NC u
EVITARE ET AIEE TT AO ta?
Tebe boat Sie Re
Wendel sin nein:
n
CASE
È
PTT lr
re ICONA
paaredenetiers Nes
x
HARVARD UNIVERSITY.
LIBRARY
OF THE
MUSEUM OF COMPARATIVE ZOOLOGY
SPIA
GIFT OF
Lubich,
Fabruanı 3, 1999.
AF
Pete th
SIAT
an
Wi,
er
NO TEE
RAGE
VIVO
vice
Hi
Von
I i
RTS
Rh
ent
Ru
CRIN
i i ae un
f
EM
TCA
QU
BEN SUR
Mi ny
LISA) LE
I A IN We
N ua! Nun
RAA IE
DARI,
It Hi IM
RT
LAMINATO
pe
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
DR. J. TH. OUDEMANS, PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE
EN
Dr. A. C. OUDEMANS.
NEGEN-EN-ZESTIGSTE DEEL.
JAARGANG 1926.
MET ZEVEN ZWARTE PLATEN.
s-GRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF.
1926.
Aflevering I (p. 1—84) uitgegeven 15 April 1926.
> II | (p. 85—226) uitgegeven 15 Juli 1926:
» HI en IV (p. 227 —319) uitgegeven 15 October 1926.
INHOUD VAN HET NEGEN-EN-ZESTIGSTE DEEL.
Bladz.
Verslag van de Negen-en-vijftigste Wintervergadering IL
Verslag van de Een-en-tachtigste Zomervergadering . LI—CVI
edenlist der Ned. Ent. Ver. op 1 July 1926 . . CVII—CXVI
UYTTENBOOGAART, In Memoriam D. VAN DER Hoop. I—Il
Dr. A. C. OUDEMANS, ue caprae eee & BOURG.
HORS rade, La. re I—18
Dr. K. M. HELLER, Neue, altweltliche Bockkäfer . . 1I9—50
J. H. JURRIAANSE, An apparently new Satyrid from
SONO I AR wees e N TRE. 2
J. H. JURRIAANSE, Eenige eo omtrent Papi-
lionidae van Soembawa . . . 53—50
FISC. BLOTE, Overzicht der Nederlandsche Psylliden-
SOURCE. + . | Sac 9 5 TE Nd 57—84
DIESEN SEIERTINCK, Odonata,Neerlandicasll 3 2 2.7.7. 85—226
Brofs.Dr. J: C. H. DE MEIJERE, Die Larven der Agro-
Zien 2h mnt st ek we 0227 517
J. B. CORPORAAL, Remarks on some South African
Clenidae in the British Museum. 2. 2. 22 2 722... 318319
vl
LS
#
| alpes
13
LS.
VIe
TER re
=
LA =
se
ot, SL
"È,
Er
eit {
ta À |
6
’ >
7
N
ti
Stil
22
|
x
i
af
oe of
3 MELI
a
.
m
a
VERSLAG
VAN DE
NEGEN-EN-VIJFTIGSTE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN IN
RESTAURANT ,,T VERGULD SPINWIEL” TE ROTTERDAM,
OP ZONDAG 21 FEBRUARI 1926, DES MORGENS TE 11 UUR.
President: Dr. J. Th. Oudemans.
Aanwezig zijn: het Eerelid Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts; de
gewone, Leden €. P. G, €. Balfour) van Burleigh, Ir. G. A,
Graaf Bentinck, P. J. van den Bergh Lzn., K. J. W. Bernet
Kempers sin. |. Besseling, J.G. Betrent, ELC: Blote; J.
Broerse, F. W. Burger, H. Coldewey, J. B. Corporaal, G.
Doorman, H. C. L. van Eldik, M. J. van Erp Taalman Kip,
Wieder Joncheere, “Je EH. Jurriaanse,’ BiH. Klynstra, M: A.
Lieftinck, J. Lindemans, N. Loggen, Dr. H. J. Lycklama à
Nijeholt, Dr. D. Mac Gillavry, Prof. Dr. J. C. H. de Meijere,
G. S. A. van der Meulen, A. C. Nonnekens, Dr. A. C.
©ndemans, Ir.SFh. €. Oùdemanse R. A: “Polak, Prof. Dr.
W. Roepke, G. van Roon, W. A. Schepman, P. J. M. Schuyt,
i Juloxopeus, PR. Tutein Nolthenius, Mr. D. L. Uytten-
boocaart, E.T. Valck ‘Lucassen; P. van! der Wiel, J. €.
Wijnbelt, Ir. P. H. van Wisselingh, J. H. E. Wittpen.
Als gast: Dr. W. H. de Jongh.
Afwezig met kennisgeving: het Eerelid Pater Erich Was-
mann S.J., en de gewone leden: Dr. L. F. dè Beaufort,
Mr.» A. BrantsnbroisDt IEP de. Bussy,7C. J. Dixon, R.
vee ‚Becker Erof2 Dr. DS yantOot Dr G. Romijn, T.
Schoevers, Dr. Fl, Verploegh, H. A. de Vos tot Nederveen
Cappel, Prof. Dr. Max C. W. Weber.
Tijdschr. v. Entom. LXIX. I
II VERSLAG.
De President opent de vergadering en vermeldt in de
eerste plaats de benoeming van ons Eerelid Jhr. Dr. ED.
J. G. Everts tot Eerelid van het Internationaal Entomolo-
gisch Congres, met welke hoogst belangrijke onderscheiding
hij onzen Nestor namens de Vereeniging geluk wenscht.
Door een hartelijk applaus betuigen de aanwezigen hunne
instemming met de woorden van den President.
Als plaats van samenkomst voor de 60° Wintervergadering
wordt Utrecht aangewezen.
Aan de orde is vervolgens het financieel verslag over het
vereenigingsjaar 1924/1925, dat door den waarnemenden
Penningmeester, Mr. D. L. UYTTENBOOGAART, wordt voor-
gelezen:
De langdurige ziekte en het daarop gevolgd overlijden
(den 15 Juli 1925) van onzen betreurden penningmeester
D. VAN DER HOOP zijn oorzaak, dat ondergeteekende eerst
thans dit verslag uitbrengt.
Toen hij den zosten Juli de boeken, bescheiden en kas
overnam, bleek er nog heel wat bij te boeken te zijn en
nadat dit was geschied, constateerde hij nog een klein over-
schot, hetgeen in het nieuwe jaar is bijgeboekt.
Algemeene Kas.
Ontvangsten.
Batisesaldo'worie jaar.’ . . . et ER
Rente twan effecten. . : . … „De OO
» pal KASEI ce hifi est) x (Ue ata 5.35
Contributiën van leden en begunstigers:
diensten 1014/17 1922/24. nn RAS
diense 1024/25 5 . . uf Lee ZO
> 102020, x Me Ba eo
u don. als
Lidmaatschap voor het leven . . EE
Verkochte geschriften en Entom. Ber’ venae 107.11
DAVEGSCORBE rer Bb bc dec, CRE RE CURRENT ae 2.47),
Totaal em = 17 3037.99
VERSLAG,
Witoavien.
Assurantiepremie 1924/25
» 1925/20
Jaarlijksche Contre. :
Drukken Entomologische Berichten .
Couponblad en procuratie rente Grootboek
Administratieloon boedel Dr. Veth
Verschotten van bestuursleden .
Binden van boeken.
Kasgeld Secretaris dienst 1925/26
III
1007470
> 74.70
» 7:22
» 435.60
» 6.25
» 12.50
» 185.46
PTT TE
= LOO.
Reserve voor drukloon nieuwe Catalogus Bibliotheek » 1000.—
Totaal
Ontvangsten f 3637.99
Uitgaven. » 2077.58
Batig saldo . . f 1560.41
204. 1.2077:.58
Terwijl aan diverse Crediteuren nog te betalen was / 192.05.
Fonds voor de uitgave van het Tijdschrift.
Ontvangsten.
Batig saldo vorig jaar . È Sf, A
ponte exemplaren aan den boekhandel » 229.20
> » derleden:. > 22108
Rijkssubsidie 1924 . » 500.—
» 1925 . De OL
Rente van kasgeld . SR,
f 1728.46
Uitgaven.
Drukloon deel 67 J 1875.07
Verschotten Redactieleden » 5.82
Platen » 12.—
J 1892.89
Uitgaven . f 1892.89
Ontvangsten » 1728.46
Nadeelig saldo 0104.42
IV VERSLAG.
Fonds der Bibliotheek Hartogh Heys.
Ontvangsten.
Batig saldo. . ede ae o
Rente inschrijving 3 vie N. WS, 200/10. CAMION 302.84
f 322.72
Uitgaven.
Nankoopivan boeken è „sets un TAR
Binden > » CT ee! SE te en ee GEENEN
J 625.23
Witsavenn on ct / 'O25.28
Ontvangsten 7. 0000032272
Nadeelis saldo 7. =) 72302541
De toestand der Algemeene Kas schijnt dus niet ongunstig,
doch men dient in het oog te houden, dat de zoo noodige
uitgave van een nieuwen Catalogus der Bibliotheek heel wat
meer zal kosten dan de daarvoor nu gereserveerde f 1000.—,
terwijl het Tijdschrift een tekort aanwijst van / 164.43, het-
geen feitelijk / 664.43 is, aangezien in dit jaar het Rijks-
subsidie van twee jaren verantwoord is.
Hiertegenover staat nog eene vordering op de firma Nyhoff
groot / 366.30, zoodat het feitelijk tekort / 298.13 is.
Wat de bibliotheek Hartogh Heys aangaat, zoo heeft dit
fonds de zware taak gehad, die thans door het bibliotheek-
fonds ten deele is overgenomen. Voor het bibliotheekfonds
werd ontvangen aan bijdragen ineens / 760.—, jaarlijksche
bijdragen f 10.—, totaal f 770.—, terwijl daaruit werd geput,
hoofdzakelijk voor aanvulling van incomplete serieën van
buitenlandsche tijdschriften, tot een bedrag van / 625.29.
Er is dus slechts een saldo van f 144.71. Daar onze bibli-
otheek in de financieel slechte jaren, die achter ons liggen,
niet behoorlijk bijgehouden is, zullen ook uit dien hoofde
nog zware eischen aan onze algemeene kas worden gesteld,
wil onze bibliotheek hare wetenschappelijke en sociaal-eco-
nomische taak kunnen blijven vervullen.
De wnd. penningmeester beperkt zijn verslag hiermede
VERSLAG, V
tot den gebruikelijken omvang, doch meent, dat in den
vervolge eene balans niet zal mogen ontbreken. Met het oog
daarop heeft hij de geheele boekhouding ingericht volgens
de dubbele (Italiaansche) methode, waardoor zij voortaan
één geheel vormt en veel overzichtelijker wordt. Eene openings-
balans der nieuwe boekhouding zal aan de contrôle-commissie
worden overgelegd.
De President brengt den waarnemenden Penningmeester
hulde voor het vele, dat hij, in verband met het overlijden
van zijn voorganger, den Heer VAN DER HOOP, voor de
Vereeniging gedaan heeft, vooral de tijdroovende reorgani-
satie onzer boekhouding, en kan tot zijne groote voldoening
reeds nu vooruitloopen op de ter a.s. zomervergadering te
behandelen huishoudelijke zaken, door mede te deelen, dat
Mr. UYTTENBOOGAART zich bereid heeft verklaard, definitief
de functie van penningmeester op zich te nemen. Een dank-
baar applaus vertolkt de instemming der vergadering met
deze oplossing.
De Commissie, belast met het nazien van het geldelijk
beheer over 1924—'25, bestaande uit de Heeren CORPORAAL
en TOXOPEUS, verklaart bij monde van eerstgenoemden, dat
zij de boekhouding en de bijbehoorende bescheiden in vol-
maakte orde heeft bevonden, en stelt voor, den waarnemenden
Penningmeester onder dankbetuiging te déchargeeren. De
vergadering stemt hiermede in.
Hierna zijn aan de orde de
Wetenschappelijke mededeelingen.
Dr. Everts deelt het navolgende mede:
In Heft 45 (7 Nov. 1925) van het Tijdschrift „Die Umschau”
las ik een merkwaardig artikel: ,,Moskitos und Cocospalmen’’.
Dr. HAWORTH heeft in Tanga in het Tanganyika-gebied
(Congo) eene interessante ontdekking gedaan. Het viel hem
op, dat, niettegenstaande energieke maatregelen tegen de
moskietenplaag in de Europeesche woningen, er toch eene
sterke toeneming van het kwaad viel waar te nemen, en wel
van muggen behoorende tot het genus Culex, wier larven
VI VERSLAG.
men op geen enkel wateroppervlak kon vinden. Er moesten
dus tot nu toe onbekende broedplaatsen bestaan, welke dan
ook gevonden werden hoog naar den top van Cocospalmen,
in water van holten aan den voet der bladeren.
Men vond daar de broedplaats van 27 soorten moskieten,
waarvan 2 van Axuopheles, 11 van Aedes (Syn. Stegomyta)
en van verscheidene Cu/ex-soorten. HAWORTH zegt, dat dit
wel in alle tropische landen, waar cocospalmen groeien, het
geval zal zijn.
Spr. weet niet of men ook in onze Koloniën diezelfde
waarneming reeds heeft gedaan, en meent, dat het intusschen,
met het oog op het voorkomen van malaria in vele streken,
niet ondienstig zou zijn, om ook in die richting een onder-
Zoek in) te stellen.
In de tweede plaats deelt Spr. mede, datin een schrijven
van Pater F. RüscHKAMP S.J, in Bonn a/R., vermeld wordt,
dat, behalve de ook bij ons op enkele plaatsen veelvuldig
voorkomende Zatelmis volckmari PANZ., ook de daaraan
verwante, maar bij ons niet bekende, L. germari ER. (perrisi
Dur.), benevens de bij ons ook niet waargenomen Melmis
latreillei BEDEL, in den Eifel, Hunsrück, Taunus en Sauerland
gevonden zijn en in ’t algemeen in humusrijke beken, zoowel
in het vlakke land als in het gebergte voorkomen. Het zou
wenschelijk zijn, ook op plaatsen, waar het water van beken
opwelt, in Zuid-Limburg, daarnaar te zoeken; ook de winter
is daarvoor gunstig.
Dan zegt Spr. dat van de in Zuid-Limburg voorkomende
Homalisus fontisbellaquei FOURCR. (suturalis OL.) aldaar
uitsluitend dd gevangen werden. Het ® (als Z. rougeti E.
OLIV. beschreven), bij hetwelk o.a. de achtervleugels rudi-
mentair en de dekschilden sterk verkort zijn, is weinig bekend
en schijnt in de huisjes van verschillende slakkensoorten
gevonden te zijn. Het is niet onmogelijk, dat de larven
dezer soort zich, evenals van Drilus, in slakkenhuisjes ontwik-
kelen. Volgens BERTKAU leeft de larve tusschen afgevallen
bladeren; bij Münster werden d' en © in copula gevangen.
Ten slotte deelt Spr. mede, dat hij van ons medelid den
Heer L. H. SCHOLTEN, uit Herwen bij Lobith, eene zending
Coleoptera, door de overstrooming aangespoeld, ontvangen
VERSLAG. VII
heeft. Het zijn duizenden en duizenden individuen, alles
kleingoed (er waren slechts. twee Carabus cancellatus bij)
en in hoofdzaak allergewoonste soorten, als: Bembzdzonz,
Amara's, Dyschirius, Stomis, Nebria, Dromius, Tachyporus,
Philonthus, Lathrobium, Stenus, Oxytelus, Omalium, Cercyon,
Pselaphus heisei HBST., Atomarta’s, Helophorus, Simplocaria
semistriata F., Cassida’s, ongeloofelijke massa's Æalticiden,
enz. enz. Merkwaardigerwijze uzet ééne enkele Zyschopterygide
en geene eigenlijke waterkevers (Dytiscidae). Toch vond hij
bij het uitzoeken enkele zeldzame soorten, en zelfs eene
nieuwe voor de Nederlandsche fauna, nl. Ceuthorryn hus
denticulatus SCHRNK., te midden van honderden individuen
van andere, gewone soorten van dit genus en van Coeliodes.
Merkwaardig is de massa exemplaren van Psylliodes cuprea
KocH. Ook nog een paar Rhznostmus viridipennis LATR.,
een paar Scaphidema metallicum F., eenige Ephistemus
exiguus ER. en wellicht nog andere goede soorten. Slechts
weinige Hemiptera en geene andere insecten. Daar alles nog
niet geprepareerd is en het sorteeren en determineeren
zeker het gansche jaar zal vorderen, zal Spr. tot zijne spijt, met
het determineeren van groote collecties voor de collega’s wat
uitstel moeten vragen. Bovendien wordt, tengevolge van zijnen
hoogen leeftijd, alle inspannend werk van dien aard moeilijker.
Behalve dezen nieuwen Ceuthorrhynchus voor de fauna,
vonden de heeren P..VAN DER WIEL, K. BERNET KEMPERS
en J. KOORNNEEF, resp. als nieuw voor de fauna: Sfenus
foraminosus ER. (bij Zeeburg), Trichoceble (Julistus) floralis
OLIV. (bij Ootmarsum) en Pogonochaerus ovatus GOEZE (bij
Putten —Gelderl.). Dank zij de vrijgevigheid van genoemde
heeren, zijn ook deze nieuwe soorten voor de fauna voor
Spr.’s standaard-collectie bestemd geworden. —
De heer Toxopeus deelt mede, naar aanleiding van de
waarnemingen van HAWORTH, dat hem bij zijnen verzamel-
tocht op Boeroe hetzelfde opgevallen is, met dit verschil,
dat niet de aan den boom zittende bloeischeeden, maar de
afgevallene steeds eene prachtige broedplaats voor moskieten-
larven bleken te zijn. Spr. meende, dat dit voornamelijk
lag aan den overvloed van voedsel, in die broedplaatsen
aanwezig, door de vele afgevallen bloempjes, die in deze
VIII VERSLAG.
natuurlijke reservoirs tot rotting overgingen. Spr. heeft ge-
tracht, de larven verder te kweeken, maar door zijn reizend
leven kon hij niet de uitkomst afwachten, en hoewel talrijke
malen moskieten uitkwamen, vond hij ze steeds verdronken
en te ver in ontbinding overgegaan bij zijne terugkomst.
Naar Spr.’s meening spelen deze bladscheeden bij de malaria-
epidemieën eene belangrijke rol.
De President oppert, naar aanleiding van Dr. EVERTS’
mededeeling, de vraag, hoe de insectenwereld beïnvloed
wordt door langdurige overstroomingen, vooral door groote,
zooals dezen winter en geeft den in de getroffen streken
wonenden leden in overweging, daarop speciaal te letten.
Dr. Everts deelt nog mede, dat de heer SCHOLTEN, die
zooveel moeite voor hem gedaan heeft, hem vroeg om eene
kleine onderwijs-verzameling van kevers, vooral grootere
soorten. Daar hij juist daarvan in zijn doubletten-materiaal
niet veel meer heeft, roept hij voor dit doel de medewerking
onzer coleopterologen in.
De heer Jurriaanse deelt mede, dat hij in eene zending
vlinders van Soembawa, een vrouwelijk exemplaar van
Papilio memnon clathratus ROTHSCH. vond, dat sterk afwijkt
van het type. Het is donkerder, met meer ‘contrasten ge-
kleurd, het wit van de achtervleugels is helderder, terwijl
aan de onderzijde van de voorvleugels eene rij vrij heldere
sub-marginale lunules te zien is. Ter vergelijking laat hij
rondgaan drie normale vrouwelijke exemplaren, benevens
het aberratieve voorwerp.
Verder vertoont hij eene serie van 8 wijfjes van Papilio
polytes sotira JORDAN, eveneens van Soembawa. Vijf dezer
wijfjes wijken sterk af van de oorspronkelijke beschrijving,
door geheele of gedeeltelijke afwezigheid der witte discale
vlekkenrij op de bovenzijde der achtervleugels. Het blijkt
uit deze serie, dat sofra niet zeer constant is, en groote
verschillen vertoont.
Intusschen zal Spreker zich niet laten verleiden, deze ver-
schillende vrouwelijke vormen met eenen naam te vereeren.
Er zijn hiervoor reeds voldoende slechte voorbeelden, en
de verwarring is op dit gebied groot genoeg.
VERSLAG. IX
De heer Lieftinck bespreekt en laat ter bezichtiging rond-
gaan een drietal nieuwe aanwinsten voor de Nederlandsche
Odonaten-fauna.
Over de eerste en belangrijkste nieuwigheid — eene groote
Corduliine, met name Oxygastra curtisi DALE — kan Spr.
zeer kort zijn: in het laatste nummer van de Entomol.
Berichten (No. 147, 1 Jan. 1926) vindt men uitvoeriger
inlichtingen daaromtrent. Een der beide mannelijke exem-
plaren, welke Spr. thans in staat is te demonstreeren, werd
hem voor deze gelegenheid door den vinder in bruikleen
afgestaan. Zeer interessant zoude het zijn, met het oog op
de thans heerschende overstroomingen, na te gaan in welke
mate de larven dezer soort, die naar alle waarschijnlijkheid
leven in het stroompje de Aa bij Berlicum (N.-Br.), daarvan
hinder ondervinden en in hoeverre dit eene verandering van
woongebied ten gevolge zal hebben.
Als tweede bijzonderheid noemt Spr. de trimorphie bij
de wijfjes van de Agrionide Pyrrhosoma tenellum DE VILL.;
het £ komt bij deze soort in drie scherp definieerbare vor-
men voor, welke ín sommige opzichten wel eenigermate
kunnen varieeren, doch waarvan nimmer tusschenvormen
zijn aangetroffen. De ® var. erythrogastrum SEL. en znter-
medium SEL. komen hier te lande — met het type — door
elkaar voor. Den. 122°" Juni. 1925 "iss. daaraan (de Sovar.
melanogastrum SEL. toegevoegd. Deze, geheel donkere vorm
werd in één enkel exemplaar door Spr. gevangen aan het
Choorven, bij Oisterwijk (N.-Br.), eene plaats waar Spr. reeds
jaren verzamelt en waar hij ook vele malen tevergeefs naar
dezen merkwaardigen vorm heeft uitgezien.
De ® var. melanogastrum SEL. is stellig eene zeldzaamheid
in ons gebied: zij werd in België bij Genck en in Engeland
in Dorsetshire gevonden, — verder alleen in Zuid-Europa.
De derde mededeeling geldt Aeschna affinis VANDERL.,
de zevende Aeschna-soort, welke gebleken is ook in Nederland
voor te komen. In de collectie Odonata van ons medelid
Dr. MAC GILLAVRY, welke thans in het bezit van Spr. is
gekomen, werd door Spr. bij herhaalde revisie een 2 van
deze Ae. affinis aangetroffen en als zoodanig gedetermineerd ;
dit eenige exemplaar, dat in zeer deplorabelen toestand ver-
X VERSLAG.
keert, werd door den heer SMITS VAN BURGST bij Valkenburg
(Zuid-L.) gevangen. De nieuwe soort gelijkt zeer veel op
de hier te lande gewone Ae. mixta LATR, doch is daar
toch gemakkelijk van te onderscheiden. Zij bewoont ook
weer in hoofdzaak Zuid-Europa en is op onze breedten
uiterst zeldzaam. In België werd zij o.a. eenige malen ge-
vangen in de Ardennen.
Al deze nieuwe faunistische gegevens konden nog in het
tweede “deel van Spr.’s „Odonata Neerlandicalwer
den verwerkt.
Prof. Roepke zegt, dat het een dikwijls geconstateerd feit
is, dat onze meest algemeene insecten veelal tot de minst
goed onderzochte behooren. Een typisch voorbeeld hiervan
is onze gewone Agrotts pronuba L., een uilvlinder, die in
vele streken van Midden-Europa tot de zeer algemeene
insecten behoort, en die ook bij ons veelvuldig voorkomt.
Reeds in 1907 kweekte Spr. in Zürich deze Noctuïde uit een
legsel eieren, dat buiten gevonden werd, en in 1925 vond
Spr. te Wageningen weer een dergelijk legsel, dat eveneens
opgekweekt werd, en waaruit kort geleden de vlinders te
voorschijn zijn gekomen. Beide kweekproeven leverden tal-
rijke imagines, die overeenkomstige, frappante feiten aan het
licht brachten, welke door vergelijking met andere exem-
plaren, uit verschillende verzamelingen afkomstig en meestal
in het vrije veld gevangen, geheel werden bevestigd.
°t Bleek n.i., dat deze soort uitgesproken sexueel dimorph
is, en dat de mannetjes voorts weer in twee scherp ge-
scheiden vormen uiteen vallen, terwijl de wijfjes eene meer
variabele reeks te zien geven, waarin het moeilijk valt,
scherpe scheidingslijnen te trekken.
De mannetjes treden op:
a. in eenen vorm met bijna eenkleurige, diep donker
paarsbruine voorvleugels, met een evenzoo gekleurd borst-
stuk, incl. halskraag.
b. in eenen sterk geteekenden vorm, waarbij lichtere teeke-
ningen (vlekken, dwarsbanden) optreden op donker bruinen
ondergrond. Het borststuk is boven eveneens donkerbruin,
de halskraag echter, met uitzondering van een scherp
VERSLAG. XI
afgezet donkerbruin randgedeelte, licht van kleur. Bij versch
uit de pop uitgekomen exemplaren is de lichte teekening
meer blauwgrijs, deze verandert echter spoedig in geelbruin.
Bij de wijfjes varieeren de voorvleugels van diep oker-
bruin met weinig teekening tot licht geelgrijs met vaak iets
meer teekening, waarbij, speciaal bij de laatstgenoemden,
soms een blauwgrijs waas optreedt, dat meestal de teeke-
ningen niet zoo scherp accentueert als bij de mannetjes
sub 4. Donkere en contrastrijk gekleurde wijfjes kunnen
wel iets op de mannetjes sub 4 gelijken, missen echter den
scherp afgezetten, lichten halskraag.
Spr. verzwijgt ook niet, dat wel eens een enkel mannetje
voorkomt van het type sub a, dat op den donkerbruinen
ondergrond der voorvleugels aanduidingen van lichtere dwars-
banden en misschien zelfs het begin van eenen lichten
halskraag vertoont. Dergelijke exemplaren schijnen echter
uitzonderingen te zijn.
Voor zoover Spr. de zeer uitgebreide literatuur overziet,
wordt er nergens op gewezen, dat de groote variabiliteit
dezer soort gedeeltelijk berust op een duidelijk sexueel
dimorphisme. Voorts bleek Spr., dat de „var. zunuda TR.”
verschillend opgevat wordt. Vele auteurs noemen de een-
kleurig donkere mannetjes sub a, „var. zunuba TR.” (o.a.
BERGE; SEITZ); anderen beschouwen een wijfje van het weinig
geteekend, geelbruine type als zoodanig (FREYER; SPULER) !).
De verklaring voor het feit, dat de hier gepreciseerde
verschillen niet eerder zijn opgemerkt, is ongetwijfeld die,
1) Sedert is Spr. in de gelegenheid geweest, OCHSENHEIMER &
TREITSCHKE te raadplegen. In Band 5, 1. Abt. (1825), p. 265, wordt
„Zriphaena innuba” als aparte soort beschreven. Het criterium der
Latijnsche diagnose wordt weergegeven door de woorden „als anticis
hepaticis”; dit beteekent „voorvleugels leverkleurig”. Nu is dit een
eenigszins vaag kleurbegrip. Onder leverkleurig verstaat men in Duitsch-
land gewoonlijk een eigenaardig bruingeel of licht olijf bruin. Als dit nu
ten tijde van O. & TR. ook reeds zoo mocht zijn geweest, dan moeten
inderdaad de bruingele wijfjes tot de „var. innuba” worden gerekend en
niet de eenkleurige donkere mannetjes, zooals sommige auteurs doen.
In Bd. 6, 1. Abt. (1827) p. 389, trekt TR. zijne vroeger verkondigde
meening aangaande het specifiek verschil tusschen pronuba en innuba
zelf in twijfel, om eindelijk in Bd, 10,2. Abt. (1835), p. 38, deze meening
definitief te verwerpen en aan ###wba alleen nog den rang van eene
variëteit toe te kennen,
XII VERSLAG.
dat de morphologische sexueele kenmerken van Agrofis
pronuba habitueel weinig of niet in het oog vallen. Bij de
mannetjes zijn de laatste twee abdominale tergieten door
eene intersegmentale huidplooi duidelijk van elkaar ge-
scheiden (bij versch gedoode exemplaren gemakkelijk waar-
neembaar!), bij de wijfjes is dit niet het geval. Ook is bij
de mannetjes het laatste tergiet meer donkergrijs gekleurd.
Het wijfje heeft drie hechtborstelharen, het mannetje slechts
één. Natuurlijk zijn er ook nog andere verschillen, maar
deze vallen minder op.
Agrotis pronuba L. is ook nog biologisch en morpholo-
gisch eigenaardig ; zoo mogelijk zal Spr. hierover eenen
anderen keer berichten.
Op eene vraag van den heer SCHUIJT, hoe Agrotis pronuba
tot eierleggen te brengen is, antwoordt Spr., dat deze eieren
in de vrije natuur gevonden zijn. In gevangenschap kunnen
de wijfjes lang leven. Wanneer zij dan ook goed gevoed
worden, gelukt het wel eens, ze tot eierleggen te brengen.
Den President is het eens gelukt, van 5 exemplaren
A. pronuba in enkele dagen 5 legsels te verkrijgen. In de
vrije natuur vindt men legsels op allerlei vreemde plaatsen,
dikwijls ook hoog aan takken. Vermoed moet dan worden,
dat de uitgekomen rupsjes zich laten vallen of aan eenen
spindraad laten zakken, en daarna op zoek gaan naar ge-
schikt voedsel.
De heer Betrem deelt mede, dat tot nu tot de subfamilie
der Scoliinae (sensu Handlirsch) alleen het genus Scola F.
gerekend werd met de subgenera Campsomeris LEP. ( = Els
SAUSS. et SICH.) Ziacos GUER., Scolia F. en Trisciloa GRIS.
Vele auteurs vatten deze subgenera als genera op en ver-
deelden het genus Zzacos GUER. in de subgenera Lzacos GUER.
(= Diliacos S. et S.) en Triliacos S. et S., het genus Scola F.
in Scolia F. (= Discolia S. et S.) in Ascoli GUER. (= 7rescolta
S.et S.); het genus Campsomeris LEP. in Campsomeris LEP.
(= Dielis S.et S.) en Trielis S. et S., terwijl Zrzsczloa verder
niet onderverdeeld werd. Al deze genera en subgenera zijn
alleen gegrond op kenmerken, ontleend aan de vleugelade-
ring. Wel had men bij bet genus Campsomeris LEP. sexueel
VERSLAG. XIII
dimorphisme, wat bij de andere genera niet zou optreden,
maar er waren toch nog verschillende species, die het ader-
verloop van Scolia hadden en toch sexueel dimorph waren.
Uit de & genitaliën blijkt nu, dat het oude genus Scolza s. 1.
werkelijk in twee goed gescheiden genera uiteenvalt, waarbij
de sexueel dimorphe soorten alle in één genus komen en
alle sexueel niet dimorphe in het andere genus. Hiermede
gepaard gaan nog enkele andere morphologische kenmerken.
Bij Spr.’s onderzoekingen van de Indische ScoZa’s bleek
nu verder, dat althans zeker het genus Sco/za sensu SAUS-
SURE et SICHEL in veel meer scherp omgrensde groepen
(subgenera) uiteenvalt dan de twee, reeds door GUÉRIN op-
gestelde subgenera. leder van deze groepen heeft hare typische
kenmerken, die zoowel te ontleenen zijn aan den bouw van
de mannelijke genitaliën als aan andere deelen van het
lichaam van het dier. Ook habitueel zijn deze groepen meestal
scherp gescheiden.
Het subgenus Zzacos GUER. bleek een natuurlijk subgenus ,
te zijn. Men kan in dít subgenus twee kleurgroepen onder-
scheiden, die ongeveer samenvallen met de oude indeeling
van SAUSSURE in Drkacos en Triliacos. De Diliacos-groep, die
met rood geteekend is, komt voor in Engelsch Indië, op de
groote Soenda-eilanden, Philippijnen, Boeroe, Ceram, Misool,
Halmaheira en enkele kleinere eilanden dicht daarbij. De
Triliacos-groep, waarvan de vertegenwoordigers geheel zwart
zijn, komt in het Papuaansche gebied voor. De Indische
vertegenwoordigers van het oude subgenus Ascoli GUER.
(= Zriscolia S. et S.) blijken tot een 4-tal natuurlijke subgenera
te behooren. Zooals men kan zien in eene door Spr. rond-
gegeven doos, zijn deze 4 subgenera naar den habitus zeer
duidelijk te onderscheiden.
Het subgenus, waarvan Scola haemorrhoidalis F. het type
is, heeft eene zeer groote verbreiding. De soorten komen
voor in Z.-Europa, N.-Afrika, Z.W.-Azie, Engelsch Indie,
Z.-China, den Nederlandsch-Indischen archipel en het vaste-
land van Australië. In Amerika ontbreekt dit subgenus geheel.
Typische Indische vertegenwoordigers zijn Scola procera ILL.
en Scolia rubiginosa F. Alle deze soorten zijn opvallend door
de sterke beharing en aanzienlijke grootte.
XIV VERSLAG.
Het subgenus, waartoe Scolia kollart SAUSS. als type be-
hoort, heeft eene verbreiding, die ongeveer overeenkomt met
die der Delzacos-groep van het subgenus Zzacos, nl. Engelsch
Indië, groote Soenda-eilanden, Philippijnen, Boeroe. Boeroe
schijnt dus nog sterk onder den invloed van eene invasie
van dieren uit het Westen te hebben gestaan. Echter ont-
breken de echte vertegenwoordigers uit genera, die alleen
in het Papoeaansche gebied voorkomen, ook niet, bijv. eene
Trisciloa-species. Het subgenus 77zscz/oa komt nl. voor op
Boeroe, N.-Guinea en in N.-Australië.
Dat onder de nog niet in extenso bewerkte groepen ook
natuurlijke ondergoepen te onderscheiden zijn, kan wel blijken
uit enkele door Spr. medegebrachte teekeningen.
De President vestigt er de aandacht op, dat aan verschillen
in bepaalde lichaamsdeelen bij verschillende insectengroepen
lang niet altijd eene even groote waarde gehecht mag worden.
Zonder twijfel levert het aderstelsel soms uitstekende ken-
merken op, doch elders blijkt het lang niet die waarde te
hebben. Hierin schuilt alweder eene waarschuwing, om bij
systematische studiën niet slechts op enkele bepaalde organen
te steunen en te vertrouwen, doch het geheelerdTer
in studie te nemen. Op die wijze meent Spr., dat men de
meeste kans heeft, deugdelijk werk te leveren.
De heer Toxopeus bespreekt het in 1924 verschenen werk:
ANTRAM: „Butterflies of India”. Hij kan aanschaffing aan hen,
die zich bezighouden met de studie van Voor-Indische Lepi-
doptera, niet aanraden, daar het, hoewel voorzien van talrijke
tekstafbeeldingen op natuurlijke grootte, in menig opzicht
te kort schiet. Zoo bevat het geene determinatie-lijsten ;
de sterk op elkaar gelijkende soorten (zooals in het genus
Ypthima) zijn juist niet afgebeeld; de afbeeldingen zijn
over het algemeen slecht gedrukt; en de nomenclatuur is
niet op de hoogte van den tijd gebracht. Zycaenidae en
Hesperiidae zijn gemakshalve niet opgenomen. Subspecies zijn
òf als goede soorten behandeld [Papilio sikhimensis wordt
tegenover ,,typical” Papilio machaon van den N.W. Himalaya,
het Continent (Europa) en het veen van Lincolnshire, als
soort behandeld, Papilio polymnestoroides eveneens tegenover
VERSLAG. XV
P. polymnestor, waarvan hij slechts eene plaatselijke variëteit
is, terwijl beide vormen waarschijnlijk slechts den Zuid-Indi-
schen en den Ceyloneeschen P. memnon-vicariant voorstellen,
enz.|, waar tegenover staat, dat andere in Indië voorkomende
subspecies niet vermeld zijn. Auteursnamen zijn nergens ge-
noemd, en de contrôle, of eene soort door den schrijver
genoemd, inderdaad die is, welke de oorspronkelijke auteur
bedoelde, is daardoor zeer moeilijk gemaakt. Hoewel ANTRAM
dus niet den noodigen eerbied betoonde aan het werk zijner
voorgangers, paraisseert hij zelf alweer als auteur van eene
nieuwe Parnassius-soort, die hij uit eene collectie te voor-
schijn haalde, zonder echter met zekerheid te kunnen aan-
geven, waar het exemplaar (één enkel!) gevangen was;
„vermoedelijk” in Thibet. Hij noemt hem ?. sulphurus, en
trapt daarbij op het gevoelige klassieke eksteroog, wat hij
gemakkelijk had kunnen vermijden, door het woord zwavel-
geel in een woordenboek op te zoeken. Alsdan zou de soort
sulfureus gedoopt zijn. Volgens prof. Roepke komt eene reeds
lang bekende gele Parnassius-soort in China en Japan voor.
Overgaande tot zijn eigen werk in het afgeloopen jaar,
deelt de heer TOXOPEUS mede, dat hij de studie der Indo-
Australische Lycaenidae onafgebroken heeft voortgezet en
daarbij reeds tot menig resultaat is gekomen, vooral dank
zij zijne bezoeken aan Musea, waar typen worden bewaard,
zoo o.a. München (typen van FRUHSTORFER) en Frankfort
(typen van PAGENSTECHER en SEMPER). Ook breidde hij zijne
collectie sterk uit dank zij de prachtige medewerking, van
tal van verzamelaars in de tropen en hier te lande onder-
vonden, waarvoor hij dezen, den heeren W. ORMISTON in
Ceylon, Col. W. H. Evans, Peshawar, P. J. v. D. BERGH te
Velp en Mr. E. VAN DELDEN te Medan, zijnen hartelijken
dank betuigt. Het Leidsche Museum verleende een zeer
gewaardeerden steun door te helpen bij het prepareerwerk,
terwijl nog een extra woord van dank verschuldigd is aan
het Museum te Buitenzorg, waarvan de conservatoren bij
hunne expedities geene moeite gespaard hebben bij het ver-
zamelen van Lycaenidae, tengevolge waarvan Spr. materiaal
ontving uit O. Java en Soemba van Dr. DAMMERMAN, terwijl
verder de buitengewoon succesvolle vangsten van den heer
XVI VERSLAG.
H. C. SIEBERS uit Centraal- en Zuid-Borneo, totaal 4000
stuks, onderweg zijn. De heer VAN DELDEN zal in Mei a.s.
een verzameltocht op Nias maken, en Spr. wenscht hem
dezelfde gelukkige hand als SIEBERS blijkt te bezitten.
Dank zij het materiaal, dat Spr. bij verschillende gelegen-
heden uit Java ontving, kan hij nu eene nieuwe Lycaenopsis-
soort van daar toonen, die hij, om de nagedachtenis van
P. C. T. SNELLEN te eeren, genoemd heeft Z. snelleni. De
soort is moeilijk van de andere op Java voorkomende soorten
te onderscheiden, daar zij sterk op vele daarvan gelijkt. Eene
uitvoerige diagnose, en afbeelding van structuurbijzonderheden,
zullen verschijnen in eene monographie over de Zycaenopsis
van Java, die bijna gereed gekomen is. Hier wil Spr. haar
echter even karakteriseeren om den naam vast te leggen:
„De nieuwe soort komt het meest met Z. coalita DE NIC.
„overeen, maar heeft meer blauwen glans, en aan de onder-
„zijde is de midden-costale vlek der achtervleugels vrij groot
„en diep zwart, terwijl die van Z. coalita klein en bruin is.
„De postdiscale vlekken der voorvleugels zijn vrij klein, en
„minder tot den rand gebogen dan bij Z. coalita ; zij bestaan
„uit ovale vlekjes, en niet uit V-vormige, zooals bij die soort.
„Ook is Z. snelleni kleiner dan Z. coalita. Het type-exemplaar,
„in coll. TOXOPEUS, werd op den Gedeh, W.-Java, in Nov.
„1925 verzameld door den heer H. BRUGGEMAN, hortulanus
„van Tjibodas. Het is een duidelijke droge-moesson-vorm.”
Hiermede komt Spr. op het verschil van droge- en natte-
moesson-vormen op Java. Hoewel in ’t algemeen aldaar
weinig invloed te bespeuren valt, is het abnormaal droge
jaar 1925 niet zonder zijnen stempel op de fauna te drukken
voorbij gegaan. Spr. kan thans dan ook met beslistheid de
bewering van PIEPERS tegenspreken, dat er geene seizoens-
modificaties op Java zouden bestaan.
Hij demonstreert ten bewijze hiervan den droogtevorm
van Lycaenopsts dilecta MOORE, subsp. paradilecta FRUHST.,
van W.-Java, en den normalen regentijdvorm. Daarnaast den
normalen vorm van O.-Java, die helderder blauw is dan de
W.-Java-subspecies uit denzelfden tijd.
Het verschil tusschen regentijd en drogen tijd op Java
is niet zoo groot als in Voor-Indië, en om zijne meening
VERSLAG. XVIL
te staven, heeft Spr. van dezelfde soort materiaal, uit dit
land herkomstig, medegebracht: 2 dd van Tenasserim, in
den drogen tijd verzameld, I d' natte-moesson-vorm en Id
droge-moesson-vorm uit Thandaung, N.-Indié, gaan rond.
DOHERTY vermeldt twee generaties van elken vorm uit den
Kumaon-Himalaya (1886).
Toch mag men niet voetstoots aannemen, dat deze invloed
van den regentijd, die zich voornamelijk uit door verzwarting
van onderzijdevlekken, verbreeding van oranje ooggrens, en
van de marge der bovenzijde, in die streken, waar altijd
eene vochtige atmospheer heerscht, constant is geworden,
dus als erfelijke eigenschap is opgenomen. De soorten van
het zeer vochtige Nias zijn, vooral de 99 daarvan, bijzonder
Heht, en (nog sterker is dit te zien bij den localen.. vorm
der soorten, die Kar Nicobar bewonen. Daartegenover zijn
vele subspecies uit Celebes zeer donker. Tevens gaat eene
doos met bewijsmateriaal rond, die het volgende bevat:
Famides alecto eurysaces FRUHST., N.-Indié, regentijd-vorm, 9;
id. forma ozea FRUHST., droge-tijd-vorm 9;
Famides celeno CR. subsp., N.-Indié, regentijd-vorm, 9, 9, ¢
onderzijde; id. forma conferenda BUTLER, droge-tijd-vorm,
hr tdonderzijde:
Famides pura MOORE, typische subspecies uit Mergui, waar geen
speciale droge-tijd-vorm bestaat; id. subsp. nov. ? N.-Indié,
East Dawnas, 2, 9 droge-tijd-vorm; Kasi Hills, d regentijd;
(7. celeno en pura werden door FRUHSTORFER vermengd !);
Lycaenopsis transpecta MOORE, N.-Indié, droge-tijd-vorm o en
id. forma /atemargo MOORE, regentijd-vorm 4’;
Lycaenopsis lilacea HAMPSON, Z.-Indié, droge-tijd-vorm o en
regentijd-vorm ©.
Famides bochus bochus CR., Ceylon, 2 en &; en F. bochus
nicobaricus DE Nic., Kar Nicobar, 2 en d, die lichter zijn
dan de Ceylon-vorm.
In nog sterkere mate is dit het geval met de 7. celeno
kinkurka FELDER, die aan de onderzijde bijna wit zijn, en toch
ook van het zeer vochtige Kar Nicobar afkomstig (@ en ©).
Daarentegen is het 2 van 7 celeno obscurus ROBER. (2 forma
indrasari FRUHST.) uit Z. Celebes geheel bruin-grijs, en het
d tot 4 mM. breed gerand aan de bovenzijde.
XVIII VERSLAG.
De President vraagt den heer TOXOPEUS, hoe lang het
duurt, alvorens de verandering in den moesson door veran-
dering in het vlinderuiterlijk gevolgd wordt. Eenige tijd is
daar in elk geval voor noodig; is omtrent den duur daarvan
iets bekend? Moet men aannemen, dat het rupsenstadium,
dan wel het popstadium het meest den invloed der weers-
verandering ondervindt?
Hierop antwoordt de heer Toxopeus, dat Prof. ROEPKE
hem had medegedeeld, uit de proefnemingen van STANDFUSS
te hebben kunnen concludeeren, dat invloed van buiten het
sterkst inwerkt op het popstadium, maar dat het popstadium
bij tropische dagvlinders soms zeer kort duurt, zoodat toch de
invloed in het rupsstadium overwegend moet worden geacht.
Prof. Roepke meent, dat de opvatting van DOHERTY, als
zouden 2 generaties in den drogen tijd en 2 in den natten
optreden, niet gegeneraliseerd mag worden, althans voor
Java gaat dat niet op. Spr.’s ervaring is, dat de droogte op
Java vertragend werkt op het insectenleven, speciaal op de
vlinders, zoodat men er in een drogen Oostmoesson minder
generaties zal hebben dan in den regentijd.
Verder mag men aan vangdata niet steeds groote waarde
toekennen, in verband met seizoenverschillen bij verschillende
dagvlinders. Immers de Oostmoessons op Java zijn in som-
mige jaren nat, terwijl andersom ook de Westmoesson soms
laat invalt, zooals in 1925. In het eerste geval zal men ook
in den Oostmoesson regentijdsvormen ontmoeten, in het
tweede omgekeerd droogtevormen op een tijdstip, waarop
anders de regentijdsvormen vliegen. Spr. veronderstelt, dat
om dergelijke redenen PIEPERS het verschil der seizoens-
vormen weinig apprecieerde.
De heer Toxopeus antwoordt, dat zijne bezwaren tegen
PIEPERS’ opvatting zijn:
1°. dat P. niet heeft overwogen, dat er ook in den drogen
tijd wel vochtige plaatsen voorkomen, waar natte tijdsvormen
voortgebracht kunnen worden;
2°. dat P. niet bedacht heeft, dat individueel verschil kan
bestaan ín de reactie op bepaalde uitwendige invloeden.
DOHERTY geeft slechts de bijzonderheden van ééne land-
streek, Op Java is de toestand waarschijnlijk geheel anders.
VERSLAG. XIX
De heer Van den Bergh zegt, dat hij eenige jaren geleden
op eene vergadering eene serie Lycaena euphemus HB, ver-
toonde, veel donkerder getint dan de normale vorm, die
meer zilverachtig is. De donkere vormen waren voortgekomen
uit poppen, die gedurende de ontwikkeling (in de vrije natuur)
aan lage temperatuur met weinig zon waren blootgesteld
geweest, van 15 Juli tot 15 Augustus; dit heeft ongetwijfeld
bijgedragen tot het afwijkend uiterlijk.
De heer A. C. Oudemans deelt het volgende mede over
zijne onderzoekingen omtrent Acarz:
Acarus (olim Sarcoptes) heeft twee paar mandibels!
FüRSTENBERG, Die Krätzmilben, 1861, p. 187 en 188 zegt,
dat bij ,,Sarcoptes” twee paar mandibels aanwezig zijn, en
beeldt ze ook af. Herhaalde malen is door anderen op die
„absurditeit’’ gewezen. En toch heeft hij goed waargenomen
en vrij goed afgebeeld!
Ik ben bezig met een onderzoek van Acarus bubulus nov.
nom. }), die op Bos taurus eene echte scabies veroorzaakt,
en vind nu bij alle individuën van alie ontwikkelingstoe-
standen twee paar mandibels. Wat toch is het geval? Het
bovenste paar mandibels is zwak gechitiniseerd, kleurloos,
doorzichtig, gezwollen, met stompe tanden; het onderste
paar is sterk gechitiniseerd, geel tot donkerbruin, veel
minder doorzichtig, niet gezwollen en met scherpe tanden.
Deze laatste zijn de eigenlijke en werkzame mandibels.
Twee verklaringen zijn hier mogelijk: òf de ,,velletjes” der
soude” mandibels van den vorigen ontwikkelingstoestand
blijven tusschen epistoom en nieuwe” mandibels geklemd;
òf de mandibels vervellen nog eens nadat de gewone
vervelling plaats gehad heeft.
Ik acht de laatste verklaring aannemelijker, omdat ook
de larven in het bezit zijn van 2 paar mandibels.
Onverklaarbaar is, dat FüRSTENBERG de beide mandibel-
paren even sterk gechitiniseerd en met even scherpe tanden
afgebeeld heeft.
Acarus (olim Sarcoptes) heeft klemorganen. In de
1) Sarcoptes bovis is gepraeoccupeerd: VAN LEEUWEN 1847, Schurft
d. Dieren, p,9.t. 2, f. 5. 6. = Chorioptes bovis.
XX VERSLAG.
Ent.’ Ber.) 46. n.1133. Sept. 1923, Pr 202,ssechinilkstenik
voor het eerst de uitdrukking ,,klemtoestel”. En.op p. 204,
bij Canestrinia javensis, gaf ik er de verklaring van, luidende:
„aan de laterale randen van dat gedeelte, dat men bij de
Oribatei het camerostoom zoude noemen, vind ik een S-
vormig gebogen uitsteeksel (geen haar!), dat het gna-
thosoma vastklemt”.
Zulk een toestel, dat dus door twee klemorganen gevormd
wordt, die enkelvoudig, maar ook wel eens gespleten, ge-
vorkt, Y-vormig zijn (de ,,steel’’ van de Y is soms zeer kort),
vond ik later ook bij Canestrinia macgillavryi (|. c. p. 204,
205), bij het genus Rhzzoglyphus (1. c. n. 137, Mei 1924, p.
270; Tijds. Ent. v. 67. Verslagen, p. LV. LVL us 4824
Ent. Ber. v. 6. n. 140. Nov. 1924. p. 32T), nette
zeer naverwante genus Schwiebea (Ent. Ber. v. 6. n. 137.
Mei 1924, P.,279).
Nu vind ik ook bij Acarus een klemtoestel; de klem-
organen zijn diep gespleten. Merkwaardig is, dat een tak
er van niet ventraad, maar dorsaad gericht is, zoodat hij als
het ware op den ,,nek” van het gnathosoma ligt; de andere
tak ter zijde daarvan.
Epistoom bij Acarus. Wat de sarcoptologen een
„epistoom’’, ,, nuque” of „bandeau” noemen, is slechts de
ver naar voren reikende vertex, het voorste gedeelte van
het idiosoma; het draagt de 2 vertikaalharen. Het eigenlijke
epistoom, het somatisch ruggedeelte van het gnathosoma,
dat bij geen der Acarz behaard is, is bij Acarus (olim Sar-
coptes) en bij Notoedres wel degelijk aanwezig; het ligt vóór
den vertex en ligt over de proximale helft van het gnatho-
soma. Daarvóór ziet men de mandibels.
Een scutum verticale bi Acarus. Voor zoover ik
kon nagaan, is dat het eerst beschreven en afgebeeld door
BUXTON in Parasitology vi 134m. 2-JJuni 1921.
Acarus heeft zonderlinge palpen. Hoewel de drie
palpleden, vooral door hunne extern sterk gechitiniseerde
randen, duidelijk te onderscheiden zijn, zijn zij toch met
elkander vergroeid, en dragen gezamenlijk extern een extern
fraai afgeronden doorzichtigen zoom. Deze is over de volle
lengte van het eerste palplid enkelvoudig, maar over de volle
VERSLAG. XXI
lengte der 2 distale palpleden in zijn eigen vlak gespleten,
zoodat daar twee hyaline membranen over elkander liggen.
De onderste (ventrale) membraan is tevens mala exterior
maxillae. Eigenlijk zijn er dus slechts twee (zoogenaamd vrije)
palpleden, die dorsaal van de mala exterior maxillae liggen.
De drie palpleden dragen dorsaal ieder een haar van ver-
schillende lengte. Het tweede (eerste ,,vrije’’) lid draagt ook
ventraal eenen borstel, die, zijwaarts gericht, tusschen de
twee hyaline membranen geklemd is en in zijne distale helft
vrij te voorschijn treedt.
Het voorste palplid eindigt in een gevorkt aanhangsel, dat
doet denken aan het zonderlinge dito van Anoetus.
Die zijdelingsche membranen worden ,,Backen”,,joues”,
Cheeks”, „wangen’ genoemd, En nu is het wel merk-
waardig, dat, wat de sarcoptologen bij Vofoedres met dien
naam betitelen, heel wat anders is! Bij dat genus zijn de
palpen normaal” en heeft de nog verder naar voren reikende
membraneuse vertex zijdelingsche uitbreidingen, die algemeen
met diezelfde namen aangeduid worden. Men heeft dus niet
begrepen, wat men zag!
EE MOonmo- Dien Tri-acrotrich a, In /1906 (in:
WREDE. 04.12, n. 27. Jan 1900, pt 46-en in: Zool; Anz,
Ve 29,5 Nl 20. Jan. 1906, ‘'p. 636) voerde ik’de-namen van
Di-, Mono- en Anacrotricha in, om een kenmerk aan te duiden
van drie typische groepen der Supercohors Acaridiae LATR.
1806, hierin bestaande, dat de Acari, die tot die drie cohortes
behooren, twee, één, of geen vertikaalharen rijk zijn. Door
eenige acarologen werd de gegrondheid van die indeeling
ingezien en namen zij de laatste over. Door eene briefwisseling
met Dr. Graaf VITZTHUM, die bij eene Pieronyssus-soort geen
mediaan vertikaalhaartje zag, terwijl ik meende er wèl een
te zien, werd ik aan het wankelen gebracht. Anacrotricha
zouden dus wel eens ontstaan kunnen zijn uit Monacrotricha,
bij wie eene tendenz zich openbaarde van het steeds kleiner
worden en ten slotte verdwijnen van dat ééne vertikaalhaartje !
Het genus Peronyssus levert daarvan het bewijs.
In 1903 beschreef ik eene Glycyphagus domesticus concre-
tipilus en eene Gl. dom. unisetus, bij wie de beide vertikaal-
haren elkander zóó dicht genaderd waren, dat zij samengroeiden,
XXII VERSLAG.
en wel tot een V-vormig mediaan haar, of zelfs tot één
enkelvoudig haar. In dat geval zag men dus voor oogen het
ontstaan van eene monacrotriche Acaride uit eene diacro-
teichei(in: Ent. Ber.-v. 1, n. 14. Nov. 1903, pWro2 EEE
Tjds Ned. Dierk. Vereen, s. 2.v. 8, p.226, Janas
to cr 20)
En nu vind ik een derde geval. Bij mijn onderzoek van
de runderschurft vind ik individuen met 3, 2, en I vertikaal-
haren (bij de meeste: 2, zooals het behoort).
Nu rijst de vraag: valt daarmede de verdeeling van Dz-,
Mono- en Anacrotricha? Ik geloof van niet. Het groot aantal
diacrotriche genera, die ook in vele andere opzichten ver-
wantschap vertoonen; het groot aantal anacrotriche genèra,
van wie hetzelfde gezegd worden kan; de weinige genera der
Monacrotricha, waarvan één genus, Zrouessartia,, (volgens
schriftelijke mededeeling van Dr. E. L. TROUESSART) meer
dan 150 soorten telt, waarborgen m.i. de gegrondheid van
mijne indeeling van 1906.
Die gevallen van Péeronyssus, Glycyphagus en Acarus
moeten wij m.i. als teratologisch beschouwen. Maar zij zijn
leerzaam; en wij moeten er op bedacht zijn, al die gevallen
te noteeren en te publiceeren.
Een Acarus, die geen gangen graaft. Bekend is,
dat Acarus siro L. 1758 gangen graaft tusschen epidermis
en corium van Momo sapiens. In die gangen bevinden zich,
tusschen de excrementen, talrijke eieren in alle ontwikkelings-
toestanden.
Tusschen de korsten, met een mes van de schurftige
runderhuid afgekrabd, met talrijke stukjes bloedend corium,
vind ik geene enkele gang, wèl talrijke Acarz in alle
ontwikkelingstoestanden en slechts 5 eieren, waarvan één
met een embryo er in. Dat was voor mij een bewijs, dat
deze runder-Acarus geene gangen graaft, misschien
slechts ondiepe groefjes, en.... dat hij ovovivipaar is,
enc)... dat die weinige vrije eieren vrij gekomen zijn
uit de door het mes vernietigde 22. Mijne onderstelling
bleek juist te zijn, daar de weinige ei-dragende 22 ieder
slechts één ei dragen; en van die weinige bevindt zich in
dat ei eene volkomen ontwikkelde larve.
VERSLAG. XXIII
Rudimentaire ambulacra aan pooten III en IV.
Bekend is, dat bij Acarus de pooten I en II een ambulacrum
dragen in den vorm van een langgesteelden zuignap
zonder klauwtje. Ook pooten IV der dd zijn daarvan
voorzien. Pooten III en IV der 92 en pooten III der dd ein-
digen in een lang sleephaar.
Welnu, ik vond aan “pooten Il en IV der 99 ‘en aan
pooten III der dd naast dat sleephaar een zeer klein door-
schijnend kolfje, dat ik als rudimentair ambulacrum beschouw.
Bij de andere ontwikkelingstoestanden ontbreekt dat.
Nagaande, of zoo iets in de literatuur reeds vermeld is,
mind ak, dat BUXTON (in; Parasitology v. 13..n. 2: Juni
ROZ p. 335. f..15) den poot III van het d van Acarus
equi beschrijft en afbeeldt met eene ,,papilla”. Bij de 99 zag
hij dat rudimentaire ambulacrum niet.
Maar vreemd zag ik op, dat BUXTON óók aan poot IV
van het d zoo’n „papil” beschrijft en afbeeldt. Zij is min
of meer vierkant en grooter dan aan poot III geteekend.
Als die ,,papil’ homoloog was aan die der pooten III van
het 4 en der pooten III en IV van het 9, dan zou mijne
interpretatie van ,,rudimentair ambulacrum” ten eenen male
onjuist zijn, daar, gelijk bekend is, het 4° pootpaar van
het d' reeds van een ambulacrum voorzien is.
Welnu, wat BUXTON (l.c. p. 136) „a soft large papilla”
noemt, is een orgaan, dat acarologen zeker niet bij Acarzdae
(olim Sarcoptidae) gezocht zouden hebben! Namelijk:
Tarsale zuignappen bij de dd van Acarus! Be-
kend is, dat de dd der Tyroglyphidae sensu lato aan tars IV
twee zuignappen bezitten, die bij de copulatie de zijden van
het opisthosoma van het © grijpen. In de Ent. Ber. v. 4.
HUMAN 1917. p. 344. deelde ik mede, dat de od van
Anaiges corvinus C. L. KOCH aan tarsi IV twee rudimentaire
zuignappen hebben. Dat is al weder een bewijs van ver-
wantschap met de 7yroglyphidae. — In de Ent. Ber. v. 6. n.
144. Juli 1925. p. 409. maakte ik opmerkzaam op de twee
functioneerende zuignappen aan de tarsi IV van Péeronyssus
pari L. 1758. — En thans ben ikin staat een derde geval van
zuignappen aan tarsi IV mede te deelen: Acarus bezit die,
maar .... noodzakelijk gevolg van de extreme verkorting
XXIV VERSLAG.
der pooten, zij zijn met elkander vergroeid tot ééne dikke
korte zuil (vandaar, dat BUXTON haar, van terzijde gezien,
vierkant teekent), aan wier einde men (met immersiesysteem !)
twee zuignapjes ziet.
Ambulacrum en klauw. By eenige 7yroglyphidae
(sensu lato), bijv. bij Rhzzoglyphus, eindigen de pooten in
eenen klauw. Deze is beweeglijk. De twee spiertjes, die
dien klauw opheffen of nedertrekken, zijn door middel van
pezen (tendines) aan dien klauw bevestigd. Laat men zoo’n
dier, door middel van acidum aceticum, of acidum lacticum,
zwellen, dan wordt, tusschen dien klauw en het pooteinde,
(beter: rondom de basis van dien klauw, ventraal meer dan
dorsaal) een doorzichtig orgaantje zichtbaar, dat algemeen
als „de carunkel” bekend is. De pezen, waarvan zooeven
sprake was, loopen dus door die carunkel. — Bij Zyroglyphus
en andere genera is de carunkel altijd zichtbaar; maar de
pezen, die door díe carunkel loopen, zijn zóó kort, dat zulke
klauwen algemeen als „sessiel’’ aangeduid worden. — Bij
vele Zyroglyphidae, bijv. bij Carpoglyphus, is de groote klauw
duidelijk een eind van het pooteinde verwijderd, en kan men
de pezen zeer gemakkelijk door de carunkel vervolgen. Daar
ook de carunkel nog al groot is, zegt men, dat de klauw
op het midden van de carunkel b'evestisdus wat
onjuist is; want de klauw zit voor een groot deel in de
carunkel (even als de pezen); alleen het distale gebogen
gedeelte van den klauw steekt vrij uit de carunkel. — Bi
Glycyphagus is de carunkel, zoogenaamd, ,,gesteeld” en zit
de zeer kleine klauw, zoogenaamd, op het einde van
de carunkel. — Bij eenige vogelmijten, Avzcolae, is de
bijna schijfvormige carunkel niet alleen groot, maar tevens
gesteeld, en zoekt men, met kleine vergrootingen werkend,
tevergeefs naar een klauwtje. Bij de genera Pteronyssus,
Rıvoltasia, Mealia, misschien nog wel bij andere, ontdekt
men, met sterke vergrootingen werkend, op het midden
van de schijfvormige carunkel een rudimentair klauwtje.
— Het spreekt van zelf, dat zulk een rudiment bestemd is
voorgoed te verdwijnen. Het is dan ook geen wonder, dat
bij het overgroot aantal Avzcolae geen spoor meer van een
klauwtje aanwezig is. — Bij het genus Zentungula, dat in
VERSLAG. XXV
zeewater tusschen Algen leeft, vinden wij eene zeer lang
gesteelde, drielobbige carunkel, en op het einde van de
middellob daarvan, een krachtigen, krommen klauw ingeplant.
De pezen, die dien klauw bewegen, loopen dus door die
buisvormige carunkel. — Nu bezitten de genera Acarus,
Notoedres, Psoroptes enz. zoo°n zeer lang gesteelde carunkel,
echter geen spoor van een klauwtje. Deze parasieten
bezitten dus geen klauw. — Wel hebben zij aan het
einde der tarsen, zoowel dorsaal als ventraal, één of meer
konische, soms krom-konische, klauwvormige borstels,
zooals onder de 7yroglyphidae de genera Rhizoglyphus en
Schwiebea vertoonen, maar echte klauwen bezitten
zij niet. Bij eenige genera met gesteelde carunculae eindigt
de tars zelf scherp, krom, klauwvormig, e.g. Lentungula,
Analges, Psoroptes, Chorioptes; men mag in zulke gevallen
evenmin van eenen klauw spreken.
Nog iets: wij mogen wèl zeggen: de 4 achterpooten der
Nymphae en der 99, en het 3° pootpaar der Larven en der
dd, eindigt in een lang sleephaar. Maar wij mogen niet
zeggen, dat de 4 voorpooten van alle ontwikkelingstoe-
standen en het 4° pootpaar der Sd in eene gesteelde carunkel
eindigen ; want, deze is, evenals bij alle hierboven genoemde
Senera, aan de ventrale zijde van het-tarseimde
ingeplant.
Ontwikkelingstoestanden, Zoowel de 9 als de dd
van het genus Acarus (olim Sarcoptes), doorloopen de toe-
standen van Larva, Nympha I en Nympha HI. Er zijn dus
daarvan masculinae en femininae. Maar ik heb ze niet van
elkander kunnen onderscheiden.
Rontoppidania littoralis (Halbert 1920). In de
Broces.Roy. Irish Acad. v. 35, sect. B, n.7: July 1920, p. 136;
t. 22, f. 20 a—d beschreef HALBERT een 7yroglyphus littoralis
nov. spec. Van het d heet het o.a.: „Legs robust and cha-
racteristic of the genus, except for the last pair; the tarsal
segments of these, instead of having two small raised discs
near the middle of the segment, have only one disc, which
is placed close to the base on the upper and inner surface
(fig. 20 d.).”
Daar ik aan de juistheid van deze mededeeling twijfelde
XXVI VERSLAG.
(zie Ent. Ber. v. 6, n. 133, Sept. 1923, p. 208, en nn 135;
Jan. 1924, p. 231), verzocht ik den heer HALBERT om toe-
zending van zijne preparaten. Ik vond terstond de beide
zuignappen, één aan het proximale, één aan het distale einde
van den tars.
Ten slotte laat ik hier rondgaan de door mij vervaardigde
teekeningen van Zrzophyes oculatus OUDMS. 1925, waaraan
iksinsde Ent. Ber. /v. 7, n. 146, Nov. 1925; PDM
eenige woorden wijdde. Men ziet de pigmentvlekken, de
enkelvoudige tarsen, de klauwtjes, het lange reukhaar
(zoogenaamden klauw”) en het pulvillum (zoogenaamde
»Fiederborste”).
Prof. de Meijere herinnert, naar aanleiding van de twee
paar mandibels, die bij bepaalde mijten zouden voorkomen,
er aan, dat voor eenigen tijd door W. BISCHOFF een geval
beschreven werd van de aanwezigheid van twee paar mond-
haken (volgens hem eveneens de mandibels) bij Dipteren-larven,
waarschijnlijk behoorende tot de Anthomyinen. (Arch. f.
Naturg. 88. 1922, Abt. A, p. 51). Ondanks de uiteenzettingen
van den auteur, kan Spr. het vermoeden niet onderdrukken,
dat hier een vervellingsstadium in het spel is.
De heer Uyttenboogaart laat in de eerste plaats ter be-
zichtiging rondgaan eenige larven op formol en een brokstuk
van eene Cerambycide, door hem ter onderzoek ontvangen
van de Nederl. Heidemaatschappij, die op hare beurt deze
had gekregen van eenen parapluiemaker te Nijmegen, bij
wie eene dame zich kwam beklagen, dat uit den stok van
haar pas gekochte parapluie „vieze witte wormen kropen”.
Bij onderzoek bleek toen eene geheele partij Rotan-stokken
door deze larven aangetast. In het harde gedeelte richten-
deze, voorzoover waarneembaar, geene schade aan, alleen
het merg wordt opgegeten, hetgeen op de gebruikswaarde
van den stok weinig invloed heeft. De handelswaarde wordt
echter door deze insectenplaag natuurlijk wel beïnvloed.
Spr. heeft nu gevraagd om stokken met levende larven, ten
einde te trachten de Cerambycide daaruit te kweeken, daar
aan het immature brokstuk de soort niet te herkennen is.
In de tweede plaats vestigt spreker de aandacht op de
VERSLAG. XXVII
veranderingen, die de fauna in de laatste jaren ondergaat
als gevolg der abnormale klimaatsverschijnselen, die op hun
beurt weder gevolg zijn van geweldige erupties op de zon.
Spr. heeft sinds 1889 regelmatig de fauna der uiterwaarden
van onze groote rivieren bestudeerd, door na elke hoogwater-
periode daar aanspoelsel te zeven. Opvallend is nu de ver-
andering, die in het beeld der fauna dezer uiterwaarden in
de laatste 5 jaren heeft plaats gevonden.
Terwijl de rijkdom aan soorten vóór dien tijd overweldi-
gend was, treedt sinds 1911 eene langzame verarming op,
die vanaf 1920 in een snel tempo voortschrijdt en nu ten
gevolg heeft, dat de fauna der uiterwaarden een sterk boreaal
karakter heeft aangenomen, n.l. armoede aan soorten, rijkdom
aan individuen. Geheele families, waarvan talrijke soorten
vroeger als overwinterende imago's in aantal in het aan-
spoelsel voorkwamen, zijn nu geheel of zoo goed als geheel
daaruit verdwenen. Zoo bijv. Coccinellidae en Curculionidae,
de eerste familie bijna geheel (in dezen winter was de eenige
vertegenwoordiger een exemplaar van Coccidula rufa HBST.),
terwijl van de tweede zoowel het aantal soorten, als het
aantal individuen op hoogst opvallende wijze is afgenomen.
Vroeger kwamen bijv. de volgende Coccinelliden steeds
talrijk in het aanspoelsel voor: Awuzsosticta 19-punctata L.,
Hippodamia 13-punctata L,, Micraspis sedecimpunctata L.,
Rhisobius litura F. en subdepressus SEIDL., Coccidula scutel-
lata HRBST. en Coccidula rufa HRBST.
Van Curculioniden vond Spr. regelmatig in aantal vele
Ceutorrhynchus-soorten, thans nog slechts enkele exemplaren
van Ceutorrhynchus erysimi F.; Poophagus sisymbrii F. is
verdwenen (vroeger in groot aantal), Phytobius leucogaster
MRSH., waarvan verleden jaar nog een enkel exemplaar
werd gevonden, ontbreekt dit jaar geheel, evenals de zeld-
zamere Ph. quadricornis GYLH. en quadrinodosus GYLH., die
vroeger telkens in een of twee exemplaren verzameld werden ;
Baris lepidii GERM., twee jaar geleden nog in vele stuks
gevonden, ontbreekt thans geheel op dezelfde plaatsen. Van
Rhinoncus-soorten, die Spr. vroeger tot vervelens toe vond, in
de laatste jaren slechts enkele exemplaren. Van het geslacht
Apton nog wel vele individuen, maar de 6 à 8 soorten, die
XXVIII VERSLAG,
vroeger regelmatig voorkwamen, zijn tot 2 verminderd.
Erirrhinus acridulus L. heeft onverminderd stand gehouden,
evenals Ofiorrhynchus ovatus L. By de Staphylinidae zijn
alle zeldzamere Sfenus- en Lathrobium-soorten verdwenen,
de gewone soorten echter zijn in individuental eerder toe-
genomen. Daartegenover komt nu de vroeger zoo zeldzame
Achenium humile NICOL. veel meer voor, zoodat zoowel de
heer VALCK LUCASSEN als Spr. al in de gelegenheid waren
er alle collega’s coleopterologen van te voorzien. Doch dit
is eene uitzondering, die den regel bevestigt en deze is, dat
de minder gewone soorten, dus waarschijnlijk die met geringer
weerstandsvermogen, achteruitgaan of verdwijnen, terwijl de
gewone soorten in aantal exemplaren eerder toenemen.
Waar dezelfde opmerking ook reeds door verscheidene
entomologen is gemaakt naar aanleiding hunner vangsten
op andere plaatsen, achtte Spr. deze waarneming belangrijk
genoeg, om ze in dit verslag vast te leggen, omdat zij een
der bouwsteentjes kan zijn, waaruit de wetenschap omtrent
den invloed der zonnevlekkenperiode op alles wat onze aarde
bevat, kan worden opgebouwd.
In de derde plaats laat Spr. ter bezichtiging rondgaan een
aantal dadelpitten, aangetast door Coccotrupes dactyliperda F.
De eerste generatie kwam te voorschijn in Juni en Juli
1925 uit pitten van Phoenix canariensis, die Spr. van de
Canarische eilanden had medegebracht, om er palmpjes uit
te kweeken. Van deze pitten zijn er nog een paar in de
doos aanwezig. Er is niets anders van over dan het buitenste
taaie huidje. Spr. heeft uit zeven pitten ruim 250 kevers
geteld. Aan een honderdtal gaf hij pitten van Algerijnsche
dadels, waarin ze zich dadelijk gretig inboorden. De kever
heeft slechts ongeveer 7 minuten noodig om in de steen-
harde pit geheel te verdwijnen. Er is al weer eene tweede
generatie verschenen en de derde is nu in volle ontwikkeling.
Men kan zich overtuigen welke geweldige hoeveelheden
boormeel worden geproduceerd.
Ten slotte deelt Spr. nog mede, dat zijne excursies en
die zijner echtgenoote op de eilanden Gran Canaria en
Teneriffa hebben opgeleverd 2343 Coleoptera in 216 soorten,
benevens eenige andere insecten, hoofdzakelijk Hemiptera,
VERSLAG. XXIX
welke Spr. ter beschikking stelt van de collega’s, die zich
meer speciaal met die andere orden bezighouden.
De heer van den Bergh vraagt, of het geene aanbeveling
zou verdienen, om op de kaarten, waarbij wordt medegedeeld,
dat er over de contributie zal worden beschikt, of verzocht
deze op te zenden, het jaar te vermelden, waarover de
contributie loopt.
Verder vraagt Spr. of het den leden wel bekend is, dat
er op geprepareerde insekten, die met aangegeven waarde
worden ingevoerd, een invoerrecht van 8°/, geheven wordt.
Het artikel, naar aanleiding waarvan men invoerrecht heft,
is te vinden in post 94, onderdeel 4, der Nieuwe Tariefwet,
ingegaan I Juli 1925 en luidt als volgt: „Vlinders, insekten
of anderen, bevestigd in doosjes, of op al dan niet in lijst,
raam of vitrine gevat karton of plankje of op eenigerlei
andere dergelijke wijze opgemaakt, zoomede microscopische
praeparaten’’. Het spreekt wel vanzelf, dat de bedoeling is,
invoerrecht te heffen van doosjes en lijstjes, die met vlinders
er in als handelsartikel aan de markt worden gebracht, zooals
de bekende ronde en ovale lijstjes van Kibler en anderen.
Onopgezette vlinders, verpakt in papieren zakjes, zijn vrij
van rechten. Meestal worden geprepareerde vlinders ver-
zonden met aangegeven waarde, om zekerheid te hebben
van aankomst; in het buitenland weet men van geen invoer-
recht en zoo worden de ontvangers, die niet op de hoogte
zijn, de dupe, zooals ondergeteekende.
Zou het nu niet op den weg van het Bestuur onzer Ver-
eeniging liggen, om bij de zoogenaamde Tariefcommissie te
Amsterdam eene uitlegging te vragen van genoemd artikel,
of anders den Minister te vragen, de redactie te doen wijzigen?
Buitendien zijn het meestal nog dieren, die men voor weten-
schappelijke doeleinden gebruikt.
Verder laat Spr. eenige kleuren-photo’s van vlinders zien,
die bijzonder geslaagd zijn en meent, dat deze wijze van
photographeeren, die nauwkeuriger is dan eene teekening,
ongetwijfeld toekomst hebben zal, de dure clichés van
tegenwoordig in aanmerking genomen.
Dan nog vertoont Spr. 2 merkwaardige aberraties van
XXX VERSLAG.
vlinders, eene van de bekende Zoepa katinka WESTW., die
in Nederlandsch-Indië zeer gewoon is, waarbij de oogvlekken
der vleugels zijn uitgevloeid en tot ééne langwerpige vlek
zijn vervormd. De andere aberratie is van Paprlio milon FLDR.
uit Celebes, die de groene vlekkenrij over de vleugels mist
en alleen eene groene vlek heeft in de punten der boven-
vleugels.
In hetzelfde doosje vindt men eenen nieuwen vlinder van
Simaloer, die eene gele subspecies is van Pzerzs leptis FLDR.,
die Spr. citrina noemde, waarvan de beschrijving in het
Tijdschrift gepubliceerd zal worden. Ten slotte vraagt Spr.
nog de aandacht voor enkele mooie soorten van het geslacht
Agrias uit Zuid-Amerika, welke hij speciaal verzamelt, en
waarvan men in Nederland zoo goed als niets te zien krijgt.
Dit geslacht, dat met recht wel eens het Koningsgeslacht
der vlinders wordt genoemd, is zeer verwant aan het genus
Charaxes uit Ned.-Indië.
De heer Corporaal deelt mede, dat het Bestuur reeds
diligent is in zake de tariefwet en hare toepassing en de
daarmede samenhangende questies, dat adressen onder weg
zijn aan den Minister van Financiën en aan den Directeur-
Generaal der Posterijen en dat in de Entomologische Be-
richten weldra aanwijzingen zullen gepubliceerd worden,
waardoor men eenige der bezwaren zal kunnen ontgaan.
Hij hoopt, dat de Minister of iemand van zijnentwege
binnenkort ook aan een tweetal bestuursleden gelegenheid
zal geven, de bezwaren onzer leden mondeling toe te lichten
en verzoekt, teneinde alsdan gedocumenteerd te zijn, om
spoedige mededeeling van desbetreffende ervaringen.
De heer Toxopeus zegt, dat van Papilio sarpedon L.,
waarvan milon FLDR. eene op Celebes voorkomende sub-
species is, reeds uit Sumatra eene analoge zwarte aberratie
bekend is, eveneens zeer zeldzaam. Deze is door DE NICE-
VILLE beschreven en afgebeeld in Jrn. Bombay N.H. Soc.
1608 VIII; D 464" plaid):
Op eene vraag van den heer Tutein Nolthenius antwoordt
de heer VAN DEN BERGH, dat de prijs van het kleuren-
procédé nog vrij hoog is (eene opname 13 X 18 cM. f 15.—
en een afdruk f 1.50).
VERSLAG. XXXI
Op eene vraag van Dr. A. C. Oudemans antwoordt de
heer VAN DEN BERGH, dat het procédé nog niet gevorderd
is tot reproductie van kleurenphotographieën voor druk.
Dr. Lycklama à Nijeholt laat eenige Microlepidoptera
rondgaan, nieuw voor de Nederlandsche fauna:
Cacoecia aeriferana M. S., in 1923, einde Juli en begin
Augustus, 3 ex. gevangen te Nijmegen, gedetermineerd
door den heer SCHUYT, na vergelijking van in zijn bezit
zijnde, zekere exemplaren dezer soort.
Olethreutes gentiana HB., twee ex. van Mr. BRANTS ontvangen,
door hemi indertijd uit bloemen van gentiaan gekweekt,
1—2 Mei 19900.
Dioryctria splendidella H. S., welke te Nijmegen te zamen
met D. abzetella F. M. vliegt. Het eenige zekere verschil
is de vlek naast de eerste dwarslijn, welke donkergeel is,
bij de tweede soort witachtig geel. Wellicht ís ook de
meerdere grootte een constant verschil.
Coleophora bilineatella Z. en C. saturatella STT. door SNELLEN
als ééne soort beschouwd, waarvan echter het type, dz/-
neatella, hier nog niet gevangen was, Het eenige verschil
is de kleur. Beide zijn gekweekt uit kokertjes, gevonden
te Hatert.
STAUDINGER houdt deze en de voorlaatste voor soorten,
SNELLEN voor variëteiten. Veel kans tot kweeken is er bij
deze soorten niet, zoodat wij tegenwoordig STAUDINGER
volgen, zij het onder protest.
De heer Balfour van Burleigh doet de volgende mede-
deeling:
In het lichaam van bijna alle insecten bevindt zich een
sterk vertakt systeem van buizen, de tracheae, die in hare
grovere vertakkingen als geleiders voor de benoodigde lucht
dienen, terwijl in de allerfijnste vertakkingen vermoedelijk de
gaswisseling plaats vindt. Met de buitenwereld staan deze
tracheae in verbinding door de ademhalingsopeningen of
stigmata.
Bij zeer vele insecten bevindt zich op zeer korten afstand
van het stigma, om de dikke tracheestam heen, tot welke
XXXII VERSLAG.
het stigma toegang geeft, een chitineus mechanisme, dat
dient om de opening van de ademhalingsbuis te vernauwen
of geheel af te sluiten.
In de omvangrijke literatuur over dit onderwerp geven
o. a. LANDOIS en THELEN in een stuk, getiteld „Der Tracheen-
verschluss bei den Insecten’’ eene benaming aan de voor-
naamste deelen, die het sluitapparaat vormen, welke nomen-
clatuur door Spr. overgenomen is. Deze namen zijn: Sluit-
beugel, sluithefboom, sluitband en sluitspier. Spr. vertoont
een schema.
Het sluitmechanisme omgeeft de trachee en de samen-
stellende deelen zijn steeds zoodanig met elkander verbonden,
dat in rusttoestand de toegang tot de trachee open is.
Bij alle rupsen vindt men, dat het ovale stigma toegang
geeft tot eene breede buis, ongeveer van denzelfden diameter
als het stigma. Deze buis verwijdt zich weldra tot eene bol-
vormige ruimte, waaruit de verschillende tracheestammen
ontspringen. Juist op de plaats, waar de verwijding begint,
bevindt zich om de trachee heen het sluitapparaat, en wel
zóó, dat de beugel de proximale helft van de trachee omvat.
De hefboom bevindt zich aan de distale helft der trachee en
is aan de rugzijde met den beugel door een soort gewricht
verbonden. De hefboom bestaat uit een V-vormig chitinestuk.
Het eene been der V is tegen de trachee aangedrukt, het
andere stuk is naar het achtereinde van het dier gericht en
ligt in een vlak, evenwijdig aan het vlak, waarin de adem-
halingsopeningen gelegen zijn. Aan het uiteinde van het
laatstgenoemde been bevindt zich de aanhechtingsplaats voor
eene spier, die anderzijds aan het ventrale deel van den
beugel en der trachee bevestigd is. De antagonist van deze
sluitspier, indien aanwezig, loopt van hetzelfde punt, uitgaande
naar de dorsale zijde van den beugel en van de trachee;
deze is altijd minder ontwikkeld dan de sluitspier.
De werking van dit mechanisme is als volgt: Wanneer de
sluitspier zich samentrekt, wordt het distaalwaarts gerichte
stuk van den hefboom naar den proximalen kant getrokken;
het langs de trachee liggende stuk van den hefboom, onwrik-
baar met het eerstgenoemde verbonden, drukt den wand der
trachee naar binnen. Dit zou dus gedeeltelijke indeuking der
VERSLAG, XXXIII
trachee ten gevolge hebben. Nu sluit echter het proximale
stuk van den hefboom precies op eene der chitineuse spiralen,
die den wand der trachee versterken — het omvat dezen
als het ware eenigszins —, hetgeen op doorsnede te zien is.
Hierdoor wordt eene geheele indeuking der trachee verkregen.
LANDOIS en THELEN spreken in genoemd opstel over den
sluitband; deze wordt hier dus vertegenwoordigd door eene
spiraal der trachee. Vermoedelijk heeft eene verlenging van
het V-vormige stuk aanleiding gegeven tot het spreken over
een sluitband.
Spr. vertoont teekeningen naar microscopische preparaten
van de sluitapparaten der rupsen van: Sphinx hgustri L.,
Gastropacha potatoria L., Dedephila elpenor L., en micro-
photo's van Vanessa urticae L., Gastropacha potatoria L. en
Sphinx ligustri L. |
De deelen van het sluitmechanisme verschillen bij de ver-
schillende soorten in kleinere bijzonderheden; het principe
der werking is echter bij 40 door Spr. onderzochte soorten
hetzelfde. Ook bij de poppen en bij de imagines is het
evenzoo.
Alleen bij Heterogenea limacodes HUFN.(rups) meent Spr.,
dat het anders is, doch door de zeer dunne chitine en door
gebrek aan materiaal heeft hij dit nog niet tot klaarheid
kunnen brengen.
Bij de Coleoptera treedt grooter verscheidenheid op. Zonder
verder in bijzonderheden te treden, laat Spr. nog eene teeke-
ning en eene photo rondgaan van het sluitapparaat van de
imago van Dytiscus marginalis L. Bij sommige Coleoptera
schijnt het sluitapparaat bij larve en imago te verschillen.
Ten slotte doet Spr. een beroep op de medewerking der
leden voor het op naam brengen van het materiaal, dat door
de leden der Afd. Utrecht van de Ned. Natuurhistorische
Vereeniging wordt bijeengebracht uit het Soesterveen, nabij
het dorp Soest. Al het verzamelde entomologische materiaal
wordt bij Spr. ingeleverd, die dan verder zorg draagt voor
de schifting. Het materiaal kan het eigendom blijven van de
heeren, die de determinatie ter hand willen nemen.
Naar aanleiding van het gesprokene vraagt Prof. DE MEIJERE
naar den bouw van het sluitapparaat bij in hout levende
à
XXXIV VERSLAG.
rupsen. De heer BALFOUR heeft Cossus en Zeuzera onderzocht,
doch, wat het sluitapparaat betreft, geene afwijkingen ge-
vonden, wel in het verloop der verschillende tracheestammen.
De President meent, dat de leden gaarne bereid zullen zijn,
hunne hulp te verleenen bij de determinatie van materiaal
uit het Soesterveen.
De heer Bernet Kempers deelt het volgende mede: In
de Annales & Bulletin de la Société Entomologique de
Belgique, deel 45, 1925, pag. 140, deelt de heer d'Orchymont
mede, dat hij waardevolle inlichtingen had verkregen omtrent
Helophorus fulgidicollis (MOTSCHULSKY) REY van den heer
M. VAN DEN BROECK, die deze keversoort in 1871 had ver-
zameld tusschen Sluyskil en den Braakman in brakwater.
Dit was voor hem (D’O.) aanleiding, om een onderzoek ter
plaatse in te stellen, waarbij het hem gelukt is, werkelijk
de soort in aantal te verzamelen op twee plaatsen in den
omtrek van Hoek, een dorp tusschen Philippine en den
Dijckmeesterpolder, gelegen in den Braakman. De soort is
dus reeds in 1871 in ons land gevangen, maar het was
onzen keverkenner onbekend, want in zijn werk komt de
soort niet voor. Daarmede is niet gezegd, dat EVERTS van
het bestaan der soort geene kennis heeft !). In de Ent. Berich-
ten no. 143, p. 376, wordt de soort door hem genoemd met de
mededeeling, dat deze het nummer 1677 moet voeren en
dat hij exemplaren zag uit Zeeburg, Hoek van Holland en
een immatuur exemplaar van het eiland Schokland.
Van den heer D'ORCHYMONT kreeg Spr. twee exemplaren,
waarvan er een vertoont wordt. ;
In Augustus 1925 vond Spr. op een olm een paddestoel
aangevreten door keverlarven, welke hij daarom mede naar
huis nam. Er ontwikkelden zich uit twee soorten van kevers,
te weten Dacne bipustulata THUNB. en D. rufifrons F. De
vraag deed zich bij Spr. op, of we hier wel met twee soorten
te doen hebben en of bipustulata niet een nog niet geheel
uitgekleurde zufifrons was. Men moge de soorten op het
eerste gezicht kunnen onderscheiden, dan komt het toch
1) Het exemplaar door VAN DEN BROECK gevangen is wellicht het-
zelfde door EVERTS vermeld, deel I, p. 659, als /7. asperatus REY.
VERSLAG. XXXV
maar door het roode halsschild, dat de eene heeft, de
andere niet.
Uit EVERTS noteerde Spr. de kenmerken van:
bipustulata THUNB, en rufifrons F.:
Zijden van het halsschild: gelijkmatig, weinig afgerond. tamelijk recht.
halsschild: vrij dicht bestippeld. verspreid be-
stippeld.
bovenzijde: zwart. zwart.
kop: rood, rood,
schoudervlek: lichtrood. rood.
sprieten: rood. rood.
pooten: rood. rood.
uiteinde dekschilden: rood.
halsschild: rood. zwart.
Spr. zonderde echter de kevertjes met rood halsschild af
en deed deze met een stukje paddestoel in een fleschje en
nu leven ze na een half jaar nog en is het halsschild nog rood.
Van beide soorten komen roode onuitgekleurde exem-
plaren voor, de ab. 7ekeli REITT. en de ab. rezfteri SCHLSK.
Uit Engeland is nog bekend Dacne fowler: JOY, die weder
denzelfden vorm en dezelfde grootte heeft als D. bipustulata.
Naar de omschrijving, EVERTS, Suppl. p. 236, ziet Spr. al heel
weinig verschil. Het halsschild is zwartachtig gevlekt met bree-
deren zijrand, waardoor de voorhoeken meer uitsteken. In kleur
staat deze soort tusschen bepustulata en rufifrons in, de
pooten en sprieten zijn wat donkerder. Volgens sommigen
is deze soort een overgangsvorm, wat door anderen betwist
wordt.
De heer Bentinck deelt mede, dat in STAUDINGERS Catalogus
1901 Lithosta lutarella L. en L. pallifrons Z. reeds als twee
afzonderlijke soorten beschreven staan, terwijl pygmaeola DBLD.
aldaar nog eene variëteit van /aturella L. genoemd wordt.
Volgens latere opvattingen zou pygmaeola DBLD. zelfs nog
eene 3° soort zijn. Dit geeft STAUDINGER o.a. reeds aan in
zijn nieuwen Catalogus, welke nog niet verschenen is, doch
de nieuwe prijslijsten, die volgens dezen Catalogus reeds
bewerkt en verschenen zijn, geven dit zoodanig aan.
Om volledige zekerheid over deze zaak te hebben, ver-
zocht Spr. den heer VAN EECKE, de abdomina van deze drie
te onderzoeken.
XXXVI VERSLAG,
Van de exemplaren, die tevens rondgaan, is de heer
Vv. EECKE zoo welwillend geweest, dit te doen, en hierbij
in alle drie de gevallen is een duidelijk verschil in de copulatie-
organen aan den dag getreden.
De microscopische preparaten en eene duidelijke teekening,
eveneens door den heer v. EECKE vervaardigd, gaan mede
rond, waaruit te zien is, hoe de neusvormige aanhangsels
der valvae bij /utarella, pygmacola en pallifrons respectievelijk
zeer kort, normaal, en zeer lang zijn, en de 2 dorens van
den penis resp. zeer scherp en lang, stomp en kort, en
omgebogen en kort zijn. Wij hebben dus wel degelijk met
drie soorten te doen.
Lutarella is eene der gewoonste Lithosia-soorten in Europa,
in Nederland echter zeer zeldzaam waargenomen bij Breda;
pygmaeola is eene zeldzame soort, zeer locaal, komt alleen
in Nederland en Engeland voor, en wel alleen in de tegen-
over elkaar liggende duinstreken. Spr. vangt deze soort ieder
jaar geregeld te Overveen; pallifrons is minder zeldzaam
dan de vorige en komt over het algemeen meer Zuidelijk
voor. In Nederland, volgens TER HAAR, alleen bij Wassenaar
in de duinen. Voorts laat Spr. eenige zeldzame vlinder-
soorten rondgaan, t. w.:
Een ® Daphnis nerii L. Dit ex. werd bemachtigd door
den heer HOUWERZIJL op 4 Oct. 1924 te Delfzijl, en wel
overdag in rust zittend tegen een muur van zijn huis. Spr.
kreeg dit ex. van hem in ruil tegen diverse andere vlinders.
Deze vangst is reeds eerder vermeld geweest in de Levende
Natuur 1924/25 p. 251 door den heer H. SIKKEMA. Spr.
meent dat er in geen 30 jaar een D. nerzz L. in Nederland
‘gevangen zou zijn.
Twee ex. van Acidalia inter jectaria B., beide in Juni 1925
te Overveen bemachtigd op sterk electrisch licht, evenals
de soorten die volgen:
Zes ex. van de in Nederland zeer zeldzaam voorkomende
Crambus contaminellus HB., waarvan vier de normale bruine
grondkleur der voorvleugels vertoonen; het vijfde is geheel
zwart en het laatste is zeer donker en vormt een overgang
tot deze zwarte variëteit. Voor zoover Spr. heeft kunnen
nagaan, is deze zwarte variëteit nog niet in Nederland ge-
VERSLAG. XXXVII
vangen, en wordt noch door SNELLEN genoemd, noch door
STAUDINGER in zijn Catalogus 1901. Doch Spr. vond hier-
van eene beschrijving in „The Entomologist” 1886 p. 53
en 1887 p. 53 (noot) door J. W. TUTT, waar hij deze variëteit
met den overgangsvorm noemt.
Eenige exemplaren van Acentropus niveus OL., van welke
vangst Spr. reeds eene uitvoerige beschrijving gaf in de
Ent. Ber. No. 147 p. 46—48. Eén ex. van Homoeosoma
sinuella F. te Overveen 2-7-'24 gevangen, nieuw voor onze
fauna; en één ex. van Momoeosoma cretacella ROESSLER.
H. sinuella is door de kleur der voor- en achtervleugels
direct duidelijk van de 4 andere inlandsche Homoeosoma-
soorten, die zeer op elkaar gelijken, te onderscheiden; verder
is sinuella de gewoonste Europeesche soort, was echter tot
nu toe niet in Nederland ontdekt. Eén ex. van ieder der
Rhodophaea-soorten, nl. A. advenella ZK. en suavella ZK. te
Overveen resp. 8-8-’25 en 16-7-'25 gevangen,
Eén zeer donker, bijna zwart paartje van de algemeene
Cacoecia podana SC. Spr. ving in Juli en Aug. 1922 en ’23
eenige ex. van deze zeldzame var. sauberiana SORH.; een
paartje van het type gaat mede ter vergelijking rond.
Twee ex. Conchylis badiana HB. Eén ex. Bactra furfurana
Hw. Twee ex. Borkhausenia lunaris Hw. Eén ex. Monopis
ferruginella HB., de laatste 4 soorten in Juli 1925 te Over-
veen gevangen.
Een ex. Coleophora clypeiferella HOFM., op 9-8-'25 te
Overveen gevangen, nieuw voor onze fauna. De heer SCHUYT
is zoo welwillend geweest, deze soort, zoomede het zooeven
besproken ex. Homoeosoma sinuella F., f.n.sp., voor Spr. te
determineeren.
Ten slotte wil Spr. nog de aandacht vestigen op eene
belangrijke vangst van eene vlindersoort, vermeld in het
Natuurhistorisch Maandblad in Limburg, Jaargang 1925,
No. 8, p. 120, waar de heer JOS. CREMERS, lid van onze
vereeniging, de vangst van Lzmenztzs populi L. te Gronsveld
meldt. Deze vangst werd ook vermeld in het Handelsblad
(Avonded. 1-9-1925) en in de Levende Natuur van 1-9-'25,
Par53, waar de vanger van vditedier, de heer J.C. RIJK,
een ijverig verzamelaar, thans te Maastricht wonende, zelf
XXXVIII VERSLAG.
melding maakt van zijne vangst, nieuw voor onze fauna, n.l.
I d op 13-6-’25 te Gronsveld.
Indien vroegere vermeldingen van de vangst dezer ,,Nij-
meegsche Kapel’ waar geweest zijn, zou de soort in geen
125 à 150 jaar in Nederland gevangen zijn. versie Ent.
Ber. No. 145, p. 5.
Nog vertoont Spr. eenige brokstukken, die aan chitine
doen denken, door hem in turf gevonden, en stelt de vraag,
. of deze misschien van fossiele insecten afkomstig kunnen zijn.
Dr. Mac Gillavry meent, dat het vertoonde object geen
restant van een fossiel insect kan zijn. Overigens is, zoover
hem bekend, de eenige publicatie over fossiele insecten in
Nederland te vinden in „De bodem van Nederland” van
Prof. J. VAN BAREN, waarin door eenen Duitscher vermeld
wordt de vondst van een Donacza-dekschild in veen uit het
Eemstelsel.
Verder heeft Dr. VETH op eene onzer vergaderingen een
stuk barnsteen vertoond, waarin fossiele insecten. Deze
mededeeling is echter niet in de Verslagen opgenomen en
Spr. meent trouwens, dat het geen in Nederland gevonden
barnsteen was.
De derde mogelijkheid, fossiele insecten uit onze steenkool,
heeft tot nu toe ook nog niets opgeleverd; wel zijn hierin
Ea plantenresten gevonden.
. Everts vermeldt, dat hem door den heer FLORSCHüTZ
te nr (G.) Donacia-fragmenten zjn vertoond uit Neder-
landsche turf.
Dr. Lycklama à Nijeholt vraagt om mededeelingen over
in de literatuur als zeldzaam vermelde Microlepidoptera, die
blijkens latere waarnemingen niet zeldzaam zijn.
De heer Tutein Nolthenius stelt de vraag, of het niet
wenschelijk zou zijn te trachten, eene lijst samen te stellen
van de vindplaatsen der Nederlandsche vlinders.
Zoowel België met zijn „Catalogue Lambillion’’, als Zwitser-
land met „Die Schmetterlinge der Schweiz” door VORBRODT-
MüLLER-RUTZ, bezitten uitstekende gegevens daaromtrent.
Ten onzent zijn eigenlijk alleen betrouwbare gegevens te
vinden in SNELLEN, en sinds 1882 is nooit meer eene vol-
ledige opgave van vindplaatsen verschenen.
VERSLAG. XXXIX
. Om tot eene dergelijke lyst te komen, zou Spr. een kaart-
systeem willen aanleggen en dit aan hen willen toezenden,
die hunne medewerking willen verleenen, door op de kaarten
de vindplaatsen en vangdata te vermelden. Bijzondere af-
wijkingen, voorkomen en kweeken van rupsen en verdere
wetenswaardigheden omtrent eene soort, zouden dan tevens
vermeld kunnen worden. Deze catalogus zou het eigendom
der Vereeniging kunnen zijn en het zou mogelijk zijn, de
bijzonderheden steeds aan te vullen, indien ieder belang-
stellende jaarlijks zijne bijzondere vangsten en opmerkingen
op eene voor iedere soort afzonderlijke kaart aan den Cata-
logus toevoegde.
De President merkt op, dat zeker sommige der moeilijk
te determineeren soorten, zooals b.v. Zupithecia’s, in de
diverse verzamelingen aanwezig, foutief gedetermineerd zijn
en dat het bezwaarlijk zal zijn, betrouwbare gegevens te
verkrijgen. Het zou dus noodig zijn, iemand te vinden, die
de inkomende gegevens critisch zou schiften.
De heer Tutein Nolthenius begrijpt deze bezwaren zeer
goed. Er zou misschien aan tegemoet te komen zijn door
dergelijk materiaal voor nadere determinatie op te vragen.
In ieder geval zou achter de vindplaatsen de naam van den
vanger vermeld kunnen worden. Spr. is gaarne bereid, een
kaartsysteem samen te stellen en aan de vereeniging te geven,
indien de lepidopterologen iets voor dit plan gevoelen. Hij
hoopt de zaak nader te bespreken en er binnenkort op terug
te komen.
De President erkent gaarne de wenschelijkheid, meerdere
kennis te vergaren omtrent de gebieden, waar onze vlinder-
soorten voorkomen. Hij waarschuwt er echter tegen, de
opgaven van allerlei verzamelaars zonder critiek over te
nemen. Als daarop niet eene zeer strenge contrôle wordt
uitgeoefend, krijgt men de kans, dat foutieve determineeringen
aanleiding geven tot het vermelden van foutieve vindplaatsen.
Onze groote voorgangers op lepidopterologisch gebied
hebben zich steeds op het standpunt gesteld, dat het beter
is, meerdere juiste gegevens achterwege te laten, dan één
onjuist gegeven te publiceeren. Spr. is het daarmede geheel
eens; en in elk geval: in dubiis abstine!
XL VERSLAG,
Voorloopig bepale men zich in elk geval tot het opnemen
(zonder contrôle) van vindplaatsen van soorten, die niet voor
verwisseling met andere vatbaar zijn, of van opgaven van
verzamelaars, die te dezen opzichte beslist competent geacht
kunnen worden.
De heer Tutein Nolthenius deelt mede, dat het afgeloopen
jaar, wat lepidoptera betreft, niet overvloedig was, in tegen-
stelling met 1924. Kwamen toen op de hooge Veluwe in
Juli avonden van over de 500 stuks op smeer voor, thans
bedraagt dit aantal niet meer dan 60. Ook het najaar leverde
weinig op. In het vroege voorjaar vloog Orthosza ruticilla ESP.
in vrij groot aantal en Panolis griseovariegata GOEZE kwam
veel meer voor dan in 1924. In zeer groot aantal vloog
Bupalus piniarius L., zoowel in Gelderland als in Overijsel.
Van schade is niets bemerkt. Evetria buoliana SCHIFF. en
Tortrix viridana L. echter veroorzaakten wel schade. De
eerste vloog ook in Noordwijk in massa in de duinboschjes.
Ook Jno pruni SCHIFF. kwam zoowel bij Leuvenum als bij
Mook (volgens mededeeling van den heer VAN WISSELINGH)
in massa voor. Wel een bewijs, hoe gelijke gunstige voor-
waarden op ver van elkander gelegen plaatsen eene sterke
toename van eene soort veroorzaken.
Op de na-excursie op Singrave bij Denekamp vond de
heer CORPORAAL eene Typha-kolf, waarin vele kleine popjes;
de vinder was zoo welwillend, deze aan Spr. ter hand te
stellen. Einde Juni en gedurende Juli kwamen er 30 stuks
Lymnaecia phragmitella STAINT. uit. In het medegenomen
gedeelte bleken 40 popjes te zijn, en daar dit zeker niet
meer dan !/, der kolf was, kunnen er in ééne kolf dus wel
over de 100 stuks aanwezig zijn.
Opvallend was dit jaar het aantal melanistische afwijkingen,
waarvan eenige ter bezichtiging rondgaan.
Hyloicus pinastri L., zoo zwart, dat dit bij ’t vliegen reeds
opviel. Zarentia dilutata BKH., vrijwel ab. melana PROUT
(ab. obscurata STGR.). Semiothisa liturata CL., ab. nigrofulvata
COLLINS (= nigra RBL.), uit de rups gekweekt. Deze afwij-
king is speciaal uit Engeland bekend en wordt door SOUTH
afgebeeld. (The moths of the British Isles 2, pl. 61). De
VERSLAG. XLI
vleugels zijn bijna zwart, behalve een oranje-bruine band.
Op de onderzijde is deze band breeder, maar minder scherp
begrensd, en ook de aderen zijn oranje-bruin, waardoor ’t
zwart minder spreekt. Ook in 1924 werd een dergelijk
exemplaar gevangen.
Hybernia marginaria BKH. 2 vertoont een donkerzwart
lijf en vleugelstompjes, die voor de helft zwart zijn.
Ten slotte eene bijzonder fraaie Tortricide: Phteochroa rugot
sand EIB. 2 Juli in de duinen: bij Noordwijk gevangen en
van Lobophora viretata HB. een ex. van slechts 15 m.m.
vleugelspanning (in plaats van 28 tot 25 m.m.), waardoor het
veel overeenkomst vertoont met Choroclystis rectangulata L.
De heer Van Wisselingh doet eenige mededeelingen over
zeldzame Lepidoptera:
Deilephila galii ROTT. Deze overigens vrij zeldzame soort
komt op de heide tusschen Donderen en Norg talrijk voor.
In Juli 1919 vond Spr. daar op Epilobium angustifolium een
50-tal rupsen op een klein Epilobium-veldje, midden op de
heide. Hoewel in de nabijheid op vele plaatsen Epilobium
groeit, werden slechts rupsen aangetroffen op bovengenoemd
veldje, dat niet grooter dan 1000 M?. was.
Ins de>jaren 1920, 1921;) 1922571923 em 1924 trot Spr.
telken jare in Juli en Augustus een groot aantal rupsen op
de Donderensche heide aan, en telkens ook op plaatsen,
welke verder van de eerste vindplaats waren verwijderd. De
laatste maal, dat Spr. op bovenbedoelde heide was (1924),
telde hij gedurende 2 uur meer dan 100 exemplaren.
Dasychira pudibunda L., ab. concolor STGR. Op 7 April 1925
kreeg Spr. een ® van deze soort uit de pop, dat geheel
bruinzwart was gekleurd. Van de teekening was slechts de
eerste dwarsband flauw te onderscheiden. De rups was
afkomstig uit het Hatertsche broek, ten Z.W. van Nijmegen.
Volgens BERGE-REBEL was dit de aberatie concolor STGR.,
welke in Noord-Duitschland wordt aangetroffen. Half Mei
ving Spr. aan eene lantaarn bij Nijmegen een g, dat eveneens
geheel zwart was en nadien nog eenige dg van de aberatie,
waarvan een paar exemplaren rondgaan.
Bapta pictaria CURT. Deze soort, die in de laatste jaren in
XLII VERSLAG.
het Oosten des lands op meerdere plaatsen werd gevangen,
schijnt ook bij Nijmegen talrijker te worden. In 1923 ving
Spr. daar I exemplaar, in 1924 vijf en in 1925 een 20-tal.
Emmelia trabealis SC. Gedurende de hitteperiode in Juli
1923 ving Spr. een 6-tal exemplaren van deze soort tegen
lantaarns bij Nijmegen. In 1924 trof hij haar niet aan, doch
in 1925 wederom een ro-tal exemplaren.
Acidalia interjectaria B. In aansluiting aan de mededeeling
van Dr. LYCKLAMA à NIJEHOLT op de laatste Zomervergadering,
kan Spr. mededeelen, dat hij van deze soort in 1924 een
exemplaar te Nijmegen bemachtigde. In 1925 ving hij er
te Nijmegen 4 en in het Hatersche broek nog een exemplaar.
Deze soort schijnt dus bij Nijmegen niet zeer zeldzaam te zijn.
Arctornis I-nigrum MUELL. In begin Juni vond Spr.’s
vrouw bij den Plasmolen nabij de Duitsche grens eene rups
van deze soort, ongeveer 1000 M. ten Oosten van de plaats,
waar Mr. BRANTS vroeger eenige rupsen heeft gevonden.
Niettegenstaande eenige excursie’s naar de vindplaats, is
het niet mogen gelukken, meer exemplaren te bemachtigen.
De gevonden rups bleek door sluipwespen te zijn aange-
tast. Op zekeren morgen vond Spr. haar tegen het deksel
van de kast zitten, terwijl 23 coconnetjes der parasieten aan
draden aan haar lichaam hingen.
De coconnetjes en de imago’s dezer parasieten worden
vertoond.
Rhyparia purpurata L. Einde Mei 1924 vond Spr. op de
Mookerheide eene rups van deze soort. Eenige dagen later
vond de heer H. A. DE VOS TOT NEDERVEEN CAPPEL op
dezelfde vindplaats een tweede exemplaar. In 1925 vond
Spr. op verschillende plaatsen op de Mookerheide 4 rupsen,
alle op brem.
Anchoscelis lunosa HW. Deze, overigens in ons land zeer
zeldzame soort schijnt bij Nijmegen niet zeldzaam te zijn. In
1923 ving Spr. om lantaarns een 25-tal exemplaren, in 1924
enkele en in 1925 wederom een 30-tal. Den vlinder ving Spr.
bijna steeds op licht, slechts eene enkele maal trof hij een
exemplaar op de stroop aan (Hatert en Nijmegen).
Prof. de Meijere laat vooreerst uit een aantal hem als
VERSLAG. XLIII
fieuw voor de Nederlandsche fauna bekend geworden soorten
er eenige ter bezichtiging rondgaan, nl. :
Chironomus pilicornis F., Amsterdam, 4.
Ptychoptera minuta TONN., verbreid.
Dicranomyia danica NIELS, Amstelveensche weg bij
Amsterdam.
Oxycera pardalina MG., Bunde, 6.
Leptis maculata DE G., Valkenburg (L.), 6.
Hydrophoria ruralis MG., Linschoten, 6.
Paralleloma media BECK., Valkenburg (L.), 6; Doetichem,
6, uit bladeren van Polygonatum.
Ptilonota guttata MG., Gulpen, 5, V. D. WIEL leg.
Camilla acutipennis Löw, Hilversum, 10.
Parydra nigritarsis STROBL, Bergen-op-Zoom, 6; Amster-
dam, 3:
Onder deze is Chzronomus pilicornis F., eene groote, geheel
zwarte Chironomide, jaarlijks in April in talrijke exemplaren
te vinden bij de vijvers van de oude buitenplaats Frankendaal
bij Amsterdam; uit roode larven, levende in den modder-
bodem dier vijvers, gelukte het ook de soort te kweeken.
Door den Belgischen dipteroloog TONNOIR werd, behalve
de aldaar verbreide Ptychoptera scutellaris MG., eene zeldzame,
naverwante soort als mzuuta TONN. onderscheiden. In tegen-
stelling met het naburige land, bleek al hetgeen tot dusverre
bij ons als Pf. scutellaris MG. was gedetermineerd, tot mznuta
TONN. te behooren, welke soort bij ons dus op vele moe-
rassige plaatsen vrij gemeen is. Daarentegen is van de echte
scutellaris MG. nog geen exemplaar uit Nederland met zeker-
heid bekend.
Eenige bij ons zeldzame en groote Dipteren gaan daarna
rond, n.l.:
Eriozona syrphotdes FALL. het 2° inlandsche exemplaar,
gevangen door den heer LINDEMANS bij Schiedam.
Tabanus gigas HERBST, het 3° inlandsche exemplaar,
afkomstig uit Eygelshoven (WILLEMSE leg); ook de beide
andere zijn uit Z.-Limburg afkomstig.
Tabanus sudeticus ZELL., minder zeldzaam en ook meer
noordelijk aangetroffen, zoo o.a. het ex. van Apeldoorn, nog
door wijlen den heer KERKHOVEN gevangen.
XLIV VERSLAG.
Laphria flava L., oij ons ook zelden te vinden, steeds
dicht bij de Oostgrens, zoo bij Denekamp en Winterswijk.
Bij het eene exemplaar uit Denekamp is als prooi eene flinke
kniptor aanwezig (Agriotes aterrimus L.).
Omtrent de ook op de vorige wintervergadering ter sprake
gekomen Phytomyza ilicis CURT., wier larve in hulstbladeren
mineert, deelt Spr. mede, dat, volgens eene voor korten tijd
verschenen verhandeling van FROST, in Amerika tweéerlei in
hulst mineerende Agromyzinen voorkomen, die hij als aguzfoliz
GOUR. en zlicis CURT. onderscheidt, terwijl men in Europa
deze beide als synonym beschouwt en de tweede, wel blijk-
baar andere soort als z/icicola LOEW zou betitelen.
Na inzage van de oorspronkelijke beschrijving van CURTIS,
onder het pseudonym RURICOLA verschenen in Gardeners’
Chronicle 1846, p. 444, kan Spr. het met FROST in dezen
niet eens zijn en neemt met HENDEL aan, dat de bij ons de
hulstbladeren zoo dikwijls aantastende vlieg als #/cis CURT.
(= agutfolit GOUR.) mag benoemd worden, zooals nader door
hem in het 2° deel zijner studie over de larven der Agromy-
zinen in ons Tijdschrift zal worden uiteengezet. De aandacht
wordt er nog op gevestigd, dat door FROST in ’t bijzonder
Holland als bron van door deze vliegenlarve aangetasten hulst
wordt aangegeven.
Wat overigens zijne verhandeling (A study of the leaf-
mining Diptera of North America, Cornell Univ. Agr. Exp.
Stat. Mem. 78, 1924) aangaat, zoo zijn daarin ook verscheidene
larven beschreven, uitvoeriger dan tot dusverre het geval
pleegde te zijn; het werk is eene belangrijke bijdrage tot de
kennis der mineervliegen uit de Vereenigde Staten. Minder
voldaan is Spr. over de uitvoerige overzichten aan het einde,
waarin de mijngangen en hare bewoners, respectievelijk naar
de Dipteren en naar de planten gerangschikt, opgesomd
zijn. Hierbij zijn een aantal oudere opgaven uit de Euro-
peesche literatuur zonder nadere kritiek opgenomen, waarin
zonder twijfel eene reeks van niet vertrouwbare determinaties
voorkomen, zoodat deze tabellen slechts met groote voor-
zichtigheid te gebruiken zijn. Eerst de nieuwere onderzoe-
kingen hebben het mogelijk gemaakt, Agromyzinen met
eenige mate van zekerheid op naam te brengen, zoodat in
VERSLAG, XLV
vele gevallen, waarin door FROST verscheidene zeer verschil-
lende planten als voedsterplant van eene en dezelfde mineer-
vlieg worden aangegeven, men zonder twijfel met eenige
verschillende vliegensoorten te doen heeft.
Dr. Mac Gillavry zegt, dat hij op de vergadering van
Komuni 1021 te Winterswijks (Tv. -EEXIV, p. XLVII)
o.a. mededeelde, dat de heer V. D. WIEL eenige Vofonecta's
bij Ransdorp ving, die Spr. toen variëteiten van N. glaucus
L. noemde. Toen Spr. later het boek van BUTLER „Biology
of the British Hemiptera Heteroptera’’ in handen kreeg,
zag hij, dat deze (B.) op het voetspoor van EDWARDS vier
soorten of vormen voor Engeland kon onderscheiden, waarbij
(de wel bij ons voorkomende) N. /uteus MULL. niet mede-
gerekend was. Een dier vormen was de door EDWARDS als
nova species beschreven halophilus. Met dezen vorm komen
de door v. D. WIEL gevangen exemplaren overeen. Nu is
het water bij Ransdorp brak en, al zegt EDWARDS dit niet
uitdrukkelijk, de door hem gegeven naam duidt er op, dat
hij onderstelt, dat het een brakwaterdier is. Ook laten de
Engelsche vindplaatsen deze gevolgtrekking toe. Het lag
dus voor de hand, na te gaan, of onder de in brakwater
gevangen Nederlandsche Votonecta’s steeds de vorm halophilus
voorkwam. Het bleek echter, dat onder oud materiaal deze
vorm niet te vinden was. Spr. verzocht toen toezending van
dergelijke vondsten en mocht van den heer DOORMAN eenige
door den heer KEMPERS bij Vlissingen gevangen Notonecta’s
ontvangen, die inderdaad Kalophilus bleken te zijn.
De heeren BROERSE en NONNEKENS vingen een groot
aantal JVotonecta’s op het eiland Marken en deze waren
uitsluitend halophilus.
Het is te begrijpen, dat Spr. aanstonds N. halophilus als
een echt brakwaterdier ging beschouwen. Helaas werd zijne
meening ernstig geschokt, doordat hij in het najaar van
1925 een drietal N. halophilus EDW. uit het Waschmeer te
Hilversum ontving, met glaucus L. te samen. Onmiddellijk
heeft Spr. den heer RECLAIRE gewaarschuwd en hem ver-
zocht, vele MNotonecta’s aldaar te verzamelen, waarbij hij hem
de verschilpunten met de gewone bekende vormen opgaf
XLVI VERSLAG.
en de noodige literatuuropgaven verstrekte. Het gevolg
was verrassend, daar genoemde heer Spr. melden kon, dat
het bewuste dier daar bij tientallen te vinden was. Toch
was het daar vroeger nimmer opgemerkt en kwam het bij
revisie van zijne (R's) vroegere vangsten daar ter plaatse
niet te voorschijn. Eene ongeveer gelijktijdige analyse van
het water uit het Waschmeer bewees, dat, zooals ook alge-
meen aangenomen werd, dit meer een zoetwatermeertje iS.
Een onmiddellijk aansluitend onderzoek, in Oct. 1925, in
de Waschkolk te Nunspeet leverde voor dit — eveneens zoet-
watermeertje — ook al een tweetal N. halophilus EDW. op.
Moet nu de hypothese, dat N. halophilus een brakwaterdier
is, opgegeven worden? Naar Spr.’s meening nog niet; er
zijn nl. verschillende mogelijkheden. Het zou kunnen zijn, dat
N. halophilus een vorm is, die zich uit den gewonen glaucus
ontwikkelt, wanneer deze in brakwater zijn levenscyclus
doorbrengt. Daar pleit echter tegen, dat in het Waschmeer,
najaar 1925, de twee vormen tegelijk gevangen werden, en
toch morphologisch scherp gescheiden waren. Meer waar-
schijnlijk is de onderstelling, dat Motorecta in het najaar
zwermt en dat er dan vanuit brakwatergebied invasie van
zoetwatervormen, en omgekeerd, plaats heeft. Het Wasch-
meer toch is, evenals de Waschkolk te Nunspeet, niet ver
van de Zuiderzee verwijderd en het Naardermeer (waar
halophilus trouwens nog niet geconstateerd is) is ook niet
ver af. Ten slotte kan het bij nader onderzoek blijken, dat
N. halophilus een vrij groot verspreidingsgebied heeft en
slechts bij voorkeur in brakwater voorkomt. In elk geval zal
de heer RECLAIRE wel zoo vriendelijk willen zijn, dit jaar
systematisch na te gaan, welke Motonecta's op verschillende
tijden in het Waschmeer voorkomen. Het zou niet onmoge-
lijk zijn, dat Zalophilus in het voorjaar er uit verdwijnt en
N. glaucus alleen overblijft, waardoor Spr.’s tweede onder-
stelling veel aan waarschijnlijkheid zou winnen, nl. dat wij
in N. halophilus EDW. een uitgesproken brakwatervorm
hebben te zien. Mocht dit zoo zijn, dan is dit eene nieuwe
opgave te meer voor de bestudeering der fauna onzer heide-
vennen. In den laatsten tijd waren wij toch geneigd, een
zeker bestanddeel er van als arktisch te beschouwen, evenals
VERSLAG. XLVII
dit in Denemarken het geval is, waar bovendien stroomende
beekjes nog meer beteekenis aan dit vraagstuk geven. Ook
voor een groot deel der meertjes van Noord-Duitschland
zal dit wel het geval zijn. Voor de heidevelden van Noord-
Duitschland komt er bij, dat daar ook meertjes met hoog
NaCl-gehalte voorkomen |).
In hoeverre dit ook voor ons land van belang kan zijn,
is Spr. niet bekend. Voor alle zekerheid heeft hij zich over
deze kwestie tot Prof. VAN BAREN te Wageningen gewend,
die hem echter mededeelde, dat over het chemisch onder-
zoek onzer heidemeertjes al heel weinig bekend is. Deze
heer maakte Spr. er tevens op attent, dat bij Weerselo in
Overijsel eene halophyten-flora voorkomt. De Motonecta-
fauna aldaar zal dan zeker van veel belang zijn. Vele
onderzoekingen zullen noodig zijn, voordat deze kwesties
eenigszins bevredigend beantwoord kunnen worden.
De heer Polak deelt mede, dat hij in de ca. 30 jaar, waarin
hij in de onmiddellijke omgeving van Amsterdam geregeld
entomologische excursies maakt, heeft ervaren, dat onder-
scheidene Lepidoptera-soorten, op dit terrein, dat onafge-
broken voor de flora en fauna noodlottige veranderingen
ondergaat, minstens verscheidene tientallen van jaren hebben
stand gehouden. De min of meer zeldzame soorten, door
SNELLEN als te Amsterdam waargenomen vermeld (bijv.
Agrotis saucia HB, Helotropha leucostigma HB., Nonagria
gemipunctata HATCHETT e. a.), heeft hij daar meermalen
waargenomen, zoo ook vele soorten in de collectie van
„Natura Artis Magistra”, die omstreeks 1860 te Amsterdam
verzameld zijn.
Enkele soorten schijnen eenige jaren verdwenen, maar
komen daarna weer op het tooneel. DR. J. TH. OUDEMANS
deelde Spr. indertijd mede, dat Laszocampa quercus L. om-
streeks 1880 te Amsterdam vrij gewoon was. Spr. had die
soort daar in eene periode van ca. 20 jaar nimmer waar-
genomen, tot hij in de paar laatste jaren het Insectarium
1) Zie onder anderen: W. HALBFASS. Der grosse und der kleine
Bullensee in der Lüneburger Heide. Abh. Naturw. Ver. Bremen., Bd.
XXV. H, 3. pp. 274—276; 6. Nov. 1924.
XLVIII VERSLAG.
van ,, Artis” geregeld met Amsterdamsch materiaal er van
kon bevolken. In een uurtje tijds kunnen in het najaar ge-
makkelijk 50 à 100 rupsen van Z. quercus worden verzameld.
Door het krachtdadig optreden van de Stadsbeplanting
tegen Malacosoma neustria L. en Orgyta antigua L. waren
deze soorten in de laatste jaren te Amsterdam vrijwel ver-
dwenen. Maar in den vorigen zomer heerschte in het W.
en Z. der stad weer eene ringelrupsplaag. In het O. heeft
Spr. daar niets van kunnen bemerken. Ook Orgyza antigua
is weer teruggekomen,
Euproctis chrysorrhoea L., die vroeger ook schadelijk te
Amsterdam optrad, heeft Spr. er nog nimmer waargenomen.
Twee soorten zijn in de paar laatste jaren te Amsterdam
verschenen, die hij daar van te voren nimmer had gezien.
Het zijn Cyanıris argiolus L. en Hipocrita jacobaeae L. Nu
komen beide menigvuldig voor; zelfs in de tuintjes der bin-
nenstad kan C. argiolus dagelijks in aantal gezien worden
en in de onmiddellijke omgeving van Amsterdam zijn overal
op Senecio vulgaris de rupsen van 77. jacobaeae aan te treffen.
De heer J. Th. Oudemans deelt mede, dat hij op 24
Juni 1924 en volgende dagen des avonds, doch vóór donker,
te Garderen Noctuiden-rupsen aantrof, zittende tegen gras-
halmen. Hij hield deze voor rupsen van Hadena ochroleuca
Esp., hetgeen later door de er uit voortkomende vlinders
bevestigd werd, Spr. zag er verscheidene auteurs op na,
welke planten als voedselplanten worden opgegeven. Vermeld
worden vooral granen, te weten rogge en tarwe, waarvan
de rupsen, na de laatste vervelling, vooral de aren zouden
eten; voorts grassen” in het algemeen, terwijl alleen Dactylzs
met name genoemd wordt. Naast deze Gramineeën vond
Spr. nog opgegeven Sa/ix alba door TER HAAR en aard-
beien door ECKSTEIN.
Het trof Spr., dat zijne rupsen uitsluitend op ééne soort
gras aangetroffen werden, alhoewel er vele rondom stonden
en roggevelden vlak bij aanwezig waren. Met de bedoelde
grassoort werden de dieren ook nog gevoed, totdat zij in
den grond kropen. De poppen leverden normale vlinders
van behoorlijke afmeting.
VERSLAG, XLIX
Het gras in quaestie was Agrostis canina L., kruipend
struisgras, en werd als zoodanig gedetermineerd door den
heer HEUKELS, wien Spr. daarvoor zijne erkentelijkheid
betuigt.
Spr. wil uit het medegedeelde geene andere gevolgtrekking
maken, dan dat eene soort, die ook ander voedsel gebruikt,
blijkt nu en dan eene bijzondere voorliefde voor eene be-
paalde voedselplant te hebben.
Mervoleens deelt Spr. mede, dat hij eene onzer blad-
snijderbijen, Megachile centuncularis L., bij het bladsnijden
kon gadeslaan (de determinatie is op ’t oog, zonder nader
onderzoek geschied, om het dier niet te storen). De snelheid,
waarmede de voor de nestcellen bestemde ovale en ronde
bladstukjes met de kaken uit de bladschijf geknipt werden,
was opmerkelijk. Slechts enkele seconden waren daartoe
voldoende. Telkens vloog de bij met een bladstukje weg,
om na korten tid weer terug te komen. Terwijl nu deze
soort meestal de bladeren van rozenstruiken gebruikt, en,
vreemd genoeg, ook wel eens de roode bloembladeren van
Pelargonium zonale, werd in dit geval gebruik gemaakt van
de bladeren van een nog geen meter hoog boompje van
de wilde kastanje.
Verder brengt Spr. nog in herinnering, dat 1925 geen
wespenjaar geweest is; het laatste echte ,,wespenjaar’’, dat
wij gehad hebben, was 1921.
Dat vlinderpoppen, vooral van Sphingiden en Bombyciden,
soms tweemaal, een enkelen keer nog wel meerdere malen
overwinteren, is bekend genoeg. Naar Spr. meent te weten,
komt dit feit betrekkelijk zelden voor bij kleinere vlinder-
soorten. Juist onlangs nam hi echter een dergelijk geval
waar. In 1924 kweekte hij rupsen van Hydernia rupicapraria
HB, die in den aanvang van 1925 de vlinders leverden.
Eén ex. echter, een y, bleef als pop overliggen en kwam
uit op 3 Februari 1926. Het had dus tweemaal overwinterd.
Ten slotte deelt Spr. mede, dat hij Paururus (Sirex)
juvencus L. geregeld op zijn zolder op Schovenhorst, Putten (G.),
aantreft, welke houtwesp zich ontwikkelt uit aldaar opge-
stapelde denneblokken, bestemd voor huisbrand. Elk jaar,
vooral in Augustus, verschijnen uit de in dat voorjaar nieuw
L VERSLAG.
aangevoerde blokken de wespen, zij ’t ook slechts in gering
aantal. Ook de zeer weinig waargenomen parasiet er van,
Ibalia leucospoides HEHW., wordt jaarlijks in enkele exem-
plaren op den zolder aangetroffen.
De naverwante Sex gigas L. werd nog nooit op den
zolder gevonden, ofschoon zij in de bosschen van Schoven-
horst voorkomt en daar meerdere malen door Spr. is waar-
genomen, ook eierleggend, doch niet op dennen, maar op
sparren, en wel eens op fijnspar en eens op Douglas-spar.
Alhoewel vastgesteld is, dat beide soorten zoowel in dennen
als in sparren als larve leven, bevestigt deze waarneming
toch de meening, das Szvex gigas vooral een sparren- en
Paururus (Sirex) juvencus vooral een dennenbewoner is.
De President sluit daarop de Vergadering, onder dank-
zegging aan de sprekers voor hunne mededeelingen.
LI
VERSLAG
VAN DE
EEN-EN-TACHTIGSTE ZOMERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE
LAAG SOEREN,
OP ZATERDAG 19 JUNI 1926, DES MORGENS TE 11 UUR.
.
President: Dr.J. Th. Oudemans.
Aanwezig zijn: het Eerelid Jhr Dr Ed. J. G. Everts en
de gewone Leden C. P. G. C. Balfour van Burleigh, Ir. G.
A. Graaf Bentinck, P. J. van den Bergh Lzn., A. J. Besseling,
AG Betrem, Mr. A.’ Brants, H. Coldewey, J. B. Corporaal,
BERGE van Eldik Dr, Wall de jong, J.H Jurriaanse,
Bart: Kiynstra; Dr.’ HJ. Lycklama.a-Nijeholt, Dr. D: Mac
Gilau Prot. Dr. J.C oH. de Meñere Dr. A,C. Oudemans,
Dr. Th. C. Oudemans, A. A. van Pelt Lechner, L. H. Scholten,
Er) MM Schuyt, E.]:Toxopeus, P. Tutein Nolthenius, EAT:
Valck Eucassen, H. A. de Vos tot Nederveen Cappel, P. van
der Wiel en Ir. P. H. van Wisselingh.
Afwezig met kennisgeving: het Eerelid Pater Erich Was-
mann S.J. en de gewone Leden Dr. L. F. de Beaufort, K. J.
W. Bernet Kempers, J. Broerse, R. van Eecke, J. Koornneef,
Mien eieitinck,, N. Loggen, Prof. Dr E. D. van Oort Nan
Poeteren (Hoofd van den Plantenziektenkundigen Dienst),
R. A. Polak, Prof. Dr. W. Roepke, G. van Roon, T. Schoevers,
Mr CDL Uyttenboopaart Hi. van der Vaart; EA. Wi C.
Venmans, Mej. H. Vos, Mr. L. H. D. de Vos tot Nederveen
Cappel, Prof. Dr. Max C. W. Weber en J. C. Wijnbelt.
De President opent de vergadering met de volgende rede:
Tijdschr. v. Entom. LXIX. 4
LII VERSLAG.
Mijne Heeren,
Het is mij een voorrecht, U weder het welkom te mogen
toeroepen op deze onze een-en-tachtigste Zomervergadering.
Met een gevoel van niet beschaamd vertrouwen doe ik dat
ten opzichte van hen, die zelden of nooit op deze bijeenkom-
sten ontbreken en tot wie men zou kunnen zeggen: ik wist
wel, dat ik U, vaste klanten, ijverige verzamelaars, hier zou
aantreffen. Tot hen, die slechts nu en dan onze vergaderingen
bezoeken, richt ik, aangenaam verrast door hunne aanwezig-
heid, mijne begroeting met den wensch, dat de hier onder-
vonden ervaringen hen tot vaker bezoek mogen opwekken,
waardoor zij wellicht óók eenmaal tot de vaste garde zullen
gaan behooren. Met belangstellende verwachting eindelijk
richt ik het welkom tot hen, die voor het eerst eene verga-
dering onzer Vereeniging bijwonen, hetzij zij eerst onlangs
tot het lidmaatschap toetraden, dan wel dit reeds vroeger
deden, doch in ons midden nog niet tegenwoordig waren.
Van hen vertrouw ik, dat zij krachtig zullen medewerken
aan ons doel, de entomologie naar ieders beste krachten te
bevorderen, en wederkeerig in onzen kring al datgene zullen
vinden, wat zij er van verwachten, zich er spoedig te huis
zullen gevoelen en mede zullen werken, om zoowel den weten-
schappelijken naam, waarop zij bogen mag, als den vriend-
schappelijken geest, die hier heerscht, hoog te houden en
te bestendigen.
Overgaande tot de vermelding van de lotgevallen onzer
Vereeniging, komen de geleden verliezen allereerst aan
de sorde.
Van onze eereleden overleed op 22 November 1925 Dr. E.
BERGROTH te Ekenäs in Finland. Hij was ons jongste eerelid
en werd daartoe benoemd in 1924. Vroeger had hij veel
bijgedragen tot de kennis der Europeesche Coleoptera, doch
later is hij vooral op den voorgrond getreden als een der
beste kenners van de Hemiptera Heteroptera orbis terrarum.
Vooral over deze laatste zijn zijne publicaties talloos.
Mede ontviel ons ons correspondeerend lid A. FAUVEL te
Caen. Naar wij vernamen, moet hij reeds in 1921 overleden
zijn, wat ons evenwel niet ter oore kwam. Hij was ons oudste
correspondeerend lid, namelijk sedert 1874.
VERSLAG. LIII
Van onze gewone leden kwamen te overlijden:
W. WITTKAMP, lid sedert 1921 en
D. VAN DER Hoop, lid sedert 1882.
Als ik den naam VAN DER HOOP noem, dan treedt bij U
allen de herinnering naar voren aan een Bestuurslid, waar-
aan onze Vereeniging groote verplichtingen heeft, aan een
man, die steeds op zijn post was en op wien men onvoor-
waardelijk kon rekenen. Lid geworden in 1882, werd hij,
speciaal op voorstel van den toenmaligen president, P. C. T.
SNELLEN, in 1894 tot bestuurslid benoemd en door het
bestuur tot secretaris verkozen, als opvolger van den onvol-
prezen VAN DER WULP. Deze functie vervulde hij tot 1917,
toen hij die, in onderling overleg met zijne medebestuurs-
leden, verwisselde met de minder inspanning eischende
functie van penningmeester. Deze laatste vervulde hij tot aan
zijn overlijden op 15 Juli 1925. Van wege onze Vereeniging
werd hem de laatste eer bewezen door Uwen president en
Uwen secretaris, van wie eerstgenoemde daarbij zijne ver-
diensten in het licht stelde en hulde bracht aan zijne nage-
dachtenis. In geschrift en beeld geschiedde dit op meer
uitvoerige wijze in een „in memoriam”, verschenen in de
jongste aflevering van het Tijdschrift voor Entomologie, door
Mr. UYTTENBOOGAART, die daarin den overledene op uit-
nemende wijze kenschetste. Het bijgevoegde portret, dat hem
weergeeft, zooals wij hem in den laatsten tijd kenden, zal
mede bijdragen, om hem in onze herinnering te doen
voortbestaan.
Als gewoon lid bedankten:
Het Antonius-gesticht te Slagharen, lid sedert 1923,
Mevr. GRETA VAN DER HEYDE—JONGES, te Groenekan,
lid sedert 1919,
Dr. A. J. M. TER LAAG, te ’s-Gravenhage, lid sedert 1919,
Bj, bz TEUCKRER, te Roermond, lid sedert 1923,
C. SOLLE, te Rotterdam, lid sedert 1900.
Van de ledenlijst werd afgevoerd, wegens het niet voldoen
aan zijne financieele verplichtingen ten opzichte van onze
Vereeniging:
P. TEUNISSEN, te Amsterdam, lid sedert 1912.
LIV VERSLAG.
Als gewone leden traden toe:
J. D. T. HARDENBERG, te Utrecht,
Dr. W. H. DE JONG, te Wageningen,
B. J. LEMPKE, te Amsterdam,
J. C. YAN DER MEER MOHR, te Medan,
A. A. VAN PELT LECHNER, te Arnhem,
Mep AC REIEINGH, te Goes, en
Dr. H. VERPLOEGH, te s-Gravenhage,
terwijl zich als lid bij den aanvang van het nieuwe vereeni-
gingsjaar, 1 Juli 1926, opgaven:
B. E. BOUWMAN, te Bilthoven,
Me, SEI. Vos, te. Utrecht,
Mevr. B. DE Vos, geb. DE WILDE, te Amsterdam.
Voorts kan ik vermelden, dat, mede met ı Juli 1926, twee
nieuwe begunstigsters zijn toegetreden, n.l. de dames:
Mevr. A. Y. S. MAC GILLAVRY, geb: MATTHES EN
Mevr. A. CORPORAAL, geb. VAN RIENDERHOFF.
Onze Vereeniging bestaat, deze medegeteld, thans uit:
1 Het Buitengewoon Eerelid,
8 Eereleden,
13 Begunstigers,
5 Correspondeerende leden,
6 Buitenlandsche leden,
138 Gewone leden,
171, tegen verleden jaar 165.
Betreffende onze publicaties moge worden vermeld, dat
van het Tijdschrift voor Entomologie Deel LXVII gereed
kwam, terwijl van Deel LXIX de eerste aflevering verscheen.
De stof voor de drie verdere afleveringen van dit deel is
reeds voorhanden.
Van de Entomologische Berichten verschenen de nummers
144 tot en met 149. De heer TOXOPEUS heeft op zich genomen,
de inhoudsopgave, het register en de lijst van errata voor
Deel VI te bewerken. Moge hij daarmede spoedig gereed zijn!
Ik wil deze gelegenheid niet laten voorbijgaan, om de leden,
die dit nog niet deden, op te wekken, om zich op ons Tijd-
schrift te abonneeren. Hoe meer abonné’s ons Tijdschrift
VERSLAG. LV
heeft, hoe meer het aan zijn doel zal kunnen beantwoorden.
Ook het werven van begunstigers blijve U allen aanbevolen,
vooral na het schoone voorbeeld, zoo juist door twee be-
stuursleden gegeven.
Omtrent onze Bibliotheek zal onze bibliothecaris, Dr. MAC
GILLAVRY, U zoo aanstonds verslag uitbrengen. Ik kan echter
niet nalaten, mijne groote ingenomenheid te betuigen over
de wijze, waarop ons boekenbezit thans in het Koloniaal
Instituut te Amsterdam gehuisvest is. De geweldige degelijk-
heid van dit bouwwerk, waaraan alle verbeteringen van den
nieuweren tijd zijn aangebracht, vestigt onomstootelijk de
meening, dat eene betere bewaarplaats moeilijk denkbaar is.
Ons boekenfonds, de geheele voorraad dus van ons Tid-
schrift, de Entomologische Berichten en verdere uitgaven
van onze Vereeniging, is ook van Rotterdam naar het Kolo-
niaal Instituut overgebracht en geniet dus eveneens van de
zooeven genoemde voordeelen. Voor dien bevond zich dit
te Rotterdam en stond onder toezicht van en werd verzorgd
door Mr. UYTTENBOOGAART, wien ik nog eens hartelijk dank
wil zeggen voor zijne goede zorgen, hieraan besteed.
Namens onzen Penningmeester, Mr. UYTTENBOOGAART, die
helaas hier niet aanwezig kan zijn, zal U straks de stand
onzer financiën worden geopenbaard. Ik wensch er de Ver-
eeniging geluk mede, wat ik reeds voorloopig in het verslag
der laatste wintervergadering vermeldde, dat de heer UvT-
TENBOOGAART bereid gevonden is, het tijdelijk door hem
vervulde penningmeesterschap definitief op zich te nemen.
Moge het voor ons weggelegd zijn, langen tijd van zijne
kennis en zijne toewijding te profiteeren !
Aan het einde van mijn verslag gekomen, rest mij alleen
nog, den wensch uit te spreken, dat deze Zomervergadering
in rijkdom van mededeelingen en in genoegelijkheid, ja in
geen enkel opzicht, bij vorige vergaderingen moge achter-
blijven en de excursie, die wij morgen hopen te maken, na
afloop als volkomen geslaagd kunne worden aangemerkt!
Met dezen wensch open ik deze een-en-tachtigste Zomer-
vergadering.
Daar de Penningmeester wegens ongesteldheid verhinderd
s, de vergadering bij te wonen, en zelf het financieel verslag
LVI VERSLAG.
uit te brengen en toe te lichten, leest de Secretaris de
hoofdcijfers ervan voor. Het verslag ín pleno zal gevoegd
worden bij het Verslag der a.s. Wintervergadering.
Tot leden der Commissie tot het nazien van net financieel
beheer over 1926—’27 worden benoemd de heeren G. A.
Graaf BENTINCK en P. v. D. WIEL. Beide heeren aanvaarden
deze benoeming.
De Bibliothecaris brengt uit het volgende
Verslag omtrent den toestand der bibliotheek (1926).
Mijne Heeren,
Mijn eerste Verslag uitbrengend over de bibliotheek, zal
ik uitermate kortheid betrachten, aangezien voor mij dit een
proefjaar was en ik veel minder tijd aan de bibliotheek heb
kunnen besteden, dan door mij voorzien was. Aansluitend
aan mijn voorganger deel ik mede, dat de leeszaal nu gereed
is. De tocht er heen is nog steeds een lange, mate
struikelblokken, die men daarbij op zijn weg ontmoette, zijn
bijna verdwenen. De afzonderlijke ingang voor de bibliotheek
zal, hoop ik, spoedig voor gebruik gereed zijn.
Geschenken kwamen in van de volgende heeren:
Prof..Dr. C. Aurivillius, H. Blunck, Prof. Dr. Ik) Pade Busse
J. B. Corporaal, Dr. K. W. Dammerman, Dr. A. Dampf, Jhr.
De sEd. J.G. Everts, H. Heiner, Prof. DrK MSH
W. C. van Heurn, Prof, C. Janet, L. G. E. Kalshoven, R. Kleine,
S. Leefmans, Dr. D. Mac Gillavry, E. B. A. Meyrick, Prof.
Dr. W. Roepke, Dr. A. Schierbeek, W. Speyer, Dr. J. Ville-
neuve, Mevr. Dr. N. L. Wibaut, geb. Isebree Moens, G. N.
Wolcott. Bovendien van de Instellingen: Department of
Agriculture St. Paulo, Ent. Soc. of America, Instituut voor
Plantenziekten te Buitenzorg, Kon. Ver. „Het Koloniaal
Instituut”, Smithsonian Institution.
In het tijdvak van 1 Januari tot 31 December 1925 bedroeg
het aantal uitgeleende boeken op 327 bons, zijnde aan 33
verschillende personen, een totaal van 386. Het aantal be-
zoekers over hetzelfde tijdvak was 75.
Het is gebleken, dat het fonds van den catalogus uitgeput
is, zoodat de jongere leden soms het voordeel van het ge-
bruik daarvan ontberen. Verheugend is echter, dat nu fondsen
VERSLAG. LVII
voor een nieuwen catalogus beschikbaar worden gesteld ;
getracht zal worden, de uitgaaf daarvan zooveel mogelijk te
bespoedigen. Slechts door vereenvoudiging van samenstelling
zal het kunnen gelukken, het tijdroovende werk van voor-
bereiding te doen slagen. Aanbeveling zal het verdienen,
wanneer de leden nu hunne boekerijen willen nazien, of zij een
en ander aan de bibliotheek kunnen afstaan, daar dan de titels
dezer werken nog in den catalogus opgenomen kunnen
worden. Doordien het publiceeren van supplementen der
aanwinsten reeds langen tijd gestaakt ís, is onze bibliotheek
rijker dan aan de leden bekend is. Op welke wijze in deze
leemte in de toekomst het beste ís te voorzien, wordt nog
overwogen. Voor het oogenblik, nu een nieuwe catalogus
wordt voorbereid, lijkt het mij niet gewenscht, daaraan over-
bodige kosten te besteden. In elk geval zal gezorgd worden,
dat hierin voorzien wordt.
Uit het verslag van den penningmeester is u gebleken,
dat het extra-fonds voor de bibliotheek niet uitgeput is. Mag
ik de leden er aan herinneren, dat de bedoeling van dit
fonds o.a. is, om desiderata snel te kunnen koopen wanneer
zij worden aangeboden. Daartoe ís echter in de eerste plaats
noodig, dat bekend is, wat de desiderata zijn. Mochten er
dus bij de leden wenschen bestaan, dan wordt in hun belang
en in dat van de bibliotheek op mededeeling daarvan aan-
gedrongen.
De heer Schuyt vraagt, waarom boeken, die hij noodig
heeft, zoo vaak teruggevraagd worden en is van meening,
dat de meest gewenschte toestand is, dat de boeken zoo veel
mogelijk zijn bij de leden, die ze gebruiken, en niet op de
planken der bibliotheek.
De Bibliothecaris antwoordt, dat vooral tijdschriften dik-
wijls gelijktijdig door meer dan een der leden aangevraagd
worden en dringt aan op vlotter beantwoording van terug-
aanvragen.
De heer Corporaal bepleit voor vele tijdschriftseriën en
voor verzamelwerken, die over vele onderwerpen handelen,
de aanwezigheid op de bibliotheek zelve. Men wenscht dik-
wijls van elk slechts enkele regels in te zien en dan is het
LVIII VERSLAG.
van groot gemak, als men die werken bij een bezoek aan
de bibliotheek daar aantreft. Het vele heen en weer zenden
brengt ook bezwaren en kosten mede.
De heer Van den Bergh meent, dat bij sommige werken
op den rug verkeerde serienummers aangegeven zijn en
wordt door bibliothecaris en president beantwoord; dit ge-
schiedt ook met eenige opmerkingen van andere heeren.
De President doet mededeelingen over de nieuwe organi-
satie en catalogiseering.
De vaststelling van de plaats, waar de volgende zomer-
vergadering zal worden gehouden, is thans aan de orde.
Voorgesteld worden: Zuid Limburg (door den heer EVERTS),
Veenendaal (door den heer TUTEIN NOLTHENIUS), Domburg
(door den heer LYCKLAMA A NIJEHOLT), Ommen (door den
heer BRANTS), Gaasterland (door den heer BETREM). Uit de
stemming blijkt, dat de meerderheid der vergadering is voor
Zuid Limburg. De nadere keuze van de plaats aldaar wordt
aan het Bestuur overgelaten.
Hierop stelt de President aan de orde de verkiezing van
drie nieuwe bestuursleden, daar de heeren CORPORAAL en
MAC GILLAVRY aan de beurt van aftreden zijn, en ter voor-
ziening in de vacature VAN DER Hoop. Bij de daarop ge-
volgde schriftelijke stemming blijken met groote meerderheid
de eerstgenoemden beide herkozen te zijn en tot nieuw
bestuurslid gekozen de heer F. T. VALCK LUCASSEN. Alle
drie heeren verklaren zich bereid, de benoeming te aanvaarden.
Daarna is aan de orde de verkiezing van 2 nieuwe Eere-
leden. In de eerste plaats stelt de President voor, daartoe Mr.
A. BRANTS te benoemen, den Nestor onzer Lepidopterologen,
wiens verdiensten, vooral ook wat de levensgeschiedenis onzer
Nederlandsche Lepidoptera betreft, stellig geene nadere
toelichting behoeven. Een hartelijk applaus bewijst de instem-
ming der Vergadering met dit voorstel. De heer BRANTS
verklaart de benoeming gaarne te aanvaarden.
De tweede candidaat van het Bestuur is Dr. TH. BECKER.
Ter toelichting geeft de President het woord aan Prof. DE
MEIJERE, die deze candidatuur van den Nestor der heden-
VERSLAG. LIX
daagsche Dipterologen met warmte aanbeveelt. Dr. BECKER
heeft eerst op lateren leeftijd de studie der entomologie
ernstig ter hand genomen, maar beeft, eenmaal daarmede
en speciaal met de Diptera begonnen, sedert tal van jaren
onafgebroken eene reeks belangrijke verhandelingen, deels
monographieën van moeilijke groepen of genera, deels resul-
taten zijner vele reizen in weinig bezochte gedeelten van het
palaearctische gebied, in het licht gegeven. Nog op hoogen
leeftijd verschenen van hem omvangrijke bewerkingen van
de Chloropinen en Dolichopodiden uit alle wereldstreken
en ook nu hi bijna 86 jaar geworden is, neemt hi deel,
voor zoover de Ephydrinen betreft, aan het door LINDNER
uitgegeven uitvoerige werk over Midden-Europeesche Diptera.
Voor enkele jaren werden zijne verdiensten o. a. erkend
door zijne benoeming tot doctor honoris causa.
Met algemeene stemmen wordt hierop Dr. BECKER tot
eerelid benoemd.
De President stelt hierna aan de vergadering voor, mach-
tiging te verleenen tot het oprichten eener Afdeeling ,,Noord-
Holland en Utrecht’, waarvan het voorloopige reglement
reeds door het Bestuur onzer Vereeniging is goedgekeurd.
De heer BRANTS oppert de bedenking, of het ontstaan en
de groei van dergelijke afdeelingen niet zou kunnen leiden
tot versnippering, ten nadeele van de moedervereeniging. De
President wijst er op, dat de leden dier afdeelingen in de
eerste plaats lid moeten zijn van de Nederlandsche Entomo-
logische Vereeniging, en dat afdeelingen naar zijne meening
niet alleen den band der leden met de vereeniging versterken,
maar ook zeer nuttig kunnen zijn, om jonge leden voor de
moedervereeniging aan te kweeken en aan te werven. Door
de heeren MAC GILLAVRY, DE MEIJERE en TOXOPEUS wordt dit
nog nader toegelicht, vooral ook het aanbevelenswaardige, om
in de eerste plaats voor jeugdige beoefenaars der entomologie
in de afdeelingen zeer vrijgevig te zijn met introductie.
Daardoor kan de beginnende neiging tot de entomologie
verder ontwikkeld worden en dan kunnen te gelegener tijd
deze personen worden opgewekt, om tot de vereeniging toe
te treden. De heer BRANTS verklaart zich hierdoor bevredigd
LX VERSLAG.
en de machtiging tot oprichting wordt bij acclamatie door
de vergadering verleend.
De President licht hierna toe een bestuursvoorstel, om aan
den Plantenziektenkundigen Dienst te Wageningen
in eigendom af te staan eene serie van het Tijdschrift voor
Entomologie van deel 18 t/m. 67. Aan het Rijkssubsidie
voor de uitgave van ons Tijdschrift is vanaf het begin (met
deel 18) de voorwaarde verbonden geweest, dat wij aan het
Rijk daarvoor 25 exemplaren van iederen jaargang zouden
afstaan. Sedert vele jaren ontvangen wij van die 25 exem-
plaréen#eresereseld 13 om niet terug. Nu” het Ryksren
behoeve van den Plantenziektenkundigen Dienst verzoekt,
om van jeder deel wederom een exemplaar afte staan,
kunnen wij dat niet weigeren. Gehoopt mag worden, dat deze
kostbare schenking de banden met het Rijk nauwer zal aan-
halen. Daar het Bestuur verder zeer goed inziet, dat het
bezit eener geheel volledige serie door den Plantenziekten-
kundigen Dienst zeer op prijs zal worden gesteld en ook
het aanwezig zijn van eene dergelijke serie in de bibliotheek
van dien Dienst van nut geacht mag worden voor de weten-
schap, stelt het Bestuur nog voor, de ontbrekende deelen
I t/m. 17 aan dien Dienst in doorloopend bruikleen af
te staan, met dien verstande, dat teruggave niet zal worden
gevraagd, zoo lang het tegenwoordige Rijkssubsidie van
f 500.— per jaar gehandhaafd zal blijven. Een en ander
wordt door de Vergadering goedgekeurd.
Het voorstel van het Bestuur, om aan den Bibliothecaris
een crediet van f 500.— toe te staan voor kosten van voor-
bereiding van den nieuwen catalogus der boekerij, wordt
aangenomen.
De President geeft daarna het woord aan den heer DE
MEIJERE, om, namens het Bestuur, aan het voorgaande nog
eene mededeeling toe te voegen.
De heer DE MEIJERE acht zich gelukkig, de leden er mede
in kennis te mogen stellen, dat onze PRESIDENT zich bereid
verklaard heeft, het Bestuur, en daardoor indirect de Ver-
eeniging, in staat te stellen, om eene prijsvraag uit te schrijven
VERSLAG. LXI
betreffende eene systematische, faunistische en biologische
verhandeling over de Nederlandsche Z%ysanura en Collembola.
Zij, die mededingen, moeten zijn Nederlander en gepromo-
veerd in de biologie aan eene Nederlandsche Universiteit of
doctorandus [-a] als voren, of daarmede gelijk te stellen
personen, ter beoordeeling van de na te noemen commissie.
Tijdsduur voorloopig drie jaar (tot 31 Dec. 1929). Beoordee-
ling door eene commissie van 3 leden onzer Vereeniging, te
benoemen door ons Bestuur. Prijs: duizend gulden, waarvan
de helft komt ten bate van de uitgave van het werk.
Het Bestuur heeft dit voorstel met groote ingenomenheid
ontvangen, en spreker meent hulde te mogen brengen aan
den President, die op zoo ruime wijze hier zijne oude liefde
voor de studie dezer beide insectenorden vereenigd heeft
met de belangen van onze jongere biologen en van onze
Vereeniging.
De leden betuigen door krachtig applaus hiermede hunne
instemming.
De heer Brants vraagt, of er geene mogelijkheid is, een
vervolgrepertorium op het Tijdschrift voor Entomologie,
van af deel 25, samen te stellen, dat voor vele leden van
groot nut zou zijn.
Behalve de kosten zou in dezen de groote vraag zijn,
iemand te vinden, die bereid zou zijn, de redactie van dit
zeer omvangrijke werk ter hand te nemen.
Dr. A. C. Oudemans stelt voor, daartoe eene oproeping
in de Entomologische Berichten te plaatsen.
Hierop zijn aan de orde de
Wetenschappelijke mededeelingen.
De heer de Meijere deelt mede, dat hij, na de uitgebreide
overstrooming, die omstreeks de jaarwisseling 1925/26 in
vele deelen van ons land zoo groote verwoestingen aan-
richtte, wederom van ons medelid, den heer L. H. SCHOLTEN,
uit de omgeving van Herwen bij Lobith, talrijke Dipteren-
pupariën uit aanspoelsel verkregen heeft. De kweek ge-
schiedde als ten vorigen jare zooveel mogelijk gescheiden
in glazen buisjes, met kurk gesloten en gedeeltelijk met
LXII VERSLAG.
vochtig mos gevuld, en gelukte grootendeels; wel kwamen
er van de Anthomyinen meer dan verleden jaar niet tot
volle ontplooiing, wat hare determinatie bemoeilijkte. De
lijst der gekweekte soorten is desniettemin nog omvangrijker
dan de voorgaande. Zij volgt hieronder :
Cecidomyidae : Mayetiola sp.
Syrphidae: Chilosia vernalis FALL., intonsa LOW, *Syrphus
latifasciatus MACQ.
Tachinidae: Sarcophaga sp.
Anthomyidae: Lyperosia irritans L., *Morellia aenescens
R. D., Mydaea duplicata MG, Hebecnema umbratica MG.,
*Fannia sp., Hylemyia fugax MG. "nigrimana MG., *pilipyga
VILL. fn. n. sp., pullula ZETT., Pegomyia hyoscyamt PANZ.,
Chortophila aestiva MG., cilicrura RD., cinerella FALL., *dis-
creta MG., dissecta MG., intersecta MG., octoguttata ZETT.,
“pratensis MG., radicum L., sepia MG., trichodaciyla ROND.,
Anthomyia pluvialis L., Myopina reflexa R. D.
Cordylurinae : *Norellia spinimana DEG., Scatophaga ster-
coraria L., merdaria F., Hydromysa livens FALL., Trico-
palpus fraternus MG.
Sciomyzinae : *Tetanocera ferruginea FALL., *Dichrochira
leucopeza MG., Ditaenia cinerella FALL.
Helomyzinae: * Tephrochlamys canescens MG.
Sepsinae: Sepsis flavimana MG. *Sepsidimorpha pilipes
V. D. W., *Nemopoda cylindrica F., Enicita annulipes MG,
Themira putris L., superba HAL. (= ciliata STAEG.).
Agromyzinae : Agromyza nigripes MG., Domomyza “ambigua
FALL., *mobilis MG., *cinerascens MACQ., nana MG., *Dizy-
gomyza abnormalis MALL., Liriomyza orbona MG., ornata MG,
*pusilla MG. s. 1, *Phytomyza atricornis MG., *cineracea
HEND. fn. n. sp. *P%. n. sp. (aff. secalina HER. et gymnostoma
Low).
Milichiinae: *Desmometopa sordidum FALL.
Chloropinae: *Chloropisca glabra MG.
Ephydrinae: *Clasiopa glaucella STENH.
Borborinae : Borborus equinus FALL., “Sphaerocera subsultans
F., Limosina (Scotophilella) *pseudoleucoptera DUDA fn. n. sp.,
*retracta ROND., *crassimana HAL., (Thoracochaeta) “zosterae
HAL.
VERSLAG. LXIII
Bovendien zijn er nog eenige niet uitgekomen puparién,
die zeker niet tot eene der bovenstaande soorten behooren.
In het geheel werden 65 soorten gekweekt; hiervan waren
er 27 ten vorigen jare niet aanwezig; deze zijn in boven-
staande lijst met een *
leverden dus determineerbare puparién van 83 soorten.
Niet voorhanden waren dit jaar: een Phoriden-puparium
(althans niet met zekerheid; een der puparia doet er sterk
aan denken), Haematobia stimulans MG., Morellia hortorum
FALL, Myospila meditabunda F., Hydrophoria divisa MG.,
Hylemyia lasciva ZETT., Phrosia albilabris FALL., Trecopalpus
punctipes MG., Sciomyza obtusa FALL., Ditaenta grisescens MG.,
MG., Sepedon sphegeus F., Sepsis nigripes MG., Themira pusilla
ZETT., Drosophila fenestrarum FALL., Napomyza glechomae
KALT., Phytomyza nigra MG., breschket HEND., Clasiopa
obscurella FALL., Philygria obtecta BECK., Borborus uncinatus
DUDA, Limostna humida HAL.
Van de ten vorigen jare meegezonden imagines zijn nu
alleen gekweekt de drie Borborinen: Borborus equinus FALL.,
gemerkt. Beide jaren gezamenlijk
Sphaerocera subsultans F., Limosina crassimana HAL., zoodat
te vermoeden valt, dat de overige ter plaatse zich op het
aanspoelsel kunnen begeven hebben, zonder dat de pupariën
zijn aangevoerd.
Dat een zoo groot gedeelte wederom hetzelfde was, wijst
er wel op, dat onder de massa Musciden s.1., die uit ons
land bekend zijn, toch zeer bepaalde soorten meer kans
hebben dan andere, om in zulk eanspoelsel terecht te komen,
gedeeltelijk wel door oppervlakkige ligging of voorkomen
aan slootkanten van de puparia. Er zijn toch verscheidene
minder gewone soorten, zoodat de algemeenheid niet de
hoofdrol speelt. Zeer opmerkelijk is, dat de als vlieg weinig
gevangen Zirzomysa ornata MG., nu nog talrijker dan ten
vorigen jare aanwezig was. Het zal wel eene mineerende soort
zijn, maar waarin bleef nog onbekend, vermoedelijk in eene
of andere bij of in het water groeiende plant. Vier soorten, nl.
Hylemyia pilipyga VILL., Phytomyza cineracea HEND. en eene
waarschijnlijk nog geheel onbeschreven soort van dit genus,
zoomede Zzmosina pseudoleucoptera DUDA, zijn nieuw voor onze
fauna. Behalve van deze Phytomyza’s, waren Spr. onder de
LXIV VERSLAG.
Agromyzinen ook de puparién van Domomyza cineracea
HEND. en Disygomyza abnormalis MALL. nog onbekend.
Zeer weinig bij ons gevonden is de indertijd door VAN DER
WULP nieuw beschreven kleine Sepsine, ,,Sepszs” pilipes V.D.
W., die nu door den monograaf dezer familie, Dr. DUDA,
in het genus Sepsidimorpha wordt geplaatst.
De heer Scholten wijst er op, dat ditmaal het overstroo-
mingswater over bouwland geloopen is en dat dit eene
verklaring zou kunnen geven van het groote aantal andere
soorten dan in vorige jaren aangetroffen.
De heer Mac Gillavry deelt het navolgende mede:
Het toeval wilde, dat eenige indertijd van den heer VAN
DEN BERGH ontvangen Flafidae door Spr. uitgezet werden,
tegelijk met den aankoop der platen van het werk van GUÉRIN,
de insecten van BÉLANGER's reis beschrijvende. Op een dezer
platen waren de insecten afgebeeld en wel de tegenwoordig
Colobesthes falcata GUÉR. geheeten soort. Met de monographie
van MELICHAR de determinatie verifieerende, bemerkt Spr.,
dat deze twee soorten van het genus Colobesthes onderscheidt
en wel de bovengenoemde falcata GUER. en semanga DIST.
Terwijl de eerste soort de voorvleugels min of meer hyalien
heeft, wit of groen-wit van kleur, is de tweede soort in ’t
bezit van ondoorschijnende voorvleugels met groote krijtwitte
strepen of vlekken. Overigens biedt ook de gedetailleerde
uitwerking der diagnosen geene punten, waar men soorten op
kan onderscheiden. Wanneer men de literatuur nagaat, is
het duidelijk, dat men aan kleurverschillen bij Flatiden
weinig houvast heeft; ook de grootte der dieren is wisselend,
terwijl zelfs het kenmerk, waardoor Colobesthes zich van aan-
verwante genera onderscheidt, nl. de uitgetrokken suturaal-
hoek, bij de verschillende individuen in wisselende mate,
maar wel steeds, aanwezig is. DISTANT zelf, die de tweede
soort (?) het aanzijn gaf, wijst reeds op dit laatste en beeldt
een exemplaar van falcata af, dat den spitsen suturaalhoek
slechts in geringe mate bezit. Deze teekening heeft echter
bovendien het merkwaardige, dat de voor semanga karakte-
ristieke vlekteekening er, zij ’t in embryonalen toestand,
duidelijk op ís aangegeven.
VERSLAG. LXV
Beziet men nu het rondgaande exemplaar, dat met falcata
overeenkomt, dan kan men bij bepaald opvallend licht zeer
duidelijk de vlekteekening zien, die bij het semanga-exemplaar
zoo opvallend is. Voor Spr. is dan ook semanga slechts eene
sterk uitgekleurde falcata.
Is in dit geval slechts sprake van eenen overgang van
mindere en meerdere intensiteit groen, in andere gevallen
vertoont zich nog het verschijnsel, dat roode en groene
exemplaren van eene zelfde soort door elkaar zijn waar-
genomen. Een zeer sprekend geval werd in de Trans. Ent.
Soc. London 1902, p. 695, medegedeeld door HINDE, die
van eene Afrikaansche Flatide groene en roode exemplaren
vond, door elkaar op een tak voorkomende. Hier was dit
tevens eene welkome aanleiding voor POULTON, om op de
mimicry te wijzen, die tusschen deze dieren en vlinder-
bloemen bestaat. Deze ging in dit geval zelfs zoo ver, dat ’t
geleek op eene bloeiwijze, waarvan de ongeopende bloemen
(de groene exemplaren) bovenaan zaten, terwijl de geopende
bloemen (de roode exemplaren) onderaan zaten. Het is niet
onmogelijk, dat hier, evenals bij bloemen, van een min of
meer uitgekleurd zijn sprake is, ofschoon het ook schijnt
voor te komen, dat beide vormen volkomen uitgekleurd zijn.
Wanneer men de dieren opjaagt en zij gaan weer, zooals
gewoonlijk, groepsgewijze, zitten, dan is echter van een ge-
scheiden zijn der roode en der groene exemplaren geen
sprake. De publicatie van HINDE (POULTON), benevens eene
tweede van dezelfde auteurs, waarin echter de bloemenmimicry
Cercopidae betreft, worden vertoond (Trans. Ent. Soc. London
1006 'P.:225).
Iorde Mem. a. Proc. ofthe! Manchester Lit. 4 Phil: Soc.
Vol. 58, Part. II, 1914, deelt IMMS een dergelijk geval mede,
waarbij van eene Flatide in de Himalaya, Phrommia margt-
nella OL., groene en roodbruine exemplaren voorkomen. Hier
waren de vormen bijna steeds in afzonderlijke kolonies ge-
scheiden. Slechts tweemaal nam hij waar, dat de kleurtypen
gemengd voorkwamen.
Het genoemde zal waarschijnlijk wel voldoende zijn, om
te doen inzien, dat, als in deze diergroep twee soorten be-
schreven zijn, die alleen in kleur verschillen, het vermoeden
LXVI VERSLAG.
niet zoo heel verwerpelijk is, dat beide slechts vormen van
eene soort zijn.
Spr. laat nog een tweetal /7/atzden zien, waarvan de eene
nog niet gedetermineerd, waarbij ook roodachtige en groen-
achtige vormen voorkomen.
De andere, Azcanza rosea SPINOLA, heeft ook een groenen
vorm, die door denzelfden auteur als Poeczloptera coroman-
delica SPIN. beschreven is, maar volgens Spr. ongetwijfeld
tot dezelfde soort behoort !). Ofschoon SPINOLA beide tot
twee verschillende genera rekende, hebben latere auteurs,
o.a. MELICHAR, wel ingezien, dat zij zeer dicht bij elkaar
behoorden en zijn zij nu als Vephesa rosea SPIN. en Nephesa
coromandelica SPIN. bekend.
KARNY, in Treubia Vol. III, 1, 1922, neemt ze ook nog
als twee soorten aan, merkt echter op, dat het verschil in
grootte, nog door MELICHAR gereleveerd, voor zijne twee
exemplaren niet bestond.
Bij de nu door Spr. gedemonstreerde soorten bestaan, zooals
te zien is, nog duidelijk tusschenvormen in kleur, hetgeen
naar Spr.’s meening mede er voor pleit, om niet te spoedig
van verschillende soorten, maar slechts van kleurvormen
te spreken.
De heer Toxopeus nam eens waar, in den bergtuin van
Tjibodas (Java), dat aan een Leguminosen-boom eene soort
Terias (Pieridae) aan eene bladnerf was verpopt; de poppen
hingen op regelmatige afstanden, zoodat men zou meenen,
een vruchttros te zien. Toen op een morgen de gele vlin-
dertjes uitkwamen, en aldus op de leege pophulzen zich
ontwikkeld hadden, leek het geheel op een bloemtros van
eene Leguminose. Of men hier aan mimicry moet denken,
durft Spr. niet te beslissen, maar het is zeker, dat er eene
reden moet zijn, waarom de rupsen zich zoo zuiver aan den
bladsteel gerangschikt hadden, voordat ze zich verpopten.
De President zegt, dat daarentegen sommige rupsen, o.a.
1) De beschrijving van beide soorten is te vinden in de Ann. de la
Soc. Entom. de France, Tome VIII, 1839. Daar rosea op pag. 400 en
coromandelica op pag. 440 beschreven staat, zal de soort bij vereeniging
den naam MNephesa rosea SPIN. (= coromandelica SPIN.) moeten dragen.
VERSLAG. LXVII
van Vanessa polychloros L., gezellig leven, maar voor de
verpopping zich ver uiteen verspreiden.
De heer Everts deelt het navolgende mede. De Coleoptera,
uit aanspoelsel van de overstrooming in Januari, bij Herwen
nabij Lobith, van den heer L. N. SCHOLTEN ontvangen, zijn
thans gedetermineerd. Het aantal soorten bedraagt 425,
meest allergewoonste, maar ook een aantal zeldzame,
waaronder ééne nieuw voor de fauna. Zij behooren tot 26
familiën, van welke het meest vertegenwoordigd zijn: de
Carabidae met 51, de Sfaphylinidae met 140, de Hydrophi-
lidae met 36, de Nitidulidae met 15, de Cryptophagidae met
22, de Chrysomelidae met 50 en de Curcultonidae met 59
soorten. Voor het overige zijn vertegenwoordigd: de Psela-
phidae met 4, de Scydmaenidae met 3, de Szlphidae met 7,
de Clambidae met 14, de Scaphidiidae met 1, de Hesteridae
met 3, de Scarabaeidae met 7, de Phalacridae met 3, de
Lathridiidae met 6, de Endomychidae met 1, de Coccinellidae
met 6, de Byrrhidae met 2, de Dryopidae met 1, de Hete-
roceridae met 2, de Elateridae met 3, de Tenebrionidae met
I, de Anthicidae met 1, de Pythidae met 1 en de Scolytidae
met 2 soorten. Dat niet ééne enkele Dytzsczde in het aan-
spoelsel voorhanden was, is minder te verwonderen dan dat
geene enkele Zrechopterygide er bij was.
Spr. laat de lijst bij de leden rondgaan.
Van Pater F. RüsCHKAMP, in Bonn a. Rh., ontving Spr.
een afdruk uit het „Zeitschrift für wissenschaftliche Insek-
tenbiologie”, getiteld : „Zur Lebensweise der Cryptophagint”,
waarin bewezen wordt, dat deze Coleoptera van schimmel-
planten leven, niettegenstaande zij op de meest uiteenloo-
pende vindplaatsen gevonden worden. Men treft ze aan: in
huizen, kelders, grotten, onder rottende plantenstoffen, op
hout, achter schimmelende boomschors, aan oude kaas, op
wijnvaten, aan uitwerpselen, op bloesems, wilg en andere
struiken, bij verschillende mierensoorten, ín wespen- en
hommelnesten, in Bovisten en Agarici; Spr. voegt er nog
bij: op heggen, aan kruisbessen, op Tussilago en bloeiende
Genista, op vlier, aan eikensap, op oude beenderen, op
hooizolders, bij vogels, muizen enz.
LXVIII VERSLAG.
Hij (R.) bespreekt uitvoerig de soort Cryptophagus pubescens
STRM., welke veel in wespennesten voorkomt, waarin de
larven de conidiën der groene schimmellagen, op doode
wespen en op beschimmelde raten, evenals schapen op een
weiland, afgrazen. RüsCHKAMP constateerde, dat zij ook
wel stuifmeel aten, maar de schimmel verkozen; ook werd
het oude stuifmeel uit een bijennest verkozen boven versch
stuifmeel. Ook de imagines leven van schimmel. Larven
en kevers zijn dus als Symbionten van beteekenis voor de
sociale wespen. Door het afgrazen der conidién helpen zij
mede, dat het broedsel der wespen, door te sterke schimmel-
vorming, niet te gronde gaat. Daar zij het in de raten
woekerende mycelium niet aantasten, zorgt de schimmelplant
door voortdurende nieuwvorming van conidien, dat het
voedsel voor de kevers niet verdwijnt, Is zulks toch het
geval, dan voedt zich genoemde soort, door den nood ge-
dwongen, toch met het door de wespen ingedragen stuif-
meel. Bij aanhoudenden sterken vochtigheidstoestand kunnen
de kevertjes wel eens het al te sterke beschimmelen van den
inhoud van het nest niet tegengaan, waaruit zich verklaart,
dat een door schr. gevonden nest van Dombus lapidarius L.
op het einde van Sept., niettegenstaande honderden Crypt.
setulosus STRM. op de schimmel aanwezig waren, door Peni-
cillium te gronde ging. Uit meerdere waarnemingen blijkt
ten duidelijkste, dat de Cryptophagus-soorten schimmeleters
zijn en juist daarom eene en dezelfde bepaalde soort op zoo
vele uiteenloopende vindplaatsen wordt aangetroffen. Het
vinden van (Cryptophagus op boomzwammen en Agarici is
wellicht daaraan toe te schrijven, dat het dan beschimmelde
fungi zijn, of wellicht ook de sporen van hoogere fungi
gezocht worden.
Het voorkomen van Cryptophaginen op bloesems kan als
eene analogie met de Anthrenus-soorten beschouwd worden;
bij beiden is het de paringsvlucht, waarbij, evenals voor
C. pubescens aangetoond is, stuifmeel genuttigd wordt. Daar
bloemen door wespen en hommels bezocht worden, zoo is
het aannemelijk, dat Cryptophaginen zich aan het lichaam
dezer Hymenoptera hechten en aldus naar het nest getrans-
porteerd worden (Phoresie). Dit werd door PERRIS en ook
VERSLAG. LXIX
door RüSCHKAMP voor Antherophagus aan Bombus bewezen.
Deze hield zich met de voorkaken aan een spriet, in het
andere geval aan de tong, vast.
De heer RüsCHKAMP schreef aan Spr. ook, dat Saphanus
piceus LAICH., eene uiterst zeldzame Cerambycide, als nachtdier
weinig bij de Coleopterologen bekend is. Hij ontwikkelt
zich uit armdikke stronken van hazelaars en elzen en zit
wel op hout. Werd in Saksen bij honderden gekweekt ; ook
in den Elzas werd een exemplaar gevangen. Misschien dat
onze jongere Coleopterologen in de gelegenheid zijn, wellicht
in Limburg, deze soort te ontdekken.
In Misc. Ent. XXVI, Jan. 1923, wordt een Phzlonthus
pennatus SHARP vermeld, die, volgens STE. CLAIRE DEVILLE,
op zandige oevers algemeen zou zijn en tot 1910 met PA.
nigritulus GRAV. (aterrimus GRAV.) verward zou zijn. Bij
onderzoek blijkt, dat /%. pennatus bij ons meer voorkomt
dan Ph. nigritulus.
De heer H. A. de Vos tot Nederveen Cappel ving op
21 Aug. 1921 in zijn tuin op smeer eene Larentia truncata
HUFN., die zoowel in kleur als in teekening afwijkt van de
tot nu toe door Spr. gevangen exemplaren. Ter vergelijking
heeft Spr. in de rondgegeven doos twee Zruncata’s gestoken,
zooals zij gewoonlijk door Spr. gevangen zijn.
In de de doos staan twee vlinders, ro Juli 1924 en 24 Juli
1925 onder Apeldoorn, nagenoeg op de zelfde plaats, ge-
vangen. De grondkleur van beide voorwerpen is wit, teekening
donkergrijs tot zwart, zonder eenig geel of bruin. Dit heeft
Spr. doen vermoeden, dat beide exemplaren behoorden tot
Boarmia bistortata GOEZE. De beschrijving, die Spr. van deze
soort in REBEL en in ECKSTEIN vond, is wel wat heel kort ;
of bistortata eene afzonderlijke soort, dan wel eene variëteit van
Boarmta crepuscularia SCHIFF. is, is, zoo ver Spr. weet, nog
niet uitgemaakt. De teekening van beide soorten komt overeen,
grondkleur en kleur der teekeningen verschillen; tot verge-
lijking heeft Spr. een lichtgekleurd voorwerp van crepuscularta
uit zijne collectie er bij gezet. Dat er in Engeland hybriden
tusschen beide bekend zijn, geeft te denken.
Van Ematurga atomaria L. is, indien Spr. zich niet ver-
LXX VERSLAG.
gist, zulk een donker ® als in de doos voorkomt, nog
onbekend; het exemplaar heeft Spr. 29 Mei 1924 op de
Mookerheide gevangen.
Op de Wintervergadering heeft de heer VAN WISSELINGH
o.a. mededeeling gedaan over zijne vangsten van Anchoscelts
lunosa HW.; naar aanleiding daarvan wenschte Spr. het een
en ander in het midden te brengen.
Voor zoover bekend, is de eerste Anchoscelis lunosa door
den heer VAN MEDENBACH DE ROOY gevangen, en wel op
I Oct. 1867 te Beek bij Nijmegen (Coll. Dr. J. TH. OUDEMANS).
Geruimen tijd heeft men toen van genoemde vlindersoort niets
meer vernomen, totdat Spr. onder Apeldoorn in Igor op
mg Septs een "en; op 21 Sept. ‘een Glop dersmeenamns
Slaat men nu de Duitsche werken over genoemde soort
na, dan vindt men haar bij H. v. HEINEMANN , die Schmetter-
linge Deutschlands und der Schweiz’, 1859, niet vermeld,
evenmin is dit het geval bij ALEXANDER BAU 1886, KURT
LAMPERT 1907 en ECKSTEIN 1913. In BERGE’s Schmetter-
lingsbuch 1876 staat Anchoscelis lunosa: England, Frankreich,
Spanien, Sept.—-October. Hetzelfde staat in BERGE’s Schmet-
terlingsbuch van Dr. REBEL 1910.
ERNST HOFMANN geeft in „Die Gross-Schmetterlinge
Europas’, 1804, op, im Juli im südlichen England und süd-
westlichen Frankreich; in Juli komt de vlinder nog niet voor,
dus dit is eene vergissing.
Nu komt het Spr. vreemd voor, dat men in de Duitsche
werken bij de landen, waar Anchoscelis lunosa voorkomt, niet
Holland noemt. Dr. STAUDINGER nam anders nog wel nota
van de vangsten in andere landen. Nog veel vreemder, ja
ongeloofelijk vindt Spr het, dat genoemde vlindersoort niet
in Westelijk Duitschland zoude voorkomen, daar juist door
de vangsten van den heer VAN WISSELINGH bewezen is, dat,
ten minste aan een deel van onze Oostelijke grenzen,
Anchoscelts lunosa veelvuldig voorkomt.
De heer Toxopeus deelt het volgende mede:
Voor den kop van Sumatra, nauwelijks een tiental mijlen
uit den wal, en van het hoofdeiland duidelijk te zien, liggen
drie kleine eilandjes, Poeloeh Weh, P. Bras en P. Nasi. Het
VERSLAG. LXXI
eerstgenoemde heeft in de voorbijgegane 25 jaren groote
beteekenis gekregen als kolenstation, waar de steenkool van
de Ombilinmijnen uit de Padangsche Bovenlanden door de
schepen kan worden ingenomen. Vandaar ook, dat het door
de groote stoomvaartlijnen geregeld wordt aangedaan. Telken-
male ontscheept zich dan, bij de terugreis naar het vaderland,
een gezelschap passagiers, die, verlangend naar den vader-
landschen ,,kouden neus’, na eenige uren op de weinig
amusante plaats Sabang te hebben doorgebracht, hevig
verveeld naar boord terugkeeren en wenschen, maar weer
op zee te. zijn. Voor hen heeft de prachtige, door het
eeuwige groen omzoomde baai geene aantrekking meer, en
ook de keurige aanleg en mooie wegen van Sabang zijn niet
veel anders dan wat ze op hunne eigene standplaats gewoon
waren te zien.
Al die eendagsvliegen gaan voorbij, zonder iets te ver-
moeden van de wonderlijke fauna, die het eiland bezit. Op
zijne terugrcis naar Nederland heeft Spr. er zelf ook een
paar uren doorgebracht, maar werd door bijzondere omstan-
digheden verhinderd, gevolg te geven aan zijn aanvankelijk
voornemen, er het net nog eens uit te slaan, voor de laatste
maal, dat dit in de tropen mogelijk zou zijn. Slechts enkele
Coleoptera, die zich thans in de coll. MAC GILLAVRY bevinden,
werden er door Spr. verzameld.
Nu Spr. zich reeds eenige jaren bezighoudt met de studie
der Indische Lepidoptera, speciaal met de soorten der
Lycaenidae en den onderlingen samenhang dier soorten, is
het Spr. hoe langer hoe meer duidelijk geworden, dat men,
om een beter inzicht in het ontstaan der soorten te ver-
krijgen, geen plekje, hoe klein ook, geen eilandje, hoe dicht
onder den wal ook, ondoorzocht mag laten, en dus geene
gelegenheid om te verzamelen, mag laten voorbijgaan.
Het had reeds lang Spr.’s aandacht getroffen, dat er een
groot verschil bestaat tusschen de fauna-elementen van
Sumatra en de oceanische eilanden Westelijk daarvan, dus
met Engano, Mentawei, Nias, Simaloer, en er nog grooter
verschil is met de Noordelijker gelegen Nicobaren. Dit is
wel iets zeer bijzonders, vooral wanneer men ziet, hoe groot
anderzijds de gelijkenis is van de fauna van Sumatra, Malacca
LXXII VERSLAG.
en Borneo, met alle daartusschen gelegen eilandjes, die soms
even ver van de hoofdeilanden verwijderd zijn als de eerste
van Sumatra.
Onderling verschillen de eilanden van Engano tot de
Nicobaren ook sterk, maar de plaatselijke variëteiten of
subspecies dier eilanden vertoonen in vele gevallen karakter-
trekken, die wijzen op eene, althans uiterlijke verwantschap,
of liever, op bepaalde punten vertoonen ze een gemeen-
schappelijk verschil tegenover de Sumatraan-
sche suwbspecies.
Op dit verschil zal Spr. nog terugkomen, maar wil er
alvast op wijzen, dat dit niet zuiver aan den invloed van
plaatselijke omstandigheden, zooals grootere vochtigheid,
lagere temperatuur etc. te wijten kan zijn, daar dan andere
oceanische eilanden, zooals b. v. de Andamanen, die weinig
ten N. van de Nicobaren liggen, hetzelfde stempel zouden
moeten dragen als de Nicobaren, en dit is niet het geval.
Spr. is reeds lang bezig, te zoeken naar eene verklaring van
deze discontinuïteit, mede in verband met eene oplossing
van het raadsel, dat Ceylon en Zuid-Voor-Indië ons geven
in hunne fauna, die talrijke Maleische elementen bezit.
Op de vorige vergadering deelde Spr. mede, dat Papztzo
polymnestor waarschijnlijk moet worden opgevat als de ?.
memnon-vorm van Ceylon en Z.-Indié. In de „Fauna Sima-
lurensis’’ heeft VAN EECKE dezelfde opinie verkondigd, en
ook Col. EVANS, de bekende Br.-Indische specialist, deelt
deze opvatting met Spr. zooals hij Spr. onlangs per brief
mededeelde. Op Spr.’s vraag, of hij P. polymnestoroides van
Assam als een bastaard van P. memnon en P. polymnestor
opvatte (in Assam raken hun verspreidingsgebieden aan
elkaar), kreeg Spr. ten antwoord: „There is no direct
evidence of Papilio memnon and P. polymnestor flying toge-
ther, but I am convinced that they do somewhere in N.
Bengal: intermediates are known, e.g. polymnestoroides.
Sephisa dichroa and chandra meet in Bhutan and do fly
together — I also have 2 intermediates. I argue rather on
Mendelian lines — dominants and recessives — polymnestor
is dominant in S. India, #emnon in N. India, but the 9 is
the determinant. The 5 wanders and copulates with the
VERSLAG. LXXII
other 9, but the 9 produces the dominant, though in rare
cases an intermediate or even a recessive might arise”.
Ook voor de verklaring van andere memnon-eigenaardig-
heden, b.v. het polymorphisme op Java, kan eene proef-
neming van eene op groote schaal uitgevoerde smemnon-
polymnestor-kruising in N.-Indié veel belangwekkends ople-
veren en Spr. hoopt, dat dit spoedig eens moge uitgevoerd
worden.
Nu is juist die P. memnon oorzaak van Spr.’s onderzoek
der Sabangsche fauna geworden. De eilanden Westelijk van
Sumatra en ook de Nicobaren herbergen mermnon-vormen,
die sterk uiteenloopen, maar toch ook weer onderlinge punten
van overeenkomst bezitten, b.v. in de uitbreiding der blauwe
besprenkeling op de achtervlengels der fg. In dit opzicht
komen zij eenigszins in de richting van ?. polymnestor,
waarvan het & eene lichtblauwe distale achtervleugelhelft
bezit. Toen Spr., nu omstreeks eene maand geleden, de op-
vatting van EVANS over de bastaardeering van subspecies
aan VAN EECKE mededeelde, en met hem het belang van in de
natuur gevonden bastaarden van zulke genetisch ver verwij-
derde subspecies besprak, zeide hij (v. E.), dat de mogelijkbeid
van transport ook onder de oogen moest worden gezien,
wanneer men meende, uitgemendelde bastaarden voor zich
te hebben. Als voorbeeld noemde hij een % van P. polym-
nestor, door Dr. BUITENDIJK op Sabang verzameld. De ge-
regelde scheepsverbinding tusschen Ceylon en Sabang zou
daaraan schuld zijn. Daar de zeereis van Colombo naar
Sabang vier dagen duurt, zou het Spr. echter zeer verwon-
deren, indien een Papz/zo, een dagvlinder dus, in het donkere
scheepsruim vier dagen lang in leven had kunnen blijven,
om dan nog bovendien op de plaats van aankomst, in gaven
toestand, gevangen te worden. Het toeval is machtig, maar
dit leek Spr. toch de waarschijnlijkheid te veel beproefd !
Eene andere gedachte drong zich toen aan Spr. op, nl.
dat de mogelijkheid zou kunnen bestaan, dat Poeloeh Weh
eene eigene fauna kon hebben, waartoe een P. memnon-vorm
zou behooren, die dan een P. polymnestor-achtig & zou
moeten hebben. Spr. liep rond met plannen, verschillende
menschen in Indië voor verzamelen op Sabang warm te
LXXIV VERSLAG.
maken, toen zijn ijverige medewerker, ons lid Mr. VAN
DELDEN uit Medan, al zijne wenschen voorkwam, door aan
Spr. een kleine collectie Lycaenidae, in Maart van dit jaar
tijdens een tweedaagsch verblijf op Sabang door hem be-
machtigd, toe te zenden. Van alle daarin aanwezige soorten
vertoont Spr. eenig materiaal.
Nauwelijks had Spr. de toegevouwen dieren gezien, of
hem troffen reeds, bij enkele daarvan, de opmerkelijke
verschillen met de overeenkomstige Sumatra-vormen. Nu zij
opgezet zijn, bestaat er voor Spr. geen twijfel meer, of wij
hebben hier te doen met eene faunistische en zoögeografische
ontdekking van het grootste gewicht. Het is namelijk duidelijk
geworden, dat Poeloeh Weh een grensgebied is, tusschen
twee zoögeografische gebieden, die Spr. min of meer als
onderdeelen van één subregio van WALLACE beschouwt, maar
die toch zoo scherp gescheiden zijn, dat men de herkomst
van de hen bewonende species en subspecies onmiddellijk
kan herkennen, indien men op bepaalde kenmerken acht
slaat.
Uit de overeenkomst of het verschil tusschen de fauna
van twee streken besluit men tot een vroegeren geologischen
samenhang of tot eene lange scheiding, daar men er van
uitgaat, dat vooral de isolatie een belangrijke factor is ge-
weest voor de verandering der soorten.
De fauna van een land is samengesteld uit een groot aantal
soorten. Is het nu noodzakelijk, al deze soorten te kennen
voor de vaststelling van den oorspronkelijken toestand van
samenhang of scheiding? In eene voordracht, gehouden op
de Ned. Dierk. Ver. (Verschenen in Tijdschr. der Ned. Dierk.
Wer, XX, Nov: 1925); heeft: Spr. er. op) gewezen, datreene
enkele soort, in casu Zampides alecto FELDER, voor de studie
van verspreiding en immigratie reeds zeer vele gegevens
kan verschaffen.
Een eerste vereischte is dan echter, dat men de species
dóór en dóór kent, dus ook de variatiemogelijkheid binnen
de grenzen van de subspecies heeft bestudeerd. In vele ge-
vallen moet men op weinige individuen afgaan en daarom
zijn onze conclusies soms nog zeer aanvechtbaar.
Kunnen deze nu door materiaal van vele andere soorten
VERSLAG. LXXV
gestaafd worden? Zeer zeker, maar dan moet toch van iedere
soort de samenhang van de subspecies onaantastbaar zijn
vastgesteld.
Dit is niet steeds zeer eenvoudig, want het eischt weer
een onderzoek van de geheele structuur van de dieren en
van de variatie, die ieder onderdeel daarvan in het door de
soort ingenomen areaal kan vertoonen, benevens de fluctuatie
van iedere subspecies op zichzelf.
In den laatsten tijd heeft Spr. voor bijzonder moeilijke
gevallen een mooi resultaat verkregen door den vorm en de
structuur van de vleugelschubben te vergelijken, en de zeer
moeilijk te onderscheiden seizoenvormen van voor-Indié, die
soortelijk zelfs moeilijk aan hunne genitaalstructuur waren te
herkennen, hebben hun verzet moeten opgeven en werden
op hunne juiste plaats bevestigd.
De species, waarop Spr. zijne conclusies betreffende de
zoögeografische gesteldheid van Sabang grondde, waren de
volgende :
Rely cinida.
Abisara echerius STOLL (= kausambi [FELDER] FRUHST.
+ celebica [ROBER] FRUHST. + echertus [STOLL] FRUHST.).
Spr. noemt den vorm van Sabang venodarus n. subsp. il. ')
Hye ven diac:
Ive Zicenavotis E
Deze soort staat structureel zeer apart en is dus gemak-
kelijk te herkennen, maar tevens is zij uiterlijk sterk
onderhevig aan variatie. De subspecies vertoonen cene
sterke fluctuatie, maar deze is van minder belang, daar
de gemiddelde vorm van eene bepaalde landstreek eene
in 't oog vallende zelfstandigheid vertoont. Eene dergelijke
soort wil Spr. voortaan noemen eene goede indicator-
species, eene soort zooals Zzzula gatka TRIMEN, die van
Z.-Afrika tot de Pacifische eilanden in uiterlijk bijna on-
scheidbare vormen voorkomt, eene slechte indicator-
species:
1) Daar de omvang van Spr.’s rede, met de bijbehoorende beschrij-
vingen en critieken het bestek van dit Verslag overschrijden zou, worden
deze hier achterwege gelaten. Hierdoor worden eenige nomina nuda
geschapen, die Spr. in eene spoedig volgende publicatie hoopt te con-
solideeren.
LXXVI VERSLAG.
De Sabangsche vorm is Z. ofis parasangra n. subsp. i. 1.
die van het Sultanaat Deli Z. ozis kulz n. subsp. i. l., die van
de Karo-hooglanden, bij het Toba-meer, Z. os annetta
n. subsp. i. |.
2. Lycaenopsis puspa HORSF.
Eene zeer goede indicator-species!
De vorm van Sabang (vandeldeni n.subsp. i. 1.) is nader
verwant aan de Nicobarische vormen gromtnens DE NIC. en
cyanescens DE NIC., dan aan de Sumatraansche L. puspa
pellecebra FRUHST. 1910 (= mygdonia FRUHST. 1916, waar-
schijnlijk niet verschillend van Jambi DISTANT 1883 van
Malakka).
3. Castalius ethion DOUBL, & HEW.
C. ethion is een slechte indicator, maar het verschil tus-
schen de vormen van Sumatra en Sabang is toch zoo groot,
dat Spr. een nieuwen subspeciesnaam gerechtigd acht, en
hem daarom C. ethion wehensis zal noemen.
4. Nacaduba ancyra FELDER.
Sterke indicator, vooral in de 9 sexe. De vorm van Sabang
moge heeten N. ancyra hyperpseustis n. subsp. i. 1. omdat hij
op eene groote N. ancyra pseustis ELWES van Tenasserim
gelijkt.
5. Lampides celeno CR.
L. celeno is een sterke indicator, maar heeft dit tegen,
dat zij ook sterk onderhevig is aan seizoeninvloeden. Zelfs
de zwakke droge tijd van West Java laat zijn invloed gelden.
De nieuwe subspecies zal carolina heeten.
6. Cosmolyce boetica L.
Ook de nieuwe generieke naam moet nader worden vast-
gelegd. De soort is tot dusverre het meest bekend als Zampides
boeticus L. (baeticus auct.) en Polyommatus boeticus L.
(baeticus auct.).
Zij behoort tot de slechtste indicatoren, en daar Spr.
slechts 5 dd ontving, die nog moeilijker dan de PP sub-
specifiek te scheiden zijn, ziet hij van eene aparte benaming af
7. Euchrysops cnejus F.
Hiervoor geldt hetzelfde als voor C. boetica L., met nog
als verzwarende omstandigheid, dat de soort zeer variëert
in grootte. Slechts één klein d ontvangen.
VERSLAG. LXXVII
8. Gerydus biggsi DISTANT.
De nieuwe subspecies (extraneus i. 1.) gelijkt sterk op die
van Simaloer (G. biggsi albotignula VAN EECKE, pro G.
boisduvali albotignula VAN EECKE) en niet op den Suma-
traanschen vorm.
o. Amblypodia apidanus CR.
De nog te beschriiven subspecies zijn die van Java (4.
apidanus alter n.subsp.i.l.), die van Sumatra (A. apidanus
anabas n. subsp. i. 1.), die van Simaloer (A. apzdanus astrophila
n. subsp. i.l.) en van Sabang A. apidanus anthracophila n.
subsp. i. 1). Ook bij deze soort, een zeer goeden indicator,
is eene sterkere overeenkomst met den Simaloervorm (in
de sterke metaalglanzige bestuiving) dan met den Sumatra-
vorm aanwezig.
HO, Cherina.frejas B.
Deze soort is een slechte indicator. De nieuwe vorm, in
d en 2 exemplaren ontvangen, moge C. freja sabanga n.
subsp. i. |. genoemd worden.
II. Loxura atymnus CR.
In sommige opzichten een slechte indicator. De nieuwe
vorm, in eene vrij groote serie dd ontvangen, is L. atymnus
intermedius n. subsp. i. l.
Van de 12 van den heer VAN DELDEN ontvangen vlinder-
soorten kunnen 10 zonder eenige moeite onmiddellijk van
den Sumatravorm worden afgescheiden, en daarvan vooral
diegene, welke over het algemeen als goede indicatoren
bekend zijn.
Hiermede is eene goede bevestiging verkregen van Spr.’s
stellingen, op de genoemde vergadering van de Dierkundige
Vereeniging uiteengezet, nl. dat
„korte excursies naar een eiland, met het speciale doel,
enkele bepaalde diersoorten te verzamelen, wier voorkomen
in eene bepaalde omgeving reeds met groote zekerheid kan
voorspeld worden, meer succes kunnen geven dan lange
uitputtende tochten, die als doel hebben het ontdekken van
nieuwe soorten,’
en verder, dat „de gewone, ver verbreide soorten voor
zoögeografisch werk minstens even belangrijk zijn als de
zeldzame, en vooral als de endemische.”
LXXVIII VERSLAG.
In het voorgaande heeft Spr. reeds herhaalde malen laten
doorschemeren, dat er een kern van overeenkomst tusschen
de subspecies van de eilanden ten W. van Sumatra, inclusief
de Nicobaren, bestaat. Deze overeenkomst kan niet het gevolg
van klimaatsinvloeden zijn, hoewel zeer zeker een gelijk kli-
maat ook wel eens eene overeenkomstige verschuiving kan
geven (zie de droogtevormen!). Als in dit geval echter het
klimaat de meest vooraanstaande factor was geweest, dan
zou de groote discontinuïteit tusschen Nias en W.-Sumatra,
beiden zeer regenrijk, onverklaarbaar zijn; ook zouden An-
damanen en Nicobaren hetzelfde oceanisch karakter moeten
vertoonen. Het 10° Kanaal, tusschen deze eilandengroepen,
is echter eene kloof van groote breedte voor alle species,
die de beide eilanden gemeenschappelijk bewonen.
Spr. moet dus aannemen eene vroegere eenheid van vor-
men over de geheele westelijk van Sumatra gelegen eilanden-
keten, die door latere isolatie in subspecies zijn uiteenge-
vallen, welke echter nog de sporen van samenhang vertoonen
in kleine, maar voor de systematiek zeer belangrijke punten
van overeenkomst. Deze overeenkomst in karakter kan niet
anders verklaard worden, dan door een groot eiland,
of vasteland aan te nemen, dat alle eilanden,
van Engano tot Kar Nicobar, omvat heeft, en
daarbij ook Poeloeh Weh, (benevens natuurlijk Poeloeh Bras
en P. Nast) en misschieu ook de Noordpunt van
Atjeh. Van daar kennen wij echter nog geene enkele vlin-
dersoort |
Vóór den tijd van het westelijk van het tegenwoordige
Sumatra gelegen groote eiland of vasteland, moet er eene
verbinding bestaan hebben, waardoor ook Ceylon en Z.-Indié
met het Maleische gebied hebben samengehangen. In dien
tijd zijn alle soorten ontstaan, waarvan wij nu de subspecies
als geïsoleerde vormen zien. Die isolatie is voor Z.-Indié en
Ceylon zoo volkomen geworden, dat eene tweede invasie
van eene reeds aldaar voorkomende relict-soort (Spr. denkt
daarbij aan fuspa en een aantal andere, die hij hier niet
noemen wil) niet meer eene versmelting van de subspecies
heeft tengevolge gehad.
In het geval van Sabang ziet Spr. wel versmelting. Daar-
VERSLAG. LXXIX
door kan de dikwijls treffende intermediaire natuur van vele
van de Sabang-subspecies verklaard worden. Steeds heeft er
van den vasten wal nieuwe aanvoer van Sumatraansch ,,bloed”
plaats, vooral van de snelle immigranten (zie Spr.’s geci-
teerde voordracht). Daartoe behoort Lampides celeno in de
eerste plaats. Andere species hebben haar karakter goed
bewaard, en daarbij waarschijnlijk door de isolatie een eigen
uiterlijk verder ontwikkeld.
De eilandenreeks westelijk van Sumatra, inclusief de drie
eilandjes voor den kop van Sumatra en de Nicobaren, wil
Spr. vereenigen tot eene subregio van het Indo-Maleische
gebied, dat hij PARAMALAYA wil noemen, in navolging
van MOULTON, die den naam NEOMALAVA voor Sumatra,
Malakka en Borneo invoerde (1913, Sarawak Museum Jrn.).
Alle species, die Neomalaya en Paramalaya gemeen hebben,
komen ook op Fava voor en bereikten, langs den Mergui-
Archipel, dikwijls Burma en Assam.
De subspectesgroepen van Neomalaya en Paramalaya zijn
sterk verschillend in karakter.
Op achterstaande: kaart kan men zien, hoe Spr. zich
den samenhang der faunagebieden denkt. Deze is wel in
hoofdzaak die, welke WALLACE voorstelde, maar geeft voor
het westelijk deel van den Archipel de nieuwere aanvullingen
en scherpere contouren. Ook is die kaart niet, als bij WAL-
LACE, op bepaalde genera en species, maar ook op de eigen-
schappen van kleinere groepen, van de subspecies gebaseerd.
Spr. wil ten slotte de woorden herhalen, die DISTANT
neerlegde in zijn magistrale werk, dat in 1886 werd afge-
sloten: ,,Rhopalocera Malayana”, een werk, dat, dank zij
eene nieuwe opvatting omtrent den samenhang der plaatse-
lijke soorten, verouderd is, maar waarin wij reeds de wensche-
lijkheid van die nieuwere indeeling besproken zien, en tevens
eene voorspelling, waartoe die indeeling moet leiden :
„Wij zijn thans genaderd tot het critische en philosophische
„tijdvak”, schrijft hij op pag. IX van zijne inleiding, „waarin
„le belangstelling voor de onderdeelen van eene fauna in
„de vraag naar de afleiding of ontwikkeling van die fauna
LXXX VERSLAG.
SCHETSKAARTJE
van het Westelijk Australasiatisch gebied.
|
920299000000
De fijne stippellijnen geven de 200 M.-dieptegrens aan.
De zoögeographische gebieden zijn door zwaardere contouren omgeven,
De pijlen wijzen op jonge immigraties.
Bij niet ingedeelde zeegebieden staat een ?
„is ondergegaan. De eerste snaar daarvan werd aangeraakt
„toen BATES (in „Naturalist on the Amazons’’) over de vlinder-
„vleugels zoo treffend opmerkte ‚dat de Natuur op die
‚uitgespannen membranen, als op eene lei, de geschiedenis
„„neerschreef van de verandering der soorten, zoo waar-
„achtig teekent zich iedere wijziging in de organisatie
daaroprat. ©
Inderdaad, zegt Spr., de vlinders zijn de hieroglyphen van
het Verleden der Aarde.
De heer Betrem merkt op, dat hem ook bij het geslacht
Scolia bekend is, dat de vormen van de eilanden aan de
Westkust van Sumatra, b.v. van Mentawei, sterker van de
Sumatraansche vormen afwijken dan de vormen b.v. van
Borneo. Als voorbeeld diene Scola molesta SAUSS. 1864
VERSLAG. LXXXT
(= Sc. verticalis BURM. 1853, nec FABR. 1804). Deze is ver-
spreid in verschillende subspecies over Malacca, Sumatra,
eilanden ten W. van Sumatra, Borneo, Philippijnen, N.-Celebes,
Java. De subspecies rufifrons, nov. subsp., die door zijn
zwarten vertex van alle andere subspecies dadelijk te onder-
scheiden is, komt op Mentawei en nabij liggende eilanden
voor en verschilt veel meer van de andere subspecies, dan
deze onder elkaar verschillen.
De heer van Wisselingh deelt mede, in aansluiting op
zijne mededeeling op de jongste wintervergadering betreffende
Dasychira pudibunda L., ab. concolor STGR., dat hij onder
de 25 vlinders van D. pudibunda L., welke in dit voorjaar
bij hem uit de pop kwamen, wederom I exemplaar (d) van
de ab. concolor STGR. aantrof.
Op 22 Mei jl. vond Spr. aan lantaarns tusschen Nijmegen
en Hatert ruim 100 exemplaren van 2. pudibunda L., waar-
onder 6 ab. concolor STGR., 5 dd en I £. Overgangen tusschen
het type en de ab. werden niet gevonden.
De President releveert het merkwaardige verschijnsel, dat
de donkere aberratie van 2. pudibunda in deze jaren schijnt
op te komen en verzoekt den heer TUTEIN NOLTHENIUS,
daarover meer mede te deelen.
De heer Tutein Nolthenius zegt daarop, dat hij op 23 Mei
1926 in het Elspeter bosch massa’s Dasychira pudibunda L.
tegen de beukenstammen aantrof, waaronder enkele behoo-
rende tot de ab. concolor STGR. Bij een nader onderzoek op
25 Mei kwam Spr. tot de onderstaande tellingen :
I° telling: 100 ® type, 36 d type, I 2 concolor, 1 G concolor ;
2° telling: 229 d en £ type, 3 9 concolor, I d concolor.
De ab. concolor is dus volstrekt niet gewoon: het aantal
bedraagt nog geen 2 °/,. Overgangen werden slechts hoogst
zeldzaam gevonden. Wel is bij de gig de gewone teekening
soms scherper, of het middenveld donkerder, en is er verschil
in de dikte der dwarslijnen bij de 99, maar de werkelijke ab.
concolor schijnt alleen te staan en zou mogelijkerwijze eene
homozygote afsplitsing kunnen blijken te zijn. Een paartje
concolor in copula kon Spr. helaas niet vinden, wat bij de
bovengenoemde getallen ook niet te verwonderen is, temeer
LXXXII VERSLAG.
daar het aantal vlinders in copula naar schatting slechts
1}, van het totale aantal bedroeg.
In 1925 werden wel enkele boomen kaalgevreten, maar
van eene plaag was toen geen sprake en het is natuurlijk
nog niet zeker, of het nu daartoe komen zal. Ook in 1914
heerschte in ditzelfde bosch eene hevige plaag — de eerste
van pudibunda in ons land (zie Tijdschr. over Plantenziekten
XX, blz. 115). Ook in België is slechts twee maal een concolor
gevangen (in 1906 en 1910, blijkens mededeeling van den
beer E. DE HENNIN). Volgens SPULER komt concolor in ’t Noor-
den meer voor en ook reeds in Noord-Duitschland. Plagen van
pudibunda hebben tot nu toe voornamelijk ten Oosten van
de Elbe geheerscht, maar schijnen zich van het N.O. naar
het Z.W. uit te breiden. Het zal interessant zijn, waar te
nemen, of deze aberratie zich, evenals de zwarte Amphidasis
betularia, ab. doubledayaria MILL., steeds meer verbreidt,
maar dan blijkbaar in tegengestelde richting.
De heer de Meijere vermeldt, dat ontwikkelingsstadiën
van de ab. concolor in de Duitsche entomologische week-
bladen dikwijls te koop worden aangeboden en deze variëteit
daar dus wel vrij geregeld te vinden moet zijn. Hij heeft
zelf indertijd eens poppen ervan laten komen en daaruit
wel exemplaren verkregen, donkerder bestoven dan de type,
maar geene geheel zwarte.
De heer Brants kreeg, in het voorjaar van ’25, op eenmaal
avondbezoek van een kloek, gitzwart 9 van Amphidasts
betularia L, var. doubledayaria MILL, na eenige oogen-
blikken gevolgd door een, zoo mogelijk nog donkerder
gekleurd, g van dezelfde opvallende afwijking.
Vrij begrijpelijk plaatste Spr. dit tweetal vlinders, afge-
zonderd met eenig frisch eikenloof, in een ruim kweekglas.
Weliswaar mocht Spr. de paring dezer spanrupsvlinders
niet waarnemen, doch het is niet onwaarschijnlijk, dat zij
niettemin heeft plaats gehad; althans, na verloop van een
paar weken, ontdekte Spr. op eens een tamelijk aantal
spannertjes, langs den rand der jonge eikenblaadjes uitgestrekt.
Zich tegen het eind der maand Juli naar het buitenland
(Unter Engadin) begevende, nam Spr. de toen nog in leven
VERSLAG. LXXXTII
zijnde rupsjes — die destijds niet veel meer dan 20 tot 25 mM.
lengte hadden bereikt — derwaarts mede, Daar diende Spr.
echter de dieren met berkenloof verder op te kweeken,
aangezien de eik er volstrekt niet voorkomt.
Voor eene rustige kweeking in het groot waren de om-
standigheden alzoo niet bepaald gunstig; en Spr. mocht
dan ook nog tevreden zijn, in het laatst van Augustus, een
dozijn volwassen rupsen in zijn bezit te hebben.
Deze dieren, die onderling niet sterk verschilden in uiter-
lijk voorkomen, doch alle tamelijk eenkleurig, roodachtig
schorsbruin, meer of min groenachtig van tint en zeer
spaarzaam licht gevlekt waren, leverden slechts 8 gave poppen,
uit welke Spr. in dit voorjaar niet meer dan 5 vlinders zag
verschijnen, namelijk 1 vrouwelijk en 4 mannelijke voor-
werpen.
Alle behoorden beslist tot den merkwaardigen vorm
doubledayaria MILL., zijnde nl. eenkleurig diep-zwart, be-
houdens de drie in het oog springende zuiver witte vlakjes,
onderscheidenlijk op het voorhoofd en aan den wortel van
elken voorvleugel.
De eerste vlinder, die reeds tegen het midden der maand
April verscheen, was een fraai 9, met nagenoeg 53 mM.
vlucht. Des nachts zat dit dier geregeld boven tegen een
takje aan, met ver uitgeschoven legbuis, blijkbaar in afwach-
ting van mannelijk bezoek. Gaandeweg, toen dat niet opdaagde,
werd de vlinder evenwel loomer, om ten slotte, na verloop
van een goede veertien dagen, sterk afgevlogen, te sterven
— ongelukkig twee dagen vóór dat het eerste g' de pop-
huls verliet.
Tot zijne groote teleurstelling ontging Spr dus de gelegen-
heid, om thans andermaal bevruchte eieren te verkrijgen en,
door kweeking op grooter schaal, te kunnen nagaan of, bij
de onderwerpelijke afwijking, terugkeer tot de stamsoort al
dan niet pleegt voor te komen.
Toch kwam het Spr. niet ondienstig voor, hier het voor-
gaande mede te deelen, zij het ook slechts om zekeren steun
te geven aan de, zijns inziens, tamelijk gegronde onderstelling,
dat de afwijking doubledayaria MILL. doende is zich af te
scheiden van den stamvorm detularia L. en gaandeweg eene
6
LXXXIV VERSLAG.
plaats te veroveren als zelfstandige soort in het Geome-
tridengeslacht Amphrdasts.
De heer Scholten zegt, dat het verrassend is, welk een
groot aantal soorten vlinders men kan ontdekken, als men
eene daartoe geschikte plek geregeld bezoekt en nauwkeurig
afzoekt. Zoo heeft Spr. de laatste drie jaar veel rondge-
zworven in den Bijvank te Beek bij Didam, en heeft in dien
tijd dat bosch leeren kennen als een heerlijk entomologisch
plekje. Een volledig lijstje van wat Spr. daar van 1923—
1925 heeft gevonden, is te vinden in „De Levende Natuur”
van I Mei 1926. Daar de tijd kort is geweest en Spr. er
geen enkelen keer op licht of smeer heeft gevangen, zullen
er zonder twijfel heel wat meer te vinden zijn, dan de daar
vermelde ruim 200 soorten.
Enkele zeldzame dieren, die Spr. er den laatsten tijd heeft
gevonden, mogen hier worden vermeld.
Stauropus fagı IL. 6 Juni 1625 ‚een 29 en), 20 junipie2as
twee dd, zittend op boomstammen en begin Augustus 1925
eene jonge rups op berk.
Pachnobia rubricosa F. Begin April 1925 ving Spr. een
dozijn ex. op wilgekatjes en 6 April 1926 4 vlinders, die
alle PP bleken te zijn. De dieren hebben honderden eitjes
gelegd, maar met het kweeken van de rupsen, die Spr. zelf
heeft gehouden, is hij niet gelukkig geweest. De dieren, die
aanvankelijk snel groeiden, zijn in een paar dagen alle ge-
storven, hoewel ze in verschillende glazen gekweekt werden.
Taentocampa populi F. Begin April 1925 drie en einde
Maart 1926 twee ex, op katjes.
Euchloris pustulata HUFN. Van dezen zeldzamen spanner
heeft Spr. in Juli en Augustus 1925 rupsen ab ovo gekweekt.
Van de ongeveer 25 rupsjes, die Spr. einde Augustus nog
had, waren er enkele snel gegroeid en die verpopten zich
toen. Daarvan kreeg Spr. in de eerste helft van September
5 vlinders, eene tweede generatie dus, die echter veel kleiner
is dan het normale dier en waarvan de groene kleur veel
bleeker is. Van de overige rupsjes is er geen enkele den
winter doorgekomen.
Scotosia vetulata SCHIFF. 4-7-1925 ving Spr. daarvan in den
VERSLAG. LXXXV
Bijvank een afgevlogen %. Afgaande op SCHREIBER’s Raupen-
kalender, die aangeeft, dat de rups in Mei te vinden is op
Rhamnus frangula, heeft Spr. in de eerste helft van Mei
heel wat struiken van vuilboom äfgezocht, maar steeds
tevergeefs, tot hij in de tweede helft van Mei de rups in
aantal vond op een tusschen houtgewas alleenstaanden struik
van Rhamnus catharticus. Spr. heeft toen naar andere cathar-
ticus-struiken gezocht en er in ’t geheel een dozijn in ’t
bosch gevonden. Op alle vond hij de rups van de Sc. vetulata,
op sommige zelfs talrijk. Ook later heeft Spr. ze op Rh.
frangula niet kunnen vinden.
Lavrentia rivata HB. In No. 149 van de E. B. van 1 Mei
1926 schreef Spr. een en ander over zijne waarnemingen
omtrent ZL. rivata en L. sociata BKH. Ter aanvulling hiervan
kan hij nu ’t volgende mededeelen:
Zooals daar vermeld, kreeg Spr. van de rupsen, als die
van L. rivata beschreven, in September 1 vlinder. De overige
poppen overwinterden. Bij de groote overeeenkomst van rups
en pop leek het Spr. achteraf toch nog eenigszins gewaagd,
om te concludeeren, dat de bedoelde poppen van rzvata
waren. In aanmerking nemend den vroegen vliegtijd van
L. sociata en den snellen groei van de rupsen, leek het
Spr. wel zeer waarschijnlijk, maar hij was toch nieuwsgierig,
wat er uit de popjes zou komen. Daar Spr. ze binnenshuis
had bewaard, kwamen ze reeds vroeg uit.
De Z. sociata-poppen kwamen alle gedurende de tweede
helft van Maart uit. Uit de andere popjes kwamen inderdaad
rivata’s; geene enkele echter in Maart, doch alle in April en
begin Mei. Dus geheel in overeenstemming met wat Spr. in
den Bijvank had waargenomen: de vliegtijd van L. rivata
valt ongeveer eene maand later dan die van Z. soczata.
Larentia rubidata F. 1 rups 8-8-1925 op Galium mollugo
in den Bijvank, waaruit 14-4-1926 de vlinder.
Asthena anseraria H.S. Voor zoover Spr. bekend, is van
dit vlindertje voor ons land alleen als vindplaats bekend
Zuid-Limburg, waar de heer H. A. DE Vos TOT NEDERVEEN
CAPPEL in 1907 een ex. ving bij Houthem. Zooals de heer
BENTINCK aan Spr. mededeelde, zijn ook bij Valkenburg
enkele ex. gevonden.
LXXXVI VERSLAG.
Half Juli 1925 ving Spr. eene Asth. anseraria in den Bijvank.
Pas in. ’t-najaar herkende Spr.'de soort; hi had hetvex:
bij die van Asth. candidata SCHIFF. gestoken.
Daar het niet onmozelijk zou zijn, dat ook anderen
hetzelfde hebben gedaan, vermeldt Spr. hier de verschilpunten
tusschen beide soorten, waarvan de meeste duidelijk zijn na
te gaan. Ter vergelijking gaan van elke soort een paar
ex. rond.
Asth. candidata SCHIFF.
Sprieten v. h. { a. d. onder-
zijde gekerfd en tamelijk
lang gebaard.
Voorvleugels met 5
bruine, gegolfde dwarslij-
geel-
nen, waarvan de 3° en 4°
dicht bij elkaar staan.
Middenpunten klein of niet
Asth. anseraria H. S.
Sprieten v. h. a. d. onder-
zijde niet gekerfd en kort,
enkelvoudig behaard.
Dwarslijnen niet zoo duidelijk,
iets breeder. Lijnen 3 en 4,
en 4 en 5 ongeveer even
ver van elkaar.
Middenpunten op alle vleugels
zichtbaar. duidelijk, scherp zwart af-
stekend.
Franjelijn met min of meer | Franjelijn met korte, zwarte,
duidelijk afstekende zwarte streepjes.
stippen.
Begin Juni van dit jaar ving Spr. op verschillende plaatsen
in den Bijvank 7 ex. van Asth. anseraria, die hij alle uit
Cornus sanguinea opjoeg. De heer COLDEWEY en Spr. vingen
nog drie gave ex. op 17 Juni 1926.
Bapta teinerata HB. Twee ex. begin 1926 in den Bijvank.
Dicht bij den Bijvank, op heuvels nabij den Hulzenberg,
vond Spr. in een dennebosch op blauwe boschbes, begin
Mei 1925, met een lantaarn, een uur na zonsondergang,
eenige rupsen van Agrotis brunnea F. en 12 van A. occulta
L. en vele van Doarmia repandata L. Van de eerste was er
geene enkele, van de occulfa-rupsen slechts ééne en van de
andere ’t grootste deel door sluipwespen aangestoken.
In ’t zelfde bosch vloog op 13 Juni 1925 Zucosmia undulata
L. — overigens niet zeldzaam — bij honderden. Met tien-
tallen dezer soort joeg Spr. vele ex. van Bomolocha fontis
THNB. op, uit daar liggende droge takkebossen, terwijl Z%am-
nonoma brunneata THNB. er volstrekt niet zeldzaam was.
VERSLAG. LXXXVII
Eind April en Mei van dit jaar heeft Spr. er op dezelfde
plaats van boschbes meerdere tientallen rupsen gesleept van
Lavrentia sordidata F., die tusschen bijeengesponnen bladeren
op die plant leefden.
De heer Betrem heeft tijdens dit voorjaar enkele waar-
nemingen gedaan, die interessant genoeg lijken, om hier te
worden medegedeeld.
In de eerste plaats wil Spr. iets mededeelen over een
parasiet van één van de 3 of 4 Grapholitha-soorten, die in
Holland den laatsten tijd zoo schadelijk zijn in erwten. Het
betreft hier Glypia haesttator GRAV. Deze sluipwesp was,
zoover Spr. bekend, nog niet in Nederland gevonden. Zij is
gekweekt uit eene pop, die Ir, FRANSSEN uit grond gezeefd
had, waarop het vorige jaar sterk besmette erwten stonden.
Reeds BRISCHKE + 1880 vermeldt, dat hij deze soort uit
Grapholitha nebritana TR. gekweekt heeft. Na dien tijd
schijnt ze niet meer uit dezen vlinder gekweekt te zijn en
zelfs SCHMIEDEKNECHT vermeldt haar niet als parasiet van
dit insect in zijne Opuscula. Zoo blijkt na een 4o-tal jaren,
dat de kweek van den bovengenoemden Oostpruisischen
hymenopteroloog niet op eene vergissing berustte.
In de tweede plaats doet Spr. eene koningin van de
merkwaardige mier Leftothorax tubero-interruptus FOREL
rondgaan. Deze mier is in 1874 door FOREL beschreven,
echter zoo kort, dat zij niet te herkennen was. Na dien tijd
is zij nader beschreven door FOREL in 1915 in zijn „Die
Ameisen der Schweiz”. BONDROIT beschreef dit dier naar
een typisch exemplaar het uitvoerigst in 1919 in zijne baan-
brekende bewerking der mieren van België en Frankrijk.
Al de bovengenoemde bronnen noemen slechts Savoye
als vindplaats. Bij het nazoeken van de literatuur vond Spr.
als vermoedelijken synoniem Myrmica tuberum SCHENCK,
Beschreibung Nassauischer Ameisenarten p. 141. Deze mier
is door Spr. en de verschillende medewerkers der entomo-
logische sectie zeer veel in Meiendel gevonden. Zij heeft
haar nest in oude berkenstompen, die reeds min of meer
vergaan zijn. Zij is zoowel in kleur als in structuur absoluut
constant, zoodat zij geen overgang tusschen twee soorten
LXXXVIII VERSLAG.
is, maar eene constante, afzonderlijke soort, zooals reeds
zooveel z.g. overgangen aparte soorten bleken te zijn. De
koningin, die vertoond wordt, is tot nu toe door geen der
bovengenoemde auteurs beschreven, zoodat zij nieuw voor
de wetenschap is.
Als laatste waarneming wilde Spr. iets mededeelen over
het meermalen overwinteren van sluipwespenpoppen. Er is
over deze questie nog zoo weinig bekend, dat Spr. meent,
dat ook deze waarnemingen wel van eenig belang zijn. In
de eerste plaats bleken de poppen van Apanteles glomeratus
L., die door toevallige omstandigheden nog niet opgeruimd
waren, nadat ze voorjaar '25 wespen geleverd hadden, dit
jaar weer wespen voort te brengen. Deze wespen kwamen
bijna op denzelfden dag uit als die der poppen van najaar
’25. De wespen schenen dus nog zeer goed den tijd van
het jaar te kunnen bepalen. Hetzelfde verschijnsel heeft Spr.
geconstateerd bij sluipwespen uit gallen van Szorrhiza pal-
lida OL., die sluipwespen, eene Zorymus-soort, leverden in
voorjaar '25, najaar '25, en nu voorjaar ’26. Galwespen
kwamen er na den eersten keer niet meer uit, ook geene
andere soorten van sluipwespen, die er in voorjaar ’25 even-
wel in grooten getale uit waren te voorschijn gekomen.
De President vraagt of de Heer BETREM niets gevonden
heeft, dat duidt op het voorkomen van meerdere soorten
van Apanteles. Eenmaal vond Spr. 3 verschillende vormen
bijeen en hij beveelt den Heer BETREM aan, op dit punt
censite letten:
De heer de Jong doet mededeelingen over ritnaalden, de
wel bekende larven van Elateriden, die behooren tot de
schadelijkste der in den grond levende insectenlarven. Tot
nu toe was niet nauwkeurig nagegaan, welke soorten van
deze dieren in ons land het schadelijkst zijn. Bij eene rit-
naaldplaag, die op eenige velden te Kolham (Gr.) heerschte,
verzamelde de heer R. HEERENGA, correspondent van den
Plantenziektenkundigen Dienst, eene groote hoeveelheid
dezer larven, welke door Spr. werden gedetermineerd en
tot imago opgekweekt. Hierbij bleek, dat van tweeduizend
ritnaalden, de overgroote meerderheid (70 à 80°/) tot
VERSLAG. LXXXIX
Agriotes obscurus L. behoorde !). Deze soort is ook elders
in ons land dikwijls zeer talrijk, terwijl zij ook in Duitschland
(HORST, Archiv f, Naturgeschichte, Berlin, LXXXVIII, No. 1,
1922) en in Engeland (RYMER ROBERTS, Ann. of Applied
Biology Vol.) VIL.1919; Vol. VIII 1921 ;-Vok IX 1922) her-
haaldelijk plagen veroorzaakt. Vermoedelijk is Agrzotes obscurus
dan ook de schadelijkste van de bij ons voorkomende
soorten.
Agriotes obscurus L. heeft de volgende levenswijze:
Verpopping in de tweede helft van Juli, in een holletje
in den grond (+ 10 cm. onder de oppervlakte). Begin Augustus
verschijnen de kevers. Bij Spr.’s kweekproeven werd op 11 Juli
1925 de eerste pop en op 1 Augustus de eerste kever ge-
vonden. Volgens HORST blijft de kever 1 à 2 weken in de
poppenwieg, zwerft vervolgens eenigen tijd rond, om dan in
den grond te overwinteren. In het voorjaar bij het hooger
worden der temperatuur verlaat de kever zijn winterkwartier,
eet aan allerlei plantendeelen en is pas in de tweede helft
van Juni geslachtsrijp (HORST). Omstreeks begin Juli worden
de eieren oppervlakkig in den grond afgezet. Het ei-stadium
duurt hoogstens ééne maand. De duur van het larve-stadium
is onbekend ; waarschijnlijk vijf jaar (HORST). Volgens RYMER
ROBERTS vervellen de ritnaalden twee maal per jaar (April-
Mei en Juli-September). Bij de kweekproeven ontdekte Spr.
in Juni parasitisme door een hymenopteron. De parasiet was
reeds verpopt en de poppen hingen als franje uit het lichaam
van den hospes (zie OUDEMANS, Nederlandsche Insecten,
bldz. 765). Uit één hospes kwamen 10 à 15 parasieten te
voorschijn. De sluipwesp, die weldra uit de pop verscheen,
werd door den heer SMITS VAN BURGST gedetermineerd als
Codrus apterogynus HALL. (albipennis THS.), eene Proctotrupide.
RYMER ROBERTS vond in Engeland Proctotrupiden op rit-
naalden, terwijl BLUNCK (1922) en ZOLK (1924) hetzelfde in
Duitschland vaststelden (Paracodrus apterogynus HALL.)
De bestrijding der ritnaalden is zeer moeilijk en nog niet
bevredigend opgelost. Sommigen raden aan een veld, waarop
1) Dank zij de bij den Plantenziektenkundigen Dienst aanwezige,
door DR, EVERTS geschonken vergelijkingscollectie, was de soort met
zekerheid te herkennen.
XC VERSLAG.
schade voorkomt, te schoffelen of te hakken; de dieren
zouden daardoor iets dieper in den grond gaan (door droogte
in het losgemaakte laagje aarde). Indien werkelijk bereikt
wordt, dat zij dieper gaan, is de nuttige werking van schoffelen
of hakken zeker, want men heeft aangetoond, dat de schade
door ritnaalden aanzienlijk vermindert als zij zich dieper in
den grond bevinden, daar zij dan niet zoo licht het groei-
punt bereiken en alleen van de wortels vreten. Het is verder
aan te raden, den stoppel van een aangetast gewas aan eene
intensieve grondbewerking te onderwerpen. Zoo spoedig
mogelijk (eind Juli-begin Augustus) moet het veld minstens
10 cm. diep geploegd worden, waarna de grond met een
cultivator moet worden bewerkt. De weeke poppen en pas
geboren kevers met hunne zachte chitine worden dan be-
schadigd. Nader moet worden onderzocht, of ook de rit-
naalden, die in dien tijd de laatste van de twee jaarlijksche
vervellingen doormaken, door deze grondbewerking te lijden
hebben. Ten slotte droogt het omgeploegde land gemakkelijk
uit, wat zeer schadelijk is voor de jonge ritnaalden, die in
dien tijd juist uit het ei komen.
De heer van der Wiel deelt mede, dat hij voor eenige
jaren een aantal larven van Melanotus rufipes HRBST. in
wilgemolm vond. Spr. hield deze larven vijf jaren in leven ;
in het zesde jaar stierven zij helaas. Ook dit voorbeeld be-
vestigt den langen levensduur van Elateriden-larven.
De heer Lycklama à Nijeholt laat rondgaan:
1°, Een ex. Cerura bicuspis BKH., gevangen te Nijmegen
30.4.1926, het eerste hier te lande als imago gevangen
exemplaar, nadat Dr. OUDEMANS verleden jaar 2 ex. uit de
pop gekweekt had, als rups in den Bijvank gevangen door
den heer SCHOLTEN.
2°. Een zéér sterk zwart bestoven ex. van Zphyra, waar-
schijnlijk £. porata F., daar de onderzijde van het midden-
veld de kleur heeft van deze soort. Verder is alles donker-
grijs, zeer gelijkmatig, niet vlekkig als bij orbzcularis HB., met
getande witte dwarslijnen en middenpunten, zeer scherp
afstekende, en witte adereinden en franje, zoodat het een
geheel ander beeld vertoont dan eenige bekende soort.
VERSLAG. XCI
3°. Nemophora pilulella HB., een micro, nieuw voor de
Nederlandsche fauna, einde Mei en begin Juni gevangen te
Nijmegen, het eerste ex. 27.5.1918. Dit jaar is gebleken,
dat deze soort, om sparren vliegende, aldaar volstrekt niet
zeldzaam is, echter is de verbreiding lastig na te gaan, daar
de meeste sparren op afgesloten terreinen groeien.
4°. Phybalapteryx vitalbata HB., als rups gevonden in
hagen te Heyen bij Gennep, waar dit jaar door Spr. ook
Tephroclystia isogrammaria H. S. gevangen is.
De heer Bentinck laat ter bezichtiging rondgaan I van
Lobophora policommata HB., door hem bemachtigd op 28 Maart
1926 te Overveen, en wel overdag in rust zittend tegen een
muur. Of deze soort nog in ons land gevangen is na de
uitgave van TER HAAR’s werk, is hem niet bekend. TER
HAAR meldt, dat deze soort op 19.4. 1864 (een 9) bij Over-
veen voor ’t eerst gevangen werd (Coll. Dr. J. TH. OUD EMANS),
en daarna nog een ex. op 30.4. 1881 te ’s-Gravenhage, waar
in 1895 nog eenige rupsen werden gevonden.
Op de laatste wintervergadering vertoonde Spr. een ex
van Coleophora clypeiferella HOFM. f. n. sp. Sedert dien vond
Spr. nog 2 van deze zeer locale soort onder eene partij nog
niet gedetermineerde micro's, n.l. op 14.7. 23.en 10. 7. 25
te Overveen gevangen. Alle 3 gaan mede rond en tevens
eene duidelijke teekening van het hoogst merkwaardige,
onbeschubde, geribde, hoornige schildje op den 1‘ achter-
lijfsring, en van een dergelijk, doch veel minder duidelijk,
op den ader ring, welke bijzonderheid geene andere Coleophora
bezit.
Voorts gaat rond een ex. van beide Nephopteryx-soorten
nl. N. hostilis STPH. en N. rhenella ZK., beide afkomstig
van STAUDINGER; dit in verband met de vraag van den heer
LYCKLAMA à NIJEHOLT in de E. B. No. 146, p. 23.
Spr. vergeleek deze beide ex., die onderling niet ken-
merkend verschillen, met de weinige ex. in de Ned. Coll.
te Leiden, die alle onder den naam rhenella ZK. staan, en
die alle, deels met het eene, deels met het andere vrijwel
overeenkomen, In de Palaearct, Coll, te Leiden is ook alleen
XCII VERSLAG.
eene groote serie rhenella ZK. aanwezig, en slechts ééne rups
van hostilis STPH.
Na eenige discussie kan met vrij groote zekerheid gecon-
cludeerd worden, dat de 2° soort van SNELLEN inderdaad
rhenella ZK. moet zijn. Hierbij moet nog even opgemerkt
worden, om geene verwarring te veroorzaken, dat de I° soort,
door SNELLEN op p. 131 vermeld onder den naam hostzlis
STEPH., niets anders is dan Salebria adelphella F.R., zooals
terecht vermeld is in de E B. No. 146 op p. 23. Ook van
deze soort gaat één ex. mede rond, door Spr. gevangen op
13 7.0 23 te, Overveen.
De heer Schuijt haalt, naar aanleiding hiervan, aan het
verschil der citaten uit den Catalogus STAUDINGER 1871 en
dien van 1901. In de eerste worden adelphella en hostilis
als ééne soort vermeld, terwijl deze in de tweede als afzon-
derlijke soorten zijn aangegeven, zonder dat blijkt, waaruit
deze veranderde meening te verklaren valt.
De heer Lycklama à Nijeholt zegt, dat het na deze mede-
deeling van den heer SCHUIJT duidelijk is, dat rhenella ZK.
als inlandsche soort beschouwd moet worden.
Verder heeft Spr. van den heer VAN EECKE opgave ge-
kregen van de etiketten van soorten micro's, die in Spr.’s
lijst ontbraken. Daar deze alle uit de vorige eeuw dateeren
en door SNELLEN om de eene of andere reden niet opge-
nomen zijn, lijkt het Spr. het verstandigst, deze niet op te
nemen vóórdat zij opnieuw gevangen zijn.
De heer A. C. Oudemans spreekt over creeping disease,
eene huidziekte bij menschen, ontstaan door het ingraven
en geslingerde gangen maken (mineeren) van eene of
andere insectenlarve, mijt, of zeer kleinen worm. Hij vertelt
het volgende:
Het was de heer D. M. Levy, Arts te Apeldoorn, die het
eerst een geval in Nederland constateerde en dat beschreef
in het Nederlandsch Tijdschrift v. Geneeskunde,
v. 69, II, n. 4, 25 Juli 1925. De door het onbekende diertje
gemineerde gang kwam voor op de onderzijde van de linker
bil van een 2!/,-jarig meisje, dat pas uit Balik-Papan, Borneo,
aangekomen was. In het artikel staat abusivelijk: rechter bil
VERSLAG. XCII
(schriftelijke mededeeling van den heer Levy). Het minee-
rende diertje deed een hinderlijken jeuk ontstaan, waardoor
de moeder onmiddellijk het begin der ziekte constateeren
kon als een rood vlekje, en wel (volgens schriftelijke mede-
deeling van den heer LEVY) ongeveer 2!/, dag na de inscheping.
Eene fraaie foto in natuurlijke grootte begeleidt het artikel.
Met goedvinden van den heer LEVY geef ik hier eene
reproductie van eene calque van de gang, die op de foto
telzien: is.
Ik maak hierbij de volgende opmerkingen: 1. Aan de ver-
schillende dikte van de gang ziet men wel, dat zij dicht bij
den anus begon, dus dáár, waar het, volgens menschen-
neuzen, kwalijk riekt, en waar het, volgens menige insecten-
moeder, geschikt is, een ei te leggen. — 2. Uit hetzelfde
verschil in dikte kan men zien, dat het mineerende diertje,
al voortgaande, groeide. — 3. Aangezien het diertje voor
het aanleggen van deze gang minstens 3, zoo niet 4 weken
noodig gehad heeft, zoo was de voortgang al zeer gering.
Gestrekt, zou de gang 130 mM. lang zijn, hetgeen op een
voortgang van + 5 mM. per dag duidt.
De heer Levy geeft daarbij een kort overzicht van de
geschiedenis der creeping disease; volgens de meeste
onderzoekers zou eene Gastrophilus-larve de verwekker zijn,
diew(pas uit het ei) ,,1!/, mM. lang en 0.26 mM. breed”
zoude zijn.
Ik lasch hier even in, dat de Gastrophilus-soorten (hae-
morrhoidalis L., nasalis L., pecorum FABR., intestinalis DE
GEER, flavipes OLIV., ternicinctus GEDOELST) hare eieren
vastkleven op de haren van zoogdieren, voornamelijk op
die van Equus caballus, asinus, bohmi, zebra, zelden van
Canis familiaris, Hyaena striata, Meles taxus. De uit de
eieren gekropen larven worden afgelikt en ingeslikt en
hechten zich, door middel van talrijke haakjes, aan den
voorrand van het eerste en het tweede segment, aan de
XCIV VERSLAG.
mucosa van maag- en darmwand, omringd van spijsbrei, of
faecaliën. Daar vervellen zij tweemaal (er zijn dus 3 larve-
stadiën) vóór zij den gastheer passief verlaten, om zich te
verpoppen.
Het artikel van den heer LEVY gaf den heer FAGEE-
SCHAEFFER, Arts te Lekkerkerk, aanleiding, een tweede
artikel in genoemd Tijdschrift te plaatsen (v. 69, II, n. 10,
5 Sept. 1925, p. 1115—1117) getiteld: Is de Gastrophi-
lus-larve de verwekker van de creeping disease?
Daarin deelt de schrijver mede, dat hij 27 Maart 1922 te
Tarakan, Borneo, bij een driejarig meisje eene vochtblaas
aan de voetzool zag, die den volgenden dag het uitgangs-
punt bleek te zijn van eene 1 mM. breede, 4 cM. lange,
sierlijk gekronkelde, rose gang, die dagelijks 1—7 c.M.
langer werd, en, vooral ‘s nachts, hevig jeukte, zoodat het
kind niet slapen kon. Na bevriezing met chlooraethyl op
Io en II April, zag Zuster NAEREBOUT, tijdens de be-
handeling, op eenigen afstand van het einde der gang
op de huid, iets, dat zich bewoog. „Op een objectglas ge-
„bracht en onder het microscoop bezichtigd, vertoonde zich
„inderdaad een parasiet, veel op een schurftmijt gelijkend,
„doch ook in enkele opzichten daarvan afwijkend ; zoo was
„de grootte ongeveer 1!/, maal die van de gewone schurft-
„mijt, vooral in de lengterichting ; er waren vier paar pooten ;
„zuigschijven werden niet gezien, wel aan het kopeinde een
„zeer groot spits driehoekig steekapparaat. Verder kan ik
„dezen parasiet niet beschrijven, daar mijn Inlandsche labo-
„rant hem had weggegooid, nog voor dat ik met een boek
„terug keerde, dat ik wilde raadplegen, en de parasiet niet
„meer was terug te vinden”.
Ik maak hierbij de opmerking, dat hier niet vermeld is,
of de gang overal even breed was, maar de bewoordingen
wijzen m.i. wel daarop. Verder: dat de voortgang aanzienlijk
was, gemiddeld 3!/, centimeter per dag.
Het was de heer J. D. NINCK BLOK, Arts te Arnhem, die,
wetende dat ik acaroloog ben, mij op dat artikel opmerk-
zaam maakte. Naar aanleiding van dat artikel uitte ík ín
genoemd. Tijdschrift (v. 69, II, n. 12,49 Sept.) 1925,
VERSLAG, XCV
p. 1383) mijn vermoeden, dat de parasiet eene Psoroptes equi
zoude geweest zijn, die aan de beschrijving van den heer
FAGEE-SCHAEFFER vrij wel beantwoordt; te meer, daar het
meisje met een paardje omging.
Daarop wijst in genoemd Tijdschrift (v. 69, II, no. 18,
31 Oct. 1925, p. 1998) Prof. Dr. SWELLENGREBEL in een
Merde artikel op!’ gevallen van creeping disease in
Siam en China, „waarbij wormen van het geslacht Guatho-
stoma de schuldige waren”.
Deze Nematoden leven, normaal, in den maagwand van
Felis-, Canis-, Bos- en Sus-soorten, en zijn 2—9 mM. lang
bi 1 mM. breedte.
SLUITER en SWELLENGREBEL, De dierlijke Parasieten
van den mensch en onze huisdieren, 1912, p. 365,
vermoeden : „waarschijnlijk hebben de dieren eerst in de
„maag geleefd en zijn naar de huid verdwaald”. Wat ik
niet aannemen kan.
Eindelijk vermeldt de heer MES, Arts te Erasmus, Transvaal,
in een vijfde artikel in genoemd Tijdschrift (v. 69, II, n.
21, 21 Nov. 1925, p. 2346) twee typische gevallen. Bij geen
der twee gevallen is de parasiet gevonden. Hij bestrijdt
verder de Gastrophilus-theorie der typische creeping
disease. „Ik zeg dit temeer, omdat ik een gastrophilus in
„Zijn schuilplaats we/ mocht verschalken. Het had een klein
„gangetje veroorzaakt en liet zich betrekkelijk gemakkelijk
„als eene witte larve verwijderen; het verpopte zich in een
„doosje, de vlieg heb ik nog. — Toevallig is die vlieg voor
„4 weken naar Europa verhuisd, met mijn dochter, om haar
„aan een entomoloog te overhandigen. Als dit nog niet
„gebeurd is, zal zij hem zeker aan belangstellenden ter
„waarneming afstaan. Haar adres is: G. M. MES, Staal-
„Straat 42 bis, Utrecht”.
Ik maak hierbij de opmerkingen: 1. dat deze vliegelarve
„een klein gangetje” gemaakt had. — 2. Dat de vliegelarve,
na verwijdering uit het gangetje, zich verpopte, en dus in
de gang minstens 2 maal zich verveld moet hebben. — 3. Dat
niet melding gemaakt wordt van het feit, dat de huid door
ettering, of op andere wijze, die beide velletjes uitstootte.
XCVI VERSLAG.
Ik heb Mej. MES om het vliegje gevraagd. Zij antwoordde,
dat zij het vliegje reeds verleden jaar verzonden had aan
een arts, die er om geschreven had, De naam was haar
ontgaan.
Dies heb ík aan den heer LEVY te Apeldoorn geschreven,
met verzoek, mij eventueel het vliegje te zenden. Z. E. ant-
woordde mij, dat het doosje met het vliegje, waarschijnlijk
gedurende „de schoonmaak” als waardeloos weggeworpen
en dus niet meer te vinden is. Uit wetenschappelijk oogpunt
is dat een betreurenswaardig verlies.
Onlangs kreeg ik bezoek van een oud-leerling, den heer
N. H. A. J. SCHULTE, die gedurende zijne 12-jarige loopbaan
in Ned. O.-Indié 5 gevallen behandelde, die alle door de
bevriezingsmethode genazen. Hij beloofde voortaan naar den
parasiet te zoeken.
> 3 Fa Dee Dinsdag, 15
4, Wm 27 Chu 7 “24 Juni, werd mij door een oud-
Ze WILL .
INR 7, leerling, Dr. G. D. HEMMES,
Arts te Heteren, telefonisch
medegedeeld, dat zich aldaar
een geval van creeping
disease bij een landbouwer
voordeed, het eerste in
Néderland''ontstame
geval! Ik spoedde mij er-
heen. De arbeider had het
gekronkelde gangetje aan de
buigzijde van het linker
handgewricht. Wij begingen de fout, niet onmiddellijk eene
foto van dit geval te nemen. Dr. HEMMES heeft dat ver-
holpen, door eene zoo getrouw mogelijke teekening ervan
te maken, die in het Nederlandsche Tijdschrift voor
Geneeskunde, v. 70, II, n. 4, p. 401 verscheen, en hier,
dank zij de welwillendheid van hem en van den Redacteur,
den heer P. MUNTENDAM, Arts te Amsterdam, gereprodu-
ceerd is.
Hoewel tijdens de bevriezing ijverig naar den parasiet
gezocht werd, later zelfs door afsnijding van zeer dunne
VERSLAG. XCVII
laagjes epidermis tot in de levende opperhuid, werd niets
gevonden.
Ik maak hierbij nog de opmerking, dat de gang ongeveer
1 mM. hooger dan de omgeving was, en dat dat verhoogde
gedeelte, dat aan eene mollenrit deed denken, overal ongeveer
2 mM. breed was.
De creeping disease, ook wel myiasis linearis,
larvaimigrans, myase rampante sous-cutanée,
enz. genoemd, schijnt ook door jonge larven van Hypoderma
veroorzaakt te kunnen worden. Wanneer men echter de
afbeeldingen van de soms 50 en meer cM. lange en steeds
1 à 2 mM. breede gangen ziet, dan moet een entomoloog
toch eenigen twijfel aan de juiste determinatie daarvan
koesteren.
De heer Corporaal vertoont eene zeer donkere /Zibernia,
door den heer VAN PELT LECHNER in Februari van dit jaar
te Arnhem gevangen en welwillend afgestaan aan het Museum
van „Natura Artis Magistra”, die door de aanwezige Lepi-
dopterologen herkend wordt als H. leucophaearia SCHIFF.
Ook eene zeer groote /rodine, op eenen python gevonden,
die door hem aan Dr. A. C. OUDEMANS ter bestudeering
wordt overhandigd.
Verder deelt Spr. mede, dat door de Commissie voor het
natuurkundig onderzoek van het Naardermeer, waarvan
de entomologische afdeeling onder Spr.’s leiding staat, van
1923 t/m voorjaar 1926 een belangrijk entomologisch mate-
riaal is verzameld. Dit materiaal is geëxposeerd geweest op
de onlangs te Amsterdam gehouden biologische tentoon-
stelling, hetgeen eene welkome aanleiding was, om alles te
doen determineeren en te ordenen. Een overzicht der resul-
taten vindt men in achterstaand staatje.
Het heeft groote moeite en veel correspondentie gekost,
om voor alle groepen, dikwijls voor kleine onderdeelen van
sommige groepen, bewerkers te vinden. Enkele kleinere
afdeelingen, zooals de Cocciden, Aphididen en Col-
lembola zijn nog niet bewerkt. De Braconiden zijn
nog ter bewerking bij Prof. Dr. J. FAHRINGER in Weenen.
XCVIII VERSLAG.
E Nieuw voor] Nieuw
Eid Pac ‘© | Exem- | de Nederl, | voor de
‘2 | plaren. Fauna. | Weten-
S sp. | var. San
Thysanura . | — ia ee en
Collembola . I | — nae sl
Dermaptera!. 2 | — 7: =e
Ephemeroptera 2 | — DUREE ca
Odonata. T92 04 2348 x La
Orthoptera . 6 38 = 0 en
Psocoptera . 7 I 13 I LA 2, es
Thysanoptera . Bedel RE dn
Rhynchota . 82.13 501 gli = ze
Megaloptera 2 | — a er
Neuroptera . 6 | — Zouk are
Mecoptera 2 | — Ed SRI a
Trichoptera. DSS O e prs
Lepidoptera 65 3 191 | — | — En
Diptera . 215% 22 MISIO20 EEL I —
Siphonaptera 8 | — 32 | 2) —| —
Coleoptera . 539 | IOO| 3977 = alee
Hymenoptera . 168 | 17 46322517 —
carina. . 221 — 78 5 ia 3
Chernetina . E ee DE
Rotaal 2172, 144.|,0759. 400 3
Hieronder volgt eene lijst der voor de Nederlandsche
fauna nieuwe vormen :
COLEOPTERA.
Atheta vilis ER. (det. Dr. EVERTS).
RHYNCHOTA.
Homoptera. (det. Dr. MAC GILLAVRY).
Pediopsis glandacea FIEB.
» megerlei FIEB.
Psyllidae. (det. H. C. BLöTE).
Trioza centranthi VALLOT.
VERSLAG. XCIX
THYSANOPTERA. (det. Dr. H. PRIESNER).
Megathrips lativentris HEEG.
HYMENOPTERA.
Tenthredinidae. (det. Dr. R. FORSIUS).
Tenthredella ferruginea SCHRK., var. rufipennis F.
Dineura virididorsata RETZ., var. dorsalis ENSL.
Pontania vesicator BR,
Trichiosoma latreillei LEACH.
» silvaticum LEACH.
Ichneumonidae. (det. HABERMEHL ; KOORNNEEF).
Hygrocryptus drewsent THOMS. (H.).
» puhlmannt ULBR. (H.).
Phygadeuon vexator THUNB. (H.).
Hemiteles mangeri GRAV. (K.).
» monodon THOMS. (H.).
» pedestris GRAV. (H.).
Gelis melanocephalus SCHRK. (H.).
» analis FORST. (H.).
>» caxnijen FORST. (IH).
Glypta bifoveolata GRAV. (H.).
Homotropus biguttatus GRAV. (H.).
» bizonartus GRAV. (H.).
» hygrobius THOMS. (H.).
Bassus tetragonus THUNB. (H.).
Cteniscus flavomaculatus GRAV., var. factalis ROM. (H.).
Polyblastus strobilator THUNB. (H.).
Meloboris litoralis HOLMGR. (H.).
Barylypa unguiculata GRAV. (K.).
Campoplex vigilator FORST. (K.).
Holocremnus bergmanni THOMS. (K.).
Temelucha vernalis SZEPL. (K.).
Apidae. (det. ALFKEN).
Bombus pratorum L.: pratorum L., var. subinteruptus W. K.
» > > var. burrellanus W. K.
> hypnorum L., var. calidus ER.
» > var. peetsi ALFK.
C VERSLAG.
Bombus hortorum L.: hortorum L., var. nigricans
SCHMIEDEKN.
Psithyrus bohemicus SEIDL.
PSOCOPTERA. (det. Dr. MAC GILLAVRY).
Elipsocus abietis KOLBE.
SIPHONAPTERA. (det. Dr. A. C. OUDEMANS).
Ceratophyllus garei ROTHSCH. (in nest van karekiet).
» rossitensis DAMPF. (in kraaiennest).
ODONATA. (det. M. LIEFTINCK).
Agrion armatum CHARP.
DIPTERA.
Limosina (Scotophilella) racovitzai BEZZI, var. microps DUDA.
(det. DUDA); in mollenest.
Oseinella brachyptera ZETT. (det. Prof. DE MEIJERE); in
Sphagnum.
ACARINA. (det. et descr. Dr. A. C. OUDEMANS).
Pergamasus corporaali OUDMS. 1926, nov. spec. (in molle-
nest).
Cyrtolaelaps mucronatus G. & R. CAN. (in mollenest).
Neophyllobius vanderwieli OUDMS. 1926, nov. sp. (in molle-
nest).
Anoetus tienhoveni OUDMS. 1926, nov. spec. (in mollenest).
Sphaerosetes numerosus SELLN.
Het leeuwendeel van dit resultaat komt dus voor rekening
der Hymenoptera, waarvan niettemin het aantal indivi-
duen vrij gering is. Daaruit blijkt wel zeer duidelijk, hoeveel
in deze fraaie en interessante, maar helaas veel te weinig
bestudeerde groep in Nederland nog te doen valt. Voor bijna
alle Hymenoptera was het noodig, zich tot buitenlandsche
specialisten te wenden. Doch ook deze zijn dun gezaaid, en
veelal overladen met werk. Alleen van de Aculeaten, die
minder moeilijk schijnen te zijn, zijn vrij talrijke beoefenaars
te vinden.
Mogen velen, vooral van de jongere collega's, zich opge-
wekt gevoelen, om alle moeilijkheden te trotseeren en zich
VERSLAG. GI
toe te leggen op eene van de zoo verwaarloosde onder-
afdeelingen dezer groep.
De heer J. Th. Oudemans deelt mede, dat hij op zijn
eigen terrein onder Putten in den zomer van 1925 in zeer
grooten getale aantrof de rupsen van Orgyia gonostigma F.,
en wel op berk en beuk. De beukjes vormden eene heg,
waarvan hier en daar plekken geheel kaalgegeten waren.
In zoo grooten getale had Spr. deze rupsen nog nooit aan-
getroffen. Hij heeft er een honderdtal van verzameld en ook
aan anderen er van uitgedeeld. Later bleek, dat nagenoeg
alle exemplaren geïnfecteerd waren, in hoofdzaak door eene
sluipwespsoort, welke haar cocon tegen de buikzijde van de
rups aan spint. Verder waren er ook exemplaren, waaruit
zich sluipvliegen (Tachiniden) ontwikkelden. Spr. verkreeg
ten slotte slechts een drietal imagines. Dus wel een voorbeeld
van afdoende opruiming door parasieten. Vermoedelijk zijn
een paar jaar van vermeerdering voorafgegaan en zal de soort
daar ter plaatse voorloopig wel zeldzaam geworden zijn !).
Vervolgens demonstreert Spr. een apparaat, dat hij geregeld
met succes gebruikt, om vlinders hunne eieren te laten
afzetten. Het recept is als volgt. Men neme een stuk stroo-
carton van b.v. 25 X 15 cM. en rolle dit op.tot.een cylinder
van 15 cM. hoogte en 6 à 7 cM. doorsnede. De randen
worden met lak bevestigd, zoowel van binnen als van buiten.
Vooraf is de zijde, die binnenwand moet worden, door in-
kerving in allerlei richtingen min of meer ruw gemaakt.
Tegen zoo’n wand kruipen de dieren gemakkelijk op en vele
leggen de eieren in of tegen de inkervingen. Nu wordt over
eene der open zijden van den cylinder een stukje gaas
gelegd, liefst van zwarte kleur. Dit gaas wordt vastgehouden
door een cartonnen ring, die iets wijder is dan de cylinder
en die daarover heengeschoven wordt. Nu wordt de cylinder
met de open zijde op een theeschoteltje geplaatst, waarop
eenige lagen filtreerpapier gelegd zijn. Door deze laatste met
een verstuiver nu en dan te bevochtigen, wordt de lucht ín
den cylinder gemakkelijk vochtig gehouden. Eventueel kan
1) In den zomer van 1926 kon ter zelfder plaatse geen enkel exem-
plaar ontdekt worden.
Ta
CH VERSLAG.
men den cylinder met een katoenen draad op het schoteltje
vastbinden.
Plaatst men nu een vlinderwijfje in zulk een cylinder, dan
is het gewenscht, het dier elken avond van voedsel te
voorzien; dit geschiedt door een klontje suiker boven op
het gaas te leggen en dit met een verstuiver te besproeien;
het besproeien van het zooeven genoemde filtreerpapier gaat
in dezelfde moeite door. In den regel komt de vlinder bij
de besproeiing dadelijk naar boven en gaat tegen het gaas
zitten; voedselopname volgt dan meestal spoedig. Sommige
vlinders leggen hunne eieren tegen ’t carton of tegen het gaas,
andere doen dit niet. Die verlangen dan in den regel de voedsel-
plant van de rups, waarop zij de eieren afzetten. Een merk-
waardig voorbeeld daarvan nam Spr. dit voorjaar waar. Op
13 Maart ving hij een overwinterd 9 van Larentia siterata
HUFN. Tot 18 April, dus in 5 weken tijds, had het diertje
geen enkel ei gelegd, ofschoon de tijd daartoe gekomen
was, daar het eikenblad zich overal begon te vertoonen. Op
den avond van dien dag werd een bebladerd eiketakje in
den cylinder gedaan en ziet, den 19%" des morgens waren
tal van eitjes op die blaadjes afgezet. Geregeld werden nu
versche eikeblaadjes aangeboden en even geregeld werden
daarop des nachts eenige eitjes gelegd, meesta! tusschen 3
en Io stuks. De vlinder heeft geleefd tot 31 Mei, dus in
gevangenschap ruim 79 dagen. Vangt men eene dergelijke
Geometride in een doosje en geeft daaraan geene verdere
verzorging, dan sterft het diertje meestal na enkele dagen
door uitdroging.
Als tweede voorbeeld van het langdurig in het leven blijven
van vlinders bij goede verzorging moge dienen, dat een Q
van Pachnobia rubricosa F., door den heer SCHOLTEN te
Beek bij Didam gevangen op 6 April, bij Spr. in ’t leven
bleef tot 25 Mei, gedurende welken tijd eenige honderden
eieren werden afgezet. In gevangenschap leefde dit ex. dus
49 dagen. Ook exemplaren van vele andere soorten heeft
Spr. op deze wijze zeer langen tijd in ’t leven gehouden en
in den regel tevens eieren verkregen. Exemplaren, die schijn-
baar „uitgelegd” zijn, beginnen, eene week of langer nadat
zij zich zijn gaan voeden, opnieuw eieren te leggen, hetgeen
VERSLAG. CIII
niet te verwonderen is, daar aan den top der ovariaalbuizen
voortdurend — natuurlijk tot eene zekere grens — jonge
eieren gevormd worden, mits de levensomstandigheden, vooral
de voeding, gunstig zijn. Spr. raadt den Lepidopterologen
aan, met het eenvoudige apparaatje de proef te nemen.
Ten slotte toont Spr. een nest van eene bladsnijderbij,
Megachile, waarschijnlijk M. centuncularis L., door de moe-
derbij vervaardigd in een dun tonkin bloemstokje, dat een
dozijn cellen bevat. Aan het einde van haar arbeid heeft
de bij eenige roode bloembladstukjes verwerkt, die van bui-
tenaf in de opening, waardoor zij binnenkwam, zichtbaar
zijn. Waarschijnlijk zijn zoowel de groene als de roode blad-
stukjes van rozen afkomstig.
De heer Tutein Nolthenius bespreekt de vondst van
Acanthopsyche atra L. Einde April 1926 vond Spr. op Uller-
berg bij Leuvenum tegen een eikenstammetje van doorge-
schoten eikenhakhout, waaronder boschbessen en heide, op
1.40 M. hoogte een zakje, lang 2 cM., doorsnede 0.5 cM.,
even beneden de aanhechtingsplaats bedekt met stukjes
blad en enkele grassprietjes, naar het ondereinde vrij spits
toeloopend. 12 Mei kwam des namiddags het abdomen van
het Q uit dit zakje te voorschijn. Dien zelfden avond is het
zakje in een kistje, bespannen met gaas waarin een klein
gleufje gesneden was, tegen den boom geschroefd op dezelfde
hoogte waarop het zakje gevonden was. 13 Mei was een
buiige, stormachtige dag, en gebeurde er niets, maar 14 Mei,
bij beter weer, vond Spr., zeer tot zijne vreugde, om 4 uur
n.m. een & rustig in het kastje zitten. Daar diens abdomen
sterk uitgerekt was, had paring vermoedelijk plaats gevonden.
Helaas kwam 17 Mei het Q uit den zak en heeft daarin
vermoedelijk geene eieren gelegd, daar het diertje niet sterk
verschrompeld was. Vergelijking met materiaal, welwillend
door den heer OUDEMANS verstrekt, met een door STAUDINGER
geleverd en eenige zakjes en voorwerpen uit het Leidsche
museum, deed Spr. besluiten, dat deze Psychide overeenkomt
met Acanthopsyche atra L. (= opacella H.S.) Volgens eene
noot in SPULER, blz. 173, heeft CHAPMAN bewezen, dat afra L.
overeenkomt met opacella H.S. en niet met plumifera O.,
CIV VERSLAG.
zoodat deze laatste, welke in den catalogus van STAUDINGER
als atra L. vermeld staat, haar naam flumifera moet be-
houden. In de nieuwste verkoopslijst van STAUDINGER zijn
deze veranderingen dan ook aangebracht.
Dat deze Psychide in ons land voorkomt, is niet te ver-
wonderen, daar zij in Duitschland op vele plaatsen gevonden
is, in België en de Campine Anversoise, en in Engeland
onder de drie daar voorkomende soorten door MEYRICK
vermeld wordt. Als voedsel der rups worden Calluna, Erica,
Vaccinium en Gramineën opgegeven. Het 4 schijnt den zak
aan grassen vast te spinnen, terwijl het © dit op '/,—1 Meter
aan boomen en palen doet (VORBRODT, MüLLER-RUTZ,
Schmett. d. Schweiz). Het Q is oranjegeel gekleurd met
glanzend zwarten thorax en daarmede vergroeiden kop;
rudimentaire sprieten, oogen slechts door eene donkere _
onregelmatige vlek onder het chitinepantser aangeduid,
Geene monddeelen; slechts een ovaal gaatje in het vlies
onder den kop; 3 paar rudimentaire pootjes zijn duidelijk
zichtbaar, staande ín roodbruine lijsten. Op ieder segment
is aan de buikzijde in ’t midden een grijsbruin vlekje te
zien. In het vliezige gedeelte achter den kop bevindt zich
een vliezig knobbeltje met een ovaal openingetje, waarschijn-
lik een stigma, Uitwendige rudimenten van vleugels zijn
geheel afwezig.
Reeds vroeger zijn ten onzent van deze soort zakken
aangetroffen, welke echter nooit imagines hebben opgeleverd.
Op de zomer-excursie 1921 werd te Winterswijk door den
heer BALFOUR VAN BURLEIGH een ledige zak gevonden (zie
Ent. Ber. No. 145, blz, 13), terwijl de heer BRANTS jaren
geleden bij Wolfheze een dergelijk kokertje vond.
De heer Brants veroorlooft zich, in aansluiting aan het
zooeven door den heer TUTEIN NOLTHENIUS medegedeelde,
omtrent Acanthopsyche opacella H.S. te doen opmerken, dat
de heer SCHUIJT en hij er bij tegenwoordig waren, toen het
geachte medelid, BALFOUR VAN BURLEIGH, het bewuste
Psychiden-kokertje bemachtigde, aan een Rijksgrenspaal in het
Wooldscheveen, onder Winterwijk, nabij het klooster Burlo.
Dat zakje werd toen aanstonds door Spr. aangezien voor
het verblijf eener rups van voornoemde Psychide, wegens
VERSLAG. CV
deszelfs opvallende overeenkomst in vorm, grootte, bekleeding
enz., met de behuizingen van Ac. opacella H.S., zóó als hij
ze, menigmaal in aantal, aantrof in de Alpenlanden en ook
vond afgebeeld, o. m. in de bekende ,,Monographie des
Psychides, van BRUAND, en in BARRETT’s „Lepidoptera of the
British Islands” (deel II, pl. 84).
Dat Acanthopsyche opacella H.S. in Nederland, even goed
als in de omliggende landen, moest zijn te vinden, werd
trouwens reeds sedert lang door Spr. vermoed, daar hij —
ettelijke jaren geleden — aan het beekje te Wolfheze, nabij
de zoogenaamde Wodanseiken, aan een takje der gewone
struikheide, een Psychiden-zak aantrof, die in alle opzichten
treffend geleek op BARRETT's figuur 2°, op diens bovenaan-
gehaalde plaat, met welke afbeelding de door den heer
TUTEIN NOLTHENIUS vervaardigde duidelijke schets bijzonder
goed overeenstemt.
Het bewijs, dat dit kokertje inderdaad behoorde tot de thans
besproken vlindersoort, mocht Spr. wel is waar niet geleverd
zien, daar zich, tot zijn leedwezen, daaruit geen vlinder
ontwikkelde, doch, waar de nauwgezette waarnemingen van
den heer TUTEIN NOLTHENIUS thans bepaaldelijk hebben
bewezen, dat Acanthopsyche opacella H.S. ook in Nederland
en met name op de Veluwe voorkomt, acht Spr. het toch
te waarschijnlijker, dat het door hem bedoelde zakje van
Wolfheze werkelijk tot dze soort behoorde.
De heer Balfour van Burleigh wil eene opwekking doen
hooren om de NEDERLANDSCHE PHAENOLOGISCHE VEREENI-
GING te steunen, door er lid van te worden en een werkzaam
aandeel te nemen in haren arbeid, die bestaat in het ver-
zamelen en verwerken van alle gegevens, die verband houden
met de levensgeschiedenis van planten en dieren. Vooral op
entomologisch gebield valt er in deze richting zeer veel te
doen, terwijl nog slechts weinige entomologen zijn toegetreden.
Niets meer aan de orde zijnde, wordt de vergadering door
den President gesloten.
CVI VERSLAG,
Voor de leden der Nederlandsche Entomologische Ver-
eeniging zijn verkrijgbaar bij den Secretaris, J. B. Corporaal,
p/a. „Natura Artis Magistra”, te Amsterdam, voor zoover
de voorraad strekt:
Tijdschrift voor Entomologie, per deel (f12.—) f 6.—
Entomologische Berichten, per nummer, voor
200, verivoorradis... … |. ia La (720250) OE
Handelingen der init Entomologische
Vereeniging, bevattende de Verslagen der jaar-
lijksche Vergaderingen van o) met
REpertoriame 2. : Po aes
Verslagen der Vergaderingen, voor zoo ver voor-
radig "=. .51(/ 01600) 982025
BIST: een, De viinders 4 van Neaera
Macrolepidoptera, met 4 platen . . . » De
F, M. van der Wulp, Catalogue of de do
scribed Diptera from South-Asia . . . (f 3.—) » 2.40
BBaNlevansder Wulp’ en Deij: C. Edie
Meijere, Nieuwe u der Nederlandsche
Diptera’ en". ; MEENT DEN
Handleiding voor het ea bewaren en
verzenden van uitlandsche insecten. . . (f 0.50) » 0.40
Repertorium betreffende deel I-- VIII van het
Tijdschrift voor Entomologie, bewerkt door Mr.E.
A. de Roo van Westmaas. HAT » 0.50
_ Repertorium betreffende deel IX. _XVI van het
Tijdschrift voor Mon es bewerkt door F. M.
vansder Wulp . 2... » 0.75
Repertorium Piena a XVIIXXIV : van
het Tijdschrift voor O bewerkt door
BeMsvansder Walpi se ”. » 10.75
JE Dr Ed Everts, Lijst del in Nederland en
het aangrenzend gebied voorkomende Coleoptera » 0.30
C. J. M. Willemse, Orthoptera Neerlandica
(és JS
M. A. Lieftinck, Odonata neerlandica I» 5.—) » 3.—
> 2 » » » Ib 5.—) >» 3.—
Prot. Dre CH: de B Die Larven der
Agromyzinen . . sh (Sos
De prijzen tusschen haakjes ( ) gelden voor niet-leden
der Vereeniging.
CVII
LIJST VAN DE LEDEN
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
OP 1 AUGUSTUS 1926,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
(De Leden, die het Tijdschrift voor Entomologie Deel LXIX
ontvangen, zijn met een * en de Leden voor het
leven met een | aangeduid).
BUITENGEWOON EERELID.
ZAR H. de Prins der Nederlanden, Hertog van
Mecklenburg. 1903.
EERELEDEN.
*Dr. Erich Wasmann S.J., Ignatius College, Valkenburg (L.).
1901.
*Dr. Chr. Aurivillius, Hoogleeraar in de Zoölogie aan de
Universiteit te Stockholm. 1903.
*Dr. R. Gestro, Genua. 1909.
*Prof. Dr. K. M. Heller, Franklinsir. 22, Dresden. 1911.
*Prof. H. J. Kolbe, Steinäckerstr. re, Berlin-Lichterfelde W.
1913.
*Lord Walter Rothschild, Tring Park, Herts., England. 1913.
* Antonio Berlese, Via Romana 19, Florence. 1916.
*Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, Emmastraat 28, ’s-Gravenhage.
1919.
*Dr.. Th. Becker, Weissenburgerstr. 3; Liegnitz (Schlesien).
1926.
*Mr. A. Brants, Rijnkade 119, Arnhem. 1926.
BEGUNSTIGERS.
Het Koninklijk Zoölogisch Genootschap „Natura Artis Ma-
gistra” te Amsterdam. 1870.
CVIII LIJST DER LEDEN ENZ.
De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem.
1884.
Mevrouw J. M. C. Oudemans, geb. Schober, Huize „Schoven-
horst”, bij Putten (Veluwe). 1892.
Mevrouw A. Weber, geb. van Bosse, Eerbeek. 1892.
Mevrouw de Wed. J. P. Veth, geb. v. Vlaanderen, België. 1890.
Mej. C. E. Sepp, Villa Eikenhorst, Bussum. 1900.
Mevrouw de Wed. J. M. van der Hoop, geb. de Monchy,
Mathenesserlaan 252, Rotterdam. 1913.
Mevrouw P. J. K. de Meijere, geb. v. Dam, Sarphatistraat 76,
Amsterdam. 1913.
Mevrouw S. J. M. Oudemans, geb. Hacke, Putten (Veluwe).
1022:
Mevrouw E. Uyttenboogaart, geb. Eliasen, Renkum. 1922.
Mevrouw J. J. Hacke, geb. Oudemans, Driebergen. 1923.
Mevrouw A. Corporaal, geb. v. Rienderhoff, Amsterdam. 1926.
Mevrouw A. Y. S. Mac Gillavry, geb. Matthes, Amsterdam.
1926.
CORRESPONDEERENDE LEDEN.
A. W. Putman Cramer, Lawrence Avenue 322, Westfield,
New Yersey. 1883.
Dr. O. Taschenberg, Halle a. S. 1883.
Dr. L. Zehntner, vroeger te San Bentos das Lages, Bahia,
Brazilië. 1897.
Dr. P. Speiser, Kreismedicinalrat, Kaiserstrasse 12, Königs-
berg i. Pr. 1906.
Dr. H. Schmitz, S. J., Ignatius College, Valkenburg (L.). 1921.
BUITENLANDSCHE LEDEN.
*René Oberthür, Faubourg de Paris 44, Rennes (Ille-et-V'ilai-
ne), Frankrijk. — Coleoptera, vooral Carabiden. (1882—83).
Julius Weiss, vroeger te Metz. (1896—07).
Dr. H. Schouteden, Rue St. Michel 5, Woluwe St. Pierre, bij
Brussel. — (1906—07).
Corn. J. Swierstra, Directeur van het Transvaal-Museum te
Pretoria. — (1908—09).
*James E. Collin, Sussex lodge, Newmarket, Engeland. —
(1913—14).
*Bibliotheek der R. Universiteit, Lund, Zweden. —(1915—16).
LIJST DER LEDEN ENZ. CIX
GEWONE LEDEN.
*Algemeen Proefstation der Algemeene Vereeniging van Rub-
berplanters ter Oostkust van Sumatra, Medan, Sumatra. —
(1917—18).
Prof. Dr. H. J. van Ankum, Zeist. — Algemeene Zoölogie.
(1871—72).
*H. A. Bakker, Biol. Cand., Marconistr. 5, Ymuiden. — Neu-
roptera. (1921—22).
*C. P. G. C. Balfour van Burleigh, Groote Koppel E 161,
Amersfoort. — Lepidoptera. (1907—08).
Dr. L. F. de Beaufort, Huize „de Hooge Kley”, Leusden bij
Amersfoort. — (1911—12).
Prof. Dr. J. F. van Bemmelen, Hoogleeraar aan de Universiteit
te Groningen. — (1894—95).
Ir. G. A. Graaf Bentinck, Electrotechn. Ing., Bloemendaalsche
weg 196, Overveen. — Lepidoptera. (1917—18).
T*P. J. van den Bergh Lzn., Huize ,, Mariposa”, Overbeeklaan
3, Velp. — Lepidoptera. (1901—02).
K. J. W. Bernet Kempers, Directeur der Registratie, Loskade
P. 256, Middelburg. — Coleoptera. (1892—93).
À. J. Besseling, Markt 93 A, Roosendaal. — (1923—24).
J. G. Betrem, Assist. Entom. Laboratorium, Bowlespark 14,
Wageningen. — Hymenoptera. (1921—22).
Dr. J. A. Bierens de Haan, Privaatdocent aan de Universiteit,
Prins Hendriklaan 39, Amsterdam. — (1918—19).
*H. C. Blöte, Oosteinde 44, Voorburg. — (1923—24).
P. R. Bodifée, p/a Curacaosche Petroleum Maatschappij, Wil-
lemstad, Curacao. — Coleoptera. (1923—24).
Dr. J. Bosscha, Parc Dubochet, Clarens, Zwitserland. — Coleo-
ptera. (1882—83).
B. E. Bouwman, Bilthoven. — Hymenoptera aculeata. (1926
— 1927).
J. Broerse, Rustenburgerstr. 10811, Amsterdam. — (1923—24).
A. J. Buis, Bilthoven. — Lepidoptera. (1907—08).
F. W. Burger, Otto van Gelreweg 2, Wageningen. — Oecono-
mische Entomologie. (1917—18).
Prof. Dr. L. P. de Bussy, Sparrenwoude, Westeinde 7, Baarn.
— (1908—09).
CX LIJST DER LEDEN ENZ.
*A. Cankrien, Huize „Colenso”, Soestdijk. — Lepidoptera.
(1868—69).
J. R. Caron, Via Casserinetta 4, Lugano-Paradiso, Zwitser-
land. — Lepidoptera. (1919—20).
*H. Coldewey, leeraar a/h. gymnasium te Doetinchem. — Lepi-
doptera. (1919—20).
T*J. B. Corporaal, Conservator voor Entomologie van het
Koninklijk Zoölogisch Genootschap ,, Natura Artis Magistra”,
te Amsterdam. — Coleoptera, vooral Cleridae. (1899—1900).
*Jos. Cremers, Hertogsingel 10, Maastricht. — Coleoptera en
Lepidoptera. (1906—07).
Dr. K. W. Dammerman, Directeur van het Zoölogisch Museum
te Buitenzorg, Java. — Algemeene Entomologie. (1904—05).
Mr. E. vani Delden, President van den Landraad, Kediri (Java).
— Lepidoptera van Ned. O.-Indié. (1923—24).
Het Deli Proefstation, Medan, Sumatra. — (1908—09).
*E. D. van Dissel, Directeur van het Staatsboschbeheer,
Frederik Hendrikstraat 63, Utrecht. — (1906—07).
C. J. Dixon, Snelliusstr. 1, ’s-Gravenhage. — Coleoptera.
(1890—91).
*Dr. W. Docters van Leeuwen, Directeur van ’s Lands Planten-
tuin te Buitenzorg, Java. — (1921—22).
*P. H. van Doesburg, Gang Pernis, Semarang, Java. — Coleo-
ptera. (1921—22).
*G. Doorman, Lid van den Octrooiraad, Joh. v. Oldenbarne-
veldtlaan 123, ’s-Gravenhage. — (1915—16).
*F. C. Drescher, p/a Firma Rouwenhorst Mulder & Co., Tji-
latjap, Java. — (IQII—12).
Mr. E. J. F. van Dunné, kantoor Mrs. Henny & Schoutendorp,
Batavia. — Lepidoptera. (1911—12).
R. van Eecke, Conservator bij ’s Rijks Museum van Natuur-
lijke Historie, Maredyk 161, Leiden. — Lepidoptera en
Thysanoptera. (I9II—12).
*H. C. L. van Eldik, Maliestraat 11, ’s-Gravenhage. — Lepido-
ptera en Coleoptera. (1919—20).
M. J. van Erp Taalman Kip, Schermlaan 30 B, Rotterdam. —
Rhynchota. (1921—22).
M.L. Eversdijk, Biezelinge. — Algemeene Entomologie.
(1919— 20).
LIJST DER LEDEN ENZ. CXI
*Mr. A. J. F. Fokker, Zierikzee. — Rhynchota. (1876—77).
L. van Giersbergen, Leeraar aan de Ver. t. b. v. bijenteelt in
Nederland, Wageningen. — (1907—08).
*P. van der Goot, Departement van Landbouw te Buitenzorg,
Java. — Aphididae en Coccidae. (1910—11).
J. D. F. Hardenberg, Biol. docts., Abstederdyk 7, Utrecht. —
(1925—26).
Jhr. W. C. van Heurn, Biol. docts., Bataviasche weg 56a, Bui-
tenzorg, Java. — Algemeene Entomologie. (1911—12).
*Dr. J. van der Hoeven, Eefde bij Zutphen. — Coleoptera.
(1886—87).
Mr. A. Th. ten Houten, Winterswijk. — (1921—22).
*E. R. Jacobson, Fort de Kock, Sumatra. — Algemeene Ento-
mologie. (1906—07).
*A. J. T. Janse, Firststreet Gesina, Pretoria, Zuid-Afrika. —
Pyralidae. (1921—22).
N. A. de Joncheere, Dordrecht. — Lepidoptera. (1886—87).
*W. de Joncheere, Stationsweg 2, Dordrecht. — Lepidoptera.
(191314).
Dr. W. H. de Jong, Adj.-phytopatholoog bij den Planten-
ziektenkundigen Dienst, Hoogstraat 17a, Wageningen. —
(1925—26).
D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal F 3471, Zwolle. — Lepi-
doptera. (1863—64).
*J. H. Jurriaanse, Schiekade 75, Rotterdam. — Exotische
Lepidoptera. (1916—17).
L. G. E. Kalshoven, Dierkundige bij het Instituut v. Planten-
ziekten te Buitenzorg, Java. — Algemeene Entomologie.
(1921—22).
Dr. P. M. Keer, Oud-Leeraar aan het Gymnasium en de H. B.
S., te Zutphen, Kilchberg b. Zürich, Zwitserland. — (1909—
1910).
Dr. C. Kerbert, Directeur van het Kon. Zoölogisch Genoot-
schap „Natura Artis Magistra”, Plantage Middenlaan 39,
Amsterdam. — (1877—78).
*A. Kerkhoven, Laan van Meerdervoort 17, ’s-Gravenhage. —
(1924—25).
T*B. H. Klynstra, Frankenstraat 60, ’s-Gravenhage. — Co-
leoptera, voorn. Caraboidea. '(1902—03).
CXII LIJST DER LEDEN ENZ,
J. Koornneef, re Constantyn Huygensstraat 67, Amsterdam.
— Algemeene Entomologie. (1917-—18).
TH. J. H. Latiers, Steyl, gem. Tegelen. — Coleoptera en Le-
pidoptera. (1893—94).
S. Leefmans, Entomoloog aan het Instituut voor Plantenziekten
te Buitenzorg) Java. — Algemeene Entomologie. (1911—12).
H. E. van Leijden, Biol. Cand., Monstersche Straatweg roa,
Loosduinen. — Lepidoptera. (1915—16).
B. J. Lempke, Ceramplein 111, Amsterdam. — Lepidoptera.
(1925—26).
Dr. W. J. H. Leuring, Huize.,,Middelaer”, Mook (LME
(1919—20).
*M. A. Lieftinck, Oranje Nassaulaan 69, Amsterdam. — Odo-
nata. (1922—23).
*J. Lindemans, Zaagmolenstr. 111, Rotterdam. — Lepidoptera,
Hymenoptera, vooral Sphegidae (Crabronidae), Pompilidae,
Vespidae en Chrysididae. (1901—02).
N. Loggen, ede v. d. Helststraat 5 huis, Amsterdam. — Lepi-
doptera. (1924—25).
Dr. J. C. C. Loman, Van Baerlestraat 158, Amsterdam. —
Araneae. (1886—87).
*Dr. H. J. Lycklama à Nijeholt, Twaalf Apostelenweg 75,
Nijmegen. — Lepidoptera. (1896—07).
+*Dr. D. Mac Gillavry, J. W. Brouwersplein 9, Amsterdam. —
Coleoptera en Rhynchota. (1898—99).
*J. C. v. d. Meer Mohr, Entomologisch assistent, Deli Proef-
station, Medan, Sumatra. — (1925—26).
Prof. Dr. J. C. H. de Meijere, Sarphatistraat 76, Amsterdam.
— Diptera. (1888—80).
G. S. A. van der Meulen, Villa Maria, Middenweg 104, Am-
sterdam. — (1924—25).
F. C. Mijnssen, Nat. Phil. Stud., Joh. Verhulststr. 48, Amster-
dam. — Hymenoptera, Lepidoptera en Odonata. (1923—24).
Prof. Dr. G. A. F. Molengraaff, Oranje Plantage 1, Delft.
87/7
A. Mos, Utrechtsche straat, Arnhem. — (1903—04).
*De Nederl. Heidemaatschappij, Arnhem. — (1903—04).
A. C. Nonnekens, Rustenburgerstraat 106, Amsterdam. —
Coleoptera. (1921—22).
LIJST DER LEDEN ENZ. CXIII
Prof. Dr. E. D. van Oort, Directeur v. ’s Rijks Museum v. Nat.
Historie, Wittesingel 10, Leiden. — Carabini. (1915—10).
Dr. A. C. Oudemans, Burgemeester, Weertsstraat 65, Arnhem.
— Acari, Pulicidae. (1878—79).
{*Dr. J. Th. Oudemans, Huize ,,Schovenhorst”, bij Putten,
(Veluwe). — Lepidoptera, Hymenoptera, Thysanura en Col-
lembola. (1880—81).
Dr. Th. C. Oudemans, Landbouwkundig ingenieur, Putten
(Veluwe). — Algemeene Entomologie. (1920—21).
G. Overdijkink, Soekaboemi, Java. — Lepidoptera. (1921—22).
A. A. van Pelt Lechner, Velperweg 79, Arnhem. — (1925—26).
Dr. M. Pinkhof, Plantage Muidergracht 27huis, Amsterdam. —
Algemeene Entomologie. (1913—14).
Plantenziektenkundige Dienst te Wageningen. — (1919—20).
R. A. Polak, Burmanstr. 12, Amsterdam. — (1898—99).
Dr. J. Prince, St. Annastraat 44, Nijmegen. — Lepidoptera.
(1904—05).
Dr. A. Reclaire, Alexanderlaan 17, Hilversum. — Coleoptera.
(1919—20).
Mej. A. J. Reïlingh, Biol. Docta., Goes. — (1925—26).
A. Reyne, Biol. Docts., Oude Kerkstraat 12, Utrecht. — Alge-
meene Entomologie. (1917—18).
’s Rijks Museum v. Natuurl. Historie te Leiden. — (1915—16).
C. Ritsema Cz., Oud-Conservator aan ’s Rijks Museum v. Na-
tuurlijke Historie, Grintweg 47, Wageningen. — Hymeno-
ptera anthophila en diploptera. (1867—68.)
Prof. Dr. J. Ritzema Bos, Wageningen. — Oeconomische En-
tomologie. (187 1—72).
*Prof. Dr. W. Roepke, Wageningen. — Algemeene Entomo-
logie. (1912—13).
Dr. G. Romijn, Inspecteur v. d. Volksgezondheid, Zepenlaan 36,
Bloemendaal. — Hydrobiologie. (1915—16).
A. van Roon Jr., Vasteland 17, Rotterdam. — (1924—25).
*G. van Roon, Bergweg 167, Rotterdam. — Coleoptera.
(1895—96).
P. Felix Rüschkamp, Hofgartenstr. 9, Bonn a. Rh. — Coleo-
ptera. (1919—20).
W. A. Schepman, Graafsche weg 82, Nijmegen. — Coleoptera.
(1919— 20).
CXIV LIJST DER LEDEN ENZ.
Dr. A. Schierbeek, Verhulststraat 14, ’s-Gravenhage. — Alge-
meene Entomologie. (1919—20).
T. Schoevers, Phytopatholoog, Villapark, Wageningen. —-
Oeconomische Entomologie. (1917—18).
L. H. Scholten, Herwen bij Lobith. — Lepidoptera. (1923-24).
Dr. J. H. Schuurmans Stekhoven, Mengelberglaan 67bis,
Utrecht. — Diptera parasitica. (1924—25).
*P. J. M. Schuyt, Burgemeester van Wamel en Leeuwen. —
Palaearct. macro- en microlepidoptera. (1890—01).
*C. A. L. Smits van Burgst, Beek bij Breda. — Hymenoptera,
vooral Ichneumonidae. (1906—07).
TJ. A. Snijder, Halstersche weg D. 14, Bergen-op-Zoom. —
Coleoptera. (1923—24). |
*M. Stakman, Frederik Hendrikstr. ro, Utrecht. — (1921—22).
Aug. Stärcke, Arts te Den Dolder (Utr.) — Algemeene ento-
mologie. (1925—26).
Prof. Dr. N. H. Swellengrebel, Zoöloog a/h. Kolon. Instituut,
Afd. Tropische hygiëne te Amsterdam, ‚„’t Holthuis”, Van
Vollenhovenlaan 16 A, Aerdenhout (bij Haarlem). — (1919
—20).
L. J. Toxopeus, Overtoom 4401, Amsterdam. — Indo-Austra-
lische Lycaeniden. (1909—20).
*P. Tutein Nolthenius, Ullerberg, Elspeet. — Lepidoptera.
(1920—21).
+*Mr. D. L. Uyttenboogaart, Parklaan 8, Rotterdam. — Coleo-
ptera (1894—95).
H. van der Vaart, J. v. Lennepkade 303, Amsterdam. — Coleo-
ptera en Lepidoptera. (1921—22).
*F. T. Valck Lucassen, Huize ,,Rijperduin”, Korte Parkweg 1,
Bloemendaal. — Coleoptera. (1910—11).
J. van der Vecht, Celsiusstraat 154, ’s-Gravenhage. — Hymeno-
ptera. (1926—27).
*L. A. W. C. Venmans, Poortstraat 10, Utrecht. — (1921—22).
Mr. J. A. Vermeer, Burgemeester van Putten (G.). — (1923—
1924).
Dr. H. Verploegh, Statenlaan ror, ’s-Gravenhage. — Lepido-
ptera. (1925—26).
Prof. Dr. J. Versluys, 2tes Zoologisches Institut der Univer-
sität, Wien I. — (1920—21).
LIJST DER LEDEN ENZ. CXV
A. Verstrijden, Onderluitenant Apothekers-Adsist., Toentang-
sche weg 319, Salatiga, Java. — Lepidoptera. (1921—22).
Mevrouw B. de Vos, geb. de Wilde, J. M. Coenenstraat 22,
Amsterdam. — Algemeene Entomologie. (1926—27).
*Mej. H. Vos, Biol. Cand., Nachtegaalstraat 5bis, Utrecht. —
(1926—27).
*H. A. de Vos tot Nederveen Cappel, Apeldoorn. — Lepido-
ptera. (1888—89).
J. J. de Vos tot Nederveen Cappel, Weltevreden, Java. —
(1902—03).
*Mr. L. H. D. de Vos tot Nederveen Cappel, Velp. — Coleo-
ptera. (1899— 1900).
W. H. Wachter, Vierambachtstraat 81a, Rotterdam. —
(1919—20).
Prof. Dr. Max C. W. Weber, Eerbeek. — Coleoptera. (1886—
1887).
+*P. van der Wiel, Corn. v. d. Lindenstraat 20, Amsterdam.
— Midden-Europeesche Coleoptera en Formicidae. (1916—
1917).
*J. C. Wijnbelt, Jac. van Campenstraat 16, Amsterdam. —
(1924—25).
T*C. J. M. Willemse, Arts, Eygelshoven (Z.-Limb.). — Ortho-
ptera. (1912—13).
Ir. P. H. van Wisselingh, ingenieur bij ’s Rijks Waterstaat,
Groenewoudsche weg 180, Nijmegen. — Lepidoptera.
(1924—25).
*J. H. E. Wittpen, Reguliersgracht 53, Amsterdam. — Lepido-
ptera. (1915—16).
Het Zoölogisch Laboratorium, Kaiserstraat te Leiden. —
(1924 —25).
Het Zoölogisch Museum en Laboratorium te Buitenzorg,
Java. — (1919—20).
CXVI LIJST DER LEDEN ENZ.
BESTUUR.
President: Dr. J. Th. Oudemans. (1922—1928).
Vice-President: Prof. Dr. J. C. H. de Meijere. (1924—1930).
Secretaris: J. B. Corporaal. (1926—1932).
Penningmeester: Mr. D. L. Uyttenboogaart. (1922—1928).
Bibliothecaris: Dr. D. Mac Gillavry. (1926—1932).
F. T. Valck Lucassen. (1926—1930).
COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT EN
DE ENTOMOLOGISCHE BERICHTEN.
Dr. J. Ih. Oudemans, (1922-1928).
Prof. Dr. J.C. EE de Meijere. (1924 1927).
Dr. A. C. Oudemans. (1924—1927).
D. VAN DER HOOP,
geboren 31 Mei 1864 — overleden 15 Juli 1925.
T. v. E. LXIX.
IN MEMORIAM
DAVID VAN DER HOOP
31 Mei 1864 — 15 Juli 1925
De Entomologie heeft ook hare bescheiden dienaren, die,
zonder aanspraak te maken op eene groote wetenschappe-
lijke reputatie, hunne krachten wijden aan het bijeenbrengen
van materiaal, dat zij dan gaarne ter beschikking hunner
meer wetenschappelijke collega’s stellen, of de noodzakelijke
bijwerkzaamheden verrichten, die nu eenmaal onafscheidelijk
aan het vereenigingsleven verbonden zijn. Tot dezulken
behoorde DAVID VAN DER Hoop. Als ijverig verzamelaar
maakte hij in zijn jongen tijd reizen naar oorden, waar toen
nog weinig toeristen kwamen, zooals bijv. naar Corsica, terwijl
hij steeds door ruiling en aankoop arbeidde aan het bijeen-
brengen van eene verzameling Coleoptera van Europa, die
zoodoende geworden is tot eene der rijkste, zoo niet de rijkste,
welke wij in Nederland hebben. Het uitgebreide materiaal
dezer collectie is aan Nederlandsche zoowel als aan buiten-
landsche entomologen herhaaldelijk van groot nut geweest
bij hunne studiën. Als lid onzer Nederlandsche Entomolo-
gische Vereeniging, en dat reeds sedert 1882, kennen wij
VAN DER Hoop het best als secretaris, later als penningmeester.
Vooral het secretariaat, dat hij van 1894 tot 1917 waarnam,
vergt eene massa arbeid en toch hoorde men onder zijn
beheer nimmer een klacht over achterstand niettegenstaande
VAN DER HOOP een drukken en verantwoordelijken particu-
lieren werkkring had. Toen de kwaal, die hem reeds op
betrekkelijk jeugdigen leeftijd had aangetast, zijne krachten
begon te sloopen, verwisselde hij het secretariaat voor de
I
II IN MEMORIAM.
wat kalmer, maar des te meer ergernis gevenden werkkring
van penningmeester. Waar hij als secretaris altijd zoo zorg-
vuldig vermeden had om anderen door uitstel of slordigheid
reden tot klachten te geven, werd hij nu met den ondank
beloond, dat vele leden hem reden tot beklag gaven door
deze slechte eigenschappen. Hoe levendig herinner ik mij
nog zijne verzuchtingen over het onbeantwoord blijven der
aanmaningen en over den last, dien de jaarlijksche over-
boekingen van oude schulden bezorgden! Het penningmees-
terschap bekleedde hij tot aan zijn overlijden; hij was toen
43 jaar lang lid der Nederlandsche Entomologische Vereeni-
ging, waarvan 31 jaar lang bestuurslid.
Als mensch was hij de fijne en stille opmerker met een
scherp onderscheidingsvermogen tusschen waarheid en aan-
stellerij. Zijne soms scherpe, maar altijd rake en korte
opmerkingen in het debat bezorgden ons menig genoegelijk
oogenblik. Trouw bezoeker der vergaderingen en deel uit-
makend van het vaste clubje, dat van de Zomervergaderingen
een genoegelijk vacantietje. met voorexcursies maakt, behoorde
hij tot den intiemen vriendenkring, die de kern der Neder-
landsche Entomologische Vereeniging uitmaakt.
Zijne nagedachtenis zal door zijne vele vrienden in dank-
bare herinnering worden gehouden.
Renkum, Januari 1926.
UYTTENBOOGAART.
Chorioptes caprae (Del. & Bourg. 1858),
door
Dr. A. C. OUDEMANS,
Arnhem.
(Met plaat 1—4).
Van Dr. C. BUBBERMAN, Hoofd van het Veeartsenijkundig
Laboratorium te Buitenzorg, ontving ik, in de laatste helft
van Januari 1925, twee fleschjes met eenige stukjes van
korsten van noir-museau-schurft, welke ziekte in hevige
mate te Koetaradja (Atjeh) aan Capra hircus heerschte. De
fleschjes waren Z.E. toegezonden door den Gouvernements-
veearts Dr. C. P. A. DIEBEN.
De korsten bevatten een enorm aantal individuen in alle
ontwikkelingstoestanden. Ik kon er uit afzonderen: ruim 200
eieren, 70 larven, 30 Nph. I masculinae, 20 Nph. I femininae,
25 Nph. III masculinae, 18 Nph. III femininae, 10 met Nph. I
femininae parende gg, 56 met Nph. III femininae parende
dd, 55 vrije dd en 180 PP. Hoevele duizenden en nog eens
duizenden schurftmijten zoude één zoo’n geit wel op haar
snoet hebben?!
Tot dusverre had ik geen studie van de C4ortoptes-soorten
gemaakt; maar dit zie ik wel, dat, aangenomen, dat de fraaie
teekeningen, die MEGNIN 1880 van eguz GERL. 1857 in zijn
mines Barasıtesetles Maladies parasitairesú
publiceerde, goed zijn, de Chortoptes caprae eene andere
soort is dan equi. De eenige afbeeldingen, die ik van caprae
ken, zijn die van DELAFOND & BOURGIGNON in de Mem.
Siav. Etrang. 1862, t.3,of. 13,114, voorstellende eend
en eene Nympha III. Hunne teekeningen zijn echter voor
de eischen van den tegenwoordigen tijd ten eenen male
onvoldoende.
2 DR. A. C, OUDEMANS,
Na een voorloopig onderzoek, ter determineering der soort,
berichtte ik Dr. BUBBERMAN den uitslag ervan, tevens aan-
biedende, van alle ontwikkelingstoestanden der parasiet be-
schrijving en teekeningen te leveren, hetgeen, bij schrijven,
dd. 16 Maart jl. hoffelijk aanvaard werd. Ik ga daartoe
thans over.
Inmiddels is mij in handen gekomen eene beschrijving
door STANLEY HIRST in Ann. Mag. Nat. Hist. s.0, v. 13,
p. 538, Mei 1924; (N.B. slechts 9 regels!) van eene vermeende
nieuwe soort: Chorzoptes texanus. HIRST vermeldt daarbij,
dat hij Chorzoptes van runderen, paarden, schapen, geiten
en huanaco’s onderzocht en ze alle als behoorende tot ééne
soort, hoogstens als physiologische variëteiten, beschouwen
moet. Het kan zijn, dat hij gelijk heeft. Voorloopig beschouw
ik de soort, die hieronder beschreven wordt, als de echte
caprae van DELAFOND en BOURGIGNON, en Zexanus als syno-
niem daarvan.
Ei. (Fig. 1—8). 128—147 u lang, 63—69 u breed. Ellip-
tisch. Men kan echter reeds aan het ei eene min of meer
platte ventrale zijde herkennen. Vijf stadiën. Eerste sta-
dium; het ei is geheel met eene ondoorschijnende dooier-
massa gevuld. Tweede stadium (fig. 1). De dooiermassa
heeft zich aan de capitale pool caudaad teruggetrokken, zoodat
aldaar eene doorschijnende eitwitmassa zichtbaar is, ongeveer
\lsevan de lengte. van het. ei D'erde stadiams(ste)
De dooiermassa is nog meer samengetrokken, neemt ongeveer
3/, van het ei in; aan de doorschijnende pool heeft zich,
ringvormig, eene glasheldere ruimte gevormd, die zich, ter
weerszijden van de naar de pool puntig toeloopende eiwit-
massa, als eene menisk vertoont. Het vliesje, dat het
glasheldere vocht van het niet volkomen glasheldere, maar
toch doorschijnende eiwit scheidt, is het apoderma. Vierde
stadium (fig. 3). De dooiermassa is tot op !}, van het
eivoluum teruggetrokken. De andere helft ís door doorschij-
nend eiwit + hetzelfde glasheldere vocht ingenomen. Boven-
dien hebben zich nu, aan de dorsale zijde en aan de door-
schijnende helft, ongeveer op */, van de capitale pool af,
twee orgaantjes gevormd. Aangezien de meeste eieren met
hunne platte ventrale zijde op het voorwerpglas liggen, geniet
CHORIOPTES CAPRAE (DEL. & BOURG. 1858). 3
men, met het prepareermikroskoop, en bij 20-malige ver-
grooting werkend, van het zonderlinge effect, alsof alle eieren
in dat stadium van twee pigmentoogjes voorzien zijn. Bij
sterkere vergrooting blijken die orgaantjes de Oertracheeén
te zijn, die hier den vorm hebben van een schelp van eene
Ancilla, of eene Patella. Deze verbinden het apoderma met
de schouders van de toekomstige larve. HENKING (in: Zeit-
schr. wiss. Zool. v. 37, 1882, p. 621) noemt zulk ‘een
orgaantje eene ,,Urtrachee” in de meening, dat de door de
eischaal gedrongen lucht door die ,,Urtrachee” het embryo
bereikt. Algemeen is die opvatting aangenomen. Tegen deze
hypothese meen ik echter de volgende bedenkingen naar
voren te moeten brengen:
I. De eischaal is veel dikker dan het apoderma. Is de
eischaal voor lucht permeabel, zooveel te meer zal dat het
geval wel zijn met het apoderma. De lucht behoeft dus niet
door een klein gaatje van het apoderma te dringen om het
embryo te bereiken.
2. De jonge huid van het embryo is nog dunner dan het
apoderma, zoodat de lucht over de geheele oppervlakte van
het embryo naar binnen dringen kan, en daarvoor geen
apart plekje aan de schouders noodig heeft.
3. Ware het embryo van tracheeën voorzien, die aan de
schouders te zamen kwamen, dan zoude die hypothese nog
eenigen grond hebben. Maar, dat is niet het geval. Zelfs niet
by de Zrombrdium-larven, die het voorwerp van HENKING’s
onderzoek uitmaakten.
Vijfde stadium. Vrij plotseling schijnt de overgang te
zijn van het 4° naar het 5° stadium. Ik vond tenminste, zelfs
bij meer dan 200 eieren, geen overgangsstadium. Het embryo
is gevormd; geen spoor van dooier is er meer te zien. Fig. 4
vertoont u het embryo dorsaal. Zichtbaar zijn: de twee
langste der rugharen, een groot gedeelte der 4 voorpooten,
het voorste gedeelte der mandibels, en zelfs een gedeelte
der mandibelscheeden, waarin de mandibels kunnen terugge-
trokken worden. Fig. 5. Hier is het embryo bij ventrale waar-
neming zichtbaar. Geheel vooraan ziet men de spitsen der
mandibelscharen: den ,,digitus fixus’, gevolgd door den
„digitus mobilis”. Daarachter de tweeledige palpen. Dan
4 DR. A. C. OUDEMANS,
volgen de 4 voorpooten; van pooten I zijn de distale 3 leden,
van pooten IV de distale 4 leden zichtbaar; van dit poot-
paar zou ook de trochanter gezien kunnen worden; ik kon
hem echter niet onderscheiden. Verder de klauwachtige
einden der tarsen, alsmede aan tarsi II de langgesteelde
zuignappen. Extern der tarsi II het haartje, dat op de coxae
I ingeplant is. Extern daarvan: de apodemata II. Meer naar
achteren ontwaart men de pooten III, waarvan ik alle 4 leden
onderscheiden kon, doch niet de apodemata. Op de coxae III
het coxaalhaartje. Aan het einde der tarsen de 2 lange tast-
haren en, daarnaast, het dorsale korte haartje. Geheel achter-
aan: het anaalveld met de anaalspleet en de twee lange
anaalharen. — Fig. 6. Is het ei een weinig om de lengteas
sedraaid. Van het embryo zijn zichtbaar: de beide mandibels,
de beide langste der rugharen, en, links, de twee ,lumina”
der femora I en II (men ziet hier dus door het cylindervormige
femur). — Fig. 7. Is het ei op zijn kant gezien; duidelijker
dan in fig. 6 is de platte ventrale zijde. Van het embryo
zijn zichtbaar: het linker mandibel, de linker palp : tweeledig,
al lijkt hij hier drieledig; dat schijnbaar 1° lid iseen gedeelte
van de maxillaarplaat, was voorheen wel een vrij palplid.
Links van den palp de toppen der maxillaar-malae. Verder
een rechterpoot I en de linker pooten I, II en III. — Fig. 8.
Vertoont u de leege eidop, over de volle lengte van de
rugzijde gespleten. Ik zag wel over de 50 van die doppen;
maar, bij geen van alle een spoor der oertracheeën !
Larve. Fig. 9. Dorsaal. Lengte natuurlijk verschillend
naarmate de larve pas uit het ei gekomen is, of reeds oud,
gereed om in eene Nympha I te veranderen. De afgebeelde
larve heeft eene lengte van 136 u en eene breedte van 95 u.
De gedaante is breed-ovaal met vier uithollingen boven de
trochanteres I en II en eene geheel achteraan. Schildje
trapezoidaal, langer dan breed, achteraan het breedst, met
weinig konvexen voorkant, sterk konvexen achterkant en
konkave zijdekanten; fijn poreus; lichtbruin. De overige huid
is fijn gerimpeld, aan de zijden meer overlangs, in het middel-
veld meer overdwars; de teekening geeft precies aan, hoe
de fijne rimpels loopen en hoeveel er zijn, aangezien zij door
middel van het teekentoestel vervaardigd is. Het schildje is
CHORIOPTES CAPRAE (DEL. & BOURG. 1858). 5
met zijn voorkant een weinig van den voorrand van het
idiosoma verwijderd. — Boven de trochanteres I het uiterst
kleine, stiftvormige pseudostigmataalhaartje. Achter het schild-
je de 2 lange scapulaarharen en daarbinnen de 2 kleine
fijne haartjes. Achter de pooten II de korte humeraalhaartjes.
Verder, op den rug, nog 4 paar korte haartjes. — Pooten I:
genua I en II en tibiae I en II met stijf tasthaar, welks
lengte + geijk is aan tibia + tarus. Tibia I en II intern
met haartje. Tarsi I met, op eene langsrij, 3 haartjes, waar-
van het voorste bijna overal even dik is. Tarsi II missen
dit (reuk ?)-haartje. Tibio-tarsus III met een stijf, dik, (reuk ?)-
haartje. De tarsi I en II eindigen ,,klauwachtig”; de punt
is iets naar buiten gericht. — Gnathosoma: de mandibels
bijna geheel zichtbaar, smal; de beide palpleden ieder met
een uiterst fijn haartje. — Ventraal. Fig. 10, meer ver-
groot. Apodemata I vrij, iets gebogen ; apodemata II iets korter
en smaller, iets gebogen; apodemata II kort, met buitentak,
aldus Y-vormig; apodemata IV reeds aangelegd, zeer kort. —
Coxae I ieder met een lang haar; dit korter dan een der
voorpooten. Vóór de groote trochanteres III een lang en een
kort haar; het korte haartje tusschen de beenen van het
Y-vormige apodema III, het lange langer dan pooten I en II,
slap, zweepvormig, meer naar buiten en naar achteren. Anus
klein, terminaal, geflankeerd door 2 slappe postanaalharen,
die langer zijn dan de breedte van het idiosoma. — Op de
maxillaarplaat de bekende 2 coxaalharen; 1°palplid met een
haartje; tweede palplid ruitvormig, met ventralen knobbel,
en daarop een kort staafvormig haartje (in vertikale projectie
als uiterst klein ringetje zichtbaar). Achter de twee distale
palpleden ziet men eene ovale, achterwaarts omgeklapte, door-
zichtige membraan, vermoedelijk de over elkander liggende
membraneuse maxillaarlobben. — Trochanteres alle zonder
haartje. Femora I met fijn haartje; femora II met sterker
haar, zoolang als de poot. Genua I en II extern met fijn
haartje. Tarsi I en II met 2 achter elkander staande fijne
haartjes en 2 zijdelingsche distale dito. Bovendien distaal
de bekende zuignap, wiens breede steel het dorsale klauw-
vormige einde bedekt, en die zelf min of meer afgerond
driehoekig is. Het laatste lid der pooten III lijkt mij een
6 DR. A. C. OUDEMANS,
tibio-tarsale toe; het draagt ventraal twee kleine haartjes
achter elkander en distaal de 2 lange tastharen. Aan de
linker zijde der figuur, dus aan den rechter poot, is goed
zichtbaar, dat het kortste dezer twee haren eenigszins dor-
saal ingeplant is. Aan fig. 9 kan men zien, dat het lange
haar tweemaal langer is dan het geheele lichaam, en het
korte 1!/, maal zoo lang.
Nympha I masculina. Verschillend van afmeting, naar ge-
lang van den leeftijd. Het afgebeelde exemplaar (fig. 13)
had 220 u lengte en eene grootste breedte van 153 u.
Breed-elliptisch met 4 uithollingen boven de trochanteres I
en II. Het schildje is merkbaar breeder dan bij de Larve;
in de voorste helft ervan ziet men de poriën in een over-
langsch middelveld grooter dan aan de zijden. Over het
algemeen vertoont de weeke huid dezelfde fijne rimpels als
bij de Larve. Behalve de haren, bij de Larve beschreven,
bevindt zich aan den achterrand nog een paar zeer fijne
kleine haartjes. De 4 lange haren zijn hier langer en forscher
dan bij de Larve. — Aan het gnathosoma treft men een
paar korte stijve borsteltjes achter de palpen aan, een bewijs,
dat dit gedeelte vroeger een vrij palplid was. Aan de tarsi
I en Il distaal een haartje meer dan bij de larve. Aan de
pooten III zijn de eindhaaren langer en forscher dan bij de
Larve, doch de verhouding van hunne lengte tot die van
het lichaam is dezelfde. — Ventraal. Fig. 15. Ik noem
alleen de verschillen met de Larven: poot IV is ontwikkeld,
bestaande uit 4 vrije leden, waarvan ik het laatste lid als
een tibio-tarsus beschouw, hoewel daarop slechts één haartje
zichtbaar is. De tarsus IV eindigt in een lang tasthaar, dat
41}, X langer is dan de zeer korte poot. — Van de apodemata
Ul is de buitentak om het korte haartje heen gebogen. De
bij de Larve reeds aangelegde apodemata IV zijn beter ont-
ontwikkeld en, evenals III, min of meer Y-vormig. — Ongeveer
in het midden van het dier zijn de 2 (inwendige) rudimen-
taire genitaal-zuignappen geteekend. Daarachter twee kleine
„genitaalhaartjes”. In het anaalveld twee borsteltjes, geheel
vóóraan. Anus niet terminaal. Dicht bij de bases der 2 lange
postanaalharen 4 zeer korte borsteltjes. — Aan het gnatho-
soma, waarvan Fig. 16 eene meer vergroote afbeelding is,
CHORIOPTES CAPRAE (DEL. & BOURG. 1858). 7
zijn dezelfde deelen als bij de Larve zichtbaar; hier is echter
de doorzichtige membraan naar voren gericht en bedekt de
palpen grootendeels. Aan den voorkant mediaan is de kloof
tusschen de beide lobben zichtbaar. Fig. 14 vertoont U de
helft van de maxillae, opzettelijk platgedrukt en met immersie-
systeem bezien. Midden in de kloof steekt een tongvormig
lapje naar voren; van het bestaan daarvan ben ik echter
niet zeker; het is n.l. mogelijk, dat dit orgaantje eene dieper
(dorsaler) liggende ligula of hypopharynx is. De palpknobbel
is absoluut doorschijnend, vandaar dat ik van de juiste plaat-
sing der daarop geteekende, korte, dikke haartjes, dorsaal,
of ventraal, niet zeker ben. — Van de pooten valt niets
nieuws te vermelden.
Nympha I feminina. Fig. 17. Vergelijkt men deze met de
Nympha I masculira, dan ziet men terstond, dat men met
een ander wezen te doen heeft. Het eerste, wat opvalt, zijn
de twee dorsale achterrandknobbels, die, bij de paring, door
de anaalzuignappen der d$ gegrepen worden. Verder is de
vorm van het idiosoma een andere, en zijn de pooten III in
hunne volle lengte zichtbaar. — Het afgebeelde exemplaar
mat; 163-p. in de lengte en 132 in de grootste breedte.
Langer ovaal dan de tot dusver beschrevene vormen. — De
humeraalharen zijn hier kleiner; zij zien er uit als de andere
kleine rugharen. De twee parings-knobbels zijn ongekleurd,
doorschijnend. — Ventraal. Fig. 18. Dit individu is bree-
der dan het voorgaande, waaruit men zien kan, dat ook de
vorm niet altijd precies dezelfde is. Het is bij dezelfde ver-
grooting geteekend. — Het mat 166 u in de lengte en 125 u
in de grootste breedte Den vorm zoude men afgerond
achthoekig kunnen noemen. De verschillen met de Nympha I
masculina zijn de volgende. De apodemata III omsluiten hier
het kleine haartje. De apodemata IV zijn niet Y-, maar staaf-
vormig. De (inwendige) rudimentaire genitaalzuignappen (zeer
moeilijk zichtbaar, omdat de inhoud dezer Acarz schijnbaar
uit fijne korreltjes bestaat) staan dichter bij elkander en zijn
meer achterwaarts geplaatst, tusschen de proximale einden
der apodemata IV. Achter hen de twee genitaalhaartjes. De
lange postanaalharen zijn zuiver marginaal en hunne bases
worden slechts door 2 (niet door 4) kleine haartjes begeleid.
8 DR. A, C. OUDEMANS,
Achter den achterrand ontwaart men de toppen der parings-
knobbels. De beide lange haren buiten de coxae III zijn
zuiver marginaad verplaatst.
Nympha III masculina. Fig. 19. Het afgebeelde exemplaar
mat 227 u in de lengte en 150 u in de breedte. Fraai ovaal,
met breeden ,,top” naar achteren, alwaar een heuveltje ver-
raadt, dat de ventrale anaalspleet terminaal is. Vergelijken
wij nu deze afbeelding met fig. 13, de Nympha I masculina
voorstellend, dan vallen de volgende bijzonderheden op Het
schildje is betrekkelijk smaller; de poriën in de middelbaan
staan scheef, en geven dus een beeld van streepjes. De
rughaartjes zijn over het algemeen langer. Aan den achterrand
zijn, submarginal, 4 (in plaats van 2) haartjes aanwezig. De
pooten II zijn in hun volle lengte zichtbaar. — Aan het
gnathosoma waren de mandibelscheeden zeer goed zichtbaar ;
maar dat is toeval; dat ís dus geen kenmerk van dezen
ontwikkelingstoestand. Aan de pooten I en II zien wij de
femora beter gechitiniseerd en van poriën voorzien, zooals
de adulti hebben. — Ventraal. (Fig. 20). Vergelijken wij
deze figuur met die van de Nympha I masculina, fig. 15,
dan treft ons het volgende. In plaats van 2, zijn er 4 (inwen-
dige) rudimentaire zuignapjes, begeleid door 4 genitaalhaartjes.
De pooten IV zijn langer, slanker, doch nog onvolkomen:
zij bestaan uit slechts 4 vrije leden. De twee lange postanaal-
haren zijn marginaal geworden, en hunne begeleidende 4
haartjes zijn eveneens meer naar achteren verplaatst, met
het gevolg, dat een van hen marginaal geworden is en één
zelfs dorsaal! Vergelijk de beide figuren 20 en 15 nauw-
keurig en zie dan ook fig. 19. — En dan iser nog iets, dat
de Nympha III onderscheidt van de Nympha I: de trochan-
teres I, II, III dragen ieder een haartje.
Nympha III feminina. Fig. 21. Het afgebeelde individu mat
217 x in de lengte en 160 u in de grootste breedte. Breed-
elliptisch. Onmiddellijk in het oog vallend zijn de twee
licht- tot donkerbruin gekleurde parings-knobbels (copulatie-
knobbels). Schildje opvallend breed; aan zijn achterrand is
eene smalle strook niet gestippeld (zonder poriën), behalve
in het midden daarvan. Evenals bij de Nph. III masculina,
zijn ook hier, dicht bij de copulatieknobbels, 2 paar haartjes
CHORIOPTES CAPRAE (DEL. & BOURG. 1858). 9
aanwezig. De knobbels zijn, in tegenstelling met die der
Nympha I, licht- tot donkerbruin gekleurd. — Ventraal.
Fig. 22. Vergelijken wij deze afbeelding met fig. 18, die
de Nympha I ventraal voorstelt, dan zien wij de volgende
verschillen: Trochanteres I, II, III dragen ieder een haartje.
Er zijn 4 (in plaats van 2) (inwendige) rudimentaire genitaal-
zuignappen; deze zijn meer naar voren geplaatst, vóór de
lijn, die de apodemata III verbindt, terwijl de 2 bij de Nph. I
tusschen de apodemata IV staan. De lange postanaalharen
worden begeleid door 4, in plaats van doar 2 borsteltjes;
van deze 4 is één echter dorsaal geworden (zie fig. 21).
Aan den achterrand, tusschen de twee copulatieknobbels,
bevindt zich de uiterst kleine copulatieopening (bursa copu-
latrix), die toegang geeft tot het copulatiebuisje (canalis
copulator), in de teekening gestippeld. Het receptaculum
seminis heb ik niet kunnen onderscheiden. — Vergelijken
wij nu onze figuur 22 met fig. 20, die eene Nympha III
masculinina vootstelt, dan zien wij, afgezien van de beide
typisch-vrouwelijke copulatieknobbels, tòch nog verschillen:
De 4 (inwendige) rudimentaire genitaalzuignappen worden
bij de manlijke nymph door 4, bij de vrouwelijk door slechts
2 haartjes begeleid. En de pooten IV zijn bij de manlijke
nymph reeds beter ontwikkeld.
Femina. Fig. 23. Het afgebeelde individu mat 362 u in de
lengte en 230 u in de grootste breedte. Fraai eivormig met
den breeden ,, top” naar achteren gekeerd. Onmiddellijk is
deze adulte vorm van alle jeugdvormen te onderscheiden
door de donkerder kleuren van pooten en schildje en door
het lange 4° pootpaar. — Het schildje ís, niet alleen in de
werkelijkheid, maar ook betrekkelijk, langer dan in de jeugd-
vormen; de setae scapulares eveneens. Achter de pooten I
en achter-intern van pooten II ziet men inwendige chitineuse
gedeelten der coxae doorschemeren. De pooten IV zijn nor-
maal, 5-ledig geworden; aan hun tibia IV ziet men, distaal,
een haartje; tarsus IV met 1 proximaal en I distaal haartje;
beide naar binnen gericht. Het bij de jeugdvormen aanwezige
sterke en lange tasthaar aan den tibio-tarsus is door eene
langgesteelde zuignap vervangen. De lange eindharen aan
pooten III zijn, betrekkelijk, korter dan bij de jeugdvormen.
IO DR XA. Ci OUDEMANS,
Fig. II en 12 vertoonen ons de los-geprepareerde man-
dibels. Fig. 11 is het rechter mandibel van binnen, van de
linkerzijde dus, gezien. Men draaie de figuur z66, dat de
schaar links ligt. Het bovenbeen van de schaar, de digitus
fixus (eene tibia) vertoont, aan de zijde van den beschouwer,
5 halfcirkelvormige, kristalheldere lapjes en is voorzien van
4 krachtige, driehoekige, scherppuntige tanden, die niet
in ééne rij staan. Het onderbeen van de schaar (een tarsus)
heeft slechts 2 even krachtige voortanden (incisivi). Men kan
zich voorstellen, hoe deze 6 in elkander grijpende tanden
de epidermis, en misschien soms ook de bovenste laag van
het corium, bijten kunnen. Fig. 12 vertoont u het linker
mandibel van de buitenzijde beschouwd. Vóór het bovenbeen
van de schaar is een gedeelte van de voorste halfcirkelvormige
membraan te zien. Verder merkt men op, dat de achterhelft
van het onderbeen, den digitis mobilis, in beide figuren ge-
stippeld geteekend is; dat wil zeggen achter iets anders ligt;
m. a. w. de achterhelft ligt in eene ventrale sleuf van den
onbewegelijken vinger ingeklemd. Het kleine, ronde, donkere
vlekje in fig, 11 is het draaipunt van den bewegelijken
vinger. Aan den stompen hoek van dezen vinger, achter het
draaipunt is de pees bevestigd van het spiertje, dat de schaar
opent; aan den bovenhoek van den vinger, boven het draai-
punt, is de pees bevestigd van het spiertje, dat de schaar
sluit. — Ventraal. Fig. 24. Wat terstond opvalt, zijn de
ietwat lichtbruin gekleurde gedeelten, ,,schildjes”, aan de
achterhelft van het gnathosoma, aan de buitenzijde der
apodemata I en II en aan de binnenzijde der apodemata III en
IV, alsmede 2 kleine driehoekige aan het einde der apodemata
II (zie ook bij fig. 25). Verder vier chitinestaven: twee ter
weerszijden der vulva. — Fig. 25 geeft de vulva in normalen
toestand, in rust, te zien, met de opening caudaad gericht.
De huid rondom de vulva is straalsgewijs gestreept, gerim-
peld; deze plooiing geeft der vulva gelegenheid, zich, bij
het doorlaten van een ei, enorm uit te zetten. Vóór de vulva
is een halfcirkelvormig gedeelte duidelijk van de overige
weeke huid afgebakend. De caudaad gerichte opening duidt
aan, dat het eerste gedeelte der vagina naar voren, capitaad,
gericht is, dat dus de vagina inwendig eene knik heeft. Door
CHORIOPTES CAPRAE (DEL. & BOURG. 1858). II
de inwerking van het acidum lacticum heeft de vagina van
het individu, dat in fig. 24 afgebeeld is, zich gestrekt,
de richting der vulva-opening gewijzigd, capitaad verzet,
en zelfs zich zelf een weinig naar buiten omgestulpt, waarbij
zichtbaar is, dat ook de vaginawand geplooid is, wat zeer
natuurlijk is. Immers, ook zij moet, bij het passeeren van
een ei, zich sterk uitzetten. — Verder vinden wij nog achter
de vulva, in een halven cirkel staande, 6 genitaalhaartjes.
De aarsspleet geflankeerd door 2 paar haartjes, en terminaal.
De lange achterrandharen ieder geflankeerd door 2 haartjes.
Mas. Fig. 26. Het afgebeelde individu mat in de mediane
lijn, zonder de achterrandlappen, 240 u in de lengte en
193 u in de grootste breedte. Zonder de achterrandlappen
is de gedaante min of meer 8-kantig. Schildje lang, min of
meer 5-kantig, met eene zeer stompe punt naar achteren;
achteraan zijn dus 3 punten; deze zijn min of meer tepel-
vormig; het schildje heeft niet alleen in de middelbaan,
maar ook in den achterdriehoek, groote poriën. Er is ook
een schild op de achterste helft van het idiosoma, dus een
scutellum notogastricum. Dit is, afgezien van de achter-
randlappen, min of meer vierkantig. Voorkant een weinig
konkaaf; voorhoeken afgesneden; zijdekanten iets achter het
midden ingesnoerd. Het notogastricum zet zich ook op de
achterrandlappen voort, doch is daar glad, niet poreus. De
poriën zijn naar de randen toe fijner. — Haren. Vlak vóór
den konkaven voorrand van het notogastricum een paar haar-
tjes. In de voorste helft van dit schild een paar haartjes, die
verder van elkander staan dan het zooeven gemelde paar.
Precies in de achterhoeken van het schild een haartje. Soms
valt dat er zelfs buiten: zie links. Aan de binnenzijde der
beide achterrandlappen een haartje. In de weeke huid vlak
bij den trochanter III een steviger haar. Aan den achterrand
der lappen drie lange haren. Deze verdienen eene speciale
vermelding. Zie nu fig. 27, die den linker achterrandlap bij
dorsale beschouwing voorstelt. Van links naar rechts zal ik
ze namen geven, omdat ik er later op terugkom. Aan den
buitenrand, eigenlijk een weinig ventraal (zie fig. 28), bevindt
zich een korte borstel, welke ik A noem, en die in fig. 28
in haar geheel geteekend en in de distale helft omgebogen
12 7 DR. ‘A. :G. OUDEMANS,
is. Daarop volgt een lange, zware borstel B, die voor ?/,
cylindrisch is, en in het distale */. gedeelte lang-lancetvormig
en membraneus is, en, omdat het met zijn vlak loodrecht
staat, meestal niet als lancetvormig herkend wordt. Dan volgt
een lange gewone borstel C. En daarop weer een borstel
D, die denzelfden vorm heeft als B. Aan den rechter achter-
randlap staan dezelfde borstels natuurlijk in tegengestelde
volgorde. Reeds MÉGNIN 1880 wees erop, dat de borstels C
en D in hun basis vereenigd zijn, uit één en hetzelfde haar-
zakje hunnen oorsprong hebben, kortom een dubbelhaar
vormen. — Gaan wij voort met de beschouwing van het d bij
dorsale beschouwing. Pooten I en II vertoonen niets bijzon-
ders. Poot III daarentegen, die bij alle andere vormen kort
en 4-ledig is, en in 2 haren eindigt, is bij het d lang, zelfs
het langst, 5-ledig, eindigt 3-klauwig (niet: heeft 3 klauwen,
zooals bij andere Acari het geval kan zijn!) en draagt aan
het einde, ventraal, een gesteelden zuignap! In fig. 26 is één
klauwvormig eind en in fig. 28 zijn de andere 2 klauwvormige
einden te zien. Tibia III draagt distaal een naar buiten om-
gebogen korten borstel, en tarsus IIT in zijn midden een zeer
langen borstel, langer dan 2'/, X de mediane lijn van het
idiosoma, langer zelfs dan de afstand van den zuignap aan
poot I tot aan den zuignap van poot III! Natuurlijk is dat
lange haar wel te identificeeren met een der twee lange
haren aan het einde van poot III der andere vormen. Poot
IV, die. bij het £ het langst van alle is, is bij het g, evenals
bij alle andere vormen, het kortst, en is, bij dorsale be-
schouwing, nog even voorbii den achterrand zichtbaar; men
ziet slechts het tipje van den tibio-tarsus. Dat tipje draagt
een kort, staafvormig borsteltje. Ventraal. Fig. 28. Het
treft ons, dat de bruine schildjes aan de buitenzijde der
apodemata I en II ontbreken (zie bij het 2, fig. 24). De apo-
demata III staan, door de groote ontwikkeling der pooten III,
bijna horizontaal. De S-vormig gebogen apodemata IV daaren-
tegen staan bijna vertikaal. Hun proximaal einde vereenigt
zich met het proximale gedeelte der apodemata III. Achter de
horizontale apodemata III en ter weerszijden van het distale
einde der apodemata IV, ziet men een poreus schildje. — Vlak
achter het gnathosoma (,,kopje”) ziet men een overlangs
CHORIOPTES CAPRAE (DEL. & BOURG, 1858). 13
gestreept menisk-vormig gedeelte der huid; dat gedeelte is
zeer week, evenals onze keelhuid; het geeft het gnathosoma
gelegenheid, zich ventraad te buigen, zooals wij met ons
hoofd knikken. — Tusschen de apodemata IV zien wij de
genitaalstreek, evenals bij het ®, voorzien van 6 borstels:
want, het paar borstels aan de binnenzijde van trochanter
IV is geen coxaalhaar! — Fig. 30 vertoont ons, meer ver-
groot, de genitaalstreek met slechts één borstelpaar. Inwen-
dige deeien zijn hier gestippeld. Wij merken op: evenals bij
het 9, zie fig. 25, vóór de genitaalopening, een halfcirkel-
vormig gedeelte der huid, duidelijk van de overige weeke
huid begrensd. De naar voren (capitaad) gerichte genitaal-
opening. Daar achter het stijve borstelpaar. Uit de genitaal-
opening steekt ongeveer de helft van den min of meer 5-
hoekigen penis, waarvan de punt buitengewoon scherp en
spits is. Zoomede, ongeveer !/, van twee chitinestaven, die
tezamen het penisrek genoemd worden, waaraan de spiertjes,
die den penis bewegen, bevestigd zijn. Die spiertjes moeten
namelijk, bij de paring, den penis om eene horizontale as
doen draaien, zoodat de spits caudaad gericht is, en hem dan
extrudeeren. Inwendig zien wij nog 4 kolfvormige lichaampjes,
algemeen bekend onder den foutieven naam van genitaal-
zuignappen; die, merkwaardig genoeg, bij het & wel klein
zijn, maar nog niet bepaald rudimentair genoemd kunnen
worden. — Meer naar achteren vinden wij de niet-terminale
anaalspleet en, daarnaast, de anaalzuignappen; vóór ieder
van welke een borsteltje. Bij vertikale projectie gelijkt zoo’n
zuignap op een schijfje met concentrische cirkels, òf met
een centraal radvormig figuurtje, zooals bij ons d het geval
is. By de Chortoptes-soorten, kortom bij alle Psoroptidae en
bij alle Anacrotriche vogelmijten, waarvan de Nymphae III
zulke copulatie-knobbels dragen, daar zijn de copulatie-zuig-
nappen werkelijk nappen, kommetjes of bekers (fig. 31 en 32),
die de opdracht hebben, de copulatieknobbels, bij de paring,
in zich op te nemen. Zij kunnen door spiertjes om eene
horizontale as caudaad omgetuimeld worden, zooals bij onze
figuur 28 het geval is. Fig. 31 vertoont u haar half-omgedraaid ;
fig. 32 geheel. Hierbij zien wij nog meer bijzonderheden. De
membraneuse rand kan door lympha opgeblazen worden,
14 DR. A. C. OUDEMANS,
zoodat hij dan om de basis van den copulatieknobbel als een
gummiring knijpt, en de knobbel alsdan aan zijne basis eene
constrictie krijgt. Zoowel de copulatieknobbel der Nympha,
als de inhoud (het lumen) van de zuignap, hebben dan den
vorm van een knop van een wandelstok, of van een deur-
knop; wat aan onze figuur 32 duidelijk te zien is. Men
begrijpt, hoe intens daardoor de verbinding tusschen de
copuleerende partners is! — Het gnathosoma heb ík in fig. 29,
meer vergroot, voorgesteld. Hier ziet men weer, evenals in
figg. IO, 18, 20, 22 en 28, het caudaad omgeslagen mem-
braneuse, ovale lapje, dat vermoedelijk door de twee over
elkander geslagen membraneuse malae der maxillen bestaat,
en dat alleen te zien is, als de palpen sterk naar elkander
toe gebogen zijn — niet als de palpen van elkander wijken ;
zie de fignren 14, 15, 16, 24. — Poot III met lang, slap,
haartje op den trochanter, flinken stijven borstel op de tibia
en twee borsteltjes op den tarsus. Reeds vermeldde ik, dat
deze tarsus trifid eindigt en elke tand ervan klauwvormig
is. Nog kan de aandacht gevestigd worden op het feit, dat
een dezer klauwen”, zie fig. 28 links (dat is dus de rechter
poot) zelf weer bifid is, en dat de tarsus zelf in het vertikale
vlak eenigszins gezwollen is, wat rechts duidelijk is, en ventraal
een langgesteelde zuignap draagt. Ik vermoed, dat deze sterk
ontwikkelde pooten III met hunne tarsale bewapening de
Nympha met kracht naar zich toe halen. Hebben de anaal-
zuignappen eenmaal de copulatieknobbels gegrepen, dan is
de functie der pooten III afgeloopen en liggen zij weer los
naast de Nympha. Ook pooten IV verdienen eene bijzondere
vermelding. Men ziet, zij zijn zeer kort, maar toch massief
gebouwd, 4-ledig, en het laatste lid, de tibio-tarsus, draagt
niet, zooals bij de Nymphen, een lang eind-tasthaar, maar
eene, zij het dan ook kleine, gesteelde zuignap.
Eerste opmerking. Wij zagen bij deze beschrijving van de
verschillende ontwikkelingstoestanden — en ik geloof, dat
nog nooit zulk eene volledige uiteenzetting gegeven is —
dat er twee reeksen optreden, en wel: Larva, Nympha I
feminina, Nympha III feminina, Femina, en, daarnaast: Larva,
Nympha I masculina, Nympha HI masculina, Mas. — Dan
moeten er ook twee vormen van Larven zijn: femininae
CHORIOPTES CAPRAE (DEL. & BOURG. 1858). 15
en masculinae. Maar het is mij niet gelukt die te onder-
scheiden.
Tweede opmerking. Het & paart, normaal, met de Nympha
IIl feminina. die van een receptaculum seminis, van eene
bursa copulatrix en van eenen canalis copulator voorzien is.
Nu spreekt het van zelf, dat genoemde lichaamsdeelen reeds
bij de Nympha I feminina aanwezig zijn, al heb ik die niet
kunnen onderscheiden. In de inleiding deelde ik reeds mede,
hoevele paartjes ik vond van een d met eene Nympha I.
Die paring is mogelijk; want, ook de Nymphae I femininae
zijn van copulatie-knobbels voorzien. Wanneer er nu wel eene
copulatie-opening reeds aanwezig is, dan kan het G daardoor
zijnen penis in den canalis copulator brengen. Wanneer er,
daarentegen, geene copulatie-opening aanwezig is, dan moet
het g met zijnen scherpen penis de huid der Nympha door-
Bozen“ FROVESSART (ins Compt. rend. Séa.Soc. Biol,
v. 56, p. 367) is zelfs van meening, dat de doorboring óók
bij de Nymphae III plaats heeft, omdat hij geene copulatie-
opening vond. — De paring duurt lang, dagen lang, zoodat
de parende Nympha gedurende de paring vervelt. Ik vond
dan ook in eene parende Nympha dikwijls een 2; ook vond
ik gg, waaraan nog het velletje van de vervelde Nympha III
hing. — Ik vond ook ééne Nympha III masculina, bezig te
vervellen in een g, wat dus normaal is. Ik vond geen enkel
d, parende met eene Nympha III masculina, nòch met eene
Nympha I masculina. Die paring zou ook moeilijk plaats
kunnen hebben, aangezien de Nymphae masculinae geene
copulatie-knobbels rijk zijn. Wij zijn wel verplicht, aan te
nemen, dat alle Nymphae masculinae in gg veranderen,
en alle Nymphae femininae in 99. — Menigeen zal deze
redeneering overbodig vinden; dat is zij toch niet, daar
HROUESSARIM In a Compt rend. Sea. Soc. Biol, v.?,
Sea. du 6 avril 1895) mededeelt, dat bij Ofodectes furonis
RAILL. 1893, het g met Larvae masculinae paart, waaruit
direct, gedurende de paring, gg te voorschijn komen, en
met Larvae femininae, waaruit, gedurende de paring, vol-
wassen 99 kruipen. Nu is het onverklaarbaar, dat eene Larve,
om in een d te vervellen, bevrucht moet worden. De be-
roemde Fransche natuuronderzoeker meent, dat in dit geval,
2
16 DR. A. C. OUDEMANS,
ook geen bevruchting plaats heeft, en dat de paring, het
inbrengen van een of ander vocht, alléén noodig is, om de
ontwikkeling van Larva in Adult zoo snel mogelijk te doen
plaats hebben, m.a.w. om de progenese te bevorderen.
Vergelijking van caprae met equi. Gaan wij nu over tot de
vergelijking der twee vormen, die men soorten” zoude
kunnen noemen, van eguz (spathiferus van MEGNIN) en caprae.
Aangezien beschrijvingen der vroegere ontwikkelingstoestan-
den niet bestaan, en van de Nympha II feminina van equi
slechts eene treurig-slechte figuur gegeven is, zoo beperk
ik mij, noodgedrongen, tot de Adulti. Vergelijkt men fig. 23
met die, welke door MÉGNIN in zijn Les Parasites et
les Maladies parasitaires, t. 18, f. 7 van de rugzijde
van het ® van eguz gegeven is, dan vallen de volgende
bijzonderheden op. Het schildje van eguz is aan den achter-
kant flauw konvex; bij caprae bijna driehoekig-konvex. De
setae scapulares staan bij gui achter de twee korte scapulaar-
haartjes, zoodat de lange daardoor betrekkelijk weer het
centrum van het lichaam naderen. Het daarop volgende kleine
borstelpaar staat bij eguz voorbij het midden van het idiosoma;
bij caprae daarvóór. De scherpe mandibelspitsen steken bij
equi voorbij de palpen; de stompe dito bij caprae bereiken
het laatste palplid ; het „kopje schijnt daardoor gewoon, rond.
Vergelijken wij nu eens fig. 24, met fig. 6 van MÉGNIN,
die de buikzijde van het 9 van eguz voorstelt, dan vallen
de volgende verschillen in het oog, aangenomen, dat zijne
afbeeldingen correct zijn. Zgu? heeft achter de apodema-
einden I, dus vóór de vulva, een paar haartjes; caprae niet.
Equi heeft achter de pooten II, ter zijde der apodemata Il een
paar haartjes; caprae niet. De twee chitinestaafjes achter de
vulva zijn bij eguz te zamen omgekeerd liervormig; bij caprae
recht, divergeerend. Bij eguz dragen de twee chitinestaafjes
terzijde van de vulva, aan hun achtereinde, geen haartje;
bij caprae wel. Bij eguz vindt men aan de buitenzijde van
de achtereinden der twee chitinestaafjes achter de vulva,
3 haartjes; bij caprae 1. De coxae IV van equi dragen een
haartje; die van caprae niet. Bij eguz ziet men ongeveer ter
hoogte van het vooreinde van de anaalspleet eene rij van
4 haartjes ver van elkander; bij caprae twee haartjes, vlak
CHORIOPTES CAPRAE (DEL. & BOURG. 1858). 17
bij genoemd einde. De twee lange achterrandharen zijn bij
equi kort, iets langer dan tarsus IV; bij caprae lang, zoo
lang als het idiosoma. Het is echter waarschijnlijk, dat zij
bij equi zoo kort geteekend zijn uit gebrek aan plaats op
de Plaat.
Bij vergelijking van onze figuur 26 met die, welke MÉGNIN
van de rugzijde van het G van eguz geeft (zijne fig. 2), valt
het volgende op te merken. Het voorschildje of scutum
notocephalicum is bij egue achteraan een weinig konvex;
bij caprae driehoekig, met min of meer tepelvormige mediaan-
punt; het reikt bij eguz ook verder naar achteren. Het gevolg
daarvan is, dat bij equi de beide lange setae scapulares
dichter bij het centrum van het idiosoma komen, dan bij
caprae het geval is. Toch is de schijnbare afstand tusschen
notocephalicum en notogastricum bij beide vormen dezelfde.
Dat komt, omdat eguz een klein, caprae een groot notogas-
tricum draagt. Dat schild is bij eguz bovendien trapezoidaal,
met weinig konvexe kanten, vóór veel smaller dan achter;
terwijl het bij caprae bijna vierkant is, met konkave kanten
en in alle geval vóór breeder is dan achter. Bij eguz is de
vorm van het idiosoma tusschen de flanken en het achter-
aanhangsel fraai rond; bij caprae sinueus, magerder. De
ruimte tusschen de achterrandlappen is bij eguz ogivaal; bij
caprae huisjesachtig: twee zijden evenwijdig en daarop twee
naar elkander hellend, dakachtig. De buitenhoek van zoo’n
lapje met het idiosoma is bij eguz diep, scherphoekig; bij
caprae afgerond, oppervlakkig. Het haar, dat ik A genoemd
heb, zie fig. 27, is bij eguz langer dan B, Cen D; bij caprae
veel korter en omgebogen. De lancetharen B en D zijn bij
equi breeder en ééne zijde ervan S-vormig gebogen; bij caprae
smal, beide zijden zijn min of meer convex. — Bij eguz is
de zuignap aan tars IV even groot als die van tars III, wat
wel eene vergissing is; ook is de zuignap aan tars III Psoroptes-
achtig! (geleed), wat beslist een fout is.
Ook de buikzijde van het ¢ van caprae, fig. 28, vertoont
verschillen met die van equi (MEGNIN’s fig. 1). Het genitaal-
veld ligt bij eguz met zijn voorrand vóór de lijn, die apodemata
III verbindt; bij caprae er achter. Het anaalveld ligt bij equi
bijna geheel achter de anaalzuignappen, en de anus is termi-
18 DR. A. C. OUDEMANS, CHORIOPTES CAPRAE ENZ.
naal; bij caprae zijn alle drie op dezelfde hoogte, en de anus
is niet terminaal. — De pooten IV zijn bij eguz slank; bij
caprae massief.
Summa summarum meen ik, dat wij caprae als eene afzon-
derlijke soort beschouwen moeten.
Aan Dr. BUBBERMAN, die mij in de gelegenheid stelde,
deze studie te ondernemen, en die ik, naar ik hoop, tot een
goed einde gebracht heb, mijn warmen dank.
NASCHRIFT.
Met „paring (p. 1, 7, &c.) bedoel ik de vereeniging der
twee partners zonder dat coitus plaats heeft. Voor
penis” (p. 13) leze men: „draaibaar gedeelte van het penis-
rek”; want hieruit komt de eigenlijke penis, een uiterst dun
buisje, te voorschijn. Hij is door FüRSTENBERG 1861 afge-
beeld in- zijne fig. 111 (tab. 11), fig 124 (tab..13) enten
(tab. 14). Bij geen der 66 parende gd was deze penis ge-
extrudeerd. De coitus schijnt eerst plaats te hebben, wanneer
het 2 volledig in de Nympha III-huid gevormd is.
VERKLARING DER FIGUREN.
Plaat 1. Fig. 1-—7. Ontwikkelingstoestanden in het ei X 235.
— Fig. 8. Ledige eidop X 235. — Fig. 9. Larva dorsaal
X 235. — Fig. 10. Larva ventraal X 300. — Fig. 11. 9
rechter mandibel intern X 450. — Fig. 12. Q linker man-
dibel extern X 450. — Fig. 13. Nympha I masculina dorsaal
X 235. — Fig. 14. 2 gnathosoma linker helft ventraal X
450, opzettelijk platgedrukt. — Fig. 15. Nympha I masculina
ventraal X 235. — Fig. 16. 2 gnathosoma ventraal X 450,
zeer weinig gedrukt.
Plaat 2. Fig. 17. Nympha I feminina dorsaal X 235. —
Fig. 18. Nympha I feminina ventraal X 235. — Fig. 19.
Nympha II masculina dorsaal X 235. — Fig. 20. Nympha
III masculina ventraal X 235.
Plaat 3. Fig. 21. Nympha III feminina dorsaal X 235. —
Fig. 22. Nympha III feminina ventraal X 235. — Fig. 23.
? dorsaal X 160. — Fig. 24. 2 ventraal X 160. — Fig. 25.
9 genitaalstreek, meer normaal.
Plaat 4. Fig. 26. d dorsaal X 160. — Fig. 27. Linker
achterrandlob dorsaal X 450. — Fig. 28. g ventraal X 160.
— Fig. 29. d gnathosoma ventraal X 450. — Fig. 30.
Genitaalstreek ventraal X 450. — Fig. 31. De copulatie-
zuignappen, een weinig caudaad gedraaid X 300. — Fig. 32.
Dezelfde, geheel geétrudeerd en geheel caudaad gericht X 300.
Neue, altweltliche Bockkäfer
von
Dr. K. M. HELLER (Dresden).
(Mit Tafel 5).
Vorliegender Beitrag stützt sich auf, mir von den ver-
schiedensten Seiten zugeschicktes Material. So erhielt ich
von dem Forest Research Institut in Dehra-Dun (Brit. India),
vom Deutschen Entomologischen Institut in Berlin-Dahlem,
von Herrn Prof. C. F. BAKER in Los Baños (Philippinen)
und Herrn J. CLERMONT in Paris Bestimmungssendungen,
unter denen sich die unten beschriebenen Arten vorfanden.
Auch aus der Expeditionsausbeute des Herrn W. STÖTZNER !)
konnten noch ein paar Neuheiten veröffentlicht werden. In
der, den Beschreibungen voraussgestellten Aufzählung der
neuen Arten weisen die eingeklammerten Zahlen auf die
Figuren der Tafel, die übrigen Zahlen, hinter den Subfamilien,
auf den betreffenden Teil (PARS), die hinter den Gruppen und
Gattungen auf die Seitenzahl desjenigen Teiles des Coleopte-
rorum Catalogus (Verlag von W. Junk, Berlin) hin, wo die
neuen Arten einzuschalten sind, deren Typen sich im Museum
für Tierkunde in Dresden befinden.
Subfam. CERAMBICINAE PARS 39.
V. Protaxini 13.
1. Protaxis fulviventris 13.
1) Vergl. Entomolog. Blätter 19. Jahrgang, Berlin 1923, S. 61—29.
20
w N
un |
TAI.
12.
24.
DIS,
O0 my ons
DR. K. M. HELLER,
IX. Oemini 26.
Tetraommatus ocularis cotinentalis 28.
» basifemoralis.
LXIX. Clytini 358.
Xylotrechus basifuliginosus 159.
> antennarius. (Fig. 17).
Chlorophorus hederatus 395. (Fig. 2).
> anulifer. (Fig. 1).
» bakeri basilanus.
» bakeri orbiculifer.
Demonax strangaliomimus 408. (Fig. 13).
Subfam. LAMIINAE PARS. 73.
V. Monochamini 7 3.
Dihammus punctiventris 97.
VII. Agniini.
Pharsalia intermedia 120.
X. Mesosini 135.
Anancylus incongruus PASC. 135, irrtiimlich als
[Mesosa beschrieben].
Cacia sexplagiata ‘42. (Fig. 9).
Mesocacia assamensts 143. (Fig. 10).
Saimia pardina 147. (Fig. 15).
> anulicornis.
» (Paracoptops subg. n.) tuberosa 147.
Aesopida dubiosa 148. (Fig. 11).
XXIX. Dorcaschematini 213.
Olenecamptus signaticollis 213. (Fig. 6).
» salweent. (Fig. 7).
XXXVII. Homonoeini 219.
Homonoea ornamentalis 219. (Fig. 16).
Catapausa albaria 220.
L. Niphonini 245.
Heterotaxalus (g.n.) schwarzeri 248. (Fig. 4).
Doliops villalobosi 261. (Fig. 12).
NEUE ALTWELTLICHE BOCKKÄFER. 21
LXXXVI. Gleneini PARS 74, 494.
26. Enispia samarana 276.
27. Glenea beesoni 495. (Fig. 8).
28; > canınta. (Fig. 18).
29. » (Stiroglenea) decolorata. (Fig. 14).
30. Paraglenea fortunei szetschwana.
31. Daphisia hamifera 511. (Fig. 3).
I. Protaxis fulviventris sp. n.
Pr. fulvescenti GAH. similis, sed minor, corpore toto plus
saturate rubescenti-fulvo, oculis, antennis femoribus, dimidia
parte apicali, tibiis tarsisque nigris exceptis; prothorace minus
transverso, crebre reticulato-punctato; elytris inter costulis,
praesertim ad basin, minus crebre punctatis.
Long. 10—13 mm.
Tonkin: Hoa Binh (ex. coll. J. CLERMONT).
Ähnlich Protaxis fulvescens GAH., dem bisher einzigen
Vertreter der Cerambycinen Gruppe (Tribus) der Protaxinti
(GAH Fauna Brit. Ind. Coleopt. Vol. I, London 1906, p. 92)
und von ihm sofort durch die, wie die Oberseite rötlich
gelbbraun gefärbte Körperunterseite, die bei fulvescens, mit
Ausnahme des gelbbraunen Prosternums, schwarz ist, kennt-
lich. Kopf etwas breiter, Clipeus 2'/, mal (bei fulvescens
1.7 mal) so breit, wie in der Mittellinie lang, desgleichen
auch die Oberlippe breiter, Stirn zwischen den Fühlern mit
feiner Furche, die zwischen den Augen in eine undeutliche,
glatte Längsleiste übergeht. Fühler bei beiden Arten gleich,
schwarz, ihr ı. Glied innen an der Spitze mit der charak-
teristischen knotenartigen Verdickung. Halsschild nur r!/,
(bei fulvescens fast 1'/, mal) so breit wie lang, sein Vorder-
rand gerundet vorgezogen, die Seitenränder schwach gerundet,
nach hinten zu mehr als vorn verengt, oberseits flach gewölbt
und dicht runzelig punktiert. Schildchen so lang wie breit
(bei favescens breiter). Fliigeldecken ebenfalls mit je vier
Rippen, ihre Punktierung, namentlich rings um das Schild-
chen, im ersten Fünftel der Decken, viel entfernter und
daselbst entlang der Naht eine entfernt punktierte Reihe
22 DR. K. M. HELLER,
bildend. Bei fflavescens geht die Deckenpunktierung nach der
Wurzel zu in eine ganz dichte Kôrnelung über.
2. Tetraommatus ocularis continentalis subsp. n.?
Testaceus, prothorace inermi, fronte rude punctata, linea
mediana impressa, lobis ocularibus, superioribus, inter se
antennarum articulo tertio crassitudine distantibus; prothorace
latitudine longiore (6 : 7), maxima latitudine in primo triente,
lateribus ab eo rectis, antrorsum subconvergentibus, strigoso ;
scutello dense subrugoso-punctato; elytris 31/, partibus lati-
tudine longioribus, prothorace fortius ac densius punctatis;
prosterno, margine antico levi excepto, aspere, metasterno
abdomineque vix punctatis; femoribus compressis, peduncu-
latis, subcurvatis, tarsis posticis articulo primo tribus sequen-
tibus sumptis sesqui longiore.
Jong: 5 mm, lat. 0.8 mm.
British India: Chakrata (U.P.) Kanasar 5.500’. (leg. S.K.
PILLAI).
PASCOES Beschreibung von ocularis aus Morotay, ist zu
kurz, um mit Sicherheit die indische Festlandsform mit ihr
identifizieren zu können, die Entfernung der beiden Fund-
orte aber, von mindestens 6.000 km. Luftlinie, lassen es sehr
unwahrscheinlich erscheinen, dass dies möglich sein könne.
Auf alle Falle dürfte eine genauere Beschreibung der Fest-
landsform zur Klärung der Artfrage dienlicher sein als diese
als ocularis mit ,?° in der Wissenschaft weiter zu führen.
Der Beschreibung des ocularis direkt zu wiedersprechen
scheint die Entfernung der oberen Augenlappen bei continen-
talis, die in den vorderen 2 Dritteln fast geraden, nach vorn
leicht konvergierenden Halsschildseiten und die Länge des
1. Hintertarsengliedes, das bei ocu/aris als fast doppelt so
lang wie die 3 folgenden Glieder zusammen angegeben wird,
bei continentalis aber nur 1!/, mal so lang Bede diese Art
dürfte, ausser den oben erwähnten CMS Merkmalen,
auch der glatte, nach den Seiten zu sich verschmälernde,
Vorderrand der Vorderbrust bemerkenswert sein.
3. Tetraommatus basifemoralis sp. n.
Fuscescenti-niger, humeris exceptis, supra subtiliter griseo-
NEUE ALTWELTLICHE BOCKKAFER. 23
pubescens, antennis pedibusque fuscis, femoribus basi lacteis ;
prothorace latitudine longiore (5:7), lateribus in duabus
trientibus apicalibus parallelis, inermibus, in triente basali
postrorsum convergentibus, basi truncato ac sulcato, supra
sat dense aspere punctato, vitta mediana levi; scutello sub-
elongato, subpentagonali; elytris crebre punctulatis, apicem
versus pallidioribus ; corpore subter, (prosterno solum margine
antico lato nitido), punctis maioribus, sed obsoletis, disperso,
tibiis sat crebre aspere punctatis, fortius pilosis.
Bong. 7, lat. 1.5. mm.
Borneo: Sandakan (coll. C. F. BAKER, Nr. 14898).
Die Art muss. 7. niger Gau. (Ann. Mus. Genova XLIII,
1907, p. 69) ähnlich sehen, unterscheidet sich aber von ihr
sofort durch die weisse Wurzel der Schenkel. Färbung
schwärzlich braun, Fühler, besonders der Schaft, Unterseite
und Beine heller, die Fühler etwas mehr rötlich braun. Stirn
dicht, Scheitel spärlich punktiert, Abstand der oberen Augen-
lappen von einander grösser als der grösste Querdurchmesser
der Keule. Flügeldecken fast dreimal so lang wie breit (20 : 7),
dicht punktiert. Unterseite mit grösseren aber, flacheren und
zerstreuten Punkten, die auf den Schenkeln, von denen die
hinteren den Hinterrand der 4. Bauchschiene kaum erreichen,
fast ganz erlöschen, Schienen dichter und etwas körnig
punktiert, mit längeren Haaren besetzt. Erstes Glied der
Hintertarsen nur wenig länger wie die folgenden zusammen
(22:19):
4. Xylotrechus basifuliginosus sp. n. d &.
Niger, labro, antennis pedibusque plus minusve rubido-
nigris, epistomo margine apicali fulvo, corpore ommino sub-
tiliter griseo-piloso; elytris obscure (fere nigro-) brunneis,
cremeo-signatis, quintaparte basali fuliginoso; fronte trans-
verso-trapezoidali, lateribus rectis, medio carinulato; antennis
corporis dimidium arte attingentibus, articulo quarto nono
longiore, 3.—5., apice subter fulvo-penicillatis; capite protho-
raceque nigris, crebre subtiliterque ruguloso, vertice granulis
porosis; prothorace tranverso, lateribus latitudine maxima
post medium, linea mediana subgranulosa-elevata; scutello
24 DR. K. M. HELLER,
nigro, transverso-trigono; elytris in primo triente fascia, in
sutura fere usque ad scutellum producta, in dimidia parte
exteriore antrorsum curvata, altera in secundo triente, utrinque
attenuata, marginem lateralem haud attingente, ut margine
suturali in parte apicali et sternitorum abdominalium margine
postico, griseo-tomentosis; elytris singulis apice oblique sub-
truncatis, aut subacuminatis.
Bons, 15, lat. 4 mm.
Punjap: Tharoch Simla, Jalratach 10.000’, les. (Carkit
BEESON, 27. V. 1924.
Die Art gehört zu jenen, die man leicht versucht sein
kann, zu Perissus zu stellen, die quere, nach unten trapezoidal
verbreiterte Stirn, mit nur einem, nicht immer sehr scharnfen
Mittelkiel, sowie die in beiden Geschlechtern die Decken-
spitze nicht überragenden Hinterschenckel, weisen jedoch auf
Xylotrechus. Schwarz, Taster, Oberlippe, Fühler und Beine
rötlichbraun-schwarz, Epistom und Deckenwurzel im ersten
Fünftel der Decken mehr oder weniger gelbbraun, der ganze
Körper fein, teilweise abstehend, teilweise dichter und anlie-
gend weisslich behaart. Die auffällige gelbbraune Färbung
der Deckenwurzel scheint veränderlich, bei einem Stück nimmt
sie das ganze basale Fünftel, bei dem zweiten jederseits nur
einen queren dreieckigen Basalfleck ein, der von dem schma-
len schwarzen Basalrand und aussen von den schwarzen
Schultern und hinten von den, mit ihnen zusammenhängenden,
vor der ersten hellen Querbinde liegenden, schwarzen Decken-
teil begrenzt wird. Erstere liegt im ı. Drittel der Decken,
ist an der Naht bis zum Schildchen, aussen halb so weit
nach vorn ausgezogen, die Binde im 2. Drittel der Decken-
länge, verläuft senkrecht zur Naht und ist beiderseits nach
aussen zu verjüngt. Ausser diesen ist auch der Innenrand
der Spitzenabschrägung der Decken hell und die 1. bis 4.
Bauchschiene am Hinterrande breit weiss tomentiert.
5. Xylotrechus antennarius sp. n. (Taf. 5, Fig. 17). &.
Niger, subtiliter cinereo-pubescens, antennis articulis qua-
tuor apicalibus fulvis; oculis ex parte frontalibus, frontem
coarctantibus, carina frontali, mediana, post fissa; prothorace
NEUE ALTWELTLICHE BOCKKÄFER. 25
longitudine latitudine aequali, subtilissime granuloso, cinereo-
tomentoso, plagis nigro-denudatis tribus, mediana vittiformi
basin versus dilatata, cruci similiter dispositis; elytris fere
ut in guadripedi CHEVR. cinereo-signatis, sed fascia prima
in parte subsuturali, breviore ac latiore, fulvo-translucente,
et utrinque usque ad marginem lateralem extensa, fascia
postmediana fere aequitriangulari; femoribus posticis elytris
paulo exstanibus.
Long. 18, lat. 4.5 mm.
Mindanao: Zamboanga (ex. coll. C. F. BAKER).
Eine stattliche, dem X. gradripes CHEVR. ähnlich gezeich-
nete Art und vor allem von ihr durch die vorn mehr als
ein Drittel der Kopfbreite einnehmenden, die Stirn deutlich
einengenden Augen, durch die zwischen der Seiten- und
Mittelleiste fehlenden, abgekürzten Leisten und die gelb-
braunen 4 Endglieder der Fühler verschieden.
6. Chlorophorus (Caloclytus) hederatus sp. n. (Taf. 5, Fig. 2).
C. anuları F. affınis, niger, sulfureo-tomentosus, similiter
signatus, sed antennis robustioribus ac brevioribus, prothorace
lateribus minus rotundatis, disco plaga, in dimidia parte
basali semicirculari, postice rotundata, in dimidia parte api-
cali plus minusve anguloso-producta, hederae folio subsimili,
macula antemediana, laterali minuta, punctiformi; elytris
signatura basali, intus ad basin iterrupta itaque hamata,
fasciacum postmediana, in sutura minus producta, post haud
conjuncta, fascia subapicali subtriangulari, angulo acuto, sutura
advertente; corpore subter aequaliter sulfureo-tomentoso (ab-
domine haud fasciatim denudato).
Long. 12.5--13, lat. 3—3.7 ‘mm.
Bengalia: Rajabhatkhawa, Buxta (ex Shorea robusta) et
Assam: Haltugaon, Goalpara (3. V. 1917).
Dem C. anularıs F. ähnlich, aber durch die gleichmässig
dicht schwefelgelbe Tomentierung der Unterseite, die kür-
zeren und dickeren Fühler, das an den Seiten weniger
gerundete Halsschild und durch die abweichende schwarze
Zeichnung leicht zu unterscheiden. Diese besteht auf dem
Halsschild aus einer grossen, in der hinteren Hälfte halb-
26 DR. K. M. HELLER,
kreisförmigen, in der vorderen Hälfte plötzlich spitzwinkelig
verengten Scheibenmakel, die ungefähr epheublattähnlichen
Umriss zeigt und einer kleinen Punktmakel vor der Mitte
an den Seiten, auf den Flügeldecken, aus einer ähnlich wie
bei anulatus verlaufenden, aber innen an der Wurzel offenen,
daher hakenförmigen Schlinge, einer entlang der Naht nur
wenig nach vorn ausgezogenen Mittelbinde und einer quer-
dreieckigen (nicht rundlichen) Binde vor der Deckenspitze.
7. Chlorophorus (Caloclytus) anulifer sp. n. (Taf. 5, Fig. 1).
Ch. annuları F. affınis ac subsimilis, sed aliter signatus,
antennis pedibusque fulvis, prothorace macula discali oblongo-
trapezoidali, latitudine basali duplo longiore, macula laterali
antemediana, elliptica, post usque ad medium marginis late-
ralis extensa; elytris in primo triente anulo nigro-fusco (fere
ut in Ch. annulari) sed huius parte apicali ad perpendiculum
deorsum currente et ramo filiformi cum fascia mediana, per
suturam interrupta, intus rotundata, conjuncta, fascia sub-
apicali margine anteriore recte transverso, posteriore acute
angulose ad suturam currente; tarsorum posticorum articulo
tertio duobus sequentibus sumptis distincte longiore.
Long. 12.5, lat. 2.3 mm.
Dehra Dun: Nagsidh Forests, leg. N. C. CHATTERJEE,
19—20, VII, 1922 (ex Shorea robusta).
Abgesehen von der abweichenden schwarzen Zeichnung,
von annularis F. durch die gelbbraunen Fühler und Beine
und den wesentlich längeren Halsschild verschieden. Bezüg-
lich der Zeichnung ist die ziemlich elliptische Form des
Schulterringes, der mit der breiten, die Naht nicht erreichen-
den Mittelbinde höchstens durch einen haarfeinen, geraden
Strich verbunden ist, bemerkenswert.
8. Chlorophorus bakeri basilanus subsp. n.
A specie typica differt: elytris fascia antemediana mediana
multo tenuiore ac W-formi, ad basin prope intra humeros
incipiente ac ad suturam, pone scutellum terminata, fascia
apicali angustiore.
Long. 8, lat. 2 mm.
Insula Basilan (coll. C. F. BAKER).
NEUE ALTWELTLICHE BOCKKAFER. 27
Bei Ch. bakeri AURIV. ist die vor der Deckenmitte gelegene,
weissliche Querbinde breiter als die Mittelbinde, halbmond-
förmig gebogen, beginnt nahe am Seitenrand, in der Höhe
des 2. Drittels der Hinterbrustepisternen und endet mit
leichter Verbreiterung in deutlichem Abstand von der Naht,
bei der sonst mit ihm ganz übereinstimmenden insularen
Form von. Bastlan ist die Binde im 1. Drittel der Decken
viel feiner als die Mittelbinde, durchaus gleich dünn faden-
förmig und bildet eine W-förmige Figur, deren äussere
Schenkel ziemlich parallel laufen, noch innerhalb der Schulter-
ecke an der Deckenwurzel enden und mit dem Schenkeln
des mittleren Winkels spitzwinkelig zusammenlaufen. Das
Schildchen ist, wie bei der Stammart, auffallend dicht rein-
weiss tomentiert.
Die Art hat zufolge der Deckenzeichnung grosse Ähnlich-
keit mit Perzssus scutellatus CHEVR. ist aber kleiner.
9. Chlorophorus bakeri orbiculifer subsp. n.
A specie typica differt: elytris plus cuneatis, singulis in
triente basali plaga magna (oculo duplo maiore) orbiculari,
a basi et a fascia mediana, tenui, obtusangulata, aequidis-
tante, marginem lateralem versus anguloso-dilatata ac mar-
ginem vix tangente, parte cinero apicali, fascia praecedenti,
nigra, aequilonga.
Bong: 8, lats 2.2. mm:
Mindanao: Zamboanga (coll. C. F. BAKER).
Wie bastlanus beschreibe ich orbiculifer vorläufig nur als
subsp., weil mir nur je ein Stück von jedem vorliegt und
bisher nicht erwiesen werden konnte, ob neben diesen Formen
an gleicher Örtlichkeit auch die Stammart anzutreffen sei.
Beide unterscheiden sich nur in der verschiedenen Verteilung
der hellgrauen und schwarzen Deckenzeichnung; denkt man
sich die subbasale graue Binde des bakeri am Vorderrand
zu einem Kreisrunden Fleck erweitert, dann hat man eine
gute Vorstellung von orbiculifer.
10. Demonax strangaliomimus sp. n (Taf. 5, Fig. 13, Thorax).
Fulvus sulfureo-tomentosus, maclis obscure fuscis aut nigris
arnatus; antennis articulis 3—6 apice spinosis, prothorace
28 DR. K. M. HELLER,
disco utrinque vitta, basi apiceque abbreviata ac medio
coarctata, inter earum basin macula minuta iisdem plus
minusve conjuncta, macula laterali antecoxali, rotundata
deorsum vix visibli, fusco-nigris; elytris D. strangalioides PASC.
similiter nigro-fasciatis sed fascia subapicali per suturam divisa.
Long. 14, lat. 3—3.5 mm.
Mindanao et Davao (coll. C. F. BAKER Nr. 7199).
Dem D. strangaliotdes PASC. durch die Deckenzeichnung
sehr ähnlich, die Subapikalbinde aber durch die Naht in
zwei ungefàhr verrundet quadratische Makeln geteilt, Fiihler
bis zum Hinterrand der schwarzen Subapikalmakel reichend,
Halsschild etwas lànger als breit, jederseits mit einer in der
Mitte eingeschniirten, weder vorn noch hinten den Halsschild-
rand erreichenden, an der Wurzel durch eine kleine Punkt-
makel mit einander verbundenen, dunklen Längsstreifen und
vor den Vorderhiiften mit eben solcher runder Makel, von
Augengrösse, die von oben aber nicht sichtbar ist.
11. Dihammus punctiventris sp. n. g.
D. spectoso GAH. similis, sed angustior, maxima parte ochro-
leuco-tomentosus, vittis maculisque niveis ornatus; scapo
articuloque tertio antennarum pro portione longioribus; pro-
thorace spinis lateralibus acutioribus, supra ut vertice, sat
disperse fortiterque punctato; scutello, sutura basi elytrisque
singulis vitta discali, niveo-tomentosis, hac vitta intra ac paulo
post humeros incipiente, apicem versus evanescente, medio
fascia obliqua, ante apicem punctis acervatis, saturatius och-
roleucis, interrupta, vitta altera submarginali, basi abbreviata,
usque ad medium extensa; corpore subter mesepisternis
epimerisque, metapisternis in dimidia parte anteriore, niveo-
tomentosis; abdomine punctis nigro-denudatis, irregulariter
sat remote dispersis.
EOng nr lat.25%5 mm:
China, Sze-tschwan: Kwanhsien, unicum expeditionis Dom.
W. STÔTZNER.
Dem 2. speciosus GAH. verwandt und ähnlich, schwarzbraun,
vorwiegend gelblichgrau, mit schneeweissen Abzeichen, Fühler
rotbraun, weisslich tomentiert, vom 3. Glied an, in der Spitzen-
NEUE ALTWELTLICHE BOCKKAFER, 29
hälfte, mehr oder weniger dunkelbraun, das 4. Glied so lang
wie das 3. (bei speczosus sehr deutlich kürzer als das letztere).
Halsschild quer, am Vorderrand deutlich breiter als am
Hinterrand, Bewehrung spitzer als bei speciosus, Scheibe
kraftig zerstreut punktiert, in der vorderen Hälfte mit glatter
Mittellinie, beiderseits davon mit dichter lehmgelb tomen-
tierter, vor dem Schildchen mit weisslich tomentierter Makel.
Schildchen, Nahtwurzel, sowie ein inner- und unterhalb der
Schulter beginnender, an der Spitze abgekiirzter Diskalstreifen,
von Schenkelbreite, der in der Mitte durch eine Schrägbinde
und vor der Spitze durch einige Punktmakeln von dunkleren
Toment unterbrochen wird, ferner ein an der Wurzel abge-
kürzter, bis zur Mitte nach hinten reichender Streifen dicht
am Seitenrande, die Seitenstücke der Mittelbrust, die Hinter-
brustseitenstücke, in der vorderen Hälfte, schneeweis tomen-
tiert. Seiten der Hinterbrust, besonders aber der Hinterleib,
ausgenommen am Vorder- und Hinterrand der Sternite, mit
groben unregelmässig zerstreuten Kahlpunkten.
12. Pharsalia intermedia. sp. n.
Niger, antennis, ab articulo tertio, in dimidia parte basali,
intima parte basali, nigro, excepto, ut corpore reliquo maxima
parte, griseo-, prothorace, scutello plagaque laterali, in elytro-
rum triente mediano, hac nebulose, fulvescenti-, prothorace
disco utrinque lineola abbreviata punctisque dispersis, prae-
sertim juxta marginem apicalem, elytris maculis vagis, in
marginem lateralem subseriatis, introrsum plagam fulvescen-
tem lateralem fere amplectentibus, nigro-tomentosis; protho-
race disco haud tuberculato, utrinque parum tumidosum, linea
mediana tenui, ad basin subdilatata, grabra; elytris apice
suptruncatis, humeris tuberosis, tubero medio-basali oblongo,
nigro glabro, in quarta parte basali nitido-granuloso, ultra
irregulariter, suturam versus parcius, retrorsum subtilius, fere
evanescente, punctatis.
Long. 19, lat. 6.5 mm.
Madras: Nilambur, C. F. C. BEESON, 25. 1. 1924 leg.
Bei Ph. gibbifera GUER., proxima GAH. und varzegata AURIV.,
von ersterer durch den nicht runzeligen Kopf und Halsschild,
30 DR. K. M. HELLER,
welch letzterer auf der Scheibe nicht höckerig ist und kürzeren
Höcker an der Wurzel der Decken, der bei gzödrfera bis zum
1. Drittel der Deckenlänge reicht, von der zweiten durch den
Mangel einer weissen Seitenmakel der Decken, von varzegata
AURIV. durch die unbewehrten Deckenspitzen verschieden.
Schwarz, unterseits etwas gelblich, Kopf und teilweise Fühler
und Decken mehr weisslich grau, eine Seitenmakel auf letz-
teren, die deren mittleres Drittel einnimmt, sowie der Hals-
schild lebmfarben, im Strichelchen beiderseits der Scheibe und
zerstreute Punktmakeln, besonders entlang des Vorderrandes
des Halsschildes, so wie grössere, aber unscharf begrenzte
Makeln entlang des Seitenrandes und entlang des Innenrandes
der lehmgelben Seitenmakel, sammetschwarz. Innenrand der
Fühlerhöcker nach vorn in einem Winkel von c. 75° diver-
gierend. Fühler des d mehr als doppelt so lang, beim £ wenig
länger als der Körper, bei ersterem das letzte Glied viel länger
als das vorletzte, beim Q diese beiden gleich lang.
13. Anancylus incongruus PASC. !)
Fuscus, labro epistomoque testaceis, prothorace varie och-
raceo- et albido-, elytris praeterea varie fusco-tomentosis;
antennis, ab articulo quarto, basi albo-anulatis; capite (in
specimine unico tomento denutato, rufo-castaneo) fronte ver-
ticeque carinula mediana tenuissima; prothorace transverso,
disco utrinque callositate, circulari, indistincta, margine
anteriore sulco dorsali, transverso, lato, medio foveolato,
lateribus convexiusculis, margine basali sulcato, utrinque sub-
sinuato; scutello fusco, medio albido-tomentoso; elytris latitu-
dine 1!/, partibus paulo longioribus, singulis in quarta parte
basali subtumidis, basin versus aspere punctatis, reliquis sim-
pliciter, apicem versus levius punctatis, intra humeros longi-
tudinaliter impressis, sulco suturali basin haud attingente,
ochraceo-, plaga communi, antemediana, fere transverso-rhom-
bica, utrinque in disco extensa fasciaque undulata, subapicali,
1) Diese, von mir ursprünglich als Anancylus dajacus beschriebene Art
ist, zufolge eines Vergleiches mit der Type durch Herrn Dr. G. A. K.
MARSHALL gleich Sazmia incongrua PASC., aber richtig in die Gattung
Anancylus zu stellen.
NEUE ALTWELTLICHE BOCKKAFER, 31
albido-, altera communi, fere x-formi, praecedente adherente
et utrinque in margine laterali ante medium macula sub-
quadrata et una oblonga prope ante apicem et paucis alteris
minoribus, fuso-tomentosis; corpore subter ochraceo-, meta-
sterno lateribus episternisque in medio, sternitis abdomina-
libus singulis, lateribus macula, tibiis fascia lata subbasali
et parte, ea aequali, apicali, fusco-, reliquis ut tarsis articulis
duobus basalibus, dorso, albido-tomentosis
Long-13.5, lat. 5.5: mm.
Borneo: Sandakan (coll, C. F. BAKER, Nr. 18639).
Die deutlich höhere als breite Stirn, der die Halsschild-
mitte überragende, in der Wurzelhälfte gleich dicke, dreh-
runde Fühlerschaft, die am Aussenrande nicht ausgebuchteten
Mittelschienen und die schwachen Höcker auf der Thorax-
scheibe verweisen die Art in die Gattung Anancylus. Toment
vorwiegend lehmfarben, der quere Halsschild, ausser den zwei
undeutlichen Schwielen auf der Scheibe, mit 2 rundlichen hinter
einander liegenden Schwielen nahe dem Seitenrande und wie
dieser etwas weisslich tomentiert. Flügeldecken mit gemein-
samer, quer-rhombischen Makel, die jederseits bis zur Decken-
mitte nach aussen reicht und vor der Spitze mit einem
welligen Querband von weissen Toment, eine an die rhom-
bische weisse Makel sich anschliessende ungefähr X-förmige
Zeichnung, eine ziemlich quadratische Makel vor der Mitte
und eine längliche dicht vor der Spitze des Seitenrandes,
so wie 2 kleinere in der vorderen Deckenhälfte und zwei
ebensolche hinter der Deckenmitte nussbraun, vorn teilweisse
weiss begrenzt.
14. Cacia sexplagiata sp. n. (Taf. 5, Fig. 9).
Nigra, antennis articulo tertio, quarto quintoque basi albo-
tomentosis, hoc praeterea in dimidia parte apicali nigro-
fasciculato, vertice, prothorace, vitta utrinque nigricante, in
punctis dissoluta, excepta, elytris parce erecteque nigro-
pilosis, plagis tribus, basali minore, mediana subquadra, sub-
apicali trigona, flavo-sericeis, his irregulariter, basin versus
fortius, apicem versus evanescente-punctatis; scutello anguste
griseo-marginato; corpore subter tenuissime griseo-tomentoso,
3
32 DR. K. M. HELLER,
tibiis, praesertim intermediis posticisque, in dimidia parte
basali, late albido-anulatis, tarsis nigris.
Long. 9, lat. 3.5 mm.
Samar (BAKER, Nr. 22753) et Mindanao: Surigao, BOETT-
CHER leg. (i. coll. B SCHWARZER).
Eine, infolge der Form und Verteilung der hellgelben
Tomentmakeln isoliert stehende Art, mit deutlichem Sub-
suturalstreifen in der hinteren Deckenhälfte. Stirn fein zerstreut
punktiert, mit undeutlichem, Scheitel und Kopfseiten mit
dichterem gelblichen Toment, ein Querstreifen zwischen den
Fühlerhöckern, ein vertikaler Streifen auf den Backen und
ein horizontaler hinter den Augen schwärzlich, kahl. Hals-
schild vorwiegend gelblich tomentiert, beiderseits der Scheibe
je eine, grösstenteils in Punkte aufgelöste dunkle Längsbinde.
Schildchen schwarz, mit feinem, hellen Randsaum. Flügel-
decken an der Wurzel ziemlich grob und zerstreut, nach
hinten zu spärlicher, im Spitzenviertel nicht punktiert, je
mit drei gelben Tomentmakeln, von denen nur die mittlere,
grösste, ungefahr quadratische, den Seitenrand, keine aber
die Naht erreicht, die basale die kleinste und quer, die
subapikale spitz dreieckig ist. Unterseite schwärzlich, sehr
fein grau, ein Ring auf der Wurzelhälfte der Mittel- und
Hinterschienen weisslich tomentiert.
Mesocacia g.n.
Mesosinorum prope Cacia.
Caput fronte quadrata !), inter tuberis antenniferis, vali-
diusculis, impressa, genis lobo oculari inferiore altioribus.
Antennae subter ciliatae, articulo sexto ex elytris extante,
scapo thoracis medium attingente, articulo tertio scapo atque
articulo secundo, sumptis, longiore, articulo ultimo subarcuato.
Phrothorax subtransversus, apice angustatus. Elytra prothorace
latiora, apice singula rotundata, disperse punctata, stria sub-
suturali in dimidia parte apicali explicata. Prosternum post
truncatum, mesosternum ante declive, inter coxas convexius-
culum, omnino tomentosum, margine postico anguloso-excisum.
1) Hohe und breite der Stirn vom oberen inneren Winkel des unteren
Augenlappens aus gemessen.
NEUE ALTWELTLICHE BOCKKAFER. 33
Femora sat brevia, clavata, anteriora subclavata, tibiae inter-
mediae sulco obliquo obsoleto. Tarsi articulo primo sat longo,
duobus articulis sequentibus fere aequali, unguiculi divergentes.
Cacia nahestehend und von ihr durch den vorn deutlich
verengten Halsschild, das Fehlen eines glatten Höckers auf
der Mittelbrust, deren Hinterrand winkelig ausgeschnitten ist,
durch das längere erste Tarsenglied und die kräftiger ent-
wickelten Fühlerhöcker verschieden.
15. Mesocacia assamensis sp. n. (Taf. 5, Fig. 5 und ro).
Niger, signaturis luteo- et nigro-tomentosis, antennis corpore
fere duplo longioribus, nigris, articulis, ab tertio, basi pallido-
tomentosis; capite fronte vitta mediana, in prothorace con-
tinuata, altera utrinque laterali, latiore, subter oculos, luteis ;
prothorace apice plus quam basi angustato, supra utrinque
vitta lata fuliginosa, ad basin nigro-velutina, in dimidia parte
anteriore lineolis duabus luteis, longitudinaliter dispositis,
interrupta; scutello in triente mediano luteo, reliquo fuligi-
noso; elytris latitudine humerali duplo longioribus, sat crebre,
apicem versus evanescente, in callo humerali haud punctatis,
sutura alternatim luteo- et nigro-vittata, elytris reliquis macu-
lis circa 12 nigro-velutinis, harum maxina utrinque in primo
triente, tribus minoribus seria obliqua, intra humeros et suturae
primum sextantem, reliquis cum maculis marginalibus seriam
irregularem, transversum, postmedianam et subapicalem for-
mantibus; spatiis, intra maculis, nigro-fuliginosis, irregulariter
luteo-signatis; femoribus apice, tibiis in triente basali dimi-
diaque parte apicali nigris, reliquis luteo-, tarsis nigris, articulo
primo albido-tomentosis.
Eong: 15.5, lat. 6 mm.
Assam, Goalpara: Haltugaon, V. 1917, ex. Shorea robusta.
Mit Hinweis auf die Abbildung sei, diese ergänzend, be-
merkt, dass die Grundfärbung des Tomentes auf der Ober-
seite ein stumpfes Nussbraun ist, das sich auf dem Halsschild
vorn und hinten, beiderseits der Scheibe und auf den Flügel-
decken und der Naht zu samtschwarzen Makeln verdichtet,
an die alle sich mehr oder weniger blass lehmfarbige Toment-
streifen, oder Makeln anschliessen und sie teilweise begrenzen.
Fühler dunkel nussbraun, die einzelnen Glieder, vom 3. Gliede
34 DRY RAM HELDERS
ab, an der Wurzel weiss tomentiert. Schildchen im mittleren
Drittel der Länge nach lehmgelb, im übrigen nussbraun.
Halsschild beiderseits der Scheibe fein zerstreut, die Flügel-
decken etwas gröber, nach der Spitze zu erloschen punktiert,
Nahtstreifen über die hintere Hälfte heraus nach vorn reichend.
Unterseite an den Seiten vorwiegend lehmgelb, längs der
Kôrpermitte schwärzlich, eine Makel in der Mitte auf den
Hinterbrustseitenstücken, die Seiten der Hinterbrust mit
unregelmässigen Punktmakeln, dicht am Seitenrand mit grös-
serer, die ganze Länge ausfüllender, ziemlich quadratischer,
die Afterschiene daselbst mit streifenartiger, innerhalb dieser
ausserdem noch mit kleinerer, länglicher, schwärzlicher Kahl-
makel. Schienen an der Wurzel und im mittleren Drittel
ockergelb, 1. Tarsenglied weiss tomentiert.
Saimia PAsC. Proc. Zool. Soc. 1866, 234.
Über dieser Gattung, wenn sie sich überhaupt als solche
aufrecht erhalten lässt, scheint ein merkwürdiger Unstern
zu walten. Ihr ursprünglicher Name Samza musste geändert
werden, in der Gattungsdiagnose ist die Angabe: ,,scapo
cylindrico”, die nicht zutrifft, irreführend, in der Artbeschrei-
bung der für die Gattung typischen Art, /. albodorsalis PASC.,
heisst es ,,elytrorum dimidio basali (statt apicali !) fuscescente’’
in LACORDAIRE Gen. Col. IX (1) 369 sind in der Tabelle die
Merkmale von Coptops mit Sazmia verwechselt: Sazmza hat
der d das Endglied der Fühler normal gebildet, während
bei Coptops das Endglied des männlichen Fühlers an der
Spitze umgebogen ist. Ausser diesem Unterschied scheinen
die beim d längeren, schlankeren Fühler ausschlaggebend
gewesen zu sein, zu dem, nach meinen Beobachtungen, eine
schwache Leiste, aussen an der Wurzel des Fühlerschaftes,
die häufig innen von einer Furche begleitet wird, hinzukommt.
Die seitlichen Höcker am Vorderrande des Halsschildes sind
namentlich bei 2 schwach ausgebildet und fehlen bei dem 9
von S. pardina vollkommen. Entsprechend diesen Merkmalen
stelle ich folgende Art ebenfalls zu Sazmza.
16. Saimia pardina (Taf. 5, Fig. 15).
Ut opinor, 5. diversae PASC. affinis, sed antennis articulo
NEUE ALTWELTLICHE BOCKKÄFER. 35
tertio apice, quarto in dimidia parte apicali, sequentibus
gradatim latius infuscatis; prothorace lateribus vitta infra-
marginali, in parte basali deorsum visibili, fusca; elytris in
quarta parte basali aspere, apicem versus diverse ac parcius
punctatis, stria suturali scutellum haud attingente, cervino-
tomentosis, maculis saturate fuscis circa decem, harum maxima
subsuturali, postmediana, subtransversa, altera parum minore
rotundata aut subquadrata, antemediana, marginali, alteracum
tribus, minoribus, seria scutellum versus currente, formantibus,
maculis antemedianis a medianis per lineam albo-tomento-
sam, fortiter undulatam his (medianis) a tribus subapicalibus
maculis fasciatim transverse dispositis separatis; femoribus
intermediis posticisgue macula laterali, tibiis omnibus in
primo triente macula dorsali apiceque fusco-, articulis duabus
tarsalibus omnibus, dorso, albido-tomentosis.
Lonse:*12;-lat. 4.7 mm.
Samar et Mindanao (coll. C. F. BAKER, 22750).
Wie bei allen mit Coptops verwandten Gattungen und Arten
ist die Charakterisierung auch der vorliegenden Art, die sich
namentlich in der Verteilung der hellen und dunkel tomen-
tierten Flecken und Binden stützen muss, in Worten kaum
erschöpfend wieder zu geben, und so muss auch hier zuför-
derst auf die Abbildung hingewiesen und nur das hervor-
gehoben werden, was aus ihr nicht ohne weiteres ersichtlich
ist. Schaft im Basaldrittel seiner Vorderseite mit Furchen-
eindruck, der aussen von einer stumpfen Leiste begrenzt
wird. Stirn und Scheitel zerstreut punktiert, mit feiner glatter
Mittellinie. Halsschild etwas uneben, namentlich beiderseits
vor dem Schildchen und in der vorderen Halfte der Mittel-
linie leicht eingedriickt, unterhalb des Seitenrandes mit dun-
kelbrauner, in der hinteren Halfte aufsteigenden und von
oben sichtbaren Längsbinde. Schildchen hell, im äusseren
Viertel dunkelbraun, quer, ziemlich halbkreisförmig. Flügel-
decken innerhalb der Schulter mit Längseindruck, im 1. Viertel
zerstreut, etwas raspelartig, weiter hinten einfach und allmälig
feiner werdend punktiert. Seitenstücke der Hinterbrust in
der Mitte, die Bauchschienen an den Seiten mit dunklerem
Fleck, 1. und 2. Tarsenglied oberseits weisslich tomentiert.
36 DR. K. M. HELLER,
17. Saimia anulicornis sp. n. d, 9.
Fusca, varie griseo- et albido-tomentosa, femoribus, ut
antennarum scapo, maculis punctiformibus, dispersis, his
articulis 3--5 basi et anulo subapicali, reliquis in parte apicali
(in mare in dimidia parte apicali) fusco-tomentosis; protho-
race maris maxima latitudine ante medium, in femina lateri-
bus fere parallellis, in utraque sexu ut quarta parte elytrorum,
basali, albido-tomentosis, hoc ante scutellum et disco utrinque
subcalloso, his intra humeros callosis et callo in medio
macula minuta, margine laterali altera, antemediana, maiore,
maculis punctiformibus, seriatis, in sutura et in epipleuris,
fascia postmediana, discali, post triramosa, altera subapicali,
ziczac-formi, ante albomarginata, fusco-subdenudatis; corpore
subter similiter ut in pardina tomentoso et maculata.
Mindanao: Zamboanga (Nr. 7217) et Samar: coll. C. F.
BAKER.
Der S. pardina nahestehend, die Fühler des g, wie bei
dieser mit dem halben 6. Glied die Decken überragend, die
Fiihler aber vom 3.—5. Glied hinter der hellen Spitze dunkel-
braun geringelt, die folgenden Glieder in der Spitzenhälfte
mehr oder weniger dunkel, wie bei pardina. Halsschild und
das vordere Viertel der Decken vorwiegend weisslich tomen-
tiert, jede Decke nahe der Wurzel mit deutlicher Schwiele,
diese in der Mitte, so wie eine grössere, länglich viereckige
Makel vor der Mitte, am Seitenrande, eine kleinere länglich
runde im. 1. Viertel auf der Scheibe und eine von der Naht
bis über die Mitte nach aussen reichende, am Hinterrand
lang dreizackige Binde, hinter der Mitte und eine aussen
stark nach hinten gezogene Zickzackbinde, vor der Spitze,
die vorn teilweise von weisslichen Nebelflecken begrenzt wird,
dunkel nussbraun.
18. Saimia (Paracoptops subg. n.) tuberosa sp. n.
Fusco-nigra, tomento testaceo-sericante tecto, elytris callo-
sitate oblonga subbasali maculis fuscis, punctiformibus dis-
persis, macula infrahumerali, altera antemediana et una
postmediana, discali, sagittae mucrone simili nigro-fuscis;
vertice nodis duobus oblongis, ante sulco profundo undulato,
NEUE ALTWELTLICHE BOCKKÂFER. 37
transverso, inter tubera antennifera, determinatis; antennis
maris corpore fere duplo longioribus, articulis 3.—5. ante
apicem fusco anulatis, sequentibus in duobus trientibus api-
calibus fuscis; prothorace utrinque in disco et ante scutellum
calloso, lateribus ad marginem apicalem tuberculo obtuso,
basin versus convergentibus; scutello densa ochraceo-tomen-
toso, semicirculari; elytris postrorsum deplanatis, sat dense
punctatis, linea suturali scutellum attingente, in parte basali,
subter tomento, remote, in tuberculis subbasalibus fortius
granulatis; corpore subter testaceo-, punctis dispersis fusco-
tomentosis.
Long. (@) 14.5, (4) 17, antennar. maris 34, lat. (@) 6, (4) 7 mm.
Borneo: Sandakan (coll. C. F. BAKER, 18638).
Das in der Wurzelhälfte aussen einen Kiel aufweisende
Wurzelglied der Fühler und die Länge der letzteren, die mit
ihrer halben Länge die Deckenspitze überragen, so wie das,
an der Spitze kaum merklich umgebogene Spitzenglied, ver-
weisen die Art näher zu Sazzzza als zu Coptops, sie unterschei-
det sich aber von beiden durch die deutlich ausgerandeten
Mittelschienen, die nahe der Wurzel mit kräftigem, länglichem
Höcker versehenen, nach der Spitze zu etwas abgeflachten
Flügeldecken und durch eine auffallend tiefe Querfurche
zwischen den Fühlerhöckern. Bei der Schwierigkeit die
Coptops-ähnlichen Formen auseinanderzuhalten, möchte ich
durch Einführung einer subgenerischen Abtrennung auf die
hier beschriebene, abweichende Art besonders aufmerksam
machen. Dunkelbraun, hell lehmfarben, etwas seidenglänzend,
stellenweise, namentlich die Flügeldecken im Spitzenteil,
etwas dunkler, diese ausserdem mit zerstreuten, kleinen,
punktförmigen Makeln, je einer grösseren Makel vor der Mitte
und unter der Schulter, am Seitenrande, und eine hinter der
Mitte, aut der Scheibe, in Form einer Pfeilspitze, von schwarz-
braunem Toment. Fühlerschaft und die zwei folgenden Glieder,
so wie die Körperunterseite und die Schenkel mit mehr oder
weniger deutlichen zerstreuten, braunen Punktmakeln.
19. Aesopida dubiosa sp. n.? (Taf. 5, Flg. 11).
Ae. malasiaca J. THOMS. similis, sed minor, capite linea
medio-frontali tenui, nigro-glabra, in vertice continuata ac
38 DR. K. M. HELLER,
hic dilatata alterisque (ut in malasiaca) laterioribus, conicis,
utrinque in vertice et aequilatioribus pone oculos: prothorace
distincte transverso, lateribus in dimidia parte anteriore tuber-
culis duabus, altero super alterum, dorso, ut in malaszaca,
vittis nigris albo-marginatis; elytris latitudine 1!/, partibus
longioribus, praeter cristam basalem haud cristatis; tarsis
articulo tertio toto, ultimo in dimidia parte apicali nigris.
Lone, 1145, dati. sini
Tonkin: Hoa Binh (ex. coll. CLERMONT) et Ceylon (in
coll. B. SCHWARZER).
Die Ae. malastaca J. THOMS. ist mir nur aus Beschreibungen
und aus der Abbildung (LACORDAIRE, Gen. Col. Atlas T. 99,
Fig. 4) bekannt, so dass ich mich bezüglich der für Ae. dubiosa
angegebenen Unterschiede nur auf diese berufen kann. Wie
weit diese im vorliegenden Fall von dem Erhaltungszustand
der Stiicke (die mir vorliegenden 2 Stiicke lassen in dieser
Beziehung nichts zu wünschen übrig) und von der Genauig-
keit der Abbildung abhängig sind, kann ich zur Zeit nicht
beurteilen. Auf alle Fälle steht dubzosa der malasiaca nahe
und ist dieser sehr ahnlich vorwiegend weisslich tomentiert.
LACORDAIRE’s Abbildung von salaszaca weicht in den Längen-
und Breitenverhaltnissen wesentlich von dubiosa ab, erstere
zeigt einen viel längeren Halsschild und verhältnismässig
längere Flügeldecken, die schwarze Streifenzeichnung des
Halsschildes und die schwarze Ringelung der Fühler ist bei
beiden gleich, die des Kopfes ähnlich, nur zeigt bei letzterer
der Scheitel noch einen schwarzen Mittelstreifen, der in der
Verlängerung der feinen Stirnlinie liegt. Basalleisten der
Decken knapp ein Drittel der Decken einnehmend, entlang
der im Profil konvex gebogenen Riickenkante kahl und
gereiht gekôrnt, nach hinten nicht verlängert, auch sonstige
stark erhabene, grob punktierte Linien, wie sie PASCOE er-
wahnt, fehlen bei dudzosa, deren schwarz tomentierte Decken-
zeichnung nur jederseits aus einer bandartigen Schràgmakel,
in der Mitte an den Deckenseiten und einer, mit der Spitze
nach vorn gerichteten, pfeilàhnlichen Figur, im letzten Drittel
der Decken, besteht, deren äusserer Spitzenteil sich mit
Unterbrechung als feine schwarze Zickzacklinie bis zum Seiten-
NEUE ALTWELTLICHE BOCKKÄFER. 39
rande fortsetzt. Mittelschienen an der Spitze, das 3. Glied
ganz, das letzte in der Spitzenhälfte, bei allen Tarsen, schwarz.
(Die Art wurde früher von mir als Ae. fonkinensis i. |.
bezeichnet).
20. Olenecamptus signaticollis sp. n. (Taf. 5, Fig. 6).
Leochromus, signaturis lacteis ornatus; antennis subrufes-
centibus, articulis tribus basalibus plus minusve asperatis,
fronte medio, vertice secundum marginem ocularem punctatis;
prothorace latitudine sesqui longiore, transverse subplicato,
ante basin subconstricto, utrinque vitta lata, lactea, ante et
post medium macula oblonga interrupta; elytris apice singulis
acuminatis, sat remote, apicem versus evanescente punctatis,
maculis lacteo-tomentosis; it sunt: una, im primo quinto
vittiformi, suturali, ad basin extrinsecus transverse dilatata,
una suturali, postmediana, lacrimiformi, una vitta tenui sutu-
rali, in quinta parte apicali, alteracum, marginali, apice con-
juncta ac furcam formante et tribus lateralibus, prima puncti-
formi, post humerum, secunda, fasciaeformi, obliqua, juxta
ante medium, tertia longitudinali, elliptica, in secundo triente;
corpore subter albido-, metasterno margine laterali metepister-
nisque ut abdomine lateribus, clarius tomentosis, his in sternito
singulo macula punctiformi fuscescenti.
Kong: 1655, lat. 4,mm.
Madras: Nilambur (C. T. C. BEESON leg, 26. V. 1924) ex
Lagerströmia lanceolata.
Hell gelbbraun, mit milchweissen Streifen und Makeln ge-
ziert, deren Form aus der Abbildung ersichtlich ist, charak-
teristisch sind die breiten weissen Längsstreifen, jederseits
auf dem Halsschild, die vor und hinter der Mitte eine läng-
lich runde Makel, von gelbbrauner Grundfärbung, aufweisen
und ein ziemlich breiter Streifen im ersten Fünftel an der
Naht, der an der Wurzel der Decken nach aussen verbreitert
ist und eine gabelförmige Zeichnung im Spitzenviertel von
milchweissem Toment, auf der weisslichen Unterseite die
rundlichen braunen Seitenmakeln, am Vorderrand der Sternite.
21. Olenecamptus salweeni sp. n.
O. sandacano m. signaturis pallidis in elytris simillime orna-
40 DR. K. M. HELLER,
tus sed prothorace vitta supracoxali usque ad metepisternorum
apice continuata, lineola utrinque in margine antico, macu-
laque punctiformi utrinque, ante scutellum, lacteo-tomentosis ;
elytris stria subsuturali in dimidia parte apicali impressa;
corpore subter nigro, abdomine margine externo vitta, in
singulis sternitis in margine postico angulose inflexa et
punctum albidum, basalem, in sternito sequente fere tangente.
Cons are. lat. 355 mm.
Burma, Salween, in occidente: Zibyaung. V—VII. 1921,
ex Terminalia pyrifolia.
Dem O. sandacanus m. sehr ahnlich und namentlich durch
die, dieser Art fehlenden Thoraxmakeln und die Unterseiten-
farbung verschieden, diese ist bei der neuen Art schwarz,
mit Ausnahme eines von den Augen bis zu der Hinter-
leibspitze reichenden Seitenstreifen, der auf den Seitenrand
der Hinterbrust übergreift, auf dem Abdomen aber schmäler
und auf jeder Bauchschiene winkelig auf deren Hinterrand
umgebogen ist und dort mit seiner Spitze eine Punktmakel,
am Wurzelrand der folgenden Bauchschiene, fast beriihrt.
Das abgebildete Stiick ist ein 9 das durch kiirzeren Hals-
schild und im geringeren Umfang gekörnelten 3. Fühlerglied
ausgezeichnet ist,
22. Homonoea ornamentalis sp. n. (Taf. 5, Fig. 16).
Niger, luteo-tomentosa, capite linea cremea, ad oculi mar-
ginem internum incipiente ac in thorace elytrisque continuata
ac intus vitta nigro-denudata determinata, in his undato-
flexuosa, nam suturae primum trientum versus, dein ad suturam
recte porrecta ac post medium opposita divergente, praeterea
macula parva, transversa discali in tertio quarto, altera laterali,
oblonga, in primo et secundo triente, his linea submarginali,
pallida, fere conjunctis; prothorace capiteque tomento luteo
punctis, nigro-denudatis, irregulariter dispersis; elytris singulis
sub-bicostulatis, punctis seriatis, lateralibus maioribus; corpore
subter pedibusque multo densius nigro-denudato-adspersis,
apice oblique subsinuatis, angulo externo acuto, interno, sutu-
rali minute producto.
Long. 26, lat. 7.5 mm.
I. Philippinae: Samar, (coll. C. F. BAKER, Nr. 2307).
NEUE ALTWELTLICHE BOCKKAFER. 4I
Schwarz, zimtfarbig tomentiert, Kopf, Halsschild und Flügel-
decken mit durchgehender, milchweisser Tomentlinie, die auf
letzteren schlangenartig geschwungen und im 1. Viertel kurz
gegabelt ist und hinter der Mitte mit divergierendem Spitzen-
teil endet. Jede Decke mit zwei feinen teilweise Kahlen
Längsrippen, die vor ihrer Vereinigung, im dritten Viertel der
Decken, durch eine kleine, weisse, quere Schuppenmakel
verbunden sind; eine ebenso gefärbte kleine, längliche Punkt-
makel findet sich nahe am Seitenrande, über dem hinteren
Ende der Hinterbrustseitenstücke, eine etwas grössere, quere,
halbmondförmige, über der Wurzel der 2. Bauchschiene.
Punktierung der Decken auf dem subsuturalen, abgeflachten
Teil fast ganz erloschen, nach den Seiten zu kräftig und
gereiht. Körperunterseite und Beine ziemlich dicht mit grös-
seren, schwarzen Kahlpunkten bedeckt, aus deren Mittelpunkt
ein feines gelbes Härchen entspringt. Seitenstücke der Mittel-
brust auf ihrer oberen Spitze, die vorderen 4 Bauchschienen
beiderseits am Hinterrande makelartig weisslich beschuppt.
Die Art steht meiner als Heteroclytomorpha davoana beschrie-
benen Art nahe, die richtiger auch in die Gattung Homonoea,
dagegen meine Heteroclytomorpha quadripunctata zu Homoco-
morpha zu stellen ist.
23. Catapausa albaria sp.n.
C. bispinosae AURIV. valde affinis, sed differt scutello semi-
circulari, elytris in dimidia parte apicali vitta marginali,
introrsum sensim dilatata ac in elytrorum secundo triente
suturam versus, ultra discum extensa, albido-, margine apicali
haud albido-tomentosis; corpore subter pedibusque maxima
parte albido-tomentosis, punctis fusco-denudatis adsperso.
Bong. 18, lat. 5.5: mm.
Nova-Guinea: Torricelli montibus, alt. goo m. Prof. Dr. O.
SCHLAGINHAUFEN (Zürich) IX-- XI. 1909. leg.
Abgesehen von der sehr auffälligen, kreideweisen Tomen-
tierung der hinteren Hälfte der Deckenseiten, die nach innen,
im 2. Drittel der Deckenlänge, lappenartig bis über die
Deckenscheibe hinaus erweitert ist weiss ich keinen weiteren
Unterschied zwischen ihr und dzspinosa AURIV. anzugeben
42 DR. K. M. HELLER,
Nach der Abbildung (D. Ent. Zeitschr. 1908, Taf, III, Fig. 1)
zu urteilen scheinen bei letzterer Art die Dorne an der Aussen-
ecke der Deckenspitzen länger und nach hinten divergent
(bei a/barza kürzer, dicker und parallel) und die Halsschild-
dorne viel stumpfer, das Schildchen nicht halbkreisformig,
sondern etwas abgestutzt zu sein.
Heterotaxalus g. n.
Nyphoninorum prope Xiphotheatam et
Etaxalum PASC.
Caput fronte transversa, tuberis antenniferis obsoletis, valde
remotis. Oculi divisi. Antennae scapo elongato-ovato, in mare
crassiore, articulo tertio et quarto et scapo articuloque secundo
sumptis, longiore, reliquis longitudine sensim decrescentibus.
Palpi articulo ultimo subcylindrico-acuminato. Prothorax iner-
mis, feminae haud, maris capite distincte latiore. Elytra elon-
gata, parallela, basi apiceque truncata. Pedes breves, femora
maris, praesertim antica, incrassata. Coxae anticae maris spina
recurvata (ut in gen. Xzphoteata) armatae, tibiae in secundo
triente spina ad perpendiculum distante instructae.
Die Gattung teilt mit Xzphoteata PASC. das Merkmal der
im männlichen Geschlechte mit einem hornartigen Fortsatz
bewehrten Vorderhüften und der im 2. Drittel mit vertikal
abstehendem Dorn versehenen Vorderschienen, äusserlich
scheint sie jedoch, der Abbildung nach, Ltaxalus PASC. ähn-
licher zu sehen, Von beiden Gattungen unterscheidet sie
sich durch die an der Spitze quer abgestutzten Flügeldecken,
von Xzphoteata ausserdem noch durch den an den Seiten
vorn unbewehrten Halsschild, den schmäleren Prosternal-
fortsatz, den etwas längeren als breiten, nicht rechtwinkelig,
sondern sanft ansteigenden Mesosternalfortsatz, den dickeren
und kürzeren Fühlerschaft, der wesentlich kürzer als das
4. Fühlerglied ist und durch länger und schmäler gelapptes
3. Tarsenglied. Typus der Gattung ist:
24. Heterotaxalus schwarzeri sp. n. gd $ (Taf. 5, Fig. 4).
Ferrugineus, perparce subtilissimeque, macula laterali, obli-
qua, in elytrorum primo triente dense, in capite prothoraceque
NEUE ALTWELTLICHE BOCKKAFER. 43
submaculatim et plus saturatius ochroleuco-tomentosus; capite
crebre subruguloso-punctato, vertice sulcis tribus obsoletis
densius tomentosis; prothorace subtransverso, verrucoso-gra-
nulato, lateribus maris paulo rotundatis, feminae fere rectis, :
margine apicali subanguloso-concavo, basali maris uni-, femi-
nae bicarinato; scutello semilunari, longitudine plus duplo
latiore ; elytris sylindricis, prothorace perpaulo latioribus, apice
truncatis sat crebre punctatis, interspatiis maris ubique, in
femina solum in primo triente ac parcius minute, nitido-
granulosis.
Pons Ir, lat. 3:3#mrn,
Nova Guinea Germanica, C. WAHNES leg. ex. coll. FRANKLIN
MüLLER (in Mus. Dresden et Berlin-Dahlem).
Gelbrot, Kopf und Halsschild dunkler, überall fein gelblich
tomentiert, jederseits eine Makel im 1. Drittel an den Decken-
seiten, die vom Seitenrand etwas schräg nach innen und
hinten bis zur halben Deckenbreite läuft, dicht isabellfarben
tomentiert. Kopf dicht runzelig punktiert, Stirn zwischen
den Fühlerhöckern leicht eingedrückt. Scheitel mit 3 dichter
tomentierten feinen Längslinien. Halsschild, mit Ausnahme
des erhabenen Vorder- und Hinterrandes und der groben,
teilweise zusammenfliessenden Kôrnelung dunkler gelblich
und dichter als die Flügeldecken tomentiert; diese verworren
und mässig dicht punktiert, die Zwischenräume zwischen
den Punkten mit blasigen Körnchen, die bei den & sich über
die ganzen Decken, beim ® nur über deren erstes Drittel
erstrecken, Deckenseitenrand so wie die Beine mit sehr
spärlichen, langen, weissen, feinen Haaren. Vorderschenkel
beim d sehr grob, beim @ fein quer gerunzelt. Drittes Tarsen-
glied tief gespalten, die unterseits stark beborsteten Lappen
doppelt so lang wie breit. Herrn B. SCHWARZER (Aschaffen-
burg) in dankbarer Würdigung seiner fördernden Anregungen
gewidmet.
25. Doliops villalobosi !) sp. n. (Taf. 5, Fig. 11).
Cupreo-aeneus, labro pedibusque plus minusve viridi-metal-
1) Nach dem spanischen Seefahrer VILLALOBOS benannt, der die Insel
Samar entdeckte.
44 DR. K. M. HELLER,
licis, vitta frontali, genis, linea mediana, tenui, in thoracis
dimidia parte anteriore linea altera parte laterali cingente,
cum opposita per lineam transversam, discalem, fere con-
juncta; elytris anulis duobus, oblongis, basalibus, conjunctis,
exteriore, minore, alterisque tribus in dimidia parte apicali,
inter se conjunctis, meso- et meta-episternis, metasterno
lateribus, sternito abdominali primo margine postico, reliquis
vitta laterali, chloro-albido-tomentosis ; antennis articulo primo
secundaque aeneis, tertio nigro-tomentoso, apice nigro-fasci-
culato, quarto in dimidia parte basali albido-, reliquo nigro-,
reliquis fuscescententi-tomentosis.
Fons 2025 wat. 55 mm.
Samar (coll. C. F. BAKER, Nr. 23028).
Nahe mit D. geometrica WATERH. verwandt, von gleich
kupfrig roter Grund- und gleich grünlichweisser Tomentfarbe
der Linienzeichnung, die aber eine andere Anordnung zeigt.
Flügeldecken in ähnlicher Weise in der vorderen Hälfte mit
etwas raspelartig rauhen, zerstreuten Punkten, in der hinteren
Halfte mit Subsuturalfurche. Die griinlichweissen Tomentlinien
bilden jederseits im ersten Drittel der Decken eine quer-
liegende 8, deren kleinere Schlinge den Aussenrand erreicht,
während sie in der Spitzenhälfte der Decken 3 einander
berührende Ringe bildet, von denen der vordere leicht quer
und der grösste ist, die beiden anderen kleiner und hinter
einander, nahe dem Deckenrand gelegen sind und innen von
der Subsuturalfurche begrenzt werden. Alles übrige, auch die
längliche, grünlichweisse Tomentmakel auf der Unterseite
der Schenkel, vor deren Spitze, wie bei geometrica WATERH.
26. Enispia samarana sp. n.
E. venosae PASC. similis, fusco-nigra, parce longeque griseo-
pilosa, antennis unicoloribus, ut tarsis (plus minusve etiam
femoribus basi apiceque et tibiis) ferrugineis; vertice ochro-
leuco, prothorace, transverso, disperseque granuloso, maculis
punctiformibus minutis, una utrinque in margine antico et
postico, quatuor in seria-transversa, arcuata, ante convexa,
dispositis, aurantiaco-, dorso in dimidia parte basali, duabus
quartis medianis nigro-tomentosis; elytris suturae in secundo
NEUE ALTWELTLICHE BOCKKÄFER. 45
quinto, ante ramo antrorsum valde divergente et in primo
sexto longitudinis elytrorum fascia undulata, in disco inter-
rupta, formante, aurantiaco-, sutura reliqua punctis remote
seriatis, fusco-tomentosis, in secundo triente utrinque linea
fortiter bi-undulata, ante in partibus concavis maculis
duabus nigricantibus repletis, ut altera subapicali recta, obso-
leta albido-, spatio inter his lineis nebulose griseo-tomentosis ;
sternitis abdominalibus margine apicali lateralique anguste
testaceis, tibiis posticis, basi apiceque nigro-fuscis exceptis,
albido-tomentosis. |
Kong. 3, lat. 2.5 mm.
I. Phillippinae: I. Samar (coll. C. F. BAKER, Nr. 22752).
Von dieser Gattung, die sich von der ihr ähnlichen Mzspzla
dadurch unterscheidet, dass das 3. Fühlerglied länger als
das 4., während es bei dieser umgekehrt der Fall ist, und
von einer ihr nahe verwandlen Gattung Callenzspia sind von
Mr. W. S. FISHER (Philipp. Journ. Sc. 1925, p. 206—213)
eine Reihe neuer Arten, darunter drei von den Phlippinen,
beschrieben worden, wovon keine mit venosa, wohl aber eine
neue Art aus Borneo mit dieser Art verglichen wird. Die
vorliegende neue Art muss ihr recht ähnlich sehen aber
sofort von ihr durch den gelblich weiss tomentierten Scheitel
des Kopfes, die einfarbigen rotbraunen Fühler, die orange-
gelben Punktmakeln auf dem Halsschild, je eine davon
beiderseits auf dem Vorder- und Hinterrand und 4 in einer
gebogenen Querreihe, in der Mitte, und die orangegelbe
Linienzeichnung auf der Naht und den Decken unterschei-
den. Bei venosa ist die Naht im 2. Drittel, bei samarana im
2. Viertel gelb tomentiert und entsendet jederseits nach vorn
bei ersterer einen nach den Schultern gerichteten, mit dem
korrespondierenden einen spitzen Winkel bildenden geraden
Streifen, bei samarana dagegen zweigt von der Naht vorn
sehr stumpfwinckelig eine wellige Querlinie ab, die in ziem-
lichen Abstand hinter den Schultern verläuft; sie erreicht
den Seitenrand nicht ganz und wird auf der Scheibe der
Decken durch ein weissliches Verbindungsstück unterbrochen.
Weisse wellige Querlinie, im zweiten Deckendrittel, mit je
zwei Ausbuchtungen am Vorderrand, diese mit je zwei schwarz-
46 DR. K. M. HELLER,
braunen, stump dreieckigen Makeln ausgefüllt, zwischen ihr
und dem dunkelbraunen Spitzenteil der Decken befindet sich
eine zweite aber undeutliche, ziemlich gerade weisse Querlinie,
die mit der vorigen eine mehr grau beschuppte Querzone
einschliesst. Hinterschienen, mit Ausnahme der Wurzel und
Spitze, weiss tomentiert. Von skulpturellen Eigenheiten sei
erwähnt, dass die Haare auf dem Halsschild und entlang
der Wurzel der Decken ziemlich entfernten Körnchen ent-
springen, die auf letzteren nach hinten zu in Punkte übergehen.
Nahtstreifen nur in der hinteren Deckenhälfte vorhanden.
27. Glenea (s. str.) !) beesoni sp. n. (Taf. 5, Fig. 8).
Niger, sulfureo-tomentosa, pedibus testaceis, femoribus dorso
nigricantibus, antennis nigris, scapo transverse ruguloso-punc-
tato, articulo tertio subcurvato, fronte aequaliter disperse
punctata, linea mediana plus minusve nigro-denudata; pro-
thorace transverso, sat fortiter irregulariterque punctato, in
triente basali carinula mediana instructo, lateribus ante basin
subcoarctatis, vittis quatuor duabus dorsalibus, alteris mar-
ginalibus ornato; scutello transverso, subquadrato, elytris
apice truncatis ac quadrispinosis, spinis internis brevioribus,
sutura in quinta parte apicali dehistente, in duobus trientibus
basalibus, intra carinam humeralem, irregulariter fortiterque
punctatis, in partibus ramosis, nigris, callo humerali excepto,
subtilissime griseo-, reliquis dense sulfureo-tomentosis (ut
figura adjuncta demonstrat) maris pygidio nigro, margine
apicali tenui sulfureo, feminae sulfureo margine apicali bilo-
bato, corpore subter sulfureo, abdomine vitta mediana ut
segmentorum margine postico, plus minusve nigricantibus.
Long. 14.5, lat. 4.5 mm.
Brit. India, Punjab, Chakrata: Konain (C. F. C. BEESON
leg. 21. VI. 1924, ex Juglans regia).
Die schôn gelbe Tomentierung und die blass gelbroten
Beine dieser Art erinnern an die afrikanische kleinere syüstedti
AURIV. (Entomolog. Tidskr. 1903, p. 380, Fig. 12) doch fehlen
bei ihr die schwärzlichen Langsstreifen hinter den Augen und
1) Vergl. AURIVILLIUS Ark. for Zoolog. XIII, 1920, Nr. 9, p. 30.
NEUE ALTWELTLICHE BOCKKÄFER. 47
auf dem Scheitel und die gelbe Deckenzeichnung ist ihrer
Anlage nach (vergl. die Abbildung Fig. 8) eine ganz andere.
28. Glenea caninia sp. n. (Taf. 5, Fig. 18).
GI. canidiae J. THOMS. affinis, niger, capite maxima parte,
etiam subter oculos albo-tomentoso, tomento albo frontali
inter antennas vittis duabus, prothorace haud attingentibus,
producto; prothorace, albo-tomentoso, macula discali, trans-
versa nigra, per vittam tenuem margine apicali conjuncta,
altera macula utrinque laterali, ovata, transversa, supra aceta-
bula; elytris canidiae subsimiliter albo-tomentosis, sed fascia
postmediana ad suturam usque ad scutellum producta, singulis
in primo triente litura, basi abbreviata, altera obsoleta exte-
riore lineaque infra carinulam lateralem, tenui, ut corpore
subter albo-tomentoso, hoc partim nigro-denudato, nam macula
antemediana in meta-episternis, sternitis abdominalibus duabus
basalibus lateribus, ultimo toto, aut lateribus nigris.
Long. 12— 16, lat. 3.8—4.5 mm.
Brit. India, Kanara: Karwar (leg. IR. BELL, 20. IX, 1912).
Sehr nahe G/. canzdia J. THOMS. stehend, ebenso skulp-
tiert, schwarz, mit kremfarbiger Tomentzeichnung, die Sub-
apikalbinde aber nicht wie bei canidia bläulich grau, sondern
gleich den anderen kremfarben, die abstehende, im 1. Drittel
der Decken auf kremfarbigem Toment stehende, Behaarung
vorwiegend hell, statt schwarz, Kopf, mit Ausnahme einer
runden schwarzen Mittelmakel, die mit einer eben so gefärbten
Mittellinie auf dem Scheitel zusammenhängt, die sich entlang
des Halsschildvorderrandes fortsetzt und hinter den Augen
bis zu deren Hinterrand hin verbreitert, weiss, so wie der
Halsschild tomentiert, dieser auf der Scheibe mit schwarzem,
querelliptischem Mittelfleck, der durch einen feinen Streifen
mit der schwarzen Scheitellinie verbunden erscheint und je
ein schwarzer querelliptischer Fleck an den Halsschildseiten,
dicht über den Vorderhüften.
29. Stiroglenea decolorata sp.n. (Taf. 5, Fig. 12).
Fulvo-testacea, mandibulis nigris, capite, scapo prothorace-
que subferruginescentibus, pedibus pallide testaceis, testaceo-,
scutello maculisque elytralibus pallidiore testaceo-tomentosis ;
4
48 DR. K. M. HELLER,
capite sat crebre fortiterque, prothorace subtilius remotiusque
punctatis, hoc in dimidia parte basali carinula mediana;
scutello transverso, semilunari; elytris in dimidia parte interna
dorsali confuse, in parte exteriore seriato-punctatis (intra
humeros seriebus tribus, in quarta parte apicali abbreviatis)
quarta parte apicali haud punctato, spatio humerali carinu-
lato, apice extrinsecus spinosis, singulis vittis duabus macu-
lisque circa quatuor perobsoletis ornatis, nam: una vitta
mediana in primo triente alteracum, in duobus spatiis intra-
humeralibus posita, confluente, una macula elliptica, ad suturae
mediam, oppositacum antrorsum divergente et duabus vix
observandis, minoribus, oblongis, in parte apicali.
Fons 10.5, lat. hums:
Brit. Ind. Bengalia: Sunderbans (C. F. BEESON leg. 30. III.
1921), ex Heriticra.
Von allen bekannten Arten durch den ungemakelten,
einfarbigen Halsschild verschieden, gelbbraun, Kopf, Hals-
schild und Fühlerschaft mehr rötlich gelbbraun, die Beine
blass gelbbraun, mit gelblichgrauem Toment, das auf den
Decken eine bellere aber sehr verschossene Zeichnung bildet,
die je aus einem Längsstreifen in der Mitte des 1. Decken-
drittels, einem zweiten innerhalb der Schulter gelegenen und
im Spitzenviertel abgekürzten und aus je einer elliptischen
Makel an der Mitte der Naht und zwei oft sehr undeutlichen
länglichen, kleineren im unpunktierten Spitzenteil besteht.
30. Paraglenea fortunei szetschwana subsp n. 92.
À specie typica differt: statura minore, capite vertice macula
transversa, semilunari, margine antico convexo oculos haud
tangente, elytris in quarta parte basali fascia viridescenti-
grisea, suturam transeunte ac basin versus, secundum suturam
late, postrorsum tenuiter extensa et hic fasciacum postmediana
viridiscent conjuncta, fascia nigra, subapicali, utrinque puncto
viridiscenti-griseo.
Jong. 10, latei mm,
Szetschwan: Tatsienlu, expeditione WALTER STÖTZNER 1915.
Wesentlich kleiner als die Stammart und durch die die
Augen nicht beriihrende, quere, vorn konvexe, schwarze Schei-
NEUE ALTWELTLICHE BOCKKÄFER, 49
telmakel und eine gemeinsame grünlich graue Querbinde im
I. Viertel der Decken ausgezeichnet, die sich entlang der
Naht als breiter Fortsatz mit stark konkaven Seitenrändern
nach hinten in Form eines feinen Nahtstreifen bis zu der
hellen Postmedianbinde erstreckt. Schwarze Subapikalbinde
jederseits mit hellem Punkt wie bei fortune? v. notatipennis
PIC, die im Gegensatz dazu der v. savzor PIC (Melange exol.
col, 1923, p 21) fehlen.
31. Daphisia hamifera sp. n. (Taf. 5, Fig. 3).
Niger, palpis pedibus, tibiis apice tarsisque nigris exceptis,
fulvis; corpore supra albido-tomentoso, prothorace disco macu-
lis duabus subelongato-rotundatis, lateribus utrinque altera
minore, elytris vitta laterali ad basin dilatata, usque ad
sternitum analem extensa et hic fere ad elytrorum medium
hamato-inflexa, praeterea macula minuta, oblonga, subsuturali,
basali, altera maiore elliptica, antemediana ut parte septima,
apicali, nigro-tomentosis; corpore subter, prosterno meso-
sternoque, metepisternis, sternitorum abdominalium margine
postico albo-tomentosis exceptis, nigro-denudato.
Bong. 8.5, lat. 2.4. mm.
Tonkin: Hoa-Binh (ex coll. CLERMONT).
Eine durch die schwarze Makel- und Bindenzeichnung aus-
gezeichnete Art, deren Kopf, mit Ausnahme der rotgelben
Palpen, schwarz, auf den Backen und der Stirn aber dergestalt
weiss tomentiert ist, dass eine bis auf den Scheitel reichende
M-förmige Zeichnung gebildet wird; die weiss tomentierte
übrige Körperoberseite zeigt folgende schwarze Flecke und
Streifen: 4 länglich runde Makeln auf dem Halsschild, zwei
grössere, auf Fühlerbreite genäherte, auf der Scheibe, je eine
kleinere, unterhalb des Seitenrandes, 4 Makeln auf den
Decken, je eine beiderseits des weissen Schildchens, die
doppelt so lang wie breit ist, je eine mindestens doppelt so
grosse, ovale, vor der Deckenmitte, die von der Naht so weit
wie vom Seitenrand entfernt ist, einen an der Wurzel ver-
breiteten, die Seiten einnehmenden und bis zur Wurzel des
Analsternites reichenden und da hakenartig nach innen und
vorn, fast bis zur Deckenmitte, umgebogenen Streifen, von
50 DR. K. M. HELLER, NEUE ALTWELTLICHE BOCKKÄFER.
Schenkelbreite und ein das letzte Siebentel der Decken ein-
nehmendes Querband. Beine, mit Ausnahme der schwarzen
Schienenspitzen und Tarsen, rotgelb.
Pip;
» 2,
> 03,
» 4,
» 5,
» 6,
» Ws
ur
» 19,
» IO,
SIRIO
2772,
» 13,
» 14.
> 15,
» 16,
QUIZ
> 18,
»
UT
°
28.
TAFELERKLARUNG.
Chlorophorus anulifer.
Chlorophorus hederatus.
Daphista hamifera.
Heterotaxalus schwarzeri.
Mesocacia assamensis.
Olenecamptus signaticollis.
Olenecamptus salweent.
Glenea beesoni.
Cacia sexplagiata.
Mesocacia assamensis. Kopf schräg von oben.
Aesopida dubiosa.
Doliops villabosz.
Demonax strangaliomimus. Halsschild und
[Deckenwurzel.
Stiroglenea decolorata.
Saimia pardina.
Homonoea ornamentalis.
Xylotrechus antennarius.
Glenea caninia.
Die Linien, rechts neben den Figuren, zeigen die Körper-
länge (ohne Extremitäten) an.
An apparently new Satyrid from
Colombia
by
J. H. JURRIAANSE.
LEPIDOPTERA RHOPALOCERA. SATYRIDAE.
Pronophila bogotensis sp. nov.
Head, thorax and upperside abdomen dark blackish brown,
underside of abdomen greyish brown, palpus black with
white sides, legs blackish.
Upperside both wings dark blackish brown. In interspace
5 of fore wing a rectangular white spot, half way between
discocellulars and outer margin, 5 m/m long and 2'/, m/m
wide, the edges of same sprinkled with a few reddish scales.
In interspace 4 a small white spot divided from the large
spot by the black nervule 5. In interspace 3 a small white
spot at about 3 m/m from outer margin.
Underside of both wings lighter than above. White spots
on fore wing as on upperside. In interspace 3 a triangular
red spot about 5 m/m from medial nervure. In interspace
2 a minute white spot at about 4 m/m from outer margin.
From the typical row of blue sub-marginal spots found in
Pronophila thelebe DBL. & HEW. and Pr. brennus THIEME,
only traces “can tbe found'in interspaces I, 2 and The
apical part distally of the mentioned white spots, lighter
than discal part. In interspaces 7 and 8 some greyish scales.
The hind wings have the same design as those of Pr. thelebe
but much darker and more uniform brown in colour.
52 J. H. JURRIAANSE, AN APPARENTLY NEW SATYRID &c.
A row of uncertain moon-shaped and round spots, shows
a tendency for the development of ocelli, of which only
in interspace 1 two; and in interspace 2, one minute blue
centre, standing in a small dark spot, can be traced.
The outer margin of the hind wings is undulated as is
Pr. thelebe but a little stronger — Scilia of both wings same
colour as above. This species comes nearest to Pr. thelebe
and Pr. brennus.
Length of fore wing 35 m/m. one g' — Bogota, Colombia.
Eenige opmerkingen
omtrent Papilionidae van Soembawa
door
J. H. JURRIAANSE
(Rotterdam).
(Met plaat 6 en 7).
JORDAN zegt in Seitz op blz. 74, sprekend over de Indo-
Australische Papilionidae, van Papilio memnon clathratus
ROTHSCH., dat zij gekenmerkt zijn door een vuil-gele vlekkenrij,
op het discale deel van den achtervleugel en dat zij op
den voorvleugel-achterkant geen spoor vertoonen van sub-
marginale vlekken. Verder, dat op de achterzijde van den
achtervleugel, in de discale witte vlekkenrij, in 4 dezer
vlekken een zwart stipje aanwezig is.
Volgens mededeeling van JORDAN, hebben de 3 Soem-
bawa 99, die in het Tring Museum berusten, alle deze zwarte
vlekjes. In twee daarvan zijn zij uiterst klein en slechts 3
waarneembaar, terwijl in het derde exemplaar, dat donkerder
getint is, deze 4 vlekken groot en duidelijk zijn.
Van de 4 92 in de Coll. JURRIAANSE, is slechts bij één
exemplaar één enkel zwart vlekje te zien, terwijl een zeer
donker geteekend stuk, geen enkel vlekje vertoont. De
conclusie moet dus worden getrokken, dat bovengenoemde
vlekjes zeer inconstant zijn en niet als een der kenmerken
van den $ vorm kunnen worden aangemerkt,
C4 J. H. JURRIAANSE, EENIGE OPMERKINGEN
Verder vertoont het zooeven genoemd donker gekleurd
exemplaar de volgende kenmerken, in afwijking van de door
ROTHSCHILD beschreven stukken. 1)
Voorvleugel bovenzijde, donker bruin, aderen en langs-
strepen in de velden en cel zeer donker en duidelijk.
Achtervleugel bovenzijde, donkerder van grondtoon, de
discale vlekken in velden 2—6 helder wit, aan den rand
met enkele bruine schubben bestrooid.
Voorvleugel onderzijde, grijsbruin, aderen en strepen ín
de velden en cel zeer donker bruin. Het costale deel voor
den cel-apex lichter gekleurd, welke kleur in de vork, ge-
vormd door sub-costa 4 en 5 zijn maximum bereikt. Ook
het sub-anale deel van den voorvleugel is lichter gekleurd.
In de velden 1—6 bevinden zich duidelijk zichtbare licht-
grijze lunules, met de concave zijde naar buiten gekeerd.
Marginale witachtige vlekjes sluiten aan tegen de witte
ciliae.
Bij de achtervleugel onderzijde is het basale deel donker
zwart bruin. De discale vlekkenrij is helder wit en scherp
afgeteekend, evenals: de marginale vlekkenrij. Van deze
vlekken zijn alleen de anale vlekken en de apicale vlek
oranje-geel. Geen spoor van zwarte puntjes in de witte
discale vlekken. Bij het eenige 2 exemplaar van clathratus
in het Museum te Leiden, mankeeren ook de zwarte puntjes
door ROTHSCHILD genoemd.
Eerst meende ik, dat de hierboven genoemde verschillen
zouden te verklaren zijn als seizoen-vormen, doch blijkt het,
bij vergelijking van mijn stukken, met die in het Tring-
Museum, dat daaraan voorloopig niet moet worden gedacht.
Blijkbaar varieert clathratus vrij sterk, — Intusschen kan
onderzoek van meer materiaal hier zekerheid verschaffen.
Op plaat 6, fig. r—2 is afgebeeld een clathratus 9, dat
bijna geheel overeenkomt met de typische beschrijving,
fig. 3--4 de hierboven beschreven aberratie van c/a-
thratus. [
Ook Papilio polytes sotira JORDAN, van Soembawa, schijnt
weinig constant te zijn, voornamelijk wat betreft 99. JORDAN
1) Zie: Nov. Zoöl. 1895, p. 315, 1896, p. 322.
OMTRENT PAPILIONIDAE VAN SOEMBAWA. 55
zest in “Seitz, pag. Gaf dats der 29 óp de bovenzijde der
achtervleugels 3 of 4 witte discale vlekken hebben, die basal-
waarts rechtlijnig zijn afgesneden. Ik weet niet op hoeveel
exemplaren JORDAN zijn beschrijving baseerde, maar ik moet
veronderstellen, dat dit aantal betrekkelijk gering was. In
mijn collectie zijn aanwezig 7 Sd en 8 99, bijna alle gevangen
in Januari en slechts enkele in Februari en Maart. De
vrouwelijke stukken zijn bijna alle verschillend.
Bij exemplaar No. I is geen spoor van witte discale vlekken
op de bovenzijde der achtervleugels te vinden. Bij No. 2 een
spoor van één vlek. Bij No. 3, twee witte vlekken in aanleg ;
No. 4 twee goed ontwikkelde vlekken; bij No. 5 3 vlekken,
waarvan die in veld 2 de kleinste is (3 m.m. lang en rood
bestoven); No. 6 drie vlekken met een spoor van een vlek
ine veld 5: No: 7 dito, terwijl No. 8valleen in velden 3en 4
een witte vlek, met een neiging om rood te worden vertoont.
De vlekken in veld 2 en 5 zijn overwegend rood. Bij dit
exemplaar is het distale deel van de cel eveneens rood
gekleurd.
Ook de roode post-discale en anale teekening is zeer
afwisselend en inconstant. Bij No.1 is alleen een spoor der
anale roode vlek te zien. Bij No. 2 breidt de band zich uit
tor in veld. 3. Bi No: 3 stot veld 4 en nemen de roode
vlekken voor een groot deel de plaats der witte in. Bij de
stukken No.4 tot 8 is de roode vlekkenrij zeer gereduceerd
en bereikt veld 3. Bij No.8 verloopt het rood gedeeltelijk
door de witte discale vlekken.
Wat betreft de onderzijde der achtervleugels, deze ver-
toont dezelfde teekening, doch is het rood meer oranje
getint, en daarenboven bij elk der individuen verschillend.
Resumeerend, meen ik te kunnen zeggen, dat de 9£ van
Papilio polytes sotira zeer variabel zijn, reden waarom ik er
van zal afzien, het slechte voorbeeld van anderen te volgen
en te trachten elken vorm een naam te geven. De ver-
warring op dit gebied is werkelijk reeds groot genoeg.
Met het oog erop, dat er, zoover ik weet, geen afbeelding
van sottra bestaat, geef ik op plaat 7 een gereduceerde
afbeelding van de hierboven beschreven stukken No. 1 tot 8.
Voor-vleugellengte 45—50 m.m.
56 J. H. JURRIAANSE, EENIGE OPMERKINGEN OMTRENT ENZ.
Bij de beschouwing gelieve men niet uit het oog te ver-
liezen dat, niettegenstaande het gebruik van de meest pas-
sende lichtfilters, bij het fotografeeren, het zeer moeielijk
is de verschillende kleurnuancen, bij een zwarte afbeelding,
in hunne juiste verhoudingen onderling weer te geven.
Overzicht der Nederlandsche
Psylliden-soorten
door
H €. BEÖTE.
Hieronder volgen eenige analytische tabellen, die kunnen
dienen voor het determineeren onzer bladvlooien.
De tot nu toe hiervoor benoodigde litteratuur is zoo ver-
spreid, en vaak zoo moeilijk te verkrijgen, dat het mij niet
ondienstig leek, deze, voorzoover dit voor de Nederlandsche
fauna noodig was, tot een geheel te verwerken.
Hoewel ik zooveel mogelijk getracht heb, tot een uniform
geheel te komen, kunnen niet alle tabellen als geheel gelijk-
waardig worden beschouwd, daar sommige genera in zeer
langen tijd niet bewerkt waren, en ik niet steeds al het
noodige materiaal hiertoe tot mijn beschikking had; ik hoop
echter in de toekomst deze lijsten door betere te kunnen
vervangen.
Daar er in ons land nog slechts zeer weinig is verzameld,
leek het mij raadzaam een groot aantal waarschijnlijk-in-
landsche soorten tevens op te nemen, en bovendien te ver-
wijzen naar soorten die hier misschien zouden kunnen voor-
komen, dit zijn o.a. ook soorten, die op tuin- en kasplanten
gevonden kunnen worden.
Aan het eind volgt een beknopte litteratuuropgave.
58 H.C. BLOTE, (OVERZICHT: DER
INDEELING IN SUBFAMILIES ').
1. Voorhoofd door de wangen niet bedekt, doch ertusschen,
soms alleen aan de onderzijde van den kop, duidelijk
waarneembaar. De voorhoofdsocelle staat aan het boven-
einde ervan. — alleen bij ee zijn wangenkegels
aanwezig . . Sa
— Voorhoofd SEL Ge ee wangen he alleen de
ocelle is tusschen de wangen en den schedel waar-
neembaar .+ Siac Abs eck EE DIRE, Men À
2. Schedel plat en horizontaal, pei (atea ligt eronder,
en is gewoonlijk een smal, verlengd chitinestukje tus-
schen clypeus en voorhoofdsocelle. — Voorvleugels
veelaltlederachtie werdikt 2 1") ON
— Schedel naar voren afhellend, met het voorhoofd en de
wangen ongeveer in hetzelfde vlak liggend. — Voor-
vleugels meestal vliezig. . Subfam. 3. Pauropsyllinae.
3. Oogen vlak, niet uitpuilend; schedel langer dan breed,
naar voren plaatvormig uitgebreid. Pronotum op de zijden
ver naar onderen reikend. Voorvleugels leerachtig.
Subfam. 1. Leveznae.
— Oogen halfbolvormig uitpuilend; schedel niet langer
dan ‘breedt gu. &; Laon Subfam.. 2. Aphalerguae
4. Eerste lid der achtertarsen zonder klauwvormige doorns
aan den top. Radius, Media en Cubitus ontspringen
gewoonlijk in hetzelfde punt uit de wortelader. Voor-
vleugels veelal met spitsen top. Subfam. 4. Zrrosinae.
1) Een beknopt overzicht der Nederlandsche genera zou aldus kunnen
luiden:
1. Radius, Media en Cubitus in hetzelfde Le uit de wortelader
ontspringend . . . . EE
— Media en Cubitus een soie de ga ne de wortelader ont-
springend dus slechts twee aderen (Radius en Media + Cubitus) 2
2. De steel, die gevormd wordt door de samensmelting van Media en
Cubitus is minstens zoo lang als de steel van den Radius . . 3
— De steel van Media + Cubitus is duidelijk korter dan de steel van
den Radius. — zie Psylla en Arytaena (subfam. Psyllinae, onder 6).
3. Schedel vlak, horizontaal, naar voren plaatvormig uitstekend; Oogen
vlak niet uitpuilend. 2. © a EE
— Schedel gewoon, naar voren weinig of niet ME Oogen half-
bolvormig NE ee edn 4
4. Wangenkegels aanwezig . . SARE di Psyllopsis.
— Wangenkegels ontbrekend, — zie ‘subfam. Aphalarinae.
NEDERLANDSCHE PSYLLIDEN-SOORTEN. 59
— Eerste lid der achtertarsen met twee zwarte, klauw-
vormige doorns aan den top. Radius, Media en Cubitus
ontspringen niet in hetzelfde punt uit de wortelader,
doch Media en Cubitus zijn een eindweegs met elkaar
vereenigd. — Voorvleugels zelden toegespitst.
Subfam. 5. Psyllinae.
TABELLEN DER GENERA.
I. Liviinae,
Bifonssslechts.(het.senus"'m.a 000... 2.7. Livia. LATR.
II. Aphalarinae.
1. Voorvleugels dun, vliezig, fijn bestippeld, niet dwars-
rimpelig, aan het einde gewoon afgerond, ovaal. Ptero-
stigma gewoonlijk ontbrekend, anders is de Radius kort,
en aan het eind sterk naar voren gebogen. Bijna steeds
mondt de Radius ver vóór de vleugelspits uit, minstens
zoover er vóór als de monding van den voorsten Mediatak
erachter ligt. Meestal ligt deze laatste echter jnist in
desvieugelspits.. . u . ©. +2, Aphalara, FOERST.
— Voorvleugels tamelijk leerachtig, min of meer dwars-
rimpelig, ruit- of eivormig (bij de basis het breedst),
zelden meer vliezig en in de eindhelft het breedst (o.a.
bij A. speciosa), doch de top is ook dan spitser dan bij
Aphalara, en het daarachter gelegen gedeelte van den
eindrand bijna recht, zoodat de eindrand niet gelijk-
matig afgerond is. Pterostigma steeds aanwezig, meestal
vrij lang. Radius in de vleugelspits uitmondend, of
zeer dicht erbij, steeds minder ver er vóór dan de voorste
Mediatak erachter. Radius meestal recht, of wel: de
spits naar achteren gebogen . . 3. Rhinocola FOERST.
III. Pauropsyllinae.
Dlechts; een. Europeeschi genus. . :Calophya Low 1),
1) C. rhois Löw is gemakkelijk te herkennen aan de zeer groote vork-
cel van den Cubitus.
60 H. C. BLÔTE, OVERZICHT DER
IV. Triozinae.
1. }) Bovenzijde van kop en thorax behaard
Trichochermes KIRK. ®)
— Bovenzijde van kop en thorax kaal. 4. Trioza FOERST.
V. Psyllinae,
1. 8) Sprieten hoogstens zoo lang als de breedte van den
kop. De vorkcel van den Cubitus nauwelijks half zoo
groot (in oppervlakte) als die der Media
Diaphorina LOW 4).
— Sprieten langer dan de breedte van den kop. De vork-
cellen van Media en Cubitus weinig in oppervlakte ver-
schillend leste cal ner Den! Seef A CR RTE
2. Voorvleugels minstens tweemaal zoo lang als breed,
in of voorbij het midden het breedst. Kop en thorax
metipestippeld baia : BEN ARS
== Voorvieugels. iets leerachtig, iets bols dwarsrimpelig,
minder dan tweemaal zoo lang als breed. De grootste
breedte ligt vóór het midden. Kop en thorax fijn ge-
Stippel Ma es 1 nn. Aanblynhinaslëon
— Voorvleugels zeer dik, Jecrachbgi sterk bolgewelfd en
dwarsrimpelig, iets meer dan tweemaal zoo lang als
breed, de grootste breedte ligt in het midden. Kop en
thorax onbestippeld.. 6.1.4 2 21 Levellas GURS)
3. De voorste Mediatak mondt uit vóór de vleugelspits.
1) Het genus Bactericera PUT. onderscheidt zich van de overigen door
het ontbreken van de wangenkegels, en doordat het derde sprietlid
dikker is dan de volgende leden, ongeveer even dik als de beide eersten.
2) 7. Walkeri FOERST. Een groote (+ 5 mM.) fraaie soort, met aan
basis en top bruin gesprenkelde voorvleugels.
3) Het genus Euphyllura FOERST. onderscheidt zich van de overigen,
doordat de voorvleugels duidelijk ruitvormig en meestal leerachtig en
ondoorschijnend zijn. Schedel plat, wangen in hetzelfde vlak als de
schedel liggend, naar voren vlak uitgebreid, in het midden aaneenstaand.
Het genus Homotoma GUER. onderscheidt zich van de overigen, door-
dat de laatste sprietleden verbreed en dicht behaard zijn. — De voor-
vleugels aan het eind toegespitst, met behaarde aderen.
4) D, putoni Löw een kleine (+ 2 mM.) soort met bruingevlekte
voorvleugels.
5) L. ulicis CURT, Een zeer kenbaar dier, donker leerbruin, + 2!/; mM,
NEDERLANDSCHE PSYLLIDEN-SOORTEN. 61
Pterostigma geheel ontbrekend. Voorrandscel nauwelijks
3 maal zoo lang als breed . . . Alloeoneura Löw. |)
— De voorste Mediatak mondt meestal achter, zelden in
of iets vóór de vleugelspits uit. Pterostigma veelal
duidelijk, voorrandscel meer dan 3 maal zoo lang als
DIe ee EN EL ALERT RE ARTE 4
4. Voorvleugels’ zeer spits, de Radius mondt in de spits
WES 23. es) EIER Spanzoncura BOERST:)
— Voorvleugels sfecrond de Radius mondt zelden in *),
bite, steeds vooride spits uit ve AARD TE es
5. De steel, die gevormd wordt door de vereeniging van
Media en Cubitus is minstens zoo lang als de steel van
den Radius. De Media is bijna recht. Zijnaad van den
Prothorax als bij Arytaena. . . . 5. Psyllopsis Löw.
— De steel van Media + Cubitus is korter dan de steel
van den Radius. Media duidelijk gebogen . . . . 6
6. De zijnaad van den Prothorax (d.i. de naad tusschen
Episternum en Epimerum) eindigt van boven bij het
midden van den zijrand van het Pronotum. Rug tamelijk
vlak, schedel bijna horizontaal, evenals de wangenkegels.
Dorsulum hoogstens zoo lang als de schedel, van voren
minder uitgebogen dan van achteren. De voorste Mediatak
mondt uit in de vleugelspits 4). . 6. Arytaena SCOTT.
— De zijnaad van den Prothorax eindigt achter het midden
van den zijrand van het Pronotum, soms raakt het
Epimerum het Pronotum zelfs in het geheel niet aan.
Rug gewelfd; Dorsulum minstens zoo lang als de
schedel, naar voren minstens zoo ver uitgebogen als
nddmachterenss- 4. a Psylla GEOFER.
1) A. radiata FOERST. heeft zwarte zoomen langs de aderen aan den
eindrand der vleugels.
2) S. fonscolombi FOERST. is aan den vleugelvorm het best te herkennen.
In de eindcellen staan groepjes randdoornen, evenals bijv. bij 77z0za.
3) Echter wel bij de, ook bij ons op Buxus voorkomende, Psylla buxi
L. Deze onderscheidt zich van Spanioneura, behalve door de afgeronde
voorvleugels, o.m, doordat de wangenkegels niet langer zijn dan de schedel.
4) Het genus //oria Löw onderscheidt zich van Arytaena doordat de
kop met de oogen niet breeder is dan de thorax, — Schedel behaard;
wangenkegels sterk behaard en langer dan de schedel, — Pterostigma
klein, doch aanwezig.
62 H. C. BLÔTE, OVERZICHT DER
TABELLEN DER SOORTEN.
I. Livia.
1. Tweede sprietlid meer dan tweemaal zoo lang als het
eerste. Schedel van voren even breed als tusschen de
oogen. Bovenzijde bruinachtig, veelal roodachtig ge-
sprenkeld, onregelmatig gespikkeld. Voorvleugels geel-
bruin. — d': Genitaalplaat langer dan de tangen, deze
zijn eenvoudig gevormd, kort, naar de spits gelijkmatig
versmald, aan den top naar elkaar toe gebogen. —
Q: Genitaalsegment iets langer dan de twee voorafgaande
sternieten samen. — 2'/,—2?/, m.M. Z. juncorum LATR.
— Tweede sprietlid slechts 1'/, X zoo lang als het eerste;
schedel van voren breeder dan tusschen de oogen !).
Bovenzijde en voorvleugels bruingeel. Q Genitalién als
bij de voorgaande soort. — lets grooter. (3—4 m.M.) .
L. crefeldensis MINK.
2. Aphalara.
1.2). Clypeus kegelvormig, naar voren uitpuilend, bijna tot
den ‘voortand van den schedel reikend. MMM ENS;
— Clypeus tamelijk vlak, niet duidelijk boven het niveau
vande" wangen. verheven. 4,580 DU Poor
2. Voorvleugels tweemaal zoo lang als breed, achter het
midden het breedst, met zwarte stipjes of vlekjes be-
sprenkeld, en met een zwarten of bruinen dwarsband
vóór de spits. — d' Genitaalplaat aan weerszijden met
een haakvormig gekromd, naar achteren gericht uit-
steeksel. Copulatietangen ongeveer zoo lang als de geni-
taalplaat, naar het einde verbreed, en naar voren scheef
afhellend afgeknot. — ® Genitaalsegment kort, slechts
iets langer dan het voorafgaande sterniet — + 2 m.M.
A. exilis WEB. & MOHR.
— Voorvleugels ruim 2!/, maal zoo lang als breed; Ach-
terste cubitustak in een zwarte stip uitloopend. Soms
1) Z. limbata WAGA onderscheidt zich van ZL. crefeldensis doordat de
voorvleugels minder dan tweemaal zoo lang als breed zijn, en aan den
eindrand een zwarten zoom vertoonen.
3) A. famaricis PUT. heeft een duidelijk Pterostigma.
NEDERLANDSCHE PSYLLIDEN-SOORTEN. 63
is de eindhelft der voorvleugels berookt '). Kop en thorax
roodachtig of bruinachtig geel, althans van boven. De
sprieten reiken niet voorbij den voorvleugelwortel. Lengte
der achtertarsen ongeveer de helft van die der schenen.
Voorvleugels achter het midden het breedst. — & Copu-
latietangen recht afgeknot, overigens als bij de vorige
soort. — ® genitaalsegment als bij de vorige soort. —
A nT Mean le. oe ee ies An calthae” E, *)
3. Voorvleugels dicht met zeer fijne, zwarte stipjes be-
sprenkeld; — « Copulatietangen ongeveer 3 X zoo lang
als aan den top breed, hier iets verdikt door een ver-
breeding aan de voorzijde. Top recht afgeknot; — de
tangen zijn ongeveer zoo hoog als de genitaalplaat, deze
heeft, evenals bij de vorige soorten, twee haakvormige
uitsteeksels. — 2—-2!/, m.M.. A. artemisiae FOERST. 8)
Voorvleugels met een bruine vlek in het centrum der
achterste wortelcel, en bovendien met enkele vlekken
op de eindhelft. — 2'/,—3°/,m.M. . A. nebulosa ZETT.
— Voorvleugels doorschijnend, veelal met aan het eind
bruin gezoomde aderen, dwarsrimpelig. — x genitalien
als bij À. artemisiae, alleen zijn de tangen korter, ongeveer
2 X zoo lang als breed, en meer gelijkmatig versmald.
— lets kleiner dan de volgende soort, kleur veelal
groen. — 2—2!/, m.M. . . . A. nervosa FOERST. *)
—- Voorvleugels meestal geelachtig getint, niet dwarsrim-
pelig. — g Copulatietangen ongeveer driemaal zoo lang
als aan den top breed, vanaf het midden vrij sterk
verbreed, aan den top afgerond. — 2 Genitaalsegment
Il
1) A. affinis ZETT. heeft een zwarten kop en thorax. De antennen
reiken voorbij de voorvleugelbasis. Lengte der achtertarsen ?/; van die
der schenen. — Voorvleugels in het midden het breedst.
2) Hiertoe behoort wellicht tevens: A. subpunctata FOERST., waarbij
alle aderen eindigen in een zwarte stip (in Duitschland, o.a. bij Aken).
3) 4. pilosa OSH. onderscheidt zich van A. artemisiae doordat het ge-
heele lichaam, benevens de voorvleugels dicht behaard is. — 3 m.M.
A. maculosa Löw is iets grooter dan A. artemtsiae, de zwarte teekening
der voorvleugels vloeit meer ineen; de steel van den Radius is niet
langer dan de steel van Media + Cubitus.
4) Hiertoe behoort wellicht: A. inzoxia FOERST. waarbij de zwarte
zoomen langs de voorvleugeladeren ontbreken (o.a. in Duitschland bij
Boppard).
5
64
Ie
H. C. BLOTE, OVERZICHT DER
lang, bijna zoolang als de vier voorafgaande sternieten
samen. — Kleur meest geelachtig. — 2!/,—4 m.M.
A. picta ZETT.
3. Rhinocola.
1) De voorste Cubitus-tak sterk gebogen (+ 90°) . 2.
De voorste Cubitus-tak weinig gebogen, schedelvoorrand
ae He ccs 3
Voorvleugels eenkleurig, geelachtig of groenachtig.
Schedel door een scherpen rand van het voorhoofd
stomp, afgerond
gescheiden. — d‘ Copulatietangen korter dan de genitaal-
plaat, overal even breed, ongeveer driemaal zoo lang
als breed. — 2 Genitaalsegment buitengewoon lang, het
sterniet ongeveer even lang als de rest van het lichaam,
Lengte sey 2: mM.) eis ET leen ee ee
Voorvleugels met ringvormige vlekken aan den buiten-
rand, daarbinnen een zwarten zig-zag lijn en nog enkele
vlekjes. — Lengte 1—1!/j mM. . R. succincta HEEG *).
Voorste Cubitus-tak ongeveer 4 maal zoo lang als de
achterste. Voorvleugels achter het midden het breedst,
met zwarte stipjes en vlekjes gesprenkeld. Achterrand
van den schedel concaaf. — & Copulatietangen smal, on-
geveer 4 maal zoo lang als aan de basis breed, iets korter
dan de genitaalplaat, naar den top gelijkmatig versmald,
iets naar achteren gebogen. — & Genitaalsegment kort,
nauwelijks langer dan het voorafgaande sterniet. — Lengte
14 — 21/3, MM rn ae Ei CISA ron:
Voorste Cubitus-tak ongeveer 2 maal zoo lang als de
achterste. Voorvleugels in het midden het breedst, een-
kleurig geelbruinachtig. Achterrand van den schedel
recht. — d Copulatietangen als bij R. aceris, alleen naar
den top toegespitst. — 9 Genitaalsegment lang, het sterniet
zoo lang als de overige sternieten van het achterlijf
samen. — Lengte + 14, mM... |.) Rercae Cure
1) À. bicolor SCOTT onderscheidt zich van de overigen door het zeer
korte Pterostigma dat niet tot het niveau der Media-splitsing reikt.
2) Waarschijnlijk synonym met A. Zargionü LICHT.
NEDERLANDSCHE PSYLLIDEN-SOORTEN. 65
4. Trioza.
1. Radius voorbij het niveau der Mediasplitsing reikend,
de uitmonding valt ongeveer in één lijn met de Media-
splitsing en de uitmonding van den voorsten Cubitus-tak 2
— Radius niet voorbij het niveau der Mediasplitsing reikend,
de uitmonding valt duidelijk voor de lijn die door de
Mediasplitsing en de uitmonding van den voorsten
Cubitus-tak: gaat! tan. dA RE Me ae en Oe.
2. Ter hoogte van de Cubitus- ane is Hij voorrandscel
mmstensszoor breed. als: de Radiaalcel nr nr
— Ter hoogte van de Cubitus-splitsing is de voorrandscel
smaller. dam denRadiaalce en" An RO
Radius sterk naar achteren gebogen; de verbindingslijn
van de uiteinden van den voorsten- en achtersten tak valt
hierdoor gedeeltelijk in de Radiaalcel, de Radius (d. i. de
achterste tak) wordt hierdoor dus tweemaal gesneden.
Doornvelden goed ontwikkeld, langs de aderen doornvrije
strooken. — & Corpulatietangen eenvoudig, naar binnen
gebogen. — 2 Genitaalsegment zeer spits. 7. ramni SCHRK.
— Radius (achterste tak) bijna recht, de verbindingslijn
van de uiteinden van den voorsten en achtersten tak
LOP)
list<seheel in de voorrandscel . …: EN!
4. Voorvleugeloppervlakte duidelijk beans althans in
desmeestercellen een’ doornveld nn gi e te RE
— Voorvleugeloppervlakte niet bedoornd, hoogstens een
doornveldje in de achterste wortelcel bij den vleugel-
wortel, en enkele groepjes vrij dikke doorntjes aan den
CCE LIRA ae ARE TL CYAN EPE ie AE uke om TO
SEE On od Re EE SG O
6. Voorvleugels regelmatig bedoornd, de velden hebben
denzelfden vorm als de cellen, en laten alleen een strook
langs de aderen vrij”). Copulatietangen van terzijde
gezien rond, schijfvormig, met een naar binnen gericht
uitsteeksel aan de bovenzijde. . 7. viridula ZETT. oC.
1) 7. mesomela FLOR heeft den Clavus geheel diepzwart.
2) 7. agrophila Löw g': Copulatietangen, van terzijde gezien, vier-
kant, met achter op de bovenzijde een lang, cylindrisch uitsteeksel. —
Q Laatste tergiet, van boven gezien, ongeveer driemaal zoo lang als breed.
66
TAI
HiAG. BEOTE, OVERZICHT “DER
Voorvleugels met onregelmatig gevormde doornvelden.
Copulatietangen, van terzijde gezien, fleschvormig
T. dispar Löw @.
Voorvleugels helder, langs de aderen met onbedoornde
strooken !). — Laatste tergiet (van het genitaalsegment)
van boven gezien, ongeveer tweemaal zoo lang als
beeed 4 on om 4 ne Le vivid la LED
Voorvleugels reelachtie gent: geheel, dus tot vlak bij
de aderen bedoorndi. =»... Arn 7. ddr Meow
d Spitsen van de Copulatietangen naar binnen (dus naar
elkaar toe) gericht.
9 Genitaalegment spits wigvormig, tamelijk lang.
T.urticae 1%
d Spitsen van de Copulatietangen naar buiten gericht.
Q Genitaalsegment kort en stomp, van boven gezien
min of ‘meer afgerond | 2... »., J) en Ascona
Het 4° ents° sprietlid\ wit of geel vt io
Het 4°, en 5° sprietlid zwart of bruin. zet
Het ren 2%sprietlid tood: of "brun, 00 EEE
Alleen het eerste sprietlid bruin. (Zie: 7. chrysanthemi
en 7. proxima).
Het 1° en 2°sprietlid wit ee _ Ne veelal
oceltoetimblt*:. i << LO
Bet “Gemen, 7° SEA zwart DE Dr DI Vooren
zonder oppervlaktedoorns. — gy Copulatietangen met
naar binnen gebogen top, en met een tand in het
midden. Voorvleugels vrijwel glashelder. — ® Einde
van het achterlijf kort wigvormig. Voorvleugels geel-
achte Moe - «= « Do modesta FORRSE
Meteo cena 7s era WIE ae 000, bee at NES
Voorvleugels weinig of niet, soms alleen aan den wortel,
geelachtig getint . . er RIE
Voorvleugels geheel en AAE Dell pete an one alee
Het 4° en 6° sprietlid aan den top verbreed. Voor-
1) Zie noot ?) vorige bladzijde,
2) 7. binotata Low heeft een zwarte vlek in de achterste wortelcel,
bij de spits van den Clavus,
3) 7. cirsii Low: Vleugels bedoornd, glashelder. g': zonder tand in
het midden van de copulatietangen.
I5.
16.
NEDERLANDSCHE PSYLLIDEN-SOORTEN. 67
vleugels geheel bedoornd, aan den wortel gebruind. —
Laatste tergiet bij het g aan weerszijden met een haak-
vormig, naar binnen gekromd, uitsteeksel. — Genitaal-
segment van het ? kort wigvormig . 7. acutıpennis LETT.
Het 4° en 6° sprietlid gewoon. —- Laatste tergiet bij
het x zonder uitsteeksels. Voorvleugels glashelder of
gelikmatiesiets seelachtia getint. . nn 3 TA.
Schedel van achteren recht afgeknot. — g: Copulatie-
tangen zonder naar voren gericht uitsteeksel in het
midden. — @ Laatste tergiet van boven met een in het
oog vallende indeuking . . . T.chrysanthemi Low.
Schedelrand van achteren ingebogen. — g Copulatie-
tangen met een, naar voren gericht, uitsteeksel in het
midden. — 9 Laatste tergiet van boven bijna niet
ingedeukt 1)". . I. munda FOERST.
Vork der Media Sai HE de afstand van de
splitsing tot het eind van den Radius is ongeveer tweemaal
zoo groot als de lengte van den achtersten Mediatak. —
Voorvleugels geheel bedoornd. g Copulatietangen van ter-
zijde gezien ongeveer fleschvormig. Q Laatste tergiet
zeer stomp, vrijwel afgerond. . . 7. aegopodi Low.
Vork der Media gewoon, de afstand van de splitsing
tot het einde van den Radius is ongeveer even groot als de
lengte van den achtersten Mediatak *). Voorvleugels geheel
bedoornd. — g Copulatietangen driekantig, vrij lang en
smal. — ® Laatste tergiet kort, doch toegespitst
T. saundersi M.-D.
3) Het 8° sprietlid zwart. — Langs de voorvleugeladeren
onbedoornde strooken. — g Copulatietangen, van ter-
zijde gezien, ovaal, met een afgerond, kort, naar boven
gericht aanhangsel in het midden der voorzijde. —
Q Genitaalsegment lang en spits. -— Lengte ruim 2 m.M.
T. cerastii LOW.
1) 7. abdominalis FLOR onderscheidt zich van 7. munda doordat de
wangenkegels niet sterk divergeeren. Bij het & is de spits der copulatie-
tangen scherp haakvormig naar voren gebogen. Het laatste tergiet van
"RE Q aan het eind spitser dan bij 7. munda.
) 7. bohemica SULC heeft doornvrije strooken langs de aderen.
i T. senecionis SCOP. heeft het 5e tot 8e sprietlid licht — het ge en toe
donkerbruin. Voorvleugels met doornvrije strooken langs de aderen.
68
17.
19.
20.
2%
H ICH BEOTE,. OVERZICHT DER
Het 8° sprietlid geelwit. Voorvleugeladeren zonder doorn-
vrije strooken erlangs. — x Copulatietangen met haak-
vormig naar voren gebogen spits. — 2 Genitaalsegment
kort wigvormig. Lengte nauwelijks 2 m.M.
T. proxima FLOR.
Het 1° tot 3° sprietlid wit, of alleen aan de basis
gebruind … . BREE or
Alleen het derde un ZA I) ML Helden met
enkele doornvelden. — yg Copulatietangen lang en smal,
met naar voren gebogen spits. — %: Genitaalsegment
zeer kort:wigvormig + . .°. +. 7. maura KOERST.
Sprieten geheel zwart ®). Vleugels helder, zonder doorn-
velden. — g Copulatietangen lang en smal, naar voren
gebogen. — 9 Genitaalsegment kort wigvormig
T. nigricornis FOERST.
Radius tamelijk recht, de verbindingslijn der uiteinden
van den voorsten tak en den Radius (achterste tak) niet
overschrijdend. Voorvleugeloppervlakte met doornvelden.
— g Copulatietangen zeer lang toegespitst, met naar
buiten gebogen toppen. —: @ Laatste tergiet zeer kort
wigvormig. . . derden Ze valbivenisis OERS
Radius gebogen, Be verbindingslijn der uiteinden van
den voorsten en achtersten tak wel overschrijdend.— Geen
oppervlakte doornen. — g Copulatietangen, van terzijde
gezien, mesvormig, met naar voren gebogen spits. —
Q Genitaalsegment vrij lang, spits wigvormig |
I. curvatinervis FOERST.
Salt RU RATE ALE De E
CESPITI SRP TEST FO PORGE CAI RI RT E Gal
Copulatietangen met naar achteren gerichte spits.
Vleugels vrij breed, zeer veranderlijk in kleur en be-
doorning. — Alleen het derde sprietlid wit, overige leden
donkerbruin. — Lengte 2—2*/, mM. 7. galis FOERST. 4.
Copulatietangen niet met naar achteren gerichte spits 21
Alleen het 3°, soms bovendien de basis van het 4° spriet-
1) 7. striola FLOR heeft geen oppervlakte doorns.
2) 7. salicivora REUT. heeft wel oppervlakte doornvelden.
3) 7. crithmi Löw heeft de twee eerste sprietleden wit, de overigen
bruin, naar de spits donkerder wordend.
22.
De
24.
au
26.
NEDERLANDSCHE PSYLLIDEN-SOORTEN. 69
lid geelwit. — Grootere soorten, (ruim 3 mM.). . 22
Het 4° tot 7° sprietlid eveneens wit. — Een groote en
een kleine soort .. . . MAS 1 220
Copulatietangen lobbies de Lutcasie ‚ich afgerond,
de binnenste spits en naar binnen gebogen. Voorvleugels
met regelmatige doornvelden, soms echter is de be-
doorning sterk gereduceerd, vooral in de voorste wortel-
cel, waar het doornveld kan ontbreken
T. centhranti N ALLOT. ¢.
Copulatietangen slechts met één, naar binnen gebogen
spits. Vleugelbedoorning veranderlijk, alleen de achterste
wortelcel steeds bedoornd . . 7. remota FOERST. d.
Het 1° en 2° sprietlid bruin. Voorvleugels geheel be-
doornd, zonder onbedoornde strooken langs de aderen.
— 4 De Copulatietangen hebben, van terzijde gezien,
den vorm van een cirkelsegment, de kromme zijde naar
voren. — % Genitaalsegment matig lang, doch sterk
toegespitst. — Lengte + 2 mM. . 7. chenopodii REUT.
Alleen het einde der Antennen bruin. Voorvleugels bijna
geheel zonder oppervlaktedoornen. -— 3 Copulatietangen,
van achteren gezien, snoeimesvormig, met naar binnen
gebogen spits, van terzijde ongeveer overal even breed.
— 9: Genitaalsegment zeer lang, en geleidelijk versmald.
—tlengtes 4 mM. u ll. „2... 7. alacris FLOR:
Einde van het achterlijf breed wigvormig, van boven
gezien is de hoek die de zijden metelkaar maken + 60° 25
Einde van het achterlijf smaller, spitser . … . . 26
Radius vrij lang, bijna boven de Mediasplitsing eindigend.
Vleugels volkomen helder, bedoorning veranderlijk. —
Grootere soort (t 3 mM.). . 7.centhranti VALLOT. 9.
Radius kort. Voorvleugels veelal geel getint, soms zeer
sterk. Voorvleugelbedoorning veranderlijk. — Kleinere
soort (2-23 MM vite eal: FOERSF 2.
Alleen het 3°, soms de basis van het 4° sprietlid geel-
wit. Vleugelbedoorning veranderlijk, alleen de achterste
wortelcel steeds bedoornd. — Vrij groote soort (ruim
Ee Ae Ra ONORE. Fem0ta Eh OERSTS 2.
IEA torse ed eveneens wit. — Een groote en
eenvkleine soort. at RMS. TL he nt WZS
79 HACBLOTE, OVERZICHT DER
5. Psyllopsis.
1. Lichaam geheel lichtgroen of geelachtig. Voorvleugels
glashelder, met witachtige aderen, of wel iets geelachtig,
zonder zwarte vlekken. Antennen geel, de leden vanaf
het vierde met zwarten top, de twee laatsten geheel
zwart. — d': Copulatietang bijlvormig (van terzijde ge-
zien); aan de spits zwart . . . fraxintcola FOERST.
— Lichtgeel of groen, met duidelijke, zwarte strepen, die
de grondkleur vaak geheel verdringen. — Vleugels
gevlekt 5 4u ben se Mt ag LOS PER RN
2. Copulatietangen van het ©, van terzijde gezien, drie-
hoekig, van onderen smal, naar achteren hoekig uit-
gebogen !). Voorvleugels helder, in den regel met een
zwarten, of bruinen, scherp begrensden band aan den
eindrand, vanaf de spits van het Pterostigma tot het
midden der vorkcel van den Cubitus. — Lengte 2!/, mM.
P. fraxena JE:
— Copulatietangen van het &, van terzijde gezien, hamer-
vormig. De onderste helft is smal, hierop staat een
even hoog stuk dat plotseling + 4 maal zoo breed is.
— De donkere vleugelteekening is minder scherp be-
Stensd UN EL, Me En Et RP decreta GEN
6. Arytaena.
Kop en thorax groen of geel, op den rug met rood-
achtige of bruine vlekken. Vleugels met lange bruine
strepen in de Radiaal- en meestal in de achterste
to
wortelcel, benevens kortere, driehoekige vlekken in de
Mediacel’ en de Vorkcellen © 5. A. venzstac Tien:
7. Psylla.
Er zijn drie soorten in dit geslacht, door J. EDWARDS in
„Hemiptera Homoptera of the British Islands’ 1896 be-
1) P. distinguenda EDW. onderscheidt zich van ?. fraxini doordat de
binnenzijden der copulatietangen in het midden een vliezigen tand ver-
toonen. De bandvormige teekening op de voorvleugels is breeder en
scherp begrensd.
2) A. adenocarpi Löw is lichter van kleur, de rugvlekken geelachtig.
Op de voorvleugels alleen aan het einde bruinachtige schaduwvlekken
tusschen de aderen.
NEDERLANDSCHE PSYLLIDEN-SOORTEN. 71
schreven, die ik, door de onvolledigheid der beschrijvingen
niet in deze, in hoofdzaak aan SULC ontleende, tabel kon
onderbrengen. Een verkorte beschrijving, met de voornaamste
kenmerken, volgt daarom hieronder.
P. brunneipennis EDW.: Wangenkegels zoo lang als de
schedel in het midden, de binnenzijde recht, de buiten-
zijde ingebogen, zeer weinig divergent. Antennen onge-
veer half zoo lang als de costa. Voorvleugels donker
berookt-doorschijnend, in en bij de voorste wortelcel
geheel doorschijnend; aderen geelbruin, naar het eind
zwart. Achterrand met een zwarte streep voor den
top van den clavus. g Genitaalplaat ongeveer tweemaal
zoo hoog als de copulatietangen, dezen ongeveer twee-
maal zoo hoog als hun basisbreedten, de voorste helft
van den top verlengd tot een breeden, stompen tand.
OmEaatsteltergiet Ly langer dan "het laatste sterniet.
Lengte 2!/,—3 m.M. Lijkt op P. pruni, doch is minstens
de helft grooter.
P, concinna EDW. Wangenkegels behaard, matig lang. Voor-
vleugels doorschijnend. de achterste cubitustak staat in
een groote, onregelmatige, scherp begrensde, zwarte
vlek; deze vormt met twee andere, ovale, onregelmatige
zwarte vlekken een schuinen, afgebroken, vlekkigen
band, die eindigt bij den top van den Radius. — Verder
een zwarte vlek bij den top van het stigma, en een
kort stuk van de toppen van den voorsten Cubitus-tak en
der Mediatakken zwart gezoomd. — Lengte 2 m.M.
(waarschijnlijk P. pulchella Löw).
P. venata EDW. 2 Dekschilden melkwit doorschijnend, de
aderen breed vuilroestgeel gezoomd. — Genitaalkleppen
verlengd driehoekig, zoolang als de rest van het abdomen.
— Lengte 2!/, m.M. (waarschijnlijk beschreven op een
onuitgekleurd exemplaar van P. kartigi FLOR).
I. Vleugelmembraan langs den achtersten Cubitus-tak met
cenizwarte viekuof viekkio berookes nut. m... irt 2:
— Vleugelmembraan langs den achtersten Cubitus-tak geheel
Zonders Vicks Of DerOOkinG = ems EUR Ne o 13.
72 H. C. BLÔTE, OVERZICHT DER
iS)
1) Vleugelmembraan alleen in de Radiaal en Mediaancel
en in de vorkcellen van Media en Cubitus met doornen
nabij den rand. Berookt; de berookte vlek langs de
achterste Cubitus-tak weinig scherp begrensd. — x Copu-
latietangen kort en dik, naar het eind kort toegespitst
en naar achteren gebogen; naar binnen afgeknot tand-
vormig verbreed, van voren scherpkantig, naar achteren
hoekig. — 9 Genitaalsegment kort; snavelvormig toe-
gespitst. — Sprieten 1.3 m.M. Lengte 2.5 m.M.
P. crataegi SCHRK.
— Voorvleugelmembraan langs den rand geheel bedoornd. ?)
De vlek langs den achtersten Cubitus-tak aan den rand
het breedst; driehoekig. Voorvleugels met weinig opper-
vlakte doornen, overal breede, doornlooze strooken aan-
wezig. Onderzijde geheel onbedoornd. g: Copulatie-
tangen recht en vrij breed, van boven spiesvormig, met
een langen, naar binnen gekeerden tand. ® Anus zeer
lang. Laatste tergiet zeer lang, zonder bulten, snavel-
vormig, slank. — Sprieten 1 m.M. Lengte 2!/, m.M.
P. alipes FLOR.
3. De spits van de voorvleugels valt samen met de uit-
monding van den Radius. — Vleugelmembraan iets leer-
achtig, groengeel. g Copulatietangen recht, de toppen
naar elkaar gebogen, bijna even lang als de genitaal-
plaat. — 2 Laatste sterniet ongeveer zoo lang als de
overige sternieten samen, het tergiet ongeveer |’, langer.
— /Sprieten (1,3; mM. TLenste ra vmM. vi Li 20020008
— De spits van de voorvleugels ligt in of achter het einde
van den voorsten Mediatak.— 3) Geen Pterostigma. Voorste
1) In deze groep behooren nog drie soorten met zwarte vlekken in de
eindhelft der vleugels, vooral langs de aderen. Deze soorten zijn:
P. breviantennata FLOR heeft geen doornlooze strooken langs de
aderen. De doornen staan zeer dicht bijeen, sprieten korter dan 1 m.M.
P. limbata M. D. heeft wel doornlooze strooken, Voorvleugels met
een breeden, aaneengesloten band. — Sprieten 1.3 m.M.
P. pulchella Löw heeft eveneens doornlooze strooken. Voorvleugels
met een smallen, vaak in vlekken opgelosten band. — Sprieten 1 m.M.
2) P. dudai Suc heeft de vlek langs den achtersten Cubitus-tak overal
even breed. — Spits van den clavus niet berookt. Doornvelden uit-
gebreider dan bij ?. albıpes, ook aan de onderzijde doornen.
3) P. viburni Löw heeft een duidelijk Pterostigma; de eindrand der
vleugels duidelijk afgeknot.
NEDERLANDSCHE PSYLLIDEN-SOORTEN. 73
Radiustak niet langs den voorrand verlengd, evenmin
is de voorrand verdikt. — Vleugels aan het basale
derde deel duidelijk versmald, naar het eind verbreed.
Aderen bleek, naar den top zwartachtig. g: Copulatie-
tangen dun en vrij lang, doch korter dan de genitaal-
plaat, de spitsen naar binnen gebogen. 2 Genitaal-
segment priemvormig, aan het eind zaagvormig getand.
— Sprieten 1!/, m.M. Lengte 3--4 m.M. . P. fusca ZETT.
— De spits van de voorvleugels ligt in den eindrand der
Radiaalcel, gewoonlijk ongeveer in het midden . . 4.
4. Geen oppervlaktedoornen in de Voorrands- Radiaal- en
Mediaancel, wel in de Wortelcellen ’). Tusschen de aderen
liggen bruine, langwerpige vlekken, ongeveer even bruin
als de spits van den clavus. Wangenkegels !/, korter
dan de schedel. & Copulatietangen sterk sikkelvormig
naar voren gekromd, met een, naar voren gerichten
tand aan de basis. — ® Genitaalsegment aan den wortel
plotseling versmald. De bovenste genitaalklep zeer lang.
ey Sprieten nımN. Bengteri2l), mM.) de Pippa
— Wel oppervlaktedoornen in de Voorrands- Radiaal- en
Medie à Fahr AAM 3 Be
5. Geen onbedoornde strooken langs de aderen, althans
niet langs het buitenste twee-derde deel van Radius en
Media. De doornen staan dus tot vlak langs deaderen 6.
— Langs de aderen, tenminste langs Radius en Media,
smallere of breedere, onbedoornde strooken . . . 8.
6. ?) Wangenkegels zoolang als het voorhoofd, vleugels kort,
slechts ongeveer 1 mM. lang, naar het eind gelijkmatig
versmald. De donkere berooking vult de cellen geheel
op. De oppervlaktedoornen staan zeer dicht bijeen.
— cd: Copulatietangen naar achteren gebogen, aan de
basis met een afgeronden, naar achteren gerichten
bult. — 2: Genitaalsegment kort, het sterniet ongeveer
11), maal zoo lang als het voorafgaande, het tergiet
1) P, bidens Surc heeft de schaduwvlekken duidelijk lichter dan de
donkere clavusspits. Wangenkegels ongeveer zoo lang als de schedel.
Sprieten 1 m.M. Lengte 4 m.M.
2) P, spartitcola SuLc heeft, in tegenstelling met de volgende soorten,
een uiterst klein Pterostigma.
74
FAC BLOTE, OVERZICHDNDER
ongeveer tweemaal zoo lang als het sterniet, doch niet
ver er voorbijreikend. — Sprieten 0.8 mM. Lengte
1*/,—2 mM. — Kleur zeer veranderlijk, groengeel tot
zwart-met-rood . . : . . P. parvipennis Löw.
Wangenkegels deel veer dan het voorhoofd in
devmiddellijn: star» i tile age Oo AAA
De oppervlaktedoornen staan zeer dicht bijeen (op
ongeveer 2 u afstand). De voorste Radiustak vereenigt
zich min of meer met het leerachtig Pterostigma. —
d': Copulatietangen klein en dun, slechts half zoo lang
als de genitaalplaat, de spitsen geleidelijk naar elkaar
toe gebogen. — ®: Genitaalsegment zeer lang, het ster-
niet ongeveer zoo lang als de drie voorafgaande sternieten
samen, het tergiet nog 1'/, maal zoo lang. — Kleur
veelal oranjegeel. — Sprieten 1 mM. Lengte 2!/, mM.
P. hartigi FLOR.
De oppervlaktedoornen staan op afstanden van 10— 20 u
De voorste Radiustak ís vrij goed van de rest van het
Pterostigma te onderscheiden. — De donkere berooking
der vleugelmembraan reikt vaak niet tot het binnenste
der cellen, de aderen worden niet veel donkerder dan
de membraan erlangs. — &: Copulatietangen tamelijk
kort en dik, kegelvormig, zwak naar binnen gebogen,
ongeveer !/, korter dan de genitaalplaat. — 9: Laatste
sterniet ongeveer zoo lang als de twee voorafgaanden
samen, het tergiet ongeveer tweemaal zoo lang als het
sterniet. — Kleur veelal donker rood-bruin. Voorvleugels
naar de basis lichter. — Sprieten 0.8 mM. Lengte
PAY cl eae Aes ARNO ee PAyprunisSsese
De N staan zeer dicht bijeen (op
ongeveer 2 u afstand), de doornvrije strooken zijn hier
en daar, vooral langs den Cubitus, niet duidelijk waar-
neembaar, en ontbreken op sommige plaatsen geheel.
— e: Copulatietangen smal, 5—6 maal zoo lang als aan
de basis breed, bijna zoo lang als de genitaalplaat ; de
toppen scherp toegespitst. — @: Laatste sterniet onge-
veer zoo lang als de twee voorafgaanden samen, het
tergiet weinig langer, slechts '/, van zijn lengte verder
naar achteren reikend. — Kleur meestal grootendeels
IO.
IR
12.
JE
NEDERLANDSCHE PSYLLIDEN-SOORTEN. 75
oranjegeel met groen achterlijf. — Sprieten 1 mM.
engter2) Aa RE EN SEE. oz 0re ua 1 FOERST:
De oppervlaktedoornen staan, althans in het midden
der Radiaalcel, ongeveer 20 u van elkaar . . . . 9.
De geheele vleugelmembraan, uitgezonderd het stigma,
dat berookt kan zijn, geheel doorschijnend, zelden iets
seelkeetint «doch nooit: troebel”, top tetteren TO!
De geheele vleugelmembraan min of meer melkwit tot
donkerbruin berookt, of wel: alleen bruine vlekken aan
denseindrandsof-bij den. Clavusnaad. mes vn 18.
De voorrand van het Pterostigma en de voorste Radius-
tak volkomen vereenigd met de leerachtige oppervlakte ;
alleen bij P. aluz blijft een klein, ti stukje over.
tetes Klein (MECS Ar arten: bent MN ES
De voorrand van het Pterostigma en ae voorste Radius,
tak zijn duidelijk afzonderlijk waarneembaar; een bleek-
vliezig stigma ligt er tusschen, waarvan het einde voorbij,
zelden juist boven het midden van den Radius ligt . 12.
1) De voorvleugeladeren zijn grootendeels zwart; voor-
vleugels 4!/, mM. lang, de voorste helft der voorrandscel
bedekt met oppervlaktedoorns, het binnenste derde deel
der Radiaalcel zonder doorns. — &: Copulatietangen lang,
matig dik, recht, alleen het bovenste deel naar binnen
gebogen; top stomp, weinig korter dan de genitaalplaat.
— 2 Laatste sterniet ongeveer zoo lang als de twee vooraf-
gaanden samen, het tergiet zeer lang, ongeveer twee-
maal zoo lang als het sterniet, sterk toegespitst. —
Kleur grootendeels groen of geelachtig. Sprieten 3 mM.
encter acm Meek eed a) hed lice AZ DE
De CE geheel i Voorvleugels
3 mM. lang. De buitenste helft der voorrandscel met
oppervlaktedoorns, het binnenste derde deel der Radiaalcel
eveneens. — Genitalien ongeveer als bij de vorige soort.
— Sprieten 1.2 mM. lengte 3.5 mM. Kleur veelal bruin-
BEEN E M EE rderulaee LL.
?) Voorste wortelcel onbedoornd, slechts in den buitenhoek
P. alpina FLOR heeft de geheele voorste wortelcel met doornen
opgevuld, ook de overige cellen bijna geheel bedoornd.
2) P. picta FOERST.: De doornen in de voorrandscel reiken niet tot
het einde, doch laten hier een doornvrije strook over.
76
14.
15.
H. Ci BLOTE; OVERZICHD DER
met een kleine groep dunne doorntjes. — Aderen wit-
achtig, nooit geheel gebruind. . . . LU eee
Voorste wortelcel duidelijk bedoornd; ader bijna altijd
donker gekleurd. (Zie ook: P. hippophaes) . . . 14.
De oppervlakte-doornvelden in de Voorrands- en Radiaal-
cel in de binnenste helft versmald tot op één enkele
doornrij. — d Copulatietangen overal even breed, smal,
aan den top gebogen, tamelijk lang toegespitst. Binnen-
zijde bij den top met een naar binnen gerichten tand.
— Q Tergiet van het genitaalsegment kort wigvormig,
aan den top afgerond; sterniet spits kegelvormig, in een
spitsen punt uitgetrokken. — Kleur meestal groen. Sprie-
tenaroumM: Lengte/41/0mM 722 ulmi RSERSD
De grenzen der doornvelden zijn allen ongeveer even-
wijdig aan de aderen, alleen naar de spits der Media
is het doornveld iets verbreed. — d Copulatietangen
bijna recht, overal even dik, weinig korter dan de genitaal-
plaat. — ® Genitaalsegment ongeveer als bij de vorige
soort. — Kleur groen, geel of bruinrood; sprieten 1.2 mM.
bengteY43mM.ir neten an a natte Mal SCENES
De voorste wortelcel en de voorrandscel geheel bedoornd,
vooral dicht bij de basis. De doornvelden reilen overal
tot ‘dicht™ bij denleindrand.. 0. 7% M HE NDE
De voorste wortelcel niet geheel bedposnd (alleen bij
P. melanoneura ook in den buitenhoek ijl bedoornd. De
doornvelden laten aan het einde een onbedoornde strook
Open NUL HEN e RR OREL es TRI ENG
Einde van de Anaalader niet opvallend donker gekleurd.
Aderen in de buitenste helft van de vleugels duidelijk
bruin, met flauwe, zwartachtige strepen. — d Copulatie-
tang kort en breed, meer dan de onderste helft van den
achterrand naar achteren verbreed, evenals de voorzijde
van het bovenste gedeelte. Top kort, hoekig, stomp
afgerond. — 2 Laatste tergiet kegelvormig, lang toege-
spitst, snavelvormig; bovenrand recht. — Kleur geel tot
zwartachtig. Antennen 1 mM. Lengte 2.3 mM.
P. nigrita ZETT.
Einde van de Anaalader zwart op lichteren grond, dui-
delijk afstekend, ook de overige aderen, bij uitgekleurde
16.
NEDERLANDSCHE PSYLLIDEN-SOORTEN. Th:
exemplaren aan het eind zwartachtig, zoodat ze iets
afsteken. — d Copulatietangen, aan de onderzijde, naar
achteren uitgebreid, bij den top met een naar achteren
gerichten tand. — 2 Genitaalsegment als bij de vorige
soort. —' Sprieten 1.2 mM. Lengte 2!/,— 3 mM.
Pr\saliceti FOERST.
De oppervlakte der voorrandscel geheel bedekt met door-
nen, tot aan het (zeer korte) basale stuk van den voorsten
Radiustak, vooral boven het buitenste derde deel van den
Radius. — Groepen randdoornen smaller dan de opper-
vlakte-doornvelden. Voorvleugels ongeveer overal even
breed. Pterostigma carmijnrood. — d Copulatietangen
recht, met afgeknotten top, weinig korter dan de Genitaal-
plaat. — © Laatste tergiet sterk toegespitst, bovenrand
concaaf, tamelijk kort, weinig voorbij het sterniet reikend.
Dit is ongeveer even lang als de twee voorafgaanden
samen. Kleur meestal donkerbruinrood. Sprieten 1 mM.
Wenote em aie en Pa Pyrisupas BOERS:
De oppervlakte der voorrandscel niet geheel bedoornd,
slechts met een kleine groep doornen nabij den buiten-
FENG RAP NA IE 2 Tee AEON PINE A eg 7
De groepen randdoornen duidelijk breeder dan de opper-
vlakte-doornvelden. Voorvleugels in het eerste derde deel
versmald, evenzoo in het buitenste. — dc Copulatietangen
dik, in het midden iets verbreed, aan den top gespleten,
de achterste spits scherp en naar binnen gebogen, de
voorste afgerond en rechtopstaand; iets korter dan de
genitaalplaat. — © Laatste tergiet wigvormig, van de
basis naar den top sterk versmald, de top iets verdikt
en afgerond, geen bult op den bovenrand, noch van
basis naar top convex gebogen, aan de spits met scherpe
doorntjes. Laatste tergiet weinig of niet langer dan het
voorafgaande. Kleur eerst groen, later bruin met zwarte
en roode vlekken. Sprieten 1 mM. Lengte 2.5 mM.
Pe costalzs EF LOR.
De groepen randdoornen even breed als de doornvelden.
Voorvleugels naar de basis in het eerste derde deel sterk
versmald, slechts weinig naar de spits, in het buitenste
derde deel. In de voorrandscel, behalve de groep doorntjes
78
19.
HG BLOTE OVERZICHTADER
bij den rand, bovendien nog een groep dunne doorntjes
bij de basis. — g: Genitaalplaat ruim 1!}, X zoo lang
als de copulatietangen. Copulatietangen vrij recht, kort
toegespitst, de voorzijde recht, de achterrand in het
midden iets ingebogen, gelijkmatig naar elkaar toe ge-
bogen. — Q: Laatste tergiet lang wigvormig, naar de
spits langzamerhand uitgetrokken. Spits van het tergiet
naar boven gebogen, scherp, bovenrand met een, weinig
geprononceerden, doch duidelijken bult. — Kleur zeer
veranderlijk. — Sprieten 1 mM. Lengte 3.5 mM.
P. melanoneura FOERST.
Pterostigma geheel leerachtig, niet zeer groot, doch aan
de basis wel driemaal zoo breed als de Radius. De voor-
rand en de voorste Radiustak zijn er niet duidelijk van
te onderscheiden. — Voorste langshelft der voorrandscel
bedekt met oppervlaktedoornen. De groep randdoornen
in de Radiaalcel reikt ver naar binnen, bijna tot de
Media-splitsing. Aderen in het buitenste derdedeel der
voorvleugels duidelijk berookt. — e: Copulatietangen
recht, vrij dun, alleen aan den top naar elkaar toege-
bogen, ongeveer ?/, zoo lang als de smalle, bijna cylinder-
vormige genitaalplaat. — 9: Laatste sterniet zeer lang
en spits, ongeveer zoo lang als de overige sternieten
samen, het tergiet slechts weinig langer. Het geheele
genitaalsegment eenigszins naar boven gebogen, spits
kegelvormig. — Kleur bijna steeds groen. — Sprieten
3. mM. Lengte 4.mM... 44... «| Pesfoerstert ŒELOR
Pterostiema, valthans stensdeele nvliezig./ tnt eos
Het vliezige deel van het Pterostigma zeer klein; verder
is de Radius met den voorrand versmolten !). De voorste
wortelcel met oppervlaktedoornen, de groep randdoornen
in de Radiaalcel kort, nauwelijks tot het niveau van de
monding van den voorsten Mediatak reikend, — &: Copu-
latietangen lang en dun, bijna even lang als de Genitaal-
plaat, iets naar achteren en naar binnen gebogen, top
tamelijk spits. — Q: Genitaalsegment hoog en spits, van
1) P. delarbrei PUT. heeft geen oppervlaktedoornen in de voorste
wortelcel. De groep randdoornen in de Radiaalcel reikt bijna tot de
Mediasplitsing. Lengte 3.5 mM.
20.
2015
22.
NEDERLANDSCHE PSYLLIDEN-SOORTEN. 79
terzijde gezien driehoekig. Het tergiet in het eerste °/;
deel overal even hoog, het laatste derde deel scherp
toegespitst, de top naar boven gekeerd, de bovenrand
zelfs nog iets concaaf. — Het sterniet '/, korter, drie-
hoekig, bij het tergiet aansluitend. — ir
kort, slechts ongeveer half zoo lang als de schedel. —
Sprieten 1.4 mM. — Lengte 2 mM. Kleur vuilgeel met
PT teers er mea aaa tte GUER:
Het vliezige Pterostigma lang, tamelijk breed, de spits
valt vóór het begin van het laatste derde deel van den
Radius. De voorste Radiustak in zijn geheele verloop
waarneembaar, niet met het Pterostigma versmolten . 20
De schaduwvlekken liggen alleen in het centrum der
cellen, althans in de Radiaal- en Mediaance! raken zij
niet aan de aderen, doch houden bij of binnen de grens
der! doornvelden op! “7 . 2... Mit: SCA 251
De donkere berooking of na rie: tot aan de
aderen, er zijn dus geen lichtere strooken langs de aderen,
althansı nietioverals titre Me SAN RER 2A:
Alleen in de omgeving der ba Nadocenaracpea is de
vleugelmembraan berookt, ook bij de clavusspits een
bruine vlek. — d Copulatietangen kort en dik, schub-
vormig, naar den top versmald, afgerond; van achteren
aan de onderzijde lapvormig verbreed, uitloopend in eer.
paar korte tanden, waartusschen een ondiepe insnijding.
— 2 Laatste tergiet lang wigvormig, spits uitgetrokken,
met een langen, weinig geprononceerden buit. Top van
boven en van onderen afgerond, doch aan het eind kort
en scherp toegespitst. — Kleur geelwit met roode of
bruine teekening. — Sprieten 1 mM. — Lengte 4 mM.
P. rhamnicola SCOTT.
De berookte vlekken reiken verder naar binnen dan
de groepen randdoornen. . . er 22
De berookte vlekken zijn aller daa de EE
Deze soort gelijkt op P. fyri, doch bij die soort zijn er
geen groepen randdoornen in de Voorrands-Radiaal- en
Mediaancel. d Copulatietangen fleschvormig, naar boven
langzamerhand versmald, aan het eind kort toegespitst,
met een dunnen, scherpen, naar voren gerichten tand. —
80 H. C. BLOTE, OVERZICHT DER
Q Genitaalsegment wigvormig, aan de spits uitgetrokken ;
anus zeer lang. — Kleur meestal rood met bruine teeke-
ning. — Sprieten 1 mM. Lengte 3 mM.
P. simulans FOERST.
— De berookte vlekken zijn even breed als de doorn-
velden iam ECN ©. pM) ote eS
23. Centrum der Pa iaalcel zonder Hoen) evenmin door-
nen vóór den top van den voorsten Cubitustak. — d': Copu-
latietangen overal even breed, de top kort afgerond,
eerst naar voren, daarna naar achteren gekromd, weinig
korter dan de genitaalplaat. — 9: Anaalsegment wig-
vormig, naar de spits langzamerhand versmald, buitenste
schede aan den top afgeknot, anus kort. Kleur veelal
groen, met roode vlekken. — Sprieten 2 mM. — Lengte
Berm My o as BAND Loreta li Pi Visch CORI
— Doornen in het centrum de Radiaalcel duidelijk aan-
wezig !). Achterlijf bij uitgekleurde dieren zwart, de
schaduwvlekken reiken niet tot de vleugelspits, doch
zijn aan het einde door een kleurloozen zoom begrensd,
— d': Copulatietangen, van terzijde gezien vrij breed,
het laatste vierdedeel echter smal, met afgeronde spits,
hieronder een half cirkelvormige verbreeding. — 9 Geni-
taalsegment lang kegelvormig. — Lengte 4 mM.
P. klapaleki SULC
24. De spits van den Clavus berookt of zwart ?). De doornen
in de Voorrandscel reiken niet tot het einde en tot den
voorsten Radiustak. — In de Radiaal- en Mediaancel en
in de Vorkcellen staan de doorns niet dicht opeen.
Boven het einde der Media is het doornveld tot op
één doornrij versmald, in het binnenste deel der Radiaal-
cel reikt het niet tot den Radius. — &: Copulatietangen
recht, zeer kort, fleschvormig, van onderen buikig, naar
1) P. abdominalis M. D. onderscheidt zich van P. klapaleki doordat
het achterlijf, ook bij uitgekleurde dieren, geel of groen blijft. — De
schaduwvlekken op de vleugels reiken tot de spits, en de copulatie-
tangen van het ¢ zijn eenvoudig, dun en vrijwel recht.
2) P. pyrarbosis SuLc: de doornen in de voorrandscel reiken wel tot
den top. In de Radiaalcel en de vorkcel van den Cubitus staan de
doornen dicht opeen. — Sprieten 1 m.M. De berookte vlekken duide-
lijker dan bij ?, pyricola. — Genitalien ongeveer als bij deze soort,
NEDERLANDSCHE PSYLLIDEN-SOORTEN. 8I
den top versmald, van boven volkomen afgerond, onge-
tand. — $ Genitaalsegment wigvormig, kort toegespitst.
Anus zeer lang, lengte ongeveer !/, van die van het laatste
tergiet. — Wangenkegels ongeveer !/, korter dan de
schedel. — Kleur veelal oranje met bruine teekening.
Sprieten 0.8 mM. — Lengte 2 mM. ?. pyricola FOERST.
so pitsmvansden,Clavussniets berookktea 0. 50/04 290) 25
25. l) Doornen in het centrum der Radiaalcel ontbrekend.
Het doornveld in de voorste wortelcel neemt slechts
de helft der lengte in. De berookte vlekken staan
meestal bij de aderen, in de buitenste helft der voor-
vleugels. De centra der cellen blijven veelal doorschijnend.
—- Aderen niet gekleurd. De groepen randdoornen
smaller dan de doornvelden. Doorns bij den top dicht
opeenstaand. — d Copulatietang recht, vrij lang, naar
het einde weinig versmald, top stomp afgerond, bijna
zoo lang als de genitaalplaat. — ® Genitaalsegment
groot en lang, het tergiet weinig langer dan het sterniet,
stomp, het sterniet spits. Anus lang. Het geheele seg-
ment aan den top zwart. — Kleur veelal geelachtig
met groen achterlijf. — Sprieten 1.3 mM. — Lengte
ANONIEME IS ende PP) phacoplera: LOW:
— Doornen in het centrum der Radiaalcel duidelijk. De
doornen in de voorste wortelcel nemen meer dan de
heitaderslensterin. ma et Ee 1 26
26. ?) Vleugels in de eindhelft sterk zwart TIA eis
in het binnenste derdedeel doorschijnend. — Vleugels
lang en smal. — gd Copulatietang vrij lang, en smal,
overal even breed, de spits naar binnen en naar achteren
gebogen; aan de basis met een, naar achteren gericht,
lapvormig aanhangsel. — Q: Genitaalsegment lang kegel-
vormig, bovenrand recht, zonder bult. — Sprieten 1
mM. — Lengte 3.5 mM. Kleur veelal roodachtig bruin
P. elegantula ZETT.
1) P. alaterni FOERST. onderscheidt zich van de volgenden, doordat
de doornen in de voorrandscel niet tot het einde reiken, — Wangen-
kegels korter dan de schedel.
2) P. corcontum SuLc heeft langs Radius en Media kleurlooze zoomen.
— Doornlooze strooken overal gelijk, smal. — Voorste wortelcel geheel
bedoornd, Wangenkegels korter dan de schedel.
82 HEN BEOTE, '(OVERZICHTIDER
— Vleugels slechts zwak getint, niet donkergrijs berookt !).
De oppervlaktedoornen staan overal dicht bijeen; de
groepen randdoornen zijn even breed als de doornvelden ?).
Onbedoornde strooken overal even breed, alleen langs
den Radius een smalle strook, die langs het buitenste
vierdedeel iets verbreed is. In het binnenste derdedeel
der voorste wortelcel ontbreken de doornen. — ¢ : Copu-
latietangen lang, weinig versmald, gelijkmatig gebogen,
top stomp; weinig korter dan de genitaalplaat. — 9:
Genitaalsegment lang, het sterniet ongeveer zoo lang
als de overige sternieten samen, het tergiet iets verder
reikend, in een lange stompe punt uitgetrokken. —
Kleur groen tot oranjebruin. — Sprieten 1.7 mM.
— Lengte 3°/, mM. . . . 0.0 P. hippophaes FOERST:
LITTERATUUR.
Het hier volgend lijstje is uitsluitend bedoeld als een
opgave van die werken, die voor de speciologie en syste-
matiek der inlandsche Psylliden van veel belang zijn.
Een tamelijk volledige litteratuuropgave, waarin ook anato-
mische, oecologische en andere geschriften worden vermeld,
gaf: Dr. F. ZACHER; „Die Literatur über die Blattflohe und die
von ihnen verursachten Gallen”, in het ,,Centralblatt fur
Bakteriologie, Parasitenkunde und Infektionskrankheiten”
zweite Abteilung, Bd. 46, 1916, Heft %/,0-
AULMANN, Dr. G. — Psyllidarum Catalogus. Berlin. (Junk)
1913. — Een naamlijst der toen bekende soorten. Zie
„Boekaankondiging” van Dr. D. MAC GILLAVRY in
Entomol. berichten, deel III, no. 71.
CRAWFORD, D. L. — A Monograph of the jumping Plant-
lice or Psyllidae of the New World. — Smithsonian
institution. U. S. Nat. Museum. Bull. 85. Washington
1) P. rhododendri Pur. De doornen staan aan het eind der vleugels
niet dicht bijeen. Wangenkegels korter dan de schedel (+ 3 : 4).
Doornlooze strooken vrij breed, overal gelijk. — Sprieten 1.1 m.M.
2) P. loewii SCOTT heeft smallere onbedoornde strooken dan ?,
hippophaes ; de strook langs den Radius aan het eind niet verbreed. —
In de Radiaalcel reiken de doornen tot dicht bij den Radius. —
Sprieten 0.9 m.M.
NEDERLANDSCHE PSYLLIDEN-SOORTEN. 83
1914. — O.m. een uitmuntende hervorming der syste
matiek.
EDWARDS, J. — Hemiptera Homoptera of the British Islands.
FLOR, G. — Die RAynchoten Livlands, in Syst. Folge be-
schrieben. — Dorpat. 1860. — Voor enkele genera nog
steeds de beste bewerking.
Zur kenntnis der Rhynchoten. (Beschr. neuer Arten
d. Fam. der Psyllodea), — Bull. Natur. Moscou 34. 1861.
FOERSTER, A. —- Ubersicht der Gattungen und Arten in
der Familie der Psylliden. — Verhandl. d. Nat. Verein.
d. Preuss. Rheinlandes. 1848. — De eerste meer uit-
gebreide soortenbeschrijving, thans echter nogal ver-
ouderd.
Low, F. — Biologie und Charakteristik der Psylloden. —
Verh. Zoöl. Bot. Gesellsch. Wien 26-1876.
Beiträge zur Kenntnis der Psylloden. — Verh.
2001. Bot. Ges» Wien 27-1877.
———— Zur Systematik der Psylloden. — Verh. Zoöl.
Bot. Ges. Wien 28-1878.
Beiträge zur Biologie u. Synonymie der Psyl-
loden, en
Beschreibung von Io neuen Psylla-arten. Verh.
Zool. Bot. Ges. Wien 31-1881.
Revision der Palaearctische Psylloden. — Verh.
Zool. Bot. Ges. Wien 32-1882.
Zur Charakteristik der Psylloden-genera Aphalara
u. Rhinocola. — Op. cit.
Neue Beiträge z. Kenntnis der Psylloden. — Verh.
Zool. Bot. Ges. Wien 36-1886.
Bovengenoemde verhandelingen van F. Löw behooren
nog steeds tot de voor het determineeren belangrijkste
litteratuur.
MEYER—Dür. — Die Psylloden — Mittheilungen d. Schweiz.
Entom. Gesellsch. Bd. 3. no. 8. 1871.
SCOTT, J. — Monograph of British Psyl/idae. — Transact.
Entom. Soc. London. 1876.
Sure, Rie Beitrage zur Kenntnis der Psylloden. — Bull.
Int. Acad. d. Science de Bohême 12-1907.
Zur Kenntnis und Synonymie einiger Weiden-
84 H.C. BLÔTE, OVERZ. DER NED. PSYLLIDEN-SOORTEN.
bewohnender Psylla-Arten. - Wiener Entom. Zeitung
28-1909.
SULC, K. — Uvod do studia, synopticka tabulka a synony-
micky katalog druhu rodu Psylla, palaearktické oblasti.
— Sitzungsberichte d. Kônigl. Böhm. Gesellsch. v.
Wissensch. Prag. 1909. — Een uitmuntende analystische
tabel van het genus Psylla.
Monographia generis 77203a FOERST I—IV. —
Sitzungsber. d. Kön. Böhm. Ges. v. Wissensch. Prag
1910— 1913. — Een uitstekende (Duitsche!) bewerking
van het genus 77zoza.
THOMSON, C. G. — Öfversigt af Skandinaviens CHERMES-
Arter. — Opuscula Entomol. 8-1877. — Eenige beschrij-
vingen van Psylliden.
ZETTERSTEDT, F. W. — Insecta lapponica descr. 1840.
Dr, À. C. Oudemans ad nat. delin.
CHORIOPTES CAPRAE (Del. & Bourg. 1858).
DI
2
ev E. LXIX. PI. 2.
Dr. A. C. Oudemans ad nat. delin.
CHORIOPTES CAPRAE (Del. & Bourg. 1858).
%
ev. E. LXIX.
24
CHORIOPTES CAPRAE (Del. & Bourg. 1858).
Dr. A. C. Oudemans ad nat. delin.
A . hd TI
'
. 7
Li =
a mest en > - er oe AEN pe
x a
v Ò
Ò 2 LA
>
È € Lua
My (TE
~ bride a
> id (i
Le x » 7
[ET L &
» i E 2 SE
di Dr DI
Clo 2
fev. E. LXIX.
Dr. A. C. Oudemans ad nat. delin.
CHORIOPTES CAPRAE (Del. & Bourg. 1858).
>
a
x servono
mr
ine È
mi pnl
st
ti
+
OT» € us 041
Dr. K. M. Heller.
NEUE ALTWELTLICHE BOCKKÄFER.
gez. vom Verf.
Movie. ENIX. PI,
PAPILIO MEMNON CLATHRATUS ROTHSCH.
PE
Tv. E-LXIX.
%
&
u
K
U
=
=
2
ku
©
PAPILIO POLYTES SOTIRA JORDAN.
Le en bre mm Fender gn e
mc Ein
ex
8
pi
ae
ad
LR LS
mn en
2
N
SR BF
a
=
TE pl
po)
Odonata Neerlandica.
De libellen of waternimfen van Nederland en
het aangrenzend gebied,
door
M. A. LIEFTINCK.
Mice dicmo ce dhe elt er:
ANISOPTERA.
Met 52 meerendeels oorspronkelijke afbeeldingen.
INLEIDING.
Bij het verschijnen van het tweede deel mijner „Odonata
Neerlandica’, wensch ik slechts op te merken, dat ik het
werkplan, gevolgd in het hieraan voorafgegane gedeelte,
geheel op denzelfden voet heb trachten voort te zetten en
voorts, dat ik in staat gesteld ben de mij ten doel gestelde
taak hiermede tot een voorloopig einde te kunnen brengen,
Gedeeltelijk — in zooverre, dat er zich, helaas door tijdge-
brek en andere omstandigheden, geen gelegenheid voordeed
om uitvoeriger in te gaan op de levenswijze, de gedaante-
verwisseling, kortom alle overige interessante verschijnselen,
welke zich in zoo onuitputtelijke verscheidenheid bij de studie
van deze insectenorde voordoen. Ten volle ben ik mij bewust
van de overmoedige regelen in het voorbericht van het eerste
deel der „Odonata Neerlandica’: toen ik mij voorstelde bij
deze gelegenheid, in aansluiting op het systematische gedeelte,
een bijzonder overzicht samen te stellen omtrent alles wat
tot op dit oogenblik over de voortplanting en de larvenstadia
onzer libellen bekend is geworden. Zulks is thans helaas
achterwege moeten blijven, ofschoon de daarvoor benoodigde
gegevens, zooal niet voldoende, dan toch in ruime mate
aanwezig waren.
Ook aan het nog steeds in duister gehulde vraagstuk van
6
86 M. A. LIEFTINCK,
den libellentrek is weinig aandacht besteed, ofschoon de in
Nederland ‘verschenen publicaties hieromtrent — ıfaar ik hoop
zonder uitzondering — in het literatuuroverzicht, of in de
aanvullingen daarop, vermeld zijn. Dit vraagstuk staat de
laatste jaren in het brandpunt van veler belangstelling, doch
er zij hier bekend, dat de waarde daarvan wel eens
overschat is geworden, voorzoover men zich slechts bepaalde
tot ’t vinden van eene oplossing voor de directe invloeden,
die de trekbewegingen in het algemeen konden verklaren.
In dit verband zij er op gewezen, dat een samengaan van
dit streven mèt een ruimere mate van belangstelling voor
de biologie en de geografische verspreiding der libellen, van
groote waarde voor onze geringe kennis zal blijken te zijn.
Daarbij diene men niet uit ’t oog te verliezen het belang, dat
verbonden is aan eene studie van de verscheidenheid
der soorten, welke zich bij het trekverschijnsel als ’t ware
aan ons oog opdringt.
In het korte tijdsverloop, dat volgde op de publicatie van
het eerste deel, zijn wederom eenige nieuwe aanwinsten voor
de Nederlandsche Odonaten-fauna te vermelden geweest.
Dit zijn Oxygastra curtisi DALE (Ent. Ber., No. 147, Jan. 1926),
Aeschna affinis VANDERL. (T. v. E., LXIX, 1926, Verslag).
en Pyrrhosoma tenellum DE VILL. Q var. melanogastrum DE
SELYS (T. v. E., LXIX, 1926, Verslag). Laatstgenoemde is
volledigheidshalve mede opgenomen in de eerste lijst der
Aanvullingen en Verbeteringen op DI. I.
Tot dusverre bedraagt het aantal inheemsche soorten 62.
Evenals in het voorgaande, heb ik aan het eind van het
tweede deel, dat slechts als een vervolg op het eerste is te
beschouwen, een resumé toegevoegd van de in dit werkje be-
handelde Anzsoptera ; bovendien bevindt zich — in aansluiting
daarmede — achterin dit werk eene volledige naamlijst van
Odonaten, uit Nederland en het aangrenzend gebied bekend.
Voorts bevat de lijst der aanvullingen op deel I ook eenige
toevoegingen aan de literatuurlijst; deze werken zijn door-
loopend genummerd en tevens van een sterretje voorzien,
zoodat verwarringen bij het aanhalen in den tekst ook den
lezer gespaard blijven.
Nog is — in eene afzonderlijke tabel — aandacht besteed
ODONATA NEERLANDICA. 87
aan de indeeling der verschillende synoniemen; deze zijn
alleen genoemd waar voldoende zekerheid bestond aangaande
de juiste overeenstemming. Wat de sub-fam. Libellulinae be-
treft evenwel, kan ik daarvoor verwijzen naar het groote
monografische standaardwerk van RIS (324).
Aan het systematische gedeelte heb ik laten voorafgaan
eenige aanvullende opmerkingen over den aderbouw der
Anisoptera, voorzoover hierover in het eerste deel nog niets
werd medegedeeld; een figuur met de afkortingen van de
nomenclatuur is daarbij gevoegd.
Mij rest thans nog de aangename plicht, bij hernieuwing
een woord van dank te richten aan allen, die mij sedert het
vorige jaar behulpzaam zijn geweest door het verstrekken
van materiaal en het geven van waardevolle inlichtingen.
Een woord van bijzonderen dank aan Dr. MAC GILLAVRY
voor tallooze raadgevingen en voor zijn hulp bij de correctie
der proeven, vinde hier allereerst een plaats. Vele faunistische
gegevens van waarde, dank ik ook ditmaal hoofdzakelijk aan
de heeren W. BEIJERINCK, D. C. GEYSKES en L. E.D. LANGE-
VELD, terwijl zoowel het beschikbaar stellen van materiaal
als het geven van aanvullende verbeteringen en opmerkingen
omtrent de fauna der omringende landen steeds met de
grootste bereidwilligheid geschiedde door de heeren KENNETH
J. MORTON (Edinburgh), ESBEN PETERSEN (Silkeborg), Dr. F.
Ris (Rheinau), G. SEVERIN (Brussel) en VICTOR WEISS (Bremen).
Tenslotte mag ik niet verzuimen den heer A. A. VAN VOORN
dank te zeggen voor ziin medewerking mij bij het vervaardi-
gen en reproduceeren van een aantal vleugel-photographieën
verleend.
Voor gegronde op- en aanmerkingen houd ik mij bij
voortduring aanbevolen en zal deze steeds met dankbaarheid
aanvaarden.
Indien mijne medewerkers ook in de toekomst met het
zelfde enthousiasme zullen blijven voortgaan mij op de hoogte
te stellen van hunne waarnemingen en vondsten, dan zal ik
mij volkomen beloond achten voor de aan dit werkje besteden
tijd en arbeid.
Amsterdam, 69 Oranje Nassaulaan. M.A, LIEFTINCK.
Februari 1926.
88 M. A. LIEFTINCK,
AANVULLINGEN EN VERBETERINGEN OP
DEEL TI DER ON.
Op pag. 76, bij no. 116 toe te voegen: Deze Mémoires
zijn verschenen van 1752—1778; het jaartal 1773 is juist,
doch heeft alleen betrekking op T. III.
Op pag. 76, bij no. 117 toe te voegen: De Abhandlungen
verschenen van 177(6)8—1783; het jaartal 1780 is juist, doch
heeft alleen betrekking op T. III der Abhandi.
Oppas 80,761, no. 201 staat: T. IM „1823 lees AND
1823, pp. 101—106, PI. I. (Separaat: Bononiae, Ann. de Nob.
1820, sepae, bi. 1) +).
Oppas 284 bij no. 286 staat: F. Pax: lees: E2 Bi
Op pag. 86, bij no. 340 toe te voegen: Dit zelfde artikel
werd nadien overgedrukt in: Mitteil. aus der Entom. Ges. z.
Halle a. S., Leipzig 1909, Heft 1, pp. 30—35. — In hetzelfde
tijdschrift (Berlin, 1913, Heft 5/7, pp. 90—94) vindt men ook
een opstel van denzelfden auteur over: ,,Zur Libellenkunde
des 17. Jahrhunderts”.
Op. pag. 88, regel 6 vom staat. rendu. lees rendus.
OVERZICHT DER SYSTEMATISCHE EN
BIOLOGISCHE LITERATUUR.
Op pag. 91 bij te voegen:
*489. F. ALVERDES. Uber das Verhalten von Libellen- und Eintagsfliegen-
larven. Naturwissenschaften, Berlin, 12, 1924, pp. 575—576.
*490, A. N. BARTENEr. Faune Russie. Libellulidae II, Insecta Pseudo-
neuroptera. Petrograd, 1, 1919, pp. 353—576, fig. 1—68 (Russisch).
*491. J. CURTIS. British Entomology, 1823—1840 (1839).
*492. C. H. KENNEDY. Notes on the Penes of Damselflies (Odonata). No. 2.
Entomol. News, Philadelphia, 28, 1917. pp. 9—14, plates II—IIl.
*493. F. J. KILLINGTON. /schnura elegans LIND.: its teneral colour phases,
and its mature varieties and aberrations, The Entomologist, 57,
1924, pp. 273—278.
*494. F. A. KOLENATI. Meletemata Entomologica, Petropoli 1846.
*495. J. L. LICHTENSTEIN et P. GRASSE. Une migration d’Odonates. Bull.
Soc. ent. France, 1922, pp. 160—163. — Mededeelingen over een
trek van Sympetrum meridionale SELYS in Zuid-Frankrijk.
1) In 1820 is dus reeds een voor-druk van dit werk verschenen. Men
vindt dit ook vermeld in W. ENGELMANN (Bibl, Hist. Nat.), Naturge-
schichte, Bd. I, p. 540 en in Dr. H. A. HAGEN, Bibliot. Entomologica,
Bd. I (Leipzig 1862), p. 479 (vgl. *496).
ODONATA NEERLANDICA. 89
. P. L. VAN DER LINDEN. Aeshnae Bononiensis descriptae; adjecta
annotat. ad. Agrion. Bonon. descr. Opuscol. Scientif. 1823, T. 4,
pp. 158—165, PI. I. (Sep. Bononiae. Ann. de Nob. 1820, 8 pag., Pl. I).
. W. J. Lucas. Notes on British Odonata in 1920. The Entomolo-
gist, 55, 1922, pp. 410, 3 figs.
. ——. Notes on British Odonata in 1921. Ibid, pp. 125—127;
152—154.
. ——. Notes on British Paraneuroptera (Odonata) in 1922. Ibid.,
56, 1923, pp. 131—134.
. ——. Labium (second maxillae) of the Paraneuroptera (Odonata).
Proc. S. London Ent. & Nat. Hist. Soc., -1922—'23; 1923, pp.
57—63, 2 pls.
. —— Notes on British Paraneuroptera (Odonata) in 1923. The
Entomologist, 57, 1924, pp. I121—124.
. A. Mocsary. Fauna Regni Hungariae. III. Budapest, 1918. Pseudo-
Neuroptera, pp. 23—32.
. KENNETH J. MORTON. Neuroptera (in the Linnean sense) from
Inverness-shire. The Entomol. Monthly Magaz. 3rd Ser. Vol. II,
1916, pp. 114—116.
O. H. MüLLER. Das Schlüpfen der Odonaten. Zeitschr. Morphol.
u. Oekol. d. Tiere, Berlin, 3, 1924, pp. 188—196.
. Rev. P. LONGIN. Navas. Neuröpteros de España y Portugal. Odo-
natos. Broteria, San Fiel, 6, 1907. — In deze verhandeling geeft
de auteur voor het eerst eene diagnose van het nieuwe genus
Cercion, met als type (Agrion) lindeni SELYS (et auct.).
. ——. Sinopsis de los Paraneurópteros (Odonatos) de la peninsula
ibérica. Mem. Soc. ent. España, Mem. ra, Zaragoza, 1924, 69
pag., 7 fig.
. G. W. F. PANZER. Faunae Insectorum Germaniae initia, oder
Deutschlands Insekten. 1792—1810.
. Dr. A. PONGRACZ. Beiträge zur Pseudoneuropteren und Neuropteren
Polens. Ann. Mus. Nat. Hung., XVII, 1919, pp. 161—177. (Odo-
nata: pp. 165 — 169).
. A. N. POPOVA. Bijdrage tot de biologie van Gomphus flavipes
CHARP. Arb. biol. Wolga-Station, Saratov, 6, 1923, pp. 269—280,
ı fig. (Russisch).
. A. J. RETZIUS. CAROLI DE GEER Genera et Species Insectorum.
1783.
. J..F. STEPHENS. Illustrations of British Entomology, 1835— 1837
(1836).
. R. V. WADSWORTH. Abnormal markings of Agrion puella LINN.
The Entomologist, 56, 1923, pp. 57—58, ı fig.
. VICTOR WEISS. Beitrag zur Odonatenfauna von Bremen. 10. und
11. Jahresber. d. Ent. Ver. in Bremen, 1923 u. 1924, p- 5.
OVERZICHT DER FAUNISTISCHE LITERATUUR.
Op pag. 93 bij te voegen:
*514. JOS. BOHLS. Aan den waterkant. De Levende Natuur, DI. 27, 1922,
“515.
pp. 74—86.
A. L. BRANDHORST. Libellentrek. Natura, no. 322, 1925, pp. III-112,
90 M. A. LIEF TINGK,
*516. F. KOSTER. Nieuws van Rottumeroog. De Levende Natuur. DI. 28,
Dec. 1923. — Sympetrum vulgatum L. (?), trek op ’t eiland Rottum
gedurende de hitteperiode van Juli 1923.
*517. M. A. LIEFTINCK. Oxygastra curtisi DALE, f. n. spec. Entomol.
Berichten, DI. VII, No. 147, Jan. 1926, pp. 43 —45.
*518. A. VAN NIJNANTEN. De Libellentrek over ons land. Natura, no. 324,
1925, PP. 147—148.
“519. Ir. J. TH. THysse. Uit het logboek van de Flevo. De Levende
Natuur, DI. 29, Sept. 1924, p. 160. — Trek van Zibellula gua-
drimaculata, Aeschna-spec., Pieris-spec., Gonepteryx en Pyrameis
atalanta aan boord van een schip vliegend, ca. 3 K.M. ten W.
van het eiland Urk. (7 uur n.m. 11. VIII. 1924).
*520. Dr. Jac. P. THIJSSE. De Libellentrek van Mei 1925. Ibid., DI. 30,
Aug. 1925, pp. II4—I15 e. v. tot p. 119. Met overzichtskaartje.
(Vgl. ook: „De Groene Amsterdammer”, Weekbl. v. Nederl.,
jg. 1925, no. 2506, pag. 7). Meerdere faunistische mededeelingen
omtrent libellentrek vindt men o.a. in De Lev. Natuur, DI. 30,
Sept. 1925 (p. 159), Oct. 1925 (p. 188), Nov. 1925 (pp. 219— 220).
Op pag. 101, regel 7 v.o. staat: partim?; lees: partim,
nom. generis.
Op pag. 105, regel 5 v.b. bij te voegen: Zij werd in Mei
1917 en 1918 gevangen in het moerassige duingebied van
het Duitsche Noordzee-eiland Memmert; ook is zij bekend
van ’t eiland Wangeroog (vgl. ALFKEN, 6).
Op pag. 105, regel 13 v.b. bij te voegen: Langs één der
kanalen van de Amst. Waterleiding in de duinen ten Z. van
Zandvoort (waarn. van Dr. M. PINKHOF; dd).
Op. pag. 110, regel 6 vaio. staat: 1823, dees: 1820.(182 3%
Op pag. 112, regel 10 v.b. bij te voegen: Empe, &'!
Op’ pag. 112, regel 13 vb bij te. voesen: Blerick, 2
Op pag. 114, regel 2 v.b. bij te voegen: Prov. Limburg:
Blijenbeek !
Op pag. 114, regel I v.o. bij te voegen: Eénmaal werd
deze soort door LEEGE op het Duitsche Noordzee-eiland
Memmert gevangen (9, 14. VI. 1920; vgl. ALFKEN, 6).
Op pag. 115, regel 6v.o. staat: Noordwijk; lees: Noord-
wijk! Tevens bij te voegen: Scheveningen!
_ Op pag. 115, regel 4 v. o. bij te voegen: Breda (Mastbosch)!
Berlicum, 22. VII. 192511
Op pag. 119, regel 5 v.b. achter begrijpt een . toevoegen.
Op pag. 119, regel 13 v.b. bij te voegen: Zij werd ge-
vonden op het Duitsche wadden-eiland Juist en eenmaal,
medegevoerd met den wind, op Memmert (vgl. ALFKEN, 6).
ODONATA NEERLANDICA. OI
Opipas 123, resell 12 v. o.(exel. doot) staat de eerste
maal::2= lees: d'.
©p pag. ‚124, regely7 wo: (excl. noot) bij te voegen: Zij
bewoont het Duitsche wadden-eiland Memmert en wordt daar
geregeld aangetroffen; ook veel aangespoeld langs de kust
(vgl. ALFKEN, 6).
Op pag 125, regel 4 v. o. (noot) staat: SELYS; lees: SELYS
1876. Tevens bij te voegen: Deze variëteit werd ook in ons
land gevonden: 1 9, Oisterwijk, 12. VI. 1925 !!
Op: pag. 128, resel.ony.o. (excl, noot) ‚achter Ostende,
bij te voegen: Ik zag ook een paartje uit Luik (leg. DE SELYS).
Oprpag. 129, regelviyv: o: (excl) noot) achten PUSCHNIG
bij te voegen: IQII.
Oprpag- 134, regel 12 v. onstaat 1823 les: 1820 (1823).
Op pag. 135, regel 6 v.o. achter 2. Adult — hetero-
chroom., bij te voegen: Deze, eenigszins gewijzigde vorm,
laat zich lang niet altijd scherp tegenover het type plaatsen,
aangezien beide vormen in hunne jeugdstadia nauwelijks zijn
te onderscheiden. H. en F. W. CAMPION beschreven den
onder 2 genoemden vorm als var. zufuscans [The Entomo-
logist (1904, pp. 252—254) en 1905, pp. 298—299], doch
H. CAMPION verklaart in 1923 zelve: „Of late years I have
become somewhat doubtful whether the same name (i. e.
infuscans) can be properly applied both to the form with
black humeral stripes, and also to the form without such
stripes.” (Entom., vol. 57, 1923, p. 277.) — cit.-- Inderdaad
rekende CAMPION in 1904 onder dezen naam ook die indi-
viduen, welke eene humerale thoraxstreep missen. De naam
infuscans CAMPION behoort te vervallen (vide postea).
Op pag. 136, regel 5 v. b. achter Heteromorphe vorm,
bij te voegen: (=) ® var. rufescens STEPHENS 1836.
KILLINGTON (*493) tracht in 1924 den naam znfuscans
CAMP., als variëteit van /. elegans, weder ingang te doen
vinden door zelf eene nieuwe variëteit van elegans te be-
schrijven onder den naam: var. zufuscans-obsoleta var. nov. (sic),
daarmede de tweeledige opvatting van CAMPION omzeilende
en tevens duidelijk aan het licht stellende. De naam zz fuscans
CAMP. (door CAMPION zelve in 1923 in twijfel getrokken !)
(cit. ante) wordt door KILLINGTON behouden voor de hete-
92 M. A. LIEFTINCK,
rochrome vorm van 7. elegans, terwijl zijn naam zufuscans-
obsoleta kennelijk betrekking heeft op heel weinig afwijkende
individuen van de var. rufescens STEPH. (heteromorphe vorm,
huj. op. 1925). De onhoudbaarheid zoowel van CAMPION’s
naam var. zu fuscans, als van KILLINGTON’s naam var. zu fuscans-
obsoleta is uit het bovenstaande zonder meer duidelijk.
Op pag. 136, regel 5 v. o. (excl. noot) staat: RITSEMA BOS;
lees: RITZEMA BOS.
Op pag. 136, regel 4 v.o. bij te voegen: Op de Duitsche
Wadden-eilanden werd zij gevonden op Memmert en Borkum
(vgl. ALFKEN, 6).
Op pag. 138, regel 15 v.b. achter DE SELYS toe te voe-
gen. 1837.
Op pag. 138, regel 18 v. b. staat: onderijde ; lees: onderzijde.
Op pag. 140, regel 4 v. o. (noot) achter PUSCHNIG toe te
voegen: (1905).
Op pag. 142, regel 6 v.b. staat achter NAvas: 1908;
lees : 1907:
Op pag. 147, regel 5 v.b. staat achter NAVaS: 1908;
lees: 1907. Tevens bij te voegen:
In het jaar 1907 (vel. *505) werd door LONGIN. NAvas een
nieuw genus Cercion opgericht, waarvan het type werd Agrion
lindeni SELYS.
Door de diepgaande onderzoekingen van C. H. KENNEDY
in 1917 (vgl. *492. “The Close Relations inter se of the
Hawaiian Agrionines”.) van den penis-bouw bij de soorten
der genera Acanthagrion, Agrion (als Coenagrion) en Cercion,
is aan het licht gesteld, dat er voldoende gronden zijn aan
te voeren om Agrion lindeni in een afzonderlijk genus onder
te brengen.
In dezelfde verhandeling en gebaseerd op dezelfde gronden,
rekent KENNEDY ook tot dit genus Agrzon quadrigerum SELYS
uit Japan en ander materiaal uit Japan en Madagascar (vgl.
ook: H. CAMPION, On some further Dragonflies from Mace-
donia. The Entomologist, 52, 1919, pp. 202— 206).
De geslachtsnaam Agrion voor A. lindeni SELYS, dient
men dus in de tabellen in overeenkomst met deze wijziging
te veranderen in Cercion NAVaS 1907, terwijl de soortnaam
lindeni SELYS behouden blijft.
ODONATA NEERLANDICA. 93
Op pag. 149, regel 6 v. o. (excl. noot) komt de vindplaats
Oldenzaal en Denekamp te vervallen, zoodat regel 6 en 5
v. o. wegvallen.
Oppas. 140, regel vo (noot) staat: komvrije;' lees:
komvormige.
Op pag. 152, regel 16 v.o. staat achter Norfolk Broads:
in Schotland; dit laatste behoort te vervallen. 1)
Cpupac. 152, rege 9.9.0. staat 1823; lees 1820 (1823).
Op) pas. 153, regel 3. v. 0.) achter PUSCHNIG bij, te voe:
gen TOI.
Op pag. 155, bij fig. 38, is het geslachtsteeken achterwege
gebleven; men voege hierbij: 2.
Op pag. 156, regel 4 v. b. achter Zuiden bij te voegen : Ook
op de Duitsche Noordzee-eilanden Juist en Memmert werd
zij gevonden; op Memmert veel in aanspoelsel (ALFKEN, 6).
Op pag. 158, regel 9 v.o. bij te voegen: Zij werd reeds
eerder aangetroffen in Sutherlandshire (Schotland) in 1842;
van 1900 af werd zij ook geregeld gevonden bij Aviemore
in Inverness-shire (Schotland). 1)
Op paz. 160, regel’ 2 v. 0. bij te voegen: Ik zag een duit
de omgeving van Luik (leg. DE SELYS).
Op pag. 164, regel 7 v.o. (excl. noot) bij te voegen: Zij
werd in Zwitserland bij Bern ín Juli gevangen.
Op. paas 168, tegels ro en 9 v..o.,(exel. 'noot) staat:
pseudolunulatum; lees: pseudolunulatum.
Op pag. 169, regel 3 v.b. (noot) is het onder nummer 2
genoemde, vooraan den regel, met opzet achterwege gelaten ;
het betreft de variabiliteit van het bronzen figuurtje op
seem. I.
Op pag. 169, regel 8 v.b. (noot) staat: pseudolunulatum ;
lees: pseudolunulatum. Tevens bij te voegen: Een ¢ dezer
aberr. werd door mij verzameld bij Denekamp (Ov.), 7. VL. 1925.
Op: pas: trjor regel 2 tv. b. en tegel 7 vito. (noot) staat:
variëteit; lees variatie of afwijking.
Op pag. 170, regel 7 v.b. toe te voegen: Zij werd ook
op de Duitsche Wadden-eilanden Memmert, Borkum, Juist
en Spiekeroog gevangen (vgl. ALFKEN, 6).
1) De heer K, J. MORTON, te Edinburgh, was zoo goed mij op deze
fout te wijzen.
94 M. A. LIEFTINCK,
DE VLEUGELADERING DER ODONATA.
In het eerste deel werden de belangrijkste zaken dienaan-
gaande reeds kort uiteengezet (vgl. dl. I, pp. 93—99). Bij
eene vergelijking van de te dier plaatse gegeven aanwij-
zingen, zal men bemerken, dat de terminologie, welke in de
hieronder staande figuur is aangebracht, niet alleen is aan-
gevuld, doch in sommige opzichten ook eene wijziging heeft
ondergaan. Deze heeft echter in geen enkel opzicht veran-
deringen ten gevolge in den tekst van het eerste gedeelte,
zoodat zij hier zonder bezwaar aangebracht kan worden. De
nieuwere inzichten van R. J. TILLYARD betreffende den ader-
bouw in 't bijzonder der Anzsoptera — in 1914 vastgelegd
in eene nauwgezette studie (“Proc. Linn. Soc. N. S. Wales”.
XXXIX, p. 163 e. v.) en later uitvoeriger ontwikkeld in zijn
“Biology of Dragonflies” (415) — hebben thans vrijwel alge-
meen ingang gevonden en behooren, althans voor zoover
de nomenclatuur van het aderstelsel betrekking heeft op de
in dit werkje behandelde groepen, ook hier overgenomen
te worden. De opvattingen van TILLYARD zijn gebaseerd op
vergelijkende onderzoekingen van de ontwikkeling en histo-
logie van den vleugel, zoowel in het larvenstadium als in
volwassen staat en tevens op het resultaat van zijne phylo-
genetische studiën.
Evenals in het vorige deel zijn ook thans de vleugels eener
Aeschnide, nl. van Brackytron pratense, als voorbeeld voor
het aderverloop gekozen. Oorspronkelijk zijn de beide lengte-
aderen Cu en A, zoowel in den vocr- als in den achtervleugel,
door eene zeer smalle ruimte van elkaar afgescheiden ge-
weest; vroeger meende men, dat de in onderstaande figuur
met A* aangeduide lengteader de hoofdstam A zelve voor-
stelde, doch dit is gebleken onjuist te zijn op grondvan de
waarneming, dat de aderen Cx en À bij de larvale vleugel-
stompjes in vele gevallen nog cene duidelijke basale scheiding
zichtbaar laten. In het volwassen stadium evenwel vormen
Cu en A een gemeenschappelijken stam, Cu + A (het analo-
gon treft men aan bij het basale gedeelte van Ren 47). De
krachtige ader A*, welke eens als de hoofdstam A werd
aangezien (vgl. DI. I, fig. 1, A) is in aanleg gebleken slechts
ODONATA NEERLANDICA. 95
een zwakke, secundaire ader te zijn, welke door middel van
eene korte dwarsader Ac (door TILLYARD ,, Anal Crossing”
genaamd) in den hoofdstam A overgaat. Slechts tijdens het
larvenstadium is deze overgang nog duidelijk waar te nemen;
bij het volwassen insect is het in vele gevallen moeilijk uit
te maken, door welke van de soms talrijke cubito-anale
dwarsaderen (Cug) de overgang tot stand is gekomen. Hier
dient nog bij opgemerkt te worden, dat A” ontspringt op
het punt waar zij met Ac samenkomt en van hieruit naar den
NE te Bas B
Cu+A ven. N
AE x ne
ION
ka 2 oe == d
AES ae
pe A RE
re
PARTNER
cal ATOS LES >
A LANTERNE YB e
ET RARE an
Me
Ù ! /
Cut Cu! Mspl
Fig. 1. Brachytron pratense MüLL. 3. Vleugelpaar, vergroot (orig.).
— Verklaring der afkortingen in den tekst, gedeeltelijk ook
in deel I, pp. 94—99.
vleugelwortel terugloopt; dit is de reden, dat zij door
TILLYARD “Secondary or Recurrent analis” wordt genoemd.
Met betrekking tot fig. 1 dienen nog de volgende aan-
wijzingen.
Cu + A = De gemeenschappelijke stam van cubitus en analis;
beide aderen blijven vereenigd tot het punt waar A uit
de cubito-anale dwarsader Ac ontspringt (oorspr.: waar
A in Ac overgaat). Op dit punt zet de hoofdstam van
Cu zich voort tot aan ¢, vormt de proximale zijde daar-
van en eindigt in de onderste, distale hoek van 4
Cu' = De eerste (bovenste) tak van den cubitus. Deze ont-
springt op de plaats waar Cz eindigt en loopt, onder
M*, naar den vleugelrand,
96
Cu?
M. A. LIEFTINCK,
— De tweede (onderste) tak van den cubitus. Deze ont-
springt uit hetzelfde punt, versmelt zich aanvankelijk
met A! (in de fig. 1 is dit gedeelte verdikt voorge-
steld) en buigt daarna, evenals Cx', naar den vleugel-
rand af.
Al = De eerste (bovenste) tak van A; zij ontspringt op het
punt waar Ac de terugloopende tak A* afgeeft, is dus
de voortzetting van deze laatste in omgekeerde richting ;
zij zet zich voort tot de onderste, distale hoek van 4,
vereenigt zich daarna met Cz?, om vervolgens ongeveer
rechtstandig op den vleugelrand toe te loopen.
A? = De tweede tak van A. De oorsprong en de ligging van
deze ader is zeer verschillend. (In fig. 1 vormt zij in den
achtervl. toevallig de voortzetting van Ac naar onderen).
In den regel ontspringt A? distaal van Ac, steeds maakt
zij deel uit van de begrenzing van a/ (in den achtervl.)
en eindigt zij tegen den vleugelrand.
A3 = De derde tak van A. Ook deze ader is een tak van
Ac en is van groot gewicht, aangezien zij bij alle Auzsoptera,
waar de achtervleugel bij het & onder vorming van {a
is uitgerand, daarvan de distale zijde voorstelt. Bij de
genera waar zulks niet het geval is, begrenst A? een
meer of minder smalle, overeenkomstige groep van
cellen.
A* = De secundaire of terugloopende anaal-ader — Nervure
postcostale — Secondary or Recurrent analis. Verloopt
van Ac terug naar den vleugelwortel, onder Cx + A.
ti = triangulum internum — triangle interne (sous-triangie) —
sub-triangle. Deze z.g. ,,binnendriehoek” komt alleen
voor bij de Axzsoptera; zij wisselt sterk af in vorm en
grootte. De costale zijde van # wordt steeds gevormd
door de proximale zijde van 7; haar distale zijde door
een gedeelte van 4! en de basis door een van de dwars-
aderen boven A! gelegen. De aanwezigheid van # in
den achtervleugel der Zzibellulidae is afhankelijk van het
aantal Cug; waar de distale Cug ontbreekt, is ook #7
afwezig. In den voorvleugel van alle inheemsche Zzbel-
lulidae neemt # een geheel anderen vorm aan, doordat
de distale Cug nagenoeg in het verlengde van 4* komt
ODONATA NEERLANDICA. 97
te liegen. (Een zeer fraai overgangsstadium is zichtbaar
in den voorvl. van Oxygastra curtisi).
al = de anale lus (lis) — boucle anale — anal loop -— Anal-
schleife. De anale lus is een zeer bijzondere en in den
regel duidelijk omgrensde celgroep, welke deel uitmaakt
van het anaalveld des achtervleugels; zij komt uitsluitend
bij de Anzsoptera voor en is in vele gevallen van betee-
kenis voor de determinatie der genera.
Bij de meeste Gomphinae vereenigt A! zich op het punt
waar zij Cu bereikt voor een betrekkelijk langen afstand
met Cu°, verlaat deze na eenigen tijd en richt zich ver-
volgens naar binnen, om tegen den vleugelrand te eindi-
gen. De tweede tak, 4°, verlaat A! een weinig distaal
van Ac en verloopt ca. parallel aan Cu? + A! naar den
vleugelrand. Op deze wijze is een distaal gedeelte van
het anaalveld afgescheiden, begrensd door A? eenerzijds
en door Cu? + A}, of A}, anderzijds. Hier bestaat dus .
geen geslotene ruimte. — Bij de Aeschninae evenwel, is
de gevormde ruimte van onderen afgesloten door een
dwarsader, welke uitgaat van het naar binnen gerichte
deel van A!. Hierdoor is eene merkwaardige uitzakking,
de anale lus (al), ontstaan. — Bij de Zzbellulidae is al,
in verband met de verbreeding van het anaalveld, van
vorm veranderd en dikwijls in de lengterichting van den
vleugel gestrekt; A! en Cw? zijn hier echter niet met
elkander versmolten: Cz? zelve stelt de buitenste grens
van al voor, terwijl anderzijds A? de afgrenzing op zich
heeft genomen. De vorm van a/ in den achtervl. bi
Oxygastra curtistis intermediair tusschen den afgeronden-
(Aeschninae) en den langgerekten vorm (Lebellulinae).
ta — de anaaldriehoek — triangle anale — anal triangle —
Analdreieck. De anaaldriehoek is typisch voor de go
van een groot aantal Axzsoptera. Zij ontbreekt bij de
subfam Zzbellulinae, terwijl zij slechts een enkele maal
gereduceerd of geheel afwezig is bij de Cordulinae en
Aeschninae. De ruimte is gelegen onder cu en wordt
distaal begrensd door 4%. Zij is zeer variabel in vorm
en grootte en is van groot belang voor de determinatie
der Aeschnidae; het voorkomen van een of meer dwars-
98 M. A. LIEFTINCK,
aderen in fa is regel. Er schijnt in vele gevallen corre-
latie te bestaan tusschen vorm en lengte van de
membranula en de gestalte van za.
Sub-orde Il: Anisoptera.
III. Fam. Libellulidae.
Overzicht der sub-familien en genera:
I. Anaalrand van den achtervleugel bij het d hoekig naar
binnen gebogen. ¢ in den voorvleugel weinig versmald. Auri-
culae aan weerszijden van het 2° segment. Een kleine drie-
hoekig- of boogvormig begrensde uitranding der oogen in
’t midden van den achterrand. Het d met forsche caudale
appendices, welke belangrijke specifieke kenmerken vormen,
en goed ontwikkelde, doch voor de onderscheiding der soorten
van ondergeschikt belang zijnde, copulatie organen aan de
onderzijde van het 2° segment. Lichaam grootendeels metaal-
kleurig (uitgez. Epitheca).
2 #(Sub-fam.Cordulinae) wa 0 eee
Anaalrand van den achtervleugel in beide seksen gewoon
afgerond. in den voorvleugel in den regel duidelijk ver-
smald. Auriculae aan weerszijden van het 2° segment afwezig.
Uitranding der oogen niet of nauwelijks zichtbaar. Het ® met
onbelangrijke specifieke differentiatie en geringe ontwikkeling
der caudale appendices, doch voor de onderscheiding der
soorten zeer gewichtige en hoog ontwikkelde copulatie orga- |
nen aan de onderzijde van het 2° segment. Lichaam slechts
bij uitzondering eenigszins metaalkleurig.
(Sub-fam/éLibellulinae) sun
2. In den achtervleugel ligt de proximale zijde van # aan
den arculus, in den regel zelfs een weinig proximaal daarvan.
Alle ¢ en # minstens in den voorvleugel met 1 of meerdere
dwarsaderen Lie Basa) a AAN 3
In den achtervleugel ligt de proximale zijde van 7 distaal
van den arculus. Alle Zen # in beide vleugelparen vrij . . 4
3. 1 Cug in den achtervleugel. Lichaamskleur intensief
metaalgroen. Appendix inferior van het & diep ingesneden.
Vleugelbasis zonder zwarte teekening. . . Cordulia LEACH.
2 Cug in den achtervleugel. Lichaamskleur intensief metaal-
ODONATA NEERLANDICA. 99
groen. Appendix inferior van het d niet ingesneden. Vleugel-
basis zonder zwarte teekening. . . . Somatochlora SELYS.
2 Cug in den achtervleugel. Lichaam niet metaalkleurig.
Appendix inferior van het d zwak afgerond. Basis van den
achtervleugel met groote zwarte vlek, . . Epitheca CHARP.
4. 2 Cug in den achtervleugel. Lichaamskleur intensief
metaalgroen. Abdomen getooid met groote, gele rugvlekken.
Appendix inferior van het & put Vleugelbasis zonder
Zwanterteekening „mn . +. . . Oxygastra SELYS.
5. In den voorvleugel minstens 12 Ang: ook de laatste
van C naar À doorloopend. M? en Rs distaal van den nodus
met 2 duidelijke, naar de costa convexe golvingen. Discoi-
daalveld in den voorvleugel nabij den vleugelrand sterk
Verben e UE ee
In den voorvleugel hoogstens 14'/, Ang: de laatste slechts
van C naar Sc verloopend. M? distaal van den nodus met
2 zeer zwakke golvingen. Rs nagenoeg recht. Discoidaalveld
in den voorvleugel aan den vleugelrand sterk verbreed. Basis
van den achtervleugel met een intensief saffraangeel vlekje,
Lobus van den prothorax klein, afgerond en niet opgericht.
Abdomen van het d scharlakenrood . . Crocothemis BRAU.
In den voorvleugel steeds minder dan Io Ang; de laatste al
dan niet van C naar A doorloopend. M? zeer zwak gebogen. 7
6. De sektoren van den arculus, M*-3en M*, ontspringen
uit een gemeenschappelijken stam. Een Sas ontbreekt; slechts
1 Cug in den achtervleugel. Vleugelbases zonder zwarte
teekening. Lobus van den prothorax groot, opgericht en
(LH EN nch teh. Aes, elle eld . . . . Orthetrum NEWN.
De sektoren van den cuite ontspringen zeer dicht naast
elkaar, doch zijn aan de basis gescheiden. #gs steeds aan-
wezig, soms meer dan 2; 1 of meer Cug in den achtervleugel.
Basis van den achtervleugel, soms ook van den voorvleugel,
met eene zwarte vlek. Lobus van den prothorax klein, afge-
frond ven niet-opgerichtin me iyi eo 3) LibelInia Lin.
7. Discoidaalveld in den voorvleugel aan den vleugelrand
sterk verbreed. De sektoren van den arculus, M'-3 en M*,
zijn in den voorvleugel aan de basis zeer smal gescheiden
en ontspringen in den achtervleugel uit een korten gemeen-
schappelijken stam. Laatste Ang in den voorvleugel van C
100 M. A. LIEFTINCK,
naar A doorloopend, Minstens de bases der achtervleugels
met een zwart vlekje. Lobus van den prothorax groot, opge-
richt en tweelobbig . . . . . . . Leucorrhinia BRITT.
Discoidaalveld in den voorvleugel aan den vleugelrand
versmald. De sektoren van den arculus zijn aan de basis tot
een, in den achtervleugel nog iets langeren, gemeenschap-
pelijken stam vereenigd. Laatste Ang slechts van C naar Sc
verloopend. Vleugels steeds zonder zwarte basisvlekken. Lobus
van den prothorax zeer groot, opgericht en tweelobbig .
Sympetrum NEWM.
[Sub fami Cordiali:
Cordulia LEACH 1815.
Voorhoofd geheel donker, zonder een spoor van gele vlek-
ken. Thorax en abdomen zonder gele zijvlekken. 2° segment
van het abdomen lateraal en ventraal vuil-oranje, segm. 3
vuilwit van kleur. Appendices & (fig. 2); valvula vulvae van
het 2 zeer klein en gereduceerd tot 2 kleine lapjes. Vleugel-
basis in beide seksen met een vrij breed, goudgeel vlekje.
Bij onuitgekleurde dieren, vooral bij de 99, zijn de vleugels
donker-geel getint.
De eenige Europeesche soort komt ook in Nederland voor.
Onderlip oranje, bovenlip zwart; voorhoofd en clypeus
glanzend metaalkleurig-groen: gele voorhoofdsvlekken ont-
breken. Oogen bruin, bij volwassen ex. zeer fraai goudglanzend.
Thorax metaalgroen, sterk glanzend en, vooral bij het 2, met
koperkleurigen weerschijn.
Basis van voor- en achtervleugel met een naar buiten
onscherp begrensd goudgeel vlekje, bij adulti in den regel
beperkt tot #4; soms echter bijna geheel afwezig. |)
g. Abdomen aanvankelijk cylindervormig, van segm. 5 af
gaandeweg breeder wordend en dorso-ventraal schijfvormig
afgeplat; naar het einde versmald. Dorsum bij jonge dieren
metaalgroen, bij volwassen ex. van segm. 3 af dof-brons-
kleurig. Bij zeer oude exemplaren zijn de eindsegmenten
zeer donker van kleur, bijna zwart.
1) Een d' dezer soort, met in beide achtervleugels (symmetrisch t. o. v.
elkaar) 2 Cug inplaats van slechts ééne dwarsader, werd door mij ver-
zameld in de Ankev. plassen, 16. VI. 1924.
ODONATA NEERLANDICA. IOI
Appendices zwartbrons ; app. sup. cylindervormig met afge-
ronden top. App. inf. aan het einde breed, diep driehoekig
ingesneden ; elk deelstuk aan het
einde geweivormig vertakt.
Q. Abdomen van het 3° segment
af breed, afgeplat en met parallele
zijden. Bij volwassen ex. donker
bronskleurig, met roodkoperkleu-
rigen weerschijn. !) n
Fig. 2. Cordulia aenea L. 3.
Caudale appendices ; links late-
het abdomen aangedrukt, nauwe- raal, rechts dorsaal. Vergroot
lijks de helft van segm. 9 be- (orig)
reikend; diep in 2 smal-elliptische lapjes gespleten, geelachtig.
Lengte & abd. 35—39, av. 32—36; © abd. 38, av. 36 mM.
Van de eerste dagen in Mei tot ca. half Juli (Mei, begin
Juni), zeer gemeen in bijna geheel Nederland, aan stilstaand
water, vooral in de laagveenmoerassen. Op bepaalde plaatsen
ontwikkelen de larven zich ook uit zwak stroomend water;
vooral uit boschbeken, waar de zachte bodem met veel
afgevallen bladeren e. d. bedekt is. Het optreden der imagines
geschiedt ongeveer gelijktijdig met dat van Somatochlora
metallica. Het uitkomen der larven — veelal in ontzaggelijke
hoeveelheden tegelijk — heeft plaats op zonnige dagen (in
de Ankeveensche plassen regelmatig den 49° of 54" Mei);
na eenigen tijd verspreiden de dieren zich echter in alle
richtingen.
Valvula vulvae zeer klein, tegen
Cordulia jaagt bij voorkeur dicht langs de oppervlakte van
open water; ook veel aan boschranden. De eieren worden
1) De var. Zurfosa FORSTER onderscheidt zich van het type door de
navolgende kenmerken: minder groot (abd. 34, av. 31 mM.), gele basis-
vlek van den voorvleugel onduidelijk of geheel onzichtbaar (dit is bij
oude exempl. van het type zeer dikwijls ook het geval). Membranula
smaller en niet hoekig naar buiten uitgebogen. Geheele lichaam mat-
zwart of donker koperkleurig (bij oude, typische exempl. veelal eveneens
het geval!). Volgens FORSTER is deze variëteit een hoogveenvorm, welke
een overgang vormt tusschen de typische C. aenea L. en de in Noord-
Amerika voorkomende C. skurtleffi SCUDDER. Zie FORSTER (109) en ver-
gelijk ook LEONHARDT (198, pp. 27—28). Laatstgenoemde ving een ex.
dezer variëteit bij Wolfsanger (Kassel in Hessen).
Schrijver dezes is van oordeel, dat hier van eene eigenlijke variëteit
geen sprake kan zijn.
7
102 M. A. LIEFTINCK,
op dezelfde wijze gelegd als bij Sympetrum e. a., d. w.z. het
Q wordt hierbij niet door het & vergezeld.
Zij is niet bekend uit de prov. Zeeland. In het noorden komt
zij voor op het eiland Texel (Koog !! Duinplas ‚de Muy’’!!)
aenea L. 1758
Somatochlora SELYS 1871.
Voorhoofd steeds van een of meer duidelijke, gele vlekken
voorzien.
Thorax en abdomen veelal rijk getooid met gele banden of
vlekken. Oogen bij volwassen dieren zeer fraai goudglanzend.
Appendices van het 3, evenals de valvula vulvae van het 9,
zeer verschillend van vorm. Gele vleugelteekening variabel.
De soorten van dit genus komen hoofdzakelijk in Noord-
Amerika en in het noorden van Azié voor. Zeer snelle en
vaardige vliegers.
Van de 4 Europeesche soorten komen 3 in Nederland voor.
Overzicht der 4.
Het afhellende voorste deel van het voorhoofd met een
oranje-gelen dwarsband, welke zich, aan weerszijden, in de
gele zijvlekken tegen den oogrand, verbreedt. Abdomen:
segm. 4—8 zonder gele zijvlekken. App. sup. (fig. 3).
metallica VANDERL.
Het afhellende voorste deel van het voorhoofd donker,
aan weerszijden tegen den oogrand een oranje-geel zijvlekje.
Abdomen : segm. 4—8 zonder gele a App. sup. (fig. 4)
arctica ZETT.
Het afhellende voorste deel van het voorhoofd donker,
aan weerszijden tegen den oogrand een oranje-geel zijvlekje.
Abdomen: segm. 4—-8 aan de basis met gele zijvlekken.
API SUP. St). rue . . flavomaculata VANDERL.
Oche der 00.
Het afhellende deel van het voorhoofd met een oranje-gelen
dwarsband, welke zich, aan weerszijden, in de gele zijvlekken
tegen den oogrand verbreedt. Abdomen: segm. 4— 8 zonder
gele zijvlekken. Valvula vulvae zeer lang (langer dan segm. 9),
rechthoekig afstaand, in den vorm eener smalle, spitse gleuf.
metallica VANDERL.
Het afhellende deel van het voorhoofd donker ; aan weers-
ODONATA NEERLANDICA. 103
zijden tegen den oogrand een oranje-geel zijvlekje. Abdomen:
segm. 4—8 zonder gele zijvlekken. Valvula vulvae iets korter
dan segm. 9, weinig afstaand, zeer breed afgerond en nauwe-
lnkspuiteetand JEN i se a arctica ZETT.
Het afhellende deel van het voorhoofd donker; aan weers-
zijden tegen den oogrand een oranje-geel zijvlekje. Abdomen:
segm. 4—8 aan de basis met gele zijvlekken. Valvula vulvae
ongeveer */, van de lengte van segm. 9, onder een hoek van
ca. 609 afstaand, scherp driehoekig ingesneden, in den vorm
van 2 sterk afgeronde blaadjes. . flavomaculata VANDERL.
S. metallica VANDERLINDEN 1825.
Onderlip oranje, bovenlip zwartbrons; voorhoofd en clypeus
metaalgroen met sterken glans. De oranje-gele dwarsband op
het voorhoofd is in enkele gevallen smal-onderbroken !).
Lichaam intensief goudgroen met fellen metaalglans; thorax-
zijden en dorsum van het abdomen veelal met roodkoperen
weerschijn. Abdomen: segm. 2 met 2 gele zijvlekjes en een
roodgeel apicaal ringetje; segm. 2 en 3 latero-ventraal vuil-
geel, 4—9 ventraal geelbruin. Membranula basaal wit, gelei-
delijk in grauwbruin overgaand. Pterostigma kort, roodbruin.
d. Abdomen: segm. 3 duidelijk ingesnoerd, tot aan segm. 7
geleidelijk iets breeder wordend en vervolgens tot het einde
iets versmald. Genitalién aan het 2° segment sterk uitpuilend:
lobus onder een hoek van ca. 609 afstaand, gedeeltelijk geel
van kleur. App. sup. slank, aan de basis met een iets naar
buiten gericht tandje en ongeveer op de helft met een naar
onderen gerichte, stompe uitbochting; naar het einde vrij
sterk versmald en aan den top naar boven omgebogen.
App. inf. ca. %/, van de lengte der app. sup., driehoekig,
vrij stomp.
Vleugels glashelder, hoogstens zeer licht geelachtig getint;
basis van den achtervleugel met een (bij oudere dieren meest
1) Een g, met in het midden smal-onderbroken gelen dwarsband, werd
eenmaal aangetroffen bij Roozendaal (G.), VII, 1910, leg. C. WILLEMSE.
In het hooggebergte van de Zwitsersche Alpen zijn afwijkende exemplaren
gevangen, waarbij de gele dwarsband zóó breed is onderbroken, dat
alleen de groote zijvlekken overblijven; volgens RIS is deze afwijking
aldaar zeer zeldzaam. (Vgl. Rıs, 318, p. 20).
104 M, A. LIEFTINCK,
onduidelijk) oranje-geel vlekje in 4a. Beide vleugelparen in
den regel met een dwarsader in 4 1)
Q. Abdomen zeer robuust,
niet ingesnoerd, van segm. I
af met nagenoeg parallele zij-
den ; laatste segmenten smaller.
Gele vlekjes op segm. 2 iets
grooter, tevens het dorsum van
segm. 3 met een” rond, zeel
vlekje, dat echter ook kan
Fig. 3. Somatochlora melallica ontbreken *). Appendices lang
VANDERL. d. Caudale appendi- en recht, aan de basis ver-
ces; links dorsaal, rechts lateraal. smald, lancetvormig en aan
Vergy cog Ones) den top spits. Valvula vulvae
in den vorm van een gootvormig samengeknepen, aan het
eind spits toeloopende, geul.
Vleugels diffuus geel van kleur; proximaal van den nodus
met oranje stralen in cen sc en distaal van den nodus tusschen
Gen ER
Lengte 4 abd. 40, av. 35—38, pt. 2; 9 abd. 42, av. 35—-38,
pt. 2.5, app. 4.5 mM.
Van eind Mei of begin Juni tot in Augustus (Juni), op
verschillende plaatsen in ons land, behalve in de westelijke
kustprovincien.
Lokaal en over ’t algemeen vrij zeldzaam.
Zij vliegt met groote voorliefde en bijna uitsluitend aan
beschaduwde, door bosch en struikgewas omzoomde, zwak
stroomende beken in het Oosten en Zuiden des lands. Nog
meer dan Cordulia, is deze soort aan het water, dat zij slechts
in het begin van den vliegtijd verlaat, gebonden. Gedurende
de eerste helft van Juni houden beide seksen zich op in de
nabijheid van hunne geboorteplaats, op open plaatsen in het
bosch en in zandwegen; hier vliegen zij, soms uren achter-
1) Bij een g' uit Denekamp (O.) bevindt zich in geen der vier vleugels
een dwarsader (15. VII. 1921 !!) Volgens GARBINI komt deze afwijkende
vorm voornamelijk voor op de hoogvlakten van Midden-Europa. Vgl.
A. GARBINI, Libellulidi del Veronese e della provincie limitrofe (Bull.
Soc. ent. Ital. 29, 1897).
2) Bij een ex. uit de omgeving van Groningen, zijn deze ronde vlekken
bijzonder groot.
ODONATA NEERLANDICA. 105
een, snel heen en weder, zonder zich een oogenblik rust te
gunnen. In dezen tijd vindt de copulatie en stellig ook het
eierleggen plaats. De QQ krijgt men later zelden meer te
zien. Tot ver in Augustus zijn de fg‘ nog aan de boschbeken
aan te treffen !). Nog nimmer werd deze soort in de laag-
veenstreken opgemerkt; toch komt zij misschien op enkele
plaatsen in het Gooi voor. Over geheel Noord- en Midden-
Europa verbreid, is S. metallica zeer zeldzaam in Engeland.
Volgens WESENBERG LUND verschijnt zij in Denemarken
aanmerkelijk later in het jaar dan hier te lande, n.l. omstreeks
begin Juli. Eenmaal werd een © dezer soort gevangen op
het Duitsche Noordzee-eiland Memmert (6).
In Nederland werd zij aangetroffen op de volgende plaatsen :
Prov. Groningen: Groningen, Omland !
Prov. Drente: Zuidlaren !! Wijster !
1) De wijze waarop de 99 dezer soort hare eieren leggen, was tot voor
korten tijd nog zeer onvoldoende bekend. Dank zij de onderzoekingen
van TORKA (421, 1909), WESENBERG LUND (442, 1913) en STORCH (410,
1924), is de zeer bijzondere wijze waarop dit geschiedt, thans geheel
duidelijk in het licht gesteld. — Een 9 S. metallica legt hare eieren
niet in het water, doch steeds op zeer korten afstand van de oeverlijn
in den vochtigen, zandigen of modderigen, aardbodem; door krachtige,
roeiende vleugelbewegingen houdt zij zich hierbij op ééne plaats — vlak
boven den grond — in de lucht zwevende en slaat bij korte tusschen-
poozen haar recht naar onderen gerichte, gootvormige „legboor” met
kracht in de weeke substantie, waarbij het lichaam — dus ook het
abdomen — als eene rechte staaf in horizontale richting gestrekt blijft.
Slechts de beide laatste abdominaalsegmenten met de appendices, komen
gedurende deze manoeuvre in ééne lijn te liggen met de ,,legboor”,
ongeveer in verticalen stand. Op deze wijze worden de eieren (afzonderlijk ?)
als het ware den vochtigen bodem ingehamerd. STORCH (410) be-
schrijft de toedracht der zaak met groote nauwkeurigheid naar eigen
waarneming. Zoowel STORCH als TORKA hebben waargenomen, dat een
Q gedurende het eierleggen zoo nu en dan haar achterlijfsspits op dezelfde
manier — zeer zeker ter instinctmatige reiniging van dezelve — ook in
het water doopt. STORCH nam de 99 dezer soort alleen in copula of
eierleggend waar; schrijver dezes observeerde de jonge dieren ook in
het begin van den vliegtijd, in de omgeving van Winterswijk, waar zij
in aantal statig rondzweefden aan den rand van een dennenbosch boven
een weide — meestentijds ver buiten het bereik van zijn net. Hierbij
viel op te merken, dat de beide laatste segmenten van het abdomen,
zooals gewoonlijk het geval is, eenvoudig naar achteren waren gericht
en alleen de lange sleuf aan het 8ste segment loodrecht naar onderen
wees. De zonderlinge, doch doelmatige stand tijdens het eierleggen, blijkt
dus geen onwillekeurige te zijn,
106 M. A. LIEFTINCK,
Prov. Overijsel: Bathmen!! Ootmarsum!! Denekamp!!
Prov. Gelderland: Lochem! Barchem! Winterswijk!!
Teuge! Wageningen!! Oosterbeek, Arnhem! Roozendaal,
g ab. (C. WILLEMSE) !
Prov: Utrecht: Driebergen:
Prov. Noord-Brabant: Ginneken! Oisterwijk !! Vught!!
Berlicum !
Prov. Limburg: Plasmolen ! Velden !! Venlo! Belfeld !!
Blijenbeek ! Weert !
S. arctica ZETTERSTEDT 1840.
Onderlip donkergeel, bovenlip zwart; voorhoofd en clypeus
donker metaalgroen, weinig glanzend. Thorax smal, glanzend
metaalgroen met koperkleurigen weerschijn. Abdomen zeer
donker, bronskleurig-zwart: eerste segmenten met doffen glans.
Vleugels vrij kort; membranula basaal wit, geleidelijk over-
gaand in grijs. Pterostigma donkerbruin, bij het 4% bijna zwart.
4. Abdomen slank; segm. 3 iets ingesnoerd, dan gelei-
delijk wat breeder wordend en
naar het einde weinig versmald.
Segm. 2 aan den apicalen rand
met 2 fijne, gele dwarsstreepjes ;
lateraal geel gevlekt. Basis van
segm. 3 smal geel. De omgeslagen
randen der tergieten ventraal geel
gezoomd. App. sup. aan de bin-
nenzijde met groote, stompe, naar
onderen gerichte tanden en aan
Fig. 4. Somatochlora arctica den top niet opwaarts gebogen.
ZETT. g. Caudale appendices; Vleugels zeer licht geelachtig
links dorsaal, rechts lateraal. getint; basis van den achtervleugel
Vergroot (orig). MERO
met een geel vlekje in Za (fig. 5).
2. Abdomen basaal vrij breed, naar achteren tot aan het
einde versmald. Gele vlekjes op segm. 2 iets grooter dan
bij het 7, bovendien het dorsum van segm. 3 met eene groote,
cirkelronde, heldergele vlek; segm. 3 ventraal breed geel.
Appendices vrij lang, recht; aan de basis weinig versmald,
lancetvormig en aan den top spits. Valvula vulvae iets afstaand,
zeer breed afgerond.
ODONATA NEERLANDICA. 107
Vleugels vuil-geelachtig getint, eindgedeelte veelal eenigs-
zins berookt.
Lengte g' abd. 36, av. 31, pt 2.5; Q abd. 35, av. 30, pt 2.5,
app. 3 mM.
Boreale en alpine soort. Hoofdzakelijk bewoner van Noord-
Europa en Siberië. In de gematigde zône van Europa spora-
disch en waarschijnlijk overal glaciaal-relict. Haar versprei-
dingsgebied is nochtans vrij groot. In Engeland is arctica
zeldzaam; zij werd in Schotland en Ierland aangetroffen
Nea
Fig. 5. Somatochlora arctica ZETT. 3. Vleugelpaar, vergroot
(naar TILLYARD).
(resp. in Perthshire en Inverness-shire en bij Killarney). In
Denemarken uitsluitend in de omgeving van Silkeborg bij
Vejlso. Uit Duitschland zijn slechts weinige vindplaatsen
bekend: op het eiland Helgoland, op de Lüneburger Heide
bij Harburg, in de Rijnprovincie bij Elberfeld op de Wahner-
en Hildener Heide en bij Gangelt (niet ver van de Neder-
landsche grens bij Jabeek in Limburg). Ook werd eens een
Q gevangen op de Oldenbütteler Heide bij Bremen, 5. VI. 1922
(WEISS, *513). In België werd zij bij Arlon en Hockay in de
omgeving van Spa gevonden.
Hier te lande werd éénmaal een volwassen Q gevangen
bij Venlo, 15. VII. 1910 (leg. v. D. BRANDT). Dit exemplaar
was — te oordeelen naar een klomp verdroogde eieren,
welke thans nog vastgekleefd zit aan het 9° segment — op
het punt deze af te leggen.
In hare levenswijze zou S. arctica veel overeenkomst ver-
toonen met S. flavomaculata,
108 M. A. LIEFTINCK,
S. flavomaculata VANDERLINDEN 1825.
Onderlip donkergeel, bovenlip zwart; voorhoofd en clypeus
glanzend metaalkleurig-groen. Aan weerszijden tegen het oog
een driehoekige, gele vlek. Thorax zeer smal, slanker dan
bij de overige soorten; licht metaalgroen, met sterken glans.
Over het stigma en over de epimeren van den metathorax
een korte, vuilgele zijstreep. Abdomen bronskleurig-zwart,
met zeer geringen metaalglans, dof.
Vleugels lang en vrij breed; pterostigma bijna zwart.
Membranula slechts aan de basis wit, overigens grijsachtig.
gd. Abdomen zeer slank ; segm. 3 weinig versmald, middelste
segmenten iets verbreed. Segm. 1, 2 en 3 lateraal zeer breed
oranje-geel, met sterke uitbreiding op het dorsum dezer seg-
menten; segm. 4—8 lateraal met kleine, doch duidelijke,
vuil-oranje basisvlekken. Onderzijde der segmenten grooten-
deels vuil-geelbruin. Appendices smal; app. sup. over de
geheele lengte ongeveer parallel verloopend; achter het mid-
den iets naar binnen gebogen, versmald en aan de basis met
een zeer scherp, naar omlaag gericht tandje; ver achter het
midden met een, een weinig naar buiten gerichte, stompe
verhevenheid en aan den top opwaarts gebogen. App. inf.
smal, driehoekig en afgeknot.
Vleugels hyalien, bij zeer oude gg
EE met donkere aderzoomen; basis van
den achtervleugel met een geel vlekje
in Za.
Q. Abdomen aan de basis breed,
naar achteren tot aan den top ge-
leidelijk een weinig versmald, sterk
dorso-ventraal afgeplat. De oranje-
gele zijvlekken op segm. 2—9 breed
driehoekig, grooter en lichter van
Fiero Neu dan bij het ; vooral de eerste
flavomaculala VANDERL. d'. fl ws
Candale appendices; links segmenten met sterke uitbreiding
lateraal, rechts dorsaal. op het dorsum. Onderzijde bijna
Vergroot (orig.). 5 4
geheel geelbruin. Appendices lang,
iets naar boven gebogen en convergeerend; aan de basis
iets versmald en aan den top spits. Valvula vulvae onder
ODONATA NEERLANDICA. 109
een hoek van 60° afstaand, in 2 breed-afgeronde blaadjes
scherp-driehoekig ingesneden.
Vleugels in den regel hyalien, soms lichtgeel getint.
Lengte 4 abd. 32—38, av. 32—35, pt. 2.6; 9 abd. 36,
av. 33, pt. 2.6, app. 3.5 mM. Grootte variabel!
Deze soort bewoont het laagland van Midden- en Noord-
Europa en wijkt in hare levenswijze geheel af van de overige
Europeesche soorten van dit genus.
Zeldzaam. Op slechts enkele plaatsen in ons land telkenjare
te vinden.
Van begin Juni tot ca. half Augustus (Juli) bijna uitsluitend
in de hoogveenstreken van het Zuiden en Oosten des lands.
In uitgestrekte veenmoerassen in de onmiddellijke nabijheid
van bosch en hakhout, soms in groot aantal bijeen. In hare
levenswijze onderscheidt zich favomaculata van haar verwanten
door de eigenaardigheid, dat zij nimmer over open water —
zooals plassen en vennen of langs beken — vliegt, doch
steeds en dan veelal in aantal, boven natte venen en moe-
rassen, die grenzen aan hoog dennenbosch en laag loof hout —
als elzen en berken. Met groote voorliefde jaagt zij ook
boven kleine veenslootjes en uitgegraven turfgaten. Dit geldt
echter uitsluitend voor de #7. In het voorjaar op open plekken
in het bosch en in zandwegen, waar men dan ook kans
heeft de QQ aan te treffen. De vlucht is een zeer gelijkmatige
en flavomaculata is ook veel minder schuw dan de overige
soorten. Het eierleggen is nog geheel onbekend.
Komt in Engeland niet voor. In België uiterst zeldzaam. !)
In Denemarken bij Nordfalster en bij Frederiksborg (Hilleröd)
op Seeland.
In ons land zijn de volgende vindplaatsen bekend.
Prov. Gelderland: Arnhem! Winterswijk !!
Prov. Zuid-Holland: Rotterdam!
Prov. Noord-Brabant: Oisterwijk!! [Vught!! (waarge-
nomen, doch niet verzameld) |.
Prov. Limburg: Horst! Plasmolen!!! Venlo! Reuver!
Belfeld !! Weert!
1) DE SELYS LONGCHAMPS vermeldt als een der weinige vindplaatsen
Roermond (399, p. 137).
IO M. A. LIEFTINCK.
Epitheca CHARPENTIER 1840.
Voorhoofd oranje, met een groote, zwarte basisvlek, welke
bij het & eenigszins metaalkleurig glanst. Thorax en abdomen
grootendeels bruingeel, met zwarte of donkerbruine teekening ;
abdomen dorso-ventraal vrij sterk afgeplat.
Vleugels zeer breed en lang; basis van den achtervleugel
met een groote, zwarte vlek. Anaalveld zeer breed, de cellen
in dwarse rijen gerangschikt. Membranula zeer groot en lang,
bijna zuiver wit. ;
De eenige Europeesche soort is ook in Nederland gevonden.
Onderlip oranje, bovenlip zwart. Thorax kort, bruinachtig-
geel van kleur. Mediane naad met een smalle bruine, schou-
dernaad en achterste zijnaad met een breede, donkerbruine
streep. Pooten zeer lang en forsch, grootendeels zwart.
Abdomen lang.
gd. Abdomen aan de basis breed, tot segm. 6 met nagenoeg
parallele zijden; segm. 3 nauwelijks ingesnoerd. Laatste seg-
menten tot aan den top vrij sterk versmald. Segment ı en 2
bruingeel met donkere segmentgrenzen; auriculae aan weers-
zijden van het 2° segment zeer klein, knopvormig. Genitalién
uitpuilend. Segm. 3 dorsaal zwart, de zijden breed geelbruin,
4—8 eveneens zwart, met breede, onregelmatige, ongeveer
halvemaanvormige zijvlekken ; segm. 9 bijna, 10 geheel zwart.
App. sup. van boven scherpkantig, tot aan ’t midden parallel
verloopend, dan plotseling divergeerend, aan den top verbreed
en symmetrisch driehoekig van vorm. App. inf. iets langer
dan de helft der app. sup., aan het einde verbreed, voorzien
van een vrij diepe inbochting.
Vleugels lichtgeel, in het costaalveld donkerder en met
gele dwarsaderen; de zwarte basisvlek in den achtervleugel
driehoekig, met den top in Z en de breede basis aan de
membranula; geel geaderd. za met één dwarsader. Membra-
nula zeer lang en breed, bijna zuiver wit. ¢ in den voorvleugel
bijna gelijkzijdig, driecellig. Pterostigma klein, bruin.
Q. Abdomen geelbruin, segm. 3—9 met naar achteren steeds
breeder wordende, onregelmatige en bochtige rugvlekken,
die ongeveer halvemaanvormige zijvlekken zichtbaar laten.
Appendices cylindervormig, 2 X zoo lang als segm. 10. Val-
ODONATA NEERLANDICA, III
vula vulvae niet afstaand, langer dan het 9° segment; bijna
tot op de basis in 2 lange, het eind van segm. 10 bereikende,
smal-elliptisch afgeronde, gele blaadjes gespleten.
Vleugels diepgeel, met donkere aderzoomen.
Benster gi abd, uso ave Mpt 35 Olabd.: 41, av. 39,
pt. 3.5 mM.
Deze groote Corduliine bewoont Oost-Europa, alsmede een
groot deel van Noord- en Centraal-Azië. In West- en Midden-
Europa zeer sporadisch, doch in sommige jaren plotseling
in groot aantal optredend. Het enorme verspreidingsgebied
en het plotselinge voorkomen op zeer onverwachte plaatsen,
gevolgd door een even zoo snel verdwijnen, wijst op een
geweldig ontwikkeld vliegvermogen. !) De vliegtijd is zeer
vroeg en duurt slechts kort, n.l. van begin Mei tot begin Juni.
Het eenige inlandsche exemplaar werd gevangen bij Arn-
hem (8. VL, 9, v. MED. DE Rooy!)?). Sindsdien is Zpitheca
nooit meer weergevonden. In het aangrenzend gebied van
Duitschland bij Lüneburg in Hannover, bij Munster in West-
falen en bij Aschaffenburg (Schönbusch). Voorts in de mark
Brandenburg en in de omgeving van Cassel (Wilhelmsthal)
in Hessen. In België bij Longchamps sur Geer, éénmaal in
de Kempen en in de nabijheid van Brussel bij Boitsfort
(Rouge-Cloitre). In Denemarken bij Frederiksdal (Furesö,
Hulsö). Ook in Zuid-Zweden. Uit Engeland nog niet bekend.
bimaculata CHARP. 1825.
Oxygastra SELYS 1871.
Voorhoofd geheel donker, zonder een spoor van gele
vlekken. Thorax en abdomen metaalkleurig-groen, de 7 eerste
abdominaalsegmenten met een langwerpige, gele rugvlek.
Appendices g (fig. 7); valvula vulvae van het © zeer kort,
niet ingesneden. Vleugels in beide seksen min of meer geel
getint; basisvlekje onscherp begrensd. Anaalveld in den
achtervleugel breed (fig. 8).
De eenige soort van dit genus komt ook in Nederland voor.
1) Vergelijk hierover: FRÖHLICH (III, pp. 21—22\, LEONHARDT (198,
pp. 26—27), Ris (318, p. 19), SCHIRMER (361, p. 50), DE SELYS (397,
PP. 137—138), WESENBERG LUND (442, pp. 181—185).
2) Als tweede, vermoedelijke vindplaats, vermeldt DE SELYS: „aux
environs de Ruremonde” (397, p. 138).
I12 M. A. LIEFTINCK,
Habitus van Cordulia aenea, doch over 't geheel veel slan-
ker van bouw en met smalleren en korteren thorax.
Onderlip oranje, bovenlip zwart, anteclypeus witachtig.
Voorhoofd en postclypeus glanzend metaalkleurig-groen.
Oogen bij volwassen dieren fraai goudglanzend. Thorax smal
en zeer kort; metaalgroen zonder gele teekening en sterk
glanzend. Pooten zwart.
d. Abdomen dun en zeer slank; aan de basis weinig ver-
breed, naar achteren tot aan segm. 6 een weinig smaller
wordend, rolrond; tot aan het einde dorsoventraal verbreed.
Fig. 7. Oxygastra curtisi DALE gd. Caudale appendices, lateraal,
Vergroot (orig.). Beharing weggelaten.
Segm. 1—7 met lancetvormige, achter het midden ingesnoerde
en naar achteren zeer fijn toegespitste, gele rugvlekken,
welke naar achteren afnemen in grootte. Dorsum van segm. 10
geel, kielvormig samengeknepen. Onderzijde bronsgroen.
Appendices in verhouding tot het slanke lichaam, grover
van bouw en sterk behaard. App. sup. donker, cylindervormig
en vrij sterk divergeerend, met afgeronden top; aan de basis
met een groote, loodrecht naar onderen gerichte voortzetting,
welke aan den top zeer fijn is toegespitst — en vóór het
einde voorzien van een klein, stomp tandje. App. inf. aan
den top iets verbreed en met een tamelijk diepe afgeronde
insnijding. Vleugels bij jonge 4‘ heldergeel, aan de basis
donkerder; bij adulti glashelder, met iets geel getinten wortel.
Basale gedeelte van den achtervleugel breed. Pterostigma
vrij klein, zwart. Membranula zuiver wit.
Q. Abdomen robuust, vrij sterk zijdelings samengedrukt,
ODONATA NEERLANDICA. E73
eerste en laatste segmenten nauwelijks breeder. Gele teeke-
ning als bij het /, soms nog een klein vlekje ook op segm.
8 en 9; segm. Io in het midden geel van kleur, doch zonder
kamvormige verhevenheid. App. sup. ongeveer even lang als
segm. 10, donker van kleur en met spitsen top; valvula
vulvae klein, niet afstaand en gewoon afgerond. Vleugels
Ss
< HERRON
®,
aaan HS
Fig. 8. Oxygastra curtist DALE g. Vleugelpaar, vergroot
(naar TILLYARD).
heldergeel, in het costaalveld meer oranje; bij zeer oude QQ
verliezen ze veel van hun fraaie kleur: de geheele vleugel
wordt dan diffuus geel, zonder een donkerder nuanceering
aan de basis en in de costaalruimte.
Lengte & abd. 36, av. 33; © abd. 34, av. 33 mM. — Abd.
& Berlicum: 39, av. 34, pt..2 mM. Deze, kortelings ook
in ons land ontdekte soort, bewoont Zuid-West-Europa, voor-
namelijk Zuid-Frankrijk, waar zij op vele plaatsen in de Pro-
vence, in Anjou en in Languedoc werd aangetroffen, in
midden-Frankrijk zou zij zelfs gedurende de zomermaanden
algemeen voorkomen aan kleine rivieren in het département
Indre en zonder twijfel ook elders in deze streek. Oxygastra
werd daar nog niet noordelijker aangetroffen dan bij Le Mans
(dép. Sarthe). Zij werd het eerst beschreven door DALE uit
't zuiden van Engeland, naar exempl. uit Dorsetshire en
Devonshire; tegenwoordig leeft zij nog in het New Forest
(Pokesdown bij Christchurch) in Hampshire en bij Herne en
Heroncourt in dezelfde provincie. Uit Duitschland is deze
soort niet bekend, doch wel uit Zwitserland en Italie. In
EA! M. A. LIEFTINCK,
België werden 2 4 gevangen in het dal van de Lesse bij
Furfooz in de Ardennen, 15 en 28. VI. 1900, leg. G. SEVERIN &
A;\\LAMEERE, (Séance du Soc: entom.. Belg:, 7-V lls 1900;
p. 259).
Hier te lande werd Oxygastra curtisi in 2 g-exempl. ge-
vangen bij Berlicum (N.Br.), 21. VI. 1925 en 24. VI. 1925 in
de nabijheid van ’t riviertje de Aa op het landgoed „de
‚Stille Wamberg!. (les D'.CMGEYSKES) (5517).
Volgens R. MARTIN (242) komt zij zoowel in moerassige
streken als aan stroomend water voor, doch houdt zich bij
voorkeur op in de boschrijke omgeving van rivieren; zij zou
veelal uren achtereen, zonder ophouden rondvliegen. In de
Provence valt de vliegtijd van eind Mei tot begin Juli; op
andere plaatsen in Frankrijk werd zij evenwel nog eind Au-
gustusopgemerkt . .'.. .. 8.00 = Guttisi DAR 3
Il Sub- ram. Lipnellulanae
Crocothemis BRAUER 1868,
Voorkant van het voorhoofd afgeplat, in den vorm van
2 ongeveer driehoekige, scherp omlijste platen. Lobus van
den prothorax klein, afgerond en niet opgericht. Vleugels
lang en smal met lichtrood gekleurde aderen. Arc tusschen
de 1° en 2° Ang. In den voorvleugel 7!/,—14!/, Ang, de
laatste niet doorloopend. Alle vleugels met 1 Cug. Bgs af-
wezig. ¢ in den achtervleugel zonder dwarsaderen. 47? in het
midden flauw gebogen. Rs nagenoeg recht. De sektoren van
den arculus //*-3 en M* zijn tot een gemeenschappelijken
stam vereenigd. 1 celrij Rs—Rsp/. (bij uitzondering indivi-
dueele afwijkingen met 2 celrijen). Anaalveld in den achter-
vleugel breed. Geen zwarte vlek aan de basis der vleugels.
Abdomen bij het x scharlakenrood, bij het @ geelbruin.
Genit. 9: Randen van segm. 8 niet verbreed; 8° sterniet
verlengd tot een sterk afstaande, tamelijk spitse, gootvormig
samengebogen valvula vulvae. De eenige Europeesche soort
komt voor in het aangrenzend gebied.
Basis van den voorvleugel met een kleine, van den achter-
vleugel met een grootere, meestal de eerste Ang en Cug over-
schrijdende, goudgele vlek, welke van C tot aan den anaal-
rand doorloopt. Vleugeladeren bij het levende g* rood, bij
ODONATA NEERLANDICA. IIS
het ® bruinachtig. Pterostigma groot (3.5—4 mM.), bij het 4
heldergeel met zwarte randaderen; bij het 9 bruingeel.
d ad. Kop rood, onderlip lichter; thorax helder oranjerood.
Pooten roodgeel. Abdomen depres, 3.5—4.5 mM. breed, naar
het einde geleidelijk versmald; geheel scharlakenrood, zonder
donkere teekening op de laatste segmenten. Genit. 2° segm. :
buitenste tak van den hamulus gewoon ontwikkeld, naar
achteren gericht, aan den top toegespitst en naar buiten
omgebogen; lobus ongeveer even groot, breed afgerond.
Q ad. Lichaamskleur geelbruin. Abdomen in enkele gevallen
met een donkere rugstreep op segm. 7 —9. Valvula vulvae
afstaand.
Grootte zeer variabel. Lengte abd. 26, av. 30; © abd.
28, av. 32 mM. Deze zeer opvallende soort bewoont geheel
Afrika en het Zuid-Europeesche Middellandsche Zeegebied.
Een enkele maal, in zeer gunstige jaren, dringt zij tot noor-
delijker streken door en kan daar eenige jaren stand houden.
Sporadisch in Noord-Frankrijk (in de omgeving van Parijs).
In België is zij gevonden aan een moeras bij Longchamps
sur Geer (21 en 26. VII. 1859 en van eind VI—eind VII.
1878) !) Uit Duitschland, Engeland en Denemarken niet
bekend. De soort leeft uitsluitend aan stilstaand water.
Het voorkomen ín ons land is zeer twijfelachtig.
(erythraca BRULLÉ 1832)
Orthetrum NEWMAN 1833.
Voorhoofd met een duidelijken voorkant; het afgeplatte
voorste gedeelte zijdelings door een glanzenden, iets opge-
richten rand omgeven. Lobus van den prothorax groot,
opgericht, lang bewimperd en iets ingesneden. Vleugels lang,
grootendeels donker geaderd. Arc meestal aan de 2°, of
tusschen 2° en 3° Ang. In den voorvleugel minstens 12 Ang,
ook de laatste compleet. 1 Cug in alle vleugels. Ags afwezig.
tin den achtervleugel bijna steeds zonder dwarsader. J/? en
Rs distaal van den nodus met 2 duidelijke, naar de costa
convexe, golvingen. De sektoren van den arculus, M'-3 en
1) Vergelijk hiermede DE SELYS LONGCHAMPS „Sur la Zzbellula erythraea
en Belgique” (Soc. Ent. belg. séance du 6 juillet 1878).
116 M. A. LIEFTINCK,
M* aan de basis tot een gemeenschappelijken stam vereenigd.
I of meer celrijen Rs—Rspl. Vleugelbasis hyalien.
Genit. 9. Randen van het 8° segment al of niet verbreed;
valvula vulvae onduidelijk: slechts eene insnijding met meer
of minder opstaande randlijsten aan het einde van het
8° sterniet.
Van de 8 Europeesche soorten komen 3 in Nederland voor.
Overzicht der gg.
Groote soort. Genit. 2° segm. (fig. 9). Pterostigma zwart-
bruin tot zwart. Membranula donker, grauwzwart. 2 celrijen
RS RS PE. i Mis vlier . + ++. cancellatum LINN.
Kleinere soort. Ci 2° segm. (fig. 10). Pterostigma helder
roodbruin, 2.5—3 mM. Membranula zuiver wit. 2 celrijen
As Rs nt TUE «+ + «brunneum FONSC:
Kleinste soort. cda 2° segm. (fig. 11). Pterostigma helder
okergeel, 3.5 mM. Membranula zuiver wit. I celrij Rs—Rsp/.
(hoogstens eenige verdubbelde cellen). . caerulescens FABR.
Overzicht der QQ.
Groote soort. Randen van het 8° segment omgeslagen, niet
verbreed; aan het einde van het 8° sterniet eene kleine,
doch diepe, boogvormige uitranding. Valvula vulvae ondui-
delijk. Pterostigma zwartbruin tot zwart. Membranula donker,
grauwzwart. 2 celrijen Rs--Rsp/. . . . cancellatum LINN.
Kleinere soort. Randen van het 8° segment vrij sterk ver-
breed; de verbreeding fijn getand, zwart; aan het eind van
het 8° sterniet eene kleine, boogvormige uitranding, welker
randen als geelachtige lapjes naar achteren zijn gericht.
Pterostigma helder roodbruin, 3 mM. Membranula wit. 2 cel-
rijen Rs— Rspl … var 2.2 ern! « » „brunneum: FONSE
Kleinste soort. Randen van het 8° segment vrij sterk ver-
breed; de verbreeding fijn getand, zwart; aan het eind van
het 8° sterniet eene kleine, driehoekige insnijding, welker
randen als glanzende bultjes iets zijn verheven. Pterostigma
helder okergeel, 3.5—4 mM. Membranula zuiver wit. 1 celrij
Rs—-Rspl ar cile et er ar vn + Gaerulescens; FABRI
0. cancellatum LINNAEUS 1758. !)
Groote soort. Vleugels lang, bij volwassen dieren glashelder ;
1) De Centraal-Aziatische subspecies O. canc. kraepelini Ris, kan hier
buiten beschouwing worden gelaten.
ODONATA NEERLANDICA. BT 7
vleugelpunten soms (vooral bij het ®) een weinig berookt.
Pterostigma klein, bijna zwart. Membranula grauwzwart; 2 cel-
rijen Rs—Rspl.!) Kop klein, thorax robuust, pooten zeer
forsch. Abdomen breed, depres en aan de basis tevens dorso-
ventraal verdikt. Appendices zwart.
d' juv. en Q ad. Voorhoofd en monddeelen grootendeels
vuil-grauwgroen. Thorax evenzoo, bij het / meer oranje geel ;
episternum van den mesothorax donkerder van kleur, met
een zwarte streep over den schoudernaad, welke naar het
midden begrensd wordt door een diffuse, zwartgezoomde,
olijffbruine strook. Thoraxzijden met smalle, zwarte naden,
bij het 4 breed, bij het Q smal. Abdomen oranje geel of meer
grauwgeel, met smal-zwarte segmentgrenzen en dikke, naar
achteren verbreede, zwarte zijstrepen, welke op ieder segment
gele halvemaanvormige vlekjes vrij laten. Onderzijde grooten-
deels zwart, het met kleine, 9 met grootere gele vlekken;
bij oude 99 dun grauw berijpt.
gd ad. Thorax als bij 9 ad, zijden nog meer grauw, zeer
dun blauw berijpt, vooral duidelijk op de zwarte zijnaden.
Pooten zwart, basis der dijen met een geel
streepje; dun grijsachtig berijpt. Abdomen
naar het einde geleidelijk versmald; segm. 2
zeer dun, 3—7 dicht grauwblauw berijpt;
segm. 8, 9 en 10, benevens de appendices,
zwart. Op segm. 5—8 blijven kleine rood-
gele zijvlekjes zichtbaar.
Genit. 2° segm.: lamina anterior hoog
en steil, het basale deel van terzij gezien
vormt een hoek van ca. 45° met het abdo- BEE COME
men en is bezet met een bundel lange, zwarte cancellatum L. o.
haren; het einddeel is 90° opgericht, zeer Genitaliën van het
diep in 2 bijna spitse takken gespleten. si aes Sai
Hamulus kleiner dan de lamina (fig. 9). groot (orig). Be-
Lengte ¢ abd. 33, av. 38, pt. 2.5; Q abd. 32, haring weggelaten.
av. 39, pt. 3 mM.
Van ca. 20 Mei tot eind Augustus (eind Juni en Juli) niet
1) Ik bezit een jong Q uit de omgeving van Belfeld (L.) met de vol-
gende afwijkingen in den aderbouw: # i; Cug =
118 M. A. LIEFTINCK,
zeldzaam en op bepaalde plaatsen zelfs zeer gemeen, bij
voorkeur aan groote, open plassen en meren; in den aan-
vang van den vliegtijd in de uitgestrekte moerassen der
laagveenstreken. Later in het jaar verspreiden de dieren zich
over het vlakke land, aan slooten en vaarten en komen dan
ook wel eens in de steden. Zeer snel en schuw. De QQ vindt
men op meer beschutte en begroeide plaatsen dan de gg
en zijn daardoor schijnbaar veel zeldzamer. Deze soort komt
soms ook in groote massa's voor aan leemplassen in de
diluviale streken (b.v. bij Winterswijk). Met vrij groote zeker-
heid kon ik vaststellen, dat zij zich slechts bij uitzondering
aan vennen en heiplassen ophoudt (Leersumsche veld). In
de duinen trof ik de pas uitkomende dieren aan bij het
duinmeertje de Muy op het eiland Texel (15. V. 1921). De
blauwberijpte gg treft men vaak, in aantal bijeen, op pas
gemaaide riet- en hooilanden; bij het minste onraad vliegen
ze op en zweven met hun karakteristieke scherende vlucht
Pijlsnel over het veld, om zich spoedig weer op den grond
neer te zetten. i
In Zeeland bij Middelburg; in de duinen ook bij Scheve-
ningen, Wassenaar (!) en bij den Haag (!!) gevangen. Uit de
provinciën Groningen, Friesland en Drente niet bekend. Het
aantal bekende vindplaatsen in Nederland is nog zeer klein.
0. brunneum DE FONSCOLOMBE 1837. 1)
Kleinere soort. Vleugels lang en glashelder; pterostigma
klein, okergeel, soms meer roodgeel met verdikte zwarte
randaderen. Kop klein, thorax en pooten goed ontwikkeld.
Abdomen breeder dan bij de volgende soort, sterk afgeplat
en aan de basis dorso-ventraal verdikt; naar het einde ge-
leidelijk versmald. Appendices zwart.
d ad. Voorhoofd en monddeelen licht blauwachtig-grijs.
De geheele thorax en het abdomen dicht en gelijkmatig
lichtblauw berijpt.
Genit. 2° segm. weinig in ’t oog vallend: lamina anterior
klein en breed, vormt van terzij gezien een hoek van
1) De subspecies O. brunneum cycnos SELYS, der Middellandsche Zee-
eilanden, kan hier buiten beschouwing worden: gelaten.
ODONATA NEERLANDICA. 119
ca. 30° met het abdomen; aan het einde afgerond, met een
uiterst fijne insnijding. Hamulus even klein of iets grooter
(fig. 10).
Q ad. (vertoont veel overeenkomst met 4 juv.). Voorhoofd
en monddeelen vuilgeel of witachtig. Thorax licht bruinachtig
tot grauwgroen; episternum van den meso-
thorax met een kort diffuus streepje, hetwelk
van buiten door een zwart lijntje begrensd
wordt. Thoraxzijden met 2 breede, dorsaal
onscherp begrensde, geelachtig-witte zijstre-
pen; de eene loopt van den schoudernaad
tot aan het stigma, de achterste beslaat het
geheele metepimerum. Abdomen cylinder-
vormig, helderbruin van kleur; rugstreep en
segmentgrenzen smal zwart.
Lengte ¢ abd. 30, av 35, pt. 2.7; © abd. 30,
av. 35, pt. 2.8 mM. me 10: ee
Zuidelijke soort; bewoner van Zuid-Europa EN a
en het Middellandsche Zee-gebied. Over ge- lateraal. Vergroot
heel Midden-Europa verbreid, doch overal (orig.). Beharing
zeldzaam en in noordelijke streken geheel PEBE Sen
ontbrekend. In ons land zeer zeldzaam. Zij werd gevonden
bij Venlo (L.), 1 Q, 20. Vl en 1 & 15. VII (leg. V. D. BRANDT !)
en in aantal bij Kerkrade (L.), VII. 1902 (leg. v. D. WEELE !).
De vliegtijd van O. brunneum valt hier te lande later dan
van O. caerulescens, n.l. van eind Juni tot eind Augustus 1).
Zij houdt zich bij voorkeur op aan kleine beekjes op eenigs-
zins heuvelachtig terrein.
Uit het aangrenzend gebied van Duitschland is zij slechts
bekend van Lüneburg in Hannover, Zechlinerhütte in Bran-
denburg en Gangelt in de Rijnprovincie. Ook in Lotharingen.
In België zeer lokaal, volgens DE SELYS (397) niet zeldzaam
van eind Mei tot begin Augustus; volgens anderen echter
zeer zeldzaam en slechts op een enkele plaats aangetroffen,
zoo bij Genck in de prov. Limbourg. Uit Engeland en Dene-
marken niet bekend.
1) In het Zuiden van Frankrijk zou de soort volgens R. MARTIN (245)
nog tot half September zijn aangetroffen.
120 M. A. LIEFTINCK,
0. caerulescens FABRICIUS 1798 !).
Kleinste soort. Vleugels lang en vrij breed. Pterostigma
groot, helder okergeel, soms oranje, met verdikte zwarte
randaderen. Kop klein, thorax en pooten goed ontwikkeld.
Abdomen smaller dan bij de vorige soort, depres en aan de
basis dorso-ventraal iets verdikt; naar het einde geleidelijk
en zeer weinig versmald, bij het Q ongeveer cylindervormig.
Appendices zwart.
dad. Voorhoofd en monddeelen donker olijfbruin. Thorax
zeer dun blauw berijpt; gelijkmatig grijsachtig-bruin van
kleur, soms eenigszins groenachtig, met eene, van buiten
donker begrensde, groene antehumeraalstreep, welke onder
de berijping nog zeer lang zichtbaar blijft. Bij zéér oude
dieren is ook deze verdonkerd. Zijnaden
smal zwart. Abdomen depres en vooral naar
achteren met scherpen dorsaalkant; zeer
dicht en gelijkmatig lichtblauw berijpt. Vleu-
gels bij volwassen dieren glashelder, doch
het einddeel der vleugels veelal met bruine
aderzoomen.
Genit. 2° segm.: lamina anterior zeer groot
en dik; vormt van terzij gezien een bijna
rechten hoek met het abdomen, aan het eind
iets naar voren teruggebogen, zeer stomp,
Fig. 11. Orthetrum met eene kleine, vlakke insnijding (fig. 11).
caerulescens FABR. _ Vleugels bij het 9 iets breeder en korter
od. Genit, 2e segm., dan bij hees
lateraal. Vergroot
(orig.). Beharing Q ad. en g' juv. Voorhoofd en monddeelen
weggelaten. vuilgeel of bruinachtig-geel. Thorax en abdo-
men bruingeel, antehumeraalstreep scherp begrensd; zijden
met aanduiding van zwarte naden. Vleugels hyalien, soms
nog met lichte stralen in sc en cu.
Q juv. Geheele lichaam helder oranje. Vleugels zeer licht
1) Deze en de vorige soort zijn zeer na aan elkaar verwant. Dr. R.
PUSCHNIG (308), wijdt op pp. 103—105 eene beschouwing over eenige
secundaire kenmerken dezer beide soorten. Overgangsvormen zouden
bekend zijn en werden als zoodanig beschreven door A. WIEDEMANN in
„Die im Reg.-Bez. Schwaben u. Neuburg vorkommenden Odonaten” (Ber.
Naturw. Ver. Schwaben u. Neuburg, 31, 1894, Augsburg).
ODONATA NEERLANDICA. I21
geel van kleur; c en sc, tot voorbij den nodus, benevens uz,
cu en het pterostigma helder oranje getint.
Lengte of abd. 28, av. 30.5, pt. 3.5; © abd. 28, av. 28-31,
pt. (4 mM.
Geheel Europa. Van de laatste dagen in Mei tot begin
Augustus (Juni) verbreid en op sommige plaatsen in het
Oosten en Zuiden des lands niet zeldzaam in moerassige
streken; met groote voorliefde aan kleine beekjes op leem-
achtigen bodem en in boschrijke omgeving. In het aan-
grenzend gebied van Duitschland op verschillende plaatsen
gevonden, doch nergens algemeen. In België op vele plaatsen ;
niet zeldzaam. Lokaal en soms gemeen in het Zuiden van
Engeland. Uit Denemarken bekend uit de omgeving van
Silkeborg en Varde.
In ons land zijn de volgende vindplaatsen bekend:
Prov. Gelderland: Elspeet ! Rossum !
Brov. Utrecht: Nigtevecht.
Prov. Noord-Brabant: Zundert! Boxtel!! Oisterwijk !!
Prov. Limburg: Plasmolen ! Venlo! Belfeld !! Reuver !!
Roermond ! Blijenbeek !
Libellula LINNAEUS 1758.
(Leptetrum NEWMAN 1833, partim.)
Voorhoofd breed en vrij lang, voorkant onduidelijk; het
afgeplatte voorste deel zijdelings door een onscherpen rand
omgeven, steeds minder duidelijk dan bij Orthetrum. Lobus
van den prothorax klein, niet opgericht en gewoon afgerond.
Thorax en pooten robuust van bouw. Vleugels lang, dicht
geaderd. Arc steeds tusschen de 1° en 2° Ang. In den voor-
vleugel minstens 12 Ang, veelal meer, de laatste in den regel
compleet, doch onregelmatigheden hierin komen veelvuldig
voor. In den voorvleugel 1, in den achtervleugel veelal 2 Cug.
Bgs regelmatig aanwezig, soms meerdere dwarsaderen. Alle
1 van een of meer dwarsaderen voorzien, vooral in den voor-
vleugel. M? en Rs distaal van den nodus met 2 duidelijke,
naar de costa convexe, golvingen. De sektoren van den arculus,
M'-3 en M+, in den voorvleugel aan de basis gescheiden;
in den achtervleugel tot een uiterst korten, gemeenschappe-
lijken stam vereenigd. 2 celrijen, dikwijls over korte afstanden
122 M. A. LIEFTINCK,
3 cellen, tusschen Rs en Asp/ Vleugelbasis steeds met een
meer of minder groote, zwarte vlek.
Genit. %: hamulus klein; buitenste tak uiterst klein.
Genit. Q: randen van het 8° segment omgeslagen; valvula
vulvae al of niet uitgerand, zeer klein, soms iets afstaand.
De soorten van dit genus behooren meerendeels tot de
nearctische fauna. De 3 Europeesche soorten komen ook in
Nederland voor.
Tabel der soorten.
I. Basis van alle vleugels met een groote, donkere vlek.
Onderzijde van het 1° segment bij het ; met een breed, in
2 takken gespleten, aanhangsel. Abdomen kort, buitengewoon
breed en zeer sterk dorso-ventraal afgeplat . depressa LINN.
Basis van den achtervleugel met een groote, donkere vlek,
van den voorvleugel ongevlekt, of wel met een klein, donker
streepje in cx. Abdomen relatief kort, aan de basis breed,
naar den top geleidelijk versmaldssintA dati A
2. Vleugels in de omgeving van den nodus met een
meestal klein, doch zeer duidelijk, zwart vlekje. Basis van
den voorvleugel zonder zwarte teekening …. . : . ...
quadrimaculata LINN.
Vleugels zonder zwarte nodaalvlek; basis van den voor-
vleugel met een klein zwart streepje in cu (fig. 12)
fulva MiLL.
L. depressa LINNAEUS 1758.
In den voorvleugel een ongeveer rechthoekige, langge-
strekte donkerbruine basisvlek, welke zich uitstrekt van Sc tot
aan À en ongeveer van de 6° Ang tot einde #7; in enkele gevallen
ook nog buiten deze aderen onregelmatig smal gezoomd.
In den achtervleugel een groote, driehoekige vlek, iets langer
dan in den voorvleugel en in schuine richting naar het midden
tusschen membranula en anaalrand verloopend. Adering in
deze vlekken bruingeel. — 14--16 Ang, 2 celrijen Rs—Rspl,
1 celrij M+—Mspl en meestal 2 Cug in den achtervleugel.
Pterostigma vrij smal, zwart. Membranula wit.
Kop klein; monddeelen geelbruin, voorhoofd en clypeus
donkerder, Oogen donkerbruin, bij volwassen ex. zwak groen
glanzend. Thorax en abdomen zeer breed en forsch; thorax
ODONATA NEERLANDICA. 123
olijfbruin van kleur, met een diffuse, donkere schouderstreep,
waartegen een vrij scherp begrensde dof-blauwgroene ante-
humeraalstreep aansluit. Pooten zwart, dijen voor ca. ?/,
gedeelte lichtbruin.
d. Abdomen zeer breed en sterk dorso-ventraal afgeplat,
van segm. 6 af naar het einde geleidelijk versmald, met naar
buiten convex gebogen eindsegmenten ; roodbruin met citroen-
gele, halvemaanvormige vlekken aan de randen van segm.
3—7. Bij volwassen dieren zeer dicht felblauw berijpt, zoo-
dat ten laatste ook de gele zijvlekken onzichtbaar worden.
Segm. 10 en appendices zwart.
Q. Abdomen korter dan bij het ; en veelal blazig opge-
zwollen; laatste segmenten veel smaller dan de voorgaanden,
segm. IO breed, cerci ver uitéén staand en uiterst kort;
hierdoor is het einde duidelijk stomp-afgerond. Blauwe be-
rijping ook bij oude QQ meestal afwezig, doch zeer oude en
dikwerf sterk afgevlogen dieren vertoonen dorsaal, vooral
aan de basis van segm. 3—6, in den regel een dun blauw
beslag !).
Kensterct. aba. 27 av. 30, pt,35:4 0) abd, 25.5, av.037,
pe 4 mM.
Van ca. 20 Mei tot half of eind Juli (Juni), in de zand-
streken van Nederland. Zeer gewoon en vooral in den aanvang
van den vliegtijd veelal in aantal bijelkaar aan boschranden
en in het eikenhakhout, niet ver van haar geboorteplaats
verwijderd. In: de laagveenstreken hoogst zeldzaam. Tegen
het einde van Mei zijn de fd‘ volwassen en zijn dan voor-
namelijk te vinden aan kleine, geïsoleerde duinplassen en
-poelen, alsmede aan leemplassen en kleine beekjes in bosch-
rijke omgeving. De larven leven verborgen in modder en
plantenafval en graven zich in den regel diep in de bodem-
substantie van het water in. Veel op vochtige plaatsen in
de binnenduinen.
1) Wijfjes met in dezelfde mate blauw berijpt abdomen als het &, zag
ik nog niet uit ons land. Volgens DE SELYS (399, p. 9) zijn dergelijke
exemplaren zeer zeldzaam en bekend uit Frankrijk, Oostenrijk, Zweden
en België, LUCAS (218, p. 102) vermeldt deze afwijking ook uit Enge-
land en wel bij een oud Q zeer laat in het jaar, nl. op 2 Augustus,
gevangen.
124 M. A. LIEFTINCK,
L. quadrimaculata LINNAEUS 1758.
Voorvleugel zonder zwarte basisvlek. Achtervleugel aan de
basis met een driehoekige, zwarte, geelgeaderde vlek, welke
aan Cu begint, zich voortzet tot aan het einde van ¢ en
ongeveer in het verlengde der distale zijde tot over het einde
der membranula naar den vleugelrand verloopt. Beide vleugel-
paren bovendien in de costaalruimte met een zwart vlekje
van wisselende grootte distaal en een weinig proximaal van
den nodus. cz, m en sc in voor- en achtervleugel tot aan
Arc en de 2° of 3° Ang geel. Bij onuitgekleurde ex. is het voorste
deel der vleugels goudgeel en de basis donker-oranje gekleurd ;
in den regel zijn ook de costaalstraal, Sc, Ren hunne dwars-
aderen heldergeel van kleur (ab. c. flavescens BRITTINGER 1850).
14—16 Ang, 3 celrijen Rs—Rspl, 2 celrijen M+—Mspl en in
den achtervleugel meestal 1 Cug. Pterostigma vrij groot,
zwart. Membranula wit.
Kop gewoon; zijlobben der onderlip met 2 groote, gele
zijvlekken. Voorhoofd en clypeus vuil groenachtig-wit, in
leven bij volwassen ex. helder wit. Oogen bruin. Thorax en
abdomen bekleed met dichte en zeer lange, grijze of goud-
gele haren. Dorsum van den thorax eenkleurig olijfgroen,
met zeer zwakken metaalglans; zijden met aanduiding van
2 breede, ventraal citroengele dwarsbanden, omzoomd door
breede, zwarte naden, Pooten zwart. Abdomen, vooral bij
het 3, naar achteren tot aan den top sterk versmald, puntig
uitloopend; olijfgroen, bij adulti meer grijsachtig, van segm. 5
af zwart. Segm. 2—8 met bleekgele halvemaanvormige rand-
vlekjes. Appendices zwart.
d app. sup. lang en aan het einde divergeerend. Lichaams-
kleur bij pas uitgekomen dieren levendiger: thorax en abdo-
men helder oranje- of roodbruin, abdomen met heldergele
zijvlekjes. Volwassen { steeds zonder een spoor van blauwe
berijping. |
Var. praenubila NEWMAN 1833. Beide vleugelparen met
een groote donkerbruine wolk van wisselenden omvang onder
het pterostigma. Nodaalvlek veel grooter dan bij het type.
Vleugelbases intensief goudgeel van kleur. Lichaamskleur
als bij de ab. c. flavescens BRITT. Deze variëteit is door tal-
ODONATA NEERLANDICA, 125
looze overgangen met het type en met de ab.c. dittrichi
SCHOLZ 1908 verbonden. !)
Ikenete, Guabd 20/4306 »pt. 4, 9 dbd. 29, av: “36,
pt. ) 4 mM. Grootte zeer variabel.
Van ongeveer 5 Mei tot midden Juli (eind Mei, Juni) overal
in Nederland uiterst algemeen. Deze zeer bekende soort,
bekend onder den naam van ,,viervlekkige’’- of „treklibel”,
treft men in klein aantal nog tot eind Augustus aan in de
uitgestrekte laagveenmoerassen en aan heiplassen, vennen,
enz. Op de Noordzee-eilanden is zij bekend van het eiland
Texel. Ook op de Duitsche eilanden Borkum, Juist en
Memmert (6). Over het trekken van L. guadrimaculata is
reeds zeer veel geschreven en ook uit ons land zijn vele
gevallen bekend, waarbij deze soort in ontzaggelijke zwermen
vereenigd, zich van haar geboorteplaats naar andere streken
verplaatst. Het verspreidingsgebied dezer soort is zeer om-
vangrijk en strekt zich uit over een groot deel van Noord-
Amerika, geheel Europa en Noord-, Midden- en Klein-Azië.
L. fulva MULLER 1764.
(Libellula conspurcata FABR. 1798, et auct.)
In den voorvleugel een klein zwart vlekje in cu, hetwelk
zich uitstrekt tot aan het niveau van den arculus. In den
achtervleugel een dergelijk vlekje in sc tot aan de 2° Ang
en een driehoekige zwarte, geelgeaderde vlek van Cu tot aan
het einde van de membranula en distaal tot aan 4. Vleugel-
1) Bij een klein 9 uit Hatert (G.) is het basale gedeelte van alle vleu-
gels over de geheele breedte zwart gekleurd. In den voorvl.: zwarte
stralen in c en sc tot aan den nodus en met de nodaalvlek samenge-
smolten; 72 in het midden iets bruinachtig, cz geheel zwart; tusschen
de splitsing van Mı-3 en M4 2 cellen zwart. Anaalveld tot aan # met
aan de basis geheel zwarte, meer distaal slechts in het midden verdon-
kerde cellen. In den achtervl. is de zwarte basisvlek grooter en zijn
meerdere randcellen eenigszins bruinachtig: zwarte stralen in c, sc en m
als in den voorvl.; overigens als bij de ab. c. flavescens BRITT. Lengte
abd. 25, av. 32 mM. (Hatersche Ven, 22. VII. 1923! !)
Bij een Q uit Barchem (G.) strekt zich de donkere teekening over het
geheele voorste deel van den vleugel uit; bij deze zeer verdonkerde
afwijking is de groote, zwarte nodaalvlek breed met de topvlek ver-
bonden (heiplas, 30. V. 1924!!). Bij de door SCHOLZ beschrevene ab. c.
dittrichi zijn de vleugels van den wortel tot aan de spits bijna geheel
verdonkerd (vgl. 368, p. 459, phot.).
126 M. A. LIEFTINCK,
punten bij ’t volwassen Q, soms bijna tot aan het pterostigma,
bruingekleurd; zelden is deze topvlek geheel afwezig. Bij
het is een klein bruin vlekje aan de uiterste punt veelal
aanwezig. Bij onuitgekleurde exemplaren is de basis en het
voorste deel der vleugels oranje-geel: intensief gele stralen
vooral in sc (tot aan het pterostigma), m en cu. KX ad.:
vleugelbasis zeer licht geelachtig; © ad.: vleugelbasis oranje-
geel, C zwart, Sc/en A tot aan den nodus, M, Cent
met hunne dwarsaderen, ongeveer tot aan 7, oranje-geel van
kleur. 1) 13—14 Ang; 2 celrijen Rs—Rspl, 1 celrij M*—Mspl
en bijna steeds I Cxg in den achtervleugel. Pterostigma bij
het # zwart, bij het © donkerbruin. Membranula in beide
seksen grauwzwart.
®, on N i
O
Fig. 12. Libellula fuiva MULL. g. Vleugelpaar, vergroot (naar TILLYARD).
g ad. Kop vrij klein, monddeeien en clypeus donkerbruin ;
voorhoofd en ’t vooruitspringende deel van den schedel
(schedelblaas) donker, met zwakken blauwzwarten metaalglans.
1) Eene zeer eigenaardige afwijking in de vleugelteekening vertoonen
twee volwassen 99 uit Muiden en ’s Graveland. Vleugelpunten tot !/,
van het pterostigma zeer donkerbruin gekleurd. Alle Avg in sc van den
wortel tot aan den nodus in beide vleugelparen zwart; de middelste
cellen echter alleen zwart gevlekt. Voorvleugel: zwarte vlek in cz door-
loopend tot aan 7; in het anaalveld 2—3 cellen zwart. Achtervleugel:
Ie en 2e Ang in c zwart gevlekt, # grootendeels zwart, #7 zwart gevlekt.
Overigens als bij het type. Gele stralenteekening als bij het adulte 9
(type). [Muiden (N.H.), 7. VI. 1904, leg. H. Vv. D. VAART en ’s Graveland
(N.H.), 16. VI. 1924 !!]
ODONATA NEERLANDICA, 127
Oogen bij levende volwassen ex., in correlatie met de blauwe
berijping van het abdomen, zeer opvallend aschgrijs met
sterken blauwen glans. Thorax en abdomen forsch van bouw ;
thorax gelijkmatig donker-olijf bruin, de zijden iets lichter van
kleur; lang afstaand grauwgeel behaard. Bij zeer oude gg
zijn de thoraxzijden langs de naden blauw bestoven. Pooten
zwart, dijen aan de basis bruin Abdomen breed en vrij sterk
dorsoventraal afgeplat; segm. 4—5 nauw zichtbaar iets inge-
knepen, van segm. 6 af tot het einde versmald. Diffuus
roodbruin, met roodachtige, halvemaanvormige zijvlekjes;
laatste segmenten sterk verdonkerd en segm. 3—8 dicht
blauw berijpt, meestal ook de lichte randvlekjes bedekkend ?).
App. sup. zwart; app. inf. donkerbruin.
d' juv. en Q. Kop bruin, oogen donkerbruin. Thorax lichter
dan bij het volwassen 4, bruin zonder teekening. Abdomen
geelbruin; dorsum, van segm. 4 af, met een naar achteren
geleidelijk breeder wordende, zwarte lengtestreep. Bij het
volwassen © is de onderzijde van het abdomen grijsblauw
bestoven.
Benster 2, abd4 28; avh30, pt 35124 abd.) 27, : avs 36,
pug) 3 mM.
Verbreid over geheel Europa, doch niet noordelijker voor-
komend dan Zuid-Zweden.
Van eind Mei tot begin Juli (Juni) niet zeldzaam, doch
zeer lokaal aan langzaam stroomende beken en riviertjes,
omzoomd door struikgewas en riet; voorts aan kanalen en
leemplassen met rietbegroeide oevers en liefst met zwak-
stroomend water. Volgens RIS (318, p. 17) en TüMPEL (424,
p. 36) zou deze soort in ’t geheel niet in de veenstreken
voorkomen, doch dit is stellig onjuist: in de laagveen-
moerassen is Z. fulva, ofschoon niet overal, gedurende
korten tijd soms zelfs talrijk. De zeer korte vliegperiode is
oorzaak, dat L. fulva langen tijd als een zeldzame soort werd
beschouwd; plaatselijk duurt deze nl. hoogstens 10 dagen.
1) Vele malen ving ik go, waarbij de blauwe berijping op segment 5
en 6 van het abdomen gedeeltelijk verdwenen was. Aanvankelijk bleef
de oorzaak onbekend, doch veel later nam ik bij copuleerende paren
waar, dat de 99 gedurende de paring, de blauwe stof op het abdomen
van het g, door het gedurig vastgrijpen met de pooten, afwrijven.
(Oisterwijk, VI. 1921!!) Vgl. ook F. RIS (325, pp. 79—80).
128 M. A. LIEFTINCK,
De volwassen gg zijn zeer schuw en vliegen bij zonnig weer
snel langs den oever van het water heen en weer; van tijd
tot tijd rusten zij op uitstekende takken en andere in ’t oog
vallende rustplaatsen uit, om een volgend oogenblik hun
pijlsnelle en onrustige vlucht weder voort te zetten. Evenals
L. depressa, graven de larven van fulva zich diep in den
modder- of leembodem van het water in.
In Duitschland vrij zeldzaam en, evenals in België en
Engeland, overal zeer lokaal. In Denemarken zeldzaam.
In ons land nog niet uit de prov. Friesland, Drente en
Zeeland bekend. Het aantal bekende vindplaatsen is nog
zeer klein.
Leucorrhinia BRITTINGER 1850.
Voorhoofd zonder duidelijken voorkant. Voorhoofd en
clypeus bij alle bekende soorten wit, dicht met stijve, zwarte
borstelhaartjes bezet. Lobus van den prothorax groot, opge-
richt en door eene tamelijk diepe insnijding tweelobbig, lang
bewimperd. Thorax vrij smal, dicht en meestal lang behaard.
Vleugels relatief lang, dicht geaderd en bij adulti glashelder.
Arc tusschen de 1° en 2° Ang. 7 —8 Ang, de laatste compleet.
In alle vleugels slechts 1 Cug (behalve bij caudalis en bij
individueele afwijkingen van de andere soorten 2 Cug in
den achtervleugel). Bgs afwezig (vele indiv. van caudalıs maken
hierop een uitzondering). ¢ in den voorvleugel met een dwars-
ader, de costale zijde van # zeer lang: meer dan half zoo
lang als de proximale zijde. Sektoren van den arc., M'=3 en
M4, in den voorvleugel gescheiden, in den achtervleugel
zeer kort vereenigd. Meestal 1 celrij Rs— Rspl. Cu! in den
voorvleugel zeer sterk gebogen; discoidaalveld naar den
vleugelrand sterk verbreed. Basis van den achtervleugel steeds
met een kleine, gitzwarte vlek. Membranula groot. Ptero-
stigma kort en breed.
Genit. G':#hamulus vrij groot; bi. t. en’ bu. t door een
vliezig gedeelte van elkaar gescheiden.
Genit. Q: randen van het 8° segment omgeslagen; valvula
vulvae duidelijk van het 8° sterniet afgescheiden en meestal
bestaande uit 2, tot op de basis van elkaar gescheiden lapjes.
De soorten van dit genus hebben een circumboreale ver-
ODONATA NEERLANDICA. 129
breiding en komen vooral in de noordelijke en bergachtige
streken voor. Van de 6 Europeesche soorten komen 4 in
Nederland en 1 in het aangrenzend gebied voor.
Overzicht der soorten.
1. In den achtervleugel regelmatig 2 Cug. Ags soms aan-
wezig. Pterostigma bij het % van boven wit. Onderlip geheel
zwart. App. sup. wit. Genit. J en © (fig. 13 en 14)
caudalis CHARP.
In den achtervleugel 1 Cug (een enkele maal 2 Cug). Eene
Bgs ontbreekt. Pterostigma steeds donker van kleur. App.
Sinse zwartsof Wit +. ci Manson Ne as ROUE
2. Het midden van de onderlip zwart, loben voor een
groot deel Gets App. sup. wit. In den achtervleugel
IGO 0. i sigs a albıf#ons RURM.
Onderlip den zwart. App. sup. zwart. In den achter-
PELLE ETD EE de NE NCN
3. Grootste soort. Pterostigma zwart. Genit. g en © (fig. 15
cis) . .. . . + pectoralis CHARP.
Kleinere soort. Ka bi fel d bloedrood. Genit. fen
ORGIES 7 CMTS) nu o . . . rubicunda LINN.
Kleinste soort. Pterostigma bi het & donker roodbruin.
Gemt di en © (fig. 20 en 21) |... .! . dnbia VANDERL.
L. caudalis CHARPENTIER 1840.
(Libellula ornata BRITT. 1845).
Vleugels vrij lang en spits, basis van den achtervleugel,
vooral bij het &, breed. Minstens 2 Cug in den achtervleugel ') ;
in enkele gevallen een Bgs. Voorhoofd en clypeus wit, onder-
lip geheel zwart. Abdomen in beide seksen, doch in ’t bijzonder
bij het &, van segm. 6—9 vrij sterk verbreed. Appendices
superiores wit.
dt ad. Bovenlip geelwit, oogen chocoladebruin met groe-
nen glans. Thorax zwart, vooral aan de zijden met doffen,
roodkoperkleurigen glans, lang en dicht grauwgeel behaard;
1) Exemplaren met slechts ééne Cug in den achtervleugel zijn zeer
zeldzaam.
130 M: A. LIEFTINCK,
antehumeraalstreep zeer verdonkerd, bruin. Zijden met nog
eenige, bij volwassen exemplaren zeer onduidelijke, bruingele
zij vlekjes.
Abdomen: segm. 2---3 vrij sterk ingesnoerd en 6—9 ver-
breed, zwart; dorsum van segm. 2 en een vlekje boven de
genitaliën, benevens het basale %, gedeelte van 3 geelbruin
van kleur. Dorsum van segm. 4 soms nog met een zeer klein
vlekje; overigens zwart. Segment 3-—5 bij volwassen dieren
dicht lichtblauw berijpt. Vleugels ad. glashelder. Pterostigma
van boven roomwit, van onderen bruin, distaal wit gezoomd.
Basis van den voorvleugel hyalien, van den achtervleugel
met een zwart vlekje van cu tot Cug en iets over de mem-
branula; deze vlek minstens één cel breed oranje-geel gezoomd.
De grootte van de zwarte basisvlek is zeer variabel.
9. Bovenlip zwart. Antehumeraalstreep van den thorax
duidelijker en lichter van kleur, bruingele zijvlekken grooter
dan bij het.
Abdomen veel forscher dan bij het gx; vuil-oranjegele
vlekken op het dorsum van segm. 2—6 en gele zijvlekjes
op segm. 2—4. Zijden van
4—6, benevens de ge-
heele onderkant dun licht-
blauw berijpt. Pterostigma
zwartbruin, distaal smal
wit gezoomd. Basis van
den voorvleugel met een
geel vlekje in sc’en oa
hetwelk bij adulti bijna
geheel kan verdwijnen.
Zwarte basisvlek in den
achtervleugel zeer varia-
13
Fig. 13. Zeucorrhinia caudalis CHARP.
d. Genit. 2e segm., lateraal. Vergroot bel: meestal iets grooter
(orig.). Beharing weggelaten. dan bij het en door een
Fig. 14. Leucorrhinia caudalis CHARP.
2. Abdominaalsegm. 8—10, met valvula
vulvae aan het einde van het 8esterniet, omgeven. Bij onuitge-
van onderen gezien. Vergroot (orig). kleurde ex. zijn de vleu-
Beharing gedeeltelijk weggelaten.
breederen oranje zoom
gels geheel geel getint
en is de donkergele basisvlek breed en onscherp begrensd.
Veelal ook lost zich de zwarte vlek distaal als een bruin
ODONATA NEERLANDICA, 131
wolkje op in het anaalveld, waardoor eene geleidelijke over-
gang tot stand komt tusschen zwart en oranje.
Bij de 9 var. immaculata DE SELYS 1859 is de zwarte
basisvlek tot op een zeer klein bruin stipje in de eerste cel
gereduceerd, of wel geheel verdwenen, de gele echter zeer
groot en donker: in den voorvleugel tot aan de 2° Ang en
Arc, ın den! achtervl tot’2* Ang enr.
De Q var. apicalis DE SELYS 1859 vertoont eene sterke
bruinkleuring der vleugeltoppen; de vlek begint, scherp
afgescheiden, onder de proximalen rand van het pterostigma
en laat de uiterste vleugelspits vrij. ')
om Genit.n2° sem. (fig. 13),
Q. Genit.: valvula vulvae in den vorm van 2 smalle, tot
op de basis gespleten en naar het einde divergeerende lapjes,
welke bijna de halve lengte van segm. 9 bereiken (fig. 14).
Benstengstabde oars 3, ptr2;00Mabd 25; ava 30,
più 2.5 mM.
Van de laatste dagen in Mei tot eind Juni (tweede week
van Juni), zeldzaam en zeer lokaal, doch waarschijnlijk over
een groot deel van Nederland verspreid. Z. caudalis bewoont
Midden- en Oost-Europa, doch is overal zeldzaam en komt
slechts op zeer bepaalde plaatsen voor, n.l. bijna uitsluitend
op beschutte en boschrijke plaatsen aan vijvers en vennen
in de hoogveenstreken; een enkele maal ook in het laagveen-
moeras en aan leemplassen. Zij legt een groote voorliefde
aan den dag voor waterplanten, als Nymphaea, Nuphar
en Potamogeton, op welker drijvende bladeren de ima-
gines zich van ’s morgens vroeg tot ’s avonds tegen zons-
ondergang, meestal in aantal bijeen, ophouden. Den geheelen
1) Nog zag ik een zeer eigenaardige combinatie dezer beide variëteiten
(alleen uit ons land bekend), waarbij de zwarte basisvlek geheel is ver-
dwenen en plaats heeft gemaakt voor een donker-oranje vlek en waarbij
tevens de vleugels van een zwarte topvlek zijn voorzien (1 9 Plasmolen,
31. VI. 1903, v. D: WEELE coll. Leiden;- 1.9 Venlo, 29. V. 1872, leg.
; TI 3
V. D. BRANDT; aderanomalie: ee Cug —).
Bij Colmschate (Ov.) werd door mij een 2 gevangen, waarbij zich onder
het pterostigma in alle vleugels een klein geïsoleerd zwart vlekje bevindt,
ca. 2 cellen groot; dit ex. wijkt verder in de vleugeladering af door :
132 M. A. LIEFTINCK,
dag zweven en scheren de gg over het wateroppervlak en
rusten onophoudelijk op de waterleliebladeren uit, met iets
naar voren gerichte vleugels en opgeheven achterlijf. In
dezen toestand is het een moeilijke zaak de uiterst snelle
en schuwe dieren te bemachtigen. Tegen het einde van Juni
zijn de meeste individuen reeds verdwenen; een zeer laat
en eenzaam g' zag ik nog te Oisterwijk op 25 Juli. ')
De 99 leiden een meer verborgene levenswijze en houden
zich op tusschen het struikgewas, doch meestal niet ver van
het water verwijderd.
In het aangrenzend gebied van Duitschland is caudalis
zeldzaam; de bekende vindplaatsen zijn Brandenburg (in de
omgeving van Berlijn en bij Bückow), Mecklenburg bij Neu-
Strelitz en in Beieren bij Aschaffenburg (Kahl a/Main). In
Frankrijk in de omgeving van Parijs. Ook is zij bekend uit
Lotharingen. in België is zij gevonden te Angleur bij Luik,
bij Stockroye, in de omgeving van Roermond en in de
Kempen bij Vogelsanck. Uit Engeland niet bekend en in
Denemarken zeldzaam, behalve bij Hilleröd.
In ons land zijn de volgende vindplaatsen bekend:
Prov. Overijsel: Colmschate! !
Prov. Gelderland: Winterswijk |!
Prov. Noord-Holland: Ankeveensche plassen ! |
Prov. Noord-Brabant: Oisterwijk ! !
Prov. Limburg: Plasmolen !! Venlo!
Q var. apicalis DE SELYS.
Prov. Noord-Brabant: Oisterwijk, 14. VI. 1914 (J. KOORN-
NEEF)!; id., midden VI. 1921!! (afwijkingen in de aderbouw:
0.0 11 II DM
CATZ 6 = eg
0:0. 7 n IA Lol 22)
Q var. immaculata DE SELYS.
Prov. Limburg: Venlo, 20. V. 1872 (VAN DEN BRANDT)!
(L. albifrons BURMEISTER 1839).
Vleugels normaal. In den achtervleugel 1 Cug. Eene Bgs
ontbreekt. Voorhoofd en clypeus wit, onderlip zwart; basale
1) Evenals zoovele andere soorten, vliegt ook Zeuc. caudalis in Dene-
marken nog zeer laat in het jaar. C. WESENBERG-LUND vermeldt als
laatste datum dezer soort 6 Augustus (442, p. 173).
ODONATA NEERLANDICA. 133
helft der zijlobben met een groote, geelachtig-witte vlek,
Abdomen, vooral bij het &, zeer slank en niet of nauwelijks
verbreed of ingesnoerd. Appendices superiores wit.
d ad. Bovenlip geelwit. Thorax zwart, met koperglans;
lang grauwgeel behaard. Antehumeraalstreep tot een smal,
vuil-bruinachtig streepje gereduceerd; zijden met eenige kleine,
verdonkerde vlekjes. Abdomen zeer slank en dun; dorsum
van segm. 2 en 3 met vuilgele vlekken, die aan de zijden
helderder van kleur zijn; overigens zwart. Segm. 3 en 4 bij
volwassen dieren dicht lichtblauw berijpt. Vleugels glashelder.
Pterostigma bruinzwart, distaal fijn wit gezoomd. Basis des
voorvleugels hyalien, van den achtervleugel met een klein,
zwart vlekje in cx tot Cug en meestal tot even voor het
einde der membranula naar den vleugelrand verloopend.
Gele randzoom uiterst smal.
Q. Bovenlip met een zwart vlekje. Thoraxteekening als bij
het 4, doch heldergeel van kleur. Abdomen cylindervormig ;
segm. 2 en 3 met heldergele dwarsvlek, dorsum van 4—-6
met smalle langsvlekken. Niet zelden ook op segm. 7 nog
een gele puntvlek; 2 en 3 met smal-gele basaalringen,
Volwassen ex. vertoonen eene grijsblauwe berijping op den
onderkant van segm. 3—5. Pterostigma als bij het g'. Basis
van den voorvleugel met een klein, diffuus geel vlekje. Zwarte
basisvlek op den achtervleugel zeer klein: slechts een 1 cel
breede, zwarte zoom aan de membranula; de oranje zoom is
zeer breed en reikt tot aan de 1° Ang en tot over de Cug.
Q. Genit. valvula vulvae zeer klein: 2 uiterst kleine, stomp-
driehoekige of rondachtige plaatjes, welke in het midden van
den segmentrand door een kleine ruimte van elkaar zijn
verwijderd.
Lenste = abd. 25, av.. 29, pt..2; © abd, 24, av. 20;
pt. 2.2 mM.
Bewoner van Midden- en Oost-Europa. Niet inlandsch.
Volgens RIS (324 en 318) vertoont deze soort in hare
levenswijze groote overeenkomst met L. caudalis en zou zij
op dezelfde plaatsen als haar verwante —- in Zwitserland alleen
eenige weken later — voorkomen.
L. albifrons rust, in tegenstelling met caudalis, ook dikwijls
op den grond uit. Overal in Midden-Europa sporadisch en
9
134 M. A. LIEFTINCK,
zeer zeldzaam. Uit Duitschland is zij bekend uit Brandenburg,
nl. bij Strausberg, Rheinsberg, Potsdam en in de omgeving
van Bückow. Ook werd zij gevonden in Mecklenburg, in Beieren
(bij Kahl a/Main) en in Hessen (bij Kassel). In Lotharingen
bij Bitche. Zij werd nog niet in België, zoomin in Engeland
of Denemarken aangetroffen. In Zweden zeldzaam (o.a. bij
Stockholm). |
Het voorkomen dezer soort hier te lande is zeer twijfelachtig.
L. pectoralis CHARPENTIER 1825.
Grootste soort. In den achtervleugel 1 Cug. Bgs afwezig.
Voorhoofd en clypeus wit, onderlip zwart. App. sup. zwart.
4 ad. Bovenlip geelwit, oogen donkerbruin. Thorax brons-
kleurig-zwart, vooral aan de zijden met roodkoperkleurigen
glans; lang en dicht grauwgeel behaard. Antehumeraalstreep
breed, zeer verdonkerd, bruin; zijvlekjes dofrood, bij het
levende dier duidelijk zichtbaar. Aanhechtingsplaats der vleu-
gels bloedrood. Abdomen segm. 3 --4 duidelijk ingesnoerd en
segm. 6—g iets verbreed. Dorsum van segm. 2 tot op een
smalle basale, van 3 tot op een iets breedere apicale ring
gevlekt. Segm. 4--7 met groote, de segmenteinden bijna
bereikende, afgerond-driehoekige vlekken, welke minstens
2, van de segmentbreedte beslaan; de vlekken op segm.
4 en 5 zijn niet of slechts weinig kleiner dan de overi-
gen. Kleur op segm. 1—6 dof roodachtig bruin, veelal
eenigszins olijfbruin, op 7 helder citroengeel. ') Thoraxzijden
zeer dun, onderkant van het abdomen dichter lichtblauw
berijpt. Vleugels ad. glashelder. Pterostigma klein, recht-
hoekig en gitzwart. Basis van den voorvleugel meestal met
een uiterst klein puntvlekje in sc en cz, van den achtervl.
1) C, SCHIRMER (360, p. 140), vermeldt uit Potsdam een volkomen
uitgekleurd &, waarbij de lichte vlek op segm. 6, evenals die op segm. 7,
helder citroengeel van kleur is, terwijl de overige segmenten normaal
(bruinrood) gekleurd zijn.
PUSCHNIG (312, pp. 434—435) beschrijft onder den naam var. insignis
een, slechts in de kleur der lichte segmentvlekken eenigszins afwi-
kend, g exemplaar uit Nikolajewsk (Rusland), doch spreekt in zijne
beschrijving van „eine hyperplastische Färbungsvariation”, aangezien het
overigens geheel volwassen type dezer variëteit, evenals bij onuitgekleurde
individuen van pectoralis, geelachtig getinte vleugels heeft. — SOLE
dezes hecht geenerlei waarde aan de benaming.
ODONATA NEERLANDICA. 135
met een zwart vlekje in sc tot hoogstens I Ang. Anaal-
vlek met convexen rand, van Cug tot over het einde der
membranula.
d juv. Lichte teekening van thorax en abdomen helder
roodgeel of oranje. Vleugels geel getint; basis veelal met een
meer oranjekleurigen, distaal uitvloeienden zoom, ongeveer
tot aan den arculus en 4.
Q. Bovenlip zwart. Thorax met geringen metaalglans ;
teekening als bij het #, doch vuil geelbruin. Abdomen forsch
en breed; de lichte
vlekken nog iets
grooter en vooral
breeder, vuil geel-
bruin, bij zeer oude
QQ soms zelfs grijs-
achtig van kleur; in
dit geval is de vlek
op segm. 7 geel-
achtig-wit, zooals bij
het g*. Thoraxzijden
en pooten zeer dun, 15 x
onderkant van het
abdomendichtlicht- Fig. 15. Leucorrhinia pectoralis CHARP. &.
blauw berijpt. Ptero- Genit. 2e segm., lateraal. Beharing weggelaten.
È Vergroot (orig.).
Fig. 16. Leucorrhinia pectoralis CHARP. 2.
al geen zwarte basis- Valvula vulvae. Eindsegmenten, ventraal.
vlekjes in sc en cu. Beharing grootendeels weggelaten.
Anaalvlek iets klei- Me a
ner; randzoom gehakkeld doch recht. Geheele vleugelbasis,
ongeveer tot aan ¢, diffuus geel; bij adulti zijn de vleugels
glashelder.
d. Genit. 2° segm. (fig. 15).
Q. Genit. valvula vulvae in den vorm van 2 smalle, aan
den top afgeronde en ventraal iets uitgeholde blaadjes, welke
aan de basis duidelijk gescheiden zijn en tegen het einde
bijna tegen elkaar aansluiten; een weinig langer dan !/, van
segm. 9 (fig. 16).
Lengte g' abd. 26, av. 32, pt. 1.8; .9 abd. 25, av. 32,
pt. 2 mM.
stigma zwart. Meest-
136 M. A. LIEFTINCK,
Van ca. 20 Mei tot begin Juli (half Juni) niet zeldzaam,
doch lokaal, aan heiplassen en vennen in boschrijke zand-
streken, alsmede in de duinen. Zeldzaam in het laagveen-
moeras. Op sommige plaatsen in ons land gedurende eenigen
tijd zeer gemeen en in groot aantal bijeen, o.a. aan de turf-
veentjes bij den Plasmolen (L.). De dieren jagen boven het
water en kiezen hun rustplaats bij voorkeur op takjes en
struiken, of ook wel op het droge oeverzand. In het laag-
veengebied is zij gevonden in de Ankeveensche plassen !!,
in het Naardermeer!! en bij Kortenhoef ! In de duinstreek
bij den Haag! en Loosduinen ! Op onze Noordzee-eilanden
is pectoralis nog niet gevonden, doch zij komt ongetwijfeld
op Texel voor. Op de Duitsche eilanden is zij aangetroffen
op Borkum en — aangespoeld — op Memmert (6).
Uit Engeland niet bekend en in Denemarken zéér zeldzaam.
L. rubicunda LINNAEUS 1758.
Kleinere soort. In den achtervleugel 1 Cug. Een Bgs ont-
breekt !). Voorhoofd en clypeus wit, onderlip zwart. App.
sup. zwart.
J ad. Bovenlip geelwit, oogen donkerbruin. Thorax zwart
met geringen bronsglans, vrij lang grauwgeel behaard; ante-
humeraalstreep breed, bronskleurig-bruin (bij het levende dier
dofrood). Zijvlekjes duidelijk zichtbaar. Vleugelwortel helder
bloedrood. Abdomen slank, segm. 3—4 iets ingesnoerd en
het einde slechts zeer weinig verbreed. Dorsum van segm. 2
tot op een smalle basale, van segm. 3 tot op een smalle
apicale ring bloedrood. Segm. 4—7 met naar achteren ver-
smalde, bloedroode dorsaalvlekken, welke ca. °/, van de
segmentlengte bereiken, doch minder breed zijn dan bij
pectoralis; de vlek op segm. 4 meestal iets smaller dan de
overigen en een enkele maal, evenals het 5° vlekje, sterk
gereduceerd. Onderkant van het abdomen, vooral op segm. 3,
lichtblauw berijpt. Vleugels ad. glashelder. Pterostigma zeer
1) Het komt nogal eens voor, dat één der achtervleugels voorzien is van
2 Cug; in beide vleugels is dit echter hooge uitzondering. Ook het
voorkomen van één of zelfs 2 Bgs constateerde ik bij verschillende
individuen; dergelijke aberraties treft men vooral bij de 99 aan. Een 9
uit Epe (G.) heeft in alle vier de vleugels eene Bgs (3. VIII. 1920!!)
ODONATA NEERLANDICA, 137
klein, bijna vierkant en bloedrood van kleur. Basis van den
voorvl. meestal met een uiterst klein puntvlekje in cz, van
den achtervleugel met een dergelijk vlekje in sc. Anaalvlek
klein, in den regel van Cug af in een rechte lijn tot het
einde der membranula verloopend.
d juv. Lichte teekening van thorax en abdomen rood-
achtig-geel. Vleugels lichtgeel getint; pterostigma roodgeel.
De 4 var. rubrodorsalis DZIEDZIELEWICZ 1902 heeft ook
op segm. 8 een klein en driehoekig rood vlekje.
Q. Bovenlip zwart, aan de basis met een smal wit streepje.
Thorax als bij het 4‘, lichte teekening slechts bij uitzondering
roodachtig. Abdomen forscher, ongeveer cylindervormig ;
teekening grooter en breeder dan bij het x en bij adulti
vuil geelbruin van kleur.
Bij zeer oude QQ zijn de
rugvlekken een enkele
maal bruinrood, ver-
mengd met lichtere, roo-
de vlekjes. !) Onderzijde
van thorax en abdomen
grijsblauw berijpt. Ptero-
stigma ca. 1!/, maal zoo
lang als bij het &, zwart- 17 18
bruin of zwart. Basis-
vlekken op voor- en ach- Fig. 17. Zeucorrhinia rubicunda L. &.
tervleugel soms kleiner, Genit. 2e segm., lateraal. Beharing
zh weggelaten. Vergroot (orig.).
soms grooter dan bij het Fig. 18. Leucorrhinia rubicunda L. Q,
3%, doch steeds is de bui- Valvula vulvae. Eindsegmenten,
tenrand nagenoeg recht ventraal. Beharing grootendeels weg-
i laten. Vergroot (orig.).
en niet afgerond, zooals Seiten rgroot (orig.)
bij dubia. Het zwarte vlekje in cz is soms geheel afwezig,
doch reikt in enkele gevallen tot de dwarsader. Bij onuit-
gekleurde dieren zijn de vlekken op het abdomen levendig
1) Bij Oisterwijk (N.-B.) werd een zeer forsch en groot 9 gevangen
(abd. 27, av. 31 mM.), met vlekkige, donker-bloedroode teekening op
thorax en abdomen. Bij dit afwijkende ex. is de buitenrand van de zwarte
vlek op den achtervl, duidelijk afgerond en bevinden zich 2 Cug in den
linker achtervl. (6. VI. 1921 !!). De heer W. BEYERINCK ving bij Wijster (Dr.)
een jong Q met zeer groote basisvlek, zoowel in voor- als in achtervl.
bij dit ex. bevindt zich bovendien een zwart vlekje in # (achtervl.),
138 M... A.’ LIEFTINCK,
oranje-geel. van kleur en is het voorste deel der vleugels tot
over den nodus oranje getint. Voiwassen QQ hebben geheel
kleurlooze vleugels.
d' igenit;/2° segm. (fig. 17).
Q genit. valvula vulvae in den vorm van 2 uiterst kleine,
aan de basis door een breede tusschenruimte van elkaar
gescheiden, stomp-driehoekige uitsteekseltjes (fig. 18).
Éenpte: (abd... 27) 2av:30;> pt. 21:60 wabd.125, avec;
pt. ) 2 mM. Grootte variabel.
Deze typische hoogveenbewoner is verbreid over Noord-
Europa en een groot deel van Noord-Azië (grenzen in Siberië):
In Midden-Europa slechts in de noordelijke streken. Van de
eerste dagen in Mei tot het einde van Juli (Juni) — sommige
individuen zelfs nog gedurende de eerste weken van Augustus
— in de hoogveenstreken, aan vennen, heiplassen en zandige
vijvers. Vrij zeldzaam. Op verschillende plaatsen in het
Noorden des lands, vooral in Groningen en Drente, zeer
algemeen in de zandstreken. In het Westen werd deze soort
alleen aangetroffen in de Ankeveensche plassen !! en in het
Naardermeer!! Telkenjare is rubicunda is zeer klein aantal
ook in het laagveenmoeras te vinden. Zij heeft ongeveer
dezelfde levenswijze als Z. dubia en komt in den regel op
gelijke plaatsen voor als deze; alléén in Drente is rubicunda
de overheerschende soort. De volwassen 4% verwijderen zich
nooit ver van hunne geboorteplaats en leggen een bijzondere
voorliefde aan den dag voor witte, zandige plekjes aan den
oever van den plas, waar zij zich, dikwijls in groot aantal
bijeen, zitten te zonnen. De dieren rusten steeds op den:
grond uit en (de 4% vooral) zijn zeer snel en schuw. Nog
niet bekend uit de vrov. Zuid-Holland en Zeeland
In het aangrenzend gebied van Duitschland zeldzaam en
lokaal; op verschillende plaatsen in het Noorden, voorts bij
Aken en in Beieren bij Kahl a/Main. In België zeer zeldzaam ;
alleen gevonden in de Kempen bij Vogelsanck, éénmaal in
de Ardennen (bij Neufchateau) en bij Rouge Cloître in de
omgeving van Brussel. Sporadisch in Frankrijk. Niet bekend
uit Engeland, doch in Denemarken en Scandinavië een der
gewoonste soorten.
De var. rubrodorsalis DZIEDZIELEWICZ 1902 is volgens RIS
ODONATA NEERLANDICA. 139
(324) alleen bekend uit Siberië en Polen. Bij Epe (G.) ving
ik 2 Jd dezer variëteit aan een heiplas (3 en 7. VIII. 1920)
en in het Museum te Leiden bevindt zich een 4 dezer var.
uit Ginneken (N.-Br), (H. ALBARDA). Hiertoe behooren boven-
dien 2 gig uit VuehtNEBe), 13. V1. 1925 (Il), eveneens de
eenige expl. dezer vindplaatsen.
L. dubia VANDERLINDEN 1825. 1)
Kleinste soort. In den achtervleugel 1 Cug. Een 4gs is afwe-
zig. Voorhoofd en clypeus wit, onderlip zwart. App. sup. zwart.
d ad. Bovenlip geelwit, oogen donkerbruin. Thorax zwart,
met geringen bronsglans; lang grauwgeel behaard. Ante-
humeraalstreep breed, bronskleurig en bij ’t levende dier rood-
bruin; zijvlekjes duidelijk zichtbaar. Vleugelwortel bloedrood.
Abdomen zeer dun en slank, segm. 3—4 vrij sterk ver-
smald; tot het einde cylindervormig. Segm. 2 bijna geheel,
dorsum van 3 tot op een vrij breede apicale ring bloedrood
van kleur. Segm. 4—5 met zeer smalle roode vlekjes, soms
=. wy TI
as, DEN
ONSEN
[efferato
CEI RA
EIN! Dwesr Wad.
TIT? RTS
(NI
CFA
CRI N 3 tan
SITE
AE
Fig. 19, Zeucorrhinia dubia VANDERL. gd. Vleugelpaar, vergroot
(naar TILLYARD).
wat kleiner, soms iets grooter, doch ook wel eens geheel
afwezig; 6 en 7 met naar achteren sterk versmalde, bloed-
roode rugvlekken, welke meestal slechts weinig langer zijn
dan de helft van het segment. Onderzijde van het abdomen,
vooral op segm. 3, lichtblauw berijpt.
Vleugels ad. glashelder. Pterostigma klein, iets langer dan
1) De Oost-Aziatische subsp. Z. dubia orientalis DE SELYS, kan hier
buiten beschouwing worden gelaten,
140 M. A, LIEFTINCK,
bij rubicunda en dof roodachtig-bruin van kleur. In den
voorvleugel een klein zwart vlekje in sc, in cu tot halfweg
Cug en ongeveer een celbreedte aan den anaalrand; basis
van den achtervl. in c en sc hoogstens tot I Ang zwart.
Anaalvlek met convexen rand, van ongeveer I mM. voorbij
Cug tot over het einde der membranula reikend. (flg. 19).
Q. Bovenlip basaal en lateraal wit, overigens „wart. Thorax
als bij het 7; antehumeraalstreep variabel, veelal onderbroken.
Abdomen breeder en forscher, van segm. 4 af cylindervormig ;
de vlekken iets grooter dan bij het &, op segm. 4 en 5
nimmer geheel ontbrekend, bruingeel of citroengeel van
kleur; bij oude dieren met sterke bijmenging van rood.
Onderzijde van thorax en abdomen vrij dicht grijsblauw be-
rijpt. Pterostigma duidelijk langer dan bij het y, donkerbruin.
Basisvlekjes in den regel aanmerkelijk grooter dan bij het g,
vooral in sc en cu; anaalvlek eveneens en in enkele gevallen
zelfs tot aan den arculus reikend. Bij pas uitgekomen dieren
zijn de vleugels grijsgeel van kleur en zijn de zwarte vleugel-
bases door een breeden oranje-gelen zoom omgeven, welke
echter bij volwassen ex. ge-
heel verdwijnt. Bij een aan-
tal volkomen volwassen 99
uit Drente, is de gele rand-
zoom echter blijven bestaan
en is het midden van iedere
cel glashelder geworden.
d' genit. 2° segm. (fig. 20).
Q genit. valvula vulvae in
den vorm van 2 kleine, aan
Fig. 20. Leucorrhinia dubia VANDERL. de basis duidelijk van elkaar
dg. Genit. 2e segm., lateraal. Beharing gescheiden en naar het einde
weggelaten. Vergroot (orig.). 5
Fig. 21. Leucorrhinia dubia VANDERL. soms lets convergeerende
9. Valvula vulvae, Eindsegmenten, lapjes, meestal stomp-ovaal,
ventraal. Beharing gedeeltelijk weg- doch ook wel breed-lancet-
gelaten. Vergroot (orig). i
vormig; lengte ca. |}, van
segm. 9 (fig. 21). Grootte zeer variabel. ')
1) Bijzonder kleine exemplaren trof ik aan in de omgeving van Beet-
sterzwaag (F.) en Oisterwijk (N.B.). Lengten resp. g' abd. 24, av. 23 mM.;
Q abd. 21, av. 24 mM.
ODONATA NEERLANDICA, I4I
Jenste:-\gt: abd. 27, 4v.1628, pt. 1.6; 9. abd. 26, av. 28,
più): 2 mM.
Deze soort bewoont Noord- en Midden-Europa en — be-
halve op onze breedten — in hoofdzaak veenmoerassen in
bergachtige streken. In ons land van ca. half Mei tot de
3° week van Augustus (Juni, Juli) overal in de diluviale
streken, aan vennen, heiplassen, vijvers en soms aan leem-
plassen.
Vrij gewoon en op vele plaatsen zelfst uiterst algemeen.
In het laagveengebied, in de duinen en in de kleistreken
werd Z. dubia nog nimmer aangetroffen. In Noord-Holland
alleen in het Gooi (Waschmeren bij Hilversum !!) Nog niet
bekend uit Zuid-Holland en Zeeland.
In Engeland alleen in het Noorden en in Schotland. In
Denemarken en Scandinavië minder algemeen dan ZL. rubs-
cunda. In België en Duitschland lokaal en vooral in Duitsch-
land vrij zeldzaam. Zij werd aangespoeld gevonden op het
Duitsche Noordzee-eiland Memmert (6).
Sympetrum NEWMAN 1833.
(Diplax CHARP. 1840 et auct.).
Voorhoofd afgerond, zonder duidelijken voorkant. Lobus
van den prothorax zeer groot, opgericht, lang bewimperd
en door eene insnijding in twee lobben gedeeld. Vleugels
relatief kort en breed, wijdmazig en meestal ongekleurd.
Arc tusschen de 1° en 2° Ang. Doorgaans 7!/, of 8'/, Ang,
de laatste incompleet. In alle vleugels slechts 1 Cug. Een
Bgs is afwezig. ¢ in den voorvleugel tamelijk breed, doch
smaller dan bij Zeucorrhinia, van een dwarsader voorzien.
Sektoren van den arculus in voor- en achtervleugel vrij lang
vereenigd. 1 celrij Rs—Rspl. Cu! in den voorvleugel vlak-
convex gebogen, het einde bijna recht. Discoidaalveld naar
den vleugelrand sterk versmald. Basis van den achtervleugel
nimmer met een zwarte vlek. Membranula vrij groot. Ptero-
stigma vrij groot, niet opvallend verbreed.
Genit. %: hamulus klein of groot; bu. t. steeds duidelijk
zichtbaar.
Genit. 9: randen van het 8° segment omgeslagen, niet
verbreed; het einde van het 8° sterniet nooit in 2 lobben
142 M.A... LIEFTINCK,
gespleten. Valvula vulvae zeer variabel: groot en sterk afstaand,
of wel zeer klein en dicht aangedrukt.
Dit zeer soortenrijke genus bewoont voornamelijk het
palaearctische en nearctische gebied. De vliegtijd valt in
onze streken overal in de tweede helft van den zomer en
in den herfst.
Van de ro Europeesche soorten komen 6 in Nederland
en 3 in het aangrenzend gebied voor.
Overzicht der soorten.
1. De buitenzijde van dijen en schenen geel gestreept; de
binnenzijde (= buigzijde) srootendeels zwart, ~.\. <) 392
Pooten geheel zwart, uitgezonderd de binnenzijde der dijen
van het 1°, soms ook van het 2°:pootpaar ©: ki en
2. Basis van den achtervleugel met een scherp begrensd
goudgeel vlekje, ongeveer tot aan Cug en het einde van de
membranula. Pterostigma helder lichtgeel, met zwarte rand-
aderen. HOME. sita De (Jonscolombe SEEN
Basis van den see bij het 3 tot even voorbij 4,
over de geheele breedte, diep goudgeel gekleurd; bij het 9
is het basale geel lichter en minder uitgebreid, doch in den
voorvleugel is veclal nog een gelen nodaalvlek aanwezig.
Voorhoofd aan de basis met een breede, scherp begrensde
gitzwarte:*streepi. if. Soes te NEN St fläveolamb ani
Basis van den achtervleugel hoogstens met een klein,
onscherp: begrensd;,slichtgeeltylekje 3717 Gt Zum ee
3. De zwarte streep aan de voorhoofdsbasis zeer geredu-
ceerd, diffuus, of bijna geheel ontbrekend. Pooten grooten-
deels geelachtig, slechts de binnenzijde zwart gestreept.
Thoraxzijden licht gekleurd, de zwarte naden tot op eenige
fijne streepjes gereduceerd: 0 uil. (oer diond le SEE:
De zwarte streep aan de voorhoofdsbasis is scherp begrensd
en zet zich tegen den oogrand een eindje voort naar omlaag.
di: bi. t. van den hamulus niet langer dan den bu. t, tamelijk
breed en gelijkmatig omgebogen; 9: valvula vulvae in een
rechten hoek afstaand, smal elliptisch toegespitst . 3
i vulgatum LINN.
De zwarte streep aan de dog ti is scherp begrensd,
doch eindigt tegen den oogrand. g': bi. t. van den hamulus
langer dan den bu. t., slank en bijna recht, slechts aan de
ODONATA NEERLANDICA. 143
uiterste punt omgebogen; £: valvula vulvae onder een hoek
van + 609 afstaand, breed afgerond, in ’t midden met eene
zeer vlakke uitranding . . . . . . . striolatum CHARP.
4. Postnodale gedeelte der vleugels met een scherp be-
grensde, goudbruinen dwarsband. abdomen scharlakenrood,
© geelbruin. . . . . . . (pedemontanum ALLIONI).
Een postnodale dwarsband ontbreekt . . . 5
5. Thorax uiterst smal, nauwelijks breeder dan Ademen:
zwarte zijnaden duidelijk, doch smal. Abdomen zonder zwarte
zijkanten, & dorsaal geelrood. Segm. 3—8 lateraal, met een
klein, kommavormig, zwart vlekje; 9 dorsaal geelbruin,
kommavlekjes iets grooter dan bij het g*. Genit. & (fig. 29)
depressiusculum SELYS
Thorax breeder dan ’t abdomen, zwarte zijnaden duidelijk,
doch smal. Abdominaalsegmenten met duidelijke, zwarte
zijkanten; g dorsaal bloedrood, 9 grauwgeel; valvula vulvae
zeer klein, niet afstaand . . . . . . sanguineum MULL.
Thorax breeder dan ’t abdomen; zijden bruingeel of helder-
geel, met in ’t midden 2 zeer breede — anastomiseerende
— zwarte strepen, die eenige heldergele vlekjes insluiten.
d ad. lichaam bijna geheel zwart; Q valvula vulvae groot,
gesliepafstaande 7. url: iero deens +. danae SULZ:
(S. fonscolombei DE SELYS 1840).
Basis van den achtervleugel met een scherp begrensd
goudgeel vlekje, ongeveer tot aan Cug en het einde van de
membranula. Adering in het basale vleugeldeel bij het
helderrood, bij het 9% meer roodgeel. Pterostigma helder
lichtgeel, omgeven door dikke, zwarte randaderen. Vleugel-
punten spits. Voorhoofdsbasis met een breede, scherp be-
grensde gitzwarte streep, welke zich tegen den oogrand een
eindje naar omlaag voortzet. De gele strepen op dijen en
schenen smal.
df. Bovenlip, clypeus, voorhoofd en voorhoofdsbultje schar-
lakenrood. Thorax roodachtig-geel. Zijden voor het stigma
en op het metepimerum iets meer groenachtig van kleur.
Thorax ventraal heldergeel. Zijnaden duidelijk. Abdomen
relatief breed, segm. 3—4 nauwelijks ingesnoerd en segm.
7—9 niet verbreed; helder scharlakenrood. Segm. 8 en 9
144 M. A. LIEFTINCK,
met een dorsaal en een latero-ventraal zwart langsstreepje.
Genit. 2° segm.: hamulus zeer klein, bi. t. dun en sterk
gekromd (fig. 22).
2. Voorhoofd en bovenlip heldergeel; clypeus vuilwit.
Thorax dorsaal licht goudbruin, lateraal groenachtig-geel
met zwarte naden. Abdomen cylindervormig, naar het einde
geleidelijk versmald, lichtgrijs-, of bruinachtig-geel van kleur,
met de zwarte teekening van het &. Zijden
van segm. 3— 10 bovendien met onduidelijke
streepvlekjes.
Genit.: valvula vulvae zeer klein, nauwe-
Ze lijks afstaand, bijna tot op de basis boog-
vormig uitgerand.
À Lengte g' abd. 28, ad. 29, pt. 3; © abd. 28,
ad. 31, pt. 3 mM.
Niet inlandsch. Het eigenlijke vaderland
dezer soort strekt zich uit over het geheele
Middellandsche Zeegebied, een groot deel van
Zuid-Europa en Afrika. In Midden-Europa
sporadisch en op eenige plaatsen standhou-
Fig. 22. Sympelrum
fonscolombei SELYS, vi
d. Genit, ze segm., vereenigd, naar noordelijker streken en ont-
lateraal. Beharing wikkelt zich dan op bepaalde plaatsen ge-
weggelaten.
Vergroot (orig.).
dend. Soms verhuist zij, in groote zwermen
durende eenige jaren verder. In hare levens-
wijze vertoont deze soort overeenkomst met
S. meridionale. In België lokaal, doch zeer verbreid en in
nagenoeg alle provinciën gevonden; destijds was zij uiterst
algemeen bij Longchamps sur Geer en in de omgeving van
Ixelles. In latere jaren werd zij teruggevonden in de prov.
Limbourg bij Genck en Stockroye. In Engeland en Schotland
op vele plaatsen aangetroffen en in Dorsetshire zelfs gedurende
drie achtereenvolgende jaren '). In Frankrijk werd zij gevonden
1) Wijlen de heer H. CAMPION deed mij eene uitvoerige lijst toekomen
van vindplaatsen in Engeland; aan het slot hiervan schrijft hij het vol-
gende: “Dorsetshire, 1912, 1913, 1914, 1921; Ruislip, Middlesex, 1922.
At the two localities in Dorset the species seems to have established
itself for more than one year, and it occurred in the New Forest
(Hampshire), also for two years in succession, but the majority of the
specimens taken in this country seem to be merely casual visitors”,
Over het voorkomen in Engeland en over het trekken dezer soort, vgl.
ODONATA NEERLANDICA, 145
in de omstreken van Parijs en eenmaal in de prov. Seine
et Marne. Ook is zij bekend uit Lotharingen. In Duitschland
sporadisch en zeer verspreid; zij werd gevonden bij Neu-Strelitz
in Mecklenburg, éénmaal bij Munster in Westfalen, bij Syke
in den omtrek van Bremen, in de Rijnprovincie en een
enkele maal in Brandenburg. Op het Duitsche Noordzee-
eiland Memmert werd fonscolombei Eénmaal bij zuidenwind
gevangen (6). Het voorkomen dezer soort in het zuiden van
Brabant en in Limburg is zeer waarschijnlijk.
S. flaveoium LINNAEUS 1758.
Basis van den achtervleugel bij het & tot aan 4, of tot
eenige cellen distaal van 7 over de geheele breedte diep
goudgeel gekleurd. In den voorvleugel goudgele stralen in
safe; Ac: bij. hets Pis, het basale geel, lichter en minder
duidelijk begrensd, bovendien is in den voorvleugel nog een
gele nodaalvlek aanwezig. Voorhoofdsbasis met een breede,
scherp begrensde gitzwarte streep, welke zich tegen den
oogrand nog een eindje naar omlaag voortzet. Middenlob
en randen der zijlobben van den onderlip steeds zwart.
dg. Voorzijde van den kop helder oranjerood. Thorax rood-
achtig-goudbruin, zijden ventraal iets lichter, meer roodgeel ;
zijnaden duidelijk. Abdomen segm. 3—4 iets ingesnoerd,
naar het einde niet verbreed; dorsum donker scharlakenrood,
latero-ventraal diepzwart. Segm. 8 en 9 van boven met een
fijn zwart langsstreepje over het midden. De vele vlek op
den achtervleugel weinig variabel, steeds het einde van #
bereikend, of hoogstens 2 of 3 cellen distaal hiervan.?) Bij
het levende dier is de vlek helder oranjerood van kleur.
Pterostigma rood.
Genit. 27 seam.; hamulus.breed ‚en lang; bu.st-senr bist.
ook W.J. LUCAS, resp. (226, pp. 142— 143) en (218, pp. 79— 80). In Aug. 1923
werd zij ook gevangen bij Penryn in Cornwall, op de uiterste Z.W.-punt
van Groot-Brittannië,
2) Een o uit het Mantingerzand nabij Wijster (Dr.) wijkt af in het
volgende: Geheele voorvleugel tot aan .Irc goudgeel van kleur; aan
den nodus een goudgeel vlekje, hetwelk zich in het basale deel ca. 2
cellen proximaal, in het distale deel ca. 2 cellen distaal van den nodus
uitstrekt. In den achtervl. is de basisvlek zeer groot en reikt van den
nodus in een boog tot aan den vleugelrand bij het einde van .4?
(18. VIII. 1924, leg. W. BEYERINCK).
146 M. A. LIEFTINCK,
over een zeer kleinen afstand van elkaar gescheiden, van
gelijke lengte. Bi. t. haakvormig gekromd, bu. t. breed en
afgerond (fig. 23).
Q. Voorhoofd en clypeus heldergeel. Thorax en abdomen
grijsachtig-bruingeel ; thoraxzijden ven-
traal heldergeel. Abdomen vrij smal,
doch breeder dan bij het &; onderkant,
evenals een breede, op de segment-
grenzen smal-onderbroken zijstreep op
segm. I—10, zwart van kleur. Bij vol-
wassen dieren is de geheele onderzijde
van het abdomen grijsblauw berijpt.
Vleugelteekening zeer variabel, safraan-
geel van kleur. In den voorvleugel een
variabele nodaalviek, welke meestal
Fig. 23. Sympetrum _ gescheiden is van de gele basisvlek;
flaveolum L. gd. Genit.
2e segm., lateraal. Be- È :
haring weggelaten. basisvlek, die het geheele voorste vleu-
Vergroot (orig.). geldeel beslaat en veelal verbonden is
in den achtervleugel een dergelijke
met de nodaalvlek. Het geel is minder intensief en minder
scherp begrensd dan by het .
Bij de 9 var. hyalinata (RODZIANKO) DZIEDZIELEWICZ 1902,
zijn de vleugels glashelder, met uitzondering van een klein
geel vlekje aan de basis van den achtervleugel. ')
Genit.: valvula vulvae zeer klein, niet afstaand, in den
vorm van 2 kleine, driehoekige plaatjes, welke nauwelijks
1], der lengte van segm. 9 bereiken. — Grootte variabel.
Lenpte if abd 24, ‘av. 228 pt.) 2, Ostade 24 NEN
pt: 2.5 mM. Zie: afb. OUDEM., PI. Il, fig. 6: (kleur dermmiëns
gels niet aangegeven).
Geheel Europa. Van de eerste dagen in Juli tot eind
September (Juli, Augustus) vrij algemeen door geheel Neder-
1) Door L. VON MIERZEJEWSK! werd nog eene andere variëteit van
flaveolum beschreven. Het bestaansrecht dezer Q var. ernae lijkt mij zeer
onaannemelijk, temeer daar de uitbreiding der gele vlekken op de vleu-
gels van het 9 aan een groote fluctuatie onderhevig is. M. i. is deze
variatie eenvoudig als een kleur-afwijking op te vatten. De oorspronke-
lijke beschrijving met een afb. der vleugels is te vinden in L. v. MIER-
ZEJEWSKI „Die Libellen (Odonata) der Insel Ösel (Livland, Russland)”,
[Zool. Bot. Ges. Wien, 63, pp. 300—307, 1913].
ODONATA NEERLANDICA. 147
land in moerassen, zoowel in de diluviale zandstreken als
in de duinen. In sommige jaren ook gewoon in het laagveen-
en kleigebied. Zij werd ook aan leemplassen aangetroffen.
Op de Noordzee-eilanden is zij bekend van Terschelling.
S. flaveolum houdt van moerassige plekken aan hoogveen-
plassen en in het bosch, vliegt weinig of nooit over open
water en rust steeds uit op den grond, vooral daar waar
deze dicht met Erica en Sphagnum is begroeid. *) Zij
vliegt reeds vroeg in het jaar, nog vóór S. vulgatum en is
veel minder schuw dan hare verwanten.
Bij Valkeveen en Muiderberg trof ik deze soort eens in
zeer groot aantal aan op pas gemaaide hooilanden, dicht bij
de Zuiderzee. Zij schijnt zich ook uit eenigszins brak water
te kunnen ontwikkelen Herhaaldelijk werd flaveolum op
de Duitsche Noordzee-eilanden aangetroffen, met name op
Borkum, Juist, Memmert, Spiekeroog en Wangeroog (6).
De © var. hyalinata DZIED. is in ons land gevonden in
Noord-Holland bij Valkeveen (1 9, 21. VII. 1923! !), bij Wijster
in Drente (1 Q, 21. VII. 1924, leg. W. BEYERINCK!) en bij Win-
terswijk (1 Q, 17. VI. 1924, leg. J. KOORNNEEF) In Duitsch-
land bij Bonn aan den Rijn en in België bij Hollogne sur
Geer (prov. Luik).
.(S. meridionale DE SELYS 1841).
Basis van den achtervleugel hoogstens met een klein,
onscherp begrensd, lichtgeel vlekje. Voorhoofd aan de basis
met een uiterst fijn zwart streepje, meestal zeer onduidelijk
en soms bijna geheel afwezig. De zwarte naden op de thorax-
zijden eveneens sterk gereduceerd. Pooten grootendeels geel-
achtig, slechts aan den binnenkant zwart gestreept.
cd. Voorhoofd, clypeus en monddeelen helder roodgeel.
1) Aan een, grootendeels uitgedroogden heiplas bij Epe (Veluwe), trof
ik eens een aantal volwassen dig aan, die voortdurend uitrustten op de
uitgebloeide bloemen van Erica tetralix. De dophei-bloemen hadden
dezelfde warme, goudbruine kleur als de faveolum-g en het was in
hooge mate verrassend te zien, hoe verscheidene individuen regelmatig
trachtten. zich op de bloemtrosjes neer te zetten, hetgeen hun, door
handig balanceeren, dan ook meestal goed gelukte. Het was bijkans
een onmogelijkheid, de dieren in dezen beschuttenden toestand te ont-
dekken en het lijkt mij geenszins uitgesloten, dat zij op deze wijze de
jnsecten tot zich trachtten te lokken (10. VII. 1923!!) (471).
148 M. A. LIEFTINCK,
Thorax gelijkmatig roodgeel, met zeer diffuse aanduiding
van een groenachtige antehumeraalstreep; zwarte zijnaden
zeer onduidelijk. Abdomen slank en dun, segm. 3—4 weinig
ingesnoerd en het einde slechts weinig verbreed; helder
geelrood van kleur. Segmentgrenzen door uiterst fijne, gele
ringetjes aangeduid. Vleugeladering grootendeels roodgeel.
Pterostigma helderrood met verdikte, zwarte randaderen.
Genit. 2° segm.: bi.t. van den hamulus langer dan bu. t.,
groot, sterk afstaand en bijna recht, aan den uitersten top
haakvormig omgebogen (fig. 24).
Q. Lichaamskleur inplaats van geelrood, zeer licht groen-
achtig-geel; thoraxzijden meer witachtig-geel. Pooten als bij
het 4, doch de buitenzijde der dijen soms uiterst fijn zwart
gestreept. Pterostigma bruingeel met zwarte randaderen.
Genit.: valvula vulvae klein, niet opgericht en niet inge-
sneden; halfcirkelvormig afgerond.
Lengte abd: 25, av. 28, pr. 39iQlabd: 25; “avenger
pt. 3 mM.
Niet inlandsch. Bewoner van het Middellandsche Zeegebied
en verspreid over geheel Midden-Europa, doch — uitgezon-
derd in de Alpen — overal zeldzaam.
Noordwaarts dringt zij nog door tot in
Duitschland en België. In Duitschland
werd zij aangetroffen bij Kassel in Hes-
sen. Naar het schijnt niet zeldzaam in
Lotharingen. In België zeer lokaal en
vroeger op enkele plaatsen algemeen,
van begin Aug. tot 15 Sept.; zij werd
aldaar herhaaldelijk gevonden in de
moerassige streken van de prov. Luik,
Namen en Limburg, alsmede in de
omgeving van Ixelles. Vrij gemeen in
Fig. 24. Sympetrum Luxemburg. In Engeland werd merz-
meridionale SELYS, d.
Genit. 2e segm., lateraal, i
Beharing weggelaten. Londen en ééns in het zuiden des lands
Vergroot (orig.). aangetroffen. De noordelijkste vind-
plaats dezer soort is gelegen in Westpruisen (Tucheler Heide) !).
dionale in vroeger tijden éénmaal bij
1) In de Alpen is S. weridionale tot ca. 1800 M. hoogte eene gewone
verschijning; Ris ving haar nog op eene hoogte van 3000 M. In Savoye
ODONATA NEERLANDICA, 149
Het voorkomen dezer soort in Nederland, met name in
Noord-Brabant en Limburg (gedurende Aug. en Sept.) is
zeer waarschijnlijk *).
trof ik de soort in klein aantal aan langs een snelstroomend riviertje
op grazig terrein en op pas gemaaid hooiland op 1450 M. hoogte. Naast
deze soort vloog daar ook S. s/rzolatum CHARP., doch slechts in weinige
individuen. — In Italië constateerde ik het voorkomen bij de zeebad-
plaats Marina di Pisa, waar ik reeds den r3den Mei een exemplaar
buitmaakte.
2) Zeer merkwaardig is het feit, dat zich bij imagines van S. meridio-
nale en S. fonscolombei, in den regel op de onderzijde der vleugels,
aan de aderen een groot aantal larven van watermijten (Mydrachnidae)
hebben vastgehecht. Deze mijten zijn aanvankelijk kleurloos, doch op
lateren leeftijd nemen zij een zeer in ’t oog vallende, helder oranje-
roode kleur aan, waardoor bij de aangetaste insecten reeds op eenigen
afstand is te zien, dat zij met deze Acari zijn behebt. Het voorkomen
van mijten op de vleugels van Odonata is uitsluitend geconstateerd bij
eenige soorten van het genus Sympefrum en bij nog enkele tropische
Anisoptera. Wat de aanwezigheid betreft van deze roode, zespootige
Hydrachniden-larven op Sympetrum spec., kan nog gezegd worden, dat
deze slechts zelden ontbreken op de vleugels van S. #e7idionale, hetgeen
de vermoeding rechtvaardigt, dat eene eigenaardige correlatie in de
levenswijze bestaat tusschen deze mijten en genoemde libel. Bij 13 exempl.
van S, meridinnale, door MC LACHLAN op verschillende plaatsen in
Frankrijk verzameld, was slechts één ex. geheel vrij van mijten, terwijl
bij de overige 12 tezamen niet minder dan 431 Acari op de vleugels
waren vastgehecht. MC LACHLAN schreef over deze soort o. m.: “its liability
to have the well-known red Acari attached to the wings (sometimes in
enormous numbers) is so marked as to be almost a specific character
of the insect itself, few specimens being entirely free from them”
(Entom. Monthl. Mag. XX. 1884, p. 253); voorts ook: “They were firmly
fixed on the nervures towards, and at the base of the wing, and almost
(but not quite) invariably on the under side, and whatever might be
the number on any particular dragonfly it was always divided nearly
symmetrically on the two sides of the insect, those much infested having
a very pretty appearance, from the wings appearing as if spotted with
bloodred” (Ibid., XIII, 1876, p. 95).
KRENDOWSKI (Trud. Charkow Univ., Tom. XII, 1878, pp. 221—286)
gaf eene beschrijving en zeer goede afbeeldingen van de larvenstadia
der mijten, voorkomende op S. meridionale; deze moesten volgens den
schrijver tot Arrhenurus papillator MüLL. gerekend worden, doch de
Arachniden-specialist F. KOENIKE heeft de juistheid dezer determinatie
later tegengesproken zonder evenwel de soort met zekerheid te kunnen
bepalen. De bewering van SOAR als zouden de parasiteerende mijten op
thorax en abdomen van vele Zygoptera tot Arrhenurus globator moeten
behooren, is eveneens gebleken onjuist te zijn. Reeds in 1778 beschreef
DE GEER roodgekleurde Acari van den thorax eener kleine Agrionide
onder den naam van Acarus libellulae, daarbij tevens de identiteit
met A. gymnopterorum L. constateerende; door deze en andere oude
schrijvers zijn de mijten steeds voor volwassen individuen aangezien. —
IO
159 M. A, LIEFTINCK,
S. vulgatum LINNAEUS 1758.
Basis van den achtervleugel hoogstens met een klein,
onscherp begrensd lichtgeel vlekje. De zwarte streep aan
de voorhoofdsbasis is scherp begrensd en zet zich tegen den
oogrand zeer duidelijk een eindje naar omlaag voort. Pooten
met een gele streep op de buitenzijde van dijen en schenen,
overigens zwart.
gd ad. Kop bruinachtig-geel tot -groen, voorhoofd donker-
rood, bovenlip lichter; oogen bruin met groenen glans.
Thorax dorsaal diffuus bruinachtig-groen, met duidelijke,
roode nuanceering; antehumeraalstreep meestal goed zicht-
baar, vuil-groenachtig. Toraxzijden gelijkmatig donkerrood,
met zwarte naden, ventraal levendiger van kleur: een citroen-
geel vlekje achter op de epimeren van den metathorax.
Vleugels glashelder; bij oude ex. bruinachtig verdonkerd.
Vleugelwortel donkerrood. Adering bruinrood, pterostigma
donkerrood.
Abdomen slank; segm. 3 —4 duidelijk en vrij sterk inge-
snoerd en 6—8 overeenkomstig verbreed, donkerrood van
kleur. Zijkanten fijn zwart gezoomd; segmentgrenzen en een
klein stipje aan weerszijden op segm. 5—8 lichter van kleur.
Thorax ventraal evenals de pooten dun grijsblauw berijpt.
g juv. Lichaamskleur helder geelbruin, antehumeraalstreep
zeer duidelijk, evenals de thoraxzijden geel. Abdomen aan-
vankelijk licht roodgeel, later levendiger gekleurd.
Genit. 2° segm. bi. t. van den hamulus niet langer dan
De gewoonte van vele Hydrachnidae om zich vast te zetten op de
onderzijde der vleugels van Sympetrum, is eenigermate te verklaren
uit het feit, dat de Anisoptera reeds dadelijk na het uitkomen de vleu-
gels horizontaal ontplooien, in tegenstelling met de Zygoptera, waar deze
samengevouwen blijven tot de eerste vlucht; op vleugels van Zygoptera
zijn nimmer Acari waargenomen. — Ris heeft meer dan eens ook
Odonaten-lar ven gevonden, welke bezet waren met mijten en met name
bij Sympetrum sanguineum Mürr. en Ænallagma cyathigerum CHARP.
waargenomen, dat de „parasieten” van de larvenhuid op de imagines
overgingen. Van parasitisme in de eigenlijke beteekenis is in het onder-
havige geval geen sprake; de volwassen Odonaten worden in alle gevallen
slechts als transportmiddel ter verspreiding der Hydrachniden gebruikt.
[Vgl. CAMPION (60) en C. D. Soar, “Notes and Observations on the
Life-history of Freshwater-Mites”, Journ. Quekett Micro-Club, 1906,
pp. 359—370, pls. 26— 30).
ODONATA NEERLANDICA. ISI
den bu. t., gelijkmatig en zeer duidelijk omgebogen, doch
vrij breed (fig. 25).
Q ad. Lichaamskleur diffuus grijsbruin; het abdomen (vooral
aan den rugkant) vlekkig rood gekleurd.
Thoraxzijden lichter dan bij het 4; ante-
humeraalstreep geelachtig, dorsaal in het
bruine overgaand. Pooten ook aan de
binnenzijde geel gestreept. Vleugels glas- È)
helder, bij oude dieren soms sterk ver-
donkerd. Adering bruinachtig; pterostigma
donkerder dan bij het g. Abdomen met
parallele zijden, doch segm. 6—-8 iets ver-
breed. De segm. met fijn-zwarte zijkanten
en een, op ieder segment onderbroken,
donkere zijlijn. Dorsum van segm. 8 en 9
È È Fig. 25. Sympetrum
met een dik, zwart langsstreepje. ml
vulgatum L. 3. Genit.
Genit.: valvula vulvae groot, onder een 2e segm., lateraal.
rechten hoek afstaand, smal-elliptisch, met Beharing weggelaten.
È : Vergroot (orig.).
afgeronden of bijna spitsen top.
Eenstergtsabde 27 avio20.5,>pt.2.5 5,9) abd: 25, av. 28,
pt. 2.5 mM.
Van ca. half Juli tot in October (Augustus) overal in ons
land aan stilstaand water. Gewoon, doch minder algemeen
dan s¢rzolatum. In tegenstelling met deze, haar naaste ver-
wante, is S. vulgatum gebonden aan water en meestal slechts
in de naaste omgeving van hare geboorteplaats aan te treffen.
Zij vliegt echter ook, vooral tegen het einde van den vlieg-
tijd en dikwijls in gezelschap van szrzolatum, in zandwegen
aan greppels en boschranden. De dieren zitten dan, meestal
in groot aantal bijeen, op den weg of op prikkeldraad van
rasterhekken, waar zij zich koesteren in de zon.
Ook op Texel en Terschelling. In Noord-Europa is deze
soort nog in Noorwegen en Lapland aangetroffen, doch ín
Engeland is zij merkwaardigerwijze zeer zeldzaam en beperkt
tot het Zuiden; zij werd hier gevonden bij Hull en bij
Bookham Common in Surrey. Ook op eenige der Duitsche
Noordzee-eilanden is vulgatum opgemerkt, namelijk op Bor-
kum, Juist, Memmert (alg.) en Wangeroog (6).
152 M. A. LIEFTINCK,
S, striolatum CHARPENTIER 1840.
Basis van den achtervleugel hoogstens met een klein,
onscherp begrensd lichtgeel vlekje. De zwarte streep aan de
voorhoofdsbasis in den regel scherp begrensd en smaller
dan bij vulgatum; deze zet zich niet naar omlaag voort, doch
eindigt tegen den oogrand. Pooten met twee gele strepen
op de buitenzijde der dijen; de laterale streep is de smalste,
doch tevens de meest constante.
d' ad. Kop bruingeel, voorhoofd lichtrood, monddeelen iets
lichter; oogen roodbruin. Thorax dorsaal bruinachtig-rood,
antehumeraalstreep diffuus groenachtig, minder zichtbaar dan
bij vu/gatum. Thoraxzijden tusschen schoudernaad en het
stigma en op het metepimerum ventraal helder citroengeel,
dorsaal langzamerhand in vuil bruinachtig-groen overgaand;
mesepimeren donker bruinrood, infra-episterna donkerrood.
Vleugelwortels helderrood. Vleugels glashelder, bij oude dieren
bijna altijd sterk gebruind. Adering bruinrood, pterostigma
EED
mes Ieren RS
ES ES IS rr ERG
RER si
ris
Fig. 26. Sympetrum striolatum CHARP. g. Vleugelpaar, vergroot
(naar TILLYARD).
rood (fig. 26). Abdomen slank, segm. 3—4 slechts weinig
ingesnoerd en het einde bijna niet verbreed, helder geelrood
van kleur. Zijkanten zeer fijn zwart gezoomd en aan weers-
zijden aan het eind van segm. 3—6 met onduidelijke donkere
stipjes. Gele vlekken op den onderkant van den thorax en
segm. I—3 ventraal zeer dun lichtblauw berijpt.
d'juv. Lichaamskleur licht bruingeel, abdomen meer oranje;
antehumeraalstreep geelachtig, minder duidelijk dan bij vu/ga-
tum juv. Thoraxzijden geel.
ODONATA NEERLANDICA. 153
Genit. 2° segm.: bi. t. van den ham. langer dan den bu. t.,
bijna recht en slechts aan den uitersten top omgebogen,
geelachtig met zwarten top. Veelal zijn de beide bi. t. ge-
kruist (fig. 27).
Q ad. Lichaamskleur diffuus grauwbruin; het abdomen
soms vlekkig rood gekleurd, doch in
den regel bij adulti egaal grauw van
kleur. Thoraxzijden iets lichter dan bij
het #; antehumeraalstreep vuil groen.
Pooten ook aan de binnenzijde duide-
lijk geel gestreept. Vleugels glashelder,
bij adulti verdonkerd. Abdomen iets
slanker dan bij vulgatum, segm. 6—8
niet verbreed; de segm. met zwarte
zijkanten en een tamelijk breede, zwarte
langsstreep op de achterste helft van
ieder segment. Dorsum van 8 en 9
Fig. 27. Sympetrum
7 . striolatum CHARP. d'.
met een dik, zwart langsstreepje. Genit. 2e segm., lateraal.
Genit.: valvula vulvae onder een hoek Beharing weggelaten.
van 6o® afstaand, breed afgerond en VE AU TEE
in het midden met een zeer zwakke uitranding.
De subsp. str. nigrifemur DE SELYS !) onderscheidt zich
1) Deze subspecies, in 1916 door F. RIS voor het eerst als zoodanig in
het systeem opgenomen en uitvoerig beschreven (324, pp. 1176—1180),
werd reeds in 1884 en 1887 door E. DE SELYS LONGCHAMPS als Diplax
vulgata race nigrifemur van het eiland Madeira vermeld (Ann. Soc. ent.
Belg. 28, p. 35 en ibid. 31, p. 66). Verschillende onderzoekers, zooals
MORTON en Ris, beschouwen de subsp. nigrifemur als een, door den
invloed van het klimaat ontstanen, afwijkenden vorm, welke voornamelijk
zou voorkomen in streken met een zeer mild klimaat, zooals aan de
Westkust van Schotland. Zoo werden door Ris gedurende den zeer
koelen en natten zomer van 1913 in Zwitserland dergelijke afwijkende
exemplaren aangetroffen, die hier door de abnormale weersgesteldheid
als variëteiten zouden zijn ontstaan, Overeenkomstige gevallen bij Lepid-
optera werden door STANDFUSS experimenteel vastgesteld en laten toe,
dat iets dergelijks ook bij de Odonata als waarschijnlijk aangenomen
wordt (loc. cit, pp. 1179—1180). Een 9 van deze subspecies, afkomstig
van Stornoway (Hebriden), werd in rgoo beschreven en afgebeeld door
W. J. Lucas (The Entomologist, 33, p. 139) en exemplaren uit Schot-
land door denzelfden auteur, onder den naam van Sympetrum nigrescens,
in het jaar 1911 (Ibid., 45, p. 171). Tenslotte is zij bekend geworden uit
West-Schotland, Ierland en Noorwegen (K. J. MORTON, The Entomologist,
1914, P.7 1, tig. 2).
154 M. A. LIEFTINCK,
van het type door de volgende kenmerken. De zwarte streep
aan de voorhoofdsbasis zet zich een eindje langs den oognaad
voort naar omlaag. Schoudernaad breeder zwart gezoomd.
Het, bij sérzelatum tot aan het stigma verloopende zwarte
streepje, richt zich tot aan den bovenkant naar omhoog en
treedt aldaar in verbinding met den schoudernaad, waardoor
het geheele metepisternum door een breeden, zwarten rand-
zoom wordt omgeven; bovendien wordt deze ruimte nog
door een schuine, donkere anastomose in twee ongelijk-groote
vlekjes verdeeld, waarvan die aan het stigma de kleinste en
driehoekig van vorm is. Pooten grootendeels donker, gele
strepen op dijen en schenen ook aan de buitenzijde geredu-
ceerd. -— Grootte zeer variabel.
Lengte lg abd. 28, av.r20, spt... 2.7. 9Nabdio2 re
pt: 3, mM:
Bewoner van bijna geheel Europa (uitgez. goeddeels Scan-
dinavié en Lapland), Noord-Afrika en West-Azié.
Van midden Juli tot in November (Sept., October), overal
in Nederland uiterst algemeen aan stilstaand water. Deze
soort verspreidt zich in den nazomer over een uitgestrekt
gebied en is dan ook op zeer droge en onverwachte plaatsen
aan: te treffen, dikwijls op grooten afstand van het water
verwijderd. Zij verschijnt in de herfst veel in de steden en
vliegt zelfs de huizen binnen; soms in aantal op klimop-
begroeide heggen in stadstuintjes. Evenals S. fonscolombei
vereenigt ook s#iolatum zich somtijds tot groote zwermen,
die zich voornamelijk langs de kust naar andere streken
verplaatsen. Dergelijke waarnemingen werden ook ín ons land
meermalen gedaan. ') — Omtrent het overwinteren dezer
1) Gedurende den zeer warmen en drogen nazomer van 1922, werd
door den heer J. HEIMANS de volgende belangwekkende waarneming
gedaan.
Bij een bezoek aan de groote havenhoofden van IJmuiden werden
copuleerende paren eener Sympetrum-soort opgemerkt, welke boven de
pieren en de zee rondvlogen en de eieren in het zeewater aflegden,
waarbij althans werd waargenomen, dat zij herhaaldelijk neervlogen en
dat het abdomen van het @ het water telkens even aanstipte. De heer H.
deelde mij schriftelijk nog het volgende mede: „Er waren aan den
zuidkant van de basis der Zuiderpier een heel tijdje lang niet een maar
verscheidene paartjes zoo bezig. Het water lag aan die Zuideroksel van
de Pier in de volle zon en de oppervlakte was heel stil en spiegelglad.
ODONATA NEERLANDICA. 165
soort verkeert men nog in het onzekere; het werd slechts
bij hooge uitzondering in Frankrijk en Zwitserland gecon-
stateerd, zoodat van regel geen sprake is. [Vgl. DE SELYS
(396, pp. XXVII—XXVIIT en MEYER-Dür, „Die Neuropteren-
Fauna der Schweiz”, etc. (Mitt. Schweiz. ent. Gesellsch., 4,
p- 325, 1874)].
Exemplaren, welke naderen tot de subsp. nıgrifemur
DE SELYS, werden gevonden in het Naardermeer (Q ad.
30. IX. 192411), bij den Haag (9 juv., 10. VII. 1922!).en bij
aren, Nd.Hollı (Oruvs227.VI1.71922:!),
Bij het eerstgenoemde ex. zijn de pooten grootendeels
zwart, doch de donkere anastomose op het metepisternum
ontbreekt; bij de beide laatsten zijn de pooten niet verdon-
kerd en is de donkere anastomose door een grauw-zwarte
schaduw aangeduid. In tegenstelling met RIS, die in dezelfde
mate afwijkende exemplaren tot de subspecies rekent, meen
ik genoemde stukken toch niet onder dezen naam onder te
mogen brengen.
S. striolatum werd op de Duitsche Noordzee-eilanden Juist,
Memmert en Wangeroog aangetroffen (6).
(Van deze soort werd eens een typisch {-exempl. gevangen,
hetwelk op de onderzijde der vleugels bezet is met bruinachtig
gekleurde larven van Acari, behoorende tot de Zydrachnidae ;
deze mijten zijn zóó klein, dat zij met het bloote oog ter-
nauwernood zichtbaar zijn. Vermoedelijk behooren deze dieren
tot een geheel andere soort dan die welke op de vleugels van
S. meridionale en S. fonscolombei zijn aangetroffen. (Savoye,
Pralognan, VIII. 1924!!)
(S. pedemontanum ALLIONI 1766).
Vleugels kort en breed; basis van den achtervleugel met
een uiterst klein, geel vlekje. Adering in het einddeel van
We hebben ze niet kunnen vangen en ook niets van de eieren kunnen
opvangen, maar wel duidelijk opgelet, dat de dieren met de achterlijfs-
punt het water aanraakten en dus naar alle waarschijnlijkheid eieren
aflegden”,
Hieruit zou men kunnen afleiden, dat in de duinen of verder het
land in watergebrek heerschte, hetgeen — gezien den bijzonder drogen
zomer — zeer wel mogelijk is. Omtrent de soort hebben wij geen zeker-
heid, doch wellicht is het .S. s/riolatum geweest.
156 M. A. LIEFTINCK,
den vleugel zeer dicht en geel- of roodachtig van kleur.
Hiermede gaat gepaard het in nagenoeg alle gevallen aan-
wezig zijn van 2 celrijen Rs— Rspl. Voor- en achtervleugels
in het postnodale gedeelte met een vrij scherp begrensde,
eenigszins bochtige, goudbruinen dwarsband, die zich van
het midden tot 1—4 cellen proximaal van het pterostigma
uitstrekt.
d. Kop klein; voorhoofd, clypeus en monddeelen geelrood.
Thorax smal en bijzonder kort, dofrood van kleur, aan de
zijden iets lichter. Pterostigma relatief breed, rood met dikke
zwarte randaderen. Abdomen levendig scharlakenrood, vrij
kort en breed, sterk afgeplat. Segm. 3—4 zeer weinig inge-
snoerd en 7—g slechts matig verbreed. Dorsum van segm. 9
in den regel met een zwart langsstreepje en de zijden, vooral
van 8 en 9, met een zwarten randzoom.
Genit. 2° segm.: hamulus klein, de
beide takken van gelijke lengte; bu. t.
smal-elliptisch en een weinig naar ach-
teren gericht, bi.t. zwak gekromd, de
uiterste spits naar achteren en naar
buiten omgebogen !) (fig. 28)
Q. Lichte deelen van den kop geel.
Thorax iets minder kort dan bij het 4,
van boven vuil bruinachtig van kleur;
de zijden heldergeel, met fijn-zwarte
| naden. Pterostigma citroengeel, met
i GEEN dikke zwarte randaderen. Abdomen
Genit. ze segm., lateraal. geelbruin, met een zwart langsstreepje
Beharing weggelaten. op segm. 8 en 9; latero-ventraal zwart.
Verrerie) Genit.: valvula vulvae zeer klein, ca.
1/, der lengte van het 9° sterniet; niet afstaand en diep
tweelobbig.
Lichaamslengte, evenals de breedte van den donkeren
dwarsband der vleugels, variabel. ?)
Lenste (abd. 21, av. 24, pt. 3; 0 abd, 20, av. 22, pt. ae
1) De genitaliën van het 2e segment vertoonen bij deze soort nogal
veel gelijkenis met die van S. danae, doch het geheel is kleiner.
2) Volgens F. Rıs (324, p. 654) hebben de exemplaren uit het hooge
bergland donkerder gekleurde en breedere dwarsbanden op de vleugels.
ODONATA NEERLANDICA, 157
Niet inlandsch. Deze zeer typische en afwijkende berg-
bewoner komt in geheel Midden-Europa en een groot deel
van Noord-Azié voor, doch bewoont voornamelijk de berg-
achtige streken. Zeer verspreid en sporadisch komt zij echter
ook in de lagere en meer noordelijke deelen van Europa
voor. In het aangrenzend gebied van Duitschland werd zij
gevonden bij Boizenburg in Mecklenburg en bij Kassel in
Hessen-Nassau. ') In België bewoont pedemontanum de laag-
gelegen en vochtige Kempen; zij werd aldaar gevonden bij
Vogelsanck, Hasselt en in de buurt van Roermond; ook
wordt zij vermeld van Arlon en van Biron bij Ciney. Volgens
DE SELYS is zij echter zeer zeldzaam en vliegt in België van
24 Augustus tot eind September. In Frankrijk komt zij
volgens MARTIN alleen in het uiterste Noorden voor. Ook
in Elzas-Lotharingen. Uit Engeland en Denemarken niet
bekend. Het voorkomen in ons land, namelijk op enkele
plaatsen in Brabant en Limburg, is niet onwaarschijnlijk.
S. depressiusculum DE SELYS 1841.
Basis van den achtervleugel met een duidelijk, doch klein,
oranjegeel vlekje. Vleugeladering zeer fijn en vrij dicht, in
't bijzonder in het topgedeelte der vleugels. Kop groot; de
streep aan de voorhoofdsbasis zeer breed en diepzwart, aan
den voorrand zeer opmerkelijk gegolfd of onregelmatig inge-
sneden. Thorax zeer smal.
d. Voorhoofd, clypeus en monddeelen heldergeel. Thorax
dorsaal goudbruin of olijfbruin, soms eenigszins grijsachtig-
groen van kleur. Zijden geel, met vrij breede, zwarte naden.
Pterostigma vuilgeel of (bij adulti) lichtrood. Abdomen vrij
kort en breed, depres; segm. 3-4 duidelijk, doch weinig
ingesnoerd en 7—9 slechts matig verbreed. Helder geelrood
van kleur; onderzijde geel. Zijden van segm. 3—8 met een
duidelijk, doch veelal niet scherp begrensd, komma-vormig
vlekje; dorsum van 8 en 9 met een zwart langsstreepje.
1) Voor de kennis van de verspreiding dezer soort in Noord-Duitsch-
land, is het van belang te vermelden, dat dedemontanum behalve in
Mecklenburg ook op enkele plaatsen in Oost-Pruisen is waargenomen
(O. LE Ror, „Die Odonaten von Ostpreusen”, Schr. Phys. ökon. Ges.
Königsberg, 52, p. 24, 1911),
158 M. A, LIEFTINCK,
Vleugels soms over het geheele oppervlak met een geel-
achtige tint.
Genit. 2° segm.: hamulus klein, de beide takken ongeveer
van gelijke lengte; bi. t. slank en vrij sterk gekromd, bu. t.
aan de basis breed, doch naar het einde sterk versmald (fig. 29).
Q. Lichaamskleur iets lichter dan bij
het g. Vleugels langer en vooral in
°t oogvallend breeder; bij volwassen
dieren diffuus en vlekkig grijsachtig-
bruin. !) Pterostigma bruingeel. Abdo-
men geelbruin; de kommavlekjes aan
de zijden in den regel grooter- dan bij
het % en zeer duideliik zichtbaar.
Genit. valvula vulvae uiterst kort, niet
afstaand en niet ingesneden.
Lenste io fabd. 22; av. 26, Mats
Q abd. 24, av. 28, pt. 2.6 mM. (België).
Grootte variabel.
EIA Leet Au u Deze soort bewoont
Beharing weggelaten. Midden-, Zuid- en Oost-Europa, be-
Genit. 2e segm., lateraal. nevens een groot deel van Azië, In
Vergroot (orig). Nederland werd zij slechts tweemaal
gevonden, nl. 1 9 bij Reuver in Limburg (leg. MAURISSEN,
in Juli) en 1 © bij Oisterwijk in Noord-Brabant (SNELL. VAN
VOLLENH., in Augustus). In België is depressiusculum lokaal,
doch uiterst algemeen op verschillende plaatsen in de moe-
Fig. 29. Sympetrum
rassen van de Kempen; in de prov. Limbourg werd zij in
groote hoeveelheden gevangen aan de moerassen bij Stockroye,
Genck en in de omgeving van Maesyck. Zij zou volgens
DE SELYS vooral in Juli en Augustus, volgens BAMPS en
CLAES van 7 Juli tot eind October in België voorkomen.
In het aangrenzend gebied van Duitschland niet zeldzaam in
Rijnland (o.a. bij Kleef, Viersen, Wahner Heide, Bonn etc),
in Westfalen bij Munster en tenslotte in Brandenburg. Ook
1) Exemplaren met sterk bruin-gewolkte vleugels, die men veeleer als
zeer oude uitkleuringsvariaties zou moeten beschouwen, werden door
DZIEDZIELEWICZ als eene aparte variëteit (var. ##b2/a DZIED.) beschreven
en afgebeeld (vgl. J. DZIEDZIELEWICZ, „Odonata Haliciae”, etc., Lemberg,
1902, p. 75, tab. 3, fig. 8 en 9; „alis longitudine leviter, ditione noduli
pterostigmatisque densius fusco nebulosis”).
ODONATA NEERLANDICA, 159
is zij bekend uit Lotharingen. Het voorkomen in Engeland
en Denemarken is nog niet geconstateerd en ook niet zeer
waarschijnlijk.
In hare levenswijze zou deze soort de meeste gelijkenis
met de verwante S. pedemontanum vertoonen. Beide soorten
zouden niet over open water, doch bij voorkeur over geheel
dichtgegroeide, moerassige plaatsen, rondom plassen en meren,
rondvliegen; ook zouden zij bij zonneschijn reeds in de vlucht
kenbaar zijn aan den iriseerenden goudglans op de vleugels
Wel RIS, 324, p. 656).
S. sanguineum MÜLLER 1764.
Basis van den achtervleugel met een goudgeel vlekje, het-
welk bij het © grooter en minder scherp begrensd is dan
bi het g. Voorvleugelbasis met korte gele stralen in sc en
cu. Adering veel minder dicht en fijn dan bij de beide vorige
soorten; het topgedeelte wijdmazig. De zwarte streep aan de
voorhoofdsbasis breed en niet of nauwelijks gehakkeld.
dg. Voorhoofd en clypeus bloedrood, monddeelen grooten-
deels oranjerood van kleur. Oogen dorsaal roodbruin, overi-
gens meer olijfbruin. Thorax bronskleurig-bruin, de zijden
iets lichter; zijnaden duidelijk, zwart.
Abdomen zeer slank, vrij kort en niet
afgeplat; segm. 3—4 sterk ingesnoerd
en 6 —8 overeenkomstig verbreed. Dor-
sum intensief bloedrood gekleurd, met
fijn-zwarte zijkanten en een scherp be-
grensd zwart langsstreepje op segm. 8
en 9. Onderzijde rood met zwarte tee-
kening. Pterostigma dof bruinrood.
Genit. 2° segm : hamulus groot; bi. t.
langer dan den bu. t., slank en bijna
recht met haakvormig omgebogen spits. :
(fig. 30). AE 30. Sympetrum
sanguineum MULL. d.
Q. Lichaamskleur bruingeel, inplaats Genit. ze segm., lateraal.
van rood. Thoraxzijden ventraal hel- Beharing weggelaten.
Vergroot (orig).
dergeel. Abdomen met een, aan de
segmentgrenzen onderbroken, zwarte zijstreep; dorsum van
segm. 8 en 9 met een zeer opvallend gitzwart langsstreepje-
160 M. A, LIEFTINCK,
Vleugelbasis met een uitvloeiend oranjegeel vlekje en gele
stralen in sc en cu. Pterostigma donker bruingrijs. Volwassen
dieren vertoonen een dicht, grijsblauw beslag op den onder-
kant en gedeeltelijk ook op de zijden van het abdomen. Bij
zeer oude wijfjes wordt het geheele lichaam vuil grijsachtig
van kleur.
Genit.: valvula vulvae zeer klein; driehoekig, nauwelijks
iets ingesneden en niet afstaand,
Lengte of abd. 23, “av. 27, pt. 2.5; 9 abd. 25, ao
pt. 2.6 mM. Grootte zeer veranderlijk.
Van de laatste dagen in Juni tot eind September (Augustus),
overal in ons land gemeen aan plassen en in groote moe-
rassen, meestal in gezelschap van S. danae, doch steeds in
veel geringer aantal tegelijk. De levenswijze dezer soort is
zeer nauwkeurig bestudeerd door WESENBERG-LUND (442).
Het bleek, dat sanguineum in Denemarken nog in de eerste
helft van October algemeen voorkomt; het eierleggen ge-
schiedde nog op 14 October bij een temp. van 7° C. en
na verscheidene vorst-nachten. ') De volwassen, bloedroode
dg, hebben evenals de danae-j{, een eigenaardige schoks-
gewijze vlucht; zij zijn bij heldere zonneschijn uiterst snel
en schuw, doch rusten onophoudelijk op uitstekende takjes
en andere opvallende rustplaatsen uit; veelal ook zag ik ze
in aantal bovenop de toppen van doode rietstengels, een
eindweegs in het moeras.
S, danae SULZER 1776.
(scoticum DONOVAN 1811).
Habitus van S. sanguineum, doch kleiner en iets meer
gedrongen van bouw. Vleugels bij het ; glashelder. 2 met
een goudgeel vlekje aan de basis van alle vleugels. Adering
als bij sanguineum. De zwarte streep aan de voorhoofdsbasis
is zeer breed en bij het 4 op lateren leeftijd onscherp begrensd.
gd juv. Voorhoofd geel, met een zeer breede, zwarte basis-
streep, die naar voren door een fijn zwart lijntje met eene
zwarte dwarsstreep midden op het voorhoofd is verbonden.
1) Ook bij eenige andere soorten van het genus Sympetrum werd ge-
constateerd, dat de imagines lage temperaturen goed kunnen verdragen;
(Sì. striolatum en danae!!).
ODONATA NEERLANDICA. I6I
Onderlip in het midden breed zwart, aan de zijden helder-
geel. Bovenlip zwartachtig; clypeus groenachtig-geel. Oogen
roodbruin. Vleugeltusschenruimte en de thorax van boven
bruin, in het midden met een driehoekige, naar achteren
spits toeloopende, zwarte vlek. Zijden heldergeel met zwarte
teekening: zeer breede zwarte strepen over den schoudernaad
en voor het stigma; de laatste op 3 plaatsen door een breede
dorsale, en 2 smallere, meer in het midden gelegene, dwars-
strepen met de zwarte zijnaad-streep vereenigd. De ingesloten
gele vlekjes eveneens heldergeel van kleur. Thorax ventraal
grootendeels zwart, met 3 duidelijke, ronde en gele vlekken
op het metasternum (= poststernum). Abdomen slank, kort
en niet afgeplat. Segm. 3—4 sterk ingesnoerd en 6—8 over-
eenkomstig verbreed. Dorsum bruin; een breede streep langs
de zijden van alle segmenten en den geheelen onderkant
zwart, Pterostigma grijs- of bruinachtig.
d ad. Voorste deel van den kop geheel zwart verdonkerd :
slechts de zijkanten van clypeus en voorhoofd groenachtig
van kleur. Oogen donker kastanje-bruin. Lichaam geheel
zwart, uitgezonderd de eenigszins
verdonkerde gele teekening op de
thoraxzijden en de eerste abdo-
minaalsegmenten; ook zijn de 3
gele vlekjes op het metasternum
kleiner en meer afgerond. Ptero-
stigma zwart.
Genit. 2° segm. uitpuilend en
daardoor zeer in ’t oog vallend.
Hamulus groot, bi. t. en bu. t. van
gelijke lengte; de sterk afstaande
bi. t. duidelijk naar buiten gericht
en aan den top iets naar omlaag | ä
gekromd (fg. 31) me
Q. Lichaamsteekening als bij Beharing weggelaten.
het g' juv. Voorhoofd slechts aan Vergroot (orig.).
de basis met een breede, gitzwarte streep. Dorsum van het
abdomen bij oude dieren grijsbruin ; onderzijde en gedeeltelijk
ook de zijden dicht grijsblauw berijpt Rugvlekjes op segm. 8
en 9 door een breeden, zwarten randzoom omgeven. Vleugel-
162 M« A. LIEFTINGK,
bases met een intensief goudgeel vlekje, in den achtervl.
hoogstens tot de 1° Ang, Cug en het einde van de membranula,
in den voorvl. nog wat kleiner. Pterostigma zwartbruin. !)
Genit.: valvula vulvae groot, onder een rechten hoek
afstaand, smal-elliptisch met bijna spitsen top.
Lengte! abd. 22, av; 24.5, pts 2; 01abd 22; RAKEN
ptaz2smM:
Het verspreidingsgebied dezer soort strekt zich uit van
Lapland tot Noord-Italië, over geheel Noord-Azië en Japan,
en over een groot deel van Noord-Amerika.
Van omstreeks midden Juli tot begin October (Augs , Sept),
overal zeer gewoon aan plassen en veenmoerassen, vooral
in de diluviale streken van ons land. Zij vliegt bij voorkeur
aan vennen en heiplassen, het meest in de maanden Augustus
en September en behoort dan ook met Lestes sponsa tot de
algemeenste libellensoorten, die men in dezen tijd aan den
waterkant aantreft. S. danae is iets minder aan water ge-
bonden dan sanguineum, doch de snelle mannetjes zijn alleen
in overweldigend aantal te vinden aan den moerassigen oever
van den waterplas. In vergelijking met alle overige Odonaten,
kunnen S. danae en sanguineum zich het langdurigst op ééne
plaats in de lucht ‘zwevende houden, waarbij de vleugels
met groote snelheid in trillende beweging worden gebracht.
Zij werd ook op het eiland Texel gevonden, evenals op
de Duitsche eilanden Juist en Memmert (6).
IV. Fam. Aeschnidae.
Overzicht der sub-familien,en; genera:
1. Oogen door een breede tusschenruimte van elkaar ge-
scheiden. De achterrand dezer tusschenruimte, die van boven
gezien echter meestal duidelijk smaller blijft dan de lengte-
doorsnede van het oog, scherpkantig. Middenlob van het
labium niet ingesneden. Ligging van 7 in voor- en achter-
vleugel ongelijk: in den voorvleugel is zij met de basis meer
Bij een ad. Q uit Oisterwijk, N.-B. (30. VII. 1921 !!) is de lichaamskleur
veel helderder dan gewoonlijk: het abdomen is fraai oranje-geel met
een bloedrooden (!), zijdelings uitvloeienden langsband, die op segm. 3
en 4 het breedst is. De voorvleugels van dit ex. zijn vooral in de om-
geving van den nodus, licht bruin getint (niet berookt) en in beide
achtervleugels bevinden zich 2 (ug.
ODONATA NEERLANDICA, 163
naar buiten gedraaid en zijn costale en proximale zijde
ongeveer even lang; in den achtervleugel is zij in de lengte-
richting van den vleugel gestrekt en is de costale zijde langer
dan de proximale. cu onder vorming van een zeer opvallende
„binnendriehoek” (42) in voor- en achtervleugel doorgaans
met 2 Cug. Anaalrand des achtervleugels bij het & zeer
sterk hoekig uitgebogen. Membranula gereduceerd en nauwe-
lijks zichtbaar. Abdomen zonder zijkanten. App. inf. van
het 5 steeds meer of minder diep gevorkt. © zonder
ovipositor, met eenvoudige valvula vulvae, aan het eind van
het 8° sterniet.
(Substamm Gomdhinae).s..) a tide rard
De oogen sluiten van boven slechts in één punt aaneen,
of wel, ze zijn door een uiterst kleine tusschenruimte van
elkaar gescheiden. Middenlob van het labium aan het einde
ingesneden. Ligging van Z in beide vleugels gelijk, de costale
zijde tamelijk veel langer dan de proximale. cx onder vorming
van een weinig opvallende binnendriehoek in beide vleugels
met 2 Cug. Anaalrand van den achtervleugel bij het 4 recht,
aan het einde iets naar binnen gebogen. Membranula duide-
lijk, doch smal. *) Abdomen zonder zijkanten. 9 met groote,
hoornachtige, doch niet getande, ovipositor.
(Sub-fam. Cordulegasterinae)
5 Cordulegaster LEACH
De oogen sluiten van boven over een langeren afstand
tegen elkaar. Middenlob van het labium niet ingesneden.
Ligging van # in voor- en achtervleugel gelijk, in de lengte-
richting van den vleugel gestrekt. cu met talrijke Cug. ti niet
opvallend. Membranula meestal goed ontwikkeld. Abdomen
met duidelijke zijkanten. Ovipositor van het © normaal,
evenals bij de Zygoptera bestaande uit terebra en valven.
(Sub-fame Zesehnınae)- = ara 4
2. In den achtervleugel zijn eenige cellen onder # door
een ongeveer halfcirkelvormige aderbocht ingesloten, waar-
door eene geslotene celgroep ontstaat; de basis dezer cel-
groep (al) wordt gevormd door A!. De loodrecht op den
vleugelrand toeloopende sektoren A! en A? nemen schijn-
1) In fig. 32 niet zichtbaar !
164 M. A. LIEFTINCK,
baar een aanvang uit deze aderbocht, welke van onderen
door een dwarsader geheel is afgesloten (fig. 39 en 40) . 3
In den achtervleugel onder Z bevindt zich geen geslotene
celgroep a/: de loodrecht op den vleugelrand toeloopende
sektoren in het anaalveld zijn aanvankelijk niet uitgebogen
en niet door een dwarsader met elkaar verbonden, zoodat
geen gesloten celgroep ontstaat (fig. 36). App. sup bij het
d klein; app. inf. breed en steeds in twee takken gespleten.
Gomphus LEACH
3. Appendices van het 4 zeer groot, samengebogen tot
eene forsche, drieledige grijptang. Achterrand van het epicra-
nium bij het © zonder in het oog vallende horentjes. . .
Onychogomphus SELYS
Appendices van het & zeer klein. Achterrand van het
epicranium bij het ® voorzien van 2 duidelijke, opgerichte
stekelpuntjes a. = . + + + « Ophiogomphus SELYS
4. Basis van den meriti in beide seksen gelijk van
vorm; bij het g* niet hoekig uitgesneden, doch gewoon afge-
rond. Een anaaldriehoek (7a) ontbreekt, evenals de oortjes
(auriculae) aan weerszijden van segment 2, bij het g*. Rs ter
hoogte van het pterostigma niet gevorkt. M! en M? ter
hoogte van den buitenrand van het pterost. elkaar zeer ge-
naderd, M* aldaar onder een stompen hoek naar omlaag
afbuigend. M* ontspringt in den voorvleugel op ’t midden
van den arculus, /7!-3 daarboven, ongeveer te midden van
Ren M+. Segm. 4—10 met supplementaire zijkanten .
Anax LEACH ')
1) Een aanverwant genus is Hemzanax SELYS 1883, hetwelk zich in
hoofdzaak door de volgende kenmerken van Azar onderscheidt:
Segm. 4—10 zonder supplementaire zijkanten. Het distale gedeelte van
Cu? in den achtervleugel deelt zich na de gewone vertakking in meerdere
kleinere takken, waarvan de voorste plotseling ombuigt en een bijna
vierkante, 3—4 cellen breede, ruimte omsluit. — De eenige soort, /7. ephip-
piger (BURMEISTER 1839) is licht zandkleurig-geel, met een bruinroode,
mediane streep over het abdomen. Het 2e segment is bij het & levendig
blauw van kleur. Deze soort bewoont in hoofdzaak de droge streken
van Noord-Afrika en is ook bekend uit Italië, éénmaal gevangen in
Zwitserland en komt een heel enkele maal als ,,vreemdeling” ook in
meer noordelijke streken voor. In Duitschland is de soort nog niet ge-
vonden, doch wel tweemaal in België; een g werd gevangen in de straten
van Brussel op 4. VI. 1874 (397). Ook werd ééns een Q gevangen in een
straat te Devonport aan de zuidkust van Engeland op 24. H(!). 1903 (222).
ODONATA NEERLANDICA. 165
Basis van den achtervleugel bij het x hoekig uitgesneden,
waardoor een fa gevormd wordt; bij het ® gewoon afgerond.
Oortjes aan het 2° segment bij het / aanwezig. As gevorkt.
M en M? elkaar niet zoo zeer genaderd, 47? minder scherp
naar omlaag gebogen. M!-—® en 47* ontspringen in den voor-
vleugel naast elkaar, ongeveer op het midden van den arculus.
Segm. 4— 10 zonder supplementaire zijkanten . . . . 5
5. Tusschen As en Rspl, evenals tusschen M* en Mspl,
in beide vleugels slechts ééne rij cellen; hoogstens is een
enkele cel soms verdubbeld. Cubitaalruimte met slechts
Ella ern: . +. + + + Brachytron EVANS
Tusschen Rs en Rspl evenals tusschen M* en Mspl, in
beide vleugels een grooter aantal celrijen (3, 4 of meer).
Rspl en Mspl steeds in meerdere of mindere mate naar
omlaag gebogen, waardoor de tusschenliggende ruimte wordt
verbreed. Cubitaalruimte steeds met meer dan 3 Cug
Aeschna FABR,
i Sub-fam. Cordulesasterinac,
1. Cordulegaster LEACH 1815.
De oogen zijn bovenop den kop door een zeer kleine
tusschenruimte van elkaar gescheiden, of wel zij raken elkaar
in één punt; minder sterk ontwikkeld en minder bol dan
bij de Aeschninae. De beide achterste ocellen zijn aan weers-
zijden van een kleine, stompe verhevenheid tusschen de oogen
geplaatst. Voorhoofd kort en vrij breed. Middenlob van den
onderlip aan het einde ingesneden. Pooten zeer krachtig
ontwikkeld. Vleugels smal en langgerekt; vleugeltoppen vrij
spits. fa lang en tamelijk breed. Appendices van het gd
relatief zeer klein. © met groote, hoornachtige, doch niet
gezaagde ovipositor, bestaande uit 2 gonapophysen van het
8e sterniet, die scheedeachtig 2 kleinere van het 9° sterniet
omsluiten; de ovipositor steekt ca. 4 à 5 mM. buiten het
lichaam uit. Valvula vulvae afwezig.
Groote, zwart met geel geteekende dieren.
Van de 4 Europeesche soorten komt 1 in Nederland en
1 in het aangrenzend gebied voor.
Overzicht der gd.
Appendices superiores aan de basis bijna tegen elkaar aan-
II
166 M. A. LIEFTINCK,
sluitend, divergeerend, met een krachtigen, spitsen, mediaan-
ventralen tand. Occipitaaldriehoek geel. . annulatus LATR.
Appendices superiores aan de basis door een duidelijke
tusschenruimte van elkaar gescheiden, recht, met een mediaan-
ventralen tand als bij annulatus en bovendien nog met een
zeer spitsen, latero-ventralen, basaaltand. Occipitaaldriehoek
Zwaree ne N VON PUS FANUIGERIA USSR
Overzicht der 99.
Onderlip geel, slechts aan de basis zwart gezoomd. Occi-
pitaaldriehoek geel. ae © ‘annolatus EAR:
Onderlip geel, rondom omgeven door een zwarten rand-
zoom. Occipitaaldriehoek zwart. . . . Gidentatus SELYS
C. annulatus LATREILLE 1805.
Vleugels lang en smal. Costa in beide seksen aan den
voorkant geel; adering overigens zwart. Achterrand van den
achtervleugel tamelijk recht, weinig uitgebogen; vleugelpunten
spits. Pterostigma lang en zeer smal, zwart. Za vier- of vijf-
cellig (fig. 32). Lichaam zwart. Kop grootendeels geel, kort
zwart behaard; achter den gelen occipitaaldriehoek een dichte
prior ED EED ED laa
% ane
Eee] =
Tr =
TRES
PURE
De
CHR =
Qt en Wx PES OOTY
NARRA:
CELLET LS CHIN 2
Fig. 32. Cordulegaster annulatus LATR. d. Vleugelpaar,
vergroot (naar FROHLICH).
rij lange goudgele penseelhaartjes. De afhellende voorkant
van het voorhoofd met een smal, onscherp begrensd, zwart
dwarsstreepje. Bovenlip eveneens geel, slechts zijdelings en
ODONATA NEERLANDICA. 167
aan de basis smal zwart gezoomd; de voorste randzoom
geheel geel, hoogstens iets verdonkerd. Oogen bij adulti,
evenals bij de Cordulinae, fraai goudgroen glanzend; bij jonge
dieren bruin. Thorax robuust, zwart van kleur en lang grijs
behaard; de citroengele antehumeraalstrepen naar voren zeer
geleidelijk versmald. Thoraxzijden met 2 breede, evenwijdige
gele strepen, waartusschen nog een derde, veel smallere en
in den regel 2 maal onderbrokene, streep over het stigma.
Pooten kort, doch krachtig ontwikkeld, zwart.
Abdomen lang, rolrond en diepzwart van kleur, versierd
met gele vlekken. Segment 6, 7 en 8 verbreed en eenigszins
afgeplat. Segm. 2 met een breeden, on-onderbroken medianen
en een smalleren, onderbroken
apicalen dwarsband; 3—8 met
vrij breede, meestal in het
midden smal-onderbroken rug-
vlekken op het midden, be-
nevens bij het © eveneens
onderbroken, veel smallere
dwarsstreepjes op het einde
der segmenten (soms afwezig
op segm. 8). Segm. 9 aan de
basis met 2 kleine zijvlekjes,
IO zwart.
Appendices relatief zeer klein,
zwart. App. sup. bij het g aan
de basis bijna tegen elkaar
aansluitend, divergeerend en
met een krachtigen, spitsen,
mediaan-ventralen tand. App.
inf. meer dan half zoo lang als
sup., aan het einde duidelijk
ingesneden; zijranden iets ver-
dikt en aan den top een weinig Fig. 33. Cordulegaster annulatus
opgericht, spits. © met groote, LATR, g larva.
hoornachtige, doch niet ge- et Happ
: i 37 mM. (orig.).
zaagde, ovipositor, bestaande
uit 2 lange, naar het einde gootvormig versmalde en ge-
zamenlijk afgeronde, gonapophysen van het 8° sterniet, die
168 M. A. LIEFTINCK,
scheedeachtig 2 kleinere van het 9° sterniet omsluiten en
welker spits het einde van het abdomen ca. 4 à 5 mM. in
lengte overtreft. Aan de basis van elk dezer gonap. bevindt
zich een ronde, gele vlek. App. sup. kort en zeer spits, ca.
half zoo lang als segm. 10.
Lengte 4 abd. 56, av. 43, pt. 4; ® abd. (+ ovipositor) 61,
av. 46, pt. 5, ovip. 8.5 mM. ')
Deze soort is verbreid over Midden- en Zuid-Europa;
noordwaarts komt zij nog voor in Schotland en in het zuiden
van Noorwegen en Zweden.
In Nederland is zij alleen bekend uit Limburg; voor ’t
eerst werd annulatus hier gevangen in 1921, in de omgeving
van Belfeld (7 en 8. VI!!). Sindsdien werd zij elk volgend
jaar op dezelfde plaats teruggevonden (1921: 3d; 1922:
22 en 235ML 7 A; 1923: 8. IV, larve (fig. 33 A192
27. MI gülleg. J. V.<D. VECHT). In. Belgie' werdividexsaaa:
in het geheele oostelijke deel van het land aangetroffen,
vooral op bergachtig terrein. Zij zou in de Kempen reeds
in Mei verschijnen, in de Ardennen pas later, nl. in Juni
en Juli; ook is zij gevonden bij Brussel. Zij werd in de
prov. Limbourg gevangen bij Herckenrode en Genck. In
het aangrenzend gebied van Duitschland zijn slechts weinige
vindplaatsen bekend: in het noorden alleen bij Harburg en
Friedrichsruh in de omgeving van Hamburg en eenmaal bij
Munster in Westfalen; verder in Rijnland bij Siegen, in
Hessen (bij Stellberg, van midden V--VII) en in het gebied
rondom Aschaffenburg. Ook werd zij in Lotharingen gevonden.
In Engeland en Schotland op vele plaatsen, doch in
Denemarken naar het schijnt veel zeldzamer (alleen in
Midden- en West-Jutland).
De soorten van het genus Cordulegaster komen uitsluitend
aan stroomend water voor en wel voornamelijk aan zeer
kleine, heldere beekjes, vooral daar waar deze op open, of
eenigszins beschaduwde plaatsen, aan den voet van beboschte
1) De grootte der Belfeldsche exemplaren loopt, gezien het kleine
aantal verzamelde ex., zeer uiteen. Abd. 56, av. 45, pt. 4.2 (I ex);
55-.43.4.(1 ex); 52.43.42 ex.); 50. 4Onár (mer) Bilde pvenge
stukken zijn de maten niet nauwkeurig te bepalen. Ik bezit een g uit
de Vogezen, dat nog grooter is dan het grootste ex. uit ons land: 59. 45. 4
mM., doch Ris (322) geeft als gemiddelde aan: 56. 41. 4 mM.
ODONATA NEERLANDICA. 169
heuvels, ontspringen. In tegenstelling met de zeer snelle en
onrustige Aeschna-soorten, vliegt Cordulegaster, meestal in
vrij groot aantal bijeen, in langzame zweefvlucht en met
een bijzondere regelmaat over de stroompjes heen en weer.
Door de typische kleurverdeeling zijn de dieren, wanneer
zij in hangende houding aan een Zpilobtum-stengel uitrusten,
dikwijls zeer moeilijk van den gelen ondergrond en het
gebladerte te onderscheiden. In het bron-gebied, op de plaats
waar annulatus in ons land voorkomt, heeft het water zich
in een ondiepen leemplas verzameld, aan den voet eener
grindhelling; van hier uit vloeien eenige snelvlietende
stroompjes door het vlakke land naar het Maasdal !). De
vliegtijd in ons land begint hoogstwaarschijnlijk reeds einde
Mei en duurt stellig nog tot in Augustus. De 99 verschijnen
later dan de gig en zijn zéer veel zeldzamer. Op: den: 1°"
Juli 1924 zag ik een 9-ex., dat echter niet kon worden ge-
vangen. Het eierleggen werd waargenomen en uitvoerig
beschreven door RIS (319 en 320) en DRABBLE (87).
(C. bidentatus DE SELYS 1843).
Costa aan den voorkant bij het ; smal geelachtig, bij het 9
nagenoeg zwart. Achterrand van den achtervleugel iets meer
uitgebogen dan bij axnulatus, daardoor zijn de vleugels
minder recht; vleugelpunten minder spits. Pterostigma
smal, doch duidelijk korter dan bij annulatus. ta bijna altijd
drie-, zeldzamer viercellig. De afhellende voorkant van het
voorhoofd met een langere, scherper aangeduide, zwarte
dwarsstreep, die aan de einden iets verbreed en een wei-
nig opgebogen is. Achter den zwarten occipitaaldriehoek
een dichte rij lange, grauwzwarte penseelhaartjes. Bovenlip
geel, met een breeden zwarten randzoom; de voorste iets
smaller. Antehumeraalstrepen korter, dorsaal breeder en naar
voren sterker versmald dan bij aunulatus. De gele streep
over het stigma bij het 4 geheel afwezig, bij het © gere-
duceerd tot een puntvlek.
Abdomen een weinig anders geteekend dan bij annulatus.
1) Over het voorkomen hier te lande en over nauwkeuriger plaats-
beschrijving, vergelijk ook LIEFTINCK (467).
170 M, A. LIEFTINCK,
Segment 6, 7 en 8 nog iets breeder en meer afgeplat;
de apicale gele dwarsstreepen slechts op segm. 2 en 3 aan-
wezig, op segm. 4—7 in den regel geheel ontbrekend. 9 met
twee uiterst kleine vlekjes aan de basis, 10 aan weerszijden
met een geel vlekje. Mediane rugvlekken breeder en aan de
zijden sterker versmald, eenigszins driehoekig van vorm.
Vleugels, vooral aan de toppen, bij oude dieren berookt.
Appendices sup. bij het 4 aan de basis zeer duidelijk van
elkaar gescheiden, recht, met een mediaan-ventralen tand
als bij annulatus en bovendien met een zeer spitsen latero-
ventralen basaaltand; app. inf. ca. half zoo lang als sup,
aan den top zeer weinig versmald en recht afgeknot.
Ovipositor van het © als bij de voorgaande soort, doch
een geel vlekje aan de basis der gonap. ontbreekt.
Lengte & abd. 54, av. 43, pt. 3.5; © abd. 59, av. 47, pt. 4,
ovip. 9.5 mM.
Niet inlandsch. West- en Zuid-Europa.
Deze zeldzame soort werd ontdekt in België, door E. DE
SELYS LONGCHAMPS, in de boschrijke en bergachtige om-
geving van Colonster bij Luik, gedurende de jaren 1834
en ’35, in Juni en Juli. Daar ter plaatse vloog bidentatus in
aantal langs de beekoevers en in zandige wegen, in gezel-
schap van de Nymphalide Melitaca maturna L. Beide soorten
zijn sindsdien verdwenen en ook op andere plaatsen in België
niet weer teruggevonden.
In het aangrenzende gebied werd zij voorts slechts ge-
vonden bij Bonn in de Rijnprovincie, bij Oberkaufungen in
Hessen en bij Wiesbaden. Tenslotte bleek dzdentatus ook
in Luxemburg voor te komen; zij was niet zeldzaam aan
eenige kleine beekjes in het vochtige bosch bij Berdorf, dicht
bij het dal van de Ernste, waar de gg in klein aantal,
dicht langs den grond, aan een wegkant heen en weer vlogen
(28. VI. 1924! !)
In hare levenswijze komt deze soort in de meeste opzichten
zeer veel overeen met C. annulatus; het aantal individuen,
dat op een bepaalde plaats voorkomt, is echter, naar ver-
houding, veel kleiner.
_ Uit Engeland en Denemarken is zij niet bekend. Het
voorkomen in ons land is niet geheel uitgesloten,
ODONATA NEERLANDICA, ZA
I, -Sub-fam2. Gomphinae.
I. Gomphus LEACH 1815.
Vleugels kort en vrij breed. Pterostigma relatief groot.
Membranula onduidelijk en zeer smal, soms geheel ontbre-
kend. De oogen zijn bovenop den kop door een meer of
minder breede, doch steeds zeer duidelijke tusschenruimte
van elkaar gescheiden. Voorhoofd kort en zeer breed. Pooten
krachtig ontwikkeld.
Lichaamskleur hoofdzakelijk heldergeel met zwart.
d genitaliën en auriculae aan het 2° segment groot en
sterk uitpuilend.
Q zonder ovipositor, doch met eenvoudige valvula vulvae
aan het eind van het 8° sterniet. Appendices van het kort,
ongeveer zoo lang als segm. 10; app. sup. divergeerend,
app. inf. gevorkt. De appendices zijn vrij constant van vorm en
leveren zeer deugdelijke en belangrijke specifieke kenmerken.
Dit zeer vormenrijke genus is verspreid over het geheele
palaearctische en nearctische gebied, met grootste uitbrei-
ding in Noord-Amerika.
Zoowel systematisch als biologisch nemen de Gomphinae
een zeer bijzondere en aparte plaats in. Alle inheemsche
soorten (uitgezonderd G. pulchellus) leven in de nabijheid
van stroomend water, waaruit de imagines tot ontwikkeling
komen. Zij vliegen zeer snel, doch over korte afstanden en
rusten dan, met horizontaal uitgespreide vleugels en met
opgericht achterlijf, op den grond uit; veelal op groote zon-
beschenen steenen of op droge en harde plaatsen aan den
oever van het water. Sommige soorten wijken ook in de
vlucht in bijzondere mate af, doordat zij soms plotseling
zeer hoog vliegen en in een grooten boog weer op den
grond terecht komen; andere daarentegen hebben een meer
gelijkmatige, golvende vlucht.
Van de 5 Europeesche soorten komen 3 in Nederland
en I in het aangrenzend gebied voor.
Overzicht der soorten.
I. Pooten geheel zwart; meestal een gele streep aan de
binnenzijde der dijen van het eerste pootpaar. App. & (fig. 34)
vulgatissimus L.
172 M. A. LIEFTINCK,
Pooten geel zwastigestreept.1 beeb ien ee
2. De antehumerale zwarte thoraxstreep ongeveer midden
tusschen de humerale en mediane gelegen; dorsaal en in
den regel ook ventraal boogvormig met de mediane streep
verbonden, waardoor een spitse, gele ovaal wordt ingesloten.
Costa zwart, hoogstens aan den voorkant fijn geel gezcomd.
App NOWRERESE). 0. Li. vane TENUE teen flavipes GEER
De antehumerale zwarte thoraxstreep nadert de humerale
en staat niet in verbinding met de mediane streep. Costa
breed -ceelasezoomd is mom riu ZE i NS
3. Thorax vuil groenachtig- Be humerale en antehumerale
strepen zeer smal. Thoraxzijden met 2 doorloopende, fijn-
zwarte, naadstrepen. App. (fig. 37). . pulchellus DE SELYS
Thorax smaller, heldergeel van kleur; humerale en ante-
humerale strepen zoo breed als, of nog breeder dan de gele
tusschenruimte. Voorste naadstreep der thoraxzijden ventraal
slechts tot aan het stigma doorloopend. App. & (fig. 38)
simillimus DE SELYS
G. vulgatissimus LINNAEUS 1758.
Lichte deelen van kop en thorax vuil groenachtig van
kleur (,,zeegroen’’). Oogen bij jonge dieren chocoladebruin,
later olijfbruin. Tusschenruimte der oogen in beide seksen
zeer smal, hoogstens 2 mM. breed. Mediane thoraxstreep
recht, naar voren echter plotseling afgebroken ; humerale en
antehumerale strepen elkaar zeer genaderd, duidelijk breeder
dan de tusschenruimte. Voorste zwarte streep op de thorax-
zijden slechts tot aan het stigma aangeduid. Pooten zwart,
dijen der voorpooten van binnen soms met een geel streepje
(bij het # steeds aanwezig). — Costa aan den voorkant smal
geel gezoomd; vleugeladering overigens zwart. Pterostigma
klein, bij het d donkerbruin, bij het © lichter. Abdomen bij
het dg aanvankelijk rolrond, later sterk verbreed en afgeplat;
bij het © zeer robuust, in ’t midden een weinig versmald.
Grootendeels zwart van kleur; segm. r en 2 met gele rug-
en zijvlekken, auriculae geel; genitaliën sterk uitpuilend,
zwart. Segm. 3—7 zwart, zijden bij het d' met kleine, gele
basisvlekjes; bij het Q met een veel breedere, onderbroken
zijstreep.
ODONATA NEERLANDICA. 173
Dorsum dezer segmenten met een, aan de basis iets ge-
zwollen en naar achteren spits toeloopende, fijne rechte streep.
Segm. 8 en 9 vooral bij het sterk verbreed: dorsum
eenigszins afgeplat, zwart; randzoom naar
omlaag gericht en van segm. 8 bij het &
tevens naar buiten uitgebogen, met groote
heldergele randvlekken. Segm. 10 smal,
evenals de appendices bij 4 en 9 geheel
zwart. App. d' (fig. 34).
Bij adulti wordt de groene en gele kleur Fig. 34. Gomphus
van het lichaam doffer en minder duidelijk ; AA Ua
ook de gele rugstreep over het abdomen van boven gezien,
kan onduidelijk en op segm. 7 (4) zelfs vergroot (orig.).
geheel onzichtbaar worden. Zwarte naden op de onderzijde
van den thorax veelal blauw bestoven.
enste: cM abd. 34,avs 29, pt. 2.5; Q abd.’ 34, avs 31,
pt. 3 mM.
Van begin Mei tot eind Juni (begin Juni). Niet zeldzaam
en op sommige plaatsen zelfs gewoon. Men treft deze soort
bij voorkeur aan stroomend water, omgeven door struikgewas,
aan; doch ook aan snelstroomende beken, met ondiepe,
steenachtige bedding; vooral daar, waar deze in groote rivieren
uitmonden. Een enkele maal ook aan stilstaand water (Colm-
schate!!, Ommen !!). !) De dieren vliegen dikwijls vrij hoog
en rusten veel uit op steenen in de beekbedding, maar bij
voorkeur hoogerop, op takjes en bladeren van het omringend
struikgewas. De QQ worden veel minder waargenomen, daar
zij zich na het uitkomen snel over een betrekkelijk groot
gebied verspreiden en zich meer ophouden in zandwegen,
langs struikgewas en op open plekken in het bosch. Waar-
schijnlijk zijn zij ook zeldzamer dan de gd.
Over ’t algemeen zijn nog weinig vindplaatsen in Nederland
bekend, doch de soort is hier te lande in het voorjaar stellig
vrij algemeen.
1) Volgens WESENBERG LUND (442, p. 186) komt vulgatfissimus in
Denemarken alleen aan eenige der groote meren voor, van ca. 10 Juni
tot 10 Juli, dus later in het jaar dan bij ons het geval is. RENÉ MARTIN
trof haar in Midden-Frankrijk veelvuldiger in moerassen, dan langs de
oevers der rivieren en beken aan (242).
174. M. A. LIEFTINCK,
De bekende vindplaatsen zijn:
Prov; Drente:mZeegse!!
Prov. Overijsel: Colmschate!! Bathmen!!! Ommen!
Ootmarsum! ! Denekamp !!
Prov. Gelderland: Arnhem, Wolfhezen, Zutfen, Velp,
Wamel!
EsoyWUltrecht: Driebergen:
Prov. Zuid-Holland: Rotterdam!
Prov. Noord-Brabant: Berlicum! Oisterwijk!!
Prov. Limburg: Plasmolen!! Arcen!! Velden!! Grub-
benvorst!! Venlo! Belfeld!! Steyl!! Maastricht.
G. flavipes CHARPENTIER 1825.
Lichaamskleur in hoofdzaak beldergeel. Kop klein, voor-
hoofd kort en breed. Oogen bij volwassen dieren groenachtig-
grijs. Tusschenruimte der oogen in beide seksen ca. 2 mM.
breed. Thorax heldergeel, een weinig donkerder dan het
abdomen. Mediane thoraxstreep naar voren sterk verbreed,
dorsaal en ventraal door eene fijne anastomose met de
antehumerale streep verbonden, waardoor een spitse, gele
ovaal wordt ingesloten; humerale streep tamelijk breed,
recht. Gele tusschenruimten weinig breeder dan de donkere
strepen. Zijnaden nauwelijks zichtbaar; zeer fijn zwart ge-
zoomd. Pooten kort, doch forsch van bouw; dijen geel,
binnenzijde met een zwarte streep; schenen fijn geel ge-
streept. — Vleugeladeren zwart, voorrand van de costa soms
met een smal geel streepje. Pterostigma zeer groot, helder-
geel en door zwarte randaderen omgeven.
d £. Abdomen lang en slank, bij het d segm. 3—6 iets
versmald, daarna vrij sterk verbreed, met uitstaande rand-
zoomen; bij het Q aan de basis breed, vervolgens tot aan
den top zeer geleidelijk versmald. Dorsum rijkelijk geel ge-
teekend. Segm. 1 bijna geheel geel, 2 met breede, tweemaal
ingesnoerde rugvlek, 3—10 met aan de bases breede, op
!/, der lengte een weinig ingesnoerde, lancetvormige vlekken,
die bijna over het geheele abdomen één doorloopende streep
vormen. Zijden en onderkant breed geel. Segmentgrenzen
zwart, van boven soms door de lichte teekening onderbroken.
Appendices ¢ (fig. 35).
ODONATA NEERLANDICA, 175
Benste. gs abd. 28 Mavess pt 3.5: 2 abd. 38, .av. 33,
pers: mM. Zie afb; OupEme el II, fig. 9, 9 (478).
Deze zeer zeldzame soort is vele jaren geleden, op enkele
plaatsen verspreid over een deel van Nederland, in enkele
individuen gevangen. Ondanks de ijverige
nasporingen der latere onderzoekers, werd
flavipes niet meer teruggevonden. Zij be-
woont Oost- en Midden-Europa, benevens
een deel van Noord- en Midden-Azië, doch
komt, behalve naar het schijnt in een be-
paalde streek aan de ‚eine (waar zij gan ei
25 Juni—1 Aug. zou vliegen) en in Silezië, flavipes CHARP. d'
overal slechts sporadisch voor. Over het ver- Caudale appendices,
dorsaal. Vergroot
spreidingsgebied is nog heel weinig bekend. Be
orig.).
Een belangrijke bijdrage tot de kennis van
biologie en levenswijze vindt men bij POPOVA (509*). Zi
zou in ons land van ca. eind Juni tot in Augustus (ALBARDA,
Cat. rais. p. 275) aan stroomend water te vinden zijn. In
Duitschland sporadisch; zij werd gevonden bij Elberfeld, bij
Halle aan de Saale, in Hannover bij Lüneburg en Hamburg,
in Saksen bij Maagdenburg, bij Lauenburg in Sleeswyk—
Holstein en aan de Oostzee op het eiland Wollin (distr.
Stettin). In Engeland is zij ruim een eeuw geleden gevangen
bij Hastings in Sussex; sindsdien niet weer. In Frankrijk in de
omstreken van Parijs. Uit België en Denemarken niet bekend.
In ons land zijn de volgende vindplaatsen bekend:
Prov. Gelderland: Arnhem (FRANSEN), Brummen, 1 9!
(v. WALCHEREN), Wolfhezen, 1 @ VI!, 1 © 24. VI! (v.- MED.
DE ROOY).
Prov. Zuid-Holland: Rotterdam, 1 Q! (FRANSEN), ı 9!
(SCHUYT, 1902).
Prov. Limburg: Mook, 1 4! (FRANSEN).
Het ex. uit Arnhem is verdwenen, de overige stukken
bevinden zich in het Leidsch Museum.
G. pulchellus DE SELYS 1839.
Kleine, slanke soort. Lichaamskleur in hoofdzaak geel.
Lichte deelen van den kop vuil groenachtig-geel, deze min-
1) De maten van het ¢ zijn overgenomen uit RIS (322).
176 M. A. LIEFTINCK,
der verkort dan bij flavipes. Oogen bij adulti licht blauw-
grijs; tusschenruimte in beide seksen groot, ca. 2.5 mM.
breed. Thorax vuil grijs-groen, vooral bij oude dieren vuil-
grijs van kleur. Humerale en antehumerale zwarte streep
gereduceerd tot smalle lijntjes, de tusschenruimte 2 maal
zoo klein als die tusschen de antehumerale en mediane
streep; deze laatste naar voren door de gele middenkiel in
tweeën gespleten en iets uiteenwijkend, breeder dan de overige
strepen. Thoraxzijden met twee doorloopende, smalle zwarte
lijnen; de voorste is bochtig en loopt vóór langs het stigma,
de tweede is recht en loopt over den achtersten naad.
Pooten geel, dijen en schenen met I of 2 fijn-zwarte langs-
streepjes. — Vleugeladeren zwart; costa over de geheele
lengte, evenals een deel der dwarsaderen in het costaalveld,
zeer breed geel. Pterostigma groot, helder roodbruin; soms
iets donkerder (fig. 36).
d 9. Abdomen slank, bij het rolrond en segm. 3 iets
ARTS > 7)
RATA
Sta
Fig. 36. Gomphus pulchellus SELYS, dg. Vleugelpaar, vergroot (orig.).
ingesnoerd; vervolgens tot aan het iets verbreede einde,
met parallele zijden. Genitaliën van segm. 2 zeer sterk uit-
puilend, grootendeels geel van kleur. Oortjes cirkelrond.
Bij het Q is het abdomen aan de basis breed, en tot aan
den top zeer geleidelijk iets versmald. Lichte teekening in
beide seksen gelijk, citroengeel. Dorsum van segm. I—Io
met een tamelijk breede, gele middenstreep, welke aan de
segmentgrenzen telkens even is onderbroken en op segm.
1-—2, bij het f meestal ook op segm. 9, breeder is dan op
ODONATA NEERLANDICA. 127
de overige segmenten. Zijden op dezelfde wijze, doch veel
breeder, geel gekleurd en ventraal grootendeels zwart gezoomd.
Voordat de dieren volwassen zijn, is de lichaamskleur
heldergeel met zwart; volwassen cd‘ zijn op de zijnaden van
den thorax en op de sternieten van het abdomen, dito QQ
op de geheele onderzijde van het lichaam, blauw bestoven.
Appendices 4 (fig. 37). App. sup. zwart, inf. geel,
Lengte 4 abd. 35, av. 28, pt.) 3; © abd. 36, av. 30, pt. 4 mM.
Zuid-West Europa. Van 30 Mei tot half Juli (midden Juni), !)
niet zeldzaam in de zandstreken van Zuid-
en Oost-Nederland, aan groote moerassige
vijvers, aan meertjes, kanalen en leem-
plassen; dikwijls in de omgeving van stroo-
mend water. G. pulchellus is de eenige soort,
die zich bij voorkeur ophoudt in de nabijheid
van stilstaand water, waaruit de imagines ook
tot ontwikkeling komen. Op weinige plaatsen 0 en
in het heuvelachtige gebied van Gelderland Caudale appendices,
en Noord-Brabant is zij telkenjare in ontzag- dorsaal. Vergroot
gelijke massa’s bijeen, aan groote leem- (otig:):
plassen te vinden. Aan rivieren en zwak-stroomende beken veel
zeldzamer. Door hare fletse lichaamskleur en haar geruisch-
looze vlucht, blijft zij op vele plaatsen vrijwel onopgemerkt
en is daardoor uitnemend beschut tegen hare vijanden.
Pulchellus vliegt snel, doch dicht langs den grond en over
zeer korte afstanden; alleen in den paartijd ziet men haar
ook over open water vliegen. Vaak vindt men haar op
harde, grindhoudende plaatsen, op korten afstand van ’t
water verwijderd, waar zij ijverig jacht maakt op allerlei
insecten, vooral Agrzoniden, Astliden en sluipwespen. De 99
zijn veel zeldzamer dan de gg; zij leven meer verborgen
en zijn alleen bij het eierleggen goed te bestudeeren.
Uit Duitschland is deze soort zeer weinig bekend; zij
werd hier aangetroffen in de Rijnprovincie, o.a. bij Bonn
en Krefeld, voorts bij Munster in Westfalen, en bij Nievern
aan de Lahn bij Ems in Nassau. In België verspreid, doch
overal zeldzaam; volgens DE SELYS (397) zou zij daar, van
1) Sommige eenzame individuen, zijn onder gunstige omstandigheden
ook in ons land nog tot omstreeks ro Augustus aan te treffen,
178 M. A. LIEFTINCK,
15 Mei tot eind Juni en soms nog tot ca. 15 Augustus,
voorkomen. In het aangrenzend gebied van Frankrijk op
vele plaatsen gevonden. In Lotharingen bij Bitche.
Niet bekend uit Engeland en Denemarken.
In ons land zijn de volgende vindplaatsen bekend.
Prov. Drente: Zuidlaren !!
Prov. Overijsel: Colmschate!! Denekamp!! Ootmarsum !!
Prov. Gelderland: Winterswijk !! Apeldoorn! Laag-
Soeren! Arnhem, Hatert.
Prov. Utrecht: Amersfoort, Driebergen.
Prov. Zuid-Holland: Woerden, I G (DE GRAAF)!
Prov. Noord-Brabant: Oisterwyk!! Berlicum! Ginneken!
Galderen! Chaam! Prinsenhage, Ulvenhout.
Prov. Limburg: Steyl (1 9, 1. VII. 1924, afd Maas!!) ®)
In het Leidsch Museum (coll. H. W. VAN DER WEELE),
bevindt zich een volwassen larve dezer soort, welke levend
werd gevangen in de Val van Urk (Zuiderzee) [VI]. 1905,
leg. J. SPAANDER].
(G. semillimus DE SELYS 1840).
Zeer na verwant aan G. pulchellus.
Lichaamskleur in hoofdzaak heldergeel. Lichte deelen van
den kop geel. Oogen bij volwassen dieren
grijsachtig. Thorax heldergeel, iets smaller
dan bij pulchellus. Humerale en ante-
humerale zwarte streep breed, meestal zelfs
nog een weinig breeder dan de gele tusschen-
ruimte. Mediane thoraxstreep eveneens veel
breeder dan bij de vorige soort, naar voren
Fig. 38. Gomphus sterk divergeerend. De voorste zwarte streep
simillimus SELYS, d'. 5 5 d Aat DIEN f
Caudale appendices, over den zijnaad ventraal plotseling afge-
dorsaal. Vergroot broken aan het stigma. Kleur en teekening
(orig.). overigens geheel als bij pulchellus. Appen-
dices 4 (fig. 38); App. sup. zwart, inf. geel.
Wat betreft het voorkomen van G. pulchellus aan stroomend water,
zij hier opgemerkt, dat dit geen regel is, doch nochtans, te oordeelen
naar de mededeelingen van verschillende onderzoekers, o.a. van R.
MARTIN (242, p. 241), vele malen is geconstateerd, In aansluiting hier-
mee is de vondst van een enkel & aan den oever van de snelstroomende
rivier de Sûre bij Echternach in Luxemburg, de vermelding waard.
(26. VI. 1924! !).
ODONATA NEERLANDICA. 179
Benste Gt abd. 33, av 20,pt. 3:19 abd. 35, av. 32, pt.
3.5 mM.
Niet inlandsch. Bewoner van Zuid-West Europa. Op vele
plaatsen in Frankrijk, vooral in het zuiden, niet zeldzaam
en op geheel dezelfde plaatsen als pulchellus voorkomend.
Ook in hare levenswijze en in den vliegtijd stemt zij geheel
en al met deze soort overeen. Noordwaarts strekt haar woon-
gebied zich uit tot in de omgeving van Parijs, waar zij in
de bosschen van St. Germain en Meudon werd aangetroffen.
In België werd eens een Q-ex. gevangen bij Rouge-Cloitre
in den omtrek van Brussel (3. VIT. 1882). Uit Engeland en
Duitschland niet bekend. Het voorkomen in ons land is
zeer twijfelachtig.
2. Onychogomphus DE SELYS 1854.
Vleugels kort en vrij breed. Pterostigma tamelijk klein.
Membranula onduidelijk en uiterst smal (fig. 39). De oogen
zijn boven op den kop door een kleine tusschenruimte van
elkaar gescheiden. Voorhoofd duidelijk langer dan bij Gomphus,
in den regel ook een weinig smaller. Lichaamskleur heider-
of meer groenachtig-geel, rijkelijk zwart geteekend. geni-
SISI ;
x aas. Ne
RER OPT
SILA
LT 2 fatta L
Fig. 39. Onychogomphus forcipatus L. 3. Vleugelpaar, vergroot (orig).
taliën en auriculae aan het 2° segment minder sterk ont-
wikkeld dan bij Gomphus. Q zonder ovipositor, met eenvoudige
valvula vulvae aan het eind van het 8° sterniet. Appendices
van het 4 zeer krachtig ontwikkeld, tangvormig.
180 M. A. LIEFTINCK,
Dit soortenrijke genus, dat bijna over de geheele oude
wereld is verbreid, heeft ongeveer 4 Europeesche soorten,
waarvan I in Nederland voorkomt.
Lichte deelen van kop en thorax licht groenachtig-geel
van kleur. Oogen groot, bruin, bij adulti goud-groen glanzend;
tusschenruimte smal, ca. 1.5 mM. breed. De gele teekening
op thorax en abdomen is voor een groot deel door donkere
figuren en strepen verdrongen. Mediane thoraxstreep zeer
breed, naar voren breed V-vormig divergeerend; humerale
en antehumerale strepen naar buiten convex, met onregel-
matige hoekige grenzen. Antehumeraalstreep dorsaal en veelal
ook ventraal met de mediane streep verbonden, waardoor
een onregelmatige, gele ovaal wordt ingesloten. De gele ruimte
tusschen humerale en antehumerale streep al of niet onder-
broken. De streep over den voorsten zijnaad zeer breed en
in het midden plotseling hoekig ingesnoerd —- door eene
smalle anastomose verbonden, òf in twee deelstukken opge-
lost. Achterste zijnaad-streep breed, recht. Pooten grooten-
deels zwart, buitenzijde der dijen gedeeltelijk geel.
3%. Abdomen slank; segm. 3--6 rolrond en dun, 7—10
sterk verbreed en met uitstaande zijranden. Genitalién aan
het 2° segment niet uitpuilend. Auriculae rond, heldergeel
van kleur. Segment r en 2 met een smalle rugvlek; dorsum
van 3—7 met breedere, ingesnoerde gele vlekken, die in
verbinding staan met de gele basaalringen, doch hoogstens
de helft van de segmentlengten bereiken. !) De plaatvormig
uitstaande zijden van segm. 7—9 met een rondachtige, gele
basisvlek. Segm. ro basaal zwart, apicaal geel.
Appendices zeer opvallend en forsch, bijna zoo lang als
segm. 9 + 10; basale ?/, gedeelte der app. sup. recht,
laatste !/, deel haakvormig naar binnen omgebogen, aan het
einde duidelijk in 2 ongelijk-groote lobben gespleten, vuil
geelbruin, aan de basis en aan den top zwartachtig van kleur.
App. inf. even lang als sup, bijna halfcirkelvormig opwaarts
gebogen en diep in 2, dicht tegen elkaar aanliggende, takken
1) Bij 1 ex. uit Luxemburg zijn de lansvormige vlekken op het dorsum
van segm. 4—6 tot op de gele basaalringen gereduceerd [Vgl. ook
PUSCHNIG (309) p. 10]. De uitbreiding der gele vlekken is over ’t alge-
meen aan groote variatie onderhevig,
ODONATA NEERLANDICA. ISI
gesplitst; aan de basis van 2 kleine, zijdelings uitstaande,
fijne tandjes voorzien, zwart met geelachtigen wortel.
Q. Thorax helder groenachtig-geel; zwarte strepen smaller
dan bij het 7: mediane streep korter en minder divergeerend,
niet met de antehumerale streep verbonden. Pooten lichter
van kleur, dijen voor ?/, of ?/, gedeelte geel. Abdomen forsch
en recht, ongeveer cylindervormig, naar het einde niet ver-
breed. Dorsale gele vlekken, alsmede de zijvlekken veel
srooter dans bij het ca... oh >|, der sepmentlengte
innemend. Segm. 8 en 9 zwart, 10 geel gevlekt. Valvula
vulvae iets uitgebogen en door eene kleine, smalle insnij-
ding in 2 stomp-driehoekige plaatjes gescheiden.
Benste’g‘ abd. 36, «av. 29, pt..3 (Maastricht), 32, 25, 2.8
Zuidlaren) 034. 27,13 (volgens Ris) 9 abd: Zr, av: 30,
pt. 3 mM. (RIS). Grootte zeer variabel. Bij een dertigtal exem-
plaren (4) uit Luxemburg bedraagt de gemiddelde lengte :
abd. 36: "av. 28, pt: 3 mM.
Geheel Noord- en Midden-Europa. In Zuid-Europa komt
deze soort in eenigszins veranderden vorm voor. In Nederland
zijn tot nog toe slechts twee vindplaatsen bekend. Een 4
werd gevangen bij Maastricht (V. D. BRANDT |, zonder vindtijd),
terwijl zij van deze plaats ook opgegeven werd door MAURISSEN
(wellicht is dit hetzelfde exemplaar); voorts werd I G gevangen
bij Zeegse in Drente, 1917, (VAN VOORN leg). Zij komt hoofd-
zakelijk voor aan groote rivieren, doch ook aan kleine bosch-
beken en zelfs aan meren. In België, Frankrijk en Duitsch-
land niet zeldzaam, doch bijna uitsluitend in bergachtige-
en heuvelachtige streken. In België zou zij van 24 Mei tot
eind Juli vliegen en ook, hoewel zeer zeldzaam, in de Kempen -
voorkomen. In Juni 1924 trof ik haar in België (Ardennen)
op verschillende plaatsen aan, doch in groote menigte vooral
in Luxemburg, aan den oever van de Sûre in de omgeving
van Echternach, waar de gg, in gezelschap van Gomphus
vulgatissimus, zich bij honderden aan den vlakken, met
steenen bezaaiden oever ophielden. Zoo nu en dan scheerden
zij dicht over het snelstroomende water, om zich echter
steeds spoedig op den zonnigen grindbodem neer te zetten;
op één enkele steen zaten soms 4 à 5 exemplaren. Ondanks
het groote aantal, was er geen spoor van QQ te ontdekken
12
182 M. A. LIEFTINCK,
(24 —26 Juni 1924). In Denemarken werd éénmaal een ex. ge-
vangen bij Herlufsholm Skov; in Zuid-Zweden niet zeldzaam.
In het Britsch Museum bevindt zich het eenige vermoedelijk
uit Engeland bekende exemplaar, ongeveer een eeuw geleden
door STEPHENS, wellicht bij Londen verzameld. Ongetwijfeld
komt zij, gedurende de maanden Juni en Juli, op meerdere
plaatsen in Zuid-Limburg voor . . . forcipatus L. 1758.
3. Ophiogomphus DE SELYS 1854
Vleugels relatief breed en lang. Pterostigma vrij groot.
Membranula zeer smal, wit. De oogen zijn bovenop den kop
door een vrij breede tusschenruimte van elkaar gescheiden.
Voorhoofd nog een weinig langer dan bij Onychogomphus.
Lichaamskleur gedeeltelijk zuiver grasgroen, afgewisseld door
helder okergeel en versierd met zwarte figuren. 4 genitaliën
en auriculae aan het 2° segment niet opvallend. © zonder
ovipositor, met eenvoudige valvula vulvae aan het eind van
het 8° sterniet. Appendices van het d zeer klein.
Palaearctisch. Slechts één vertegenwoordiger van dit genus
bewoont de oude wereld; vele echter komen voor in Noord-
Amerika. De eenige Europeesche soort komt ook in Nederland
voor. De harmonische bouwen de fraaie kleurverdeeling van dit
insect, maken het tot een der mooiste libellen van onze fauna.
do en 2 ad. Kop en thorax, benevens segm. 1 en 2 helder
grasgroen van kleur; onderzijde roomgeel. Oogen groot, olijf-
bruin met mat-groenen goudglans. Thorax hoog en robuust,
zwarte strepen uiterst smal; mediane thoraxstreep naar voren
niet divergeerend, doch spits toeloopend en zeer smal. Ante-
humerale en humerale strepen elkaar dicht genaderd en
ongeveer even smal, de antehumerale op !/, der lengte
dorsaal afgebroken !); tusschenruimte breeder dan de lijnen.
Zijnaden fijn zwart gezoomd; de voorste zijnaadstreep slechts
ventraal aangeduid en bij het stigma afgebroken. Pooten zeer
forsch: dijen dik, grootendeels roomkleurig; buitenzijde der
schenen en tarsen zwart. Vleugels volkomen glashelder; costa
van voren fijn geel gezoomd. Pterostigma bij het ¢ donker-
bruin, bij het 9 okergeel, in beide seksen omgeven door
dikke, zwarte randaderen (fig. 40).
1) Bij het ex. van het Pikmeeuwenwater (gem. Bergen, Limb.), een
jong 9, ontbreekt de antehumerale thoraxstreep geheel en al.
C2
ODONATA NEERLANDICA, 183
d. Abdomen lang en zeer slank. Segment 3—6 rolrond
en zeer dun, vervolgens tot het einde van segm. 8 vrij sterk
verbreed en daarna weer iets smaller: segm. 10 klein en smal.
Zijranden van segm. 7—9 plaatvormig uitgebogen. Dorsum
CAS
ERS
Fig. 40. Ophiogomphus serpentinus CHARP. dg. Vleugelpaar,
vergroot (orig.).
van I—2 en auriculae grootendeels grasgroen; 3—7 met
aan de basis een weinig ingesnoerde, driehoekige, okergele
rugvlekken, die naar achteren spits toeloopen en de segment-
einden niet geheel bereiken; 8--10 met meer afgeronde
heldergele vlekken. Zijden van segm. 3--6 smal vuilwit-,
7--10 breed geel gevlekt. Appendices klein, geel van kleur.
App. sup. iets langer dan segm. ro, licht gekromd en iets con-
vergeerend; einde stomp. App. inf. iets korter dan sup., door
een diepe insnijding in 2 convergeerende takken gespleten.
2. Abdomen cylindervormig, zeer forsch. Dorsale vlekken
breeder dan bij het &, met afgeronde eindlob; de gele,
ronde vlek op segm. 8 en 9 klein; segm. 10 geel, met 2
basisvlekjes. Zijden en onderkant bleek geelachtig. Valvula
vulvae zeer klein, nauwelijks !/, van het 0° segment berei-
kend; door een trapeziumvormige insnijding in 2 spitse lapjes
gedeeld en, evenals de appendices, geel van kleur.
Achterrand van het epicranium voorzien van 2 zeer duide-
lijke, fijngetande horentjes.
Lengte ¢ abd. 39, av. 32, pt. 3; ® abd. 39, av. 35, pt. 3.8 mM.
184 M. A. LIEFTINCK,
Deze soort bewoont Oost- en Midden-Europa, doch is
nergens gewoon. Van ca. 5 Juni tot Augustus (eind Juni en
begin Juli) aan bronnen en op zandige, open plaatsen in het
bosch, steeds in de onmiddellijke nabijheid van stroomend
water. Zeldzaam. Hier te lande werd zij bijna uitsluitend
aangetroffen in Limburg aan de Maas; op enkele p'aatsen
ook aan bronnen, in vochtige bosschen of op leemhoudenden
grond. In tegenstelling met Onychogomphus leeft deze soort
eenzaam, of in kleine groepjes langs den rivier-oever, vooral
op kribben en groote steenblokken. O. serpentinus vliegt zeer
snel en is uiterst schuw. De wijfjes zijn zeldzamer, doch,
vooral in den aanvang van den vliegtijd, in heideveldjes en
boschwegen in de nabijheid van het water, aan te treffen.
Volgens LEONHARDT (196) zou serpentinus van alle Midden-
Europeesche Gomphinen den langsten vliegtijd hebben: in
de omgeving van Aschaffenburg en in Silezië zou zij nog
in Augustus en September voorkomen; in de Elzas werd
eens een £ dezer soort gevangen op 12 October (loc. cit.
p. 15). In Duitschland werd zij aangetroffen bij Hamburg,
Bremen en Lüneburg en bij Dorsten in Westfalen; voorts
op verschillende plaatsen in de prov. Hessen, Thüringen,
Saksen en Brandenburg.
Uit België is merkwaardigerwijze geen enkele vindplaats
bekend, evenmin uit Engeland. In Denemarken gedurende
de maanden Juli en Augustus op enkele plaatsen. Ook, doch
zeer zeldzaam, een enkele maal in Zweden aangetroffen.
Uit ons land zijn de volgende vindplaatsen bekend:
Prov. Gelderland: Arnhem, VIII (v. D. BRANDT)! Leu-
venumsche Bosch (J. HEIMANS)! |
Prov. Limburg: Plasmolen (bronnen)!! Afferden!! Well
(imago et larva, HEIMANS & ROMIJN)! Bergen !! Pikmeeuwen-
water (HEIMANS)! Velden!! Venlo! (v. D. BRANDT)! Steyl!!
Belfeld en Reuver (bronnen)!! . . serpentinus CHARP. 1825.
III. Subfam. Aeschninae.
I. Anax LEACH 1815.
Vleugels breed en zeer lang. Adering in het basale deel
van den achtervleugel in beide seksen nagenoeg identiek.
Vleugelpunten spits.
ODONATA NEERLANDICA. 185
Kop relatief klein, voorhoofd opmerkelijk lang; aanvan-
kelijk met parallele zijden, doch met een vooruitstekenden
punt; onder een hoek van ca. 50° schuin naar omlaag
afhellend. Oogen over een langen afstand tegen elkaar aan-
sluitend, van boven afgeplat. Thorax en abdomen robuust,
pooten zeer krachtig ontwikkeld. Abdomen bij het d duidelijk
afgeplat en met supplementaire zijkanten aan segm. 4—10;
bij het 2 vrij kort, cylindervormig. App. inf. bij het G afgeknot.
Cosmopoliet. Van de 2 Europeesche soorten komt I in
Nederland en r in het aangrenzend gebied voor.
Overzicht der soorten.
Groote soort. Membranula grauwzwart, basale '/, gedeelte
scherp afgescheiden wit. Thorax lichtgroen. App. inf. van
het d iets meer dan '/, van de lengte der app. sup.
imperator LEACH
Kleinere soort. Membranula mas lichtgrijs van kleur.
Thorax zeer licht violetbruin, eenigszins vleeschkleurig. App.
inf. van het d zeer kort, ca. !/, van de lengte der app. sup.
(parthenope SELYS)
A. imperator LEACH 1815.
[formosus WANDERLINDEN 1820 (1823)].
Lippen geel, bovenlip aan ’t einde zwart gezoomd; clypeus
en het afhellende gedeelte van het voorhoofd eveneens geel.
Voorhoofd met een smalle, zwarte basisstreep, die in het
midden overgaat in een rondachtige en naar voren spits
toeloopende, zwarte vlek; zeer licht groenachtig van kleur,
tegen den fijn-bruin gezoomden voorrand een smalle, doch
zeer in ’t oog vallende, blauwe dwarsstreep. Oogen egaal
blauw bij het g, iets meer groenachtig bij het $. Thorax in
beide seksen lichtgroen, met zeer smalle, donkere naden.
Pooten zwart; dijen gedeeltelijk kastanjebruin.
d. Vleugels hyalien, voorrand van c breed geel. Pterostigma
vrij lang, doch zeer smal, lichter of donkerder bruin. Mem-
branula lang (fig. 41). Abdomen: segm. 3 vrij sterk ingesnoerd,
naar achteren geleidelijk breeder wordend, duidelijk dorso-
ventraal afgeplat, helder hemelsblauw; alle zijkanten en
segmentgrenzen, bovendien een dorsale, bochtige lengteband
op segm. 3—10 zwart. Onderzijde en de apicale helft van
186 M. A. LIEFTINCK,
3—7 zijdelings kastanjebruin van kleur. Appendices donker-
bruin. App. sup. lang en breed, aan den top stomphoekig
afgeknot; app. inf. van boven gezien, recht afgeknot, met
2 omhoog gerichte knobbeltjes.
2. Vleugels bij volwassen dieren, in den regel ongeveer
van Z af, in beide vleugelparen diffuus en veelal vlekkig geel,
of zelfs bruinachtig-geel getint; bij zeer oude dieren met
bruine aderzoomen; overigens als bij het d. Abdomen zeer
forsch, dik en opvallend korter dan het &. Segment 3 dui-
delijk ingesnoerd, latero-ventraal met fraaien paarlmoerglans.
Donkere rugstreep op segm. 2—10 breeder en roodbruin
van kleur. Eerste segmenten geelachtig-groen, vooral aan
de zijden meer witachtig; kleurverdeeling overigens als bij
het gd, doch inplaats van helderblauw meer groenachtig-
aay,
TRE
SZ, TT
PR TT en
SI
SII
Fig. 41. Anax imperator LEACH gd. Vleugelpaar, vergroot
(naar TILLYARD).
blauw. Bij oude wijfjes is het abdomen donkerblauw en het
pterostigma donkerbruin van kleur. Appendices zeer breed-
lancetvormig, spits.
Lengte d abd. + app. sup. 57, app. sup. ) 5, av. 47, pt.
av. 5; £ abd. + app. sup. 50—55, app. sup. ( 5, av. 47—52,
pt. 5—6 mM.
Deze grootste aller Europeesche Odonaten, bewoont in
hoofdzaak Zuid-Europa en Afrika, doch het verspreidings-
gebied strekt zich uit over geheel Midden-Europa, tot in
ODONATA NEERLANDICA. 187
Zuid-Scandinavié en Engeland, terwijl zij oostwaarts haar
grens in West-Azië bereikt.
In Nederland lokaal en bijna overal vrij zeldzaam. Zij
bewoont van de laatste dagen in Mei tot begin September
(midden Juni en Juli) de diluviale zandstreken van ons land
en houdt zich bij voorkeur op aan groote vennen, meertjes,
vijvers en leemplassen; veel zeldzamer evenwel aan open
heiplassen en langs oude rivierarmen. Slechts in het begin
van den vliegtijd verlaten de onuitgekleurde dieren den oever
van het water en vliegen zij op akkers en weilanden, of op
aangrenzende heideveldjes; in dezen tijd zijn ook de zeld-
zamere wijfjes te vinden.
Ongeveer 15 Juni zijn de dvax dd volwassen en verspreiden
zich ieder over een bepaald, scherp afgescheiden, gedeelte
van den waterplas, waar zij geen soortgenooten dulden.
Wanneer een ander, verdwaald & zich in het jachtgebied
van zijn confrater waagt, wordt het ijverig verjaagd en
zoolang achtervolgd, totdat deze den aftocht moet kiezen.
A. imperator is de beste en snelste vlieger van alle inheemsche
Aeschninen. De dieren rusten zeer zelden uit en vliegen den
ganschen dag langs den dikwijls moeilijk te bereiken riet-
zoom heen en weer, bij voorkeur op eenigen afstand van
den oever, over het open water. De volwassen 9£ beginnen
veelal pas tegen den namiddag met het eierleggen; ook zag
ik ze vele malen nog des avonds tegen zonsondergang hier-
mede bezig. Zij worden, bij het verrichten van dezen arbeid
meestal volkomen met rust gelaten door de woest rond-
jagende mannetjes.
In de omgeving van Winterswijk (G.) en bij Oisterwijk (N.-B.)
is A. imperator in den voorzomer algemeen. Op de eerstge-
noemde plaats is hij aan één, betrekkelijk kleinen leemplas,
telkenjare bij tientallen aan te treffen. |)
In ons land zijn de volgende vindplaatsen bekend:
Prov. Drente: Zuidlaren!
Prov. Overijsel: Denekamp, Hornven!!
1) Zie ook Tijdschr. v. Entom. 66, pp. XLIV—XLVI (Verslag). In korten
tijd ving ik hier een tiental exemplaren, op één enkele plaats aan den
oever van den leemplas. Zoo gauw was er niet een g' van deze plaats
weggevangen, of zijn plaats werd onmiddellijk door een ander ingenomen.
188 M. A. LIEFTINCK,
Prov. Gelderland: Nunspeet!! Winterswijk !!
Prov. Utrecht: Driebergen, Maarsbergen !!
Prov: Zeeland: Goes. *)
Prov. Noord-Brabant: Galderen ! Ginneken! Oister-
wijk!! Haaren !! Vught!!
Prov. Limburg: Bergen (Pikmeeuwenplas)!! Venlo! Bel-
feld!! Maasbracht! Vierlingsbeek! Blijenbeek! Herkenbosch
(exuviae)! Bunde!
(A. parthenope SELYS 1839).
Monddeelen geelachtig, clypeus wit, Voorhoofd zeer licht
rose, basisstreep uiterst smal en de ronde, donkere vlek
slechts zeer onduidelijk zichtbaar; tegen den breeden, bruinen
voorrand een onscherp begrensde blauwe streep. Oogen
olijfgroen, bij het @ meer bruinachtig. Thorax in beide seksen
licht violet-bruin met uiterst smalle, donkere naden.
d. Vleugels distaal van ¢ geelachtig van tint. Membranula
gelijkmatig lichtgrijs. Voorste deel van den vleugel met
meerdere gele dwarsaderen. Pterostigma iets breeder dan bij
imperator. Abdomen: segm. 2 en de basis van 3 zeer helder
lichtblauw, 3--10 olijfgroen met blauwe nuancen, doch zeer
verdonkerd en daardoor niet zoozeer in ’t oog vallend; over
de geheele lengte van een bochtigen, zwarten band voorzien.
App. inf. zeer kort, van boven nauwelijks zichtbaar en afge-
knot, ongeveer ’/, van de lengte der sup. bereikend, veel
breeder dan lang: het einde niet naar boven omgebogen
en van vele, kleine tandjes voorzien,
9. Lichaam minder gedrongen dan bij gmperator, abdomen
slanker. Vleugels bij volwassen dieren meestal met een vrij
donkeren, grijsbruinen wolk over de geheele vleugelbreedte,
tusschen den nodus en het pterostigma. Lichaamskleur vrij-
wel overeenstemmend met het g, doch het heldere blauw
der eerste segmenten is bij oude $$ sterk verdonkerd en
bij jonge dieren minder zuiver van kleur. Donkere rugstreep
roodachtig-bruin. Appendices langer en iets minder breed
dan bij zmperaior, spits.
1) Zie „De Levende Natuur’, Jrg: 23, ‘Sept. 1918 (A. Buyse, 25. v1.
1918, ¢).
ODONATA NEERLANDICA. 189
Lengte ¢ abd. 48, app. 5, av: 46, pt. 4; 9 abd. 53, app. 5,
ampt. mM.
Niet inlandsch, Deze soort bewoont het Middellandsche
Zeegebied en een zeer groot deel van Azië, doch komt een
enkele maal als immigrant in noordelijker streken van Europa
voor. Slechts op eenige zeer bepaalde plaatsen heeft zij ge-
durende een aantal jaren stand gehouden. In hare levenswijze
vertoont zij in alles groote overeenkomst met de voorgaande
soort, In België werd parthenope Eénmaal gevangen bij Ixelles,
den 22. VIII. 1884 (gd). In Frankrijk werd zij nog niet noor-
delijker aangetroffen dan in de omgeving van Parijs; waar-
schijnlijk bereikt zij hier de noordelijkste grens. In Duitsch-
land werd deze soort eens gevangen in de ,,Tiergarten” van
Berlijn (1850) en in 1855 ook bij Neustrelitz en Fürsten-
berg in Mecklenburg. Sedert bleef A. parthenope tot 1909
onopgemerkt, In dat jaar werd zij wederom aangetroffen en
wel op verschillende plaatsen rondom Bückow, in de mark
Brandenburg (Strausberg, Spitzmühle en Bückow), waar zij
volgens SCHIRMER (361) in de jaren 1909 en 1910 zelfs eene
gewone verschijning was. |)
Het voorkomen in Nederland is zeer onwaarschijnlijk.
2. Brachytron EVANS 1845.
Vleugels smal en vrij kort, adernet wijdmazig. ¢ kort, 2-
of 3-cellig. Uitranding van den achtervleugel bij het g' stomp-
hoekig of bijna recht, fa 3- of 2-cellig, in zeer zeldzame
gevallen zonder dwarsader. Pterostigma lang en uiterst smal
(fig. 1). Oogen over een korten afstand tegen elkaar aan-
sluitend; occipitaaldriehoek groot. Abdomen nauwelijks
ingesnoerd aan het 3° segment. Appendices in beide seksen
zeer lang. Geheele lichaam dicht en vrij lang grijs- of bruin-
achtig behaard.
De eenige soort van dit genus komt ook in Nederland voor.
Kleinste Aeschnine van onze fauna.
d. Voorhoofd, clypeus en monddeelen groenachtig-geel,
1) Volgens C. SCHIRMER zou de prooi van A. parthenope in hoofdzaak
bestaan uit libellen en zouden ook grootere soorten, als Cordulia aenea,
niet worden versmaad. RENÉ MARTIN (242, p. 243) constateerde zelfs,
dat deze roover met groote voorliefde op Aeschna isosceles jaagt!
190 M. A. LIEFTINCK,
kort zwart behaard. Bovenlip aan het einde zwart gezoomd,
anteclypeus zwart; grens van voorhoofd en clypeus eveneens
zwart. Boven op het voorhoofd een duidelijke, T-vormige
vlek, die met de zeer breede, zwarte voorhoofdsbasis is ver-
bonden. Oogen van boven iets afgeplat, blauw. Thorax harig,
van voren matbruin, met breede, naar achteren iets versmalde,
groene antehumeraalstrepen; thoraxzijden lichtgroen, met
rechte, zwarte naden. Pooten krachtig ontwikkeld, zwart.
Vleugels zuiver hyalien, costa en eenige der voorste dwars-
aderen (proximaal van den nodus) geelachtig. Pterostigma
uiterst smal, helder okergeel. Membranula duidelijk, wit.
Abdomen behaard ; segm. 3 slechts weinig ingesnoerd. Grond-
kleur zwart. 1° Segm. dorsaal zwart, lateraal geel; basis van
segm. 2—8 met in het midden onderbroken, fijn-gele dwars-
streepjes; dorsum van 2—9 met vrij groote, naar voren spits
uitloopende, driehoekige vlekken, welke blauw van kleur zijn.
Zijden van segm. 2—8 met 3 helderblauwe vlekken, welke
op de eerste segmenten veelal in verbinding treden met die
op den rug. Segm. 10 aan het eind met 2 samenhangende
blauwe vlekjes. Zijranden en de geheele onderzijde van het
abdomen zwart.
App. sup. zwart, bijna zoo lang als segm. 9 en 10 tezamen,
sterk omhoog gebogen, smal aan de basis en zonder tand,
doch met een zeer hooge en scherpe, dorsale kiel. App. inf.
ca. !/, der sup., aan den top afgeknot, doch met afgeronde
hoeken en in het midden iets ingesneden; daardoor kort
tweelobbig.
2. Lichte deelen van den kop meer bruinachtig-geel. Oogen
bruinachtig. Thorax als bij het g, doch de antehumeraal-
streep tot een vlekje op het voorste deel van den mesothorax
gereduceerd. Vleugels bij jonge dieren diffuus oranjegeel,
met goudgele stralen in c, sc, m en cu; in volwassen toestand
is het geel lichter van kleur. Pterostigma okergeel. Abdomen
cylindervormig, vooral aan de basis breed en hoog, naar het
einde geleidelijk versmald. Dorsale vlekkenteekening op de
segm. gereduceerd en geel van kleur; zijvlekken sterk ver-
groot: op segm. I—6 een breede, slechts door ce zwarte
segmentgrenzen onderbroken, groenachtig-gelen langsband,
die zich op de laatste segmenten in eenige kleinere vlekjes
ODONATA NEERLANDICA, IGI
oplost. 10° tergiet halfcirkelvormig uitgerand en duidelijk
afstaand, van eenige rijen krachtige en zeer scherpe doorn-
tjes voorzien.
Appendices zeer lang, lancetvormig en zwart van kleur;
laatste ?/, gedeelte met eene zwakke middenkiel.
Éengte Grabd, 43, app 5.5, av. 35.5, pt..4.5; Q abd: 39,
app.) 5, av. 36, pt. 4.5 mM.
(hafniense MüLL.) pratense MÜLLER 1764.
Van de eerste dagen in Mei tot begin Juli (eerste week
van Juni) overal in Nederland zeer gewoon aan stilstaand
water, vooral langs slooten en vaarten in de laagveenplassen.
Ook op Texel en veel in de duinstreek. In het zandige ge-
bied van ons land in het voorjaar algemeen aan boschranden,
zwak-stroomende beken en meertjes. Men ziet over 't alge-
meen veel meer gd dan 99.
Brachytron pratense vliegt snel, doch rust veel uit, op
dezelfde wijze als de Aeschna-soorten. Ook op de Duitsche
wadden-eilanden Juist en Memmert; op het laatstgenoemde
doortrekkend in Mei 1918 (6).
3. Aeschna FABRICIUS 1775.
(Aeshna auct.).
Vleugels lang en breed, dicht geaderd. ¢ lang, nimmer
2-cellig. Anale hoek van den achtervleugel bij het d onder
vorming van een Za sterk uitgerand. Pterostigma zeer variabel,
doch steeds breeder dan bij Drachytron. Oogen zeer groot,
over een langen afstand tegen elkaar aansluitend; occipitaal-
driehoek in den regel klein.
Abdomen aan het 3° segment duidelijk — soms zeer sterk
— ingesnoerd. 10° tergiet bij het ® onduidelijk uitgerand
en zeer weinig afstaand, dicht met kleine, zwarte doorntjes
bezet. Appendices in beide seksen zeer verschillend van vorm
en grootte.
Dit zeer soortenrijke genus is over de geheele wereld ver-
spreid. In Europa komen ongeveer 10 soorten voor, waarvan
6 uit Nederland en 2 uit het aangrenzend gebied bekend zijn.
Overzicht der gd.
I. Voorhoofd, van boven gezien, met een zeer scherp
begrensde, T-vormige, zwarte vlek (incl. viridis) . . . 3
‚192 M. A. LIEFTINCK,
Voorhoofd zonder scherp begrensde T-vlek. Thoraxzijden
bruin, metn2Yeelesdwarsbanden teste se EI
2. Groote soort. fa tweecellig (bij hooge vitzona tine drie-
cellig). Vleugels gelijkmatig bruin van kleur. Membranula
klein (be AD). 2. et er AN MISES TOR
Kleinere soort. fa drie- tot zevencellig. Vleugels meestal
geelachtig getint. Membranula zeer groot en lang (fig. 43) .
. isosceles MüLL.
3. Thoraxzijden geheel groen, met breede, zwarte naden.
ta driecellig (in enkele gevallen 4-cellig; fig. 44). Pterostigma
opvallend kort. App. sup. in het midden sterk verbreed.
Groote soorte si sak, . +... cyanea MULL.
Thoraxzijden geheel austen met smalle zwarte naden.
ta driecellig (fig. 45). Pterostigma gewoon. App. sup. lancet-
vormig, aan de basis met een mediaan-ventralen tand. Klei-
merecisoont A. ti... ET av caiffinis VAnDERE
Thoraxzijden ee groen, met uiterst smalle zwarte naden.
ta tweecellig (fig. 46). De stam van de T-vlek op het voor-
hoofd zeer fijn en soms geheel onzichtbaar. Pterostigma ge-
woon. App. sup. recht, in ’t midden niet verbreed en zonder
basalen tand. Kleinere soort . . . . viridis EVERSM.
Thoraxzijden anders zekleurd . Wie 0. NN
4. De scheidingslijn der oogen, van boven gezien, is
minstens 2 X zoo lang als de occipitaaldriehoek. Thorax-
zijden lichter of donkerder bruin, met 2 breede, gele of
blauwgroene #dwarsbandensr. (bt. yi wat 0 ord ENE
De scheidingslijn der oogen, van boven gezien, is nauwe-
lijks langer dan de occipitaaldriehoek. ta tweecellig. Thorax-
zijden olijfkleurig-bruin, met 2 blauw-verdonkerde dwars-
strepen Me . + (caerulea STROM)
Bia el ffs. 13) id heldergeel. Thoraxzijden
donkerbruin met 2 breede, lichtgekleurde dwarsbanden. Groote
SOOKE, Lem, Si . + «9 janeead
ta driecellig ce 48). Gee beani Thoraxzijden grauw-
bruin, met 2 zeer breede, lichtgekleurde dwarsbanden. Kleine
SCH ta AH I badeend det OEROL Ehe
Overzicht der 99.
1. Voorhoofd, van boven gezien, met een zeer scherp be-
grensde, T-vormige, zwarte vlek (onduidelijk bij verzdzs) . 3
ODONATA NEERLANDICA. 193
Voorhoofd zonder scherp begrensde T-vlek. Thoraxzijden
benin,imety 24 gelerdwarsbandems. +. Ia. lele seen 2
2. Vleugels gelijkmatig bruin; membranula klein, lichtgrijs
van kleur. Dorsum van segm. 2 zonder driehoekige, gele vlek.
Groote,soort., 1, 4 ana a dr grandis LE:
Vleugels geelachtig ne: membranula groot en zeer lang,
grauwzwart van kleur. Dorsum van segm. 2 met een groote,
driehoekige, heldergele vlek. Kleinere soort .
isosceles MULL.
3. Thoraxzijden geheel groen, met breede zwarte naden.
Pterostigma opvallend kort. Dorsum van segm. 9 en 10 met
een groote, niet onderbroken lichte bandvlek. Groote soort.
. cyanea MüLL.
Thoraxzijden geheel geelgroen, met smalle, zwarte naden.
Pterostigma niet bijzonder kort. Dorsum van segm. 9 en IO
met, in het midden duidelijk onderbroken, lichte vlekken
ISlemenensoort ss bren nt reis a affinis; VANDERL,
Thoraxzijden geheel groen, met uiterst smalle donkere
naden (soms geheel afwezig). De stam van de T-vlek op het
voorhoofd haarfijn en veelal onzichtbaar. Pterostigma niet
verkort. Dorsum van segm. 9 en 10 met, in het midden
duidelijk onderbroken, lichte vlekken . . viridis EVERSM.
4. De scheidingslijn der oogen, van boven gezien, is
minstens 2 X zoo lang als de occipitaaldriehoek. Thorax-
zijden lichter of donkerder bruin, met 2 breede gele, of meer
atrachachtio zele, dwarsbanden.! „taarten walgen 26 5
De scheidingslijn der oogen, van boven gezien, is nauwe-
lijks langer dan de occipitaaldriehoek. Thoraxzijden olijf-
kleurig-bruin met 2 geelachtige en
(caerulea Sr ROM)
5. Costa heldergeel. Voorkinatd en clypeus door een zwarte
naadstreep van elkaar gescheiden. Thoraxzijden donkerbruin,
met 2 breede, licht gekleurde dwarsbanden. Appendices
4.5 mM. Groote soort. . . oh Forty juncear iL,
Costa bruinachtig. ie she ordi en clypeus: zonder ‘een
spoor van een zwarte, scheidende naadstreep. Thoraxzijden
grijsbruin, met 2 zeer breede, lichtgekleurde dwarsbanden.
Appendices lang en slank, 5 mM. Kleinere soort .
mixta LATR.
194. M. A. LIEFTINCK,
Ae. grandis LINNAEUS 1758.
T-vormige vlek op het voorhoofd onduidelijk en nimmer
zwart van kleur: aan den voorrand een breede, donkerbruine
dwarsstreep; stam van de T-vlek haarfijn. Monddeelen bruin-
oranje, voorhoofd en clypeus geelbruin. Thorax roodbruin,
met aan alle vleugelwortels een helderblauw vlekje en 2
breede, rechte en zuiver citroengele zijstrepen. Pooten geheel
roodbruin. Vleugels in beide seksen gelijkmatig goudbruin
gekleurd, met helder-roodbruine adering. Tusschen 47? en
Rsa in den voorvleugel, tot aan den rand, één of meerdere
cellen verdubbeld. Membranula wit, aan het einde meer grijs-
achtig; pterostigma roodbruin.
d. ta 2-cellig, slechts bij uitzondering aberraties met een
tweede, of een in tweeën gesplitste dwarsader. Oogen donker-
bruin, bij adulti met een smalle, helder glanzend-blauwe
middenvlek. Abdomen: 2° segm. matig verdikt en het 3°
duidelijk, doch niet zeer sterk ingesnoerd, roodbruin. Een
lichtblauwe vlek zijdelings boven de oortjes en 2 helderblauwe
rugvlekken op het einde van segm. 2; een latero-ventrale
bandvlek op de voorste helft van 3 en dubbele basisvlekjes
op de zijden van 4--8 helderblauw. Dorsum van 2—8 vóór
het midden bovendien met een fijn-onderbroken geel streepje.
Appendices roodbruin; app. sup. recht,
met afgeronden top, nauwelijks korter dan
segm. 9 + 10, zonder basalen tand en over
de geheele lengte met een zwakke, kiel-
vormige verhevenheid. App. inf. driehoekig,
ongeveer half zoo lang als sup.
Q. Kleur der vleugels in den regel iets
Fig. 42. Aeschna lichter dan bij het g, membranula eveneens
ER N iets lichter. Oogen bruin, niet blauw gevlekt.
achtervleugel, Abdomen forsch, aan de basis zeer breed en
vergroot (orig.). naar achteren, tot segm. 8, geleidelijk doch
weinig versmald. Rugvlekken op segm. 2 zeer klein: rond-
achtig en minder helder, eenigszins paarsachtig van kleur.
Zijden van segm. 3—8 met gele of (adult) licht paarsachtig
gekleurde vlekjes. Overigens als bij het &.
Appendices roodbruin, vrij kort; even lang als segm. 9 +
10, met afgeronden top.
ODONATA NEERLANDICA. 195
Benste 3, abd 66 Nappo avi 48, pt...) 35 2 abd. 53,
app. ) 3, av. 47, pt. 3.5 mM.
Deze soort bewoont Noord- en Midden-Europa en Siberië,
Zij is over geheel Nederland verspreid en van ca. 15 Juli
tot eind Augustus (eind Juli) eene gewone verschijning.
Aeschna grandis bewoont zoowel de uitgestrekte laagveen-
moerassen als de boschachtige omgeving van vennen en
vijvers in de zandstreken. Zij vliegt met voorliefde in zand-
wegen, op open plaatsen in het bosch en in het eikenhak-
hout, waar zij voornamelijk jacht maakt op dagvlinders. Het
is de eenige Aeschna-soort, die in ons land den geheelen
zomer door op alle plaatsen is aan te treffen. Zij komt ook
in de duinstreek voor en is reeds op Texel gevonden. In
gunstige jaren houden sommige individuen, met sterk ge-
bruinde vleugels, het nog tot het einde van September uit.
Ik zag deze soort eenige malen in groot aantal in de lage
boschjes vlak aan het strand van de Zuiderzee, in Noord-
Holland en Utrecht. Volgens ALFKEN (6) is grandis algemeen
op het Duitsche wadden-eiland Memmert, in 1917 reeds eind
Mei; ook op Spiekeroog en Borkum.
Ae. isosceles MüLLER 1767.
(rufescens VANDERLINDEN 1825).
Een T-vormige vlek op het voorhoofd ontbreekt geheel
en al: slechts een smalle, zwarte zoom aan den voorrand
is zichtbaar. Voorhoofd, clypeus en monddeelen oranjebruin.
Oogen glanzend goudgroen. Thorax licht roodbruin, met 2
breede, rechte zijstrepen ; ventraal heldergeel, dorsaal onscherp
begrensd en meer groenachtig van kleur. Pooten zwart; dijen
voor ’t grootste gedeelte helder roodbruin. Vleugels geelachtig
getint; adering zwart, costa en eenige dwarsaderen geelachtig.
Basis van den achtervleugel met een intensief goudgeel vlekje
in za, welks aderen helder oranje gekleurd zijn. Tusschen
M* en Asa in den voorvleugel slechts één rij cellen. Membra-
nula breed en zeer lang, bijna tot aan den rand doorloopend.
d. ta 3—7 cellig, in den regel door 1 langsader en 2
dwarsaderen in 4 cellen verdeeld. Uitranding des achter-
vleugels recht, doch duidelijk afgerond; membranula zwart-
grauw. Pterostigma licht bruingeel. Abdomen: 2° segm, zeer
196 M. A. LIEFTINCK,
weinig verdikt en het 3° slechts matig ingesnoerd, helder
roodbruin met smalle, zwarte segmentgrenzen. Dorsum van
segm. 2 met een ongeveer driehoekige, gele vlek; zijden van
1—-3 gedeeltelijk groenachtig-geel en kleine zwarte stippen
op het dorsum van 3—7. Segm. 3—9 met een fijne zwarte
langsstreep over het midden, welke zich op 8 en 9 sterk
verbreedt; basis van IO zwart.
Appendices bruinachtig, sup. aan de basis donkerder;
app. sup. aan den wortel zeer smal, met een
krachtigen, driehoekigen basaaltand; lancet-
vormig verbreed met een zwakke, kielvormige
verhevenheid en spitsen top. App. inf. drie-
hoekig, bijna half zoo lang als sup.
2. Vleugels bij onuitgekleurde dieren inten-
sief geel getint, met goudgeel gekleurde basis;
a bij adulti glashelder, uitgezonderd de bases
isosceles MULL. &. È
Basis van den der achtervleugels. !) Pterostigma okergeel,
achtervleugel, in het midden donkerder. Zijstrepen van den
vergroot (orig.). thorax iets breeder en helderder van kleur
dan bij het g. Abdomen niet bijzonder forsch, segm. 3 lich-
telijk ingesnoerd. De gele rugvlek op segm. 2 is duidelijker
en scherper begrensd dan bij het d. Zijden van het abdomen,
vooral der eerste segmenten, groenachtig-geel. Appendices
bruinachtig, duidelijk korter dan segm. 9 + ro.
liengter Givabd: 50, app. 5,wav. 42, pts) 354 Pad
apps avs 42 pt 35 mM.
Deze soort is over geheel Europa, noordelijk tot in het
zuiden van Zweden, verbreid. De vliegtijd is ook hier te
lande vroeg en zeer kort, n.l. van ca. 25 Mei tot 25 Juni’),
vandaar waarschijnlijk, dat Ae. zsosceles langen tijd als eene
zeldzaamheid werd beschouwd. Op vele plaatsen in Nederland
Fig. 43. Aeschna
1) Bij een zeer oud, doch volkomen gaaf 9 uit Valkeveen bij Naarden
(N.H.), zijn de vleugels lichtgeel van tint en is bovendien het meeren-
deel der aderen van breede, bruine randzoomen voorzien, vooral op het
middendeel der vleugels.
Het zeer koude en vocktige zomerhalfjaar 1923, heeft grooten invloed
gehad op het optreden dezer soort. Het eerste ex. werd in genoemd
jaar op 5 Juli waargenomen, terwijl het hoogtepunt van den vliegtijd
bijna twee maanden was verschoven (begin Augustus) en de laatste
individuen nog op 21 Augustus rondvlogen (468).
ODONATA NEERLANDICA. 197
gewoon, doch lokaal. In alle groote laagveenmoerassen van
't westen des lands algemeen aan slooten en vaarten, doch
evenmin zeldzaam aan vennen en leemplassen in hooger
gelegen deelen van Nederland.
Volgens LEONHARDT zou zsosceles hoogst zelden het open
water verlaten. Inderdaad treft men haar in volwassen staat
bijna uitsluitend in de onmiddellijke nabijheid van haar ge-
boorteplaats, doch dadelijk na het uitkomen verspreiden de
dieren zich in grooten getale over de omliggende akkers en
heidevelden, om hier eerst geruimen tijd langs boschranden
en zandwegen jacht te maken op allerlei insecten. Tegen
het begin van Juni zijn alle individuen in den regel naar
de plassen teruggekeerd.
In normale jaren is de vliegtijd van zsosceles ten einde,
vóór dat de eerste exemplaren van grandis zich vertoonen.
Zij werd nog niet in de prov. Zeeland aangetroffen. Overal
in het aangrenzend gebied zeer lokaal voorkomend.
Ae. cyanea MÜLLER 1764.
Voorhoofd, van boven gezien, met een scherp begrensde
T-vormige zwarte vlek. Monddeelen geel, of oranje-geel;
voorhoofd en clypeus geelachtig-groen, door een uiterst fijn
bruin naadstreepje van elkaar gescheiden. Thoraxzijden groen,
met breede, zwarte naden; voorste zwarte naad een eindje
boven het stigma afgebroken. Dorsum donkerbruin, met 2
zeer breed-ovale, naar voren puntig toeloopende, groene
antehumeraalstrepen. Vleugeltusschenruimte groen gevlekt.
Pooten grootendeels zwart. Vleugels in den regel glashelder,
adering zwart; costa bruinachtig. Pterostigma opvallend kort
en breed; membranula kort, wit met donkergrijs uiteinde.
d ad. ta 3-cellig, aberraties met een 4-cellige fa komen nogal
eens voor; in zeer enkele gevallen 2- of 5-cellig. Costale zijde
van fa langer dan bij alle overige soorten; anale hoek van den
achtervleugel zeer duidelijk afgezet en naar binnen omgebogen.
Pterostigma ad. zwart. Oogen blauw. Abdomen: 2° segm.
weinig verdikt en het 3° vrij sterk ingesnoerd, donkerbruin
tot zwart. Segm. 2 met een smal-driehoekige, groene rugvlek
en groen gevlekte zijden; 2—7 dorsaal met kleine kantvlekjes
en groote halfronde vlekken op het einde der segmenten,
13
198 M. A. LIEFTINCK,
groen van kleur; zijdelings voorzien van dubbele, helderblauwe
basisvlekjes. Op segm. 9 en 10 zijn de rugvlekken met elkaar
versmolten en nemen bijna den geheelen bovenkant in beslag ;
helderblauw van kleur.
Appendices donker van kleur; app. sup.
aan de binnenzijde in het midden sterk ver-
breed, zonder basaaltand, doch met een korte,
scherpe kiel; het einde naar omlaag gebogen
en vrij scherp toegespitst. App. inf. smal-
driehoekig, ongeveer half zoo lang als sup. en
evenals deze in het midden groen gestreept.
ea na Zeer oude! dd krijgen veelal bruinachtig
cyanea MULL. gd. ß
Basis van den getinte vleugels.
achtervleugel, 2. Lichte teekening van kop, thorax en
vergroot (orig). abdomen als bij het g, doch een weinig
lichter van kleur. Oogen bruin. Antehumeraalstrepen iets
smaller.
Vleugels bij volkomen volwassen ex. bruinachtig. Ptero-
stigma zeer kort, okergeel of oranje, met zwarte randaderen.
Abdomen zeer forsch, cylindervormig met breede basis.
Lichte vlekken als bij het g, doch alle zuiver groen; kant-
streepjes geel van kleur.
Appendices zwart, korter dan segm. 9 + 10.
Lengte g'abd. 56, app: 5, av. 47, pt. 2.5; Q abd? 55
app. 4.5, av. 49, pt. 3 mM.
Aeschna cyanea is uit alle deelen van Nederland bekend;
haar vliegtijd duurt van ca. 15 Juli tot eind September
(Augustus). In de duinen (o. a. bij Domburg!!) en in de
zandstreken van diluviaal Nederland, vooral aan vijvers, in
hoogveenmoerassen en aan leemplassen zeer gewoon; zeld-
zamer echter in het laagveengebied. Volgens RIS (318) en
TüMPEL (424) zou cyanea in de veenstreken ten eenenmale
ontbreken, doch voor ons land geldt dit zeer zeker niet
(Naardermeer !! Ankev. plassen !!). !) Zij vliegt snel en dikwijls
uren achtereen, zonder zich rust te gunnen. De 99 zijn
1) Ris zegt nadrukkelijk, dat Ae. cyanea nimmer in de nabijheid van
het veen- en merengebied is aangetroffen en vergelijkt dit geval met het
analogon bij Zibellula depressa, die ook hier te lande in ’t laagveenge-
bied niet voorkomt (loc, cit., p. 33).
ODONATA NEERLANDICA. 199
zeldzamer en vertoonen een bijzonder opvallende aanpassing
aan de kleur der omgeving. !) In den nazomer en in den
herfst treft men de dd, op ver verwijderde plaatsen van het
water, veelvuldig in parken en tuinen aan, vooral in de
namiddag-uren. Beide seksen vliegen ook des avonds tegen
zonsondergang, waarbij jacht gemaakt wordt op Geometridae.
De larven leven, kort vóór de gedaanteverwisseling plaats
grijpt, gezellig en soms in reusachtig aantal bijeen, in kleine,
tamelijk diepe turfgaten en leemkuilen.
Deze soort werd wèl op de Duitsche Noordzee-eilanden
Memmert en Spiekeroog aangetroffen, doch nog niet met
zekerheid op onze Wadden.
Ae. affinis VANDERLINDEN 1820 (1823).
Voorhoofd met een scherp begrensde, T-vormige zwarte
vlek. Een zwarte naadstreep tusschen voorhoofd en clypeus
ontbreekt geheel.
d ad. Monddeelen geel, voorhoofd en clypeus zéér licht
blauw van kleur. Oogen olijfgroen, met een bruinen veeg
op den bovenkant. Thoraxzijden licht blauwgroen, met dunne
zwarte naadstrepen; dorsum olijfkleurig-bruin met korte,
ventraal sterk divergeerende, tamelijk breede, groene ante-
humeraalstrepen. Pooten zwart, buitenkant der dijen gedeel-
telijk lichtbruin. Vleugels glashelder; costa geelbruin, evenals
eenige dwarsaderen in het voorste deel des vleugels; adering
overigens zwart. Pterostigma helder bruingeel. ta 3-cellig,
membranula grijs, aan de basis witachtig (fig. 45).
Abdomen: segm. 2 weinig verdikt en 3 nauwelijks inge-
snoerd. Grondkleur lichtbruin, naar achteren gaandeweg
donkerder wordend; vlekkenteekening zeer sterk ontwikkeld,
helder lichtblauw van kleur. Zijden van segm. 1 geel; de
zijvlekken op segm. 2—6 groot en samenhangend met de
rugteekening; deze op het voorste deel der segmenten bijna
even groot, doch minder scherp omlijnd dan de groote
halfronde vlekken tegen den achterrand. Op segm. 7—9
zijn de rug- en zijvlekken van elkaar gescheiden; segm. 10
zwart, met 2 blauwe rugvlekken.
1) Vgl. hierover BARTENEF (16), LIEFTINCK (471) en TIMM (418, p. 180).
200 M. A. LIEFTINCK,
Appendices bruin; app. sup. aan de basis zeer smal, vóór
het midden lancet-vormig verbreed en aan het einde fijn
toegespitst; een zeer zwakke middenkiel, doch een krachtige,
mediaan-ventrale basaaltand, welke zelf ook eenige kleine
tandjes draagt. App. inf. driehoekig, duidelijk
langer dan de helft der sup.
?. Clypeus groenachtig-oranje; voorhoofd
groen. Thoraxzijden groenachtig geel met
dunne, zwarte naadstrepen; dorsum olijf-
kleurig-bruin, met een tot een geel komma-
vormig vlekje gereduceerde antehumeraal-
SA streep. Pooten zwart; basale helft der dijen
affinis VANDERL, TOOdbruin aan de binnenzijde. Pterostigma
d. Basis van den donker okergeel. Abdomen vrij slank en dun,
achtervleugel, slechts de eerste segmenten sterk verbreed
NEISSE IE van segm. 3 af met parallele zijden; licht
roodbruin van kleur. Zijden van segm. I—-3 breed groen.
De dorsale lichte vlekkenteekening van het ¢ is tot smalle
kantstreepjes en kleine, licht groenachtig-gele, donker ge-
zoomde apicale vlekjes gereduceerd. Appendices bruin, lancet-
vormig en zeer kort, korter dan segm. 9 + IO.
Lengte & abd. 46, app. 4.5, av. 40, pt. 3.5; Q abd. 45,
app. (4, av. 40, pt. ) 3.5 mM.
Deze, in Midden-Europa zeer zeldzame soort, bewoont
hoofdzakelijk Zuid-Europa en het Middellandsche Zeegebied.
In Zuid- en Midden-Frankrijk zeer gemeen in heuvelachtige
streken, doch sporadisch in het noorden; zij werd gevonden
in de omgeving van Parijs en (zeldzaam) in het dépt. Seine-
et-Marne. In Lotharingen zeer zeldzaam. Uit België is affinzs
slechts van enkele plaatsen aan de Ourthe en Amblève
bekend; zij werd gedurende Juli en begin Augustus in klein
aantal gevangen bij Angleur, Remonchamps en éénmaal bij
Hollogne sur Geer. In Duitschland alleen in Silezië.
Hier te lande werd slechts éénmaal een 9 dezer soort
gevangen door SMITS VAN BURGST bij Valkenburg (Z.-L.),
VIII, 1911. Dit ex. is zeer verkleurd en mist zoowel de
caudale appendices als een der vleugels; in de coll. MAC
GILLAVRY was het als ® Ae. juncea gedetermineerd. Vermoe-
delijk komt Ae. affinis sporadisch in Zuid-Limburg voor.
ODONATA NEERLANDICA, 201
Ae. viridis EVERSMANN 1836.
Voorhoofd, van boven gezien, zonder duidelijke zwarte
T-vlek: de voorrand van het voorhoofd heeft eene bruine
dwarsstreep, doch de stam der T-vlek is uiterst fijn en veelal
nauwelijks zichtbaar. Monddeelen geel; voorhoofd en clypeus
licht groenachtig-geel, door eene fijne, bruine naadstreep
van elkaar gescheiden. Thoraxzijden zuiver grasgroen, de
donkere naden zijn zeer flauw aangeduid of geheel afwezig.
Dorsum roodbruin met zeer breede, rechte en heldergroene
antehumeraalstrepen. Pooten helder bruingeel, schenen en
tarsen iets donkerder. Vleugels lichtgeel getint, vooral het
voorste gedeelte; costa geel, adering overigens grootendeels
zwart. Pterostigma vrij klein en smal, heldergeel; membra-
nula wit.
dad. fa 2-cellig; anale hoek van den achtervleugel duidelijk
afgezet, recht (fig. 46). Abdomen: segm. 2 verdikt en 3
duidelijk ingesnoerd, roodbruin. Lichte vlekkenteekening
dorsaal blauw, lateraal in grasgroen overgaand. Segm. I aan
de basis bruin, overigens blauw-groen; 2 dorsaal grooten-
deels blauw, lateraal groen. Segm. 3 —8 dorsaal met groote,
halfronde en donkerbruin gezoomde, apicale vlekken, welke
zeer breed samenhangen met een geheel doorloopende, zich
in het midden der segm. verbreedende, groene zijstreep. Op
segm. 7—9 zijn de laterale vlekken tot op de voorste helft
beperkt en niet met de dorsale vlekken verbonden. Dorsum
van 9 en Io grootendeels blauw. Appendices bruin; app.
sup. recht en smal; in het midden zeer weinig verbreed,
zonder basaaltand en met een zwakke middenkiel; eindpunt
onduidelijk spits.
Q. Lichaamsbouw kloek en gedrongen; abdomen zeer
forsch, eerste segmenten breed en dik, dan naar achteren
geleidelijk iets versmald; roodbruin van kleur. Lichte teeke-
ning dorsaal gereduceerd, lateraal echter opmerkelijk vergroot,
zuiver grasgroen van kleur. Appendices bruin, kort en zeer
smal, korter dan segm. 9 + 10.
De vleugels zijn bij oudere 99 grauwgeel getint, met
donkerder, eenigszins berookte uiteinden.
lLenete 6 abd. 51, app. Amar 40, pt. 3.5; 9: abd. 51.5,
app. 3.5, av. 42, pt. 4 mM.
202 M. A. LIEFTINCK,
Deze oostelijke soort bewoont een groot deel van Noord-
Europa, komt oostwaarts nog tot in Siberië voor en bereikt
haar westgrens in Nederland.
Van Juli tot eind September (Sept.). Zeld-
zaam en zeer lokaal. Komt in Nederland
waarschijnlijk alleen voor in de moerassige
kleistreken van Friesland en in de Betuwe.
Ae. viridis vliegt bij voorkeur nà zonsonder-
gang in de schemering, een merkwaardig-
Fig. 46. Aeschna È Reti Ss 5 5
viridis Eversm. g. heid, die in ’t bijzonder deze soort eigen is;
Basis van den zij zou zelfs bijna uitsluitend des avonds op
achtervleugel, ‘acht gaan en nuttig zijn door ’t verdelgen
vergroot (orig).
van muggen.
In Duitschland verspreid over de geheele noord-Duitsche
laagvlakte; zij werd gevonden bij Hamburg, Lüneburg en
Stolzenau in Hannover; op het eiland Helgoland en in de
omgeving van Bremen. !) Ook is zij bekend van de Jungfern-
heide bij Berlijn. In Denemarken en Zweden op vele plaatsen
niet zeldzaam. Zij komt niet in Engeland en evenmin in
België voor.
Uit ons land zijn de volgende vindplaatsen bekend:
Prov. Friesland: Tietjerk! Leeuwarden! Suawoude,
Kuikhorne, Bergum, Oostermeer, Driesum. (HERM. ALBARDA).
Prov. Gelderland:;Arnhem!..(J.. v.. BEMMELEN En
HAVERHORST).
(Ae. caerulea STROM 1783).
(borealis ZETTERSTEDT 1840).
Voorhoofd met een scherp begrensde T-vormige zwarte
vlek. Kop bijzonder klein; scheidingslijn der oogen zeer kort.
Donkere grondkleur van het abdomen zeer gereduceerd.
d ad. Voorhoofd en clypeus grijsgroen; oogen blauw.
Thorax bruinachtig-groen met zwarte naadstrepen ; ante-
humeraalstreep tot op een smal blauw lijntje gereduceerd;
de blauwe zijstrepen smal en, vooral de voorste, onregelmatig
hoekig gebogen. Vleugeltusschenruimte blauw gevlekt. Pooten
zwart. Vleugels glashelder, costa smal geelbruin gezoomd;
1) Volgens WEISS (513*) is viridis algemeen in de omgeving van Bre-
men, van Juli tot September en vliegt ook daar vooral in de schemering.
ODONATA NEERLANDICA. 203
adering zeer dicht en fijn, vooral in het distale gedeelte.
Rs ter hoogte van het pterostigma veelal onduidelijk vertakt,
waardoor Asa vervaagt en in het netwerk wordt opgelost.
Pterostigma donkerbruin, membranula egaal grauw. fa 2-cellig,
anale hoek van den achtervleugel duidelijk naar binnen om-
gebogen.
Abdomen: Segm. 2 weinig verdikt en 3 matig ingesnoerd,
naar het einde iets verbreed. Lichte vlekkenteekening met
een maximale uitbreiding en vooral op de middelste segmenten
bijzonder sterk ontwikkeld, zuiver hemelsblauw van kleur.
Zijvlekken sterk vergroot en met de dorsale teekening breed
verbonden; achterste rugvlekken zeer groot, de zijvlekjes
klein. Voorste zijvlekken op de laatste segm. gaandeweg
kleiner wordend, de achtersten ontbreken op seg. 7—8.
Appendices zwart ; app. sup. zeer kort en vrij breed, duide-
lijk naar binnen gebogen en aan het einde afgerond, zonder
basaaltand, doch aan het eind met eene stompe dorsaalkiel.
2. Voorhoofd en clypeus grijsachtig-groen. Zijstrepen van
den thorax geelachtig, antehumeraalstreep als bij het g, doch
lichter van kleur. Teekening van het abdomen geelachtig-
wit tot zeer licht paarsachtig ; dorsale vlekken op segm. 3—8
tot op smalle kantstreepjes en kleine apicale vlekken ge-
reduceerd. Zijvlekken bijzonder groot en — op de voorste
segmenten — breed met elkander verbonden; naar achteren
geleidelijk kleiner wordend.
Appendices zwart, iets korter dan segm. 9 + 10, lancet-
vormig en aan den top afgerond.
Eengte sg: abdi-45) :app. (4; av. 39, pt. 3; 2 abd. 43,
app. 4, av. 38, pt. 4 mM.
Niet inlandsch. Bewoner van het hooge noorden van
Europa (Schotland, Lapland, enz.), van Siberië en van de
Alpen. In het zuidelijk gedeelte van Zweden zeer zeldzaam;
zij werd aldaar o.m. gevonden bij Upsala. Uit Denemarken
is caerulea niet bekend. De eenige vindplaats in Duitschland
is Hirschberg in Silezië. In Schotland werd zij herhaaldelijk
aangetroffen in de districten Rannoch en Breadalbane in
Perthshire (van ca. 500—1700 ft.); voorts op verschillende
plaatsen in Invernessshire, met name te Strathglass en Glen
Affrick (van 400—1200 ft.) en tenslotte in Argylishire.
204 M. A. LIEFTINCK,
Volgens LUCAS (218) bereikt caerulea in de maand Juni het
hoogtepunt van den vliegtijd, doch omstreeks half Augustus
werden ook nog ‘individuen gevangen. In de Zwitsersche
Alpen is deze soort zeer verbreid en werd door RIS (328)
nog op eene hoogte van 2100 M. aangetroffen (VIII). De
imagines ontwikkelen zich uit ondiepe bergmoerasjes en de
volwassen dieren rusten, in opvallende tegenstelling met de
overige Europeesche Aeschna-soorten, naar het schijnt steeds
op steenachtigen bodem uit. Ook zou Ae. caerulea een uiterst
schuwe en behendige vlieger zijn, waardoor deze soort zeer
moeilijk is buit te maken.
Het voorkomen in Nederland is zeer twijfelachtig.
Ae. juncea LINNAEUS 1758.
Voorhoofd met een scherp begrensde T-vormige zwarte
vlek. Monddeelen oranje-geel; voorhoofd en clypeus geel,
door een duidelijke en scherp begrensde, zwarte naadstreep
van elkaar gescheiden.
d ad. Thorax donkerbruin; antehumeraalstrepen vrij smal,
doch scherp begrensd, naar voren iets uiteenwijkend en aan
den vleugelsinus zijwaarts een weinig uitgebogen, helder geel
van kleur. Zijden met twee breede, rechte strepen, ventraal
heldergeel, naar den dorsalen kant langzamerhand in licht-
groen of -blauw overgaand; aan het stigma en een weinig
daarboven, nog een heldergeel vlekje. Vleugeltusschenruimte
blauw en geel gevlekt. Pooten bijna geheel
zwart. Vleugels glashelder, bij oudere ex.
veelal eenigszins bruinachtig getint; costa
breed en helder geel, adering overigens
zwart. Pterostigma smal doch vrij lang, don-
kerbruin; fa 2-cellig, anale hoek van den
achtervleugel zeer duidelijk afgezet, bijna
Fig. 47. Aeschna recht. Membranula kort en breed, basale !/,
ale st gedeelte wit, voor het overige scherp afgezet
achtervleugel, Zwartgrijs (fig. 47).
vergroot (orig). Abdomen: 2° segm. weinig verdikt en het
3° matig ingesnoerd, donkerbruin (lichte vlekken bijna zwart
gezoomd). Vlekkenteekening ongeveer als bij cyanea, doch
met de volgende verschillen: driehoekige rugvlek op segm. 2
ODONATA NEERLANDICA. 205
tot een smal geel langsstreepje gereduceerd en naar achteren
met een breede, helderblauwe bandvlek verbonden; segm.
3—7 dorsaal met kleine, dubbele, citroengele streepvlekjes
middenop, en 2 groote gescheiden, halfronde vlekken op het
einde der segmenten, helderblauw van kleur; lateraal dubbele,
helderblauwe basisvlekken. Op segm. 9 en 10 blijven de
blauwe rugvlekken steeds breed van elkaar gescheiden.
Appendices: donkerbruin, lancetvormig en recht; app. sup.
duidelijk opwaarts gebogen, zonder basaaltand, doch met een
vrij krachtige, dorsale kiel; app. inf. driehoekig, aan den
top afgerond.
2. Lichaamskleur roodbruin; vlekkenteekening als bij het
d. Antehumeraalstrepen tot smalle gele streepjes geredu-
ceerd, in den regel slechts ventraal aangeduid en onscherp
begrensd; soms evenwel doorloopend. Zijstrepen breed en
recht, groenachtig-geel. Pooten zwart, buitenkant der dijen
bruin. Vleugels bij adulti meestal licht-bruingeel gewolkt.
Pterostigma lang en vrij breed, lichtbruin. Vleugeltusschen-
ruimte geel gevlekt. Abdomen forsch, met breede basis,
segm. 3 echter duidelijk ingesnoerd. Lichte vlekken bij jonge
ex. geel, in volwassen staat zuiver groen, een enkele maal
zelfs blauwgroen van kleur. !) Apicale rugvlekken duidelijk
zwart gezoomd.
Appendices bruin, lancetvormig verbreed en aan den top
fijn toegespitst, ongeveer zoo lang als segm. 9 + 10.
1) Een zeer merkwaardig afwijkend ex. ontving Dr. D. MAC GILLAVRY
uit Houthem (L.). Dit dier, een 9, vertoont afwijkingen in de volgende
punten: kleiner dan het type; thoraxzijden met een tamelijk breede,
gele (in leven groene?) metepisternale streep tusschen de beide zijbanden.
Pterostigma zeer donkerbruin, membranula éénkleurig zwartgrauw. Ap-
pendices breeder dan bij ’t type en aan het einde volkomen afgerond.
Lengte abd. 50 av. 42 pt. 4.3 app. 4.7 m.M.
Dit dier, dat ten onrechte als Aeschna affinis VANDERL. werd gede-
termineerd en waarvan als zoodanig een mededeeling werd gedaan in
het T. v. Ent., vertoonde nog de eigenaardigheid, dat bij het leven de
vlekken op het abdomen, evenals bij de goed uitgekleurde ga, blauw-
achtig waren en niet geel, zooals dat bij de normale 99 het geval
is. (T. v. Ent. 59, 1916, p. XX, Verslag). — Dr. F. RIS te Rheinau, aan
wien ik dit afwijkende dier ter onderzoek opzond, beschouwt het als
een aparte vorm, waarvan hij nog zegt: „Ich habe 2 nicht völlig aus-
gefärbte g derselben Form, datiert Hamburg, aus dem Hamburger
Museum gesehen, Dieser Form wäre weiter nachzugehen.”
206 M. A. LIEFTINCK,
Grootte variabel. Lengte 4 abd. 55—59, app. 4.5, av. 47,
pt. ) 4; 9. abd. 51—56, app. 4—4.5, av. 45, pt. 5 mM.
Noord-Europa en Noord-Azië. In Midden-Europa hoofd-
zakelijk bewoner van bergachtige streken. Van ca. ro Juli
tot begin September (Augustus) niet zeldzaam in de diluviale
streken van O. en Z.-Nederland aan vennen en open hei-
plassen. Vooral in de middaguren vliegt deze soort, dikwijls
in vrij groot aantal, boven moerassige stroken van den plas
en maakt daar jacht op allerlei insecten ; ook andere libellen,
als Sympetrum danae, Lestes e.a. vallen haar ten prooi.
Ae. juncea verlaat slechts zelden den oever van het water;
alleen eenigen tijd na het uitkomen vliegen beide seksen
een tijdlang in zandwegen, langs boschranden, etc. De wijfjes
houden zich in den paartijd tusschen de moerasplanten in
het moeras verborgen; de copula en het eierleggen zijn bij
deze soort gemakkelijk te bestudeeren. Ik zag de dd dezer
soort bij Epe (Vel.) tegen zonsondergang jacht maken op
motten, aan den rand van een dennenbosch, grenzend aan
een ondiepen heideplas. (Hetzelfde werd ook door WESEN-
BERG-LUND waargenomen, vgl. 442, pp. 192—193).
In ons land zijn de volgende vindplaatsen bekend:
Prov. Drente: Zuidlaren! Wijster! Dwingelo!
Prov. Gelderland: Nunspeet!!! Oldebroek!! Epe!!
Prov. Utrecht: Doorn!
Prov. Noord-Brabant: Oisterwijk!! Breda!
Prov. Limburg: Plasmolen! Venlo! Roermond! Hou-
them! Blijenbeek!
Ae. mixta LATREILLE 1805.
(coluberculus HARRIS 1782).
Voorhoofd met een breede, scherp begrensde T-vormige
zwarte vlek. Monddeelen vleeschkleurig-geel; bovenlip zwart
gezoomd. Geen zwarte scheidingsnaad tusschen voorhoofd
en clypeus.
d. ad. Voorhoofd en clypeus geelachtig-wit. Zijlobben van
den onderlip met een helderblauw vlekje. Thorax lichtbruin ;
antehumeraalstrepen tot smalle, blauwgroene vlekjes op het
voorste deel gereduceerd, onduidelijk begrensd. Zijden iets
donkerder bruin, met 2 zeer breede strepen, ventraal scherp
ODONATA NEERLANDICA. 207
begrensd en heldergeel, aan den dorsalen kant in diffuus-
blauw overgaand. Vleugeltusschenruimte blauw en geel ge-
vlekt. Pooten zwart; buitenzijde der dijen, ongeveer voor de
basale helft, bruin van kleur. Vleugels glashelder; costa
bruin, adering overigens grootendeels zwart. Pterostigma kort
en breed, donkerbruin. ¢a smal, driecellig ; anale hoek van
den achtervleugel duidelijk afgezet, recht. Membranula aan-
vankelijk breed, doch ca. op de helft van fa
plotseling sterk versmald en langs den rand-
ader tot aan den top van fa, als een uiterst
smalle zoom, afdalend; basaal wit, distaal
lichtgrijs van kleur (fig. 48).
Abdomen: 2° segm. vrij sterk opgezwollen,
doch het 3° slechts matig versmald; donker
roodbruin, laatste segmenten bijna zwart. de destra
mixta LATR. gd.
Lichte vlekkenteekening helder lichtblauw, Basis van den
donker gezoomd. Segm. 1 met heldergele achtervleugel,
zijvlek; dorsum van 2 met een smal-drie- Kerzen (one)
hoekig geel vlekje aan de basis en 2 scherp begrensde,
blauwe streep-vlekjes aan weerszijden in de breedte; daar-
achter 2 groote halvemaanvormige (meestal samenhangende)
vlekken tegen den achterrand. Zijden van segm. 2 gedeel-
telijk heldergeel. Segm. 3—8 dorsaal met kleine, dubbele
streep-vlekjes middenop en grootere, halfronde apicale vlek-
ken; lateraal 2 grootere voorste en 1 zeer klein, veelal
onzichtbaar, achterst vlekje. Segm. 8 dorsaal slechts met 2
groote, apicale oogvlekken, lateraal met een ronde basisvlek ;
9 met 2 apicale rugvlekken en ro hetzij geheel donker,
hetzij eveneens met 2 kleine apicale vlekjes.
Appendices lang en slank; app. sup. donkerbruin, iets
langer dan segm. 9 + 10, met een zeer vlakke middenkiel,
doch zonder basaaltand; basale '/, deel smal, vervolgens
lancetvormig verbreed en aan den top fijn toegespitst. App.
inf. duidelijk langer dan de helft der sup., smal driehoekig,
met spitsen top en iets lichter van kleur.
2. Lichaamskleur vaal roodbruin; vlekkenteekening als bij
het d. Voorhoofd geelachtig-groen, clypeus en monddeelen
geelbruin. Thorax grijsbruin met zeer kleine, flauw aange-
duide, gele antehumeraalstreepjes op het voorste gedeelte;
208 M. A. LIEFTINCK,
zijstrepen minder levendig van kleur dan bij het 4. Pooten
zwart, dijen basaal bruin. Vleugels hyalien, bij zeer oude
dieren soms iets geelachtig getint. Pterostigma klein, geel-
bruin. Abdomen vrij kort en smal; segm. 3 weinig ingesnoerd.
_ Lichte vlekken veel kleiner dan bij het d en door breede,
diep-zwarte zoomen omgeven; bij jonge ex. eenigszins vleesch-
kleurig of violet, later geelachtig-groen, of (de dorsale vlekjes)
blauw van kleur. Appendices opvallend lang en smal, aan
den top fijn afgerond, bijna spits.
Lengte d abd. 47, app. 4.6, av. 39, pt. ) 3; 2 abd. 46,
app. Jasar. 40, pt. 3.5 mM.
Het eigenlijke vaderland dezer soort is Zuid-Europa en
het Middellandsche Zeegebied, doch zij is over geheel Midden-
Europa verbreid en van begin Augustus tot in November
(Sept., Oct.) overal in Nederland uiterst algemeen; zij werd
dikwijls in parken en tuinen opgemerkt en komt geregeld
in de groote steden. In de laagveenmoerassen is mzxta op
warme herfstdagen somtijds bij honderden tegelijk aan te
treffen. In de zandstreken vliegt zij met groote voorliefde
aan den rand van het dennenbosch, dikwijls ver van het
water verwijderd. Evenals Ae. juncea kan deze soort zeer
lage herfsttemperaturen verdragen; op zonnige herfstdagen,
voorafgegaan door vrij sterke vorst gedurende den nacht,
vliegt mixta veelal nog eenige uren rond. Deze late indivi-
duen zijn echter zeer weinig schuw en rusten herhaaldelijk
uit, waarbij men ze somtijds met de hand kan vangen. Het
is gebleken, dat de imagines zich hier te lande ook uit water
met relatief hoog zoutgehalte kunnen ontwikkelen.
In Engeland en Denemarken zeldzaam. In noordelijker
streker komt zij niet meer voor. Volgens ALFKEN (6) is deze
soort zéér gemeen op het Duitsche Noordzee-eiland Memmert,
gedurende de maanden Juli en Augustus; ook werd zij op
Borkum en Juist gevangen. Herhaaldelijk heb ik de 99
dezer Aeschna nog zeer laat in den avond op jacht gezien
en gevangen. (Oisterwijk 1923!! en Wageningen, VII. en
VII. 19251!)
ODONATA NEERLANDICA. 209
Overzicht der beschreven soorten, die in Nederland, België,
Engeland en Denemarken, benevens die, welke in het aangrenzend
gebied van Duitschland en Frankrijk gevonden zijn.
.
.
|
.
= Tu) 5 È si
du SI ENE
Soorten. E 3 E E È É
Z LIRA
Fam. Libellulidae.
Cordulia aenea L. (204) ') . DIR RX
Somatochlora metallica VANDERL. (202) |X |X | XIX [|X |X
> arctica ZETT. (448) . DCG GIS OS
> Havomaculata
VANDER: 202) SCO DOUX aX
Epitheca bimaculata CHARP. (71). Dd PQ
Oxygastra curtisi DALE (82) ISS
Crocothemis erythraea BRULLÉ (49) x x
Orthetrum cancellatum L. (204). KRISE OR
> brunneum FONSC. (107) AIX X | X
» caerulescens FABR. (103) . |X |X [XXIX |X
Libellula depressa L. (204) . AP
> guadrimaculata L. (204). PRN ASH Da Pd DS
» fulva MiLL. (274). DIGI
Leucorrhinia caudalis CHARP. (74) RR 2128128
» albifrons BURM. (53). x
» pectoralis CHARP. (71) DEI ISO SD
> rubicunda L. (204) X | X XIX |X
» dubia VANDERL. (202) . [XIX [XIX |X
Sympetrum fonscolombei SELYS (374). DAD X |X
» flaveolum L. (204) xX | K | K | K | xX |X
> meridionale SELYS (377) X | X X | X
> vulgatum L. (204) DAP ARR APS
> striolatum CHARP. (74) . DA PAD ADA | 2818
> pedemontanum ALL. (7). X > APS
» depressiusculum SELYS (377) | XIX XIX
1) Dit cijfer verwijst naar het overeenkomstige cijfer van het litera-
tuuroverzicht in DI. I, waarin de soort het eerst beschreven werd,
210 M. A. LIEFTINCK,
BIE
as le) [ ©
Soomten: Bp re DEMO
S | com) OSE
Zi [es] 5 A en
Sympetrum sanguineum MüLL. (274) . |X [XIX IX IX IX
> _danae SULZ. (413) . |X| XD
Fam. Aeschnidae.
Cordulegaster annulatus LATR. (189). |X |X Ge
> bidentatus SELYS (378). X XX
Gomphus vulgatissimus L. (204) UK PS DAS
> flavipes CHARP. (71) . X X De
» pulchellus SELYS (374) AIDS X | X
> simillimus SELYS (374) . X X
Onychogomphus forcipatus L. (204) KS | OX
Ophiogomphus serpentinus CHARP. (71). |X XIX |X
Hemianax ephippiger BURM. (53) . IAN
Anax imperator LEACH (193) PADS X | X
» parthenope SELYS : X CL
Brachytron pratense MüLL. (274) . API
Aeschna grandis L. (204) x CPE
> isosceles MiLL. (274) . DS VOSS Dee
>. . .cyanea MULL. (274) KAS S| 2
“». . affinis VANDERL. (*496). X | X X
> viridis EVERSM. (98) . x X | X
> caerulea STRÖM (412). X
> funcea L. (204). GRID alien
> mixta LATR. (189). XX | X |X| X 1X
Aantal-A-misoptera . . . |37|42/|311 30) 412139
» Zygoptera . . .|25|24|1I7|14|25|24
Totaal . . . | 62) 66| 48! 44! 66 | 63
ODONATA NEERLANDICA. 211
Overzicht der Synoniemen.
Calopteryx virgo L. (Zzbellula virgo LINNE 1758).
Calepteryx ludoviciana STEPH. 1836; EVANS d 1845.
Calepteryx xanthostoma STEPH. d 1836. Calepteryx hae-
morhoïdalis EVANS 1845. Calepteryx anceps STEPH. 1836;
EVANS 1845. Calepteryx virgo STEPH. 1836. Callepteryx
virgo HAGEN 1840. Agrion vesta CHARP. 1840. À. modesta
ZETT. 1840. Libellula splendens, splendeo HARRIS 1782.
Agrion virgo KIRBY 1890 (et auct.!).
Calopteryx splendens HARR. (Zzbellula splendens HARRIS
1782).
C. ludoviciana SELYS 1840; RAMB. 1842; MILLET 1847.
Calepteryx ludoviciana LEACH 1815; CURTIS 1839. Calep-
teryx virgo (partim) STEPH. 1836, EVANS 1845. Callep-
teryx ludoviciana HAGEN 1840. Agrion virgo FABR. 1775
(partim). A. xanthostoma CHARP. 1825, 1840. A. par-
thenias CHARP. 1840. Libellula virgo LINN. 1758, 1761
(partim). Agrion splendens KIRBY 1890 (et auct.!).
Lestes fuscus VANDERL. (Agrion fusca VANDERL. 1820,
1323).
Agrion phallatum CHARP. 1840; BURM. 1839. L. fusca
RAMB. 1842, Sympecma fusca SELYS 1840 et auct.
Sympycna fusca CHARP. 1840 (et auct.: partim?). Lestes
fuscus auct. (partim?)
Lestes paediscus BRAUER (Sympyena paedisca BRAUER
1880).
Sympycna fusca var. SELYS 1850. S. paedisca (EVERSM.)
BRAUER 1880. S. paedisca BRAUER 1882 (et auct.). S.
braueri BIANCHI 1902. S. fusca CHARP. 1840 (et auct.:
partim?) Zestes fuscus auct. (partim?) [nec Agrzon
paedisca (pars!) EVERSMANN 1836; nec A. Zruchmenicum
KOLENATI, nom. in litt.]
Lestes virens CHARP. (Agrion virens CHARP. 1825).
L. sponsa (partim) STEPH. 1836. ZL. viridis (partim)
STEPH. 1836. L. barbara var. SELYS 1840. L. vestalis
RAMB. 1842; MILLET 1847. Agrion barbara G VANDERL.
212
10.
1%
M. A. LIEFTINCK,
1825. A. paedisca (pars: d £) EVERSM. 1836. A. pacteti
SELYS TS40R(Genein litt).
Lestes barbarus FABR. (Agrion barbara FABR. 1798).
Agrion nympha HANSEM. 1823.
Lestes viridis VANDERL. (Agrion viridis VANDERL. 1825).
Agrion leucopsallis CHARP. 1825, 1840.
Lestes dryas KIRBY 1890.
Lestes nympha SELYS 1840, 1850; EVANS 1845 (et
auct.). ZL. forcipula ZETT. 1840; RAMB. 1842; HAGEN
1846. L. sponsa STEPH. (partim) 1836; HAGEN (partim)
1846.
Lestes sponsa HANSEM. (Agrion sponsa HANSEM. 1823).
Agrion picteti FONSCOL. 1837. A. leucopsallis EVERSM.
1837. A. forcipula CHARP. 1825, 1840. A. spectrum
KOLENATI 1856. Lestes autumnalis LEACH 1815; CURTIS
1823; STEPH. 1820. L. nympha STEPH. 1836. L. forcipula
STEPH. 1836; EVANS 1845.
Platycnemis acutipennis SELYS 1841.
Agrion platypoda, var. FONSC. 1838. Platyen. diversa
RAMB. 1842; MILLET 1847.
Platycnemis pennipes PALL. (Zzbella pennipes PALLAS 1771).
Agrion platypoda VANDERL. 1820, 1823, 1825; STEPH.
1836; EVERSM. 1837 ; FONSC. 1838; CURTIS 1839; SELYS
1840; MILLET 1847. A. albidella DEVILL. 1780. A. puella,
var. FABR. 1781. A. albicans LEACH 1815. A. corea
LEACH 1815. A. lacteum CHARP. 1825, 1840. Platycnemis
platypoda RAMB. 1842; EVANS 1845. Platyscelus pennipes
WALLENGREN 1894.
Pyrrhosoma nymphula SULZER (Lzdellula nymphula SULZ.
1776):
Libellula puella BARBUT 1781. L. minius HARR. 1782.
Agrion amazon HANSEM. 1823. A. sanguinea VANDERL.
1825; SELYS 1840. A. sanguineum CURTIS 1839; RAMB.
1842; HAGEN. A. fulvipes (Q var.) STEPH. 1836. A. Zin-
colniensis (9 var. syn.) STEPH. 1836. A. (Pyrrhosoma)
minium (auct.). Erythromma chloridion EVANS 1845. E.
fulvipes EVANS 1845.
13.
14.
EEn
TO:
19.
ODONATA NEERLANDICA. 213
Pyrrhosoma tenellum DE VILL. (Lzdel/ula tenella DE VILL,
1789).
Agrion rubella VANDERL. 1820, 1823, 1825; SELYS 1840.
A. rubellum STEPH. 1836; CURTIS 1837; RAMB. 1842;
EVANS 1845. A. rufipes STEPH. 1836.
Erythromma viridulum CHARP. (Agrion .véridulum CHARP.
1840).
Agrion bremii RAMB. 1842; MILLET 1847.
Erythromma najas HANSEM. (Agrzon najas HANSEM. 1823).
Agrion chloridion CHARP. 1825, 1840; STEPH. ¢ 1836.
A. puella var. PANZ. 1792. A. analis VANDERL. 1825,
Nehalennia speciosa CHARP. (Agrion speciosum CHARP.
1840).
A.? tuberculatum BURM. 1839. A. sophia SELYS 1840.
Ischnura elegans VANDERL. (Agrion elegans VANDERL.
1520, 1823).
Agrion pupilla HANSEM. 1823; SELYS 1840. A. tubercu-
latum CHARP. 1825, 1840; BURM. 1839. A. zonatum
STEPH. 1836. A. esonatum STEPH. 1836; EVANS 1845.
Q var. zufuscans CAMPION 1905. — ®P var. zufuscans-
obsoleta KILLINGTON 1924 |= 9 var. rufescens STEPH.
1836, (als Agrion rufescens); EVANS 1845]. A. agläe
FONSCOL. 1838. A. hastulatum BURM. 1839. A. rubens
EVANS 1845. Micronympha elegans KIRBY 1890.
Ischnura pumilio CHARP. (Agrion pumilio CHARP. 1825).
Agrion xanthopterum STEPH. 1836; EVANS 1845 (= var.
aurantiaca SELYS 1837). A. rubellum CURTIS 1839
(= var. aurantiaca SELYS 1837). A. elegans FONSCOL.
1838. A. cognata SELYS 1841. Micronympha pumilio
KIRBY 1890.
Enallagma cyathigerum CHARP. (Agrzon cyathigerum CHARP.
1840).
Agrion zonatum STEPH. 1836 (partim). A. furcatum (pars)
ZETT. 1840. A. annulare LEACH 1815. A. charpentieri
SELYS 1840. A. pulchrum HAGEN 1840. A. brunnea EVANS
1845. A. hastulatum RAMB. 1842; MILLET 1847 (excl.
14
214
21.
D
bo
23°
24.
25.
26.
27:
28:
M. A. LIEFTINCK,
syn.); STEPH. 1836. A. annexum HAG. 1861 !); Enall.
annexum \NILLIAMSON 1900. °)
Cercion lindeni SELYS (Agrion lindenii SELYS 1840).
A. lindeni (auct.) Coenagrion lindentt KIRBY 1890 (et
auct.). Cercion lindeni (nov. nom.) NAVàS 1907.
Agrion armatum CHARP. 1840.
Agrion ® pulchrum HAGEN 1840. A. ancilla HANSEM.
(nom. iniilitt.). A. tenella HEVER (nom malen)
Coenagrion armalum KIRBY 1890 (et auct.).
Agrion pulchellum VANDERL. (Agrion pulchella V ANDERL.
1820, 1823).
A. puella HANS. 1823; STEPH. 1836; EVANS 1845.
A. interruptum CHARP. 1825, 1840. A. hastulatum EVANS
1845 (excl. syn.). A. lunulatum EVANS 1845 (excl. syn.).
A. cyathigerum EVANS 1845 (excl. syn.). A. rufescens
EVANS 1845 (partim., excl. syn.). Coenagrion p. (nom.
gen.) KIRBY 1890 (etlauet.).
Agrion hastulatum CHARP. 1825.
Coenagrion h. (nom. gen.) KIRBY 1890 (et auct.).
Agrion mercuriale CHARP. 1840.
A. puella FONSC. 1837. A. fonscolombit RAMB. 1842.
Coenagrion m. (nom. gen.) KIRBY 1890 (et auct.).
Agrion scitulum RAMB. 1842.
Agrion distinctum 9 RAMB. 1842. Coenagrion s. (nom.
gen.) KIRBY 1890 (et auct.).
Agrion lunulatum CHARP. 1840.
A. vernale HAGEN 1839. Coenagrion vernale KIRBY 1890.
Agrion ornatum SELYS 1850.
A. ornatum HEYER (nom. in litt.) Coenagrion o. (nom.
gen.) KIRBY 1890 (et auct.).
Agrion puella L. (Lzdellula puella LINNE 1758).
A. pupa HANSEM. 1823. A. rufescens d CURTIS 1839.
A. furcatum CHARP. 1825, 1840; STEPH. 1836; CURTIS
1839; HAGEN; EVANS 1845. A. annulare 2 STEPH. 1836;
1) Synopsis Neur. N. Amer. p. 87.
2) Ent. News, Philadelphia, XI, p. 454.
29.
30.
32.
33.
35.
36.
dk:
ODONATA NEERLANDICA, 215
EVANS 1845 (excl. syn.). Coenagrion p. (nom. gen.) KIRBY
1890 (et auct.).
Cordulia aenea L. (Zzbellula aenea LINNÉ 1758).
Chlorosoma aenea CHARP. 1840.
Oxygastra curtisi DALE. (Cordulia curtisii DALE 1834).
Cordulia compressa STEPH. 1829 (nom. nud.). Libellula
nitens FONSC. 1837; WIEGMANN 1838. O. curtisii KIRBY
1890 (et auct.).
Somatochlora metallica VANDERL. (Cordulia metallica
VANDERL. 1825).
Libellula aenea PANZ. 1805 ;? HARR. 1782. Chlorosoma
(nom. gen.) CHARP. 1840.
Somatochlora arctica ZETT. (Aeshna arctica ZETT. 1840).
Cordulia subalpina SELVS 1840; C. alpestris HAGEN (pars)
1840.
Somatochlora flavomaculata VANDERL. (Zzbellula flavoma-
culata VANDERL. 1825).
Libellula aenea LINNE 1758, 1761 (partim). Chlorosoma
CHARP. (nom. gen.) 1840.
Epitheca bimaculata CHARP. (Libellula bimaculata CHARP.
1840).
Libellula fuchstana EVERSM. 1837. Libella SELYS (nom.
gen.) 1840. (1839).
Cordulegaster annulatus LATR. (Aeshna annulata LATR.
1805).
Libellula grandis SCOP. 1763. L. forcipata HARR. 1782.
L. boltonit DON. 1807. Aeschna lunulata CHARP. 1825,
1840. Cordulegaster lunulatus RAMB. 1842. Thecaphora
CHARP. (nom. gen.) 1840.
Cordulegaster bidentatus SELYS 1854.
Thecaphora CHARP. (nom. gen.) 1840.
Gomphus vulgatissimus L. (Zebellula vulgatissima LINNE
1758).
Aeshna forcipata PANZ. 1805; LATR. 1805; VANDERL.
1820, 1823 (pars). Aeschna forcipata CHARP. 1825, 1840.
Libellula forcipata DONOV. 1807. Diastatomma forcipata
216
38.
39.
40.
41.
42.
43.
44.
M. A. LIEFTINCK,
BURM. 1839. Gomphus forcipatus STEPH. 1836; SELYS
1840; HAGEN 1840; RAMB. 1842. Aeshna vulgatissima
KIRBY 1890.
Gomphus simillimus SELYS 1840.
Aeshna forcipata FONSC. 1838 (1837) (excl. syn). G.
zebratus RAMB. 1842. Aeshna simillima KIRBY 1890.
Gomphus flavipes CHARP. (Aeschna flavipes CHARP. 1825).
Aeshna cognata EVERSM. 1837. Ae. forcipata, var. Bp.
VANDERL. 1825. Aeschna forcipata VANDERL. 1820, 1823
(pars). Petalura selysii GUERIN 1837. Diastatomma fla-
vipes BURM. 1839. Gomphus selysii (GUERIN) SELYS 1840.
Aeshna flavipes KIRBY 1890.
Gomphus pulchellus SELYS 1840.
Petalura flavipes SELYS 1837. Aeschna anguina CHARP.
1840. Aeshna pulchella KIRBY 1890.
Onychogomphus forcipatus L. (Zzbellula forcipata LINNE
1758).
Libellula viridicincta DE GEER 1773; RETZ. 1783. L.
vulgatissima PANZ. 1805. Petalura unguiculata SELYS
1837. Aeshna unguiculata VANDERL. 1820, 1823, 1825.
Aeschna hamata CHARP. 1825, 1840; ZETT. 1840. Dias-
tatomma hamata BURM. 1839. Gomphus unguiculatus
SELYS 1840; HAGEN 1840; RAMB. 1842 (pars). G. flavipes
(pars) EVANS 1845 (@ fig). Zindenia (nom. gen.) DE
HAAN 1826; VAN DER HOEVEN 1828. L. forcipata KIRBY
1890.
Ophiogomphus serpentinus CHARP. (Aeschna serpentina
CHARP. 1825).
Diastatomma cecilia FOURCR. 1785; KIRBY 1890. D. ser-
pentina BURM. 1839. Lebellula vulgatissima PANZ. 1804.
? Paradigma bucheckeri BUCH. 1878. Aeschna spectabilis
EVERSM. 1841.
Anax parthenope SELYS (Aeschna parthenope SELYS 1839).
A. parisinus RAMB. 1842.
Anax imperator LEACH 1815.
Aeshna formosa VANDERL. 1820, 1823, 1825; FONSC.
45.
46.
47.
48.
49.
50.
ODONATA NEERLANDICA. 217
1838. Aeschna formosa EVERSM. 1837. Ae. lunata KOLE-
NATI 1846 (forma). Ae. azurea CHARP. 1825, 1840. Anax
formosus RAMB. 1842 (et auct.). A. formosa (auct.).
Hemianax ephippiger BURM. (Aeschna ephippigera BURM.
1839).
Anax senegalensis RAMB. 1842. A. mediterraneus SELYS
1850. Hemian. ephippigerus SELYS 1883 (et auct.).
Cyrtosoma ephippigerus SELYS 1871 (et auct.).
Brachytron pratense MULL. (Libellula pratensis MüLL. 1764).
Libellula hafniensis MüLL. 1764. L. aspis HARR. 1782.
? L. coluberculus HARR. 1782. Aeshna vernalis VANDERL.
1820, 1823, 1825; STEPH. 1836; FONSC. 1838. Aeschna
vernalis SELYS 1840; RAMB. 1842. Ae. pilosa CHARP.
1825, 1840. Ae. teretiuscula LEACH 1815; CURTIS 1839.
Brach. vernalis EVANS 1845. B. pratensis, B. hafniense
(aime t2).
Aeschna grandis L. (Lzdcllula grandis LINN. 1758).
Libellula quadrifasciata MiLL. 1764. L. nobilis MüLL.
1767. L. roeselii BOROWSKI (teste HAGEN; ante 1840).
L. flavipennis ROESEL 1749; DE GEER 1773; HARR.
1782; RETZ. 1793.
Aeschna isosceles MULL. (Lzbellula quadrifasciata, var. f,
zsoceles MÜLL. 1767).
Aeshna grandis VANDERL. 1820, 1823. Aeschna chrysoph-
thalmus CHARP. 1825, 1840. Ae. rufescens VANDERL.
1825; STEPH. 1836; Fonsc. 1838; EVANS 1845 (et
auc't.). Aeszsoceles (amc t.).
Aeschna cyanea MiiLL. (Lzdellula cyanea MüLL. 1764).
Libellula aenea SULZER 1761. L. anguis HARR. 1782.
L. grandis DONOV. 1796; PANZ. 1804. L. varia SHAW
1806. Aeshna maculatissima LATR. 1805; STEPH. 1836;
EVANS 1845. Aeschna maculatissima FONSC. 1838; SELYS
1840; RAMB. 1842. Ae. viatica LEACH 1815, Ae. juncea
CHARP. 1840.
Aeschna viridis EVERSM. 1836.
Aeschna virens CHARP. 1840.
218 M. A. LIEFTINCK,
51. Aeschna juncea L. (Zebellula juncea LINNE 1758).
Libellula quadrifasciata var. e, ocellata MüLL. 1764. L.
ocellata 2 MULL. 1767. L. grandis var. e, DEVILL. 1789.
Aeschna concinna HANS. 1823. Ae. varia EVERSM. 1837.
Ae. ocellata HAG. 1840. Ae. rustica ZETT. 1840. Ae. picta
CHARP. 1840. Ae. propinqua SCUDDER 1866.
52. Aeschna mixta LATR. 1805.
? Libellula coluberculus HARR. 1782. ? L. squamata MüLL.
1764. Aeshna affinis STEPH. 1836; EVANS 1845. ??
Aeschna alpina SELYS 1850 (SEL. 1887). Ae. squamata
(auct.!). Ae. coluberculus KIRBY 1890 (et auct.!).
53. Aeschna caerulea STROM (Zebellula caerulea STROM 1783).
Aeschna septentrionalis BURM. 1839 (? subspec.). Ae.
borealis ZETT. 1840 (et auct !). ?? Ae. alpina SELYS
1847, 1850. — nec Libellula squamata MüLL. 1764.
nec 4e. squamata KIRBY 1890 (et auct.!).
54. Aeschna affinis VANDERL. (Aeskna affinis VANDERL. 1820,
1823).
Aeshna landoltit BUCH. 1878.
Naamlijst van alle in Nederland en het aangrenzend
gebied voorkomende Odonata, welke in dit werk
beschreven of genoemd zijn. *)
Fam. Calopterygidae. Fam. Agrionidae.
Lestes fuscus VANDERL.
Lestes paediscus BRAUER
Lestes virens CHARP.
Lestes barbarus FABR.
Calopteryx virgo L.
Calopteryx splendens HARR.
(r. faurica DE SELYS).
(ab. c. Zümpeli SCHOLZ).
SO)
1) De namen van alle in Nederland aangetroffen soorten zijn in vette
letters gedrukt en bovendien van doorloopende nummers voorzien; de
soorten uit het aangrenzend gebied zijn cursief gedrukt en tusschen
haakjes geplaatst. Alle in Nederland gevonden vormen, subspecies,
variëteiten en aberratiën zijn cursief gedrukt, terwijl deze tusschen haakjes
zijn geplaatst, voorzoover zij alleen uit het aangrenzend gebied bekend zijn.
De uitkleuringsvariaties zijn in dit overzicht achterwege gelaten of
wel mede opgenomen en van een ? voorzien, waar eenige twijfel bestaat,
CORI
IO.
II.
12.
13.
14.
us:
16.
17:
18.
19.
20.
23
22.
2a:
24.
ODONATA NEERLANDICA.
Lestes viridis V ANDERL.
Lestes dryas KIRBY
Lestes sponsa HANSEM.
(Platycnemis acutipennis
DE SELYS).
Platycnemis pennipes PALL.
Pyrrhosoma nymphula SULZ.
(Q var. fulvipes STEPH.).
(2 var. melanotum DE SELYS).
Pyrrhosoma tenellum DE VILL.
Q var. erythrogastrum
DE SELYS
® var. intermedium DE SELYS
Q var. melanogastrum
DE SELYS
Erythromma viridulum CHARP.
Erythromma najas HANSEM.
Q ab.c. Jatistrigis PUSCHN.
Nehalennia speciosa CHARP.
Ischnura elegans VANDERL.
Q var. rufescens STEPH.
Ischnura pumilio CHARP.
Q var. aurantiaca DE SELYS
Enallagma cyathigerum CHARP.
@rab.c. «5/75 PUSCHN.
Cercion lindeni DE SELYS
Agrion armatum CHARP.
Agrion pulchellum VANDERL.
© f. nigrescens PUSCHN.
d ab. c. ornatiformis PUSCHN.
d ab. c. puellaeformis LEONH.
Agrion hastulatum CHARP.
d ab.c. astylis PUSCHN.
(d ab.c. ornatiformis
PUSCHN.).
Agrion mercuriale CHARP.
(Agrion scitulum RAMB.).
(Agrion ornatum DE SELYS).
Agrion lunulatum CHARP.
26.
38.
39.
40.
219
Agrion puella L.
(dg ab. c. furcatum CHARP.).
d ab.c. 2nterrupta LEONH.
d ab. c. pseudolunulatum
LEONH.
Fam. Libellulidae.
Cordulia aenea L.
(var. {ur fosa FORSTER).
Somatochlora metallica
VANDERL.
Somatochlora arctica ZETT.
Somatochlora flavomaculata
VANDERL.
Epitheca bimaculata CHARP.
Oxygastra curtisi DALE
(Crocothemis erythraca
BRULLÉ).
Orthetrum cancellatum L.
Orthetrum brunneum DE FONSC.
(subsp. cycnos DE SELYS).
Orthetrum caerulescens FABR.
Libellula depressa L.
Libellula quadrimaculata L.
(ab. c. dittrichi SCHOLZ).
?ab.c. flavescens BRITT.
var. praenubila NEWM.
Libellula fulva MuLL.
Leucorrhinia caudalis CHARP.
® var. apicalis DE SELYS
Q var. zmmaculata DE SELYS
(Leucorrhinia albifrons
BURM.).
Leucorrhinia pectoralis CHARP.
(? d var. znsignis PUSCHN.).
Leucorrhinia rubicunda L.
d' var. rubrodorsalis DZIEDZ.
Leucorrhinia dubia VANDERL.
(subsp. orzentalis DE SELYS).
220
42.
43.
44.
45.
46.
47.
48.
M. A. LIEFTINCK,
(Sympetrum fonscolombet
DE SELYS).
i
49.
50.
Gomphus vulgatissimus L.
Gomphus flavipes CHARP.
Sympetrum flaveolum L. 51. Gomphus pulchellus DE SELYS
(9 var. ernae MIERZE].). (Gomphus simillimus
@ var. hyalinata DZIEDZ. DE SELYS).
(Sympetrum meridionale 52. Onychogomphus forcipatus L.
DE SELYS). | 53. Ophiogomphus serpentinus
Sympetrum vulgatum L. CHARP.
Sympetrum striolatum CHARP. | 54. Anax imperator LEACH
(subsp. zzgrzfemur DE SELYS). (Anax parthenope DE SELYS).
(Sympetrum pedemontanum (Hemianax ephippiger BURM.).
ALLIO.). | 55. Brachytron pratense MüLL.
Sympetrum depressiusculum 56. Aeschna grandis L.
DE SELYS). | 57. Aeschna isosceles MüLL.
(? var. nubila DZIEDZ.). 58. Aeschna cyanea MULL.
Sympetrum sanguineum MüLL. | 59. Aeschna affinis VANDERL.
Sympetrum danae SULZ. 60. Aeschna viridis EVERSM.
Fam. Aeschnidae. (Aeschna caerulea STROM).
Cordulegaster annulatus LATR. 61. Aeschna juncea L.
(Cordulegaster bidentatus 62. Aeschna mixta LATR.
DE SELYS).
AANVULLINGEN EN VERBETERINGEN OP DEEL I
DER ODONATA NEERLANDICA.
Het gebruik van de determineertabel voor de genera der
Agrionidae, welke op pag. 105 en 106 is samengesteld, zal
voor menigeen wellicht eenige moeilijkheid opleveren. In die
tabel is er naar gestreefd slechts die kenmerken tabel-
_ larisch op te nemen, welke zonder uitzondering constant
zijn. Juist omdat mij meermalen is gebleken, dat eenige veel
gebezigde onderscheidingen in de vleugelnervatuur in het
algemeen onbruikbaar zijn, had ik deze met opzet achter-
wege gelaten. Ondanks dit euvel, heb ik besloten deze
kenmerken toch in onderstaand overzicht op te nemen, —
daarbij nog eens de nadruk leggende op het feit, dat zij aan
groote variatie onderhevig zijn. De tabel heeft bovendien
ook in andere opzichten eene wijziging ondergaan, o. a. door
ODONATA NEERLANDICA. 22
het opnemen van het genus Cerczon NAV., waarvan op pag.
92 van dit deel reeds melding gemaakt werd. (Zie ook de
noot onderaan pag. 222). Mede hierdoor wordt het gebruik
van onderstaande determineertabel — met behulp van de
op pag. 105 en 106 in deel I gegevene — aangeraden.
Op pag. 106 bovenaan, leze men dan als volgt:
3. Kleur van het abdomen bloedrood met zwart. Achter-
hoofd bronskleurig-zwart, zonder postoculaire vlekken. Oor-
sprong van 47? in den voorvleugel meestal 5—6 cellen, in
den achtervleugel meestal 4—-5 cellen distaal van den nodus
Pyrrhosoma CHARP.
Kleur van het abdomen grootendeels donkerbrons. Achter-
hoofd bronskleurig-zwart, zonder postoculaire vlekken. Oor-
sprong van J/? in voor- en achtervleugel als bij Pyrrhosoma
Erythromma CHARP.
Kleur vani het.abdomen zeer variabel: è Lea
4. Dorsum van segm. 1—7 bij het 4, uitgezonderd zeer
smalle basale ringetjes, steeds volkomen donker gekleurd.
Oorsprong van M? in den voorvleugel meestal 4 cellen, in
den achtervleugel meestal 3 cellen distaal van den nodus.
Achterhoofd donker, doch steeds voorzien van kleine of
groote, lichtgekleurde postoculairvlekken of streepjes. . 5
Dorsum van segm. I—7 bij het { nimmer volkomen
donker van kleur. Oorsprong van M* in den voorvleugel
meestal 5 —6 cellen, in den achtervleugel meestal 4—5 cellen
diseaala van, densnodusir ame tad KR NS IL altan Bra CO
5. Postoculaire vlekken tot een smal dwarsstreepje met
elkaar versmolten. Dorsum van thorax en abdomen sterk
glanzend metaalgroen ; antehumeraalstreep ontbrekend. Ptero-
stigma in beide seksen éénkleurig. 8° sterniet bij het 2 zonder
naar achteren gerichte doorn. . . . . Nehalennia SELYS
Postoculaire vlekken cirkelrond, of wel zoodanig vergroot,
dat de geheele achterhoofdsruimte er door wordt ingenomen
en licht gekleurd is. Dorsum van thorax en abdomen minder
glanzend. Pterostigma bij het & in den voorvleugel proximaal
zwart, distaal wit. 8° sterniet bij het ® met een naar achteren
serichte doorn i 1 « eee (Ischnura CHAR.
6. Pterostigma gedachte zoo groot als de onderliggende
cel. % Appendices superiores, van boven gezien, langer dan
222 M. A. LIEFTINCK,
segm. IO, te samen een ongeveer cirkelvormige grijptang
vormend. 2 Lamina mesostigmalis groot en duidelijk zicht-
baar, niet bedekt door den prothorax, aan weerszijden met
een gele, bultige verhevenheid . . . . Cercion NAvas ')
Pterostigma van licht grauwbruin tot zwart, kleiner dan
de onderliggende cel. 7 Appendices superiores steeds korter
dan segm. 10. ® Lamina mesostigmalis zeer klein, in den
regel volkomen door den prothoraxibedekt .. Ri wer
7. 8° sterniet bij het 2 voorzien van een korte, doch
duidelijke vulvaardoorn. Abdomen van het 4 (fig. 25). Oor-
sprong van JZ? in den voorvleugel meestal 5—6 cellen, in
den achtervleugel meestal 5 cellen distaal van den nodus .
Enallagma CHARP.
8° sterniet bij het £ zonder vulvaardoorn. Abdomen van
het 4 (fig. 27— 56). Oorsprong van M? in den voorvleugel
meestal 5 cellen, in den nn meestal 4 cellen distaal
van. den’mnodusi. io MERE ©. . + + . Agrion FABR.
Op: pag. 113, regel 5 v.o. toe te voegen: Prov. Drente?
Dwingeloo, Lheeérzand, 26. III. 1926 (W. BEIJERINCK)!
Op pag 113, regel I v.o. toe te voegen: Soesterveen,
IV. 1926!
Op pag) 170, regel 4 v.o. (excl. noot) bij ‘te’ voegen
Agrton puella is ook in de omgeving van Aerdenhout (N.-H.),
aan slootjes op de grens der binnenduinen, talrijk door mij
aangetroffen ; zij vliegt daar in gezelschap van /schnura elegans
en Agrion pulchellum. Ook werden op deze plaats eenige
afwijkende stukken verzameld, w.o. de ab. c. pseudolunu-
latum LEONH.
AANVULLINGEN EN VERBETERINGEN OP DEEL II
DER ODONATA NEERLANDICA.
Op pag. 85, regel 8 v.b. staat: 52; lees 48.
adibito aes Soia 10 > » » Ann. de ‘Nobs Teese
Annesius de Nobilibus.
:) Eene volledige karakteriseering van het genus Cercion Navas,
tegenover het genus Agrion s.str., hoopt de schrijver bij eene andere
gelegenheid te geven. Voorloopig volsta men met de hierboven aange-
duide verschilpunten, vooral daar eene uiteenzetting over de structuur
van den penis bij de Zygoptera in dit verband slechts van ondergeschikt
belang is. (Vgl. II, pag. 92, huj. op.).
ODONATA NEERLANDICA. 223
Op pag. 88, regel 14 vb. staat: Mitteil.; lees: Mitteill.
DI PE IE 2.9.0, ne Bibliot. Entomologica;
lees: Bibl. entomologica.
Op ‘pag. 88, regel 8) vo toe? te voegen: Fasc.- VM,
pp. [14—I1$.
Op pag. 99, regel 12 v.o. staat: NEWN.; lees: NEWM.
» >, 100,0 % ae » +: Ankev.; lees: Anke-
veensche.
Op pag. tor, regel 7 v.o. (excl. noot), staat: larven;
lees: imagines.
Op pag. tor, regel 11 v.o. (excl. noot), staat: larven;
lees: imagines.
Op pag. 132, regel 2 v.b. staat: onophoudelijk; lees: bij
herhaling. i
Op pag. 135, regel 5 v.o.staat: en tegen; lees: en in het
midden, of tesen......
Op pag. 138, regel 10 v.o. staat: vrov.; lees: prov.
TA POW pb. oo ME anastomiseerende lees:
anastomoseerende.
Op pag. 147, regel 3 v.o. (noot), staat: beschuttenden;
lees: sbeschutten:
Op pag. 147, regel 14 v.o. (excl. noot), staat: hyanilata;
lees: hyalinata.
Op pag. 149 en 150 (noot) worden eenige regelen gewijd
aan het voorkomen van Acarz-larven op de vleugels van
anisoptere Odonaten; het volgende beschouwe men als eene
aanvulling op deze samenvatting.
Dr. D. MAC GILLAVRY was zoo vriendelijk mij te wijzen
op eene mededeeling van zijne hand in het „Tijdschr. v.
Entom.”, 56, 1913 (Verslag Zomervergad., p. LIX—LX),
eveneens betrekking hebbende op het voorkomen van mijten
op volwassen libellen. Dr. MAC GILL. vraagt zich af (p. LX):
„Waarom deze Libellen-Acari zulke merkwaardige voorliefde
hebben, wat betreft woondier en zitplaats en in de tweede
plaats, wanneer en hoe de Acari op hun, als larf het natte
element bewonende, gastheer komen?” Op deze vragen kan
slechts een onvolledig antwoord worden gegeven. — Dr. A. C.
OUDEMANS, wien ik eenige opheldering verzocht en bovendien
het geschrevene op pag. 149— 150 (noot) toezond, was bereid
224
M. A. LIEFTINCK,
mij uitvoerige inlichtingen te verschaffen, die weliswaar niet
tot een geheel bevredigende oplossing leiden, maar in ieder
geval meer licht werpen op deze kwestie, dan andere schrij-
vers konden doen. Dr. O.’s opvattingen zijn als volgt samen
te vatten.
iS
Den
3%
om:
De op libellen levende diertjes zijn zonder twijfel de
larven van Hydrachuidae.
Voor de imagines zijn het echte parasieten.
Het is onjuist, dat DE GEER „geconstateerd’ zou
hebben, dat Acarus libellulae DE GEER dezelfde soort
zou zijn als A. eymnopterorum L., want deze laatste
parasiteert op Culex en is de larve van Hydryphantes
gymnopterorum L. (= ruber DE GEER). DE GEER be-
schouwde die twee soorten dus ten onrechte als syno-
niem. [Ook H. CAMPION (60) heeft dit niet geweten !]
De op Caenta obscura MEIG. (dipteron; vgl. CAMPION,
l.c., p. 242) levende parasiet is waarschijnlijk ook eene
larve van Hydryphantes gymnopterorum L. Of de gast-
heer bij water leeft is mij niet bekend *). De parasiet
van Dytiscus spec. is Hydrachna geographica O. F.
MüLLER.
Na kennis genomen te hebben van de waarneming
van Dr. RIS (bij CAMPION vastgelegd in een ‘‘Note”
en luidende: “Furthermore, he (Dr. RIS) told me that
„a large proportion of the nymphs collected by him
„in Switzerland have been infested with Acarine para-
„sites, and, in the cases of Sympetrum sanguineum and
„Enallagma cyathigerum, he has actually witnessed the
„mites passing from the nymphal skin on to the skin
„of the imago while the emergence of the dragonfly
„has been taking place”), krijgt Dr. OUDEMANS den
indruk, dat de larven niet op de nymphae parasi-
teerden, maar het gunstig oogenblik wachtten om
op de imago over te gaan.
Ops pag. Abo, tegel 12 v.b. ‘staat: Toraxzyden’; “ees
Thoraxzijden.
* Dit vliegje, eene Ephydrine, leeft inderdaad bij het water.
DE MEIJERE.
ODONATA NEERLANDICA. 225
Op pag. 157, regel 2 v.o. (noot), staat: Oostpreusen ;
lees: Ostpreussen.
Op pag. 164, regel 3 v.o. (excl. noot), staat: te midden
van; lees: midden tusschen.
Op pag. 175, regel T v.b. vóór 9, bij te: voegen: 1)
SO OD 6 vos staats hier; lees: daar.
» > 192, > “lO vps denke. men achter ,,4-cellig”
een haakje, terwijl „fig. 44” ook tusschen haakjes behoort
te staan.
Op pag. 193, regel 18 v.o. is na viridis EVERSM. een regel
in de tabel uitgevallen; vóór punt 4 leze men eerst:
Thoraxzijden anders gekleurd . SN oe Cor ew A
Op pag. 195, regel 2 v.o. staat: doch duidelijk afgerond;
lees: doch de hoek is duidelijk afgerond.
Opr par. 1907 regel: 4, vab. bij te+voegens Ook “by deze
soort is geconstateerd, dat de imagines nog des avonds
rondvliegen; in de omgeving van Hellendoorn (Ov.), zag ik
de dieren, 10 min. voor zonsondergang (8.15 zonnetijd), in
groot aantal aan boschranden jacht maken op muggen
(begin Juni).
Alphabetisch overzicht der Familién, Sub-familién,
Genera, Species, enz.
(exclusief de gebezigde synoniemen en de namen in de
„Aanvullingen en Verbeteringen”.
AConthasrion >.) «<j 92,| bidentatus … … + 166, 760
Heere Oe Nbimaeulata Sn le CSI
OSCI Gs wer SO ES, zon brachkytron®. „O4, 105, 709
Aeschnidae .. “. = 97, 162 | brunneum .. 2% „srl
MeSchninaes #07 102
AMIS 000 102, 102, 200) (Caenuleaga!. 192,103)" 202
ONO 92 Ncaenulescens Ul: 2116/1720
albifrons eer ZO Cancellati... us ZIO
AGA ve OA, Tod IECAUGANSEEN si 2.0120
Amisoptera. «ety OOR GENCION en... |. : 92
annulatus. . . . . . 166 | Coenagrion 2130302
apicalis, var.) . . 237, 01321 Cordulegaster . … 163, 205
dreticas st 4. .. 30102, 37004 'Corduliesasterinde 163
1) De soort of het geslacht wordt beschreven op de cursief gedrukte pag.
226
Cordulia . 98, 700
Cordulinae. 107,108
Crocothemts . 99, 114
curtisi. 80, 07, 774
cyanea 192,193, 202
cycnos, subsp. . 118
danae. 143, 700
depressa . ne Te?
depressiusculum AS GY,
dittrichi, abre.. MAS
dubia . EAE
elegans : OL 102
ephippiger e 164
Epitheca . 08,100, 270
ernae, var. o IA
erythraea. re PS;
flaveolum 142, 745
flavescens, ab. c. er 24
flavipes . 17 DOT 77
flavomaculata . 102, 708
fonscolombei 142, 143
fulva . 122 0125
Gomphinae. 974.263
Gomphus . 164, 177
grandis 192, 193, 794
Hemianax CON
hyalinata, var.. 140, 147
immaculata, var. . 737,132
imperator 105
insignis, var. TE
isosceles . 192,,,193,.,205
juncea. 192, 193, 204
kraepelini, subsp.. de)
Leucorrhinta. 100, 728
Libellula . OO, NIZI
Libellulidae 96, 97, 98
Libellulinae 87, 07, 08
M. A. LIEFTINCK, ODONATA NEERLANDICA.
lindeni 92
melanogastrum, var.. 86
meridionale . TA2 TAT
metallica . 102,203
mixta . 192, 193, 206
nigrifemur, subsp. 753, 155
nubila, var.. Be)
Onychogomphus. 164, 179
Ophiogomphus . 164, 182
orientalis, subsp. . + 39
Orthetrum. OON
Oxygastra. 86, 97, 99, III
parthenope . 185, 768
pectoralis MES 62,2
pedemontanum. 143; 78
praenubila, var. ST2H
pratense” + | O4 200
pseudolunulatum, ab.c.. 93
pulchellus 172, 2075
Pyrrhosoma . 86
quadrigerum 3 92
quadrimaculata. 122, 722%
rubicunda sq 86
rubrodorsalis, var. 737, 138
rufescens, var. . 01,202
sanguineum . 143, 159
serpentinus . SO
shurtleff . . ZO
simillimus 172, 2701
Somatochlora ‚na Ge
striolatum 143,-752
Sympetrum . 100, 741
tenellum . 86
turfosa, var. > LOL
viridis. 192, 193, 201
vulgatissimus 171,772
vulgatum. 142, 150
a l'UE Ge © yw vy pel er. ra “GO si u |
Di u AL DI u PB FU roe tte Be È i 1472) Di ey si
5 u >” Er tr. TR AT en ua A raw 2 | — :
Pre ah, D: = N LE Le a =] PA u k 12 SI _ dr : = Le : a | +
EE m. Le es
de Pa Lu w Ri ve BEN sak ES u x i ten = | T
a ge EE JE EN en na
wie, n FA: «e ae 7 i : Pups Ri . A a: x
a cy AU TR - u 5 Tan Re, SR Ba 7 n/a La
; | i 3 he an |
oe. © EL ap Vk re ee ”
ar Ae u LL € P nn = x 7 nr he te 7 O SE D
272 ß vo KN Dn n A Cu 5 u 5 > le a Ly “Pe ntt fi _ DI
CONE 7 En u 7 da x da | a 2. oo ce
Ve ej : > ee eek Oi | > Sp 05.377475 ‘ae è A DCR © è er = pal
DT. vd Ni rad CENT VALSE EEn LER ir
er; : JAA | > Tr 2 ie FV USA Ms ge si
pr Tdi a io ae se 7 k n ei hk De 1 i 6 Le 7 u her
rio Sd A 5 Hi a PANI TE DI Me a, ts 2 n a u
DI > A N x 4 à æ Po Dari A x ’ 7 :
met. Di Bia vs ja RONDE Pn a! Pin hos! ol) Si PES
| > ik x e è) 7 A ait 3 a” Dn € 5 DI ai ALTER
Pr ne er EN u Le wa &
EA a 2 oun LOC: LL egy Oh 4 d |
No M ne AU he AS | Me VA ue is) 2 PA iM ES wa:
u E 7 2 à
“eeu | Tas 7 I | À PA
| a ORE a DS DE au, 2
8 7 , AA ASI ; ne
pa “© Ga A d ~~ | i pes PAS Le
JEU AN je 1 À Les 2 ride a 13 der MR i L Le" Du Wa, fa ve u Ni en veg Wi u 5
7 “AR Den « BE | FEO — ‘> n —
Br: >) grotta LI ait . (LR n DI ie I; 3 EM È A vu ve 4 i), Nia}? al à te 7% es DI ’ | 5
Ber do io» RER È 2 A
KEN DE en |». DELA ar MOT vi sie NT
CRE Bia ao: DPI qui fu HA si Di sd. Ro"
BE. gr =" é ae 2 ve u : u der ea: :
se ‘+ TA LP PR n vel i
Ni 7 - i 7 ca È if ! ea "à o yi NE | : Cs 0 | |
> | Di Di Zr. De" del ae , Zr
= © ne ah vm | tà = 7 Di x Ù : = u Pu L- ä u er A rT 7 7
A = ae. o ì NT Py È 7 | Li NE A i i, an 4 | | = BR NI | ce
5 PRE CRE LAS re > n A
. DEA _ os a ur CE 7 Pt u
Be i OO). NS RES
he Pt A LIU CON he Ton. Pader TR ur ar vu
_ = v Li. ie a or MAAN a = ET. | x Er a
7 Dr Fe IK Le ea fu = i ii hea 5
i y | Lure di A =< a ra en held
Pali ver
» né A u EN ke e se id i u L 7 x
SI ta; uo, u 4 nig 7 IR gr fi ie pae wy A Br EAN Ra 8 KAR KN PAU re = li 7 li De
hik Dr à > Li 5 Di) JM . vos al 7 | et ’ vu tie È FAN
fi en Da Aaa SATO AR A ni RR ALTO
= yy 7 ae
7 + LT. we
u BEER Ln DES sa) e A u. er u | ar > Da - à x |
Je La ; 7s i ad i u AU N DE x
4 Be Ein (ada Ms. sù ME» Male RT ft qui pit, Zi. Wer 16 Mi Lel VAL Pc a
nl 7 È Ps Dn 7 far « 5 pe Ka | Ù
Jd À Ve Ca è vl pi be a mi ’ bi u 184 4a dit: 3 % bay he i ony: LU a En ue al Ò uo x
ka 2 hall Di CD 7 2 u :
we la, ph a —_ Be an .
Ba) ken Puis An, ah AN Dt EN ‘nas vio, dok ‚Gan
RR SAT ty A
Pi LS a
L'ARIA Da vu un 4 æ a Li DL Va Aaf Sr ny
» : W
COEUR È TS x
mene Up. Br kl Min NN sie 2 oe 27 Bi EN an VE A ra 7 n Er LA % : D on Ar.
u ad = a | an Al è ri u 7 a i da sn DI : i tal
°° RP alg
Du PRI deu Es PER » po _ Bere = an 7 = A 7 12 u |
We ay i sp) si Au a _ ) ur | a al ART Au San ed TE er |
dl ba ART u wi pre Di o | 1 DR + Nad si ‘à | | A 10.9 =
i e i uit, tale = er ay apy ag 2 i Pra en TN
da Dr ESE in a ni a: si LAS LES al Î = = DEI iù Lal
Be... SARTI en EER VOR EC
Dl Te ORT Dt tn
aes ee | be gr LT AA ae on Pi | VO À
7 ue “2 D Find E s\n EE ve EEN sal
i. tans DR Le CA 5 ma en
È fr We, à ne Sua ut AI A % her 4 LS AE A We Se ih A
E : Ce 4
i Le ; Pins ta 5 u >a
Er Bun A TE PL nn th CAMES ar in pa, dagli, i, if ven (o 1 Ur a] a 7 GE N
N 4 RE
fr. | | a |
Vi Bir AL Pes aa SETT. pri CA A si. ni EUR M A rh | a DA a} 8
Li
A Ù A ne 4 D
zn LS u me arc Sag > 2 Al o x L ‘
= ur Ru pl PL TORE LC TE tal It:
Be
Er
eg
=
a
Aa È
pi
ME ir
es à
| u DT lhi i
1? 33. RON
| È 22 sd. mei AFR 10 21 Eee Iren TL
È 7 Br: SOUS ee, a 7 i _ gh ae A Pal dl Pla | Be" 4 MES Li 4 LÉ 7 ar 5 he i *
5 5 =. | mn re +e
È re la li 1: 7 ap. ZZ RO ab Da Er 7 STE 5 aii ai (ae 4 our ha qu Ths h RAT > Ne
TS +. | tu miti u i ve: ur Ks ar aken D
L DIL in fi # = 7 . = è + br NI nr a pe, 3 UT u u . a | =. u
En
| ae aot El u ENT RE , um MR A | |
‘Pas ‘Sule 7 | 5 Su I - - en e ;
er
D ©, D! Qu |
L u CO A dee Be d'a! ei pe + Là n a a. EL a
+ D eines x $ iS Ar è I AT +. Ba RER
ima eG 7 a" En 7 "i x an Le L a! u 0 =
i Litt a Ue it « n re x € : Di "al | u u ia \ À 7 i (Lio
ARR NT : : vp "el Ui Rr ai vi
B L El TUR as 5 za Sd Fi au FA CR “ 2
7 Pa le de se i N N Eu u Der ci u ’ mn | | ne ae 77
i ‘ => ~~ u . } CAN . L . En u È è u si tl 7 Ti
De, OO Sa t Na ve a “'sle Ù Le
au soa . | Fi fa) u u a u m er 7 A Le * :
SN AD W . = — ae #3 d Br n SM i 4 vas
AVIS IMPORTANT.
A partir du Volume LXX (1927) de la „Tijdschrift voor Ento-
mologie” la Société Entomologique Neerlandaise n’accordera plus
de rabais aux libraires; les abonnés qui désireront continuer leur
souscription sont priés de s’adresser directement au secrétaire:
J. B. CORPORAAL, p/a. „Natura Artis Magistra”, Amsterdam.
Le prix de l’abonnement devra être payé d'avance.
IMPORTANT NOTICE.
The Dutch Entomological Society will, beginning with Volume
LXX (1927) of the „Tijdschrift voor Entomologie” no more grant
any reduction to booksellers. Subscribers who want to continue
their subscription, are invited to write directly to the secretary:
J. B. CORPORAAL, c/o. „Natura Artis Magistra”, Amsterdam,
The subscription-fee is to be paid beforehand.
WICHTIGE MITTEILUNG.
Die Niederländische Entomologische Gesellschaft wird, vom Band
LXX (1927) der „Tijdschrift voor Entomologie” an, an Buchhändler
keinen Rabatt mehr gewähren; Abonnenten, die die Zeitschrift
weiter beziehen wollen, werden gebeten, sich direct zu wenden an
den Schriftführer: J. B. CORPORAAL, p/a. „Natura Artis Magistra”,
Amsterdam, Die Bezugsgebühr ist zm Voraus zu zahlen.
Die Larven der Agromyzinen
(Fortsetzung und Schluss)
von
Prof, Dr. 1..C.7El2 DE MELJÈRE
(Amsterdam).
Im ite Teile dieser Arbeit (Tijdschr. v. Entom. LX VIII,
1925, p. 195—293) wurden die Gattungen Agromyza FALL,
Domomyza ROND., Melanagromyza HEND., Ophiomyia BRASCH-
NIKOW, Disygomyza HEND., Lirtomyza Mik abgehandelt.
Einige Zusätze zu diesen Gattungen werden sich noch am
Ende dieses aten Teiles finden. Zunächst kommen die übrigen
Gattungen: Napomyza HAL., Pseudonapomyza HEND., Phyta-
gromyza HEND., Phytomyza FALL., Cerodonta ROND., an die
Reihe, namentlich Pytomyza mit einer sehr beträchtlichen
Artenanzahl.
Phytagromyza HENDEL.
Von dieser Gattung liegen mir bis jetzt nur sehr wenige
Larven vor. Die beiden Arten, über welche ich etwas angeben
kann, haben Phytomyza-ahnliches Schlundgerüst, weder Wärz-
chen noch Stirnfortsatz am Kopfe, und einfache Warzen-
gürtel. Die Vorderstigmen zeigen 2 gleichgrosse Hörner,
welche bei /endeliana HER. kurz sind, Hinterstigmen des-
gleichen, bei similis BRISCHKE länglich, bei /onicerae rund-
lich mit fast geschlossenem Kreise. Hinterende bei beiden
Arten mit zerstreuten Wärzchen besetzt.
Puparium von Lendeliana in der Erde, rotbraun, vorn und
hinten gleichbreit, mit deutlichen Einschnitten, im ganzen
dem Puparium von Phytomyza luteoscutellata DE MEIJ., eben-
falls aus Lonicera, recht ähnlich.
15
228 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
Phytagromyza hendeliana HER. !) Fig. 61.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, welche alternieren ;
die Vorderzahne relativ stark gekriimmt und kräftig. Schlund-
geriist schwarz, obere Anhänge schmal, wenig gebogen mit
relativ langer unterer Gräte, Am Kopfabschnitt keine Warz-
chen. Prothorax ventral in der Mitte mit länglichem Flecken
spitzer dunkler Warzchen. Warzengiirtel massig breit, aus sehr
zahlreichen Reihen kleiner, brauner, meistens mehr weniger
abgerundeter Wärzchen gebildet; die Wärzchen von fast
gleicher Grösse, meistens zerstreut, im hinteren Teil der
Gürtel stellenweise in Querreihen. Vorderstigmen länglich,
mit 2 gleichgrossen Hörnern, mit ca. 12 festsitzenden Knos-
pen. Hinterstigmen rundlich, mit ca. 20 fast einen Kreis
bildenden ziemlich gleichgrossen Knospen. Hinterende abge-
stutzt, unten jederseits mit kurzem, dreieckigem Läppchen,
unter den Hinterstigmen mit zerstreuten Wärzchen.
Fig. 61. Phytagromyza hendeliana HER. a Vorder-, 6, c Hinterstigma.
Fig. 62. Phytagromyza similis BRI. a Vorder-, è Hinterstigma.
Puparium oval, dorsal seicht gewölbt, ventral flach, mässig
glänzend rotbraun mit sehr deutlichen Einschnitten. Vorder-
stigmen weit auseinander als kurze Knöpfchen. Hinterstigmen
weit auseinander auf kurzen, dicken, an der Spitze abge-
stutzten konischen Tragern; zu beiden Seiten des Anus ein
konischer Vorsprung.
Verbreitet an Lonicera periclymenum; Hilversum, Juni,
1) Vor kurzem hat HERING typische Exemplare von „Agromyza”
lonicerae KALT. untersuchen können und gefunden, dass diese eine echte
Napomyza ist (Deutsch. Entom. Zeitschr. 1925, p. 378; Minenstudien VII,
Ztschr. Morph. Ök. d. Tiere. V. 1926, p.453). Was ich, auch in meinen
„holländischen Agromyzinen”, als Phytagromyza lonicerae KALT. bezeich-
net habe, ist nach ihm eine besondere Art, welche er Zendeliana HER.
nennt. Weil vor kurzem HENDEL eine Phylomyza alpigenae n. sp. aus
Lonicera alpigena beschrieben hat (Konowia 4. 1925, p. 307) kennen
wir somit 6 Lonicera-Agromyzinen und dennoch sind die beiden Arten
von ROBINEAU-DESVOIDY noch immer unsicher.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN, 229
Im. April bis Juni des folgenden Jahres. Beetsterzwaag, im
Juni Verpuppung.
MEIJERE, J. C. H. DE. Über zusammengesetzte Stigmen
bei Dipterenlarven. Tijdschr. v. Entom. 38, p. 32 (als Phy-
fomyza Sp...
*Phytagromyza similis BRISCHKE. Fig. 62.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, welche alternieren.
Schlundgeriist schwarz, obere Anhänge schmal, schwach ge-
bogen, der untere kurz. Kopfabschnitt ohne Warzchen.
Warzengiirtel breit, aus meistens zerstreuten, dreieckigen
Warzchen gebildet, welche ziemlich dunkel und mässig gross
sind, die hinteren im allgemeinen etwas grösser. Dorsal vor
den Hinterstigmen sind die Warzen relativ zahlreich und
gut entwickelt, auch das Hinterende ist unter den Hinter-
stigmen mit Warzchen besetzt. Uberhaupt ist die Dorsalseite
mehr als gewöhnlich mit Warzchen versehen.
Vorderstigmen oval, mit 2 fast gleichen Hôrnern, jedes
Stigma mit ca. 18 Knospen. Hinterstigmen auf kurzen Fort-
sätzen, ungleich zweihörnig, das hintere Horn etwas grösser,
zusammen mit ca. 24 etwas. unregelmassig angecrdneten
Knospen.
Hinterende abgestutzt, mit zerstreuten wenig gefarbten
und ziemlich grossen spitzen Warzchen besetzt, welche sich
von dicht unter den Hinterstigmen nach unten erstrecken.
Aus Knautia arvensis L., Oesterreich, HENDEL leg.
Napomyza HALID.
Die Larven sind ziemlich verschiedenartig. Die Mundhaken
zeigen bei lateralis FALL. einen besonders kleinen 2" Zahn,
bei xy/ostei KALT. sind sie relativ kurz und auffällig hoch. Bei
letztgenannter Art findet sich ein Stirnfortsatz, ein Wärzchen-
band kann am Kopfe vorhanden sein. Warzengürtel meistens
von einfacher Bildung, bei xylostei KALT. je die hinteren
Wärzchen grösser.
Vorderstigmen bei lateralis einfach, nur wenig breiter als
die Filzkammer, mit mehreren Knospen, im übrigen meistens
zweihörnig mit noch zahlreicheren Knospen. Hinterstigmen
immer vielknospig, bei lateralis vom Bau der Vorderstigmen,
aber grösser, bei sa/viae HERING mit 2 gleichen Hörnern,
230 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
bei glechomae KALT. und xylostei mit sehr ungleich grossen,
das eine Horn hakenförmig vorspringend. Hinterende nackt.
Das Puparium verbleibt meistens im Blatt oder Stengel,
bisweilen geht die Larve in die Erde (bei glechomae); bei
lateralis ist es relativ lang und schmal, gelb, bei g/echomae
schwarz.
Hinterstigmen je nach der Komplikation mehr oder weniger
vorragend, bisweilen, so bei xylostei, die Läppchen neben
dem Anus sehr deutlich.
Napomyza glechomae KALT. Fig. 63.
Larve gelb, aber nicht tief gelb, hintere Hälfte etwas heller,
mehr weisslich. Mundhaken schwarz, je mit 2 Zahnen, welche
einigermassen alternieren. Schlundgeriist schwarz, mit braunen
Anhängen, die oberen schmal, die unteren kurz. Über der
Sinnesgruppe ein aus ca. 3 Reihen bestehendes Querbänd-
chen von sehr kleinen Wärzchen; unter den Mundhaken
keine vorhanden; Stirnfortsatz nicht vorhanden.
Warzengürtel ziemlich breit, aus äusserst kleinen, ungefähr
gleichgrossen, ziemlich dunklen, kurz dreieckigen Wärzchen
bestehend.
__Vorderstigmen mit 2 ziemlich langen und gleich langen
Hörnern, zusammen mit ca. 16 Knospen. Hinterstigmen
zweihörnig, die Hörner sehr ungleich, das eine Horn lang,
etwas gebogen, in eine Spitze ausgezogen, mit ca. 16 Knospen,
das andere nur halb so lang, mit ca. 6 Knospen. Hinterende
fast gerade abgeschnitten, nackt, zu beiden Seiten des Afters
etwas stumpf dreieckig vorspringend.
Puparium glänzend schwarzbraun bis dunkel rotbraun,
Oberseite seicht gewölbt, Ventralseite flach; Einschnitte deut-
lich aber nicht tief; Vorderstigmen deutlich zweihörnig, das
obere Horn etwas länger, Hinterstigmen ziemlich weit aus-
einander, von charakteristischer Gestalt mit sehr kurzem
oberen Horn; oberhalb der Hinterstigmen eine seichte Längs-
grube. Neben dem Anus keine Läppchen.
Gangminen an Glechoma hederacea L. Amsterdam, Mitte
Mai, verpuppt ca. 30. V, Im. 24. VI; ein anderes am 30. V
verpupptes lieferte die Fliege erst am 18. IX; verpuppt
o. VII, Im. 24. VIII.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 231
HERING, M. Zur Kenntnis der Blattminenfauna des Banats
II. Zeitschr. f. wiss. Insektenbiol. XIX, 1924, p. 41, wo der
Stigmenbau erwahnt ist im Vergleich mit demjenigen bei
N. salviae HER.
VIMMER, A. Rozpr. Cesk. Ak. Cis. Frant. Josef. XXIII, II,
44. — Abhandlung über das Tracheensystem von Dipteren-
larven (Czechisch). Die p. 3 erwähnte Larve von Phytomyza
xylostei KALT. ist nach den Figuren der Stigmen eher Ph,
luteoscutellata DE MEI].
Fig. 63. Napomyza glechomae KALT. a Vorderstigma, è Hinterstigma.
Fig. 64. Napomyza lateralis FALL. a Schlundgerüst, 5 Vorder-,
c Hinterstigma,
Fig. 65. Napomyza salviae HER. a Vorder-, 5 Hinterstigma.
Napomyza lateralis FALL. Fig. 64.
Larve blassgelb; Mundhaken schwarz, ungleich gross, mit
2 Zähnen, welche alternieren, der. 2‘! Zahn klein, nahe
hinter dem Endzahn stehend. Kopfabschnitt ohne Wärzchen.
Schlundgerüst schwarz, relativ stark, obere Anhänge ziemlich
breit, stabförmig, die unteren nur wenig kürzer.
Warzengürtel wenig entwickelt, schmal, aus äusserst kleinen
dreieckigen Wärzchen bestehend, welche keine deutlichen
Quergruppen bilden.
Vorderstigmen knopfförmig, einhörnig, mit ca, 10 Knospen,
2 32 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE;
Hinterstigmen von demselben Bau, je mit ca. 16 in 2 Reihen
angeordneten kleinen sitzenden Knospen, die Filzkammer
relativ schmal, das Stigma nur wenig breiter.
Die Sinnespapillen sind nicht gross, halkkugelförmig, farb-
los. Hinterende abgerundet, nackt.
Puparium blassgelb, relativ lang und schmal, parallelseitig,
mit undeutlichen Segmentgrenzen, Hinterstigmen weit aus
einander, klein, als kurze dunkle Zapfchen vorragend, das
letzte Segment deutlicher abgesetzt als die vorhergehenden.
Neben dem Anus keine Lappchen.
Aus Blütenboden von Senecio aquaticus Huds., Amsterdam,
Pup 24 VDE Im. ca. 201%.
Aus Blütenboden von Matricaria chamomilla, Amsterdam,
Pup. Ende Juli, Im. 10 August.
Aus Blütenboden von Chrysanthemum inodorum. Amster-
dam, Im. 8; Amsterdam, verpuppt ca. 24, VIII; Muiderberg,
235. MIE me ADG Amsterdam Sept., In.ca. 1498
Aus etiolierten Blättern von Cichorium intybus (,,Brusselsch
lof”), in Amsterdam gekauft; III Puparium im Blatte, Im. V,
oder bei Zimmerzucht schon IV. Aus denselben Blättern züch-
tete ich gleichzeitig Ophromyra pinguts, deren Puparium dem
von N. lateralis sehr ähnlich sieht, sich aber besonders durch
die Struktur der Gürtel unterscheidet. In den dicken, kurzen
gelblichen Blättern sind die Gänge dieser Arten wenig deut-
lich, zumal auch keine Excrementkörner gut erkennbar sind.
Aus Stengel von Anthriscus sylvestris (Haarlem), Im. 5. IX.
22; die Puparien finden sich im Winter in Anthriscus-Stengeln
bei Haarlem und Haag, meistens jedoch leer oder Parasiten
führend; ich bekam noch kein Ex. aus einem in solchem
Stengel überwinterten Puparium.
Ein in Mai zu Abcoude gefangenes Exemplar machte einige
Bohrlocher in Taraxacum officinale.
C. BöRNER. Zwei neue Möhrenschädlinge aus den Gattun-
gen Ceutorhynchidius und Phytomyza. Arb. k. biol. Anst. f.
Land- und Forstw. V. 1907, p. 289— 292 (als Ph. genzculata).
Larve im Innern eines ausgehöhlten Stengelgrundes; Ver-
puppung im Stengel. Nach den Figuren handelt es sich hier
um Nap. lateralis FALL., welche nach meinen Beobachtungen
auch im Stengel anderer Umbelliferen lebt.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 23
Us
*Napomyza salviae HERING. Fig. 65.
Mundhaken schwarz, relativ kurz, mit 2 gleichen Zahnen,
diese wenig alternierend. Kein Stirnfortsatz vorhanden, auch
keine Warzchen am Kopfabschnitt. Die oberen Fortsatze des
Schlundgeriistes gebogen, relativ breit, von schwarzer Farbe.
Warzengürtel mässig breit, mit dunklen, dreieckigen Wärz-
chen, je die der vorderen Hälfte im allgemeinen etwas
kleiner.
Vorderstigmen zweihörnig, mit 2 gleichen Hörnern und
ca. 12 Knospen. Hinterstigmen mit 2 etwas ungleichen
Hörnern und ca. 15 Knospen in fast regelmässigem Bogen
Hinterende abgerundet, nackt, unten ohne Lappchen. Papillen
nicht auffallig.
Aus Salvia verticillata (Banat, HERING leg.).
HERING. Zur Kenntnis der Blattminenfauna des Banats,
Zeitschr. wiss. Insektenbiol. XIX, 1924, p. 30 und p. 41, wo
auch die Unterschiede in der Hinterstigmenbildung zwischen
dieser Art und glechomae angegeben sind.
Napomyza xylostei KALT. Fig. 66.
Larve weiss. Mundhaken schwarz, relativ kurz und stark,
ungleich gross, alternierend.
Schlundgeriist schwarz, die oberen Anhänge relativ breit,
der untere nur halb so lang. Über dem Munde median ein
relativ langer kolbenförmiger Anhang. Weder über noch unter
den Mundhaken finden sich am Kopfabschnitt Warzchen.
Warzengürtel ziemlich breit, die Wärzchen der hinteren
Reihen etwas gròsser, scharfer und mehr in Querreihen
angeordnet, nach vorn hin werden die Warzchen allmählich
kleiner, die vorderen oft wenig gefärbt und nicht spitz. Am
2t bis 7ten Abdominalringe liegt auch dorsal eine breite
Wärzchengruppe, etwas mehr nach hinten als der übrige
Teil des Giirtels, auch an diesen Stellen sind je die hinteren
Wärzchen am grössten.
Vorderstigmen dicht neben einander liegend, zweihörnig,
die Hörner fast gleichgross, zusammen mit ca. 18 Knospen,
welche nicht regelmässig in einen Bogen angeordnet sind,
aber hin und wieder dichter stehen. Je unter den Knospen
liegt Ofters an der Aussenseite eine kleine Knospe,
234 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
Hinterstigmen zweihörnig, mit sehr ungleichen Hörnern,
das hintere viel länger; Knospenzahl ca. 24.
Hinterende abgerundet, nackt, zu beiden Seiten der Anal-
offnung ein stumpf dreieckiges, öfters ziemlich grosses
Läppchen.
Puparium im Blatte, meistens oberseits im etwas erwei-
terten, äussersten Ende der Gangmine; in Symphoricarpus-
Blättern aus Leimuiden liegt das Puppchen bisweilen an der
Unterseite, als Fortsetzung der Mine. ‘
uw,
ve!»
Uy U C2
we
“uy y VVUYV
vvv
Fig. 66. Napomyza xylostei KALT. a Vorder-, 5 Hinterstigma,
c Mundhaken, 4 Warzengürtel, e Hinterende des Pupariums.
KALTENBACH’s Differenz zwischen seine xylostei und Zonz-
cerae ist somit nicht stichhaltig und wie ich Tijdschr. v. Ent.
67, 1924, p. 144, auseinandergesetzt habe, beziehen sich
wahrscheinlich seine Angaben iiber die unterseitigen Pupa-
rien letzterer Art gleichfalls auf xy/ostez. !) Die Tonnchen
sind braungelb, oben und unten mit schwarzlichem Längs-
streifen. Die beiden Vorderstigmen als kurze, unmittelbar
neben einander stehende Stäbchen vorragend und etwas
divergierend; charakteristisch sind die ungleichhörnigen Hin-
terstigmen; zwischen diesen liegen 2 kleine gelbe Papillen,
welche nicht immer gleich stark entwickelt sind, aber doch
bei den untersuchten Exemplaren immer gefunden wurden.
Diese Tönnchen sind WEYENBERGHs Figur von Nap. „har-
lemensis’ ahnlich, nur muss er Vorder- und Hinterseite
verwechselt haben.
TRaGARDHS Beschreibung von ,,Phytomysa” xylostei KALT.
1) Man vergleiche ndessen die Anmerkung auf p. 228.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN, 235
stimmt mit obiger Art; der charakteristische Stirnfortsatz
wird von ihm nicht erwähnt,
Verbreitet an Lonicera periclymenum; Hilversum, Juni,
Im, April des folgenden Jahres; Bussum 1 Juni, Im. ca. 1 Juli;
'sHage ca. 30 Juli, Im. ca. 20 August; Hilversum, verpuppt
Oct., Im. April des folgenden Jahres; Winterswijk Juni, Im.
Ende Juni bis 10 Juli; Vollenhove Juni, Im. ca. 19 Juni.
Bergen-binnen Juli, Im. ca. 7 August.
Auch an Symphoricarpus racemosus. Zwammerdam, Im.
Juli; Leimuiden Juli, Im. ca. 18 Aug., Puparien teils ober-,
teils unterseits; Nieuwersluis, Im. Juli.
WEVENBERGH, H. Nederlandsche Dipteren in metamorphose
en levenswijs. Tijdschr. v. Entom. 13. 1870, p. 196. — Wie
ich schon in meinem Verzeichnis der holländischen Agromy-
zinen auseinandergesetzt habe, ist die Phytomyza harlemensts
WEY. obige Art; wenigstens bezieht sich die Beschreibung
von Imago, Larve und Puparium auf diese, auch nach den
Abbildungen auf Taf. 7. Der Autor hat bei Larve und Pupa-
rium das Vorder- und Hinterende mit einander verwechselt.
TRäGäRDH, Iv. Zur Kenntnis von Phytomyza xylostei KLTB.,
eine in Lonicera symphoricarpus minierende Fliege. Zeitschr.
wiss. Insektenbiol. V. 1909, p. 301—304. — Gute Beschrei-
bung und Figuren der verschiedenen Stände.
VIMMER, ANT. Ergänzungen zu dem Aufsatze „Zur Kennt-
nis Phytomyza xylostei KLTB.”, ibid. IX. 1913, p. 19—21. —
Angaben über das 1'° stadium u.s.w.; der ,,sechszähnige”
Mundhaken in Fig. 4 scheint mir nicht richtig.
Pseudonapomyza HENDEL.
Von dieser Gattung mit der einzigen Art afra MG. kenne
ich nur das Puparium. Namentlich eigentümlich sind die
stabförmigen, also für eine Agromyzine weit vorragenden
Papillen.
Pseudonapomyza atra MEIG. Fig. 67.
Diese Art habe ich im Zuchtglase auf Gras gezüchtet und
erhielt aus der weisslichen Larve eine gelbe Puppe. Die Mine
nahm die ganze obere Hälfte des Poa-Blattes ein, zum Teil
war sie zunächst schmaler als das Blatt. Das Excrement
236 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
bildete Reihen von getrennten Körnchen, welche dicht bei-
sammen lagen. Im erweiterten Teile fand sich zu beiden
Seiten eine Reihe. Die Larve hatte sich am Boden des Zucht-
glases verpuppt.
Das Puparium ist vorn etwas breiter als hinten; die Vor-
derstigmen ragen als kurze, konische, schwarze Fortsätze
vor. Die Ringgrenzen sind deutlich. Namentlich auffällig
sind die Papillen, welche je in einer Querreihe nahe dem
Vorderrande der Segmente als kurze, nach der Spitze hin
verjiingte Stàbchen vorragen. Am Hinterende finden sich
unten noch einige etwas grössere Papillen von derselben
Gestalt. Die Warzengiirtel sind an den Seiten
gut entwickelt, als schwarze, mehrere Reihen
bildende Warzchen. Auch ventral sind die
Warzengürtel deutlich zu sehen, die Papillen
etwas kiirzer als oben. Unter den Vorder-
stigmen ist eine Anzahl ziemlich grosser
Warzchen vorhanden. Die Hinterstigmen
stehen weit aus einander, auf kurzen, koni-
RZ DIAL]
= j Dd schen Trägern.
LEV Abcoude, Mitte August die weibliche
Fig. 67. Pseudona- Fliege, Verpuppung der Larve am 22ten Sep-
pomyza atra MG. tember. Ich erhielt diese Art auch aus
Puparium. = 5
Schweden als aus Blattminen von Hafer
gezüchtet (TULLGREN leg.).
Phytomyza FALL.
Die zahlreichen Larven dieser Gattung haben meistens
wenig charakteristische Mundhaken mit je 2 Zähnen, der eine
Haken ist grösser als die andere, die Zähne also alternie-
rend. Nur ausnahmsweise, so bei PA. sphondylii ROB. DESV.
zeigen sie eine besondere Gestalt, wodurch man die Art
gleich erkennen kann. Das Schlundgerüst ist meistens schwarz,
die oberen Anhänge, welche den oberen Flügeln der Agro-
myzen entsprechen, sind schmal, mehr oder weniger gebogen,
der untere ist kurz. Ein Warzenband über der Sinnesgruppe ist
öfters vorhanden, bei mehreren Arten auch ein Stirnfortsatz.
Die Warzengürtel sind fast immer aus zahlreichen einfachen
Wärzchen in zerstreuter Anordnung aufgebaut; besonders
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 237
breit, fast die ganzen Segmente in Anspruch nehmend sind
die Gürtel bei Ph. aquilegiae HARDY.
Die Stigmen sind in vielen Fallen stark kompliziert. Bei
der atricornis-Gruppe sind die Vorderstigmen klein, nur wenig
breiter als ihre Filzkammer, mit mässig zahlreichen Knospen,
die Stigmen dicht neben einander geiegen; in anderen Fallen
sind sie ein- oder zweihörnig, mit zahlreicheren Knospen;
langgestreckte Hörner finden sich z.B. bei /%. obscurella
FALL., Ph. primulae KR. D. Die Hinterstigmen zeigen immer
mehr als 3 Knospen. In der africornis-Gruppe sind auch diese
Stigmen klein und öfters wenig breiter als die Filzkammer,
die Anzahl der sitzenden Knospen dadurch beschränkt, z. B.
6—9. Bei weitaus den meisten Arten wird die Anzahl der
Knospen eine grössere und dann sind sie meistens bogen-
artig, mehr oder weniger regelmässig auf den zweihörnigen
Stigmen angeordnet. Besonders lang ausgezogene Hörner
finden sich bei PA. cicutae HEND. und nzgritella ZETT.
Bisweilen ist bei starker Vergrösserung der Knospenzahl
eine radienartige Anordnung vorhanden, wie sie auch in
anderen Dipterenfamilien auftritt; dies ist im besonderen
bei der in Brennesselstengeln lebenden #avicornis-Larve
der Fall.
In einigen Fällen, nämlich bei #avofemorata STROBL.,
varipes MACQ. und pratensis n.sp., deren Larven Samen von
Rhinanthaceen bewohnen, ist der Bogen geschlossen, sodass
ein vollständiger Knospenkreis vorhanden ist. In anderen
Fällen sind die Hörner ungleich gross, im extremen Verhältnis
findet sich dies bei mili KALT. und primulae R.D., wo die
eine Seite in ein spitzes Horn ausgezogen ist.
In nur wenigen Fällen sind die Papillen auffälliger wie
gewöhnlich, sodass die Art daran z. T. zu erkennen ist. Das
Hinterende ist meistens abgerundet und nackt, bisweilen, so
bei Ph. luteoscutellata DE MEI. mit Wärzchen besetzt. Im
besonderen bei dieser Art finden sich auch untere Läppchen
deutlich entwickelt.
Die Puparien zerfallen hauptsächlich in 2 Formen, die im
Blatte verbleibenden der africornis-Gruppe sind mehr weniger
abgeflacht, nach vorn hin verbreitert und hier mit den V-
förmig neben einander stehenden Vorderstigmen versehen,
238 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
welche, weil das äusserste Vorderende nach der Ventralseite
umgebogen ist, senkrecht aus dem Blatte hervorragen. In
besonderen Fallen durchbohren die dann hornförmig ver-
längerten Hinterstigmen das Blatt, so bei mik KALT. und
primulae R.D. Die Segmentgrenzen sind öfters relativ deutlich.
Die Farbe ist in dieser Gruppe bisweilen bei einer und
derselben Art wechselnd, weiss, gelb, braun oder schwarz.
Bei den anderen, welche sich meistens in der Erde befinden,
ist die Abflächung geringer, das Vorderende meistens auch
etwas, aber wenig, verbreitert; die Vorderstigmen stehen
weiter auseinander und sind oft klein, die Hinterstigmen
gewöhnlich auch wenig vorragend und dadurch wenig auf-
fällig. Die Segmentgrenzen sind im allgemeinen wenig deut-
lich, die Farbe meistens schwarz, bisweilen rot oder gelb.
*Phytomyza abdominalis ZETT. Fig. 68.
Puparium weiss. Vorderstigmen kurz vorragend, parallel,
das Stigma oval mit kleinen ovalen Knospen, ihre Zahl
schwer festzustellen, anscheinlich ca. 10. Hinterstigmen breit
oval, mit ca. 15 sitzenden Knospen in einem Kreis. Papillen
wenig auffällig, farblos, wenig erhaben.
Warzengürtel mässig breit, aus zahlreichen Reihen be-
stehend, die Wärzchen kurz dreieckig, wenig spitz, je die
der vorderen Hälfte kleiner.
Hinterende abgerundet, nackt, auch die Analgegend, zu
beiden Seiten derselben ein kleines dreieckiges Läppchen.
In Blasen an Anemone hepatica (HENDEL leg., Österreich).
Phytomyza aconiti HEND. Fig. 69.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, welche alternieren.
Schlundgerüst schwarz, die Anhänge braun, die oberen
Anhänge schmal, der untere wenig kürzer, aber bald ver-
blassend. Am Kopfabschnitt keine Wärzchen, auch kein
Stirnfortsatz vorhanden.
Gürtel mässig breit, aus zahlreichen spitz dreieckigen
Wärzchen gebildet, die der hinteren und vorderen Reihen
etwas kleiner.
Vorderstigmen zweihörnig, mit 2 gleichen Hörnern, mit
ca. 12 sitzenden Knospen; Hinterstigmen oval, mit ca. 20
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 239
sitzenden Knospen im Randsaum. Papillen nicht auffallig.
Hinterende abgerundet, nackt.
Puparium glänzend graubraun mit massig deutiches Ring-
Fig. 68. Phytomyza abdominalis ZETT. Hinterstigma.
Fig. 69. Phytomyza aconiti HEND. a Vorderstigma, 5 Hinterstigma.
grenzen, vorn nur wenig verbreitert; Vorderstigmen klein,
dicht beisammen, Hinterstigmen weit auseinander, als kurze
konische Stäbchen.
In Blattblasen an Aconitum napellus im Garten, öfters
mehrere beisammen in einer Blase: Amsterdam, verpuppt
cas Mitte Juni, Im. 9 Juli bird Im. ea, 6Sept.; Larve Aug,
Im. im Mai des folgenden Jahres.
In Blattblasen von Delphinium: Amsterdam, Larve im Aug.
Im. im Mai des folgenden Jahres.
Phytomyza affinis FALL. Fig. 70 a, 6, c.
Larve weiss. Mundhaken schwarz, mit je 2 Zähnen, welche
alternieren, je der hintere kleiner als der vordere, die Haken
ziemlich lang, mit fast geradem Rücken. Schlundgerüst mässig
lang, der unpaare Abschnitt schwarz, etwas gebogen, die
oberen Fortsätze braun, schmal, mässig gebogen. Über der
Sinnesgruppe keine Wärzchen, aber ein kurzer Stirnfortsatz
vorhanden.
Warzengürtel ziemlich schmal, aus kleinen, dreieckigen,
zerstreuten Wärzchen gebildet, je die hinteren nur wenig
grösser, wohl etwas weiter aus einander und öfters mehr in
Querlinien angeordnet. Vorderstigmen einhörnig, mit ca. 18
Knospen, die Filzkammer nach oben hin nur wenig verbreitert.
Hinterstigmen von demselben Bau, mit fast gleicher Anzahl
von gleichfalls sitzenden Knospen, auf kurzen konischen
Trägern. Hinterende abgestutzt, nackt, ohne Läppchen.
Papillen nicht auffällig.
Puparium im Blatte, in der Farbe wechselnd, bisweilen
240 PROFMDR MAC. "EP DEUMETIERE,
glänzend schwarz, mit deutlichen Einschnitten, vorn etwas
breiter als hinten, die V-förmigen Träger der beiden Vor-
derstigmen aus der Unter- oder Oberseite des Blattes
hervorragend.
Blattgangminen an Cirsium arvense: Amsterdam, verpuppt
October, im Zimmer 18 Oct., Im. 7—-13 Januar des folgenden
Fig. 70. Phylomyza affinis FALL. a Vorderende, 5 Vorder-,
c Hinterstigma.
Phytomyza agromyzina MG. d Vorder-, e Hinterstigma.
Jahres. Puparium glänzend schwarz. Ibidem, weisse Puppen
im Blatte, Im. 15—20 Juli.
Gangminen an Carduus: Leimuiden Juli, Im. August:
Amsterdam, Im. 1 September.
*Gangminen an Cirsium arvense (Österreich, HENDEL leg.).
Puparium weiss.
Gangmine an Aster tripolium: Diemen, Puparium weiss.
GOUREAU. Mémoire pour servir à l’histoire des Diptères
dont les larves minent les feuilles des plantes. Ann. Soc.
Entom. France (2) 9, 1851, p. 156, Taf. 5. XIII (als daterals,
bezieht sich auch nach HENDEL auf eine affinzs-Form (aus
Sonchus oleraceus und Chrysanthemum leucanthemum).
MELERE, J. C. H. DE. Im Verzeichnis der holländischen
Agromyzinen, Tijdschr. v. Ent. LXVII, 1924, p. 127, gab ich
diese Art auch aus Lappa, Chrysanthemum und Malva an.
Die Exemplare waren durch den Besitz mehrerer Acrostichal-
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 241
borstchen von africoruis verschieden. Eine genauere Unter-
suchung, auch der Genitalien ist indessen erwünscht um zu
erforschen, ob auch hier nicht eine Mischart vorliegt.
Phytomyza agromyzina MG. Fig. 70 d, e.
Mundhaken ziemlich klein, dunkelbraun, je mit 2 Zähnen,
welche kurz und stumpf sind und alternieren. Stirne mit
cylindrischem Fortsatz. Am Kopfabschnitt keine Wärzchen
vorhanden.
Vorderstigmen mit 2 gleichen Hörnern und ca. 14 Knospen.
Hinterstigmen gleichfalls mit 2 gleichen Hörnern, mit ca.
17 Knospen, welche relativ gross sind. Warzengürtel schmal,
die Wärzchen klein und wenig gefärbt, ziemlich weit aus-
einander, nicht in Querreihen, je die hinteren im allgemei-
nen etwas grösser. Papillen nicht auffällig. Hinterende abge-
rundet, nackt.
Gangminen an Cornus sanguinea: Valkenburg (L.), als
Puppe ca. Mitte Juni, Im. Anfang Juli, als Puppe Ende Juli,
Im. 6 August. (Österreich, HENDEL leg.).
Puparium glänzend gelbbraun, vorn etwas breiter als hinten,
Einschnitte mässig deutlich. Hinterstigmen als weit getrennte
Stäbchen kurz vorragend, nach unten mit kurzem Horn.
Hinterende gerade abgeschnitten, unten ohne Läppchen.
Länge 1.5 mm.
Phytomyza albiceps MG. Fig. 71.
Larve gelb. Mundhaken schwarz, ungleich gross, je mit
2 Zähnen, welche alternieren. Schlundgerüst schwarz, die
oberen Anhänge ziemlich breit, nach hinten verschmälert,
unterer Fortsatz halb so lang. Kein Stirnfortsatz vorhanden ;
über der Sinnesgruppe des Kopfes und unter den Mund-
haken finden sich deutliche Warzenbänder. Die Sinnespapillen
an den Seiten der Kopfsinnesgruppe in deutlichem Hof,
welcher halbkugelförmig vorragt.
Die Gürtel mässig breit, aus zahlreichen Reihen von drei-
eckigen, ziemlich spitzen Wärzchen bestehend, die hinteren
allmählich etwas grösser; es werden keine deutlichen Quer-
reihen oder Quergruppen gebildet. Vorderstigmen mit 2 gleich-
grossen oder etwas ungleichgrossen, nicht langen Hörnern,
242 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
deutlich zweiteilig, der Umriss oval; Anzahl der Knospen
ca. 18—20, nach den von mir untersuchten am geringsten
bei den Larven aus Achillea (16— 18), am zahlreichsten bei
denen aus Pyrethrum (bis 21). Puparium schwarz.
Lange Blattgänge an Artemisia vulgaris: Amsterdam, ver-
puppt Ende Juni, Im. Ende Juli; verpuppt Ende August,
Fig. 71. Phytomyza albiceps MG. a, 6 Vorderstigmen, c Warzengürtel,
d, e Hinterstigmen.
Im. Ende Mai des folgenden Jahres; verpuppt Mitte October,
Im. Mitte Mai des folgenden Jahres; verpuppt Mitte Juni,
Im. Mitte Juli.
Blattgänge an Pyrethrum hybridum: Amsterdam, Juni.
Blattgänge an Lupinus im Garten: Amsterdam, 30 Septem-
ber, 1 Ex., nach der Larve vielleicht diese Art.
FROST, S. W. A study of the leaf mining Diptera of North
America, Cornell Univ. Agr. exper. Stat. 1925, p. 65. —
Diese Art kann p.p. wohl die richtige aldzceps MG. sein,
auch nach den Larven-Angaben, doch scheinen mir nicht
alle Wirtpflanze, so z.B. Heracleum, Symphoricarpus, ganz
zuverlässig, zumal die Imagines nicht in allem mit den europäi-
schen stimmen sollen. Zu welcher Pflanze die beschriebenen
Larven und Imagines gehören, wird leider nicht angegeben.
*Phytomyza albimargo HER.
HERING, M. Minenstudien V. Zeitschr. Morph. Okol. d.
Tiere IV, 1925, p. 508, 510. — Abbildung des Pupariums;
nach dieser sind die Vorderstigmen kurz zweihörnig, die
Hinterstigmen desgleichen, die Hörner in beiden Stigmen-
arten gleichgross, sodass die Hinterstigmen nach HERING
pilzförmig aussehen, im Gegensatz zu denen von anemones
HER. — Blattblasen an Anemone nemorosa L. (HERING leg.).
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 243
“Phytomyza anemones HER.
HERING, M. Minenstudien VI. Zeitschr. Morph. Okol. d.
Tiere IV, 1925, p. 508. — Abbildung des Pupariums; nach
dieser stehen die Vorderstigmen auf relativ langen, diinnen
Trägern, welche unmittelbar neben einander eingepflanzt
sind und stark divergieren; die Hinterstigmen zeigen offenbar
nur ein Horn von bedeutender Länge, sodass das Puparium
denen von Napomyza xylostei ähnlich sieht. — Blattmine
an Anemone nemorosa L. (HERING leg.).
Phytomyza angelicae KALT. Fig. 72.
Larven weiss, bisweilen etwas gelblich. Mundhaken schwarz,
relativ lang, je mit 2 starken Zähnen, welche alternieren.
Schlundgerüst schwarz, die oberen Anhänge ziemlich schmal,
wenig gebogen, braun, der untere halb so lang. Stirn ohne
Fortsatz, Kopfabschnitt ohne Wärzchen. |
Gürtel ziemlich breit, aus sehr zahlreichen, kleinen, drei-
eckigen, fast gleichgrossen, zerstreuten Wärzchen gebildet.
Papillen mässig auffallend, wenig gefärbt, kaum halbkugel-
förmig vorragend.
Vorderstigmen oval, mit 2 gleichen Hörnern, mit ca. 12
Knospen. Hinterstigmen oval, mit 20—22 Knospen.
Hinterende abgestutzt, nackt, zu beiden Seiten mit drei-
eckigem Läppchen.
Fig. 72. Phytomyza angelicae KALT. a Vorder-, Hinterstigma.
Fig. 73. Phytomyza angelicivora HERING. a Vorder-, à Hinterstigma.
Puparium in der Erde, schwarz, nach vorn hin nur wenig
breiter, die Finschnitte schwach; die Vorderstigmen sehr
klein, dicht beisammen. Hinterstigmen klein, von einander
entfernt.
In Blattblasen an Angelica sylvestris, öfters mehrere Lar-
ven in einer Blase.
16
244 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
*In Blattblasen an Aegopodium podagraria (Osterreich,
HENDEL leg.), nach der Larve obiger Art gleich, wegen der
gelbbraunen oberen Fortsätze nicht = obscurella, auch die
Hinterstigmen mit wenigeren Knospen (23).
*Phytomyza angelicivora HERING. Fig. 73.
Mundhaken mit je 2 Zahnen, welche deutlich alternieren.
Obere Anhänge des Schlundgerüstes mässig gebogen, braun.
Am Kopfabschnitt weder Wärzchen noch Stirnfortsatz vor-
handen. Vorderstigmen zweihörnig, die Hörner mässig lang,
das vordere etwas kiirzer, zusammen mit ca. 16 Knospen.
Hinterstigmen ziemlich lang und schmal, mit ca. 22 sitzenden
Knospen.
Giirtel massig breit, aus zahlreichen Reihen kleiner, drei-
eckiger, dunkler Wärzchen gebildet, je die hinteren etwas
grôsser, Papillen nicht auffallig. Hinterende abgestutzt, nackt.
Gangmine an Angelica sylvestris (Berlin, HERING leg.),
nach seiner Angabe steht die Fliege der Px. selint nahe,
ist aber doch spezifisch verschieden.
HERING, Minenstudien IV, Ztschr. Morphol. Ökol. Tiere II,
1024, D. 225.
Phytomyza anthrisci HENDEL !). Fig. 74, a—d.
Larve blassgelb. Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen,
diese alternierend. Schlundgerüst schwarz, die oberen Anhänge
ziemlich schmal, wenig gebogen. Stirne mit kurz kolben-
Fig. 74. Phytomyza anthrisci HEND, a Stirnfortsatz, 6 Vorder-,
c, d Hinterstigma.
förmigem oder cylindrischem Stirnfortsatz; am Kopfabschnitt
keine Wärzchen.
Gürtel mässig breit, die Wärzchen sehr klein, dreieckig,
ziemlich dunkel, zerstreut.
1) Vor kurzem von HENDEL als besondere Art von obscurella FALL.
und chaerophylli KALT. abgetrennt.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 245
Vorderstigmen mit 2 gleichen Hörnern, mit 10 —12 Knos-
pen. Hinterstigmen länglich oval, mit 16—20 Knospen.
Papillen klein, wenig vorragend, als kleine, öfters dunklere
Punkte wahrnehmbar. Hinterende abgerundet bis abge-
stutzt, nackt.
Puparium glänzend schwarz, leer bisweilen auch etwas
heller, bräunlich, relativ breit oval und stark gewölbt, vorn
etwas breiter als hinten, Segmentgrenzen wenig erkennbar.
Vorder- und Hinterstigmen getrennt, als kurze Zäpfchen
vorragend. Länge fast 2 mm.
Blattgänge an Anthriscus sylvestris: Amsterdam, verpuppt
Cd LD Juni, Im. 20 Juni, ein zweites erst am 13. Sept.; ibid.
Larve im Januar, Im. im Frühjahr, auch Larve Mitte Mai;
auch verpuppt 6 Aug.; verpuppt ca. 10 Juni, Im. 8—22 Sept. ;
Haarlem, verpuppt ca. 20 Mai, Im. 20—26 Sept.
Eine Larve an Oenanthe phellandrii in meinem Zucht-
garten gehört wohl auch hieher.
HERING. Minenstudien II. Deutsch. Entom. Zeitschr. 1921,
De.
HENDEL. Blattminierende Fliegen (Musciden), Wien. Ent.
Lise 30,, 1922.
HENDEL. Acht neue europäische Agromyziden. Konowia
MOA pi 144.
MEIJERE, J. C. H. DE. Verzeichnis der holländischen Agro-
manen. Lijdschr., v. Entom. LXVIT, :1024,/p: 128,151 (als
chaerophylii).
Phytomyza aquilegiae HARDY. Fig. 75.
Larve weiss bis gelblich weiss. Mundhaken schwarz, mit
je 2 Zähnen, welche alternieren. Schlundgerüst schwarz, die
oberen Anhänge schmal. Am Kopfabschnitt keine Wärzchen
und kein Stirnfortsatz.
Die Gürtel sehr breit, sodass nur ein schmaler Hinterrands-
saum an den Ringen nackt erscheint; die Wärzchen wenig
an Grösse verschieden, abgerundet, mässig gefärbt, dorsal
und ventral vorhanden.
Vorderstigmen mit 2 fast gleichen Hörnern, das hintere
etwas kürzer, mit ca. 10 —12 sitzenden Knospen; die Hinter-
246 PROF. DR. J. €. H. DE MEIJERE,
stigmen gross, fast kreisförmig, mit einem Kreis von ca. 20
sitzenden Knospen.
Hinterende abgerundet, median dicht unter den Hinter-
stigmen eine kleine Gruppe von Wärzchen, weiter nach unten
die ganze untere Hälfte der Hinterseite mit kleinen runden
Wärzchen, dazwischen mehrere Papillen; die Analgegend ist
Fig. 75. Phytomysa aguilegiae HARDY. a Vorder-, è Hinterstigma.
Fig. 76. Phytomyza astrantiae HENDEL. a Vorder-, è Hinterstigmen.
ventral ohne Wärzchen, aber der vorhergehende Gürtel sehr
breit; zu beiden Seiten der Analgegend ein kurzes und
stumpfes Lappchen mit Sinnespapille.
Puparium rôtlich, nach vorn hin nicht merkbar verbreitert.
Einschnitte sehr deutlich. Stigmen klein, wenig vorragend.
An der Hinterfläche die untere Hälfte ziemlich stark gewölbt
vorragend.
In Blattblasen an Aquilegia in Gärten: ’s Hage, verpuppt
7 Juli, Im. ca. I Aug.; ibid. verpuppt Ende Aug. ; Linschoten,
verpuppt ca. 10 Sept., Im. 6—18 Mai des folgenden Jahres.
Leimuiden, verpuppt Ende September, Im. bei Zimmerzucht
Anfang April.
“Phytomyza astrantiae HENDEL. Fig. 76.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, welche alternieren;
der unpaare Abschnitt des Schlundgerüstes etwas gebogen.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 247
Obere Anhänge wenig gebogen, nur an der Wurzel schwarz,
im übrigen gelbbraun. Kopfabschnitt ohne Warzchen.
Vorderstigmen mit 2 gleichgrossen, ziemlich langen Asten.
Hinterstigmen schmal, relativ gross, mit 15—17 Knospen in
ziemlich unregelmässiger Anordnung. Warzengürtel mässig
breit, mit zahlreichen Reihen kleiner, dreieckiger Wärzchen.
Prothorakalgürtel dorsal gut ausgebildet, mit zahlreichen,
kleinen, dunkleren Wärzchen. Papillen nicht auffällig, Hinter-
ende abgestutzt, nackt.
Aus Blattminen an Astrantia major (HERING leg).
HENDEL. Acht neue europäische Agromyziden. Konowia
II. 1924, p. 145.
Phytomyza atricornis MG. Fig. 77, 79.
Larve weiss, etwas gelblich bis gelbweiss. Mundhaken mit
je 2 Zähnen, welche alternieren. Schlundgerüst schwarz, die
oberen Fortsätze schmal, etwas breiter als bei den Phyto-
myzen gewöhnlich, der untere mehr als halb so lang. Kein
Stirnfortsatz. Über der Sinnesgruppe des Kopfes und unter
den Mundhaken je ein Wärzchenband.
Gürtel schmal, aus kleinen Warzen bestehend, diese drei-
eckig und ziemlich dunkel, in zahlreichen Reihen, die der
Fig. 77. Phytomyza atricornis MG. a, 6 Vorderstigma, c Warzengürtel,
d, e, f Hinterstigma.
vorderen Reihen, bis etwa die Mitte des Gurtels, meistens
deutlich kleiner als die der hinteren Hälfte. Prothorax
ohne Wärzchen.
Vorderstigmen mit nach oben allmählich verbreiterter Filz-
248 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
kammer, welche die 6—10 sitzenden Knospen trägt, diese
in 2 unregelmässigen Reihen angeordnet. Hinterstigmen mit
relativ breiter, kurzer Filzkammer; diese ist nach der Spitze
zu wenig erweitert und trägt die relativ wenigen, 6—0,
Knospen. Hinterende abgestutzt, nackt.
Puparium im Blatte, in der Farbe sehr veränderlich, bis-
weilen dunkelgraubraun bis schwarzlich, bisweilen gelb.
Diese Art befallt hauptsächlich Compositen, kommt aber
auch in vielen anderen Pflanzen vor; als Wirtpflanzen fand ich:
Carduus crispus, ’s Hage, Juli, Im. August; Amsterdam,
August, Im. 20 August; Centaurea sp., Amsterdam, Im.
16 Juni; Chrysanthemum frutescens, ’s Hage, Im. Januar
(Zimmerzucht), Garten-Chrysanthen, Amsterdam, Juni, Im.
5 Juli; Cichorium endivia, Amsterdam, October, Im. 4 No-
vember (Zimmerzucht); Dahlia variabilis, Pup. im October,
Amsterdam; Helianthus sp., Pup. Ende Juli, Im. 6 August;
Hvpochoeris radicata, Alkmaar, Im. Ende Juli, Amsterdam,
Pup. im Juli; Lampsana communis, Alkmaar, Valkenburg (L ),
als Pup. 23 Juni, Im. 2 Juli; Pyrethrum hybridum, Amster-
dam, Pup. Juni, Im. 17 Juni; Senecio saracenicus, Amsterdam,
Im. Mitte Juli, auch Bloemendaal; Senecio vulgaris, Meerssen,
Im. Ende Juli bis Anfang August; Sonchus-Arten, Amsterdam,
Juli, Im. 20 Juli, ibid. August, September; ’s Hage, October,
als Pup., Im. 4 November (Zimmerzucht), Alkmaar, Juli;
Tagetes patula, Amsterdam, als Pup. Anfang August, Im.
im selben Monat; Taraxacum officinale, Haarlem, als Pup.
12 Sept., Im. 23 Sept; Meerssen, Juli, Im. Ende Juli; Brassica
napus, Hilversum, Juni; Br. nigra, Amsterdam, als Pup.
26 Sept., Im. 6 Oct. (Zimmerzucht); Sisymbrium sophia,
Amsterdam, verpuppt ca. 1 August, Im. ca. 9 August;
Papaver-Arten: Amsterdam, Juli, Im. ca. 27 Juli; P. orien-
tale, Amsterdam, Juni; Im. ca. 15 Juli, ibid. Ende Juli;
P. dubius, Amsterdam, 19 August, Im. September; Tropaeo-
lum canariense, ’s Hage, Larve August., Im. 12 September;
Trop. maius, Amsterdam, Im. Ende Juli, Putten (G.), Im.
Anfang August; Malva sylvestris, Im. 8 August; Lathyrus
odoratus, ’s Hage, Im. Juli; Pisum sativum, Ulrum, Im. August,
Amsterdam, verpuppt Mitte Juni; verpuppt Mitte Juli, Im.
ca. I August; Convolvulus tricolor, Amsterdam, August;
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 249
Lamium purpureum, Amsterdam, Juli, Galeopsis tetrahit,
Valkenburg (L.), als Pup. ca. 26 Juli, Im. 3 August; Phacelia
tanacetifolia, Amsterdam, Juli; Linaria vulgaris, Denekamp,
Im. 26 Juli; Nieuwersluis, Juli, Im. ca. 25 Juli; Valkenburg,
Juni, Im. im August; Antirrhinum maius, Amsterdam, Juni;
Im. 4 Juli; Echium vulgare, Amsterdam, Im. 7 September.
— Angeblich aus Hafer, Schweden, was die einzige Zucht
aus einer monocotylen Pflanze sein wiirde, welche mir zu
Gesicht kam.
Wahrscheinlich nach der Larve oder dem Puparium auch
hieher gehörend:
Achillea millefolium, Amsterdam, September; Artemisia
vulgaris, Amsterdam, Juni; Calliopsis bicolor, Amsterdam,
August; Centaurea cyanus, Amsterdam, August; Chrysan-
themum leucanthemum, Amsterdam, August; Chr. maximum,
Amsterdam, Juli; Eupatorium cannabinum, Amsterdam, Sep-
tember; Matricaria chamomilla, Amsterdam, Pup. Ende Juli;
Senecio jacobaea, Bussum, Juli; Tussilago farfara, Amster-
dam, Larve im October; Sisymbrium alliaria, Amsterdam,
Ende Mai eine Larve (jedoch keine Wärzchen am Kopf-
abschnitt); Cucumis sativus, Zwammerdam, Juli; Solanum
nigrum, Amsterdam, September.
VIMMER, ANT. Phytomyza albiceps MG. a Phytomyza flavo-
scutellata FALL. jako rostlinni parasiti. Casop. ceské Spol.
Entom. IX. 1912, p. 139. — Mitersterer Art — aus Sonchus
laevis — ist wahrscheinlich PA. atricornis gemeint. Die 2'*
Art halte ich für die Zzriomyza-pustilla-Form aus Vicia faba.
GOUREAU. Mémoire pour servir a l’histoire des diptères
dont les larves minent les feuilles des plantes. Ann. Soc.
Entom. France (2) 9, 1851, p. 148, Taf. 5. X. (als genzculaia).
MEIJERE, J. C.H. DE. Uber zwei schädliche Cecidomyiden,
Contarinia ribis KIEFF. und frszcola n. sp., und über die Erbse
bewohnende Dipteren. Tijdschr. v. Entom. 54, IQII, p. 191
(aus Pisum sativum, als a/biceps MG.). Angaben über das
Puparium.
DUFOUR, L. Phytomyza tropacoli n. sp. Ann. Soc. Ent.
France (3) V. 1857, p. 39—48.
HEEGER. Sitzber. Ak. Wiss. Wien. math. naturw. CI. IX.
1852, p. 774—775 (als Ph. albiceps). Wegen des erwähnten
250 PROF. DR. J. €. H. DE MEIJERE,
hellbraunen, im Blatte verbleibenden Pupariums bezieht sich
die kurze Larvenbeschreibung wahrscheinlich auf afrzcornis.
Angeblich aus Atriplex, Helianthemum, Ballota, Sambucus,
indessen wohl nicht alles einerlei. Die Imago hat in der
Abbildung einen hellen Seitenstreifen in der vorderen Thorax-
hälfte, was mit azrzcornis wenig stimmt.
THEOBALD. Report economic entomol. 1912, p. 61—62.
Die nicht genügend ausgearbeitete Figur der Larve mit dem
im Blatte verbleibenden Puparium ist wohl wieder airzcornis.
Sie wird als pis? KALT. aufgeführt.
SMULYAN, M. T. The marguerite fly or chrysanthemum
leafminer (7%. chrysanthemi KOW.) Agr. exp. Stat. Massach.
Amherst. Bull. 157, 1914, p. 21—52, pls. I—3. — Larven-
beschreibung p. 39, nicht geniigend eingehend.
KRASSILISCIK, I. M. [Zur Frage iiber die Schadlinge des
Flachses in den Gouv. Bessarabien und Chersson und im
nôrdlichen Caucasus]. (Russisch mit deutschem Resumé).
Kisinev. Trd. Obsc. jest. I. 1907, p. 71—127 (als Ph. geniculata).
TULEGREN. Studier og Jakttagelser rôrande Skadeinsekter.
Medd. k. handtbruksstyr. Nr. 111. Stockholm, 1905, p. 41—46.
Die aus Chrysanthemum angegebene Fliege, welche als affinis
bezeichnet wird, könnte nach den nicht genügend charakte-
ristischen Larvenfiguren auch a¢ricornzs sein. Wenigstens
fehlt der Stirnfortsatz der echten affinis aus Cirsium. In
Trädgärden Nr. I, 1915, p. 9—12: Skadeinsekter pà Chrysan-
themum, werden affinis FALL. und genzculata MACQ. beide
aufgeführt.
Die Art, welche RITZEMA BOS an mehreren Stellen als
»albiceps” aus Pisum sativum beschreibt und welcher er früher
eine Beschädigung der Triebspitsen zuschrieb, welche ich
später als durch Cecidomyiden-larven verursacht feststellte,
ist wieder richtig afrzcornis MG.
BÖRNER, K. Zwei neue Schädlinge aus den Gattungen
Ceutorhynchidius und Phytomyza. Arbeiten k. biol, Anst.
Land- und Forstwirtsch. V, 1906, p. 2839— 292 (Ph. geniculata).
Am Grunde der äusseren Rosettenblätter von Möhren in
feinen Gängen. Ist wohl Wap. lateralis FALL. gewesen; man
vergl. p. 232.
BRASHNIKOW. Nachr. Moskauer Landwirtsch. Inst. Jhrg.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 251
1897. Russische Arbeit. Auszug Zoolog. Centrbl. V. 1898,
p. 234—235.
FRENCH. The PAytomysa leaf tunneller (PA. affinis). Hand-
book destruct. insects Victoria, III, p. 71—73, pl. 45. Die
Art soll an einer Auzanl Pflanzen vorkommen; weil hierunter
im besonderen Sonchus als stark befallen erwähnt wird,
möchte ich annehmen, dass es sich auch hier um afrzcornis
handelt.
Frost, S. W. A study of the leaf mining Diptera of North
America. Cornell Univ. Agr. Exp. Stat. Mem. 78. 1924, p. 68.
— Nach diesem Autor soll die von ihm p. 70 erwähnte chry-
santhemi KOW. nicht mit azricornis MG. identisch sein, sich
u.a. durch gelbe Fühlerwurzelglieder unterscheiden. Die von
mir gezüchteten Stücke, auch die aus Chrysanthemum, zeigen
ganz schwarze Fühler. Die Angaben über die chrysanthemi-
Larve stimmen mit meiner africornis. Nach FROST soll
chrysanthemi mehrere Acrostichalborsten aufweisen können;
solche fand ich auch bei Stücken aus Chrysanthemum, wie
ich sie bei affinis erwähnte. In wieweit hier mehrere Arten
vorliegen, ist noch nicht genugend klar.
*Phytomyza avenae n.sp. Fig. 78.
Mundhaken schwarz. Obere Anhänge des Schlundgerüstes
schmal gelblichbraun, wenig gebogen. Über der Sinnesgruppe
ein Warzenband vorhanden; ein Stirnfortsatz fehlt. Warzen-
gürtel mässig breit, aus zerstreuten dunklen dreieckigen
Wärzchen gebildet, die hinteren im allgemeinen etwas grösser.
Vorderstigmen dicht beisammen, einhörnig, mit einer Anzahl
von Knospen; die Träger nicht besonders lang.
Hinterstigmen klein, mit 6 Knospen, nicht viel breiter als
die Filzkammer. Hinterende abgestutzt, nackt.
Die Fliege hat im allgemeinen die Merkmale der PA. affines,
welche offenbar auch wieder eine Mischart ist. Sie hat deut-
lich zweireihige Acrostichalborsten. Stirn und Untergesicht
sind weniger reingelb als bei der echten affinzs, als welche
ich die Art aus Cirsium betrachte. Die Backen sind relativ
lang. Augen zerstreut behaart, viel weniger als bei P/. nigra.
Die hinteren Schenkel sind an der Spitze relativ schmal
gelb, meistens oben weniger breit als unten. Am meisten
252 PROF. DR, J. C. H. DE MEIJERE,
charakteristisch dürfte der Penis gebildet sein (Fig. 78, 0),
an welchem ein langer S-förmig gekrümmter Fortsatz beson-
ders auffällt.
Vorderhüften dunkel. Flügelgeäder ungefähr wie bei atri-
cornts \), aber 2'° und 3 Längsader dunkel. Schwinger dun-
kel. Schüppchen dunkel gerandet und mit dunklen Wimpern.
Hinterleib schwarzgrau, am vorletzten Ring mit schmalem
gelben Hinterrand.
Fig. 78. Phylomyza avenae DE MEI. a Vorder-, 5 Hinterstigma, c Penis.
Fig. 79. Phylomyza atricornis MG. aus Hafer. Penis.
Fig. 80. Phytomyza Brischkei HEND. a Stirnfortsatz, 6 Vorderstigma,
c Hinterstigma.
Puparium wie bei africornis gelblich, ventral mit dunklen
Querbinden an den Einschnitten, diese am Vorderende zu
einem dunklen Flecken verschmolzen. Das durch die Vorder-
stigmen gebildete V mässig lang.
Phytomyza Brischkei HEND. Fig. 80.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, welche alternieren;
Schlundgerüst schwarz, die Fortsätze ins Rotbraune ziehend,
!) Von welcher in dieser Hinsicht auch die affinis aus Cirsium nicht
viel abweicht, weniger als HENDELs Tabelle vermuten lässt.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN, 253
die oberen schmal, ziemlich stark gebogen. Am Kopfe ein
cylindrischer, etwas auf- oder abwärts gebogener Stirnfortsatz,
Warzengürtel mässig breit, mit sehr kleinen dreieckigen,
nicht zugespitzten, ziemlich dunklen Wärzchen, alle ungefähr
von gleicher Grösse, die vorderen im ganzen etwas kleiner.
Vorderstigmen mit etwas grösserem Vorderhorn. Hinter-
stigmen mit 2 gleichgrossen Hörnern, mit ca. 16 Knospen.
Papillen nicht auffällig, wenig erhaben und farblos. Hin-
terende abgerundet, mit dreieckigem Läppchen zu beiden
Seiten des Anus, ohne Warzchen.
Blattblasengang an Trifolium: Hilversum, Mitte Julí, Im.
I Aug.; Diemen, 3 Juli, Im. 23 Aug.; Leimuiden, verpuppt
ca. 30 Juli, Im. 23 Aug. Wenigstens z. T. an Trifolium repens.
Puparium in der Erde, dunkelrotbraun, mässig glänzend,
oval mit deutlichen Ringgrenzen. Hinterstigmen weit aus-
einander, ziemlich kurz.
Das Ei wird in die Unterseite des Blattes abgelegt, der
Gang ist zunächst unten, später nach der Oberseite über-
gehend.
HENDEL. Blattminierende Fliegen (Musciden). Wien. Entom.
769.330, 1922, P. 00:
Phytomyza chaerophylli KALT.
Bis vor kurzem wurde unter diesem Namen auch die
verbreitete Art aus Anthriscus sylvestris begriffen. Nach
HENDEL unterscheidet sie sich indessen von den Exemplaren
aus Chaerophyllum, sodass sie den besonderen Namen
anthrisci HEND. bekommen hat. In den Larven sehe ich
indessen keine Unterschiede, sodass hier höchstens zwei in
beiden Stadien sehr ähnliche Arten vorliegen.
An Chaerophyllum temulum, Valkenburg (L.) verpuppt
ca. 20 Juni.
HENDEL. 8 neue europäische Agromyziden. Konowia III,
1924, p. 144.
“Phytomyza cicutae HENDEL. Fig. 81.
Mundhaken und Schlundgerüst schwarz, die oberen Anhänge
schmal, gebogen, die Mundhaken je mit 2 Zahnen, welche
alternieren. Kein Stirnfortsatz und keine Warzchen am Kopf-
abschnitt vorhanden.
254 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
Warzengürtel mässig breit, aus zahlreichen, zerstreuten
Wärzchen bestehend, namentlich im hinteren Teil der Gürtel
öfters noch deutliche Querreihen, je die hinteren Wärzchen
im allgemeinen etwas grösser.
Vorderstigmen ziemlich lang zweihörnig, mit fast gleichen
Hörnern und ca. 17 Knospen, das hintere Horn etwas grösser.
Hinterstigmen auf ausserordentlich breiten und abgeplatteten
Fig. 81. PAytomyza cicutae HEND. a Vorderstigmen, 5 Hinterende,
c Hinterstigma.
kurz bandförmigen Vorsprüngen, welche sich aus dem abge-
stutzten und nackten Hinterende hervorheben; die Knospen
an den eigentlichen Stigmen zahlreich, mehrreihig und dicht
auf einander gedrängt.
Gangmine an Cicuta virosa (Berlin, HERING leg.).
HENDEL. Blattminierende Fliegen (Musciden), Wien. Ent.
Zte. 39, 1922;9p:07., „Das Tonnchen soll am Blatte kleben
und dem von Ziriomysa virgo ähnlich sehen. Die hinteren
Stigmenträger haben eine Spitzendistanz von */, mm bei 1 mm.
Tönnchendurchmesser und bilden eine auffällig abgeschnürte
Krücke. Bei Liv. virgo ist das Puparium mit dieser Krücken-
gabel in der Öffnung im Stengel von Equisetum palustre
verankert und kann nicht ins Wasser fällen. Vielleicht ist
es bei der Phytomyza ebenso der Fall”.
“Phytomyza cinerea HEND.
Puparium gelbweiss mit rotbrauner Ventralseite, auch hin-
ten fast bis zu den Hinterstigmen von dieser Farbe, ziemlich
DIE LARVEN DER AGROMVZINEN. 255
lang und schmal, parallelseitig. Vorderstigmen dicht beisam-
men. Hinterstigmen auf konischen Trägern, aus deren Spitze
nicht seitlich hervorragend. Über denselben median eine
Längsfurche. Warzengürtel wenig entwickelt, an den Seiten
ziemlich breit, aber mit sehr kleinen zerstreuten Wärzchen.
Hinterende nackt, gerade abgeschnitten. Länge 2 mm.
Aus Centaurea scabiosa (Blasen, Pup. in der Blase) HEN-
DEL leg.
Phytomyza cirsii HENDEL. Fig. 82.
Larve gelb. Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, welche
alternieren. Schlundgerüst schwarz, der unpaare Abschnitt
kurz, die oberen Anhänge ziemlich schmal, mässig gebogen.
Am Kopfabschnitt keine Wärzchen und kein Stirnfortsatz.
Warzengürtel mässig breit, die Wärzchen zahlreich, klein,
dreieckig, fast gleichgross, die vorderen im allgemeinen etwas
kleiner. Am Mesothorax der Gürtel nur dorsal vorhanden,
auch am Metathorax und dem 1!“ Abdominalring dorsal die
Wärzchen vorhanden. Prothorax ohne Wärzchen. Papillen
nicht auffallig.
2
Fig. 82. Phytomyza cirsii HEND. a Vorder-, à Hinterstigma.
Fig. 83. Phytomyza conyzae HEND. a Vorder-, 5 Hinterstigma.
Vorderstigmen einhörnig, mit ca. 16 Knospen. Hinter-
stigmen mit 2 gleichen Hörnern und mit bis 26 Knospen in
unregelmässiger Anordnung. Hinterende abgerundet, nackt.
In Blattminengängen an Cirsium arvense: Amsterdam,
October; verpuppt 17 Juni, Im. ca. 9 Juli; verpuppt 2 Juli,
Im. 20 Juli. Fühler und Taster bisweilen practisch schwarz,
die Fühler unten etwas gelblich.
In blasenartigem Gang an Sonchus: Amsterdam, Larve
August, 1 Ex.
256 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
Puparium ziemlich glänzend schwarz, mit ziemlich deut-
lichen Einschnitten, nach vorn hin etwas breiter als hinten.
Vorderstigmen sehr klein, auch die Hinterstigmen wenig
vorragend. Verpuppung in der Erde.
HENDEL. Blattminierende Fliegen. Deutsch. Entom. Zeitschr.
1923, p. 390. Gänge mit wellenförmigen Frasslinien; Excre-
ment ziemlich unregelmässig einreihig, in Körnchen.
Die Gange dieser Art an Cirsium liegen an der Oberseite,
die Epidermis ist diinn, trocken hellbraun, mit wellenfòrmigen
Frasslinien, die Excremente liegen öfters lange Strecken ein-
seitig und dann die Kérner dicht beisammen. Bei den
gleichzeitig vorhandenen Minen von affinzs ist die Epidermis
dicker, gelbweiss, wellenförmige Frasslinien sind nicht vor-
handen und die Excrementkörner liegen weiter auseinander.
Die Larve aus Sonchus habe ich wegen ihrer Ähnlichkeit
mit den Cirsiumlarven hieher gestellt. Im übrigen kommt
auch die nächstverwandte Ps. albiceps in Sonchus vor, so
nach der Angabe von GOUREAU (als sorckz R. D., von welcher
ROBINEAU DESVOIDY besonders angibt, dass die Fühler ganz
schwarz sein sollen. Rev. Mag. d. Zoolog. (2) III. 1851, p. 400).
Phytomyza conyzae HEND. Fig. 83.
Mundhaken schwarz, mit je 2 alternierenden Zähnen. Obere
Fortsätze des Schlundgerüstes schmal, mässig gebogen, von
schwarzer Farbe. Über der Sinnesgruppe eine Querbinde von
zahlreichen Reihen sehr kleiner Wärzchen; auch unter den
Mundhaken eine Gruppe von kleinen Warzen.
Vorderstigmen klein, knopfformig, einhörnig, mit einigen
sitzenden Knospen; Hinterstigmen auf kurzen, konischen
Trägern, mit ca. 17—19 Knospen in regelmässigem Bogen.
Warzengürtel mässig breit, aus zahlreichen zerstreuten
kleinen dreieckigen, dunklen Wärzchen gebildet, je die vor-
deren etwas kleiner, die hinteren am meisten in Querreihen.
Papillen klein, halbkugelförmig gewölbt. Prothorax ohne
Wärzchen. Im ganzen 9 Gürtel vorhanden, die vorderen am
schmalsten.
Hinterende abgestutzt, nackt, auch in der Analgegend;
unten ein paar kleine Läppchen.
Puparium glänzend dunkelbraun, mit mässig deutlichen
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 257
Einschnitten, etwas abgeflacht. Wärzchen zahlreich, je die
hinteren bisweilen etwas grösser und weiter auseinander.
Ilinterstigmen etwas grösser als die Spitze der getrennten
konischen Träger. Am abgestutzten Hinterende unten ein
paar kleine Läppchen. Länge 1.5 mm.
Aus Gangminen an Inula conyza, Valkenburg (L.), im
Juli als Pup., Im. 3 August; aus In. britannica, Oesterreich,
HENDEL leg.
MARTELLI, G. Intorno a due insetti che attaccono l’Inula
viscosa. Portici Boll. Lab. Zool. 4, 1910 (307— 315). — Der
Autor bezeichnet die Art mit Fragezeichen als praecox MG.,
welche Art in Ranunculus lebt. Nach HENDEL lag in Wirk-
lichkeit conysae HEND. vor.
HERING, M. Minenstudien V. Zeitschr. wiss. Insekt. Biol.
XX, 1925, p. 174. — Ph. centaureae HER. ist dieselbe wie
conysae HEND.; sie stammte wahrscheinlich gleichfalls aus
Inula conyza.
Phytomyza crassiseta ZETT. Fig. 84.
Mundhaken schwarz, kurz und dick, nach hinten verschmä-
lert. Die oberen Anhänge des Schlundgerüstes an der Wurzel
verbreitert, fast gerade, nach hinten braun. Am Kopfabschnitt
keine Wärzchen.
Vorderstigma knopfförmig, wie bei a#ricornis mit nach oben
hin allmählich etwas verbreiterter Filzkammer. Hinterstigmen
gleichfalls ähnlich, mit ca. 8 Knospen. Papillen nicht auffällig,
Warzengürtel ziemlich schmal, mit zerstreuten Wärzchen, die
hinteren im ganzen etwas grösser. Das Hinterende abge-
rundet, nackt.
In Veronica chamaedrys, Valkenburg (L.), als Pup ca.
26 Juli, Im. 3° August.
In Veronica montana (Banat, HERING leg.).
Puparium im Blatte, 1.5 mm. lang, vorn nur wenig breiter
als hinten; Segmentgrenzen nur an den Seiten deutlicher.
Vorderstigmen dicht neben einander aus dem Blatte hervor-
ragend, als kurze, schwarze, wenig divergierende Stäbchen,
Hinterstigmen als ziemlich weit entfernte gelbe Knöpfchen
sehr wenig vorragend.
258 PROF.;DR. J. €. H. DE MEIJERE,
Phytomyza cytisi BRI. Fig. 85.
Larve weiss bis hellgelb, Mundhaken schwarz, ungleich
gross, je mit 2 Zähnen. Schlundgerüst schwarz, die oberen
Anhänge schmal. Am Kopfabschnitt keine Wärzchen.
Vorderstigmen klein, oval, auf kurzen, breiten Fortsätzen,
mit ca. 10 kurzgestielten Knospen in 2 unregelmässigen
Reihen. Warzengürtel mässig breit, mit kleinen aber zahl-
reichen Wärzchen, in zahlreichen Reihen, je die mittleren
Fig. 84. Phytomyza crassiseta ZETT. a Mundhaken, 6 Vorder-,
c Hinterstigma.
Fig. 85. Phytomyza cytisi BRI. a Vorder-, à Hinterstigma,
c Warzengürtel.
Fig. 86. Phytomyza facialis KALT. a, è Hinterstigmen.
Fig. 87. Phytomyza flavicornis FALL. Hinterstigma.
Wärzchen etwas grösser, die vorderen am kleinsten. Hinter-
stigmen auf kurzen, konischen Fortsätzen, mit ca. 13 Knospen.
Papillen wenig gewölbt, farblos. Hinterende abgestutzt, nackt,
unten mit kurzem, dreieckigem Läppchen. Puparium gelb,
überall gleichbreit, Segmentgrenzen wenig deutlich.
Blattgänge an Cytisus laburnum: Amsterdam, verpuppt
ca. 18 Juni—27 Aug, die meisten im Juni; verpuppt 18 Juni,
Im. ca. Aug; verpuppt ca 6 Juli, Im. ea. 10 Aug:
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 259
“Phytomyza facialis KALT. Fig. 86.
Mundhaken schwarz, ungleich gross, je mit 2 Zähnen, welche
alternieren. Schlundgerüst schwarz, die oberen Anhänge ziem-
lich breit, die unteren kaum halb so lang und viel heller,
nur am Unterrande dunkel. Weder Stirnfortsatz noch Wärz-
chen am Kopfabschnitt vorhanden. Vorderstigmen mit 2
kurzen gleichen Hörnern, von der Seite gesehen mit 6
sitzenden Knospen. Hinterstigmen oval, mit 11—14 sitzenden
Knospen in regelmässigem Bogen. Warzengürtel ziemlich breit,
Warzen mässig gross, dunkel, meistens zerstreut, im ganzen
die der beiden vorderen Reihen etwas kleiner, meistens
dreieckig und spitz, nach hinten folgen dann zahlreichere
Reihen mit etwas grösseren Wärzchen. Charakteristisch sind
die grossen, halbkugelförmigen bis fast kugelförmigen Papil-
len, welche man in je einer Querreihe zwischen den Warzen-
gürteln beobachtet; sie sind von brauner Farbe. Auch an
den beiden hinteren Thoracalringen, wo die gewöhnlichen
Warzen sparsam sind, sind diese Papillen sehr auffällig; am
Mesothorax dorsal sogar in 2 Reihen. Es finden sich auch
2 dorsal an der Basis des hinteren Stigmenhorns. Die Quer-
reihen verläufen fast rings um den Körper, es finden sich in
ihnen ca. 8 Papillen an jeder Körperhälfte, auch ventral
sind sie vom Mesothorax angefangen deutlich. Hinterende
ohne Wärzchen.
Gangmine an Bupleurum falcatum (Österreich, HENDEL leg.).
Puparium braungelb, dünnwandig, vorn etwas breiter, mit
deutlichen Einschnitten. Warzengürtel mässig breit, mit klei-
nen Wärzchen. Vorderstigmen klein, ziemlich dicht beisam-
men. Hinterstigmen nicht breiter als die Spitze der Träger,
Hinterende abgestutzt, jederseits mit 3 kurzen Höckerchen,
je das untere am grössten. Länge 1.5 mm.
Phytomyza flavicornis FALL. Fig. 87.
Puparium braungelb, relativ langgestreckt, dünnwandig, nahe
dem Vorderende etwas breiter als hinten, mit sehr deutlichen
Einschnitten. Länge 2.5 —3 mm.
Mundhaken wenig an Grösse verschieden, ziemlich kurz,
das unpaare Vorderende des Schlundgerüstes gleichfalls kurz
und ziemlich breit; obere Anhänge schwarz, ziemlich schmal,
17
260 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
der untere relativ lang, ca. 3/, der oberen, gleichfalls schwarz,
Vorderstigmen meistens einhörnig, kurz knopfförmig, ziem-
lich weit auseinander, mit ca. 9 Knospen. Hinterstigmen
relativ gross und weit auseinander, rundlich, wenig vorra-
gend, mit sehr zahlreichen Knospen in mehreren Radien
angeordnet.
Warzengürtel wenig entwickelt, das Puparium ist an den
Gürteln fein quergestreift, sodass die Wärzchen oft auf oder
neben diesen Linien eingepflanzt sind; sie sind sehr klein,
dreieckig, wenig gefärbt und nicht dicht gestellt, im ganzen
wenig zahlreich. Anallippen etwas angeschwollen.
Im Stengel van Urtica dioica: Bloemendaal, als Pup. Ende
März, Im. ca. 6 Mai; bei Zimmerzucht die Im. schon früher,
z.B. 22 Febr. ins Zimmer, Im. 3 März; 3 März ins Zimmer,
Im. 13 März; Pup. Aug.; Hilversum, als Pup. im Stengel
26 Juli, Im. 19 April des folgenden Jahres.
Larve, Häutungsstadium II—IIl; Bloemendaal, 20 Mai.
Am Kopfabschnitt finden sich keine Wärzchen über der
Sinnesgruppe.
Phytomyza flavofemorata STROBL. Fig. 88.
Larve gelblichweiss. Mundhaken kurz, schwarz, wenig an
Grösse verschieden, mit je 2 Zähnen, welche nicht alter-
nieren, je der hintere Zahn kleiner. Kopf ohne Wärzchen
und ohne Stirnfortsatz. Schlundgerüst relativ kurz, nament-
lich der unpaare Abschnitt, schwarz, die oberen Fortsätze
wenig gebogen, schmal.
Warzengürtel wenig entwickelt, aus wenigen, mehr als
gewöhnlich aus einander stehenden unregelmässigen Reihen
von kleinen Wärzchen bestehend, welche namentlich auf die
dorsale Hälfte der Körperseite beschränkt sind. Wärzchen
klein, dunkelbraun, abgerundet. Prothorax dorsal von vorne
bis fast zu den Vorderstigmen mit breitem Gürtel; die
Wärzchen meistens in Querreihen und kurz dreieckig.
Vorderstigmen wenig vorragend, schmal, zweihörnig, mit
ca. 18 Knospen. Hinterstigmen gleichfalls auf sehr kurzen
Trägern, oval, mit ca. 20 in regelmässigem Kreis angeordneten
Knospen, welcher nicht unterbrochen ist, weil die Stigmen-
narbe ganz von der Filzkammer umschlossen ist.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN, 261
Hinterende abgerundet, nackt.
Puparium oval, etwas abgeflacht, sehr glänzend schwarz,
mit ziemlich deutlichen, namentlich an den Seiten tieferen
Einschnitten. Vorderstigmen sehr klein, weit auseinander.
Hinterstigmen weit auseinander, nur wenig vorragend. Hin-
202
Fig. 88. PAytomyza flavofemorata STROBL. a Vorder-, 6 Hinterstigma.
Fig. 89. Phytomyza gentianae HEND. a Mundhaken, è Vorderstigma,
c Hinterstigma.
Fig. 90. Phytomyza hellebori KALT. Hinterstigma des Pupariums,
Fig. 91. Phytomyza Hendeli HER. a Stirnfortsatz, 5 Vorder-,
c Hinterstigma.
terende gleichmässig gewölbt, gleichfalls stark glänzend.
Länge 1.5 mm.
Aus Samen von Melampyrum arvense, Bunnik, verpuppt
ca. 20 Juli.
Im Juli 1923 war ich durch die Freundlichkeit des Herrn
STRUYKENKAMP in der Lage, frisches Material dieser Art zu
untersuchen. Die Larven sind im Leben weisslich, nur etwas
gelblich. Bisweilen sind mehrere Samenknospen einer und
derselben Blume ausgegessen, sodass keine unbeschädigte
übrigbleibt; andererseits fand ich auch öfters mehrere, sich
gut entwickelnde junge Samen in einer Frucht, ohne Spuren
eines Bohrloches. Die Puparien liegen nicht immer in der
Warze. Ein direkter Zusammenhang, so dass nur die mit
262 PROFEL DR: J. C. “H. DE MEIJERE;
einem Puparium beteilten Samen reif werden würden, scheint
mir nicht vorhanden; die Anzahl der reifenden Samen ist
offenbar sehr verschieden.
“Phytomyza gentianae HEND. Fig. 89.
Mundhaken bräunlich schwarz, der eine mit einem, der
andere mit 2 starken Zähnen. Schlundgerüst gelb, nur ganz
vorn schwarz, die Fortsätze wenig gefärbt. Stirne mit cylin-
drischem Fortsatz, der an der Spitze etwas aufgebogen, aber
nicht erweitert ist. Am Kopfabschnitt keine Wärzchen.
Vorderstigmen einhörnig, mit ca. 11 Knospen; an der
Innenseite unter den Knospen kleine längliche Anhänge wie
bei Ph. ilicis, aber weniger deutlich. Hinterstigmen längs-
oval, fast gleichhörnig, mit 11—13 sitzenden Knospen.
Papillen nicht auffällig, mässig gewölbt, ungefarbt.
Warzengürtel ziemlich breit, aus zahlreichen Reihen wenig
gefärbter abgerundeter bis kurz dreieckiger Wärzchen gebil-
det, die der hinteren Reihen etwas grösser und weiter aus-
einander. Hinterende abgerundet, nackt.
Blattblasen an Gentiana asclepiadea (Österreich, HEN-
DEL leg).
Puparium vorn etwas breiter als hinten, blassgelb, wenig
glänzend, mit wenig deutlichen Einschnitten. Vorderstigmen
dicht beisammen, kurz; Hinterstigmen ziemlich weit aus-
einander, klein, wenig vorragend. Hinterende einfach gewölbt.
Länge fast 2 mm.
“Phytomyza hellebori KALT. Fig. 90.
Puparium braun. Mundhaken schwarz, ungleich gross, je
mit 2 Zähnen. Schlundgerüst schwarz, obere Anhänge ziem-
lich schmal. Vorderstigmen dicht neben einander, stabförmig
vorragend, divergierend. Hinterstigmen mit ca. 20 Knospen.
Papillen undeutlich. Hinterende abgerundet, nackt.
Gangblasenmine an Helleborus (Österreich, HENDEL leg.).
Lupwic, F. Weiteres zur Biologie van Helleborus foetidus.
Zeitschr. f. wiss. Insektenbiol. 1907, p. 45 — 50. — Die Larven
sind weiss, die Puparien finden sich im Blatte.
“Phytomyza Hendeli HERING. Fig. 91.
Mundhaken mit je 2 Zähnen, welche alternieren, die hin-
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 263
teren etwas klein. Stirnfortsatz vorhanden, nach der Spitze
etwas verbreitert. Schlundgerüst schwarz, die oberen Fort-
sätze wenig gebogen, schmal. Am Kopfabschnitt keine
Wärzchen.
Warzengürtel schmal mit gleichgrossen, kleinen, zerstreu-
ten, dreieckigen Wärzchen, welche nur an den Körperseiten
vorhanden sind. Prothorax fast ohne Wärzchen, nur einige
an der Seite. Vorderstigmen mit 2 gleichgrossen Hörnern,
mit ca. 10 Knospen. Hinterstigmen ziemlich gross, auf kurzen
dicken Trägern, oval, mit ca. 18 ziemlich unregelmässig
angeordneten Knospen. Hinterende schief nach unten und
hinten abgestutzt, nackt.
An Anemone nemorosa, Gangminen im Blatte, HERING leg.
M. HERING, Minenstudien Ill. Deutsch. Entom. Zeitschr.
1923, p. 197.
“Phytomyza heringiana HEND. Fig. 92 a, 4.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, welche alternieren.
Schlundgerüst schwarz, der vordere Teil gerade und relativ
lang, die Fortsätze nur an der Wurzel schwarz, weiterhin
braun, die oberen schmal und fast gerade. Weder Stirn-
fortsatz noch Wärzchen am Kopfabschnitt vorhanden.
Gürtel ziemlich schmal, mit zahlreichen Reihen relativ
dicht gelagerter, farbloser, abgerundeter Wärzchen, viele
zerstreut, andere, namentlich im hinteren Teil der Gürtel,
wo die Wärzchen auch etwas grösser sind und weiter aus-
einander stehen, auch etwas spitzer sind, noch in deutlichen
Querreihen.
Vorderstigmen mit 2 gleichen Hörnern, im mittleren Teil
keine Knospen. Hinterstigmen zweihörnig, das untere Horn
etwas grösser, mit einem Bogen von ca. 20 Knospen. Hinter-
ende abgestutzt, nackt.
Gangmine an Pirus malus (Güntersberg a/O., HERING leg).
HENDEL. Blattminierende Fliegen (Musciden). Wien. Ent.
Zito. 398 1922,.p: 69.
*Phytomyza hieracii HENDEL. Fig 92 c, d.
Mundhaken schwarz, ziemlich dick, je mit 2 Zähnen, diese
alternierend. Die oberen Fortsätze des Schlundgerüstes
264 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
schmal, wenig gebogen. Über der Sinnesgruppe keine Wärz-
chen. Vorderstigmen einhörnig, mit ca. 25 sitzenden Knospen.
Hinterstigmen relativ klein, mit ca. 20— 24 Knospen in ziem-
lich unregelmässiger Anordnung. Warzengürtel an den Seiten
Fig. 92. Phytomyza heringiana HEND. a Vorder-, 5 Hinterstigma.
Phytomyza hieracii HEND. c Vorder-, 4 Hinterstigma.
Phytomyza ilicis CURT. e Vorder-, /, g Hinterstigma.
ziemlich breit, die kleinen Warzchen alle fast gleich gross,
dreieckig. Das Hinterende abgerundet, nackt.
Mine an Hieracium pilosella, bei Berlin, HERING leg.
*Phytomyza ilicicola LOEW.
Diese Art wird auch bei z/czs CURT. besprochen. FROST
betrachtete sie als mit letzterer synonym, welche dann von
aguifolii GOUR. verschieden ware, was nach HENDELS und
meiner Ansicht nicht richtig ist. Nach FROST soll die Larve
an den Vorderstigmen ein langes und ein kurzes Horn be-
sitzen, zusammen mit ca. 9 Knospen; die Hinterstigmen
zeigen 22 Knospen in einem Halbkreis (man vergl. seine
Figur Taf. XI, Fig. 4 und Taf. XII, Fig. 12, wo die Art als
ilicicola bezeichnet wird).
Phytomyza ilicis CURT. (= aguifolii GOUR.). Fig. 92 e, fig.
Larve im 2'e" Stadium weisslich. Mundhaken schwarz, der eine
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 265
mit 2 Zähnen, der andere mit Endzahn und sehr kleinem
zien Zahnchen; die Zähne alternierend. Schlundgerüst schwarz,
die oberen Anhänge schmal, der untere halb so lang, bald
verblasst. Stirne mit relativ langem, schmalem Stirnfortsatz.
Am Kopfabschnitt keine Wärzchen vorhanden.
Gürtel breit, die Warzchen dreieckig, fast alle gleichgross,
die hinteren im ganzen etwas grösser. Prothorax nackt, auch
der mesothorakale Giirtel nur dorsal vorhanden, der meta-
thorakale erstreckt sich weiter nach unten und endet in der
Mitte der Körperseite.
Vorderstigmen relativ lang cylindrisch vorragend; ihre
Filzkammer sehr lang, nach oben allmählich zum Stigma
erweitert, am unteren Ende der Filzkammer eine spindel-
formige Tracheeerweiterung. Das Stigma mit 6—-7 Knospen,
je unter sich mit braunem Fleckchen wie im letzten Stadium.
Hinterstigmen mit 6—7 sitzenden Knospen in cinem Bogen,
je unter sich mit braunem Flecken.
Papillen nicht auffallig. Hinterende abgestutzt, nackt.
Dieses 2'° Stadium fand ich im Dezember, gleichzeitig
dann aber auch ein 3'“, aber noch von geringer Grösse.
Anfang März gibt es gleichzeitig erwachsene Larven und
Puparien. Die erwachsenen Larven sind gelblich weiss bis
blassgelb, 3 mm lang, das Puparium ist zunächst gelb, spater
gelbbraun, etwas abgeplattet.
GOUREAU. Mémoire pour servir à l'histoire des diptères
dont les larves minent les feuilles des plantes. Ann. Soc.
EntiErancet@) 00185 p:%143 Pats. Vi
WEYENBERGH, H. Nederlandsche Dipteren in metamorphose
en levenswijze beschreven. Tijdschr. v. Entom. 12, I , p.171
(als Ph. obscurella). Auch bei dieser Art hat W. Vorder-
und Hinterende, desgleichen Rücken- und Bauchseite mit
einander verwechselt.
FROST, S. W. A study of the leaf mining Diptera of North
America. Cornell Univ. Agr. Exp. Stat. 1924. Mem. 78, p. 66.
— Nach diesem Autor sind aguzfolii GOUR. und zlzczs CURT.
nicht identisch. <Aguzfolzz soll eine neuerdings aus Europa
in Amerika eingeführte Art sein, namentlich aus Holland.
Die hier in Ilex nicht seltene Art stimmt tatsächlich mit
FROSTs Angaben über aguifolii überein; die Mine soll sich
266 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
dadurch von der z/czs-Mine unterscheiden, dass sie keine
linienartigen Abschnitte enthält. Bei z/zczs fange die Mine mit
einem linienartigen Gang an; die Vorderstigmen enthalten
je einen längeren und einen kürzeren Ast, die Knospenzahl
ist ca. 9; die Hinterstigmen zeigen 22 Knospen in einem
Halbkreis.
CURTIS’ ursprüngliche Beschreibung seiner z/c2s findet
sich in Gardeners’ Chronicle vom 4'™ Juli 1846, p. 444.
Nach FROST wäre z/zczcola LOEW (von MELANDER als var.
ilicicola zu obscurella gestellt) mit z/zczs CURTIS synonym.
In der kurzen Mitteilung von CURTIS, welche nicht mit
seinem Namen, sondern mit dem Pseudonym ,,Ruricola”
unterzeichnet ist (auch diese Mitteilung soll, wie andere vom
selben Autor, sich in seinem „Farm Insects” (1860) wieder-
finden) zeigt die abgebildete Mine nichts von einem linien-
artigen Anfang. Dass der Autor im Frühjahr ausser Puparien
auch noch einige Larven fand, spricht gleichfalls nicht für
»ilicis” nach FROST, weil bei dieser die Puparien in den
Blattern überwintern sollen.
Auch die Beschreibung der Fliege trifft genügend auf
unsere g/icis zu, die Angaben „face yellowish” und „thorax
yellowish on the sides” sind wohl darauf zuriick zu führen,
dass das einzige vorliegende Exemplar auch nach Angabe
des Autors nicht ganz ausgereift war. Bei FROSTs 2/zczs sollen
Stirne, Angesicht und Wangen ,,yellowish, strongly infus-
cated” sein, nach MELANDER die Wangen braun, die Seiten
des Abdomens und einige Einschnitte gelb, der Thorax mit
schwachem gelbem Humeralfleck, was doch zusammen fiir
CURTIS’ Fliege nicht zutrifft. Ich möchte mir deswegen
HENDELs Auffassung anschliessen und die hier vorkommende
Art als Z/cis CURTIS bezeichnen; z/czcola LOEW wäre dann
aus Europa noch nicht bekannt.
Eine sehr schöne monographische Bearbeitung dieser Art
bildet die Abhandlung von MIALL und TAYLOR: The structure
and life history of the holly-fly, Transact. Ent. Soc. London,
1907, p. 259—283. Auch die 3 Stadien der Larve werden
hierin beschrieben. Die Abbildungen von der Unterseite des
Kopfabschnittes mit den 2 ungleich grossen Mundhaken, der
Seitenansicht desselben mit dem Stirnfortsatz, der Warzen-
DIE LARVEN DER AGROMVZINEN. 267
giirtel und der Stigmen sind vorziiglich, sowie auch die des
Pupariums. Selbst die Stigmennarben und die feinen Bei-
apparate der Stigmen sind richtig abgebildet und erwahnt.
Von letzteren heisst es: each pit (Knospe, DE M.) has a
thickened margin from which an oval appendage hangs down
like an earring in the space outside the air-containing cylinder.
From each appendage a delicate filament is given off, which,
passing down the stalk, branches and ends in intricate
beaded coils, resembling the termination of a nerve on a
muscle-fiber. — Als vermutlicher Name der Art wird nur
aquifolit GOUR. angegeben; es ist eigentiimlich, dass die
Autoren den Namen zgZczs ihres Landsmannes CURTIS über-
haupt nicht erwähnen. Auch im Katalog der paläarktischen
Dipteren IV findet sich zézczs CURT. gar nicht.
Phytomyza jacobaeae DE MEI].
Puparium gelblich, vom afrzcornis-Type, im Blatte liegend.
Schlundgerüst schwarz, die oberen Anhänge ziemlich stark
gebogen. Stigmen klein, die vorderen ein kurzes V bildend,
die hinteren kurz vorragend, mit unregelmässigem Knospen-
bogen, wenig breiter als die Filzkammer. Ein bestimmter
Unterschied von afrzcornis ist mir noch nicht bekannt.
Gangminen an Senecio jacobaea, Valkenburg (L.), Juli.
MEIJERE, J. C. H. DE. Verzeichnis der Holländischen Agro-
myzinen. Tijdschr. v. Entom. LXVI, 1924, p. 152.
Phytomyza lampsanae HERING. Fig. 93.
Die Art gehört in die Nähe von /appae, auch was die
Mine anlangt; ich hielt sie deswegen zunächst für eine und
dieselbe Art und gab auch in meinen „Holländischen Agro-
myzinen” noch Lampsana communis als eine der Futter-
pflanzen von Ph, lappae an. Seitdem hat HERING sie als
besondere Art beschrieben. Auch die beiden von mir gezüch-
teten Exemplare unterscheiden sich von Zappae dadurch,
dass die Mesopleuren nur am oberen Rande, und nicht bis
zur Mitte, hell sind. Auch sind die Beine dunkler.
Was die Larve anlangt, so ist auch diese derjenigen von
lappae sehr ähnlich; sie hat auch einen Stirnfortsatz, aber
einen kürzeren als /appae; auch zeigen die Hinterstigmen
268 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
eine grössere Anzahl von Knospen, bis 30. Über der Sinnes-
gruppe finden sich, wie bei /appae, keine Wärzchen. Wohl
kommen welche weiter nach hinten vor.
Blattgänge an Lampsana communis, Hilversum, Alkmaar,
Fig. 93. Phytomyza lampsanae HER. a Mundhaken, 5 Stirnfortsatz,
c Vorder-, d Hinterstigma.
Juli, verpuppt ca. Mitte Juli, Im. Mitte August; Valkenburg (L.),
verpuppt ca. 25 Juni, Im. 29 Juli; Amsterdam, September.
HERING, Minenstudien V. Zeitschr. Wiss. Ins. Biol. XX,
1925, D:AOL:
MEIJERE, J. C. H. DE. Verzeichnis der Holländischen Agro-
myzinen, Tijdschr. v. Entom. LXVII, 1924, p. 127 (als PA.
lappae GOUR.).
Phytomyza lappae GOUR. Fig. 94.
Larve schmutzig weiss, Mundhaken schwarz, obere Anhänge
mässig breit, schwarz, wenig gebogen, unterer halb so lang.
Stirn mit am Ende etwas kolbenartig angeschwollenem Fort-
satz; über der Sinnesgruppe findet sich kein Warzenband,
sodass der Stirnfortsatz in einer ganz nackten Region liegt,
nur unten am Kopfe findet sich an der Seite je eine Gruppe
ganz kleiner Wärzchen.
Gürtel mässig breit, aus zahlreichen dreieckigen nicht be-
sonders spitzen Wärzchen von fast gleicher Grösse bestehend;
die vorderen etwas kleiner und weiter auseinander. Papillen
nicht auffällig, nur wenig gewölbt, farblos.
Hinterstigmen lang und schmal, verzweigt mit ca. 20—28
ziemlich lang gestielten Knospen, welche in 3 Gruppen
angeordnet sind, die zahlreichste ist ventralwärts gerichtet,
die kleinste nach aussen.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 269
Vorderstigmen kurz zweihörnig, das vordere Horn etwas
langer, mit einer Reihe von ca. 10—12 sitzenden Knospen.
Hinterende abgerundet, nackt.
Bei den Larven aus Eupatorium cannabinum ist der Kopf-
abschnitt bedeutend mehr mit Wärzchen versehen. Sowohl
über als unter den Mundhaken finden sich hier gut entwickelte
Querbänder, im oberen liegt der Stirnfortsatz .
Puparium schwarz, Segmentgrenzen wenig deutlich.
Fig. 94. Phytomvza lappae GOUR. a Stirnfortsatz. à Vorder-,
c Hinterstigma (aus Lappa', d id. (aus Eupatorium).
Blattgänge an Lappa-Arten: Bloemendaal, verpuppt 29 Juli,
Im. 26 Aug.; verpuppt ca. 4 Aug., Im. 26 Mai des folgenden
Jahres; ’s Hage, verpuppt 1 Aug.; Nieuwersluis, 5 August;
Putten (G.), verpuppt ca. 23 Juli, Im. Mitte August.
Blattgänge an Eupatorium cannabinum, Amersfoort, ver-
puppt ca. 11 Sept., Im. 26 Mai; Winterswijk.
Der Gang liegt bei dieser Art zunächst auf der Blattunter-
seite; im zarten Eupatoriumblatt ist dieser Abschnitt lang-
gestreckt, in Lappa meistens kurz und unregelmässig zusam-
mengedrängt, der bei weitem grösste Teil der Mine liegt
oberseits. Das Excrement ist lang streifenartig einseitig, die
Körnchen mehr oder weniger von einander entfernt, bisweilen
aber öfters wechselnd.
Blattgänge an Senecio fuchsi, Berg en Dal, Mitte August,
Valkenburg (L.), verpuppt ca. 28 Juli, Im. ca. Mitte August.
Blattgänge am gezüchteten Heister Diervillea trifida Mnch.
(lonicerae Mill), Nieuwersluis, 5 August, nach der Larve
gleichfalls diese Art, welche an selber Stelle gleichzeitig in
Lappa vorhanden war.
MEIJERE, J. C. H. DE. Über zusammengesetzte Stigmen
bei Dipterenlarven. Tijdschr. v. Entom. 38, p. 32 (als PA.
geniculata ?).
270 BROESWDR ea SCH DE MEIERE:
GOUREAU. Mémoire pour servir à l’histoire des. Diptères
dont les larves minent les feuilles des plantes. Ann. Soc.
Ent: France (2), 9, 1851, p. 150 dafsi AOV
*Phytomyza laserpitii HENDEL. Fig. 95.
Mundhaken mit je 2 Zähnen, welche alternieren, die Mund-
haken an der Anheftungsstelle des unpaaren Abschnittes
ejwas verjüngt, der unpaare Abschnitt gerade, relativ lang
und schmal, die oberen Anhänge schmal, nur an der Basis
schwarz. Über dem Munde kein Wärzchenband, aber nur
ein paar kurze häkchenartige Warzen vorhanden, unter den
Mundhaken keine Warzen.
Vorderstigmen klein, knopfförmig, mit mehreren sitzenden
Knospen. Hinterstigmen kurz vorragend, oval, mit fast regel-
mässigem Bogen von 15 Knospen. Papillen nicht auffällig.
Fig. 95. PAytomyza laserpitii HENDEL. a Mundhaken,
6 Vorderstigma, c Hinterstigma.
Fig. 96. PAytomyza luteoscutellata DE Meij. a Vorderstigma,
b Hinterende, e Hinterstigma.
Warzengiirtel massig breit, aus zahlreichen Reihen kleiner
dreieckiger Warzchen gebildet. Hinterende abgestutzt, nackt.
Aus Laserpitium latifolium (HERING leg.), Platzmine.
HENDEL. Acht neue europàische Agromyziden. Konowia
III ‘1024; "pt 140:
Phytomyza luteoscutellata DE MEI. — /onzcerae BRI. Fig. 96.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, diese alternierend.
Schlundgeriist schwarz, die oberen Anhange schmal, der
untere halb so lang. Weder Stirnfortsatz noch Warzchen am
Kopfabschnitt vorhanden.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 271
Gürtel ziemlich breit, aus mässig grossen, dunklen Wärz-
chen gebildet, die der hinteren Reihen etwas grösser, die
Wärzchen dreieckig, nicht zugespitzt. Papillen gut entwickelt,
braun, halbkugelförmig vorragend.
Vorderstigmen klein, kurz zweihörnig, mit ca. 7 Knospen;
Hinterstigmen mit ca. 12 Knospen in einem regelmässigen
Bogen.
Hinterende abgerundet, im oberen Teile, unter den Hinter-
stigmen, mit zahlreichen Wärzchen; die Lappchen zu beiden
Seiten der Analöffnung mit ziemlich grossem dreieckigen,
nackten Läppchen.
Puparium gelb--dunkelbraun, oval, glänzend, oberseits ge-
wölbt. Vorderstigmen dicht beisammen als kleine Knöpfchen ;
Hinterstigmen als kurze dicke Vorsprünge dicht beisammen,
darunter ein paar deutliche konische Höcker.
Blattgange an Lonicera-Arten in Gärten, u.a. L. tatarica:
Amsterdam, Juni, Im. 30 Juli; Haarlem, verpuppt Anfang Juli.
An Symphoricarpus racemosus: Haarlem, Hilversum, ver-
puppt 14 Mai.
MEIJERE, J. C. H. DE. Verzeichnis der holländischen Agro-
myzinen: Lijidsehr.'v.. Entom.-LX VII, 1924, p. 143, 147.
“Phytomyza luzulae HERING.
Das Puparium dieser Art beschreibt HERING in Minen-
studien IV, ‘Zeitschr. f., Morph... Okol. d. Tiere II, 1924,
p. 241. Es ist vom azrzcornis-Type und befindet sich in der
Mine. Die Vorderstigmen sind mässig lang, wie gewöhnlich
in dieser Gruppe auf dicht beisammen stehenden, divergie-
renden Tragern. Wenn HERING von 2 Knospen spricht, so
sind hier wohl die 2 Horner meiner Terminologie gemeint,
von welchen jede wohl mehrere ,,Knospen” zeigen wird. Die
Hinterstigmen ragen wenig vor und zeigen auf einem Halb-
kreis eine grössere Anzahl von Knospen; sie sind also von
denen der Ph. milii, mit welcher die Fliege grosse Uber-
einstimmung zeigt, sehr verschieden.
In Blattminen an Luzula (Deutschland, HERING leg).
Phytomyza matricariae HENDEL. Fig. 97 a, b.
Die Art steht als Larve wie auch als Imago der Px. albiceps
sehr nahe. Wie diese hat die Larve über der Sinnesgruppe
272 PROF: MDR AMC AT SDESMEIJERE,
und unter den Mundhaken zahlreiche Wärzchen. Das Schlund-
gerüst ist schwarz, der unpaare vordere Abschnitt gerade,
die oberen Fortsätze sind schmal, namentlich in der hinteren
Hälfte wenig gebogen.
Die Warzengürtel bestehen aus zahlreichen, zerstreuten,
einfach dreieckigen Wärzchen. Die Vorderstigmen sind weni-
ger breit als bei a/dzceps, vielmehr einfach kolbenformig mit
etwa 12 Knospen; die Hinterstigmen zeigen ca. 18 Knospen.
Eig. 97. Phytomyza matricariae HEND. a Vorder-, è Hinterstigma,
Phytomyza milii KALT. c Vorder-, d Hinterstigma.
Puparium klein, glänzend schwarzbraun, vorn etwas breiter,
mit deutlichen Einschnitten. Warzengürtel ziemlich schmal,
aus fast gleichgrossen, im ganzen kleinen, dunklen, meistens
zerstreuten Wärzchen gebildet, die im vorderen Abschnitt
der Gürtel etwas grösser. Schlundgerüst schwarz, die oberen
Anhänge schmal, gleichmässig gebogen. Hinterstigmen auf
kurzen konischen Trägern, mässig getrennt, seitlich aus der
Spitze der Träger nicht vorragend. Hinterende gerade abge-
schnitten, nackt, höchstens einige ganz unten, ohne beson-
dere Läppchen. Lange I mm.
An Matricaria chamomilla, Blattgänge mit Kotlinie, Am-
sterdam.
“Phytomyza melana HENDEL.
Puparium stark gewölbt, oval, schwarz, ganz wie das-
jenige von Ph. chaerophylli aussehend, auch mit undeutlichen
Einschnitten.
Gangminen an Pimpinella saxifraga L. (HENDEL leg.).
Phytomyza milii KALT. Fig. 97 ec, d.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, diese alternierend.
Schlundgerüst vorn schwarzbraun, nach hinten schwächer
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN, 273
gefärbt, die oberen Fortsätze schmal, wenig gebogen, der
untere sehr kurz. Am Kopfabschnitt weder Stirnfortsatz
noch Warzchen.
Die Gürtel ziemlich schmal, aus sehr kleinen und zahl-
reichen Wärzchen bestehend, welche spitz dreieckig sind;
die vorderen öfters etwas, aber wenig kleiner. Papillen nicht
auffallig.
Vorderstigma mit 2 langen, gleichgrossen Hôrnern.
Hinterstigmen mit 2 sehr ungleichen Hörnern, das vordere
mit ca. 5 Knospen, das hintere als gerades, spitzes Horn
vorragend, mit ca. 20 Knospen.
Hinterende abgestutzt, nackt, unten jederseits mit abge-
rundetem Läppchen.
Blattgange an Gras: Amsterdam, als Pup. 12 Juni, Im.
26 Juni; Bussum, 2 Juni, Im. ca. 18 Juni; Vollenhove, ver-
puppt ca. 10 Juni; Im. 21— 24 Juni; Amsterdam, Im. im Juni,
Juli, August und Oct.; Meerssen, Juli, Im. 28 Juli—2 August.
Bei Zimmerzucht erhielt ich auch im Winter einige Genera-
tionen hinter einander.
Puparium im Blatte, die beiden Vorderstigmen unmittelbar
neben einander V-fürmig aus dem Blatte senkrecht hervor-
ragend, die Hinterstigmen getrennt, je für sich als langes
schmales etwas gebogenes Horn aus dem Blatte hervorragend.
MEIJERE, J. C. H. DE. Über zusammengesetzte Stigmen
bei Dipterenlarven. Tijdschr. v. Entom. 38, p. 32.
Phytomyza minuscula GOUR. Fig. 98.
Larve weiss, am Hinterende schmal gelb, Mundhaken
schwarz, je mit 2 Zahnen, diese alternierend, Schlundgeriist
schwarz, die oberen Anhänge schmal, wenig gebogen. Am
Kopfabschnitt keine Warzchen und kein Stirnfortsatz. Die
Giirtel wenig entwickelt, mässig schmal, die Wärzchen sieht
man noch am besten am Rande des Riickens (bei seitlicher
Ansicht) als äusserst kleine, ziemlich stumpfe oder abgerun-
dete Zahnchen. Papillen nicht auffallig.
Vorderstigmen schmal oval, mit 2 Hôrnern, das vordere
etwas grösser, ca. 9 sitzende Knospen vorhanden. Hinter-
stigmen schmal, mit ca. 14 Knospen. Hinterende abge-
rundet, nackt.
274 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
Puparium sehr glänzend gelb bis braun, in der Mitte sehr
breit und gewölbt, mit undeutlichen Ringgrenzen.
Blattgänge an Thalictrum: Leimuiden, verpuppt ca. 30 Juli,
Im. 29 Aug.; Amsterdam, verpuppt Mitte Sept., Im 14 Mai
des folgenden Jahres; ibid. verpuppt 3 Aug., Im. 25 —29 Aug.
Blattgänge an Aquilegia vulgaris u.a: ’s Hage, Aug., Im.
25 Sept.; ibid. verpuppt 12 Juni, Im. 3 Juli; Leimuiden,
verpuppt 6 Aug., Im. 28 Aug.; Amsterdam, verpuppt ca.
14 Juni, Im. ca. 3 Juli; verpuppt 1 Sept., Im. 23—26 Sept;
ibid. verpuppt 21 Sept, Im. 29 April des folgenden Jahres.
Die ersten Gänge im Freien beobachtete ich Anfang Juni.
wr
TUR
9) a Al
6
98a
Fig. 98. Phytomyza minuscula GOUR. a Vorder-, 4 Hinterstigma.
Fig. 99. Phytomyza nepetae HEND. a Vorder-, è Hinterstigma.
GOUREAU. Mémoire pour servir à l’histoire des Diptères
dont les larves minent les feuilles des plantes. Ann. Soc.
Entom: France (2) 9,1851, p. 153. Taf.’ 5, XII
Cory. The columbine leaf miner. Journ. econ. entom. IX,
1916, p. 419—424, pl. 31, fig. 25-—26. Nach den Figuren von
Larve und Puparium wohl diese Art und nicht aguzlegiae
HARDY; in der Beschreibung der Imago wird wohl etwas
Gelb ringsum den Ocellenflecken angegeben, ,,shading to
black at base of antennae”, aber nicht die ganz rotgelbe
Stirne der HARDy’schen Art. Bei mznuscula ist die Stirne
gewöhnlich ganz schwarz.
FROST, S. W. A study of the leaf mining Diptera of North
America. Cornell Univ. Agr. Exp. Stat. 1924. Mem. 78, p. 67.
— Auch diese als aguzlegiae HARDY angegebene Art ist
offenbar eher minuscula, weil die Minen linienartig sein sollen;
auch nach seiner Fig. 1, Taf. V. Der Autor erwähnt noch
dass nach HARDY die Minen blasenartig sein sollen, was für
die richtige aguzlegiae HARDY auch wirklich stimmt. FROSTs
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 275
Li
Angabe, dass bei der Imago ,,front, face, and cheeks yellow”
sind, bleibt immerhin unverständlich, wenn es sich nicht
um eine dritte Art handelt.
“Phytomyza nepetae HENDEL. Fig. 90.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, welche alternieren.
Obere Anhänge des Schlundgerüstes schmal, fast gerade.
Kein Stirnfortsatz und am Kopfabschnitt keine Wärzchen
vorhanden.
Warzengürtel breit, aus zahlreichen kleinen, dreieckigen,
zerstreuten Wärzchen gebildet, je die des vorderen Drittels
am kleinsten. Vorderstigmen sehr dicht beisammen, je mit
2 kurzen, gleichgrossen Hörnern mit nicht zahlreichen Knos-
pen. Hinterstigmen weit auseinander, auf kurzen Vorsprün-
gen, klein mit unregelmässigem Bogen von ca. 14 Knospen.
Papillen wenig auffällig, ungefärbt, durch das stark licht-
brechende Centrum erkennbar. Hinterende abgerundet, nackt.
An Nepeta cataria (Mark, HERING leg).
HENDEL. Blattminierende Fliegen (Musciden). Wien. Ent.
Ales 1022; D. 70.
Phytomyza nigra MEIG. Fig. 100.
Larve weiss. Mundhaken je mit 2 alternierenden Zähnen,
schwarz. Schlundgerüst schwarz, die oberen Anhänge ziem-
lich schmal, mässig gebogen. Über der Sinnesgruppe ein
Wärzchenquerband. Kein Stirnfortsatz vorhanden.
Warzengürtel massig breit, aus zerstreuten kleinen drei-
eckigen Warzchen gebildet, je die hinteren in den Gürteln
um weniges grösser. Vorderstigmen kurz zweihörnig, das
vordere Horn etwas länger, auf relativ langen Trägern, mit
ca. 18 sitzenden Knospen in unregelmässiger Gruppe. Hin-
terstigmen mit nach der Spitze hin wenig verbreiterter Filz-
kammer, einhörnig, nur das untere Horn vorhanden, mit ca.
10 Knospen. Hinterende abgerundet, nackt.
Puparium ziemlich lang und schmal, parallelseitig, glanzend
gelb bis schwärzlich, mit deutlichen Einschnitten, nament-
lich die hinteren. Vorderstigmen dicht neben einander,
divergierend, senkrecht nach aussen gerichtet und aus dem
Blatt hervorragend. Hinterstigmen auf seichtem Querwulst
wenig vorragend.
18
276 PROF, DR. J. C. H. DE MEIJERE,
In Gras minierend: Bussum, 1 Juni (Larve); Hilversum,
Juli (Pup.); Haarlem, 25 Juni (Pup.); Nieuwersluis, 9 Oct.
(Pup.); Vollenhove, Mitte Juni; Amsterdam, Juni—October,
noch Mitte October verpuppt; ibid. Juni, Im. ca. 7 Juli.
6
Fig. roo. Phytomyza nigra MG. a, b Vorder-, c Hinterstigmen.
Diese Art bildet Minengänge in Grasblättern, welche als
sehr feine Gänge anfangen; die Excremente sind feinkörnig,
öfters längere Zeit an der einen Seite liegend, dann plötzlich
zur andern übergehend; in den weiteren, ca. 2 mm breiten
Minenabschnitten sind die Gruppen kürzer und mehr abwech-
selnd liegend, im Endteil öfters zerstreute grössere Körner,
in weiter Entfernung von einander.
Die Gänge sehen denen von Lzrzomyza flaveola sehr ähn-
lich, diese haben aber weniger regelmässiges Excrement, die
Körner sind feiner, bisweilen in weiter Entfernung von ein-
ander, bisweilen in Gruppen, wobei öfters mehrere dergleichen
mehr oder weniger lineare Gruppen auf einander folgen, der
Gang bis ca. 3 mm breit werdend. Weiterhin unterscheidet
sich diese Art durch die gelben Larven, welche in der Erde
verpuppen.
Auch die Gänge von Phytomyza mili zeigen grosse Ähn-
lichkeit, das Excrement findet sich in denselben in Längs-
reihen von Körnchen.
Die in den Blättern befindlichen Puparien von 1/12 erkennt
man daran, dass auch die beiden Hinterstigmen hornförmig
aus dem Blatte hervorragen.
Phytomyza nigritella ZETT. Fig. 101.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, diese alternierend.
Schlundgerüst schwarz, die oberen Anhänge schmal, wenig
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 277
gebogen, nur in der vorderen Hälfte schwarz. Am Kopf-
abschnitt keine Wärzchen, aber auf der Stirne ein grosser,
kolbenförmiger Stirnfortsatz vorhanden.
Die Warzen in den Gürteln zahlreich und klein, zerstreut,
ziemlich dunkel und abgerundet. Prothorakalgürtel gut ent-
wickelt.
Vorderstigmen einhörnig. Hinterstigmen sehr auffällig,
mit 2 langen, schmalen Hörnern, welche zahlreiche sitzende
Knospen tragen; diese in ca. 3 Reihen auf den bandförmigen,
an der Wurzel verschmälerten Hörnern angeordnet.
Fig. ror. Phytomyza nigritella ZETT. a Stirnfortsatz, 6 Vorder-,
c Hinterstigma.
Fig. 102. Phytomyza obscura HEND. a Vorder-, è Hinterstigma.
Papillen nicht auffällig. Hinterende abgerundet, nackt, nur
die Analgegend mit kleinen, zerstreuten, schwarzen, wenig
spitzen Wärzchen.
Puparium schwarzbraun, etwas glänzend, mit wenig deut-
lichen Segmentgrenzen, ca. 1.5 mm lang, vorn etwas breiter
als hinten, die beiden Vorderstigmen unmittelbar neben ein-
ander, stabförmig vorragend, divergierend, die Hinterstigmen
weit von einander entfernt, je an einer Seite des quer abge-
stutzten Endes, beide am Ende deutlich zweihörnig.
Blattgänge an Caltha palustris: Abcoude, verpuppt ca,
8 Juli; Winterswijk, verpuppt 22 Juni.
Frost, S. W. A study of the leaf mining Diptera of North
America. Cornell Univ. Agr. Exp. Stat. Mem. 78, 1924, p. 81.
— Die hier als Ph. obscurella FALL. var. nzgritella ZETT.
aufgeführte Art aus Blättern vom Pfirsich, Kirsche, Geissblatt
ist offenbar eine ganz andere Art als obige aus Caltha.
278 PROF. DR. TC: ZH: 2DEIMEITBERE,
HERING, M. Minenstudien VI. Zeitschr. Morph. Ökol. Tiere
IV, 1925, p. 509. — Abbildung des Pupariums.
“Phytomyza obscura HEND. Fig. 102.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, welche etwas weniger
als gewöhnlich alternieren. Schlundgerüst schwarz, die oberen
Anhänge schmal, die unteren halb so lang. Weder Stirn-
fortsatz noch Wärzchen am Kopfabschnitt vorhanden.
Vorderstigmen mit 2 gleichen ziemlich kurzen Hörnern,
mit ca. 10 Knospen. Hinterstigmen oval, mit ca. 13—15
Knospen in regelmässigem Bogen. Warzengürtel mässig breit,
die Wärzchen meistens zerstreut, namentlich die hinteren
bisweilen in Querreihen, die Warzen ziemlich gross, dunkel,
dreieckig, die hintere Hälfte der Gürtel hat etwas grössere
Warzen. Papillen nicht auffällig. Hinterende abgerundet,
ohne Wärzchen.
Gangmine an Clinopodium vulgare (Österreich, HENDEL leg).
Puparium dunkelbraun, glänzend, vorn etwas breiter als
hinten, mit deutlichen Ringgrenzen ; Vorderstigmen dicht
beisammen, divergierend, Hinterstigmen weiter auseinander
als kurze Höcker, zwischen ihnen eine kleine Grube.
HENDEL. Prodromus, p. 168, 174.
Phytomyza obscurelia FALL. Fig. 103.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, diese alternierend.
Schlundgerüst schwarz, die oberen Fortsätze schmal, an der
Wurzelhälfte etwas erweitert, der untere sehr kurz, gleichfalls
schwarz. Kein Stirnfortsatz vorhanden; am Kopfabschnitt
keine Wärzchen.
Warzengürtel sehr breit, aus sehr zahlreichen Reihen von
kleinen Wärzchen bestehend; diese dreieckig, wenig zugespitzt
und nicht sehr dunkel. Am Prothorax der Gürtel breit, die
Wärzchen klein aber zahlreich, der Mesothorakalgürtel nicht
entwickelt. Papillen nicht auffällig.
Vorderstigmen mit2 langen Hörnern und zahlreichen, ca.
18—20, Knospen. Hinterstigmen gleichfalls gross, lang zwei-
hörnig, mit ca. 26 Knospen.
Papillen nicht auffällig. Das Hinterende abgerundet, der
untere Teil etwas vorspringend, nackt.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 279
Puparium wenig glänzend schwarz, dorsal stark gewölbt,
in der Mitte am breitesten, Einschnitte undeutlich; Hinter-
stigmenträger weit auseinander, auch die der Vorderstigmen
relativ deutlich, an beiden die Stigmen selbst länglich und
schmal.
Blattgange an Aegopodium podagraria: Amsterdam, ver-
puppt 30 Mai, Im. ca. 29 Juni; ibid. o Aug., Im. 8 Sept.;
Fig. 103. PAytomyza obscurella FALL. a Vorder-, 5 Hinterstiema
> J 3) Ly ’ 5
(aus Aegopodium), c, d id. (aus Angelica).
verpuppt Ende October, Im. bei Zimmerzucht im April.
Leimuiden, verpuppt Ende Sept., Im. in Mai. Bodegraven,
Im. Aug.
An Angelica sylvestris: verpuppt 30 Juli, Im. 21—28 Aug.
MEIJERE, J. €. H. DE. Uber zusammengesetzte Stigmen
bei Dipterenlarven. Tijdschr. v. Entom. 38, p. 33.
FROST, S. W. A study of the leaf mining Diptera of North
America. Cornell Univ. Agr. Expi.Stat..Mem.:78; 1924, p-181.
— Die hier als odscurella FALL. var. nigritella ZETT. aus
Blättern von Pfirsich, Kirsche und Geissblatt angegebene
Art ist zweifelsohne ganz etwas anderes als obige, ebenso-
wenig mit unserer nzgrztella ZETT. aus Caltha identisch.
Nach, FRoSTs Figur‘ (laf. 1X. Big. 5) tat. XI Fier 1) zeigt
die Larve in den Stigmen Ähnlichkeit mit der Larve von
Ph. heringiana HEND. aus Apfelblatt, doch stimmen die
Angaben über die Zahl der Knospen im Texte nicht; auch
nach Taf. XI, Fig. 13, haben die Hinterstigmen weniger
Knospen.
Phytomyza orobanchia KALT. Fig. 104.
Puparium braun, im unteren Ende des Orobanche-Stengels,
ca. 2 mm lang, oval, vorn und hinten fast von gleicher
280 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
Breite. Mundhaken schwarz, kurz und breit, mit je 2 kurzen
dicken Zahnen, welche nicht alternieren; das Schlundgerüst
schwarz, die oberen Anhänge ziemlich breit. Vorder- und
Hinterstigmen unter einander an Grösse wenig verschieden,
Fig. 104. Phytomyza orobanchia KALT. a Mundhaken, 5 Vorder-,
c Hinterstigma.
Fig. 105. Phytomyza Pauli-Loewi HEND. a Vorder-, à Hinterstigma.
beide oval, die Vorderstigmen mit ca. 16 Knospen, die
Hinterstigmen mit ca. 18.
Warzengürtel schmal, aus ziemlich grossen, dreieckigen
Wärzchen gebildet, alle ungefähr von gleicher Grösse. Papillen
nicht auffällig. Hinterende abgerundet. ohne Wärzchen.
Im Stengel von Orobanche, in den Dünen zu Loosduinen,
als Puparium. Im. Juni.
KALTENBACH. Die Pflanzenfeinde aus der Klasse der In-
sekten. 1874, p. 457.
HENDEL. Prodromus, p. 157, 174.
Nach KALTENBACH nährt sich die Larve zunächst von den
unreifen Samen des Fruchtknotens; sie geht Ende Juli in
den Stengel und verpuppt sich im Marke desselben oder
unter der Rinde in eine braune, lange Puppe.
“Phytomyza Pauli-Loewi HEND. Fig. 105.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, welche alternieren.
Schlundgerüst schwarz, die oberen Anhänge schmal, der
untere kurz, nur an der Wurzel dunkel. Am Kopfabschnitt
weder Wärzchen noch Stirnfortsatz.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 281
Gürtel mässig breit, aus fast gleich grossen, dunklen,
abgerundeten oder stumpf dreieckigen, ziemlich kleinen
Wärzchen gebildet. Papillen kleiner als bei Ph. faczalis aus
Bupleurum, aber doch relativ gross und je zwischen den
Gürteln auffällig. Vorderstigmen klein, knopfförmig, mit ca.
7 Knospen. Hinterstigmen oval, mit ca. 14 sitzenden Knospen
in regelmässigem Bogen. Hinterende abgestutzt, nackt.
Blasen an Peucedanum oreoselinum L. (HENDEL leg.).
HENDEL. Prodromus, p. 158, 174.
Phytomyza periclymeni DE MEIJ. Fig. 106.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, welche alternieren.
Obere Anhänge schmal, schwarz, wenig gebogen. Am Kopf-
abschnitt kein Stirnfortsatz, über der Sinnesgruppe kein
Wärzchenband. Unter den Mundhaken ein etwas konischer
Vorsprung.
Gürtel mit zahlreichen unregelmässigen Wärzchenreihen,
diese alle gleichgross, relativ klein, wenig spitz, dunkel, meis-
tens zerstreut stehend. An den vorderen Ringen erstrecken
sich die Wärzchen dorsal median weiter nach hinten als an
den mehr seitlich liegenden Partien. Papillen wenig auffällig,
Fig. 106. Phytomyza periclyment DE MEY. a Vorder-, 0, c Hinterstigma.
d Vorderende, e Hinterende des Pupariums.
bräunlich. Vorderstigmen mit 2 gleichgrossen Hörnern. Hin-
terstigmen kurz oval, von der Seite gesehen mit 2 gleichen
Hörnern, von oben gesehen mit ca. 20 Knospen in unregel-
mässiger Anordnung. Hinterende abgerundet, nackt.
Puparium gelbbraun, im Blatte liegend, in der Mitte am
breitesten, vorn dreieckig zulaufend ; Segmentgrenzen ziemlich
deutlich. Vorderstigmen V-förmig vorragend. Hinterstigmen
weit anseinander, beide zusammen als kurzes horizontales
Plättchen vorragend, welches hinten eingebuchtet ist. Zu
beiden Seiten der Analöffnung nur ein paar sehr wenig
gewölbte Hôckerchen.
282 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
In Lonicera periclymenum, Bergen-binnen, als Pup. 7 Juli,
Im. Mitte Juli bis Anfang August.
In Symphoricarpus racemosus, Putten (G.), Juli, Im. ca.
I August.
HENDEL. Blattminierende Fliegen. Wien. Entom. Ztg. 39,
1922; 9) 7a
MEIJERE, J. C. H. DE. Verzeichnis der holländischen Agro-
myzinen. Tijdschr. v. Entom. LXVII, 1924, p. 145.
Phytomyza plantaginis ROB. DESV. Fig. 107.
Larve weisslich, nur hinten stellenweise etwas gelb. Mund-
haken schwarz, relativ kurz und breit, je mit 2 grossen Zähnen,
welche kaum alternieren. Schlundgerüst schwarz, die oberen
Anhänge bald ins Rotbraune verblassend, schmäler als bei
atricornis.. Weder über der Sinnesgruppe, noch unter den
Mundhaken Wärzchen vorhanden. Stirnfortsatz gleichfalls
fehlend.
Gürtel mässig breit, aus zahlreichen kleinen Wärzchen
bestehend, welche nicht so deutlich in 2 Querzonen geteilt
sind wie gewöhnlich bei azrzcornis, weil alle fast gleich gross
Fig. 107. Phytomyza plantaginis RoB. DESV. a Vorder-, > Hinterstigma.
Fig. 108. Phytomyza populi KALT. a Vorder-. 5 Hinterstigma.
Fig. 109. Phytomyza pratensis DE MEN. Hinterstigma.
sind, die hinteren nur etwas grösser; die Wärzchen sind kurz
dreieckig oder abgerundet und wenig gefärbt. Papillen wenig
auffällig, klein und farblos. Stigmen von demselben Bau wie
bei africornis, aber im ganzen etwas breiter. Vorderstigmen
kolbenförmig, kurz einhörnig, auf kurzen Trägern, mit zer-
streuten sitzenden Knospen. Hinterstigmen oval, klein mit
einem Bogen von ca. 12 sitzenden Knospen, unter jeder
ein kleines, ovales Fleckchen. Hinterende abgerundet, ohne
Wärzchen und ohne Läppchen, höchstens ganz unten mit
einigen fast farblosen Warzchen.
_ DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 283
Puparium im Blatte, gelblich, von derselben Gestalt wie
bei atrzcornis MG.
In Blattgängen an Plantago lanceolata: Abcoude, Anfang
Juni verpuppt, Im. ca. 5 Juli.
An Plantago major: Amstelveen, als Pup. Ende Juli, Im.
7—14 August. Zwammerdam, Juni, Im. 29 Juni.
HENDEL. Prodromus, p. 162, 174.
GOUREAU. Mémoire pour servir à l’histoire des diptères
dont les larves minent les feuilles des plantes. Ann. Soc.
Entom-.#France: (2) 0, 1851, px 142, Daf. 5, V.
FROST, S. W. À study of the leaf-mining Diptera of North
America. Cornell Univ. Agr. Exp. Stat. Mem. 78, 1024, p. 83.
— Nach der Imaginalbeschreibung wohl dieselbe Art wie
obige, die Larve soll indessen an den Vorderstigmen nur 5,
an den Hinterstigmen 7 Knospen besitzen, also bedeutend
weniger als oben angegeben wurde (man vergl. seine Figuren
HAE Bis. 8% Fat. XII Five; Taf. XIV, Rie. 7).
Phytomyza populi KALT. Fig. 108.
Larve weisslich. Mundhaken schwarz, ungleich gross, je
mit 2 Zähnen, welche alternieren. Schlundgerüst schwarz,
relativ lang und schlank. Obere Anhänge mässig breit,
fast gerade. Über der Sinnesgruppe des Kopfes keine
Wärzchen. Die Gürtel mässig breit, aus sehr kleinen und
zahlreichen, mässig spitzen, oft abgerundeten Wärzchen be-
stehend, die hinteren etwas grösser und weiter auseinander,
alle wenig gefärbt und keine deutlichen Querreihen bildend.
Die Papillen wenig auffällig. Vorderstigmen kurz zweihörnig,
mit 2 gleichen Hörnern und ca. Io kurzgestielten Knospen;
die Hinterstigmen oval, mit ca. 16 Knospen. Hinterende
abgerundet, nackt.
Gänge an Populus nigra: Valkenburg (L.), Juni, Im.
7 Aug.; Bodegraven, Im. Juni und Juli; Scheveningen, Im.
3 Juni; ’s Hage, Juli, Im. ca. 12 Aug.; Amsterdam, 22 Aug.
Im. im folgenden Frühjahr; Amsterdam, verpuppt October,
ins Zimmer 8 Februar des folgenden Jahres, Im. 1—2 März;
nach Überwinterung im Freien Im. Mitte Juni.
Puparium im. Blatte, oval, etwas abgeflacht, ziemlich
glänzend mattgelb bis braungelb, ventral mit sehr breiter,
284 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
schwarzer, etwas glänzender Längsbinde, bisweilen weisslich
mit brauner Längsbinde (’s Hage, Juli); mit ziemlich deut-
lichen Einschnitten, Vorder- und Hinterstigmen als sehr
kurze Knöpfchen vorragend, die vorderen etwas dichter bei-
sammen. Länge 1.5 mm.
KALTENBACH. Die Pflanzenfeinde aus der Klasse der In-
sekten, p. 560.
HENDEL. Blattminierende Fliegen, 4“ Beitr. Deutsch.
Entom--Zeitschr. 1923, P. 392:
Phytomyza pratensis n.sp. Fig. 109.
Diese Larve ist nach dem Puparium derjenigen von Phyt.
flavofemorata STROBL. sehr ähnlich. Wie bei dieser sind die
Warzengürtel schmal und mit wenigen zerstreuten Warzen.
Die Hinterstigmen zeigen weniger Knospen, nämlich nur 16.
Auch unterscheidet sich das auch hier überwinternde Pupa-
rium durch die rote Färbung, während das von flavofemorata
schwarz ist; im übrigen sind sie ähnlich. Diese Art lebt in
den Samen von Melampyrum pratense (Zeist, STRUYKENKAMP
leg.), flavofemorata in denen von Mel. arvense.
Was die Fliege anlangt, so ist auch diese der flavofemorata
nicht ganz ahnlich. Sie unterscheidet sich durch Folgendes:
Fühlerwurzel dunkel, nicht gelb, Stirne weniger lang und
schwach convex, die Augen weniger schiefliegend und breiter,
der obere Augenrand, welcher die Stirne beriihrt, mehr ge-
bogen. Backen etwas schmaler, hinten weniger herabreichend.
Fühlerborste etwas stärker und hoher hinauf verdickt.
In meinem Verzeichnis der hollandischen Agromyzinen
(Tijdschr. v. Ent. 67, 1924, p. 126), habe ich diese Art noch
nicht von flavofemorata abgetrennt.
Phytomyza primulae Ros. DESV. Fig. 110.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zahnen, welche alternieren.
Schlundgeriist schwarz, die oberen Anhange ziemlich breit
und kurz, nach hinten braun, der untere Anhang halb so
lang, braun. Am Kopfabschnitt keine Wärzchen.
Die Giirtel breit, je die vorderen und namentlich die
hinteren mehr in Reihen angeordnet, alle ziemlich stumpf,
namentlich die hinteren, weniger die vorderen, etwas grösser.
Vorderstigmen mit 2 fast gleichlangen, grossen Hörnern, das
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 285
vordere etwas länger, weit vorragend. Hinterstigmen gleich-
falls gross, mit 2 ungleichen Hôrnern und ca. 30 Knospen.
Papillen undeutlich. Hinterende abgestutzt, nackt.
Puparium im Blatte, bräunlich weiss bis rotbraun, ziemlich
schmal, mit deutlichen Segmentgrenzen, vorn etwas breiter
als hinten, ca. 2.5 mm lang, die langen Stigmenhörner aus
Fig. 110. Phytomyza primulae ROB. DESV. a Vorder-, Hinterstigma,
c Puparium, 4 Vorder-, e Hinterstigma des Pupariums.
dem Blatte vorragend. Vorderstigmen dicht beisammen, diver-
gierend, gerade, Hinterstigmen weit auseinander.
In Blattgängen von Primula veris, Winterswijk, Puparium
Mitte Juni; Domburg, in gezüchteten Primula, Pup. 13 Juni;
Wylre, Juli, Im. Ende Juli--Mitte August; in Primula acaulis,
Osterreich, HENDEL leg.
HARDY, J. On the Primrose-leaf Miner. Ann. Mag. Nat.
ESA) N0.z24,2 Vols IV, 18405: p.385.
GOUREAU. Mémoire pour servir à l’histoire des diptères
dont les larves minent les feuilles des plantes. Ann. Soc.
Ent/Erance (2) 9; 16641, parson leaks NI.
Beide Autoren erwähnen die absonderlich verlängerten
Stigmen.
Phytomyza pubicornis HEND. Fig. 111.
Larve gelblich weiss bis nicht tief gelb. Mundhaken schwarz,
je mit 2 Zähnen, welche alternieren. Schlundgerüst schwarz,
die oberen Anhänge schmal, schmäler als bei odscurella,
nach dem hinteren Ende zu braun, der untere halb so lang.
Kein Stirnfortsatz; über der Sinnesgruppe des Kopfes ein
Wärzchenquerband.
286 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
Warzengürtel ziemlich breit, aus fast gleichgrossen, kleinen,
dunklen, dreieckigen oder stumpfen Wärzchen gebildet.
Vorderstigmen ziemlich kurz und breit, einhörnig, mit
11—12 Knospen auf ziemlich langen Stielen. Hinterstigmen
oval, mit ca. 22 Knospen.
Papillen nicht auffällig, wenig gefärbt. Hinterende abge-
rundet, nackt, unten jederseits mit dreieckigem Läppchen.
Puparium gelbbraun bis hell rotbraun, mit undeutlichen
Segmentgrenzen, vorn etwas breiter als hinten, ca. 2 mm.
Fig. 111. Phylomyza pubicornis HEND. a Vorder-, 5 Hinterstigma.
Fig. 112. Phytomyza ranunculi SCHRANK, a Stirnfortsatz,
b Vorder-, c Hinterstigma.
Fig. 113. Phytomyza rufipes MG. a Vorderstigma, è Hinterstigma.
In Blattgängen an Aegopodium podagraria: Amsterdam,
Mai, verpuppt Juni, Im. Anfang Mai des folgenden Jahres,
bei Zimmerzucht schon früher (ins Zimmer ı Dec., Im.
14 Febr.--3 März).
HENDEL, FR. Prodromus, p. 168.
MEIJERE, J. C. H. DE. Verzeichnis der hollandischen Agro-
myzinen. Dudschr. v. Ent. XVI 1924) ep. 152;
Phytomyza ramosa HENDEL.
Puparium im Hauptnerv von Dipsacus pilosus von mir bei
Valkenburg (L) aufgefunden; die Larve habe ich noch nicht
untersuchen können. Das Puparium ist dünnwandig, weiss,
vom atricornis-Type, aber etwas länger gestreckt, nach vorn
hin nur wenig breiter. Einschnitte deutlich. Warzengürtel
schmal, durch viele Querlinien gerunzelt, zwischen welchen
DIE LARVEN DER AGROMVZINEN. 287
je zerstreute und nicht dicht gelagerte, kleine Wärzchen zu
beobachten sind. Hinterstigmen auf konischen Trägern kurz
vorragend, Stigma oval, mit mehreren sitzenden Knospen.
Im Blatte von Dipsacus pilosus, Valkenburg (L.), Gang im
Hauptnerv mit feinen Seitenästen im Blatte; auch in Blättern
von Knautia (am Giessbach in der Schweiz). Die Puparien
fand ich am 26 Juli schon alle leer.
HENDEL. Blattminierende Fliegen, 4" Beitr. Deutsch. Ent.
Zeitsehr., 1923, p. 387.
Phytomyza ranunculi SCHRANK. Fig. 112.
Larve gelbweiss. Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen,
welche alternieren. Schlundgerüst schwarz, die oberen Anhänge
schmal, seicht gebogen, der untere halb so lang. Stirnfort-
satz als kurzer, etwas kolbenartiger Anhang vorhanden. Am
Kopfabschnitt keine Wärzchen vorhanden.
Gürtel ziemlich breit, aus zahlreichen Reihen kleiner drei-
eckiger, dunkler Warzchen von fast gleicher Grösse gebildet.
Die Gürtel dorsal nur wenig unterbrochen. Papillen nicht
auffällig.
Vorderstigmen mit einem nach vorn gerichteten längeren
und einem kürzeren Hinterhorn, dieses öfters von geringer
Entwicklung. Knospenzahl ca. 12. Hinterstigmen länglich,
mit 2 gleichen Hörnern und 18-—20 ziemlich lang gestielten
Knospen. Hinterende abgerundet, nackt, beiderseits mit kur-
zem, dreieckigem Läppchen in der Nähe des Anus.
Puparium in der Färbung variabel, ziemlich blassgelb,
braungelb, gelbbraun oder graubraun bis schwärzlich, mässig
glänzend, ziemlich langgestreckt, nach vorn hin deutlich
verbreitert. Vorderstigmen dicht beisammen, als kurze, diver-
gierende Stäbchen. Hinterstigmen ziemlich weit auseinander
auf kurzen konischen Fortsätzen. Anallippen etwas ange-
schwollen. Segmentgrenzen undeutlich.
Gangminen an Ranunculus-Arten: Amsterdam, verpuppt
ca. 3 Sept., Im. 25 Sept. (die var. flavoscutellata); ibid. ver-
puppt ca. 20 Juni, Im. 15 Juli (dieselbe var.); ibid. verpuppt
u Aus, Im: 26. Aug:
Die var. aldipes: Roermond, verpuppt ca. 15 Juni, Im. Juli;
ibid. verpuppt ca. 9 Juni, Im. 27 Juni. Amsterdam (aus
288 PROF. DR. J: ©. JE. DE) MEIERE;
Ranunc. sceleratus), verpuppt 20—28 Juni, Im. 20—28 Juli;
ibid. verpuppt ca. 4 Juni, Im. ca. 1 Juli.
Aus Gangminen an Ficaria ranunculoides: Kortenhoef,
verpuppt ca. 13 Mai, Im. 7—25 Juni.
An Ranunc. sceleratus fand ich die Larven zu Nieuwersluis
noch am g' Oct. 1920.
An Ranunc. flammula, ’t Woold, Larve Juni.
Die Minen dieser Art sind meistens schmale Gange, nur
ausnahmsweise breiter, so in einem im Sept. ‘19 zu Amster-
dam aufgefundenen Fall. Der breite Gang zeigte hier weniges
zerstreutes Excrement und der Frass hatte einen wellenartigen
Charakter, wie oft in Blasengangen; das Puparium des ein-
zigen weiter geziichteten Exemplares blieb in der Mine, lieferte
keine Fliege, war aber von den sranuncul-Puparien nicht zu
unterscheiden, ebensowenig wie die 2'° Larve, welche ich
als Präparat aufbewahrte, von den ranunculz-Larven.
KALTENBACH. Pflanzenfeinde, p. 9.
HENDEL. Prodromus, p. 153, 174.
MEIJERE, J. C. H. DE. Uber zusammengesetzte Stigmen bei
Dipterenlarven, Tijdschr. v. Entom 38, p. 33 (als Pd. sp.).
GOUREAU. Mémoire pour servir à l’histoire des dipteres dont
les larves minent les feuilles des plantes. Ann. Soc. Entom.
Hrance 4(2)' @f29 850; ip. 146, Taf. S'VMIIE
MEIJERE, J. C. H. DE. Uber zusammengesetzte Stigmen bei
Dipterenlarven. Tijdschr. v. Entom. 38, p. 33 (als /%. sp.).
— —_., Verzeichnis der holländischen Agromyzinen.
Tijdschr. v. Entom. LXVII, 1924, p. 149.
Phytomyza rufipes Mc. Fig. 113.
Mundhaken schwarz, ungleich gross, je mit 2 Zahnen.
Schlundgeriist schwarz, die oberen Anhange ziemlich breit,
ziemlich stark gebogen, namentlich an der Wurzel. Stirne
mit kurzem kolbenartigen Anhang; am Kopfabschnitt keine
Warzchen.
Die Gürtel ziemlich breit, grösstenteils aus stumpfen, halb-
kugelförmigen Wärzchen bestehend, welche wenig gefärbt sind.
Papillen wenig gefärbt. Vorderstigmen einhörnig, mit ca.
15 sitzenden Knospen in 2 Reihen; auch die Hinterstigmen
vielteilig, mit ca. 28 Knospen. Hinterende abgestutzt, nackt.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 289
Puparium etwas länglich, gelb, wenig glänzend. Segment-
grenzen undeutlich. Vorderstigmen als sehr kleine schwarze
Knöpfchen. Hinterstigmen ziemlich weit auseinander als
schwarze Scheibchen auf kurz konischen Vorsprüngen Hin-
terende ohne weitere Anhänge. Länge 3 mm.
In Blattminen an Brassica oleracea.
Zu dieser Art gehört wahrscheinlich auch die Mitteilung
ZACHERS: Ein neuer Schädling des Blumenkohls u.s.w.
Gartenflora 68, 1919, Heft 13/14. Die Art wird hierin als
Ph. flavicornis FALL. bezeichnet, womit indessen nicht stimmt,
dass das hellbraune Tönnchen sich in der Erde befinden
soll. Mlavzcornis lebt im Stengel von Urtica dioica und ver-
puppt sich ebenda.
“Phytomyza saxifragae HERING. Fig. 114
Von dieser Art sah ich nur eine nicht ganz vollständige
Larve. Die Warzengürtel sind mässig breit, die vorderen
und hinteren Wärzchen sind je deutlich etwas grösser und
mehr in Querreihen angeordnet als die übrigen; sie sind
braun, dreieckig, nicht spitz. Die Hinterstigmen sind zwei-
hörnig, mit 2 gleichen Hörnern, zusammen mit ca. 25 Knospen
in ziemlich unregelmässiger Anordnung.
An Saxifraga rotundifolia (Banat, HERING leg.).
HERING. Zur Kenntnis der Blattminenfauna des Banats.
Zeitschr. wiss. Insektenbiol. XIX, 1924, p. 31, 38.
Minenstudien IV. Zeitschr. f. Morph. u. Ökol.
d'Hliére. 11, 21924, p. 243. (Enthält die Angabe; dass! das
Puparium im Blatte liegt.
*Phytomyza scolopendri ROB. DESV.
GOUREAU. Mémoire pour servir à l’histoire des Dipteres,
dont les larves minent les feuilles des plantes. Ann. Soc.
Entom: France (2)'9, 1351, p. 139, Laf. 5, IV. Aus, der
Figur des Pupariums geht hervor, dass dieses vorn nicht
breiter ist als hinten.
Diese Art wurde neuerdings von HERING wieder aus Scolo-
pendrium vulgare gezüchtet, nähere Angaben über die Larve
liegen indessen noch nicht vor. (HERING. Zur Kenntnis der
Blattminenfauna des Banats. Zeitschr. wiss. Insektenbiol. XIX,
290 PROF. DR. J. €. H. DE MEIJERE,
1924, p. 32, 38. Minenstudien V. Zeitschr. wiss. Insekten-
biol. XX, 1925, p. 163. Die Verpuppung findet im Blatte statt.)
*Phytomyza scotina HEND. Fig. 115.
Mundhaken mit je 2 relativ langen Zähnen. Unpaarer
Abschnitt des Schlundgerüstes kurz, die oberen Fortsätze
schmal, gebogen, von schwarzer Farbe. Über der Sinnesgruppe
ein Querband von einigen Reihen dunkler Wärzchen; unter
den Mundhaken keine vorhanden.
Warzengürtel ziemlich breit, aus zahlreichen braunen, drei-
eckigen Wärzchen gebildet. Vorderstigmen kurz zweihörnig,
Fig. 114. Phytomyza saxifragae HER. Hinterstigma.
Fig. 115. Phytomyza scotina HEND. a Vorder-, à Hinterstigma.
Fig. 116. PAytomyza sedicola HER. a Vorder-, à Hinterstigma.
mit 2 gleichen Hörnern. Hinterstigmen ziemlich weit vorra-
gend, klein, oval, mit ca. 15 Knospen in fast regelmässigem
Bogen. Hinterende abgestutzt, nach unten etwas vorsprin-
gend, nackt.
Aus Salvia pratensis (HERING leg).
HENDEL. Prodromus, p. 165.
Puparium braungrau, etwas matt, dünnwandig, vorn ebenso
breit wie hinten, mit wenig deutlichen Einschnitten. Warzen-
gürtel ziemlich breit, aus dunklen Wärzchen in zahlreichen
Reihen gebildet, je die vorderen etwas grösser und mehr in
Querreihen. Vorderstigmen dicht beisammen, auf zwei paral-
lelen, kurz stabförmigen Trägern, mit 2 gleichen kurzen
Hörnern. Hinterstigmen getrennt, auf 2 divergierenden koni-
schen Trägern, das Stigma rundlich. Länge 1.5 mm.
*Phytomyza sedicola HER. Fig. 116.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, diese relativ lang.
Unpaarer Abschnitt des Schlundgerüstes relativ kurz, etwas
gebogen; obere Anhänge mässig schmal, nur an der Wurzel
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 291
schwarz, weiterhin gelbbraun, wenig gebogen. Kopfabschnitt
ohne Wärzchen; Stirnfortsatz vorhanden, kurz, nach oben
verschmalert, von schmal konischer Gestalt. Vorderstigmen
einhornig, mit ca. 9 sitzenden Knospen. Hinterstigmen mit
ca. 12 Knospen in 2 Hörnern, das eine Horn etwas grösser,
die Knospen klein, sitzend, ziemlich weit von einander in
regelmassigem Bogen. Warzengiirtel schmal, aus sehr kleinen
dreieckigen oder abgerundeten, fast farblosen Wärzchen,
welche zerstreut stehen und fast gleich gross sind. Papillen
nicht auffällig. Hinterende abgestutzt, nackt. Anallappen
wenig erhaben.
In Sedum maximum (Banat, HERING leg).
HERING, M. Zur Kenntnis der Blattminenfauna des Banats.
Zeitschr. wiss. Insektenbiol. XIX, 1924, p. 33, 40.
*Phytomyza selini HERING. Fig. 117.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zahnen, welche alternieren.
Schlundgerüst schwarz, die oberen Fortsätze etwas gebogen.
Kein Stirnfortsatz vorhanden.
Warzengürtel schmal, aus kleinen, gleichgrossen, dreiecki-
gen, zerstreuten Wärzchen gebildet, die hinteren etwas grösser
Fig. 117. PAytomyza selini HER. a Vorder-, 6. Hinterstigma,
Fig. 118. Phytomyza solidaginis HEND. (Hinterstigma
des 2ten Stadiums),
Fig. 119. Phytomyza sphondylii R.D. a. Vorder-, à Hinterstigma
(aus Heracleum), c, d idem (aus Pastinaca).
und etwas weiter aus einander. Papillen nicht auffällig. Am
Prothorax nur an der Seite ein paar Warzchen.
19
202 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
Vorderstigmen mit 2 gleichen Hôrnern, mit ca. 18 Knospen
in einem Bogen, von der Aussenseite ca. 10 erkennbar, an
der Innenseite der Bogen ununterbrochen. Hinterstigmen
länglich, mit ca. 20 Knospen in einem regelmässigen Bogen.
Hinterende abgestutzt, nackt.
An Selinum carvifolia L., Blattminen (Mark, HERING leg.).
HERING, M. Drei neue Arten der blattminierenden Agromy-
ziden. Deutsch. Entom. Zeitschr. 1922, p. 425.
*Phytomyza solidaginis HEND. Fig. 118.
2ts Stadium: Mundhaken mit je 2 Zähnen, welche alter-
nieren, der vorderste Zahn etwas grösser und heller. Schlund-
gerüst schwarz, die oberen Anhänge schmal, fast gerade,
der untere nur an der Wurzel dunkel. Warzengürtel aus
kleinen, zerstreuten Wärzchen bestehend, mässig breit. Über
der Sinnesgruppe des Kopfes ein breites Band von kleinen,
schwarzen Wärzchen, unter den Mundhaken keine vorhanden.
Papillen nicht auffällig. Hinterstigmen oval, mit 10—12
Knospen. Hinterende abgestutzt, nackt.
Puparium glänzend schwarzbraun, vorn etwas breiter als
hinten. Hinterende gerade abgeschnitten, ohne Läppchen,
Hinterstigmen ziemlich klein, wenig vorragend, über den-
selben median eine kleine ovale Furche. Vorderstigmen klein,
knopfförmig, getrennt, aber ziemlich dicht beisammen. Länge
fast 2 mm,
In Blattminen an Solidago virga-aurea. (Österreich, HEN-
DELMEE):
Phytomyza sphondylii ROB. DESV. Fig. 110.
Larve gelblich-weiss bis gelblich, die vordere Halfte etwas
tiefer. Mundhaken von auffalliger Gestalt, relativ klein, je mit
2 Zahnen, alle Zähne kurz, der Haken an der Oberseite der
vorderen Halfte mehr als gewöhnlich gewölbt. Schlundgerüst
schwarz, die oberen Fortsätze schmal, der untere sehr kurz.
Am Kopfabschnitt weder Warzchen noch Stirnfortsatz.
Die Gürtel mässig breit, aus kleinen, fast gleichgrossen
Wärzchen gebildet, die vorderen bisweilen etwas kleiner.
Papillen nicht auffällig, farblos, kaum gewölbt.
Vorderstigmen mit 2 fast gleichlangen Hörnern, ca. 10—14
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN, 293
Knospen. Hinterstigmen mit ca. 16—21 Knospen in 2 gleichen
Hörnern, bisweilen auch eine grössere Anzahl, so bis 26
(aus Pastinaca, Castricum).
Puparium schwarz, vorn etwas breiter als hinten, mit mässig
deutlichen Einschnitten. Träger der Hinterstigmen kurz stab-
förmig, nach unten etwas breiter, ziemlich stark vorragend.
Vorderstigmen sehr klein.
Blattgänge an Heracleum sphondylium: Amsterdam, ver-
puppt 24 Juni, Im. ca. 26 Juli; Diemen, Sept., Im. Mai des
folgenden Jahres; Nieuwersluis, verpuppt ca. 5 Aug., Im.
24 Aug.—1 Sept.
An Heracleum persicum Dess.: Amsterdam, verpuppt ca.
9 Juni, Im. 2—6 Juli.
An Pastinaca sativa: Castricum, verpuppt 18 Juli, Im. 10
Aug.; Linschoten, verpuppt ca. 3 Juni, Im. 30 Juni.
GOUREAU. Mémoire pour servir à l’histoire des diptères
dont les larves minent les feuilles des plantes. Ann. Soc.
Ent. France (2)19, 01861, p. 147, Taf. 5,01X.
HEEGER. Neue Metamorphosen einiger Dipteren. Sitzber.
math. nat. CI. k. Akad. Wiss. Wien. Bd. XXXI, 1858, p. 297.
(Als Ph. affinis, aus Pastinaca sativa, wohl eher = sphondylit
oder vielleicht die von HENDEL als Ph. pastinacae abge-
trennte Art).
MEIJERE, J. C. H. DE. Über zusammengesetzte Stigmen
bei Dipterenlarven. Tijdschr. v. Entom. 38, p. 31 (als PA.
heraclei KLTB.).
*Phytomyza succisae HERING.
Puparium gelbweiss, vom Typus der atricornis-Gruppe,
also vorn etwas breiter als hinten, die Einschnitte deutlich,
Vorderstigmen kurz V-förmig vorragend, Hinterstigmen klein,
getrennt, beide mit mehreren Knospen, aber mit wenig
erweiterter Filzkammer. Lange 2 mm.
Aus Blattminen an Succisa pratensis (Berlin, HERING leg.).
HERING. Drei neue Arten der blattminierenden Agromy-
ziden. Deutsch. Ent. Zeitschr. 1922, p. 425.
Phytomyza tanaceti HENDEL.
Diese Art sieht sowohl als Larve wie als Imago der Phyt.
albiceps sehr ähnlich. Ich hatte sie nach der Larve denn
204 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
auch zuerst von a/biceps abgetrennt. Die oberen Fortsätze
des Schlundgerüstes sind schmäler und mehr ins Gelbbraune
ziehend; die Zahl der Knospen an den Hinterstigmen ist
etwas kleiner (16—18); die Vorderstigmen sind kürzer zwei-
hörnig.
Ich züchtete diese Art aus Achillea millefolium. Amster-
dam, am 16' October verpuppt, wurde das Pup. den 13te
Januar des folgenden Jahres ins geheizte Zimmer übertragen;
am rte Februar erschien die Imago. Larven fand ich an
derselben Pflanze auch zu Haarlem und Leimuiden, wahr-
scheinlich alle zu vorliegender Art gehòrig.
*Phytomyza thalictri ROUG. ESCHERK.
In dem Aufsatz von ROUGEMONT und ESCHERKÜNDIG:
Details biologiques sur la Phytomyza du Thalictrum, Mitteil.
schweiz. entom. Ges. 12, 1912, p. 82—87, finden sich auch
kurze Angaben iber Larve und Puparium dieser Art, welche
in den Blumen van Thalictrum lebt. Die Larve ist weisslich,
mit schmalen oberen Anhangen am Schlundgerüst. Das Pupa-
rium ist gleichfalls in den befallenen Blumen zu finden, es
ist tropfenförmig, die Hinterstigmen bilden zwei tellerförmige
Rosetten. Es ist glatt, in durchfallendem Lichte schòn gold-
braun, das Hinterende stumpfer.
Phytomyza thysselini HENDEL. Fig. 120.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zahnen, je der vordere
grösser. Schlundgerüst schwarz, die oberen Fortsätze mässig
schmal. gleichfalls fast schwarz. Über der Sinnesgruppe kein
Stirnfortsatz und kein Wärzchenband, wohl Wärzchen zu beiden
Seiten der Mundhaken vorhanden. Warzengürtel mässig breit
mit zahlreichen dreieckigen Wärzchen, je die hinteren ein
wenig grösser und etwas weiter auseinander. Papillen nicht
auffallig.
Vorderstigmen mit 2 gleichgrossen Hornern, mit ca. 12-14
Knospen. Hinterstigmen länglich oval, mit 2 gleichen Hôrnern
und ca. 22 Knospen. Hinterende abgestutzt, nackt.
In Gangminen an Thysselinum palustre: Amsterdam, Juli; .
Kortenhoef.
Das Puparium sieht dem von /%. chaerophylli ähnlich, ist
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 295
also kurz und relativ breit, stark gewölbt; es ist aber nicht
schwarz, sondern glänzend braun, im ganzen zarter.
HENDEL, FR. Blattminierende Fliegen, 4t* Beitr. Deutsch.
Entom. Zeitschr. 1923, p. 387.
Fig. 120. Phytomyza thysselini HEND. a, 6 aus Thysselinum palustre;
e, f aus Berula angustifolia; g, 3 aus Pimpinella magna;
a, c, e, g Vorder-, db, d, f, A Hinterstigmen.
Gangmine an Pimpinella magna, Nieuwkoop, August;
Valkenburg (L.), verpuppt 26 Juni, Im. 16 Juli.
Gangmine an Berula angustifolia, Valkenburg (L.), August.
Phytomyza tridentata Löw. Fig. 121.
Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, welche alternieren.
Kein Stirnfortsatz und keine Wärzchen am Kopfabschnitt
vorhanden. Schlundgerüst relativ lang, die oberen Fortsätze
wenig gebogen, an der Wurzel schwarz, nach hinten braungelb.
Warzengürtel schmal, aus farblosen, dicht gelagerten und
oft Reihen bildenden, abgerundeten Wärzchen gebildet ;
hintere Gürtel etwas breiter. Prothorax dorsal median in
seiner ganzen Länge mit Längsbinde von ebensolchen Wärz-
chen. Papillen nicht auffällig. Vorderstignien mit 2 kurzen,
gleichgrossen Hörnern und mit ca. 12 sitzenden Knospen.
296 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
Hinterstigmen schmal, mit ca. 20 Knospen in unregelmäs-
sigem Bogen. Hinterende abgerundet, nackt.
In blasenförmigem Gang an der Blattspitze von Salix,
Amersfoort, Juli.
In Populus, Blattblasen (Deutschland, HERING leg).
HENDEL, FR. Blattminierende Fliegen, 4'er Beitr. Deutsch.
Ent. Zeitschr. 1923, p. 394. — Bemerkungen über die Imago.
Phytomyza tripoli DE MEI. Fig. 122.
Puparium leer blass braungelb, oval, mit ziemlich deut-
lichen Segmentgrenzen. Gürtel breit mit kleinen schwarzen
Wärzchen von dreieckiger Gestalt, meistens zerstreut, nament-
lich hinten mehr in Reihen angeordnet, die hinteren im
Gürtel meistens auch etwas grösser. Papillen nicht auffällig.
721a
Fig. 121. Phytomyza tridentata Low. a, 6 Vorderstigmen,
c d Hinterstigmen.
Fig. 122. Phytomysa tripolii DE MEJ. a Vorder-, à Hinterstigma
des Pupariums,
Hinterstigmen weit auseinander, kurz vorragend, mit 12 Knos-
pen in einem Bogen, das obere Horn etwas kiirzer. Hinter-
ende schwach gewölbt, ohne Wärzchen, auch die Analgegend
nackt; hier zu beiden Seiten ein dreieckiges Läppchen.
Vorderstigmen mit ca. 12 Knospen, kurz zweihörnig, mit
2 gleichen Hörnern.
In Blattminen an Aster tripolium.
MEIJERE, J. C. H. DE. Verzeichnis der holländischen Agro-
myzinen. Tijdschr. v. Entom. LXVII, 1924, p. 148.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 297
Phytomyza varipes MACQ. Fig. 123.
Larven kurz und gedrungen, namentlich die Oberseite
relativ stark gewölbt; weiss bis gelblich.
Mundhaken schwarz, relativ kurz, von gleicher Grösse, je
mit 2 ungleich grossen Zähnen. Schlundgerüst schwarz,
relativ kurz, auch das ungefähr gerade unpaare Stück
kurz, die oberen Fortsätze wenig gebogen, in der Wurzelhälfte
nach oben etwas flügelförmig verbreitert, die unteren Fort-
sätze halb so lang wie die oberen. Am Kopfabschnitt keine
Wärzchen. Prothorakalgürtel dorsal und an den Seiten ent-
wickelt; dorsal die Wärzchen in Querreihen, an den Seiten
weniger regelmässig angeordnet, die Wärzchen nicht gross,
kurz dreieckig. Warzengürtel schmal, aus wenigen Reihen
dreieckiger Wärzchen gebildet, welche ziemlich unregelmässig
Fig. 123. Phytomyza varipes MACQ. a Schlundgerüst, 5 Vorder-,
c Hinterstigma.
in Quergruppen oder längeren Reihen angeordnet sind,
stellenweise auch zerstreut, im allgemeinen nicht dicht auf
einander. Nach hinten zu werden die Wärzchen auch an den
Seiten viel weniger zahlreich, runder und weniger gefärbt.
Prothorakalstigmen mit 2 gleichgrossen Hörnern, zusammen
ca. I2 Knospen. Hinterstigmen oval, mit ca. 25 länglichen
Knospen in geschlossenem Kreise. Hinterende abgerundet,
nackt.
In Samen von Rhinanthus major, Noordwijk, Juli, ins
Zimmer 15 Januar, Im. Mitte April; in Rhinanthus major-
Fruchtknoten, zwischen den noch grünen Samen, Mitte Juni,
Heumen.
KALTENBACH. Die Pflanzenfeinde in der Klasse der Insekten.
1874, p. 467 (an Rhinanthus minor).
Puparium glänzend schwarz, relativ breit, in der Mitte am
298 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
breitesten, etwas abgeflacht, oben und unten gewölbt, die
Einschnitte wenig deutlich. Vorderstigmen weit auseinander,
sehr klein; auch die Hinterstigmen weit von einander ent-
fernt, sehr kurz vorragend; Anus als rundliches Grübchen.
Phytomyza vitalbae KALT. Fig. 124.
Mundhaken schwarz, mit je 2 Zähnen, welche alternieren.
Schlundgerüst schwarz, obere Anhänge mässig breit, sehr
wenig gebogen, der untere halb so lang. Ein kurzer, kolben-
förmiger Stirnfortsatz vorhanden. Am Kopfabschnitt keine
Wärzchen.
Gürtel mässig breit, aus fast gleichgrossen, kleinen, drei-
eckigen Wärzchen gebildet, welche wenig oder nicht spitz
sind. Papillen nicht auffällig. Vorderstigmen klein, knopf-
förmig, mit ca. 5 Knospen. Hinterstigmen oval, mit ca. 10
fast sitzenden Knospen. Hinterende abgerundet, nackt.
Puparium blassgelb, glänzend, mit deutlichen Ringgrenzen,
nach vorn hin erweitert, 1.5 mm lang.
Fig. 124. Phytomyza vitalbae KALT. a, c Vorderstigmen,
b, d Hinterstigmen.
Gangmine an Clematis vitalba: Amsterdam; Valkenburg (L.),
verpuppt ca. 5 Juli, Im. 19— 20 Juli. Utrecht, Juli (BALFOUR V.
BURLEIGH leg.); in einer Clematis aus Californien (HERING leg.).
Die Minen fangen meistens in der Nähe der Blattspitze
an, verlaufen längs dem Rande nach unten, entfernen sich
zuletzt von demselben. Sie liegen oberseits, die Larve verlässt
die Mine unterseits.
Von der ranunculi-Larve ist obige namentlich durch die
weniger zahlreichen Stigmenknospen verschieden.
KALTENBACH. Die Pflanzenfeinde aus der Klasse der In-
sekten, 1874, (p. 4%
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 299
Phytomyza xylostei ROB. DESV.
In GOUREAU’s Abhandlung: Mémoire pour servir à l’histoire
des Diptères, dont les larves minent les feuilles des plantes,
et à celle de leurs parasites (Ann. Soc. Entom. France (2)
9, 1851), finden sich p. 145 Angaben über diese bis jetzt
nicht näher bekannte Art. Die Larve soll sehr früh erscheinen,
schon in den ersten Tagen von Marz, die Mine bildet eine
kleine Blase, das zartgrüne Puparium liegt im Blatte und
eine Imago erschien schon am 10% April. Die zugehörige
Abbildung Taf. 5, Fig. VII, gibt über die Larve nichts nähe-
res. Wie ich auch in meinem Verzeichnis der holländischen
Agromyzinen, p. 145, angab, bleibt die Art einstweilen
zweifelhaft.
Phytomyza sp. Fig. 125.
Larve weiss, 3 mm lang. Mundhaken schwarz, nicht lang,
je mit 2 Zahnen, diese alternierend; obere Anhange braun.
Über der Sinnesgruppe ein schmales Band von Wärzchen,
auch unter und zu beiden Seiten der Mundhaken sehr kleine
Wärzchen. Warzengürtel ziemlich breit, aus sehr kleinen,
fast gleichgrossen, dreieckigen Wärzchen gebildet, welche
abgerundet oder doch wenig spitz und wenig gefärbt sind,
Fig. 125. Phytomyza sp. aus Aster tripolium. a Vorder-, à Hinterstigma.
meistens zerstreut angeordnet. Vorderstigmen ziemlich gross,
oval, mit zahlreichen, mehr als 20, zerstreuten Knospen.
Auch die Hinterstigmen gross, die zahlreichen (mehr als 30)
Knospen in mehreren Radien. Hinterende abgerundet, nackt.
In Blattgängen an Aster tripolium: Amsterdam, nahe dem
Strande der Zuiderzee, Ende September und Anfang October
die Larve.
300 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
Cerodonta ROND.
Über die Biologie dieser Gattung war bis vor kurzem in
Europa nur erst wenig bekannt geworden; auch in HENDEL’s
Prodromus wird gar keine Wirtpflanze aufgeführt; im Nach-
trag (Arch. Naturg. 88, 1922, p. 176) findet sich die Angabe,
dass HERING die Art aus Phragmites communis erhielt;
näheres entging der Beobachtung. Die ausführlichste Mit-
teilung über die Biologie dieser Gattung ist zweifelsohne:
LUGINBILL und URBAHNS, The spike horned leaf-miner, an
enemy of grains and grasses, Bull. Un. Stat. Dept. Agricult.
No. 432, 1916. Die Autoren bezeichnen die von ihnen unter-
suchte Fliege als Cerodonta dorsalis LOEW, geben aber gleich-
zeitig an, sie sei synonym mit C. denticornis PANZ., was wohl
nicht der Fall ist. Auch MALLOCH hat dorsalis Low als
besondere Art.
Aus ihren Mitteilungen geht hervor, dass die Larve in einer
Anzahl Gramineen, auch in Getreide miniert. Gräser werden
aber bevorzugt und unter diesen im besonderen Panicum.
Die schmalen Minen verlaufen in den Blättern meistens von
oben nach unten, öfters ihre Richtung etwas ändernd und
dadurch unregelmässig und eckig. In älteren Getreideblät-
tern wird das ganze Larvenleben im Blatte verbracht, bei
jüngeren und kleineren Blättern genügen diese nicht und
geht die Larve in den Stengel über, wodurch bei Massen-
befall grösserer Schaden verursacht werden kann. Die Ver-
puppung findet am unteren Ende der Mine statt, gewöhnlich
in der Blattscheide.
Es kommen mehrere Generationen im Jahre vor, von 3,
bis, in Californien, 8. Die ı'* und 2* Generation sind im
allgemeinen gut definiert, die folgenden greifen über einander,
sodass alle Stadien gleichzeitig vorhanden sein können. Die
Beschreibung von Larve und Puparium ist kurz gehalten,
der genaue Bau von Schlundgerüst und Stigmen geht daraus
nicht hervor. Die Larven sind schmutzig weiss, relativ schlank
cylindrisch, am Vorderende etwas dicker. Die Warzengürtel
bilden „Slender areas of microscopic spinous processes”. Das
Hinterende ist abgestutzt. Nach den Figuren auf Tafel I
sind die Vorderstigmen zweihörnig, mit kürzerem Hinterhorn
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 301
und nicht zahlreichen Knospen, auch die Hinterstigmen mit
wenigstens 4 Knospen. Das Puparium ist ziemlich langge-
streckt, nach vorn hin etwas breiter, Einschnitte deutlich.
Die Stigmen ragen nicht besonders stark vor, die vorderen
sind nach der Abbildung kurz, ziemlich weit von einander
entfernt, nicht V-förmig senkrecht hervorragend, wie bei
den im Blatte verpuppenden Phytomyzen; die Einschnitte
sind deutlich.
Auch FROST, A study of the leaf-mining Diptera of North
America, 1924, erwähnt p. 57 eine Cerodonta-Larve, angeb-
lich von C. femoralis MEIG. = dorsalis LOEW. Die Vorder-
stigmen sollen „five stigmatal openings” besitzen, also weniger
als bei der von mir beschriebenen Art. Offenbar ist derselbe
Getreide- und Grasminirer gemeint, wie in der Arbeit von
LUGINBILL und URBAHNS. C. femoralis MG. ist nach HENDEL’s
Prodromus ein Synonym von /ulvipes MEIG.
Dass Cerodonta denticornis PANZ. in Gefangenschaft in
Grasblatter Bohrlöcher macht, hatte ich schon öfters beobach-
tet. Ferner kann ich bemerken, dass in einer Sendung von
aus Hafer geziichteten Agromyzinen, welche ich aus Schweden
erhielt, auch ein Exemplar der var. wigroscutellata STROBL
dieser Art vorhanden war.
Erst vor kurzem lernte ich die Larven und Puppen der
denticornis näher kennen und züchtete sie aus Holcus mollis.
Cerodonta denticornis PANZ. Fig. 126.
Larve relativ lang und diinn, weisslich, nur wenig gelblich.
Mundhaken kurz und breit, dreieckig, ungleich gross, je mit
2 Zahnen, die vorderen Zahnen alternierend, die beiden
hinteren nur wenig. Schlundgeriist relativ lang, auch der
unpaare Abschnitt ziemlich lang, gerade, der obere Fortsatz
bis zum Ende ziemlich breit, der untere kiirzer. Die Fort-
sätze nach der Spitze zu heller, braun, namentlich der untere,
im übrigen ist das Schlundgeriist schwarz. Oberhalb der
Sinnesgruppe findet sich median ein Band von dunklen,
an der Spitze etwas hakenförmig umgebogenen, Härchen,
zu beiden Seiten des hinteren Endes der Mundhaken eine
Gruppe von dunklen, dreieckigen Wärzchen, z. T. in Quer-
gruppen oder Reihen.
302 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
Die weiteren Warzchengiirtel sehr wenig auffällig, aus
kleinen, sehr wenig vorragenden, kurz schuppenförmigen Wärz-
chen bestehend, die auch wenig gefärbt sind. Jeder Gürtel
besteht vorn und hinten aus einigen Reihen dergleicher
Wärzchen, in der Mitte findet sich ein warzenloses Band.
Fig. 126. Cerodonta denticornis PANZ. a Vorderende, à Vorder-,
c, d Hinterstigma.
Das hintere Band ist je am breitesten, die Wärzchen des
vorderen Bandes sind nach vorn gerichtet. Es sind 6 gut
entwickelte Gürtel vorhanden, am rtee—6ten Hinterleibsring.
Die Vorderstigmen sind relativ gross, zweihörnig, mit ca.
12 Knospen, welche gruppenweise auf ziemlich langen Trägern
angeordnet sind. Auch in den länglichen Hinterstigmen stehen
die ca. 15 Knospen in einigen Gruppen, sodass ein eigener
Typus gebildet wird. Hinterende gerade abgestutzt.
Puparium gelb, relativ schmal, nach hinten allmählich etwas
verschmälert. Vorderstigmen bei oberer Ansicht als 2 ge-
kriimmte Stäbchen, mit der concaven Seite einander zuge-
wandt. Hinterstigmen dicht beisammen auf gemeinsamem
Träger. An den hinteren Ringen ist von den Gürteln wenig zu
erblicken. Die Minen verlaufen im Blatte nach unten zu, sind
von unregelmässiger Gestalt, öfters etwas verschiebend oder
geschlängelt, und verbreitern sich im Blatte wenig; späterhin
findet man die Larve in der Scheide, wo, wenigstens bei
Holcus mollis, auch die Puparien zu finden sind.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 303
In Blattgangminen an Holcus mollis, Amsterdam, Anfang
August, die Imago in der 2'en Hälfte von August erscheinend.
NACHSCHRIFT.
In dieser Nachschrift erwahne ich zunächst eine für unser
Thema besonders wichtige Arbeit des amerikanischen For-
schers S. W. FROST. Dann folgen (p. 305) ein paar Zusätze zu
den im 1%" Teil meiner Arbeit abgehandelten Gattungen.
Die ausführliche Arbeit von S. W. FROST, A study of the
leaf-mining Diptera of North America, Cornell Univ. Agr.
Exp. Stat. Mem. 78, 1924, konnte ich im 1 Teil meiner
Abhandlung noch nicht berücksichtigen. Sie enthält auch
über die Agromyzinen manches Interessante und auch die
Mitteilungen über die Larven sind eingehender als bis jetzt
gewöhnlich der Fall war. Wegen der Unsicherheit der älteren
Bestimmungen scheinen mir indessen die vom Autor aufge-
führten Angaben in vielen Fällen nicht genügend zuverlässig
und zu wenig kritisch beurteilt. Dadurch ist namentlich die
auf p. 133 der Arbeit anfangende Liste: „a list of the leaf-
mining Diptera of the world, and their host plants”, nur
mit grosser Vorsicht zu benutzen, weil sie offenbar viele
Unrichtigkeiten enthalten muss. Es sind bei den Agromyzinen
nun einmal fast alle ältere Bestimmungen zu misstrauen;
Ähnliches gilt natürlich für die Angaben bei den einzelnen
Species. Hierunter sind mehrere, die nicht aus Europa be-
kannt sind, z. T. handelt es sich um auch in Europa vertretene
Arten. Hier tut sich natürlich die Frage auf, in wieweit
wirklich dieselbe Art gemeint ist wie bei uns. Für manche
erscheint dies sicher, weil dem Autor öfters europäische
Stücke zum Vergleich zur Verfügung standen.
Über folgende möchte ich hier noch einige Bemerkungen
machen:
p. 44, Agromyza fragariae MALL. Ist wahrscheinlich iden
tisch mit Agr. spiraeae KALT., welche auch bei uns an
Fragaria gefunden wurde.
p. 45, dgromyza laterella ZETT., aus Iris versicolor, stimmt
nicht mit unserer Iris-Fliege (Dizygomyza „morosa MG.”
in HENDEL’s Prodromus), zu welcher HENDEL damals
304 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
laterella ZETT. als Synonym stellte. Nach neueren An-
sichten dieses Forschers ist »zorosa MEIG. eine an Poa
minierende Art; unsere Iris-Fliege muss zraeos R. D.
heissen, während er als die richtige /aterella ZETT. eine
in Carex minierende Fliege betrachtet. Dann ist aber
die ,,/aterella ZETT.” von FROST sicherlich nicht damit
identisch, ebensowenig wie mit zraeos KR, D.
p. 52, Agromyza pusilla MG. Unter diesem Namen wird die
ganze pusilla-Gruppe, nebst z. B. auch ordona, aufgeführt.
Die Larve soll an den Hinterstigmen 6 Tüpfel aufweisen.
Es wird nicht angegeben aus welcher der vielen angeb-
lichen Wirtpflanzen die untersuchte Larve herkömm-
lich war.
p. 53, Agromyza reptans FALL. Ist nach den Angaben über
die Larve wohl dieselbe Art wie bei den europäischen
Autoren, sodass diese Angaben sich wohl auf die Urtica-
Larve beziehen. Ausserdem ist indessen eine Anzahl
ganz anderer Pflanze als Wirte aufgeführt, so Arten
von Phragmites, Stellaria, Onobrychis, Helianthus, selbst
Zuckerrohr, sodass hier doch wahrscheinlich andere
Arten (Agr. nigripes mit Verwandten?, oder Domomyzen?)
vorliegen, worauf auch der Name subuieripes, welche hier
als Varietätsname an reptans zugefügt wird, hinweist.
Ich méchte noch erwähnen, dass auf p. 38 als Gallen-
bildner Agr. tiliae COUD., schineri GIR. und webster? MALL.
aufgeführt werden. Die erste und dritte wurden von mir im
iten Teile, p. 210, nicht erwähnt, wohl, p. 248, die Agr. #iliae.
Auch die Iris-Fliege (,, Agr. Zaterella”) macht bisweilen Gallen.
Angaben iiber Larven finden sich bei den folgenden Arten:
Agromyza allecta MEL. (p. 39), borealis MALL. (p. 41), fraga-
riae MALL, (p. 44), laterella ZETT. \p. 45), melampyga LOEW
(p. 47), parvicornis LOEW (p. 48), platyptera LOEW var. coro-
nata LOEW (p. 49), pusilla MG. (p. 51,) reptans FALL. var.
subnigripes MALL. (p. 53); Cerodonta femoralis MG. (p. 57),
Phytomyza albiceps MG. (p. 65), aquifolii GOUR. (p. 66), chry-
santhemi Kow. (p. 70), Zlicis CURT. (p. 77), obscurella var.
nigritella ZETT. (p. 81), Plantaginis R.D. (p. 82). —
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 305
“Agromyza bicophaga HERING. Fig. 127.
Obere Fliigel der oberen Fortsätze wenig gebogen, dicht
neben den unteren. Warzengiirtel relativ breit, bis nahe dem
Hinterende auch dorsal noch ziemlich entwickelt, am letzten
Segment ventral nicht unterbrochen; die Wärzchen zerstreut,
dreieckig, namentlich hinten in den Giirteln ôfters in Quer-
reihen oder -Gruppen. Auch über der Sinnesgruppe ein
Warzenband vorhanden. Vorderstigmen zweihörnig, mit 2
gleichen Hôrnern, diese zusammen mit ca. 14 Knospen.
ZU È
eM naar
12ja
Fig. 127. .1gromyza bicophaga HER. a Vorder-, 6 Hinterstigma.
Hinterstigmen mit 3 Knospen, welche lang und wie bei
Agr. Fohannae und Domomyza nana nach vorn gerichtet sind.
Aus Vicia tetrasperma (Berlin, HERING leg.).
*Agromyza lathyri HENDEL. Fig. 128.
Mundhaken schwarz, je mit 2 starken Zahnen, welche nur
wenig alternieren. Schlundgeriist nur vorn schwarz, die Fort-
sätze gelbbraun, der untere Flügel des oberen Fortsatzes
nach hinten allmahlich verbreitert, der obere Fliigel wenig
gebogen, die beiden Fliigel dicht neben einander. Am Kopf-
abschnitt keine Warzchen, wohl solche am Vorderrand des
Fig. 128. Agromyza lathyri HEND. a Vorder-, à, c Hinterstigma.
Prothorax, auch dorsal. Die übrigen Warzengürtel ziemlich
schmal, aus dreieckigen Wärzchen bestehend, je die hinteren
Warzen im allgemeinen etwas kleiner und mehr in Quer-
reihen angeordnet, Vorderstigmen deutlich zweihörnig, die
306 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
beiden Hörner zusammen mit ca. 16 Knospen. Hinterstigmen
eigentümlich, mit zahlreichen Knospen, ringsum die Knospen-
strahlen nach vorn gerichtet, an der medianen Seite jedoch
eine mittlere Region ohne Knospen. Hinterende nackt.
Aus Lathyrus latifolius (Berlin, HERING leg.).
Dizygomyza semiposticata HEND. Fig. 129.
Mundhaken schwarz, relativ lang, je mit 2 Zähnen, welche
alternieren. Am Schlundgerüst der unpaare Abschnitt lang,
fast gerade, an der Oberseite etwas concav; auch die Fort-
sätze schwarz, der obere ziemlich schmal, bis hinten gleich-
breit. Über der Sinnesgruppe median eine Region mit dichten,
sehr kurzen, haarähnlichen Warzchen. Am Prothorax unten
ein konischer Fortsatz; an diesem Ring vorn fast ringsum
ein schmales Warzenband, die Wärzchen klein, in Quer-
gruppen, meistens abgerundet oder abgestutzt. An den übrigen
Ringen die Wärzchen wenig entwickelt, nur an den Seiten
zeigen sie vorn eine zellenartige Felderung, die Zellen kaum
Fig. 129. Disygomyza semiposticata HEND. a Vorder-, 4 Hinterstigma.
gewölbt, in mehreren Reihen einander berührend; die beiden
hinteren Gürtel, die des 6' und 7ter Abdominalsegments,
am breitesten, jedoch auch noch ziemlich schmal. Vorder-
stigmen klein, kurz zweihörnig, mit ca. 14 Knospen. Hinter-
stigmen sehr eigentümlich, als nach unten gebogene Hörner
vorragend, je mit 3 Knospen, die beiden vorderen als gewölbte
Stellen vorragend, die 3'° an der Spitze. Hinterende abgestutzt.
Aus Carex hirta (Hermsdorf, Deutschland, HERING leg.).
HERING, M. Minenstudien VI. Zeitschr. Morphol. Ökol. d.
Tiere IV, 1925, p. 534 (als Dez. caricis HER.).
Minenstudien VII. Ibid. V, 1926, p. 480, 482. ==
Abbildung des Pupariums.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN, 307
Nach den Figuren von FROST, A study of the leaf-mining
Diptera of North America, Cornell Univ. Agr. Exp. Stat.
Mem. 78, Taf. XI, Fig. 7 und 12, zeigen die Hinterstigmen
von Agromyza borealis MALL. (aus Impatiens) und von einer
noch unbestimmten Art aus Cyperus acuminatus ähnlichen
Bau wie bei semzpostzcata.
Dizygomyza morosa MG.
Nach HERINGs neuesten Untersuchungen (Minenstudien VII,
Zeitschr. Morph. Okol. d. Tiere V, 1926, p. 472, 484) um-
fasst Dez. „morosa” in HENDELs Prodromus eine ganze Reihe
von Arten. Die in Iris lebende muss jetzt Dzs. zraeos ROB. DESV.
heissen. In derselben Arbeit finden sich Abbildungen der
Puparien der echten zorosa MG. aus Poa compressa (p. 474,
482), von Zaterella ZETT. (aus Carex hirta und arenaria, p. 482)
und von Diz. luctuosa Mg. (aus Carex hirta, p. 478, 482).
Liriomyza virgo ZETT.
Die eigentümliche Larve dieser Art wurde im ersten Ab-
schnitt, p. 292, beschrieben. Bei Ph. cicutae finden sich
noch einige Mitteilungen nach Angaben HERINGs über die
Befestigung des Pupariums an der Wirtpflanze, Equisetum
palustre L.
20
308 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
REGISTER.
Teil I erschien in Tijdschr. v. Ent. LXVIII,
Il ibid LES
A. Nach den Dipterennamen angeordnet.
DES albitarsis Mg. I. 216.
— allecta Mel, II, 304.
—— anthracina Mg. 1. 217.
—— bicophaga Her. II. 305.
— — borealis Mall. II. 304.
—— ferruginosa v.d. W. I, 217.
—— flaviceps Fall. I. 219.
—— flavipennis Hend. I. 220.
— — fragariae Mall. II. 303, 304.
—— Heringi de Meij. I. 220.
—-- humuli Her. I, 222.
—— Johannae de Meij. I. 223.
—— lantanae Frogg. I. 253.
—--— laterella Zett. II. 303, 304.
—— lathyri Hend. II. 305.
—— de Meijerei Hend. I. 225.
—— melampyga Lôw II. 304.
—— nigripes Mg. I. 226.
—— parvicornis Low II. 304.
—— phragmitidis Hend. I. 228.
—— platyptera var. coronata Low
—— pruinosa Coq. I. 261.
—— pruni Gross. I. 260.
—— pusilla Mg. 304.
—— reptans Fall. I. 228.
—— —— var. subnigripes II. 304.
—— rufipes Mg. I. 230.
—— salicina Hend. I. 231,
—— Schineri Gir. II. 304.
—— spiraeae Kalt. I. 231.
—— tiliae Coud. I, 248, II. 304.
——- Websteri Mill. II. 304.
—— sp. I. 233, 234.
II. 309.
Cerodonta denticornis Panz. II. 301.
—— femoralis Mg. II. 301, 304.
—— fulvipes Mg. IL 301.
Dizygomyza approximata Hend, I.
—-- artemisiae Kalt. I. 255.
—— atra Mg. I. 255.
—— bellidis Kalt. I. 257.
— — bimaculata Mg. I. 258.
—— carbonaria Zett. I. 259.
—— flavifrons Mg. I. 261.
—— hilarella Zett. I. 262.
—— iraeos R.D. II. 304, 307.
-—— labiatarum Hend. I. 263.
lamin kKalt. 142647
——- lateralis Macq. I. 265.
—-- laterella Zett. II. 304, 307.
—— luctuosa Mg. II. 307.
—— morio Bri. I. 266.
— — morosa Mg. I. 266, II. 304, 307.
(IL. 304.
[254.
Dizygomyza aff. morosa Mg. I. 267.
—— posticata Mg. I. 269.
—— pygmaea Mg. I 269.
—— semiposticata Hend. II. 306.
—— verbasci Bché. I. 270.
Domomyza ambigua Fall. I. 236.
—— frontella Rond. I. 237.
—— mobilis Mg. I. 238.
—— nana Mg. n 238.
—— niveipennis Zett. I, 239.
—— sp. I. 240.
Liriomyza amoena Mg. I. 276.
—— artemisicola de Meij. I. 285.
—— equiseti de Meij. I. 281.
—— fasciola Mg. I. 283.
—— —— subsp. bellidis de Meij.
[[. 284, II. 309.
—— —— —- eupatorii Kalt. I, 283.
—— flaveola Fall. I. 271.
—— graminicola de Meij. I. 280.
—— hieracii Kalt, I. 279.
—— —-— subsp. tanaceti de Meij.
—— impatientis Bri. I, 272. [I. 280.
—— leguminosarum de Meij. I. 282.
—— ononidis de Meij. I. 278, 291.
—-— orbona Mg. I. 273.
—— ornata Mg. I. 273.
—— ptarmicae de Meij. I. 286, 291.
—— puella Mg. I. 274.
—— pusilla Mg. s.1. I. 274, II. 304.
—— —— —— s.str. I. 276, 291.
—— pusio Mg. I. 277.
—— strigata Mg. I. 278.
—-— thesii Her. I. 282. ©
—— urophorina Mik I. 293.
—— variegata Mg. I. 291.
—— virgo Zett. I. 292, II. 307.
Melanagromyza aeneiventris Fall.
[E 24%
—— dolichostigma de Meij. I. 248.
—— Gibsoni Mall. I. 243.
— — lappae Low I. 243.
—— phaseoli Coq. I. 248.
—— ricini de Meij. I. 248.
—— Schineri Gir. I. 245.
—-— simplex Loew I. 245.
—— simplicoides Hend. I. 246.
--— sojae Zehntn. I. 248.
— Weberi de Meij. I. 248.
i glechomae Kalt. II. 230.
— — lateralis Fall. II. 231.
—— lonicerae Kalt. II, 228. Anm.
DIE LARVEN
Napomyza salviae Her. II. 233.
—— xylostei Kalt. II. 233.
Ophiomyia curvipalpis Zett. I. 249.
—— lantanae Frogg. I. 253.
—— melandryi de Meij. I. 251.
—— pinguis Fall. I. 249.
—— sp. I, 252.
Phytagromyza hendeliana Her. II. 228.
—— lonicerae Kalt. II. 228. Anm.
—— similis Bri. II. 229.
Phytomyza abdominalis Zett. II, 238.
aconiti Hend. II. 238.
affinis Fall. II. 239.
agromyzina Mg. II. 241.
albiceps Mg. II. 241. _
albimargo Her. II, 242.
anemones Her. II. 243.
angelicae Kalt. II. 243.
angelicivora Her, II. 244.
anthrisci Hend. II, 244.
aquilegiae Hard. II. 245.
astrantiae Hend. II. 246.
- atricornis Mg. II. 247.
avenae de Meij. II. 251.
Brischkei Hend. IL. 252.
chaerophylli Kalt. II. 253.
cicutae FHend. Il. 253.
cinerea Hend. II. 254.
afcisiHend,.Jl,255:
conyzae Hend. II. 256.
crassiseta Zett. II. 257.
cytisi Bri. Il. 258.
facialis Kalt. II. 259.
flavicornis Fall. II. 259.
- flavofemorata Strobl II. 260.
gentianae Hend. II. 262.
hellebori Kalt. II. 262.
Hendeli Her. II. 262.
heringiana Hend. II. 263.
hieracii Hend. II. 263.
ilicicola Löw II, 264.
ilicis Curt. II. 264.
—— jacobaeae de Meij. (I. 267.
DER AGROMYZINEN.
309
Phytomyza lampsanae Her. II. 267.
lappae Gour. II. 268.
laserpitii Hend. II. 270.
luteoscutellata de Meij. IL, 270,
luzulae Her. II, 271.
matricariae Hend. II. 271.
melana Hend. II. 272.
milii Kalt. II, 272.
minuscula Gour. II. 273.
nepetae Hend. II. 275.
nigra Mg. II. 275.
nigritella Zett. II. 276.
obscura Hend. II. 278.
obscurella Fall. II. 278,
orobanchia Kalt. II. 279.
Pauli-Loewi Hend, II. 280.
periclymeni de Meij. II, 281.
plantaginis R. D. II. 282.
populi Kalt. II. 283.
pratensis de Meij. II. 284.
primulae R. D. II. 284,
pubicornis Hend. II. 285.
ramosa Hend. II. 286.
ranunculi Schr. II. 287.
rufipes Mg. II. 288.
saxifragae Her. II, 289.
scolopendri R.D. II. 289.
scotina Her. II. 290.
sedicola Her. Il. 290.
selini Her. II. 291.
solidaginis Hend. Il. 292.
sphondylii R. D. II. 292.
succisae Her. II, 293.
tanaceti Hend, II, 293.
thalictri Roug. Esch. II. 294.
thysselini Hend. II, 294.
tridentata Low II. 295.
tripolii de Meij. II. 296.
varipes Macq. II. 297.
vitalbae Kalt. II. 298.
xylostei.R. D. II.299.
sp. II. 299.
Pseudonapomyza atra Mg, II. 235.
B. Nach den Wirtpflanzen angeordnet.
Hier sind in erster Linie die in der vorliegenden Arbeit
erwähnten Wirtpflanzen aufgeführt, dazu auch einige, welche
nicht in derselben, dagegen wohl in meinem ,,Verzeichnis
der holländischen Agromyzinen”, Tijdschr. v. Ent. LXVII,
1924, genannt werden. Durch * sind die nicht aus Holland
stammenden Minen gekennzeichnet.
Achillea millefolium.
Liriomyza ptarmicae de Meij. (?) I. 286.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
— — tanaceti Hend. II. 294.
310
Aconitum napellus.
Phytomyza aconiti Hend. II. 239.
Aegopodium podagraria.
Phytomyza angelicae Kalt. II. 244
—— obscurella Fall. II. 279.
——- pubicornis Hend. II. 286.
Agrimonia eupatorium.
Agromyza spiraeae Kalt. Holl. Agr.
[120.
Alnus glutinosa.
Agromyza albitarsis Mg. I. 216.
Anemone hepatica.
*Phytomyza abdominalis Zett, II. 238.
Anemone nemorosa.
*Phytomyza albimargo Her. II. 242.
*—_— anemones Her. II. 243.
*— — Hendeli Her. II. 263.
Angelica sylvestris.
Phytomyza angelicae Kalt. II. 243.
*#__ angelicivora Her: 11.2249.
—— obscurella Fall. II. 279.
Melanagromyza lappae Löw I. 244.
Anthriscus sylvestris.
Napomyza lateralis Fall. II. 232.
Phytomyza anthrisci Hend. ll. 245.
Antirrhinum maius.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
Aquilegia vulgaris u.a.
Phytomyza aquilegiae Hard. II. 246.
—— minuscula Gour. II. 274.
Artemisia vulgaris.
Dizygomyza artemisiae Kalt. I. 255.
Liriomyza artemisicola de Meij. I. 285.
Phytomyza albiceps Mg. II. 242.
—— atricornis Mg. II. 249.
Asparagus.
*Melanagromyza simplex Lôw I. 245.
Asperula odorata.
*Dizygomyza morio Bri. I. 266.
Aster tripolium.
Dizygomyza bellidis Kalt. I. 258.
Liriomyza fasciola Mg. I. 287.
Melanagromyza aeneiventris Fall. I.
[242.
Phytomyza affınis Fall. II. 240.
—— tripolii de Meij. II. 296.
—— sp. Il. 299.
PROF. DR. T. €. H. DE MEIJERE,
Astrantia major.
*Phytomyza astrantiae Hend. II. 247.
Astragalus glyciphyllos.
*Liriomyza variegata Mg. I. 291.
*Avena sativa.
Domomyza sp. I. 240.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249. 1)
—— avenae de Meij. II. 251. 1)
Pseudonapomyza atra Mg. II.
Ballota foetida.
Dizygomyza labiatarum Hend. Holl.
Bellis perennis. [Agr. 122.
Dizygomyza bellidis Kalt. I. 258.
Liriomyza fasciola subsp. bellidis
[de Meij: L 285 2 22103
Berula angustifolia.
Phytomyza thysselini Hend. II. 295.
Betula.
Agromyza albitarsis Mg. I. 216.
*— — pruinosa Coq. I. 261.
Brassica oleracea.
Phytomyza rufipes Mg. Il. 289.
Brassica napus.
Phytomyza atricornis Mg. II 248.
Brassica nigra.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
Bupleurum falcatum.
*Phytomyza facialis Kalt. II. 259.
Calliopsis bicolor.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
Caltha palustris.
Phytomyza nigritella Zett. IL. 277.
Carduus crispus.
Liriomyza strigata Mg. I. 279.
Melanagromyza aeneiventris Fall.
[122432
Phytomyza affinis Fall. II. 240.
—— atricornis Mg. II. 248.
Carex hirta.
*Dizygomyza semiposticata Hend.
Centaurea cyanus. [II. 306.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
Centaurea scabiosa.
*Phytomyza cinerea Hend. II. 255.
1) Aus Schweden von Dr. Tullgren erhalten.
DIE LARVEN DER
Centaurea sp.
Phytomyza atricornis Mg. Il, 248.
Chaerophyllum temulum.
Phytomyza chaerophylli Kalt. II 253.
Chrysanthemum frutescens.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
Chrysanthemum inodorum.
Napomyza lateralis Fall. II, 232.
Chrysanthemum leucanthemum.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
Chrysanthemum maximum.
Liriomyza strigata Mg. I. 279.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
Chrysanthemum sp.
Liriomyza strigata Mg. I. 279.
Phytomyza atricornis Mg. II, 248.
Cichorium endivia.
Liriomyza strigata Mg. Holl. Agr. 124.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
Cichorium intybus.
Napomyza lateralis Fall. II, 232.
Ophiomyia pinguis Fall. I. 250.
Cicuta virosa.
*Phytomyza cicutae Hend. II. 254.
Cirsium arvense.
Phytomyza affinis Fall. II. 240.
—-— cirsii Hend. II. 255.
Clematis vitalba.
Phytomyza vitalbae Kalt. Il. 298.
Clematis sp.
Phytomyza vitalbae Kalt, II. 298.
Clinopodium vulgare.
*Phytomyza obscura Hend. Il. 278.
Colutea arborescens.
Liriomyza leguminosarum de Meij.
17282
Comarum palustre.
Agromyza spiraeae Kalt. Holl. Agr.
[120.
Convolvulus tricolor.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
Cornus sanguinea.
Phytomyza agromyzina Mg. II. 241.
Cucumis sativus.
Phytomyza atricornis Mg. II, 249.
AGROMYZINEN. 3II
Cynoglossum officinale.
Agromyza rufipes Mg. I, 230.
Cytisus Adami.
Agromyza de-Meijerei Hend. I. 225.
Cytisus laburnum.
Agromyza de-Meijerei Hend. I. 225.
Phytomyza cytisi Bri. II. 258.
Dahlia variabilis.
Liriomyza strigata Mg. Holl. Agr. 124.
Phytomyza atricornis Mg. ll. 248.
Daphne mezereum.
*Dizygomyza approximata Hend,
[I. 254.
Dianthus barbatus.
Dizygomyza flavifrons Mg. Holl. Agr:
(122:
Delphinium.
Phytomyza aconiti Hend, Il. 239.
Diervillea trifida Mönch.
Phytomyza lappae Gour. (?) II. 269.
Dipsacus pilosus.
*Agromyza sp. I. 234.
Phytomyza ramosa Hend. II. 287.
Doronicum.
Liriomyza strigata Mg. Holl. Agr. 124.
Echium vulgare.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
Equisetum arvense.
Liriomyza equiseti de Meij. I. 281.
*Equisetum palustre.
Liriomyza virgo Zett. I. 292, II. 306.
Eupatorium cannabinum.
Dizygomyza artemisiae Kalt. I. 255.
Liriomyza fasciola Mg. subsp. eupa-
[torii de Meij. I. 284.
—— strigata Mg. Holl. Agr. 124.
Melanagromyza aeneiventris Fall.
| [I. 243.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
—— lappae Gour. II. 269.
*Euphorbia.
Liriomyza pusilla Mg. I. 276.
Ficaria ranunculoides.
Phytomyza ranunculi Schrk. II. 288.
Fragaria.
*Agromyza fragariae Mall, II. 303.
312
Fragaria vesca.
Agromyza spiraeae Kalt. I. 231.
Galeopsis tetrahit.
‘ Liriomyza fasciola Mg. subsp. eupa-
[torii de Meij. I. 284.
—— strigata Mg. Holl. Agr. 124.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
Galium.
Liriomyza pusilla Mg. s.1.(?) I. 286.
Gentiana asclepiadea.
*Phytomyza gentianae Hend. II. 262.
Geranium pratense.
*Agromyza Heringi de Meij. I. 220.
Getreide.
Cerodonta femoralis Mg. (?) II. 301.
Dizygomyza lateralis Macq. I. 265.
Man vergl. auch Avena und Secale.
Glechoma hederacea.
Phytagromyza glechomae Kalt.
Ee
Gräser.
Agromyza nigripes Mg. I. 226.
Cerodonta denticornis Panz. II. 301.
Dizygomyza pygmaea I. 269.
Domomyza ambigua Fall. I. 236.
—— mobilis Mg. I. 238.
Liriomyza flaveola Fall. I. 271.
Liriomyza graminicola de Meij. I. 280.
—— milii Kalt. II. 273
—— nigra Mg. Il. 276.
Pseudonapomyza atra Mg. II. 235.
Helleborus.
Phytomyza hellebori Kalt. II. 262.
Helianthus annuus.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248
[und Holl. Agr. 127.
Helichrysum.
Phytomyza atricornis Mg. Holl. Agr.
127.
Heracleum persicum.
Phytomyza sphondylii II. 293.
Heracleum sphondylium.
Melanagromyza lappae I. 244.
Phytomyza sphondylii II. 293.
Hesperis matronalis.
Liriomyza strigata Mg. I. 2
79.
Phytomyza atricornis Mg. Holl. Agr.
(128.
Hieracium pilosella.
*Phytomyza hieracii Hend. Il. 264.
PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
*Hieracium sp.
Liriomyza hieracii Kalt. I. 280.
Humulus lupulus.
Agromyza flaviceps Fall. I. 219.
—— humuli Her. I. 222.
Hypochaeris radicata.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
Ilex aquifolium.
*Phytomyza ilicicola Loew II. 264.
—— ilicis Curt, II. 264.
Impatiens noli-me-tangere.
Liriomyza impatientis Bri. I. 272.
Inula conyza.
Phytomyza conyzae Hend. II, 257.
Iris foetida.
*Dizygomyza sp. I. 268.
Iris pseudacorus.
Dizygomyza iraeos R. D, I. 267 (als
[morosa).
Iris spp.
I. 267. IL. 303 (als Agromyza, Dizygo-
myza laterella Zett.
Jurinea alata.
Phytomyza atricornis Mg. Holl. Agr.
(128.
*Knautia.
Phytomyza ramosa. II. 287.
_ Knautia arvensis.
*Phytomyza similis Bri, II. 229.
Knautia silvatica.
*Agromyza sp. I 234.
Lamium album.
Agromyza flavipennis Hend. I. 220.
Liriomyza strigata Mg. Holl. Agr. 124.
Dizygomyza labiatarum Hend, I. 264.
Lamium purpureum.
Dizygomyza labiatarum Hend, I. 264.
*Dizygomyza lamii Kalt. I. 264.
Liriomyza strigata Mg. (?) I. 287.
Phytomyza atricornis Mg. Il. 249.
Lampsana communis.
Liriomyza puella Mg. I. 274.
—— strigata Mg. I. 279.
Ophiomyia sp. I. 253.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
—— lampsanae Her. Il. 268.
Lantana.
*Ophiomyia lantanae Frogg. 253.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 313
Lappa.
Phytomyza atricornis Mg. Holl, Agr.
(27
——. lappae. II. 269.
Laserpitium latifolium.
*Phytomyza laserpitii Hend. II. 270.
Lathyrus latifolius.
*Agromyza lathyri Hend. II. 305.
Lathyrus odoratus.
Liriomyza leguminosarum de Meij.
[I. 283.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
Lathyrus pratensis.
Liriomyza leguminosarum de Meij.
288:
Lilium martagon.
*Liriomyza urophorina Mik I. 293.
Linaria vulgaris.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
Lonicera periclymenum.
Napomyza xylostei Kalt. If. 235.
Phytagromyza hendeliana Her.
[IL 228.
Phytomyza periclymeni de Meij.
[II. 282.
Lonicera tatarica.
Phytomyza luteoscutellata de Meij.
[sazia
Lonicera spp.
Phytomyza luteoscutellata de Meij.
[27
Phytomyza xylostei R.D. II. 299.
Lotus corniculatus.
Liriomyza leguminosarum de Meij.
[Holl, Agr. 124.
Lupinus.
Phytomyza albiceps (?) II. 242.
—— atricornis Mg. Holl. Agr. 128.
*Luzula.
Dizygomyza bimaculata Mg. I. 258.
Phytomyza luzulae Her. II. 271.
Lychnis chalcedonica.
Dizygomyza flavifrons Mg. Holl. Agr.
[22°
Malva sylvestris.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
Matricaria chamomilla.
Napomyza lateralis Fall. II. 232.
Phytomyza atricornis Mg. (?) II. 249.
—— matricariae Hend. II. 272.
Medicago lupulina.
*Domomyza frontella Rond. I. 237.
Medicago sativa.
*Domomyza frontella Rond. I. 237.
Liriomyza leguminosarum de Meij.
[I. 283.
Melampyrum arvense.
Phytomyza flavofemorata Strobl
[261
Melampyrum pratense.
Phytomyza pratensis de Meij. II. 284.
Melandryum rubrum.
Dizygomyza flavifrons Mg. I. 262.
Ophiomyia melandryi de Meij. I. 252.
Melandryum vespertinum.
Dizygomyza flavifrons Mg. I. 262.
Nepeta cataria.
*Phytomyza nepetae Hend, II, 275.
Oenanthe phellandrii.
Phytomyza anthrisci Hend. (?) II. 245.
Ononis arvensis.
*Liriomyza ononidis de Meij. I, 278.
Orobanche sp.
Phytomyza orobanchia Kalt. II. 280.
Orobus banaticus.
Agromyza sp. I. 233.
Papaver dubium.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
Papaver orientale.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
Papaver somniferum.
Liriomyza strigata Mg. I. 279.
Phytomyza atricornis Mg. Holl. Agr.
[128.
Papaver spp.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
Pastinaca sativa.
Phytomyza sphondylii R. D. II. 293.
Peucedanum oreoselinum.
*Phytomyza Pauli-Loewi Hend.
(IL. 281.
Phacelia tanacetifolia.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
Phlox decussata.
Phytomyza atricornis Holl. Agr. 128.
314
Phragmites communis.
Agromyza nigripes Mg. I. 226.
—-- phragmitidis Hend. I. 228.
Dizygomyza atra Mg. I. 257.
Pimpinella magna.
Phytomyza thysselini Hend.
Pimpinella saxifraga.
*Phytomyza melana Hend. II. 272.
Pirus malus.
*Phytomyza heringiana Hend, II, 263.
Pisum sativum.
Liriomyza leguminosarum de Meij.
—— pusio Mg. I. 278. [l. 283.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
Plantago lanceolata.
Phytomyza plantaginis R.D. II. 283.
Plantago major.
Phytomyza plantaginis R. D. II. 283.
Populus nigra.
Phytomyza populi Kalt. II. 233.
—— *tridentata Low II. 296.
Potentilla anserina u.a.
Agromyza spiraeae Kalt. I. 231 und
(Holl, Agr. 120.
Primula spp.
Phytomyza primulae R.D. II. 285.
Pteris aquilina.
Dizygomyza hilarella Zett. I. 262.
Pyrethrum hybridum.
Phytomyza albiceps Mg. II. 242.
—— atricornis Mg. II. 248.
Ranunculus spp.
Phytomyza ranunculi Schr. II 228.
Reichhardtia tingitana.
Phytomyza atricornis Mg. Holl. Agr.
[128.
Rhinanthus major.
Phytomyza varipes Macq. II. 297.
Rosa.
Agromyza spiraeae Kalt. I. 231.
Salix.
Agromyza salicina Hend. I. 231.
Dizygomyza carbonaria Zett. I. 259.
Melanagromyza *Schineri Gir. I. 245.
—— simplicoides Hend. I. 247.
Phytomyza tridentata Low II. 206.
Salvia pratensis.
*Phytomyza scotina Hend, II. 290.
PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
Salvia verticillata.
*Napomyza salviae Her. II. 233.
Sambucus.
Liriomyza amoena Mg. I. 277.
Saponaria officinalis L.
Dizygomyza flavifrons Mg. I. 262.
Sarothamnus scoparius.
Agromyza Johannae de Meij. I. 223.
Saxifraga rotundifolia.
*Phytomyza saxifragae Her. II. 289.
Scolopendrium.
*Phytomyza scolopendri R. D. II. 289.
Scrophularia nodosa.
Dizygomyza verbasci Bché. I. 270.
Scutellaria galericulata.
Dizygomyza labiatarum Hend. I. 264.
*Secale cereale.
Domomyza niveipennis Zett. I. 239.
Sedum maximum.
*Phytomyza sedicola Her. II. 291.
Selinum carvifolia.
*Phytomyza selini Her. II. 292.
Senecio aquaticus.
Napomyza lateralis Fall. II. 232.
Senecio Fuchsi.
Phytomyza lappae Gour. II. 269.
Senecio jacobaea.
Liriomyza strigata Mg. Holl. Agr. 124.
Phytomyza atricornis Mg. (?) II. 249.
—— jacobaeae de Meij. II. 257.
Senecio saracenicus.
Liriomyza strigata Mg. Holl. Agr. 124.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
Senecio vulgaris.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
Silene.
Dizygomyza flavifrons Mg, I. 262.
Sisymbrium alliaria.
Phytomyza atricornis Mg. (?) II. 249.
Sisymbrium sophia.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
Solanum nigrum.
Phytomyza atricornis Mg. II. 249.
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN.
Solidago virga-aurea.
*Dizygomyza posticata I. 268.
*Phytomyza solidaginis Hend, II. 297.
*Ophiomyia curvipalpis Zett. I. 249.
Sonchus spp.
Liriomyza hieracii Kalt. I. 279, 280.
—— strigata Mg. I. 279.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
—— cirsii Hend. II. 255.
Spiraea salicifolia u. a. Heister.
Agromyza spiraeae Kalt. I, 231.
Spiraea ulmaria.
Agromyza spiraeae Kalt. I. 231.
Stachys sylvatica.
Dizygomyza labiatarum Hend. I. 264.
Succisa pratensis.
*Phytomyza succisae Her, II, 293.
Symphoricarpus racemosus.
Napomyza xylostei Kalt. II, 235.
Phytomyza luteoscutellata de Meij.
227%:
—— periclymeni de Meij. il 282.
Symphytum officinale.
Agromyza ferruginosa v.d. W. I. 217.
Tagetes patula.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
Tanacetum vulgare.
Liriomyza hieracii Kalt. subsp. tana-
[ceti de Meij. I. 280.
Phytomyza atricornis Mg. Holl. Agr.
(27
Taraxacum officinale.
Liriomyza hieracii Kalt. I. 280.
—— strigata Mg. I. 270.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
Thalictrum.
*Liriomyza fasciola Mg.(?) I. 285.
Phytomyza minuscula Gour. II. 274.
*—_ thalictri Roug. Esch. II, 294.
Thesium montanum.
*Liriomyza thesii Her. I, 282.
Thysselinum palustre.
Phytomyza thysselini Hend. II. 295.
Tilia.
*Agromyza tiliae I. 248,
Tragopogon.
*Liriomyza hieracii Kalt. (?) I. 280.
3.15
Trifolium pratense.
Domomyza nana Mg. I. 238.
Trifolium spp.
Liriomyza leguminosarum de Meij.
[Holl. Agr. 124.
Phytomyza Brischkei Hend, II. 253.
Tropaeolum canariense.
Phytomyza atricornis Mg. II. 248.
Tropaeolum maius.
Phytomyza atricornis Mg. II.
Tussilago farfara.
Phytomyza atricornis Mg, (?) II. 249.
Urtica dioica.
Agromyza anthracina Mg. I. 217.
—— reptans Fall. I. 228.
*Melanagromyza aeneiventris Fall.
[I. 243.
Phytomyza flavicornis Fall. II 259.
Valeriana officinalis.
Liriomyza fasciola Mg. I. 283.
—— strigata Mg. I. 279.
Phytomyza atricornis Mg. Holl. Agr.
[128.
*Verbascum thapsus.
Dizygomyza verbasci Bché. I. 270.
Veronica chamaedrys.
Phytomyza crassiseta Zett. II, 257.
Veronica hederaefolia.
Liriomyza fasciola (?) I. 285.
*Veronica montana.
Phytomyza crassiseta Zett. II. 257.
Veronica sp.
Agromyza rufipes (?) I. 230.
Vicia cracca.
Domomyza nana Mg. I. 239.
Liriomyza leguminosarum de Meij.
283.
Vicia faba.
Liriomyza leguminosarum de Meij.
[I. 283.
Vicia tetrasperma.
“Agromyza bicophaga Her. Il. 305.
Xeranthemum.
Phytomyza atricornis Mg. Holl. Agr.
[nz
316 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE,
IN ETAT
E
Pag.
Einleitunei\ sms … . . .. Tijdschr: v. Ent, LVDS
Allgemeines über die Agromyzinenlarven . 199
Actomyza ale. ee! „art BR e TA DE
DomomyzasRond. nn. u... TR ENTO
Melanasromyza: Blend... ., nu 43). Oe anak, ANZI
Ophiomyia Braschn. ote SNE e en Ze
Dizysomyza:Hend. .. db gh ita GY Ne ee ER
Liriomyza Mik nn dg DEN ag, RO)
I:
Phytagromyza Hend... . .|. Tijdschr. v. Ent. LIX 2227
Napomyza Hal... Cs sar ae ie GE
Pseudonapomyza Hende e 12.727 EE IEDER
Phytomyza Falle sato ET ei al EEE
Cerodonta CRONAs ds ET a na
Nachsch Afta amt m EN M ET LR OR TRE
KEBisteke hel ER BS 2) Bat, cok noe sù A
AS Nach dea*Dipteren angeordnet nt ee
B. Nach den Wirtpflanzen angeordnet . . . . . 309
Inhalen: Ga SUR TR EL AIR ET, LISE
Etta te e NE TEE
DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 317,
ERRATA.
Heil 1, <p, 284, Zeile sav. u subsp. Zelldss KALT., soll
heissen: subsp. bellidis DE MEIJ.
Bei einigen Arten wurde die schon bekannte Wirtpflanze
der Larve nicht besonders erwähnt. Es ist vielleicht doch
nicht überflüssig, diese auch hier anzugeben:
p. 231, Agromyza salicina HEND., in Blattblasen an Salix
repens.
» 245, Melanagromyza Schinert GIR., in Zweigen von Salix.
» 247, » simplicoides HEND., in Zweigen von
Salix.
» 249, Ophiomyia curvipalpis ZETT., in Blattminen an
Solidago virga-aurea.
» 262, Disygomyza hilarella ZETT., in Blattminen an Pteris
aquilina.
» 264, Disygomyza lamii KALT., in Blattminen an Lamium.
» 271, Liriomyza flaveola FALL., in Blattminen an Gras-
blättern.
Teil II, p. 251. Bei Phytomyza avenae DE MEI]. ist hinzu-
rufügen : aus Blattminen an Avena sativa,
Schweden, TULLGREN leg.
Errata zu meiner Abhandlung: Verzeichnis der holländi-
schen Agromyzinen, Tijdschr. v. Entom. LXVII, 1924:
p. 124, Zeile II v.o.: subsp. bellidis KALT., soll heissen:
subsp. dellidis DE MEI].
» 128, Zeile 16 v.u.: chaerophylii'*), soll heissen: chae-
ropiylld 5),
» 140, Zeile 11 v.o.: Oralborsten, soll heissen: Orbital-
borsten.
» 142, Zeile 3 v.o.: subsp. delhdis KALT., soll heissen:
subsp. bellidis DE MEI).
» 147, Zeile 6 v.o.: Lonicera, soll heissen: Phytomyza.
» 155, Zeile 5 v.o.: Phytagromyza, soll heissen: Phyto-
myza.
Remarks on some South African
Cleridae in the British Museum.
(7th Communication on Cleridae).
By
J. B. CORPORAAL,
Amsterdam.
Gyponyx nodicollis BOH.
The number of tubercles on the pronotum is 7, as BOHEMAN
quite correctly states, and not 6, as SCHENKLING says (Ann.
S. Afr. Mus. V*, 1907, p. 199). The two foremost transversal
rows consist of 2 each, the basal one of 3.
In a series in the B.M., all from Port St. John, Pondoland,
IX, X, XI.& XII, 1923; RY Er TURNER leg.,,the four black
spots on the elytra show considerable variation in size. In
some specimens the subapical spots disappear, in others the
submedian spots too, so that the elytra appear altogether
testaceous. Additional spots do not occur in this series. The
length of the specimens varies from 5!/, to 8'/, mm.
Gyponyx prasinus n. sp.
Brunneus, nitidus, flavopilosus, antennis, coxis
cum basi femorum, corpore. subtusstestacets.
Prothorace tuberculato ut in G. nodicolli Bon. Ely-
tris prasinis.
Very conspicuous on account of the beautiful, grass-green
colour of the elytra. Body covered with fine, long, testaceous
hairs. Head dark brown, rugulose, palpi and antennae
fulvous. Prothorax brown, on the disk bearing 7 tubercles,
arranged as in G. nodicollis Bom. Pectus and abdomen
of a more or less reddish yellow. Scutellum brown.
J. B. CORPORAAL, REMARKS ON SOME S.AFRIC. CLERIDAE &. 319
Elytra grass-green, at the extreme margin in some speci-
mens very feebly dotted with dark brown, at scutellum a
short, longitudinal impression, common to both elytra. A
few longitudinal rows of punctures, which do not extend
beyond half way the apex. Legs slender, brown (in appar-
ently somewhat immature specimens light brown); coxae,
bases of femora, knees and tarsi yellow.
Length 8—-10!/, mm.
A small series from Port St. John, Pondoland, IX, X &
21141923, Ke Ee TURNER leg:
Type in B.M, Paratypes in B. M. and in Zoological
Museum, Amsterdam.
Allied to G. nodicollis BOH.
Thriocera pectoralis KL., var. nov. Turneri.
A series from Port St. John, Pondoland, IX, X, XI & XII,
1923, R. E. TURNER leg., shows a remarkable variation.
Whereas all the varieties named before present a more or
less pronounced reduction of the red markings on the elytra,
in this series the red colour is considerably increased. It
occupies the whole basal half of the elytra, up to the trans-
verse white, pubescent fascia, the suture and the apical part,
so that the black colour on the elytra is reduced to a
transverse fascia, interrupted by the red suture and in front
touching the white narrow fascia.
Length 3!/,—6 mm.
Type in B.M., Paratypes in B. M. and in Zoological
Museum, Amsterdam.
REGISTER.
ARACHNOIDEA.
Acarus XIX, XX, XXII, XXIII, XXV.
—— bubalus Oudms. XIX.
equi XXIII,
— — gymnopterorum L. 149, 224.
—-- libellulae de G. 149, 224.
Analges XXV.
— — corvinus Hoch. XXIII.
Anoetus XX.
—— tienhoveni Oudms. C.
Arrhenurus globator 149.
—— papillator Müll. 149.
Canestrinia javensis XX.
—— macgillavryi XX.
Carpoglyphus XXIV.
Chorioptes XXV, 1, 13.
-—— bovis XIX.
—— caprae Del. & Bourg. 1, 16—18.
—— equi Gerl. 1, 16—18.
—— texanus 2.
Cyrtolaelaps mucronatus G. et R.
[Can. C.
Friophyes oculatus Oudms. XXVI.
Glycyphagus XXII.
—— domesticus concretipilus XXI.
—— —— unisetus XXI,
Hydrachna geographica O, F. 224.
Hydryphantes gymnopterorum L. 224.
Lentungula XXIV, XXV.
Mealia XXIV.
Neophyllobius vanderwieli Oudms. C.
Notoedres XX, XXV.
Otodectes furonis Raill. 15.
Pergamasus corporaali Oudms. C.
Psoroptes XXV.
—— equi XCV.
Pteronyssus XXI, XXII, XXIV.
—— pari L. XXIII.
Rhizoglyphus XX, XXIV, XXV.
Rivoltasia XXIV.
Sarcoptes bovis v. Leeuw. XIX.
Schwiebea XX, XXV.
Sphaerozetes numerosus Sellm. C. |
Trombidium 3.
Tyroglyphus XXIV. |
—— littoralis Oudms, XXV.
COLEOPTERA.
Achenium humile Nic. XXVIII,
Aesopida dubiosa Hell. 37, 38.
—— malasiaca Thoms. 37, 38.
—— tonkinensis Hell. 30.
Agriotes aterrimus L. XLIV.
—— obscurus L. LXXXIX.
Amara VII.
Anancylus 30.
—— dajacus Hell. 30.
—— incongruus Pasc. 30.
Anisosticta 19-pustulata L. XXVII.
Antherophagus LXIX.
Anthrenus LXVIII,
Arytaena 58.
Atheta vilis Er. XCVIII,
Atomaria VII.
Baris lepidii Germ, XXVII.
Barylypa unguiculata Grav, XCIX.
Bembidion VII.
Cacia 32.
—— sexplagiata Hell. 31.
Callienispia 45.
Carabus cancellatus VII.
Cassida VII.
Catapausa albaria Hell. 41.
—— bispinosa Aur. 41.
Cercyon VII.
Ceuthorrhynchus VII, XXVII.
—— denticulatus Schr. VII.
—— erysimi F. XXVII.
Chlorophorus annularis F. 25, 26.
annulatus 26.
annulifer Hell. 26.
bakeri Aur. 27.
—— —— subsp. basilanus
(Hell, 26,27:
—— --— —— orbiculifer
[Hell 2272
-—— hederatus Hell. 25.
Coccidula rufa Hbst. XXVII.
—— scutellata Hbst. XXVII.
Coccotrupes dactyliperda F. XXVIII.
Coptops 34, 35, 37.
Cryptophagus LXVIII,
—— pubescens Strm. LXVIII.
REGISTER.
Cryptophagus setulosus Strm.
(LXVIII,
Dacne bipustulata Thunb. XXXIV,
[XXXV.
—— --— —— ab. jekeli Reitt.
—— fowleri Joy XXXV.
rufifrons F. XXXIV, XXXV.
—— ab, reitteri Schrk. XXXV.
Db hamifera Hell. 49.
Demonax strangalioides Pasc. 28.
—— strangaliomimus Hell, 27.
Dihammus punctiventris Hell. 28.
—— speciosus Gah. 28, 29.
Doliops geometrica Wat. 44.
—— villalobosi Hell. 43.
Donacia XXXVIII.
Drilus VI,
Dromius VII,
Dyschirius VII,
Dytiscus 224.
—— marginalis L. XXXIII.
Enispia samarana Hell. 44.
—— venosa Pasc. 44, 45.
Ephistemus exiguus Er. VII.
Erirrhinus acridulus L. XXVIII.
Etaxalus Pasc. 42.
Glenea beesoni Hell. 46.
—-- canidia Thoms, 47.
—— caninia Hell, 47.
—— sjosjedti Aur. 46.
Gyponyx nodicollis Boh. 318.
— — prasinus Corp. 318.
Helmis latreillei Bed. VI.
Helophorus VII.
—— asperatus Rey XXXIV.
—-- fulgidicollis Motsch. XXXIV.
Heteroclytomorpha davoana Hell. 41.
—— quadripunctata Hell, 41.
Heterotaxalus Hell. 42.
—— schwarzeri Hell. 42.
Hippodamia 13-punctata L. XXVII.
Homalisus fontisbellaquei Fourcr, VI.
Homoeomorpha 41.
Homonoea 41.
—— ornamentalis Hell. 41.
Hyloicus pinastri L. XL.
Latelmis germari Er. VI.
—-— volckmari Panz. VI.
Lathrobium VII, XXVIII.
Melanotus rufipes Hrbst. XC.
Mesocacia Hell. 32.
——- assamensis Hell. 3
Micraspis sedecimpunctata L. XXVII.
Mispila 45.
Nebria VII.
Olenecamptus salweeni Hell. 39.
—— sandacanus Hell, 39, 40,
—— signaticollis Hell. 39.
[XXXV.
321
Omalium VII.
Otiorrhynchus ovatus L. XXVIII.
Oxytelus VII.
Paracoptops Hell. 36.
Paraglenea fortunei notatipennis
—— —— savioi Pic 49. [Pie 39.
szetschwana Hell. 48.
Perissus 24.
—— scutellatus Chevr. 27,
Pharselia gibbifera Guér. 29, 30.
—-- intermedia Hell. 29.
—— proxima Gah. 29.
——- variegata Aur. 29, 30.
Philonthus VII.
—— nigritulus Grav. LXIX.
—— pennatus Sharp LXIX.
Phytobius leucogaster Mrsh. XX VII.
-—— quadricornis Gylh. XXVII.
—— quadrinodosus Gylh. XXVII.
Pogonochaerus ovatus Goeze VII.
Poophagus sisymbrii F, XXVII.
Protaxis flavescens 21.
— — fulvescens Gah. 21
—— fulviventris Hell. 21.
Pselaphus heisei Hbst. VII.
Psylliodes cuprea Koch VII.
Rhinoncus XXVII.
Rhinosimus viridipennis Latr. VII,
Rhizobius litura F. XXVII.
—— subdepressus Seidl, XXVII.
Saimia 34, 37.
—— albodorsalis Pasc. 34.
—— anulicornis Hell. 36.
— — diversa Pasc. 34.
-—— incongrua Pasc. 30.
—-— pardina Hell. 34, 36.
—— tuberosa Hell. 36.
Saphanus piceus Laich. LXIX.
Scaphidema metallicum F. VII.
Simplocaria semistriata F. VII.
Stenus VII, XXVIII.
--— foraminosus Er. VII.
Stiroglenea decolorata Hell. 47.
Stomis VII.
Tachyporus VII.
Tetraommatus basifemoralis Hell, 22.
——- niger Gah, 23.
—— ocularis 22,
| —— —— subsp. continentalis Hell.
[22.
Thriocera pectoralis K]. var, turneri
[Corp. 319.
Trichoceble floralis OI. VII.
Xiphoteata Pasc. 42.
Xylotrechus 24.
-—— antennarius Hell. 24.
—— basifuliginosus Hell. 23.
—— quadripes Chevr. 24.
ios)
N
N
CORRODENTIA.
Elipsocus abietis Kolbe C.
DIPTERA.
Aedes VI.
Agromyza Fall. 227.
—— allector Mel, 304.
—— bicophaga Her. 305.
—— borealis Mall. 304, 307.
—— fragariae Mall. 303. 304.
—— johannae 305.
— laterellaZett 605501:
--— lathyri Hend. 305.
—— lonicerae Kalt. 228.
—— melampyga Loew 304.
—— nigripes Mg. LXII, 304.
orbona 304.
—— parvicornis Loew 304.
—— platyptera Loew var. coronata
—— pusilla Mg. 304. [Loew 304.
-—— reptans Fall. 304.
—— —t— var. subnigripes 304.
= rsalicina Hend. 517.
—— schineri Gir. 304.
—— spiraeae Kalt. 303.
— — tiliae Coud. 304,
—— websteri Mall. 304.
Anopheles VI.
Anthomyia pluvialis L. LXII.
Borborus equinus Fall. LXII, LXIII.
—— uncinatus Duda LXIII.
Caenia obscura Mg. 224.
Camilla acutipennis Loew XLIII.
Cerodonta Rond. 227, 300.
—— denticornis Panz. 300, 301.
—— —— var. nigroscutellata Str.
—— dorsalis Loew 300, 301. [301.
—— femorata Mg. 301, 304.
—— fulvipes Mg. 301.
Chilosia intonsa Loew LXII.
—— vernalis Fall, LXII.
Chironomus pilicornis F. XLIII,
Chloropisca glabra Mg. LXII.
Chortophila aestiva Mg. LXII.
=— cillicrura Rd, LXII.
—— cinerella Fall. LXII.
—— discreta Mg. LXII.
—— dissecta Mg. LXII.
—— intersecta Mg. LXII.
—-— octoguttata Zett. LXII.
—— pratensis Mg. LXII.
—— radicum LU. EXIT.
—— sepia Mg. LXII.
— trichodactyla Rond. LXII
Giens glaucella Stenh. LXIT.
—— obscurella Fall. LXIII.
Coeliodes VII.
REGISTER.
Colobesthes falcata Guér. LXIV.
—— semanga Dist LXIV.
Eules2V, Vill 224:
Desmometopa sordidum Fall. LXII.
Dichrochira leucopeza Mg. LXII.
Dicranomyia danica Niels. XLIII.
Ditaenia cinerella Fall, LXII.
——- grisescens Mg, LXIII.
Dizygomyza 227.
-- — abnormalis Mall. LXII, LXIV.
—-— caricis Her. 306.
—— hilarella Zett. 317.
—— iraeos KR. D. 304.
—— lamii Kalt. 317.
—— laterella 304.
—— morosa 303.
—— semiposticata Hend. 306.
Domomyza Rond. 227.
—— ambigua Fall. LXII.
— — cinerascens Macq. LXII, LXIII.
—— mobilis Mg. LXII.
—— nana Mg. LXII, 305.
Drosophila fenestrarum Fall,
Enicita annulipes Mg. LXII.
Eriozona syrphoides Fall. XLIII.
Fannia sp. LXII.
Gastrophilus XCII, XCV.
— — flavipes Ol. XCIII.
—— haemorrhoidalis L. XCII.
—— intestinalis de G. XCIII.
—— nasalis L. XCIII.
—— pecorum F. XCIII.
—— ternicinctus Ged, XCIII.
Haematobia stimulans Mg. LXIII.
Hebecnema umbratica Mg. LXII.
Hydromyza livens Fall. LXI!.
Hydrophoria divisa Mg. LXIII.
—— ruralis Mg. XLIII.
Hylemyia fugax Mg. LXII.
—— lasciva Zett. LXIII.
—— nigrimana Mg. LXII.
—— pilipyga Vill. LXII, LXII.
—— pullula Zett. LXII.
Hypoderma XCVII.
Laphria flava L. XLIV.
Leptis maculata de G. XLIII.
Limosina crassimana Hal. LXII,
—— humida Hal, LXIII. [LXII.
—— pseudoleucoptera Duda LXII,
[LXIIL.
—— racovitzai Bezzi var. microps
[Duda C.
—— retracta Rond. 1.XIL.
--- zosterae Hal. LXII.
Liriomyza Mik 227.
—— fasciola Mg. subsp. bellidis
[de Meij. 317.
—-— flaveola Fall. 276, 317.
LXIIT.
REGISTER.
LXII,
LXII.
Liriomyza orbona Mg.
—— ornata Mg. LXII,
—— pusilla Mg. LXII.
—— virgo 254, 307.
Lyperosia irritans L. LXII.
Mayetiola LXII.
Melanagromyza Hend. 22
—— schineri Gir, 317.
— — simplicoides Hend. 317.
Morellia aenescens KR. D. LXII.
—— hortorum Fall. LXIII.
Mydaea duplicata Mg. LXII.
Myopina reflexa R. D. LXII.
Myospila ico Benda Re EAT
Napomyza Hal: 227, 220.
— glechomae Kalt. xs 072338
harlemensis Weij. 234.
lateralis Fall. 220, 231, 232, 250.
salviae, Her. 220; 231, 233:
xylostei Kalt. 229—232, 234, 241.
Nemopoda cylindrica F. LXII.
Norellia spinimana Deg. LXII.
Ophiomyia Braschn. 227.
— — curvipalpis Zett. 317.
—-— pinguis 232.
Oscinella brachyptera Zett. C.
Oxycera pardalina Mg. XLIII.
Paralleloma media Beck. XLIII.
Parydra nigritarsis Strobl XLIII.
Pegomyia hyoscyami Panz. LXII.
Philygria obtecta Beck, LXIII.
Phrosia albilabris Fall. LXIII.
Phytagromyza Hend. 227.
- = Zhendeliana Her. 227, 228.
— — lonicerae 227, 228.
= Similis brs 227, 220,
Phytomyza Fall. LXIII, 227, 236, 317.
— — abdominalis Zett. 238.
aconiti Hend. 238.
affinis Wall: 239, 251, 252; 256.
agromyzina Mg. 241.
albiceps Mg. 241, 250, 256,
[271, 272, 294, 304.
albimargo Her. 242.
alpigena Hend. 228.
anemones Her. 243.
angelicae Kalt. 243.
angelicivora Her. 244.
anthrisci Hend. 244.
aquifolii Gour. XLIV, 264, 267,
[304.
- aquilegiae Hard. 237, 245, 274.
astrantiae Hend. 246.
atricornis Mg. LXII, 237, 241,
[247, 250—252, 257,
[271, 283, 286, 293.
avenae de Meij. 251, 317.
brischkei Hend. LXIII, 252.
Phytomyza chaerophylli
Kalt. 244,
[253, 272, 294, 317.
chrysanthemi Kow. 251, 304.
centaureae Her. 257.
cicutae Hend. 237, 253, 307.
cineracea Hend, LXII, LXIII.
cinerea Hend. 254.
cirsii Hend. 254.
conyzae Hend. 256.
crassiseta Zett. 257.
cytisi Bri. 258.
facialis Kalt. 259, 281.
flavicornis Fall. 237, 259, 289.
flavofemorata Strobl 237, 260,
gentianae Hend. 262. [284.
gymnostoma LXII,
harlemensis Weij. 235.
hellebori Kalt. 262.
hendeli Her. 262.
heringiana Hend. 263, 279.
hieracii Hend. 263.
ilicicola Loew LXIV, 264, 266.
ilicis Curt, XEIV, 262, 264,
[266, 267, 304.
jacobaeae de Meij, 267.
lampsanae Her. 267.
lappae 267, 268.
laserpitii Hend. 270.
lonicerae Bri. 270.
luteoscutellata de Meij. 227,
[231, 237, 270.
luzulae Her. 271.
matricariae Hend. 271.
melana Hend, 272.
mill Kalt, 2375828802719 272,
[276.
minuscula Gour. 273, 274.
nepetae Hend. 275.
nigra Mg. LXIII, 251, 275.
nigritella Zett. 237, 276, 279.
obscura Hend. 278.
obscurella Fall. 237, 244, 278.
—— var. nigritella Zett. 277,
[279, 304.
orobanchia Kalt. 279.
pauli-loewı Hend. 280.
periclymeni de Meij. 281.
plantaginis R. D. 282, 304.
populi Kalt. 283.
pratensis deMeij. 237, 284.
primulae R.D. 237, 238, 284.
pubicornis Hend. 285.
ramosa Hend. 286.
ranunculi Schr. 287, 298.
— — var. albipes 287.
alboscutellata 287.
rufipes Mg. 288.
saxifragae Her. 289.
21
324
Phytomyza scolopendrii R. D. 289.
scotina Hend. 290.
secalina Her. LXII.
sedicola Her. 290.
selini Her. 244, 29I.
solidaginis Hend. 293.
sphondylii R. D. 236, 292.
succisae Her. 293.
tanaceti Hend. 293.
thalictri Roug. Esch. 294.
thysselini Hend. 294.
tridentata Löw 295.
tripolii de Meij. 296.
varipes Macq. 237, 297.
vitalbae Kalt. 298.
xylostei R.D. 299.
sp. LXII, 299.
Pseudonapomyza Hend. 227, 235.
—— atra Mg. 235.
Ptilonota guttata Mg. XLIII.
Ptychoptera minuta Tonn. XLIII.
— — scutellaris Mg. XLIII,
Sarcophaga LXII.
Scatophaga merdaria F. LXII.
—— stercoraria L. LXII.
Sciomyza obtusa Fall. LXIII.
Sepedon sphegeus F. LXIII.
Sepsidimorpha LXIV.
—— pilipes v.d. W. LXII, LXIV.
Sepsis flavimana Mg. LXII.
—— nigripes Mg. LXIII.
--— pilipes v.d. W. LXIV,
Sphaerocera subsultans F. LXII,
[LXIII.
Syrphus latifasciatus Macq. LXIT.
Tabanus gigas Herbst XLIII.
—— sudeticus Zell. XLIII.
Tephrochlamys canescens Mg. LXII.
Tetanocera ferruginea Fall. LXII.
Themira pusilla Zett. LXII.
-—-- putris L. LXII.
—— superba Hal. LXII.
Tricopalpus fraternus Mg. LXII.
HYMENOPTERA.
Apanteles LXXXVM.
—— glomeratus L. LXXXVIII.
Ascoli Guér. XII, XIII.
Bassus tetragonus Thunb. XCIX.
Biorhiza pallida Ol. LXXXVIII.
Bombus hortorum L. var. nigricans
[Schmied. XCIX.
— — hypnorum L. var. calidus Er.
[XCIX.
peetsi Alfk.
—— lapidarius L, LXVIII. 'XCIX.
—— pratorum L. var. burrellanus
[W.K. XCIX.
REGISTER.
| Bombus pratorum L. var. subinter-
[ruptus W.K. XCIX.
Campoplex vigillator Först. XCIX.
Campsomeris Lep. XII.
Codrus apterogynus Hall. LXXXIX.
Cteniscus flavomaculatus Grav. var.
[facialis Rom. XCIX.
Diliacos XII, XIV.
Dineura virididorsata Retz. var.
(dorsalis Ensl. XCIX.
Gelis analis Forst. XCIX.
—— carnifex Forst. XCIX.
—— melanocephalus Schrk. XCIX.
Glypta bifoveolata Grav. XCIX.
—— haesitator Grav, LXXX VII.
Hemiteles mangeri Grav. XCIX.
—— monodon Thoms. XCIX.
—— pedestris Grav. XCIX.
Holocremnus bergmanni Thoms.
[XCIX.
Homotropus biguttatus Grav. XCIX.
—— bizonarius Grav. XCIX.
—— hygrobius Thoms. XCIX.
Hygrocryptus drewseni Thoms.
[XCIX.
—— puhlmanni Ulbr. XCIX.
Ibalia leucospoides Hew. L.
Leptothorax tubero-interruptus For.
Liacos Guér. XII-XIV. [LXXXVIL
Megachile centuncularis L. XLIX,
(CII.
Meloboris litoralis Holmgr. XCIX.
Myrmica tuberum Schenck. LXXXVII
Paracodrus apterogynus Hall.
[LXXXIX.
Paururus juvencus L. XLIX, L.
Phygadeuon vexator Thunb. XCIX.
Polyblastus strobilator Thunb.
[XCIX.
Pontania vesicator Br. XCIX.
Psithyrus bohemicus Seidl. C. XIII,
[LXXX.
Scolia haemorrhoidalis F. XIII.
kollari Sauss. XIV.
molesta Sauss. LXXX.
—— —— subsp. rufifrons
procera Ill. XIII. [LXXXI.
rubiginosa F. XII.
Sirex gigas L. L.
Temelucha vernalis Szepl. XCIX.
Tenthredella ferruginea Schrk. var.
[rufipennis XCIX.
Torymus LXXXVIII.
Trichiosoma latreillei Leach XCIX.
—— silvaticum Leach XCIX.
ErielissS Meteo nk
> Lriliacos S. jet Sar
Trisciloa Grib. XII, XIV,
REGISTER.
LEPIDOPTERA.
Abisara echerius Stoll LXXV.
—— —— —— subsp. oenobarus
ox EX
Acanthopsyche atra L. CII.
——- plumifera O, CUI,
—— opacella H.S. CIII—CV.
Acentropus niveus Ol, XXXVII.
Acidalia interjectaria B. XXXVI,
Agrias XXX. [XLII.
Agrotis brunnea F. LXXXVI.
—— occulta L. LXXXVI,
—— pronuba L. X, XII.
—— —— --— var. innuba Tr. XI.
saucia Hb. XLVII.
Bb podia apidanus Cr. LXXVI.
—— —— —— subsp. anabas Tox.
[LXXVII,
ee —-— —— anthracophila
[Tox, LXXVII.
—— —— - — —— astrophila Tox.
[LXX VII.
—— —— —— —— ater Tox.
Amphidasis LXXXIV. [LXX VIT.
—— betularia L. ab. doubledayaria
(Mill. LXXXII, LXXXIII.
Anchoscelis lunosa Hend. XLII, LXX.
Arctornis l-nigrum Mull. XLII.
Asthena anseraria H.S. LXXXV.
—— candidata Schiff. LXXXVI,
Bactra furfurana Hw. XXXVII.
Bapta pictaria Curt. XLI.
—— temerata Hb. LXXXVI.
Boarmia bistortata Goeze LXIX.
—— crepuscularia Schiff. LXIX.
Bomalocha fontis Thunb, LXXXVI.
Borkhausenia lunaris Hew. XXXVII.
Bupalus piniarius L. XL.
Cacoecia aeriferana H.S.
—— podana Sc. XXXVII.
—— —— --— var, sauberiana
[Sorh, XXXVII
Castalius ethion Doubl. Hew. LXXVI,
—— wehensis LXXVI.
Cerura bicuspis Bkh. XC.
Charaxes XXX.
Cheritra cnejus F. subsp. sabanga
[Tox. LXXVIL
Chlorocystis rectangulata L. XLI.
Coleophora bilineatella Z. XXXI,
—— clypeiferella Hofm. XXXVII,
—— satucatella Stt. XXXI. [XCI.
Conchylis badiana Hb. XXXVII,
Cosmolyce boetica L. LXXVI.
Cossus XXXIV.
Crambus contaminellus Hb. XXXVI.
Cyaniris argiolus L. XLVIII,
XXXI.
Os
ho
mn
Daphnis nerii L. XXXVI.
Devon pudibunda L. LXXXI,
ab. concolor XLI,
[LXXXI, LXXXI.
Deilephila elpenor L. XXXIII.
— — galii Rott. XLI.
Dioryctria abietella F.M. XXXI,
—— splendidella H.S. XXXI,
Ematurga atomaria L. LXIX.
Emmelia trabealis Sc. XLII.
Ephyra orbicularis Hb. XC.
— — porata F. XC.
Euchloris pustulata Hufn. LXXXIV.
Euchryops evejus F. LXXVI.
Eucosmia undulata L. LXXXVI.
Eupithecia XXXIX.
Euproctis chrysorrhaea L. XLVIII.
Evetria buoliana Schiff. XL.
Gastropacha potatoria L. XXXIII.
Gerydon biggsi Dist. LXXVII.
—— —- subsp. albosignula v. E.
[LXXVII.
—— —— --— extraneus Tox.
[LXXVII.
—— boisduvali albosignula v. E.
[LXXVII.
Grapholitha LXXXVII.
—— nebritana Tr, LXXXVII.
Hadena ochroleuca Esp. XLVII.
Helotropha leucostigma Hb. XLVII.
Heterogenea limacodes Hufn.
[XXXIIT,
Hipocrita jacobaeae L. XLVIII.
Homoeosoma cretacella Roessl.
[XXXVII
—— sinuella F. XXXVII,
Hybernia leucophaearia XCVII.
—— marginaria Blch. XLI.
——- rupicapraria Hb, XLIX,
Ino pruni Schiff. XL.
Jamides alecto eurysaces Fruhst.
(XVII,
—— —— —— ozea Fruhst. XVII.
—— bochus bochus Cr. XVII.
—— —— nicobaricus de Nic. XVII.
-sceleno Cr. XV.
—— —— conferenda Butl. XVII.
—— —— indrasari Fruhst. XVII.
—— —— kinkurka Feld. XVII.
—— —— obscurus Rob. XVII,
pura Moore XVII.
ande alecto Feld. LXXIV.
—— boeticus L, LXXVI.
—— celeno Cr. LXXVI, LXXIX.
—— —— subsp. carolina Tox.
[LXX VI.
Larentia dilutata Blch. ab. melana
[melana Prout XL.
21%
326
Larentia rivata Hb. LXXXV.
—— rubidata F. LXXXV.
—— siterata Hufn. CII.
—— sociata Bkh, LXXXV.
—— sordidata F. LXXXVII.
—— truncata Hufn. LXIX.
Lasiocampa quercus L. XLVII,
[XLVIII.
Limenitis populi L. XXXVII.
Lithosia XXXVI.
— — lutarella L. XXXV, XXXVI.
—— pallifrons Z. XXXV, XXXVI.
—— pygmaeola Dbld. XXXV,
[XXX VI.
Lobophora policommata Hb. XCI.
—— viretata Hb. XLI,
Loepa katinka Westw. XXX.
Loxura atymnus Cr. LXX VIT.
—— —— - — subsp. intermedius
[LXXVII.
Lycaena euphemus Hb, XIX.
Lycaenopsis coalita de Nic. XVI.
—— dilecta Moore subsp. paradilecta
[Eruhst. XVI.
—— liliacea Hamps. XVII,
—-- puspa Horsf. LXXVI, LXXVIII.
—— —-- cyanescens de Nic.
[LXXVI.
—— —— lambi Dist. LXXVI.
--— —— pellecebraFruhst.LXXVI.
—— prominens de Nic. LXXVI.
—— —— vandeldeni Tox. LXXVI.
—— snelleni XVI.
— — transpecta Moore XVII.
—— —— f. latimargo Moore XVII.
Lymnaecia phragmitella Staint. XL.
Malacosoma neustria L. XLVIII.
Melitaea maturna L. 170,
Monopis ferruginella Hb. XXXVII.
Nacaduba ancyra Feld, LXXVI.
—— —— —— subsp. hyperpneustis
(Tox. AVI
— — ——--——— pneustis Elw.
[LXXVI.
Nemophora pilulella Hb. XCI.
Nephopteryx XCI,
—— hostilis Stph. XCI, XCII.
—— rhenella Zk. XCI, XCII.
Nonagria gemipunctata Hatch.
[XLVII,
Olethreutes gentiana Hb. XXXI.
Orgyia antigua L. XLVIII.
—— gonostigma F. CI,
Orthosia ruticilla Esp. XL.
Pachnobia rubricosa F. XXXIV, CII.
Panolis griseovariegata Goeze XL.
Papilio LXXIII.
—— machaon XIV.
REGISTER.
Faplıs memnon XV, LXXII, LXXII.
—- —.— clathratus Rothsch. VIII,
—— milon Fldr. XXX. 53,752:
--— polymnestor XIV, LXXII,
[LXXIII,
—— polymnestoroides XIV, LXXII.
—-- polytes sotira Jord. VIII, 54, 55.
—— sarpedon L, XXX,
—— sikhimensis XIV.
Parnassius XV,
—— sulphurus XV.
Phtheochroa rugosana Hb. XLI.
Phybalapteryx vitalbata Hb. XCI.
Pieris leptis Fldr. subsp. citrina
[VB RE
Polyommatus boeticus L. LXXVI.
Pronophila bogotensis Jurr. 51.
—-— brennus Thieme 51, 52.
—— thelebe Dbd. Hew. 51, 52.
Rhodophoea XXXVII.
—— advenella Zk. XXXVII.
—- suavella Zk. XXXVII.
Rhyparia purpurata L. XLII.
Salebria adelphella F.R. XCII.
Scotosia vetulata Schiff. LXXXIV.
Semiothisa liturata Cl. ab. nigro-
[fulvata Coll. XL.
Sephisa chandra LXXII.
—— dichroa LXXII.
Sphinx ligustri L. XXXIII.
Stauropus fagi L. LXXXIV.
Taeniocampa populi F. LXXXIV.
Tephroclystia isogrammaria H.S.
Terias LXVI. [XCI.
Thamnonoma brunneata Thb.
Tortrix viridana XL. [LXXX VI.
Vanessa polychloros L. LXVII.
—— urticae L. XXXIII.
Ypthima XIV.
Zeuzera XXXIV.
Zizina LXXV.
—— otis F. LXXV.
—— subsp. annetta Tox. LXXVI.
—— —— kuli Tox. LXXVL
—— —— parasangra Tox. EAXVE
Zizula gaika Trim. LXXV.
ODONATA.
Acanthagrion 92.
Aeschna F. 165, 169, 191, 195, 204,
[208.
affinis vd, Lind. IX 80 "102
[199, 205, 210, 218, 220.
—— caerulea Strom 192, 193, 202,
[210, 218, 220.
—— cyanea v.d, Lind. 192, 193,
[197, 198, 210, 217, 220.
REGISTER.
Aeschna grandis L. 192, 193—195,
[197} 210, 217; 226,
isosceles Müll. 189, 192, 193,
[195— 197, 210, 217, 220.
—-- juncea L. 192, 193, 200, 204,
[208, 210, 218, 220.
—— mixta Latr. X, 192, 193, 206,
(208, 210, 218, 220.
—— viridis Eversm, 191—193, 201,
Agrion 92, 222. [210; 217; 220,
—-- armatum Charp. C, 214, 219.
—— hastulatum Charp. 214, 219.
—— lindeni Sel. 92.
—— lunulatum Charp. 214, 219.
—— mercuriale Charp. 214, 219.
—— ornatum Sel. 214, 210.
—— puella L. 214, 222,
—— ab. pseudolunulatum 222,
——- pulchellum v.d. Lind. 214, 219,
—— quadrigerum Sel. 92. [222.
—— scitulum Ramb. 214, 219.
Anax Leach 164, 184, 187.
—— imperator Leach 185, 187, 188,
(210, 216, 220.
—— parthenope Sel. 185, 188, 189,
[210, 216, 220.
Brachytron Ev. 165, 180.
—— pratense Müll. 94, 191, 210,
(317, 220.
Calopteryx splendens Harr. 211, 218.
— — virgo L. 211, 218.
Cercion Nav. 92, 221, 222.
—— lindeni Sel. 92, 214, 219.
Cordulegaster Leach 163, 165, 168.
—— annulatus Latr. 166, 169, 210,
(215, 220.
— — bidentatus Sel. 166, 169, 170,
[216, 215, 226.
Cordulia Leach 98, 100, 101, 104.
— _ /ienca L 101, 102, 1112; 189,
| [209, 215, 219.
—— --— var. shurtleffi Scudd. ror.
—— —— —— turfosa Först. 101,
Crocothemis Brau. 99, 114.
--— erythraea Brull. 115, 209, 219.
Diplax vulgata nigrifemur de Sel. 153.
Enallagma Charp. 222.
—— cyathigerum Charp. 150, 213,
(217, 224.
Epitheca Charp. 99, 110.
— — bimaculata Charp. III, 209,
(215, 219.
Erythromma Charp. 221.
—— najas Hansem. 213, 219.
—— viridulum Charp. 213, 219.
Gomphus Leach 164, 171.
—— flavipes Charp. 172, 174. 210,
[216, 220.
327
Gomphus pulchellus Sel. 172, 175,
[179, 210, 216, 220.
—— simillimus Sel. 172, 178, 210,
[216, 220.
—— vulgatissimus L. 171—173, 181,
[2102155 220,
Hemianax Sel. 164.
—-— ephippiger Burm. 164, 210,
[217, 220:
Ischnura Charp. 221.
—— elegans v.d. Lind. 213, 219, 222,
—— var. infuscans
(Camp. 91.
—— —— —— —— obsoleta Kill.
(or.
—— —— -—— ——- rufescens
[Steph. 92.
—— pumilio Charp. 213, 219.
Lestes 206.
—— barbarus F. 212, 218.
——- dryas Kirb. 212, 219.
—— fuscus v.d.L. 211, 218.
—-— paediscus Brau. 211, 218.
—— sponsa Hans. 212, 219.
—— virens Charp, 211, 218.
—— viridis v.d.L. 212, 219.
Leucorrhinia Britt. 100, 128, 141.
—— albifrons Burm. 129, 132, 209,
[219.
— caudalis Charp. 129, 131—133,
[209, 219.
— — dubia v.d.L. 129, 137—139.
—— —— —— orientalis Sel. 139.
—— pectoralis Charp. 129, 134, 136,
[209, 219.
—— —— var. insignis Puschn. 134.
—— rubicunda L. 129, 136, 141,
[209, 219.
—— —-- var. rubrodorsalis Dziedz.
[137-
Libellula L. 99, 121.
—— depressa L. 122, 128, 198, 209,
[219.
—— fulva Müll. 122, 125, 127, 128,
[209, 219.
—— quadrimaculata L. 122, 124,
[209, 219.
—— —— —— ab, dittrichi Scholz
[125.
— —— ab, flavescens Brit.
[124; 125:
—— —— —— ab. praenubila 124.
Nehalennia Sel. 221.
—-— speciosa Charp. 213, 217.
Onychogomphus Sel. 164, 179, 182,
184.
--— forcipatus L. 182, 210, Herd
—— serpentinus Charp. 184.
328
Ophiogomphus Sel. 164, 182.
—— serpentinus Charp. 210, 216,
[220.
Orthetrum Newm. 99, 115, 121.
—— brunneum Fonsc. 116, 118,
[269,7 219:
—— caerulescens F. 116, IIQ, 120,
[209, 219.
—— cancellatum L. 116, 209, 219.
—— —-— —— kraepelini Ris 216.
Oxygastra Sel. 99, III, 113.
— — curtisi Dale 86, 97, 114.
Platycnemis acutipennis Sel. 212,219.
——- pennipes Pall. 212, 219.
Pyrrhosoma Charp. 221.
—— nymphula Sulz. 212, 219.
—— tenellum de Vill. IX, 213, 219.
—— —— var. erythrogastrum Sel.
IX.
—— —-— —— intermedium Sel. IX.
melanogastrum Sel.
Stene Sel. 99, 102. (86.
—— arctica Zett. 102, 103, 106, 208,
[215 219.
—— flavomaculata v.d. L. 102, 103,
[ro7 108, 208, 215, 219,
—— metallica v.d.L. ror, 102, 103,
105, 208,215, 219.
Sympetrum Newm, 100, 141, 150, 154.
—— danae Sulz. 143, 156, 160, 206,
[210, 220.
143, 157,
[209, 220.
—— —— var. nubila Dziedz. 158.
—— flaveolum L., 142, 145, 147,
[209, 210.
—-- —— var. ernae Mierj. 146.
—— —— —— hyalinata Dziedz.
[146, 147.
— fonscolombei Sel. 142, 143,
[145, 149, 154, 155, 209, 220.
—— meridionale Sel. 142, 144,
[147—149, 155, 209, 220.
—-— nigrescens Luc, 153.
—— pedemontanum All. 143, 155,
(ri 768200; 220,
——- sanguineum Müll. 143, 150,
50162210, 220) 224:
—— striolatum Charp. 143, 149,
[151, 152, 154, 155, 160, 209, 220.
== varswerlemur Sel arts,
—— depressiusculum Sel.
[155.
—— vulgatum L. 142. 147, 150,
[209, 220.
RHYNCHOTA.
Alloeoneura Low 61.
—— radiata Foerst. 61,
REGISTER.
Amblyrhina Low 60.
HSE Foerst. 50.
— affinis Zett. 63.
—— artemisiae Foerst. 63.
—— calthae L. 63.
exilis Web. & Mohr 62.
—— innoxia Foerst. 63.
—-— maculosa Low 63.
—— nebulosa Zett. 63.
—— nervosa Foerst. 63.
—— picta Zett. 64.
——- pilosa Osh. 63.
—— subpunctata Foerst. 63.
— tamaricis Put. 62.
Nam Scott 61.
— — genistae Latr. 70.
Bactericera Put. 60.
Calophya Löw 59.
— — rhois Low) 59.
Colobesthes LXIV.
Diaphorina Low 60,
—— putoni Low 60.
Euphyllura Foerst. 60,
Floria Low 61.
Homotoma Guer. 60.
Livia Latr. 58, 59.
—— crefeldensis Mink. 62.
—— juncorum Latr. 62.
— — limbata Waga 62.
Livilla Curt. 60.
—— ulicis Curt. 60.
Nephesa coromandelica Spin. LXVI.
—— rosea Spin. LXVI.
Notonecta XLV—XLVII.
—— glaucus L. XLV, XLVI.
— — halophilus Edw. XLV, XLVI.
--— luteus Mull. XLV.
Pediopsis glandacea Fieb. XCVIII.
—-— megerlei Fieb. XCVIII.
Phrommia marginata Ol. LXV.
Poeciloptera coromandelica Spin.
Psylla Geoffr. 58, 61. [LXVI.
—— abdominalis M. D. 80.
—— alaterni Foerst. 81.
—— alpina Flor. 75.
——- albipes Flor. 72.
—— alni L. 75.
—— ambigua Foerst. 75.
—— betulae L, 75.
—— bidens Sulc. 73.
—— breviantennata Flor. 72.
—— brunnipennis Edw. 71.
—— buxi L. 61. 72.
—— concinna Edw. 71.
—— corcontum Sulc 81.
—— costalis Flor. 77.
—— crataegi Schrk. 72.
—— delarbrei Put. 71.
REGISTER. 329
Psylla dudai Sulc 72.°
—— elegantula Zett. 81,
—— foersteri Flor. 78.
—— fusca Zett. 73.
—— hartigi Flor. 71, 74.
—— hippophaes Foerst. 76, 82.
--— klapaleki Sulc 80.
- limbata M. D. 72.
—— mali Schmiedb. 76.
—— melanoneura Foerst. 78.
- nigrita Zett. 76.
— — parvipennis Löw 74.
—-— phaeoptera Low 81.
—— picta Foerst. 75.
—— pruni Scop. 71, 74.
--— pulchella Low 71, 72.
—— pyrarbosis Sulc 80.
= ipyri.L 73, 79:
—-— pyricola Foerst. 80, 81.
—— pyrisuga Foerst. 77.
—— rhamnicola Scott 79.
—— saliceti Foerst. 77.
—— simulans Foerst. 80.
—-- spartii Guér. 79.
- spartiicola Sulc 73.
—— ulmi Foerst. 76.
—— venata Edw, 71.
—— viburni Low 72.
—— visci Curt. 80.
Psyllopsis Low 58, 61.
— — discrepans Flor. 70.
—-- distinguenda Edw. 70.
—— fraxini L. 70.
—— fraxinicola Foerst. 70.
Rhinocola Foerst. 59.
—-— aceris F. 64.
——- bicolor Scott 64.
—— ericae Curt. 64.
—— speciosa Flor. 64.
—— succincta Heeg. 64.
——- targionii Licht. 64.
Ricania rosea Spin. LXVI.
Spanioneura Foerst. 61.
Spanioneura fonscolombi Foerst. 61.
Trichochermes Kirk. 60,
— — walkeri Foerst. 60.
Tricopalpus pennatipes Mg. LXIII.
Trioza Foerst. 58, 60, 61.
— — abdominalis Flor. 67.
—-— acutipennis Zett. 67.
— — aegopodii Low 67.
—— agrophila Löw 65.
--— alacris Flor. 69.
—— albiventris Foerst. 68.
—— bohemica Sulz. 67.
—-— centranthi Vall. XCVIII, 69.
cerastii Löw 67.
— — chenopodii Reut. 69.
—— chrysanthemi Low 66, 67.
—— chrithmi Löw 68.
—— curvatinervis Foerst. 68.
—— dispar Low 66.
—— galii Foerst. 68, 69.
—— maura Foerst. 68.
—— mesomela Flor. 65.
— — modesta Foerst. 66.
—— munda Foerst. 67.
—— nigricornis Foerst. 68.
—— proxima Flor. 66, 68.
—— rhamni Schrk. 65.
—— remota Foerst. 69.
—— salicivora Reut. 68.
—— saundersi M. D. 67.
— — scotti Low 66.
—-—- senecionis Scop. 67.
—— striola Flor. 68.
—— urticae L. 66.
viridula Zett. 65, 00:
SUCTORIA.
Ceratophyllus garei Rothsch. C.
—— rossitensis Dampf C.
THYSANOPTERA.
Megathrips lativentris Heeg. XCIX.
ALGEMEENE ZAKEN.
Afdeeling Noord-Holland en Utrecht.
Oprichting der LIX.
Antonius-Gesticht te Slagharen. Lid
bedankt. LIII.
Balfour van Burleigh (C. P. G. C.).
Sluitapparaat der stigmata, XXXI.
—— Entomologisch materiaal v. h.
Soesterveen. XXXIII,
Balfour’ van. Burleigh (C.. PG:.€))-
Nederl. Phaenolog. Vereeniging.
CY:
Becker (Dr. Th.). Eerelid LVIII.
Bentinck (Ir. G, A. Graaf), Soorten
van Lithosia. XXXV.
—— Zeldzame en nieuwe Nederland-
sche vlinders. XXXVI,
339
Bentinck (Ir. G. A. Graaf). Chitine-
stukken uit turf. XXXVIII.
—— Zeldzame Nederlandsche vlin-
ders. XCI.
Bergh (P. J. van den). Inning con-
tributie XXIX,
—— Invoerrecht iv. insecten. XXIX.
--— Kleurenphoto’s v. vlinders.
XXIX.
—— Aberraties van Loepa katinka,
Papilio memnon en Pieris leptis
subsp. citrina. XXX.
Bergroth (Dr. E.). Eerelid overleden.
EI:
Betrem (S. G.). Subgenera der Sco-
liinae. XII,
—— Glypta haesitator Grav.
LXXXVI.
—— Mededeelingen over mieren.
LXXXVIL
—— Overliggen van sluipwesppop-
pen. LXXXVIII.
Bibliotheek. Toestand der. LVI.
—— Subsidie voor den Catalogus.
LX.
Bouwman (B. E.). Lid. LIV.
Bernet Kempers (K. J. W.). Helopho-
rus fuliginosus Motsch. XXXIV.
—— Dacne-soorten. XXXIV.
Brants (Mr. E.). Eerelid. LVIII.
—— Amphidasis betularia L. ab.
doubledayaria Mill. LXXXII.
Commissie v. h. nazien d. rekening
en verantwoording v. d, penning-
meester. LVI.
Corporaal (Mevr. A.—geb. v. Rien-
derhoff). Begunstigster. LIV.
—— (J. B). Bestuurslid herkozen.
LVII.
--— Hybernialeucophaearia. XC VIT.
—— Insecten v. h. Naardermeer.
XCVII.
Everts (Jhr. Dr. Ed. J. G.). Eerelid
Intern. Entom. Congres. II.
—— Muskieten en cocospalmen. V.
—— Coleoptera uit aanspoelsel. VI.
—— Coleoptera, nieuw v. d. Nederl,
fauna, VII.
—— Latelmis volckmari Panz. en
Homalisus fontisbellaquei Fourcr.
VI.
—— Coleoptera uit aanspoelsel.
LEVI
——- Levenswijze der Cryptophagini.
LXVII.
— — Saphanus piceus Laich. en Phi-
lonthus spp. LXIX.
Fauvel (A.). Eerelid overleden. LII,
REGISTER.
ı Hardenberg (J. D. T.). Lid, LIV.
Heyde (Mevr, Greta van der—Jonges).
Lid bedankt. LIL,
Hoop (D. van der). Lid overleden.
LIL
Jong (Dr. W. Hi. de). Lid. LIV.
—— Ritnaalden. LXXXVIII,
Jurriaanse (J. H.). Papilio memnon
clathratus Rothsch. en P. polytes
sotira Jord. VIII.
Laag (Dr. A. J. M. ter). Lid bedankt.
LUI.
Lechner (A. A. van Pelt), Lid. LIV.
Lempke (B. J.). Lid. LIV.
Lieftinck (M. A.). Odonata, nieuw
v. d. Nederlandsche fauna. IX.
Lücker (E. J. E.). Lid bedankt, LIII.
Lycklama a Nyeholt (Dr. H. J.). Mi-
cro’s, nieuw v. d. Nederl, fauna.
XXXI.
—— Zeldzame Nederl. vlinders. XC.
Mac Gillavry (Mevr. A. Y. S.—geb.
Matthes). Begunstigster. LIV.
—— (Dr. D.). Bestuurslid herkozen.
LVII.
—— Over Flatidae. LXIV.
--— Notonecta halophilus Edw.
XLV.
Meer Mohr (J. C. v. d.). Lid. LIV.
Meijere (Prof, Dr. J. C. H. de). Nieuwe
en zeldzame Nederl. Diptera. XLII.
— — Phytomyza ilicis Curt. XLIV.
—— Over Frost: Leaf mining Di-
ptera. XLIV.
—— Diptera uit aanspoelsel. LXI.
Oudemans (Dr. A. C.). Mededeelin-
gen over Acari, XIX.
—— Creeping disease. XCII.
Oudemans (Dr. J. Th.). Hadena och-
roleuca Esp. XLVIII.
—— Bladsnijden van Megachile.
XLIX.
—— Overliggen van poppen. XLIX.
-—— Biologie v. Paururus en Sirex.
XLIX.
—— Orgyia gonostigma F. CI.
—— Apparaat voor eileggen v. vlin-
ders: Cl:
| —— Nest v. Megachile centuncula-
ns overt:
Penningmeester, Finantieele toestand
d. Vereeniging II, LV.
Polak (A.). Vlinders uit omgeving v.
Amsterdam. XLVII.
President. Jaarverslag v. d. LI.
Prijsvraag over Thysanura en Collem-
bola, LX,
Reilingh (Mej. A.). Lid. LIV,
REGISTER.
Roepke (Prof, Dr. W.). Sexeverschil-
len bij Agrotis pronuba L. X.
Scholten (L. H.). Vlinders v. d. By-
vanck. LXXXIV.
Solle (C.). Lid bedankt. LUI.
Teunissen (P.). Lid geroyeerd. LIH.
Toxopeus (L. J.). Antram. Butterflies
of India. XIV.
—— Lycaenopsis n. sp. Seizoen-
dimorphisme op Java. XVI.
—— Vlinders van Sabang. LXX.
Tijdschrift. Afstaan serie aan planten-
ziektenk. dienst. LX.
Tutein Nolthenius (P). Vindplaatsen-
lijst d. Nederl. vlinders. XXXVIII.
—— Merkwaardige Nederl. vlinders.
DCE
—--. Melanistische afwijkingen. XL.
—— Acanthopsyche atra L. CI.
Verploegh (Dr. H.). Lid. LIV.
Vos (Mej. H.). Lid. LIV.
331
Vos (Mevr. B. de—geb. de Wilde).
Eid, ELV.
Vos tot Nederveen Cappel (H. A.de).
Merkwaardige Nederlandsche vlin-
der EXIX.
Uyttenboogaart (Mr. D. L.). Boktor-
larven in parapluiestok, XXVI,
—— Faunader uiterwaarden. XXVII.
—--— Coccotrupes in dadelpitten.
XXVIII.
—— Aantal Coleoptera d. excursie
naar Canarische eilancen. XXVIII.
Valck Lucassen (F. T.). Bestuurslid.
MATIE
Wintervergadering (Plaats d. a.s). II.
Wisselingh (Ir. P. H. van). Zeldzame
Nederlandsche vlinders. XLI.
—— Dasychira pudibunda ab. con-
color. LXXXI.
Wittkamp (W.). Lid overleden. LIII,
Zomervergadering (Plaats der a.s.).
EVIL
N.B. Met het oog op het inbinden zij hier medegedeeld, dat
op dit deel binnenkort nog een Supplement zal volgen.
vel” Wie N
1 0 4
uh ; |
4 ar AU LS
x
i % ‘ h
Ito seh DIE
+ 8 4 = Bie
n 4 Le | i
4 + am
È Pal (kde
u Cul EN
LI i ‘
Rs Soe
JAH STU e
"abc
+ D
7 PA Ee?
Ul
mats
j
= à . LI t
v
A :
|
? à >
LA:
re =
u E
. = A
3 N ) A
A é J
k
6 ¢ L a
. 4 1 cre 7
Ne tag A tt
Ada) a.
he ern
Ps BEN # Sey SES
"TAN
7 Fe) pik NE 3
Gete Tu
at, RE
A
EN f
fi fs ,
hd he ~
aa . |
|
SI Ù
led;
a N (
> !
2
+
È
>
a
y . \
Per
b : :
i \
B # 7
| 0 5 {
1
F =
t
he "
63° UT vou
à WAR)
ERNST MAYR LIBRARY
3 2044 110 366
Deren
Sn te ed È
pare elite dar
PRIE
CM A UE ENT
#323
3
sis?
HART
RE
wet
LA
2 one
ere pee
rhe
vi È
wen 0904 megen rien
epen”
brain
CN
ni