES
Lycaena Alcon S. V. J'ai trouvé vers la fin d’Aoùt 1866
quelques exemplaires de cette Lycaena dans les bruyères
entre Swalmen et Reuver au N. E. de Ruremonde.
Vanessa Levana L. Mr. van den Brandt à rencontré cette
| espèce à plusieurs reprises au commencement de Juin
aux environs du moulin dit //oufmolen pres de Venlo;
la variété Prorsa L. paraît y être moins rare au mois
d’ Aout.
Argynnis Niobe L. D’aprés le méme amateur cette Argyn-
mis est assez rare prés de Venlo et se trouve principale-
ment à l’endroit appelé Potkuilen.
!* Pararga Maera L. var. Adrasta Hfmgg. Un seul exem-
plaire de cette variété a été pris à la fin de Juin sur le
Schneeberg près de Vaals par Mr. Maassen.
Coenonympha Davus F. Mr. Kaltenbach a capturé cette
espèce au mois de Juillet le long des marais qui s’eten-
dent depuis Gangelt jusqu'à Sittard. Elle s'y trouvait en
abondance.
* Syrichthus Sao H. N'est pas très-rare au commencement
de Juin dans les fortifications au sud de Maestricht d’après
Mrs. Clumper et Ziegeler.
Beilephila Celerio L. Mr. van den Brandt a trouvé cette
belle espèce en Juin et en Novembre 1865 sur la vigne
a Venlo. :
Macroglossa fuciformis L. Le même amateur a rencontré
rarement cette Macroglossa sur les fleurs du Lilas a
Venlo et Mr. Ziegeler en a pris un seul exemplaire
en Mai 1866 dans les fortifications au sud de Maestricht.
Sciapteron tabaniforme Rott. — Asiliforme S. V. Cette
espèce a été prise au mois de Juin par Mr. van den
Brandt aux environs de Venlo contre le tronc de jeunes
Peupliers et à Fauquemont par Mr. Maassen.
! Les espèces marquées d’un astérisque n’ont pas été observées dans les autres Pro-
vinces de la Néerlande.
DU LIMBOURG NÉERLANDAIS. 195
Sesia spheciformis Esp. Cette Sésie bien que rare, pa-
rait être assez répandue dans le Limbourg : un exemplaire
a été pris par Mr. Maassen à Simpelveld, un par Mr.
van den Brandt à Venlo en Juin, un autre par Mr. Zie-
geler prês du fort de St. Pierre au sud de Maestricht
et un quatrième par moi-mème vers la fin de Juin 1866
prês de la maison de campagne de Hattem au sud de
Ruremonde.
Sesia tipuliformis L. Mr. Maassen a capturé trois indi-
vidus de cette espèce sur des Groseillers dans un jardin
a Fauquemont et Mr. Hamm en a pris un seul à Venlo
pres d'une haie de Framboisiers.
—— asiliformis Rott. Mr. van den Brandt n'a rencontré
qu’un exemplaire de cette Sésie dans des broussailles
près de Venlo (Houtmolen).
—— culiciformis L. Le même amateur a trouvé en Juin
1867 un individu de cette espèce contre le tronc d’un
Bouleau abattu et l’année suivante il en a vu sur le
méme tronc plusieurs chrysalides vides (Venlo). Mr. Maassen
en a pris un au mois de Mai dans un bois près de Vaals.
Hylophila prasinana L. Selon ce dernier naturaliste cette
espèce n'est pas rare en Mai sur les collines boisées
près de Vaals. Mr. van den Brandt en a trouvé des
chenilles en Septembre 1866 sur de jeunes Chénes près
de Venlo; les papillons sont éclos en Juin 1867.
* Nola togatulalis H. Un seul individu de cette Nola a
été pris prés de Venlo’.
—— albula S. V. De cette espèce-ci il n’a été également
trouvé qu'un seul exemplaire au commencement de Juillet
sur une haie de la ferme Tichelary à l'est de Venlo.
—— centonalis H. N'est pas rare en Juillet dans les bruyères
du Jammerdal près de Venlo.
1 Mr. Snellen regarde la trouvaille de cette espèce dans une contrée située aussi
loin que le Limbourg vers le N. O. comme fort étrange. Il est done à désirer qu'il
soit fait des recherches ultérieures afin d’en decouvrir un plus grand nombre d’individus.
LI
196 SUPPLÉMENT à LA LISTE DES MACROLÉPIDOPTÈRES
Lithosia muscerda Hfn, Cette Lithosie se rencontre assez
fréquemment au commencement du mois d'Avril dans
les bois taillis près de Venlo (Houtmolen). Cette espèce
ainsi que les trois précédentes ont été prises par Mr.
van den Brandt.
x
—— griseola H. A été trouvée 4 plusieurs reprises volant
vers le soir près de Vaals par Mr. Maassen et une seule
fois par moi-méme en Juillet au N. E. de Maestricht
dans le petit bois près de Borgharen.
Emydia Cribrum L. Mr. van den Brandt a capturé trois
individus de cette Emydia près de Venlo et Mr. Ziegeler
un seul en Aoùt 1866 entre Swalmen et Reuver près
de Ruremonde.
Nemeephila russula L. A été prise sur les collines boisées
près de Vaals au mois de Juin; la femelle est beaucoup
plus rare que le male. (Maassen).
Psyche unicolor Hfn. = graminella S. V. D’après Mr. van
den Brandt cette Psyche se trouve en été près de Venlo
contre le tronc des arbres qui bordent le chemin creux
de la Bovenste Houtmolen.
—— fusea Hw. = calvella 0. Capturé par le méme ama-
teur en Juin dans une prairie humide à l'endroit appelé
Potkuilen (Venlo).
Orgyia gonostigma S. V. Mr. Maassen a obtenu un individu
de cette espèce d’une chenille trouvée à Simpelveld et
Mr. Ziegeler en a recueilli de la méme manière un
exemplaire à Maestricht.
Dasychira faseelina L. Mr. Maassen a trouvé la chenille
de cette Dasychira au mois de Mai entre Vaals
et Lemiers sur le Sarrothammus scoparius et Mr. van
den Brandt près de Venlo sur le Sorbus aucuparia.
Bombyx castrensis L. Un seul individu a été pris au
commencement de Juillet 1868 dans un bois taillis près
de la Houtmolen à Venlo. (Van den Brandt).
DU LIMBOURG NEERLANDAIS. 197
Bombyx lanestris L. Mr. Maassen a recueilli à plusieurs
reprises en Mai près de Vaals et de Simpelveld des che-
nilles de ce Bombyx sur le Prunus spinosa.
G'est à lui que nous devons aussi la connaissance des
deux espèces suivantes.
Platypteryx cultraria F. Sur les collines boisées près de
Vaals.
Harpyia furcula L. N'est pas rare aux mois de Mai et de
Juin contre le tronc des arbres le long de la chaussée
d’Aix-la-Chapelle à Vaals.
Stauropus Fagi L. Mr. Maassen a capturé également un
individu de cette espèce en Juin entre Vaals et Lemiers
contre le tronc d’un arbre et Mr. van den Brandt en a
pris un autre au commencement de Juillet près d’une
haie de Hètres de la ferme Tichelary (Venlo).
Notodonta tremula S. V. = trepida Esp. D'après Mr. van
den Brandt cette Notodonte se rencontre assez fréquem-
ment en Mai contre le tronc des Chénes aux environs
de Venlo. C’est au méme amateur que nous sommes
redevables de la découverte des deux espèces suivantes.
—— chaonia S. V. Nest pas rare en Mai contre le tronc des
Chénes près de Venlo et de Sevenum.
—— querna S. V. En Juin aux environs de Venlo.
—— dodonea S. V. Observée en Mai et Juin prés de Vaals
contre le tronc des Chênes par Mr. Maassen et aux en-
virons de Venlo par Mr. van den Brandt.
Clostera pigra Hfn. = reclusa S. V. Près de Venlo un indi-
vidu de cette espèce a été pris par Mr. van den Brandt
et un autre par Mr. Hamm.
Gonophora derasa L. Selon Mr. Maassen cette espèce se
rencontre assez fréquemment volant le soir le long du
chemin de fer entre Simpelveld et Richterich. Mr. van
den Brandt en a capturé a la mi-Juillet un seul individu
attiré le soir par la lumière.
10
128 SUPPLÉMENT à LA LISTE DES MACROLEPIDOPTERES
Thyatira batis L. Cette Thyatira a été trouvée en Juin dans
une maison a Maestricht par Mr. R. Pierik, près de
Simpelveld par Mr. Maassen et en Juin dans un bois
taillis près de Venlo (//owtmolen) par Mr. Hamm.
Cymatophora ocularis L. = ociogesima H. De cette espèce
il n'a été observé jusqu'ici dans le Limbourg que deux
individus: l'un a Venlo par Mr. Hamm, l'autre par moi-
méme a Maestricht. Ils ont été pris tous deux dans des
maisons au mois de Juillet.
* Asphalia diluta S. V. Un seul exemplaire en Septembre
sur un jeune Chéne de la ferme Wylrehof prés de Venlo
(Hamm.)
— — flavicornis L. Suivant Mr. van den Brandt cette espèce
n'est pas rare aux environs de Venlo: elle vole au cré-
puscule en rasant le sol dans les taillis de Chênes aux
mois de Mars et d'Avril Mr. Maassen l'a prise assez
souvent à la même époque près de Vaals.
—— putris Hfn. = ridens Wd. Assez rare en Mai aux en-
virons de Vaals (Maassen).
Acronycta Menyanthidis View. Cette Noctuelle se rencontre
de temps en temps en Juin prés de Venlo contre le
trone des arbres (Van den Brandt).
Agrotis fimbria L. Capturée trois fois et vers le soir à Vaals
sur les fleurs d'un Tilleul par Mr. Maassen et une seule
fois par moi-même pres du village de Borgharen au
Nord de Maestricht.
—— interjecta H. D'après Mr. van den Brandt cette espèce
n'est pas rare près de Venlo, volant le soir au mois
d’Aoüt dans les bois taillis près de la Houtmolen, et
selon Mr. Maassen aux environs de Vaals elle se rencontre
volant rapidement autour des arbustes.
—— orbona Hfn. = subsequa S. V. Mr. van den Brandt a pris
près de Venlo plusieurs individus de cette Agrotis à la fin
de Juillet dans un bois taillis et dans des tas de fagots.
—— Triangulum Hfn. Est assez commune aux environs de
Maestricht et de Venlo.
DU LIMBOURG NEERLANDAIS. 129
Agrotis umbrosa H. Plusieurs fois observée en Juillet volant
le soir sur des fleurs dans le jardin de la ferme Tiche-
lary près de Venlo (Van den Brandt).
—— putris L. D'après Mr. Maassen cette espèce se rencontre
assez fréquemment entre Simpelveld et Richterich; selon
Mr. van den Brandt elle est rare aux environs de Venlo,
où elle vole le soir au mois de Juin, et j'en ai pris moi-
même un exemplaire vers la même époque dans un petit
bois du village de Vieux-Vroenhoven.
—— eorticea S. V. A été rencontrée rarement à Venlo par
Mr. van den Brandt volant le soir au mois de Juillet
dans un jardin.
Neuronia Cespitis S. V. Pris deux fois en Septembre contre
un mur et une fois contre le trone d'un arbre se trou-
vant dans un champ de Tréfle à Venlo (Van den Brandt).
Mamestra advena S. V. Observée deux fois près de Venlo
(Van den Brandt).
—— tincta Brahm. Cette espèce n’a été rencontrée que deux
fois dans le Limbourg: une fois 4 Fauquemont par Mr.
Maassen et une fois au mois de Juin contre le tronc
d'un arbre sur le Schaapsdyk pres de Venlo par Mr.
van den Brandt.
—— Pisi L. Vole en plein jour au mois de Juin: elle a été
prise par Mr. Maassen dans les prairies prés de Vaals et
par Mr. van den Brandt près de Venlo.
—— Albicolon H. J'ai trouvé un seul exemplaire de cette
espéce au commencement de Juillet dans un petit bois
du village de Vieux-Vroenhoven.
Dianthoecia compta S. V. Selon Mr. van den Brandt cette
Dianthoecia n'est pas rare aux environs de Venlo contre
le tronc des arbres au mois de Juin. C'est aux recher-
ches du même amateur que nous devons la découverte
dans le Limbourg des quatre espèces suivantes.
—— capsincola S. V. Commune a Venlo volant le soir dans
les jardins aux mois de Mai et d’Aoüt.
2 il è 0 x
150 SUPPLÉMENT à LA LISTE DES MACROLÉPIDOPTÈRES
Ammoconia cæcimacula S. V. Prise une seule fois dans
l'herbe aux Pofkuilen près de Venlo pendant le mois
d'Octobre.
Dryobota protea S. V. Commune à Venlo contre le tronc
des Chênes près du Wylrehof aux mois de Septembre et
d'Octobre.
Dichonia aprilina L. Rencontrée assez fréquemment en Sep-
tembre au même endroit près de Venlo.
Luperina matura Hfn. — tevta Tr. Mr. Hamm a pris un
seul exemplaire de cette espéce prés de Venlo et Mr. Zie-
geler un autre le 12 Août 1867 pres du fort de St. Pierre
au sud de Maestricht.
—— virens L. Nest pas rare aux environs de Venlo contre
le tronc des arbres. Elle vole le soir dans les champs
de Tréfle pendant les mois de Juillet et d’Aout (Van
den Brandt).
Hadena ochroleuca S. V. Mr. Ziegeler a pris un exemplaire
de cette Hadena au mois de Juillet 1866 dans le che-
min creux qui’ longe le fort de St. Pierre près de Maes-
tricht et Mr. Clumper un autre à Vieux-Vroenhoven au
commencement du mois d’Aoüt 1867.
— — remissa H. Rare à Venlo contre le tronc des arbres en
Juin. Nous devons encore la découverte de cette espéce
et des trois suivantes au zéle de Mr. Van den Brandt.
\
Helotropha leucostigma H. Un seul individu a été pris à
Venlo volant le soir dans un jardin au commencement
de Juillet 1868.
Gortyna flavago S. V. Un seul exemplaire aux Potkuilen
près de Venlo contre le tronc d’un Chêne en Octobre 1867.
Leucania impura H Nest pas rare à Venlo volant le soir
en Juillet dans un bois taillis près de la Houtmolen.
—— comma L. D'après Mr. Maassen cette espèce se rencontre
souvent dans les prairies aux environs de Vaals et selon
Mr. van den Brandt rarement en Juin dans un pré près
de Venlo.
+
DE LIMBOURGSENEERLANDAIS. 151
Leucania turea L. Mr. Hamm a trouvé un individu de cette
Leucania près de Venlo dans un bois taillis (Houtmolen).
Caradrina Morpheus Hfn. Un seul exemplaire de cette
espèce a été pris à Vaals par Mr. Maassen et un autre
près de Venlo par Mr. van den Brandt.
—— arcuosa Hw. N'est pas rare à la mi-Juillet aux environs
de Venlo (Van den Brandt).
Rusina tenebrosa H. Mr. Maassen a trouvé un individu de
cette espèce le long de la Chaussée d’Aix-la-Chapelle
près de Vaals et Mr. van den Brandt deux en Juin aux
endroits marécageux pres de Venlo.
Taeniocampa miniosa S. V. Plusieurs exemplaires ont été
secoués de jeunes Chênes au mois d’Avril près de Venlo
(Van den Brandt).
—— cruda S. V. Se rencontre fréquemment au mois d’Avril
dans les bois taillis de Chénes aux environs de Venlo
(Van den Brandt).
—— gracilis S V. Mr. van den Brandt a recueilli quelques
individus de cette espéce a Venlo et Mr. Clumper en a
trouvé un seul en Mars 1866 sur les remparts de Maes-
tricht.
Panolis piniperda Esp. Se rencontre aux environs de Venlo
dans les petits bois de Sapins prés de la Houtmolen et
aux Potkuilen, volant le soir depuis le mois de Mars
jusqu'au commencement d'Avril (Van den Brandt).
Pachnobia rubricosa S. V. Mr. R. Pierik a trouvé un seul
exemplaire de cette espèce au mois d'Avril dans un jar-
din à Maestricht.
Dychorista suspecta H. Un seul mâle à la fin de Juin 1868
dans le jardin de la ferme Tichelary pres de Venlo
(Van den Brandt).
*Cirrhoédia xerampelina H. = centrago Hw. Une seule
femelle contre le tronc d’un Fréne à VEst de Maestricht
(Ziegeler).
152 SUPPLEMENT à LA LISTE,DES MACROLÉPIDOPTÈRES
Orthosia lota L. J'ai trouvé un exemplaire de cette espèce
le 19 Avril 1866 contre le tronc d’un Peuplier dans les
fortifications au Nord de Maestricht.
—— macilenta H. Selon Mr. Van den Brandt cette Orthosia
se rencontre assez fréquemment en Octobre prés de
Venlo (Potkuilen).
Kanthia citrago L. Observée une seule fois en automne a la
Houtmolen près de Venlo (Hamm).
Xylina ornithopus Hin. = rhizolitha F. Mr. van den Brandt
a pris plusieurs exemplaires de cette espèce près de Venlo
aux mois de Septembre et d Octobre et j'en ai trouvé
au mois de Mars contre le tronc des Ormes sur les rem-
parts de Maestricht.
—— furcifera Hfn. = conformis S. V. N'est pas rare au
printemps et en automne contre le tronc des arbres du
Schaapsdijk près de Venlo (Van den Brandt).
—- semibrunnea Hw. Un seul exemplaire de cette espèce
a été capturé à Vaals par Mr. Maassen au mois d’Octobre
contre le tronc d'un arbre.
Calocampa vetusta H. Obtenue d’une chenille trouvée sur
une espèce de Carew dans un fossé du Hagerhof près de
Venlo; le papillon est éclos en Septembre (Van den
Brandt).
—— exoleta L. Mr. Maassen a trouvé un exemplaire de cette
Calocampa au mois d'Octobre sous des feuilles mortes
entre Simpelveld et Richterich, et Mr. van den Brandt
en a pris deux fois la chenille sur des fèves de marais
au mois de Juin; le papillon a paru au mois de Sep-
tembre.
Heliothis dipsacea L. Mr. van den Brandt a rencontré une
fois cette espèce pres de Venlo dans une prairie élevée
a la fin de Juillet; Mr. Ziegeler une fois le 25 Aout
1866 le long du chemin de fer près du village de
Reuver et moi une autre fois en Juillet 1867 3 Vieux
Vroenhoven.
DU LIMBOURG NÉERLANDAIS. 155
Erastria venustala H. Un exemplaire a été pris par Mr. van
den Brandt en Juin dans un tas de fagots près de Venlo
(Tichelary) et un autre par moi même le 28 Juin 1866
à la campagne de Hattem près de Ruremonde.
Zanclognatha tarsipennalis Tr. Commune à Venlo en Juil-
let et Aout dans les jardins (Van den Brandt).
Berminia cribralis H. Assez rare pendant l'été dans les bois
taillis près de Venlo (Van den Brandt).
Bomolocha crassalis L. Au commencement du mois de
Juillet 1867 j'ai trouvé un seul individu de cette espèce
contre la pente boisée de la colline près du village de
Bunde au Nord de Maestricht.
Mypena proboscidalis L. Espèce commune aux environs de
Maestricht et de Venlo.
Hypenodes costaestrigalis Steph. Un seul exemplaire a été
pris par Mr. van den Brandt à la fin d'Aoút près de
Venlo (Tichelary).
Brephos Parthenias L. Selon le mème amateur cette espèce
se trouve en abondance au mois de Mars pres de Venlo
volant au soleil aux endroits où croit le Bouleau. J’en
ai pris un seul individu dans un jardin à Maestricht.
Acidalia rusticata S. V. Au mois de Juillet 1867, j’ai
trouvé un exemplaire de cette Acidalia dans mon jardin.
—— inornata Hw. = sujfusata Tr. Suivant Mr. van den
Brandt cetle espèce n'est pas rare a Venlo en Juin et
Juillet dans les parties boisées prés de la Houtmolen.
—— decorata S. V. Un seul individu a été capturé par le
méme amateur en Juin dans un bois taillis de Chéne
pres de la Chapelle de Genooy (Venlo).
Zerene sylvata Sc. — ulmaria Fabr. Mr. Maassen a trouvé
plusieurs exemplaires de cette espèce à Simpelveld et à
Vaals, et Mr. Clumper en a pris vers la fin de Juin
deux dans le petit bois près de Borgharen au Nord de
_Maestricht.
Metrocampa honoraria S. V. Se rencontre rarement sur
les collines boisées près de Vaals (Maassen).
\
154 SUPPLÉMENT À LA LISTE DES MACROLEPIDOPTERES
Eugonia canaria H. = liliaria Bkh. Mr. Ziegeler a trouvé
un male de cette Eugonia en Juillet 1866 au pied d'un
Peuplier du Canada à St. Pierre près de Maestricht.
Aux environs de Venlo Mr. van den Brandt en a pris
deux individus sur un Chéne.
@dontoptera bidentata L. Mr. Maassen a capturé quatre
fois cette espèce sur les collines boisées prés de Vaals.
Himera pemmaria L. Assez rare sur des Chênes aux envi-
rons de Venlo vers la fin d'Octobre (Van den Brandt).
Hibernia progemmaria li. Mr. Maassen n'a trouvé qu'une
fois cette espèce à Vaals. Selon Mr. van den Brandt
elle n’est pas rare au mois de Mars à Venlo au pied
des Feupliers du Canada.
* Biston zomarius S. V. Mr. van den Brandt a pris deux
exemplaires de ce remarquable Biston contre le tronc
d'un Orme sur la route de Venlo à Tegelen, Mr.
Clumper un seul le 20 Mars 1867 contre le tronc
d'un Peuplier du Canada le long du Jaer au sud de
Maestricht et moi-même un autre le 14 Avril 1866
contre le tronc d'un Orme sur la chaussée d’Aix-Ia-
Chapelle pres de Maestricht.
En Belgique il n’a pas encore été mentionné, a ce
que je sache, et d’aprés Mr. F. Stollwerck, il n’a été
observé dans la Prusse rhénane qu’ à Saarlouis et près
d’Urdingen.
Boarmia cinctaria S. V. Suivant Mr. van den Brandt cette
espèce est assez rare à Venlo au mois d’Avril contre le
tronc des Peupliers.
—— lichenaria Hfn. D'après le même amateur la chenille
se trouve en abondance a Venlo au mois de Mai sur la
mousse contre les Chênes el le papillon contre le trone
des mêmes arbres depuis Juin jusqu'en Août. Jusqu'ici
je n’en ai rencontré moi-même qu un seul individu dans
le petit bois près de Houthem au N. E. de Maestricht.
DU LIMBOURG NEERLANDAIS. 155
* Gnophos furvata S. V. Mr. Clumper a pris un seul mâle
dans les parties boisées de la colline de St. Pierre près de
Maestricbt.
Selidosama plumaria S. V. Cette espèce a été trouvée par
Mr. van den Brandt dans les bruyéres de Jammerdal près
de Venlo et par moi-même dans les bruyères entre Swal-
men et Reuver au mois d’Aoüt 1866.
Phasiane petraria Esp. N’est pas rare d’aprés Mr. Maassen
aux endroit découverts sur les collines boisées près de
Vaals, et selon Mr. van den Brandt elle se rencontre
fréquemment au mois de Juin dans les terrains humides
près des bois aux environs de Venlo.
Chesias obliquaria S. V. Se trouve suivant Mr. Maassen
sur les collines boisées prês de Vaals et en abondance
d’après Mr. van den Brandt dans les bruyères près de
Venlo. Je n’en ai pris moi-même qu'un individu le
11 Juin 1867 sur la partie couverte de bruyère de la
colline entre Rothem et Geulheim à l'Est de Maestricht.
Lobophora sexalata Retz. Se rencontre rarement à Venlo
volant le soir au mois de Juin. (Van den Brandt).
—— viretata H. Un seul exemplaire a été pris aux environs
de Venlo par Mr. van den Brandt.
Cidaria siterata Hfn. = psittacata S. V. Le même amateur
a trouvé cette espèce au mois de Février contre le tronc
des arbres et surtout dans un bois de Sapins près de
Venlo. Pour ma part je n’en ai pris jusqu'ici qu'une
femelle en Avril sur le rempart de Wyck-Maestricht.
* —— fluviata H. 3 — gemmata H. 2. Un seul individu a
été trouvé au commencement de Septembre sur une haie
de Hétres de la ferme Tichelary à l'Est de Venlo par
Mr. van den Brandt, auquel nous devons également la
découverte des trois espèces suivantes.
sparsata Tr. Un seul exemplaire au commencement de
Juin dans un bois près de la méme ferme.
Eupithecia pygmaeata H. Pareillement un exemplaire au
même endroit au commencement de Juillet.
11
156 SUPPLEMENT À LA LISTE DES MACROLEPIDOPTERES
Eupithecia minutata Gn. Encore un seul individu à la fin
de Juillet dans un buisson d’Aubépine près de Venlo
(Houtmolen). :
—— pusillata S. V. J'ai pris cette espèce le 12 Mai 1868
sur le Schaesberg près de Fauquemont.
* — — insfgniata H. = consignata Bkh. Mr. van den Brandt
a trouvé un exemplaire de cette Eupithecia près de Venlo
en Juin dans un bois de Sapins près de la Houtmolen
et moi un autre le 16 Avril 1866 contre la fenêtre d’une
maison du hameau de Scharn au N. E. de Maestricht.
ENUMERATION
DE QUELQUES VARIÉTÉS NOUVELLES POUR LE LIMBOURG (4).
Colias Edusa F. ab. 2 Helice H. Cette variété a été prise
par Mr. Maassen au mois d’Aoüt le long du chemin de
fer entre Simpelveld et Richterich.
? Epinephele Hyperanthus L. * ab. Arete Müll. Rare aux
environs de Venlo, volant en méme temps que le type
(Van den Brandt).
Syrichthus alveolus H. = Malvae L. ab. Taras Meig. Cette
variété paraît être rare à Vaals d’après Mr. Maassen et
assez commune à Venlo d’après Mr. van den Brandt.
Jen ai pris un seul exemplaire dans les bruyères entre
Swalmen et Reuver.
Sarrothripa revayana S. V. var. IV dilutana H. Un individu
a été trouvé sur un jeune chêne au mois de Septembre
à Hagerhof près de Venlo (Van den Brandt).
1 Voyez aussi ci-dessus les variétés de Vanessa Levana T.. et de Pararga Maera L.
DE LIMBOURG NEERLANDAIS. 157
Hadena rurea F. ab. combusta H. Encore un seul exemplaire
en Juin contre le trone d'un arbre près de Venlo (Van
den Brandt).
Orthosia pistacina S. V. ab. rubetra Esp. J'ai trouvé un
mâle de cette variété contre un mur à Maestricht au
mois de Septembre 1866.
? Xylomiges conspicillaris L.* ab. melaleuca Dup. Capturée
par Mr. Maassen aux environs de Vaals.
Hibernia leucophaearia S. V. ab. marmorinaria Esp. =
| nigricaria H. D’après Mr. van den Brandt cette variété
nest pas aussi rare que le type; elle se trouve au mois
de Mars contre le tronc des Peupliers du Canada dans
les fortifications de la ville de Venlo.
2 Cette variété est pareillement nouvelle pour les autres Provinces de la Néerlande.
AANTEEKENINGEN
OP
Dr. HERRICH-SCHAEFFER’s
PRODROMUS SYSTEMATIS LEPIDOPTERORUM
P. C. T. SNELLEN.
(Vervolg.)
Met genoegen zag ik bij ontvangst van Jaargang 1867 van
het «Correspondenz-Blatt des Zodlogisch-mineralogischen Vereins
zu Regensburg» dat de door Dr. Herrich-Schaffer in 1865 be-
gonnen classificatie der Lepidoptera onder den titel aan het
hoofd van dit opstel vermeld, is voortgezet. De geleerde en
ijverige schrijver behandelt in dien jaargang de Pieridina en
Equitina (zijne familie 14 en 15 der Rhopalocera), waarvan hij
analytische tabellen voor de genera geeft. Ik heb ook deze
tabellen gebezigd bij de rangschikking der soorten, welke ik
van de genoemde familien bezit, en daarbij weder eenige op-
merkingen gemaakt, die ik zoo vrij ben mede te deelen als
vervolg op mijn stukje van gelijken aard in jaargang 1868
(2° serie, deel 5) van ons Tijdschrift.
Famine 14 PIERIDINA.
Bij het bezigen van Herrich-Schiffer’s tabel der genera zoti
ik zeer aanbevelen om wel in het oog te houden hoe bij de
AANTEEKENINGEN OP HERRICH-SCHÄFFER’S ENZ. 159
genera met voltallige aderen der voorvleugels het aderstelsel zich
voordoet. Bij het genus Lronia waar 12 aderen in de voor-
vleugels worden gevonden en zij onderling het minst verbonden
zijn, komen ader 2—6 ongesteeld uit den binnen- en achter-
rand der middencel, 7 en 8 gesteeld uit de spits en 10 en 11
vrij uit den voorrand. Nu zou ik voorstellen om de eerste
ader, die na de voorrandsader ontspringt, derhalve de eerste
die aan den voorrand uit de middencel komt) steeds 11 en de
daaropvolgende 10 te noemen en dus, wanneer men van den
binnenrand af tot 7 telt, de bij eenige genera met minder dan
12 aderen ontbrekende spranken onder 8 en 9 te zoeken. Mij
dunkt dat men zich door hieraan vast te houden, het overzigt
der wijzigingen van het aderstelsel bij de Pieridinen gemakke-
lijker maakt dan door, gelijk Herrich-Schäffer doet, de beide
aderen die uit den voorrand der middencel komen nu eens 10
en 11 en dan weder 9 en 10 te noemen, naarmate de steel
die op de punt der middencel staat meer of minder takken heeft.
Dr. Herrich-Schäffer heeft zijne tabel bijna uitsluitend op het
aderstelsel gegrond. Het is waar dat de vleugeladeren, bij de
Rhopalocera ten minste, steeds het gemakkelijkst na te gaan
zijn en niet zoo zeer aan beschadiging of vervalsching zijn bloot-
gesteld, als palpen of sprieten, maar toch kan men bij voor-
beeld het karakteriseeren der genera Antocharis en Eronia vrij
wat gemakkelijker maken door ook op de palpen en sprieten
acht te geven, dan door alleen op de modificatien van het ader-
stelsel te letten.
I. 1. «Rippe 8 und 9 der Vdfl. nach einander aus 7; 10
bisweiten aus b, gewöhnlich aus der Mittelzelle.
A. «Vorderfliigel mit 12 Rippen».
Bij Anthocharis Belia komen exemplaren voor, waar ader 8
(even als bij de kleine Pieriden) geheel verdwijnt en men dus
slechts 11 aderen kan vinden. Om dus verwarring met Colias
en vooral met Pieris te voorkomen, houde men wel in het oog:
1°. Dat bij Pieris op de plaats waar bij Anthocharis ader 9 en
wel als een vrij lang sprankje ontspringt, geene ader te zien
is, daar 9 bij Pieris ontbreekt, en ten tweede de verschillende
140 AANTEEKENINGEN OP HERRICH-SCHÄFFER S
vormen van sprieten en praecostaalader. Door op de laatste te
letten kan men ook dadelijk Colias onderscheiden.
I. 1. A. A. «Ast 7 der Vorderflügel aus 1 von 6, Ast 10
aus der Spitze der Mittelzelle aus gleichem Punkte mit 6.
Dit is niet altijd zoo bij Anthocharis. Ader 6 ontspringt wel
eens uit den achterrand der middencel (als bij Eronia) vrij van
den steel van 7 tot 9, 10 wel eens uit den voorrand der mid-
dencel ver van genoemden steel. Men dient dus tot onderschei-
ding van Eronia en Anthocharis wel op de palpen en sprieten
te letten.
I. 2. A. «Rippe 9 und 10 aus dem Vorderrande der Mittel -
zelle». Hier zou ik zetten: «10 und 11, 9 stets fehlend» (zie
boven).
I, 2. A. A. «Praecostalader kaum angedeutet, oft nur als
schwaches Knöpfchen, höchstens als schwacher, vertikaler, wur-
zelwarts geneigter Ast».
Bij Callidryas Hyblaea B. (Florella 2?) is zij vrij lang en
duidelijk, doch wanneer men weder de palpen en sprieten be-
schouwt zal men Callidryas en Pieris niet verwarren , evenmin
als Callidryas en Colias.
Tot karakteriseering van Terias tegenover Rhodocera en Cal-
lidryas zou dunkt mij wel in aanmerking mogen komen dat bij
Terias ader 6 en 7 der achtervleugels zoo digt bijeen (soms wel
op korten steel) ontspringen, terwijl zij bij de andere genoemde
genera ver uiteen staan.
I. 2. A. B. Hier zou ik zetten « Rippe 9 und 10 fehlen ganz».
I. 2. A. D. «Rippe 9 entspringt aus dem Stiele von 6 + 7».
Liever zou ik zetten: «Rippe 10» en 9 weder als ontbrekend
beschouwen.
Tot beter onderscheid van Colias en Callidryas zou hier bij
Colias de vorm en bekleeding der palpen wel kunnen opgegeven
worden (zie onder À).
Fame 15 EQUITINA.
J, 1. B. «Rippe 9 mit 7 aus einem Punkte, selten aus 7 bald
PRODROMUS SYSTEMATIS LEPIDOPTERORUM. 141
nach ihrem Ursprung, oder aus dem Vorderrande der Mittel-
zette kurz vor ihrem Ende.
De exceptie: «selten etc. tot Ursprung» werpt eigenlijk af-
deeling 1 geheel in duigen, want, indien ader 9 uit den steel
van 7 en 8 komt, is de toestand van ader 7—9 bij Papilio
eigenlijk eveneens als bij Thais en Doritis (men vindt het ge-
noemde ook inderdaad bij sommige groote soorten van Papilio met
vlakken voorrand der voorvleugels). Het komt mij echter bij
Thais en Doritis opmerkelijk voor: 1°. Dat ader 6 der voor-
vleugels bijna driemaal zoover van 5 als van 7 tot 9 staat,
terwijl zij bij Papilio weinig verder van 5 dan van 7—8 (9)
staat en 2°. Dat de palpen zoo in het oog loopend lang zijn.
Zij die meer soorten uit het genus Papilio kunnen vergelijken
dan ik, mogen beslissen of in deze punten doorgaand verschil
bestaat met Thais en Doritis.
2. B. «Rippe 7 aus 6» = Doritis.
Is niet zoo, ten minste niet bij mijne exemplaren van Doritis
Appollinus, want daar staat ader 6 der voorvleugels nog verder
van den steel van 7—9 dan bij al mijne Thais. Ik zou zeggen:
a. Ader drie der voorvleugels drie maal zoo ver van
4 als deze van de aan haar wortel-derde gebogen ader
9. Achterrand der achtervleugels getand. . . . . . Thais.
b. Ader 5 der voorvleugels hoogstens anderhalf maal
zoo ver van 4 als deze van de aan haar wortel-derde
ongebogen ader 8. Achterrand der achtervleugels on-
SMI red Je NE BRONS:
Rotterdam, 1 Mei 1869.
LES MACROLEPIDOPTERES DES
ENVIRONS DE BREDA
PAR
F. J. M HEYLAERTS Fils.
En parcourant l'ouvrage sur les macrolépidoptères de la
Neerlande de notre savant lépidopterologiste Mr. P. C. T. Snellen,
intitulé «De vlinders van Nederland», et en lisant dans les
« Bouwstoffen voor eene Fauna van Nederland» les différents
articles du docte secrétaire de la Société entomologique Mr. H. W.
de Graaf, on s’élonne et de droit que la province du Brabant.
Septentrional n’y est citée que par ci par la. Pourtant le nom
de cette province, une des plus grandes de notre pays, devrait
y figurer à chaque page. Quelle peut donc être la cause de cet
oubli? 1°. que cette province n’a été visitée que par quelques
entomologistes, qui n'ont fait que glaner sur nos chemins vici-
naux ou en d’autres lieux peu productifs. 2°. Que malheureuse-
ment mes compatriotes ont montré jusqu'ici peu de goût pour
l'étude de l'histoire des insectes.
Je veux tàcher, autant que possible, de rémédier à cet état
de choses, en donnant dans les lignes suivantes une description
superficielle des environs de Bréda, tout en énumerant les
espèces de macrolépidoptères que l'on y trouve.
Le nombre donné ne sera pas complet, il s’en faut de beaucoup,
car malheureusement ma profession, la médecine, ne me laisse
que fort peu de temps à consacrer aux excursions entomologiques
et, cu second lieu, je prends continuellement des espèces non
encore rencontrées par moi; aussi je me propose de donner
dorénavant, à la fin de l’année, une liste supplémentaire.
LES MACROLEPIDOPTERES DES ENVIRONS DE BREDA. 145
Bréda, place forte dont les fortifications seront bientôt rasées , est
située dans une des plus riantes contrées de notre province. La salu-
brité de la ville ne laisse rien 4 désirer et si nous jouissons , comme
dans toute la Neerlande, d’une température assez mobile et dont
les changements surviennent quelquefois bien à l’improviste, l'on
peut dire que nous y sommes encore très- favorisés. Une flore magni-
fique et multiple l'entoure de toutes parts et le sol y est très fertile.
De grands bois se trouvent à quelque distance et une riviére,
l’Aa, ainsi que plusieurs affluents plus petits, baignent ses murs.
Terres sabloneuses et argileuses se succèdent sans fin et de
grandes bruyères sétendent à perte de vue. Là des terrains
vagues, ici des marécages où croit une quantité de plantes
aquatiques, plus loin des digues et à leur pied des prairies
couvertes de graminées et de fleurs, ou des champs cultivés en-
tourés de bois taillis.
Nos bois sont: 1°. Le Mastbosch, d’une contenance de 700
hectares, où croissent de vigoureux sapins; les allées y sont
bordées de hétres et de chênes, le sol y est couvert de brous-
sailles, de vaccinium myrtillus, de bruyère, etc.
2°. Le Liesbosch, d’une contenance de 200 hectares, conte-
nant des arbres de différentes espèces.
5. L’Ulvenhoutsche bosch avec le bois de St. Anne d’une
contenance d’environ 590 hectares, planté de hetres, de chê-
nes, etc. La on trouve une végétation luxuriante: les plantes
les plus rares de la flore Neerlandaise y croissent en abondance.
Il y a en outre une foule d’autres bois plus petits, tels que
celui de la magnifique propriété de Burgst, de l’Hondsdonk.
du Speelhuis, notre promenade publique le Valkenburg, etc.
Les bois taillis sont formés de chénes, d’aunes, de bouleaux,
de rhamnus frangula, de prunelliers, ete., tandis que les prai-
ries sont entourées de saules, de peupliers du canada, de frênes
et de trembles. N'est-ce pas que dans nos environs, vrai Eldo-
rado pour les insectes, ceux-ci doivent, pour ainsi dire, pullu-
ler? On verra par l’enumeration des macrolépidoptères, qui s’y
trouvent annuellement, que le nombre en est comparativement
irès-grand et que j'avais raison de déplorer la non citation de
144 LES MACROLEPIDOPTERES DES ENVIRONS DE BREDA.
notre province dans les ouvrages de Mrs. de Graaf et Snellen.
Je suppose en outre que les membres de la société entomologique
qui se sont déclarés pour l’exclusion de la Faune limbourgeoise,
auraient pensé bien autrement s'ils eussent mieux connu la
Faune du Brabant septentrional, dont je ne puis même décrire
qu'une faible partie (car je ne sais absolument rien de la partie
orientale, qui longe les limites Prussiennes , ni de la partie septen-
trionale, qui est baignée par nos grandes rivieres). lis auraient
alors pu remarquer que beaucoup d’espèces, nôtées comme apparte-
nant exclusivement au Limbourg, se trouvent également ici. Enfin
il me semble, que c'est précisément notre Faune, qui fait le trait
d'union entre la neerlandaise proprement dite et la limbourgeoise.
Je ne donne dans la liste suivante que les noms des espèces
communes, c'est seulement sur les plus rares, que l’on trouvera
quelques renseignements. Dans la classification je suivrai le ca-
talogue des Drs. Wocke et Staudinger. Pour abbrévier autant
que possible mon travail, je désignerai:
commun par: c.
trés-commun par: t. c.
peu commun par: p. c.
rare par: r.
peu rare par: p. r.
assez rare par: a. r.
tres-rare par: t. r. — Pour la même raison je n'indiquerai
pas la synonymie.
Je remercie ici Mrs. de Graaf et Snellen, qui ont bien voulu
déterminer mes lépidopteres ou controler mes propres détermi-
nations.
C’est aussi à Mr. le Dr. Snellen van Vollenhoven que je dois
beaucoup: le Président de notre Société entomologique a eu la
bonté de dessiner pour moi d’après nature quelques variétés
remarquables de lépidoptères brédanois. Je lui en suis on ne
peut plus reconnaissant.
P.S. Toutes les espèces énumerées ont été prises en dedans
d'un cercle, qui a Bréda pour centre et dont les rayons
mesurent au plus une lieue et demie.
LES MACROLEPIDOPTERES
RHOPALOCERA.
G. Papilio L.
1. Machaon L. a. c. partout.
G. Pieris Schr.
2. Crataegi L. p. r.
3. Brassicae L. t. c.
4. Rapae L. t. c.
5. Napi L. t. c.
v. Napaeae Esp. t. c.
6. Daplidice L. t. r. la premiere
generation, trouvée quelquefois
en nombre en juillet.
Antocharis B.
7. Cardamines L.t. c. au printemps.
Colias F.
8. Hyale L. t. c. surtout la seconde
génération.
9. Edusa F. p. r. en août et sep-
tembre.
Rhodocera B.
10. Rhamni L. t.c. surtout en au-
tomne.
Thecla F.
11. Betulae L. a. r. trouvée par moi
dans le Liesbosch, par v. H.
. à Burgst.
12. Ilicis Esp. t. c. dans les taillis
de chéne en juillet.
18. Pruni L. t. r. trouvée
dans le Liesbosch.
14. Quercus L. a. c. sur les jeunes
chénes.
15. Rubi L. t. c. partout en deux
générations.
Polyommatus Latr.
16. Dorilis Hfn. t. c. partout.
17. Ehlaeasu litt c.
Lycaena F. (1)
4
également
18. Aegon S. V. t. c. sur nos
bruyères.
19. Optilete Knoch. t. r. sur la
bruyère de Galder, près du Mast-
bosch, dans un terrain maré-
cageux.
20. Medon Hfn. t. c.
21. Icarus Rott. t. c.
22. Argiolus. a. c. surtout dans les
bois taillis, qui sont environnés
de bruyéres, dans le Mastbosch,
etc.
23. Semiargus Rott. a. c.
DES
24
25.
26.
38.
ENVIRONS DE BRÉDA. 145
. Alcon S. V. p. r. sur la bruyère
de Galder en juillet.
Arion L. t. r. dans les forti-
fications en aout. (3 44 le 2
Août 1865, les seuls que j'ai
pris.)
Limevitis F.
Sibylla L. t. r. dans le Lies-
boch. Trouvée une seule fois en
quantité le 15 Août 1856.
Vanessa F.
. C. album L. p. r. surtout en
automne dans nos jardins.
. Polychloros L. t. c.
MÜrucae bte
“Lo D.st.uc.
. Antiopa L. a.r. en août sur les
saules, qui bordent la rivière,
où je pris aussi les chenilles.
. Atalanta L. t. c.
. Cardui L. a. c.
Melitaca F.
. Artemis S.V. t.r. dans le Ul-
venhoutsche bosch en mai.
. Cinxia L. t. c. partout.
. Athalia Esp. t. c. surtout dans
le Liesbosch en juin.
. Dictynna Esp. p. r. en juin dans
le Mastbosch; v. H. la trouva
en quantité près de Bavel.
Argynnis F.
Selene S. V. t. c. en deux géné-
rations. Cette espèce varie beau-
coup, v. H. en trouva la magnifi-
que variété, que Mr. le Dr. Snel-
len v. Vollenhoven a bien voulu
dessiner pour moi. (Voyez la
planche fig. 4.)
. Euphrosyne L. a. c. dans le Lies-
bosch en juin.
. Dia L. t.r. dans le Liesbosch à
la fin de Juillet 1866.
. Latonia L. t. c.
.Aglaja L. a. c.
. Niobe L. a. r. sur la bruyère de
Galder en delà du Mastbosch;
ab. Hris Meig. avec le type.
. Adippe S. V. t.r. le 15 Juillet
1866 à Teteringen.
. Paphia L. p. c. Trouvée en quan-
tité le 29 Juillet 1854 dans le
Liesbosch. ab. Valesina Esp.
trouvée le même jour que le
type en cinq exemplaires.
146
Melanagria Meig.
46. Galatea L. p. c. dans le Liesbosch
65.
1 Deze varieteit is ook voor jaren in eenige exemplaren te Katwijk gevangen,
.Janira L.
. Tithonus L. t. c.
. Hyperanthus L. t. c.
et le Ulvenhoutsche bosch à la
fin de juillet.
Satyrus F.
. Semele L. t. c. sur nos bruyères.
. Statilinus Hfn. t. r. sur la bruyère
de Galder près du Mastbosch.
Pararga H. S.
. Megaera L. t. c.
. Aegeria L. t. c.
. Maera L. J’ai pris quelques exem-
plaires de cette espèce sur une
bruyère près de Rysberg gen le 29
Juillet 1866 ; elle parait trés-rare
et trés- locale. Je fais ici seule-
ment mention de Pararga Deja-
_nira L. dont je pris un seul exem-
plaire le même jour dans la même
localité, le Balleman; Mrs. de
Graaf et Snellen pensent qu’elle
ne s'y trouvait qu’accidentelle-
ment.
Epinephele H. S.
L.C.
Coenonympha M. S.
. Arcania L. t. r. sur la bruyère de
Galder le 2 Juillet L866.
. Pamphilus L. t. c.
. Davus L. t. c. sur la bruyère de
Galder. Cette espèce varie beau-
coup.
Spilothyrus Dup.
. Malvarum Hfim. p. r. en deux
générations.
Syrichthus B.
. Malvae L. a. c.
Erynnis Schr.
. Tages L. t. c. en mai dans les
fortifications, plus rare en juillet
et août.
Hesperia B.
. Thaumas Hfn. t. c. en juillet.
. Lineola ©. t. c. en id.
. Sylvanus Esp. t. c.
.Comma L. p.
r. en juillet et
aout.
Carterocephalus Lederer.
Paniseus Sulzer, trés-répandu
13.
14.
15.
16.
11.
18.
19.
80.
LES MACROLEPIDOPTERES DES ENVIRONS DE BREDA.
dans nos environs, surtout très-
commun dans le Liesbosch en
mal.
HETEROCERA.
A. SPHINGES.
Acherontia O.
. Atropos L. ordinairement a. r.,
quelquefois assez commune.
Sphinx O.
. Convolouli L. p. r.
. Ligustri L. id.
. Pinastri L. a. c.
Deilephila O. >
CaSe Vo
. Euphorbiae L. pi es
. Celerio L.
semble peu rare à
Breda, car dans mon jardin je
n’en pris pas moins de huit exem-
plaires depuis le 27 Septembre
1865, quand je trouvai le premier.
Les autres sont capturés: le 21
Septembre 1866 un 4, le 27 Aout
1867 un 4, le 13 Septembre
1868 un 4, le 23 id. une 2, le
29 id. deux gg, le 15 Septem-
bre 1869 une 9. L’indigénat
de cette espèce dans nos con-
trées est donc assez constatée,
Elpenor L. t. c.
Porcellus L. p. c. Le 26 Mai
1869 j’en pris une variété re-
marquable récemment sortie de
sa chrysalide, également dessi-
née par Mr. Snellen van Vol-
lenhoven. (Voyez la planche
10.81)
Smerinthus O.
Tiliae L. t. c.
Ocellata L. a. c.
Populi L. t. c.
Macroglossa O.
Stellatarum L. t c.
Bombyliformis O. p. c.
Fuciformis L. p. c. Les deux
dernières espèces, que l'on peut
se procurer le mieux en visi-
tant en mai les rhododendrons
des
avonds terwijl zij om bloemen vlogen; de voorwerpen bevinden zich in de verzameling
der heeren de Graaf.
RED,
81.
82.
84.
85.
86.
81.
88.
89.
90.
our
92.
93.
LES MACROLEPIDOPTERES DES ENVIRONS DE BREDA.
en fleurs de onze à trois heures,
volent en plein soleil. Je les
ai trouvées à Ginneken, à Stry-
beek et même dans le jardin
de mon père à Bréda. V. H.
les trouva a Burgst. Bombyli-
formis est plus rare ici que Fu-
ciformis.
Trochilium Scop.
Apiformis L. t. c.
Sciapteron Her.
Tabaniformis Rott. Tronvé par
v. H. quelquefois en mai-juin
à Burgst.
Sesia F.
Spheciformis S. V. Trouvée par
moi dans l’Ulveuhoutsche et le
Mastbosch, par v. H. plusieurs
fois dans le Liesbosch, toujours
en juin.
Tipuliformis L. a. c. dans nos
jardins.
Asiliformis Rott. Trouvée par
moi une seule fois sur un jeune
chéne le 17 Juillet 1866.
Culiciformis L. t. r. dans l’Ul-
venhoutsche bosch.
Formicaeformis Esp. Prise par
v. H. dans les fortifications.
Ino Leach.
Pruni S. V. a. c. surtout la
chenille, sur la bruyère de Gal-
den; pourtant elle ne s'y trouve
que localement, c'est à dire au
méme lieu, où je trouvai Da-
vus, Arcania et Optilete.
Statices L. t. c. partout, déjà
en mai, mais surtout en juillet.
Zygaena F.
Trifolii Esp. t. c. a Burgst;
cette espèce varie énormément.
Filipendulae L. t. c. à Burgst,
à Strybeek, etc.
Syntomis Ill.
Phegea L. Seulement dans 1’U1-
venhoutsche bosch. En Juillet
1860 elle y était peu rare.
B. BoMByces.
Sarrothripus Curt.
Revayauus S. V.
ab. dilutanus Hb.
ab. degeneranus Hb.
94.
95.
96.
97.
98.
99.
100.
OR
102.
103.
104.
105.
147
ab. punctanus Hb.
ab. ramosanus Hb. une sous-
variété.
Cette espèce est nullement rare
dans nos environs. Elle donne
en juin, en septembre-octobre
et pendant tout l’hiver elle
se cache au pied des arbres.
En mars l'on peut encore se
procurer des 92. Il parait
qu’elles ne pondent qu'après
la saison rigoureuse, car au
printemps j'ai pris plusieurs
fois des 22, dont l’ovaire était
énormément développé et con-
tenait des oeufs parfaits, ce
que je n'ai jamais remarqué
avant Vhiver. J’en possède une
trentaine de variétés et sous-
variétés. Ramosanus Hb. sem-
ble très-rare, car je ne lai
pas encore capturé.
Earias H. S.
Clorana L. a. c.
Hylophila Hb.
Prasinana L. a. c.
Bicolorana Fsl. a. c.
Nola Leach.
Cucullatella L. t. c., parfois
nuisible.
Confusalis H. S. p. r. à Gin-
neken, dans le Mastbosch, le
Liesbosch, etc. en avril—mai.
Centonalis Hb. p. r. sur la
bruyère de Galder en juin—
juillet.
Nudaria Stph.
Mundana L. a. r. dans le
Mastbosch, sur le mur de
clôture du cimetière de Gin-
neken.
Calligenia Dup.
Miniata Forst. t. c. dans nos
bois.
Setina Schr.
Irrorella L. p. e. sur la bruyére
de Galder, le Mastbosch, etc.
en juillet.
Mesomella L. p. r. partout.
ab. flava. Comme le type.
Inthosia ¥.
Muscerda Hfn. a. c. partout,
surtout à Burgst, den Emmer.
Griseola Hb. t. c,
148
106.
107.
108.
109:
110.
JOUE
112.
113.
114.
115.
116.
JET
118.
119.
120.
121.
122.
123.
124.
LES MACROLEPIDOPTERES DES ENVIRONS DE BREDA.
Depressa Esp. p. r. les dd
sont plus communs que les 99,
qui sont presqu'introuvables.
Complana L. p. r.
Lutarella L. t. r. dans l’Ul-
venhoutsche bosch en juillet.
Aureola Hb. a. c. dans le
bois précité en mai.
Grophria Stph.
Quadra L. a. c.
Rubricollis L.
dans nos bois.
Euchelia B.
Jacobaeae L. t. c.
Nemeophila Stph.
Russula L. a. c. sur la bruyère
de Galder.
Arctia Stph.
Caja L. t. c.
Villica L. t. r. Je n’ai trouvé
les chenilles qu'à Notsel près
de Strybeek.
Spilosoma Stph.
Fuliginosa L. p. r.
Lubrieipeda S. V. t. c.
Menthastri S. V. t. c.
Urticae Esp. p. c. mais la
chenille se trouve tous les ans
près den Emmer.
Mendica L. t. r. Je n’en pris
ue quatre exemplaires en Mai
1865 et 1867.
Epialus F.
Humuli L. t. r. en juillet dans
une prairie humide et basse
près den Emmer.
Sylvinus L. t. c. dans les
prairies en août—septembre.
Lupulinus L. a. r. en juillet.
Hectus L. p. r. se trouve jus-
que dans la ville même. En
mai jusqu’en juillet.
c. en mal
p.
Cossus F.
125. Ligniperda F. t. c. et très-
nuisible.
Zeuzera Latr.
126. Aesculi L. a. r. dans les jar-
127.
128
dins de notre ville.
Phragmatoecia N.
Castaneae Hb. t. r. un seul 4
le 21 Juillet 1869 dans les
fortifications.
Limacodes Latr.
. Vestudo S. V. t. c.
129.
130.
131.
132.
133.
| 134.
135.
136.
137.
138.
139.
140.
141.
142.
143.
144.
145.
146.
147.
148.
149.
Psyche Schr.
Unicolor Hfn. t. r.
bruyere de Galder.
Fusca Haw. t. c. dans nos bois.
Villosella O. De cette espéce
je n'ai trouvé que les sacs
vides sur la bruyére de Galder.
Fumea Haw.
Pulla Esp. Assez répandue dans
nos prairies en mai. Trouvée
aussi par v. H.
Epichnopteryx Hb.
Nitidella O. t. c.
Sepium Speyer a. c. sur les
arbres de nos remparts, dans
nos bois.
Orgyia O.
Gonostigma S. V. p. r. sur-
tout les chenilles.
Antiqua L. t. c.
Ericae Germ. p. c. En quelques
années relativement en abon-
dance sur la bruyère de Galder.
Ocneria H. S.
Dispar L. t. c. et trés-nuisible.
Psilura Stph.
Monacha L. a. c.
ab. Zremita p.c. J’en pris de
magnifiques 92 dans le Mast-
bosch, Mr. le Dr. Snellen van
Vollenhoven a bien voulu en
dessiner une. (Voyez la planche
fig. 2).
Leucoma Stph.
Salicis L. t. c.
Porthesia Stph.
Chrysorrhoea L. t. c. et nuisible.
Auriflua S. V. id.
Dasychira Stph.
Pudibunda L. t. c.
Fascelina L. p. c. Les chenilles
peu rares sur la bruyère de
Galder.
Cnethocampa Stph.
Processionea L. p. c. Quelque-
fois en abondance.
Bombyx B.
Crataegi L. t. r.
Populi L. p. r. surtout les che-
nilles.
Castrensis L. t.r. sur la bruyère
de Galder.
Neustria L. t. c
var, Quercina Selys a. r.
sur la
150.
151.
152.
153.
154.
155.
156.
Lo.
158.
159.
160.
161.
162.
163.
164.
165.
166.
167.
168.
169.
170.
LES MACROLEPIDOPTERES DES ENVIRONS DE DREDA.
Lanestris L. t. r. les chenilles
sur le Prunus spinosa dans le
Liesbosch.
Trifolii S. V. p.r. sur la bruyère
de Galder,
Quercus L. t. c.
Rubia. ti e.
Lasiocampa Latr.
Potatoria L. t. c.
Pruni L. t. r. Une fois, il ya
quelques années, j'en trouvai
trente chenilles dans un jardin
de notre ville. Le 17 Octobre
dernier je pris encore six larves
sur l’aubépine dans les fortifica-
tions.
Pini L. t. r. dans le Masthosch.
Quercifolia L. t.r. dans le Lies-
bosch.
Endromis O.
Versicolora L. t. r. au printemps
dans nos environs.
Saturnia Sehr.
Pavonia L. a. c. sur la bruyère
de Galder.
Aglia O.
RAD Ara Ar.
bosch en avril.
Platypteryx Lasp.
dans le Mast-
Falcataria L. a. c. en deux
générations.
Curvatula Bork. p. r.
Lacertinaria L. p. c.
v. Seincula Hb. p. c. au
printemps.
Binaria Hfn. a. c.
Cultraria F. p. c. dans le
Liesbosch et le Mastbosch.
Harpyia O.
Furcula L. p. r.
chenilles.
Bifida Hb. t. r. Je n’en ai
trouvé que deux fois les che-
nilles sur des bouleaux & Gin-
neken.
Vinula L. p. r.
Stauropus Germ.
Fagi L. t. r. dans le Liesbosch.
Hybocampa Ld.
Milhauseri Esp. Les chenilles |
de cette espèce sont très-répan-
dues dans nos environs. Par- |
|
surtout les
tout où il y a des allées ou
des chemins vicinaux bordes |
Ile
172.
173.
174.
175.
176.
TIT:
178.
179.
180.
181.
182.
183.
184.
185.
186.
187.
188.
189.
190.
191.
149
de jeunes chênes on peut con-
stater leur présence; toutefois
malheurensement, l’on peut
constater aussi que de dix
exemplaires neuf sont piquées
par des ichneumons ou d’autres
parasites. C’est précisement en
cela, qu'il faut chercher la cause
de la rareté rélative de Mil-
hauseri et non l’attribuer aux
oiseaux, qui détruiraient sa
chrysalide. L’ouverture, que
Yon voit toujours aux vieux
cocons, n’est que le trou que
fait l’insecte parfait pour en
sortir, comme moi-même j'ai
pu m'en assurer.
Notodonta O.
Dictaea L. t. c.
Dictaeoides Esp. a. r.
Ziczac L. p. r.
Tremula S. V. p. r.
Dromedarius L. p. r.
Chaonia S. V. p. e. On trou-
ve les chenilles ici facilement
tous les ans.
Querna S. V. p. c. Plus com-
mune que l’espéce précédente.
Dodonaea 8S. V. t. r. dans
l’Ulvenhoutsche bosch.
Lophopteryx Stph.
Camelina L. t. c.
Pterostoma Germ.
Palpina L. a. c.
Pygaera O.
Bucephala L. t. c.
Clostera Stph.
Curtula L. t. c.
Anachoreta S. V. a. c.
Reclusa S. V. a. c.
Gonophora Bsd.
Derasa L. p. r.
Thyatira O.
Batis L. p. r.
Cymatophora Tr.
Où SAME pio:
Duplaris L. p. r.
Fluctuosa Hb. t. r.
dans le Mastbosch,
Asphalia Hb.
Flavicornis L. p. r. dans nos
bois en mars—avril.
Ridens F. p. c. dans le Mast-
bosch en mai.
en mai
150
C. Nocruar.
Diloba Stph.
192. Coeruleocephala L. t. c.
Demas Stph.
193. Coryli L. t. c.
Acronycta Tr.
194. Leporina L.
var. cinerascens Tr. t.c. Je
n'ai pas encore trouvé le
type.
195. Aceris L. p. c.
196. Megacephala S. V. t. c.
ond ens WS MINAS
HOS MAPS tre:
199. Menyanthidis Esp. p. r. dans
le Mastbosch. Elle y est très-
locale.
200. Auricoma S. V. t. c.
201. Euphorbiae S. V. p. r.
le Mastbosch, très-locale.
202. Euphrasiae Bkh. J’ai trouvé de
cette éspèce trois chenilles en
1868 sur la bruyère de Gal-
der, qui moururent sans me
donner le papillon.
203. Rumicis L. t. c.
204. Ligustri S. V. p. c.
Bryophila Tr.
205. Algae F. t. r. Je n’en pris
qu'un seul g il y a bien long-
temps.
206. Glandifera S. V. p. c. dans
l’Ulvenhoutsche bosch.
207. Berlan SNE ue
Moma Hb.
208. Orion Esp. t. c.
Agrotis Tr.
209. Porphyrea S. V. t. c. sur la
bruyère de Galder.
210. Ericae B. t. r. J’ai pris deux
dé, Yun en Mai 1866, l’autre
en Mai 1869 sur la bruyère
de Galder.
ASIE ma Sep er:
Mastbosch en juin.
212. Janthina 8. V. p. c. Dans la
ville même, dans le Mastbosch,
etc.
213. Fimbria L. p.r. On les prend
le mieux en secouant les jeunes
chênes.
ab. Solani Gn. plus rare. (3)
214. Augur F. a. r. dans le Mastbosch
en juin.
dans
dans le
LES MACROLEPIDOPTERES DES ENVIRONS DE BREDA.
215. Ravida 8. V. a. r. dans mon
jardin le 21 Juin 1865.
Pronuba L. t. c. partout.
ab. Innuba Tr. id.
Orbona Hfn. p. c. dans nos bois.
Comes Hb. p. c.
ab. Adsequa Tr. p. r.
Neglecta Hb. De cette espèce
rare Mr. Snellen et moi trouva-
mes la chenille dans le Mast-
bosch en Février 1868.
Triangulum Hfn. p.r. dans le
Mastbosch en Juin.
Baja S. V. p. r. dans id.
CHEN ru msn de
Tristigma Tr. p. r. id.
Xanthographa 8. V. p.r. id.
Rubi View. p. r. id.
Brunnea S. V. p. de
Festiva S. V. p. r. id.
Plecta L. a. c. partout.
Simulans Hfn. p.c. en juillet.
Rutris VE ie
Exclamationis L. t. c.
Cursoria Hfn. a. r. sur la bruyère
de Galder en aoit.
Pritiei Ih) p. rt
v. Aquilina S. V. id,
v. Vitta Esp. id.
Saucia Hb. p. c. en octobre
dans les prairies.
Nigricans L. t. r. en juillet sur
les remparts.
Upsilon Hb. t. c. en deux géné-
rations.
Clavis Hfn. id. La deuxiéme
en septembre-octobre est plus
nombreuse.
Vestigialis Hfn. t. r. en juillet.
Praecox Ju. p. c. en aout,
Occulta. L. p. r. dans le Mast-
bosch en juin-juillet.
Charaeas Stph.
Graminis p.c. Les gg, beau-
coup moins rares que les 99,
volent pendant le jour en août.
Neuronia Hb.
Popularis F. p. c. en août dans
les prairies.
Mamestra Tr.
AdvenaS8. V. p. c. dans le Mast-
bosch.
244. Tincta S. V. p. r. dans id.
245. Nebulosa Hfn. t. c.
216.
217.
218.
219.
220.
221.
222.
223.
224.
225.
226.
227.
228.
229.
230.
231.
232.
233.
234.
235.
236.
237.
238.
239.
240.
241.
242.
243.
LES MACROLÉPIDOPTÈRES
246. Contigua S. V. a. r.
247. Thalassina Hfn. p. r.
248. Suasa S. V. p. r.
249. Pisi L. p. r.
250. Brassicae L. t. c.
251. Persicariae L. p. r.
252. Oleracea L. a. c.
253. Genistae Bkh. a. r.
254. Dentina S. V. t. c.
255. Chenopodii S. V. t. c. Très-
nuible en 1867.
256. Saponariae Bkh. t.r. en Mai.
257. Dysodea S. V. t. c.
258. Serena S. V. t. c.
Dianthoecia B.
259. Compta S. V. t. r.
260. Conspersa S. V. p. c. Quelque-
fois trés-c. comme en 1869.
261. Capsincola 8. V. p. r.
262. Cucubali S. V. p. r.
Aporophyla Gn.
263. Lutulenta W. V. t. r. sur la
bruyére de Galder.
Polia Tr.
264. Flavicincta S. V. p. c. en Oct.
Dryobota Ld.
265. Protea S. V. a. c.
266. Aprilina L. a. c.
Miselia Stph.
267. Oxyacanthae L. p. r.
Apamea Tr.
268. Testacea S. V. p. c.
Luperina B.
269. Virens L. p. c.
Hadena Tr.
270. Ochroleuca S. V. p. r. (4)
271. Abjecta Hb. a. r. dans le
Valkenberg.
272. Lateritia Hfn. a. r. dans le
Mastbosch.
273. Polyodon L. t. c.
274. Lithoxylea S. V. p. c. dans
le Valkenberg.
275. Infesta Tr. id.
276. Rurea F. p. r.
ab. Combusta Tr. p. r.
277. Scolopacina Esp. a. r. dans le
Mastbosch.
278. Gemina Hb. a. r. dans id.
ab. Remissa Hb. plus com-
‘mune.
279. Unanimis Tr. p. c. dans les
prairies.
280, Oculea F. t. c.
DES ENVIRONS DE BREDA. 151
ab. Secalina Hb. t. c.
ab. leucostigma Esp. t. c.
281. Ophiogramma Esp. t. r. dans
les fortifications. i
282. Literosa Hw. p. c. dans le Val-
kenberg.
283. Strigilis L. t. c. i
ab. latruncula S. V. a. c.
ab. aerata Esp. t. c.
284. Furuncula S. V. t. c. varie éga-
lement beaucoup.
Dipterygia Stph.
285. Pinastri L. a. c.
Hyppa Dup.
286. Rectilinea Esp. t. r. dans le
Mastbosch en Mai 1868.
Trachea Hb.
287. Atriplicis L. t. c.
Euplexia Stph.
288. Lucipara L. p. r. dans nos bois.
Brotolomia Ld.
289. Meticulosa L. t. c.
Mania Tr.
290. Maura L. t. r. et très-locale
dans la partie orientale du
Mastbosch.
Naenia Stph.
291. Typica L. p. c. dans mon jar-
din, les fortifications et le Val-
kenberg.
Helotropha Ld.
292. Leucostigma Hb. p. c. comme
291.
Hydroecia Ld.
293. Nictitans L. p. r. dans les forti-
fications, etc. en Aout volant
en plein soleil.
Gortyna Tr.
294, Flavago S. V. t. r. près den
Emmer.
Nonagria Tr.
295. Typhae Esp. t. r. sur la chaussée
de Princenhage.
296. Geminipuncta Hatch. t.r. près
den Emmer.
Calamia Hb.
297. Lutosa Hb. t. r. un seul 4 le
3 Octobre 1865 dans le Valken-
berg.
Leucania Tr.
298. Impura Hb. t. c.
299. Pallens L. t. c.
300. Comma L. a. r. dans les for-
tifications.
12
152
301.
302.
303.
304.
805.
306.
307.
308.
309.
310.
311.
312.
313.
314.
315.
316.
317.
318.
319.
320.
821.
322.
323.
324.
825.
LES MACROLEPIDOPTERES DES ENVIRONS DE BREDA.
Lithargyrea Esp. p. r. dans nos
bois.
Turca L. p. r. dans le Mast-
bosch.
Grammesia Stph.
Trigrammica Hfn. p. r. dans
nos bois, les fortifications,
etc.
Caradrina Tr.
Cubicularis S. V. t. c.
Alsines Brahm. p. c.
Taraxaci Hb. p. c.
Rusina B.
Tenebrosa Hb. p. r. dans le
Mastbosch.
Amphipyra Tr.
Tragopogonis L. t. c.
Pyramidea L. t. r. les chenilles
trouvées dans l’Ulvenhoutsche
bosch.
Taeniocampa Gn.
Gothica L. t. c.
Miniosa S. V. a. c.
Cruda S. V. p. r.
Populeti I’. p. c. dans les fortifi-
cations. V. H. les trouva en
nombre au printemps de 1869.
Stabilis S. V. t. c.
ab. juncta Hw. t. c.
Gracilis S. V. t. r. à Ginneken
prés Bouvigne.
Incerta Hfn. t. c.
MundaS. V. p. c. dans nos bois.
Panalis Hb.
Piniperda Panz. a. c. dans le
Mastbosch.
Pachnobia Gn.
Rubricosa S.V. t. r. les che-
nilles dans le Mastbosch.
Dicycla Gn.
Oo L. t.r. en Aoùt 1869 à Te-
teringen; v. H. en prit égale-
ment un beau 4 dans le Mast-
bosch.
Calymnia Hb.
Pyralina S. V. t. r. dans le
Liesbosch.
Diffinis L. t. r. dans id.
Affinis L. t. r. les chenilles
dans l’Ulvenhoutsche bosch.
Trapezina L. t. c. partout.
Dyschorista Ld.
Fissipuncta Haw. p.r. sur les
saules le long de la rivière.
326.
327.
328.
329.
380.
331.
332
333.
334.
335.
336.
337.
338.
339.
340.
341.
342.
343.
344.
845.
346.
347.
348.
349.
850.
Plastenis B.
Retusa L. p. c. comme 325.
Subtusa S. V. p. r. comme 325,
mais sur de jeunes peupliers.
Orthosia Tr.
Ruticilla Esp. p. r. dans nos
bois.
Lota L. p. r. au Speelhuis.
Macilenta Hb. p. c. mais ré-
pandue dans nos environs.
Circellaris Hfn. t. c.
. Rusina L. t. c.
Pistacina S. V. p.r. au Speel-
huis, etc.
ab. Lichnidis F. p. r.
ab. rubetra Esp. t. r.
Xanthia Tr.
Citrago L. t. r. sur les tilleuls
du Valkenberg.
Aurago 8. V. a. r. se trouve
principalement à Burgst et dans
le Liesbosch.
Togata Esp:-a. c.
Fulvago L. t. c.
Gilvago Esp. a. r. comme 335.
Oporina B,
Croceago S. V. t. c. sur les
jeunes chênes.
Orrhodia Hb.
Erythrocephala S. V. t. c.
ab. glabra S. V. t. c.
Silene 'S. (V. t. r. dans. le
Mastbosch.
Rubiginea S. V. p. r. dans
le Liesbosch, le Mastbosch, etc.
Vaccinii L. t. c.
ab. polita S. V. t. c.
Scopelosoma Curt.
Satellitia L. p. r.
environs.
Scoliopterye Germ.
Libatrix L. t. c.
Xylina Tr.
Semibrunnea Hw. p. r. sur
les jeunes chénes de nos che-
mins vicinaux.
Furcifera Hfn.
Mastbosch.
Zinckenii Tr. p. r. et trés-
répandue dans nos environs (5).
Ornithopus Hfn. p. r. prés den
Emmer, dans le Mastbosch, etc.
Calocampa Stph.
Vetusta Hb. p. r. dans nos
environs.
dans nos
t. r. dans le
LES MACROLEPIDOPTERES DES ENVIRONS DE BREDA.
351. Exoleta L. p. r. mais plus rare
que la précédente.
Asteroscopus B.
352. Sphinx Hfn t. c.
Xylocampa Gn.
853. Lithorhiza Bkh. p. r. en Mars—
avril, mais assez locale dans le
Mastbosch et sur les remparts.
Cucullia Schr.
354. Verbasci L. t. r.
jardins.
355. Umbratica L. t. c. (6).
Plusia Tr.
356. Triplasia L. t. c.
357. Urticae Hb. a. c.
358. Concha Tr. t. r.
jardins.
359. Chrysitis L. t. c.
360. Festucae L. a. c.
361. Jota L. t. r. dans nos jardins.
362. Gamma L. t. c. parfois très-
dans nos
dans nos
nuisible.
Anarta Tr.
363. Myrtilli L. a. c. sur nos
bruyères.
Heliaca H. S.
364. Tenebrata Scop. t. c.
Heliothis Tr.
365. Dipsacea L. a. c.
bruyères.
366. Armigera Hb. t. r. trouvée
par v. H. et moi dans les
fortifications.
Chariclea Kirb.
367. Umbra Hfn. p. c. dans mon
jardin, le Mastbosch, etc.
Erastria Tr.
368. Uncana L. p. r.
prairies.
369. Venustula Hb. p. c. et locale
dans le Mastbosch.
370. Deceptoria Scop. t. r. dans le
Liesbosch.
371. Pygarga Hfn. t. c. partout.
Prothymia Hb.
372. Laccata Scop. p. r. dans les
fortifications, etc.
Agrophila B.
373. Sulphuralis L. t. r. Vole en
Aout en plein soleil sur les
champs de trèfle.
Euclidia Tr.
374. Mi L. t. c.
375. Glyphica L. t. c.
sur nos
dans les
155
Pseudophia Gn.
376. Lunaris S. V. p. r. dans le
Mastbosch en Mai.
Catocala Schr.
Fraxini L. a. r. dans le Val-
kenberg, la chaussée de Tete-
ringen, l’Heylaer, etc.
Nupta L. t. c. J’en ai capturé
une belle varieté, qui a un
V rouge dans la bande noire,
des ailes inférieures.
379. Sponsa L. a. r. dans nos bois.
380. Promissa S. V. t. r. Je n’en
trouvai que les chenilles dans
le Mastbosch.
Toxocampa Gn.
Pastinum Tr. t. r.
bruyère de Galder.
Aventia Dup.
377.
378.
881. sur la
382. Flexula S. V. p. c. dans le
Mastbosch.
Zanclognatha Ld.
383. Nemoralis F. t. r. pris par
v. H. à Gageldonk.
384. Tarsipennalis Tr. a. c. dans le
Mastbosch.
385. Emortualis S. V. t. r. pris par
v. H. dans le Mastbosch.
Herminia Tr.
386. Derivalis Hb. a. c. dans le
Liesbosch.
Pechipogon Stph.
387. Barbalis L. t. c. comme 386.
Bomolocha Hb.
Crassalis F. p. r.
Mastbosch.
Hypena Tr.
389. Rostralis L, t. c.
390. Proboscidalis L. t. c.
Hypenodes Gn.
Costaestrigalis Stph. t. r. dans
le Mastbosch, un seul 4.
Rivula Gn.
Sericealis Scop. t. c.
388. dans le
391.
392.
D. GEOMETRAE.
Pseudoterpna H. S.
Pruinata Hfn. a. c.
bruyères.
Geometra B.
Papilionaria L. p. c. dans nos
bois, près den Emmer, etc.
Phorodesma B.
393. sur nos
394.
154
395. Pustulata Hfn. a. r. mais ré-
pandue dans nos environs.
Nemoria Hb.
Viridata L. a. c. sur la bruyère
de Galder en Mai.
Strigata Mueller t. c. partout.
Thalera Hb.
Fimbrialis Scop. t. c. sur nos
bruyéres en aout.
Jodis Hb.
Putata L. p. r.
Lactearia L. p. r.
Acidulia Tr.
Muricata Hfn. a. r.
bruyére de Galder.
Dimidiata Hfn. p. c. dans les
fortifications.
Straminata Tr. a.c.comme 401.
Incanaria Hb. t. c.
Bisetata Hfn. t. c.
Rusticata S. V. a. r.
Osseata S. V. t. r. à Ginneken.
Dilutaria Hb. p. r. le long de
la rivière sur la digue.
Aversata L. t. c.
ab. lividata L. t. c.
Emarginata L. t. c.
Rubricata S. V. a. c. sur nos
bruyéres
Remutata Hb.a.c. dans nos bois.
396.
897.
398.
399.
400.
401. sur la
402.
403.
404.
405.
406.
407.
408.
409.
410.
411.
412.
413. Immutata L. t. c.
414. Nigropunctata Hfn. p. r. dans
nos bois.
415. Paludata L. p. c. dans le
Mastbosch.
Zonosoma Ld.
Pendularia L. t. c.
Orbicularia Hb. a. r. dans le
Mastbosch, à Teteringen, etc.
Annulata Schultze t. r. com-
me 417.
Porata F. p. r.
Punctaria L. t. c.
Trilinearia Bkh. p.r. Trouvée
416.
417.
418.
419.
420.
421.
par v. H. en mai 1869 en
très-grand nombre dans le
Mastbosch.
Timandra B.
Amataria L. t. c.
Zerene Tr.
423. Grossulariata L. t. c.
424, Sylvata Scop. t. c.
425, Adustata S. V. t. r. dans le
Mastbosch.
422.
LES MACROLEPIDOPTERES DES ENVIRONS DE BREDA.
426. Marginata L. t. c.
Bapta Stph.
427. Bimaculata F. t.
Mastbosch.
428. Temerata S. V. p. r. dans nos
bois en Mai.
Cabera Tr.
429. Pusaria L. t. c.
430. Exanthemata Scop. t. c.
Numeria Dup.
431. Pulveraria L. p. r. dans nos
bois, à Burgst, etc.
Ellopia Stph. —
432. Fasciaria L. p. r. varie beau-
coup.
ab. prasinaria Hb. a. r.
Metrocampa Latr.
433. Margaritata L. a. c.
Eugonia Hb.
434. Angularia S. V. p. r. dans
nos bois.
435. Alniaria L. a. c.
436. Canaria Hb. p. r. et répandue
dans nos environs.
437. Erosaria S. V. p. r. mais
plus commune que la précé-
dente.
ab. Quercinaria Bkh. t. r.
Selenia Hb.
438. Illunaria Hb. a. c.
r. dans le
439. Lunaria S. V. t. r. dans le
Liesbosch, etc.
440. Illustraria Hb. a. r. dans le
Mastbosch.
Pericallia Stph.
441. Syringaria L. t. r. les chenil-
les presque tous les ans dans
le Valkenberg.
Odontopera Stph.
442. Bidentata L. p. r. ‘dans le
Mastbosch, le Valkenberg.
Himera Dup.
443. Pennaria L. p. r.
Crocallis Tr.
444. Elinguaria L. t. r. à Princen-
hage.
Eurymene Dup.
445. Dolabraria L. p. r.
dans le Mastbosch.
Angerona Dup.
446. Prunaria L. p. r.
ab. sordiata Goetze t. r. une
% prise par v. H. dans un
jardin de notre ville.
surtout
447.
448.
449,
450.
451.
459.
453.
454.
455.
456.
451.
458.
459.
460.
461.
462.
463.
464.
465.
466.
461.
LES MACROLEPIDOPTERES
Urapteryx Leach.
Sambucaria L. p. r. dans nos
jardins.
Rumia Dup.
Crataegata L. t. c.
Epione Dup.
Apiciaria S. V. p, r. dans les
fortifications, etc.
Advenaria Hb. t. c. dans le
Mastbosch.
Venilia Dup.
Macularia L. t. c. dans tous
nos bois en mai.
Macaria Curt.
Notata L. p. r.
Alternata S. V. a. c. dans nos
bois.
Liturata L. a. c. dans le Mast-
bosch.
Hibernia Latr.
Leucophaearia S.V. a. c.
ab. nigricaria Hb. p. r.
Aurantiaria Hb. a. r. presque
partout, mais trés-commune
dans le Liesbosch.
Progemmaria Hb. t. c.
Defoliaria L. p. r.
Anisopteryx Stph.
Aceraria S. V. t. r. en novem-
bre dans le Valkenberg.
Aescularia S.V. t. c.
Phigalia Dup.
Pilosaria S.V. a. c. dans nos
bois, le Valkenberg, etc.
Biston Leach.
Hispidarius S. V. t. r. dans le
Liesbosch.
Hirtarius L. t. c.
Stratarius Hb. p. r. sur les
remparts, le Valkenberg, etc.
Amphidasis Tr.
Betularia L. a. c.
ab. nigra. Le 19 juillet 1867
jen trouvai un Z et une 2
en copulation sur un orme
v. H. en prit une ?. Mr. le
Dr. Snellen van Vollenboven
a bien voulu en faire un des-
sin (voyez la planche fig. 3).
Boarmia Tr.
Cinctaria S. V. p. r. dans le
Mastbosch en avril.
Rhomboidaria S. V. p. c. dans
id. en juillet.
DES ENVIRONS DE BREDA.
468.
469.
470.
471.
472.
473.
474.
475.
476.
471.
478.
479.
480.
481.
482.
483.
484.
485.
486.
487.
488.
489.
490.
155
Repandata L. a. c. dans id.
en deux générations.
Roboraria S. V. p. c. mais
assez répandue dans le Lies-
bosch.
Consortaria F. t. c.
Lichenaria Hfn. a. c.
Crepuscularia S. V. t. c.
Consonaria Hb. On ne trouve
cette espèce nulle part que dans
la partie septentrionale du Mast-
bosch, mais là elle est en abon-
dance mars—avril.
Luridata Bkh. a. r., mais assez
commune dans le Liesbosch.
Punctulata S. V. a. c.
Sthanelia B.
Hippocastanaria Hb. p. r. sur
la bruyère de Galder. En 1868
três-commune.
Gnophos Tr.
Obscurata 8. V. p. c. sur nos
bruyéres.
Ematurga Ld.
Atomaria L. t. c.
Bupalus Leach.
Piniarius L. t. c.
Thamnonoma Ld.
Wavaria L. t. c.
Phasiane Dup.
Clathrata L. t. c.
Scodonia B.
Belgaria Hb. p. c. sur nos
bruyères. Les var. noires sont
plus abondantes que le type.
Aspilates Tr.
Strigillaria Hb. t. c. sur nos
bruyères.
Lythria Hb.
Purpuraria L. t. c.
Ortholitha Hb.
Plumbaria F.t.c. nos bruyères.
Cervinata S. V. p. r. surtout les
chenilles en abondance près den
Emmer.
Chenopodiata L. t. c.
Moeniata Scop. a. r. sur la
bruyère de Galder.
Anaitis B.
Plagiata L. t. c.
Chesias Tr.
Spartiata Fuess. a.r. dans les
fortifications sur les arbustes
de Spartium.
156
Lobophora Curt.
491, Sexalata Vill. p. r.
492, Halterata Hfn. a. r. dans le
Liesbosch.
493. Carpinata Bkh. p.r. dans tous
nos environs.
Chimatobia Stph.
494, Brumata L. t. c. et nuisible.
Triphosa Stph.
495. Dubitata L. t. r. en automne.
Plus commune au printemps
mais alors très-passée.
Eucosmia Stph.
496. Undulata L. p. r.
Mastbosch en juin.
Scotosia Stph.
497. Vetulata S. V. t. r. Les che-
nilles dans le Liesbosch.
Lygris Hb.
498. Prunata L. t. c.
499. Testata L. a. c.
500. Populata S. V. p. r. dans le
Mastbosch en juin.
501. Marmorata Hb. a.r. dans nos
jardins.
Cidaria Tr.
502. Fulvata Forst. t. r. un seul &
dejä passe dans le Mastbosch.
503. Ocellata L. t. c.
504. Bicolorata Hfn. p. r.
505. Variata S. V. p. r.
ab. obeliscata Hb. t. c.
506. Juniperata L.a.r. sur la bruyère
de Galder.
507. Siterata Hfn. p. r.
508. Truncata Hfn. a. c.
ab. perfuscata Hw. a. c.
ab. immanata Hw. t. r.
509. Firmata Hb. p.r. dans le Mast-
bosch, surtout en Octobre. Quel-
quefois, comme en 1867, trés-
abondante, mais presque toujours
passée.
510. Pectinataria Fuess. p. r. mais
rarement belle.
511. Didymata L. t. c.
512. Fluctuata L. t. c. varie beau-
coup.
513. Montanata S. V. t. c.
514. Quadrifasciaria L. t. r. dans
le Mastbosch.
515. Ferrugata L. t. c.
516. Propugnata S. V. p. r.
dans le
LES MACROLEPIDOPTERES DES ENVIRONS DE BREDA.
517. Lignata Hb. p. r. surtout en
1869.
518. Dilutata S. V. t. c.
519. Galiata S. V. t. r. dans le
Mastbosch.
520. Albicillata L. a. r. dans le
Liesbosch, où je trouvai aussi
les chenilles.
521. Hastata L. p.r. dans nos bois.
522. Biriviata Bkh. t. c.
523. Rivata Hb. t. r. en Juin dans
le Valkenberg.
524. Affinitata Stph. t. r. dans id,
525. Candidata S. V. t. c.
526. Luteata S. V. a. c.
527. Obliterata Hfn. t. c.
528. Albulata S. V. a. c. dans l’Ul-
venhoutsche bosch en Mai.
Les 99 très-rares.
529. Decolorata Hb. t. r. à Ginneken.
530. Bilineata L. t. c.
531. Corylata Thbg. p. r.
532. Impluviata S. V. t. c.
533. Berberata S. V. t. r. seule-
ment à Ginneken.
Sparsaria Hb. p. r.
Eupithecia Curt.
. Piperata Stph. a. r. dans le
Mastbosch.
536. Castigata Hb. p. c. dans id.
537. Assimilata Gn. a. r. dans id.
538. Absynthiata L. a. r. dans id.
539. Minutata Hb. a. r. dans id.
540. Vulgata Hw. t. c. dans nos
jardins.
Valerianata Hb. Les chenilles à
Teteringen en Juin.
542, Plumbeolata Hw. a. c.
543. Indigata Hb. a. c. dans le Mast-
bosch.
544. Innotata Hb. t. r. dans id.
545. Nanata Hb. t.e. sur nos bruyéres.
546. Abbreviata Stph. p. c. dans le
Liesbosch. La chenille très-
abondante en 1869.
Pumilata Hb. t. c. sur la bruyère
de Galder, le Valkenberg, etc.
548. Rectangulata L. a. c.
549. Debiliata Hb. p. c. dans le
Liesbosch.
Succenturiata Hw. t.r. dans le
Valkenberg , mon jardin, etc.
551. Centauriata S. V. t. c. partout.
534.
ax
53
541.
547.
550.
LES MACROLEPIDOPTERES DES ENVIRONS DE BREDA. 157
REMARQUES.
(1) Le 29 juillet 1867 j'ai pris un ex. de Lyc. Argus L. sur la
bruyère de Galder. Mr. Snellen a vu le papillon, mais comme
je n'en vis plus depuis ce temps et que d’ailleurs c’est une
espèce nouvelle pour la faune Neerlandaise, j'ai voulu attendre
d'autres individus de cette espèce avant de la donner comme
appartenant à xofre faune.
(2) Deïlephila Nerii L. Je me rappelle, qu'il y a bien longtemps feu
le jardinier van Kakerken me donnait un ex. de cette ma-
gnifique espèce, trouvée par lui dans le jardin de Mr. Kuik
van Houweningen, grand amateur de Nerium Oleander. Mal-
heureusement je ne la revis plus et par conséquent je n’ai
pu la comprendre dans ma liste.
(3) Agrotis Interjecta Hb. Cette belle espèce fut prise à Ulicoten à
deux lieues et demie de Bréda. Cette distance est trop grande
pour la compter parmi nos macrolépidoptères Brédanois, mais
elle s'y retrouvera bien l’un ou l’autre jour.
(4) Hadena (Ilarus) Ochroleuca S. V. Les chenilles de cette espèce
ne se trouvent pas seulement sur les graminées, mais aussi
sur le saule (Salix alba). Deux années de suite je les y ai
trouvées et chez moi elles n’ont pas pris d’autre nourriture.
(Voyez T. voor Ent. 1868, pag. 197.)
(4) Xylina Zinckenii Tr. Les chenilles de cette espèce se nourissent
aussi de feuilles de chêne et de bruyère (Calluna vulgaris),
comme j'ai pu le remarquer en 1869. Il parait qu’on les
trouve ordinairement sur la Myrica gale,
(5) Cucullia Absinthii L. fut trouvée par Mr. Veth à St. Oedenrode
près Bois-le-duc; la distance trop grande ne me permet pas
de la compter parmi „os macrolépidoptères.
Bréda, ce 1 Décembre 1869.
BIJSCHRIFT BIJ PLAAT 6
DOOR
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
Daar de vier figuren, die ik op verzoek van den heer Hey-
laerts geteekend heb en die bij zijne «Liste des Macrolépido-
ptéres des environs de Bréda» behooren, niet voldoende waren
ter vulling eener plaat, heb ik er twee bijgevoegd, die zoo veel
overeenkomst mogelijk in aard en hoedanigheid hadden met dit
viertal.
De eene is de Sciaphilu ictericana Haw. over welke en over
wier synonimie mijn vriend Mr. H. W. de Graaf een belangrijk
opstel in dezen jaargang leverde, (zie bladz. 95 en volgg). De
andere is de geele verscheidenheid van de Lithosea rosea F.,
die tegenwoordig uit een zeer verkeerd toegepast begrip van
regt van prioriteit * Calligenia miniata Forster heeten moet,
welke varieteit nog niet is afgebeeld. Door eene onoplettendheid
van den lithograaf zijn de figuren op de plaat verkeerd geplaatst
en genommerd. Fig. 4 had bovenaan moeten komen en fig. 1
heeten. Zie hier nu de namen:
Fig. 1. Deilephila Porcellus, var.
„ 2. Psilura monacha, var. eremita.
» 5. Amphidasis betularia, var. nigra.
= ©
” Argynnis Selene, var.
” Sciaphila ictericana Haw.
a &
” Lithosea rosea, var.
1 J. R. Forster noemde dien vlinder Phalaena miniata geometrica, welke dubbele
soortsbenaming dus al dadelijk buiten het binaire stelsel valt. Maar als dit voor de
liefhebbers van naamsverandering niet voldoende is, heb ik een beter argument.
J. R. Forster gaf zijne Novae Species Insectorum te Londen uit in 1781 en
J. Ch. Fabricius zijn Systema Entomologiae te Flensburg in 1775; in dit laatste
werk vind ik op blz. 587 onzen vlinder onder den naam van Bombyx rosea bes
schreven.
S.v.V. fec. AJW. lith
Verscheidenheden en afwijkingen.
STUDIËN OVER DEN
PHOLCUS OPILIONOIDES, Scuranx
DOOR
A. W. M. VAN HASSELT.
Wanneer een entomoloog, in eenen jagttijd van ongeveer
15 jaren, geen spoor aantreft van een elders algemeen insekt,
dat geenzins tot de mikro’s behoort, maar integendeel door zijn’
eigenaardigen bouw gemakkelijk herkenbaar is, dan zal hij allicht
tot de gevolgtrekking komen, dat zijn negatief resultaat een be-
wijs oplevert voor het niet voorhanden zijn van de gezochte
diersoort op het door hem betreden jagtveld.
Zóó althans ging het mij ten opzigte van bovengenoemde spin ;
ik had haar opgegeven voor onze Fauna, zelfs nadat, voor zes
jaren, een enkel exemplaar eener zeer nabij verwante, meer
zuidelijke uitlandsche species, er bij vernieuwing mijne aandacht
op gevestigd had gehouden.
Het was eerst ten vorigen jare, dat ik haar als hoogst ver-
moedelijk inlandsch heb leeren kennen. Van 1868 af toch tot
in den zomer van 1869 verkreeg ik als op eens verscheidene
levende exemplaren te gelijk, bij verschillende gelegenheden en
op verschillende plaatsen van ons vaderland aangetroffen.
En ook dit laatste contrast met vorige afwezigheid mag op-
merkelijk heeten, daar de Pholcus bij ons te lande voorzeker
nog steeds als «zeldzaam» moet worden genoemd, hetgeen
onder anderen hieruit is op te maken, dat ik hem, op mijne
tallooze excursién, zoo buiten als binnen ’s huis, persoonlijk nog
nimmer heb mogen vinden. Bij mij zelven is het spreekwoord :
«die zoekt, die vindt» ten dezen nog altijd niet bewaarheid.
13
460 STUDIEN OVER DEN PHOLCUS OPILIONOIDES SCHRANK.
De eerste levende Pholcus dien ik te zien kreeg, werd mij
in 1865 geschonken door den heer van den Brink, Hortulanus
aan den akademischen plantentuin te Utrecht. Deze was gevon-
den in eene groote houten kist, waarmede «Indische planten»
waren overgebragt. Het was een uitmuntend geconserveerd,
fraai 4, echter veel kleiner dan den mij sedert bekenden, ge-
wonen of gemeenen Europeeschen Pholeus; en ook van eene
veel schoonere teekening, veel overeenkomende, zoo als mij bij
latere vergelijking bleek, met die der zuidelijke of tropische
Pholci, vooral van den rivulatus en den elongatus. Ik durfde,
wegens de vindplaats, haar toen dan ook niet als inlandsch
verklaren, dat ik, voor dit individu, ook nu nog niet aanneem.
Daarin werd ik versterkt door eene twijfelende vraag van
Westring uit Zweden, die te Gotheborg ook eene (echter nu
blijkbaar met onzen «gewonen» gelijkvormige) Pholcussoort had
gevonden, doch slechts «enkele malen» en in «sommige jaren»,
eens aan een’ deurpost van het «Oost-Indische» huis (Ost
Indiska huset), een andermaal in het tolhuis aan den «haven»
(curia Portorii) aldaar. Hij toch vroeg destijds (1851) bij zijne
beschrijving dezer spin in Araneae Suecicae, p. 297: «An re
verä ad Faunam Sueciae pertinens»? Voor mijn exemplaar, en
ik geloof niet ten onregte, bleef ik mij dezelfde vraag doen,
het als een’ zeldzamen vreemdeling of geheel verdwaalden uit-
landschen reiziger beschouwende.
Niet dan 5 jaren later, in ’t begin van Julij 1868, bragt
mijne dochter A. mij een tweede levend mannelijk Pholcus-exemplaar
mede, dat haar in een galanteriewinkel te Utrecht in het oog
was gevallen, aldaar van de zoldering afdalende en in het mid-
den van eenige luxe-artikelen nederkomende. Deze spin echter
verschilde, zoo in grootte als teekening, aanmerkelijk van de
vorige en bleek mij duidelijk de ware Pholeus opilionoïdes van
Middel- en Zuidelijk-Europa te zijn. Was echter ook hier de
vindplaats niet weder verdacht? Was het wel werkelijk een
inlandsch voorwerp? Lichtelijk immers kon het eenvoudig in de
emballage van mode-artikelen uit Frankrijk of andere zuidelijke
streken van Europa zijn ingevoerd? De vraag over de «inlan-
STUDIEN OVER DEN PHOLCUS OPILIONOÏDES SCHRANK. 161
digheid» bleef bij mij dus nog altijd voortbestaan, te meer
daar het diertje wel tot tweemalen cocon maakte, doch van
onvruchtbare en verdroogende, door de moeder zelve vernietigde
eitjes.
Ik mag niet vergeten te doen opmerken, dat mijn twijfel ten
dezen niet weinig versterkt was, daar zich, zoo ver mij bekend ,
vroeger of later nooit aan andere entomologen bij ons te lande
eenig individu had vertoond, zelfs niet aan den voorheen zoo
ijverigen araneoloog, onzen landgenoot G. A. Six, op wiens
«Spinnenlijsten» in de Bouwstoffen, deel Il en in het Nederl.
Tijdschr. voor Ent., deel VI, de Pholeus dan ook niet is op-
genomen.
Het was eerst in het voorjaar van 1869 dat ik tot de weten-
schap kwam, dat Ph. opilionoïdes tot de Fauna van Nederland
kan worden gebragt, of althans onder sommige omstandigheden
in ons vaderland tieren en telen kan. Mijne geachte vriendin,
Mevr. v. V. te Amsterdam, gaf mij toen verscheidene exempla-
ren, deels nog zeer jonge, deels volwassen 3 en 2 te gelijk te
aanschouwen, allen afkomstig uit een turfhok * beneden in hare
woning.
Deze individuen behooren allen blijkbaar tot de gewone Middel-
Europeesche soort.
Voorzeker uiterst toevallig en opmerkelijk, bragt dezelfde
dame, van een uitstapje naar hare familie te Dordrecht terugge-
keerd, mij in den zomer van hetzelfde jaar ook van dáár twee
levende exemplaren, waaronder een bijzonder groot &, mede,
gevangen in een’ donkeren muurhoek van een’ gang op de tweede
verdieping in een heerenhuis, onmiddellijk grenzende deels aan
de «rivier», deels aan den «haven»°. Er waren op die plaats
velen dezer spinnen (volgens de uitdrukking mijner berigtgeef-
1 In verband tot het mogelijk oorspronkelijke vaderland van deze Amsterdamsche
Pholeus-kolonie mag ik evenwel niet verzwijgen, dat dáár ter plaatse ook het berg-
hok is van z. g. »kranjang’s” of Oost-Indische matten, waarin suiker wordt verpakt.
Ook zijn sedert op die plaats geene andere Pholci meer aangetroffen, doch ik hoop
in dit voorjaar mijne aandacht op dit jagtveld nader te bepalen.
2 Wederom op te merken is aldaar de nabijheid der gewone ligplaats van verschei-
dene Oost-Indievaarders !
162 STUDIEN OVER DEN PHOLCUS OPILIONOIDES SCHRANK.
ster « wel veertig kleinen en grooten») toen Mevr. v. V. ze
ontdekte, doch de Hollandsche zindelijkheid der werkmeid was
haar vóór geweest en had haar door den invloed der raagbol
de kans op een ruimeren vangst letterlijk weggevaagd.
Een weinig later, insgelijks in den zomer van hetzelfde jaar,
ontving ik nog van elders een spiritus-exemplaar , onder andere
zeer gewone spinnen voor mij vriendschappelijk verzameld te
Delft, door onzen thans reeds ontslapen entomologischen biblio-
loog‘ H. Hartog Heys van de Lier, tegen de zoldering van eenen
«besten kamer» binnen ’s huis gevangen.
Eindelijk viel mij in September van dit jaar, met onzen van
Vollenhoven in het Museum te Leiden, de collectie Arachniden
bezigtigende, onder enkele fleschjes met ongedetermineerde
spinnen, er eene in het oog zonder jaartal, doch geétiquetteerd:
«Ex horto botanico * Lugduno Batavo», waarin insgelijks een gewone
Pholcus 4, waarschijnlijk in der tijd dáár gevangen of vandaar
verkregen door ons geacht medelid Herklots.
Door eene en andere waarneming is het thans zeker gewor-
den, dat de onderhavige spinsoort hier te lande, zij het dan
misschien ook slechts bij uitzondering, of bij wijze van kolonist,
kan leven (Utrecht, Delft, Leiden) en voorttelen (Amsterdam,
Dordrecht). Heeft de hooge temperatuur van den bekenden
warmen zomer van 1868 daartoe , vooral tot het laatste, welligt
bijgedragen? Of behoort zij «re verd», hoezeer zeldzaam, tot de
Fauna van Nederland? Ik geloof: ja, doch volkomen zekerheid
daaromtrent zal door nog verder voortgezette observatie moeten
worden verkregen, die gemakkelijker zal vallen wegens de nu
reeds bekende vindplaatsen. (Zie de Aanmerking aan het slot.)
Hoe dit zij, door mijn herhaald bezit van exemplaren dezer
spin, die op de gewone wijze in groote cylinder-glazen , waarin
ik voor haar eene houten zoldering had aangebragt, weken en
1 Kan dit exemplaar, analoog aan het enkele Utrechtsche uit den galanteriewinkel,
ook een Fransche of Duitsche reiziger zijn geweest, daar onze vriend op den duur
kisten of pakken boeken uit het buitenland gewoon was te ontvangen ?
2 Vergelijk echter wat ik omtrent het twijfelachtige van dergelijke vindplaats te
Utrecht reeds hjervoor heb doen opmerken.
STUDIEN OVER DEN PHOLCUS OPILIONOIDES SCHRANK. 165
maanden lang door voedering met vliegen in leven werden ge-
houden, ben ik in staat gesteld, om nog enkele andere resulta-
ten mijner studie mede te deelen omtrent den Pholcus ,
De Pholcus opilionoides Schrank of phalangoides Walck., —
aldus genaamd wegens zijne oppervlakkige uitwendige overeen-
komst met sommige soorten van de algemeen bekende «hooi-
wagens» of basterd-spinnen, — behoort tot eene uiterst be-
perkte «Familie», die der Pholcides Koch, naauwelijks eene
familie te noemen, als zijnde slechts door één geslacht, hier-
boven genoemd, vertegenwoordigd, met slechts een acht-tal
soorten in naam, die mijns inziens inderdaad tot vijf, hoogstens
tot zes kunnen worden teruggebragt.
Niet alleen zijn deze spinnen zeer gemakkelijk herkenbaar
aan hare bijzonder kenmerkend geplaatste zijdelingsche oogen ,
waarvan er ter wederzijde drie in een groepje vereenigd aan
een liggen, — iets dat bij geene andere Araneide voorkomt, —
maar op den eersten aanblik reeds nog gemakkelijker door de
pooten, die buitengemeen lang en dun, bij enkele species zelfs
draadvormig zijn, bijzonder regelmatig en uiterst fijn behaard
en aan de femora en tibiae met fraaije witte en zwarte ringen
voorzien zijn. De lengte der pooten is zoodanig, dat het langste
(of eerste) paar nagenoeg 6 malen langer is dan het ligchaam °;
ja ik vind van eene Grieksche Pholcussoort gesproken, bij welke
de pooten zelfs 8 of 9 malen het ligchaam in lengte zouden
overtreffen !
ı Bij diens etymologie stuitte ik op eenen niet onaardigen Zapsus Graecus van
Vinson in zijne » Aranéides de Madagascar, etc.». Deze herinnert te regt, dat de
naam Pholcus afgeleid is van het Grieksche polsos, doch vertaalt dit verkeerd,
door #24» (bloot, naakt), en brengt deze afleiding in «duidelijk» verband met de
»blootliggende » ovula dezer spin (waarover nader). Dat het altijd raadzaam is, der-
gelijke » litterarisch-entomologische » beweringen eens aan de bronnen na te slaan,
leerde mijn oude Hederieus mij thans op nieuw, nademaal poAxos niet beteekent
nudus (= nu), maar strabus = »scheel». De laatste beteekenis is hier zeker ook
veel beter van toepassing, wegens den zeer cigendommelijken scheeven oogen-stand
bij dit genus.
2 Het grootste individu uit mijne collectie heeft, bij eene ligchaamslengte van 1
centimeter , voorpooten die circa 6 centimeter Jang zijn.
164 STUDIEN OVER DEN PHOLCUS OPILIONOÏDES SCHRANK.
Met uitzondering van twee soorten, Ph. caudatus Dufour, van
Spanje, wiens abdomen puntig en kegelvormig uitloopt, gelijk
bij onze Epeira conica, en den Ph. sisyphoides Doleschall, van
Amboina (die mij voorkomt, weinig of niet te verschillen van
den Ph. Borbonicus Vinson, van Isle de Bourbon), welke beide
een bolvormig abdomen bezitten, zoo als dat der Therididae ,
gelijken de overige, zoo tropische als Europeesche soorten, bij
eenig verschil in grootte, geheel op elkander in meer slanken
ligchaamsbouw van een cylindrischen vorm, zoo als die der
gewone Tetragnathae.
Deze zijn de Ph. rivulatus Savigny, van Egypte en Italië, —
de Ph. elongatus Vinson, van Mauritius, — de Ph. impressus
Schuch, de Ph. nemastomoides Schuch, beiden van Griekenland , —
en de Ph. opilionoides, van zuidelijk-, middel- en, passim, noordelijk *
Europa, doch ook in onze Oost-Indische bezittingen welig tierende.
Onder haar wil het mij echter, bij aandachtige vergelijking
der beschrijvingen en enkele afbeeldingen, voorkomen: dat de
«rivulatus», de «elongatus» en zelfs de «impressus», onderling
slechts zeer weinig uileenloopen, alsmede dat tusschen den
«nemastomoides» en den «opilionoïdes» insgelijks geen bijzon-
der kenmerkend onderscheid in het oog springt.
Hare teekening biedt, — met eenige verscheidenheid in grond-
kleur (witachtig, grijsachtig of z. g. muisvaal, bruinachtig) en
in bijvlekken® —, dan ook eene groote onderlinge overeenkomst
aan. Veelal bestaat die uit eene enkele of gevorkte of dubbele,
bruine of zwarte langstreep over het midden van den cephalo-
thorax, uit eene insgelijks zwarte of bruine, takvormige of zelfs
bladvormige figuur, — bij de fraaiste species met den habitus
2 Ik houd de in het moorden van ons werelddeel gevonden individuen allen (met
uitzondering van één der mijnen uit een kist met O.-Ind. planten) voor PA. opil.
of variëteiten van dezen. Het verschil, dat Siemaschko in zijn te St. Petersburg ge-
vonden exemplaar wil hebben gezien, komt mij niet wezenlijk genoeg voor, om die
tot eene andere species te brengen, hetgeen hij trouwens ook niet voorslaat. Zie zijn
opstel, getiteld: Verzeichniss der in der Umgegend von St. Petersburg vorkommen-
den Arachniden, verscheneu in: Horae Societatis Entomologicae Rossicae, Fascic. I,
1861. p. 129, waarop ons ijverig medelid Ritsema mijne aandacht vestigde.
2 Als zwart of zwart gestreept sternum, ovale geelachtige anaal-vlek boven de
spintepels , zwarte of zwartgestreepte bwik-vlakte van het abdomen, enz.
STUDIEN OVER DEN PHOLCUS OPILIONOIDES SCHRANK. 165
van een folium compositum, — op de rugvlakte van het abdo-
men, en uit eenige donkere vlekjes langs de zijden. Deze tecke-
ning, die het fraaist is bij rivulatus en elongatus, doch veel
minder schoon en fijn bij de overige species, bleek mij intus-
schen zeer te kunnen varieeren bij dezelfde soort, zelfs zoodanig ,
dat er bij sommige individuen nog slechts een geheele of afge-
brokene middelstreep op den rug overblijft, bij anderen zelfs
nagenoeg geen spoor van figuur-teekening, althans op het ab-
domen, meer te zien is. Koch schijnt deze varieteits-ontkleuring
of verkleuring niet te hebben waargenomen en geeft bij zijne
beschrijving van phalangioïdes met rugteekening, eenigermate
zijne bevreemding te kennen over de afbeelding van dezelfde
soort door zijn medewerker en voorganger Hahn, die zonder
eenige teekening is. Daarentegen heeft Vinson deze opmerking,
gelijkluidende met mijne observatie ', wel gemaakt, daar hij
zegt: «dat de Pholcides, bij lang verblijf op donkere plaatsen »
{zou dit niet moeten zijn «bij hoogeren leeftijd» daar zij bijna
zonder uitzondering in het donker leven?) «hare teekening ge-
heel kunnen verliezen en een’ éénvormigen, valen tint verkrij-
gen.» Hierdoor verklaart zich dan ook, hoe sommige araneolo-
gen deze spinsoorten anders afbeelden dan beschrijven, zoo als
bijv. Blackwall, en ook eenigermate Walckenaer ’, den opilio-
noïdes, zoo als Koch den nemastomoïdes, enz.
De Pholcus-soorten in het algemeen en de opilionoïdes in het
bijzonder voeren eene vrij gelijkaardige levenswijze. Zij bewonen
gaarne eenzame huizen, kelders en kluizen, en verkiezen de
meest afgelegen hoeken, tegen de bovenmuren, daken of zolde-
ringen van plaatsen, waar het daglicht weinig of niet doordringt.
Dit zal wel een der redenen zijn waarom deze spin zoò lang
bij ons onopgemerkt is gebleven. Wat mijzelven betreft kan
het ook lichtelijk. gebeurd zijn, dat ik haar nu en dan, wegens
» Zie omtrent kleurswisseling bij dezelfde soorten ook mijne opmerking aangaande
den Latrodectus in Ned. Zijds. v. Entom., III Deel, blz. 56, alsmede die van ons
medelid Six, sdidem, I Deel, blz. 186, terwijl het niet moeijelijk zou vallen, daarbij
nog meer voorbeelden te voegen.
2 Vergelijk o. a. de „ beschrijving” in zijne Aptères met de „ plaat” in zijne
Hist. nat. d. araignées.
166 STUDIEN OVER DEN PHOLCUS OPILIONOÏDES SCHRANK,
bijziendheid, op hare verhevene en donkere plaatsen niet heb
kunpen zien of wel haar heb voorbijgezien wegens hare gelijk-
vormigheid met de « hooiwagens», waarvan ik geene studie maak.
Zij vervaardigen bovendien geene groote of in het oog sprin-
gende webben. Aan de ondervlakte van eenige weinige onre-
gelmatig geplaatste, doch sterk klevende, slechts losjes uitge-
spannen ragdraden houden zij zich in het midden daarvan op,
in omgekeerde stelling, op de wijze der Linyphiae. Bij de
minste aanraking der webben, zoo wordt algemeen verhaald,
beginnen deze spinnen te huppelen of te sidderen, gelijk som-
mige muggen, en zoo als men dit dagelijks van onze kruisspin
kan zien; van daar hare benaming van «Zitterspinnen» door
de Duitsche araneologen.
Ofschoon ik verscheidene malen een of meer individuen lan-
gen tijd in mijne flesschen heb geobserveerd, heb ik echter
nimmer een van hen deze zoo eigenaardige bewegingen zien vol-
voeren. Evenmin heb ik zelf kunnen constateeren, wat Simon
en anderen over den Ph. opil. schrijven, dat die zijn uitge-
zogen prooi terstond daarna uit zijne webbe verwijdert; mijne
individuen bekommerden zich niet daarover. maar lieten de
gedoode vliegen stil op hare plaatsen hangen, rondom hunne
gewone zitplaats. Daarentegen zag ik wel, dat zij gevangen en
ingewikkelde vliegen, met hunne tarsaalhaken der voorpooten,
van uit de peripherie van het web naar zich toe, naar het
middelpunt hunner gewone verblijfplaats, weten op te trekken;
daarbij nam ik eens de hoogst eigenaardige wijze waar, waarop
mijne spin van hare mandibula gebruik maakte, namelijk bij
wijze van eene schaar daarmede werkende, om hare eigene,
eerste, te ver verwijderd gelegde strikken tot het bovengezegde
doel, weder los te maken’. Evenzeer was ik meermalen oog-
geluige van de door Simon zoo goed voorgestelde , inderdaad
verwonderlijk vaardige wijze, waarop zij eene in hare ragdraden
vastgemaakte vlieg inwikkelt. Het is algemeen bekend, dat zij
alleen met hare beide achterpooten, om beurten langs de spin-
1 Jets uitvoeriger beschreven in het Tijds. v. Entom., IV Deel, 1 afl., blz. 27.
STUDIEN OVER DEN PHOLCUS OPILIONOIDES SCHRANK. 167
tepels heenstrijkende, hare prooi omspint; maar wat men
zelf zien moet om het te gelooven is, dat de bewegingen der
trouwens zeer dunne pooten daarbij met zoo grooten spoed ge-
schieden, dat het oog de snelle plaatsverandering daarvan soms
niet kan volgen, en men zelfs voor een oogenblik niets van
de pooten noch van de ragdraden te zien krijgt, dan hunne
uitwerking op de vlieg.
Daar het Pholcus g een merkwaardig sterk ontwikkeld en
blootliggend genitaal-apparaat vertoont, had ik de hoop gevoed,
mijne reeds veelvuldige waarnemingen omtrent de juiste wijze ,
waarop de palpendeelen bij den coz/us aranearum werkzaam zijn,
thans met eene niet onbelangrijke te vermeerderen. Maar ten
dezen ben ik regt ongelukkig geweest. Wel gelukte het mij met
groote moeite tot tweemalen toe een Pholcus-paar bijeen te
krijgen, doch beide malen nam de geschiedenis een bijzonder
tragisch einde!
Het eerst bezat ik een vrij groot en volkomen ontwikkeld 2,
reeds gedurende eene maand in een mijner flesschen te huis
zijnde, toen ik een insgelijks volwassen 4 ter beschikking ver-
kreeg. Dit mede in het glas geplaatst zijnde, werd reeds bij
zijne eerste, en (zooals ik dit tallooze malen bij andere derge-
lijke proefwaarnemingen zag) bevreemdend spoedig in het werk
gestelde pogingen tot minzame toenadering, met woede afge-
slagen, zoodat het zich beneden in de flesch ging vestigen,
dáár een klein web spinnende, terwijl het 2 boven tegen den
kunstzolder van het glas, hare gewone plaats, gevestigd bleef.
Den tweeden dag zag ik het Z weder herhaalde malen eenige
zeer voorzigtige pogingen wagen, doch telkens te vergeefs;
des avonds hadden zij beiden in volkomen rust hunne respec-
tieve standplaatsen ingenomen. Daar ik beide dagen gezorgd had
voor eenen ruimen aanvoer van levende vliegen, waarvan ik
beiden had zien genieten, kon er door honger geene de minste
aanleiding tot tweespalt zijn ontstaan, en toch.... den derden
morgen, — waarschijnlijk was het g des nachts te roekeloos
genaderd, — vond ik zijn uitgezogen ligchaam aan de in een
bundel zaàmgespannen lange pooten boven in het midden van
168 STUDIEN OVER DEN PHOLCUS OPILIONOIDES SCHRANK, -
de flesch, nevens de zitplaats van het mannetje hangen!. Dien
dag zag ik het g geene vliegen tot zich nemen, maar ook dit
vond, ik in den vroegen morgen van den vijfden dag dezer ge-
dwongen echtvereeniging, ..... aan één der achterpooten han-
gende, dood in het web.
Niet lang daarna geraakte ik op nieuw in het bezit van een’
levenden Pholeus, maar thans het eerst van een fraai en bij-
zonder groot Y, dat dus nu de bovenverdieping van mijne
flesch, als hoofdbewoner, innam. Na verscheidene dagen van
eenzaamheid kreeg ik er toevallig een 2 bij, dat slechts even
volwassen weinig of niet in ontwikkeling en grootte van het
d verschilde. Dit geschiedde des avonds en ik verliet, — na
een uur waarnemens, waarin niets bijzonders voorviel dan dat
nu het @ zich beneden in het glas eene verblijfplaats begon te
spinnen, — mijn nieuw paartje, onbevreesd, overtuigd dat dit
d ten minsten geen gevaar liep van door zijne jeugdige en
blijkbaar minder krachtige gade te worden overmeesterd, en
daarenboven in vol vertrouwen op de mij gebleken galanterie
der spinnen-mares in het algemeen ten opzigte hunner wijfjes.
Immers nog nimmer was het mij voorgekomen , dat een huw-
baar @ door een & van dezelfde soort was gedood, zelfs niet
bij lang hongerlijden en bij veel overwegende kracht van het
laatste °. Groot was alzoo mijne teleurstelling, ja mijne verba-
zing, toen ik den volgenden morgen bespeurde, weder beroofd
te zijn van het waarnemingsgenoegen van een minnend Pholeus-
paar niet alleen, maar ook van mijne illussie ten opzigte der
ridderlijkheid van de spinnen-mannetjes. Thans had het Pholcus -
mannetje, zonder reden (want ook dit had voedsel in over-
vloed gehad) zijn wijfje verslagen! Zonderling echter, ook hier,
even als bij het vorige paar, overleefde de moordenaar zijne
wandaad niet lang; ook dit 4 vond ik, en wel denzelfden avond
reeds overleden.
1 Simon zegt dus niet zeer juist: „elle ne lui fait point de mal” maar heeft
daar naar waarheid aan toegevoegd: ,,cependant i n’öse s’approcher d’elle et semble
la redouter beaucoup”.
2 Vergelijk o. a. mijne mededeeling dienaangaande, betrekkelijk de Argyroneta
aquatica, m Ned. Tijd. v. Entom., 11 Deel, blz. 26.
STUDIEN OVER DEN PHOLCUS OPILIONOÏDES SCHRANK. 169
Van waar dat in beide gevallen, de eerste weduwe en de
tweede weduwnaar, zoo spoedig hunne respectieve wederhelften
in den dood zijn gevolgd? Ik vermoed dat telkenmale ook de
overwinnende partij eene doodelijke wonde zal hebben ontvan-
gen, gedurende den bij beide sexen met vrij gelijke wapenen
gevoerden strijd. Het heeft dan ook vele malen mijne aandacht
getrokken, dat spinnen in het algemeen hare beten onderling
toegebragt, zoo slecht kunnen verdragen. Zeer waarschijnlijk is
hierbij haar vergiftig kaakhakenvocht in het spel. Herhaaldelijk
zag ik Epeira diadema &, slechts even in het abdomen verwond
door het 2, en daarna terstond vóór de inspinning uit de doo-
delijke strikken van het laatste gered, desniettemin binnen
weinige minuten bezwijken.
Sedert ben ik nog niet weder in de gelegenheid geweest,
levende Pholci van beide geslachten bijeen te brengen, hetgeen
mij bovendien nog verder zou hebben geïnteresseerd voor het
voortzetten mijner waarnemingen omtrent de ontwikkeling van
den Pholeus-cocon. Wel heb ik, vroeger en later driemalen een
2 met cocons in mijn bezit gehad, bij geen van deze echter
zijn de jongen uitgekomen. Bij één dezer spinnen is hare cocon,
na ruim 14 dagen telkens, tot tweemalen toe, spoorloos ver-
dwenen. Die der andere heb ik na een maand observatie, voor
de volledigheid mijner collectie, bij tijds op spiritus gezet. Dat
spinnen-cocons aan sommige roofinsecten tot voedsel strekken
voor hunne larven, is uit menigvuldige voorbeelden van Pimplu
en andere sluipwespen of Ichneumoniden, algemeen bekend.
Dat echter spinnen zelve de ovula uit cocons van andere
spinnensoorten nuttigen, las ik alleen bij Walckenaer, die ge-
tuigt dit bij Clubiona holosericea te hebben waargenomen en
er als zijne meening bijvoegt: «dat ook vele andere spinnen
dit doen.» Ik heb zulks evenwel nimmer zelf geconstateerd,
ofschoon ik daarentegen wel, even als Menge, enkele malen ge-
zien heb, dat zij, in gevangenschap hongerende, kleine toegewor-
pen stukjes raauw vleesch uitzuigen. Hoe dit zij, tot tweemalen
was één mijner Pholcus-cocons niet alleen uitgezogen, maar
totaal weg; ik kan dus niet anders aannemen, dan dat de moe-
170 STUDIEN OVER DEN PHOLCUS OPILIONOÏDES SCHRANK.
der zelve hare eigen cocon’s heeft opgegeten“. Trouwens dat zij
daartoe eetlust genoeg kon hebben gehad, mag afgeleid worden
uit de omstandigheid, dat ik haar in veertien dagen haren cocon
geen enkele maal heb zien loslaten. Honger behoefde nogtans
de aanleiding niet geweest te zijn, want voortdurend bragt ik
nu en dan eene levende vlieg in het glas, aan welke zij echter
zich niet scheen te stooren. ‘tis ook mogelijk dat de moeder be-
speurd heeft, dat hare ovula onvruchtbaar waren, want deze bleven
even klein, terwijl mijn derde Pholcus-cocon, bijna eene maand
door de moeder gespaard, duidelijk het toenemen in grootte
en kleursverandering der eitjes waarnemen liet. Tot beter be-
grip van het bovenstaande herinnere men zich, dat de Pholcus —
even als Dolomedes, Ocyale, Scytodes en enkele anderen, —
haren sphaerischen eijerzak niet vrijelijk afzet, of dien op de
wijze der Lycosae aan het achterlijf medesleept, maar dien ge-
durende meerdere weken , vóór aan de monddeelen, deels met
de palpen gesteund, tusschen de kaakhaken voortdurend * vast-
houdt. Ik heb daarbij niet goed kunnen opmerken, of tevens,
zoo als sommige schrijvers daar bijvoegen, de cocon ook «eeniger-
mate aan het sternum wordt vastgekleefd. ”
Eene andere opmerking omtrent de ovulatie der Pholcides be-
treft de vraag: of het wel juist zij wat verschillende araneologen
beweeren, «dat de Pholcus geen eigenlijk gezegden cocon maakt ,
maar dat diens eijeren-verzameling geheel bloot zoude zijn.» Men
weet , dat deze ovula inderdaad niet alleen betrekkelijk groot,
maar ook ieder op zich zelve duidelijk zigtbaar zijn, hetgeen
Claparède zoo voortreffelijk heeft gediend voor zijne beroemde
mikroskopische waarnemingen sur l'évolution des araignées, daar
de Pholcus het eenige spinnengeslacht is, voor zoover mij be-
kend, dat een cocon maakt waarin de ovula niet geheel en al
1 Misschien geschiedt dit alleen in den gevangen staat, even als bij sommige ge-
wervelde dieren, onder anderen onze gewone Æzismuis, die ik ook meer dan eens al
hare jongen heb zien verslinden.
= = Siemaschko schijnt dit niet te hebben geweten. Althans hij schrijft bij gele-
genheid van het vangen van een 9, dat zij „das Cocon zicht im Stiche liess,
sondern in den Fangzähnen wegtrug.” Ook maak ik uit zijne mededeeling verder
op, dat hij dus ook, als wij hier, den Pholcus te Petersburg slechts zelden te
zien kreeg.
STUDIEN OVER DEN PHOLCUS OPILIONOÏDES SCHRANK. 171
ingesponnen zijn, op de gewone wijze der spinneneijeren, maar
oogenschijnlijk geheel naakt voor het oog waarneembaar zijn.
Het is hier intusschen eene tweede vraag: of de uitdrukking
daaromtrent van Walckenaer — gaaf door zijn’ landgenoot
Simon, als ook door Vinson overgenomen — de waarheid be-
helst, wanneer hij zegt: «qu'elle agglutine ses œufs en une
masse ronde (sic) et nue, qu'aucun tissu ne recouvre?»
Hoewel slechts driemalen een Pholcus-cocon goed bezigtigd
hebbende en er slechts één in mijne verzameling bezittende,
heb ik daardoor toch reeds gelegenheid genoeg gehad, om dui-
delijk te kunnen waarnemen, dat de ovula niet alleen onder-
ling zijn «vastgekleefd», maar bovendien met een trouwens
zeer karig en dun spinsel zijn omhuld. Dit bleek mij vooral
met meer zekerheid, nadat ik den cocon eenigen tijd in eene
karmijn-oplossing had laten vertoeven. Intusschen verkondig ik
hiermede volstrekt geene nieuwe ontdekking, want vóór mij
hebben andere araneologen reeds hetzelfde waargenomen. Zoo-
wel Koch en Blackwall, als vooral de voor deze kwestie zoo
zeer bevoegde Claparède schrijven nagenoeg gelijkluidend: « dat
de Pholcus-ovula met een zeer fijn, doorschijnend spinselzakje
(of a very slight texture, Blekw.) zijn bekleed». Dit komt dan
ook zeer goed overeen met het feit, dat deze spin slechts een
onbeduidend klein web maakt en dat hare ragdraden over het
algemeen buitengewoon dun van weefsel zijn, zoodat de eerste
laag draden, waarmede zij hare prooi inwikkelt, naauwelijks
zigtbaar zijn en de vlieg hoe snel ook omsponnen, langen tijd
in haar geheel, door haar doorschijnend lijkkleed henen, zigt-
baar blijft.
Ten slotte heb ik nog een enkel woord over de geographische
verspreiding dezer belangwekkende spinsoort, al ware het slechts
naar aanleiding van een bezoek dat ik voor eenige jaren de eer
had te Utrecht te ontvangen van den heer A. E. Grübe, Hoog-
leeraar in de dierkunde te Breslau, waarbij deze geleerde zich
bijzonder en in de dêtails scheen te laten gelegen liggen ook
179 STUDIEN OVER DEN PHOLCUS OPILIONOIDES SCHRANK.
aan onze spinnenfauna; daarenboven moge het strekken tot
nadere toelichting van eene niet geheel juiste conclusie over de
verbreiding dezer araneiden, getrokken en door ZijnEd. mede-
gedeeld in zijn Verzeichniss der Arachnoiden Liv-, Kur- und
Esthlands, uitgegeven in het Archiv f. d. Naturkunde, 2 Ser.,
B. I, z. Porpat, 1859, waarvan hij de beleefdheid had mij
destijds een afdruk toe te zenden.
Op bladzijde 19 zijner Verhandeling schrijft Grube: «Jeden-
falls stellt sich das heraus, dass die Gattungen U, LZ, E, Phol-
cus, S, A 1, — die im Südlichen Deutschland und England
meist nur in einzelnen Repräsentanten vorkommen, — da sie
sich nicht einmal mehr in der so bevorzugten Danziger Gegend
begegnen, — auch nicht mehr in Liv-land u. s. w. zu erwarten
sind. »
Tot deze uitspraak der afwezigheid van Pholcides in de be-
doelde Noordelijke Zone, was Gr. destijds (1859) volkomen
geregtigd, doch sedert is onze kennis omtrent dit punt alweder
eene kleine schrede vooruitgegaan.
Wat mij thans over de aardrijkskundige verhouding van het
geslacht Pholcus in het algemeen, maar vooral van onzen opi-
lionoides of phalangoides in het bijzonder, bekend is geworden,
komt in hoofdzaak op het volgende neder:
Dit spinnengeslacht schijnt bij voorkeur in heete landen te
tieren of althans in meer zuidelijke gewesten, dan die welke
tot ons klimaat behooren. In de tropische werelddeelen (vooral
Azië en Afrika) vindt men dan ook de familie waartoe het be-
hoort, in trouwens weinige doch althans eenige min of meer
duidelijk afzonderlijke soorten (Borbonicus, sisyphoides, elonga-
tus, rivulatus) vertegenwoordigd; terwijl ditzelfde ook in de
meer zuidelijke of warmere landen van ons werelddeel, zoo als
Spanje, Italie, Griekenland, kan worden waargenomen (cauda-
1 De overige hier alleen met den voorletter aangeduide geslachtsnamen der door
Gr. verder bedoelde spinnen, als niet ter dezer zake dienstig, liet ik achterwege.
Alleen omtrent het laatste genus, . (Atypus) moet ik hier herinneren, dat dit ook
in ons vaderland is aangetroffen, zijnde een fraai exemplaar Atypus Sulzeri 4 door
mijne echtgenoot in het Zeister-bosch nabij Utrecht gevonden. (Ned. Tijds. v. Entom.,
1869, XII Deel, blz. 25.)
STUDIEN OVER DEN PHOLCUS OPILIONOÏDES SCHRANK. 175
tus, nemastomoïdes, impressus). Vreemd klonk mij alzoo, reeds
alleen wegens dit overzigt, het vermoeden door den zoo ervaren
te vroeg gestorven araneoloog Doleschall uitgesproken: «dat
Ph. phalangoïdes waarschijnlijk wit Europa naar deze gewesten, —
i. e. Oost-Indien, — met meubelen enz. zou zijn overgebragt. » Zie
diens «2% Bydrage tot de kennis der Arachniden van den Indi-
schen Archipel.» Immers op grond van het weliger tieren dezer
familie in het algemeen in warme hemelstreken en van het
afnemen of verminderen van hare soorten, zelfs van hare indi-
viduen, hoe meer men koudere gewesten nadert, heeft men
veel meer regt, om juist tot het tegenovergestelde van dit «ver-
moeden» te besluiten, t. w. om aan te nemen, dat onze Phol-
cus wit de tropische landen naar Europa is overgevoerd. In
mijne inleiding heb ik dan ook daar op reeds een en andermaal
gezinspeeld. Verreweg de meesten der mij bekend geworden
vindplaatsen toch, in het meer noordelijk gedeelte van Europa,
getuigen insgelijks voor dit gevoelen, als zijnde òf havensteden
(met O.-Indievaarders of O.-I. handelswaren in gemeenschap),
òf plaatsen waar toevallige invoer uit tropische of zuid-europee-
sche landen voor de hand ligt (botanische tuinen , een galanterie-
winkel, een berghok voor suikermatten of «kranjangs», enz.)
Waar men wijders, in de genoemde warme zonen, van Pholci-
den gewag gemaakt vindt, hetzij van andere of voornamelijk
van onze species, wordt er veeltijds bijgevoegd, dat ze daar of
«veelvuldig», of «overal verspreid» voorkomen, of «zeer ge-
meen» zijn. (Confer. i. a. voor Java daarover Doleschall, voor
Afrika Vinson, enz.) Geheel hetzelfde geldt ook voor Zuidelijk-
en Middel-Europa tot omstreeks 50’ N.Breedte (Confer. i. a. Cla-
parède voor Zwitserland, 46’; Doleschall voor Hongarije, 47’ ;
idem voor de omstreken van Weenen, 48’; Walckenaer nog
voor Parijs, 49’; ook zelfs Hahn en Koch nog voor Neurenberg
en Regensburg, 49’ à 50’). Daarentegen is het opmerkelijk,
dat reeds iets Noordelijker, van 50’ N.B. af, hun voorkomen
in ons werelddeel, — zoo als Grube uit de destijds bekende
data bereids opmaakte, — zeer zeldzaam begint te worden en
men onze spinsoort zelfs hier en daar op die breedte nog altijd
174 STUDIEN OVER DEN PHOLCUS OPILIONOIDES SCHRANK.
niet heeft ontmoet, of waar men haar aantrof, veelal niet dan
in enkele exemplaren en op enkele vindplaatsen.
De geographische rayon voor de mij ten dienste staande vind-
plaatsen in het meer Noordelijk Europa, van het zuiden naar
het noorden toe rekenende, en begrepen tusschen de circa
5’ W. en 50’ O. lengte, is thans deze:
Eiland Wight. Blackwall (1861. . . . . . ruim 50’ N.B.
Nederland (Amsterdam, Utrecht, Dordrecht) i
van Hasselt (1865 69), . . ee OP n DU n n
Engeland (Liverpool) Blackwall (1861). . . . n DS um
Zweden (Gotheborg) Westring (1861). . . . 47 55° um
Rusland (St. Petersburg) Siemaschko (1861). . „ 60! » »
De laatstgenoemde plaats stelt de meest noordelijke grens
daar, mij voor het Pholcus-gebied bekend.
Dat deze echter, zoo als boven gezegd, tusschen de 50’ en
60’ schaars voorkomt, bewijst de volgende negatieve opmer-
king aangaande araneologen, die den Pholcus tot nog toe niet
schijnen te hebben ontmoet, te weten: Reuss voor Frankfort a/M.
(50’), Grube voor Breslau (51°), Ohlert voor Konigsbergen (55’),
Menge voor Dantzig (84), Grube voor Lijfland, enz. (55’ à 59’),
Thorell voor Upsala (60’). 3
Amsterdam, December 1869.
NB. Onder ’t afdrukken dezes wordt mijn vermoeden omtrent
de indigeniteit {en sterkste bevestigd, naardien ik heden
morgen (14 April 1870) in de tuinkamer mijner woning
(Amsterdam, Prinsengracht) weder een levend Pholcus-
exemplaar (2 pullus) heb gevonden, terwijl ik zeker ben
dat ten vorigen jare geen mijner toenmalige gasten is
ontsnapt. VON
1 Mogten soms in de een of andere opgaven onnaauwkeurigheden zijn ingeslopen, —
dat licht mogelijk is, daar bijv. het groote werk van Menge (Preussische Spinnen,
1868) nog niet voleindigd is, — zoo verzoek ik beleefdelijk teregtwijzing s. pl. te
zenden aan de Redactie van ons Tijdschrift te Leiden.
VERSLAG
VAN DE
WETENSCHAPPELIJKE VERGADERING
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
OP ZATURDAG 18 DECEMBER 1869,
GEHOUDEN TE LEIDEN.
Voorzitter Mr. S. G. Snellen van Vollenhoven.
Van het Bestuur zijn, behalve de president, tegenwoordig de
heeren N. H. de Graaf, conservator, en Mr. H. W. de Graaf,
secretaris; en van de leden, de heeren: Cankrien, G. M. de
Graaf, Snellen, Weyenbergh, Sinia, Marshall, Heylaerts, Lodee-
sen, Kinker, Dr. Piaget, van der Wulp, Groll, Ritsema,
Dr. Herklots, Dr. van Hasselt, Dr. Rauwenhoff, Prof. Selenka,
Mr. Bijleveld, Brants, Veth en de Man.
De voorzitter opent de vergadering met eene korte toespraak
en heet de leden welkom. die voor het eerst deelnemen aan
eene bijeenkomst van de vereeniging.
Hierna. gaat men onmiddelijk tot de werkzaamheden over.
De heer van der Wulp spreekt over Psilopus flecus Löw,
naar aanleiding van exemplaren dezer soort in Zuid-Guinea ge-
vangen door ons geacht corresponderend lid. nu wijlen den
heer van Woerden. De mededeeling van den heer van der
Wulp, door fraaije teekeningen opgehelderd, strekt tot aanvul-
14
176 VERSLAG.
ling der beschrijving van Löw en zal als afzonderlijk stuk in
dit Tijdschrift worden opgenomen.
De heer van Hasselt biedt, voor het Tijdschrift, eene ver-
handeling aan over den Pholcus opilionoides, onder voorloopige
mededeeling der resultaten zijner studiën omtrent deze niet
onbelangrijke spinsoort en hare geographische verspreiding.
Onder anderen doet hij ter bezigtiging met de loupe rondgaan
het cocon van deze spin, door eene karmijn-oplossing vooraf
gekleurd, ten einde te bewijzen, dat de vroegere beschrijving
daarvan door Walckenaer en de latere door Simon gegeven,
niet volkomen juist is, in zooverre de ovula niet «geheel
bloot» liggen, maar werkelijk door een, trouwens zeer fijn en
doorschijnend, spinsel omhuld zijn.
Vervolgens vestigt hij de opmerkzaamheid der vergadering,
naar aanleiding van een paar zeldzame spinsoorten uit de Tro-
penlanden in zijne collectie aangekomen, behalve op de groote
vormverscheidenheid der Araneiden in het algemeen, op enkele
spelingen in den uitwendigen habitus dezer arthrozoën , welke men
oppervlakkig beschouwd als overgangsvormen, volgens de Dar-
winistische hypothese, zou kunnen aanmerken, waarvoor hier
overigens bij nadere beschouwing geen grond bestaat, als komende
de te vertoonen spinnen, behalve in gedaante, volkomen in
alle andere ligchaamsdeelen met die der gewone araneae over-
een. Dit verschil in gedaante is hier intusschen in enkele op-
zigten zoo groot, dat niet-araneologen de bedoelde «spinnen »
naauwelijks als zoodanig zouden herkennen. Onder andere voor-
beelden vestigt hij in de eerste plaats de aandacht op den
schorpioen-vorm der Arachnoura scorpionoides van Vinson, uit
Madagascar. Het abdomen eindigt bij deze in een staartvormig,
schijnbaar geleed aanhangsel, dat niet alleen in gedaante, maar
ook in zijne bewegingen, vooral die met omkrulling naar de
rugvlakte van het dier, een groote uitwendige analogie met de
scorpionoiden aanbiedt. Eene tweede spinsoort, waarvan hij
een fraai exemplaar uit Java laat bezigtigen, waarschijnlijk eene
tropische varieteit van den bekenden Attus formicarius (« Atte
pu
VERS ‘L'A 6, 177
fourmi» van W.) vertoont eene treffende uitwendige gelijkvor-
migheid met den habitus der mieren in het algemeen *. Een
derde specimen, waarvan hij een hoezeer beschadigd individu
laat rondgaan, heeft als het ware eenige overeenkomst in vorm
als men de pooten er afrekent, met dien der Myriapoda of
Ophidii. Het is misschien een unicum in Europa en is afkom-
stig van Doleschall, die aan deze nieuwe species met een zeer
dun, lang en cylindro-conisch achterlijf, den naam heeft ge-
geven van Ariadne flagellum (zweepvormige Ariadne).
Ten slotte leidt spreker een onderwerp in, dat hij later meer
in het breede hoopt te behandelen, betreffende de nog altijd
eenigzins duistere of raadselachtige beteekenis der verschillende
palp-deelen bij de spinnen-mares, Hij vestigt in de hoofdzaak
thans de aandacht der vergadering op de uiterst bevreemdende
waarnemingen van Menge, door dezen beroemden araneoloog
thans algemeen bekend gemaakt in zijn groote werk over «de
Pruissische spinnen», ofschoon die reeds veel vroeger, in 1845,
in een te Danzig verschijnend tijdschrift zijn gepubliceerd.
Menge namelijk, heeft bij Tetragnatha, Pachygnatha, maar
vooral bij Linyphia-soorten gezien, dat het 4, ante coitum, op
zijn webbe een eigenaardig verheven, driehoekig spinseltje maakt,
daarover met het vóóreinde der buikzijde van het abdomen
eenige malen heen en weder schuift of wrijft, en dat er zich
een klein dropje «sperma», uit de plaats waar de «testes» uit-
monden, ontlast. Dit vocht nu neemt hij beurtelings met en
in de uiteinden der beide palpen op, en brengt dat dan op de
algemeen bekende wijze in de vulva van het 2.
Spreker vraagt, of wellicht ook een der aanwezige leden
in de gunstige gelegenheid heeft verkeerd deze curieuse manoeuvre
waar te nemen? en of iemand onder hen ooit bij de genoemde
of andere spinsoorten heeft gezien, dat deze, vóór den beken-
den coïtus, hetzij indirect op de wijze door Menge vermeld,
+ In het Leidsch Museum zag ik den volgenden dag, onder veel anders wat den
bezoeker der afdeeling van onzen voorzitter dáár voortdurend merkwaardigs voorkomt ,
eene mieren-soort, die omgekeerd, in algemeenen habitus veel gelijkenis vertoont met
gene spin, en daarom Myrmezine arachnoïdes genaamd is.
178 VUE RSI AG.
of indirect door het brengen hunner palpen naar de plaats der
«testes» (?) in het abdomen, hunne palpen als zoodanige
«overdragers» (Ueberträger) gebruikten? Spr. moet betuigen,
bij zijn menigvuldig bespieden van de levenswijze der spinnen,
zelf nimmer iets dergelijks te hebben kunnen constateren. (Dit
is ook het geval met de aanwezige leden.)
In het algemeen kan hij zich voor alsnog niet goed vereenigen
met de moderne overdragings- of z. g. «lepeltjes» -theorie, ter
wederlegging waarvan hij enkele anatomische praeparaten laat
bezigtigen, vervaardigd van palpdeelen eeniger spinnenmares,
welke hij voor zich, met onzen Lyonet en anderen, veel meer
analoog acht met de structuur van penis, prostata, enz. en welke
hij moeijelijk als eenvoudige «lepeltjes» kan beschouwen.
De heer Heylaerts Jr. zegt o. a. het volgende:
Lang nog is het niet uitgemaakt, wat toch wel de kleurstof
zij, die de meeste insecten soms zoo bont, soms zoo prachtig
kleurt. Elke bijdrage, hoe gering ook om tot de kennis er van
te geraken, kan er misschien toe leiden, bij de hoogte waarop
de scheikundige wetenschap thans staat, licht in dezen te ver-
spreiden. Hij acht het dus niet overbodig het volgende factum
ter kennis van de vergadering te brengen.
In den vorigen winter een exemplaar van Cicindela hybrida ,
bruine of bronskleurige var., aan eene temperatuur van + 109° C.
blootgesteld hebbende, was hij niet weinig verwonderd een fraai
groen in plaats van bruin dier uit de verwarmde plaats te halen.
Door andere zaken uit zijne bespiegeling geroepen, meende hij
bij zijne terugkomst de zaak nader te bezien; doch ziet, de
groene kever was weer bruin. Hoogst verbaasd kwam hij er
natuurlijk toe de proef te herhalen en wel met hetzelfde gevolg :
bij verwarming werd de bruine kleur groen, terwijl bij bekoe-
ling het groen weer in brwin veranderde. Deze laatste verandering
ging veel sneller, wanneer hij den adem over het diertje liet gaan.
Hij kwam nu op het denkbeeld of de kleurstof soms een
hydraat kon wezen en besprak de zaak met Dr. Aronstein,
leeraar in de scheikunde aan de Hoogere Burgerschool te Breda.
I
VOCE RS LAG: 179
Deze beäamde dat gevoelen en beiden opperden de meening,
dat het in dat geval mogelijk zou zijn de groene kleur blijvend
te maken, door het voorwerp van onderzoek, op een stuk kurk
gestoken, te plaatsen, nadat het verhit was, op een plankje,
waarop een schaaltje met geconcentreerd zwavelzuur stond, en
alles verder te bedekken met eene glazen klok, zoodat de bui-
tenlucht geheel werd afgesloten. Het zwavelzuur, dat gretig alle
waterdampen uit de lucht tot zich trekt, moest dan beletten
dat de kever vochtig werd.
En ja wel, weken lang bleef de Cicindela groen en werd eerst
bruin nadat de klok was weggenomen.
(Spreker doet staande de vergadering de proef, die ook vol-
komen gelukt.)
Niet minder merkwaardig was de kleurverandering bij Cic.
campestris. De groene kleur werd hier prachtig blaauw , doch
nam, even als bij de voorgaande species, hare vroegere tint
spoedig terug, zoodra ze vochtig werd of aan de gewone lucht
werd blootgesteld.
Opmerkenswaardig is het factum zeker, wanneer men weet
dat er, als spreker zich niet vergist, eene blaauwe var. van
C. campestris in den Kaukasus voorkomt.
Dr. Herklots en Dr. Piaget meenen, dat de kleursverandering
niet alleen kan worden uitgemaakt door aan te nemen «dat de
kleurstof werkelijk een hydraat is, waarvan het (hydraat-) water
bij verhitting verdampt, maar dat ook andere zaken daartoe
aanleiding zouden kunnen geven, b. v. verandering in den
aggregatietoestand der moleculen, enz.
Spreker zegt daarop, dat hij zijne waarneming alleen als fac-
tum wenscht te zien beschouwd, en eerst later bij naauwkeu-
riger en langduriger onderzoekingen, ook op andere keversoorten ,
theses dienaangaande zal stellen.
Hij vertoont vervolgens eene kleine verzameling Coleoptera
door wijlen den heer van Woerden aan de westkust van Africa
(Zuid-Guinea, Loango) verzameld.
Als merkwaardige vlindervarieteiten laat hij zien:
a. Eene schoone varieteit van A. Selene S. V., op welker
180 VAE RS AG:
ondervlerken de zwarte punten zich tot regelmatige strepen
hebben vereenigd. Gevangen te Breda, 25 Mei 1868.
b. De var. D. Porcellus L., waarvan reeds sprake was op de
jongste zomervergadering te Zwolle.
c. Eene ab. van C. Ferrugata L., welke den overgang be-
wijst van de merkwaardige var. dier soort, door den heer
P. C. T. Snellen vertoond te Utrecht (zomerverg. 1867)
tot den type.
Omtrent de rupsen van Xylina Lambda F., S. Zinckenü Tr.
merkt hij op, dat hij daarvan acht stuks op de Galdersche
heide (26 Junij 1869) verzamelde, waarvan zes vlinders voort-
kwamen. Dat de beschrijving van de rupsen dier soort in
Snellen’s «Vlinders van Nederland” volkomen juist is, doch dat
haar voedsel niet alleen uit Myrica gale, maar ook-uit Calluna
vulgaris en eik bestaat, op welke laatste planten hij haar vond
en waarmede hij haar verder voedde.
Hij wijst er verder op, dat de aanvoer van vreemde hout-
soorten niet zelden levende insecten uit verre tropische streken
tot ons brengt. Zoo heeft hij op een stuk campeche-hout , aan
de haven te Breda, eene merkwaardige spin, Phrynus renifor-
mis, gevonden, en wel drie weken levend gehouden.
Eindelijk geeft hij eene kleine verzameling vlinders aan de
collectie der vereeniging ten geschenke, die in dank wordt aan-
genomen.
Be heer Snellen deelt mede dat de rups van Eugonia fuscan-
taria Haworth niet, gelijk hij op p. 527 zijner «Vlinders van
Nederland» opgeeft, naar die van Zug. alniaria Treits. gelijkt,
maar integendeel zeer van die dezer soort en van de rupsen
der overige inlandsche Eugonién verschilt. Zij is namelijk ge-
heel zonder knobbels of spitsen, glad van lijf, lichtgroen ge-
kleurd met eene geelachtige zijdestreep en met min of meer
roodgeteekende pooten.
Hij heeft deze waarneming in 1868 met den heer Fransen
gedaan en haar bevestigd gevonden door eene eensluidende van
den heer J. C. I. de Joncheere te Dordrecht, ons ijverig en
Vi Bc Rie SE Tp AU Ge 181
door de naauwgezette juistheid zijner opgaven welbekend mede-
lid, die buitendien eene schets maakte van de rups van Fus-
cantaria , waarop zij overeenkomende met de bovenstaande be-
schrijving wordt voorgesteld. De heer Snellen laat die schets
rondgaan.
De heer Ritsema doet voorlezing van het volgende vijftal aan-
teekeningen :
I. Vervolg van mijne mededeeling betreffende den Periphyl-
lus Testude v. d. H. gelezen in de vergadering, op den 51stn
Juli 1869 te Zwolle gehouden (zie bl. 22 van het Verslag dier
vergadering).
Nadat ik 5 Augustus van mijn uitstapjen naar Zwolle te huis
_ gekomen was, begon ik de Periphylli op mijn eschdoorn-boompjen
weder aan een geregeld onderzoek te onderwerpen.
Nog tot de laatste dagen van genoemde maand bleven zij
volkomen onveranderd; toen echter werd hun lichaam dikker,
en begon er ter wederzijde van den rug een donkere ligchaams
inhoud door te schemeren. Hierop trof ik in de eerste dagen
van September vervellende Periphylli aan, waaruit nu duidelijk
bleek, dat de huidjens die ik vroeger wel had opgemerkt, wer-
kelijk van doode exemplaren afkomstig waren.
Reeds na deze eerste vervelling kwamen zij geheel met nor-
male larven van den tweeden leeftijd overeen, terwijl zij nog
geen veertien dagen later hun volkomen toestand bereikt had-
den, waarin allen vleugelloos waren. Deze imagines begonnen
zich dadelijk door lichtgele normale larven voort te planten, die
in het laatst van September zelven weder voor het laatst ver-
velden, en even als die der vorige generatie vleugelloos bleven.
De larven die uit deze imagines geboren werden, kwamen ten
naasten bij met die der vorige generatie overeen, en ontwikkel-
den zich reeds voor het midden van Oktober tot gevleugelde 4
en ongevleugelde 2 individuen, die spoedig met elkander paar-
den, waarna de wijfjens ongeveer acht bruingele eitjens aan de
schors van het eschdoorn-boompjen vastplakten. Deze eitjens
werden langzamerhand zwart, en zullen in het begin van Februari
182 VERSLAG.
aanstaande, weder de eerste generatie van den Aphis Aceris L.
opleveren.
In n°. 7 en 9 van de «Petites Nouvelles entomologiques»,
een blaadjen dat sedert primo Juli van dit jaar (1869) twee-
maal ’s maands te Parijs het licht ziet, en reeds aan eenigen
uwer bekend is, doch dat niet uitmunt door nauwkeurigheid,
noch door de wijze waarop ingezonden stukken verkleind en
veranderd worden, vindt men met enkele woorden deze resul-
taten van mijn onderzoek vermeld.
De tot dusverre gekoesterde meening, dat de Periphyllus
Testudo een voor verdere ontwikkeling onvatbare larvenvorm
zoude zijn, blijkt dus onjuist te wezen; integendeel, alleen van
hen stammen de drie najaarsgeneratien af, waarvan de laatste,
als bestaande uit mannelijke en vrouwelijke individuen, bestemd
is, de soort door bevruchte eieren gedurende den winter in
stand te houden.
Het is niet onwaarschijnlijk dat na korteren of langeren tijd,
ook van andere bladluissoorten een dergelijke larvenvorm zal
worden ontdekt.
Il. Aberratie in het aderverloop der voorvleugels bij Selandria
socia Kl.
Van deze soort ving ik den
17den Juli van dit jaar in den
Aerenhout bij Haarlem een & indi-
vidu, waarvan de nervus radialis
in beide voorvleugels zich aan het
einde in tweën splitst. (Zie nevens-
Selandria socia. Kl. ;
ee gaande afbeelding).
III. Nestbouw der Megachile-soorten.
Den 17den Juli ving ik in den Vogelenzang een 9 exemplaar van
Megachile argentata F., terwijl het bezig was voor de vervaar-
diging van zijn nestjen stukken uit de bladeren van den Poly-
gonum convolvulus L. te bijten, waartoe het reeds driemaal tot
hetzelfde plantjen was teruggekeerd.
Deze waarneming deed bij mij de vraag opkomen, of iedere
soort van het geslacht Megachile, de bladeren van eene be-
VE RSL A’ G. 185
paalde plant voor het maken van haar nest kiest, en welke dit
voor iedere soort is, doch nergens vond ik haar beantwoord.
Wel zegt Schenek in zijne «Nassauischen Bienen», dat men
nimmer bladen van verschillende planten tot bouwstof voor het-
zelfda Megachile-nest gebezigd vindt, en dat er stukken uit de
bladeren van rozen-, wilde kastanje-, iepen, peeren- eu appel-
boomen voor gebruikt worden (bij Leiden vond ik ook blaad-
jens van den zoogenaamden gouden regen (Cytisus Laburnum L.)
kennelijk door eene Megachile soort uitgebeten), maar hij lost
mijne vraag niet op.
Mijns inziens zou dit evenwel door opgave van waarnemingen
als boven vermelde, gemakkelijk kunnen geschieden, hetgeen
tevens eene niet onbelangrijke bijdrage tot de kennis van de
levenswijze van dit hoogst interessante geslacht der vliesvleuge-
lige insekten zoude zijn.
IV. Levenswijze van het geslacht 7rypowylon Latr.
Bij het ontpakken en nazien der goederen, die mijn broeder
in April van dit jaar bij zijne terugkomst van Soerabaya mede-
bracht, bemerkte hij dat de slang zijner clysopompe verstopt
was. Daar het hem niet gelukte het vreemde lichaam er uit te
verwijderen, sneed hij de slang overlangs open, en ontdekte
toen dat eene wesp deze plaats voor het vervaardigen van haar
nestjen gekozen had. Ik herkende haar terstond als eene soort
van het geslacht 7rypowylon Latr., terwijl zij later Tr. bicolor
Smith bleek te zijn. Het nestjen bestond uit een gedeelte der
buis, dat door twee tusschenschotten van rooden leem was afge-
zonderd, en bevatte vier spinnen, die, hoewel sterk ingedroogd ,
door den heer van Hasselt met zekerheid herkend werden, als
te behooren tot de familie der Attides of zoogenaamde spring-
spinnen. Waarschijnlijk vertegenwoordigden de vier individuen,
waaronder een jong & exemplaar, slechts twee soorten van aan
de geslachten Plexippus en Phidippus verwante genera dezer
familie.
Eenigen tijd later vond ik in de « Proceedings of the Entomo-
logical Society of London» van 1 Juni 1857, eene gelijksoortige
mededeeling, die op het volgende neerkomt: onder een aantal
184 VAE VR MS UL AG:
nesten eener Polistes-soort, die door den heer Hamlet Clark uit
de omstreken van Petropolis in Brazilië voor Fred. Smith waren
medegebracht, bevond er zich één, waarvan verscheidene cellen
met roode aarde of klei gesloten waren; deze bleken bij opening
met spinnen gevuld te zijn, terwijl in eene enkele een exemplaar
van Trypoxylon fugax F. gevonden werd. |
Deze Zuid-Amerikaansche soort had zich dus van de buis-
achtige cellen van het nest eener gezellig levende wesp, de
Oost-Indische van eene caoutchouc-buis, waarschijnlijk in plaats
van een’ hollen plantenstengel, voor den bouw van haar nest
bediend.
Dat Lepeletier de St. Fargeau gedwaald heeft, door aan dit
geslacht der graafwespen eene parasitische levenswijze toe te
schrijven, is voldoende bewezen; waarschijnlijk geschiedde het
op grond van het ontbreken van haren en borstels aan de voor-
pooten der wijfjens, en van de waarneming dat zij steeds in
gaten van schuttingen en oude boomen kruipen, hetgeen echter
met een ander doel geschiedt, als Lepeletier meende.
Reeds Linnaeus wist, dat zijne Sphex Figulus, waaronder nog
de Trypoxylon clavicerum Latr. begrepen was, in door andere
insekten gemaakte en verlaten gangen van houten schuttingen
nestelt, dat zij hiertoe den bodem van den gang met leem be-
dekt, en na op aangebrachte spinnen een ei gelegd te hebben,
het nest weder met leem sluit Deze waarneming is door andere
schrijvers, gelijk Schenck en Smith, bevestigd, die er echter
bijvoegen, dat beide soorten zich ook wel van bladluizen in
plaats van spinnen tot voedsel voor hare larven bedienen. Naar
mijne bevinding is dit echter meer met de kleinere clavicerum
het geval.
Allen, die op den Asten Augustus van dit jaar aan onze alge-
meene excursie op Molencate deelnamen, hebben Kennedy's
waarneming bevestigd gezien, dat zij voor de plaatsing harer
nesten, behalve gangen in schuttingen en vermolmde boomen,
ook wel rietstengels van stroodaken en tuinhuisjens kiezen, en
dat zij die door tusschenschotten van leem in cellen verdeelen,
die ieder van vele spinnen voorzien worden, waartoe hier, vol-
Vi Fin Hos SL DE Ale Ge 185
gens opgave van den heer van Hasselt, meest jonge, zoo 3 als 2
individuen van Linyphia montana Clerck en resupina Wider,
Theridion redimitum L. en Miranda cucurbitina L. gebezigd
waren, waarbij dan vervolgens een ei gelegd wordt.
Volgens Shuckard vervaardigt Tr. clavicerum echter geene
tusschenschotten in de rietstengels, terwijl Léon Dufour zegt
waargenomen te hebben, dat Tr. Figulus gangen in het merg
van doode braamstengels boort, en daarin cellen maakt, zon-
der zand of leem, maar door middel van het uitgebeten zaag-
sel. lets dergelijks vindt men bij Tr. attenuatum Smith, daar
deze soort volgens haren naamgever in het merg der stengsels
van rozen en dergelijke planten nestelt.
Uit de beide laatste waarnemingen blijkt dus, dat de Try-
poxylon-soorten, hoewel zeldzaam, ook zelf de gangen voor
hare nesten vervaardigen, terwijl men vroeger meende, dat zij
zich daartoe alleen van reeds aanwezige gangen bedienden.
V. Ten slotte nog een woord over mijne Platypsyllus Castoris ,
waarvan ik in onze vergadering van 51 Juli jl. afbeeldingen
liet rondgaan en eene beschrijving voorlas (zie bl. 24 van het
Verslag), die in n°. 6 (15 Sept.) van de «Petites Nouvelles
entomologiques» door mij werd medegedeeld.
In den loop van Oktober werd mij door onzen president de
Cktober-aflevering van «the Entomologist’s Monthly Magazine »
ter hand gesteld, als bevattende de beschrijving van eene nieuwe
insecten-orde, die der Achreioptera, welke door den Engelschen
entomoloog Westwood is opgericht, ten behoeve van een bever-
parasiet, die identiek met mijne bovengenoemde soort zoude
zijn. En werkelijk, bij het lezen van Westwood's beschrijving,
werd ik hiervan volkomen overtuigd, en tegelijk getroffen door
de overeenkomst van den naam, die door ons, onafhankelijk
van elkander, aan dit insect is toegekend; terwijl Westwood het
den naam van Platypsyllus castorinus geeft, beschreef ik het als
Platypsyllus Castoris.
Westwood ontving zijne exemplaren in den loop van 1868
van den bekenden schrijver over de Parasitica H. Denny, en las
in Seplember van dat jaar eene beschrijving daarvan voor, in
186 VUE CR Ss) Canc.
ecne vergadering van the Ashmolean Society of Oxford. Daar
deze vereeniging echter zeer talmt met het publiceeren harer
verslagen, zond Westwood in September van dit jaar (1869),
een uittreksel van zijne lezing aan de Redactie van «the Ento-
mologist’s Monthly Magazine» op, die het in het Oktober-num-
mer van dit maandschrift plaatste, zoodat het veertien dagen
na het verschijnen mijner mededeeling in de «Petites Nouvel-
les» het licht zag.
Het gevoelen van Westwood, dat voor dit insekt eene nieuwe
orde moet worden opgericht, deel ik niet, daar het vele voor-
name kenmerken met de Suctoria gemeen heeft, aan welke
overeenkomst hij misschien wil doen herinneren, door den ge-
slachtsnaam te doen eindigen op psyllus, welke uitgang in de
orde der vlooien nog al eens gebezigd is, getuige de geslachten
Sarcopsylla Westw., Geratopsyllus Curt., Trichopsylla Kol.,
Gtenopsyllus Kol. en Hectopsylla v. Frauenf. Ook tracht men
tegenwoordig steeds die orden, welke op slechts enkele vormen
gegrond zijn, bij anderen in te lijven. Ik zou daarom liever
voorstellen er eene tweede familie in de orde der Suctoria voor
aan te nemen, die men bijv. die der Platypsyllidae zou. kunnen
noemen, daar het wel waarschijnlijk is, dat er aanverwante
vormen op diersoorten aan den bever verwant voorkomen. In
ieder geval zal het vinden van de eerste toestanden van dit
insekt, wel nader licht verspreiden over de plaats, die het in
het systeem moet innemen, en ik stel mij voor, om indien
dit geluk mij mocht te beurt vallen, nog eens breedvoerig op
deze quaestie terug te komen.
Intusschen blijkt uit dit geval ten duidelijkste, dat eene
voortdurende medewerking van de zijde der Directeuren onzer
Zoölogische tuinen, en de vergunning, om de aan hunne hoede
toevertrouwde dieren, of de legers daarvan, zelf te onderzoe-
ken belangrijke resultaten voor onze wetenschap zoude opleveren.
De heer Snellen van Vollenhoven spreekt over de larven der
sluipwespen in het algemeen en hare wijze van verpopping; hij
licht dit door teekeningen toe, op vrij groote schaal vervaardigd.
-
VIE RSL UC 187
Na eene korte beschrijving van eenige larven, waarbij voorna-
melijk op die van Rhyssa persuasoria wordt acht geslagen,
zegt hij dat als zij op het punt is om te verpoppen, de kop
der pop duidelijk door de huid heen te zien is in het tweede
segment van het ligchaam. Vervolgens tot het inspinnen over-
gaande behandelt hij eerst de soorten, die als Microgaster hunne
coconnetjes in menigte bij elkander en in een gezamenlijk ver-
vaardigd spinsel insluiten, en vertoont daarbij het eigenaardige
spinsel van M. alvearius, bij welke soort de ledige coconnetjes ,
na het uitvliegen der wespjes, op bijencellen gelijken. Daarop
gaat hij over tot die sluipwespen, welke ten getale van 6 of
meer een langwerpig ronden bal van aaneengesloten cocons vor-
men en geeft tot voorbeeld het geslacht Ophion. Eindelijk wor-
den de talrijke soorten behandeld, die een eenzelvig, afgezon-
derd cocon vormen en deze in de volgende rubrieken verdeeld:
a. Die binnen de huid der rups een cocon vormen; waarbij
tot verduidelijking keurige teekeningen van den heer Berg-
huis werden vertoond.
b. Die binnen in de pop hun cocon spinnen, gelijk bij Bom-
byx Neustria geschiedt.
c. Die onder de rupsenhuid spinnen, waarbij twee teekenin-
gen de wijze hoe verduidelijkten.
d. Die geheel afgescheiden van rups of pop een cocon vor-
men; deze zijn de talrijksten.
Onder hen zijn er bij wie het cocon aan een steeltje hangt,
soms aan een vrij langen draad, gelijk bij Perilitus. Spreker
toont aan, hoe dit zal moeten geschieden, ofschoon het bij
autopsie nog aan niemand schijnt bekend geworden. Hij spreekt
eindelijk over de dubbele en driedubbele spinsels, over de dwars-
banden of ringen op de spinsels en over de soorten welke
zonder cocon verpoppen, waarbij nog weder eenige afbeeldingen
worden vertoond en geciteerd.
De heer Brants deelt mede, dat hij in Augustus op Myrica
Gale eenige Acronycta-rupsen heeft gevonden, die in Septem-
ber waren verpopt en in Mei d a. v. de vlinders hadden ge-
188 VERSLAG.
leverd. Hij heeft deze rupsen afgeteekend, even als die van
Acronycla auricoma, ten einde te doen zien dat zij in kleur en
teekening van de laatstgenoemde verschilden. Ten gevolge daar-
van, alsmede met het oog op de verkregen vlinders, die spre-
ker met zijne keurige teekeningen ter bezigtiging laat rondgaan,
vraagt hij of het insekt dat hij op Myrica Gale gevonden heeft,
tot Acronycta Myricae behoort.
De heer Heylaerts zegt dat hij wel rupsen als de op Myrica
gevondene op heide heeft aangetroffen, doch dat de vlinders
niet zijn uitgekomen.
De heer Snellen beantwoordt de vraag van den heer Brants
ontkennend en is van oordeel dit de vlinder uit de Myrica-rups
gekweekt, ofschoon eenigzins afwijkende, zeker Aeron. auri-
coma is.
Ten slotte biedt de heer Brants ter beschouwing aan eene
door hem gemaakte afbeelding, voorstellende de gedaantewisse-
ling van Harpyia bifida Hübn., even meesterlijk uitgevoerd als
de beide reeds vermelden.
De heer Piaget laat aan de vergadering zien de Hymenoptera,
die hem door wijlen den heer van Woerden uit Zuid-Guinea zijn
overgezonden en waaronder zeer merkwaardige dieren voorkomen.
Dezelfde geeft, onder mededeeling van eenige zeer intéres-
sante waarnemingen, aan de vereeniging ten geschenke eenige
met de meeste zorg voor het microscoop bijeen gebragte prae-
paraten van Parasitica, door hem op vogels en zoogdieren ge-
vonden. Voor dit geschenk, strekkende tot completering der
verzameling, die de vereeniging bij vorige gelegenheden van
den heer Piaget mogt ontvangen, wordt hem door den voor-
zitter de dank gebragt der vergadering, die daarin met teeke-
nen van bijval instemt.
De heer Groll legt eene lijst over van Coleoptera, nieuw voor
de Fauna van Nederland, met opmerking, dat de voorwerpen
deels door den heer Kinker, deels door ons corresponderend
lid, den heer Mink bestemd zijn.
VERS AE 189
De voormiddag van den volgenden dag wordt gewijd aan de
insekten-verzamelingen, bewaard wordende in ’s Rijks Museum
van Natuurlijke Historie, alwaar de leden ontvangen worden
door den heer Snellen van Vollenhoven, die hun met de meeste
bereidvaardigheid niet alleen de meest belangrijke voorwerpen
aanwijst, waarmede de collectie in den laatsten tijd vermeer-
derd is, maar ook ieder lid in de gelegenheid stelt meer be-
paald zoodanig gedeelte te bezigtigen, als verlangd wordt. —
Na het dejeuner, maakte een 12tal leden gebruik van het be-
leefde aanbod van den heer I. L. Cornet, directeur van het Acade-
misch Platen-kabinet , om hen in de gelegenheid te stellen de fraaije
teekeningen in oogenschouw te nemen van den grooten Humbert
de Superville, strekkende tot kritiek en verbetering der be-
roemde cartons van Rafael. Allen die aan deze kunstbeschou-
wing deelnamen en daarbij de belangrijke voordragt van den
heer directeur, tot verklaring van de opvatting en bedoeling
des teekenaars, hadden gehoord, waren vervuld van het kunst-
genot, dat zij aan de welwillendheid van den heer Cornet te
danken hadden. — Ten 5 ure vereenigde men zich in het
hôtel Verhaaff aan een’ gemeenschappelijken maaltijd, tot dat
‚ het naderend vertrek van de laatste spoortreinen tot scheiding
noopte en ieder zich huiswaarts begaf, zeer voldaan over het
genoegen hetwelk deze twee dagen weder hadden opgeleverd
en den vriendschappelijken toon die als altijd geheerscht had.
NEDERLANDSCHE DIPTERA
IN METAMORPHOSE EN LEVENSWIJS
BESCHREVEN DOOR
H. WEYENBERGH Jr.
III.
TRYPETA SERRATULAE Linn.
Linnaeus, Fauna suecica, 461. 1871. (Musca Serratulae).
Guérin, (Linn.) Syst. nat. T. I. Pars. V. p. 2856. 118. (id.)
FaurÉn, Ortal. 14. 22. (Tephritis Serratulae).
Meicen, System. Beschreib. V. 547. 54. pl. 50 f. 5. (Trypeta
pallens).
WIEDEMANN, Analecta entom. 54. 120. (Tephritis pallens).
Löw, Germars Zeitschr. V. 419. 75. pl. 11. f. 70. (Trypeta
Serratulae).
Löw, Monogr. der Trypetinen. 62. 15. pl. 10. fig. 1. (id.)
Zetterstedt, Dipt. Scand. VI. 2256. 52. (Tephritis Serratulae).
? Macovart, Suites à Buffon. II. 459. 1. (Terellia Serratulae).
Watxer, Entom. Magaz. III. 621. f. 5. (Trypeta Serratulae).
Scmner, Fauna austriaca. II. 154. (id.)
Rosineau-Desvoiwy, Myodaires. 758. 1. (Terellia palpata).
Rosineau-Desvoipy, Myodaires. 758. 2. (Terelliu luteola).
Musca —:(Trypelu) — alis-albis, thorace virescente ,
abdomine cinereo; lineis quatuor punctorum nigrorum.
(Linnaeus, 1. ce.)
NEDERLANDSCHE DIPTERA IN HARE METAMORPHOSE , ENZ. 191
Wanneer men in het najaar, in de maanden Augustus, Sep-
tember en October, distelstengels (Carduus crispus L. en andere
soorten) uittrekt, om de worteleinden voor maden van Cheilosia
te onderzoeken, zal men wel doen tevens de koppen na te
zien en het zaadpluis te doorzoeken. Zeer waarschijnlijk is het
dat men dan de larven zal ontdekken, die ik op Plaat 7,
figuur 1 en 5 heb afgebeeld, maar nog 4 kleiner, daar zij
eerst in Februari of Maart de grootte hebben bereikt, die door
het streepjen bij figuur 1 wordt aangegeven. Verschil kon ik
overigens tusschen de jonge en de volwassen maden niet ont-
dekken. Door de verschillende leeftijden heen toch is de kleur
en vorm dezer larven dezelfde, misschien zou men van de jon-
gen alleen kunnen zeggen dat zij iets glaziger zijn. Zij schijnen
zich met het zaad te voeden; ik vond althans in de koppen
dezer distels vele geheel uitgevreten zaden. Vijftien tot twintig
larven vond ik gewoonlijk in één distel.
Als zij volwassen zijn kleven zij — want spinnen verdient het
niet te heeten — wat zaadpluis te samen, zoodat dit cocon-
achtige kluitjens vormt, en gaan daarin langzamerhand tot pop-
tonnetjens over door het verharden der huid. Dit verdroogen
der huid geschiedt bij deze soort zóó langzaam, dat de juiste
overgang van made in pop niet is waar te nemen.
De kleur der larve is vuil bleek-geel. Aan den tienden ring
is zij het dikst en de algemeene lichaamsvorm is verbreedend,
naar het achtereinde met spits toeloopend kopeind. Aan het
kopeinde bevinden zich een paar als kaken dienstdoende, kleine,
bruin-zwarte, hoornachtige puntjens. Het achtereinde, de laatste
ring, is zeer plat, als het ware in den voorlaatsten ring inge-
drongen, en donkerbruin van kleur, vooral aan de randen, ter-
wijl de kleur in het midden lichter is; twee, een weinig tepel-
vormige vlekjens zijn vooral zeer licht en vertoonen in hun
midden een zwart streepjen of stipjen; ik meen hierin de ope-
ningen der tracheén-stammen te herkennen. Figuur 5.
De larven staan tegen het verpoppen meest met opgeheven
kopeinde perpendiculair op den vruchtbodem der distels. In het
uit pappus zaamgekleefde spinsel meen ik een, de made onmid-
15
199 NEDERLANDSCHE DIPTERA IN HARE
delijk omsluitend, meer vliesachtig omhulsel somtijds te hebben
waargenomen; ik zocht het echter ook vaak te vergeefs. Fig. 4
stelt het poptonnetjen voor, zoo als het zich omstreeks half
Mei voordoet; de kleur is dan vuil-bruin en de lengte iets ver-
minderd, het staart- en kopeind zijn iets donkerder gekleurd
dan het middengedeelte. Het tonnetjen bevat eene nimf, die
geel-wit van kleur is, dik, ineengedrongen van vorm en met
vrij smalle vleugelscheden.
Het eerste volmaakt insekt verscheen den 10%" Juni, in den
tijd dns dat de distels bloeijen of den bloei nabij zijn en dus
de vliegen de eieren kunnen leggen op de plaats voor de
maden aangewezen.
Het ei bleef mij onbekend, hoewel ik vele individuen van
beide seksen langen tijd bijeen hield; ook is mij niet gelukt de
paring waar te nemen. Het is mij steeds gebleken dat het zeer
moeijelijk is, in gevangen staat diptera te doen paren en tot
eierlegging te brengen en ik geloof dan ook dat ik mij bij het
aanvangen van de beschrijving der levensgeschiedenissen onzer
vaderlandsche dipteren te hoogen eisch stelde, toen ik mij voor-
nam steeds de copulatie en het ei te beschrijven. Alleen toe-
vallige gunstige omstandigheden zullen mij wellicht nu en dan
het ei van sommige soorten doen kennen, en ik geloof voor-
zichtig te handelen met te voorzeggen, dat de beschrijving der
eieren meestal aan mijne soorts-biographien zal ontbreken.
De made moet zich binnen weinige dagen uit het ei ontwik-
kelen en in den beginne vrij snel groeijen, daar men haar reeds
in Augustus meer dan half volwassen aantreft.
Dat deze soort slechts ééne géneratie ‘s jaars hebben kan is
duidelijk.
De vlieg zelve is een fraai diertjen, geheel in grijs-groenen
toon en 5—6 millimeter lang, met eene vlucht van 10—12 millim.
Het mannetjen is iets kleiner.
Het breede voorhoofd en de schedel zijn roodgeel; van voren
en ter wederzijde van het voorhoofd is een bleekgele zoom,
deels met witten weérschijn; het aangezicht is lichtgeel; sprie-
ten en palpen zijn roodgeel, de zuiger bleekgeel. De beide
METAMORPHOSE EN LEVENSWIJS. 195
wortelleden der sprieten zijn zeer klein; het tweede lid is fijn
behaard; het derde, veel grootere lid is min of meer onregel-
matig peervormig en toont soms eenig spoor van verdonkering;
de sprietborstel is aan den oorsprong bleekgeel en overigens
zwartachtig. De oogen zijn klein en heldergroen. Het voorhoofd
en de schedel dragen een aantal zwartachtige borstels; tegen
den achtersten oogrand bevindt zich eene rij van korte witte
borstels; ook aan de kin zijn zilverwitte haren, bij wijze van
baard; de driehoek, waarin de bijoogen staan, is donkerder
dan het overige. De thorax is groenachtig geel, van boven meer
grijsachtig, met drie donkere langsbanden, die meestal zoodanig
ineenvloeijen dat bijna de geheele rug eene zwartachtige kleur
heeft, welke zich naar achteren in twee stompe spitsen uit-
breidt; van de schouders naar den vleugelwortel loopt eene
witachtige of bleekgele streep en daaronder nog afwisselend een
paar lichtbruine en bleekgeele langsstrepen; de borst is vuil
groenachtig geel, na den dood zwartachtig. De rug van den
thorax heeft eene dichte, korte, zilverwitte beharing, die bij
sommige belichtingen de grondkleur bedekt, en bovendien ver-
scheidene zwartachtige borstels. De onderzijde van den thorax
is vuil groenachtig geel. Het schildjen is groot, heldergeel. Het
achterlijf is lichtgroen; op den rug van iederen ring vertoonen
zich vier donkere stippen, die even zoovele langsrijen vormen,
(het laatste segment heeft er geene) waarvan de beide middel-
sten dicht bijeenstaan, en een aan elke zijde; bij de mannetjens
vloeijen deze stippen soms ineen en verkrijgt het achterliji een
donkerder kleur; trouwens de geheele tint der mannetjens is
iets donkerder. Het achterlijf heeft eene korte zilverwitte be-
haring, die echter minder dicht is dan op den thorax, en voorts
aan den zoom der ringen en in de zijden donkere borstels. De
eilegger van het wijfjen is bij het leven lichtgroen en heeft den
vorm van een afgeknotten kegel; hij is ongeveer zoo lang als
de drie laatste lijfsringen te samen. De pooten zijn bleekgeel,
zeer zwak behaard; de kleur der haartjens wisselt af tusschen
wit en zwart; de dijen zijn niet verdikt. De kolfjens zijn hel-
194 NEDERLANDSCHE DIPTERA IN HARE
dergeel en klein van capitellum; de vleugels bijna glasachtig,
met flauwgeele randvlek en overigens geheel zonder de banden
of vlekken, die gewoonlijk de Trypeten versieren. De aderen
zijn bij den vleugelwortel geelachtig, verder donker; de beide
dwarsaderen staan dicht bijeen, zoodat de afstand tusschen
beiden nog iets minder bedraagt dan de lengte der achterdwars-
ader; de kleine dwarsader staat een merkelijk eind voorbij het
midden der discoidaalcel; het laatste deel der derde langsader
is in ‘t midden een weinig opwaarts gebogen; de anaalcel is
naar onderen in een zeer kort tepeltjen verlengd.
Na den dood verkleuren deze fraaie diertjens zoozeer, dat van
de fijne kleurschakeeringen weinig of niets meer te zien is.
De volmaakte insekten zijn vlugge en levendige diertjens. die
gezellig in den zonneschijn ronddartelen; zij komen in een groot
gedeelte van Europa voor en zijn o. a. gevonden in Duitschland,
Oostenrijk, Scandinavie, Frankrijk, Belgie en Engeland. In ons
vaderland werd deze soort tot heden niet waargenomen en staat
dan ook in de naamlijst in de «Bouwstoffen» niet vermeld.
Even als de beide in mijn vorig stuk beschreven soorten, was
de larve dezer soort nog niet beschreven of afgebeeld.
Als parasiet verkreeg ik uit deze soort een //emiteles, wiens
soortsnaam ik te vergeefs bij Gravenhorst en Taschenberg op-
gezocht heb.
De exemplaren dezer beschrijving zijn door mij gevonden in
de duinen bij Wijk aan Zee.
G. Ritter von Frauenfeld kweekte haar uit de koppen van
Carduus defloratus L. en Carduus acanthoides L., een bewijs
dat deze vlieg verschillende soorten van Carduus en Cirsium
tot woning en voedsel kiest.
_ Fabricius, die in zijne werken ook 7. Serratulae opneemt,
heb ik niet geciteerd, omdat hij zegt: «culice duplo major»
en dus zijne beschrijving denkelijk ziet op eene zeer verwante
grootere soort, Tr. acuticornis Löw, terwijl Meigen’s beschrij-
ving onder den naam van 7. Serratulae weder eene andere ver-
wante soort en wel 7. dentata Löw betreft. Daarentegen is
fig 1-6, 8,10 HITS. fig‚7,9, 11-13 Pv W.fec
Trypeta Serratulae, The
fig.1-3 iW? fig SE Mya W. fac.
Phytomyza harlemensis, Wevenb
METAMORPHOSE EN LEVENSWIJS, 195
Meigen’s 7. pallens onze T. Serratulae L. Het citaat uit Mac-
quart heb ik niet zonder aarzeling mede aan het hoofd van dit
opstel geplaatst.
Haarlem 1869.
Verklaring der afbeeldingen,
(Plaat 7, boven).
Fig. Volwassen made (vergroot).
Kopeind dezer made (vergroot).
Staarteind dezer made (zeer vergroot).
Poptonnetjen (vergroot).
De made (zeer vergroot).
Nimf (vergroot).
Kop van de vlieg, gezien en face (vergr)
Spriet (zeer vergroot).
Kop van de vlieg, en profil (vergroot).
N
SL NS EE O1 RL =
» 10. Vleugelkolfjen (zeer vergroot).
„ 11. De vlieg, Trypeta Serratulae L. (vergr.) 9.
„ 42. Achterlijf van het wijfjen (vergroot).
» 15. Een vleugel (vergroot).
196 NEDERLANDSCHE DIPTERA IN HARE
TVE
PHYTOMYZA HARLEMENSIS Wevens.
Nova species.
Phytomyza — Subgenus Napomyza. Hal. — cinereo-
nigricans, hebens; — proboscide halteribusque subflavis ;
capite antennisque nigris; thorace, abdomine scutelloque
cinereo-nigricante ; tarsis tibiisve subpallidis. Alarum margo
anterior subflava, nervulus transversus primus magis secundo
ad basin retractus. — Magnitudo Napomyzae nigricanti (Macq.)
non dissimilis (Weyenbergh).
In het tweede nommer dezer levensgeschiedenissen heb ik de
metamorphose doen kennen van de in hulstbladeren levende
Phytomyza obscurella Fallen, en bij die gelegenheid medege-
deeld dat de made dezer soort nog niet beschreven of afgebeeld
was. Dit is echter ten deele onjuist, daar Goureau in twee
opstellen in de «Annales de la Société Entomologique de
France, 2e Série» eenige diptera behandelt «dont les larves
minent les feuilles des plantes.» Het eerste opstel (Ann. d. 1,
Soc. Entom. d. France, Ze Ser. T. IV. p 225, pl.8. HI. n°. I,
I! en Til) bevat drie soorten, één uit Lonicera æylosteum, één
uit lucerne en één uit Iris pseudacorus. Het tweede opstel
(Ann. d. 1. Soc. Entom. d. France, 2e Ser. T. IX. p. 151.
PI. V—VI!) bevat de geschiedenis van 17 soorten uit bladen
van Verbascum thapsus, Iris pseudacorus (dezelfde soort als
in zijn vorig opstel), Euphorbia egparissias , Scolopendrium offi-
cinale, Plantago lanceolata, Ilex aquifolium, (de soort door
mij als Phylomyza obscurella Fallen beschreven), Lonicera
METAMORPHOSE EN LEVENSWIJS, 197
æylosteum (niet dezelfde als in ’t eerste opstel), Ranunculus
acris, Heracleum spondylium, in koolsoorten, Primula grandi-
flora, Aquilegia vulgaris, Sonchus oleraceus, Arctium lappa,
Oost-Indische kers, benevens twee soorten van het geslacht
Pegomyia.
De determinatie der soorten is door Goureau echter volkomen
verwaarloosd en hij geeft zijne dieren bijna allen nieuwe namen,
meestal niet vragende of hetzelfde dier reeds onder een anderen
naam beschreven is. Daarenboven zijn zijne beschrijvingen zeer
onvoldoende en elke differentieele diagnose ontbreekt. Ook zijne
afbeeldingen, zoowel der imagines als der larven, zijn bijna
uniform en slechts zeer weinig vergroot, zoodat, wilde men de
door hem beschreven soorten benaderend juist bestemmen, men
bijna uitsluitend op de voedingsplanten zou moeten afgaan, Op
deze wijze alleen is het mogelijk met eenigen grond te vermoe-
den, dat de soort uit hulstbladen onze Phytomyza obscurella
is, en dat de soort die het onderwerp dezer regelen is, door
hem niet is beschreven.
In het laatst van Mei en in Juni ontdekt men vaak in de
dan volwassen bladen van Symphoricarpus racemosus L. geslin-
gerde gangen van een mineerend insekten-masker, de made
van de aan het hoofd van dit opstel genoemde phytomyza,
welker imago, waarschijnlijk in ’t begin van Mei, na als pop
overwinterd te hebben, hare eieren op de bladen gelegd heeft.
Daar deze plant geen inheemsche, maar een van elders inge-
voerde, in tuinen en parken aangekweekte heester is, is het
niet onmogelijk dat deze vliegensoort ook nog op eene andere,
werkelijke inheemsche plant voorkomt. De voorwerpen dezer be-
schrijving zijn afkomstig uit mijn tuin bij Haarlem.
De ontwikkeling, zoowel van ei als made en vlieg, schijnt
zeer snel te gaan, daar ik meestal de eene week nog niet de
minste sporen van het aanwezen der larven kon ontdekken, en
reeds een daaraan volgende week ze volwassen of bijna volwas-
sen in de bladen vond. Ik geloof niet ver van de waarheid te
zijn, als ik zeg dat onder gunstige omstandigheden de made in
pl. m. 14 dagen volwassen is. Het ei bleef mij onbekend.
198 NEDERLANDSCHE DIPTERA IN HARE
De jonge larven gelijken volkomen op de ouderen en zijn,
zoo mogelijk, nog broozer en teederder dan dezen. De kleur
der maden is zeer licht groenachtig, soms, na het gebruik van
veel voedsel, met iets donkerder doorschijnend darmkanaal.
Klauwtjens, gelijk ik ze bij Phytomyza obscurella beschreven en
afgebeeld heb, staan ook hier aan het voor- en achtereind,
daarenboven staan aan het vrij stompe kopeind nog een paar
kleine, zwarte puntjens (de kaken?). Het darmkanaal schijnt
geheel recht te verloopen en niet, zoo als bij Phytomyza obscu-
rella, ter zijde van den voorlaatsten ring te eindigen.
De gangen, die deze made in het parenchym der bladen
maakt, gelijken veel op gangen van Nepticula-rupsen, maar-
onderscheiden zich er van door dat zij zich zelden over de
grootere bladnerven uitstrekken. De lengte der volwassen made
is bijna 2 millim. Half Juni en in het begin van Juli vindt
men van deze generatie de donkerbruin gekleurde popjens.
Op het staarteinde der pop staan twee hoorntjens (de klauw-
tjens der made) in vorksgewijze houding, en aan het kopeind
vindt men evenzeer deze deelen der made terug, als ook de
twee kleinere puntjens tusschen de klauwtjens in. De zes of
zeven laatste ringen der pop zijn aan de buik- en de rugzijde,
op het middelste derde-gedeelte, zwart gekleurd, De meesten
verlaten om te verpoppen het blad en vallen dan op den grond,
hoewel ook enkelen in de bladen tot den poptoestand overgaan.
Het schijnt mij toe dat in de bladen dezer plant ook nog
eene grootere soort van hetzelfde geslacht leeft, zekerheid heb
ik echter daaromtrent nog niet.
Het volmaakt insekt verschijnt in de maand Juli, en is ook
in zijn gevangen staat levendig en vlug, Lengte 1,5 tot 1,75 mill.
De volgende beschrijving is die van een mannetjen.
De kop is zwart; het aangezicht bijna rechtstandig ; voorhoofd,
in profiel gezien, afgerond, met eenige zwakke borstels; wan-
gen en kinnebakken zijn smal; aan den mondrand staan eenige
zwakke knevelborstels; de zuiger is, althans aan ’t eind, vuil-
geel. De sprieten zijn zwart, het derde lid rond en aan den
voorkant zeer kort behaard, sprietborstel matig dik. Thorax,
METAMORPHOSE EN LEVENSWIJS. 199
schildjen en achterlijf zwart of grauwzwart, geheel glansloos;
de thorax is hoog gewelfd en met teêre borstels bezet; achter-
lijf vrij kort en ineengedrongen. De pooten zijn vuilgeel; heu-
pen en dijen, de laatsten met uitzondering der spits, meestal
zwartachtig, soms ook de schenen iets verdonkerd. De kolfjens
zijn vuil-wit en de vleugels hebben een flauw-grijze, aan 't be-
gin van den voorrand ietwat geelachtige tint; uitmonding der
eerste langsader op een derde van den voorrand; de tweede
langsader is ietwat bochtig, de derde en vierde recht en naar
’t uiteinde uit elkander loopende; de achterdwarsader is aan-
wezig en een weinig voorbij de kleine dwarsader geplaatst; de
anaalcel is vrij duidelijk.
Deze soort behoort dus, gelijk uit de bovenstaande beschrij-
ving blijkt, tot diegenen, welker vleugels een achterdwarsader
bezitten, alzoo tot de eerste afdeeling van het geslacht Phyto-
myza, welke afdeeling, zoo ver mij bekend is, slechts vijf be-
schreven soorten telt, te weten: Ph. elegans Fall., Ph. latera-
lis Fall., Ph. annulipes Meig., Ph. flaviceps Macq., en Ph.
nigricans Macq. te samen vereenigd in het ondergeslacht , Vapo-
myza Hal. Slechts de drie eersten zijn als bewoners van ons
land bekend.
Van al deze 5 soorten kan bij de bestemming van onze on-
derhavige soort alleen Ph. nigricans Macq. in aanmerking komen,
omdat al de anderen veel grooter zijn en een geelen kop hebben.
Ph. nigricans Macq. toch is zeer klein (slechts 2 lijn) en de
korte beschrijving die Macquart van haar geeft, (Suites à Buffon,
II, 617, 4) zou vrij wel passen, zoo niet twee vrij belangrijke
punten van verschil bestonden; er staat namelijk, dat de knieen
witachtig zijn, terwijl bij al onze voorwerpen, vooral ook de
tarsen en meestal zelfs de geheele tibiae, vuilwit of geelachtig
zijn; en verder, dat de achterdwarsader (deuxième nervure
transversale) meer naar den vleugelwortel is geplaatst dan de
kleine (of middel-) dwarsader, iets wat bij onze soort juist om-
gekeerd plaats vindt.
Er valt alzoo niet aan te twijfelen of wij hebben hier met
eene geheel nieuwe soort te doen; ik heb haar benoemd naar
200 NEDERLANDSCHE DIPTERA IN HARE
de eerste vindplaats. Reeds in n°. 7 van de «Petites nouvelles
entomologiques» van E. Deyrolle (Parijs 1 October 1869) heb
ik van deze soort eene korte beschrijving gegeven.
Het achterlijf van het wijfje eindigt in een’ korten, stompen
eilegger; overigens kon noch de heer van der Wulp, noch ik,
seksueel verschil ontdekken '.
De levensduur dezer dieren is — althans in gevangen staat —
slechts weinige dagen. |
Ik heb reeds gezegd dat ik uit de snelle ontwikkeling der
made besluit dat deze soort vele generatiën ’s jaars kan hebben;
ik moet hieraan nog toevoegen, dat ik echter slechts tweemaal
'sjaars versche gangen in de bladen vind en het dus ook wel
kan zijn dat de soort slechts twee generatien jaarlijks heeft. Is
dit het geval, dan moet het dier in de vrije natuur lang als
volmaakt insekt leven of wel — en dit schijnt mij het waar-
schijnlijkst — de ontwikkeling in ovo moet zeer traag en lang-
zaam gaan. De tweede generatie zou dan als pop overwinteren.
Zeker is het dat de made, als zij eenmaal uitgekomen is,
binnen korten tijd volwassen is.
Tot heden is Haarlem de eenige plaats waar deze soort ge-
vonden werd.
Als parasiet verkreeg ik Alysia pumila Ns ab Es.
Haarlem 1869.
Verklaring der afbeeldingen.
(Plaat 7, onder).
Fig. 1. Een blad van Symphoricarpus racemosus L. met gangen
van Phytomyza harlemensis Weyenb.
„ 2. Made van Phytomyza harlemensis Weyenb. (vergroot).
Wan De Pop ” ” 2 2 ”
» 4. Vleugel » ” ” ” ”
„ 5. Phytomyza harlemensis Weyenb. Imago (vergroot) 4.
1 De beschrijving van het volmaakt insekt en de kritische aanmerkingen dank ik
grootendeels, zoowel als van Zrypeta Serratulae L., aan mijn hulpvaardigen vriend
F. M, van der Wulp.
METAMORPHOSE EN LEVENSWIJS. 201
y
MEIGENIA BOMBIVORA v. p. W.
Tijdschr. voor Entomologie. 2° Ser. Deel IV, p. 142—145.
PL 4. f. 5—5.
Tijdschr. voor Entomologie. 2° Ser. Deel IV, p. 187. (v. d. W.)
(1868).
Meigenia nigra, albo-variegata ; thorace vittis tribus
migris; abdomine nigro-tessellato, linea dorsali segmentoque
primo et ultimo nigro, segmento secundo et tertio in medio
absque macrochaetis ; oculis nudis; setis frontalibus in
medio genarum descendentibus ; nervo transversali apicali
curvato. (Van der Wulp).
Den tweeden Augustus 1869 besloot ik een nest van Bombus
Agrorum L , dat in mijn tuin (Rozenlust bij Haarlem) reeds
eenigen tijd mijne aandacht had getrokken, te onderzoeken, in
de hoop de larven van de, aan het hoofd van dit opstel genoemde,
Meigenia te ontdekken, en ik was gelukkig genoeg er een klein
tiental te vinden. Naar de grootte te oordeelen meende ik
dat eenigen in den derden, anderen in den vierden en weder
anderen in den vijfden leeftijd, en dus op het punt van te
verpoppen, waren. Ook vond ik reeds enkele poppen.
De verschillende grootte uitgenomen, vond ik bij deze maden
geen verschil; de grootsten verpopten spoedig en de anderen
volgden successivelijk. De vorm der maden is: stomp aan het
achtereinde en spits aan het kopeinde. De kleur is vuilwit, met
zwarten mond en kaken. Aan de buikzijde schijnt de darm
geel door.
_ Het schijnt dat deze maden zich pari passu met de nesten
der hommels ontwikkelen. Nadat het nest is aangelegd door de
202 NEDERLANDSCHE DIPTERA IN HARE
in winterslaap overwinterd hebbende moederhommel, wordt reeds
door de vlieg haar ei in het nest gelegd. In het begin van
Augustus daaraanvolgend is dan de made volwassen en verandert
in een licht-bruin, donker wordend tonnetjen.
Het onderzochte hommelnest was zeer klein en van daar
waarschijnlijk dat het ook slechts een gering aantal dezer vlie-
genmaden bevatte.
De made van Meigenia bombivora v. d. W. heeft eene lengte
van p. m. 12 millim. en een glazig witte kleur; zij heeft ter
zijde op den 8°—10™ ring een donkere stip, die ik voor de
stigmataalstip houde en op iederen ring ziet men een plooi of
plooivormig indruksel dat den ring bijna in tweeën schijnt te
deelen. Elke ring heeft overigens min of meer den vorm van
fig. 2, die den negenden ring voorstelt, hij is rondom door
plooien in randen of zoomen afgedeeld. De eerste ring, het
kopeinde is vrij spits en vertoont een paar, naar ’t schijnt twee-
ledige kaakjens, die tot een eindweegs in het lichaam als zwarte
banden zijn te vervolgen (zie fig. 4). Ziet men het kopeind en
face dan vertoont het zich als fig. 5 en heeft eenige overeen-
komst met een menschelijk aangezicht, zoo als men somtijds met
een weinig fantasie in de volle maan kan zien. Boven de kaak-
achtige zwarte haakjens ziet men een paar tepelvormige kleine
verhevenheden, die in het midden een zwart stipjen vertoonen ;
boven en tusschen deze kleine verhevenheden is een huidplooitjen
zichtbaar, dat de plaats van neus en wenkbraauwen in fig. 5
inneemt.
Het laatste segment is bijna geheel in het voorlaatste inge-
drukt en daardoor het achtereind der made zeer stomp; een
dikke, sterk geplooide, onregelmatig hoekig-ronde rand is om
dezen ingestulpten ring aanwezig. Ongeveer in ’t midden van
deze instulping staan twee cirkelronde vlekjens, die, uit analogie
met de beide vlekjens, terzelfder plaatse bij de made van
Trypeta Serratulae L. door mij beschreven , mij toeschijnen de
openingen te zijn der twee groote tracheën-stammen. In elk
dezer cirkeltjens ziet men drie donkere lijntjens, eenigszins in
den vorm van een klaverblad (zie fig. 5). Beschouwt men deze
METAMORPHOSE EN LEVENSWIJS. 905
eirkeltjens met sterker vergrooting, dan doen zij zich voor, zoo-
als ik in fig. 6 heb voorgesteld. De omtrek is eene dubbele lijn,
licht geelachtig-bruin gekleurd en de door dezen omtrek om-
schreven ruimte heeft de algemeene lichaamskleur, d. i. glazig
wit. Ongeveer in ’t midden van deze ruimte ziet men de reeds
vermelde klaverbladsgewijs staande streepjens , die bij deze ver-
grooting eenigszins verheven schijnen en blijken te bestaan uit
een zwarte streep, omgeven door een rand in dezelfde kleur
als de omtrek. Een van deze drieling-streepjens heb ik zeer
vergroot in fig. 7 afgebeeld. Behalve den geel-bruinen rand en
zwarte middenstreep ziet men hier eene witte streep in het
midden der zwarte; het schijnt mij toe dat deze witte streep
eene spleetvormige opening is. Zeer fijne, onregelmatige, haar-
achtige dwarsstreepjens vindt men ter zijde op het zwarte gedeelte;
deze fijnere streepjens loopen in de grootere overlangsche streep
uit. Het is mij niet mogen gelukken uit te maken of deze witte
streepjens ook openingen zijn.
De pop wordt nu eens langzamerhand donkerder, dan eens
blijft zij licht-bruin van kleur; in fig. 8 is zij in natuurlijke
grootte voorgesteld. Aan beide uiteinden, maar vooral aan het
achtereind, is zij stomp. Het vooreind vertoont twee donkere
puntjens, de kaakachtige deelen der made. Het achtereind heeft
eene diepte (den ingestulpten ring der made), omgeven door
een harden, zeer donkeren, onregelmatigen rand. De geledingen
zijn nog flaauw te herkennen. Zie fig. 9.
Reeds~in de laatste dagen van Augustus en in de eerste van
September verschenen de imagines. Ik vermoed dus dat deze
soort twee generatien ’sjaars heeft, waarvan dit de eerste is,
en dat de tweede als larf of pop overwintert, zoo als bij de in-
dividuen ten vorigen jare door den heer Ritsema gekweekt, het
geval was. De volgorde zal ongeveer zijn: Mei—Juni, de ima-
gines der wintergeneratie; Juli— Augustus, larven der eerste
generatie; Augustus—September, imagines dezer generatie; Sep-
tember — October, ei en larven der tweede generatie en Novem-
ber—Mei, overwintering, hetzij als larven , hetzij als poppen.
Het ei bleef mij onbekend.
204 NEDERLANDSCHE DIPTERA IN HARE
Bij deze soort duurt het na het uitkomen vrij lang eer de
vleugels hard en de vliegen vliegvaardig zijn.
Het komt mij overbodig voor uit plaat 4 van den vorigen
jaargang dezes tijdschrifts, de afbeelding van vleugel en kop
over te nemen, doch ik neem gaarne Van der Wulp’s beschrij-
ving van de imago over, in de zekerheid dan zoo volledig te
zijn, als noodzakelijk is.
«Lengte 51—51 1. (ik heb vele kleinere exemplaren, vooral
43). Kop wit met zwartachtigen weérschijn; voorhoofd een
weinig uitstekend, matig smal, van achteren ongeveer een vierde
(3) of een derde (9) der kopbreedte innemende, met zwarten,
grijs weerschijnenden, van achteren ingekeepten langsband ;
voorhoofdsborstels teeder maar talrijk, ter wederzijde in een
enkele rij tot zeer laag op de wangen afdalende, doch de borstels
op de wangen korter en zwakker wordende. Oogen naakt. Sprieten
zwart; het tweede lid digt met korte borsteltjes bezet; het
derde lid driemaal zoo lang als het tweede, minder smal dan
bij de andere soorten van dit geslacht; de sprietborstel aan de
wortelhelft verdikt. Mondrand een weinig uitstekend en bij vele
exemplaren een weinig roodachtig; de mondborstels talrijk , tot
ongeveer een derde van het gezigt opklimmende, de grootste
borstels boven den mondrand geplaatst. Zuiger en palpen zwart,
aan het uiteinde verdikt. “Thorax van boven witachtig bestoven,
met drie breede zwarte langsstreepen; borstzijden en schildje
zwart, met lichtgrijze bestuiving. Achterlijf glanzig, in 3 kort
kegelvormig, in 2 eirond, witachtig; de eerste ring, een dubbel
ingekeepte achterzoom aan de tweede en derde ringen, alsmede
de anus zwart; in sommige rigtingen vertoont zich de teekening
als een zwarte achterzoom op de tweede en derde ringen, met
een zwarte ruggestreep, en worden de zijden zwart met witte
weerschijnvlekken; macrocheten der middelste ringen alleen aan
den achterrand. Pooten zwart; de dijen, vooral de voordijen ,
van onderen met lichtgrijze bestuiving; de borstels matig stevig
en weinig talrijk, aan de onderzijde der dijen eenigzins wimper-
achtig, aan de buitenzijde der achterscheenen onregelmatig ge-
plaatst; haken en voetballen in 4 verlengd en met lange borstels
METAMORPHOSE EN LEVENSWIJS. 205
omgeven. Vleugelschubben witachtig. Vleugels met bruingrauwe
tint, aan de uiterste punt van den wortel geelachtig; aderen
zwartbruin; de vierde langsader met regten hoek omgebogen ;
de spitsdwarsader op een derde harer lengte gebogen, verder
regt loopende; achterdwarsader met flaauwe bogt; randdoorn
niet aanwezig.»
Aan deze beschrijving voegt de heer van der Wulp nog het
volgende toe: «Bij de bestemming dezer soort, die in vorm en
teekening aan Sarcophaga herinnert, scheen het mij in ’t eerst
als of Tachina devia Fall. in aanmerking kon komen, waarvan
de beschrijving inderdaad veel punten van overeenkomst aan-
biedt; doch van deze soort, die niet tot Meigenia, maar tot
Tachina in beperkten zin behoort, is het achterlijf langwerpig,
het derde sprietenlid slechts een weinig langer dan het tweede,
de voorhoofdsborstels dalen slechts tot een vierde gedeelte van
het gezigt af en van den roodachtigen mondrand wordt niet
gesproken. »
«Mijne voorwerpen — zegt de heer van der Wulp nog —
komen in de voornaamste kenmerken met M. bisignata Wied.
en M. floralis Fall. overeen, zoodat ik niet aarzel de soort in
dat geslacht te rangschikken ; maar zij wijken van alle daartoe
gebragte soorten af door de zeer laag op de wangen afdalende
voorhoofdsborstels en door de sterk gebogen spits-dwarsader.»
Tot nu toe is deze vlieg alleen in de omstreken van Haarlem
door den heer C. Ritsema Cz. en mij gevonden. Het is ons nog
niet duidelijk of de maden in of aan de larven van Bombus
Agrorum L. leven; zeker is het evenwel dat zij op dezen parasiteeren.
Haarlem, December 1869.
”
”
1
at:
NEDERLANDSCHE DIPTERA IN HARE METAMORPHOSE ENZ.
Verklaringen der afbeeldingen.
(Plaat 8).
. Volwassen made van Meigenia bombivora v.d. W. (iets
vergroot.
Een der ringen (de negende), vergroot.
Kopeind der made, en face, ”
” ” ” en profil, »
. Achtereind der made (van achteren gezien), vergroot.
. Een der twee in dit achtereind zichtbare cirkeltjens
(zeer vergroot).
Een der in deze cirkeltjens zichtbare drielingstreepjens
(zeer vergroot).
. De pop (nat. grootte).
» » (zeer vergroot).
De vlieg 4 (van ter zijde) vergroot.
De vlieg 2 vergroot (van boven gezien).
=
l
>
{
CTI)
Al" |
4 |
4 |
anil eid ie
ee
|
|
ele
|
Tm a
ly i
ma
vx LW.
Meigenia bombivora.
BEES. AW I fig 10 LF Nv dW.fec
KNEED SN
Le res
OPMERKINGEN OMTRENT UITLANDSCHE
ASILIDEN.
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
In de insectenverzamelingen, waarin zich ook exotische Di-
ptera bevinden, zijn het van deze gewoonlijk de grootere en
meest in ’toog vallende soorten, die er het best vertegenwoor-
digd worden. Dit is mede het geval in ’s Rijks Museum te
Leiden, en ‘t zal waarschijnlijk nog lang duren, eer ook de klei-
nere exotische soorten daar in aantal te vinden zullen zijn, tenzij
welligt deze of gene natuuronderzoeker, in verre streken, zich
bijzonder of uitsluitend op de studie der Tweevleugeligen mogt
toeleggen en de door hem bijeengebragte voorwerpen de collectie
van het museum komen verrijken. De familie der Asiliden, die
bijna geheel uit grootere soorten bestaat, is er dan ook een der
rijkst bedeelden, en het museum bevat uit deze familie een
aantal fraaije en belangrijke soorten, waaronder verreweg de
meesten van de Oost-Indische eilanden. Ook bezit ik zelf ver-
scheidene exotische soorten van deze familie, welke uit de vroe-
gere collectie van wijlen mijn geachten vriend van Eyndhoven
afkomstig zijn. Door een en ander gevoelde ik mij zeer aange-
trokken, om de uitlandsche Asiliden nader te onderzoeken, en
werd daartoe, wat die van het museum betreft, op de meest
heusche wijze in de gelegenheid gesteld door den verdienste-
lijken conservator van het entomologisch gedeelte des museums,
Dr. Snellen van Vollenhoven, wien ik hier openlijk mijn dank
wensch toe te brengen, en aan wiens welwillendheid ik niet
beter weet te beantwoorden, dan door de uitkomsten van mijn
16
208 OPMERKINGEN OMTRENT UITLANDSCHE ASILIDEN.
onderzoek in dit Tijdschrift mede te deelen. Voor het oogen-
blik zal ik hier slechts eenige opmerkingen omtrent sommige
soorten laten vooraf gaan, om weldra in een meer uitvoerig
opstel, dat reeds gereed ligt, al de soorten van den Oost-
Indischen Archipel, die ik heb leeren kennen, te behandelen.
Het was mij in de eerste plaats vooral te doen, om de
soorten weder te vinden, welke door Wiedemann in zijne Aus-
sereuropäische Zweiflügler uit het Leidsche Museum beschreven
zijn, ten einde te kunnen bepalen tot welke der tegenwoordig
aangenomen geslachten zij moeten gebragt worden. Wiedemann
beschreef uit dat museum dertien soorten, en wel: Dasypogon
Spectrum, Nomada en Histrio; Damalis maculata; Asilus
Belsebul, Hercules en longistylus; Laphria robusta, Reinwardt,
alternans , Vulcanus, scapularis en leucoprocta. Nopens elk
dezer soorten teeken ik hieronder mijne bevinding aan.
Van Dasypogon Spectrum heb ik te vergeefs naar de typische
exemplaren gezocht. Wel bevinden zich in het museum Chi-
nesche voorwerpen, tot het geslacht Microstylum behoorende,
maar die volgens Wiedemann’s beschrijving en blijkens de typen
in het Weener museum, door Schiner vergeleken, niet anders
dan tot M. Dua Wied. kunnen worden gebragt. Even als deze
is ook Spectrum, volgens de vleugel-afbeelding van Wiedemann,
ontwijfelbaar een Âicrostylum. Dat beide soorten zeer digt
verwant zijn, valt duidelijk in het oog, als men slechts de be-
schrijvingen vergelijkt. Het verschil zou, volgens die beschrij-
vingen , hoofdzakelijk in het volgende bestaan: bij Spectrum
zijn de palpen zwart met gele borstels, de pooten bruinrood,
alleen met zwarte kuieën, en het achterlijf geel met zwarte in-
snijdingen ; bij Dua daarentegen zijn de palpen roodbruin met
zwarte borstels en zijn de dijen aan de voorzijde zwart of
zwartbruin ; voorts wordt het achterlijf zwart genoemd met den
achterrand der ringen geel, terwijl op de laatste ringen de
gele kleur de overhand neemt. Walker * veronderstelt dat beide
1 List of the Diptera of te British Museum, VI, p. 471.
OPMERKINGEN OMTRENT UITLANDSCHE ASILIDEN. 209
soorten slechts als varieteiten moeten beschouwd worden, en
hij kan daarin wel gelijk hebben. Zijne Laphria Shalumus
althans, die hij als synoniem bij Spectrum citeert, komt onder
anderen door de zwartbruine streep over de dijen meer met
Dux overeen.
Dasypogon Nomada en Histrio zijn beiden nog door typische
exemplaren in het museum vertegenwoordigd en behooren,
wegens de lange dunne sprieten en de overige kenteekens, tot
het geslacht Scylaticus Löw.
Van Damalis maculata bevinden zich evenzeer de Wiede-
mann’sche typen in het museum. De zwarte zijvlekken van het
achterlijf krijgen somtijds, vooral op de laatste ringen, zoo
groote uitbreiding, dat er niet veel meer dan roodgele insnij-
dingen overblijven.
Asilus Belzebul schijnt in het museum niet meer voorhanden te
zijn. Wel vind ik er, doch onder een ander etiquet , eene groote
Asilide van Montevideo, waarop Wiedemann’s beschrijving min of
meer past, doch niet zoo, dat ik deze als 4. Belzebul zou durven
bestemmen. De vleugeladeren van dit exemplaar duiden zelfs meer
eene Laphrine dan eene Asiline aan, doch bij het ontbreken van
het derde sprietenlid is het zelfs niet met zekerheid te bepalen
tot welke dezer beide groepen dit voorwerp moet worden gebragt.
Van dsilus Hercules bestaat nog het typische exemplaar, een
enkel &, en waarvan reeds, toen Wiedemann de soort beschreef,
het derde lid der sprieten verloren was gegaan. Het is daar-
door zeer moeijelijk het geslacht te bepalen, waarin deze soort
thans behoort opgenomen te worden, of indien er een nieuw
geslacht voor haar moet worden gevormd, de plaats aan te
wijzen, waar dit zou dienen gerangschikt te worden. Bij de
overigens naauwkeurige beschrijving van Wiedemann zal ik nog
het volgende voegen. De gezigtsbult is groot en neemt ruim
de onderste helft van het gezigt in; de knevelbaard is digt- en
fijnharig; het achterlijf is lang en smal; de & genitaliën zijn
klein en steken als een paar naar binnen gebogen tepels uit ;
de vleugels zijn korter dan het achterlijf en aan de tweede
helft van den voorrand sterk verbreed; de randcel is tevens in
910 OPMERKINGEN OMTRENT UITLANDSCHE ASILIDEN.
’t midden veel breeder dan de onderrandcel; de tweede achter-
cel grijpt buikig in de eerste; de discoidaal-cel is zeer lang en
smal; de kleine dwarsader staat scheef en even voorbij het
midden der discoidaal-cel. Een en ander wordt opgehelderd
door eene schetsteekening van het dier (pl.9, fig. 1), van den
kop in profiel (fig. 2) en van den vleugel (fig. 5). Dr. Schiner
te Weenen, die zich in de laatste jaren bijzonder met exotische
Asiliden heeft bezig gehouden, en wien ik de bovenstaande
opgaven heb medegedeeld, is geneigd hier aan eene Ommatius-
soort te denken, in verwantschap met 0. fulvidus Wied. Wel
is waar bevat dit geslacht verscheidene soorten , bij welke de
voorrand der vleugels g verbreed is, en komt zelfs het ader-
beloop vrij wel overeen; maar bij Ommatius en al de overige
geslachten met een gekamden sprietborstel is het aangezigt plat
en hoogstens van onderen een weinig gewelfd; de bij Asülus
Hercules aanwezige en zeer in ’t oog vallende gezigtsbult schijnt
alzoo deze verwantschap weder tegen te spreken. Bovendien is
het, bij het ontbreken van het derde sprietenlid , ten eenen-
male onzeker of de sprietborstel al dan niet kamharen bezit.
Welligt zullen de medegedeelde bijzonderheden anderen in staat
kunnen stellen, om eenige nadere opheldering te geven omtrent
deze soort , waarvan zelfs het vaderland niet bekend is.
Asilus longistylus behoort tot het geslacht Ifamus Löw en
schijnt op de eilanden van den Oost-Indischen archipel niet
zeldzaam te zijn. In het voorbijgaan teeken ik hier nog aan,
dat eene zeer digt aan longistylus verwante soort, met een
tandje onder aan de achterdijen , in een enkel 3 exemplaar in
het museum voorkomt, en dat ook de Japansche If. acuticornis
Löw aldaar door eenige exemplaren vertegenwoordigd is.
Van Laphria robusta vond ik een mannelijk voorwerp , ongetwij-
feld hetzelfde dat Wiedemann voor zijne beschrijving heeft gediend.
De soort is breed, met korte stevige pooten en betrekkelijk
kleine smalle vleugels, waarvan het aderbeloop door mij in
fig. 4 is afgebeeld; de eerste achtercel is zeer smal, gesloten
en gesteeld. De beharing van het aangezigt, de bovenste haren
van den knevelbaard , alsmede de kin en bakkenbaard zijn meer
OPMERKINGEN OMTRENT UITLANDSCHE ASILIDEN. 9211
vuil bleekgeel dan wit; de beharing der voorscheenen is niet
geheel wit, maar met zwarte haren gemengd; in de zijden des
achterlijfs is eene borstelige zwarte beharing; de genitaliën zijn zeer
klein en smal, zwart met zwarte borstels. De zuiger is kort,
eenigszins kegelvormig , spits toeloopend. Deze soort behoort tot
het geslacht Hyperechia Schiner ', en zelfs moet M. zylocopi-
formis Walk., die als type van dit geslacht wordt beschouwd ,
voor 't minst digt met robusta Wied. verwant zijn. Het voor-
naamste onderscheid zou bestaan in de gele beharing, die
Walker’s soort op de schouders heeft, terwijl bij robusta de
schouders even als de geheele thorax zwart behaard zijn. Van
robusta is het vaderland niet bekend, maar ik veronderstel dat
zij ook eene Zuid-Aziatische soort is, te meer omdat nog eene
andere grootere soort op Sumatra voorkomt.
Van Laphria Reinwardtii en Vulcanus bevinden zich de typen
in het museum. Beiden behooren tot het geslacht Laphria,
zoo als dit thans beperkt is.
Dit laatste is vok het geval met Laphria alternans, waarvan
echter de typische exemplaren niet meer te Leideu schijnen
aanwezig te zijn. Wel bevinden zich in het museum een paar
mannelijke voorwerpen, waarop Wiedemann’s beschrijving volkomen
past, maar zij kunnen niet de oorspronkel: ke exemplaren van
Wiedemann zijn, omdat deze alleen het £ beschrijft.
Van Laphria scapularis is het typische exemplaar nog voor-
handen, ofschoon niet in te besten staat. Het aderbeloop der
vleugels is echter volkomen te zien en door mij in fig. 5 afge-
beeld. Het blijkt daaruit duidelijk, dat deze soort tot een der
Atomosia-achtige geslachten behoort, wijl de dwarsader, welke
de discoidaal-cel sluit, en die waarmede de vierde achtercel
wordt afgesloten, te zamen ééne regte lijn vormen. Eigenlijk
had Wiedemann, op grond van dit aderbeloop, de soort moeten
opnemen in zijne tweede afdeeling van het geslacht Laphria,
alwaar de echte Atomosiën — allen kleinere soorten — zijn ver-
eenigd; maar zoo hij al, bij het maken zijner beschrijving, het
me —
1 Verhandl. der zool. bot. Gesellsch. in Wien, dl. XVI, blz, 673.
919 OPMERKINGEN OMTRENT UITLANDSCHE ASILIDEN.
aderbeloop heeft opgemerkt (‘tgeen twijfelachtig is, omdat hij
daarover zwijgt), dan hebben waarschijnlijk de meerdere grootte
en stevige vorm der soort hem aanleiding gegeven, om haar in
de eerste afdeeling tusschen andere grootere soorten te rang-
schikken. In het Britsch museum moet de soort ook voorhanden
zijn, want Walker maakt van het hierboven aangeduide aderbe-
loop melding '. De Laphrinen-geslachten, welke dit aderbeloop
bezitten, zijn, behalve het geslacht Afomosia Macq. (waartoe
Laphria scapularis wegens haren forschen vorm zeker niet be-
hoort) Lamprozona Low, Cerotainia Schiner, Aphestia Schiner
en Eumecosoma Schiner. Lamprozona, waarbij de steel aan ’t eind
der randcel zeer kort en een weinig opwaarts gebogen is, en
Cerotainia, waarbij de tweede achtercel aan ‘1 uiteinde vernaauwd
is, kunnen hier niet in aanmerking komen. Dit is niet met
dezelfde zekerheid van Aphestia en Eumecosoma te zeggen. Vol-
gens eene briefwisseling, die ik daarover met Dr. Schiner heb
gevoerd, is deze van oordeel, dat Zaphria scapularis in zijn
geslacht Ewmecosoma zou behooren geplaatst te worden. Intus-
schen passen de kenteekens, die hij zelf aan dit geslacht toeschrijft
(een aan den wortel versmald achterlijf en zeer lange vleugels
en pooten) volstrekt niet op deze soort, en zou ik nog eer
overhellen daarin eene Aphestia te zien, vooral ook omdat tot
dit laatste grootere soorten behooren. Voor de onderscheiding
dezer beide geslachten komt evenwel inzonderheid de lengtever-
houding van de leden der sprieten in aanmerking, en daar mij
ongelukkigerwijze geen exemplaren met volkomen sprieten ten
dienste staan, is het mij ten eenenmale ondoenlijk hier een
oordeel te vellen. Om dezelfde reden zou het nog meer gewaagd
zijn voor ZL. scapularis thans reeds een nieuw geslacht te vor-
men, hetgeen welligt later noodig zal kunnen worden.
Van Laphria leucoprocta eindelijk heb ik in het museum het
typische exemplaar niet wedergevonden. Onder het etiquet van
dien naam bevond zich eene Laphria, waarop Wiedemann’s be-
schrijving niet van toepassing is, zoodat hier eene verwisseling
1 List of the Diptera of the Brit. Museum VII, blz, 550.
OPMERKINGEN OMTRENT UITLANDSCHE ASILIDEN. 915
schijnt te hebben plaats gehad, terwijl het oorspronkelijke voor-
werp, dat Wiedemann voor zijne beschrijving gediend heeft,
verloren moet zijn gegaan.
Onder de soorten van het museum, die verder bijzonder
mijne aandacht trokken, bevond zich ook eene zeer groote
Dasypogine uit Noord-Amerika, die uit de voormalige collectie
van Raye van Breukelerwaard afkomstig is en zich door een
bijzonder aderbeloop der vleugels onderscheidt. Zij behoort tot
degenen, waarbij de voorseheenen aan het einde geen uitstekenden
tand of doorn hebben en is, zoooveel ik heb kunnen nagaan,
nog onbeschreven. Ik houd het er voor, dat zij in het geslacht
Stenopogon Löw moet worden geplaatst, en zij is thans in het
museum geëtiquelteerd als
Stenopogon ochraccus n. s.
Het exemplaar is een 7, 12 lijn lang en geheel okergeel ; alleen op
de bovenzijde van den thorax vertoonen zich onduidelijke zwart-
achtige en kastanjebruine langsstrepen en aan de bovenzijde der
voordijen is eene donkerbruine langsstreep. Het aangezigt is vrij
smal, naar boven nog smaller, van onderen een weinig gewelfd ;
het voorhoofd is klein en niet ingezonken; de sprieten zijn rood-
geel; het derde lid is zoo lang als de beide eersten te zamen,
de eindgriffel ongeveer half zoo lang als het derde lid; de kne-
velbaard neemt ruim de onderste helft van het gezigt in en is
helder okergeel, evenals de beharing van het achterhoofd en de
kin- en bakkenbaard; dezelfde kleur hebben ook de beharing en
de borstels van den thorax en de pooten. De vleugels zijn geel-
achtig met bruingele aderen; het aderbeloop wijkt van alle
andere, mij bekende soorten af, is aan beide vleugels volkomen
gelijk en wordt in fig. 6 afgebeeld; de eerste en de vierde
achtercel namelijk, benevens de anaal-cel zijn gesloten en ge-
steeld en de tweede achtercel is door eene buitengewone dwars-
ader in tweeën gedeeld. Dit aderbeloop vertoont eenige over-
eenkomst met dat van den Algerijnschen Dasypogon heteroneurus
914 OPMERKINGEN OMTRENT UITLANDSCHE ASILIDEN.
Macq.', welke soort door Löw in het geslacht Stenopogon wordt
gerangschikt. Ik heb vooral daarom de bovenbedoelde Noord-
Amerikaansche soort voorloopig mede tot dit geslacht gerekend,
en wensch door de mededeeling van deze bijzonderheden de
aandacht van meer ervaren dipterologen op haar te vestigen.
Eene andere zeer kleine Dasypogine uit Noord-Amerika, die
ik in dit Tijdschrift, 2de serie, deel II, blz. 157, n°. 10,
onder den naam van Dasypogon laticeps heb beschreven , be-
hoort, gelijk reeds uit mijne beschrijving en afbeelding blijkt ,
tot het geslacht Discocephala Macq.
Wiedemann heeft onder den naam van Asilus distendens eene
Asilide beschreven uit het Senkenberger museum te Frankfort ,
naar een enkel voorwerp, dat echter hoogst gebrekkig was,
daar niet alleen het derde lid der sprieten ontbrak, maar waarbij
zelfs van de zes pooten slechts een gedeelte der voordijen en
een der beide achterpooten, de laatste alleen met de twee
wortelleden der tarsen , waren overgebleven. Dit voorwerp moet
nog in het Frankforter museum berusten, en na Wiedemann
is door niemand eene verdere beschrijving of aanduiding van de
soort gegeven, totdat onlangs Jaennicke * op nieuw van haar
melding maakte, en op hetzelfde gebrekkige exemplaar een
nieuw geslacht onder den naam van Doryclus grondde, en tevens
eene nadere beschrijving en eene afbeelding er van mededeelde.
Uithoofde van den toestand van het beschreven voorwerp,
bleef Wiedemann in het onzekere of hij de soort onder Asilus
dan wel onder Laphria moest opnemen, en heeft hij haar op goed
geluk maar in het eerstgenoemde geslacht geplaatst. Om de-
zelfde reden was het vervolgens ook even twijfelachtig of het
door Jaennicke opgerigt geslacht Doryclus, overigens door den
geheel afwijkenden vorm volkomen geregtvaardigd, onder de
Asilinen dan wel onder de Laphrinen moest worden gerangschikt.
Bij het zien van Jaennicke’s afbeelding herkende ik daarin
1 Diptéres exotiques, I, 2. 41. 19. pl. 3. fig. 7.
2 F. J. Jaennicke, Neue exotische Dipteren, blz. 58.
EL
OE
vid. W.fec.
Uitlandsche Asiliden.
OPMERRINGEN OMTRENT UITLANDSCHE ASILIDEN. 215
aanstonds een voorwerp , dat zich sinds geruimen tijd onbenoemd
in mijne collectie bevond en meermalen door zijn bijzonderen
vorm mijne aandacht had getrokken ; en bij het vergelijken met
zijne beschrijving en die van Wiedemann, bemerkte ik dat het
daarmede in de meeste opzigten treffend overeenkwam en althans
zeker tot het nieuwe geslacht Doryclus behoort. Mijn voorwerp
bezit volkomen pooten en sprieten, en nu blijkt het mij uit de
laatsten, wier derde lid zonder eindborstel of griffel is, dat
Wiedemann de soort niet onder Asilus maar onder Laphria had
moeten brengen, en bij gevolg dat het geslacht Doryclus tot de
Laphrinen moet worden gerekend. In habitus en vorm komt
mijn exemplaar geheel met Doryclus distendens Wied. overeen;
in teekening en kleur evenwel vind ik nog al aanmerkelijke
afwijking, zoodat ik tot het besluit moet komen, dat ik eene
andere, zeer na verwante soort bezit, tenzij men zou moeten
aannemen , dat de verschillen sexueel zijn, wijl het exemplaar
in het Frankforter museum een 4 en het mijne een ¢ is. Ik
heb dus voorloopig de soort als nieuw beschouwd en haar den
naam van latipes gegeven. De onderstaande beschrijving zal ,
naar ik vertrouw, de kenmerken van het geslacht Doryclus
vollediger aangeven, dan Jaennicke dit heeft kunnen doen, en
tevens mijne soort doen kennen.
Kop breeder dan de thorax; voorhoofd en aangezigt
zeer breed; het aangezigt kort, aan de onderste helft voor-
uitspringend en gewelfd, zonder knevelbaard; de kin-
bakken uiterst smal. Sprieten aan den wortel digt bijeenstaande ;
de beide eerste leden cylindrisch, met borstels bezet; het derde
lid zoo lang als de beide eersten te zamen, zeer breed en plat,
bladvormig, aan ’t uiteinde spits toeloopend, zonder eindborstel
of griffel. Zuiger regt vooruitstekend ; palpen eylindrisch , zeer
lang, aan het eind met lange borstels. Thorax plat gewelfd ;
achterrug buitengewoon ontwikkeld, met dwarse
plooijen. - Achterlijf een weinig plat, in g naar achteren iets
verbreed, met uitstekende genitaliën tusschen twee kleppen ge-
plaatst; in 2 naar achteren spits toeloopend, met uitstekende,
916 OPMERKINGEN OMTRENT UITLANDSCHE ASILIDEN.
vrij spitse eijerbuis , die langer is dan de beide voorgaande rin-
gen. Beharing van het lijf onbeduidend. Pooten stevig en vrij
lang; de voorscheenen aan de spits binnenwaarts
met een gekromden doorn; aan het eerste lid der voor-
tarsen, van onderen bij den wortel, een klein lamellenachtig
uitsteeksel; aan de middenpooten de scheenen naar het einde en
de tarsen aan den wortel iets verbreed ; aan de achterpooten is
dit in veel sterkere mate het geval; de dijen hebben hier en
daar en de voorscheenen aan de buitenzijde eenige korte en fijne
borstels; aan de midden- en achterscheenen en aan al de tarsen
zijn grootere en steviger borstels; de middenscheenen bij de
spits en de middentarsen digt behaard; nog langer en digter
beharing bevindt zich aan de spitshelft der achterscheenen en
aan de achtertarsen ; het eerste lid van deze laatsten bovendien
van onderen digt met stekels bezet. Vleugels langer dan het
achterlijf; de randcel digt bij den voorrand, gesloten , spits toe -
loopend en zeer kort gesteeld; twee onderrandcellen; de tweede
(de vorkcel aan de vleugelspits) lang en aan haar uiteinde breed;
de eerste achtercel lang en smal, aan het eind geopend en niet
vernaauwd; de vierde achtercel en de anaal-cel gesloten en ge-
steeld ; de dwarsader aan het eind der discoidaal-cel hoekig
uitgebogen en met de dwarsader, die de vierde achtercel sluit,
bijna een regten hoek uitmakende.
Zie plaat 9, fig. 7 (het geheele dier), 8 (de kop in profiel),
9--11 (voor-, midden- en achterpoot) en 12 (vleugel).
Doryclus latipes n. s.
9 BE I. — Voorhoofd en aangezigt glanzig kastanjebruin; het
voorhoofd met zwarte borstels; de beide eerste sprietleden donker-
bruin; het derde lid roodbruin, eenigszins doorschijnend; zuiger
glanzig zwart, aan de uiterste spits bleek roestkleurig, aan den
wortel met lichtbruine beharing; palpen roestkleurig, aan 't
eind met zwarte borstels. Thorax bruinzwart, op den rug een
weinig aschgrauw bestoven; de schouders, een band ter weder-
zijde, de achterhoeken en voorts vlekken boven de heupen
OPMERKINGEN OMTRENT UITLANDSCHE ASILIDEN. 917
kastanjebruin ; de borstzijden, het schildje en de achterrug
glanzig. Achterlijf glanzig blaauwzwart. Pooten roodbruin, de
voorste pooten donkerder; de voorscheenen en al de tarsen zwart
of bruinzwart; de beharing aan de spitshelft der achterscheenen
is in het begin roestkleurig, doch wordt naar het uiteinde
zwart, even als de overige beharing en de borstels der pooten;
slechts enkele borstels onder aan de achterdijen zijn roestkleurig.
Koifjes bruinrood. Vleugels langs den voorrand en rondom de
aderen met bruingele tint, die zoo uitgebreid is, dat slechts
de kernen van sommige cellen, het vleugellapje en het begin
van den achterrand glasachtig blijven.
Een 2, onzeker van waar, doch naar ik vermoed uit Suri-
name.
Wat mij het meest terughoudt om mijn voorwerp als disten-
dens Wied. te bestemmen, is dat Wiedemann de vleugels «was-
serklar » noemt; ook zie ik de witte vlekjes niet ter wederzijde
van het aangezigt, noch de duidelijke lichtgrijze strepen op den
thorax ; eindelijk noemt hij de pooten glanzig zwart, en terwijl
hij alleen over de voordijen en de achterpooten kon oordeelen,
zijn juist deze laatsten aan mijn exemplaar het lichtste en bijna
roestkleurig. Al wat zoowel Wiedemann als Jaennicke van den
vorm melden, is ook op mijn voorwerp volkomen van toepassing.
Ten opzigte der rangschikking van het geslacht Doryclus
tusschen de overige Laphrinen-geslachten valt op te merken,
dat de aanwezigheid van een einddoorn aan de voorscheenen en
het geheel ontbreken van den knevelbaard aanleiding geven om
het in de nabijheid te plaatsen van het geslacht Megapoda
Macq. , waar deze beide kenmerken, bij uitzondering van al de
overige Laphrinen , mede worden aangetroffen, doch waarvan
Doryclus zich overigens onderscheidt door veel kortere en deels
verbreede en digt behaarde pooten.
MICROLEPIDOPTERA,
NIEUW VOOR DE FAUNA VAN NEDERLAND,
MEDEGEDEELD DOOR DE HEEREN
H. W. DE GRAAF en P. C. T. SNELLEN.
Nadat de Bouwstoffen voor eene Fauna van Nederland ge-
sloten waren, hebben wij jaarlijks in dit Tijdschrift eene aan-
vulling gegeven der in de Bouwstoffen geplaatste lijst van
onze inlandsche Microlepidoptera. Wij doen dit ook nu weder",
doch merken daarbij op, dat een niet onaanzienlijk getal hier
te lande gevondene specimina, die voor alsnog niet te bestemmen
zijn, in de verzameling van ons en onze vrienden verspreid, op
publicatie wachten totdat de noodige gegevens voor de determi-
natie of voor eene wetenschappelijke beschrijving zullen ver-
kregen zijn.
In afwachting meenen wij alleen het volgende te moeten
mededeelen.
TORTRICINEN.
Tortrix (Batodes) angustiorana Haw. — Wilkinson,
British Tortrices p. 63. — Stainton, Manual If. p. 204. —
Lozotwenia Dumeriliuna (Dup.), Herr.-Schaeffer, IV. p. 161.
fig. 567.
Gelderland: Oosterbeek, 15 Julij 1869, een wijfje (van
Medenbach de Rooy Jr.) door Prof. Zeller bestemd.
1 De vroegere aanvullingen zijn te vinden in dit Tijdschrift Serie 2, Deel 1,
bladz, 42 en volgg., Deel 3, bladz. 49 en volgg. en Deel 4, bladz. 203 en volgg.
919 MICROLEPIDOPTEN A.
Deze soort is niet door von Heinemann, in zijn werk over de
Schmetterlinge Deutschlands und der Schweiz, opgenomen, Zij
wordt, volgens de Engelsche schrijvers, in Engeland gevonden;
alsmede in Frankrijk (Guenée) en Italie (Herr.-Schaeff.).
Wilkinson teekent aan, dat de rups polyphaag is en somtijds
schadelijk voor vruchtboomen, vooral Abrikozen (de Graaf).
Tortrix (Lophoderus) politana Haw. — Wilkins. , Brit.
Tortr. p. 271. — Staint. Manual IL p. 265. — v. Heinemann,
Wickler p. 41. — Sylvana Treitschke, VIII. p. 109, X. 5. p. 72
en 248. — Lozotaenia Sylvana Herr.-Schaeff. IV. p. 162. —
Lepiduna H.-S. IV. fig. 415.
Noord-Brabant: omstreken van Breda in het mastbosch, 7 April
1869 een g (Heylaerts’. Zeller, die dit exemplaar zag, deelde
ons mede, dat het volkomen overeenkwam met de door hem
van Stainton gekregen Lepidana. — Te oordeelen naar ons
individu heeft Herrich-Schaeffer's figuur 415 te spitse boven-
vleugels en moest de bruine middenband tot den binnenrands-
hoek verbreed zijn (de Graaf).
Conchylis straminea Haw. — Wood, Index Method.
fig. 1150. — Wilkins. Brit. Tortr. p. 915. — Staint. Manual II.
p. 276. — Tischerana Treits. VIII. p. 275, X. 5. 141 en 265. —
Herr.-Schaeff. IV. p. 185.
Noord-Brabant: 1 Z bij Breda, 1 Junij (Heylaerts).
Ter vergelijking heb ik voor mij een exemplaar van Siraminea
door den heer Zeller gezonden, en een ander door Snellen uit
Engeland ontvangen (de Graaf).
Grapholitha proximana Herr.-Schaeff. IV. p. 219. —
v. Heinemann, Wickler p. 165.
Gelderland: Oosterbeek, 19 Mei (v. Medenbach de Rooy Jr.).
Indien Proximana eene afwijking is van Comitana W. V.,
zoo als Dr. Röszler opgeeft in zijn Verzeichnisz der Schmetter-
linge des Herzogthums Nassau (Wiesbaden 1866', dan wordt
door mijne opgave geconstateerd, dat de vorm Prozimana ook
hier te lande voorkomt (de Graaf).
990 MICROLEPIDOPTERA.
Grapholitha fractifasciana faw. — Wilkinson,
Brit. Tortr. p. 285. — Wood, Ind. Method. fig. 1856. suppl.
pl. 5. — v. Heinem. Wickler p. 216. — Syndemis cuphana
Herr.-Schaeff. IV. p. 276, fig. 154.
Noord-Brabant: omstreken van Breda, een & (Heylaerts),
zonder nadere opgave. Van Mann ontving ik een daarmede
overeenkomend exemplaar van dezelfde sexe, mede als Gr.
fractifasciana bestemd (de Graaf).
TINEINEN.
Micropteryx mansuetella Zell, Linnaea Entomolo-
gica V. p. 557. — Stainton, Insecta Britannica p. 45. — Herr.-
Schaeff. V. p. 591. fig. 5.
Gelderland: 11 Mei 1869, bij Arnhem gevangen door den
heer Medenbach de Rooy Jr. Kenmerkend is de zwarte kop
(de Graaf).
Aan hetgeen in deel I der tweede serie van dit Tijdschrift
(1866) p. 44 ten opzigte van #icropteryx Sparmannella is mede -
gedeeld, kan ik toevoegen, dat deze soort sedert ook door mij
gevangen is in Zuid-Holland, te Waalsdorp, bij den Haag, tegen
een raster, 28 April 1867, en te Noordwijkerhout op Leeuwen-
horst, 16 Mei 1869. De heer van Medenbach de Rooy Jr.
vond haar ook in Gelderland, te Velp.
Depressaria pulverella Hübn. — Röszler, Verzeichn.
der Schmetterl. des Herzogth. Nassau, pag. 250. — Pepr. ato-
mella var. d Zeller, Linnaea Entomol. IX. p. 220 en 225.
Gelderland: bij Arnhem. De rupsen op brem (Sarothammus)
gevonden ; vlinder uitgekomen 1 Augustus (v. Medenb. de Rooy).
Dit exemplaar heeft kop, rug, bovenvleugels en franje een-
kleurig roodachtig bruin, zonder met bruin besprenkeld te zijn.
Op de bovenvleugels zijn 4 wilte punten geplaatst, 2, 1 en 1.
De 2 eerstbedoelde schuin boven elkander, naar den vleugel-
wortel bruin ingezet.
Zeller herkende in dit exemplaar eene varieteit zijner ver-
MICROLEPIDOPTER A. 991
melde var. d, die hij thans voor eene afzonderlijke soort houdt
(de Graaf).
Depressaria ciliella Staint. Ent. Trans. V. p. 161.
pl. 17. fig. 7 (1849); Ins. Brit. p. 95. — Annewella Zell. in litt.
mr
Noord-Brabant: bij Breda, 7 October (Heylaerts) een 4 ge-
vangen , hetwelk eene vlugt heeft van 25 mm. Onze determi-
natie is door Zeller bevestigd (de Graaf).
Gelechia galbanella Zell. Isis, 1859. p. 200. —
Staint. Ins. Brit. p 116. — Frey, Tin. und Pteroph. p. 116. —
Herr.-Schaeff. V. p. 175. fig. 515.
Gelderland: Velp, een exemplaar, 18 Julij 1869 (van Meden-
bach de Rooy Jr.), bij Vaccinium gevangen. Zeller, die onze
determinatie bevestigde, schreef omtrent deze soort: «Im Schle-
sischen Gebirge an Pinus abies zahlreich; bei Glogau an P.
sylvestris selten.» (de Graaf).
Ypsolophus marginellus Fab. — Staint. Ins. Brit.
p. 146 — Herr.-Schaeff. V. p. 155. — Striatella Hübn. 154. —
Palpula Clarella Treits. IX. 2. 54, X. 5. 285.
Uit Juniperus geklopt. Gelderland: 19 Julij 1869 (v. Meden-
bach de Rooy Jr.); de rups, in Junij bij Elburg uit jeneverstruik
geklopt, verpopte in Julij en twee 99 kwamen uit 21 en 22
Augustus d. a. v. (Snellen). Utrecht: Soest, 18 Julij 1809
(Lodeesen en Kinker).
Butalis parvella Herr.-Schaeff. V. p. 270. — Zell.
Linn. Ent. X. p. 218.
Noord-Brabant : bij Breda is 4 Julij 1869 op heide een exem-
plaar door den heer Heylaerts gevangen. Het is, volgens Zeller,
een But. parvella 2, gelijk het niet zwarte eindlid van het
achterlijf aantoont (de Graaf).
Butalis laminella Herr.-Schaeff. V. p. 270. fig. 955. —
Zell. Linn. Ent. X. p. 220.
Noord-Brabant : in de omstreken van Breda door den heer
999 MICROLEPIDOPTER A.
Heylaerts gevangen. Van drie voorwerpen zijn twee ge als La-
minella gedetermineerd door Prof Zeller; het eindlid van haar
achterlijf is van onderen zwart, terwijl slechts een dier exem-
plaren eene gele buikvlek heeft op de twee voorlaatste ringen.
Het derde individu is een man en komt overeen met Herrich-
Schaeffer’s afbeelding (de Graaf).
Butalis cicadella Zell. Isis 1859. p. 195; Linnaea
Entomolog. X. p. 239. — Staint. Ins. Brit. p. 166. — Herr.
Schaeff. V. p. 264. fig. 420.
Noord-Holland: Velsen, 6 Junij 1869, een 9 (Kinker). Her-
rich-Schaeffer’s beschrijving past goed op dit exemplaar ; maar
zijne afbeelding, ofschoon in vorm juist, komt in de onder-
deelen niet met zijne beschrijving overeen (de Graaf).
Argyresthia mendica Haw. — Staint. Ins. Brit.
p. 184. — Frey, Tin. u. Pteroph. p. 190. — Mendicella Herr.
Schaeff. V. p. 277 en Tetrapodella. fig. 646.
Gelderland : Oosterbeek, 15 Junij 1869 (van Medenbach de
Rooy Jr.). Zoowel met het oog op dit exemplaar, als op een
ander, dat ik van Mann ontving, moet ik opmerken, dat de
band op Herrich-Schaeffer’s figuur te sterk gekleurd is (de Graaf).
Gracilaria roscipennella Hübner. Var. Juglan-
della Mann., Verhandl. K. K. Zool. Bot. Gesellschaft, XVII.
p. 844.
Noord-Brabant: omstreken van Breda, 27 Augustus (Heylaerts).
Wij waren zeer geneigd dit exemplaar voor Roscipennella
Herr.-Schaeff. V. fig. 752 te houden, maar de ontbrekende
wille voorrand, waarvan door hem in den tekst melding wordt
gemaakt, deed ons Zeller’s gevoelen vragen. Zijn antwoord
luidde als volgt: «lhr Exemplar ueberrascht mich sehr, weil es
mit einem meiner Exemplare der Gracil. juglandella Mann auf’s
genaueste stimmt, auch in dem Merkmal, dass die Franzen
des Hinterrandes am Ende schwärzlich sind. Dieses giebt Mann
nicht. an. Ich habe aber meine 6 Ex. der Juglandella von ihm
MICROLEPIDOPTER A. 995
selbst in Wien erhalten. Diese Juglandella ist wahrscheinlich
einerlei mit Roscipennella, von der ich leider keine Beschrei-
bung geben könnte (Linnaea 2. 258), aber weder meine Dia-
gnose , noch Hbnr’s Bild zeigt einen weissen Vorderrand. — Ihr
Exemplar wäre alzo eine var. der Roscipennella—Juglandella. »
(de Graaf).
Euspilapteryx imperialella Mann, Linn. Ent. II.
p. 565. Anm. 2. — Herr.-Schaeff. V. p. 292. Tin. fig. 740. —
Schleich, Stett. Ent. Zeit. 1867. p. 455.
Zuid-Holland: bij Rotterdam; de rupsjes gedurende de ge-
heele maand Julij, Augustus en September niet zeldzaam op
ééne plaats, tusschen de plassen, in de bladeren van Symphy-
tum officinale. Uit de Julij-rupsen, die in de mijn verpopten,
kwamen de vlinders 8 of 10 dagen na de verandering, doch
van de rupsen, die in alle stadiën van ontwikkeling gedurende
de maanden Augustus en September voorkwamen, kweekte ik
slechts 4 exemplaren, 9, 18, 21 en 22 September, terwijl
de overigen als pop overwinterden. De spinsels der najaars-
rupsen zijn aan stukjes hout of riet gehecht, ovaal plat, licht-
bruin, dof, en allen hebben bij het einde een verheven stipje,
waarschijnlijk uit spinsel bestaande, dat er uitziet als een zand-
korreltje dat in het web is geweven. Eerst dacht ik dat dit
iets toevalligs was, doch later nam ik het bij al mijne spinsels
waar.
Een exemplaar, dat ik aan Prof. Zeller zond , ontving ik
terug met de aanmerking: «Ohne Zweifel die ächte Imperia-
lella, mit sehr dunkler Grundfarbe.» Om die donkere grond-
kleur twijfelde ik aanvankelijk aan de juistheid mijner bestem-
ming en wenschte deze aan het oordeel van den beroemden
Lepidopteroloog te onderwerpen (Snellen).
Euspilapteryx Kollariella Zeller. — Herr.-Schaeff.
V. p. 295. Tin. fig. 720.
Noord-Brabant: Breda, een exemplaar, 2 Junij (Heylaerts). —
Het voorwerp is beschadigd , doch werd door Prof. Zeller , die
17
994 MICROLEPIDOPTERA,
het zag, zonder bedenking voor zijne Kollariella verklaard
(Snellen).
Cosmopteryx eximia Haw. — Staint. Trans. Ent. Soc.
of Londen. 5° Series. I. p. 657 etc.
Zuid-Holland: bij Rotterdam, de rupsen in September 1868
in de bladeren van wilde Hop en daaruit in Junij 1869 één
exemplaar gekweekt. Buiten zag ik 10 Julij nog een gaaf exem-
plaar en één slecht (Snellen).
Elachista rhynchosporella Staint. — Herr.-Schaeff.
V. p. 501 en 510 Uliginella. Tin. f. 1017.
Noord-Brabant: Breda, 21 Julij een exemplaar (Heylaerts).
Het voorwerp is wat beschadigd, doch onze determinatie werd
door Prof. Zeller bevestigd (Snellen).
Nepticula Prunetorum Staint. — v. Hein. Wien. Ent.
Monatschr. VI. p. 249, 248.
Overijssel: Steenwijk. In October 1868 de rups in het blad
van Prunus spinosa; vlinders in April 1869 (Snellen).
Nepticula plagicolella Staint. — v. Hein. Wien. Ent.
Monatschr. VI. p. 242, 249.
Noord-Brabant: Schijndel; de rups in October 1868 in het
blad van Prunus spinosa, de vlinder in April 1869. Ik vond
slechts enkele exemplaren. Vroeger trof ik ook ledige mijnen
in Gelderland bij Oosterbeek aan en de heer Albarda rupsen bij
Haren in Groningen en te Gieten in Drenthe, zie Bouwst. II.
p. 506, zoodat Plagicolella althans in het oosten des lands
vrij sterk verbreid schijnt te zijn (Snellen).
Nepticula distinguenda v. Hein. Wien. Ent. Monatschr.
VI. p. 242, 250 en 505, n°. 20.
Noord-Brabant: In October 1860 op onderscheidene plaatsen
niet zeldzaam; in de bladen van Berken de rupsen gevonden.
De sterk varieërende vlinders verschenen in Mei daaraanvolgende
(Snellen).
MICROLEPIDOPTER A. 995
Neptieula Weaveri Staint. — v. Hein. Wien. Ent. Mo-
natschr. VI. p. 245, 252, 519.
Gelderland: Arnhem, de rups in den Imbosch in het blad
van Vaccinium Vitis-Idaea; zij maakte haar cocon in het blad
en de vlinder verscheen 15 Julij (van Medenbach de Rooy Jr.)
Nepticula catharticella Staint — v. Hein. Wien. Ent.
Monatschr. VI. p. 245, 251.
Noord-Brabant: bij Eindhoven in October 1868 een twaalftal
rupsen in de bladeren van Rhamnus catharticus, en hieruit in
April de vlinders gekweekt (Snellen).
Aan het slot dezer opgave heb ik nog twee soorten van Lepi-
doptera te vermelden, die volgens de classificatie door den
heer de Graaf aangenomen, tot de Macrolepidoptera zouden
behooren , doch die volgens het systeem, waarnaar ik mijne
Vlinders van Nederland heb bewerkt , Microlepidoptera zijn, en
wel Tineinen. Ik bedoel de onlangs in ons vaderland ontdekte
Epichnopteryx betulina Zeller en Sepium Speyer. Even als de niet
door mij behandelde, mede tot het genus Epichnopteryx behoo-
rende MNitidella Ochs. en met Fumea pulla W. V. hebben zij in
leefwijze veel overeenkomst met de Psychiden, doch de manne-
lijke vlinders hebben in de voorvleugels slechts ééne, ongevorkte
binnenrandsader, en ik kan dus deze vier soorten niet brengen
tot de Psychiden, zoo als deze familie door Dr. Herrich-Schaeffer
is omschreven.
Epichnopteryx betulina Zeller, Isis 1859, p. 285. —
Speyer, Isis 1846, p. 54.
Gelderland: Arnhem. Een zestal rupsjes uit berk geklopt;
hieruit verkreeg ik drie vlinders; de zakjes waren allen gelijk.
Een mannelijk exemplaar kwam uit 24 Junij; een ander 21
Julij en het derde 25 Julij (van Medenbach de Rooy Jr.).
De zakjes, die in grootte op die van MNitidella gelijken, doch,
in plaats van met grassprietjes, bekleed zijn met stukjes mos,
996 MICROLEPIDOPTER A.
als ook het ¢, met hare sneeuwwitte achterlijfsbeharing , maken
deze soort zeer kenbaar; de man daarentegen gelijkt zeer op
dien van Nitidella en is slechts wat langer van vleugels. In
de kleur der franje zie ik geen onderscheid , doch met Speyer
zou ik zeggen, dat de sprietbaarden bij Nitidella 3 aan het eind
zigtbaar verdikt zijn, en bij Betulina & niet. De drie exem-
plaren van den heer de Rooy heb ik allen gezien; het eene 4
heeft 14,5 millimeter vlugt, het andere 12; het derde stuk is
een 9 (Snellen).
Epichnopteryx Sepium Speyer, Isis 1846, p. 54. —
Breyer, Ann. Soc. Ent. Belge. V. p. 6. pl. HI.
Noord-Brabant: Breda (Heylaerts). — Gelderland: Arnhem
(Brants, van Medenbach de Rooy Jr.); Betuwe, Wageningen en
Keppel (Snellen).
De kenbare zakken, die er uitzien als halfontwikkelde padde-
stoelen, en van stukjes groen mos zijn gevormd, vindt men in
Mei en Junij tegen eiken- en beukenstammen, en de vlinders
zijn bij mij van 15 tot 50 Julij uitgekomen. De mannelijke
vlinder is door zijne langere, spitsere vleugels goed kenbaar;
bij sommige exemplaren zijn de voorvleugels donker gereticuleerd.
Het 2 daarentegen kan ik nog niet van MNitidella 2 onderscheiden.
(Snellen).
Maart 1870.
PSILOPUS FLEXUS Löw
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
In de Dipterenfauna Südafrika’s heeft Low, onder bovenge-
noemden naam, eene door het bijzonder aderbeloop zeer kenbare
soort beschreven, uit Kafferland, naar een enkel vrouwelijk exem-
plaar, dat echter zeer gebrekkig was en zelfs den kop verloren
had. Ik heb dezelfde soort in eenige weinige, geheel volkomen
exemplaren van beide seksen wedergevonden onder een klein
aantal Diptera, door den helaas te vroeg gestorven van Woerden
van Banana in Neder-Guinea overgezonden ', en ben daardoor
in staat, Löw’s beschrijving met het volgende aan te vullen.
Het 3 is 27, het 2 slechts 2 lijn lang. De kop is van dezelfde
fraaije blaauwgroene kleur als de thorax en het achterlijf; het
voorhoofd breed en niet diep ingezonken; op den knobbel der
bijoogen een paar zwarte borstels; het aangezigt van boven
breed, naar onderen allengs versmald, in ’t midden met eene
duidelijke dwarsgroeve, bij het & op het onderste gedeelte aan
de kanten en langs den mondrand met een’ smallen zoom van
witte bestuiving, die bij het 9 zich meer over het geheele ge-
zigt uitbreidt; zuiger en palpen bruingeel; baard wit. Sprieten
zwart; de eindborstel zoo lang als kop en thorax, bij het ¢ zelfs
+ Deze Diptera maakten deel uit van eene eerste bezending insecten, door van
Woerden aan Afrika’s westkust bijeengebragt en aan zijne entomologische vrienden
hier te lande toegezonden. Die eerste bezending deed groote verwachtingen ontstaan ;
jammer dat zij ook de eenige moest blijven, want reeds bij hare aankomst was
van Woerden als een slagtoffer van het klimaat en misschien van zijnen ijver voor
de wetenschap gevallen.
998 PSILOPUS FLEXUS LÖW.
nog iets langer. De kanten van den thorax en het achterlijf hebben
somtijds een purperen metaalgloed. De mannelijke genitaliën zijn
matig groot; het hypopygium is glanzig metaalachtig zwart; ook
de aanhangsels zijn zwart; de buitenste smal, bijna draadvormig,
van onderen met een’ doornachtigen borstel; de binnenste klein,
aan ‘teinde hamerachtig verbreed. Bij het Z zijn de pooten, als
gewoonlijk, langer; de achterdijen aan den uitersten wortel
zwartachtig; het eerste lid der middentarsen is zeer lang, meer
dan dubbel de lengte der overige leden te zamen; het laatste lid
van boven zilverwit; langs de achterzijde der middenscheenen
en het eerste lid der middentarsen zijn zeer lange zwartachtige
borstels. De vleugels vind ik niet zuiver glasachtig, zoo als ze
door Löw worden beschreven, maar met grijze tint; bovendien
zijn bij het 4 de donkere vlekken van veel grooter uitgebreid-
heid, zoo zelfs dat de vleugels eene bruin gewolkt aanzien verkrij-
gen, en alleen de geheele spits en achterrand, eene plek voor
en achter de uitmonding der eerste langsader en een gedeelte
van den kern der eerste achtercel en der discoidaal-cel overblijven.
Het aderbeloop is bij beide seksen gelijk Löw dit heeft aange-
geven, de achterdwarsader heeft eene zeer sterke S-vormige,
haast zou men zeggen, slangachtige buiging, en ook het einde
der vierde en vijfde langsaderen is zoo als Löw dit heeft be-
schreven, ofschoon zijne afbeelding daarmede niet overeenstemt.
Vergelijk: Plaat 9, fig. a en b.
BEOBACHTUNGEN ÜBER DIE
SPATLINGE UNTER DEN LEPIDOPTERN DES
NORDOSTLICHEN DEUTSCHLANDS,
VON
Professor P. C. ZELLER
in Meseritz.
Nimmt man die Zeit, in der die überwinternden Schmetter-
linge sich zu entwickeln anfangen, als den Anfang des lepido-
pterologischen Spätjahrs an, so lässt sich in Nordost-Deutschland
als letzteres der bedeutende Zeitraum ansehen, der die Endhälfte
des September, den October und November und selbst einen
Theil des December umfasst. Eine scharfe Abgrenzung ist frei-
lich wegen der Verschiedenheit der Jahrgänge nicht möglich.
Während das Ende durch den Eintritt von Schee und anhalten-
dem Frost meist recht kenntlich bezeichnet wird, ist dies mit
dem Anfange in viel geringeren Grade der Fall, weil einige
überwinternde Falter sich schon in August und Anfang September
(z. B. Vanessa Urticae), andere (wie manche Depressarien) vielleicht
noch früher entwickeln. Etwas wird fiir die Bestimmung der
Grenze gewonnen, wenn man das Verhalten der Hochsommer-
falter beachtet, sei es dass sie zur zweiten Generation ihrer
Art gehören, oder überhaupt nur in der Mitte des astronomi-
schen Jahres erscheinen; sie sind nach der Mitte des September
gänzlich verschwunden; höchstens zeigen sie sich noch in Nach-
züglern.
Die als Spätlinge überhaupt zu bezeichnenden Schmetterlings-
arten gehören aber zu sehr verschiedenen Categorien,
950 BEOBACHTUNGEN ÜBER DIE SPÄTLINGE UNTER DEN
Als diejenige, welche die meisten Arten umfasst, ist ohne
Zweifel die der Ueberwinterer anzusehen. Für unsere Gegenden
habe ich sie in der entomologischen Zeitung so vollständig ver-
zeichnet, dass nur wenige nachgetragen werden können. Es
wird hier daher nur wenig von ihnen erwähnt werden, obgleich
das Beste an ihnen noch zu beobachten bleibt. Denn ob sie
alle unbegattet den Winter überdauern, durch welche Tempera-
turen sie genöthigt werden, sich zur Ruhe zu begeben, bei
welchen sie aus ihrem Winterschlaf erwachen, wie lange sie im
folgenden Jahr ihr Leben fortzusetzen vermögen, ob sie dann
eine kurzlebige Sommergeneration oder nur eine neue Nach-
kommenschaft von Ueberwinterern erzeugen, darüber ist noch
sehr Unvollständiges bekannt. Anscheinend recht lebenskräftige
Arten, wie Vanessa Antiopa und Urticae, verschwinden grossen-
theils sehr zeitig, während ganz schwächliche Thiere, wie die
Gracilarien, noch in den späten Monaten in voller Thätigkeit
angetroffen werden.
Eine zweite Categorie bilden die Arten, die überhaupt nur
in der späteren Jahreszeit als ausgebildete Insecten auftreten,
aber die Winterkälte nicht ertragen, sondern noch in demselben
Jahre nach Verrichtung ihres Fortpflanzungsgeschäftes völlig ab-
treten. Sie sind die eigentlichen Spätlinge.
Einen Uebergang zwischen ihnen und der folgenden Categorie
bilden die Arten, welche vorzugsweise dazu beitragen, die
Grenze zwischen dem lepidopterologischen Sommer und Herbst
zu verwischen, indem sie sich schon vor dem Eintritt des letzteren
zu entwickeln anfangen, aber ihr Leben grossentheils noch bis
in den September und wohl auch bis in den October hinein
fortsetzen. Diese können die Uebergangsurten heissen.
Viertens giebt es unter den Arten, die vor Eintritt des lepi-
dopterologischen Herbstes ihr Ziel erreicht haben, eine ganze
Zahl solcher, die in Nachzüglern noch längere oder kürzere
Zeit hindurch gesehen werden. Ueber sie ist im Ganzen wenig
bekannt gemacht worden. Die Sammler fühlen sich wohl ver-
anlasst, einzelne Exemplare, die ihnen, wenn die Erscheinungs-
zeit ihrer Art beginnt, zuerst vor die Augen kommen, zu fangen
LEPIDOPTERN DES NORDÖSTLICHEN DEUTSCHLANDS. 951
und sich allenfalls darüber Notizen zu machen; denn solche
Exemplare empfehlen sich durch Frische und Unverschrtheit
für die Sammlungen, aber die zuletzt vorkommenden werden
wegen ihres verflogenen Zustandes gewöhnlich gar nicht mehr
beachtet, und man denkt nicht daran, ihr spätes, wenn auch
vereinzeltes Vorkommen als etwas merkwürdiges zu betrachten.
Die Angaben der Autoren über die Flugzeiten beziehen sich
daher fast allein auf den Zeitraum, in welchem die Arten in
unbeschädigtem Zustande zu erlangen sind. Manche dieser
Arten haben unzweifelhaft eine längere individuelle Lebensdauer
als andere, die, wenn die Individuen alle zugleich erschienen,
nach wenigen Tagen verschwinden würden, sich aber mit sehr
ungleicher Schnelligkeit entwickeln und durch die Erscheinung,
dass abgeflogene und frische Exemplare durch einander vorkom-
men, zu der irrigen Ansicht verführen, dass sie überhaupt eine
längere Lebensdauer haben. Wieder andere sind mit der Fä-
higkeit begabt, unter günstigen Umständen eine zweite Sommer-
generation zu erzeugen. Endlich giebt es noch Arten, welche
der Regel nach als Raupen oder Puppen den Winter verleben ,
aber ausnahmsweise in einzelnen Exemplaren noch in demselben
Jahr zur vollen Entwickelung gelangen und so die erste Gene-
ration des nächsten Jahres anticipiren.
Unter welchen Bedingungen das alles geschieht , darüber wird
noch viel beobachtet werden müssen. Dass viel dabei von den
Witterungsverhältnissen abhängt, ist unzweifelhaft; aber viel
liegt auch in der Natur der Thiere selbst. Die darauf gerich-
teten Beobachtungen können nicht bloss physiologische Bedeutung
haben, sondern auch auf klimatische und geographische Verhält-
nisse einiges Licht werfen.
Ich theile nun über die hierher gehörigen Arten mit, was
ich seit einer Reihe von Jahren beobachtet habe. Dass ich nichts
Vollständiges, weder hinsichtlich der Arten noch hinsichtlich
der Sache bringe, ist natürlich; auch ist der Zweck meiner
Mittheilungen nur, zu genaueren Beobachtungen anzuregen.
Wenn ich aber über einzelne Arten mehr bringe, als sich
streng genommen mit meiner eigentlichen Aufgabe verträgt, so
©
952 BEOBACHTUNGEN UBER DIE SPATLINGE UNTER DEN
hoffe ich, durch den Inhalt einigen Ersatz für die übrige man-
gelhafte Lösung gegeben zu haben und dadurch Entschuldigung
zu erhalten.
Zuerst behandle ich die Uebergangsarten, dann die eigent-
lichen Spätlinge, um mit den Nachzüglern der Sommergenera-
tion, die freilich eigentlich den Anfang hatten machen sollen,
und mit einigen Ueberwinterern zu schliessen.
I. UEBERGANGSARTEN.
Xanthia fulvago L. (Cerago S. Vi.)
Freyer N. B. VII. S. 127. T. 673.
Die Raupe ist bei Glogau in Wäldern in Sahlweidenkätzchen
sehr häufig. Am zahlreichsten erhielt ich sie und die von
Eupithecia tenuiata, indem ich einen Sack voll Kätzchen sammeln
liess und ihn in eine Kiste ausschüttete; da nach einigen Tagen
wegen der dichten masse die Kätzchen zu gähren anfangen, so
kriechen die Räupchen an den Wänden in die Höhe und werden
so bequem gesammelt. Nach dem Abfallen der Katzchen von
den Bäumen finden sich die Raupen unter ihnen auf der Erde
und gehen dann ohne Zweifel an niedere Kräuter; aber nach
der Entwicklung der jungen Weidenblatter sitzen auch manche
zwischen diesen. Die Zucht ist sehr leicht. Die Raupen liegen,
im Blumentopf in Mehrzahl aufbewahrt, bei Tage an der Erde
unter den allen Futterresten über einander geschichtet; in der
Nacht weiden sie die Blatter aller Weidenarten ab. Wie Freyer
richtig bemerkt, wachsen sie schnell heran, während ihre Far-
bung immer unscheinbarer wird. Zur Verpuppung bedürfen sie
tiefer Erde, in der eine jede sich eine geräumige Höhle verfer-
tigt und lange Zeit unverwandelt liegt ; wenn sie nicht vertroeknen
sollen, muss die Erde, jedoch sehr mässig, feucht gehalten
werden. Die ersten Schmetterlinge entwickelten sich bei mir
schon vom 25 July an, immer Abends; bei Tage hielten sie
sich versteckt zwischen Blättern. Im Freien habe ich den
Schmetterling nie anders als im September und bis gegen das
LEPIDOPTERN DES NORDOSTLICHEN DEUTSCHLANDS. 955
Ende des October getroffen, indem ich ihn von allerhand Laub-
gesträuch aus den Blättern klopfte, aus denen er ohne zu fliegen
herabfällt.
Orthosia circellaris Hufn. (ferruginea S. V.)'.
Nach Speyer, Wilde und Guenée erscheint sie schon im August.
Ich selbst habe sie nur im September erzogen und im Freien
im September und October erhalten, womit auch Freyers An-
gabe (A. B. 5, S. 96) übereinstimmt. Eine Ueberwinterung,
deren Vorkommen Wiesenhütter (Ent. Zeitung 1859. S. 591)
beobachtet zu haben glaubt, ist mir nie vorgekommen. Den
Schmetterling klopfte ich vorzugsweise in Eichengehölzen von
den Stämmen.
Als Nahrung der Raupe giebt zuerst Freyer, dann Treitschke
nach v. Tischer’s Mittheilung niedere Kräuter an, und Wilde
lässt die früheren, von Treitschke selbst angezweifelten Nahrungs-
pflanzen: Espen und Eichen, ganz unbeachtet. Guenée (Noct T,
p. 598) sagt: die Raupe ist im Frühjahr an den jungen Trieben
der Pappeln (besonders Populus italica und tremula) sehr gemein
und auch ich kann versichern, dass die Raupe auch an Bäumen
lebt. Aus Wollweidenkätzehen, in denen ich die Raupen der
Xanthia fulvago L. gesammelt zu haben glaubte, da die Raupen,
die ich gleichfalls nur mit Blättern von glatten Weiden nährte,
mir bei oberflächlicher Betrachtung keine Verschiedenheit zeigten,
erhielt ich einen aus mehr als 40 Stück bestehenden Schwarm
von Orth. circellaris.
Dryobota protea S. V.
Als Schmetterling bei weitem nicht so häufig wie als Raupe,
* Guenée’s nordamericanische Varietät ferrugineoides (I, p. 398) trage ich kein
Bedenken, nach 3 Männchen als eigne Art anzuerkennen. Sie ist so hell gefärbt,
wie nur seltene Exemplare der Circellaris (nur habe ich von letzterer keine auf den
Hinterfliigeln gleich wenig graue). Was sie als Art characterisirt, sind die kürzern ,
an der Spitze abgestumpften Vorderflügel, der fast grade oder nur sanft gebogene
(nicht oben winklig gebrochne) Mittelschatten; auf der Oberseite der Hinterflügel fehlt
der verloschene schwärzliche Fleck auf der Querader; auf der Unterseite ist er mehr
oder weniger verloschen vorhanden. An den Fühlern kann ich keine Verschieden-
heit entdecken,
934 BEOBACHTUNGEN ÜBER DIE SPATLINGE UNTER DEN
bewohnt sie Eichengehölze, in denen sie zu Ende August und
den ganzen September hindurch von den Stämmen geklopft und,
da sie regungslos herabfällt, leicht unbeachtet gelassen wird.
Hering sagt (Entom. Zeitung 1845 S. 12: (bei Stettin) «Ende
August und Anfang October»; v. Nolcken (Lepid. Fauna von
Estland, Livland und Kurland S. 172): «In Kurland, bei Riga
und auf Oesel schon vom 6 August (Lienig) an, meistens erst
gegen Ende August bis zum 20 September» (russ. Styl).
Die Raupe wird aus den untern Aesten der Eichen abgeklopft.
Ich bemerkte, dass, mochte sie gross oder klein sein, sie keine
Nahrung mehr zu sich nahm, sondern sich spätstens am fol-
genden Tage verfärbt hatte, namentlich weissfleckig geworden
war und sich zur Verwandlung in die Erde begab. Damit scheint
das, was Boie (Isis 1841, S. 177) schreibt, übereinzustimmen:
«wir bekamen nur ein Exemplar, welches wir als eine grüne
Larve Anfang Juny fanden, und die sich gleich danach ver-
wandelte». Ob der Schreck und die Erschütterung diese Wir-
kung hervorbringt, ob dies auch vor der letzten Häutung und
regelmässig geschieht, ob alle solche Raupen sich zu Schmetter-
lingen entwickeln, müssen künftige genaue Beobachtungen lehren.
Ammoc. caecimacula S. V.
Ueber diese Art habe ich meine Erfahrungen Isis 1840 S.
241-245 ausführlich mitgetheilt. Ich führe aus denselben als
hierher gehörig bloss an, dass der Schmetterling, der mir nie
im Freien vorgekommen ist, zuerst am 50 August aus der
Puppe erschien, und dass das Auskriechen bis gegen Ende Sep-
tember fortdauerte.
Calocampa Solidaginis H.
Von dieser Art, die sich nach Treitschke und Wilde im
August entwickelt, klopfte ich 2 schöne Weibchen am 16 Sep-
tember 1865 auf einem mit Sedum und Vaccinium oxycoccos
reichlich bewachsenen Torfsumpf bei Meseritz von den wenigen
dort stehenden Birkenstämmchen. Am 22 September 1867 fand
LEPIDOPTERN DES NORDOSTLICHEN DEUTSCHLANDS. 235
ich ein noch ziemlich erhaltenes Männchen bei Stettin in einem
Kieferwalde, in welchem die Art in demselben Monat zahlreich
gefangen worden war. Ohne Zweifel fängt sie also in unsern
Gegenden sich schon im Anfang des September oder in den
letzten Tagen des August zu entwickeln an. Zu den Ueberwin-
terern gehört sie aber wohl kaum.
Eugonia alniaria L. (tiliaria Hbn. 25) !.
Sie ist in den von mir durchsuchten Gegenden seltener als
die andern darin lebenden Eugonien und bewohnt viel mehr
die Birken als die Erlen. Ob sie überhaupt an Linden vorkommt,
nach denen sie Hübner sogar benannt hat, möchte ich bezweifeln.
(Rössler giebt zwar in der Fauna des Herzogth. Nassau S. 117
sie sowie Ulmen und Eichen als Futterpflanzen mit an). Noch
sei erwähnt, dass ich eine Raupe, die mir jedoch verloren ging,
an einer Acacie (Robinia pseud.) fand; ob sie sich von deren
Blättern genährt hatte oder von den in einiger Entfernung ste-
henden Birken durch Zufall dahin gekommen war, weiss ich nicht.
Der Schmetterling bewohnt nach meinen Erfahrungen lieber
die Bäume der Alleen an Landstrassen als der Wälder, und sitzt
im Laube der niedern Aeste. Am frühsten fing ich ihn am 19
July; ausserdem kam er mir im August und September und
bis in die Mitte des October in gleicher Zahl vor. Das spätste
Datum, noch dazu eines frischen Exemplars, ist jedenfalls das
von Snellen (Vlinders v. Nederland S. 527) erwähnte zu Anfang
Decembers.
Die Raupe findet sich bisweilen in Mehrzahl auf einem Baum
und liebt einigermassen die Geselligkeit. Am 51 August 1858
fand ich an einer Birke zwischen den dürren Blättern eines
1 Werneburg (Entom. Zeitung 1859 S. 354) hat völlig Recht, dass Linné’s
Alniaria mit Tiliaria Tr. einerlei, und dass der Name also fur diese zu verwenden
ist. Das beweisen weniger Linné’s Citate, als der Gegensatz, den er in der Be-
schreibung zwischen dem color fulvus der Flügel und dem flavus des Rückenschildes
macht. Daraus ergiebt sich auch, dass die Diagnose in der Fauna Suecica edit. I,
in der die Farbe des Thorax erwähnt wird, besser ist als jede in den späteren Lin-
neischen Werken, in denen sie ausgelassen ist. Guenée, welcher meldet, dass in
Linné’s Sammlung die Hübnersche Ziliaria steckt, behauptet sonderbarer Weise die
bisherige Deutung.
256 BEOBACHTUNGEN ÜBER DIE SPÄTLINGE UNTER DEN
zerknickten Astes 6 Puppen, und von einer andern klopfte ich
5—6 Raupen ab, die sich an Fäden herunterliessen, während
andere fester sitzende ihre Gegenwart durch ihre Bewegungen
verriethen.
Eugonia autumnaria Werneburg (alniaria S.V., Tr., Hbn.) '.
Entomol. Zeitung 1859, S. 561.
Diese bei uns weniger als die vorige seltene Art halt sich auf
verschiedenen Laubhölzern zu gleicher Zeit mit ihr auf, und
wird öfters an den Stämmen mit tagfalterartiger Fligelhaltung
angetroffen. Bei Frankfurt a. d. O. hatte ich 1826 ein Beispiel
einer ungewöhnlichen Vermehrung dieser Art. An mehreren jun-
gen Ahornstimmen einer Landstrasse traf ich am 19 July die
Raupen in so grosser Zahl, auch zwischen den Blättern ein-
gesponnene Puppen, dass das Laub mehr noch an den obern
als an den untern Aesten sehr übel zugerichtet war.
Am 9 August klopfte ich, nachdem mir schon am 5 mehrere
Männchen ausgekrochen waren, von einem Baum über 20, im
Ganzen über 100 Schmetterlinge; sie fielen wie gelbe Blätter
aus dem Laube auf den Sand der Strasse und sassen dann mit
halb tagfalterähnlich aufgerichteten Flügeln und über den Rücken
gelegten Fühlern. Ein Theil der Männchen flog nach kurzer
Zeit fort, während alle Weibchen ruhig sitzen blieben. Einige
Bäume waren nun ganz kahl gefressen, so dass die vielen Pup-
pengespinnste zwischen den Blattstengeln völlig sichtbar waren;
auch einige Raupen liessen sich noch beim Beklopfen der
Stämme au Fäden herab. Das Auskriechen der Schmetterlinge
dauerte bis in den October. Am 8 October sah ich an der
Rinde unterhalb der untersten Aeste und an deren Anfang
2 Guenée stellt (Phalenit. IX, p. 174) eine neue nordamericanische Art Magnaria
nach Merkmalen auf, die ich an 7 Exemplaren (64 1%) ganz unbeständig (Grösse,
Zähne der Flügel) oder falsch finde (les antennes du d plus longues et plus fortement
pectinées). Damit nicht Andere, wie ich im Anfange, auf den Verdacht kommen,
dass die Art einerlei mit Autumnaria sei, so gebe ich hier an, wodurch sich beide
specifisch unterscheiden: Autumnaria hat ausser dem Paar Dornen am Ende der Hin-
terschienen bei 2/3 noch ein zweites Paar; Magnaria hat nur das Endpaar, welches
aus einem Haarbusch kaum hervorragt.
LEPIDOPTERN DRS NORDÖSTLICHEN DRUTSCHLANDS, 257
selbst die Eier in grosser Menge, bisweiten an 50 auf einer
Stelle neben einander. Im folgenden März, als ich die Bäume
wieder besichtigte, sah ich sie noch viel zahlreicher, indem an
mancher Stelle gegen 100, eins neben das andere gelegt, klebten ;
da selbst höhere Aeste damit bedeckt waren, so schätzte ich die
Zahl an einem der Bäume, der die meisten enthielt, auf mehr
als 100,000. Es wäre interessant gewesen zu beobachten, wie
es mit der Entwicklung dieser Menge zuging; allein daran war
ich verhindert, weil ich zu Ostern Frankfurt verliess.
Eugonia quercinaria Hufn. *.
Geom. erosaria S. V., H. S., Fig. 72, 75.
Sie ist mir mit ihrer hellen Varietät Quercinaria H. S. f. 74, 75
nie anderswo als in Eichenwäldern vorgekommen. Am frühsten
+ Werneburg ist mit seiner Deutung der Quercinaria Hufn. (Ent. Zeitung 1859,
S. 356) im Irrthum; er sieht nicht, dass Quercinaria blass schwefelgelbe Flügel
haben und anf den Vorderfliigeln nur „mit feinen braunen Adern durchzogen » sein
soll (wofür Werneburg fälschlich »dunkelbraun geadert» angiebt), und das Rottemburg
grade auf die schwefelgelbe Farbe Gewicht legt, um seine Exemplare von den Klee-
mannschen getrennt zu halten. Rottemburg hat also grade die hellgelbe Varietät
(Quercinaria HS.) vor sich gehabt. Die » feinen braunen » Adern der Vorderflügel
werden dadurch, dass Rottemburg die beiden Querlinien » dunkelbraun » nennt, zu
so hellen Adern, wie sie bei unserer Art gewöhnlich wirklich sind. Dass der Aus-
senrand aller Flügel » mit einer dunkelbraunen Linie umzogen » sein soll, ist eine
Ungenauigkeit von Seiten Rottemburg’s, indem er allen Flügeln zutheilt, was nur von
den hintern gilt. Es lässt sich nicht einmal von der Mehrzahl der Angularia sagen.
Unter 19 Exemplaren der Angularie in meiner Sammlung ist nur ein Weibchen, bei
dem die Vorderflügel so dunkel gesäumt sind, wie HS. es in fig. 76 beim Männchen
darstellt. Dass der kurze dunkelbraune Strich in jedem Flügel, dessen Rottemburg
gedenkt, von den Mittelstrichen auf der Unterseite gilt, wird Jeder leicht erkennen.
Die lebende Angularia habe ich nur bei Stettin gesehen, wo sie im Julo-wäldchen die
Weissbuchen bewohnt. Wenn Hufnagel seine Quercinaria nicht im reinen Eichenwalde
‚gefunden hätte, so würde er sie sicher nieht nach der Eiche benannt haben. Damit
Jeder sich selbst ein Urtheil bilden könne, gebe ich das gesammte Material aus den
schwer zugänglichen Quellen.
» Berlinisches Magazin IV. 5. 520. 31. Phalaena quercinaria, das gelbe Blatt.
Strohgelb mit 2 braunen Streifen durch die Oberflügel; alle 4 Flügel sind ausgeschweift
und ausgezackt (Z.) Raupe: auf den Eichen. Aufenthalt der Phaläne: an den Zweigen
der Eichen. Zeit der Phaläne: Julius. Grösse der Phaläne: von der zweiten. Häufig
oder selten: nicht selten. S. 624. Z.) Eine Zeittang glaubte ich, dass dies das Männ-
chen der Pal. alniaria sei. Allein es ist mir nunmehr aus verschiedenen Ursachen
wahrscheinlich, dass es eine verschiedene Art ist; denn 1, kommen sie zu verschiede-
nen Zeiten zum Vorschein, jene im Frühjahr [!] und Herbst, diese aber mitten im
Sommer; 2, die Raupe kriecht zur Verwandlung in die Erde [! es ist eine Verwechs-
958 BEOBACHTUNGEN ÜBER DIE SPÄTLINGE UNTER DEN
erhielt ich sie in der Var. Quercinaria HS. am 19 July; am
spätsten kroch ein Männchen der Var. Erosaria am 11 October
aus. Der Schmetterling halt sich, im Laube der untern und
mittern Aeste auf, von wo das Mannchen meistens wild schwar-
mend fort und in die Höhe fliegt, das Weibchen gewöhnlich
schräg nach der Erde hin flattert.
II. AECHTE SPATLINGE.
Acherontia Atropos L. und Deilephila Nerii L, derer Indigenat
noch etwas streitig ist, sind mir nur im Herbst vorgekömmen,
frühstens 18 September 1828, sonst nur in Laufe des October,
und Puppen, die mir nicht noch dasselbe Jahr den Schmetter-
ling lieferten, vertrockneten mir regelmässig. Deil. Nerii sah ich
lebend überhaupt nur einmal. Die Raupe, die in Meseritz, wo
viele Oleandersträuche in Topfen den Sommer über Tag und
Nacht vor den Häusern stehen , erwachsen umherkriechend ge-
funden war, verpuppte sich am 17 September auf trockner
Erde in einem geräumigen aus groben gelblichen Faden gebildeten
und mit Wurzelfasern bedeckten Gehäuse und gab den männ-
lichen Schmetterling am 20 October.
lung mit Amphid. betularia]; dieser ihre aber verwandelt sich in einem Gespinnst an
den Blättern; 3, ist jene viel seltener als diese; 4, ist die Puppe von jener schwarz
[! wieder die obige Verwechslung], von dieser aber blassgelb.
Naturforscher XI, S. 70. 31. Phal. quercinaria. Dieser Vogel ist auf beiden Sei-
ten aller Flügel blass schwefelgelb. Die Oberflügel sind mit feinen braunen Adern
durchzogen, und es gehen durch dieselben 2 dunkelbraune Querlinien, die beide mit dem
äussern Rande parallel laufen, aber nicht gezackt sind. Der äussere Rand aller
Flügel ist stark ausgeschweift uud gezackt und mit einer dunkelbraunen Linie umzo-
gen. Im jedem Flügel steht ein kurzer, dunkelbrauner Strich, beinahe in der Mitte.
Es hat dieser Vogel die Grösse der Syringaria. Er gleicht fast ganz demjenigen,
welchen Kleemann in seinen Beiträgen t. 26. fig. a. 6. abgebildet hat, nur sind die
unsrigen etwas kleiner. Ihre Farbe ist nicht so dunkel, sondern mehr schwefelgelb ,
und die Querlinien sind nicht so röthlich, sondern nur dunkelbraun. Ich halte aber
dennoch dafür, dass der von Kleemann abgebildete Vogel die Phal. quercinaria sei,
und dass diese kleinen Abänderungen nur von dem Unterschied der Gegenden her-
rühren , wie man denn in unterschiedenen Gegenden noch weit merklichere Abweichun-
gen anderer Schmetterlinge findet. Dass dies eine besondere Art und nicht etwa das
Männchen der Phal. alniaria sei, wie Herr Hufnagel nach seiner Anmerkung zuerst
vermuthet, ist völlig ausgemacht. »
LEPIDOPTERN DES NORDÖSTLICHEN DEUTSCHLANDS. 955
Bombyx Populi L.
Der allgemeinen Erfahrung entsprechend kam auch mir der
Schmetterling im Laufe des October (z. B. 2 Männchen am
29 und 51) aus der Puppe, oder ich fand ihn zu der Zeit im
Freien, seltner an Pappeln an den Landstrassen, als an Espen
im Walde. Zwei Männchen klopfte ich zu anfang November im
Birkenwalde von jungen Espenstämmen bei Schnee und Regen,
als ich Chim. boreata sammelte.
Diloba caeruleocephala L.
Am frühsten erschien sie mir aus der Puppe am 50 Septem-
ber. Im Freien traf ich den Schmetterling den ganzen October
hindurch an Steinen und Stämmen, doch ohne Vergleich seltner
als die Raupe, desen liebste Nahrung bei Glogau der in Alleen
stehende Sauerkirschbaum (Prunus cerasus) zu sein scheint. Im
November kam mir kein Schmetterling mehr vor.
Die von Treitschke als sehr selten erwähnte Varietät mit abge-
sonderter Nierenmakel der Vorderflügel ist bei uns eine ziem-
lich gewöhnliche Erscheinung.
Dichon. aprilina L.
Isis 1840 S. 237.
Am frühsten ist sie mir am 15 September ausgekrochen; aus-
serdem traf ich sie bis zur Mitte des October, am meisten an
der Rinde dicker Eichen; nur ein paarmal klopfte ich sie von
jungen Stämmen.
Miselia Oxyacanthae L.
Isis 1840 S. 236.
Der Schmetterling, der sich bei Tage sehr verborgen hält,
ist mir im Freien nur selten vorgekommen. Seine Flugzeit fällt
nach der Mitte des September (am frühsten 1858 am 17).
Tapinost. fluwa H.
Da ihre Flugzeit auch schon im August, und sogar (in
v. Noleken’s lepidopter. Fauna von Estland, Livland und Curland
S. 184) am 27 Julij angegeben wird, so mag sie wohl auch
18
240 BEOBACHTUNGEN ÜBER DIE SPÄTLINGE UNTER DEN
bei uns bisweilen früher eintreten , als ich sie bisher beobach-
tet habe. Ich fand die Art bisher bloss bei Meseritz und Stet-
tin, bei letzterem Ort nur in einem verflogenen Exemplar am
20 September auf einer sumpfigen Wiese, wo sie vorher nicht
selten gefangen worden war. Bei Meseritz sah ich sie nur in
der zweiten Hälfte des September und bis zum 12 October auf
Torfwiesen, wo die Schmetterlinge aus den Rietgrasbüschen
hervorschossen und nach kurzem Fluge zu Boden fielen; am
4 October fing ich 2 ziemlich gute Weibchen und ein gutes
Männchen, die auf einer solchen Wiese zwischen Laubgesträuch
im Sonnenschein schwärmten.
Orthos. lota L.
Aus Raupen, die zu Ende May an Biischen von Salix pur-
purea lebten, erschien mir der erste Schmetterling am 12 Sep-
tember. Nach diesem Datum erhielt ich bis zum Ende des
Monats öfters Exemplare, die Abends bei ruhigem Wetter zwi-
schen Weidenpflanzungen flogen.
Orthos. pistacina S. V.
Ein einzelnes beschädigtes Weibchen klopfte ich einst am
2 October bei Glogau auf dem Hermsdorfer Höhenzuge im ge-
mischten Laubwald ab. Ob die Art auch bei uns ùberwintert,
wie Treitschke V, 2, S. 242 angiebt, lässt sich aus dem ein-
zelnen Falle nicht beurtheilen.
Orthos. rufina L.
Nur nach der Mitte des September (vom 25 an) und im
October kam sie mir im Walde immer einzeln vor, indem ich
sie von belaubten Stämmen oder Sträuchern klopfte.
Orthos. lacvis H.
Mir nur ein einziges Mal bei Meseritz vorgekommen. Am
20 September 1866 klopfte ich im Eichwald zwei frische Männ-
chen von Stämmen auf die Erde. Da ich an dem Tage ausser
andern Noctuen auch Orrh. erythrocephala auf dieselbe Weise
erhielt, so muss eine der Jagd besonders günstige Temperatur
des Wetters statt gefunden haben, obgleich ich ihm nichts Be-
LEPIDOPTERN DES NORDOSTLICHEN DEUTSCHLANDS 941
sonderes anmerkte. In den folgenden, anscheinend eben so schönen
Oetobertagen war dort nichts zu erhalten.
Orthos. litura L.
Nur in der zweiten Septemberhälfte erhielt ich sie mehrfach
aus der Puppe. Die Raupe lebt bei Glogau, wie es scheint, nur
und nicht selten an Medicago falcata, an der sie sich aus den
Blättern der Endtriebe, wie die Raupe der 0. gracilis, ein
Gehäuse baut, das sie aber oft mit einem neuen vertauscht.
Xanthia gilvago Esp.
Sie wurde einst zahlreich zu Ende September bei Frankfurt
a. d. Oder gefangen. Guenée giebt einfach diesen Monat als
Flugzeit an. Die Raupe wurde bei Meissen in Menge erlangt,
indem man die Blüthen der Ulmen abschlagen und einsammeln
liess. (Vergl. dagegen, was Rössler in den Schmett. des Herzogth.
Nassau S. 81 schreibt). *
Xanthia ocellaris Bkh.
Guenée scheint sie von X. gilvago durch die schmilern,
seharf gespitzten, fast sichelförmigen Vorderflügel, deren Grund-
farbe immer blassroth gemischt ist, und durch die weniger
gelblich angelaufenen Hinterflügel * gut unterschieden zu haben.
Wie in der Dunkelheit der Vorderflügelzeicbnung ändern beide
Arten in dem Vorhandensein oder gänzlichen Fehlen der Mittel-
flecke auf der Unterseite. Nach 10 Exemplaren der Ocellaris zu
urtheilen, fehlen sie dieser Art öfter, als sie da sind, und in
letzterem Falle sind es nur schwache strichförmige Andeutun-
gen, statt dass Gilvago gewöhnlicher mit Flecken versehen ist,
und diese grösser und dunkler zeigt.
Bei uns ist X. ocellaris nicht grade häufig. Ich klopfte sie
jedoch in Mehrzahl in einer Pappelallee (Ital. Pappeln) aus dem
* Im Annual for 1862 heisst es S. 147 in Uebereinstimmung mit Guenéc’s und
meiner Angabe: „Food: seeds of wych elm. Larva previously undescribed because so
common.
* Espers Abbildung der Gilvago zeigt die Hinterflügel so wie bei Ocellaris gef arbt ,
und eben so fehlerhaft wird im Text S. 674 gesagt: die Hinterflügel sind auf beiden
Seiten weiss, ohne alle Zeichnungen.
949 BEOBACHTUNGEN ÜBER DIE SPÄTLINGE UNTER DEN
Laube dürrer herabhängender Aeste, von denen sie ohne Lebens-
zeichen herabfällt, vom 20 September an bis gegen die Mitte
des October. Treitschke und Wilde zeigen ausser dem Septem-
ber auch den August als Erscheinungszeit an, und Borkhausen
will sein einzelnes Exemplar sogar schon im July gefangen
haben.
Orrhod. erythrocephala S. V.
Ein einziges Exemplar, ein schönes Männchen der eigentlichen
Erythrocephala Hi. 176 klopfte ich im Eichwalde bei Meseritz
von einem Stamm am 20 September.
Brachionycha sphinx Hufn. (Cassinia S. V.)
Isis 1840 S. 244. *
Ich habe den Schmetterling an Gartenzäunen und an Stäm-
men der Obstbäume zu Ende October und bis zum 11 Novem-
her viel seltener als die Raupe im Frühjahr gefunden. Dass
ich den Schmetterling ein paarmal aus der Puppe auch im
Frühjahr erhielt, habe ich a. a. 0. erwähnt. Da mir jetzt kein
weiteres Beispiel bekannt ist, dass ein Schmetterling sich im
Spätjahr und im Frühling entwickelt, so ist mir das vorliegende
so auffallend, dass ich bedauere, die Puppen der Stubenwärme
ausgesetzt zu haben, statt sie in der freien Luft zu lassen und
zu sehen, ob sie nicht bis zum nächsten Herbst liegen bleiben
würden. Letzteres ist mir aber nicht wahrscheinlich, weil sich
die Schmetterlinge schwerlich hätten so zeitig zur Entwicklung
bringen lassen. Da der Schmetterling getroffen wird, wenn es
schon gefroren hat und Schnee liegt, so ist die Frage noch zu
beantworten, ob er nicht doch bisweilen den Winter aushält.
Cidaria firmata H.
Für diesen Spanner zeigt Snellen in den «Vlinders van Ne-
derland» S. 661 nach Wilde eine doppelte Flugzeit an, deren
2 Der Gattungsname Brachionycha statt Brachiononycha soll bedeuten: mit einer
Kralle am Arme, nicht: Kurzkrallig, wesshalb die von mir vorgeschlagene Correctur
Brachyonycha irrig ist. Warum man den Hübnerschen Namen nicht angenommen
hat, weiss ich nicht.
LEPIDOPTERN DES NORDOSTLICHEN DEUTSCHLANDS, 245
erste in den Juny fällt. Soviel ich auch bei Frankfurt und
Meseritz die Art beobachtet habe, so weiss ich doch nur von
einer einzigen, der im September und October stattfindenden ,
und vermuthe eine Verwechslung mit Cid. variata var. obelis-
cata, die bestimmt zweimal im Jahre fliegt. Stainton hat im
Manual 2, p. 96 gar nur den July.
Die Art kommt bei uns in allen trocknen Kieferwaldungen ,
insbesondere denen der Sandhiigelgegend, in manchen Jahren
reichlich vor. Sie fängt ohne Zweifel in den ersten Tagen des
September an zu fliegen; doch ist es mir 1868, als ich ihr vom
Anfang ihrer muthmasslich frühsten Flugzeit an nachstellte, erst
am 15 September gelungen sie zu finden. Sie scheint in dem
Jahre vorzugsweise sellen gewesen zu sein, während sie 1866
am 14 und 15 September in einem Walde sehr häufig war,
aber nur noch in wenigen brauchbaren Männchen. Sie sitzt
ziemlich hoch an den Stämmen oder in den Aesten und fliegt
bei einer Erschütterung leicht ab. Die Männchen gehen in viel
wilderem Fluge als die Weibchen gewöhnlich gleich in die
Höhe, um sich in die Nadeln zu setzen, wo sie aber nicht
lange verweilen, sondern freiwillig weiter fliegen. Die Weibchen
setzen sich nach kürzerem Fluge an die Rinde der Stämme,
auf der sie sehr schwer zu erkennen sind; die schönsten Exem-
plare sind diejenigen, die sich nach kurzem Fluge auf den
Boden setzen. Mit ihnen ist an manchen Stellen Obeliscata
nicht selten, doch in verflognerem Zustande, sonst ihnen im
Betragen sehr ähnlich; ihre Kleinheit und dunklere Färbung
macht sie im Fluge vor der weisslicher erscheinenden Firmata
kenntlich.
Da manches Weibchen der Obeliscata dem der Firmata aus-
serordentlich ähnlich sieht, so erwähne ich hier ein Merkmal,
woran man beide Arten stets sicher unterscheiden kann. Bei
Firmata geht der Innenrand der Mittelbinde vom Vorderrand
aus viel schräger, und zwar so, dass er mit seinem obern
Theile am Ursprung der Endgabel der Medianader endigt; bei
Obeliscata und ihrer Stammart Variata endigt er schon am Ur-
sprung des ersten Aestes oder doch kurz dahinter, so dass er
©
944 BEOBACHTUNGEN ÜBER DIE SPÄTLINGE UNTER DEN
selbst bei der Varietät Stragulata nur so weit gegen den Hin-
terrand reicht wie bei jeder Variata.
Lygr. testata L. (achatinata M).
Für diese Art wird bei Snellen und Stainton schon der July
als Anfang der Flugzeit aufgeführt; Speyer hat den Anfang des
August als solchen, während Rössler und Wilde den August
nebst dem September anzeigen. Mir selbst ist sie bei Frank-
furt a. d. 0., Glogau und Meseritz nur im September vorge-
kommen, zwar den ganzen Monat hindurch, doch nach der
Mitte am häufigsten. Sie fliegt aus den Weidengebüschen an
der Oder, die hauptsächlich aus schmalblättrigen Weiden be-
stehen, jedoch nur im männlichen Geschlecht leicht auf. Bei
Meseritz bewehnt sie vorzugswiese die Wollweidengebüsche ,
womit die Gräben der torfhaltigen Weisen eingefasst sind. Docb
traf ich sie auch nicht selten auf dem bei Gelegenheit des
Crambus alienellus erwähnten Torfsumpf, wo die Raupen kaum
auf etwas Anderem als auf Ledum oder Vaccinium oxycoccos
leben können, wenigstens nicht auf Weiden, die es dort nicht
giebt. Am 14 September waren die Exemplare dort meist
verflogen.
Orthol. cervinata S. V. !
Dass die von Treitschke nach Rösel behauptete Entwickelung
des Schmetterlings aus der Puppe in 5 Wochen, richtig ist,
wird von neuern Beobachtern widerlegt. Nur in Rössler’s Schmett.
des Herzogth. Nassau S. 152 sehe ich den July angegeben;
Speyer in den Lepidoptern des Fürstenth. Waldeck S. 240 kennt,
+ Obgleich es eine Malva sylvestris giebt, so wächst diese bekanntlich so wenig
im Walde wie andere Arten ihrer Gattung, namentlich Malva alcea, an der ich die
Raupe unsers Spanners ausschliesslich gefunden habe. Da Linne’s Geom. fasciaria in
‚Wäldern wohnen (hab. in silvis Linn.) und auf der Unterseite glauca (d. h. gelblich,
wie etwa Falcataria oder Vibicaria) sein soll, so bemüht sich Werneburg (Beitr. I,
S. 254.) vergeblich, nach zu weisen — er sagt sogar, es sei sicher! — dass sie die
Cervinata S. V. sei. Vielleicht kennt er letztere nicht einmal, da er an seiner Art
eine bläulich weiss gesäumte Mittelbinde sicht, eine weissliche, für Cervinata cha-
racteristische Sägelinie vor dem Hinterrande aber nicht sieht, weil er sonst nicht
annehmen könnte, dass Linne darüber geschwiegen hätte.
LEPIDOPTERN DES NORDÖSTLICHEN DEUTSCHLANDS. 945
so wie Sepp, den Anfang des September. Madam Lienig’s Angabe:
Anfang September, wird nach russischem Kalender gemacht
sein (vgl. auch Nolcken’s Lepidopt. Fauna v. Estland, Livl.,
Curl. S. 252). Ich selbst erhielt den Schmetterling zahlreich
aus Puppen vom 14 bis 24 September. Im Freien scheuchte
ich ihn aus Hecken, in denen seine liebste Nahrungspflanze
Malva alcea wuchs, im letzten Drittel des Monats, und bei
Frankfurt sah ich ihn am 5 October Abends mehrfach fliegen ,
und ein gefangenes Männchen war noch ganz frisch.
Chesias spartiata Herbst.
Diese bei Glogau seltene, bei Frankfurt a. d. O. desto häufi-
gere Art erscheint nach Snellen (Vlinders v. Nederl. S. 620)
und Rössler (Schm. v. Nassau S. 155) schon im September,
nach Speyer (Lepid. v. Waldeck S. 259) von der Mitte dieses
Monats an. Ich habe sie nur im October (zuerst am 6) gefan-
gen, doch gab es Exemplare, deren Aussehen derart war, dass
sie aus dem Ende des September sein konnten. Nach meinen
Erfahrungen bewohnt die Art den Sarothamnus scoparius, wo
er gesellig und reichlich im Gehölz wachst; hier sitzen die
Schmetterlinge an den Aesten; die Männchen lassen sich leicht
aufscheuchen, haben aber keinen wilden und Jang anhaltenden
Flug. Am 16 October traf ich nur noch ganz abgeflogene
Weibchen.
Cidaria jumiperata L.
Nach Treitschke fliegt sie im August und September, nach
Wilde (S. 452) und Speyer (S. 242) von Ende August an, nach
Rössler (S. 159) zu Ende September. Ich selbst habe den an
Wachholderbüschen in allen Kieferwäldern um Glogau, Frank-
furt und Meseritz schr häufigen Spanner am frühsten am 29 Sep-
tember aus der Puppe erhalten, im Freien ihn den ganzen
2 Werneburg empfiehlt allen Ernstes (Beitr. I, S. 474) die Benennung Zegatella
des Wiener Verzeichnisses zur Annahme! Mit Recht sagt Charpentier: „gewiss hätte
niemand hieraus (d. h. aus der nach Werneburg genügend genauen Characteristik
zwischen einer Psyche und einer Eudora!) auf diesen Spanner gerathen,”
ihn nicht so benanut in Schiffermüllers Sammlung gefunden hätte.
wenn man
246 BEOBACHTUNGEN ÜBER DIE SPATLINGE UNTER DEN
October hindurch, in einigen Exemplaren noch am 4 November
angetroffen. Beim Abklopfen der Sträucher nach den Raupen
der Eupith. arceuthata erhielt ich am 21 September keinen
einzigen Schmetterling der Juniperata, wohl aber nach und nach
10 Puppen — vermuthlich die einzige Spannerart, deren Pup-
pen sich durch Abklopfen erhalten lassen —, selbst am 27 Sep-
tember wieder nur mehrere Puppen, aus denen am 29 der
erste männliche Schmetterling erschien. Der Spanner sitzt den
Tag über, gewöhnlich mit tagfalterartiger Flügelhaltung, in den
dichten Wachholderbüschen. Am späten Nachmittag oder an
schattigen Stellen früher fliegen die Männchen viel leichter auf
als die Weibchen, aber nie weit oder besonders wild. Bisweilen
fand ich den Schmetterling sehr weit von seiner Nabrungspflanze
entfernt, wohin er aber nur durch Zufall gelangt sein konnte. —
Ueber die Mann'sche höchst auffallende Angabe, dass er bei
Wien und in Toscana den Spanner im Juny gefangen habe,
sehe man Ent. Zeitung 1849 S. 208.
Hibernia bajaria S. V.
Von dieser in unsern Gegenden wahrscheinlich nicht einhei-
mischen Art erhielt ich durch Schläger eine Anzahl Puppen,
aus denen, in Uebereinstimmung mit Treitschke’s Angaben, die
Schmetterlinge vom 21 October an erschienen, und zwar zuerst
Weibchen, dann beide Geschlechter gemischt. Das Weibchen
konnte an den unreinen und hier und da mit etwas Raupen-
gespinnst bezogenen Wänden des Glasgefässes recht gut in die
Höhe klettern.
An einem aus der Puppe geschälten Weibchen sah ich, dass
es an der Seite des Hinterleibs von Natur, nicht durch Abrei-
bung schwarzbraun ist. Die Puppe ist ziemlich diek, gerundet
mit zugespitztem Hinterleib, braunrôthlich; die Hinterleibsseg-
mente sind, ausser an den schmalen, scharf abgesetzten Hinter-
ändern, mit groben, eingestochenen Punkten sehr reichlich
bestreut. Die Luftlöcher sind in braunen, länglich runden
Erhöhungen enthalten, welche in einem schmalen, vertieften ,
unpunktirten Ringe liegen. Rückenschild, Gesicht, Bein- , Fühler-
LEPIDOPTERN DES NORDÖSTLICHEN DEUTSCHLANDS. 947
und Flügelscheiden sind weniger grob-, aber dicht runzelig;
die in beiden Geschlechtern schr breiten und flachen Fühler-
scheiden haben tiefe Querfurchen, während an den Beinscheiden
die Runzeln zu schwachen Querstreifen zusammenfliessen. An
der weiblichen Puppe sind die Flügelscheiden zwar etwas kleiner
als an der männlichen, aber im Verhältniss zu den so ganz
unbedeutenden Flügelstumpfen gewaltig gross. Das letzte Seg-
ment läuft über dem abgesetzten, gefurchten After in einen
plötzlich gespitzten Kegel aus, dessen eylindrisches Ende zwei
kurze, etwas auseinander gehende Stacheln trägt.
Cidaria dilutata S. V. *
Die von Snellen (Vlinders v. Nederl. p. 657) erwähnte Ueber-
winterung habe ich nie bemerkt und kann sie für unsere Gegen-
den unbedenklich leugnen. Der Spanner bewohnt bei uns weniger
oft Birken- und Eichenwaldungen, als Erlgehölze (nach Bork-
hausen IV, 565 lebt er in Buchenwäldern). Am frühsten kroch
er mir in den letzten Tagen des September aus; aber seine
Hauptzeit ist der October, nach dessen Ende ich ihn nur noch
sehr einzeln und verflogen sah. Er sitzt am liebsten so, dass
die Flügel möglichst flach liegen, wobei der dunkel fleckige Theil
des Vorderrandes der Hinterflügel, also in geringer Breite, über
den Vorderrand der Vorderflügel hervorsteht. Dass er bei Tage
fliegen sollte, wie Borkhausen IV, 291 sagt, ist eine Angabe,
die auf mangelhafter Beobachtung beruht; denn nur bei heiterem
Wetter fliegt das Männchen leichter ab als gewöhnlich und setzt
sich nicht so bald wieder; sonst muss es wie das Weibchen
durch eine starke Erschütterung des Stammes, an dem es sitzt,
zum Abfliegen bewogen werden.
Himera pennaria S. V.
Wie anderwärts fliegt sie bei uns nur im October und Anfang
1 Die Artverschiedenheit der Cid. filigrammaria H. S. erkenne ich mit Speyer
(Eut. Zeitung 1867 S. 126) an, doch nicht sowohl wegen des Fühlerbaues, indem
ich die von Speyer an einem einzelnen Männchen der Filigrammaria bemerkte Ver-
schiedenheit nicht bestätigt finde, als wegen der schmälern Form sämmtlicher Flügel
und der schärfern Zuspitzung der Vorderflügel bei Filigrammaria, was für beide
Geschlechter gilt.
248 BEOBACHTUNGEN ÜBER DIE SPÄTLINGE UNTER DEN
November im Laubwalde, wenn die Blätter der Birken schon
abfallen. Sie sitzt an den Blättern der höheren Aeste, und das
Männchen schiesst gewöhnlich im wilden Zickzackfluge dahin
und setzt sich wieder hoch. Weit zahlreicher, als man die Art
im Freien finden, wird sie aus der von Freyer kenntlich abge-
bildeten Raupe erzogen. Freyer, die sie auch schon im Septem-
ber erhielt, behauptet, dass sie öfters aus der überwinterten
Puppe erst im April oder May erscheint (Aeltere Beiträge 2,
S. 98). Dies wäre also genau die bei Brach sphina erwähnte
Erscheinung.
Chim. boreata H.
Dieser Spanner ist im weiblichen Geschlecht unverkennbarer
als eigene Art von Chim. brumata verschieden als im männlichen.
Von letzierem kommen Exemplare vor, die es wirklich in Zweifel
lassen, ob sie zur einen oder zur andern gehören, und die, wo
nicht Zweifel an der Artverschiedenheit, doch den Gedanken an
Kreuzung beider Arten erregen. Die Weibchen heben jedes Be-
denken durch die beträchtlichere Länge ihrer 4 Flügelstumpfe,
die beim lebenden Thier bis zum Anfang des fünften Hinter-
leibssegments reichen, und vorzüglich dadurch, dass sie, auch
in den Ilinterflügeln mehr als doppelt so breit sind wie bei
Chim. brumata.
Was Treitschke X, 2. S. 205 über den 4 Wochen eher an-
fangenden Flug der Ch. brumata im Vergleich mit Boreata sagt,
ist ein Irrthum, und die beigefügten Worte, nach denen Bru-
mata in Norddeutschland nie in Obstgärten fliegt, und Boreata
um Nadelholz zu fliegen scheint, müssen auf einem seltsamen
Missverstehen der Kühlweinschen Mittheilung beruhen. Ratzeburg
fasst Treitschke’s Angabe sogar so auf, als ob Boreata «auf
Fichten und anderem Nadelholz» leben soll. Das ist aber be-
stimmt nicht der Fall, sondern bei uns lebt die Raupe der
Boreata einzig und allein auf Birken, in manchen Wäldern und
Wäldchen äusserst häufig. (Rössler traf den Schmetterling bei
Pi
Wiesbaden im Buchenwalde, etwo 8 Tage früher als Brumata
(Schmett. des Herzogth. Nassau S. 156), und Speyer giebt
LEPIDOPTERN DES NORDOSTLICHEN DEUTSCHLANDS. 949
(Lepid. d. Fürstenth. Waldeck S, 240) die Buche bestimmt als
Futterpflanze an). Bei Glogau war die Raupe in einem Birken-
wäldehen, dass auf ungiinstigem, ganz sandigem Bodem stand,
in solcher Menge; dass manche Bäume abstarben, und ich vom
Förster um Rath gefragt wurde. Die Raupe bewohnt die Blätter
der Sträucher eben so zahlreich, wie die der herabhängenden
Zweige alter Bäume. Eine Vertilgung ist also nicht möglich?
höchstens eine Beschützung einzelner Bäume durch die gegen
Brumata und Defoliaria gebräuchlichen Theerringe. Die Raupe
lebt nicht, wie Freyer (N. B. VII, S. 129) und ihm folgend
Wilde (IL. S. 426) angiebt, blattwicklerartig, sondern baut sich,
wie die von Cid. hastata, ein Gehäuse aus zwei Blättern, von
denen sie eins hohl legt, oder sie begnügt sich auch mit einem
grossen Blatt, das sie durch Fäden zu einer Höhle zusammen-
zieht. Sind die Blätter noch klein, so baut sie ein Gehäuse aus
mehreren. Ist es zerfressen, so wandert sie in der Nacht weiter
und legt eine neue Wohnung an. Auf manchem Baum oder
Strauch findet man daher kaum ein unversehrtes Blatt, ohne
dass dabei die Zahl der Raupen sehr beträchtlich sein muss.
Zu Ende May, wenn die Raupe erwachsen ist, wird sie fast
einfarbig weisslich grün und lässt sich zur Erde hinab. In der
Jugend ist sie dunkelgrüngrau, an Kopf, Brustfüssen und After-
schild schwarzgefärbt; an der Seite des Rückens läuft eine gelbe
Linie, und tiefer abwärts eine zweite; beide sind gewöhnlich
stark unterbrochen. Wird sie älter, so lichtet sich ihre Grund-
farbe, und die Längslinien werden deutlicher und zusammen-
hängender; auch tritt zwischen ihnen an jeder Seite die Spur
einer dritten hervor; auf dem Nackenschilde sind ein paar
dunkle Flecke. — Erwachsen ist sie hellgelbgrün mit dunklerem
Rückengefäss. An jeder Seite laufen 5 helle Längslinien, von
denen die mittelste die feinste ist. Ueber der obersten trägt
jeder Ring 2 helle Börstchen, und über, unter und hinter dem
sehr deutlichen, schwarzen Luftloch steht noch je eins. Das
Nackenschild hat in der Mitte 2 nach vorn convergirende Fleck-
chen, und tiefer abwärts je einen solehen Längsstrich. Das
Afterschild ist verschieden gezeichnet mit stärkeren oder schwäche-
250 BEOBACHTUNGEN ÜBER DIE SPÄTLINGE UNTER BEN
ren Flecken. Der Kopf ist in der Regel schwarz braunroth, sel-
tener mit helleren Stellen, so dass z. B. über jedes Auge ein
heller Streif herabgeht; bisweilen hat er aber die Grundfarbe
des Körpers und ist mit schwarzbraunen, grössern oder kleinern
Flecken bestreut; das Stirndreieck ist hell eingefasst, die Ober-
lippe hellgelblich. Wenn die Raupe den Körper lang streckt,
so zeigt jedes Segment am Hinterrande eine hellgelbe Falte, die
bei einer Krümmung des Körpers wieder verschwindet. In ihrem
Blattgehäuse ruht sie in hufeisenförmiger Gestalt.
Da Kleemann von der Raupe der Brumata schreibt, dass sie
in der Jugend eine graue Farbe und einen schwarzen Kopf, in
erwachsenem Zustande bisweilen einen « hellbräunlich glänzenden »
Kopf habe, so hat er entweder beide Arten zusammengemischt,
oder die unterscheidenden Merkmale sind noch nicht aufgefun-
den. (Denn dass die Brumataraupe schon nach der ersten Häu-
tung gelblichgrün werden soll, will nicht viel bedeuten, da es
nicht einmal recht sicher ist). Selbst Ratzeburg (S. 189) theilt
nur die Treitschkeschen, aus Kleemann entlehnten Angaben mit.
So wenig Bestimmtes weiss man selbst über die gemeinsten Arten,
dass fass überall erst genaue Beobachtungen anzustellen bleiben !
Die Verpuppung geschieht meistens nicht weit vom Stamm,
wenig unter der Oberfläche des Bodens. Die in ein paar Tagen
gebildete Puppe ist nicht sonderlich schlank und hat eine braun-
gelbe Farbe. Am Ende des Hinterleibes trägt sie einen dunklern
kurzen, kegelförmigen Fortsatz mit 2 Stacheln an der Spitze,
die so weit auseinander gesperrt sind, dass sie fast eine grade
Linie bilden. Dieses stimmt mit der Abbildung der Brumata
bei Kleemann (fig. 8), nur dass die Stacheln hier plumper dar-
gestellt sind. Ausserdem sehe ich an meiner männlichen Puppe
von Boreata nicht die 2 Borsten, an jeder Seite eine, am Fusse
des Kegels, die Kleemann abbildet. Ob darin eine Veränderlich-
keit, etwa nach dem Geschlecht, bei Boreata stattfindet, mögen
künftige genaue Untersuchungen darthun!
Die Entwicklung des Schmetterlings tritt kaum zu einer andern
Zeit als bei Brumata ein. Mein frühstes notirtes Datum ist der
15 October, an welchem Tage ein Männchen aus der Puppe
LEPIDOPTERN DES NORDOSTLICHEN DEUTSCHLANDS. 951
ld
kam, die gegen 5 Monate ganz trocken gelegen hatte. Die
Hauptflugzeit ist zu Ende October und Anfang November. Die
Männchen sitzen meist im Laube der jungen Bäume und fliegen
bei einer Erschütterung des Stammes mit schwächlichem Fluge
nicht weit, gewöhnlich schräg zur Erde, andere sitzen an den
Stämmen mit flach gehaltenen Flügeln ; noch andere sind zwischen
den abgefa!lenen Blättern versteckt. Ueber den 14 November
1840 habe ich notirt: Die Männchen schon alle sehr schlecht
und nicht mehr häufig, Weibchen in den lichten Gehölzen nur
wenig. Diese sassen still an den Stämmen in Mannshöhe und
darüber, mit dachförmig am Leibe gehaltenen Flügeln. Wollte
ich sie abnehmen, so liessen sie sich gern fallen, oder blieben,
da sie sich gut festhaken können, an einem Beine schwebend
hängen. In dem dichten, jungen Gehölz, das schattig und gegen
den Wind geschützt stand, waren sie so häufig, dass selbst bei
einen gelinden Fusstritt gegen den Stamm, 1 —5 aus verschie-
dener Höhe, theils von den Stämmen, theils von den schon
blattlosen Zweigen herabfielen. Bei einiger Uebung hört man
sie auf die abgefallenen Blätter auffallen. Auf dem Bodem liegen
sie anfangs ganz still, auf dem Rücken oder auf dem Bauche,
und lassen sich, ohne sich zu rühren, aufnehmen. Nach einiger
Zeit, wenn sie sich von ihrem Schreck erholt haben, kriechen
sie spinnenartig, mit weit ausgespreizten Beinen, ziemlich schnell
fort. Viele hatten schon dünne Leiber, zum Zeichen, dass sie
die Eier meist abgelegt hatten. Um die Stelle kennen zu lernen,
an die sie die Eier absetzen, nahm ich lebende Weibehen und
frische Birkenzweige mit; sie legten aber keine Eier, sondern
waren, weil ich sie in zu trockner Luft hielt, schon am zwei-
ten Tage grösstentheils todt. Unbefruchtete Weibchen, die ihre
volle Lebenskraft haben, halten sich 8 Tage oder noch länger
am Leben.
Chim. brumala L.
Der frühste Tag, den ich für das Erscheinen dieses Spanners
im Freien, notirt habe, ist der 29 October. Da ich am
30 December nur noch todte Männchen fand, so leugne ich
259 BEOBACHTUNGEN UBER DIE SPÄTLINGE UNTER DEN
für unsere Gegenden die Dauer der Art, wenigstens des Männ-
lichen Geschlechts, bis ins neue Jahr hinein, und bezweifle
überdies, dass das Weibchen fähig ist, unsere ganze Winter-
kälte zu überleben. Ratzeburg’s Angabe (II, S. 190 und 191),
dass einzelne Männchen erst im nächsten Frühjahr fliegen,
scheint mir noihwendig auf einer Verwechslung, etwa mit
Loboph. carpinata oder halterata, zu beruhen. Dass in Ländern
mit milderem Winter, als wir uns erfreuen, der Spanner auch
im neuen Jahr fliegt, will ich gar nicht leugnen; habe ich
doch selbst (Isis 1847 S. 500) bei Triest ein ganz frisches
Männchen am 51 December gefangen!
Hibern. defoliaria L.
Diese bei Glogau hauptsächlich. an Eichen lebende Art, die
nach Snellen (Vlinders v. Nederland S. 576) im November
fliegt, erhielt ich im Freien mehrfach im letzten Drittel des
October, und erzog sie in beiden Geschlechtern in der Mitte
dieses Monats. Rössler sagt in der Fauna des Herzogth. Nassau;
nicht vor Mitte October. Selbst für Livland zeigt v. Nolcken an:
«vom 20 September [d. h. von den ersten Tagen des October]
bis in den Winter hinein.» Dass die Art auch zwischen dürren
Blättern überwintert, wie Treitschke VI, I. 517 schreibt, habe
ich wenigstens nicht beobachtet, und glaube es nicht für unsere
Gegenden, obgleich Ratzeburg in den Forstinsecten (II, S. 195)
es zu bestätigen scheint.
Hibern. aurantiaria H.
Da sie wohl vorzugsweise an Buchen lebt, so ist sie bei
Glogau, wo allein ich bisher die Art lebend antraf, eine Sel-
tenheit. Ich fand dort am 1 November in einem isolirten Bir-
kengehölz ein abgeflogenes Männchen; das am Fuss eines Baumes
mit der Flügelhaltung der Defoliaria, also nicht tagfalterartig
sass, und in demselben Eichenwalde, in dem Anis. aceraria flog,
klopfte ich ein ziemlich gut erhaltenes Männchen aus den be-
laubten Aesten einer Eiche. Also fand die Entwicklung schon
im October statt.
LEPIDOPTERN DES NORDÖSTLICHEN DEUTSCHLANDS. 955
Anisopt. aceraria S. V.
Sie erscheint bei Glogau frühstens in den letzten Tagen des
October. Am 1 November 1854 klopfte ich in einem Eichen-
gehölz von den Stämmen, die noch Laub, gleichviel ob grünes
oder trocknes hatten, viele Männchen aus den Aesten. Sie flogen
meistens einzeln, selten und höchstens zu 5, mit einem Fluge,
der an Hib. progemmaria erinnerte, von einem Stamm nicht
weit und gewöhnlich zur Erde, so dass sie leicht zu fangen
waren Auf der Erde hatten sie die Vorderflügel dicht an einander
liegend, nicht über einander geschoben, wie ihre Gattungsge-
fährten Aescularia. * Bei Triest flog diese Art nach Weihnach-
ten (Isis 1847 S. 494), und so mag sich ihre Flugzeit dort bis
zum Auftreten der Progemmaria verlängern und Treitschke’s
Angabe bestätigen. Das Weibchen habe ich erst ein einziges
Mal zu erlangen vermocht. .
Teras comariana Lg.
Zell., Isis 1847, 263. — H. S. fig. 387. S. 153.
Teras proteana H.S., fig. 29. 50. S. 144 (1849). — Heine-
mann Schmett. Deutschl. II, 1. S. 25. ?
Diese Art scheint weit verbreitet, aber nur an einzelnen
Stellen und nur in manchen Jahren zahlreich zu sein. Ich habe
sie 1868 zum ersten Mal lebend gefangen. Sie wohnt bei
Meseritz auf der torfhaltigen Wiese, auf welcher ich Acid.
corrivalaria am zahlreichsten fand. Ihre Futterpflanze Comarum
palustre wächst hier sehr häufig, wird aber am liebsten von ihr
bewohnt , wenn sie am Rande der Entwässerungs-gräben, mehr
gegen Wind geschützt steht. Von den zwei Generationen erscheint
der Schmetterling der ersten in der Endhälfte des Juny, der
der zweiten im September. Am 20 Juny flog er in der Abend-
+ So beobachtete ich es an Aceraria mehrfach bei Glogau, während ich bei Triest
die Flügel in der Haltuog der Aescularia zu sehen glaubte.
2 In den Transactions of the Ent. Soc. of London n. s. V (1859) p. 40 finde
ich eine Bemerkung, die oifenbar hierher gehört: Mr. Sheppard exhibited, on behalf
of Mr. Gregson, specimens of Peronea Potentillana Cooke, recently described as a
distinct species in the Zoologist; Mr Sheppard expressed his opinion that the insects
in question were varieties of Per. Schalleriana,
954 BEOBACHTUNGEN ÜBER DIE SPÄTLINGE UNTER DEN
dämmerung bei Regenwetter nicht selten auf. Darauf traf ich
ihn, doch zum Theil schon verflogen, am 20 September bei
trübem, regendrohendem Wetter am späten Nachmittag; durch
seine Kleinheit machte er sich vor F. ferrugana, die dort an
den Birkensträuchern häufig ist, sogleich kenntlich. Da ich ein
Weibchen auf einem Comarumblatt neben einer leeren Puppe
gefunden hatte, so gelang er mir durch fleissiges Nachsuchen
an diesem und den folgenden Tagen eine Anzahl gefüllter Puppen
zu sammeln. Sie steckten gewöhnlich in einem der Länge nach
zusammengezogenen Foliolum des Comarum, seltner in einem
Knäuel von zusammengezogenen Blättern, in weissem, nicht sehr
reichlichem Gespinnst. Die leer gefundnen Puppen ragten weit
aus dem Kopfende des Gespinnstes hervor. Auch eine Raupe
erhielt ich noch, die genauer zu beschreiben, als es durch Mad.
Lienig geschehen ist, ich versäumte. Die Weibchen; die wohl
nur Nachts fliegen mögen, sassen eniweder frei auf der Oberseite
der Blätter, oder etwas versteckt und liessen sich abschütteln
und auf dem schwarzen Torfboden ziemlich leicht erblicken. Die
Männchen dagegen fliegen am späten Nachmittag, besonders bei
stillem Wetter, leicht auf; sie sind aber, da sie wild in die
hohen, scharfen Gräser schwirren etwas schwer zu erhalten;
auch waren sie am 29 September fast durchgängig schlecht und
unbrauchbar. Es ist daher nicht recht wahrscheinlich, dass die
Art, wie ihre Gattungsgefährtin Ferrugana, die gleichfalls eine
doppelte Generation hat, als Schmetterling den Winter über-
leben kann. — Man hat sie, soviel mir bekannt, bisher gefun-
den: in Livland; bei Stettin; bei Meseritz; in Mecklenburg, wo
sie nach Fischer v. Rösl. «im July, früher als Comparana, um
Erlen fliegt;» im Braunschweigschen im July (nach einer schrift-
lichen Mittheilung v. Heinemann’s); in England (nach der vorher
gegebenen Note).
Dadurch dass ich auf einer und derselben Stelle gegen 70
zusammengehörige Exemplare aus einer mehr als doppelt so
grossen Zahl gesammelt habe, bin ich zu der Gewissheit gelangt ,
dass Proteana H. S. und Comariana Lg. als Varietäten vereinigt
werden müssen, und dass Comariana das eine Extrem ist, während
LEPIDOPTERN DES NORDOSTLICHEN DEUTSCHLANDS, 955
Proteana nur einen Uebergang zu dem andern Extrem bildet.
Die veränderliche Art nähert sich in einigen Varietäten der
Ferrugana, in andern der Schalleriana, noch in andern der
Comparana. Sie gehört zu den Arten, die in der Regel am
Vorderrand der Vorderflügel einen dunkeln Fleck haben. Bei
der von Herr -Schaeff. in fig. 587 gut afgebildeten zeignungs-
losen Form Comariana, welche als Anfang der Varietätenreihe
anzusehen ist, ist nur die Begrenzungslinie dieses Flecks, der
hier ganz fehlt, auf der Wurzelseite stets vorhanden; sie wird
gebildet durch eine am Vorderrand vor der Mitte anfangende,
sich in der Flügelmitte sanft nach aussen biegende und den
Innenrand etwas hinter der Mitte erreichende Reihe aufgerich-
teter Schuppenhäufchen, welche bei den einfarbigen Exemplaren
fast nie durch dunkle Färbung auffallen. (Bei Ferrugana ist die
untere Hälfte dieser Schuppenlinie nie vorhanden; die obere
Hälfte besteht, wo sie recht sichtbar wird, aus weisslichen
Schuppenhäufchen, deren unterstes, über der Flügelmitte liegen-
des das auffallendste ist.)
Als Varielät b können die Exemplare gelten, bei welchen der
der Wurzel zugewendete Theil des Flecks in mehr oder weniger
tiefer grauer Farbe sichtbar wird; er bildet einen sehr schräg
nach aussen gelegten, am Vorderrande breitesten, mit der Spitze
nach hinten gerichteten, dicken Strich. Bisweilen werden am
Vorderrande, mehr gegen die Flügelspitze hin, ein paar dunkle
Costalfleckchen sichtbar, und zwar da, wo bei den folgenden
Varietäten das Ende des Costalflecks liegt, wesshalb bei ober-
flächlicher Ansicht der ganze Costalfleck verloschen zu sehen ist.
Die Varietät ¢ zeigt den Costalfleck völlig ausgebildet, aber
in verschiedener Mischung und Sättigung von dunkelrother Farbe.
Immer stellt er ein Paralleltrapez dar, dessen längste Seite auf
dem Vorderrande liegt und von der Flügelspitze ungefähr halb
so weit entfernt bleibt wie von der Flügelbasis. Die ihr parallele
Seite hat nur die halbe Länge und liegt über der Flügelmitte.
Von den beiden divergirenden Seiten ist die der Wurzel zuge-
wendete nur wenig über halb so lang wie die dem Hinterrande
zugewendete, die daher viel schräger, aber doch auch in ziem-
19
956 BEOBACHTUNGEN ÜBER DIE SPÄTLINGE UNTER DEN
lich grader Richtung verläuft. Der dunkelste und gesättigtste
Theil dieses Flecks ist der hakenförmige, bei Var. b vorhandene;
er nimmt fast den halben Raum ein und begrenzt den Fleck
wurzelwärts und gegen den Mittelraum des Flügels sehr scharf.
Gewöhnlich lassen sich innerhalb des Flecks am Vorderrande
gegen die Flügelspitze zwei eben so dunkle Fleckchen erkennen,
die oft einwärts vereinigt sind. Bei genauer Betrachtung des
Flecks bemerkt man, auch wenn er am dunkelsten ist, immer
in der Mitte eine lichte, schräg liegende, den ganzen Fleck
durchsetzende Stelle und eine kleinere auf dem Vorderrande
gegen die Flügelspitze zu ; beide haben bei den hellsten Exem-
plaren ein so blasses Roth, dass es sich nur wenig von der
Grundfarbe unterscheidet.
Diese Varietät kommt der gewöhnlichen Schalleriana H. fig.
289 !, sehr nahe und ich sche nur den beständigen Unterschied
zwischen den zwei Arten, dass Comariana ein swenig kürzere
Flügel hat, und dass bei ihr der rothe Costalfleck etwas weniger
weit gegen die Flügelspitze reicht, und dass er auf dieser Seite
nicht, wie bei Schalleriana, dicht am Ende abgeschnitten ist,
also nicht ein Funfeck mit allerdings sehr kurzer fünfter Seite
darstellt. Bei Schalleriana ist der Costelfleck gegen die Flügel-
mitte zu in ziemlicher Breite von heller Rostfarbe begrenzt,
während bei Comariana sich nur selten an dieser Stelle etwas
Rostgelbliches zeigt, wesshalb dieser Unterschied, als ein ziem-
lich beständiger , zunächst Erwähnung verdient. Dass Comariana
kleiner ist, ist zwar Regel; doch habe ich ein Männchen der
Schalleriana, das nur so klein ist wie eine grosse weibliche
Comariana. Dass der Costalfleck bei Comariana gegen die Flü-
gelwurzel eine gradlinige oder schwach concave, bei Schalleriana
eine etwas convexe Seite hat, erleidet auch Ausnahmen. Ebenso
ist die Grundfarbe der Comariana nicht immer hellgraugelblich ;
denn ich habe mehrere so rein graue Exemplare von ihr, dass
kein Unterschied von Schalleriana stattfindet; bei solchen grauen
! Die übrigens äusserst schlecht gegeben ist und wohl nie mit solchen Querlinien
vorkommt.
LEPIDOPTERN DES NORDÖSTLICHEN DEUTSCHLANDS. 957
Exemplaren ist auch der Costalfleck wurzelwärts weisslich ge-
siumt, wenn auch nicht in solcher Breite und so auffallend
wie bei Schalleriana. Ich habe kein Exemplar der Comariana,
das in der Färbung auch nur eine Annäherung an die von
Hübner in fig. 188 abgebildete Schalleriana zeigte (bei welcher
gar nicht seltnen Varietät sich nämlich das Rothe über die
ganze Flügelbreite bis zum Innenrand fortsetzt.)
Die Exemplare der 7. ferrugana, die hinsichtlich des Gostal-
flecks dieser Varietät von Comariana ähnlich sind, unterscheidet
man leicht durch die viel reiner gelbliche Farbe auf Kopf,
Rückenschild und Vorderflügeln ; die der Flügelbasis zugewendete
Seite des Costalflecks ist nie weisslich oder heller gesäumt; der
Hinterrand der Vorderflügel läuft weniger schräg, indem er
gegen den Innenwinkel hin mehr nach aussen hervortritt; die
Hinterflügel haben eine viel hellere graue Grundfarbe.
Die Varietät d, die mir im Freien nur in wenigen Exemplaren
vorgekommen, aber doch auch in zwei Weibchen ausgekrochen
ist, sieht der Comparana H. so ähnlich, dass ich die von Madam
Lienig erhaltenen Exemplare derselben für diese selbst hielt und
verwundert war, wie sie die Frage aufwerfen konnte, ob Co-
mariana nicht Varietät der Comparana sein möchte (s. Isis a. a. 0).
Da sie für Comparana eine am Comarum lebende Raupe be-
schreibt, so ist es mir wahrscheinlich, dass diese wirklich zu
Comariana gehört (v. Heinemann giebt S. 24 seines Werks für
Comparana Weiden als Futterpflanzen an). Die Comariana var. d
hat, wie Comparana, einen völlig schwarzen Costalfleck „ von
welchem sogar bisweilen eine Reihe schwärzlicher Schuppenhöcker
(die oben angegebene Querlinie) zum Innenrande läuft. Ausser-
dem hat sie öfters am Innenrande nicht weit von der Wurzel
ein Kleines, schmales, aufgerichtetes, an der Spitze rauhes,
schwarzes Dreieck und über ihm bis zur Subeostalader zwei
schwärzliche Schuppenhäufchen (Diese rauhen Schuppenhäufchen,
welche in einer nach aussen gekrümmten und bis zur Subcostal-
ader reichenden Querlinie liegen, haben zwar die andern Varie-
täten auch, sie fallen aber wegen ihrer hellen Farbe nicht son-
derlich auf.)
958 BEOBACHTUNGEN UBER DIE SPÄTLINGE UNTER DEN
Von dieser Varietät unterscheidet sich Comparana als sichere
Art: 1. durch die beträchtlichere Grôsse; 2 durch die röthlich
ochergelbe, viel dunklere Grundfarbe der Vorderflügel; 5. durch
die Gestalt des Costalflecks, der nämlich einwärts nicht gradlinig
abgestutzt ist, sondern sich beinahe dreieckig zuspitzt, indem er
noch ausserdem bis über die Flügelhälfte hinweg reicht; dabei
ist seine dem Hinterrande zugewendete Seite nicht grade, son-
dern buchtig, und die der Flügelbasis zugewendete Seite ist nie
hell gesäumt.
Teras contaminana H.
Sie ist in allen Varietäten an den übereinstimmend gezeich-
neten Hinterrandfranzen der Vorderflügel zu erkennen; unter
der hervortretenden Flügelspitze sind sie nämlich, wenn auch
in wechselnder Ausdehnung, weisslich, und diese Farbe wird
durch die dunkle Hinterrandlinie um so mehr hervorgehoben.
Den August, welchen v. Heinemann S. 29 seines Werks und
Stainton im Manual Il, p. 227 als den Anfang der Flugzeit
anführen, habe ich nicht als solchen kennen gelernt; die ersten
Schmetterlinge erschienen mir aus Schlehenraupen nicht vor der
Mitte September. Im letzten Drittel dieses Monats ist ihre
Hauptfiugzeit. Am 16 Sept. 1844 fing ich noch ein ziemlich
gut erhaltenes Männchen in Krain, südlich von Laibach. Diese
Art wohnt in alten Schleh- und Weissdornbüschen, am welchen
sie sich bei Tage sehr verborgen hält, aber an stillen Abenden
schwärmt. Das spätste, mir vorgekommene Exemplar ist vom
16 October; es war völlig abgeflogen und kaum noch zu er-
kennen, zum Zeichen, dass die Art nicht zur Ueberwinterung
pestimmt ist.
Teras cristana S. V.
Dieser Wickler, den die Engländer früher in eine Menge
Arten zerlegten, ist auf dem Continent wohl überall selten.
Nach Stainton’s Manual II, p. 254 fliegt er vom August bis
November. Ich habe ihn nur bei Frankfurt a. d. Oder in einer
trocknen Hügelgegend in einem Gebüsch gefangen, das aus
LEPIDOPTERN DES NORDOSTLICHEN DEUTSCHLANDS. 959
Eichen, Weissbuchen und Haselsträuchern bestand. Hier Klopfte
ich am 4 November 1826 ein d und 2 2, alle ganz frisch und
von sehr ungleicher Färbung und Zeichnung, von den Weiss-
buchensträuchern. 1828 suchte ich dort wieder nach dieser
Art, konnte aber am 20 September nur ein einzelnes Exemplar
gleichfalls aus Carpinus, zum Abfliegen bringen, während Ter.
Abildgaardana (Hübner’s Cristana) in Mehrzahl zum Vorschein kam.
Seit dieser Zeit sah ich kein lebendes Exemplar mehr.
Grapholitha (Paedisca) sordidana H.
Graph. Solandriana Heinem., Schm. Deutschl. If, 1. S. 145 !.
Ohne Zweifel zeigt v. Heinemann eine viel zu frihe Flugzeit
an (July, August). Die im Seppschen Werk {V, S. 167) durch
Ver-Huell angegebne Zeit: «nicht vor dem 9 September» stimmt
besser zu meinen Beobachtungen. Ich babe den in allen Erlge-
hölzen hei Glogau, Meseritz, Stettin stellenweise häufigen Wickler
am frühsten am 16 September aus der Puppe erhalten, im
Freien zum ersten Male am 1iten. Sein Hauptflug fällt gegen
das Ende des Monats, zu welcher Zeit auch die Weibchen sich
erst entwickeln. Wird der Stamm einer Erle erschüttert, so
fliegt das Männchen seltner von der Rinde als aus dem Laube
herab und im Zickzack allmählich ins Gras, bei warmen Wetter
aber auch wieder an einen Stamm oder ins Laub; die am
wildesten fliegenden sind in der Regel schon abgeflogen; die
frischen Weibchen, die an der Rinde sitzen, lassen sich gern
fallen und bleiben dadurch leicht unbemerkt. Im der Mitte des
October werden kaum noch andere als völlig abgeriebene Weib-
chen angetroffen.
Diese Art hat wahrscheinlich eine grosse Verbreitung nach
Norden.
Ich erhielt sie von Königsberg in Preussen, (nicht aus Liv-
* Linné zeigt durch seine Diagnose in der Fauna Succ. 346: alis superioribus
pallidis, macula communi dorsali ferruginea, ganz unzweifelhaft, dass er Hübner’s
Semimaculana f. 48 vor sich hatte. Mithin gebührt der name Solandriana der
Heinemannschen Sizuaza, wie ihn Wilkinson auch richtig anwendet.
260 BEOBACHTUNGEN ÜBER DIE SPÄTLINGE UNTER DEN
land, obgleich sie dort sicher nicht fehlt), und sah sie durch
Sievers aus der Petersburger Gegend (wesshalb sie in dessen
«Verzeichniss der Petersburger Schmetterlinge» 1862, S. 21
richtig aufgeführt ist.)
Bedellia somnulentella Z.
Von dieser ohne Zweifel auch an Convolvulus arvensis lebenden
Art habe ich den Schmetterling , obgleich immer sehr einzeln,
an ganz verschiedenen Stellen: auf Brachfeldern und im trocknen
Kieferwald, wo ich ihn aus Kiefer oder Wachholdersträuchern
scheuchte, in der Zweiten Hälfte des September, am spätsten
am 6 October 1858, gefangen. Am 29 September 1859 fand
ich in einem Garten bei Glogau, an Convolvulus purpureus ,
der am Bretterzaun laubenartig aufgezogen war, Raupen und
Puppen zu mehrern Hunderten, erstere nur noch in geringer
Zahl. Die meisten Blätter hatten, weil das Parenchym ausge-
fressen war, gelbe Flecke oder waren, wenn das in zu hohem
Grade geschehen war, verwelkt. In den noch grünen Blättern,
die nur einen kleinen aufgefressenen Fleck enthielten, zeigte
sich innerhalb desselben ein hufeisenförmig gekrümmtes Räupchen.
Wegen der Menge der beschädigten Blätter schätzte ich die
Zahl der daran thätig gewesenen Raupen auf mehrere tausend ,
was aber ein Irrthum zu sein schien, da wenigstens die Zahl
der gefundenen Puppen, so gross sie auch war, der Annahme
nicht entsprach. Vielleicht wandern die Räupchen, so dass jedes
mehrere Blätter beschädigt. Eins traf ich, das mit halbem
Körper aus seiner Mine hervorragte, und das sich eben heraus
bohrte, um sich einen Platz zur Verpuppung zu suchen. Die
Puppen hingen, ähnlich denen der Scythr. crataegella , in lichten
Gespinnsten in den Vertiefungen auf der Rückseite der gekrümmten
oder vertrockneten Blätter, gewöhnlich einzeln oder zu zweien,
nur in seltenen Fällen bis zu fünf. Bei einer Erschütterung der
Pflanzen flogen schon nicht selten Schmetterlinge ab, wobei sie
das Ansehen von Lithocolletiden hatten. In der Gefangenschaft
trugen sie sitzend die Flügel ungefähr wie die Batrachedra-
Arten, nur vorn nicht so hoch; dabei erschienen die Flügel
LEPIDOPTERN DES NORDÖSTLICHEN DEUTSCHLANDS. 261
nach hinten sehr verschmälert, und die Fühler waren ganz an
der Brust verborgen. Eine leichte Störung machte sie nicht
munter. Angehaucht fingen sie an mit den Fühlern zu wedeln;
dann krochen sie langsam wie eine Lithocolletis; endlich flogen
sie nach dem Lichte, wie sie es auch im Garten thaten. Gleich
am folgenden Tage, nachdem ich die Puppen eingesammelt
hatte, krochen viele Schmetterlinge aus, und dies dauerte bis
zum 10 October fort. Eine Einwirkung der Tageszeit oder der
Witterung liess sich dabei nicht erkennen, sondern sie entwic-
kelten sich in der Schachtel den ganzen Tag über. Da ich nie
bei uns ein Exemplar im Frühling fing, so scheint in unsern
Gegenden der Winter ihrem Leben immer ein Ende zu machen.
In südlichen Gegenden aber ist es sicher anders; denn bei
Messina fing ich die Art im April, May und Anfang Juny
(Isis 1847, S. 894). Es lässt sich erwarten, dass der Jahrgang
auch bei uns nicht ohne Einfluss auf die Erscheinungszeit bleibt.
So habe ich bei Meseritz ein Weibchen 1866 schon am 9 Sep-
tember gefangen, ein andres bei Glogau 1850 am 4 Sept. Ein
aus Sarepta erhaltenes Männchen trägt das Datum: 6 Sept.
Die merkwürdigste Abweichung bietet ein Männchen, das ich
in den Steyrischen Alpen bei Seewiesen zu Ende July fing.
Noch sei die Wockesche Mittheilung aus den Schriften der
vaterländischen Gesellschaft (Separatum S. 4) erwähnt. Wocke
sammelte am 4 und 8 October bei Breslau in dem Weidenge-
sträuch an der Oder, an Convolvulus Sepium an 200 Raupen,
aus denen er die Motten vom 14 October bis zum 6 November
erhielt.
Chimabacche phryganella H.*
Nach Treitschke (IX, 1. S. 55) fliegt der Schmetterling» in
der ersten Frühlingszeit auf Weidenauen», was X, 5. S. 155,
* Es kann gar kein Zweifel sein, ungeachtet Zincken es nicht einräumen will,
dass diese Art die Zipsiella zur Wien. Verz. S. 138, n°. 24 » hirschfarbene Schabe
mit einem weisslichen Nerven» sei. Werneburg hat in seinen Beiträgen die Be-
stimmung dieser Lipsiella unabsichtlich ausgelassen. Weil aber die wenigen Worte
nun einmal bloss den deutschen Namen, und weder eine Beschreibung, noch eine
Diagnose geben, so stimme ich durchaus dafür, Hübner’s sehr passenden Namen für
die Art beizubehalten.
262 BEOBACHTUNGEN ÜBER DIE SPATLINGE.
ungeachtet der Mussehlschen Mittheilung wiederholt behauptet
wird. Auch Kollar sagt im Verzeichniss der Schmetterlinge des
Erzherzogthums Östreich S. 87: «im Frühjahr, dann im Spät-
herbst». Beide stimmen, hinsichtlich des Frübjahrs, mit Hübner
im Text zu den Schaben S.16, wo es heisst: «mit T. Salicella
zu gleicher Zeit und fast an gleichem Ort anzutreffen.»
Wenn, was nicht wahrscheinlich, diese Art in südlicheren
Gegenden eine andere Erscheinungszeit hat als in nördlichern,
so sind diese Angaben durch eine Verwechslung mit Chim.
hiemana veranlasst; Mussehl (bei Treitschke), Frey (Tineen der
Schweiz S. 7), Stainton (Manual Il, p 282), Rössler (Schmet-
terlinge des Herzogthums Nassau S. 228) und Andere haben die
Motte nur im Herbst gefunden. Ich selbst traf sie am frühsten
im Jahr 1866 am 45 October bei Stettin, am spätsten am 28
November 1858 bei Glogau, in letzterem Fall 2 Männchen zu
einer Zeit, wo wir schon Schnee und eine Kälte von 14° R.
gehabt hatten! Der Aufenthalt ist sehr verschieden, ohne
Zweifel weil die Raupe an verschiedenen Pflanzen lebt. Gewöhn-
lich traf ich den Schmetterling im Eichengehölz und Klopfte
ihn von den niederen Ästen, oder noch öfter aus dem Eichen-
gesträuch. Bei Glogau und Stettin schwärmte er im reinen
Kieferwalde, oft freiwillig, bei heiterem Wetter über Vaccinium
myrtillus. An diesem lebte die Raupe zu Anfang July trupp-
weise zwischen zusammengezogenen Blättern, bisweilen an den-
selben Pflanzen, an welchen die Raupe der Cidaria hastata in
blasenarlig zusammengesponnenen Blättern wohnte. Aus ihnen
krochen nicht selten Weibchen aus, die es mir trotz allem
Suchen nie geglückt ist an den Flugstellen der Männchen auf-
zufinden.
Exapate gelatella L.
Ich habe sie noch nicht lebend gesehen, aber Metzner fing
in verschiedenen Jahren am 6 und 10 November eine Anzahl
Männchen bei Frankfurt a. d. O. an Gartenhecken.
(Schluss folgt).
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN
BESCHREVEN EN MEERENDEELS OOK AFGEBEELD
DOOR
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven.
Derde stuk met drie platen.
VIERDE FAMILIE. — LYGAEODEN.
LYGAEODEA.
Mel. deze familie is het, wat de naamgeving betreft, even als
met de tweede moeijelijk om eene gepaste Hollandsche benaming
uit te denken. Het is mogelijk dat de naam Lygaeus, door
Fabricius het eerst gebezigd en die in het Grieksch donker be-
teekent, afgeleid is van de kleur van eenige soorten; doch men
weet dat Fabricius niet altijd even veel gaf om de beteekenis
der namen die hij uitkoos, en alleen verlangde dat zij kort
zouden zijn en welluidend; men mag dus aannemen dat de ge-
dachte aan donker coloriet hier geheel op den achtergrond moet
treden, zoo veel te meer voor ons, daar het geheele geslacht
Cymus alleen licht gekleurde soorten aan te wijzen heeft. Ik
heb den naam Lygaeodea dus onvertaald gelaten, maar met een
Hollandschen uitgang gebezigd.
De gedaante dezer dieren in het algemeen is nog al afwisse-
lend; die der eenige soort van het geslacht Lygaeus stemt in
habitus en kleur met de Pyrrhocoriden overeen; de beide ge-
slachten, die daarop volgen gelijken eenigzins op Coreoden, het
geslacht Cymus op de Capsinen, Zosmenus op de vliezige want-
964 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN,
sen (Tingididen) en Ophthalmicus staat geheel op zich zelf. Het
is dus vrij moeijelijk eene zuivere schets van de eenigzins hete-
rogene familie te geven. Wij zullen het nogthans beproeven.
De kop is zeer verschillend in breedte, doch altijd driehoekig
van vorm en niet ver vooruitstekend. De oogen zijn middel-
matig, behalve bij het geslacht dat er zijnen naam aan ontleent
Ophthalmicus, en staan op de zijden van het hoofd; gewoonlijk
raakt hun achterrand den voorrand van den prothorax aan; de
bijoogjes zijn bij alle soorten zigtbaar en staan op den schedel,
elk digter bij het oog aan zijn’ kant dan bij het andere bijoogje.
De sprieten, die uit vier leedjes bestaan, zijn gewoonlijk draad-
vormig, somwijlen met een iets dikker eindlid; hun eerste lid
is het kleinste en is ingeplant op een kort knobbeltje aan de
zijde van den kop voor de oogen. Bij Zosmenus ziet men tus-
schen hen, voor aan den kop twee uitspringende doorntjes. De
zuigerscheede bestaat uit vier leedjes, waarvan de twee middel-
sten in den regel de langsten zijn.
Het borststuk is meestal bijna vierkant of trapezium-vormig,
op den rug gezien; het loopt van digt aan de basis naar den
kop toe hellend af en heeft in het midden of even daarvoor
dikwijls eene dwarsgleuf. Het schildje is altijd driehoekig en
nimmer meer dan middelmatig van grootte.
De voorvleugels komen in vorm met dezelfde deelen bij de
vorige familie overeen. Op het leder kan men gewoonlijk twee
lengte-aderen herkennen, waarvan de eene meest gevorkt is;
ook op het sluitstuk ziet men somwijlen eene ader in de lengte.
De membraan vertoont nooit meer dan 5 aderen, welke ge-
woonlijk niet door dwarsaderen verbonden zijn; bij het geslacht
Zosmenus bestaat de membraan uit een eenigermate hoornachtig
en een vliezig gedeelte, ‘tgeen een bijzonder merkwaardige af-
wijking is van den gewonen regel. Bij enkele individuen van
sommige soorten uit andere geslachten ontbreekt de membraan
wel eens geheel of gedeeltelijk.
De pooten zijn gewoonlijk vrij lang, doch zeer verschillend in
dikte; de voorpooten zijn bij een of twee geslachten veel dikker
of eenigzins dikker dan de midden- en achterpooten, meestal
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 265
zijn zij in dat geval ook gedoornd. Aan de tarsen ziet men bij
allen drie leedjes, waarvan het eerste meestal het langste is en
het laatste met twee klaauwtjes en twee zuiglapjes gewapend;
aan de onderzijde is het eerste lid digt met kleine haartjes be-
zet. De heupen van elk paar pooten staan digt bij elkander.
Op de borst ziet men nimmer eene gleuf voor den zuiger.
Aan het abdomen telt men zes segmenten en de organa
generationis; deze laatsten zijn bij de verschillende genera zeer
sterk op elkander gelijkend,
Men treft de Lygaeoden op en onder planten aan; het is
waarschijnlijk dat zij van de sappen uit den stengel en de
laagste bladstelen leven, hoewel Burmeister verzekert dat zij
hun voedsel trekken uit de vochten van doode insecten, die zij
niet zelf gedood hebben.
Verdeeling der geslachten.
1 (10). Kop zonder doorntjes of hoorntjes tusschen de oogen.
2 (9). Oogen kleiner dan een vierde gedeelte van den kop, op
den schedel gezien.
DI
(8). Geen drie gesloten cellen aan de basis der membraan.
4 (5). Het 4°en 5° buiksegment bij het wijfje duidelijk herkenbaar
en met regten achterrand. Kleur grootendeels menierood.
Gen. 1. Lycazus F.
5 (4). Het 4° en 5° buiksegment bij het wijfje of alleen het
3° niet zigtbaar en onder het derde teruggetrokken. De
kleur nimmer menierood.
6 (7). Het 4° buiksegment bij het wijfje zigtbaar. De voordijen bij
beide geslachten zeer verdikt en meest getand of gedoornd.
Gen. 2. Pacnymerus Lepel.
7 (6). Het 4° en 5° buiksegment bij het wijfje onzigtbaar. De
voordijen niet dikker dan die der beide andere paren.
De membraan reikt ver over het achterlijf heen.
Gen. 4. Cymus Hahn.
8 (5). Drie gesloten cellen aan de basis der membraan, welke
niet over het achterlijf heen reikt.
Gen. 5. HETEROGASTER Schill.
266 | DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
9 (9. Oogen zoo groot of grooter dan een vierde gedeelte
) 8 5 S 5
van den kop, op den schedel gezien.
Gen. 5. OrPuraazmicus Hahn.
10 (1). Twee hoorntjes of doorntjes voor aan den kop, waar-
schijnlijk de zijdelingsche lappen van het aangezigt, tot
uitsteeksels verlengd.
Gen. 6. Zosmenus Cast.
Genus 1. Lyçaeus F.
Ligchaam langwerpig ovaal, doch de afronding vooraan door
de driehoekige gedaante van den kop gewijzigd. De kleur der
Europeesche soorten van dit geslacht rood en zwart; exotische
soorten meest oranje, De kop driehoekig, minder lang dan
breed met bolle, uitpuilende oogen; de sprieten van vier leedjes;
het eerste slechts weinig voorbij de spits van den kop uitstekend;
het tweede meer dan dubbel zoo lang; het derde korter dan 2,
langer dan 1 en het laatste iets langer dan het 5°. De zuiger
reikt tot de midden- of achterheupen; zijn eerste lid langer
dan de kop. Het borststuk veel breeder dan lang, naar voren
smaller wordend, aan de vier hoeken afgerond, doch sterker
nog aan de achter- dan wel aan de voorhoeken. Het schildje
niet veel korter dan het halsschild lang is, puntig driehoekig.
De vleugels iets langer dan het abdomen, het corium en de
clavus zonder puntjes; de membraan met 5 gekromde, uit de
basis voortkomende aderen. Pooten vrij lang en tamelijk dik,
zonder iets bijzonders. De doorsnede van het abdomen een af-
geronde ezelsrug; de spits van het achterlijf bij het wijfje als
afgerond.
Lygaeus equestris L.
Plaat 2. Deel IV. 2° Serie. fig. 9.
Linn. S. Nat. V. p. 496. 77. — Fabr. S. Rh. 217. 57. — Wolff,
Ic. Cim p. 24. tab. 5. f 24. — Schill., Beitr. I. p. 58. tab. V. f. 4. —
Hahn, W. Ins. I. p. 21. fig. 12. — Burm. Handb. U. p. 298. 5. —
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 967
Panz. Fn. Germ. 79. 19. — Curtis, Brit. Ent. X. 481. — Flor, Rh.
Livl. 1 p. 225.
Lengte 10—11 mm. Rugzijde rood met zwarte teekening;
aan de onderzijde de kop en de geheele thorax dofzwart, het
abdomen rood met zwarte vlekken. Oogen bruin, sprieten en
pooten zwart.
Op den kop een helderroode vlek in ruitvorm; over den
prothorax op de achterhelft een roode dwarsband, naar voren
driemaal en naar achteren mede driemaal uitstekend, het breedst
aan de zijden; schildje dof donkergrijs met een verheven langs-
streepje, dat soms rood is.
Dekschilden rood; op den clavus twee ronde zwarte vlekken
en onder iedere eene bruine veeg; op het corium eene gegolfde
zwarte dwarsband, die naar de zijden het breedst is. Op de
zwarte membraan, die wit omzoomd is, in het midden een
ronde witte schijf, daar boven een half maantje en op zijde
een driehoekje, iets doffer wit. Buik rood met aan iedere zijde
eene rij van 3 vierhoekige zwarte vlekjes en op zijde van de
kielvormige verhooging twee rijen van 5 zwarle streepjes en
daaronder een breede zwarte dwarsstreep. Het laatste segment
en de genitalien zwart.
Eene bij ons hoogst zeldzame soort. De collectie der N. E. V. bezit
een vrouwelijk ex. door den heer Gerlach in Friesland gevangen.
Gen. 2. Pacuymerus Lepel.
Ligchaam zeer verschillend van gedaante, eirond of langwerpig
eirond, somwijlen vrij breed en plat, dan weder lang en bijna
rolrond. De kop tamelijk gewelfd en altijd driehoekig, somwijlen
vrij puntig uitloopende nu eens breed, dan tamelijk smal, ge-
woonlijk tot aan de oogen in het halsschild gedoken. Oogen in
den regel klein en weinig uitpuilend. Sprieten aan de zijden
van den kop op een klein rond grondstuk ingeplant, verschillend
van lengte tusschen 1 en 2 van de ligchaamslengte ; zij bestaan
uit 4 leedjes, waarvan het 1° altijd het kleinste, de overigen in
den regel schier in lengte gelijk. Snavel (zie pl. 10. fig. 10 3)
268 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
van vier leedjes, zich uitstrekkende tot de heupen van het
tweede of derde paar pooten. Prothorax meestal aan de achter-
zijde zeer veel breeder dan aan den voorrand met eenmaal in-
gedeukte scherpe zijranden en dikwijls als uit twee verschillende
stukken zamengesteld , waarvan het achterste het ruwst bewerkt
is. Schildje zeer verschillend in grootte, doch ten allerhoogste
met zijne spits de helft van het abdomen bereikende, zeer
dikwijls een gelijkzijdigen driehoek vormend. Dekschilden dan
eens breed, dan weder smal, somwijlen niet volkomen uitge-
groeid, meest geelachtig van kleur met bruine of zwarte vlekken.
De membraan met 5 gegolfde, meest onduidelijke aderen. De
pooten in den regel kort en krachtig; het voorste paar dijen
dikker dan de overigen, somwijlen bijzonder opgezet, gewoonlijk
met een of twee doornen of eene rij tandjes gewapend; de
schenen in den regel met doorntjes, soms echter eenvoudig
maar met haren begroeid; het voorste paar somwijlen naar
binnen gebogen. Het eerste lid der tarsen altijd het langste
der drie. Het achterlijf meestal bootvormig, dikwijls met op-
gewipt of plat boord, bij zeer weinige soorten verlengd.
Tafel der soorten.
1 (4). Ligchaam verbreed, buik zeer plat.
2 (5). Licht gekleurd; lid 1 der sprieten steekt
slechts even voorbij de spits van den kop
uit; lid 2 duidelijk langer dan 5... Abietis.
5 (2). Donker gekleurd; lid 1 der sprieten
steekt vrij ver voorbij de spits van den
kop uit; lid 2 bijna gelijk aan 5. . . ferrugineus.
4 (1). Ligchaam niet in het oog vallend breed;
buik eenigzins of zeer uitpuilend.
5 (10). De kop breeder dan de voorrand van
het halsschild.
6 (7). Sprieten en pooten donker gekleurd.
a. Schildje donker kastanjebruin,
ligchaam kort, gedrongen. . . . rusticus.
b. Schildje zwart, dekschilden kort,
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 269
licht gekleurd, ligchaam slank . hemipterus.
c, zwart met geele vlekjes voor de
SDS raken carb eerie Jess ENA EEN nubilus.
. Sprieten en pooten licht gekleurd.
. 9° en 5° lid der sprieten en de pooten geel sabulosus.
Se oe we ee Dd » » » » rood rufipes.
. Kop even breed of smaller dan de voor-
rand van het halsschild.
). Rug van den thorax niet geheel zwart.
a LD. aes Npe SOUS Li be clus sone marginepunctatus.
» DD » zwart met grau-
wen of gevlekten achterrand.
. Zwart met grauwe vlekjes.
6). Met drie grauwe vlekjes. ....... chiragra.
5). Met twee grauwe vlekjes, dekschilden
getijgerde 2.00%. . Kae cea dada 6 CUS:
. Zwart met grauwen achterrand.
. Deze achterrand smal en het ligchaam
Rene SAR ne cans iets tse ties decurtatus.
. Deze achterrand breed en het borst-
stuk met witten of geelen zoom in de
zijden
. Die zoom is wit en alleen breed op de
MARSOC UES eeb ea a sn pictus.
. Die zoom is geel, breed of smal.
. Breed.
. Achterhelft van den prothorax helder
EGO ee CAROTA OE TDI ar quadratus.
. Achterhelft van den prothorax vuil geel
LO seek RE TE Lynceus.
. Smal.
. Lengte 7 millim., pooten donker . . . Pini.
De » helder rood. agrestis.
. Rug van den thorax geheel zwart.
. Dekschilden zwart of donkerbruin zon-
der geele vlekken.
270 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
30 (51). Dekschilden zwart . . . . . . . . . . . pusillus.
31 (50) » donkerbruin.
52 (55). Voorste helft van den prothorax zeer
gewelfd en vrij harig . . . . . . . . . plebejus.
E)
55 (52). Voorste helft van den prothorax niet
bol, noch harig.
a. Slechts een millimeter lang . . . bidentulus.
b. Meer dan 2 mm. lang . . . . . sylvaticus.
54 (29). Dekschilden lichtbruin of geel gevlekt.
55196). Aan het eind van het corium eene
scheve bruine wiek. ea e praetextalus.
56 (55). Aan het eind van het corium eene
vorkachtige denker bruine vlek, die
eene geele randvlek omvat . . . . . . conlraclus.
1. Pachymerus Abietis L.
Plaat 10, fig. 1.
Linn. S. Nat. V. p. 505, 115. — Fabr. S. Rh. 256, 16. —
Panz. D. Ins. 92, 22. — Schill. Beitr. I. p. 85. 2. — Flor.
Rh. Livl. I. p. 255.
Lengte 7 mm. — Deze en de volgende soort, welke zeer
sterk op elkander gelijken, munten uit door platheid van lig-
chaam, welke haar uitmuntend in hare wijze van leven te pas
komt; zij huizen namelijk tusschen de schubben van pijnappels,
gelijk de naam van deze soort aanduidt. Kop zwart, vrij puntig
naar voren uitstekend, doch niet veel langer dan breed. Oogen
bruinzwart, tamelijk uitpuilend, daarachter een zeer smal halsje.
Sprieten zwart, het eerste lid roodachtig en niet of slechts even
uitstekend voorbij de spits van den kop, lid 2 veel langer dan
5,
geel randzoompje, dan rood met bruinen tint en zwarte stippeltjes.
Schildje groot, breed, zwart met eenigen glans Dekschilden
5 iets langer dan 4. Prothorax aan de voorzijde zwart met een
licht geelachtig bruin of lederkleurig met twee hruine vegen een
op het corium tegen den clavus aan, de andere wigvormig
staande op den achterrand van het corium; membraan leder-
Inlandsche He miptera.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 971
kleurig met donkerder aderen, die zeer fijn zijn; een lichtge-
kleurd vlekje in den bovenhoek, een ander een weinig daaronder.
Pooten geelachtig rood; de voordijen zeer dik met een’ doorn
aan de onderzijde in het midden en eene rij tandjes aan het
uiteinde onder de knie; voorste scheenen naar binnen krom
gebogen. Borst dofzwart, buik van de kleur der pooten.
Van deze soort verkreeg ik toevalliger wijze in Maart vele
exemplaren op de Gliphoeve; mijn zoontje amuseerde zich met
het zamelen en verkruijen van sparrenkegels in een kinderkrui-
wagentje; het stooten en hotsen deed de dieren hunne schuil-
plaatsen verlaten en het jongetje kwam zich bij mij beklagen
dat zijn kruiwagen altijd onder het rijden vol werd met beesten. —
Abietis werd voorts door den heer van Walchren te Brummen
aangetroffen.
2. Pachymerus ferrugineus L.
Plaat 10, fig. 2.
Linn. S. Nat. V. p. 501, 99. — Schill. Beitr. I. p. 82. 1.
tab. 7 fig. 7. — Burm. Handb. Il. p. 295. — Hahn, W. Ins.
Ill. p. 54 fig. 254. — Flor, Rh. Livl. I. p. 255
Lengte 7 mm. — Men kan deze soort na de vorige genoeg-
zaam beschrijven door alleen maar de punten van verschil op
te geven, welke tusschen beiden bestaan. De kleur der lichte
ligchaamsdeelen is bij deze niet geelachtig rood, maar bruin-
achtig rood, naar kersrood trekkende. De sprieten zijn of ge-
heel rood, of ten minste de twee middelste leden; lid 1 springt
verder vooruit en lid 2 is in verhouding daarvan korter dan
bij Abietis. Aan het voorste deel van het borststuk ontbreekt
het geele randje aan de zijden. De dekschilden en de membraan
zijn ongevlekt; de laatste is donkerder van tint.
Van deze soort welke voor jaren reeds door dea heer Gerlach
in Friesland was aangetroffen, ving de heer Weyenbergh in den
Aerenhout bij Haarlem in Januarij eenige exemplaren en de heer
Ritsema bezorgde mij eene larve, in Augustus bij Overveen ge-
vangen.
20
979 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
5 Pachymerus rusticus Fall.
Plaat 10, fig. 3.
Fallen Hem. I. 64, 25. — Schilling, Beitr. I. p. 84. n°. 26.
tab. 7. f. 5. — Hahn, W. Ins. I. p. 45. fig. 27 en p. 225.
fig. 116. — Flor. Rh. Livl. I. p. 241.
Lengte 5 mm. — Zwart vrij digt bezet met fijne opstaande
haartjes op de rugzijde. De kop nedergebogen, aan den achter-
rand met de oogen breeder dan de voorrand van het halsschild.
De oogen vrij groot, bruin. Sprieten korter dan de helft van
het lijf (iets te lang op de plaat), roodachtig bruin met het
eerste lid zwart; dit is kort doch steekt toch voor de kopspits
uit; lid 2 iets langer dan 5, zoo lang als 4. Zuiger roodachtig
geel, tot de middenheupen reikend. Halsschild vrij digt gekor-
reld; op de achterhelft, die een’ rooden gloed vertoont, grover
dan op de voorhelft. Het schildje zeer groot, grof gekorreld en
daardoor dof. Dekschilden donker kastanjebruin met grove pun-
ten, die op den clavus in rijen staan. Membraan grauw met
eenige zwarte vlekjes tusschen de bogtige aderen. Pooten bruin-
rood, met ietwat donkerder tarsen; de voordijen zijn in geringe
mate dikker dan die van het middenpaar en bij het wijfje glad,
bij het mannetje naauwelijks zigtbaar getand. De voorscheenen
regt.
Deze soort, die gemeen is in Augustus bij Utrecht tusschen
gras, zal wel nergens zeldzaam zijn, doch zij wordt om hare
geringe grootte en doffe kleur weinig opgemerkt. De heer Six
zond een zeer donker voorwerp, in Aug. bij Utrecht gevangen,
ik ving een lichter gekleurd bij Leyden.
4. Pachymerus nubilus Fall.
Plaat 11, fig. 6.
Fall. Hem. I. 54. 10. — Schill. Beitr. T. p. 68. n°. 7. tab. 7.
f. 2. — Hahn, W. Ins. I. p. 68. PI. X. f. 41. — Herr. Sch.
Fn. Germ. 121; 5. — Flor, Rh. Livl. I. p. 246.
Lengte 6 mm. — Zwart met grijze plat nederliggende haar-
tjes dik bezet. De driehoekige kop met bruine zeer uitpuilende
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 975
oogen, is merkelijk breeder dan de voorrand van het halsschild.
Sprieten zwart, een weinig behaard , zoo lang als het halve lijf;
lid 4 springt even voorbij de spits van den kop, 2 is dubbel
zoo lang, 5 en 4 gelijk, elk iets korter dan 2. Halsschild met
tamelijk scherpe in het midden wat ingebogen zijkanten, aan
den achtterrand veel breeder dan aan den hals, met een klein
en onduidelijk geel vlekje aan den zijrand achter de weinig
zigtbare dwarsplooi. Schildje vrij lang en puntig, voorbij de
helft geel gevlekt en zwart gestippeld. Dekschilden geelgrauw
met teekeningen van zwarte ingedrukte puntjes tusschen de
aderen; op smalle plekjes vereenigen zich deze puntjes tot vlek-
jes. Membraan grijs, flaauw donkerder gemarmerd. Heupen
zwart, dijringen rood, dijen zwart met grijze zijdeachtige be-
haring en roode knieën; de voordijen vrij dik met drie duide-
lijke tandjes. De voorscheenen rood, de middelsten half zwart,
half rood, de achtersten zwart met roode tippen. Het eerste
lid der voortarsen rood en alleen veel langer dan de beide
anderen, die zwart zijn. De zuiger reikt tot aan de midden-
heupen en is zwart behalve het einde van het eerste lid, dat
rood is.
Deze soort werd door den heer Buse bij Haarlem en door
den heer van der Wulp in Junij bij den Haag aangetroffen. Ik
ving haar in Aug. te Brummen.
5. Pachymerus hemipterus Schill.
Plaat 10, fig. 8.
Schill., Betr. I. 77, 20. tab. 6. fig. 11. — Hahn u. Herr.
Sch., W. Ins. I. p. 61. f. 57 et IX. p. 210. — Flor, Rh. Livl.
I. p. 261.
Lengte 5 mm. — Zwart met de dekschilden vuilgeel of bruin.
Kop zeer weinig breeder dan de voorrand van het halsschild,
driehoekig, even breed als lang. Sprieten ongeveer van de
halve lengte van het ligchaam, zwart met het 2° lid bruinrood
aan de basis, Lid 1 reikt niet aan de spits van den kop, 2 en
9 zijn even lang of 2 is iets langer. Het borststuk is iets lan-
ger dan breed, aan het voorste gedeelte wat bol, met de
974 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
dwarsnaad ver naar achteren geplaatst; voor die naad is het
glanzig, daarachter dof, gestippeld en wel eens lichtbruin van
kleur. Het schildje is aan de zijde en de spits met tamelijk
grove puntjes gestippeld. De dekschilden zijn bij onze inlandsche
voorwerpen korter dan het halve achterlijf, geel of bruin met
rijen van donkere stippen geteekend en aan het einde van eene
strook witte membraan voorzien. Vleugels schijnen mij toe te
ontbreken. Aan de pooten zijn de heupen, trochanters en bases
der dijen bij een voorwerp rood, bij het andere geel; de schee-
nen hebben bij het laatste cok een’ vuilgelen tint.
Deze soort werd door den heer Six in September bij Drie-
bergen en elders in de omstreken van Utrecht gevangen; ik
trof haar in Julij bij Dieren aan. *
6. Pachymerus sabulosus Schill.
Plaat 10, fig. 4.
Schill. Beitr. I. p. 81. 25. — Curtis, Brit. Ent. XIII. pl. 642. —
Hahn, W. Ins. I. p. 224. tab. 56. f. 117. — Flor, Rh. Livl.
L p. 245.
Lengte 2,5 mm. — Zwart met fijne grijze, opstaande haar-
bekleeding op de rug-, en zijdeachtige bedekking op de onder-
zijde. Kop door de uitpuilende oogen iets breeder dan de
voorrand van het halsschild, met doffen glans, fijn gestippeld.
De sprieten iets langer dan de helft van het ligchaam, stroo-
geel met het laatste lid zwart of grijs; lid 1 zeer kort, 2 iets
langer dan 5, 4 het dikste, spoelvormig. Zuiger roodachtig
geel. Halsschild met ingedeukte zijden, aan den achtterrand
zoo breed als de lengte, fijn gestippeld; de achterrand zelf
vuil geel. Schildje tamelijk klein, iets langer dan aan de basis
breed. Bovenvleugels bruinachtig geel met rijen zwarte stippen;
aan den achterrand van het corium een wigvormige bruine vlek;
membraan grauw met bruine aderen. Pooten bruinachtig geel
met het midden der dijen en het eerste lid der tarsen bruin.
1 In de laatste naamlijst van inlandsche Hemipteren, in het 3e Deel van het Tijdschr.
v. Ent. staat deze soort ten onregte vermeld als Staphyliniformis Schill.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 275
Deze soort werd te Driebergen gevangen door den heer Six;
zij is er volgens zijne verklaring vrij gemeen op heidegrond.
7. Puchymerus rufipes Wolff.
Plaat 11, fig. 7.
Wolff, Ze. Cim. p. 151. tab. 15. fig. 145.
-
Lengte 5 mm. -— Zwart, niet zeer glanzig, maar door een
zijdeachtig grijs vilt bedekt. De kop met de zeer uitpuilende
oogen kort en veel breeder dan de voorrand van het halsschild ,
sterk gestippeld. Sprieten zoo lang als het halve ligchaam; lid 1
gelijk komend met de spits van den kop, bruin; lid 2 en 5
gelijk van lengte, slank, rood; lid 4 even lang, doch dikker ,
spoelvormig. Zuiger bruin, tot de achterheupen reikend. Hals-
schild vierkant, zeer sterk gestippeld, vooral aan de achterzijde ;
de dwarsnaad bijna niet bemerkbaar. Schildje tamelijk bol en
minder sterk gestippeld dan de thorax. Dekschilden niet langer
dan het halve achterlijf, geel met rijen van zwarte stippeltjes
en twee kaneelbruine vlekken aan het einde, waarvan de bin-
nenste de grootste is; de membraan vormt om den achterrand
een’ smallen witten zoom. Achterlijf op den rug met een dui-
delijk opstaanden rand. Pooten rood, behalve de heupen en
het laatste lid der tarsen, die zwart zijn. De voordijen zijn wel
iels dikker, doch dragen geene doorntjes.
Indien de figuur van Wolff werkelijk deze soort voorstelt, is
zij al zeer ongelukkig uitgevallen; ik twijfelde dan ook zeer of
ik mijn eenig voorwerp wel den naam /tufipes geven mogt, toen
de heer Mayr mij onder den naam Acompsus rufipes WIff een
voorwerp van volkomen dezelfde soort toezond, doch dat iets
grooter was. Trouwens de korte beschrijving van Wolff, p. 151
past volkomen, doch is oppervlakkig.
Het eenige inlandsche voorwerp dat ik ken, werd in Mei door
den heer Six bij Utrecht gevangen.
8. Pachymerus marginepunctatus Wolff,
Plaat 11, fig. 4.
Wolfl, Ze. Crim. p. 150. tab. 15 f. 144 et p. 115. tab, 11.
976 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
f. 107 (Griseus). — Schill. Beitr. I. p. 71. n°. 11. tab. 6 f. 8.
Panz. Fn. Germ. 118, 7. — Hahn, W. Ins. I. p. 52. tab. 8.
fig. 52.
Lengte 4—6 mm. Geheel grijs, kenbaar bovendien aan het
boven op platte en vierkante halsschild. Kop breed, doch met
de oogen nog iets smaller dan de voorrand van den thorax,
gestippeld. Oogen vrij groot, zwart. Sprieten iets langer dan
het halve lijf, grauw met eenige weinig stijve haartjes bezet;
het tweede lid langer dan het derde, het vierde dikker dan de
overigen en spoelvormig. De thorax plat, achter slechts weinig
breeder dan voor, met de dwarsplooi duidelijk, over de helft
der lengte, met vele stipjes bezet, die aan de eenigzins door-
schijnende zijranden tot vlekjes zijn opgehoopt; in het midden
van den voor-, en evenzoo van den achterrand een klein wit
driehoekje; schildje langwerpig. Dekschilden aan de buitenran-
den met dwarsstreepjes getijgerd, de aderen zeer fijn bruin
omzoomd met stippeltjes daar tusschen. Membraan met bruine
aderen en bruine vlekjes daar tusschen. Onderzijde vrij donker
grijs met lichte naden; pooten grauw met gele heupen en
knieen.
Door den heer Six in April aan de Bildt en in den zomer
te Driebergen gevangen, door mij in Aug. bij Rozendaal en
Velp in Gelderland en op de Hollandsche duinen.
9. Pachymerus Chiragra F.
Plaat 12, fig. 1.
Fabr. S. Rh. 255. 144. — Burm. Handb. II. p. 294. 2. —
Hahn, W. Ins. I. p. 56, tab. 9. f. 54. — Schill. Betr. I. p. 75. .
tab. 6. f. 9. — Herr. Sch. Fn. Germ. 122, 8. — Flor, Rh.
Livl. I. p. 254.
Lengte 5—6 mm. — Kenbaar aan drie grauwe vlekjes op
den achterrand van den thorax. Dofzwart en geheel met op-
staande, doch ijl geplaatste zwarte haartjes bezet. Kop ets
smaller dan de voorrand van het halsschild. Oogen weinig uit-
puilend. Sprieten iets langer dan het halve lijf, zwart behalve
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 977
het tweede lid, dat rood is met zwarte spits. Lid 1 reikt even
voorbij de spits van den kop, de 5 overigen ongeveer gelijk in
lengte, elk bijna dubbel zoo lang als 1. Thorax bol verheven
op het voorste gedeelte, dat meer dan tweemaal zoo lang is als
het achterste gedeelte, hetwelk platter is, bruinachtig van kleur en
geteekend met drie kleine ronde lichtgrauwe vlekjes, staande in
eene dwarsrij. Schildje grof gestippeld. Dekschilden vuil bruin
met zwarte spits en 4 dof donkerbruine vlekjes aan de achter-
zijde tusschen de aderen. Membraan donkergrauw met een of
twee lichtere vlekjes aan de basis. Pooten met de trochanters,
de scheenen in het midden en de tarsen geelachtig bruin, het
laatste lid evenwel donkerbruin. De voorste dijen zeer gezwol-
len, vooral bij het mannetje met een’ stevigen tand aan de
onderzijde niet ver van de knie; de voorste scheenen ietwat
naar binnen gebogen.
Deze soort schijnt zeldzaam; ik ken slechts twee inlandsche
voorwerpen, het eene door mij in de duinen bij den Haag ge-
vangen, het andere door den heer Six in de omstreken van
Utrecht.
10. Pachymerus varius Wolff.
Plaat 10, fig. 6.
Wolff, Ze. Cim. p. 148. tab. 15, f. 142. — Schill., Beitr. 1.
p. 78. tab. 6, f. 12, — Hahn, W. Ins. I. p. 69. tab. 10.
f. 42. — Flor., Rh. Livi. I. p. 256.
Lengte nog niet 5 mm. — Kenbaar aan twee gele of grauwe
vlekjes op den thorax en aan de dwarsbandjes over de vleugel-
tjes. Algemeene kleur gebronsd zwart. Kop en thorax met op-
slaande haartjes bezet. Sprieten kort, zwart met de helft van
lid 2 en 5 rood. Kop met de oogen zoo breed als de voorrand
van den thorax, zeer fijn gestippeld. Halsschild desgelijks, vrij
bol aan het voorste gedeelte met twee tamelijk groote, ovale
geelachtig grauwe vlekjes op het laatste derde deel. Schildje
met grijzen voorrand. Bovenvleugels lichter of donkerder vuil
geel of bruinachtig grauw met drie zwartachtige dwarsbandjes
over het corium, waarvan de middelste de aanzienlijkste en
978 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
naar den binnenrand toe bruiner en meer gewolkt is. De mem-
braan vertoont eene zwarte hoekige vlek, die breed wit om-
zoomd is. Onderzijde van het lijf zwart, schier niet gebronsd.
Pooten gezet en krachtig, de voorste dijen zeer dik met een
klein tandje van onder; heupen en dijen zwart, schenkelringen vuil
geel, scheenen rood of bruingeel met donkerder basis en spits
en, voornamelijk die van het voorste paar, met stijve borsteltjes
bezet; tarsen donkerbruin.
Deze soort is in onze duinen zeer gemeen; in de eerste warme
voorjaarsdagen kan men haar in menigte van individuen aan-
treffen in de sporen der schelpkarren. De heer Six vond haar
ook op de heidevelden in de provincie Utrecht in Junij en ik
trof haar in Augustus bij Heemstede aan.
11. Pachymerus decurtatus H. Sch.
Plaat 10, fig. 9 en 92,
Herr. Sch. W. Ins. IV. p. 10. tab. 115. f. 555. — Signoret,
Genre Micropus in Ann. Soc. Ent. 5° Série, 5. Pl. 2. f. 7et 8.
Lente 5 mm. — Lang en smal, gewoonlijk met onuitgegroeide
vleugels en dekschilden. Kop met inbegrip der oogen breeder
dan de voorrand van het halsschild. Oogen sterk op zijde uit-
puilend; daar achter loopt de kop smaller toe in de gedaante
van een’ hals. Sprieten zoo lang als de helft van het ligchaam,
vaalzwart; het 1° lid zeer kort, het 2° en 5° gelijk van lengte,
het 4° iets langer en veel dikker, spoelvormig. Thorax van voren
rondloopende, aan de zijden naar achteren zich verbreedende,
met stompe achterhoeken, zwart weinig glanzig met den achter-
rand breed, bruin of geel. Het schildje zeer langwerpig. Dek-
schilden vaal geel met bruine aderen, die somwijlen aan den
rand nog breed met bruin omzet zijn; membraan van dezelfde
kleur met bruine aderen en bruingewolkt, gewoonlijk den ach-
terrand van het lijf niet bereikende. Gewoonlijk zijn de dek-
schilden en vleugels niet uitgegroeid en schijnen dan slechts
korte schubben, als fig. $° op onze tiende plaat. Het achterlijf
is zwart, de pooten rood met het grootste gedeelte der dijen
zwart. Het was mij bij mijne voorwerpen niet mogelijk te zien
PL
AJW. sculps. —
Inlandsche Hemiptera.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 979
hoe ver de zuiger zich uitstrekte. De voordijen zijn bij deze
soort niet veel dikker dan de overigen, daar alle paren vrij
dik zijn.
De heer Overdijk ving deze soort bij Katwijk en de heer de
Man in het duin bij Vlissingen.
12. Pachymerus pictus Schill,
Plaat 11, fig. 5 en 52.
Schill., Beitr. I. p. 79, 22. Tab. 7. f. 1. et p. 80 n° 25. —
Hahn, W. Ins. I. p. 64. tab. 10. f. 59 et p. 159. tab. 22. f. 71. —
Herr. Sch. Fn. Germ. 120, 3. — Flor, Rh. Livl. 1. p. 277.
Lengte 51—41 mm. — Er bestaan twee verscheidenheden
van deze fraaije soort, nam. met roode en met zwarte sprieten ;
wij houden de eerste, die het menigvuldigst voorkomt, voor
den type. Zwart, thorax en dekschilden bont. De kop is een
weinig smaller dan het halsschild aan den voorkant en iets
breeder dan lang, doordien de oogen sterk uitpuilen. Het 1° lid
der sprieten steekt een vrij groot eind voorbij de spits van den
kop; het 2° is veel langer dan het 1°, het 5° iets korter dan het 2°,
het laatste wederom iets korter en spoelvormig; in het geheel zijn
de sprieten veel langer dan het halve lijf. De zuiger reikt tot
de middenheupen. Thorax aan den achterrand veel breeder dan
lang, naar voren versmald, de zijranden met eene duidelijke
golving in het midden. De kleur van de voorhelft, die slechts
weinig langer is dan de achterhelft is zwart met fijne witte
randen; die der achterhelft is wit met twee scheef-zakvormige
lichtbruine vlekken of roodbruin met een zeer fijn wit randje;
het witte zoompje is bij de dwarsnaad vrij diep naar binnen
gebogen. Schildje dofzwart of bruinzwart. Bovenvleugels licht
beengeel met een’ gehakkelden roodbruinen achterrand en op
ieder twee scheefstaande roodbruine blokjes; membraan bruin-
achtig geel met bruine aderen en twee kleine bruine vlekjes aan
de basis. Zeer dikwijls zijn de dekschilden onvolgroeid en nemen
dan de gedaante en teekening aan van fig. 5°, terwijl de mem-
braan een bijna driehoekig lapje wordt. Pooten vrij lang, licht
roodbruin, iets donkerder aan de dijen; de voordijen dikker dan
280 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
de overigen met een’ zeer grooten doorn en eene rij kleine
tandjes; scheenen van dat paar naar binnen gebogen, vooral
zeer sterk bij de mannetjes. Het eerste lid der tarsen aan de
achterpooten bijzonder lang.
De donkere verscheidenheid met zwarte sprieten en dijen heet
bij Hahn Decoratus, die met onvolgroeide dekschilden en vleu-
geltjes bij Schilling Affinis. Hoe Flor er toe gekomen is om deze
soort onder den naam van Podagricus F. te beschrijven, wil
mij in het geheel maar niet duidelijk worden, want de diagnose
van Fabricius slaat kennelijk op een geheel ander insect.
De type werd op verschillende plaatsen van ons land door
vele entomologen aangetroffen, de varieteit Decoratus uitsluitend
door de heeren de Haan (te Naarden?) en Six (te Driebergen
in menigte).
15. Pachymerus quadratus F.
Plaat 11, fig. 2.
Fabr., S. Rh. 252, 141. — Schill., Beitr. 1. p. 66. tab. V.
fig. 6. — Herr. Sch. Fn. Germ. 118, 9. — Hahn, W. Zus. I.
p 50, Tab. 8. f. 51.
Lengte 6 mm. — Zwart met vuilgeele vercierselen. Kop met
de vrij sterk uitpuilende oogen even breed als de voorrand van
het halsschild. Sprieten iets langer dan het halve lijf; het 1° lid
naauwelijks voor den kop uitstekend, zwart met lichter spits;
het 2° rood-bruinachtig geel met zwarte spits; de beide overi-
gen zwart; 4 kleiner dan 5. Thorax van boven bijna vierkant
met bol gebogen zijkanten, vuilgeel, met eene groote vierhoe-
kige vlek op het voorste gedeelte en slechts van den voorrand
afgescheiden door drie kleine geele driehoekjes; breede geele
achterrand met bruine stippeltjes. Schildje zwart, iets langer
dan breed. Dekschilden vuilgeel, met een’ bruinen gloed over-
loopen behalve aan den zijrand. Aan iedere zijde van het schildje
op den clavus eene zwarte streep en op het corium eene groote
ruitvormige vlek, die met eene zijde op den achterrand rust.
Membraan wit met bruinen eenigzins bronskleurigen gloed in
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 281
het midden en lichtbruine aderen. Onderzijde van het lijf zwart,
behalve de achterranden van pro- en metathorax; ook de meta-
thorax heeft een zweem van een geel zoompje. Heupen geel-
bruin, dijen zwart, scheenen lichtbruin, tarsen iets donkerder.
De beenen zijn slank, vooral de achterpooten; de voordijen zeer
dik met duidelijken doorn.
Dat insect schijnt bij ons zeldzaam; ’s Rijks Museum bezit een
door mij, in Julij op de duinen bij ’s Gravenhage gevangen
exemplaar.
14. Pachymerus Lynceus F.
Plaat 11, fig. 3.
Fabr. S. Rh. 251. 157. — Herr. Sch. Fn. Germ. 118 f. 10. —
Schill. Beitr. I. p. 66, Tab. 5. f. 7. — Hahn 4 W. Ins. I. p. 44.
Tab. 8. f. 28. — Flor, Rhynch. Livl. I. p. 275.
Lengte 7 mm. — Tamelijk glanzig zwart. Kop met de oogen
veel breeder dan lang, doch smaller dan de voorrand van het
borststuk. Sprieten geheel zwart, iets langer dan het halve lijf,
lid 1 een weinig voorbij de spits van den kop uitsteekend,
2 iets langer dan 5, 5 en 4 bijna gelijk. Het halsschild bree-
der aan den achter-, dan aan den voorrand, met bol gebogen
zijden; de dwarsgleuf voorbij de helft en daarachter de opper-
vlakte grof gestippeld. De zijranden zijn tamelijk breed licht-
geel, smal wegvloeijende naar den achterrandshoek *. Schildje
zwart, met twee zeer fijne naar elkander hellende geele streep-
jes. De dekschilden licht geel, doch zoo sterk met zwarte
stipjes overdekt, dat zij daardoor donkergrauw schijnen; aan
den binnenhoek ziet men op het corium eene groote, min of
meer schildvormige, donkerzwarte vlek, waarin geheel tegen den
achtterrand, weder eene kleinere ruitvormige witte; membraan
gemarmerd licht en donkergrauw met witte aderen, Zuiger tot
de voorste heupen reikend, zwart. Pooten sterk en tevens lang,
geheel zwart, behalve de voorscheenen, die bruinachtig geel zijn
+ Flor beschrijft het achterste derde gedeelte van het halsschild als geel met zwarte
stipjes; zijne exemplaren waren dus bijzonder licht van tint,
989 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
met zwarte spits. De voordijen zeer opgezwollen met een zeer
stevigen doorn en eenige fijne tandjes aan de onderzijde.
Ik ving eenige voorwerpen van deze soort in de duinen; aan
een dezer steekt een etiquet, waarop te lezen staat: Wassenaar,
17 April. De overigen komen, zoo ik mij wel herinner, van
Katwijk. Ook trof ik er eenmaal een in Mei bij Bennebroek op
den straatweg aan,
15. Pachymerus Pini L.
Plaat 11, fig. 1 en 18.
Linn., S. N. V. 500, 96. — Fabr. S. Rh. 229, 125. —
Hahn, W. Ins. I. p. 58. Tab. 7. f. 25. — Schellenberg, 12.
tab. 2. fig. 2. — Schill. Beitr. I. p. 64. tab. 5. fig. 5. — Wolff,
Ic. Cim. 74. tab. 8. f. 71. — Burm. Handb. II. p. 296. n°. 6. —
Flor, Rh. Livl. I. p. 269.
Lengte 7—7,7 mm. — Kenbaar aan zijne bijzondere grootte;
welke alleen geévenaard wordt door die der beide breede en
platte soorten, Abietis en ferrugineus. Zwart, het mannetje
glanzig, het wijfje dof. Kop schier zoo lang als breed, met
groote bolle oogen. Sprieten langer dan de helft van het lig-
chaam, zwart: lid 1 reikt een eindje voorbij de spits van den
kop; 2, 5 en 4 van gelijke dikte, 2 en 4 even lang, 5 iets
korter. De snavel reikt tot aan de midden-heupen. Thorax aan
den voorrand iets breeder, aan den achterrand veel breeder dan
de kop, met bol gebogen zijranden; bij het mannetje is het
midden van het voorste gedeelte vrij bol verheven en zijn de
zwarte zoomen eenigzins opgewipt, bij het wijfje is dit minder
sterk uitgedrukt; de breede achterrand is of (zie fig. 1) donker-
grauw met zwarte stippen en twee ovale vlekken aan de zijden,
benevens een zeer smal lijntje in het midden lichter grauw,
bijna geel, of wel (zie fig. 1° in het midden zwart en aan
iedere zijde bezet met eene onregelmatige lichtgrauwe, zwart
gestippelde vlek. Het schildje is tamelijk lang, zwart. De dek-
schilden zijn vuil stroogeel met eene menigte zwarte puntjes,
die rijen vormen om de aderen, bezaaid. Op den clavus tegen
het schildje staat eene zwarte eenigzins gebogen streep en op
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 985
het corium, niet ver van den binnenhoek eene zwarte fluweel-
achtige vlek, die uit twee vlekjes, een langwerpig en een eirond
schijnt te zijn zamengesteld. De membraan is zwart met een
zeer fijn geel zoompje en een naauwelijks bespeurbaar vuilwit
driehoekje aan den rand. Het achterlijf van het mannetje aan
de onderzijde gebronsd, door eene zijdeachtige bekleeding. De
pooten lang en slank, zwart, dikwijls met bruine voorscheenen ;
de voordijen tamelijk dik, aan de onderzijde met een soort van
gleufje en een’ zeer sterken tand.
Linnaeus noemde deze soort Cimex Pini, omdat zij niet on-
gemeen is in streken waar jonge dennen groeijen; indien hij
hare levenswijs beter gekend had, zou hij haar waarschijnlijk
Ericae genoemd hebben, want zij leeft onder de struikjes der
gewone heide. In onze provincien Utrecht en Gelderland is zij
niet zeldzaam; de heer G. A. Six ving haar meermalen bij Drie-
bergen, de heeren van Walchren en van Bemmelen te Brum-
men, de heer de Graaf bij de Bildt in September, ik op Ster-
kenburg, te Rhede, te Velp en te Brummen , meest in Augustus,
doch ook in October. — Merkwaardig is het dat de heeren
Pollen en van Dam op Nossi-Bé bij Madagascar eene soort van
Pachymerus vingen, die schier niet van Pini verschilt.
16. Pachymerus agrestis Fall,
Plaat 10, fig. 10 d en 10 9,
Fallen, Hem. I. p. 55, 12. — Schilling, Beitr. I. p. 70.
tab. 6. f. 6. — Hahn, W. Ins. I. 25, tab. 4. f. 15. — Flor,
Rh. Livl. p. 263. |
Lengte 4 mm — Het mannetje zeer gemakkelijk te herken-
nen aan de roode pooten. Zwart. Kop veel breeder dan lang,
met groote uitpuilende oogen, iets smaller dan de voorrand van
het borststuk. Sprieten zoo lang als de helft van het ligchaam ;
het 1° lid kort en slechts even voorbij de spits van den kop
reikend, lid 2 vrij lang, 5 en 4 iets korter. Bij het wijfje zijn
de sprieten geheel zwart, bij het mannetje het eerste lid en
somwijlen de basis van het tweede oranje-rood. De zuiger reikt
tot op de achterheupen en is zwart bij het 2, terwijl bij den &
984 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
de twee eerste leedjes oranje, de laatsten bruin zijn. De thorax
is bij beide geslachten zwart tot over de helft, verder bruin
of grauw met vrij diepe zwarte putjes; de voorrand is bijna
onzigtbaar geel gezoomd, de zijranden iets breeder. De achter-
rand is een weinig gegolfd. Het schildje is zwart, fijn gestip-
peld, iets langer aan de zijden, dan aan de basis. De dek-
schilden zijn bij het wijfje geel of grauw, bij het mannetje
geel, met eene menigte zwarte stipjes geteekend, die op den
clavus in 4 rijen staan en aan den binnenhoek dikwijls tot
vlekjes ineenvloeijen. Membraan grijs, grauw of vuilbruin met
witte aderen. De pooten zijn vrij kort, bij het 2 zwart, dik-
wijls met bruingeele heupen en knieën, bij het & alle pooten
oranje of wel alleen de vier voorsten met de heupen en de
helft der dijen van het achterste paar; gewoonlijk hebben de
dijen aan het eind een bruin vlekje. De voordijen zijn bij het
mannetje sterker gezwollen dan bij het wijfje en hebben aan
de onderzijde eene langsgleuf en twee sterke doorntjes, *t geen
bij het ¢ minder sterk is aangegeven; de voorscheenen zijn vrij
krom, vooral bij den man.
Men treft wel eens eene verscheidenheid van deze laatste sexe
aan met schier geheel donkerbruine pooten.
Deze soort is zeer gemeen in het duin aan de wortels van
verschillende planten; in Maart en April vindt men haar op
zonnige dagen menigvuldig in de sporen der schelpkarren. Zij
komt ook op de heidevelden voor, doch schijnt daar minder
talrijk.
17. Pachymerus praetextatus H. Sch.
Plaat 11, fig. 9.
Herr. Sch. Nomenclator ent. 1. p. 45 et 79 '. — Idem,
W. Ins. IV. p. 12. tab. 115. f. 557. — Curt., Brit. ent.
Vol. XIII, PI. 612.
Lengte 4 mm. — Vrij blinkend zwart. Kop zeer kort en
1 Op bl. 79 van het aangeh. werk en in den Index der Warez. Ins. noemt Her-
rich-Schaeffer onze soort Praeteztatus Panz. Ik vind echter bij Panzer niets dat op
haar betrekking heeft.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN, 285
breed, doch smaller dan de voorrand van den thorax; de
oogen vrij sterk uitpuilend. Sprieten langer dan het halve lijf,
zwart, behalve het 2° lid, dat naar de spits bruingeel wordt;
lid 1 zeer kort, 2 het langste van allen, 5 en 4 gelijk, het
laatste tamelijk dik. Thorax aan de eerste twee derde gedeel-
ten zeer bol uitgezet, vervolgens na den dwarsnaad tamelijk plat,
overal zeer sterk gestippeld, doch fijner naar voren toe; bij
den naad zijn de zijden diep ingekeept. Schildje klein, weinig
gestippeld zwart. Dekschilden vuilgeel met zwarte stippeltjes
meest in rijen en met een’ breeden koffijbruinen aan de voor-
zijde uitgeschulpten achterzoom; membraan vaal grijs met een’
witten zoom langs het corium en de helft van den binnenrand
en met een vuilwit driehoekig vlekje aan de spits. De pooten
zijn geheel vuil stroogeel behalve de dikke voordijen, die zwart
zijn met geele knieën; de tarsen zijn ietwat bruiner dan de
scheenen. De voordijen zijn met een sterken doorn gewapend
en hare scheenen zijn krom en kort.
Deze soort is zeldzaam; ik ving er een voorwerp van in April
bij den Haag.
18. Pachymerus contractus H. Sch.
Plaat 11, fig. 8.
Herr. Schäff. Nomencl. ent. I. p. 45. — W. Ins. IV. p. 97.
Tab. 140. fig. 440.
Lengte 5 mm. — Zwart met de helft der dekschilden licht
gekleurd. Kop bijna zoo lang als met de oogen breed, achter
de oogen in eene soort van halsje versmald. Oogen niet bijzon-
der groot. Sprieten iets langer dan het halve lijf, zwart; het
1° lid vrij lang, een eindje voorbij de spits van den kop uit-
stekende, lid 2 langer dan 5, 5 gelijk aan 4; aan het eind
zijn alle leden iets dikker. Zuiger tot het laatste heupenpaar
reikend, zwart. Halsschild aan den voorrand zoo breed als de
kop, doch plotseling zich verwijdend tot op de helft, dan weder
eenigzins versmallend om zich daarna nog sterker te verwijden ;
achterhoeken afgerond. De dwarsnaad zeer diep en aan beide
986 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
zijranden te dier plaatse een uiterst fijn wit zoompje. Het schildje
zwart met een gleufachtig indruksel in het midden der basis
en eene fijne kiel naar de spits toe. Bovenvleugels tot op de
helft licht geelachtig bruin, dan koffijkleurig donker bruin met
een driehoekje aan den rand van de lichtere kleur. Membraan
grauw met bruine aderen en eene lichte dwarsvlek aan de
basis. De pooten bij het mannetje vuilgeel, bij het wijfje bruin;
bij beide sexen de voorste dijen zeer dik, met twee tandjes
gewapend en de voorscheenen zeer krom.
Van deze op heigrond niet zeldzame soort ving de heer Six
beide sexen in de omstreken van Utrecht.
19. Pachymerus sylvaticus F.
Plaat 10, fig. 5.
Fabr. S. Rh. 229, 126. — Hahn, W. Ins. 1. p. 221. Tab. 56.
fig. 118. — Schill. Beitr. 1, p. 80. Tab. 7, fig. 4. — Herr.
Sch. Fn. Germ. 120, fig. 6. — Flor, Rh. Livl. I. p. 247.
Lengte 4--5 mm. — Zwart met donkerbruine bovenvleugels,
iets platter dan de vorige soorten en in gedaante ook eenigzins
verwant aan Abietis en ferrugineus. Kop breeder dan lang,
veel smaller dan de voorrand van den thorax. Sprieten zwart,
langer dan de helft van het ligchaam; lid 1 steekt ver voor
den kop uit, 2 is het langste van allen. Thorax breeder dan
lang, met de voorhoeken geheel afgerond, de dwarsnaad vrij
diep en ver naar achteren geplaatst; de kleur dof. Schildje
aan de zijden iets grover met puntjes bezet dan in het midden.
Dekschilden eenkleurig getaand bruin, tamelijk breed uitgezet
op het midden van het achterlijf; membraan rookkleurig, iet -
wat lichter aan de basis, dan aan de spits. Onderzijde zwart
met roodbruine laatste ringen. De zuiger tot de achterheupen
reikend, bruingeel. Pooten zwart met lichtbruine tarsen; de
voordijen aan de binnenzijde met rooden gloed, matig opge-
zwollen en met een zeer klein tandje voorzien.
Sylvaticus werd door den heer Six bij Driebergen en in
April op de heide achter de Bildt gevangen. De heer de Graaf
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 987
trof haar bij Wassenaar in October in de duinen aan. In April
vond ik een paar voorwerpen bij Bennebroek en in September
een bij Leiden.
20. Pachymerus bidentulus II. Sch.
Plaat 11, fig. 10.
Herr. Sch. W. Ins. VI. p. 51. Pl. 191. Fig. 588.
Lengte 5,5 mm. — Zwart met eenkleurig bruine dekschilden.
Kop klein, iets breeder dan lang met sterk uitpuilende oogen.
Sprieten zwart, aan de basis donkerbruin, zoo lang als het
halve ligchaam; lid 1 korter dan de kop, 2 iets langer dan 5,
dit laatste gelijk aan 4. Thorax vrij glanzig zwart, langer dan
breed, voor veel breeder dan de kop, naar achteren nog bree-
der uitloopend, zonder diepen naad; de achterrand schijnt
kastanjebruin door. Schildje zwart, zeer klein. Dekschilden
kastanjebruin, weinig naar achteren verbreed met eene witte
membraan in den vorm van een smal toeloopend zoompje. Het
abdomen daar achter zwart. Onderzijde schijnt zwart (mijne
voorwerpen hebben zeer door schimmel geleden). Pooten fijn,
met zeer dikke voordijen met twee scherpe tandjes gewapend;
bij een voorwerp zijn de pooten vuil bruingeel en de dijen
taankleurig, bij een ander de pooten bruin met donkerder,
bijna zwarte dijen.
Mede door den heer Six in de omstreken van Utrecht gevangen.
21. Pachymerus plebejus Fall.
Plaat 10, fig. 7.
Fall, Hem. I. p. 59. — Schill. Beitr. 1. p. 75. Tab. VI. f 1.
(Sylvestris, L.) — Hahn, W. Ins. I. p. 54. Tab. 9. fig. 55. —
Burm. Handb. II. p. 296 n°. 8. — Flor, Rh. Livl. I. p. 249.
| Lengte 6—7 mm. — Zwart met bruine dekschilden, waarop
een donker streepje. Kop zoo lang als breed, dof zwart. Oogen
niet bijzonder uitpuilend, roodbruin of zwart. Zuiger tot de
achterheupen reikend, geelachtig bruin. Sprieten zwart met
21
238 DE INLANDSCHE HEMIPTERA.
fijne grijze bekleeding en roodachtige tint aan het einde der
leedjes; lid 1 vrij lang, voor de spits van den kop uitsteekend ,
9, 5 en 4 van gelijke grootte. Thorax dofzwart, met grijze
fijne haartjes bezet, ietwat rood aan de randen, aan den voor-
rand breeder dan de kop, de zijranden eerst sterk bol gebogen,
dan voorbij de helft eenigzins ingedeukt, daarna weder vrij
sterk uitgezet. De voorhelft eenigzins bol verheven, de achter-
helft plat en met grove putjes ingedeukt; bij een voorwerp zijn
beide helften door eene rij van zeer grove putjes gescheiden
(zie fig. 7), of dit sexueel verschil is, kan ik niet zeggen, daar
het voorwerp is opgeplakt; mijne overige voorwerpen zijn wijf-
jes. Schildje dof zwart, gestippeld, iets langer dan breed.
Bovenvleugels roodbruin of donkerbruin, aan de basis soms iets
lichter, met een donkerder bruin streepje in het midden. Mem-
braan rookkleurig bruin met iets lichter achterrand en twee
vuilwitte vlekjes, het een bij de spits van het corium, het
ander aan den binnenhoek van den achterrand der membraan.
Pooten tamelijk lang en slank, bruin met donkere dijen en
lichtere tarsen; de voorste dijen zeer dik met twee scherpe
tandjes, meestal zwart, de voorste scheenen krom.
Deze soort werd door den heer Six in April aan de Bildt
onder bladeren en later in het jaar ook te Driebergen aange-
troffen; de heer de Gavere zond mij een exemplaar uit de
provincie Groningen. Ook trof ik haar aan in eene kleine ver-
zameling inlandsche insecten van den heer de Haan. In de
laatste naamlijst staat zij opgeteekend onder den naam van
Silvestris Panz.
29. Pachymerus pusillus Scholz.
Plaat 11, fig. 11.
Scholz, Aufzähl. d. Schles. Land- u. Wasserwantzen, p. 41. —
Fieber, Europ. Hemipt. p. 178.
Lengte 1,5 mm. — Geheel zwart met bruine sprieten en
pooten. Kop veel breeder dan lang, doch veel smaller dan de
voorrand van den thorax, met matig groote bruine oogen.
Sprieten roodbruin, zoo lang als de helft van het ligchaam;
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 989
”
lid 1 zeer klein, 5 iets langer dan 2, 4 gelijk aan 2 doch iets
dikker. Zuiger licht bruin. Halsschild veel breeder dan lang,
van voren rond toeloopend, naar achteren vierkant, weinig
glanzig, sterk gestippeld, vooral voorbij de helft, waar vier
rijen grover stippen achter elkander staan. Schildje vrij klein,
glad. Dekschilden met paarsen gloed, vrij lang naar evenredig-
heid der lengte van het dier, grof gestippeld en daardoor een
lederachtig voorkomen hebbende; vooral zijn de stippen diep inge-
drukt op dev clavus, waar zij in rijen staan. De memhraan
ontbreekt en van het achterlijf zijn, achter de dekschilden, aan de
bovenzijde slechts twee ringen gedeeltelijk en een geheel te
zien. Pooten licht roodbruin, de dijen donkerder; de voorste
dijen zeer dik en met een tandje voorzien.
Slechts een voorwerp is mij bekend, 17 April 1869 door mij
te Wassenaar gevangen.
NB. In de laatste naamlijst van inlandsche Hemipteren komen
behalve de meesten der 22 hier beschreven soorten nog voor
Brevipennis Schill. en Wehulosus Fall. Daar ik van beiden de
voorwerpen niet meer onder mij heb, kan ik die niet afbeelden,
noch beschrijven. Trouwens ik twijfel nu aan de juistheid der
determinatie van eerstgenoemde soort, vooreerst omdat ik nog
niet zeker ben dat Brevipennis Schill. en Brevipennis Hahn
(beiden zijn aangehaald) dezelfde soort zijn, ten andere omdat
het mogelijk zou kunnen zijn dat het toen als Brevipennis ge-
determineerde voorwerp van den heer Six, een zeer groot exem-
plaar van Pusillus was.
De korte beschrijving van Pachymerus nebulosus Fallen naar
Hahn luidt aldus:
Kop boven vaal, onder zwart. Sprieten niet zoo lang als het
halve ligchaam, donkerbruin. Oogen vrij bol, mede donkerbruin.
Thorax voor zwart, achter grauw en sterk gestippeld. Op het
zwarte schildje twee roodachtig geele streepjes. Bovenvleugels
grauw-bruinachtig geel, met bandvormige heldere vlekjes en
streepjes en aan den onderrand met eene bijna ruitvormige,
zwarte vlek geteekend (volgens de afbeelding tussehen twee
900 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
witte vlekken). Pooten zwart met de knieën en scheenen der
beide eerste paren roodbruin.
Gen. 5. Hererocaster Schill.
Ligchaam langwerpig, meer dan driemaal zoo lang als breed.
Kop met de vrij sterk uitpuilende oogen breeder dan lang,
ietwat bol, achter de oogen een weinig versmallend. Bijoogjes
klein, nader bij de oogen dan bij elkander. Zuiger tot de mid-
denheupen reikend, slank met de basis van lid 1 in een gleufje
van de keel stekend. Sprieten niet langer dan een derde ge-
deelte van het ligchaam, dun, uit vier leedjes gevormd, waar-
van het eerste zeer klein is. Prothorax op den rug zonder
dwarsnaad, naar achteren breeder uitloopend doch met afge-
ronde hoeken. Schildje vrij groot, iets langer dan breed. Boven-
vleugels uit corium , clavus en membraan bestaande; de membraan
voorzien van 4 langs-aderen, welke aan de basis drie gesloten
cellen vormen. Pooten kort en krachtig; de voordijen schier
niet dikker dan die der beide volgende paren en ongetand ; het
eerste lid der tarsen zoo lang als de beide volgenden te zamen.
De 4° en 5° buiksegmenten bij de wijfjes in het midden ver-
me
smald en onder het 5 weggetrokken, waardoor het 6° in om-
trek kegelvormig wordt.
Heterogaster Urticae F.
Plaat 12, fig. 2.
Fabr. S. Rh. 251, 156. — Schill. Beitr. I. p. 84. tab. 7.
f. 8. — Burm. Handb. Il. p. 295, 1. — Hahn, W. Ins. 1.
p. 75. Pl. XI. — Flor, Rh. Livl. I. p. 502.
Lengte 6—7 mm. Donker bronskleurig met fijn grijs vilt be-
kleed. Kop met een zeer klein geelachtig vlekje in het midden
van den achterrand. Eerste lid der sprieten zwart, de volgenden
licht-roodachtig bruin, aan de spits donkerder en zoo dat elk —
volgend lid ietwat donkerder is dan het voorgaande. Zuiger
lichtgeel, aan de bovenzijde en aan de spits zwart. Het voorste
gedeelte van den prothorax fijn, het achterste grof gestippeld ;
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 291
de achterrand dikwijls geel; in het midden bij sommige voor-
werpen een korte gladde langskiel. Schildje eveneens voor fijn,
achter grof gestippeld, dikwijls geel aan de spits. Dekschilden
vuil geel met zuiver geelen buitenzoom, elk met drie of vier
zwarte streepjes en geheel aan de punt van het corium een
zwart driehoekje; vrij zware stippeltjes aan beide zijden van al
de aderen. Membraan doorschijnend wit met een rond zwart
vlekje in de middelste der drie gesloten cellen. Rand van het
abdomen buiten de dekschilden en membraan uitstekend, zwart
en wit gevlekt in blokjes. Deze teekening van den rand ziet
men ook aan de onderzijde, waar het geheele lijf zijdeachtig
behaard is en de wijfjes op den 6° ring eene langwerpig ovale
geele vlek vertoonen. Pooten zwart en geel geringeld. Het komt
mij voor dat wij hier een ander ras bezitten dan onze Duitsche
buren; onze exemplaren zijn bepaald bronskleurig, zelfs groen;
de beschrijvingen der Duitschers spreken altijd van zwart. In
de plaat van Hahn en de beschrijving van Flor ontbreekt het
zwarte vlekje der membraan.
De soort is niet zeldzaam; men ving haar in verschillende
provincien. Zij komt tamelijk veelvuldig voor te Brummen vol-
gens wijlen den heer van Walchren en te Katwijk onder de
bladeren van Salix repens in Augustus, volgens Mr. H. W. de
Graaf.
Gen. 4. Cymus Hahn.
Ligchaam eirond of langwerpig eirond. Kop bij sommigen
breed, bij anderen smal, in vergelijking van het ligchaam ge-
woonlijk klein. Sprieten van vier leedjes, waarvan het eerste
klein en dik, de beide volgenden zeer slank, het laatste dikker
en spoelvormig. Zuiger tot aan de achterste heupparen of zelfs
daar voorbij reikend, bij twee soorten aan de basis in eene gleuf
van de keel gesloten. Oogen nu eens sterk uitstekend, dan
weder klein en weinig verheven; bijoogjes vrij digt bij de oogen
geplaatst. Prothorax, altijd van boven gezien, trapeziumvormig,
doch nu eens korter dan weder langer dan breed. Schildje
breed en kort, bij twee soorten zeer kort. Dekschilden schier
909 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
meer vliesachtig dan lederachtig niet altijd met duidelijke langs-
aderen ; membraan zeer groot, ver over het achterlijf heenreikend ,
glasachtig met moeijelijk te onderscheiden langsaderen, die geene
gesloten cellen vormen. Pooten slank, voorste dijen niet dikker
dan de overigen; eerste lid der tarsen aan de pooten zoo lang
of iets langer dan de beide overigen te zamen. Aan het achter-
lijf der wijfjes zijn de drie eerste ringen regt, het vierde en
vijfde in het midden naar boven gedrongen en uitgesneden,
zoodat zij aldaar niet of slechts voor zoo ver den rand van het
vierde betreft, te zien zijn, waardoor het zesde kegelvormig
naar voren uitsteekt.
Geheel natuurlijk is dit geslacht niet; van daar dan ook dat
het door sommigen, o. a. Flor in 5 ondergeslachten wordt op-
gelost. Ik geloof evenwel dat het niet noodig is dit te doen,
aangezien men in de sprieten, de dekschilden, de membraan
en het achterlijf genoeg kenmerken van vereeniging onzer vier
soorten bezit.
Tabel der soorten.
1 (2). Kop met de oogen breeder dan de helft van
den achterrand van het borststuk. ...... Ericae.
2 (1). Kop smaller dan de helft van dien achterrand.
5 (4). Twee donkere vlekjes op het midden der
dekschilden.. on 0.2... 00... 0.000. Anse Resedue.
4 (5). Geen donkere vlekjes op het midden der dek-
schilden.
5 (6). Achterrand van het corium zoo lang als die
vansden Clavus o oc a claviculus.
6 (5). Achterrand van het corium langer dan die
yan den clavus. . vege 2. 2 glandicolor.
1. Cymus Resedae Panz.
Plaat 12, fig. 3.
Panz. Fn. Germ. 40 fig. 20. — Burm. Handb. HI. p. 292 —
Schill Beitr. !. p. 89 tab. 8. f. 5. — Flor Rh. Livl. p. 296.
Lengte 4 mm. — Gemakkelijk herkenbaar aan de vlekjes op
LE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 995
het midden der dekschilden. Bruinachtig rood, aan de onderzijde
iets donkerder, schier zwart. Kop driehoekig, niet breeder dan de
helft van den achterrand van den prothorax, vrij sterk gestip-
peld; de bolle bruine oogen steken een weinig over den voor-
rand van het halsschild heen. Zuiger lichtrood, lang, slank,
reikende tot voorbij het laatste paar heupen, aan de keel
eenigzins in eene gleuf van den kop geborgen. Sprieten zoo
lang als het halve lijf; lid 1 reikt naauwelijks voorbij de spits
van den kop en is zwart, 2 en 5 zijn slank en rood, met
zwarte spits; 4, zoo lang als 5, is dikker, spoelvormig en zwart.
Het halsschild, ruw gestippeld, heeft twee bruine of somwijlen zwarte
vlekjes aan den voorrand. Het schildje is driehoekig, iets
breeder dan lang, fijner gestippeld dan de thorax. Dekschilden
licht rood of geelachtig rood, alleen langs de randen van den
clavus en op de aderen gestippeld. De achterrand van den
clavus en die van het corium bloedig rood; op de beide mid-
denaderen ter plaatse waar zij even voorbij de helft harer lengte
naar elkander toebuigen, twee roodbruine of zwarte vlekjes, die
zich wel eens tot een vereenigen; twee andere roodbruine of
zwarte vlekjes aan den achtterrand. Membraan geheel door-
schijnend met vijf langsaderen, waarvan slechts de beide bin-
nensten de basis raken; ook deze aderen zijn doorschijnend en
dus zeer moeijelijk te zien. Onderzijde van den thorax grijs
met grove bruine stippen; achterrand van den metathorax vuil
wit. Zesde ring van den buik bij het wijfje rood. Pooten
rood met het laatste lid der tarsen zwart.
Deze soort is niet zeldzaam; ik trof haar gedurende den ge-
heelen zomer bij Bennebroek , Heemstede , Noordwijk , Driebergen ,
Velp, Rhede en Brummen aan; de heer Six vond haar in vrij
groot aantal op heigrond bij Driebergen en de Bildt; de heer
Snellen vond haar bij Arnhem en de heer Ritsema op Midden-
duin bij Overveen. Zij schijnt dus aan drooge gronden de
voorkeur te geven en, zoo ik mij niet geheel vergis, leeft zij
gaarne op berken.
994 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
2. Cymus Ericae Schill.
Plaat 12, fig. 4.
Schill. Beitr. I. p. 86. tab. 7. f. 10. — Herr. Sch. Faun. Germ.
155, f. 15. — Burm. Handb. II. p. 292 n°. 2. — Flor, Rh,
Livl. I. p. 292.
Lengte 5—4 mm. Grauw, abdomen zwart met eene kegel-
vormige geele vlek bij het wijfje. Kop zeer breed, met de
oogen veel breeder dan de helft van den achterrand van den
prothorax, zwart gestippeld. Sprieten in lengte en gedaante als
bij de voorgaande soort, nootbruin met het 1° en 4° lid don-
kerder. Zuiger matig lang, bruin; 1° lid in eene gleuf aan de
keel verborgen. Halsschild niet veel langer dan de kop, achter
niet zeer veel breeder dan voor, grof gekorreld, aan den hals
een weinig zwart gevlekt. Schildje iets donkerder dan het hals-
schild, mede grof gekorreld. Dekschilden vuil geelachtig wit,
met twee langsrijen van bruinachtige stippeltjes en drie zwarte
streepjes aan den achterrand. Membraan vuil wit, bruin be-
stoven tusschen de schier onzigtbare aderen. Midden van de
borst geel, randen vaal zwart. Pooten vuil licht geel of grauw,
de dijen zwart gespikkeld, de beide laatste leedjes der tarsen
zwartachtig.
Deze soort, die niet zeldzaam is op heigrond bij Driebergen
en de Bildt, komt ook wel in de duinen voor, doch slechts in
gering aantal. Zij werd bovendien door den heer Verloren te
Dalfsen gevangen.
5. Cymus claviculus Fall.
Plaat 12, f. 5.
Fall. Mon. Cim. Suec. p. 64. — Schill. Beitr.I. p. 90. tab. 8.
f. 6. — Hahn, W. Zns.l. p.77. tab. 12. f. 44. — Burm. Handb.
II. p. 292. n°. 5. — Flor, RA. Livi. I. p. 500.
Boven en onder nootkleurig bruingeel, alleen de borst wat
grauw. Kop breeder dan lang, fijn gekorreld, iets rooder van
kleur dan de thorax, Oogen vrij sterk uitpuilend, donker bruin,
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 995
Sprieten korter dan het halve lijf; lid 1 zeer kort en vrij dik,
2 en 5 slank, 4 spoelvormig, dikker, vaalzwart. Zuiger tot de
middenheupen reikend, met het eerste lid niet in eene gleuf
van de keel verborgen. Halsschild bol verheven, zoo lang als
even voor den achterrand breed, grof gekorreld met een klein
glad kieltje, voortspruitende uit het midden van den voorrand;
daar naast soms aan iedere zijde een donker dwarsstreepje.
Schildje veel breeder dan lang, fijn gekorreld. Dekschilden
doorschijnend lichtbruin met eene ader langs de zijde, doch
zonder aanduiding van middenaderen. De clavus breed naar den
middennaad toe; achterrand van het corium iets donkerder
bruin en de spits nog donkerder. Membraan geheel doorzigtig ,
wit. Pooten van de kleur van het lijf.
Deze soort is volgens den heer Six gemeen in de omstreken
van Utrecht, zelfs reeds vroeg in het voorjaar. Zij werd boven-
dien in de duinen bij Wassenaar en te Groningen gevangen. In
de tweede naamlijst der inlandsche Hemipteren staat dat zij te
Dalfsen gevangen is, dit is echter onjuist; het voorwerp dat
met die etiquette in ’s Rijks Museum bewaard wordt, behoort
tot de voorgaande soort.
4. Cymus glandicolor Hahn.
Plaat 12, fig. 6.
Hahn, W. Ins. 1. p. 79. tab. 12. f. 45. — Flor, Rh. Livl. 1. p. 299.
Deze soort is zoo na verwant aan de vorige, dat zij door
Schilling slechts voor eene varieteit er van gehouden werd.
Ondertusschen is er verschil en wel in de volgende punten:
De kop is naar verhouding smaller en schijnt dus veel langer.
De thorax is langer en loopt naar voren smaller toe. Het
schildje is donkerbruin met eene licht geel verhevene langsstreep
in het midden. De dekschilden zijn betrekkelijk iets langer en
hun achterrand is kennelijk langer dan de naad tusschen corium
en clavus, ook is die achterrand niet donkerder van kleur.
De heer Six meldde mij dat de soort vrij gemeen is in Junij
op eiken te Driebergen. Ik ving haar nimmer, noch ook de
296 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
heer de Graaf. Zij ontbreekt tot nog toe in de verzameling
der Ned. Ent. Vereeniging; een voorwerp, door den heer Six
gevangen, berust in ’s Rijks Museum.
Gen. 5. Craraazmicus Hahn.
Zeer gemakkelijk te onderscheiden door het korte gedrongene
ligchaam en de uitpuilende oogen. Kop meer dan tweemaal zoo
breed als lang met verbazend groote bolle oogen, die naar ach-
ter ver over den rand van het halsschild uitsteken. Bijoogjes
moeijelijk te herkennen, vrij digt bij de oogen geplaatst. Sprie-
ten iets korter dan het halve lijf; hun eerste lid kort, doch
niet veel dikker dan de volgenden, die onder elkander schier
gelijk zijn in lengte. Zuiger tot aan de achterheupen reikend,
zijn tweede lid korter dan het derde. Halsschild veel breeder
dan lang, voor weinig smaller dan achter, Schildje groot drie-
hoekig, mede breeder dan lang. Dekschilden onvolmaakt ont-
wikkeld, niet altijd met duidelijk afgescheiden clavus en dikwijls
zonder membraan. Het abdomen van boven zigtbaar. Pooten sterk
en vrij lang, zonder stekels; de voordijen ietwat dikker dan
die der volgende paren; de tarsen somwijlen langer dan de
helft der scheenen. Aan den buik zijn bij het wijfje de randen
der 4 eerste ringen parallel, doch is de rand van het 5° naar
voren geschoven in het midden, zoodat aldaar slechts een smalle
zoom overblijft.
Slechts twee soorten zijn inlandsch, die aldus van elkander
onderscheiden worden:
Zwart met de vier randen van het borststuk op
den ree ee eee er ee Grylloides.
Zwart met een witte middenstreep op den rug van
het borststuks . ... - ee ee ve eee Ater.
1. Ophthalmicus grylloides L.
Plaat 12, fig. 7.
Lion. S. N. V. p. 481, 15. — Fabr. S. Rh. 115, 7. —
Fall. Hem. 1. p. 70. — Hahn, W. Ins. 1. p. 86 tab. 14 f. 48. — :
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 297
Wolff, Ze. Cim. p. 44. tab. 5. f 41 (te lang). — Schill. ,
Beitr. I. p. 62 tab. 8. f. 7. — Fieber, Ent. mon. p. 125.
tab. 10 f. 7. — Flor, Rh. Liol. I. p. 506.
Lengte bijna 4 mm. — Glanzig zwart met witte versiersels.
Kop flaauw gestippeld met een wit driehoekig vlekje aan beide
zijden van de inplanting des zuigers en daarnaast naar de
oogen toe nog een fijn wit streepje. Oogen glanzig bruin.
Sprieten zwart, met het laatste lid bruin. Halsschild grof ge-
stippeld met aan iedere zijde een klein ovaal ongestippeld plekje
en de vier randen bruinachtig wit of geelwit. Schildje iets lan-
ger dan het halsschild, grof gestippeld met de punt geelachtig.
Dekschilden korte schubbetjes zonder clavus of membraan, sterk
gestippeld met al de randen breed bruinachtig of geelachtig
wit gezoomd. De uiterste zijrand van het achterlijf met een
wit streepje. Aan de onderzijde de zuiger bruin aan de inplan-
ting, gaandeweg donkerder wordend van kleur, aan iedere zijde
van zijne basis weder een driehoekig vlekje even als boven. De
voorrand van den thorax smal wit. Borst sterk gestippeld met
de heuppannen bruinachtig wit. Pooten bruinachtig wit, iets
donkerder op de dijen en aan het laatste lid der tarsen.
Dit is de beschrijving van het wijfje. Het mannetje, dat mij
onbekend bleef, heeft volgens Flor het laatste lid der sprieten
geel en den achterrand van den prothorax op de bovenzijde,
even als op de onderzijde zwart.
Volgens den heer Six is deze soort niet zeldzaam op heigrond
bij de Bildt in Julij en Augustus. Ik ving drie wijfjes op de
duinen bij den Haag in Julij en van den heer Piaget zag ik
mede een zeker aantal voorwerpen aldaar gevangen.
2. Ophthalmicus ater F.
| Plaat 12, fig. 8.
Fabr. S. Rh. 114, 4. — Fall. Hem. I. p. 71. — Wolff,
Ic. Cim. p. 45. tab. 5. f. 40. — Panz. Fn. Germ. 92. f. 20. —
Hahn. W. Ins. I. p. 88. tab. 14. f. 49 en 50. — Schill. Beitr.
I. p. 62 — Burm. Handb. II p. 291. — Fieb. Ent. mon.
p. 121. tab. 10. f. 3. — Flor, Ah. Livl. i. p. 508.
998 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Lengte 5—5,5 mm. — Zeer glanzig zwart met eene fijne
witte streep in de lengte over het midden van het halsschild.
Kop met een indruksel aan wederzijde naast het oog. Sprieten
korter dan het halve lijf, zwart. Oogen donkerbruin. Halsschild
grof gestippeld met twee ovale gladde plekken iets voor het
midden. Schildje riet langer dan de thorax, gestippeld met
eene fijne gladde langslijn. Dekschilden geheel zwart en grof
gestippeld met een’ zeer smallen doch duidelijken clavus en eene
bruine rond toeloopende membraan. Zuiger bruin. Heuppannen
geel; pooten licht roodbruin met donkere dijen.
De heer Six vond in Julij te Driebergen een enkel vrouwelijk
exemplaar van deze soort,
Aanmerking. — In de tweede naamlijst van inlandsche Hemi-
ptera (Tijdschrift v. Ent. Ill. bl. 180) staat nog opgegeven een
Ophthalmicus dispar Waga, waarvan een wijfje zou gevangen
zijn op Walcheren door den heer Herklots en een mannetje bij
Driebergen door den heer Six. — Dit laatste voorwerp is ver-
dwenen maar het eerste bestaat nog in ’s Rijks Museum, ofschoon
het voor afbeelding en beschrijving niet langer is geschikt.
Ik maak bezwaar die soort hier op te nemen, omdat ik bij
Fieber (Ent. Monogr. p. 124) lees dat het mannetje van deze
door Waga zeer oppervlakkig beschreven en slecht afgebeelde
soort, gelijk zou zijn aan dat van O. grylloides en het wijfje
eene zeer sterke gelijkenis zou vertoonen met zijn 0. Ulrichit.
Herrich-Schaeffer geeft van Dispar geene beschrijving, slechts
eene diagnose en afbeelding (naar Waga?).
Het Zeeuwsche voorwerp bewijst ondertusschen dat er in
Nederland nog eene derde soort van Ophthalmicus bestaat en
wel hoogst waarschijnlijk Ulrichii Fieb. Het dier is zwart met
bruinen zuiger, roodbruine pooten en een roodbruin abdomen
met zwarte dwarsstrepen. Aan den zijrand van den thorax is
een fijn wit streepje onduidelijk zigtbaar. De prothorax is zeer
kort en de dekschilden, waaraan de membraan en de clavus niet
ontwikkeld zijn, nog korter. Sprieten, pooten en abdomen zijn
zeer sterk beschimmeld. |
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 999
Gen. 5. Zosmenus Cast.
Een afwijkend geslacht, dat door eenige schrijvers tot de
Tingididen wordt gerekend, aangezien de tarsen schijnbaar uit
twee leedjes bestaan en de dekschilden vliezig zijn. Het ligchaam
is in omtrek elliptisch, de kop breed, doch zeer kort, tusschen
de sprieten voorzien van twee, gewoonlijk naar binnen gebogen,
kromme hoorntjes. Oogen klein, bijoogjes verder van elkander
dan elk van het oog aan zijne zijde. Sprieten kort, niet zoo
lang als de prothorax, van vier leedjes; het eerste vrij dik en
kort, het tweede even lang doch iets dunner, het derde twee-
maal zoo lang als het 1°, zeer dun, het laatste spoelvormig en
tamelijk dik. Zuiger kort, tot het 1° paar heupen reikend, in eene
sleuf aan de keel geborgen. Prothorax schijnbaar vierkant , doch iets
breeder dan lang en aan de achterzijde een weinig verbreed,
wat opgeblazen en bultig; de zijrand eenigermate op kantwerk
gelijkend. Schildje zeer klein, driehoekig. Dekschilden groot,
het achterlijf volkomen bedekkend, met breeden clavus en met
een cuneus, die de basis der membraan geheel bedekt (of, zoo
men liever wil, met lederachtige basis der membraan). Vier
langsaderen in het vliezige gedeelte, welke ver van elkander
staan en niet anastomeren. Pooten vrij kort, ongedoornd; de
voorste dijen ietwat dikker dan de volgenden; de tarsen van
drie leedjes, doch het eerste zeer klein en onder de scheen
verborgen; het derde het langste. Bij de wijfjes de 4 eerste
segmenten van het achterlijf regt, het vijfde in het midden in-
gesneden.
Er zijn ons slechts twee inlandsche soorten bekend, de eene
met ongevlekte dekschilden, Capitatus, de andere met gevlekte,
Laportei.
1. Zosmenus capitatus Wolff.
Plaat 12, fig. 9 en 9a.
Wolff, Ze. Cim. p. 151. tab. 15. f. 195. — Herr. Sch. Fn.
Germ. 118, f. 19 (eenigermate twijfelachtig). — Burm. Handb.
II. p. 262. n°. 1. — Herr. Sch. W. Ins. IX. p. 195. tab. 518.
500 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
f. 985. — Fieb. Ent. Mon. p. 54. tab. 2. f. 18. — Flor, Rh.
Livl. !. p. 515.
Lengte 2 mm. — Vuilgeel of lichtgrauw. Kop zwart of bruin
met zwarte oogjes en geele hoorntjes, die bij het mannetje
langer zijn dan het 1° lid der sprieten en aan de basis dunner
dan naar het einde en naar elkander gebogen; bij het wijfje
zijn zij veel kleiner en aan de spits nog ver van elkander
staande. Sprieten en pooten licht roodachtig geel. Halsschild
aan den voorrand bleekgeel, verder op bruin of bruingrauw,
met de zijkanten plat en bladachtig, elke voorzien van een, soms
twee rijen mazen; het geheele ruggeveld gekorreld, behalve
twee fijne langsrigcheltjes op het midden, die noch den voor-,
noch den achterrand bereiken; aan hunne buitenzijde ziet men
een fijn bruin vlekje. Schildje zwart met lichte, ietwat op-
gewipte spits. Dekschilden als een netwerk met zeer fijne
mazen, bij de basis van het corium lichtgeel, verder op grauw
of grijs met de aderen zeer duidelijk. De binnenhelft der mem-
braan als het corium, het overige vliezig, zeer licht rookkleurig.
Buik aan de zijden met donkere vlekjes.
Een enkel voorwerp is mij bekend, door den heer Six in
Junij te Driebergen gevangen.
2. Zosmenus Laportei Fieb.
Plaat 12, fig. 10.
Fieb. Ent. Mon. p. 55. n°. 2. tab. 2. f. 17. — Flor, Rh.
Livl. 1. p. 515.
Lengte 2 mm. — Deze soort verschilt van de vorige in den
vorm der haakjes op den kop, in de gedaante van den pro-
thorax en in kleur. Zij is grijzer en overal met donkere vlekjes
versierd. Kop bruin, somwijlen met lichten voorrand; oogen
zwart, voor ieder oog een scheefstaand stekeltje; de doorntjes
bij het mannetje langer dan het eerste lid der sprieten, naar
elkander gebogen, grauw, bij het wijfje kleiner en met de
spitsen tegen elkander aan leunend. Sprieten geelachtig grauw,
het laatste lid bruinachtig. Halsschild voor niet veel smaller
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 301
dan achter, aan de zijden eerst bol uitgebogen, dan met eene
golf naar binnen gebogen, daarna weder rond uitgezet. Het
middenvlak naar achteren toe vrij bultig; de voorrand is licht-
geel even als twee fijne, doch korte langsrigcheltjes; tusschen
deze laatsten staan twee bruine vlekjes en aan hunne buitenzijde
twee kromme bruine streepjes. Schildje iets donkerder van kleur.
Dekschilden zeer licht grijs aan de basis van het corium, voor
het overige gedeelte met den clavus iets donkerder en (vooral
aan den buitenrand) bedekt met vierkante bruine vlekjes, die
soms tot dwarsbandjes in een vloeijen. Basis-gedeelte van de
membraan gelijk aan het corium en mede bruin gevlekt, het
overige vuilwit met rosse aderen. Borst zeer grof gekorreld;
pooten licht roodachtig geel.
De soort is niet zoo zeldzaam als de vorige, de heer G. A.
Six ving haar meermalen in Mei en Julij in de omstreken van
Utrecht en te Roozendaal in Gelderland; mij kwam zij voor in
Mei op de Gliphoeve. Volgens Flor is zij in Liefland gemeen op
soorten van Atriplex van April tot October.
Verklaring der platen.
Plaat 10.
Fig. 1 en 1° Pachymerus Abietis L.
E O, ” ferrugineus L.
nak ” ruslicus Fall.
„ 4 ” sabulosus Schill.
TND ” sylvaticus F.
6 ” varius Wolff.
MEL À ” plebejus Fall.
DI
ee)
S
hemipterus Schill.
” 9 en 9° ” decurtatus Herr. Sch.
210 n agrestis Fall.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Plaat 11.
1 en 1* Pachymerus Pini L.
2 Z quadratus F.
5 ” Lynceus F.
4 7, marginepunctatus Wolff.
5 en 5° ” pictus Schill.
6 7, nubilus Fall.
7 ” rufipes Wolff.
8 ” contractus H. Sch.
9 7 praetextatus H. Sch.
10 7 bidentulus H. Sch.
11 ” pusillus Scholz.
Plaat 12.
1 Pachymerus chiragra F.
2 en 2°, 2” Heterogaster Urticae F.
5 Cymus Resedae Panz.
4 ” Ericae Schill.
3 ” claviculus Fall.
6 en 6° " glandicolor Hahn.
7 » 7° Ophthalmicus grylloides L.
8 a ater F.
9 en 9° Zosmenus capitatus Wolff,
10 ” Laportei Fieb.
Inlandsche He miptera.
o,
i
AN
RN
\
a
Ie
N RAN
% NV LE
À MD: %