ne en
et NN nt ISAIA > a 2 - >
pe PL PTT 3 fr e 4 LG
i fink de ‘ u. #7 ey 2 > x
; „en Te
r eh
a
rt
pair AQ
vei per
rr
n
par ni rn penalties lee al
marne ier al
a purty rer ent
Ze ata pie PM
rien
VAS Xi
CRAEN N DI ZA I)
NUN PR. Bau le
i i
9 x
UA AE
TUDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Mr. W. ALBARDA
Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
F. M. VAN DER WULP
TWINTIGSTE DEEL
JAARGANG 1876—77
QUE
| APR 6
\
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1877
ENGE O5 UD
VAN HET
AWEINTIGSTE DEEL.
Bladz.
Verslag van de 31” Zomervergadering der Neder-
landsche Entomologische Vereeniging, gehouden te
Middelburg op Zaturdag 17 Junij 1876. . . . . I
Lijst van de Leden der Nederlandsche Entomologische
Wereemome ops 1 Juni 18208. RAT e: DAD
Bibliotheken der Nederlandsche Entomologische ie
eeniging. Bijgekomen boeken van 1 Augustus 1875
HO URANO AG LOW es poh tae. eae en en oe ee te SEE ROTE
Entomologische inhoud van ontvangen kidschriften, LIV
Verslag van de 10° Wintervergadering der Neder-
landsche Entomologische Vereeniging, gehouden te
090
Leiden op Zaturdag 23 December 1876 . . . .LxxIu
Heterocera op Java verzameld door Mr. M. C. Piepers,
met aanteekeningen en beschrijvingen der nieuwe
soorten door P. C. T. SNELLEN (plaat 1—3) . . 1
Araneæ exotice quas quondam in Indià orientali
(praesertim insula Amboinä) collegit cel. Dr. CG. L.
DOLESCHALL, ac, pro museo Lugdunensi, deter-
minavit Dr. A. W. M. van HASSELT (plaat 4 fig.
AS CD RP EN EN Re A a) O]
Bijdrage tot de kennis der iaia van
Diptera, door S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
Pla SANT ILES NER LS; 97
Tryphon praerogator, door S. v. Vi. . ar
Lepidoptera op Sumatra verzameld, ann in
Atchin, door J. J. KORNDÖRFFER, Kapitein 1ste kl.,
oud-kommandant van het detachement Mariniers
in Atchin, met beschrijving van eenige nieuwe
soorten, door P. C. T. SNELLEN (plaat 5 en de 6,
de bovenhelft) ;
Description du Nirmus as cond icus Nien par M.
le Docteur E. PıAGET (plaat 6, de onderhelft).
Aanteekening over de Europesche soorten van het
genus Pancalia Steph., door P. C. T. SNELLEN.
De inlandsche Hemipteren, beschreven en meeren-
deels ook afgebeeld door S. G. SNELLEN VAN VOL-
LENHOVEN, zevende stuk (plaat 7—10)
Supplement op de Lijst der in Nederland voorkomende
Schildvleugelige insecten (Coleoptera) door Jhr.
Ep. Everts, Phil. Dr. ee
Over de legboor van Aphilothrix die Hebe door
Dr. M. W. BEijeriNck (plaat 11 en 12).
Bladz.
64
168
186
VERS LAC;
VAN DE
EEN-EN-DERTIGSTE ZOMERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGINCHE VEREENIGING
GEHOUDEN TE MIDDELBURG,
in het lokaal van het Zeeuwsch Genootschap van Wetenschappen,
op Zaturdag 17 Junij 1876,
des morgens ten 10 ure.
Met den Voorzitter Mr. W. Albarda tegenwoordig de heeren
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, H. W. Groll, Dr. A. W. M. van
Hasselt, Mr. A. F. A. Leesberg, J. W. Lodeesen, C Ritsema
Cz., G. A. Six, K. N. Swierstra, Mr. S. C. Snellen van
Vollenhoven, A. J. Weytlandt, H. L. Gerth van Wijk en
F. M. van der Wulp; later ook het nieuw toegetreden lid,
de heer N. Lafontijn.
Van de heeren Mr. J. H. Albarda, Mr. A. Brants, Dr. J.
van Leeuwen Jr., Mr. M. C. Piepers en P. C. T. Snellen
is berigt ingekomen, dat zij om verschillende redenen niet
ter vergadering kunnen tegenwoordig zijn.
De Voorzitter rigt een woord van verwelkoming tot de
zamengekomen leden, inzonderheid tot den heer Weytlandt
en later ook tot den heer Lafontijn, die beiden voor ’t
eerst de vergadering bijwonen.
Op de vraag des Voorzitters, of iemand ook eenige aan-
merking heeft op de notulen der vorige Zomervergadering te
1
Il VERSLAG.
Amsterdam en der jongste Wintervergadering te Leiden, —
zoo als die zijn opgenomen in de gedrukte verslagen dezer
vergaderingen, — wordt door niemand het woord verlangd
en worden die notulen derhalve als gearresteerd beschouwd.
De Voorzitter brengt, ter voldoening aan art. 17 der wet,
het volgende jaarverslag uit:
«Mijne heeren!
«Kon ik ten vorigen jare het verslag omtrent den toe-
stand onzer Vereeniging beginnen met U in kennis te
stellen dat de dood in den loop van dat jaar de leden der
Entomologische Vereeniging had gespaard, thans kan ik
dat niet: de dood eischte dit jaar zijne offers.
«Op 10 December 1875 overleed aan eene slepende ziekte
ons medelid, de heer D. Burger; hij was sedert 1871 lid
onzer Vereeniging en daar hij een ijverig entomoloog bleek
te zijn, stelden wij ons veel van zijne werkzaamheid voor,
dat zich nu niet zal verwezenlijken.
«Op 13 December daaraanvolgende trof ons weder een
verlies door het overlijden van Dr. P. J. H. Wellenbergh,
vroeger Hoogleeraar en Directeur der Veeartsenijschool te
Utrecht; hij was reeds in 1845 tot onze Vereeniging toe-
getreden en was Voorzitter van de allereerste Zomer-
vergadering. |
«In het begin van dit jaar verloren wij nog door den
dood den heer A. P. H. Kuipers, sedert 1856 ons medelid.
Bij een bezoek dat ik hem eenige weken voor zijn over-
lijden bragt, vond ik hem, ofschoon reeds meer dan 80
jaren oud, nog bezig met microscopische onderzoekingen.
Hij was in vroeger dagen een groot vriend van wijlen Prof.
Cl. Mulder, en al schreef hij nimmer in ons Tijdschrift noch
bezocht hij onze vergaderingen, toch nam hij steeds een
levendig aandeel aan hetgeen in onze Vereening plaats had.
«De heer Mr. C. W. Hubrecht, sedert 1859 een onzer
begunstigers, heeft opgehouden dat te zijn. Voor hun lid-
VERSLAG. III
maatschap hebben bedankt de heeren Dr. H. W. Waalewijn
en H. P. Snelleman.
«Daarentegen zijn tot leden aangenomen de heeren Dr.
F. N. Obbes, Leeraar aan de hoogere burgerschool voor
meisjes te Amsterdam, A. J. Weytlandt te Noordwijk,
Pater V.M. Aghina, van de orde der Dominicanen, te Huissen,
M. W. Beijerinck, Leeraar aan de hoogere burgerschool te
Utrecht, en N. Lafontijn te Middelburg. Wij hopen en ver-
wachten dat deze nieuwe leden ons zullen vergoeden wat
ons door den dood als anderszins is ontvallen.
«Het Bestuur tracht steeds onze betrekkingen met het
buitenland te onderhouden en waar dit mogelijk is nieuwe
aan te knoopen. Wij ontvingen eene uitnoodiging tot het
bijwonen der feestelijke viering van het 25-jarig bestaan der
K. K. Zoologisch-Botanische Gesellschaft te Weenen op 8
April jl, doch hebben voor die uitnoodiging bedankt en
haar met een brief van gelukwensching beantwoord.
«Evenzeer hebben wij brieven van gelukwensching ge-
zonden aan den heer Fischer de Waldheim, die op 15/5 Octo-
ber 1875 zijn 50-jarig jubileum vierde als President van de
Société des naturalistes te Moscou; en aan den heer A.
Preudhomme de Borre, Conservator van het entomologisch
gedeelte van het Museum van natuurlijke historie te Brus-
sel, bij gelegenheid van zijne benoeming tot Ridder der
Leopoldsorde.
Zoo als U bekend is, heeft het Bestuur getracht, door
het aanbieden eener inschrijvinglijst en het rondzenden eener
circulaire, gelden bijeen te brengen voor de wetenschappelijke
expeditie naar de binnenlanden van Sumatra. Het resultaat
daarvan is geweest eene som van f188.50, die wij ter be-
schikking van het Aardrijkskundig genootschap hebben
gesteld, onder bepaalde voorwaarde dat een zooloog, althans
iemand die de zoologie zal behartigen, aan de expeditie
verbonden worde. Die voorwaarde is, blijkens berigt van
het Bestuur van gezegd Genootschap, vervuld, en daarop
door ons de genoemde som in de kas van het genootschap
IV VERSLAG.
overgedragen. Ik neem deze gelegenheid waar, Mijne heeren,
U dank te zeggen, dat gij onze pogingen hebt willen steu-
nen en te zamen deze bijdrage hebt bijeengebragt, waar
de kas onzer Vereeniging niet bij magte was die te ver-
strekken.
«Aan Teylers Stichting, welke ons steeds in de uitgave
van het Tijdschrift blijft schragen, hebben wij weder als
blijk van erkentelijkheid het afgewerkte 18° deel van het
Tijdschrift toegezonden.
«Zoo als natuurlijk is, zijn de aanvragen om geldelijke
bijdragen voor wetenschappelijke doeleinden ook dit jaar
niet achterwege gebleven. Het Bestuur heeft gemeend slechts
bij uitzondering de medewerking der Leden tot het bijeen-
brengen van gelden voor een doel buiten onze Vereeniging
te mogen inroepen, en het heeft dus met het oog op reeds
gedane of nog te verwachten aanvragen van dezen aard als
regel gesteld, om op alle dergelijke verzoeken tot onder-
steuning afwijzend te beschikken. Onder anderen is in dien
geest geantwoord op het verzoek van het Hoofdbestuur der
internationale Tuinbouw-tentoonstelling, in 1877 te Amster-
dam te houden.
«Het is mij aangenaam te kunnen mededeelen, dat ein-
delijk de moeijelijkheden in de toezending der Annales de
la Société entomologique de France, in ruil tegen ons Tijd-
schrift, door bemiddeling van ons medelid Mr. Snellen van
Vollenhoven en ons Eerelid Dr. Signoret te Parijs, zijn
opgelost en alle achterstallige deelen daarvan voor onze
bibliotheek zijn ingekomen. Ook de onregelmatigheid in de
ontvangst van sommige Engelsche tijdschriften is door de
bemoeijingen van den heer Snellen van Vollenhoven en
onzen Consul-Generaal, den heer May, te Londen, hersteld,
zoodat onze bibliotheek thans in het bezit is van volledige
serién dezer werken. Ik mag voorzeker uit Uwen naam
spreken, als ik al deze heeren voor hunne welwillende
pogingen hartelijk dankzeg.
«Ik zal dit verslag niet noodeloos rekken door te her-
VERSLAG. V
halen wat reeds in het verslag der laatste wintervergadering
is gezegd: alleen wensch ik hier nog aan te stippen dat
in den loop van dit jaar reeds het eerste deel van het werk
van den heer van der Wulp het licht zal zien.
«De bibliotheken, zoowel die van onze Vereeniging als
de bibliotheek Hartogh Heys van de Lier, bevinden zich
in den besten toestand. Met het inbinden der boeken wordt
geregeld voortgegaan. Intusschen, niettegenstaande de biblio-
theken in twee verschillende lokalen geplaatst zijn, heerscht
er groot gebrek aan ruimte, doch tot nog toe is de sleutel
niet gevonden, die nieuwe lokalen daarvoor beschikbaar
kan stellen.
«Bibliotheek A ontving geschenken van de Hollandsche
Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem, van het
Aardrijkskundig Genootschap en van de heeren A. Preud-
homme de Borre, P. Cameron Jr., A. Fauvel, Dr. Th. J.J.
Gori, E. L. Holmberg, H. Jekel, R. Mac Lachlan, A. Müller,
Mr. M. C. Piepers, F. Plateau, J. Putzeys, E. Ragusa, Dr. J.
Ritzema Bos, W. Roelofs, S. H. Scudder, Dr. C. S. Sellack,
E. de Selys Longchamps, Dr. V. Signoret, Prof. C. Stal, W.
F. Versteeg, Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, H. D. J. Wal-
lengren en Dr. H. Weyenbergh, voorts van een’ onbekende,
die onder het postmerk Eede het werkje van E. Hoffmann,
Isoporién der Europäischen Tagfalter, voor de bibliotheek
toezond.
«Dank zij de liberale wijze waarop onze hooggeachte
begunstigster, Mevrouw Hartogh Heys van de Lier, met de
meeste naauwgezetheid hare beloften jegens ons vervult,
wordt de bibliotheek B steeds belangrijker en een sieraad
van onze Vereeniging.
«De insecten-verzameling is in een zeer goeden toestand,
zijnde zorgvuldig onderhouden en nagezien in den loop van
het jaar.
«De orde der Lepidoptera heeft geene of niet noemens-
waardige vermeerdering ondergaan en wacht op de uitgaaf
van het tweede deel van Snellen’s werk «de Vlinders van
VI VERSLAG.
Nederland», om voor het gedeelte der Microlepidoptera
te worden herzien en systematisch geschikt.
« Daarentegen onderging de orde der Coleoptera voor een
voornaam deel eene geheele herziening door de zorgen van
ons medelid Jhr. Dr. Everts, die in verbinding met den
heer Mr. Leesberg dit eerste gedeelte met een schat van
soorten verrijkte. Ofschoon het jammer is dat bij deze ver-
plaatsing en vermeerdering door het gebruiken van etiquetten
van anderen vorm en eene gewijzigde inrigting de eenheid.
der collectie geheel is verbroken, dient toch desniettemin
om de juistere determinatie en de zeer in het oog vallende
verrijking van dit gedeelte aan beide heeren groote lof en
de dank der vergadering te worden toegebragt.
«De orde der Diptera werd door eene toezending van den
heer M. Schepman met een groot aantal exemplaren en
eenige zeldzame soorten vermeerderd, terwijl verschillende
aanwinsten aan de orden der Hymenoptera en Hemiptera
door den Conservator werden toegevoegd uit de bijdragen
van verschillende leden en uit zijne eigene vangsten.
«Aan de orde der Orthoptera werd niets toegebragt, aan
die der Neuroptera luttel.
«Siphonaptera, Thysanura, Spinnen en Schaaldieren bezit
onze verzameling niet; zoude het geen tijd worden dat wij
ook daarvan eene verzameling aanlegden? Ons waardig
medelid Dr. Piaget heeft ons in der tijd eene kleine, doch
uitnemend behandelde collectie Parasitica vereerd; zou er
niemand onder ons gevonden worden, die uit de genoemde
orden en classen ons eene rij specimina, goed behandeld
en gedetermineerd, zou willen ten geschenke geven ?
«Overigens verzocht de Conservator hem voor de collectie
te willen toezenden :
Acridien en daaronder vooral het geslacht Stenobothrus.
Haften (het geslacht Ephemera).
Kleine Ichneumoniden en Braconiden.
Hemiptera homoptera of Cicadinen.
«De geldmiddelen der Entomologische Vereeniging zijn
VERSLAG. VII
na de veranderde uitgave van het Tijdschrift in een geheel
anderen toestand geraakt. De kas der Vereeniging sluit op
{ Julij van dit jaar met een batig saldo van f 525.823 (in
het vorige jaar f 313.80) ; die tot onderhoud van de bibliotheek
Hartogh Heys van de Lier met een batig saldo van f 347.38.
De Rijkssubsidie en de bijdrage van Teyler’s Genootschap
zijn met de meeste stiptheid aan ons uitgekeerd. De kas
voor de uitgave van het Tijdschrift sluit niettemin met een
te kort van f 106.06.
«De oorzaak van dit te kort is voornamelijk te zoeken in
den meerderen omvang van het 18° deel, dat in stede van 12
vellen druks en 12 platen, meer dan 22 vellen druks en 14
platen bevat en niettemin zonder verhooging van prijs
wordt geleverd. De Redactie heeft moeten toegeven aan den
grooten overvloed van stof, doch zal zich in het vervolg
ten pligt stellen zooveel mogelijk de uitgave te bevorderen
en toch met den Penningmeester op goeden voet te blijven,
«Het 19° deel van het Tijdschrift is bijna gereed en weldra
zullen de laatste afleveringen worden rondgezonden.
« Het is te wenschen dat de Leden meer gebruik maken
van de gelegenheid, die hun geopend is om tegen belang-
rijke prijsvermindering zich de hun ontbrekende vroegere
deelen van het Tijdschrift aan te schaffen, ten einde volledige
exemplaren te bekomen en tevens de kas der Vereeniging
te stijven.
«Ik eindig dit verslag, Mijne heeren, met den wensch,
dat onze Vereeniging even werkzaam moge blijven als zij
zich tot dusver heeft getoond, en dat deze vergadering, in
de lokalen van onze eerwaardige zustervereeniging te houden,
blijke drage dat de lust voor ernstige natuurstudie bij de
Nederlandsche Entomologen nog steeds op den voorgrond
staat ».
Na voorlezing van bovenstaand verslag wordt aan de orde
gesteld het voorstel van het Bestuur tot wijziging van art. 55
der wet, in dien zin dat gezegd artikel voortaan zal luiden :
VIII VERSLAG.
«De redactie is opgedragen aan den President met twee
«leden, op eene Zomervergadering voor den tijd van drie
«jaren te benoemen uit twee door het Bestuur voor te
«dragen dubbeltallen ».
De Voorzitter licht de bedoeling van deze wijziging nader
toe; de ondervinding van de laatste jaren heeft namelijk
doen zien, dat het zeer in het belang is van de geregelde
uitgave van het Tijdschrift, wanneer de Redactie zooveel
mogelijk - duurzaam aan dezelfde personen blijft toever-
trouwd; eene jaarlijksche benoeming van twee der Redac-
teuren, zoo als thans de wet voorschrijft, is daarom niet
alleen onnoodig maar zelfs ondoelmatig. Eene benoeming
voor drie jaren wordt alzoo door het Bestuur wenschelijk
geacht.
De Vergadering vereenigt zich daarop eenparig met de
voorgestelde wetsverandering.
De Penningmeester brengt zijne rekening en verantwoor-
ding over het jaar 1875/16 ter tafel. De Voorzitter verzoekt
de heeren Six en Everts, om die rekening na te zien;
deze nemen onmiddellijk die taak ter hand.
Voorts legt de Penningmeester eene schets over van be-
grooting voor het volgende jaar. Bij die gelegenheid wordt
op nieuw ter sprake gebragt de behoefte aan meerdere
ruimte voor de bibliotheek. De heer Snellen van Vollenhoven
meent, dat een lokaal, toebehoorende aan het Leidsche
departement der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, te
huur zou zijn voor f 200 ’s jaars, maar vreest dat de ge-
wone inkomsten der Vereeniging ontoereikende zijn om
deze uitgaaf te dragen , welk laatste door den Penningmeester
wordt bevestigd; terwijl het bovendien nog niet zeker is
of het bedoelde lokaal wel de noodige ruimte en geschikt-
heid heeft. Sommige leden zijn van oordeel, dat een gedeelte
der jaarlijksche subsidie voor de bibliotheek Hartogh Heys
tot het betalen der huur zou kunnen worden gebezigd,
althans wanneer daartoe de toestemming van Mevrouw
Hartogh Heys wierd gevraagd en verkregen. Als slotsom
VERSLAG, IX
van deze beraadslagingen verzoekt de Voorzitter de heeren
Snellen van Vollenhoven en Ritsema, om vooraf zich te
overtuigen van de geschiktheid van het bedoelde lokaal, en
voor het geval dat dit werkelijk voor het oogmerk dienstig
wordt bevonden, draagt de Voorzitter aan de heeren van
Hasselt en Snellen van Vollenhoven op, de toestemming
van Mevrouw Hartogh Heys te vragen, om een deel der
door Haar Ed. verstrekte subsidie voor lokaalhuur te be-
stemmen.
Hierna wordt overgegaan tot de benoeming van twee
Bestuursleden, zijnde dit jaar aan de beurt van aftreding
de heeren Mr. W. Albarda en F. M. van der Wulp. Beiden
worden herkozen en verklaren zich, onder dankbetuiging
voor het ontvangen bewijs van vertrouwen, bereid om de
hun van nieuws opgedragen taak voort te zetten. Na een
kort oogenblik van beraad geeft de Voorzitter te kennen,
dat de betrekkingen in het Bestuur op dezelfde wijze als
vroeger zullen blijven verdeeld, met deze uitzondering
evenwel, dat de heer Snellen van Vollenhoven zich bezwaard
gevoelt om, nu hij niet meer te Leiden woont, voortdurend
als Conservator der insectenverzameling werkzaam te zijn.
De heer Snellen van Vollenhoven licht zijne bezwaren nader
toe; zij hebben reeds een punt van overweging uitge-
maakt in eene Bestuursvergadering, en de heer Ritsema
heeft toen met de meeste welwillendheid aangeboden, om
de werkzaamheden aan de instandhouding der collectie
verbonden, te gelijk met die van de bibliotheek op zich te
nemen; zoodat daarmede de zaak voldoende is geregeld.
Verder worden door het Bestuur voorgedragen twee
dubbeltallen ter benoeming van twee leden der redactie van
het Tijdschrift, en zulks voor den tijd van drie jaren, in-
gevolge de hierboven vermelde wijziging van art. 55 der wet.
Eerste dubbeltal: de heeren Mr. S. CG. Snellen van Vollen-
hoven en P. C. T. Snellen.
Tweede dubbeltal: de heeren F. M. van der Wulp en
Mr. A. Brants,
X VERSLAG.
En worden hieruit gekozen de heeren Snellen van Vol-
lenhoven en van der Wulp, die beiden verklaren zich
gaarne verder met de werkzaamheden der redactie te zullen
bezig houden.
Inmiddels is de rekening en verantwoording van den
Penningmeester door de daartoe benoemde Leden onder-
zocht. De heer Six, daaromtrent ook namens den heer
Everts rapport uitbrengende, zegt dat de cijfers der rekening,
door deugdelijke bescheiden gestaafd, in volkomen orde zijn
bevonden. De Voorzitter bedankt de beide heeren, die zich
met de opneming der rekening hebben belast, en brengt
hulde aan den Penningmeester, den heer Lodeesen, wiens
naauwkeurig beheer voortdurend de orde in de financiën
bewaart.
De Voorzitter brengt ter tafel het dezer dagen ontvangen
Programma voor de internationale Tuinbouw-tentoonstelling
in 1877 te Amsterdam te houden. Hij maakt de Vergadering
opmerkzaam, dat daarin door zijn toedoen een paar num-
mers zijn gebragt de Entomologie betreffende, en wel:
N°. 654. Verzameling van voor den tuinbouw schadelijke
insecten, naar de orden en familiën gerangschikt,
met hunne juiste benamingen; de larven en rupsen,
met opgave van de planten waarmede zij zich voeden.
N°. 655. Verzameling van voor den tuinbouw nuttige in-
secten en Arachniden, met opgave van hunne juiste
benamingen en de schadelijke insecten waarvan zij
leven.
De Voorzitter spoort de Leden aan, om te trachten door
inzending van voorwerpen tot het vorenstaande betrekkelijk,
de Tentoonstelling op te luisteren en de Entomologie meer
algemeen als eene voor den tuinbouw nuttige wetenschap
te doen erkennen.
Voorts deelt de Voorzitter mede, dat door tusschenkomst
van den heer Burgers, President der Transvaalsche Repu-
bliek, tijdens diens verblijf hier te lande, onderhandelingen
VERSLAG. XI
zijn aangeknoopt met Dr. Schubärt te Potschefstroom, tot
het overzenden van aldaar voorkomende insecten, waarvan
zich goede resultaten laten verwachten.
Als plaats voor de volgende Zomervergadering wordt bij
meerderheid van stemmen Utrecht aangewezen en wordt
Dr. A. W. M. van Hasselt benoemd om die vergadering te
leiden. De heer van Hasselt maakt bezwaar om deze opdragt
te aanvaarden, waarna bij eene herstemming de heer Mr.
H. Ver Loren van Themaat als President voor die vergadering
wordt gekozen. De Secretaris neemt op zich laatstgemelden
hiervan kennis te geven. ')
Na eene korte pause, welke de aanwezigen zich ten nutte
maken om de belangrijke collectiën van het Zeeuwsch
Genootschap, zij het ook slechts vlugtig, in oogenschouw
te nemen, wordt overgegaan tot het doen van weten-
schappelijke mededeelingen.
De heer Gerth van Wijk begint met een tweeledig
verzoek :
1° aan de heeren, die deel zullen nemen aan de excursie
op den volgenden dag om opgave van de door hen ge-
vangen soorten,
2° aan de Leden der N. E. Vereeniging om hem zooveel
mogelijk Hymenoptera aculeata te zenden hetzij ter inzage,
in ruil of als geschenk. In het eerste geval zal hij de voor-
werpen zoo goed mogelijk gedetermineerd terugzenden.
Daarna biedt hij voor de collectie een aantal exemplaren
op liquor aan van Pollyxenus lagurus L., welke soort door
hem sedert verleden jaar herhaaldelijk en in groot aantal
is weergevonden.
Spreker heeft zich sedert korten tijd toegelegd op de
studie van de reeds genoemde Hym. aculeata, hij heeft
zich daarbij voorloopig bijna alleen bezig gehouden met de
1) Bij een schrijven van 5 Julij 1875 heeft de heer Ver Loren geantwoord, dat
hij gaarne de opdragt aanneemt.
XII VERSLAG.
Apiariën, o.a. omdat de heer Snellen van Vollenhoven de
goedheid heeft gehad hem reeds dadelijk eene collectie
voorwerpen uit die groep ten geschenke te geven. Spreker
vermeldt eenige door hem op Walcheren gevangen soorten.
Sphecodes fuscipennis Germ. is enkele malen door hem
gezien en gevangen, de soort schijnt zeldzaam; het niet
parasitisme van de soorten van dit geslacht schijnt hem
toe nog volstrekt niet zeker te zijn. Van het geslacht Nomada
zijn door hem veel exemplaren gevangen; daarvan behoorde
bijna de helft tot N. succincla Panz., zoodat deze soort hier
waarschijnlijk veel algemeener is dan de overigen; ook
N. flava Panz. schijnt niet zeer zeldzaam. Nomada Marshamella
Kirby, N. lineola Panz., N. ruficornis L. en N. fucata Panz.
maken met de beide reeds genoemden de tot nog toe hier
gevangen soorten uit; laatstgenoemde schijnt zeer zeldzaam
te zijn. In sommige gevallen is de determinatie van Nomada’s
zeer moeijelijk, o.a. ook wijl de beschrijving van dezelfde
soort bij verschillende auteurs dikwijls zeer verschilt. Ook
wordt eene soort nu eens zelfstandig gerekend, dan weer
beschouwd als synoniem met eene volgens een ander auteur
zeer verschillende soort.
Van de zeer fraaije Melecta luctuosa Scop. ving Spreker
slechts een paar exemplaren, daarentegen talrijke voorwerpen
van Mel. armata Panz.; beide soorten werden in den kruidtuin
van de Hoogere Burgerschool te Middelburg gevangen op
Ajuga reptans, waar zij tegelijk met eene ontzettende massa
Anthophora’s voorkwamen. Van dit laatste geslacht werden 2
soorten gevangen, nam. Anthophora pilipes F. (=retusa Kirby)
en A. pilipes L; van de eerstgenoemde een groot aantal zeer
verschillend gekleurde voorwerpen, hetzij door verbleeking,
hetzij als verscheidenheden. Eucera longicornis L. die tot nu
toe, ten minste voor zooveel Spreker weet, als vrij zeld-
zaam bekend was, heeft hij in dit jaar in groote hoeveel-
heid waargenomen, vreemd genoeg evenwel bijna enkel
mannetjes. In het geheel zag (en ving) hij slechts 3 wijfjes
op Coronilla Emerus ; de mannetjes vlogen eerst in menigte
VERSLAG. XIII
op Cytisus Ratisboniensis, tegelijk met Anthophora’s toen Ajuga
uitgebloeid was, later o.a. op genoemde Gorouilla. Vreemd
genoeg werden de wijfjes gezien zeer lang (20 dagen)
nadat zich mannetjes vertoond hadden.
Eindelijk vertoont Spreker een kort geleden gevangen
exemplaar van eene zeer zeldzame wesp, nl. Discoelius
zonalis Panz.
De heer Snellen van Vollenhoven laat eenige tee-
keningen ter bezigtiging rondgaan.
1° die van 4 aaneengegroeide gallen van Andricus Ramuli L.
(Teras Amentorum Hart.), welke gallen hij eenige dagen te
voren in de Scheveningsche boschjes aangetroffen had; zij
gelijken op dotjes zuiver witte watten. Daar zij Spreker
nimmer vroeger waren voorgekomen en hunne heldere
kleur zeer ligt in de oogen valt, hield hij het er voor
dat zij in ons land zeer zeldzaam waren, hetgeen beves-
tigd werd door den heer Six, die het voorwerp van den
Spreker kort na de vondst gezien hebbende, een ganschen
morgen er aan opgeofferd had om dergelijken te zoeken
en er na uren van onafgebroken investigatie slechts een
gevonden had. Ook dit voorwerp werd den leden onder de
oogen gebragt, zoodat zij nu eenigermate de afbeeldingen
met de natuur konden vergelijken, doch slechts eenigermate
daar het voorwerp niet versch geplukt was en door de reis
wat scheen te hebben geleden.
Spreker neemt de gelegenheid te baat om de leden aan
te sporen tot het bijeenbrengen van eene collectie gallen
van eiken- en andere boomen en planten, en verklaart zich
bereid al wat hij van dien aard bezit, op de aanstaande
wintervergadering mede te brengen en het aan de collectie
der Vereeniging af te staan.
9°. Afbeelding van de verschillende gedaante en kleur
der rups van Metrocampa margaritaria L. (Snellen, Vlind. v.
Ned. I. p. 547). Deze soort werd door Sepp behandeld in
het 2° Deel, 5° stuk, 3° Verh. «Over de Groen- en Witband-
XIV VERSLAG.
vlinder,» doch niet zeer gelukkig, daar het ten eerste nog
onzeker is of de beide door hem in plaat gebragte rupsen
wel tot deze soort behooren, ofschoon zij overeenstemmen
in de kenmerken van 12 pooten te bezitten en een blaauw-
witachtigen buik te vertoonen, en aangezien ten anderen
het daarbij afgebeelde mannetje stellig tot eene andere soort
behoort, nam. Nemoria aestivarıa Hübn.
Later heeft ook Lyonet deze rups behandeld en wel op
bladz. 300 van zijn opus posthumum (PL 32, fig. 1—9) ; deze
voorstelling is beter in harmonie met hetgeen Spreker heett
waargenomen, doch wijkt ook nog in sommige punten af.
Spreker vond eerst rupsen in den winter tegen beuken-
stammen, deze geleken volkomen op de vierde figuur van
Lyonet, doch daaruit werd niet, ofschoon zij even als de
zijne met bladen van els gevoed werd, eene volwassen rups
gelijk aan zijne figuur 1, maar eene slankere zonder de
fraaije teekening op den rug. Later vond Spreker op jong
eschdoorn-opslag bruinroode rupsen met 2 of 3 grijze dwars-
banden, die hij om het aantal pooten, den vorm en de
teekening van den kop, alsmede de blaauwwitte kleur van
den buik, voor dieren van dezelfde soort moest houden en
die dan ook denzelfden vlinder hebben opgeleverd. Deze
belangrijke bijdrage tot het polymorphisme der rupsen van
Geometridae zal omstandiger in het werk van Sepp worden
beschreven en uiteengezet, waarom wij er hier niet nader
bij stilstaan. Alleen nog de opmerking dat de vlinder den
eersten morgen van zijn bestaan als imago (daarom echter
nog niet imaginair bestaan) fraai zeeblaauw is en eerst
later zeegroen wordt.
3°. Dezelfde Spreker deelt mede dat hij met het medelid
Mr. H. W. de Graaf in dit voorjaar heeft gezocht naar het
wijfje van Cheimatobia boreata, welke gezegd wordt in ons
vaderland voor te komen. Het plan was te trachten uit een
wijfje bevruchte eieren te verkrijgen, waaruit dan de rupsjes
zouden worden opgekweekt. Spreker stelt ter bezigtiging
de afbeelding van een wijfje dat zeer sterk verschilt van
VERSLAG. XV
Ch. brumata, doch dat door den heer Lodeesen verklaard
wordt in het geheel niet tot het geslacht Cheimatobia te
behooren.
4°. Op deze volgt de afbeelding, met vergrooting van
sommige deelen des ligchaams, van een zeer fraai geteekend
rupsje, gevonden op een berkenblad, waarvan het de zij-
randen half tot elkander toegetrokken had. Deze onbekende
rups, waarvan geene beschrijving in de meest bekende
werken over Lepidopterologie aangetroffen wordt, schijnt
wel tot het geslacht Gelechia te behooren. Zij was binnen
een sterk sneeuwwit spinsel tot een paarsachtig zwart
slank popje veranderd.
5°. Vervolgens laat Spreker rondgaan twee teekeningen
van wijlen ons medelid Q. M. R. VerHuell, voorstellende
de metamorphose van 2 (misschien echter slechts 1) soorten
van inlandsche Pterophorus en stelt de vraag of een der
aanwezigen de afgebeelde dieren herkent en met zekerheid
kan opgeven tot welke soort zij behooren. Spreker verlangt
daarom meer bijzonder den soortsnaam te kennen, omdat
hij vermoedt dat met deze afbeeldingen voorgesteld wordt
eene soort, die hij zelf dezer dage ter wille van ons mede-
lid Heylaerts in den staat van larve en pop heeft afgebeeld.
6°. Ten slotte vertoont Spreker afbeeldingen van de in-
landsche soorten van het Ichneumoniden-geslacht Metopius,
ten einde den zonderlingen vorm van het aangezigt te doen
zien en vergelijken.
Een verzoek aan alle leden om hem, zoo mogelijk nog
voor het najaar vele Reduvién-en Waterwantsen ten behoeve
van zijn werk over de inlandsche Hemiptera te doen toe-
komen, besluit de mededeelingen van dezen Spreker.
De heer Ritsema zegt dat Dr. C. Emery te Napels, die
zich bezig houdt met eene monographische bewerking der
Europesche soorten van de familie der Mordellidae, hem
verzocht heeft zoo mogelijk de typen ter bezigtiging te
ontvangen van de vele jaren geleden door Mr. Snellen van
XVI VERSLAG.
Vollenhoven als nieuw beschreven Anaspis testacea (Bijdrage
tot de Fauna van Nederland, Naamlijst van Schildvleugelige
insekten p. 33) en A. assimilis (Bouwstoffen voor de Fauna van
Nederland, dl. II p. 70). Door de goedheid van Dr. Everts
zag Spreker zich in staat gesteld aan dit verlangen te vol-
doen, en nu kreeg hij dezer dagen de beide soorten uit
Napels terug, met de opmerking dat Anaspis testacea Voll.
dezelfde is als A. maculata Geoffr. en A. assimilis Voll. eene
varieteit is van A. frontalis L.
De heer van Hasselt vervolgt zijne mededeeling, in
de vorige wintervergadering aangevangen, over de organi-
satie der mannelijke spinpalpen, onder aanwijzing van eenige
loupe- en microscopische praeparaten en eene fraaije teeke-
ning van de hand van ons medelid Everts, een en ander vooral
den fijneren bouw van het «klierligchaam » in de Fickert’sche
palpbuizen betreffende. De aanwezigheid daarin eener
«Drüse», en wel eener dusgenaamde « Schlauchdrüse»,
werd door hem bij verscheidene spinsoorten ten volle ge-
constateerd. Daarenboven meende hij in dit klierligchaam,
voornamelijk dat hetgeen hij uit Mygaliden-palpen had
geïsoleerd, de ontwikkelings-elementen der spermatozoiden,
de z.g. «Samen- of Hoden-zellen » te hebben ontdekt in de
onmiskenbare aanwezigheid daarin van groote, ronde, door-
schijnende korrel- en kern (?)- cellen, waarvan hij eene
afbeelding vertoont, bij 300-malige vergrooting genomen.
Eerst zeer onlangs had hij daarover, in de gewone ver-
gadering der Afdeeling natuurkunde van de Kon. Akademie
van Wetenschappen, eene voorloopige mededeeling gedaan,
waarbij hij stelde, dat de beteekenis door Dr. Fickert van
Breslau aan het vertoonde klierligchaam, — als prostata, —
gehecht, hem minder juist scheen, daar het, in elk opzigt,
veel meer overeenkwam met den bouw der testes, zoo als
die, voor verscheidene insecten en lagere diersoorten, door
meerdere microzootomen is beschreven en afgebeeld. « In-
dien de genoemde ontdekking der sperma-cellen zich verder
VERSLAG. XVII
bevestigt, — schreef toen de Spreker, — zal de tegenwoordig
vrij algemeen aangenomen leer van Menge, omtrent de
secundaire rol der palpen bij de copulatie, namelijk als
eenvoudige overdragers van het, ex abdomine opgenomen
sperma, meer en meer aan het wankelen worden gebragt ».
Uiterst toevallig, juist op den dag, dat Spreker de af-
drukken dezer bijdrage, in het procesverbaal der vergadering
voornoemd, van 23 Maart dezes jaars, ontving, kwam hij
tot de overtuiging, — die hij sedert eene lange reeks van
jaren, door waarneming van zeker meer dan honderd
levende spinnen-paren, niet had kunnen verkrijgen, — dat
Menge, zoo als hij al dien tijd had vermoed, niet verkeerd,
maar in elk opzigt goed had gezien, en dat de opneming
van een droppel vocht uit het abdomen, juist zóó als deze
vermaarde arachnoloog dit, en wel bij herhaling, heeft
beschreven, inderdaad door de palpen plaats vindt, zoodat
bij Spreker daarover althans nu geen het minste spoor
van twijfel kan of mag overblijven.
Hij heeft nu eindelijk zelf deze zoo hoogst eigenaardige
als bevreemdende akte, tot tweemalen toe, bij Ocyale mirabilis
Clerck, aan een in Mei gevangen volwassen paartje, ten
allerduidelijkste gezien. De waarneming zelve, die nog andere
belangwekkende gezigtspunten, voor deze species, aanbood,
stelt Spreker zich voor, bij gelegenheid, afzonderlijk voor
ons Tijdschrift te bestemmen. Intusschen wenscht hij voort
te gaan met het anatomisch-microscopisch onderzoek der
Araneiden-palpen bij de mares, op den weg door Fickert
aangewezen, ten einde de nog altijd geheimzinnige werkings-
wijze der palp-buizen en palp-klieren zelven — die zeker niet
alleen tot mechanische « overdraging » dienen, maar boven-
dien eene actieve, eigene secretie-functie uitoefenen, —
verder na te sporen.
Dezelfde Spreker laat daarop een vijftal zeer zeldzame
Oost-indische spinnen ter bezigtiging rondgaan, bestemd
voor het Leidsche Museum en afkomstig uit eene vroegere
collectie van wijlen onzen beroemden arachnoloog Doleschall,
2
XVIII VERSLAG.
waarop hij, in den volgenden jaargang van het Tijdschrift,
in extenso hoopt terug te komen. De ter tafel gebragte
exemplaren waren:
Epeira (Euryzoma) paradoxa Dol. e.
Epeira caput Lupi Dol. e.
Ariadne (Ariamnes) flagellum Dol. g.
Hersilia Indica Luc. 4.
Attus (Diolenius) obisioides Dol. 4.
Daar de oorspronkelijke, ongekleurde figuur, door Dole-
schall, voor de tweede der bovenstaande spinnen, in diens
Tweede Bijdrage gegeven, met minder voldoende duidelijk-
heid het uiterst eigenaardige beeld van het rugschild
(het caput lupi) voorstelt, heeft Spreker ons medelid Snellen
van Vollenhoven verzocht, daarvan eene meer uitvoerige
en gekleurde teekening te vervaardigen, die dan ook, zoo
als de leden zelven, door vergelijking, kunnen beoordeelen,
met zijne bekende kunstvaardigheid, de uitdrukking van
den «Wolfskop» voortreffelijk heeft wedergegeven.
Nog vestigt de heer van Hasselt de aandacht der verga-
dering op een mengsel, geschikt om gekleurde insecten,
(in de eerste plaats werden rupsen genoemd), zonder kleur-
verandering te kunnen conserveren. Het recept daarvan
werd hem onlangs door onze medeleden Snellen en Piepers
medegedeeld. Het bestaat uit alcohol absolutus 0.032, gly-
cerinum purum 0.016 en aqua destillata 0.016. Spreker
heeft voorloopig een exemplaar van Trombidiwm holosericeum
Hahn en een van Argus rubens Walck. daarin geplaatst, die
althans aanvankelijk, na ruim eene maand, beide hunne
oorspronkelijke roode kleur nog geheel hebben behouden.
De heer Leesberg zegt, dat, even als de heer Gerth
van Wijk bij de Hymenoptera aculeata, hij zelf ook bij de
Coleoptera, ofschoon zooveel naauwkeuriger bearbeid, tel-
kens stuit op moeijelijkheden uit de synonymie voortsprui-
tende. Hij ondervond dit bij het bestuderen der Halticiden
of Alticiden (ondergroep Galeruciden, familie Chrysome-
VERSLAG. XIX
lidae). Niet alleen de oudere schrijvers of zelfs Redten-
bacher en Gutfleisch, maar ook de monographisten zijn het
over de namen niet eens. Als een staaltje van het eerste
wijst Spreker op Redtenbacher, 3° editie, dl. II. blz. 499,
waar onder n°. 30b Phyllotreta fleæuosa E. H. gevonden wordt
zonder synoniem, terwijl onder n°. 33b alweder eene Phyllo-
treta flecuosa E. H. voorkomt , met verwijzing naar dezelfde
plaat in Panzer en naar Dufftschmidt, maar nu met een syno-
niem van Altica Nasturtii Pnz. en eene var. ? Haltica tetrastigma
van Comolli. Hoe iemand nu de ware Flexuosa E. H. hieruit
kan vinden, is Spreker niet duidelijk. Gelukkig hebben de
monographisten deze verwarring eenigszins doen ophouden ;
haar geheel te doen verdwijnen was niet mogelijk voordat
men het over verscheidene korte diagnosae eens was, b. v.
Halt. Helxines omschrijft Linnaeus: «Chrysomela saltatoria
corpore viridiaeneo, antennis pedibusque omnibus testaceis. »
Behalve Helxines vallen hieronder Crepidodera smaragdina
Foudr., aureola Foudr. en nitidula L. Men moet dus raden
wat hier bedoeld is. Dat de lijst van Dr. E. Everts op dit
punt eenige uitbreiding behoeft, zal derhalve geen verwon-
dering baren. Dank zij de monographién van de heeren
Foudras, Kutschera en Allard, en vooral de welwillende
medewerking van den laatstgenoemde, is het Spreker gelukt
de soorten te herkennen, en heeft hij bevonden dat wij in
plaats van 53, nu reeds 86 inlandsche Halticiden bezitten.
Dit cijfer zal minder verwonderen als men nagaat, dat onder
het etiquet Crepidodera oleracea nog drie andere soorten
verscholen waren ; dat onder Haltica Nemorum zich bevonden
H. excisa, sinuata, fleruosa, undulata en tetrastigma, enz. enz.
Merkwaardig is vooral het voorkomen hier te lande van
twee soorten, tot dusver slechts in Engeland gevonden,
nam. Thyamis gracilis Kuts. bij den Haag (v.d. Wulp) en Th.
Power: All. bij Amsterdam (Kinker) en den Haag (Haitink).
Spreker acht het waarschijnlijk dat er nog wel meer
soorten bij ons gevonden zullen worden; hij stelt zich voor
later een overzigt der inlandsche soorten te geven, en opdat
RX VERSLAG.
dit zoo volledig mogelijk zij, roept hij de welwillende mede-
werking in van onze vaderlandsche entomologen en verzoekt
hun al hun materiaal, tot deze belangrijke groep betrekke-
lijk, aan hem ter inzage te willen geven.
Dr. Everts deelt voorloopig eenige resultaten mede
betreffende zijne studie der Apioniden. In de eerste plaats
vestigt hij de aandacht op de inrigting der monddeelen bij
het genus Apion, welke tot nu toe nog zeer onvolledig be-
kend zijn. De weinige monographisten die getracht hebben
de monddeelen te isoleren, bleven over vele punten in
onzekerheid, vooral wat betreft het maaksel der palpen.
spreker heeft een gunstig resultaat trachten te verkrijgen
door zijne preparaten in glycerine of Canada-balsem in te
sluiten, ten einde de monddeelen in alle standen te kunnen
waarnemen.
Bij uiterst sterke vergrooting verkreeg hij een duidelijk
beeld, en het kwam hem voor dat het maaksel zeer afwijkt
van hetgeen door Germar daaromtrent is opgegeven. Boven-
en onderkaken stemmen wel is waar overeen met diens
beschrijving en afbeelding; doch Spreker kan zich niet
vereenigen met het gevoelen, dat de palpen der onderkaken
uit drie leden bestaan; hij gelooft veeleer (onder voorbehoud
van meer uitvoerige onderzoekingen) dat deze palpen uit
slechts één lid of ten hoogste uit twee nagenoeg geheel
vergroeide leden bestaan; zeker is het dat deze palpen
zeer kort en dik en totaal onbewegelijk zijn.
Veel moeijelijker is het onderzoek der onderlip, waarvan
men zich alleen een begrip kan vormen, door zeer vele
preparaten, in allerlei standen genomen, te bestuderen. De
tong (ligula) rust geheel tegen de kin (mentum) en is
daarmede innig vergroeid. Aan den top van de tong zijn
twee bewegelijke tasters bevestigd, die uit slechts één lid
bestaan, terwijl de kin aan haren bovenrand duidelijk eene
rij stijve borstelharen vertoont, welke gewoonlijk bij het
prepareren terzijde komen te liggen, waardoor de juistg
VERSLAG. XXI
opvatting van de ligging dezer haren niet gemakkelijk is.
Spreker hoopt later op de zaak terug te komen en vooreerst
zich bezig te houden met haar zoo klaar mogelijk te maken.
Dezelfde Spreker wijdt verder een kort woord aan de
gebruikelijke rangschikking der Apion’s volgens de meerdere
of mindere dikte van den snuit en is tot het besluit gekomen,
dat in de laatste monographie van Wencker enkele soorten
met korten snuit gerangschikt zijn onder de rubriek Longi-
rostres o.a. Apion aeneum, die wanneer men het tabellarisch
overzigt der Apioniden vervolgt, veeleer tot de rubriek
Brevirostres moet gebragt worden. Hetzelfde moet o. a. ook
gezegd worden van het & van A. radiolus, waarbij de snuit
veel korter en breeder is dan bij het g. Spreker stelt zich
voor later een tabellarisch overzigt met korte diagnosen
over de Nederlandsche Apioniden te geven.
Ten slotte deelt Spreker mede, dat de heer Roelofs te
Brussel voor de collectie der Nederlandsche Entomologische
Vereeniging een aantal op de Noordzee-eilanden gevangen
Coleoptera beschikbaar heeft gesteld, nam. Lamellicornia,
Elateridae en Apionidae. Ook ontving Spreker van den
heer Dreessens te Baexem in Limburg een & van Dytiscus
latissimus voor genoemde verzameling.
De heer Lafontijn laat een exemplaar rondgaan van
Phytonomus variabilis H., levenloos door hem onder wier
aan het strand te Rammekens gevonden. Het voorwerp
miste de pooten, maar was daarentegen aan den buik bezet
met een paar lange draadvormige aanhangsels. Volgens het
gevoelen van sommigen der aanwezigen moeten deze aan-
. hangsels gehouden worden voor Fungi, welke op dit doode
ligchaam woekeren.
De heer Six vertoont eenige voorwerpen van den zeer
kleinen Malthodes brevicollis Payk. Even als vroeger bij Utrecht
ving hij dezen kever ook nu in Junij bij Rijswijk op vochtige
plaatsen tusschen gras. Dat onze inlandsche Coleopterologen
XXII VERSLAG.
deze soort tot nog toe niet vonden, moet niet zoo zeer
aan de zeldzaamheid als wel aan de geringe grootte van dit
insect worden toegeschreven.
Hij laat ook een paar exemplaren rondgaan van Anthocoris
vittatus Fieb., door hem in dit voorjaar langs den Holland-
schen duinkant gevangen en welke soort door den heer
Snellen van Vollenhoven in zijne inlandsche Hemipteren,
volgens een door Spreker bij Driebergen gevonden voorwerp
beschreven en afgebeeld is. Deze duin-exemplaren missen
het zoo zeer in het oog loopend kenmerk dezer soort,
namelijk den witten zoom langs de vier aderen der vleugel-
vliezen, en hij meende daarom dat zij misschien tot eene
andere soort (A. lucorum Scholtz?) zouden kunnen behooren.
De heer Snellen van Vollenhoven ziet er evenwel slechts
eene verscheidenheid van A. vittatus in.
Spreker brengt ook goed bewaarde voorwerpen ter tafel
van Heterotoma crinicornis Klug en van H. Mali M. Dir,
vroeger door hem bij Driebergen gevonden, welke soorten
de heer Snellen van Vollenhoven niet met zekerheid in
zijne lijst van inlandsche Hemipteren (Tijdschr. v. Ent. XVIII.
p. 30) heeft durven opnemen, omdat de hem toen ten
dienste staande exemplaren niet zuiver genoeg waren om
zonder twijfel te worden gedetermineerd.
Verder vertoont Spreker een voorwerp van eene tweede
inlandsche soort van het in zwammen levend muggenge-
slacht Sceptonia, namelijk S. concolor Winn., door hem bij
eene excursie op 7 Mei onder Wassenaar gevangen, en welke
soort de heer van der Wulp niet in zijn werk over onze
inlandsche Dipteren heeft kunnen opnemen, dewijl het ge-
deelte waarin dit geslacht voorkomt, reeds gedrukt was
toen hij er kennis van ontving.
Het is geen wonder dat nu en dan nieuwe inlandsche
soorten dezer zwammuggen ontdekt worden, dewijl haar
aantal zeer groot is, zoodat Winnertz er ruim 40 midden-
Europesche geslachten van beschreven heeft. Zij zijn meestal
kort ineengedrongen en hoog gewelfd; eene uitzondering
VERSLAG. XXIII
hierop maakt Bolitophila cinerea Meig., die zeer slank is
en dit voorjaar ook in de Scheveningsche boschjes door
spreker werd gevonden, terwijl hij die soort vroeger in
het Sticht nooit aantrof.
Hoe groot intusschen het aantal muggen ook moge zijn,
gelooft Spreker dat het door kleine Hymenopters, vooral
Pteromalinen en Proctrotrupiden nog ver overtroffen wordt,
zoo als blijkt uit het getal van ruim 200 geslachten, door
den heer Snellen van-Vollenhoven in zijne Schetsen afge-
beeld en welke verondersteld kunnen worden inlandsch
te zijn. Sedert geruimen tijd heeft Spreker er zich op toe-
gelegd om deze kleine insecten zooveel mogelijk te ver-
zamelen en te determineren, en ook dit voorjaar was hij
zoo gelukkig er eenige nieuwe inlandsche geslachten en
soorten van te vinden. Hij wil hier alleen vermelden
Rhoptrocerus Eccoptogastri Ratz. met korte en breede sprieten;
eene soort van Dichalysis Först, waarbij ieder lid der an-
tennen van het vorige en volgende door een dun steeltje
is gescheiden, even als dit bij sommige galmugjes (Cecido-
myiden) plaats heeft; en eene soort van het geslacht Lam-
protatus Westw., waarbij de radiaal-ader in een breed knopje
eindigt. Ook ving Spreker dit voorjaar een voorwerp van
Isosoma eximium, eene bijzonder slanke Pteromaline, door
den heer Snellen van Vollenhoven onlangs in ons Tijdschrift
beschreven volgens een exemplaar door den heer Leesberg
ook bij ’s Gravenhage gevangen. Van het zeer kleine insect,
door Spreker in ons Tijdschrift onder den naam van Cera-
nisus beschreven en door den heer Snellen van Vollenhoven
afgebeeld, ving hij op nieuw een voorwerp, dat met gemelde
afbeelding vergeleken, de juistheid der aldaar voorgestelde
details bevestigt.
Reeds sedert lang wenschte Spreker een vrouwelijk voor-
werp te vinden van de met een naar voren gebogen hoorn
op den eersten achterlijfsring voorzienen Inostemma Boscii
Jur.; niet alleen gelukte hem in dit Junij, maar ook eene
andere soort, waarschijnlijk In. Lycon Walk., waarbij de hoorn
XXIV “VERSLAG,
zeer lang en slank is en tot aan het voorhoofd reikt, werd
door hem bij Scheveningen gevonden.
Na nog de vangst van den kleinen en bevalligen Ooctonus
vulgatus Hal. te hebben opgegeven, wil hij alleen nog een
oogenblik stilstaan bij eene voor onze Fauna nieuwe soort
van Cynipside, Anacharis typica Walk., waarbij het achterlijf
met een langen en dunnen steel aan het borststuk is ge-
hecht, en die daarom door Hartig ook den synoniem van
Spheciformis ontving.
Ten slotte toont Spreker een man van den fraaijen
groenen Thomisus dorsatus F., in Mei in de Scheveningsche
boschjes gevangen en waarvan hij in het vorige jaar het
wijfje, dat met eene roode vlek op het achterlijf versierd
is, terzelfde plaats had gevonden,
De heer Lodeesen deelt mede, dat hij voor eenige
dagen een bezoek ontving van ons medelid, Dr. J. van
Leeuwen Jr., die hem eene rups vertoonde van Calamia
lutosa Hbn. Het was den heer van Leeuwen gelukt de
rupsen van deze soort in aantal te kweeken uit eijeren, in
October des vorigen jaars verkregen van vlinders, die in de
nabijheid van Amsterdam aan den zoogenaamden Spaarn-
dammerdijk op riet waren gevonden. Om de vier of vijf
dagen voorziet hij zijne rupsen van versche rietstengels,
waarin hij eene langwerpige opening maakt, ten einde er
de rupsen in over te brengen zoodra het riet, waarin zij
zich bevinden, begint te verdorren; de gemaakte opening
sluit zich weder van zelve. Het broedsel had thans reeds
de derde vervelling volbragt, zoodat het zich laat verwachten
dat de genoemde ijverige onderzoeker weldra in staat zal
zijn om eene volledige beschrijving te geven van de huis-
houding dezer merkwaardige vlindersoort.
De heer van der Wulp laat in de eerste plaats eenige
platen rondgaan, behoorende tot zijn werk over de inlandsche
Diptera, waarvan het eerste deel thans ter perse is en
VERSLAG. XXV
voegt daarbij dat door hem van de onderscheidene geslachten
hoofdzakelijk het aderbeloop der vleugels is afgebeeld, om-
dat hij bij ondervinding weet hoezeer zulke vleugelteeke-
ningen het determineren van de voorwerpen gemakkelijk
maken,
In de tweede plaats zegt Spreker eene gunstige verwach-
ting te hebben verkregen van den rijkdom der insecten-
fauna van het eiland Walcheren. Eene kleine bezending
Diptera toch, ten vorigen jare hem van daar door den heer
Gerth van Wijk ten onderzoek gezonden, bevatte reeds
dadelijk eenige merkwaardige soorten en daaronder Scato-
phaga borealis Fall., die tot dusver niet als inlandsch bekend
was. In eene collectie van meerderen omvang, later door
genoemden heer bijeengebragt, bevonden zich weder een
aantal als zeldzaam bekend staande soorten, onder anderen
de fraaije Culex nemorosus Meig. in verscheidene exemplaren,
Chironomus dilatatus v. d. W. en Hypophyllus discipes Ahr.,
beiden in vele jaren niet weder gezien; voorts Anthrax afra F.
en Orellia Wiedemanni Meig. die nog niet lang als inlandsch
bekend zijn, maar thans in sommige duinstreken meer ge-
woon schijnen te worden; verder Platycheirus manicatus, Meig.,
Xanthogramma ornata Meig., Musca vitripennis Meig., Nemoraea
maculosa Meig., Scopolia carbonaria Panz., Dinera cristata Meig.,
Coenosia exul Zett., Platycephala planifrons F., Chlorops sulcata
v.d. W. en Phora opaca Meig. Bepaaldelijk nieuw voor onze
Fauna waren daarbij : Syntomogaster viduus Egg., een inte-
ressant geslacht door Schiner onder de Phasinen gerang-
schikt; Sarcophaga offuscata Meig., kenbaar aan hare donkere
vleugels; Ceroxys picta Meig., kleiner dan de overige reeds
als inlandsch bekende soorten van dit genus; en Oscinis
sulcella Zett., die door hare geringe grootte zeer ligt aan
de aandacht kan ontsnappen.
Ten slotte verzoekt dezelfde Spreker aan de aanwezigen
hem eenige exemplaren te bezorgen van de groote Swam-
merdamsche Ephemeride Palingenia longicauda Ol., liefst in
hare verschillende toestanden. Hij wenscht die voorwerpen
XXVI VERSLAG.
op te zenden aan Dr. Joly te Marseille, die zich ijverig
bezig houdt met de gedaantewisseling na te gaan der
Ephemeriden en eenige weken geleden aan Z. K. H. Prins
Alexander, op diens terugreis uit Algerië, zijn verlangen
had te kennen gegeven om de genoemde, voornamelijk in
ons land voorkomende soort te bezitten. De Prins had toen
den heer Joly beloofd hem zoo mogelijk daaraan te zullen
helpen en heeft zich te dien einde tot Spreker gewend, die
nu gaarne op zijne beurt daaraan gevolg zou willen geven
en daartoe de tusschenkomst zijner medeleden inroept ').
Niemand verder het woord verlangende, brengt de Voor-
zitter zijn dank aan de verschillende Sprekers voor de
gedane mededeelingen, en sluit de vergadering met den
wensch dat de excursie, tegen den volgenden dag bepaald,
vruchtbaar moge zijn voor de wetenschap.
Die excursie, waaraan ditmaal al de ter vergadering op-
gekomen leden (met uitzondering van den heer Lafontijn,
door beroepsbezigheden verhinderd) deelnamen, werd door
goed weder begunstigd en leverde voor de meesten niet
onbelangrijke resultaten op. Van bijna alle heeren werd
eene opgave ontvangen van de daarbij verzamelde soorten,
en wijl deze streek vroeger nimmer door de Entomologische
Vereeniging is bezocht, schijnt het niet van belang ontbloot
die opgaven hieronder te laten volgen. Hierbij dient te
worden opgemerkt, dat sommigen zich nog, ’t zij den dag
vóór de vergadering of dien volgende op de excursie, naar
naburige streken hebben begeven en ook daarvan de resul-
taten hebben medegedeeld. De onderscheidene vindplaatsen
zijn achter de soorten vermeld.
Araneidae. — Behalve eenige zeer algemeene spinnen, zoo als Miranda
cucurbitina, Epeira diadema, Tetragnatha extensa, Theridium redimitum,
nervosum en vittatum, Agelena labyrinthica, Linyphia terricola, Clubiona
amarantha, Xysticus viaticus, Philodromus aureolus en limbatus, Thanatus
trilineatus, Lycosa paludicola, Ocyale mirabilis enz, vond Dr. van Hasselt
nog van de volgende soorten enkele exemplaren :
1) Sedert zijn reeds van meer dan eene zijde de verlangde voorwerpen bijeen-
gebragt en heeft de verzending aan den heer Joly plaats gehad.
VERSLAG. XXVII
Atea agalena C. Koch 9. . . . . . Domburg.
Steatoda castanea Clerck 2 (an varietas st. tino!
PRED) a" at Sp eG sant . + + + + + Oost-Capelle.
Theridium bimaculatum L. f jun. . . . . . . Domburg.
Dictyna arundinacea L. 9. . . . . . . . . . ”
Pachygnatha Clerckii Sund. 8. Js . + + Woensdrecht
Melanophora pedestris C. Koch, 2 SEIN . . . Domburg.
Micariatnitens i Ohler Cee na 7
Drassus lapidicola C. Koch 9. . . . . . . . Woensdrecht.
Xysticus praticola C. Koch 4. . . . . . . . Oost-Capelle.
Thanatus maritimus Menge $ jun. . . . . Domburg.
Attus (Marpissa) Nivoyi Thor. 9. . . . . Oost- Capelle en Domburg.
Bovendien eene fraaije, kleine, den heer van Hasselt nog onbekende
Attus-soort te Domburg en eene idem Linyphia-soort te Oost-Capelle, beide
vrouwelijke exemplaren.
Coleoptera. Calathus fuscus F.. . . . . . Walcheren. 4H. W. Groll.
Hydroporus inaequalis F.. . . . ” ”
Agabus conspersus Marsh. . . . ” ”
» bipustulatus L. . . . . ” ”
Hydrobius oblongus Hrbst. . . . ” ”
Helophorus griseus Hrbst. . . . ” ”
Stenus oculatus Grav.. . . . . ” ”
Hister neglectus Germ. . . . . ” ”
Soroniag TIE Ee Aes ” ”
Byturus fumatus L. . . ... ” ”
Athous haemorrhoidalis P. . . . ” ”
Macroterantestacear dif 5 N. 7 ”
Malachiusiiviridis In net 02% 5 ” ”
Anaspis frontalis L. . . UE 7 ”
Mordellistena abdominalis i Stet ” ”
Cneorhinus geminatus F.. . . . ” ”
Strophosomus Coryli F. . . . . ” “
Apion assimile Kirby. . . . . - ” ”
od Wap’ at fs) rat biso alert aut. ” ”
Balaninus pyrrhoceras Marsh. . . ” ”
Orchestes Quercus I. ©... ” ”
” Saliers elisa a cs areas ” “
Tychius tomentosus Hrbst. . . . ” ”
Ceutorhynchus pollinarius Först. . ” ”
Rhinoncus pericarpius F.. . . . ” ”
Scolytus intricatus Ratz. . . . . ” ”
Bepinzauhvidan:, cs sE enden 7 ”
Lema melanopa L.. . . ec ” ”
Cryptocephalus flavilabris F. ARE ” ”
Graptodera ampelophaga Guér. . . ” ”
Plectroscelis dentipes Hoffm. . . ” ”
Ciemdelashybrmdan bi 0 ae ” Dr. Everts.
Amara familiaris Dfts.. . . . . ” ”
Bembidium assimile Gyll. . . . ” 7
” pusillum Gyll. . .~. ” ”
Tachyporus solutus Er. . . . . ” ”
” Hypnorum F. . . . 7 ”
XXVIII VERSLAG.
Coleoptera. Quedius semiobseurus Er. . . . . Walcheren. Dr. Everts.
Philonthus sordidus Grav. . . . . ” ”
” nigritulus Grav.. . . . ” ”
Xantholinus longiventris Heer. . . . ” ”
Stenus bifoveolatus Gyll. . . . . . ” ”
AMO CU AUS Graven 575 6 banc 7 7
Trogophloeus bilineatus Steph. . . . ” 2
Anthobium seutellare Er. . . . . 7 ”
Brachypterus Urticae F.. . . . . 7 7
Atomaria atricapilla Steph. . . . . ” ”
Anthrenussvarlus tb: Ato |. ” ”
Melanotus meee WE er ” ”
Campylus linearis L.. . . . . . ” ”
Mierocera testacea i. - . . 2... v ”
Cyphon variabilis Thunb. sifted ie " ”
Malthodes ie Tattoo ee ” 7
Malachius viridis L. . . . ” ”
Aspidiphorus orbiculatus Gyll. (Fn. n. an) 7 ”
Rhinosimus planirostris F. . . . ” 7
Anthicus antherinus L. . . . . . " ”
Anaspis frontalis L. . , . . . . ” ”
DOES ee. ” 7
“maculata Geolfr.. 202. 7 ”
Phytonomus nigrirostris F. . . . . ” ”
Dorytomus Tremulae Payk.. . . - 7 7
Meeinus pyraster Hrbst. . . . . . ” ”
Tanysphyrus Lemnae Payk.. . . . ” ”
Apion Pomonae F.. : . - - = ; ” "
PD Seana eon an or no, de ” 7
o@ wenn, oS RER EE 7 ”
” Fagi RS ENE den 2 2
De AEM ooo oto a ” ”
gp Haile ling oo 9. ae Z ”
MEGGVITEnS @ETDsts ET in CN ” ”
wv Lace La se oe 7 ”
» Hydrolapathi Kirb. . . . . 7 ”
» affine Kirb. (Fn. n.sp.). . . ” ”
RUN le GEL o dono ” ”
Rhynchites germanicus Hrbst. . . . ” ”
” BEL RL ers er ” ”
Magdalinus aterrimus F.. . . . . ” ”
” barbicornis Latr. . . . ” ”
Anthonomus Rubi Hrbst. . . . . 7 ”
Orchestes scutellaris F. . . . . . ” ”
Tychius tomentosus Hrbst. . . . . ” ”
Cionus Scrophulariae L. . . . . . ” ”
Cryptorhynehus Lapathi L. . . . . ” ”
Coeliodes Quercus Fo = - 2 4) v ”
Ceutorhynchus pollinarius Forst. . . ” ”
Hylesinus Fraxini F. . . . . . . ” ”
Bruchus rufimanus Bohem. . . . . ” ”
» Juteicornis Ill. (Fn. n. sp.) . ” ”
Coleoptera.
VERSLAG.
Leptura livida F.
Cryptocephalus minutus F.
” geminus Gyll. .
Chrysomela haemoptera L. .
Prasocuris Phellandrü L.
Crepidodera Salicariae Payk. :
Aphthona atrocaerulea Steph . . .
Phyllotreta melaena Ill. (Fn. n. sp.).
Balanomorpha Chrysanthemi Hoffm. .
Thyamis atrieilla Gyll.
” atriceps Kutsch.
” larıdar Scope
» melanocephala Gyll.
Bembidium fumigatum Dfts.
” assimile Gyll.
Demetrias atricapillus L.
Notiophilus biguttatus F.
Dromius fasciatus Dej.
” 4-notatus Panz.
Acupalpus meridianus L. .
Amara familiaris Dfts.
Leistus ferrugineus L. 3
Tachyporus Hypnorum F. . .
Oxytelus sculpturatus Grav.
Bledius bicornis Germ. (In. n. sp.).
Phalaerus grossus Er.
Stenus impressus Germ. : .
Saprinus metallicus Hrbst.
Atomaria atricapilla Steph. . :
Lathridius alternans Mannh. (Fn. n. sp.)
Telmatophilus Typhae Fall. .
Malachius viridis F.
” marginellus Ol. .
Anthocomus fasciatus L. .
Rhizophagus depressus F.
Anthrenus varius F.
” Musaeorum L.
Melanotus niger F.
Limonius nigripes Gyll.
Onthophagus fracticornis F..
Telephorus dispar F. .
Rhinosimus planirostris F.
Cryptieus quisquilius L. .
Mordella pusilla Redt.
Anaspis frontalis L. -
AIR EA ET i
» maculata Geoffr. .
» ruficollis F. . . «
Cyphon coaretatus Payk.
Sitonus lineatus L.
Cneorhinus geminatus F.
Walcheren.
(onder fueus.)
Walcheren.
Dr.
XXIX
Everts.
XXX VERSLAG.
Coleoptera. Apion framentarium L. . . . . . Walcheren. Mr. Leesberg.
MITO MONA REN o 50 6 6 ¢ ” ”
”. »OnopordiKırb. Mee. RUN ” ”
Di oben Ke G5 5 6 4 ” ”
RENK AED ee obit na ” w
ess ETAT a ee re ee ” 7
Dime MASSES ERITD A e ne ” n
rene Ger. ee er ” ”
DI ariani labos Noto 6 SS ” ”
Tychius tomentosus Hrbst. . . . . 7 ”
Tanysphyrus Lemnae Payk. . . . ” ”
Anthonomus Rubi Hrbst. . . . . ” ”
Orchestes signifer Creutz. . . . . ” “
” Salicispelo rd nebe PE es Le 7 ”
Gionus@Rraxınigden Ger 7 7
w Werbaser Er ma ee 7 ”
Ceutorhynchus pollinarius Forst. . . ” ”
” Syrites German. ” 7
Cossonus linearis F. . . . . " ”
Gymnetron melanarius Germ. (Fn. n. ED ” ”
Eiylesmus@Rraxın Rasen ee ene ” ”
Eylastes role Mull SS ” ”
Rhinoneus pericarpius F. . . 7 ”
Phyllotreta melaena Ill. (Fn. n. ey ” ”
7 atr'a bel of ME ” ”
Plectroscelis aridella Gyll. . . . . ” ”
Crepidodera versicolor Kutsch. . . ” ”
” ferruginea Scop. . . . ” ”
Thyamis melanocephala Gyll. . . . Z "
Graptodera Erucae Ol. . . . . . È ”
Prasocuris aueta MH... . 2... 2 ” ”
Coccinella 22-punctata L. . . . . ” ”
Anisosticta 19-punctata L. . . . . ” ”
Prophylea 14-punctata L. . . . . ” ”
Scymnus pygmaeus Geoffr. . . . . ” ”
Leistus spinibarbis F. . . . . . Bergeno.Z. De heeren Everts
(in dennebosschen onder plaggen.) en Leesberg.
Lebia chlorocephala Hoffm.. . . . ” ”
(van planten gesleept.)
Dyschirius salinus Schm.. . . . . ” ”
(op de schorren der Schelde).
Dichirotrichus pubescens Payk.. : . ” ”
Bradycellus harpalinus Dej. (gesleept). ” ”
Pogonus luridipennis Germ. (Fn. n. sp.) ” ”
(op de schorren onder wier).
We achalceusiMarshien a ” »
Bembidium pusillum Gyll. . . . . ” ”
(op schorren onder wier).
” Ephippium Marsh.. . . ” ”
Tachys scutellaris Dej. (Fn. n. sp.). . ” ”
Conurus lividus Er. (onder plaggen). . ” ”
Mycetoporus punctus Gyll. . . . . ” "
VERSLAG. XXXI
Coleoptera. Quedius lateralis Grav. . . . - + Bergen o. Z. De heeren Everts
en Leesberg.
» impressus Panz.. . . - - ” ”
me tristigy Graves 2 See ” ”
» nigriceps Kr.. . . + +. + ” ”
» attenuatus Gyll.. . . ” ”
Philonthus lepidus Grav. (Fn. n. oli ” ”
(op schorren).
Othius myrmecophilus Kies... . - ” ”
(onder SEPT
Achenium depressum Grav. . . - ” ”
(op sailed)
Bledius spectabilis Kr. . . . . - ” ”
Vadalà ieee! | ” ”
Liodes axillaris Gyll. (Fn. n. sp.) . - ” ”
(in een fungus).
Onthophilus striatus F. (in mest). . . ” ”
Olibrus Millefolii Payk. . . . . - 7 4
(zeer gemeen op Ach. millefolium).
Ips ferruginea L. (gesleept).. . . - ” ”
Cardiophorus cinereus Hrbst. . . - ” ”
Limonius nigripes Gyll. . . . ” 7
(op Achillea mnillefolinm).
Agriotes sobrinus Kies. . . . +. - ” "
” pallıdalus. Il. Na Er Ue ” ”
Axinotarsus marginalis Er. . . . + ” 7
Bonus pesn Rd nnee ” ”
Mordellistena pusilla Meg. . . . - ” ”
Sitones Regensteinensis Hrbst. . . - 7 ”
(op Sarothamnus vulgaris).
Polydrosus Chrysomela Schh. . . . ” ”
Phytonomus postieus Gyll. . . - - ” ”
” constans Boh.. . . - ” ”
Dorytomus agnathus Boh. . . . . ” à 7
Mecinus janthinus Germ. . . . . ” ”
Apion stolidum Germ. . . ” ”
(op Chrysanthemum ventie
Apion fuscirostre F. . . . . - ” ”
(op Sarothamnus valeur
» Viciae Payk. (op Vicia Cracca). ” ”
» Ononidis Gyll. (op Ononis repens) ” ”
» striatum Marsh. . . . . " ”
(op Sarothamnus TRN:
LEUTE KE Dee ” ”
» columbinum Germ... . . . . ” ”
» affine Kirb. (Fn. n. sp.). . - ” ”
Magdalinus phlegmaticus Hrbst. (Fn. n. sp.) ” ”
(in een dennebosch).
Orchestes iota F. . . Nerd ” ”
” SIDON CERN EN ONE ” ”
Tychius Genistae Boh. SE SOA ” ”
(op Sarothamnus EI
ROOKT VERSLAG.
Coleoptera. Gymnetron Veronicae Germ. . . . Bergen o. Z. De heeren Everts
en Leesberg.
” Campanulae L. . . . . 7 ”
Ceutorhynchus punctiger Gyll. . . . ” ”
Hylastes ater Payk. . . . . ” ”
(zeer gemeen onder aoanebesty:
” angustatus Hrbst. . . . . 7 7
Hylurgus ligniperda F. . . . 7 7
Bruchus luteicornis Kl. (Fn. n. oa ” 7
(op Vicia Cracca).
Asemum striatum L. . . . . . . 7 7
Cryptocephalus Moraei L. . . . . ” 7
7 vittatus F. . . => . 7 ”
IDES IE nn a Bla ee 7 ”
DUPETUSATUAPES NE a EE ” 7
Graptodera Erucae Ol. . . . . 7 ”
7 ampelophaga Guér.. . . 7 7
Phyllotreta sinuata Steph. . . . . ” ”
Balanomorpha Chrysanthemi Hoffm. . ” ”
Thyamis ochroleuca Marsh... . . 7 7
Coccinella 5-punctata L.. . . . . „ ”
Demetrias unipunctatus Germ. . . . Walcheren. K. N. Swierstra.
Calathusstuscus ik: ve ater ye 7 "
Notiophilus aquaticus L.. . . . . ” ”
Paederus longipennis Er.. . . . . ” ”
Quedius impressus Panz. . . . . . ” ”
Oxytelus sculptus Grav. . . . . . ” ”
” sculpturatus Grav.. . . . ” ”
DAPTINUSNAELEUS NEN 7 ”
diapria lara Wiis e STATE 7 ”
Anaspis maculata Geoffr.. . . . . ” ”
Strophosomus obesus Marsh. . . . 7 7
” Cor y ete tenen re 7 "
Ceutorhynchus floralis Payk. . . . 7 ”
Balaninus pyrrhoceras Marsh. . . . 7 7
Agelastıcag Ania Ae MARE " "
Coccinella variabilis Ill. . . . . . ” ”
Diptera. Lissa loxocerina Fall... . =... ” ”
Coleoptera. Hydrous caraboides L. . . . . . 7 A. J. Weytlandt,
Demetrias atricapillus L.. . . . . 7 ”
Bembidium 4-guttatum F. . . . . 7 ”
Telephorus fuseusil. y.. fee 7 7
7 fulvus Scop: 2 2 = sea ” ”
Athous vattatus Ms set nen ARE ” ”
Mielanotus niger B. 7,7. je ire! fe ” LI
acon munis O ten Nue ” ”
Byturus tomentosus F. . . . . . ” ”
Malachius viridis F. + < à: . .% 7 ”
” mareinellusgOol.s mer 7 v
Anaspis maculata Geoffr.. . . . . ” a
ws UAC AREE sic. aarin ur ” ”
Anthrenus varius Em stens ” »
VERSLAG. XXXIII
Coleoptera. Crypticus quisquilius L. . . . . . Walcheren. A. J. Weytlandt.
Heliopathes gibbus F.. . . . . . 7 7
Phyllobius oblongus L. . . . . . ” ”
” PomonaevOl ei ” ”
Polydrosus sericeus Schall. . . . . 7 5
Strophosomus obesus Marsh. . . . » pi
Sciophilus muricatus F. . . . . . ” “
Otiorhynchus atroapterus de G. . . ” 7
Cryptorhynchus Lapathi L.. . . . ” "
Rano kei le ee o ” ”
DERE We o ” ”
” LEONE eee ” ”
Vi MIM, Hrbst … Vein rege ” ”
Cneorhinus geminatus F. . . . . ” ”
Orchestes Quercus) DE ON ” 7
Ceutorhynchus Syrites Germ. . . . ” ”
Rhinoncus pericarpius F.. . ” ”
Rhytidosomus globulus Hrbst. (Fn. n n. sp. 7 7
Hylesinus vittatus F.. . . . . . ” ”
Plectroscelis aridella Gyll. . . . . ” ”
Prophylea 14-punctata L. . . . . 7 ”
Olibrusszeminus Ul ene: ” 7
Aeoraliagarenaria Ba Senn 7 ”
Hemiptera. Coreus hirticornis F.. . . . . . » Mr. Sn, v. Vollenh.
Nüris calcaratus Kalle sene: ” "
a virens L. c ORE ” »
Pithanus Madia H. Sch. asks ” ”
byeussstriatellusgeR- rkenen ” 7
Capsustateni(larve) 0. era len. ” ”
Lygus mutabilis Hahn. . . . . . Woensdrecht. ”
Jassus subfusculus? Fall. . . . . Walcheren. ”
Deltocephalus 2usp en nete ” ”
Lepidoptera. Crambus perlellus Scop.. . . . . ” ”
Hymenoptera. Emphytus calceatus Klug. . . . . Oost-Capelle. 7
Eemitelesmep = + D... Woensdrecht. 7
Tryphon vulgaris dina SURE ae “ ”
Mesoleius sp., bezet met 8 larven van
IN eloe tee nr na 7 ”
Cryptide, naast oat aan mes
(misschien nov. gen.) gd. . . . . Oost-Capelle. ”
Crabro podagricus Dahlb. . . . . ” ”
Pterochilus phaleratus Panz. 4. . . Walcheren. ”
Odynerus Parietum L. 4. . . . . Woensdrecht. ”
Sphecodes rufescens Fourer. . . . . Walcheren. ”
Lasvelvanslenthredo = enne ” ”
Lepidoptera. Coenonympha Pamphilu L. . . . ” J. W. Lodeesen.
Hesperia Thaumas Hfn. . . . . . ” ”
Trochilium apiforme L. . . . . . ” ”
Acronycta leporina L. var. bradypo-
E iso ae ate SE RG u 7
Mamestra dentina W. v. RE a ”
Cidaniaybilineatas hs nt =.) ” ”
REKEN
Lepidoptera.
Coleoptera.
Hymenoptera.
Diptera.
Trichoptera.
Lepidoptera.
Coleoptera.
Hemiptera.
Diptera.
VERSLAG.
Botys fuscalis W. V. .
Crambus fascelinellus Hb.
Sciaphila minorana H. S.
Cicindela hybrida L.
Feronia vulgaris L.
Amara ovata Fisch.
Calathus fulvipes Gyll.
” mollis Marsh. . . . .
Homalota Sp 9 6 ob 6
Oxytelus sculpturatus Grav. .
Saprinus maritimus Steph.
Melanotus niger F.
Olocrates gibbus F.
Crypticus quisquilius L. . .
Lagria hirta L..
Anthicus antherinus L.
Strophosomus Coryli F
Sitones griseus F. .
Otiorhynchus atroapterus eu.
Dorytomus vorax F. . .
Rhinoneus pericarpius F.. . . .
Pimpla Stercorator F.
Bracon spec. ?. 0
Holopyga ovata Pall. .
Chrysis unicolor Dahlb. 2 Q. (Fn. n. sp.)
Lasius fuliginosus Latr.
Formica rufa I. . . A
Mutilla rufipes F (= Ephigpiam ¥.).
Agenia punctum v.d. L. .
Pompilus plumbeus F. . .
” chalybeatus Schiöd.
7 neglectus Wesm,
Tachytes unicolor Panz.
Pterochilus phaleratus Klug.
Coelioxys conica L. . . . +.
” acuminata Nyl.
Anthidium punctatum Latr. .
Megachile circumcincta Kirb.
” arcenta la NE IN ON ER
Anthrax afra F. . . he
Lucilia sp. 4 $ in aaa .
Limnophilus griseus L. . . .
Craniophora Ligustri F. .
Argyresthia curvella L. . .
Rhizophagus depressus F. . . .
Coccinella 5-punctata L. . . .
Odontoscelis fuliginosa L., var. don
Coreus squalidus Cost.
Aradus depressus EN ON.
Platyura nana Macq. .
” n. sp. ?
. Walcheren.
J. W. Lodeesen,
C.
UA
[4
Ritsema Cz
VERSLAG.
Diptera. Chironomus dorsalis Meig.
viridis Macq. .
Corethra plumicornis F. .
Pachyrhina maculosa Meig.. . . . ”
Limnophila dispar Meig. .
Scatopse brevicornis Meig.
Anthrax afra F..
Empis livida L..
„ lutea Meig.. . .
var. nigro-
XXXV
. Walcheren. van der Wulp.
Rhamphomyia umbripennis Mer . + Oost-Capelle.
(in aantal op Ranunculaceén).
Platypalpus bicolor F. .
Odontomyia tigrina F.
Dolichopus aeneus de G.
. Walcheren.
. Oost-Capelle.
” acuticornis Wied. . . . ”
” trivialis Hal. "
“ griseipennis Stann. . . . ”
Gymnopternus aerosus Fall. . . . - 7
Argyra diaphana F.
Chrysotus cupreus Macq.
” laesus Wied.
Pipunculus campestris Latr.. . . . Walcheren.
Scopolia carbonaria Panz.
Anthomyia ruficeps Meig.
Hydrotaea irritans Fall. .
Helomyza rufa Fall.
Sepsis cynipsea L. .
Micropeza corrigiolata L.
Chlorops glabra Meig.
Borborus equinus L.
Limosina fontinalis Fall. .
FOA P
Ctenophora ruficornis Meig. . . . Woensdrecht.
Limnobia modesta Meig. .
Nemotelus uliginosus L. .
Machaerium maritimum Hal. . . . ”
(verscheidene exx.)
Dolichopus brevipennis Meig. . . . ”
Hydrophorus inaequalipes
Cheilosia albitarsis Meig.
Aricia marmorata Zett.
Lispe gemina v. d. W.
Coenosia meditata Fall.
Scatophaga litorea Fall.
” borealis Zett.
Ceroxys picta Meig. dene exx. sn Ù
Scatella sibilans Hal. . .
De heer Gerth van Wijk, die bezig is eene lijst zamen te stellen van de
op het eiland Walcheren voorkomende,
Mac en ”
heeft de opgave der door hem
excursie gevangen soorten, meerendeels Apiariae, tot nader uitgesteld.
insecten
op deze
LIJST DER LEDEN
VAN DE
NEDERLANDSCHE BATOMOLOGISCHE VEREENIGING,
op 17 Juni 1876;
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
pie
BEGUNSTIGERS.
Teyler’s Stichting te Haarlem. 1860.
De heer J. Kneppelhout, Hemelsche Berg te Oosterbeek. 1867.
» » Dr. Francois P. L. Pollen, te Scheveningen. 1867.
Mevrouw Hartogh Heys van de Lier, geb. Snoeck, te ’s Gravenhage. 1868.
De heer Dr. F. J. L. Schmidt, te Rotterdam. 1869.
a » Mr. J. Thiebout, te Zwolle. 1869.
» » Jhr. Mr. W. C. M. de Jonge van Ellemeet, te Oost-Capelle
bij Middelburg. 1870.
» » Jhr. F. van den Santheuvel, te Dordrecht. 1870.
EERELEDEN.
De heer- Dr. C. F. Westerman, Directeur van het Koninklijk Zoologisch
Genootschap Natura Artis Magistra, te Amsterdam. 1858.
» » H. T. Stainton, Esq. Mountsfield, Lewisham bij Londen. 1861.
» » Dr. C. Felder, lid der Kais. L. C. Academie der Naturwis-
senschaften en Burgemeester van Weenen. 1861.
n » Prof. Dr. H. Löw, te Guben. 1862.
n n Prof. J. O. Westwood, F. L. S., Directeur van het Hopean
Museum te Oxford. 1862.
» » A. E. W. Ludeking, Officier van gezondheid bij het Nederl.
Indische leger. 1862.
» » Jhr. J.L.C. Pompe van Meerdervoort, te St. Petersburg. 1864.
» » Prof. J. J. P. Hoffmann, te Leiden. 1865.
» » Dr. Gustav L. Mayr, te Weenen. 1867.
De heer
” n
n ”
” »
” »
” »
De heer
bb) n
7 n
» 3»
n n
Z. Exe
De heer
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXVII
Dr. H. D. J. Wallengrèn, te Farhult, bij Högands in Zweden.
1871.
R. MacLachlan, F. L. S., te Londen. 1871.
Dr. T. Thorell, Hoogleeraar in de Zoologie aan de Hoogeschool
te Upsala in Zweden. 1872.
Dr. C. A. Dohrn, President der Entomologische Vereeniging
te Stettin. 1873.
M. E. Baron de Selys Longchamps, te Luik, 1874,
Dr. V. Signoret, te Parijs. 1874,
CORRESPONDERENDE LEDEN.
Prof. Arn. Förster, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool
te Aken. 1853.
Emil vom Bruck, te Crefeld. 1853.
Dr. C. Stal, Professor aan het Kon. Zoologisch Museum te
Stockholm. 1864.
Frederie Moore, Bestuurder van het Museum der voormalige
Oost-Indische Compagnie te Londen. 1864.
J. W. May, Consul-Generaal der Nederlanden te Londen. 1865.
. Mr. J. W. van Lansberge, Gouverneur-Generaal van Neder-
landsch Indié, te Batavia. 1865.
Prof. P. C. Zeller, Griinhof bij Stettin. 1867.
W. Mink, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool te Cre-
feld. 1867.
Dr. H. Weyenbergh, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Cordova
in de Argentijnsche Republiek. 1872.
Dr. W. Marshall te Weimar. 1872.
J. Putzeys, te Brussel, 1874.
A. Fauvel, te Caen, 1874.
. BUITENLANDSCHE LEDEN.
Henri Vicomte de Bonvouloir, Archiviste-adjoint de la Société
entomologique de France, Rue de l'Université, 15, te Parijs.
(1867—68).
H. Jekel van Westing, lid der K. Acad. der natuuronderzoe-
kers te Moscou en van verscheidene entomol. genootschappen ,
Rue Letort, 2, te Parijs. (1868—69).
GEWONE LEDEN.
1845-46.
Dr. J. G. H. Rombouts, te Groesbeek.
F. M. van der Wulp, Spui, n°. 93, te ’s Gravenhage. — Diptera.
Dr. M. C. Ver Loren van Themaat, huize Schothorst, te
Hoogland bij Amersfoort. — Algemeene Ent cn cle‘.
XXX VIII LIJST DER LEDEN ENZ.
De heer J. W. Lodeesen, Prinsengracht bij de Reestraat, 377, te Amster-
dam. — Lepidoptera indigena.
>» » Dr. J. Ro van Laer. te Utrecht:
» » Mr. H. Ver Loren van Themaat, te Utrecht. — Lepidoptera.
» » Mr.S.C. Snellen van Vollenhoven, Phil. nat. Dr., 2de Van den
Boschstraat, 34, te ’s Gravenhage. — Hymenoptera en Hemiptera.
» » W.O. Kerkhoven, te Twello.
1851-52.
De heer R. T. Maitland, Direeteur van den Kon. Zoologisch-botanischen
Tuin te ’s Gravenhage. — Algemeene Entomologie.
» y» P.C. T. Snellen, Leuvehaven, te Rotterdam. — Lepidoptera.
n n Dr. M. Fmans, te Utrecht.
Dr. W. A. J. van Geuns, Oude Gracht, te Utrecht.
1852-53.
De heer N. H. de Graaf, Haarlemmerstraat, te Leiden. — Lepidoptera.
» » Mr. H. W. de Graaf, Noordeinde, 123, te ’s Gravenhage. —
Inl. Lepidoptera, bijzonder Microlepidoptera.
» » G. M. de Graaf, Heerengracht, te Leiden. — Lepidoptera.
Dr. L. A. J. Burgersdijk, Hoogleeraar aan het Athenaeum te
Deventer. — Algem. Entomologie.
» n G.A. Six, De Ruiterstraat, 65, te ’s Gravenhage. — Hymenoptera.
» » Dr. W. Berlin, Hoogleeraar aan het Athenaeum, Plantage
Parklaan n°. 3, te Amsterdam.
1855-56.
De heer A. A. van Bemmelen, Directeur van de Diergaarde te Rot-
terdam. — Algemeene Entomologie.
n» Mr. E. A. de Roo van Westmaas, Huize Daalhuizen, te Velp. —
Lepidoptera.
„ » M. Breukelman, te Delfshaven. — Lepidoptera.
1856-57.
De heer Mr. J. Herman Albarda, te Leeuwarden. — Inlandsche Lepi-
doptera (bijzonder Microlepidoptera) en Neuroptera.
» » Mr. W. Albarda, te Ginneken. — Lepidoptera en Neuroptera.
„ » Dr. A. W. M. van Hasselt, Amsterdamsche Veerkade, 15, te
’s Gravenhage. — Arachniden.
1857-58.
De heer Dr. J. W. Schubärt, te Utrecht.
n° n W.K. Grothe, te Zeist.
1858-59.
De heer J. C. J. de Joncheere, Voorstraat, D, 368, te Dordrecht. —
Lepidoptera.
n » J. Backer, te Oosterbeek. — Lepidoptera.
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXIX
1860-61.
De heer J. Kinker, Oudezijds-Achterburgwal bij de Oudemanhuispoort ,
n°. 223, te Amsterdam. — Lepidoptera en Coleoptera indigena.
Dr. E. Piaget, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, Korte-
naerstraat, 416, te Rotterdam. — Diptera en Parasitica.
» n
1861-62.
Wijlen de heer H. Hartogh Heys van de Lier (het Lidmaatschap
door zijne Weduwe voortgezet).
1862-63.
De heer H. Baron Lewe van Middelstum, te Beek bij Nijmegen. —
Lepidoptera.
1863 -64.
De heer Mr. R. Th. Bijleveld, Rapenburg te Leiden. — Algemeene
Entomologie.
D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal, F, 3471, te Zwolle, —
Lepidoptera.
” ”
1864—65.
De heer Mr. A. H. Maurissen, te Maastricht. — Lepidoptera.
H. J. Veth, Phil. nat. Cand., Leeraar aan de Hoogere Bur-
n n
gerschool te Rotterdam. — Algemeene Entomologie.
» » H. W. Groll, te Haarlem. — Coleoptera.
1865-686.
De heer Dr. H. C. van Medenbach de Rooy, Weerdjesstraat, te
Arnhem. — Lepidoptera.
Mr. A. Brants, Buitensingel te Arnhem. — Lepidoptera.
” n
1366-67.
De heer F. J. M. Heylaerts Jr., St. Jansstraat te Breda. — Lepi-
doptera enz.
» » Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Hoogleeraar te Utrecht. — Alge-
meene Zoologie.
» » À. van den Brandt, te Venlo. — Lepidoptera.
1867-68.
De heer C. Ritsema Cz., Conservator bij ’s Rijks Museum van Natuur-
lijke historie, Rapenburg n°. 94 te Leiden. — Algemeene
Entomologie.
» » Mr, H. Hartogh Heys van Zouteveen, Phil. nat. Doctor, te Assen.
1868-69.
De heer Dr. J. G. de Man, Conservator bij ’s Rijks Museum van Natuur-
lijke historie, te Leiden. — Algemeene Entomologie.
» » Dr. T. W. O. Kallenbach, te Rotterdam. — Lepidoptera.
RU LIJST DER LEDEN ENZ,
De heer A. Cankrien, Boompjes, te Rotterdam. — Lepidoptera.
» » Mr. C. J. Sickesz, Burgemeester van Laren, Huize de Cloese
bij Lochem.
1869-70.
De heer M. Nijhoff, Raamstraat 49, te ’s Gravenhage. — Bibliographie,
1870-71.
De heer Dr. L. L. Aronstein, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool
te Breda.
» » Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, Leeraar aan de Hoogere Burger-
school, Huigensstraat 11, te ’s Gravenhage. — Coleoptera.
» » Mr. M. C. Piepers, Lid der regterlijke magt in Nederlandsch
Indië, thans met verlof hier te lande, te ’s Gravenhage. —
Lepidoptera.
» » Dr. P. J. Veth, Hoogleeraar aan de Rijksinstelling van onder-
wijs in de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch Indië,
te Leiden,
1871-72.
De heer W. A. Ivangh Schepman, te Rhoon. — Lepidoptera.
» » Dr. J. Ritzema Bos, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool
en de Landbouwschool te Wageningen.
» » J.F.G. W. Erbrink, N. Z. Voorburgwal over de Kolk, n°. 62,
te Amsterdam. — Algemeene Entomologie.
» » J. B. van Stolk, Zeemansstraat, te Rotterdam. — Lepidoptera.
n » Mr. A. F. A. Leesberg, Jan-Hendrikstraat, 9, te ’s Graven-
hage. — Coleoptera.
» » Dr. H. J. van Ankum, Hoogleeraar te Groningen.
» » M. M. Schepman te Rhoon. — Neuroptera.
» » Dr. C. K. Hoffmann, Hoogleeraar te Leiden. — Vergelijkende
ontleedkunde.
1872-73.
De heer Dr. A. J. van Rossum, Kastanjelaan te Arnhem.
1873-74.
De heer A. B. van Medenbach de Rooy, Weerdjesstraat te Arnhem.
» » Dr. J. van Leeuwen Jr., Prinseneiland, n°. 91, te Amster-
dam. — Lepidoptera.
n» J.C. Stern, te Sluis.
» » Mr. M. ’s Gravesande Guicherit, te Delft.
1874—75.
De heer H. L. Gerth van Wijk, Leeraar aan de Hoogere Burger-
school te Middelburg. — Hymenoptera aculeata.
LIJST DER LEDEN ENZ. XLI
De heer C. J. Grube, Nieuwendijk bij de St. Jacobstraat, n°. 94, te
Amsterdam. — Lepidoptera.
J. van den Honert, Nieuwe Waalseiland bij de Schipperstraat ,
” ”
n°. 26, te Amsterdam.
» » R. H. Saltet, Med. Stud., Heerengracht bij de Wolvenstraat ,
n°. 264, te Amsterdam.
» » K. N. Swierstra, Koninkl. Zool. Genootschap „Natura Artis
Magistra” te Amsterdam, — Algemeene Entomologie.
1875-76.
De heer H. Uijen, Priemstraat te Nijmegen. — Lepidoptera.
» n J.G. Wurfbain, Huize Heuven, te Worth-Rhede.
» » Dr. F. N. Obbes, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool voor
meisjes, P. C. Hooftstraat, n°. 41, te Amsterdam.
» n À. J. Weytlandt te Noordwijk.
» » M. W. Beijerinck, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te
Utrecht.
» » Vinc. Mar. Aghina, sacr. ord. praed., te Huissen bij Arnhem.
» » N. Lafontijn, Officier der Infanterie te Middelburg.
BESTUUR.
President. Mr. W. Albarda.
Vice-President. P. C. T. Snellen.
Secretaris, F. M. van der Wulp.
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven.
Bibliothecaris en Conservator. C. Ritsema Cz.
Penningmeester. J. W. Lodeesen.
COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT.
De President van het Bestuur.
Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven.
F. M. van der Wulp.
BIBLIOTHEKEN
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
BIJGEKOMEN BOEKEN VAN 1 AUGUSTUS 1875
TOT 30 JuNIJ 1876.
BIBLIOTHEEK A.
Natunrlijke Historie in het algemeen.
Niets bijgekomen.
Algemeene Dierkunde.
. Girard (Ch.), Contributions to the Ichthyology of the Western
Coast of the United States, from specimens in the museum of the
Smithsonian Institution. 1856. 8vo. (Geschenk van den heer S. H.
Scudder).
. Selys Longchamps (E. de), Sur les animaux vertébrés de la Bel-
gique, utiles ou nuisibles à l’agriculture. Bruxelles, 1861. 8vo.
(Geschenk van den Schrijver).
Algemeene Entomologie.
. Ragusa (E.), Gita entomologica all’isola di Pantelleria. Firenze,
1875. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
. Scudder (S. H.), Entomological Notes. N°. III and IV. Boston,
1870, 75. 8vo. (Met de beide volgende nommers ten geschenke van
den Schrijver).
. ——— Notice of the Butterflies and Orthoptera, collected by Mr. G. M.
Dawson, as Naturalist of the B. N. A. Boundery Commission.
Boston, 1875. 8vo.
. —— The Distribution of Insects in New Hampshire. A Chapter
from the first volume of the Final Report upon the Geology of
New Hampshire. Concord, 1874. W. a pl. 8vo.
10.
it:
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
BIBLIOTHEKEN ENZ. XLIII
Signoret (V.), E. de Selys Longchamps, Sichel, J. Bigot, H.
Lucas et A. Deyrolle , Notes sur Vile de la Réunion (Bourbon):
Hémiptéres, Névroptères, Hyménoptéres, Diptéres, Myriapodes,
Orthoptéres et Coléoptéres. Paris. Av. 2 pl. noires. 8vo. (Geschenk
van Dr. V. Signoret).
Wallengren (H. D. J.), Insecta Transvaaliensia. — Bidrag till
Transvaalska Republikensi Södra Afrika Insektfauna. Stockholm ,
1875. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera.
Borre (A. Preudhomme de), La possibilité de la naturalisation
de la Leptinotarsa decemlineata examinée au point de vue de la
concurrence vitale. Bruxelles, 1875. 8vo. (Geschenk van den
Schrijver).
Jekel (H), Coleoptera Jekeliana, adjecta Eleutheratorum Biblio-
theca, ete. Livr. 2. Paris, 1875. 8vo. (Geschenk van den Schrijver)
Putzeys (J.), Monographie des Clivina et genres voisins. Liège,
1846. 8vo. (Met de twaalf volgende nommers ten geschenke van den
Schrijver).
—— Postscriptum ad Clivinidarum Monographiam atque de
quibusdam aliis. Leodii, 1862, 8vo.
— Révision générale des Clivinides. Bruxelles, 1867. 8vo.
— Les Broscides. Stettin, 1868. 8vo.
—— Trechorum oculatorum Monographia. Stettin, 1870. 8vo.
—— Monographie des Amara de l’Europe et des pays voisins.
Paris, 1870. 8vo.
—— Révision des Broscides de l' Australie d’après la collection
de Mr. le Comte de Castelnau. Genova, 1873. 8vo.
—— Notes sur les genres Morio et Perigona. Genova, 1873. 8vo.
—— Kelevé des Cicindélides et Carabiques recueillis en Portugal
par. M. Camille van Volxem en Mai et Juin 1871. Bruxelles,
1874. 8vo.
Note sur les Carabiques recueillis par M. Jean van Volxem
à Ceylan, à Manille, en Chine et au Japon (1873—1874).
Bruxelles, 1875. 8vo.
. —— Descriptions de Carabiques nouveaux on peu connus. Genova,
1875. 8vo.
. —— Essai sur les Antarctia Dej. Bruxelles. 8vo.
. —— Monographie des Calathides. Bruxelles. 8vo.
XLIV BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
24.
25.
26.
27.
28.
29.
30.
31.
32.
33.
34.
35.
36.
37.
Ritzema Bos (Dr. J.), Waarnemingen aangaande inlandsche
schorskevers. (Aylophaga Latr. partim = Scolytides Lac.). Met
gelith. platen en tabellen voor de ontwikkeling der insecten.
Zwolle, 1876. 4to. (Geschenk van den Schrijver).
Roelofs (W.), Notice sur un nouveau genre de Curculionides
d'Australie, et description d’un nouveau genre de Curculionides
de Montevideo. Bruxelles, 1866. Av. 1 pl. col. 8vo. (Het de vijr
volgende nommers ten geschenke van den Schrijver).
—— Notice sur le genre Acroteriasus (suite). — Note sur le
Georhynchus Mortetii. — Variabilité des caractères sexuels secon-
daires chez les Curculionides et les Anthribides, Bruxelles, 1867.
Av. 1 pl. col. 8vo.
Curculionides recueillis au Japon par M. G. Lewis, Bruxelles,
1873—75. 3 part. av. pl. noires. 8vo.
—— Diagnoses d’espéces nouvelles de Curculionides, Bruxelles,
1875. 8vo.
Curculionides recueillis par M. J. van Volxem au Japon et
en Chine. Bruxelles, 1875. 8vo.
—— Description de quatre nouvelles espèces de Curculionides
prises par M. J. van Volxem à Ceylan et aux îles Philippines.
Bruxelles, 1875. 8vo,
B. Lepidoptera.
Hofmann (E.), Isoporién der europäischen Tagfalter. Stuttgart,
1873. 8vo. (Geschenk van een onbekende).
Scudder (S. H.), Tentamen determinationis digestionis atque
denominationis singularum stirpium Lepidopterorum, peritis ad
inspiciendum et dijudicandum communicatum a Jacobo Hübner.
Cambridge, 1873. 8vo. (Met de vier volgende nommers ten geschenke
van den Schrijver).
—— Note sur l’oeuf et le jeune age de la chenille d’Aeneis aello.
Bruxelles, 1873. Av. 1 pl. n. 8vo.
—— The two principal groups of Urbicolae (Hesperidae auct.).
1873, 8vo.
—— Note on the species of Glaucopsyche from Eastern North-
America. 1873. 8vo.
-— Historical Sketch of the Generic Names proposed for Butter-
flies. A Contribution to Systematic Nomenclature. Salem , 1875. 8vo.
Selys Lonchamps (E. de), Catalogue des Lépidoptéres ou Papillons
de la Belgique. Liège, 1837. 8vo. (Met het volgende nommer ten
geschenke van den Schrijver).
38.
39.
40.
41.
42,
43.
44,
45.
46.
47.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLV
Selys Longchamps (E. de), Enumération des insectes Lépidoptères
de la Belgique. Liége, 1844. 8vo.
Vollenhoven (Dr. S. C. Snellen van), Beschrijvingen en afbeel-
dingen van Nederlandsche vlinders. (Vervolg op Sepp, Beschouwing
der wonderen Gods enz.) ’s Gravenhage, 1875. DI. III, n°. 39—-42.
Met gekl. pl. 4to.
Weyenbergh (Prof. Dr. H.), Mamillo Curtisea Weyenb. ’s Grav.
1874. M. 1 gekl. pl. 8vo. (Met het volgende nommer ten geschenke
van den Schrijver).
—— Een merkwaardig vlindergeslacht uit Zuid-Amerika. Haar-
lem, 1875. Met afbeeld. 8vo.
C. Hymenoptera.
cameron Jun. (P.), Notes on Tenthredinetae. Glasgow. 8vo.
(Geschenk van den Schrijver).
Vollenhoven (S. C. Snellen van), Pinacographia. Afberldingen
van meer dan 1000 soorten van Noordwest-Europesche Sluipwespen.
’sGravenhage, 1875/76. Afl. 2 en 3 met 10 gekl. pl. 4to. (Ge-
schenk van den Schrijver).
D. Hemiptera.
Signoret (V), Essai sur les Cochenilles ou Gallinsectes (Homopteres-
Coccides). 15°—17¢ part. Paris, 1875. Av. 6 pl. n. 8vo. (Geschenk
van den Schrijver).
Stal (C), Genera Tingitidarum Europae disposuit. Stockholm,
1844. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
E. Neuroptera.
Lachlan (R. Me.), A Monographie Revision and Synopsis of the
Trichoptera of the European Fauna. London, 1875/76. Prt. III
and IV. W. 12 pl. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
F. Orthoptera.
Müller (A.), Ueber das Auftreten der Wanderheuschrecke am
Ufer des Bielersee’s. Basel, 1876. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
. Stal (C.), Orthoptera quaedam africana. Stockholm, 1871. 8vo.
(Met de vier volgende nommers ten geschenke van den Schrijver).
1873. 8vo.
49. —— Orthoptera nova descripsit. Stockholm, 1873. 8vo.
50. —— Recherches sur le système des Mantides. Stockholm,
XLVI BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
51.
52.
53.
54.
55.
56.
57.
58.
or
Ne)
60.
61.
Stäl (C.), Recherches sur le système des Blattaires. Stockholm,
1874. 8vo.
—— Recensio Orthopterorum. Revue critique des Orthoptères
décrits par Linné, de Geer et Thunberg. N°. 1—3. Stockholm,
1873—75. 8vo.
G. Diptera.
Gori (Th. J. J.), Over neusontsteking veroorzaakt door de ont-
wikkeling van vliegenlarven in zijne holten (Rhinitis pseudo-
parasitica). Breda, 1876. M. 1 gekl. pl. 8vo. (Geschenk van den
Schrijver).
H. Arachnoidea en Myriapoda.
Holmberg (E. L.), Epeira socialis Reng. Lyeros apuntes sobre
esta curiosa Arana y su tela. Buenos Aires, 1874. kl. 8vo.
(Geschenk van den Schrijver).
Palaeontologie.
Borre (A. Preudhomme de), Notes sur des empreintes d’insectes
fossiles découvertes dans les schistes houillers des environs de
Mons. Bruxelles, 1875. Av. 1 pl. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Scudder (S. H.), New and Interesting Insects from the Carboni-
ferous of Cape Breton. 1876. 8vo. (Met het volgende nommer ten
geschenke van den Schrijver).
—— The Tertiary Physopoda of Colorado. 8vo.
Weyenbergh (H.), Enumération systématique des espéces qui
forment la faune entomologique de la période mésozoique de la
Bavière, en même temps supplément du Catalogue de la Collec-
tion paléontologique dn Musée Teyler. p. 1—20. 8vo. (Geschenk
van den Schrijver).
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde,
Horst (R.), Aanteekeningen op de anatomie van Lumbricus
terrestris Linn. Utrecht, 1876. Met 1 pl. 8vo. (Geschenk van
Mr. M. C. Piepers).
Plateau (F.), Note sur une sécrétion propre aux Coléoptères
Dytiscides. 8vo. (Met het volgende nommer ten geschenke van den
Schrijver).
—— Recherches sur les phénomènes de la digestion chez les
insectes. Bruxelles, 1874. Av. 3 pl. 4to.
62.
63.
68.
69.
70.
a.
72.
73.
74.
75.
76.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLVII
Weyenbergh (Prof. Dr. H.), Annotations à l’occasion d’une
squellettopee de Palamedea chavaria Linn. 8vo. (bis) (Met de vier
volgende nommers ten geschenke van den Schrijver).
—— Contribucion al conocimiento del genero Xiphophorus Heck.
Un género de pescados viviparos. 8vo. (bis).
—— L’enfantement des Poecilies. 8vo. (bis).
Sobre el sistema dental de los Loricarios. Cordoba , 1876. 8vo.
Remarques sur un monstre hydrocéphalique extrait d’une
vache. Cordoba, 1876. 8vo.
Tijdschriften.
. Annali del Museo Civico di Storia naturale di Genova pubblicati
per cura di G. Doria. Genova, 1874. vol. VI. M. 13 pln. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Annuaire Entomologique pour 1876 par A. Fauvel. Caen et Paris,
1876. kl. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Archives Néerlandaises des Sciences ‘exactes et naturelles, publiées
par la Société Holl. d. Se. à Harlem. la Haye, 1875/76. Tom.
X, XI, livr. 1. 8vo. (Geschenk van de Holl. Maatsch. v. Wetensch.
te Haarlem).
Archives of Science and Transactions of the Orleans County
Society of Natural Sciences. Newport, Orleans Co. Vermont, 1873.
vol. I n°. 6. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Bulletin des séances de la Société Entomologique de France.
Paris, 1875/76, n°. 53, 55, 58, 65—69, 72 et 73. 8vo.
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Buffalo,
1874/75, vol. II, n°. 3 and 4, vol. III, n°. 1, 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Bulletin of the Essex Institute. Salem, 1875. vol. VI. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Firenze, 1875.
An VII, trim. 3, 4. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Compte-Rendu des séances de la Société Entomologique de Bel-
gique. Brux. 1875/76. Ser. IL, n°. 13—25. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
Entomologischer Kalender für Deutschland, Oesterreich und die
Schweiz auf das Jahr 1876. Herausgeg. von Dr. F. Katter.
Quedlinburg, 1876, kl. 8vo. (Met het volgend nummer in ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.). |
XLVIII 3IBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
Au.
78.
19.
80.
81.
82.
85.
84,
85.
86.
87.
38.
59,
DO.
Entomologische Nachrichten. Herausgeg. von Dr. F. Katter.
Quedlinburg, 1875/76. Jahrg. I, II. Heft 1—5. 8vo.
Memoirs of the Boston Society of Natural History. Boston, 1874/75.
vol. HI pri 3,0%. 35 4 and 5, vol. II, pri. Anz Wath
plates. 4to. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië, uitgegeven
door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch
Indië. Batavia en ’s Gravenhage, 1874, dl. 34. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Newman (E.), The Entomologist. London, 1875/76, vol. VIII,
n°. 145—150; vol. IX, n°. 151—156. 8vo.
Periddico Zoológieo. Organo de la Sociedad Zoologica Argentina,
publicado por la misma. Cordoba, 1875/76. Tom. II, entegra
1 et 2. 8vo. (Geschenk van Prof. Dr. H. Weyenbergh).
Proceedings of the Boston Society of Natural History. Boston,
1874/75, vol. XVI, prt. 3 and 4; vol. XVII, prt. 1 and 2. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society
of London for the year 1875, prt. 1, 2 and 3. London, 1875.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Report of the Commissioner of Agriculture for the year 1873.
Washingthon, 1874. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Report of Explorations in 1873 of the Colorado of the West and
its Tributaries bij J. W. Powell. Washington, 1874. 8vo.
Report of the United States Geological Survey of the Territories.
Washington, 1874, vol. VI. 4to. (In ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.).
Report (Annual) of the Board of Regents of the Smithsonian
Institution for the years 1873 and 1874. Washington, 1874/75.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Reports (Monthly) of the Departement of Agriculture for the
year 1874. Washington, 1875. 8vo.
Schriften der Königlichen physikalisch-oekonomischen Gesellschaft
zu Königsberg. Königsberg, 1873/74. 14ter Jahrg. iste und 2te
Abth.; 15ter Jahrg. iste Abth. 4to. (In ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.).
Schriften des Vereines zur Verbreitung naturwissenschaftlicher
Kenntnisse in Wien. Wien, 1873—76. Bd. XIV, XV und XVI.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
9.
92.
93.
94.
95.
96.
OG
98.
39.
100.
101.
102.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLIX
Transactions of the American Entomological Society. Philadelphia,
1874, vol. V, p. 1176. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.).
Tijdschrift voor Eutomologie, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging.j’s Gravenhage, 1874—76, dl. 18, 19,
afl. 1 en 2. Met pl. 8vo.
Tijdschrift der Nederlandsche Dierkundige Vereeniging. ’s Grav.
en Rotterd., 1874—75. 1ste en 2de jaarg. Met pl. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, gevestigd te
Amsterdam. Amsterdam, 1875/76, dl. I, n°. 6—8; dl. II, n°. 1.
Ato. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Verhandlungen der K. K. zoologisch-botanischen Gesellschaft in
Wien. Wien, 1874. Bd. XXIV. Met 13 Tfln. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
Verhandlungen des Vereins fiir Naturwissenschaftliche Unter-
haltun®zu Hamburg. Hamburg, 1876. Bd. IT. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
Verslag van den Landbouw in Nederland over 1873. ’s Graven-
hage, 1875. 8vo. (Met het volgende nommer ten geschenke van het
Ministerie van Binnenlandsche Zaken).
Verslag van den Landbouw in Nederland. Grootte der Gronden
tijdens de invoering van het Kadaster. ’s Gravenhage, 1875. 8vo.
Verslag van de 30ste Zomervergadering en van de 9de Winter-
vergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging, ge-
houden te Amsterdam den 24sten Julij en te Leiden den 18den
December 1875. ’s Gravenhage, 1876. 8vo.
Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van
Wetenschappen, Afd. Natuurkunde. Amsterdam 1875/76. 2de
reeks, 9de deel, 2de en 3de stuk; 10de deel, 1ste stuk. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr, v. Entom.).
Zeitschrift für die Gesammten Naturwissenschaften. Redigirt von
Dr. C. G. Giebel. Berlin, 1875. Bd. XLV. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
heizen.
Koolemans Beynen (L. R.), De Reis der Pandora naar de
Noordpoolgewesten in den zomer van 1875. Uitgegeven door het
Aardrijkskundig Genootschap. Amsterdam, 1876. 4to. (Geschenk
van het Aardrijkskundig Genootschap).
4
104,
105.
106.
107.
108.
109.
110.
ELL,
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
. Versteeg (W. F.), Het zenden eener wetenschappelijke expeditie
naar Sumatra. Utrecht, 1875. kl. 8vo. (Met de beide volgende
nommers ten geschenke van den Schrijver).
—— De ontdekkingstogt naar Djambi en Korintji. Haarlem,
1875. kl. 8vo.
—— De wetenschappelijke expeditie naar Midden-Sumatra.
Amsterdam, 1876. kl. 8vo.
Varia.
Catalogue d’une collection choisie de livres d’histoire naturelle,
principalement d’Entomologie , laissée par feu M. W. de Haan.
Leyde, 1855. 8vo. (Met het volgende nommer ten geschenke van
Mr. M. C. Piepers).
Catalogue de la Bibliothèque délaissée par Mr. C. J. Temminck.
Leyde, 1858. 8vo.
Catalogue of the Publications of the United States Geological
Survey. of the Territories, bij F. V. Hayden, Washington,
1874. 8vo.
Sellack (Dr. C. S.), Die naturwissenschaftliche Fakultät der
Universität Cordoba in Siid-Amerika. Berlin, 1874. 8vo. (Geschenk
van den Schrijver).
Tayler (W. B.), Thoughts on the Nature and Origin of Force.
Washington, 1872. 8vo.
Weyenbergh (Prof. H.), Zoö-ornamentiek. Amsterdam, 1875.
kl. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
BIBLIOTHEEK B.
Natuurlijke Historie in het Algemeen.
Niets bijgekomen.
Algemeene Dierkunde.
Niets bijgekomen.
Algemeene Entomologie.
. Pfizmaier (Dr. A.), Denkwiirdigkeiten von den Insecten China’s.
Wien, 1874, 8vo.
. Gurlt (Dr. G. F.), Ueber die auf den Haus-Säugethieren und
Haus-Vögeln lebenden Schmarotzer-Insekten und Arachniden.
Berlin, 1842/43. Mit 2 Tfin. Svo.
on
10.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING, LI
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera.
Harold (E. von), Coleopterologische Hefte. München, 1875. Heft
XIV. 8vo.
Saunders (E.), Catalogus Buprestidarum synonymicus et syste-
matieus. London, 1871. 8vo.
B. Lepidoptera.
Hewitson (W. C.), Exotic Butterflies, being Illustrations of new
species. London, 1875—76. Part 96—98. With col. plat. 4to.
Pagenstecher (Dr. A.), Ueber den nächtlichen Fang von Schmetter-
lingen. Wiesbaden, 1875. 8vo.
Vollenhoven (Dr. S. C. Snellen van), Beschrijvingen en afbeel-
dingen van Nederlandsche Viinders. ’s Gravenhage, 1875/76.
DI. II, n°. 39—42. Met gekl. pl. 4to. (Vervolg op J. C. Sepp,
Beschouwingen der Wonderen Gods, enz.).
C. Hymenoptera.
Niets bijgekomen.
D. Hemiptera.
Horvath (G.), Monographia Lygaeidarum Hungariae. Budapest,
1875. C. 1 tab. col. Ato.
E. Neuroptera.
Niets bijgekomen.
F. Orthoptera.
Gerstiicker (Dr. A.), Die Wanderheuschrecke (Oedipoda migratoria
Linn.) Gemeinverständliche Darstellung ihrer Naturgeschichte ,
Lebensweise, Schädlichkeit und der Mittel zu ihrer Vertilgung.
Berlin, 1876. Mit 2 Tfln. in Farbendruck. 8vo.
6. Diptera.
Niets bijgekomen.
H. Arachnoidea en Myriapoda.
Herman (Otto), Ungarn’s Spinnenfauna. Budapest, 1876. 1ter
Band. Mit 3 Tfin. 4to.
Palaeontologie.
Niets bijgekomen.
Lil
T'AS
12.
13.
14.
16.
17.
18.
IE
20.
21.
23.
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Chun (C.), Ueber den Bau, die Entwickelung und Physiologische
Bedeutung der Rectaldriisen bei den Insekten. Frankfurt a/M.,
1875. Mit 4 Tfln. 4to,
Graber (Dr. V.), Die tympanalen Sinnesapparate der Orthopteren.
Wien, 1875. Mit 10 Tfln. 4to.
Tijdschriften.
Album der Natuur. Tijdschrift ter verspreiding van natuurkennis
onder beschaafde lezers van allerlei stand. Jaarg. 1875, aflev.
10—12; 1876, aflev. 1—8. Haarlem, 1875—76. 8vo.
Annales de la Société Entomologique de Belgique. Brux., 1875.
Tom. XVIII. Av. 6 pl. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
. Annales des Sciences naturelles. Zoologie et Palaeontologie. Paris,
1875—76. 6me ser. tom. II, tom. III, n°. 1—4. Av. pl. 8vo.
Annals and Magazine of Natural History. Conducted bij C. C.
Babington, A. Giinther, W. S. Dallas and W. Francis. London,
1875—76. 4th. ser., vol. 16, n°. 2—6, vol. 17. With pl. 8vo.
Archiv fiir Naturgeschichte. Gegriindet von Wiegman und fort-
gesetzt von Erichson und Troschel. Berlin, 1873/76. Jahrg. 39,
n°. 5; 42, n°. 1. Mit Tfin. 8vo.
Archives (Nouvelles) du Muséum d’Histoire naturelle de Paris.
Paris, 1874. tom. X, livr. 4. Av. pl. 4to.
Bericht über die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der
Entomologie während der Jahre 1871 und 1872, von Dr. Ph.
Bertkau. Berlin, 1876. 8vo.
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou publié
sous la direction du Dr. Renard. Moscou, 1875. Ann. 1874,
n°. 3 et 4; 1875, n°. 1 et 2. Av. pl. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v Entom.).
Correspondenz-Blatt des zoolog.-miner. Vereines in Regensburg.
Regensburg, 1875. Jahrg. 29, n°. 8—12. 8vo.
. Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Conducted bij J. W.
Douglas, R. Mc. Lachlan, E. C. Rye and H. T. Stainton. Lond.
1875—76. vol. XII, n°. 3—12; vol. XIII, n°. 1. 8vo.
Isis. Maandschrift voor populaire Natuurwetenschap , onder redactie
van Dr. D. Huizinga en Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen.
Haarlem, 1872—76. Dl. 1—4; 5, afl. 1—8. 4to en 8vo.
24.
25.
26.
27.
28.
32.
34.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. LIII
Journal (The) of the Linnean Society of London (Zoology).
London, 1874/75. vol. XII, n°. 58 and 59. With pl. 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Mittheilungen der schweizerischen entomologischen Gesellschaft.
Redigirt von Dr. G. Stierlin. Schaffhausen, 1876. Vol. IV, Heft
n°. 8. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Nunquam otiosus. Zoologische Mittheilungen von Dr. L. W.
Schaufuss. Dresden, 1875. Bd. II $. 321—360. 8vo.
Revue et Magasin de Zoologie pure et appliquée fondé par Guérin
Méneville. Paris, 1875/76. 3me ser. tom. 3; tom. 4 n°, 1 et 2.
Av. pl. 8vo.
Transactions of the Entomological Society of London for 1874
prt. 3—5. London, 1874. With pl. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.).
. Transactions of the Linnean Society of London. London, 1875.
Sec. ser. (Zoology). vol. I, prt 1 and 2, With pl. 4to.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging. ’s Gravenhage, 1874—76, dl. XVIII,
dl. XIX, aflev. 1 en 2. M. gekl. pl. 8vo.
. Verhandlungen des naturhistorischen Vereines der preussischen
Rheinlande und Westfalens. Herausgegeb. von Dr. C. J. Andrä.
Bonn, 1874/75. Jahrg. 31 und 32. M. Tfln. 8vo.
Verslagen der beide in 1875 door de Nederlandsche Entomolo-
gische Vereeniging gehouden Vergaderingen.
Zoological (The) Record for 1874, being volume XI of the Record
of Zoological Literature, edited bij E.C. Rye. London, 1876. 8vo.
Zoologist (The). A monthly Journal of Natural History, conduct.
bij E. Newman. London, 1875—76. Sec. series n°. 119—129. 8vo.
Reizen.
Niets bijgekomen.
Varia.
Niets bijgekomen.
ENTOMOLOGINCHE INHOUD
VAN
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
Augustus 1875.
Newman’s Entomologist, n°. 145 (August 1875) (a). ')
Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr’s „Die
Mitteleuropäischen Eichengallen” by Mrs. Hubert Herkomer née
Weise. — The Breeding of Gall-flies, by E. A. Fitch. — Notes
on Oviposition, by P. H. Jennings. — The Plague of Locusts
in America, by E. Newman. — Entomological Notes, Captures,
etc. — Answers to Correspondents. — Extracts from the Pro-
ceedings of the Entomological Society of London, March 15,
1875. — Death of Mr. Doubleday.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 135 (August 1875) (0).
New genera and species of Prionidae (concluded), by H. W. Bates. —
On the Coleoptera of Kerguelen’s Island, by C. O. Waterhouse. —
Description of a new species of Longicorn Coleoptera from New
Zealand, by D. Sharp. — Breves Dipterarum uniusque Lepido-
pterarum Insulae Kerguelensi indigenarum Diagnoses, by A. E.
Eaton. — Entomological Notes, Captures, ete. — Orbituary:
Henry Doubleday. — Proceedings of the Entomological Society
of London.
Annals and Magazine of Natural History. 4th series, vol. 16, n°. 92
(August 1875) (0).
List of the Species of the Homopterous Genus Hemisphaerius with
Descriptions of new Forms in the Collection of the British
Museum, bij A. G. Butler. — Descriptions of three additional
Species of Crustacea from Kerguelen’s land and Crozet Island,
with Remarks upon the Genus Paramoera, bij E. J. Miers. —
On the Structure and the Development of the Sting and Ovipo-
sitor of some Hymenoptera and of Locusta viridissima, by Dr.
H. Dewitz. a
1) (a) duidt aan dat het werk tot de oorspronkelijke Bibliotheek der Ned. Ent.
Vereeniging, (5) dat het tot de Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier behoort.
ENTOM. INHOUD VAN ONTV. TIJDSCHR. LV
Revue et Magasin de Zoologie, 1875, n°. 1—4 (b).
Description de Coléoptéres (Lamellicornes) nouveaux de |’ Australie,
par M. D. Sharp. — Recherches sur les chenilles des Lépido-
ptéres de la tribu des Hespérides, par M. H, Burmeister. — De-
scriptions d’Eumolpides nouveaux ou peu connus, par M. E.
Lefévre.
September 1875.
Newman’s Entomologist, n°. 146 (September 1875) (a).
Variety of Smerinthus Tiliae, by E. Newman. — Description of
the Larva of Cleora glabraria, by H. J. Channon. — Description
of the Larva of Emmelesia decolorata, by G. A. Smallwood. —
Description of the Larva of Hydroecia Petasitis, by E. Newman
and R. Kay. — Entomological Notes, Captures, ete. — The
Plague of Locusts in America, by E. Newman (concluded). —
Extracts from the Proceedings of the Entomological Society of
London, April 5, May 3, June 7 and July 5.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 136 (September 1875) (0).
Descriptions of hitherto uncharacterized species of Phytophaga, by
J. S. Baly. — Notes on British Homoptera, with descriptions
of additional species, by J. W. Douglas. — Entomological Notes,
Captures ete. — On certain British Hemiptera-Homoptera, by
J. Scott.
Annals and Magazine of Natural History. 4th series, vol. 16, n°. 93
(September 1875) (0).
Note on Entomostraca from Kerguelen’s Land and the South Indian
Ocean, by G. Stewardson Brady. — Revision of the Subfamily
Pericopiinae of the Lepidopterous Family Arctiidae, with De-
scriptions of new Species, by A. G. Butler. — Descriptions of
new Genera and Species of New Zealand Coleoptera (Part I), by
F. P. Pascoe. — Descriptions of two new species of Heterocerous
Lepidoptera of the Family Arctiidae, by A. G. Butler. — Note
on the Larva of a Longicorn Beetle (Clytus quadripunctatus Fabr.)
by C. O. Waterhouse.
Album der Natuur. Jaarg. 1875, aflev. 11 (0).
Een merkwaardig vlindergeslacht uit Zuid-Amerika, door Prof. Dr.
H. Weyenbergh.
Transactions of the Linnean Society of London. 2nd ser. Zoology,
vol. I, prt. I (b).
On some Atlantic Crustacea from the , Challenger” Expedition,
bij Dr. R. v. Willemoes-Suhm.
October 1875.
Newman’s Entomologist, n°. 147 (October 1875) (a).
Notes on Oviposition, by P. H. Jennings. — Entomological Notes,
LVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Captures, etc. — Answers to Correspondents. — Haggerston
Entomological Society. — South London Entomological Society. —
Death of Mr. Doubleday. — Errata.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 137 (October 1875) (b).
On certain British Hemiptera-Homoptera (Alhysanus, continued) by
J. Scott. — British Hemiptera. Additions and corrections (Pilo-
phorus) by J. W. Douglas and J. Scott. — On the larva, ete.,
of Cataclysta lemnalis, by W. Buckler. — Description of a new
species of Myrina from W. Africa, by W. C. Hewitson. —
Entomological Notes, Captures, etc. — Revision of the Lepido-
pterous Genus Eusemia , with Descriptions of new Species, by
A. G. Butler.
Annals and Magazine of Natural History. 4th ser., vol. 16, n°. 94
(October 1875) (6).
Notes and Descriptions of some new and rare. British Spiders, by
O. P. Cambridge.
Newman’s Zoologist. Sec. ser., n°. 121 (October 1875) (0).
Deiopeia pulchella at Eastbourne, by W. E. Parsons.
Annali del Museo civico di Storia Naturale di Genova. vol. VI (a).
Catalogo dei Tenebrioniti della Fauna europaea e circummediter-
ranea appartenenti alle collezioni del Museo Civico di Genova,
per F. Baudi. — Hemiptera agri Ligustici hucusque lecta P. M.
Ferrari enumerat. — Ueber den Saison-Dimorphismus der Schmet-
terlinge, von Dr. A. Weismann. — Descrizione di tre nuove
specie di Cicindelide dell’Isola di Borneo, per R. Gestro. —
Diagnosi di aleune specie nuove del genere Chrysis, per G.
Gribodo. — Enumerazione dei Cetonidi raccolti nell’ Arcipelago
Malese e nella Papuasia dai Signori G. Doria, O. Beccari e L.
M. d’Albertis, per R. Gestro. — Osservazioni sopra alcune specie
italiane del genere Cychrus, per R. Gestro. — Descrizione di tre
specie nuove del genere Alractocerus appartenenti alle collezioni
del Museo Civico di Genova, per R. Gestro. — Supplément a
Vessai sur les Féronies de l' Australie, publié dans le Bulletin des
Naturalistes de Moscou en 1865, tom. II, p. 56, accompagné
d’observations sur la synonymie, par M. le Baron de Chaudoir.
Revue et Magasin de Zoologie, 1875, n°. 5—8 (6).
Description d’une espèce nouvelle de Coléoptére du genre Gonio-
pleura Gray, par M. Thomson. — Les Cicadines d'Europe d’apres
les originaux et les publications les plus récentes, par le Dr.
Fieber, traduit de l’allemand par F. Reiber.
Proceedings of the Zoological Society of London, 1874, prt. IV and
1875, prt. I (a).
Descriptions of new Asiatic Lepidoptera, by F. Moore. — De-
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LVII
scriptions of three new Species of Homopterous Insects, by A. G.
Butler. — Chrysochroa ocellata in the Bay of Bengal, by Dr. G.
Bennett. — Descriptions of thirty three new or little-known
species of Sphingidae in the collection of the British Museum ,
by A. G. Butler. — Descriptions of four new species of Protogo-
nius, by A. G. Butler.
Verhandlungen der kaiserlich-königlichen zool.-botan. Gesellschaft in
Wien. Bd. XXIV (1874) (a).
Lebensverhältnisse von Corymbites tesselatus L., ©. holosericeus L.
und Elater sanguineus L., von M. Rupertsberger. — Schädlinge
in Mähren (Zabrus gibbus, Anisoplia austriaca und crucifera) ,
von A. Rogenhofer. — Gallen von Dryophanta scutellaris, von
Dr. G. Mayr. — Beiträge zur Naturgeschichte der Gallmilben
(Phytoptus Duj.), von Dr. Fr. Löw. — Die europäischen Tory.
miden, biologisch und systematisch bearbeitet von Dr. G. Mayr. —
Beiträge zur Kenttniss der Gallmücken, von Dr. Fr. Löw. — Die
Gattungen und Arten der Halocypriden, von Prof. Dr. C, Claus. —
Die Decticiden der Brunner von Wattenwyl’schen Sammlung.
I Genera, von O. Herman. — Ueber Systematik der Orthoptera
und die Recensio Orthopterorum von C. Stäl, von Brunner von
Wattenwyl. — Ueber die äusseren Gehörorgane der Orthoptera ,
von Brunner von Wattenwyl. — Neue Beiträge zur Kenttniss
der Cecidomyiden, von Dr. Fr. Löw. -- Beitrag zur Dipteren-
Fauna Oesterreich’s, von J. Mik. — Beobachtungen über der
Landwirthschaft schädlichen Thiere in Galizien im Jahre 1873,
von Prof. Dr. M. Nowicki. — Beitrag zur Kenttniss der japa-
nesischen Cryptophagiden, von E. Reitter. — Lepidoptera der
Westküste Amerika’s, von P. C. Zeller. — Die Dipteren-Gattung
Chrysotus Meig., von F. Kowarz. — Ueber Milbengallen (Aca-
rocecidien) der Wiener-Gegend, von Dr. F. Löw. — Beschrei-
bungen neuer Käfer-Arten nebst synonymischen Notizen, von
E. Reitter. — Nachlese zu den Wanzen Tirols, von P. V.
Gredler.
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou. Ann.
1874, n°. 4 (b).
Enumération des nouvelles espèces de Coléoptères rapportés de ses
voyages par feu Victor Motschoulsky (14-ième article).
Transactions of the American Entomological Society. vol. V (1874)
A
Revision of the Species of Trox of the United States, by G. H.
Horn. — Deseriptions of new species of Diurnal Lepidoptera
found in North America, by W. H. Edwards. — Descriptions
of new Species of United States Coleoptera, by G. H. Horn. —
Descriptions of new Coleoptera chiefly from the Pacific Slope of
LVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
North America, by J. L. Leconte. — Descriptions of new species
of Coleoptera from the Pacific Coast of the United States, by
G. R. Crotch. — Note on the genus Pleocoma Lec., by J. L.
Leconte. — Description of the larva of Pleocoma Lec., by Baron
R. Osten Sacken. — On the Cupesidae of North America, by
J. L. Leconte. — Remarks on North American Noctuidae with
Descriptions of new species, by A. R. Grote. — Descriptions of
New Hymenoptera, by E. T. Cresson. — Descriptions of new
species of Diurnal Lepidoptera found in North America, by W.
H. Edwards. — Description of a new species of Catocala from
Arizona, by W. H. Edwards.
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. vol. II, n°. 3 (a).
Notes on American Lepidoptera with Descriptions of Twenty-one
new species, by A. R. Grote. — Determination of the species
of Moths flgured in the „Natural History of New York,” by
A. R. Grote. — A List of the Leptidae, Mydaidae and Dasy-
pogonina of North America, by C. R. Osten Sacken. — De-
scription of a new species of Calocampa, by J. A. Lintner. —
On the species of Calocampa, by H. K. Morrison. — On allied
species of Noctuidae inhabiting Europe and North America, by
A. R. Grote.
Bulletin of the Essex Institute, vol. VI (1874) (a).
On the fertilization of flowers, by E. S. Morse. — On the habits
of Trap-door Spiders, by E. S. Morse.
Proceedings of the Boston Society of Natural History, vol. XVI, prt.
3 and 4 (a).
Descriptions and Notes on the Noctuidae, by A. R. Grote. —
Catalogue of the Coleoptera of Mt. Washington, N. H., by E.
P. Austin; with Descriptions of new species by J. L. Leconte. —
The Odonate Fauna of Georgia, from original Drawings now in
possession of Dr. J. Leconte and in the British Museum, by Dr.
H. Hagen.
Proceedings of the Boston Society of Natural History, vol. XVII,
prt. 1 and 2 (a).
Report on the Butterflies collected by Mr. J. A. Allen on the Yel-
lowstone Expedition of 1873, by S. H. Scudder. — Descriptions
of New Noctuidae, by H. K. Morrison. — Remarks on the old
genus Callidryas, by S. H. Scudder. — List of a collection of
Texan Noctuidae, with Descriptions of the new species, by H.
K. Morrison.
Report of the Commissioner of Agriculture for the year 1873 (a).
Report of the Entomologist and Curator of the Museum.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LIX
Monthly Reports of the Department of Agriculture of the year 1874 (a).
Entomological Records and Insect injuries, by Townend Glover.
Memoirs of the Boston Society of Natural History, vol. II, prt. III,
n°. 3—5 (a).
The species of the Lepidopterous Genus Pamphila, by S. H.
Scudder.
Memoirs of the Boston Society of Natural History, vol. II, prt. IV,
ne Li (0).
Prodrom of a Monograph of the Tabanidae of the United States,
prt. I. The Genera Pangonia, Chrysops, Silvius, Haematopota ,
Diabasis, by C. R. Osten Sacken.
November 1875.
Newman’s Entomologist, n°. 148 en 149 (November 1875) (a).
Trap-door Spiders in the Bark of Trees, by E. Newman. — De-
scriptions of Oakgalls. Translated from Dr. G. L. Mayr’s „Die
Mitteleuropäischen Eichengallen” by E. A. Fitch. — On Cap-
turing, Killing and Setting Hymenoptera, by F. Smith. — Life-
History of the Pear-tree Slug, by E. Newman. — Entomological
Notes, Captures, ete. — Answers to Correspondents.
. Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 138 (November 1875) (0).
Revision of the Lepidopterous genus Eusemia, with Descriptions
of new species, by A. G. Butler (continued). — Descriptions of
three new species of Diurnal Lepidoptera from central America,
by H. Druce. — Descriptions of three new species of Tenthre-
dinidae from Scotland, by P. Cameron Jun. — Description of
an additional species to the list of British Hemiptera, by E.
Saunders. — Observations on some species of Bolitochara, with
Description of a new European Species, by D. Sharp. — Ento-
mological Notes, Captures, ete. — Notes on some British Doli-
chopodidae with descriptions of new species, by G. H. Verrall
(continued).
Annals and Magazine of Natural History. 4th. ser. vol. 16, n°. 95
(November 1875) (0).
Ona new genus and species of Trap-door Spider from South Africa,
by O. P. Cambridge. — On some new or undescribed species of
Crustacea from the Samoa Islands, by E. J. Miers. — On some
Lepidoptera with terebrant trunks, destructive of oranges, by
J. Kiinckel.
Album der Natuur. Jaarg. 1876. afl. 1. (b).
Johannes Swammerdam, door P. Harting. — Spijsvertering der
insekten. — Ganglion frontale der insekten.
LX ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Isis. Maandschrift voor populaire natuurwetenschap. Jaarg. V, afl. 1. (b).
Het ontstaan eener nieuwe diersoort (Saturnia Bolli) door isoleering,
door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen.
Correspondenz-Blatt des zool.-miner. Vereines in Regensburg. Jahrg.
29; n. Sound 9: (be
Systematische Uebersicht der Käfer welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel (Fortsetzung).
Archiv für Naturgeschichte von Troschel. Jahrg. 41. Heft 3. (b).
Ueber den Generationsapparat der Araneiden, von Dr. Bertkau
(Schluss). — Beiträge zur Naturgeschichte der Hydrachniden ,
von Dr. P. Kramer.
Verhandlungen des naturhist. Vereines der preuss. Rheinlande und
Westfalens. Jahrg. 31. (b).
Ueber einige seltene und wenig bekannte Käfer der Cetoniden-
und Dynastiden-Familien, von Dr. O. Mohnike. — Ueber die
histiologische Zusammensetzung der Ovarien einer Gallwespe,
von Bertkau. — Ueber Genitalien der männlichen Bienen als
vorzügliches Mittel zur Artbestimmung, von von Hagens. —
Ueber die Sprache der Ameisen, von Landois. — Ueber sexuelle
Verhältnisse der Araneiden, von Bertkau.
December 1875.
Newman’s Entomologist, n°. 150 (December 1875) (a).
Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr’s „Die
Mitteleuropäischen Eichengallen,” by E. A. Fitch. — A Month’s
Entomologising in Nort Kent, by W. H. Tugwell. — Recrea-
tions of a Country Doctor concerning Sugaring , by H. W. Livett. —
Entomological Notes, Captures, etc. — Answers to Correspondents.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 139 (December 1875) (0).
Notes on some British Dolichopodidae, by G. H. Verrall (continued). —
Notes on Anisotomidae, with Descriptions of three New species
(from Scotland, Sibiria and Algiers), by E. C. Rye. — Notes
on Butterflies from Bolivia, with Descriptions of two New spe-
cies, by W. C. Hewitson. — British Hemiptera. Description of
a New British species: Sehirus picipes, by E. Saunders. —
British Hemiptera. An additional Species, by J. W. Douglas. —
Entomological Notes, Captures, etc. — On certain British He-
miptera-Homoptera (Athysanus) , by J. Scott (continued).
Annals and Magazine of Natural History. 4th series, vol. 16, n°. 96
(December 1875) (0).
On three new and curious Forms of Arachnida, by 0. P. Cam-
bridge. — On a collection of Lepidoptera from Southern-Africa,
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXI
with Descriptions of new Genera and Species, by A. G. Butler. —
The effect of the Glacial Epoch upon the Distribution of Insects
in North-America, by A. R, Grote.
Album der Natuur. Jaarg. 1876. afl. 2 (b).
Sprinkhanen als voedsel, door Dr. P. Harting. — Borende vlinders,
door Hg. — Dimorphisme van Insecten afhankelijk van jaarge-
tijden, door D. L.
Periodico Zoologico. Organo de la Sociedad Zoologica Argentina. Tom.
II. Ent. 1. (a).
Sobre el apendice al abdomen de las Hembras del genero Euryades
Feld., por el Dr. D. H. Weyenbergh.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgeg. door de Nederl. Ent. Vereen.
18de deel. (a en b).
Naamlijst der tot heden in Nederland waargenomen Bastaard-
schorpioenen (Chernetiden), door C. Ritsema Cz. — Description de
plusieurs Névroptères-Planipennes et Trichoptéres nouveaux de
Vile de Célébes et de quelques espéces nouvelles de Dipseudopsis
avec considérations sur ce genre, par R. Me Lachlan. — Notes
sur une collection de types des Phryganides, décrites par feu
M. F. J. Pictet, existant dans le Musée Royal d’Histoire Natu-
relle à Leyde, par R. Me Lachlan. —- De inlandsche Bladwespen
in hare gedaantewisseling en levenswijze beschreven (18de stuk),
door S. C. Snellen van Vollenhoven. — Systematische lijst der
in dit Tijdschrift beschreven gedaantewisseling van Bladwespen. —
Synopsis des Creophilus, par A. Fauvel. — Vier nieuwe soorten
van het genus Nola Leach, door P. C. T. Snellen. — Drie
nieuwe Choreutinen, door P. C. T. Snellen. — Les Macrolépi-
doptères de Bréda et de ses environs. Liste supplémentaire , n°. 4
(Captures de 1874), par F. J. M. Heylaerts. — Diagnoses Ara-
nearum europaearum aliquot novarum, auctore T. Thorell. —
Microlepidoptera nieuw voor de fauna van Nederland, door H.
W. de Graaf en P. C. T. Snellen. — Nepticula Zelleriella nov.
spec., door P. C. T. Snellen. — Bijdrage tot de kennis van
Calamia lutosa Hiibn., door C. J. Grube. — Aanteekeningen
over en beschrijvingen van eenige Coleoptera van Neder-Guinea
(Zuidwestkust van Afrika), door C. Ritsema Cz. — De inland-
sche Hemipteren beschreven en meerendeels ook afgebeeld (5de
stuk), door S. C. Snellen van Vollenhoven. — Opgave der Geo-
metrina en Pyralidina in Nieuw-Granada en op St. Thomas en
Jamaica verzameld door W. Baron von Nolcken, met beschrij
ving en afbeelding der nieuwe soorten. 2de Afd. Pyralidina ,
door P. C. T. Snellen. — Vier Atsjinesche Dagvlinders, door
G. M. de Graaf.
LXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Januarij 1876.
Newman’s Entomologist, n°. 151 (January 1876) (a).
Descriptions of Oak-galls. Translated by E .A. Fitch. — Life-histories
of Sawflies. Translated by J. W. May. — An Attempt to Arrange
the British Eupithecidae by their Larval Characteristics, by
C. S. Gregson. — Notes upon Sugaring, during September and
October 1875, by W. W. Keyworth. — Notes on Oviposition,
by P. H. Jennings. — Entomological Notes, Captures, ete. —
Answers to Correspondents. — Extracts from the Proceedings of
the Entomological Society of London.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 140 (January 1876) (0).
On certain British Hemiptera-Homoptera, by J. Scott. — Descriptions
of two new species of Lucanidae (Coleoptera), by C.0.Waterhouse.—
Description of a new species of Chiasognathus (Coleoptera, Luca-
nidae), by F. J. S. Parry. — Notes on British Coleoptera, with
descriptions of three new species, by E. C. Rye. — Stray
notes on the Lepidoptera of Pembroke, by C. G. Barrett. —
Descriptions of two new exotic Aculeate Hymenoptera of the
families Thynnidae and Crabronidae, by C. Ritsema. — An
addition to the list of British Hemiptera, by E. Saunders. —
Entomological Notes, Captures, ete. — Descriptions of five new or
little known species of British Tenthredinidae, by P. Cameron Jun.
Annals and Magazine of Natural History. 4th ser. vol 17, n°. 97
(January 1876) (0).
On the Classification of Scorpions, by Prof. T. Thorell. — De-
scriptions of new Genera and Species of New Zealand Coleoptera.
Part. II, by F. P. Pascoe. — Descriptions of two new Coleo-
pterous Insects. belonging to the families Buprestidae and Melo-
lonthidae, by C. O. Waterhouse. — Description of a new Spe-
cies of Sessile-eyed Crustacean and other Notices, by T. R. R.
Stebbing. — On the Fauna and Flora of Kerguelen’s Island,
by A. E. Eaton. — On a gigantic Stridulating Spider, by. J.
Wood-Mason. — Instinct (?) in Hermit Crabs, by A. Agassiz. —
On the Organization of the Acarina of the Family Gamasidae.
Characters which prove that they constitute a natural Transi-
tion between the Hexapod Insects and the Arachnida, by M.
Mégnin.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgeg. door de Nederl. Entom. Vereen.
Deel 19, aflev. 1 (a en b).
Tweede aanvulsel tot het Geschiedkundig Overzigt van het geslacht
Acentropus Curt., door C. Ritsema Cz. — Dactylota Kinkerella ,
nieuw genus en soort der Gelechiden uit Nederland, beschreven
door P. C. T. Snellen. — Geschiedenis van een’ Spinnen-cocon
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXITI
Agelena s. Agroeca brunnea Blackw.), door A. W. M. van Hasselt. —
Bijdrage tot de kennis der Insecten-fauna van het Noordelijkste
gedeelte van Sumatra, door C. Ritsema Cz. — Aanteekening
over Oinophila V-flava Haw., Tinea nigripunctella Haw., Tinea
parietariella Bruand en Coryptilum Klugii Zeller, door P. C. T.
Snellen. — Carpocapsa grossana Haw., door de G. — Phthoro-
blastes Juliana Curt., door de G. — Eene nieuwe Pausside van
Congo (Zuid-Westkust van Afrika), door C. Ritsema Cz. —
Opgave van beschreven Xylocopa-soorten, die noch als zelfstan-
dige soorten, noch als synoniemen door F. Smith in zijne mono-
graphie over dit geslacht zijn opgenomen, door C. Ritsema Cz.
Revue et Magasin de Zoologie. 3° ser. tom. 3 (1875) n°. 9-11 (0).
Les Cicadines d’Europe, par M. X. Fieber.
Februarij 1876.
Newman’s Entomologist, n°. 152 (February 1876) (a)
Variety of Callimorpha Hera, by Edw. Newman. — Descriptions
of Oak-galls, translated by E. A. Fitch. — List of Insects inhabi-
ting Oak-apples, by F. Walker and E. A. Fitch. — Injury to
Linen in Bleach Fields by the Larvae of Arctia rubiginosa, by
Edw. Newman. — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 141 (February 1876) (b).
Descriptions of two new British Ichneumonidae, by T. A. Mars-
hall. — Notes on some British Dolichopodidae, with Descriptions
of new species, by G. H. Verrall (continued). — On a new
genus and species of the family Staphylinidae, by D. Sharp. —
British Hemiptera-Homoptera. Additional Species, by J. W.
Douglass. — On certain British Hemiptera-Homoptera, by J. Scott.
— Entomological Notes, Captures, ete. — Monograph upon the
British Species of Sarcophaga or flesh-fly, by R. H. Meade.
Annals and Magazine of Natural History. 4th ser. vol. 17, n°. 98
(February 1876) (0).
A Conspeetus of the Species of Paratelphusa, an Indo-Malayan
Genus of Freshwater Crabs, by J. Wood-Mason.
Annales des Sciences Naturelles. Zoologie. 6° ser. tom. II (ann. 47)
n°. 3—6 (b).
Recherches sur les organes genitaux mäles des Crustacés décapo-
des, par M. Brocchi.
Correspondenz-Blatt des zool.-min. Vereines in Regensburg. Jahrg. 29,
n°. 10 (b)
Beitrag zu den monströsen Erscheinungen thierischer Organe, von
P. V. Gredler. — Neue Schlupfwespen, beschrieben von Dr.
Kriechbaumer.
LXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Bulletin of the Buffalo Society of Natural sciences. Vol. II, n°. 4 (a).
On Attacus (Samia) Columbia and its Parasites, by H. A. Hagen. —
Supplement to the List of North-American Noctuidae, by A. R.
Grote. — Check List of North-American Sphinges, by A. R.
Grote. — North American Pyralides, by A. R. Grote. — Syno-
nymie List of the Butterflies of North-America, North of Mexico,
by S. H. Scudder. — Observations on North-American Moths
(2nd Paper), by L. F. Harvey. — On the Genus Agrotis with
Additions to the ,List of North-American Noctuidae,” by A. R.
Grote. — On allied Species of Noctuidae inhabiting Europe and
North-America (2nd Paper), by A. R. Grote.
Idem. Vol. III, n°. 1 (a).
Description of a New Crustacean from the Water Lime Group at
Buffalo, by A. R. Grote and W. H. Pitt. — On Texan Lepi-
doptera collected by Mr. Belfrage, by L. F. Harvey. — On New
Species of Eusarcus and Pterygotus from the Water Lime Group
at Buffalo, by A. R. Grote and W. K. Pitt.
Maart 1876.
Newman’s Entomologist, n°. 153 (March 1876) (a).
Variety of Ennomos anqularia, by E. Newman. — Descriptions of
Oak-galls, translated by E. A. Fitch. — The Devonshire Gall,
Cynips Kollari, by the late F. Walker. — On an Immense Flight
of small Butterflies (Terias Lisa) in the Bermudas, by J. M.
Jones. — Description of some Varieties of Vanessa Io ete. probably
caused by starving the Larvae, by H. Ramsay Cox. — Collected
Observations on British Sawflies, by E. Newman. — Entomolo-
gical Notes, Captures, etc. — Answers to Correspondents. —
The Doubleday collection.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 142 (March 1876) (0).
Monograph upon the British species of Sarcophaga or flesh-fly
(continued), by R. H. Meade. — Description of five new species
of European Hemiptera-Heteroptera, by E. Saunders. — British
Hemiptera-Heteroptera. Additional species, by J. W. Douglas. —
On the names of some British species of Pselaphidae and Seyd-
maenidae, by D. Sharp. — Entomological Notes, Captures, ete. —
On certain British Hemiptera-Homoptera, by J. Scott.
Annals and Magazine of Natural History. 4th ser. vol. 17, n°. 99
(March 1876) (0)
Descriptions of some new Species of Crustacea, chiefly from New
Zealand, by E. J. Miers. — On a new Genus of Arachnida of
the Section Arthrogastra, by A. Stecker. — On the Relations of
Artemia salina and Artemia Mühlhausenii, and on the Genus
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXV
of Arachnida of the Section Arthrogastra, by A. Stecker. — On
the Relations of Artemia salina and Artemia Mihlhausenit , and
on the Genus Branchipus, by M. J. W. Schmankewitsch. —
The Drosera as an Insect-catcher, by Th. Meehan. — Onan Am-
phipod (Urothoë marina), a Commensal of Echinocardium corda-
tum, by M. A. Giard. — On some new Species of Stomatopod
Crustacea, by J. Wood Mason. — On the Astacus modestus of
Herbst, by J. Wood Mason.
Transactions. of the American Entomological Society. (March 1875) (a).
Descriptions of North-American Moths, by A. R. Grote. — Note
on Papilio Gundiachianus, by A. R. Grote. — Descriptions of
New Species of Mutilla, by E. T. Cresson. — Notes on the
Species of Rhipiphorus of the United States, by G. H. Horn. —
Synonymical Notes and Description of New Species of North-
American Coleoptera, by G. H. Horn. — Notes on Cicindelidae
of the United States, by J. L. Leconte. — Notes on the Rhy-
sodidae of the United States, by J. L. Leconte. — Descriptions
of New Coleoptera of the United States with notes on geogra-
phical distribution, by J. L. Leconte.
Zeitschrift für die Gesammten Naturwissenschaften Neue Folge,
Bd. XI (1875) (a).
Nyssonidae und Crabronidae des zoolog. Museums der hiesigen
Universität, von Prof. Dr. E. Taschenberg. — Atya Gabonensis,
neuer Krebs von Gabon, beschrieben von C. Giebel.
Journal of the Linnean Society. Zoology. Vol. XII, n°. 58 and 59 (0).
Observations on Bees and Wasps, by J. Lubbock (Part I et II). —
On Oniseigaster Wakefieldi, the singular Insect from New Zea-
land, belonging to the Family Ephemeridae, with Notes on its
Aquatic Conditions, by R. Me Lachlan. — A new Australian
Sphaeromid, Cyclura venosa; and notes on Dynamene rubra and
viridis, by T. R. R. Stebbing. --- Descriptions of five new Spe-
cies of Gonyleptes, by A. G. Butler.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou. Ann.
1875, n°. 1 (b).
Beiträge zur Kenntniss der Borkenkäfer Russlands, von Prof. C.
Lindemann. — Vergleichend-Anatomische Untersuchungen über
das männliche Begattungsglied der Borkenkäfer, von Prof. C.
Lindemann.
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society for
the year 1875, prt. II en III (a).
Monographie List of the Coleoptera of the Genus Plusiotis of Ame-
rica, north of Panama, with Descriptions of several new Spe-
5
LX VI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
cies, by A. Boucard. — On some Spiders from New Caledonia,
Madagascar and Réunion, by T. Thorell. — On some new
Species of Erigone. Part I, by O. P. Cambridge. — Descriptions
of new species of Sphingidae, by A. G. Butler. — A Review
of the British Marine Mites, with Descriptions of some new
Species, by G. S. Brady. — On some new Species of Erigone.
Part II, by O. P. Cambridge. — Descriptions of several new
Species of Indian Heterocerous Lepidoptera, by A. G. Butler. —
On some new Species of Erigone from North-America, by O. P.
Cambridge. — A List of the Collection of Diurnal Lepidoptera
made by J. J. Monteiro, Esq. in Angola, with Descriptions of
some new Species, by H. Druce.
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Ann. 7mo, trim. III (a).
Coleotteri tenebrioniti delle collezioni italiane (continuazione), esa-
minati da F. Baudi. — Species italicae ordinis Dipterorum
(Muscaria Rndn.), stirps XXIII Agromyzinae, collectae et ob-
servatae a Prof. C. Rondani. — Saggio di un catalogo dei Le-
pidotteri d’Italia (continuazione), compilato dall’ Ing. A. Curò. —
Alcune osservazioni sui costumi della Teniyria grossa Besser, da
L. V. Bandi. — Rassegna entomologica.
Coleopterologische Hefte, n°. XIV (0).
Beitriige zur Kenntniss der Fauna von Neu-Granada (Halticinae),
von E. v. Harold. — Ueber eine neue Gattung der Thorictidae,
von E. Reitter. — Descriptions of new genera and species of
Scarabaeidae, by D. Sharp. — Beiträge zur Familie der Tenebrio-
niden (5° Stiick), von Dr. Haag-Rutenberg. — Beschreibung
eines neuen Oedemeriden aus Japan, von E. v. Harold. — Ueber
Chrysomelidae aus Cordova, von E. v. Harold. — Beiträge zur
Kenntniss der Fauna von Neu-Granada (Trixagidae, Eucnemi-
dae, Elateridae), von E. Steinheil. — Diagnosen neuer Arten
von E. v. Harold und E. Steinheil. — Berichtigungen und Zu-
sätze zum Münchener Cataloge. — Literatur, Miscellen und
geänderte Namen.
Transactions of the Entomological Society of London for the year
1874. prt. III —V (b).
On some new Species of South-African Lycaenidae, by R. Trimen.
— Descriptions of new Species of Lycaenidae, from his own
Collection, by W. ©. Hewitson. — Illustrations of several addi-
tional species of Lucanidae in the Collection of Major F. J.
Sidney Parry, by J. O. Westwood. — Further descriptions of
Lucanoid Coleoptera, by Major F. J. Sidney Parry. — Descrip-
tions of new species of Tenthredinidae, Ichneunomidae, Chrysi-
didae, Formicidae etc. of Japan, by F. Smith. — Descriptions
of new species of Lucanidae, by H. Deyrolle. — Some additions
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXVII
to the Coleopterous Fauna of Japan, by D. Sharp. — Descrip-
tions of some new species and a new genus of Diurnal Lepi-
doptera, in the collection of Herbert Druce, by A. G. Butler. —
Descriptions of new species of Endomycici, by H. S. Gorham. —
Observations on the genus Helota Me Leay, with description of
a new species from Japan, by H. S. Gorham. — A Revision of
the Hymenopterous genera Cleptes, Parnopes, Anthracias, Pyria
and Stilbum, with descriptions of new species of those genera, and
also of new species of the genus Chrysis from North China and
Australia, by F. Smith. — Descriptions of some new species
of exotic Cetoniidae, by J. O. Westwood. — Descriptions of new
genera and species of Pselaphidae and Scydmaenidae from Australia
and New Zealand, by D. Sharp. — Notes on the peculiar habits
and changes which take place in the larva and pupa of Papilio
Nireus, by Mrs. M. E. Barber. — Descriptions of some new
species belonging to the genus Lycaena, by R. P. Murray. —
Descriptions of three new species aud a new genus of Diurnal
Lepidoptera from the collection of Andrew Swanzy, by A. G.
Butler. — Notes on Australian Coleoptera, with descriptions of
new species, by C. O. Waterhouse.
April 1876.
Newman’s Entomologist, n°. 154 (April 1876) (a).
Description of Polysphaenis sericina from Guenée, by E. Newman. —
Descriptions of Oak-galls, translated from Dr. Mayr’s, „die mit-
teleuropäischen Eichengallen”, by E A. Fitch. — Notes on Pre-
serving Larvae, by H. A. Auld. — Preserving Larvae of Lepi-
doptera, by R. Laddiman. — Notes on the Yucca Borer (Mega-
thymus Yuccae Walk.), by C. V. Riley. — Entomological Notes,
Captures, ete. — Answers to Correspondents.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 143 (April 1876) (0).
Notes on some British Dolichopodidae, with descriptions of new
species, by G. H. Verrall. — Descriptions of three Hemiptera
new to the British List, by E. Saunders. — Descriptions of
four new South American Hesperidae, by W. C. Hewitson. —
Entomological Notes, Captures, etc. — Monograph upon the Bri-
tish species of Sarcophaya or flesh-fly, by R. H. Meade (continued).
Annals and Magazine of Natural History. 4th ser. vol. 17, n°. 100
(April 1876) (0).
Notes on some Heteromerous Coleoptera belonging to the true Te-
nebrionidae, by Ch. O. Waterhouse. — On the Myriapoda from
Siberia and the Waigatsch Island, collected during the expedi-
tion of Prof. Nordenskiöld, 1875, by A. Stuxberg. — On the
LX VIIT ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Functions of the Glands of the Digestive Apparatus of Insects,
by M. Jousset.
Correspondenz-Blatt des zool.miner. Vereines in Regensburg. Jahrg.
29, n°. 11 und 12 (0).
Systematische Uebersicht der Käfer welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel.
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou. Ann.
1875, n°. 2 (b).
Enumération des nouvelles espèces de Coléoptères rapportées de ses
voyages par feu Victor Motschoulsky (15me article).
Archiv für Naturgeschichte herausgegeben von Troschel. Jahrg. 42.
Heft. 1 (b).
Beiträge zur Naturgeschichte der Milben, von Dr. P. Kramer. —
Zur Naturgeschichte einiger Gattungen aus der Familie der Ga-
masiden, von Dr. P. Kramer.
Revue et Magasin de Zoologie. 3me ser. tom. 3, n°. 12, tom. 4, n°. 1 (0).
Les Cicadines d’Europe d’après les originaux et les publications les
plus récentes, 2me partie. Descriptions des Espéces, par le Doct.
F. X. Fieber, trad. de allemand par F. Rieber.
Annales de la Société Entomologique de Belgique. Tom. 18 (b).
Monographie des Onitides, par G. van Lansberge. — Curculionides
recueillis au Japon par M. G. Lewis, par W. Roelofs (3me et
dernière partie). — Scolytides recueillis au Japon par par M. G.
Lewis, par F. Chapuis et W. Eichhoff. — Aperçu monographique
du genre lo, l’un des démembrements de la grande famille des
Saturnides, par J. A. Boisduval. — Comptes-Rendus des Séances.
Transactions of the Linnean Society of London. Zoology. 2d ser. vol. I,
prt. 2 (b). |
On the external anatomy of Tanais vittatus , occurring with Lim-
noria and Chelura terebrans in excavated Pier-wood, by J. Denis
Macdonald.
Annales des Sciences naturelles. Zoologie. 6me ser. tom. III, n°. 1 (0).
Note sur quelques Crustacés erratiques, par M. Catta.
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Ann. 7mo, trim. IV (4).
Coleotteri Tenehrioniti delle Collezioni Italiane, esaminati da Fla-
minio Baudi (contin. e fine). — Gita entomologica all’ isola di
Pantelleria, di Enrico Ragusa. — Ricordi di una escursione en-
tomologica al Monte Amiata. Coleotteri ord. da P. Bargagli. —
Del pidocchio o della Fillossera della vita, et delle specie del
genere Phylloxera in Europa et in America, per A. Targioni
Tozzetti. — Sopra aleuni Friganidi italiani, per R. Mae Lachlan.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXIX
Mei 1876.
Newman’s Entomologist, n°. 155 (May 1876) (a).
On the British Species of Sphecodes, by E. Newman. — Larvae
preserving, by W. E. Sharp. — Notes on the Yucca Borer
(Megathymus Yuecae Walk.), by C. V. Riley (continued). — De-
scriptions of Oak-galls, translated from Dr. Mayr’s „Mitteleuro-
päischen Eichengallen”, by E. A. Fitch.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 144 (May 1876) (0).
Notes on some British Dolichopodidae with descriptions of new
species, by G. H. Verrall. — On certain British Hemiptera-Ho-
moptera, by J. Scott. — Entomological Notes, Captures, etc.
Annals and Magazine of Natural History. 4th. ser. vol. 17, n°. 101
(May 1876) (b).
Amphipodous Crustaceans. On the Genera Hyale and Anonyx and
a new Species of Probolium, by T. R. R. Stebbing. — Diagnoses
of some species of Mallophaga, collected by the Rev. A. E. Eaton
during the late Transit-of-Venus Expedition to Kerguelen’s
Island, by Prof. C. Giebel. — Description of a new Species of
Talitrus from Rodriguez, by E. J. Miers. — Preliminary notice
of new Species of Lepidoptera from Rodriguez, by A. G. Butler. —
Preliminary Notice of new Species of Orthoptera and Hemiptera,
collected in the Island of Rodriguez by the Naturalists accom-
panying the Transit-of-Venus Expedition, by A. G. Butler.
Revue et Magasin de Zoologie. 3me sér. tom. 4, n°. 2 (b)
Les Cicadines d’Europe d’aprés les originaux et les publications
les plus récentes par le Doct. F. X. Fieber, trad. de l’allemand
par F. Rieber.
aes der schweizerischen entomologischen Gesellschaft. Vol.
EY. n° 8: (B).
or tela des Herrn hss que Bishoff-Ehinger von Basel, von Dr.
G. Stierlin. — Die Erziehung hochalpiner Euprepien, eine Notiz
von H. Frey. — Otto Roger's Hypothese über das natürliche
System der Coleoptern und den genetischen Zusammenhang ihrer
Familien, von G. Schoch. — Beschreibung einiger neuen Käfer-
arten, von Dr. G. Stierlin. — Noch etwas iiber die Reblaus,
von Dr. G. Stierlin.
Nederlandsch Tijdschrift voor Entomologie, dl. 19, aflev. 2 (a en b).
Verslag der negende Wintervergadering. — Les Macrolépidoptères
de Breda et de ses environs. Liste supplémentaire n°. 6, par
F. J. M. Heylaerts. — De inlandsche Hemiptera beschreven en
meerendeels ook afgebeeld, door S. C. Snellen van Vollenhoven
(zesde stuk). — Opmerkingen omtrent zes merkwaardige inland-
LXX ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
sche Pteromalinen en eene Proctotrupide, door G. A. Six. —
Lepidoptera van Batavia (eiland Java), door Mr. M. C. Piepers,
met aanteekeningen van P. C. T. Snellen. — Isosoma eximium
Gir. var., door 8. v. V. — Opmerkingen betreffende eenige
exotische Diptera, door F. M. van der Wulp.
Junij 1876.
Newman’s Entomologist, n°. 156 (June 1876) (a).
Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr’s „die
Mitteleuropäischen Eichengallen” by E. A. Fitch. — Easter at
Witherslack, by J. H. Threlfall. — Lepidoptera collected at
Great Malvern in 1875, by Mr. W. Edwards. — Entomological
Notes, Captures, etc. — Answers to Correspondents.
Entomologist’s Monthly Magazine, n° 145 (June 1876) (0).
On a new species of the genus Zelleria, by H. T. Stainton. —
Supplementary Notes on the larva ete. of Apatura iris, by W.
Buckler. — Descriptions of hitherto uncharacterized Phytophaga,
by J. S. Baly. — Entomological Notes, Captures, etc. — De-
scriptions of some new genera and species of New-Zealand
Coleoptera.
Annals and Magazine of Natural History. 4th ser. vol. 17, n°. 102
(June 1876) (0).
On the Anthribidae of New Zealand, by D. Sharp. — Preliminary
Notice of new species of Arachnida and Myriopoda from Rodri-
guez, collected by Messrs. George Gulliver and H. H. Sclater,
by A. G. Butler. — Preliminary Notice of new species of Hy-
menoptera, Diptera and Forficulidae, collected in the Island of
Rodriguez by the Naturalists accompanying the Transit-of-Venus
Expedition, by F. Smith. — On the Embryogeny of the Ephe-
merae, especially that of Palingenia virgo Oliv., by N. Joly. —
Protection of Herbaria and Entomological Collections from Insects
by means of Sulphide of Carbon, by J. B. Schnetzler.
Annales des Sciences Naturelles. 6me sér. (Zoologie) tom. III, n°. 2—4 (0).
Description des Crustacés rares ou nouveaux des côtes de France,
par M. Hesse.
Archiv für Naturgeschichte, herausgeg. von ‘Troschel. Jahrg. 39.
Hft. 5 (b).
Bericht über die Leistungen in der Naturgeschichte der Insekten
während 1871 und 1872, von Dr. Ph. Bertkau.
Verhandlungen des naturhistorischen Vereines der preussischen Rhein-
lande und Westfalens, herausgeg. von Andrä, Jahrg. 32 (b).
Ueber einen Leuchtkäfer aus der Gattung Physodora von Java,
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXI
von O. Mohnike. — Eine Melipona in Deutschland, von Ph.
Bertkau. — Ueber die Frage nach der Befruchtung der Eier
der Arachniden, von Ph. .Bertkau. — Ueber Bienen- und Amei-
senzwitter, von von Hagens. — Ueber einige seltnere oder merk-
würdige Spinnen der Bonner Fauna, von Ph. Bertkau.
Verhandlungen des Vereins für Naturwissenschaftliche Unterhaltung
zu Hamburg. Band II (1875) (0).
Ueber Myrmecocystus mericanus, von Dr. C. Crüger. — Ueber
Schmetterlinge von Guayaquil, von Dr. C. Crüger. — Notice sur
les époques d’apparition des Lépidoptéres du Brésil, par J. B.
Capronnier. — Ueber eine Aberration von Spilosoma lubricipeda ,
von Dr. C. Criiger. — Fortegnelse over de i Danmark levende
Lepidoptera, ved A. B. Haas. — Ueber die Zucht von Xanthia
togata, X. gilvago und Orthosia circellaria, von F. Böckmann. —
Ueber von Capt. Ringe gesammelte Schmetterlinge, von S. Sem-
per. — Angerone Prunaria als Mordraupe, von A. Thalenhorst. —
Ueber aussergewöhnlich schnelle Verwandlung der Timandra
Amata, von A. Thalenhorst. — Ueber den Fang von Noetuen an
Weidenblüthen, von H. Tetens. — Ueber Polynesische Lepido-
pteren, von J. D. E. Schmeltz. — Der Sandfloh, von G. Wallis. —
Beiträge zur Fauna der Niederelbe.
VERSLAG
VAN DE
TIENDE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE BNTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE LEIDEN
op Zaturdag 23 December 1876,
des avonds ten 6 ure.
Voorzitter: Mr. W. Albarda.
Tegenwoordig de heeren: M. W. Beyerinck, Mr. A. Brants,
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, Generaal Dr. A. W. M. van Hasselt,
F. J. M. Heylaerts Jr., J. Kinker, Mr. A. F. A. Leesberg,
Dr. J. van Leeuwen, J. W. Lodeesen, Dr. E. Piaget, Mr.
M- €. Piepers, CG Ritsema Cz., P.-C. T. Snellen, K. N.
Syiersira,, ‚Professor P.J. Veth. H. J.,Veth, Mr. S. GC.
Snellen van Vollenhoven, H. L. Gerth van Wijk en F. M.
van der Wulp; voorts als gast Dr. Hugo de Vries uit
Würzburg.
De Voorzitter opent de vergadering en heet de aanwe-
zenden welkom, in ’t bijzonder ook den heer Beyerinck, die
voor het eerst, en den heer de Vries, die als gast de ver-
gadering bijwoont; hij spreekt den wensch uit dat deze
bijeenkomst door tal van belangrijke bijdragen en mede-
deelingen vruchtbaar moge zijn voor de wetenschap.
6
LXXIV VERSLAG.
De heer Snellen van Vollenhoven opent de rei
der mededeelingen. Hij biedt vooreerst der Vereeniging
voor hare bibliotheek ten geschenke aan een lijvig boek-
deel in quarto, met zeer vele platen versierd, behelzende
de beschrijving der Noord-Amerikaansche Geometriden of
Spanners door Dr. A. S. Packard. Dit werk, dat een deel
uitmaakt van «The geological Survey of North-America »,
bewerkt wordende door Dr. Henley, is dus wel een afzon-
derlijk gedeelte van een zeer omvattend geheel, maar ver-
dient op zich zelf een geheel genoemd te worden, wegens
de uitvoerigheid waarmede het de anatomie, morphologie,
levenswijze, gedaantewisseling en het verspreid zijn over
de staten van het werelddeel der soorten van Geometrae
behandelt. Spreker hoopt dat het voor vele Lepidopterolo-
gen onder ons van nut zal kunnen wezen, en rekent het
werk beter geplaatst in de boekerij der Vereeniging dan
in zijne eigene bibliotheek, daar hij zich tegenwoordig niet
meer met de studie der exotische vlinders kan bezig houden.
De Voorzitter aanvaardt dit geschenk en rigt als tolk der
vergadering een woord van hartelijke dankzegging tot den
gever.
De heer van Vollenhoven laat in de tweede plaats rondgaan
eene verzameling van inlandsche gallen, door hem bijeen-
gebragt voor de collectie der Vereeniging. Zij bestaat voor
het grootste gedeelte uit gallen op eiken, voor het kleinste
uit gallen op andere gewassen, heesters of planten. De
eersten worden door den Spreker onderscheiden in wor-
telgallen, bast-, twijg-, knop-, blad- en bloesem-gallen. Bij
het laten bezigtigen der voorwerpen, vermeldt Spreker
eenige bijzonderheden betrekking hebbende tot het voor-
komen en de meer of mindere zeldzaamheid der gallen of
tot de levenswijze der daaruit voortkomende dieren.
De lijst dezer voorwerpen wordt overgelegd en het ge-
heel door den Conservator in ontvangst genomen. Ook
voor deze aanwinst der collectie betuigt de Voorzitter
zijnen dank.
VERSLAG. LXXV
Lijst der gallen.
Aphilothrix Radicis F.
» Gemmae L. aan wortels van eiken.
Biorhiza aptera F.
Trigonaspis megaptera Panz. aan den bast van eiken.
Cynips Kollari Hart. 1)
» foecundatrix Hart. } aan twijgen van eiken.
Teras terminalis F.
Cynips Quercus folü L. (Hart.)
> longiventris Hart.
» divisa Hart.
Neuroterus numismatis Ol.
» lanuginosus Gir. aan bladeren en bloesems
Spathegaster Baccarum L. van eiken.
Andricus Ramuli L.
» inflator Hart.
» quadrilineatus Hart.
» curvator? Hart.
Rhodites Rosae L.
DRE | aan wilde rozen.
» spinosissimae Gir. |
Diastrophus Rubi Hart., aan braamstruiken.
Aulax Hieracii Bouch., gezwollen stengel van Hieracium.
Cecidomyia Fagi Hart. , op beukenbladeren.
» Salicis Schrank , aan wilgentwijgen.
Spreker zegt dat men deze nog onvolledige verzameling
als eene eerste bijdrage moet beschouwen en dat hem nog
verschillende gallen als inlandsch bekend zijn, die hij later
aan deze nu nog geringe collectie hoopt toe te voegen.
. Om sommigen der zeldzamere, nu medegebragte soorten
bijeen te brengen, had hij een overgroot getal doosjes en
fleschjes geopend, die hij in vroegere zomers met cocons,
plantenuitwassen en andere zaken die hem onbekend of
vreemd voorkwamen gevuld had, en bij die doorzoeking
1) Afgebeeld in het Tijdschrift voor Entom, dl, VIII, pl. 12, onder den naam
van Oynips tinctoria? L.
LXXVI VERSLAG.
had hij tamelijk merkwaardige dieren ontdekt, die in de
telkens vermeerderende massa’s doosjes uitgekomen waren.
Zoo, om niet te spreken van Coleophora onosmella Brahm.,
die Spreker met den zak ter bezigtiging had medegebragt,
omdat hij haar voor zeer zeldzaam hield, waaromtrent hij
echter even voor de vergadering door ons medelid Snellen
beter was ingelicht, had hij ook in een der doosjes de bij-
zonder zeldzame vondst gedaan van 3 mannetjes en 3 wijfjes
van de allerfraaiste Encyrtide Gerapterocerus mirabilis Westw.,
waarvan het mannetje gewoon gevormde, zeer lange, doch
het wijfje zeer ongemeen gevormde sprieten bezit, eenig-
zins gelijkende op de antennen van het geslacht Gerapterus
uit de familie der Paussiden, welke overeenkomst aanlei-
ding tot het zamenstellen van den generieken naam gege-
ven heeft.
Het was Spreker hoogst aangenaam zich alzoo in het
bezit van 3 wijfjes en daardoor in staat gesteld te zien
een daarvan voor onderzoek onder het microscoop op te
offeren, aangezien Dr. Gustav Mayr in zijn opstel over
« Kuropaeischen Eneyrtiden» (Verhandl. K. K. Zoolog. botan.
Gesellschaft in Wien, jaargang 1876) van ’Sprekers afbeel-
ding in de Schetsen geschreven had, dat de vergroote voor-
stelling van den vrouwelijken voelspriet niet met de natuur
overeenkomt. Spreker, die toen hij die teekening maakte,
slechts een voorwerp uit ’s Rijks Museum, dat misschien
niet volkomen gaaf was, voor zich had en dit niet durfde
opweeken om het beter te kunnen onderzoeken, zou nu
zijne afbeelding aan eigen critiek onderwerpen, zoodra
het zonlicht daartoe gunstige gelegenheid aanbood. Nu
reeds echter moest hij doen opmerken dat de beschrijving
van het mannetje in het genoemde opstel door den overi-
gens zoo scherp zienden en naauwkeurigen Dr. Mayr, niet
overeenkwam met onze drie inlandsche voorwerpen. De
Encyrtiden “waren voortgekomen uit langwerpige witte
Coccus-insecten, in het duin op bladeren van helm of
misschien van eene andere grassoort gevonden en die
VERSLAG. LXXVII
Spreker naar aanleiding van Dr. Signoret’s beschrijvingen
en afbeeldingen in de Annales de la Société Entomologique
de France voor Eriopeltis Festucae houdt.
Ten slotte deelt Spreker mede dat de volgende zeldzame
of voor onze Fauna geheel nieuwe soorten van Hemiptera
heteroptera, in den laatsten tijd door zijne handen zijn
gegaan en dat sommigen daarvan door de liberaliteit der
ontdekkers in zijne collectie zijn opgenomen:
4. Asopus punctatus L. — Door Mr. Leesberg bij Breda.
2. Cimex nigricornis F. — Door C. Ritsema op Beekhuizen
bij Velp.
3. Coreus hirticornis F. — Op Walcheren door den heer
Gerth van Wijk.
4. Pseudophloeus Waltlii Herr.-Sch. — Op Walcheren door
den heer La Fontyn.
5. Stenocephalus nugax L.— In het najaar op een wijngaard
binnen de stad ’s Gravenhage
door Dr. van Hasselt.
6. Zosmenus quadratus Fieber. — Op Walcheren door den
heer La Fontyn.
7. Camaronotus confusus Kirschb. — Bij Loosduinen door
Dr. van Hasselt.
8. Prostemma quitula F. — Op Walcheren door den heer
La Fontyn.
De heer Ritsema deelt naar aanleiding van het gezegde
omtrent de Coccus-soort mede, dat zij in het Bloemendaal-
sche bosch bij Haarlem volstrekt niet zeldzaam is en hij
haar voor eenige jaren naar Prof. Westwood te Oxford ter
determinatie gezonden heeft, evenwel zonder het gewenschte
resultaat te verkrijgen. Sedert heeft hij andermaal uit het
genoemde bosch dezen Coccus in aantal verzameld, vooral
ook om er den interessanten parasiet uit te kweeken, en
heeft hij een paar exemplaren aan ons eerelid, Dr. V.
Signoret te Parijs gezonden, om met volkomen zekerheid
den naam te leeren kennen. !)
1) Het antwoord, later daarop van den heer Signoret ontvangen, schijnt belang-
rijk genoeg om hier te worden overgenomen. Het luidt als volgt: » L'espèce que
LXXVIII VERSLAG.
Voorts zegt de heer Ritsema ten opzigte der collectie
eikengallen, door den heer Snellen van Vollenhoven ge-
schonken, dat hij daaraan alsnog wil toevoegen die van
Cynips Calicis Burgsd., te Rozendaal bij Arnhem gevonden,
welke door hem in de achtste wintervergadering bespro-
ken zijn en waaruit sedert de galwesp is te voorschijn
gekomen.
De heer Gerth van Wijk biedt voor de collectie der
Vereeniging aan een 20-tal soorten van door hem op
Walcheren verzamelde wespen en graafwespen, die daarin
tot dusver niet of onvoldoende vertegenwoordigd zijn
en welke met een woord van dank door den Voorzitter
worden aangenomen. Bovendien laat hij ter bezigtiging
rondgaan eenige andere meest zeldzame Walchersche soorten
tot de genoemde groepen behoorende, waaronder enkelen
nog niet als inlandsch opgegeven. De soorten nieuw voor
de Fauna zijn: Odynerus elegans H. Sch., trimarginatus Zett.,
trifasciatus F., simplex F. en exilis H. Sch.; Priocnemis
affinis v. d. L. (gevangen door den heer La Fontijn);
Passaleucus insignis Dhlb.; Nysson spinosus Ol, trimaculatus
Rossi en dimidiatus Shuck.; Hoplisus laticinctus Lep.; Ento-
mognathus brevis v. d. L.; Lindenius armatus v. d. L. en
pygmaeus Dhlb.; Crabro Wesmaeli v. d. L., elongatulus v. d. L.,
serripes Panz. en striatus H. Sch.; Oxybelus quatuordecimno-
tatus Ol.
Odynerus trimarginatus Zett. werd door Spreker op 11 en
14 Augustus van dit jaar in groot aantal aangetroffen in
de duinstreek nabij Vlissingen, vliegende op Cirsium’s en
op Eryngium maritimum. Op de genoemde plaats ving
vouz m'avez envoyée est l'Æriopeltis Festucae Fonsc. Cette espèce est décrite en
1871 (Annales de la Société Entomologique de France) avec nombreuses figures,
1868, pl. II, f. 18; 1869 pl. IV, f. 7 et 1871 pl. VI, f. 3. Je fais l'observation
que l'espèce est très-variable (p. 432) et qu'elle pourrait peut-être former plusieurs
espèces — c’est à voir. Il faudrait trouver le mâle, ce qui aiderait l'étude. Voir
en Mai et Juin les localités où vous avez trouvé ces femelles, certainement vous
trouverez des mâles cachés sous une petite plaque cireuse.»
VERSLAG. LXXIX
hij in korten tijd een 25-tal voorwerpen, waaronder 41
mannetjes, reeds door Schenck (Deutsche Vesparien p. 60)
tot de genoemde soort gebragt. Deze schrijver heeft (1. c.)
met groote zorgvuldigheid uit de soort Odynerus Gazella
Panz. de mannetjes ontward van twee soorten, en wel van
O. trimarginatus Zett. en van O. trifasciatus F., omtrent
welke bij vroegere schrijvers groot verschil van gevoelen
heerschte. Thomson, de eenige aan Spreker bekende latere
schrijver over dit onderwerp, geeft (Hym. Scand. III, p. 67)
bij O. trimarginatus Zett. een 3 op, dat geheel overeenkomt
met het door Schenck beschrevene. Onder de gevangen
wijfjes vertoonden er twee eene zeer merkwaardige afwij-
king in teekening, te weten een geel gevlekt schildje;
Smith zegt (Cat. of Brit. Foss. Hym. ete. p. 209) niets van
een gevlekt schildje en Schenck (l. c. p. 59) noemt het
zelfs uitdrukkelijk ongevlekt.
Odynerus trifasciatus F. is te Middelburg vrij gemeen,
na Odynerus Parvetum L. de gemeenste eenzaam levende
wesp, en werd in een vrij groot aantal exemplaren gevan-
gen. Naar de overtuiging van Spreker heeft Schenck (1. c.
p. 58) ook bij het g van deze soort het juiste & gevoegd;
ware dit niet het geval dan zouden in den loop van dit
jaar van twee talrijk voorkomende en onder gelijke om-
standigheden gevangen soorten respectievelijk slechts man-
netjes of wijfjes aangetroffen zijn, hetgeen toch hoogst
onwaarschijnlijk voorkomt. Karakteristiek is de slanke ge-
stalte, waarop reeds door Smith (l. e.) in zijne diagnose
gewezen wordt; trouwens de beschrijving, die hij van het
d geeft, is zeer onvolkomen. Thomson geeft (1. c. p. 61)
bij deze soort een d, welks beschrijving niet geheel over-
komt met die van Schenck.
Van den zeldzamen Odynerus simplex F. bezit Spreker
enkele in teekening meer of minder verschillende exem-
plaren geheel overeenkomstig de beschrijving van Schenck
(I. c. p.68). Thomson maakt uit deze soort in zijne Opusc.
Ent. p. 85 vier nieuwe soorten, die hij echter 2 jaren
LXXX VERSLAG.
later (in Hym. Sc. II, p. 49) weder tot drie terugbrengt.
Het is Spreker nog niet gelukt een van de door hem ge-
vangen exemplaren tot eene van Thomson’s nieuwe soorten
te brengen. Schenck geeft als synoniem van O. sımplex
F. o. a. 0. Linden Lep. (Hym. Il, p. 624), van welke
Saussure (Mon. Vesp. 1, p. 194) zegt typische exemplaren
gezien te hebben. Volgens de Walchersche voorwerpen is
O. Lindenii Liep. bepaald verschillend van simplex F., het-
geen kan blijken uit de volgende verschillen:
1°. Saussure geeft voor Lindeni op: «angles du prothorax
épineux », Schenck voor simplex «der Prothorax hat... .
an den Ecken keine Dornspitzen» welk laatste volkomen
geldt voor ‘Sprekers voorwerpen;
2°. Saussure zegt bij Lindenii niets van de juist voor
simplex zoo kenmerkende spitse uiteinden van de zijden
van den metathorax, zoodat deze daar bijna zeker niet
aanwezig zijn;
eindelijk 3°. Saussure geeft voor Lindenü op: «1” segment
derlabdomen nm aussi long que large», bij de Wal-
chersche exemplaren van simplex is de lengte ongeveer de
helft van de breedte. |
De fraaije Priocnemis affinis v. d. L., met Pr. fuscus de
grootste inlandsche soort van dit geslacht, is gemakkelijk
te onderscheiden o. a. door de aan het uiteinde afgeronde
radiaalcel; de heer La Fontijn ving van deze soort slechts
een enkel 2.
Behalve de drie reeds bovengenoemde soorten van het
geslacht Nysson ving Spreker Nysson maculatus F. in beide
sexen en bovendien een ¢ van eene soort niet opgenoemd
in Gerstaecker’s Arten d. G. Nysson (1867) noch in Chevrier’s
Essai monogr. sur les Nysson du Bass. de Léman (1867), dus
welligt nog onbeschreven. Tot N. maculatus F. behooren
misschien twee voorwerpen gevangen door den heer Six
en vermeld in Snellen van Vollenhoven’s Naaml. v. Ned.
Hym. (Bouwst. II) p. 262, zoo niet dan is ook deze soort
nieuw voor onze Fauna. De zeer slechte afbeelding die
VERSLAG. LXXXI
Jurine (Nouv. Méth. ete. I, pl. 10, gen. 22) geeft van eene
nog onbeschreven soort, Nysson dimidiatus, maakt het voor
het minst uiterst moeijelijk te beslissen of hij daarmede
het dier bedoeld heeft dat thans onder dien- naam verstaan
wordt. Alleen door onderzoek van typische exemplaren
van Jurine zou dit kunnen worden uitgemaakt. Voor als-
nog evenwel vindt Spreker het voorzigtig op het voorbeeld
van Gerstaecker, de soort te noemen N. dimidiatus Shuck.,
zijnde deze de eerste die haar volkomen juist beschreven
heeft. Van de beide Walchersche mannetjes dezer soort
heeft het eene geelachtige, het andere witachtige vlekken
op het achterlijf.
Lindenius armatus v. d. L. en pygmaeus Dhlb. zijn beide
niet zeldzaam. Spreker determineerde ze uit Lepel. Hym.
III en Dahlb. Hym. Eur. I; volgens zijn gevoelen zou de
soort pygmaeus Dhlb. twee soorten. bevatten, Zeer wen-
schelijk is z. i. eene goede monographische bewerking van
dit zoowel als van de andere geslachten der Crabroniden.
De tasters van Crabro elongatulus v. d. L. worden door
sommige schrijvers beschreven als geel, door anderen als
bruin. Van deze vrij gemeene soort werden een aantal
exemplaren gevangen, bij welke de tasters tusschen deze
beide kleuren varieerden. Volgens Schenck (Nass. Grabw.
p. 88) zou het laatste achterlijfssegment bij het & tamelijk
digt en fijn gestippeld zijn; bij de Walchersche voorwerpen
is de stippeling ten minste gedeeltelijk vrij grof (cf. Wesm.).
De heer Piaget houdt eene belangwekkende voordragt
over Nirmus asymmetricus Nitsch, door hem in aantal ge-
vonden op eenen Dromaeus Novae Hollandiae in de diergaaarde
te Rotterdam. Hij verduidelijkt zijne opmerkingen door
verschillende teekeningen op het bord en toont o, a. aan
hoe deze parasiet in vele opzigten sterk afwijkt van de
andere soorten van het geslacht Nirmus. Wijl de door hem
gedane mededeelingen het onderwerp uitmaken van een
opstel, dat binnen kort met de daartoe behoorende afbeel-
LXXXII VERSLAG.
dingen in het Tijdschrift zal worden opgenomen, kan hier
worden volstaan met daarnaar te verwijzen. 1)
De heer Snellen van Vollenhoven zegt dat hij met veel
belangstelling de voordragt van den geachten Spreker heeft
aangehoord, en ofschoon deze vergadering zich uitsluitend
tot wetenschappelijke onderwerpen moet beperken , wenscht
hij nogtans bij deze gelegenheid met een enkel woord te
vermelden, dat de heer Piaget een uitvoerig werk over de
Parasiten heeft zamengesteld, waarin met diens bekende
naauwkeurigheid een groot aantal soorten zijn beschreven
en afgebeeld; dat deze arbeid wegens zijn’ grooten omvang
niet wel in het Tijdschrift voor Entomologie kan worden
opgenomen, doch dat dezer dagen met een gewenscht ge-
volg door hem pogingen zijn aangewend bij het Kon.
Zoologisch genootschap Natura Artis Magistra te Amsterdam,
om door eene aanzienlijke geldelijke toelage de afzonder-
lijke uitgave mogelijk te maken.
De Voorzitter twijfelt niet of deze laatste mededeeling
zal door de Vergadering, en niet het minst door den heer
Piaget, met veel genoegen worden vernomen; hij bedankt
den heer Snellen van Vollenhoven voor den ijver waarmede
deze de zaak heeft behartigd en meent dat onze Vereeni-
ging ook inzonderheid erkentelijk moet zijn jegens den
heer Westerman, Directeur van het Amsterdamsch genoot-
schap, aan wiens voorspraak het welslagen der gedane
pogingen grootelijks te danken is en wiens belangstelling
in de Entomologische Vereeniging reeds herhaaldelijk en
hierin op nieuw is gebleken.
De heer Beyerinck geeft een breedvoerig verslag van
zijne onderzoekingen betreffende het uit- en inwendig za-
menstel der legboor van Aphilothrix Radicis F. en de wijze
hoe deze Cynipside hare eijeren in de plant brengt, alles
opgehelderd door verscheidene schetsteekeningen, die aan
1) Zie blz. 80 en pl. 6 van dezen jaargang.
VERSLAG. LXXXIII
de Vergadering worden voorgelegd. Ook deze mededee-
lingen zullen, even als die van den heer Piaget over Nir-
mus, in een afzonderlijk stuk in het Tijdschrift worden
opgenomen, waarnaar dus hier kortheidshalve wordt ver-
wezen.
Professor Veth maakt opmerkzaam op een sedert 1875
te Praag uitgegeven, aan de bijenteelt gewijd tijdschrift,
getiteld der Bienenvater aus Böhmen, en geredigeerd door den
heer Rud. Mayerhöffer. In eene reeks van artikelen «über
edle Bienenracen und über die Veredlung der Landbienen-
race», in den eersten jaargang van dat tijdschrift geschre-
ven door den heer E. Cori, Kanzleidirector te Brün, leest
men onder anderen eenige bijzonderheden over twee soorten
van bijen op Java voorkomende, door Cori «die Ostasiati-
sche Wanderbiene» en «die grosse Apis dorsata der Insel
Java» genoemd. Wat hij daarvan wist was hij verschuldigd
aan de mededeelingen van twee Nederlandsch-Indische amb-
tenaren, met wie hij te Karlsbad had kennis gemaakt. De
heer Mayerhöffer, begeerig meer van deze Javaansche
bijen te weten, had zich tot den Spreker om nadere in-
lichtingen gewend, en hem tot dat einde de volgende
vragen gedaan: 1°. Is de Ostasiatische Wanderbiene op
Java inheemsch of niet? Is hare levenswijze zoo als de
heer Cori opgeeft? 2°. Komt Apis dorsata op Java voor?
Behoort zij tot de echte Apidae? Is de beschrijving van
den heer Cori juist? 3°. Zou Apis dorsata ook te temmen
zijn en zou er mogelijkheid bestaan ze in Europa inheemsch
te maken? 4°. Bestaat onze Apis mellifica op Java, en zoo
niet, zou men er prijs op stellen dat zij daar werd inge-
voerd? Voor dit laatste bood tevens de heer Mayerhöffer
zijne belanglooze diensten aan.
Naar aanleiding dezer vragen had de Spreker -een onder-
zoek ingesteld naar de in den Indischen Archipel en in-
zonderheid op Java voorkomende bijensoorten en naar de
wijze waarop de inboorlingen was en bijenhonig inzamelen.
LXXXIV VERSLAG.
Hij had daarbij gebruik gemaakt van Smith's Catalogue of
the aculeate Hymenoptera and Ichneumonidae of India and the
Eastern Archipelago, in the Journal of the Linnean Society,
Zoology, vol. XI (1873), p. 396, en diens resultaten door
de welwillende hulp van den heer Ritsema vergeleken met
de op het Museum van Natuurlijke Historie voorhanden
exemplaren van Oost-Indische bijen. Ongelukkigerwijze vond
hij daar slechts exemplaren van werkbijen, wat, wel is
waar, niet te verwonderen is, maar toch voor eene goede
vergelijking der soorten een groot beletsel vormt. Het
was hem voorgekomen dat op het Museum slechts exem-
plaren van drie soorten van echte Apidae uit den Indischen
Archipel voorhanden zijn, waarvan slechts twee op Java voor-
komen, terwijl ook uit de berigten der reizigers niet van
het bestaan van nog andere soorten op dat eiland blijkt.
De eerste soort is die, door Cori « Ostasiatische Wander-
biene» genoemd. Zij is de Apis indica F. en deze is,
zoo als ook Smith aanneemt, niet verschillend van Apis
Peroni Latr., terwijl Apis socialis Latr. ten hoogste eene
verscheidenheid van dezelfde soort is. De exemplaren op
ons Museum toonen duidelijk dat deze bijensoort sterk
varieert. Die verscheidenheid vertoont zich het meest in
het donker oranjegeel der twee eerste segmenten, dat bij
vele exemplaren weinig zigtbaar is en in sommigen geheel
verdwijnt. Een exemplaar was dan ook in het Museum
als Apis unicolor Latr. gedetermineerd, maar was stellig
slechts eene Ápis indica, waarin dat oranjegeel geheel ver-
dwenen was. De Apis unicolor Latr. behoort tot Apis Adan-
sonii en is slechts in Afrika te huis. Apis indica is mer-
kelijk kleiner dan onze Apis mellifica. Is het oordeel over
haar sterk variëren juist, dan bezit het Museum exem-
plaren van Java, Sumatra, Bangka, Celebes, Timor en
Ceylon. Smith noemt als woonplaatsen dezer soort: Ma-
lakka, Borneo, Java, Sumatra, Flores, Timor en sommige
deelen van Hindostan. Im de Preanger Regentschappen
bestaat eene ruwe kultuur van deze bijen, die beschreven
VERSLAG. LXXXV
is door den heer Hoogeveen in deel X van het Tijdschrift
voor Nijverheid en Landbouw in Nederlandsch-Indié , bl. 262.
Ofschoon die schrijver de bijen slechts bij hare inlandsche
namen noemt, is het naauwelijks twijfelachtig of zijne me-
dedeeling heeft hoofdzakelijk op Apis indica betrekking,
die stellig in den Archipel de meest verbreide soort is.
Men moet echter de mogelijkheid toegeven, dat naauwkeu-
riger onderzoek toonen zal dat nog andere soorten van
bijen, b. v. A. nigrocincta Smith, die op Celebes en Borneo,
gelijk ook in China voorkomt, en A. floralis F., die aan
Borneo met Hindostan en Ceylon gemeen is, op Java ge-
vonden worden en eenigermate getemd zijn.
De tweede soort Apis dorsata is eene groote, wespvor-
mige bij, die in Hindostan en op Geylon, maar volgens
Smith ook op Java, Sumatra, Borneo, Flores en Timor
gevonden wordt. De exemplaren van ons Museum zijn
van Java en Timor. Vooral op dit laatste eiland is zij zeer
menigvuldig, en zij komt in alle op dat eiland gemaakte
verzamelingen in tal van exemplaren voor. Wallace on-
derscheidt van Apis dorsata nog Apis testacea, maar Smith
houdt deze laatste voor de jonge exemplaren van dorsata.
Deze bijen leven slechts in het wild en hangen hare raten
aan de onderzijde der takken van hooge boomen op. De
wijze waarop de Timoresen deze verzamelen is door vele
reizigers beschreven, b. v. door Wallace (Malay Archipelago
I, 314), Sal. Müller (Reizen in den Ind. Archipel), van de
Velde (Gezichten van Ned.-Indië), Esser (Tijdschr. v. Nijv. en
Landb. in Ned.-Indië, X, 250).
Ook in de Lampongs op Sumatra schijnt Apis dorsata
menigvuldig voor te komen. De inzameling der raten heeft
op soortgelijke wijze plaats, zoo als blijkt uit de beschrij-
ving van den heer van Cattenburch (Tijdschr. v. Nijv. en
Landb. in Ned.-Indië, X, 253); en ook wat Wallace, Malay
Archipelago, 1, 125, omtrent bijen op Borneo berigt, komt
daarmede zoo zeer overeen, dat ook daar slechts aan Apis
dorsata kan gedacht worden,
LXXXVI VERSLAG.
Met deze resultaten vergeleek Spreker nog wat in het
werk van Low (Serawak, 1, 315) over bijen van Borneo
gelezen wordt. Deze schrijver onderscheidt de «Lanyeh or
large wasp-like bee» en de «Nuang, a smaller bee, which
is sometimes domesticated in hives or barks about their
houses.» Hier vindt men duidelijk weder Apis dorsata en
Apis indica terug. Van den honig der eerste soort zegt hij:
«the honey produced by the Lanyeh is very fine and rich,
equal to the honey of Europe, but the nests contain but
very little of it;» terwijl hij daarentegen van de Nuang
berigt, dat «she makes very little wax, but gathers
abundance of honey, which is however of a very inferior
quality.» Ook zegt hij dat de Nuang in vele verscheiden-
heden voorkomt. Dit een en ander bevestigt de meening
dat met de Nuang de Apis indica bedoeld is, op wier sterk
variéren reeds gewezen werd, terwijl het ook van elders
bekend is dat de honig der gewone Javasche bijen dun en
weinig smakelijk is.
De heer Cori heeft de beide soorten volgens de mede-
deelingen der Indische ambtenaren juist beschreven, maar
dwaalt als hij Apis dorsata voor de grootste bijensoort der
wereld houdt. Zij wordt toch in dit opzigt overtroffen
door de derde op ons Museum voorhanden soort, de Apis
zonata Smith, eene fraaije bij, geheel zwart, behalve dat
de basis van het derde en de volgende segmenten door
eene smalle witte streep is omgord. De vleugels zijn
iets minder berookt dan bij A. dorsata. De exemplaren van
deze soort op ons Museum zijn van Celebes; volgens
Smith komt zij op Celebes en de Philippijnsche eilanden
voor.
Bij deze mededeelingen voegt Spreker nog, dat de in-
heemsche bijenteelt op Java zich niet tot de echte Apidae
bepaalt, maar aok de kleine angellooze bijen van het ge-
slacht Trigona niet versmaadt. Smith noemt in zijn Cata-
logue p. 395, een groot aantal soorten van Trigona’s op,
die in den Indischen Archipel voorkomen, daaronder
VERSLAG. LXXXVII
Trigona vidua St. Farg. '), van welker voorkomen op Java
ook Junghuhn, Java 1, 444 gewaagt. Dezelfde schrijver
leert ons elders hoe in het regentschap Soekapoera eene
andere soort, Trigona minuta St. Farg. (bij Smith althans
niet onder dezen naam voorkomende), onder het afdak der
inlandsche woningen in eene soort van korven uit bamboe
vervaardigd wordt gehouden, en eene zwartachtige was
oplevert, die bij het batikken van kleedjes wordt gebruikt.
Het tot dusver vermelde maakt den hoofdinhoud uit van
hetgeen Spreker op de beide eerste vragen van den heer
Mayerhöffer had geantwoord. Op de derde vraag had hij
geen ander antwoord kunnen geven, dan dat men, zoover
hem bekend was, het temmen van Apis dorsata nooit be-
proefd had. De vierde vraag had hij bepaaldelijk ontken-
nend kunnen beantwoorden, met de opmerking dat het
hem zeer twijfelachtig voorkomt of Apis mellifica het kli-
maat van Java zou kunnen verdragen en haar honig er
zijne goede hoedanigheden zou bewaren, en daar was,
deels bijenwas, deels plantaardige, overal in den Indischen
Archipel in overvloed voorhanden is, verwacht hij niet
dat zich spoedig een sterk verlangen naar de overbrenging
van Apis mellifica op Java zou openbaren.
Den inhoud van dit schrijven had de heer Mayerhöffer
in n°. 7 en 8 des tweeden jaargangs van den « Bienenva-
ter» opgenomen. ?)
De heer van Leeuwen deelt, als vervolg op zijne
waarnemingen omtrent het aangroeijen der vleugels bij
1) Junghuhn noemt de Trigona-soorten Melipona. De naam Melipona wordt thans
gegeven aan een genus dat alleen in Amerika vertegenwoordigd is.
2) Later is nog, in verband met het vorenstaande, door Professor Veth medege-
deeld, dat hij aan den zooloog der Sumatra-expeditie heeft opgedragen onderzoek te
doen naar de op Sumatra voorkomende bijen en bijen van verschillende sexe te ver-
zamelen. Ook heeft, op ’s Hoogleeraars verzoek, de vorige Minister van Koloniën
(de heer van Goltstein) aan den Gouverneur-Generaal van Nederl.-Indié gevraagd of
“het hem wenschelijk voorkomt, dat de invoering van onze Apis mellifica op Java
beproefd worde; van een antwoord op deze vraag is echter nog niet gebleken,
LXXXVIII VERSLAG.
uit de pop genomen vlinders !), aan de vergadering mede
dat eene pop van Bombyx Populi in ’t begin van October Il.
door hem is geopend toen de vlinder kennelijk rijp was;
deze verliet dan ook de poppeschaal uit eigen beweging en
zonder eenige moeite. Het dier bragt vervolgens, aan een
takje hangende, in eene gesloten stopflesch met vochtig
zand eene week onveranderd door, waarna het ’s morgens
op zijn’ rug liggende werd gevonden en voor stervende in
eene doos werd geworpen. Hierin bragt het echter nog
drie dagen door met nog steeds onvolgroeide vleugels , en
den elfden dag kregen de vleugels hunnen vollen wasdom,
zoodat de vlinder (een mannetje) vrij goed kon vliegen;
alleen was de buitenrand der voorvleugels te droog gewor-
den en daardoor verschrompeld gebleven. Ongetwijfeld zou
het dier echter zich geheel gaaf hebben ontwikkeld, indien
het tot den elfden dag in de stopflesch was gebleven.
De beharing van het ligchaam had de tien eerste dagen
steeds het olieachtig voorkomen behouden, dat aan vlin-
ders eigen is bij het verlaten van de poppeschaal, doch
was den 44” dag wolachtig geworden; eerst toen hadden
zich ook de ringen van het abdomen zaamgetrokken.
De heer Heylaerts spreekt over Psychiden. Hij
zegt, dat het inderdaad moeijelijke genus Psyche Schr.
en de onderafdeelingen Epichnopteryæ Hübn. en Fumea Hübn. ~
slechts met vrucht kunnen bestudeerd worden door hem,
die de daartoe behoorende species uit de rups, of liever
nog van het ei af kweekt. Immers de mannelijke vlinders eener
soort verschillen zoowel in vleugelvorm als in aderstelsel
soms zoozeer, dat alligt aan twee of meer soorten zou ge-
dacht worden. Hij meent er op te moeten wijzen, dat
voor eene goede soortkennis het volstrekt noodig is, dat
én de rups in hare verschillende levensperioden (want zij
1) Zie Verslag der Wintervergadering van 1875 (Tijdschr. voor Entom. dl, XIX, -
bla. cvs.
VERSLAG. LXXXIX
verschilt in teekening bijna bij elke vervelling, althans bij
vele soorten) én vooral het wijfje (in niet ingedroogden
staat) moeten worden waargenomen. De kweeking van
Psychiden werd tot heden voor buitengewoon moejjelijk
gehouden, en sommige soorten, als b. v. Ps. graslinella Brd.,
waren op de gewone wijze ook niet tot ontwikkeling te
brengen. Toch is de zaak niet zoo moeijelijk als men
denkt: open lucht in winter en zomer en zonneschijn
zijn daartoe het eenvoudig middel. Spreker kweekt thans
niet alleen Psyche-, maar ook Epichnopteryx- en Fumeu-spe-
cies uit het ei, terwijl vele Zuid-Europesche soorten door
hem te Breda in zijnen tuin tot ontwikkeling kwamen. Door
die waarnemingen kwam hij tot het resultaat, dat vele als
afzonderlijke soorten opgegevenen tot ééne kunnen worden
teruggebragt. Zoo is E. Pulla Esp. stellig één met E. Sie-
boldii Reutti en Hering Hein., F. intermediella Brd. één
met F. affinis Reutti, met I. crassiorella Brd. waarschijnlijk
en stellig met F. roboricolella Brd. enz. enz.
Spreker bezit, op 4 of 5 soorten na, alle Europesche
Psychiden met hare respectieve rupsen, poppen en wijfjes,
terwijl hij van vele tropische soorten uitstekende af beel-
dingen en beschrijvingen heeft. Een hem uit Afrika toe-
gezonden, reusachtigen zak met de tamelijk goed bewaarde
rups, hoopt hij spoedig als Oiketicus (Psyche) Moddermani
n. s. te beschrijven.
Dezelfde Spreker vermeldt verder, dat hij, behalve een
paar voor de Breda’sche Fauna nieuwe Macrolepidoptera,
in 1876 ook eene voor de Nederlandsche Fauna nieuwe
Eupithecia verkreeg en wel E. virgaureata Dbld., waarvan
de rups door hem in October 1875 op Solidago virgaurea
was gevonden.
Voorts werden Spanrupsen door hem in een magazijn
van kruiden, en wel in November op gedroogde bladeren:
van Malva sylvestris ontdekt. Vergelijking met de rupsen
van Acidalia herbariata Tr. deden hem zien, dat de gevon-
denen stellig tot deze soort behooren. Hij vermeent dat
7
XC VERSLAG,
zijne collega’s wel zullen doen, insgelijks nasporingen te
doen in gedroogde kruiden: daardoor zou welligt blijken,
dat deze zeldzame spanner ook op andere plaatsen van
ons land voorkomt.
Als nieuwe Microlepidoptera voor onze Fauna, worden
verder door hem, als te Breda gevonden of gekweekt, op-
gegeven :
1. Pempelia perfusella Zell. in litteris. In Julij een wijfje,
dat roode ovale eitjes legde, die
niet uitkwamen.
2. Teras Shepherdana Steph. Een wijfje bij Breda in Augustus.
3. Dichrorampha acuminatana Zell. Enkele mannetjes in de
Loopschans te Breda op 29 Mei ll.
4. Diplodoma marginepunctella Steph. De zakken in de dreef
van 't Speelhuis, de vlinders kwa-
men in Junij uit.
5. Hypatima inunctella Zell. Twee exemplaren op ’t Heike
bij Breda in Julij.
6. Heliodines Roesella L. In Julij gekweekt uit rupsen, die
in Chenopodium album mineerden.
6. Cosmopterye scribaiella v. Heyd. In Junij gevangen. Dit
jaar vele mijnen in October.
7. Leioptilus tephradactylus Hb. Vele exemplaren uit rupsen
van S. Virgaurea gekweekt. Weldra
verschijnt de beschrijving in Sepp.
De opgegeven zeven laatste soorten zijn ook door Pro-
fessor Zeller gezien.
Ofschoon nog enkele Sprekers waren ingeschreven, wordt
door hen, wegens het late uur, van het woord afgezien
en sluit de Voorzitter de Vergadering, onder dankzegging
aan allen, die door hunne mededeelingen hebben bijgedra-
gen om haar belangrijk te doen zijn.
EERST RBRBOOBRA »
op Java verzameld
DOOR
Mr. M. C. PIEPERS,
met Aanteekeningen en Beschrijvingen der nieuwe soorten
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
SPHINGINA.
Genus Macroglossa Ochs.
1. Gyrans Boisd. Suit. à Buff. Het. I, p. 336. — Kens in C. ?)
Aanmerking. Schijnt ook de Gyrans van Walker te
zijn, doch nu Boisduval den vlinder heeft beschre-
ven, kan Walker wel gepasseerd worden. Sn.
Genus Chaerocampa Dup.
2. Celerio L. — Gewoon in B.
Aanmerking. Het eenig overgezonden exemplaar
is groot, maar wijkt anders niet van Europesche
voorwerpen af. i Sn.
3. Alecto L. Boisd. p. 229. — Gewoon in B.
4. Thyelia L. Boisd. p. 231. — Zeer gewoon in B.
Aanmerking. Eson Cr. 226 c. zou volgens Boisduval
eene andere soort zijn. De door den heer P. over.
1) De Sphinginen en Bombyces zijn volgens Walker’s Catalogus van het Britsch
Museum gerangschikt, de Noctuinen en Geometrinen volgens Guenée, de Pyraliden
naar Lederer.
2) Zie voor de beteekenis der letters A, B, C, ter aanduiding van de vindplaats,
Tijdschr. v. Entom. dl. XIX, blz. 141,
1
À HETEROCERA OP JAVA.
gezonden exemplaren hebben allen eene breede bleek
roodachtig grijze streep over den rug, waarvan
Boisduval niet spreekt. Sn.
5. Oldenlandiae F. Boisd. p. 242. — Zeer gewoon in B.
6. Silhetensis Boisd. p. 240. — Zeer gewoon in B.
Aanmerking. Drie exemplaren komen goed met
Boisduval’s beschrijving overeen. Een is zeer gaaf
en stelt mij in staat om nog het volgende bij de
beschrijving te voegen: De rug van den thorax is
met twee korte gouden langslijntjes versierd en die
des achterlijfs is op het midden donkerder, waardoor
de witte langslijn nog meer uitkomt. Sn.
7. Velox F. Lucas Boisd. p. 254. — Zeer gewoon in B.
8. Phoenyx H.S. Boisd. p. 246. — Zeer gewoon in B.
Aanmerking. Boisduval’s Ghaer. Geryon , p. 244, pl. 7,
fig. 3 gelijkt zeer op Phoenyx. Ik zou geneigd zijn
beiden voor eene soort te houden, indien Boisd.
zijn Geryon niet beschreef en afbeeldde met eene
witte vlek aan den wortel der achtervleugels, die
bij geen der vier exemplaren van den heer P. voor-
komt. Sn.
Genus Pergesa Walk.
9. Acteus Cram. Boisd. p. 256. — B.
Aanmerking. Op den kop van den vlinder beginnen
twee koffijbruine strepen die tot over de helft des
achterlijfs doorloopen en daar verdwijnen. Sn.
10. Nessus Cram. 226 D. Equestris F. sec. Boisd. p. 260. — B.
Genus Otus Hbn. (Darapsa Walk).
41. Hypothous Cram. Boisd. p. 291. — B.
Genus Sphinx L.
42. Abietina Boisd. p. 108. Cerberus Voll. Mus L.B.&? Analis
Felder, Nov. II, 2, pl. 78, fig. 4 — Gewoon in B.
De groote rups is op den rug roodbruin, doch voor
HETEROCERA OP JAVA. 9
het overige groen met schuine zijstrepen, waarvan
elke zich over twee geledingen uitbreidt. Deze strepen
zijn wit doch worden als het ware door de groene
of bruinroode kleur heen gezien, zoodat zij zich als
vuilgeel of rose voordoen. Op den rug ziet men aan
het begin van elke geleding eene rooskleurige vlek.
Op de drie voorste geledingen ontbreken echter
zoowel deze vlekken als de zijstrepen, dach bevin-
den zich op den rug eenige witte stipjes. De hoorn
op het achtereinde is grijsgroen met witte knobbeltjes
bezet.
De rups verpopt zich in den grond in eene paarse
pop met eene bijzonder groote, zich ver van het lijf
verwijderende en daaraan een ruimen beugel vor-
mende, gekromde zuigerscheede. Op den 22” dag
kwam de vlinder uit.
Aanmerking. De vlinder komt zeer goed met Bois-
duval’s beschrijving overeen. Forestan Cramer IV,
pl. 394 B is stellig na verwant. Sn.
43. Convolvuli L. — Zeer gewoon in B. De vlinder heeft eene
zeer onbesuisde wijze van vliegen en is daardoor,
wanneer hij des avonds de verlichte woningen binnen
en aldaar onophoudelijk tegen menschen en zaken
aanvliegt, dikwijls zeer hinderlijk. Zijne oogen zijn
even als bij de Europeesche exemplaren bijzonder
schitterend.
De rups vond ik op eene zeer gewone Convolvu-
lus-soort met witte bloemen. Een exemplaar was
vuilbruin met donkerbruine onduidelijke dubbele
be schuine zijstrepen; langs de zijden even onder
de luchtgaten liep eene breede vleeschkleurige streep
en op het achtereinde bevond zich een kleine zwarte
hoorn. Een ander was geheel vuilgeel met bruin-
zwarten hoorn. Beide deze rupsen verpopten zich
zeer spoedig, zoodat men mag aannemen dat hare
4 HETEROCERA OP JAVA.
kleuren reeds verflaauwd waren. Zij verpopten zich
in den grond, wat deze soort echter niet altijd
schijnt te doen. De groote gekrulde zuigerscheede
der poppen scheen mij toe veel platter en ovaler
van vorm te zijn dan afbeeldingen van Europeesche
exemplaren die vertoonen.
Aanmerking. De overgezonden exemplaren komen
geheel overeen met die in Nederland gevangen of
gekweekt. Sn.
Genus Acherontia Ochs.
14. Styx Westwood. Boisd. p. 6. — Gewoon in B.
45. Satanas Boisd. p. 7. — Gewoon in B.
Aanmerking. Bij het eenige mannetje van Satanas
is de witte stip der voorvleugels niet aanwezig, bij de
wijfjes zeer verschillend in duidelijkheid. Overigens
merk ik op dat bij het mannetje en drie der wijfjes het
zwart tegen de punt des achterlijfs zich op de boven-
zijde zoo uitbreidt dat het geel geheel verdrongen
wordt. Bij een, overigens niet verschillend wijfje
zijn echter de zijden van het achterlijf tot aan de
punt met groote gele vlekken geteekend. Lachesis
Fabr., waarover Boisduval spreekt, zal dus wel de-
zelfde soort zijn als Satanas en de naam van Fabricius
moeten worden aangenomen. - Sn.
ZYGAENINA.
Genus Xenares H.S.
16. Mahisa Moore. — B.
Aanmerking. Het genus Xenares Herr-Sch. is syno-
niem volgens Moore met en ook jonger dan Walker’s
genus Phauda. Het eerste kan zijn, maar tevens is
het niet onmogelijk dat Walker’s genus nogmaals
onder 6 of 7 verschillende benamingen in 2 of 3
familién der Lepidoptera voorkomt (zie Stal, Stett.
Ent. Zeit. 1863, p. 97 en Lederer, Beitrag zur
-
HETEROCERA OP JAVA. a)
Kenntniss der Pyraliden, p. 13) en dus neem ik
liever Herrich-Schaffer’s naam aan. Ik kan mij echter
moeijelijk vereenigen met Herrich-Schaffer’s ziens-
wijze betreffende de plaatsing van dit genus in de
familie der Cossina, alleen omdat de vlinder geen
bijoogen heeft. Ik houd de Zygaenina, Cossina en
Cocliopodina voor drie zeer verschillende familién
der Lepidoptera, die naar leefwijze en habitus zeer
goed zijn gescheiden, doch waarvoor, tot onderschei-
ding der volmaakte insecten betere kenmerken moe-
ten worden gevonden dan die van Herrich-Schäffer.
Xenares is voor mij een Zygaeninen-genus , dat van
de mij bekende genera met smalvleugelige vlinders
(tot welke het behoort), zijnde Procris F. (Ino Leach),
Aglaope Latr. en Zygaena F., wordt gescheiden door
dat ader 2 op voor- en achtervleugels zich tegen het
eind met ader 1b der voor- en 1c der achtervleu-
gels vereenigt en verder door het gemis der bijoogen.
De nervuur is overigens als bij Procris, het achter-
lijf door de lange beharing anders, de sprieten spits
gepunt, met twee rijen tanden die in het midden
het langst zijn. Bekleeding der vleugels haarvormig.
Palpen kort. Zuiger niet aanwezig. Pooten alleen
met eindsporen. Sn.
LITHOSINA.
Genus Nyctemera Hbn.
17. Coleta Cram. — B.
48. Tripunctaria L. — Gewoon in B.
Genus Hypsa Hbn.
19. Albifera Felder, Nov. II, 2, pl. 106, f. 3. (Plana Walk.,
Nephele de Haan). — Gewoon in B. De rupsen vond
ik op eene te Batavia Daun laloewi genaamde plant.
Sommigen waren koffijbruin met helder gele ringen,
anderen groengeel van kleur; de twee voorste gele-
6 HETEROGERA OP JAVA.
dingen oranje met een zwart puntje op elke zijde,
de kop en de zes voorste pooten zwart, de overige
pooten oranje; de rug en zijden met enkele lange
witte haren bezet. De rups verandert in een opge-
rold blad in eene bruine pop van gewonen vorm.
Van drie op één dag verpopte rupsen kwamen alle
de vlinders op den 14” dag binnen hetzelfde uur uit.
20. Monycha Cram. — Uiterst gewoon in B.
21. Caricae F. Alciphron Moore, Cat. of Lep. Ins. II, pl. XII,
fig. 6, 6a (rups, pop, spinsel). — Gewoon in B. De rups
die op dezelfde plant als H. Silvandra Cram. leeft, is
zwart, doch heeft op den rug op elke geleding twee
gele, een zwart puntje bevattende vlekken, welke
alzoo te zamen twee overlangsche gele strepen over
den rug vormen, die echter op de 4 en de voor-
laatste geleding door zwarte zijstrepen zijn afgebro-
ken. Ook bevindt zich op elke zijde eene onduide-
lijke gele streep. Kop rood; pooten vuilgeel. De
rups verandert in een bruin popje in spinsel; op
den 9" dag verscheen reeds de vlinder.
Aanmerking. Deze beschrijving komt met Moore's
afbeelding overeen. Sn.
Genus Melania Felder.
22. Punctigera Felder, Nov. II, 2, pl. 106, f. 34 (2) 35 (3). — B.
Aanmerking. Deze soort is door Felder in beide
sexen afgebeeld, doch de beschrijving heeft nog niet
het licht gezien. Ik geef die dus van het wijfje naar
twee voor mij staande gave exemplaren van 19 mm.
Sprieten iets korter dan de helft van den voorrand
der voorvleugels. Geene bijoogen. Palpen iets langer
dan de kop, dun, rond, vrij spits, glad beschubd.
Zuiger lang. Thorax glad behaard; het achterlijf
met eene dikke staartpluim. Voorvleugels met sterk
gebogen voorrand; zij hebben even als kop en thorax
HETEROCERA OP JAVA. 1
eene onzuiver witte grondkleur en tot teekening een
aantal zwarte stippen van ongelijke grootte, die
meestal zeer verstrooid staan; op twee derden staan
echter eenige zeer fijne en vier van middelbare
grootte in den vorm eener tweede dwarslijn geschaard.
Franjelijn met fijne zwarte stippen; de franje als de
vleugels, met eene zwarte stip boven de helft. Ach-
tervleugels licht geelachtig grijs, ongeteekend; de
franje iets meer witachtig. Achterlijf als de vleugels;
de staartpluim geelachtig. Onder zijn de voorvleugels
bruinachtig grijs met ten deele van boven door-
schijnende zwarte stippen. Achtervleugels meer wit-
grijs dan boven, langs den voorrand bruinachtig als
de voorvleugels; op hunne dwarsader staat een don-
kergrijs vlekje. Franje witgrijs.
Voorvleugels met smalle, ongedeelde middencel en
reste dwarsader; ader 2 uit de helft van den bin-
nenrand, 3—5 uit of bij den binnenrandshoek, 6 bij
de spits der dwarsader, 7—9 gesteeld wit de spits,
10-14 uit den voorrand der middencel , 12 vrij.
In de achtervleugels 2 digt bij den staarthoek der
middencel, 3 en 4 daaruit, 4 tegen den wortel ge-
bogen, 5 ontbrekende, 6 en 7 lang gesteeld, 8 uit
de helft van den voorrand der middencel.
Pooten glad beschubd, gewoon gevormd en gespoord.
De man is naar Felder grijs gekleurd en met lich-
tere achtervleugels en heeft gebaarde sprieten. Sn.
Genus Bizone Walk.
23. Puella Drury. Moore, Cat. of Lep. Ins. II, pl. XII, fig.
13, 13a (rups, pop, spins.). — Gewoon in B. De zeer
zonderlinge pop vond ik in een zeer dun spinsel op
een blad van den boeni-boom (Antidesma bunias Sprg.)
Zij is groen, met gele stippen op de luchtgaten,
lange zwarte haren op het dikke kopgedeelte en
eenige witte haren aan het tegenovergesteld uiteinde,
24.
25.
26.
27.
28.
30.
Dl
92.
HETEROCERA OP JAVA.
en gelijkt zoo zeer op eene rups, dat men eerst bij
nauwkeurige beschouwing bemerkt geene rups maar
eene pop voor zich te hebben. Na weinige dagen
kwam de vlinder uit.
Aanmerking. Dit is anders dan Moore afbeeldt.
Volgens hem zou de pop gewoon gevormd en zwart
zijn en in een wijdmazig spinsel rusten. Sn.
Genus Deiopeia Steph.
Pulchella L. var. — Uiterst gewoon in B en C. De varie-
teit met gele in plaats van roode vlekken vond ik
slechts eenmaal. |
Aanmerking. De voorwerpen zijn kleiner dan Euro-
pesche. Sn.
Genus Arctia Schrank.
Strigatula Moore. — B.
Horsfieldii Saunders. — B.
Genus Spilosoma Boisd.
Maculifascia Moore. — B.
Genus Greatonotos Hbn.
Interrupta L. — Uiterst gewoon in B.
Genus Aloa Walk.
. Lactinea Cram. — Zeer gewoon in B.
Genus Amerila Walk.
Melanthus Cram. — B.
LIPARIDINA.
Genus Psalis Hbn.
Securis Hbn. Moore, Cat. II, pl. XIV, fig. 12, 124 (rups).—B.
Genus Leucoma St.
Impressa Snellen nov. sp. pl. 1, f. 1. — B.
Aanmerking. Deze vlinder heeft geene aanhangcel
HETEROCERA OP JAVA. _9
in de voorvleugels en aan de achterpooten slechts
eindsporen. Hij is dus, ook volgens Herrich-Schäffer
(Syst. Bearb. VI, p. 97) eene Leucoma en komt vrij
wel, wat de voornaamste kenmerken aangaat, met
onze Leucoma Salicis overeen. Alleen zijn de vleugels
wat smaller en ontspringt ader 5 der achtervleugels
uit één punt met 4, terwijl ader 6 en 7 ongesteeld
uit één punt komen. Bij Salicis staat de genoemde
ader 5 even ver van 4 als deze van 3, en 6 en 7
zijn gesteeld. Ook zijn de sprietbaarden iets langer.
Vlugt 36—37 mm. Sprietbaarden, palpen, alle
tarsen, de voorscheenen geheel en de anderen aan
het eind, eidojergeel, het overige van kop, thorax
en vleugels onder en boven glanzig sneeuwwit, de
voorvleugels met drie schuine, met den achterrand
evenwijdig loopende dwarsstrepen van zuiver witte,
doffe schubben, die tevens iets minder vlak liggen
dan de andere schubben, zoodat het den schijn heeft
of er zich op de voorvleugels drie ingedrukte strepen
bevinden.
Het achterlijf is wit behaard, doch is, welligt door
de werking van de vochten die er zich in bevonden,
vlekkig grijsachtig geworden. Ik vermoed dat het
bij het levende dier sneeuwwit zal zijn.
Naar mijn uittreksel van Eversmann’s beschrijving
gelijkt deze vlinder zeer op zijne Lip. Ochropoda,
doch deze heeft zwarte tanden aan de sprieten en
ik heb niets van eenige teekening der vleugels bij
Ochropoda genoteerd.
Drie gave wijfjes. on.
Genus Euproctis Hbn.
33. Incomta de Haan, Mus. Lugd. nov. sp. pl. 1, f. 2. — B.
Aanmerking. Hoewel in teekening eenigszins van
de overige soorten van Euproctis ') afwijkende, be-
1) Het genus Porthesia Stephens komt mij thans voor wel te kunnen vervallen.
10
HETEROGERA OP JAVA.
hoort deze vlinder ten opzigte der eigenlijke ken-
merken ten volle daartoe; hij is volkomen gebouwd
als onze beide Europesche soorten; alleen zijn de
pooten en palpen wat minder langharig. Achtervleu-
gels met ader 5.
Ik heb vier mannetjes van 29—32 mm. van deze
soort voor mij, die in donkerheid van tint verschillen.
Sprieten met grijsgele schaft en bruinachtige baar-
den. Thorax en achterlijf bruingrijs tot bleek grijs-
achtig okergeel. Voorvleugels evenzoo gekleurd, bij
drie exemplaren sterk verduisterd door grijsachtig
bruine schubben, die zich zelfs bij een voorwerp in
het wortel- en franjeveld zoo opeenhoopen dat het
bij de overigen door twee grijsbruine dwarslijnen
ingesloten middenveld zich daar als een lichtere band
vertoont. Het vierde voorwerp heeft bijna zuiver
grijsachtig bleek okergele voorvleugels, waarop zich
slechts sporen der dwarslijnen vertoonen, het dui-
delijkst van de tweede lijn. Bij allen is eene dikke
grijsbruine stip op de dwarsader zeer duidelijk. Geene
golflijn. Franje als de vleugels. Achtervleugels bleeker
van grondkleur dan de voorvleugels, vuilwit, onge-
teekend. Onderzijde geheel ongeteekend; de voor-
vleugels bruinachtig grijs; de achtervleugels als boven,
eer iets bleeker. Lijf en pooten als de onderzijde
der voorvleugels; de tarsen helderder geel,
Een exemplaar is door den heer Piepers op Java
gevangen, twee door hem op Celebes en het vierde ont-
ving ik van ’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie
onder den soortnaam Incomta de Haan in litt., dien
ik hierbij aanneem. Sn.
34. Flavata Cram. — B.
35. Digramme Boisd. (Gutta Brit. Mus.) — B.
36. Rubiginosa Snellen nov. sp. PL 1, f. 3. — B.
Aanmerking. Zeer na verwant aan de voorgaande,
HETEROCERA OP JAVA. 14
die op het Britsch Museum in het genus Artaxa
Walker geplaatst is. Beiden onderscheiden zich
van onze beide, typische Europesche soorten van
Euproctis alleen door iets grootere, opgerigte, korter
en gladder behaarde palpen, zoodat ik het waag te
betwijfelen of dit bij den tegenwoordigen toestand der
systematiek genoegzaam is tot eene verwijdering uit
Euproctis, vooral daar zij beiden volgens Herrich-
Schäffer (Syst. Bearb. VI, p. 97) ook tot het genus
Euproctis behooren.
Vlugt 20 mm. Sprietschaft geelwit, de baarden
bruinachtig. Palpen bleek okergeel. Lijf op de bo-
venzijde door een roestig geel gekleurd, dat ook in
den vorm van bestuiving de overigens bleek oker-
gele voorvleugels tot drie vierden kleurt. In dit
roestgeel zijn op het midden der voorvleugels twee
zeer flaauwe, digt bijeenstaande dwarslijnen uitge-
spaard, die beiden driemaal gegolfd zijn. De eerste
staat iets schuin buitenwaarts, de tweede loodregt,
zoodat zij aan den binnenrand nader bijeenstaan
dan aan den voorrand. In cel 5 staat digt bij den
achterrand een ovaal zwart vlekje. Achtervleugels
geelwit, tegen den binnenrand eenigszins roestkleu-
rig geel.
Onderzijde der vleugels ongeteekend, geelwit,
even als de pooten. Achterlijf en borst bleek roest-
kleurig geel.
Franje overal als de vleugels, ongeteekend.
Een gaaf mannetje. Sn.
37. Atomaria Brit. Mus. Moore, Cat. II, pl. XVI, fig. 1, da
(rups). — B.
Beschrijving. Pl. 1, fig. 4. 42—44 mm. Drie vrij
gave voorwerpen, twee mannetjes en een wijfje.
Palpen als bij de voorgaande soorten, bleekgeel , bij
het mannetje op zijde met een zwart lijntje. Sprieten
bij den man met bruingele schaft, bij het wijfje
12 HETEROCERA OP JAVA.
smaller met bleek okergele schaft; baarden bij beiden
bruinachtig. Kop, thorax en voorvleugels bij het
mannetje saffraangeel, bij het wijfje okergeel en bij
beiden met fijne zwarte schubben bestrooid, die bij
laatstgenoemde sexe gelijkmatig over den geheelen
vleugel verbreid zijn, doch bij den man eenigszins
bijeengetrokken zijn om twee zeer flaauwe, paars-
achtig roestgele dwarsstrepen. Deze staan aan den
voorrand (dien zij niet bereiken) ver uit elkander,
doch vloeijen in cel da ineen, zoodat de teekening
eenigermate den vorm eener grieksche v verkrijgt.
Op de dwarsader staat eene zwarte stip.
Achtervleugels okergeel, bij het wijfje zeer bleek,
bij het eene mannetje meer saffraankleurig, doch bij
alle drie voorwerpen veel bleeker dan de voor-
vleugels.
Achterlijf bij het wijfje licht grijsachtig bruin, bij
den man donker okergeel. Onderzijde bij laatstge-
noemden licht okergeel, bij het wijfje zeer bleek.
Deze soort is naar de nervuur en pooten eene
tvpische Euproctis. Ik ontving haar onder den naam
Atomaria van het Britsch Museum terug met opgave
dat het ook de Atomaria van Walker is. Zonder te
onderzoeken of deze schrijver onze soort ook buiten-
dien nog onder een dozijn verschillende namen in
even zoovele genera heeft beschreven (of tweemaal
onder verschillende namen in hetzelfde genus wat
ook voorkomt !), geloof ik toch dat zij onder den
naam Atomaria meer bekend geraakt is dan onder
dien van Grocata de Haan, zoo als zij op het Leidsch
Museum voorkomt. Ik had anders om meer dan eene
reden aan laatstgenoemden naam de voorkeur ge-
geven.
1) Het is ook nog meermalen gebeurd dat twee verschillende soorten onder
denzelfden naam in een genus werden beschreven. Men heeft dus voorbeelden van
alle denkbare slordigheden.
HETEROCERA OP JAVA. 43
De rups gelijkt, naar Moore’s afbeelding, zeer
op die van onze Europesche Org. Pudibunda. Sn.
38. Mülleri Voll. Mus. Lugd. nov. sp. — B. De kleine kort-
harige rups, met eene overlangsche gele streep op
den rug, veranderde in een gewoon popje in een zeer
dicht, wit, langwerpig spinsel, waaruit op den 10”
dag de vlinder kwam.
Beschrijving. Pl.1, fig.5 (8) en fig. 6 (g). 4 SAT,
9 62—65 mm. Zeer in grootte en bovendien ook in kleur
en teekening verschillende, is het alleen ten gevolge
eener waarneming van den heer Piepers, die beide
sexen gepaard ving, dat ik die juist kan bijeen voegen.
Palpen wat meer naar die onzer Europesche soor-
ten gelijkende dan bij de voorgaande soorten !),
geel met zwarte lijntjes. Sprieten bij beide sexen
met bruingele schaft en lichtbruine baarden, bij het
wijfje wat smaller dan bij den man. Thorax zeer
ruig en ijl behaard. Bij den man is hij even als de
kop helder donker okergeel, bij een wijfje eveneens
donker okergeel doch grijsachtig, bij vier anderen
donker grijsbruin, alleen op zijde der schouderdek-
sels geel.
Voorvleugels bij den man eenkleurig okergeel ,
bijna goudgeel, geheel ongeteekend, of hetzij met
eene donkere stip op de dwarsader of met zeer
flaauwe sporen van eene roestbruine tweede dwars-
streep, wat echter niet te zamen voorkomt. De
donkere middenstip is bij twee exemplaren zwart,
bij twee kleiner en meer bruin als een ingeroest
ijzer stiftje. Achtervleugels en ongeteekende onder-
zijde iets bleeker okergeel. Franje overal als de
vleugels. Achterlijf, borst, buik en pooten donker
okergeel.
1) Waar zij zijn zoo als bij Incomta is beschreveti.
14 HETEROCERA OP JAVA.
Bi) al de wijfjes zijn de voorvleugels okergeel,
minder levendig dan bij den man, zeer gelijkmatig
met fijne zwartbruine stippen bestrooid; ook onder
de binnenrandsfranje bevinden zich zulke haren,
doch de achterrandsfranje is zuiver okergeel. Ach-
tervleugels bijna even donker okergeel als de voor-
vleugels, bij een exemplaar evenzeer zwart bestoven
als de voorvleugels doch meer tegen den achterrand,
bij de anderen geheel ongeteekend. Onderzijde ge-
kleurd als de bovenzijde der achtervleugels, zwart
bestoven, bij het exemplaar met op de bovenzijde
zwart bestoven achtervleugels zeer sterk, bij de
anderen minder.
Rug en zijden van het achterlijf bij twee wijfjes
zeer licht bruingrijs met okergelen wortel, bij twee
zeer donker grijsbruin met grijsgelen wortel en
staartpluim. Buik en borst bij allen grijsgeel.
Een wijfje is door den heer Piepers op Java ge-
vangen, tien mannen en vier wijfjes op Celebes.
Bij de laatsten komen de voorwerpen voor met grijs-
bruine kleur op de bovenzijde van het lijf.
Op het Leidsch Museum komt deze soort voor
onder bovengenoemden, door Dr. Snellen van Vollen-
hoven gegeven naam '), dien ik gaarne aanneem. Sn.
39. Virguncula Br. Mus. — B.
Aunmerking. Pl. 1, fig. 7. Om dezelfde reden als
bij Eup. atomaria vermeld, geef ik, ofschoon noode,
de voorkeur aan den naam waaronder ik deze soort
van het Britsch Museum terug ontving, boven dien
waaronder zij op het Leidsch Museum voorkomt,
t. w. Proxima Snell. v. Voll. Deze laatste naam is
waarschijnlijk gekozen wegens de groote gelijkenis op
de beide Europesche soorten van Euproctis. Vooral ge-
lijkt zij veel op Similis Fuessly (Auriflua Wien. Verz.).
1) Eenige voorwerpen van ’s Rijks Museum werden door Dr. S. Müller gevangen
en overgezonden.
HETEROCERA OP JAVA. 15
Het wijfje verschilt alleen door dat de tweede helft
van het achterlijf en dus niet alleen de staartpluim,
vuil okergeel is; ook is het wit onzuiverder. Bij het
veel kleinere mannetje daarentegen is op de onder-
zijde de wortelhelft der voorvleugels zwartgrijs met
drie tanden, een lange aan den voorrand, een korte,
spitse op den wortel van ader 4 en een stompe,
weder iets langere, in cel 4b. Ook de voorrands-
wortel der achtervleugels is zwartgrijs. Bij Similis mas
is het zwartgrijs van de onderzijde der voorvleugels
vooral op de franjehelft te vinden; op de wortelhelft
ziet men alleen eene streep onder den voorrand.
De bovenzijde is bij beide sexen van Virguncula
geheel ongeteekend.
Vlugt van het mannetje 25, van de beide wijfjes
38—39 mm.
Drie exemplaren. Sn.
Genus Dasychira Steph.
40. Misana Moore. — B. De 16pootige rups, gevonden op Zea
mays L., is met lange haren bezet. De kleur is
goudgeel, hetwelk over de geheele lengte van den
rug door eene breede zwarte streep in tweeén ge-
deeld is. Op deze streep bevinden zich vier dikke
lichtgrijze borstels. Die geledingen, welke geene
borstels dragen, bezitten op den rug vleeschkleurige
met witte haren bezette knobbels; in de zijden zijn
mede twee rijen zulke knobbels bezet met zeer lange
witte haren, die aan het uiteinde witte stipjes ver-
toonen. Aan elke zijde van den kop steekt een bos
lange donkergrijze haren met witte uiteinden uit; op
het achtereind vindt men mede een bos lange don-
kergrijze haren.
De geelbruine, vrij groote pop van gewonen vorm
is in een zeer dicht, lichtgrijs met haren vermengd
spinsel besloten en gaf op den 9” dag den vlinder.
16 HETEROCERA OP JAVA.
Aanmerking. Het exemplaar van den heer Piepers
is een wijfje van 55 mm. vlugt; het komt in kleur
en teekening zeer goed met het bij Moore afgebeelde
mannetje overeen, doch ik merk op dat hij de grond-
kleur der voorvleugels in de beschrijving wit noemt.
Sn.
Genus Lymantria Hbn.
44. Nov. sp. — B. Een exemplaar, doch niet gaaf genoeg
om te publiceeren. Sn.
NOTODONTINA.
Genus Crinodes H. S.
42. Sommeri Hbn. Des nachts in mijne verlichte woning
in B. binnengevlogen.
Aanmerking. Eene echte Notodontine aan Uropus
en Hybocampa verwant. Sn.
Genus Phalera Hbn.
43. Sangana Moore. — B. De groote, vette op beloentas (Pluchea
indica Less.) levende rups is zwart en met uitzon-
dering van eenige bosjes bruine haren geheel kaal.
Zij verandert in eene losliggende zwarte pop met
bijzonder groote langwerpige luchtgaten en aan het
achtereinde uitloopende in een afgeplat van fijne
tanden voorzien kammetje. Op den 14” dag kwam
de vlinder uit. | |
Aanmerking. De palpen zijn wat langer dan bij onze
beide Europesche soorten en de sprieten draadvormig ,
doch overigens heeft deze vlinder volkomen den bouw
van Phalera Bucephala en Bucephaloides en is ook
eveneens geteekend. Sn.
COCLIOPODINA.
Genus Miresa Walk.
44. Nitens Brit. Mus. Moore, Cat. IT, pl. XXI, fig.4, 4a, 40
(rups en spinsel). — B. Op 15 Juni vond ik de prach-
HETEROCERA OP JAVA. 17
tige rups op pisang (Musa paradisiaca L.) Haar lichaam
bestond schijnbaar uit twee deelen, waarvan het
bovenste als het dak eener woning op het onderste
rust. Dit bovenstuk nu is zeer schoon goudgeel
van kleur, midden op den rug door eene overlang-
sche streep van bruin en hemelsblauw afgebroken
en met acht gele doornen bezet, waarvan de vier
grootsten aan wederzijde van den kop en het ach-
tereind uitsteken en twee iets kleineren zich aan elke
zijde van den rug bevinden. Het meer groengele,
eenige zwarte zijstrepen vertoonende onderstuk is
met 24 nog kleinere dergelijke doornen bezet. Na
eene vervelling die op 25 Juni plaats vond, veran-
derde de grondkleur der rups in zeer licht geel-
groen; de schoone bruine en hemelsblauwe streep
op den rug bleef bestaan, doch de doornen veran-
derden allen, de vier grootsten in lange stijve pen-
seelen, de vier minder grooten en de 24 kleineren in
harde stekelige borstels, die op den rug geel, die
op het onderstuk van dezelfde lichtgroene kleur als
het lichaam; en nu vertoonde zich verder de her-
haalde verandering dier borstels of doornen, waar-
van reeds melding is gemaakt in het verslag der
30° Algemeene Vergadering van de Ned. Ent. Veree-
niging, gehouden te Amsterdam op 24 Juli 1875
(zie Tijdschr. dl. XIX, p. xx1).
Op 2 Juli werden de kleuren dof en den volgen-
den dag veranderde de rups in eene lichtgele pop,
die in een kogelrond, bruin, zeer dicht en hard,
op een pisang-blad vastgelijmd spinsel besloten was.
Den 21” van dezelfde maand kwam de vlinder, na
uit het spinsel een zuiver rond stukje als ware het
met eene schaar er uitgeknipt, verwijderd te hebben,
te voorschijn en zette zich in rust op zeer vreemde
wijze met afhangenden kop op een takje neder.
Aanmerking. Bovenstaande , door den heer Piepers
DI
48 HETEROCERA OP JAVA.
medegedeelde waarneming bewijst niet minder dan
de vlinder, dat dit dier tot de Cocliopodina behoort,
eene familie van welker rijkdom aan vormen onze
beide Europesche soorten ons volstrekt geen denk-
beeld kunnen geven. Hierbij vindt men op pl 1,
fig. 8, eene afbeelding van den vlinder naar een
fraai Javaansch mannetje uit mijne collectie en tevens
eene van de nervuur die, zoo als men ziet, niet veel
van die van Limacodes Testudo verschilt. De sprieten
en palpen zijn echter geheel anders en het aange-
zigt draagt eene spitse kuif, waaronder evenwel
geen hoornige punt of plaat verborgen is. Pooten
kort, dik, gewoon gespoord.
De beschrijving der rups komt overigens niet zoo
juist met Moore's afbeelding overeen , dat men niet
aan eene tweede, verwante soort zou kunnen denken,
waartoe Moore's rups zou behooren, doch de vlinder
behoort tot de soort die het Leidsch Museum van
het Britsche als Mitens ontving. Sn.
Genus Parasa Moore.
45. Lepida Cram.— B. De op klapperbladeren (Cocos nucifera
L.) levende rups is schoon groen met eene lintvor-
mige lilas-streep langs de geheele lengte van den
rug. Op kop en achtereind en aan beide zijden der
laatste geleding bevinden zich zwarte punten, terwijl
het gansche lichaam bezet is met korte groene, in
bosjes bij elkander geplaatste doornen. De bruine
pop bevindt zich in een dik, hard op een blad ge-
lijmd spinsel. Op den 25” dag kwam de vlinder uit.
Aanmerking. Mede eene Cocliopodine , doch het
exemplaar is vrij sterk beschadigd, zoodat ik alleen
van de nervuur iets zeggen kan. Ik geef daarvan
eene afbeelding op pl. 2, fig. 9. Men ziet dat zij
van die van Miresa nitens verschilt door dat in de
voorvleugels de deelingsader der middencel franje-
HETEROCERA OP JAVA. AQ
waarts gevorkt is en alleen ader 8 en 9 gesteeld in
den achterrand uitloopen, terwijl 7 uit de spits en
40 uit den voorrand der middencel komt. Sn.
DREPANULINA.
Genus Drepana Schrank.
46. Fulvata Snell. nov. sp. — B. PI. 2, fig. 10.
Beschrijving. Een man van 20 mm. vlugt.
Eene echte Drepana, de nervuur geheel als bij
onze Europesche soorten, verder de pooten alleen
met eindsporen en de achterrand der voorvleugels
ongetand, op ader 3 niet met eene bogt, maar bene-
denwaarts van de vleugelpunt vrij vlak. Het dier is
dus na verwant aan Cultraria en Binaria, van welke
het verschilt door de eenkleurige, helder gele boven-
zijde met bruine halve maan onder de voorvleugel-
punt en bruine middenvlek dier vleugels.
Palpen, aangezigt en sprieten lichtbruin; schedel
achter de sprieten, halskraag en punt des achterlijfs
grijswit; overigens de geheele bovenzijde helder geel
gekleurd, tusschen goudgeel en okergeel in. De
voorrand der voorvleugels is mede jets bruinachtig,
de halvemaanvlek onder de vleugelpunt op den
vleugel paarsachtig met twee donkerder vlekken, op
de franje roestbruin. Het middenvlekje is roestbruin
en staat niet op de dwarsader, maar aan den wortel
van cel 3. Verder ziet men nog een bruin stipje op
de helft der middencel en sporen van twee dwars-
lijnen als bruine streepjes in het midden der cellen,
benevens enkele zwartgrijze voor den achterrand als
aanduiding eener golflijn. Achtervleugels met flaau-
were middenvlek en sporen van twee dwarslijnen
en eene golflijn als op de voorvleugels.
Onderzijde geelwit, ongeteekend, behalve eene
flaauwe schets van de halvemaanvlek der voorvleu-
gels. Pooten bruinachtig. Sn.
47.
50.
HETEROCERA OP JAVA.
SATURNINA.
Genus Tagora Walk.
Amoena Moore. — Gewoon in B.
Aanmerking. Dit dier behoort tot de familie der
Saturnina. Sn.
Genus Cricula Walk.
. Trifenestrata Helf. — Gewoon in B. De poppen in dikke,
sterke, goudkleurige spinsels tegen kanarieboomen
(Canarium commune L.).
Aanmerking. Cricula is een Saturninen-genus, ook
volgens Herrich-Schäffer. Sn.
. Crameri Felder. — Gewoon in B. De rupsen op de bla-
deren van ketappan (Terminalia catappa L.); dadap
(Erythrina indica L.), enz.
Aanmerking. Houd ik slechts voor eene varieteit
van Atlas. Sn.
Ricini Jones. (Cynthia Cr. nec Drury = Insularis Voll.) —
Gewoon in B.
Genus Antheraea Hbn.
. Mylitta F. — Gewoon in B.
Genus Bombyx L.
. Waringi Teysm. in litt. nov. spec. Pl. 2, fig. 44.
Van deze soort vond ik eens eene menigte rupsen
gezellig bijeen op een waringin-boom (Ficus benjaminea
L.?), welke rupsen, kaal, lichtgroen van kleur en
van een’ hoorn op het achtereind voorzien zijnde,
volkomen het miniatuurbeeld vertoonden eener groote
Sphinx-rups. Zij verpopten zich in een dicht, geel,
op een blad vastgehecht spinsel, waaruit reeds op
den 6” dag de vlindertjes te voorschijn kwamen.
Beschrijving. Twee wijfjes van 26 en 31 mm.
Achterrand der voorvleugels zonder uitsnijding
onder de vleugelpunt, overigens de nervuur geheel
HETEROCERA OP JAVA. 21
als bij Mori L. Kop, thorax en pooten zijn bij het
grootste exemplaar geheel licht roestgeel, bij het
andere zijn halskraag en thorax-rug onzuiver wit,
gelijk bij beiden de dun beschubde, ongeteekende
vleugels onder en boven zijn. De vleugels hebben
eenigen glans. Sprieten bleek roestgeel.
Achterlijf wit als de vleugels, de staartpluim aan
de spits iets geelachtig, vooral op de onderzijde, Sn,
BOMBYCINA.
Genus Gastropacha Ochs.
53. Vishnou Lefebvre. Moore, Cat. II, p. 425, pl. XXI,
fig. 3, 3a—3d. — Zeer gewoon in B en C.
De rups, die ik te Batavia op ketappan (Terminalia
calappa L.) en later te Mangkasar in Z. W. Celebes,
op djamboe mer (Cerocarpus aqueus Hassk.) vond,
heeft eene zonderlinge overeenkomst in gedaante met
die van Amathusia Phidippus L., doch niet de aan
deze laatste eigene groene kleur. Een exemplaar
van Batavia was geelgrijs van kleur met vele haren
bezet, welke zwart waren met uitzondering van een
aan de beide zijden uitstekenden rand van lange witte
haren en van een aan elke zijde van den kop uitste-
kenden zeer langen haarbos, uit licht bruine aan den
wortel met witte vermengde haren bestaande. Op
den rug vertoont zich eene zeer schoone, overlangsche
als het ware uit witte en gele vloszijde geborduurde
streep en op elke geleding ter zijde van die streep twee
zwarte punten. De kop is rood met twee gele streepjes,
de 16 pooten zijn mede rood. Alvorens deze rups
tot verpopping overging, vertoonde zij de zonderlinge
kleurverandering , vermeld in het bovenaangehaald
verslag van de 30° vergadering der Ned. Ent. Veree-
niging. Zij veranderde in eene gele pop, die in een
zeer dicht, met de gekleurde haren vermengd en van
bo
bo
HETEROCERA OP JAVA.
twee stompe punten voorzien spinsel besloten is,
hetwelk aan de bovenzijde van een takje is vastgehecht.
De rupsen en poppen der beide in volmaakten
toestand zoo verschillende sexen dezer soort onder-
scheiden zich slechts daardoor, dat die der mannetjes
steeds veel kleiner blijven dan die der wijfjes en de
rupsen der mannetjes alzoo veel sneller volwassen
zijn en zich spoediger inspinnen.
Aanmerking. Met deze beschrijving der eerste toe-
standen komt de bij fig. 3 door Moore afgebeelde
rups tamelijk wel overeen. De afbeelding fig. 3c is
kennelijk met minder zorg vervaardigd. Als voedsel
noemt Moore nog: Ricinus communis, Punica grana-
tum en Shorea robusta. Sn.
COSSINA.
Genus Cossus F.
5%. Strix L.— Gewoon in B. De rups vond ik niet te Batavia
maar later te Mangkasar in Z. W. Celebes. Zij was
vingerlang en vingerdik, wit van kleur en vet gelijk
sommige larven van Coleoptera en leefde in het
hout van den toerie-boom (Agati grandiflora D. C.).
Zij veranderde mede aldaar in eene groote bruin-
roode pop, die in een zeer dicht met spaanders ge-
mengd spinsel besloten is.
NOCTUINA.
Genus Thyatira Ochs.
55. Vicina Gn. — B.
Aanmerking. Een wijfje dezer soort, die wel zeer
in teekening op onze Th. Batis gelijkt, maar er ge-
neriek niets mede te maken heeft. Vicina is geene
Cymatophorine, gelijk Guenée aanneemt, maar eene
typische Noctuine, tot de Quadrifiden behoorende. De
nervuur is normaal (voorvleugels met aanhangcel); de
HETEROGERA OP JAVA. 93
pooten zijn glad beschubd, ongedoornd; de oogen
naakt, onbewimperd. Als bijzonderheid stip ik aan
dat zich aan den wortel der sprieten een kleine
schubbentand bevindt en de schulpvormige halskraag
zeer groot is. Sn.
Genus Leucania Ochs.
56. Extenuata Gn. — B.
Aanmerking. Ken wijfje komt zoo zeer met Guenée’s
beschrijving overeen, dat ik niet aarzel om onze
soort voor Extenuata Gn. te houden.
Tangala Feld. Novara II, 2, pl. 109, fig. 12 van
Ceylon schijnt mij dezelfde soort. Sn.
97. Leucostigma Snell. nov. sp. — B. PI. 2, fig. 12.
Beschrijving. Drie mannetjes en een wijfje van
25—26 mm.
In teekening kennelijk het naast verwant aan
Leucania turca, doch de pooten bij beiden sexen glad
behaard, gewoon gevormd. Palpen zemelkleurig ,
op zijde donkerbruin. Sprieten draadvormig, kort
behaard. Kop, thorax en voorvleugels zemelkleurig ,
met enkele fijne zwarte schubben bestrooid en de
laatsten tegen den achterrand grijs bestoven. Eene
ronde witte stip onder aan de dwarsader, die bij
twee exemplaren tegen den binnenrandshoek eenige
zwartgrijze schubben heeft, is bij alle vier de exem-
plaren duidelijk, doch overigens is de gewone Noc-
tuinenteekening slechts ten deele te zien. De halve
dwarslijn, de ronde vlek en de golflijn ontbreken,
de eerste dwarslijn wordt door twee donkergrijze
boogjes onder de subcostaalader (bovenste midden-
ader) vertegenwoordigd en loopt schuin. Van de
schaduwlijn zijn slechts sporen te zien. Tweede dwars-
lijn ver naar achteren, gelijkmatig gebogen, grijs,
met zwarte stippen op de aderen. Franje iets don-
kerder dan de vleugels. Achtervleugels wit, glanzig,
24
HETEROCERA OP JAVA.
met paarsen weerschijn en roodachtig geelwitte franje.
Achterlijf iets lichter en grijzer dan de voorvleugels,
evenzoo de onderzijde der voorvleugels, die van het
lijf en de pooten; de achtervleugels als boven, tegen
den voorrand grijsgeel. Franjelijn onder en boven
ten deele met donkere stippen. sn.
58. Coenosa Snell. nov. sp. — B. PI. 2, fig. 13.
Beschrijving. Drie mannetjes van 30—31 mm.
Eene verwante van Putrescens, Punctosa en Uda
Guenée , doch zich onderscheidende door de scherp
licht en donker gedeelde vleugelpunt. De grondkleur
van kop, thorax en voorvleugels is een vuil geel-
achtig of roodachtig grijs. Palpen op zijde zwart-
grijs. Kop en halskraag, bij het eene exemplaar ook
de geheele thorax, paarsachtig zwartgrijs verduisterd
en de halskraag bij allen met drie donkerder langs-
lijnen. Eene donker slijkkleurig grijze, vervloeijende
langsstreep komt uit het midden van den vleugel-
wortel en heeft juist onder de middenader eene
scherp zwarte langslijn met eene stip aan het eind
bij den wortel van ader 2. Boven de middenader
begint dan eene tweede donkere lijn die even
scherp als de eerste is, doch donkerbruin. Deze
lijn strekt zich uit tot het tweede derde van den
vleugel, doch wordt onder aan de dwarsader af-
gebroken door eene scherpe witte stip en heeft
aan haar einde de uit zeer fijne donkerbruine stip-
pen en streepjes bestaande, bijna zamenhangende
tweede dwarslijn. Vleugelpunt zeer juist en scherp
geelgrijs en slijkkleurig zwartgrijs gedeeld. De laatste
kleur beslaat den geheelen achterrand als een drie-
hoek, welks punt met de langsstreep uit den wortel
ineenvloeit, terwijl de tweede zijde, tegen den bin-
nenrand, zeer onmerkbaar wortelwaarts vervloeit.
Cellen tegen den achterrand met fijne donkerbruine
langslijnen die in randstippen eindigen. Franje zwart-
HETEROCERA OP JAVA. 95
grijs. Achtervleugels wit, iets berookt, vooral op
franje en achterrand en deze met fijne zwarte stip-
pen. Achterlijf licht roodachtig grijs, de staartpluim,
vooral van onderen , donkergrijs. Buik met twee zwarte
langslijnen. Onderzijde der voorvleugels, de voor-
rand en het bovengedeelte der overigens witte ach-
tervleugels donker bruingrijs. Pooten donker grijs,
de achterscheenen lichter.
Een der exemplaren is van Java en vrij afgevlo-
gen, de beide anderen van Celebes en zeer gaaf.
Sn.
59. Yu Gn. — B.
Aanmerking. Zeer vreemd geteekend, doch eene
echte Leucania. Sn.
Genus Glottula Gn.
60. Dominica Cram. — Gewoon in B. De 16pootige rups is
kaal en zwart van kleur, doch heeft op elke geleding
een witten ring, bestaande uit kleine niet samen-
hangende witte vlekken. De kop is rood. Ik vond
de rupsen binnen in de dikke bladeren eener als
sierplant gekweekte leliesoort. Zij veranderden in,
of sommigen op de aarde in kleine zwarte poppen.
Aanmerking. Men ziet uit bovenstaande beschrij ving
dat ook de rups en hare leefwijze zeer op die van
Pancratii Cyrillo gelijken. Ik houd het specifiek ver-
schil van beiden dan ook niet voor ontwijfelbaar.
Bij de door Guenée opgegeven verschilpunten voeg
ik echter nog dat bij mijne exemplaren van Pancralii
de tarsen wit geringd zijn en de sprieten geel,
terwijl bij de exemplaren van Dominica de eersten
eenkleurig donker en de laatsten grijsbruin zijn.
Sn.
Genus Spodoptera Gn.
61. Mauritia Boisd. — B.
Aanmerking. Het wijfje is minder bont geteekend
26 HETEROCERA OP JAVA,
dan de man en mist de lange beharing der pooten.
Wanneer wij deze, als niet aan beide sexen eigen,
buiten rekening laten, kan Spodoptera Mauritia hoog-
stens aanspraak maken op eene plaats in Caradrina
A, b van Lederer. De vlinder is na aan Exigua
verwant. Sn.
Genus Prodenia Gn.
62. Retina H. S. — Zeer gewoon in B.
Genus Apamea Ochs.
63. Modestissima Snell. nov. sp. — Gewoon in B. Pl. 2, fig. 14.
Beschrijving. Zestien exemplaren van 30—34 mm.
Om de overeenkomst in teekening met de vlinders
van Guenée’s genus Apamea daarin geplaatst, doch
overigens volgens Lederer eene echte Hadena. De
pluimpjes op den rug des achterlijfs en achter den
halskraag zijn echter klein, en alleen bij gave exem-
plaren goed te zien en weinig donkerder dan het lijf.
Ik heb niet onderzocht hoe de staartkleppen van
het mannetje gevormd zijn, daar het mij hoogst on-
doelmatig voortkomt om daarnaar de genera der
Noctuinen nader te verdeelen. Naar vleugelvorm,
kleur en teekening is de vlinder na aan Gemina Hbn.
en Unanimis Tr. verwant. Hij heeft den vleugelvorm
van eerstgenoemde soort en de grondkleur van den
type der laatste, doch vuiler en de teekening is
flaauw. Sprieten draadvormig. Kop met palpen,
thorax en voorvleugels vuil roodbruin, de halskraag
met een zwart lijntje. Het middenveld der voor-
vleugels is onder de ondervoorrands- (bovenste mid-
den-)ader donkerder, doch overigens de vleugel vrij
eenkleurig. Ook varieert de tint van het roodbruin
slechts weinig. Dwarslijnen gegolfd, iets lichter dan
de grond, met donkergrijze halve maantjes aan de
toegewende zijden. Golflijn met drie bogten, fijn
bo
HETEROCERA OP JAVA. 7
getand, licht als de dwarslijnen, wortelwaarts met
donkere beschaduwing, die bij een wijfje in den
vorm van onduidelijke pijlvlekken bijeengetrokken is.
Ronde en niervlek iets lichter, meer grijsachtig dan
de grondkleur; de eerste staat schuin en is lang-
werpig; de tweede is aan de randen met grijswitte
stippen geteekend. Tapvlek onduidelijk, zwartgrijs.
Schaduwlijn onduidelijk. Voorrand met lichte, rood-
achtige stippen geteekend als begin der dwarslijnen
en verder nog met drie boven aan den gewaterden
band. Voor de franje lichte, roodachtige stippen op
de adereinden en in de cellen; zij worden door eene
eveneens gekleurde, zeer fijne lijn tot eene gefeston-
neerde teekening vereenigd. Franje grijsbruin. Ach-
tervleugels bij de mannetjes witgrijs, bij de wijfjes
bruingrijs, bij beide sexen het aderbeloop en het
achterrandsderde nog donkerder. Franje grijsgeel.
De dwarsader is iets donkerder beschubd, doch dit
is alleen bij de mannen te zien.
Achterlijf, pooten en onderzijde bruingrijs, bij de
mannen de wortelhelft der achtervleugels, bij de
wijfjes alleen de binnenrand daarvan witachtig.
Deze soort schijnt in Nederlandsch Oost-Indië niet
zeldzaam te zijn; vijf der door den heer Piepers
overgezonden exemplaren zijn van Java, de overigen
van Celebes. Sn.
Genus Agrotis Ochs.
64. Interjectionis Gn. — Uiterst gewoon in B.
Aanmerking. Echte Agrofis en na verwant aan
Trux en Segetum.- Sn.
Genus Mamestra Ochs.
65. Nigrocuprea Moore. — B.
Aanmerking. Plaatsing slechts provisoneel. Sn.
Genus Heliothis Ochs.
66. Armigera Hbn. — B.
28 HETEROCERA OP JAVA.
Genus Anthophila Ochs. (Thalpochares Led.)
67. Accedens Feld. et Rog. Nov. II, 2, pl. 108, fig. 8. —
Gewoon in B.
Aanmerking. Behoort tot het genus Thalpochares
Led. Sn.
Genus Homodes Gn.?
68. Thermesioides Snellen nov. sp. —B. PI. 2, fig. 15, a—e.
Beschrijving. Een gaaf mannetje van 23 mm.
Slechts voorloopig hier geplaatst om de overeen-
komst in kleur en teekening, overigens meer aan
eene Thermesia herinnerend.
Palpen licht kaneelbruin, glad beschubd, weinig
breeder dan de helft der oogen; lid 2 schuin opge-
rigt, 3 rolrond, dunner en de helft korter dan lid
2, horizontaal, iets geneigd. Zuiger aanwezig. Oogen
naakt, onbewimperd; geene bijoogen. Voorhoofd met
een kort kuifje. Sprieten draadvormig, bijna naakt.
Lijf glad behaard.
Vleugels onder en boven bruingeel; de bovenzijde
zeer gelijkmatig met vele fijne purperroode dwars-
schrapjes, van welke eenigen zich op de achtervleu-
gels tot eene gebroken fijne dwarslijn vereenigen.
Verder ziet men eene purperroode, franjewaarts iets
vervloeijende dwarslijn, die even onder de voorvleu-
gelpunt zeer fijn begint en onafgebroken en iets
dikker doorloopende, een weinig boven de helft van
den binnenrand der achtervleugels eindigt. Franje
met licht kaneelbruine wortel- en purperroode bui-
tenhelft. Op de onderzijde zijn de dwarsschrapjes
en de dwarslijn paarsbruin, fijner maar meer afge-
broken; bovendien ziet men nog onvolkomen paarse
ringen op de dwarsaders en is de wortelhelft der
franje door eene fijne donkerpaarse lijn van de bui-
tenhelft gescheiden.
Wat de nervuur aangaat behoort de vlinder tot
HETEROCERÀ OP JAVA. 29
de Quadrifiden van Guenée; de middencel der
achtervleugels is zeer kort, al hunne aderen zijn
ongesteeld. In de voorvleugels ontspringen ader
2-11 mede uit de middencel, 4 en 5 uit één punt,
6 iets onder, 7 en 8 uit een punt uit de spits der
middencel, 9 en 10 digt bijeen; geene aanhangcel.
Pooten gewoon gespoord, ongedoornd, de midden-
en achterscheenen tegen het eind met verbreede
platgestreken beharing; evenzoo het eerste lid der
voortarsen; de beharing der voorscheenen aan de
onderzijde uitgesneden. Sn.
Genus Plusia Ochs.
69. Verticillata Gn. — B.
Aanmerking. Is eene echte Plusia. Sn.
Genus Calpe Tr.
70. Minuticornis Gn. — B.
Aanmerking. Een gaaf wijfje. Voorvleugels zon-
der tand aan den binnenrandshoek, doch overigens
eene echte Calpe ook volgens Lederer. Sn.
Genus Hyblaea F.
7A. Puera Cram. — Zeer gewoon in B.
Aanmerking. De uiterst kleine kop onderscheidt de
vlinders van dit genus van al de Europesche genera. Sn.
Genus Anomis Hbn.
72. Fulvida Gn. — B.
Aanmerking. Een wijfje dat goed met Guenée’s
beschrijving overeenkomt, hoewel hij Noord-Amerika
als vaderland opgeeft. Moore vermeldt in de Proc.
Zool. Soc. 1867, p. 64 onze soort ook uit Indië. Sn.
Genus Pantydia Gn.
73. Sparsa Gn. — B.
Aanmerking. De meeste, doch niet alle exemplareti
hebben bij den wortel van cel la der voorvleugels
30
HETEROCERA OP JAVA.
een koolzwart teekentje dat varieert van eene stip
tot eene komma. De achtertarsen van het mannetje
zijn behaard, hetwelk dit genus naar de verwant-
schap van Remigia verwijst. Doornen zie ik niet aan
de pooten. Sn.
Genus Polydesma Gn.
74. Umbricola Boisd. — B.
75. Nov. sp.? — B. Een niet gaaf wijfje; blijft dus onbe-
schreven. Het genus Polydesma heeft geene Europe-
sche verwanten. Sn.
Genus Alamis Gn.
76. Umbrina Gn. — Gewoon in B.
TH
Genus Stictoptera Gn.
. Cucullioides Gn. — B.
78. Transversa Snell. nov. sp. — B. PI 3, fig. 16.
Beschrijving. Ken mannetje van 42 mm.
Palpen grijsachtig geel. Schedel bruinachtig, met
vier donkerbruine stippen. Halskraag bruin. Thorax
ten deele ontschubd. Voorvleugels houtgeel, met
een paar zwarte stipjes aan den: wortel en eene
bruine dwarsstreep schuin van twee vijfden van
den voorrand tot vóór den binnenrandshoek waar
zij fijn eindigt. Deze streep heeft franjewaarts eene
witte afzetting, die de vleugelranden niet bereikt, in
het midden het breedst is en de onderhelft der
overigens fijn bruin gerande en gekernde niervlek
bedekt. Boven de beschreven teekening, dus onge-
veer in het midden, is de voorrand grijsachtig be-
stoven. De beide gewone dwarslijnen zeer flaauw,
dubbel gegolfd. Achter de tweede twee donker-
grijze stippen in cel 2 en 3. Van de golflijn slechts
het wortelwaarts bruin afgezette ondergedeelte te
zien even als bij de Europesche Cucullién der
Verbasci-groep waaraan ook deze soort doet den-
HETEROCERA OP JAVA. 31
ken, en achter het zigtbare gedeelte der golflijn het
franjeveld grijsachtig. Juist onder den voorrand bij
de vleugelpunt vier zwartbruine langsstreepjes op
roestkleurigen grond. Op de zeer fijne gele franjelijn
voor den gegolfden achterrand bruine halvemaantjes
in alle cellen.
Achtervleugels aan den wortel glanzig doorschij-
nend paarswit met zwart aderbeloop. De achterrand
breed bruinzwart, de franje okergeel. Achterlijf
donkergrijs.
Onderzijde der voorvleugels bruingrijs, in cel 2 en
3 paarswit, doorschijnend, daarachter eene donker-
der booglijn en onder het midden van den voorrand
een donker grijsbruin streepje. Cel la en 1b en de
donker gestippelde voorrand tegen de punt, benevens
het aderbeloop zijn geelachtig. Achtervleugels onge-
veer als boven, doch het zwarte aderbeloop van het
paarswitte wortelgedeelte is ten deele geel beschubd
en ook de voorrand is in cel 7 en 8 geelachtig met
een bruingrijs teekentje, gevormd zoo als een ver
weg vliegende vogel wordt afgebeeld. Buik en borst
geelachtig, ook de pooten, deze met bruingevlekte
tarsen.
Mogelijk is dit dier slechts eene varieteit van de
soort die ik voor Cucullioides Guenée houd, want de
bouw der onderzijde en de achtervleugels op de
bovenzijde zijn eveneens, terwijl bij beiden de grijze
stippen in cel 2 en 3 der voorvleugels en de zwart-
bruine streepjes onder den voorrand worden gevonden.
Bij Guenée’s beschrijving der generieke kenmerken
voeg ik nog: Oogen naakt, onbewimperd. Beklee-
ding van den kop met de puntjes die men bij Xylina
en Calocampa vindt. De schouderdeksels zijn het
niet die soms omhoog staan bij den man, maar twee
lange pluimen van schubben en haren achter den
halskraag, welke gewoonlijk plat op den rug liggen.
83.
84.
85.
86.
HETEROCERA OP JAVA.
Pooten ongedoornd, gewoon gespoord. Nervuur der
voorvleugels de gewone der Trifide-Noctuinen. Sn.
Genus Ophideres Boisd.
. Fullonica L. — Gewoon in B. Beide sexen van eene
80.
81.
. Hypermnestra Cram. — B.
Cajeta Seba, Cram. — B. ) soort ? Sn.
Salaminia Cram. — Zeer gewoon in B.
Aanmerking. Het genus is aan Pseudophia ver-
want, doch heeft ongedoornde pooten en is buiten-
dien onderscheiden door het lange, geknopte eindlid
der palpen. Salaminia en Hypermnestra moeten echter
ieder in afzonderlijke genera komen. Sn.
Genus Phyllodes Gn.
Eyndhovii Voll. Tijdschr. v. Ent. (1859) p. 86, pl. 6. — B.
Aanmerking. Een wijfje. De afbeelding in het
Tijdschrift is goed, doch bij ons exemplaar gelijkt
de niervlek der voorvleugels niet zoo precies op een
eendekuiken als daar is voorgesteld. Ook is het
eindlid der palpen dikker. Sn.
Genus Potamophora Gn.
Manlia Cram. — B.
Aanmerking. Pooten ongedoornd, eindlid der pal-
pen plat, naar boven verbreed en regt afgesneden,
op een scheermes gelijkende. Sn.
Genus Anisoneura Gn.
Hypocyana Gn. — B.
Aanmerking. Een wijfje. Middenscheenen (alleen)
bedoornd. Nervuur als Pseudophia. Palpen met dun,
plat regtlijnig eindlid. Sn.
Genus Patula Gn.
Macrops L. — Gewoon in B.
Aanmerking. Twee wijfjes. Eindlid der palpen dunner
HETEROCERA OP JAVA. 33
en langer dan bij Anisoneura; lid 1 en 2 vormen
een regten hoek. Midden- en achterscheenen be-
doornd. Nervuur als bij Pseudophia. Middencellen zeer
kort, vooral die der achtervleugels. Sn.
Genus Argiva Hbn.
87. Hieroglyphica Drury. — Gewoon in B.
Aanmerking. Een wijfje. Deze soort is niet generiek
van Patula onderscheiden, ten minste niet de wijfjes.
Sn.
Genus Nyctipao Hbn.
88. Crepuscularis Hbn. — Zeer gewoon in B.
Aanmerking. Twee wijfjes, mede wel niet generiek
van Patula verschillend. Het genus zal dus Nyctipao
Hbn. moeten heeten. Sn.
Genus Spirama Gn.
89. Retorta L. — Zeer gewoon in B.
Aanmerking. Een wijfje. Suffumosa Gn. is het man-
netje. De palpen van het wijfje zijn afgebroken; de
midden- en achterscheenen bedoornd. Sn.
Genus Hamodes Gn.
90. Crebrerrima (Br. Mus.). — B. Pl. 3, fig. 19,
Beschrijving. Een gaaf wijfje van 42 mm.
Palpen, bouw en teekening als door Guenée van
de beide andere soorten beschreven (Pallida Felder
is mij onbekend), doch veel kleiner en de grondkleur
onder en boven onzuiver bruingeel.
De snede van den voorrand der voorvleugels, de
bovenrand van den halskraag en de dwarslijn van
de bovenzijde der vleugels zijn fijn en scherp licht-
geel, terwijl langs den geheelen voorrand der voor-
vleugels, over den rug en achter de dwarslijn eene
ongeveer 2 millim. breede donker kaneelbruine, ver-
vloeijende streep loopt; tegen den achterrand, vooral
der achtervleugels is de grond zwartgrijs gewolkt
met sporen eener lichtgele, op de achtervleugels ge=
3
34 HETEROCERA OP JAVA.
tande golflijn. Gewone teekening onduidelijk, vlekkig,
donkergrijs. Op de achtervleugels eene donkergrijze
streep over de wortelhelft als voortzetting van de
schaduwlijn der voorvleugels. Voor de gegolfde
zwarte franjelijn zwarte stippen in alle cellen. Franje
geelachtig met donkergrijze deelingslijn. Achterlijf
donkergrijs.
Onderzijde op de voorvleugels met twee, op de
achtervleugels met drie zwartbruine dwarslijnen,
waarvan de buitensten uit stippen bestaan en de
anderen getand zijn. Verder zwarte ringen op de
dwarsader, nog eene stip in de middencel der voor-
vleugels en donkergrijze bestuiving, als strepen,
tusschen de lijnen. Voor de grijsgevlekte franje
dezelfde stippen als boven.
Buik en pooten geel, de laatsten lang met vrij
dunne tarsen, behaarde, ongedoornde, gewoon ge-
spoorde scheenen, op zijde bruin gevlekt, de mid-
den- en achterknieën zwart.
De vlinder is eene Quadrifide, met korte midden-
cellen (vooral de achtervleugels) en gewoon geaderde
voorvleugels.
Het mannetje is mij onbekend.
Deze soort is onder bovenstaanden naam door den
heer van Medenbach de Rooy Jr. op het Britsch
Museum gevonden. Eene beschrijving, behalve de
niet in aanmerking komende van Walker, is mij niet
bekend. Sn.
Genus Hulodes Gn.
91. Caranea Cram. — Uiterst gewoon in B.
Aanmerking. Dit genus is na aan Remigia verwant. Sn.
Genus Lagoptera Gn.
92. Honesta Hbn. — B.
93. Magica Hbn. — Gewoon in B.
Aanmerking. Beide soorten zijn volkomen als Pseu-
HETEROCERA OP JAVA. 35
dophia Tirrhaea gebouwd en dus zie ik geene reden
om haar niet met dat genus te vereenigen. Sn.
Genus Ophisma Gn.
94. Gravata Hbn. — B.
Aanmerking. Bij Guenée goed beschreven. Niet in
eenig Europeesch genus behoorende. Middenscheenen
bedoornd. Palpen kort met zeer onduidelijk eindlid
en glad beschubd. Nervuur als Pseudophia. Sn.
95. Rectilinea Snell. nov. sp. — B. Pl. 2, fig. 16.
Beschrijving. Twee paren van 60—62 mm.
Naast Rigidistria Gn. doch anders gekleurd, met
eene loodregte paarswitte dwarsstreep op de achter-
vleugels en geheel ongeteekende onderzijde.
Kop met palpen, thorax en voorvleugels bij het
mannetje donker bruingrauw, bij het wijfje veel
lichter, roodgrauw. Het eindlid der palpen bij den
man zeer kort en stomp, bij het wijfje dunner,
langer, iets geneigd. Sprieten draadvormig, bruin,
bij beide sexen aan de binnenzijde met eene licht
grijsgele langslijn, die op het korte voorhoofdskuifje
eindigt. Halve en eerste dwarslijn der voorvleugels
duidelijk, donker, de laatstgenoemde schuin, meer-
malen gebroken; tweede dwarslijn en golflijn hoogst
onduidelijk, onder ader 6 digt naast elkander loo-
pende als twee steile evenwijdige rijen donker grauwe
boogjes, boven ader 6 uiteenwijkend en de drie-
kante ruimte tusschen beiden verduisterd door eene
donkerbruine, tegen den voorrand sterk vervloeide
schaduw die de vleugelpunt deelt. Ronde vlek een
zwart stipje; niervlek boonvormig. Geene tapvlek.
Achter de niervlek loopt eene scherpe, loodregte,
donkerbruine lijn over het middenveld, die bij de
mannen wortelwaarts grijsgele stippen op de aderen
heeft. Voor de ongeveer met den vleugel eenkleu-
rige franje zwarte stippen in de cellen,
36
HETEROCERA OP JAVÁ.
Boven beschreven, over het geheel niet scherpe,
teekening is bij de beide mannen vrij goed zigtbaar,
bij het eene wijfje flaauwer, doch bij het tweede
zijn de tweede dwarslijn en de golflijn niet te vinden
en ziet men alleen eene bruine schaduw op den
voorrand tegen den vleugelpunt.
Achtervleugels zwartbruin, tegen den wortel blee-
ker, met eene paarswitte, onderaan iets omgebogen,
in cel de eindigende dwarsstreep; de franje en aan-
grenzende achterrand, bij de mannen echter eerst
onder ader 5, grijsachtig. Achterlijf ongeveer als |
de achtervleugelwortels, bij de mannen met een
paar onduidelijke, iets donkerder pluimpjes op den
rug en eene bruinachtig gele staartpluim.
Onderzijde der vleugels geelgrijs, bij het wijfje
tegen de vleugelwortels geler, bij het mannetje tegen
den achterrand veel donkerder, grijsbruin, tegen
den wortel en binnenrand der achtervleugels bijna
okergeel.
Middenscheenen (doch alleen bij het wijfje) ge-
doornd, de achterscheenen en alle dijen bij den
man dik wollig behaard, overigens de pooten bij
beide sexen gewoon gevormd en gespoord, sterk
gebouwd.
De vlinder is eene Quadrifide, met korte midden-
cel der achtervleugels. Voorvleugels met eene aan-
hangcel en de gewone nervuur der Noctuinen. De
oogen zijn naakt en onbewimperd; de bijoogen aan-
wezig. SIL.
Genus Achaea Gn.
96. Melicerta Drury. — Zeer gewoon in B. Uit de paarse
in een wit spinsel besloten pop kwam op den 12"
dag de vlinder.
Aanmerking. Nervuur, pooten enz. als bij Ophisma
rectilinea beschreven en dus generiek van deze en
O. gravata, alleen door de hier stompe, daar spitse,
Me
—_-
HETEROCERA OP JAVA. 37
omgebogen voorvleugelpunt verschillende. Genus
Pseudophia Lederer. Sn,
Genus Naxia Gn,
97. Absentimacula Gn. — B.
Aanmerking. Genus Ophiusa Lederer, Sn.
98. Lageos Gn. — B.
Aanmerking. Genus Ophiusa Lederer. Sn.
Genus Hypaetra Gn.
99. Renosa Hbn. — B.
Aanmerking. Een wijfje. Geen Europeesch genus.
Nervuur als Pseudophia; palpen sterk gebogen met
dunner, rolrond, stomp eindlid. Pooten ongedoornd.
Sn.
Genus Ophiusa Ochs.
100. Joviana Cram. — B.
Aanmerking. Echte Ophiusa. Sn.
Genus Grammodes Gn.
101. Stolida F. — Zeer gewoon in B.
Aanmerking. Genus Leucanitis Lederer. Niet van
Europesche exemplaren verschillend. Sn.
102. Mygdon Cram. — Gewoon in B.
Aanmerking. Behoort niet met de voorgaande in
een genus, want de scheenen zijn geheel ongedoornd,
bij het mannetje sterker behaard dan bij het wijfje.
Ook is het eindlid der palpen veel korter. Genus
Chalciope Hbn., Verz. Sn.
Genus Trigonodes Gn.
103. Maxima Gn. — Gewoon in B.
104. Cephise Cram. — Zeer gewoon in B.
105. Hyppasia Cram. — Zeer gewoon in B.
Aanmerking. Het genus Trigonodes is aan Kecrita
en Cerocala Led. verwant, maar in de Europesche
fauna niet vertegenwoordigd. De midden- en achter-
HETEROCERA OP JAVA.
scheenen zijn bij het wijfje gedoornd. (Verg. Tijdschr.
v. Ent. 1872, p. 61.) Sn.
Genus Remigia Gn.
406. Frugalis F. — Uiterst gewoon in B.
107. Archesia Cram. — Uiterst gewoon in B.
Genus Zethes Ramb.
108. Sondaicus Snell. nov. sp. — B. Pl. 2, fig. 17.
Beschrijving. Een gaaf doch iets verbleekt mannetje
van Java (33 mm.) en een zeer frisch wijfje van
Celebes (34 mm.).
Met Insularis Rambur vergeleken, bevindt men
dezen vlinder bijna van denzelfden vleugelvorm,
alleen zijn de vleugels wat smaller, de tand op ader
4 der achtervleugels stomper en de geheele achter-
rand sterker gegolfd, bij het wijfje zelfs op ader 2
en 3 der achtervleugels getand.
De palpen zijn langer, bijna twee en een half
maal zoo lang als de kop, doch over het geheel
eveneens gevormd als bij Insularis, bij het wijfje
iets langer dan bij den man. Overigens draagt de
vlinder de kenmerken van het genus Zethes, zoo als
die door Lederer in zijne voortreffelijke Noctuinen
Europa's op p. 197 worden opgegeven.
Voorhoofdskuif, twee vlekjes op zijde van lid 2
en een op lid 3 der palpen olijfgroen, overigens de
grondkleur van palpen, sprieten, halskraag , achterlijf
en vleugels met franje licht paarsachtig-grijs oker-
geel bij het frissche wijfje, bleek okergeel bij het
mannetje, met fijne bruine schubben. Over den
thorax en het midden der vleugels loopt eene breede
olijfgroene streep, die tusschen de scherpe, zwarte
halve en sterk gebogen eerste dwarslijn der voor-
vleugels zich tot den binnenrand, bij het wijfje ook,
doeh in mindere mate tot den voorrand verbreidt.
Tweede dwarslijn mede duidelijk, gegolfd, in de
HETEROCERA OP JAVA. 39
groene langsstreep scherp gebroken, zwart, franje-
waarts vergezeld door eene flaauwe, breedere, bruin-
achtige lijn, Golflijn eveneens scherp, zwart; daar-
achter zwarte stippen in de cellen, die in eene
halfronde bruine plek op den achterrand in cel 5—7
veel dikker zijn. Franjelijn op die plaats bij het
mannetje mede dik zwart, overigens flaauw; bij het
wijfje is zij overal fijn en scherp zwart, op boven
vermelde plaats nog dikker. Dwarsader met zwart,
wortelwaarts olijfgroen beschaduwd halfmaantje. Ach-
tervleugels met een donker streepje op de dwars-
ader, twee zich bij de dubbele tweede dwarslijn der
voorvleugels aansluitende dwarslijnen, die iets gegolfd,
verder ongebogen zijn en boven den staarthoek ein-
digen, benevens met een olijfgroen vlekje in cel
, een olijfgroen lijntje tusschen het einde der
dwarslijnen en een zwart vlekje op den achterrand.
Zwarte stippen en franjelijn als op de voorvleugels.
~
J
Onderzijde grijsgeel, met twee donkere dwarsstre-
pen over de franjehelft der vleugels.
Met Zethes Hesperioides Guenée, mede van Java,
heeft deze soort geene overeenkomst. Sn.
Genus Sympis Gn.
109. Rufibasis Gn. — B.
Aanmerking. Mede geen genus der Europesche
fauna. Sn.
Genus Pinacia Hbn.
110. Molybdaenalis Hbn. — Zeer gewoon in B.
Aanmerking. Deze bij Hübner zeer goed afgebeelde
vlinder is door Guenée geheel met stilzwijgen voor-
bijgegaan. Hij behoort tot het laatste gedeelte der
Noctuinen (Deltoides Gn.) en moet in een apart genus
(Pinacia) komen, naast Helia, waarvan hij zich door
breed beschubd eindlid der lange palpen en een
anderen vleugelvorm onderscheidt. Sn.
HETEROCERA OP JAVA.
Genus Acropteris Hbn.
444. Mendax Snellen. — B,
GEOMETRINA.
Genus Hyperythra Gn.
112. Limbolaria Gn. — B.
Genus Boarmia Tr.
413. Concentraria Snell. nov. sp. — B. Pl. 3, fig. 20.
Beschrijving. Ken gaaf mannetje van 40 mm.
In alles tamelijk na verwant aan Boarmia repan-
data L., vooral door den vorm der tweede dwarslijn
van de voorvleugels, die even als daar, ten minste
bovenaan ongetand is en op ader 5 sterk neusvor-
mig vooruitspringt. Deze lijn maakt echter bij Re-
pandata in cel 1b nog eene dergelijke, kleinere hogt,
terwijl zij bij Concentraria onder ader 2, flaauw ge-
tand, regt naar den binnenrand gaat. Daarentegen
maakt de tweede dwarslijn op de achtervleugels bij
Concentraria eene bogt op ader 5, terwijl zij bij
Repandata regt is.
Sprieten gebaard, met draadvormig puntderde.
Bekleeding der palpen aan de voorzijde uitgesneden.
Voorhoofdskuif op de palpen liggende. Achterrand
der voorvleugels effen; die der achtervleugels flaauw
gegolfd. Grondkleur der bovenzijde witgrijs; de
bovenrand der schouderdeksels donkergrijs, de tho-
rax-rug en het wortelveld der geheel, doch dun
donker gesprenkelde voorvleugels, benevens hun
franjeveld, vooral naar boven, bruinachtig verduisterd.
Dwarslijnen zwartgrijs, duidelijk, de eerste alleen op
de voorvleugels aanwezig; de tweede op de achter-
vleugels tegen den voorrand flaauwer, tegen den
binnenrand iets getand. Middenvlekken groot, blaauw-
achtig lichtgrijs, zwart gerand, die der voorvleugels
HETEROCERA OP JAVA. 4A
door eene korte donkergrijze schaduw, die er dwars
over heen gaat, verduisterd, onder aan met eene
flaauwe, gegolfde, bruinachtige schaduwlijn, die ook
over de middenvlek der achtervleugels gaat en onder
deze dikker en donkerder wordt. Achter en parallel
met de tweede dwarslijn loopt eene min of meer
roestkleurige streep, die in cel 5 van voor- en ach-
tervleugels zwartgrijs verduisterd is. Golflijn duide-
lijk, gelijkmatig getand, als de grond gekleurd, aan
beide zijden bruingrijs beschaduwd; wortelwaarts is
deze beschaduwing van den binnenrand der achter-
vleugels tot ader 3 der voorvleugels door eene smalle
streep der grondkleur tamelijk scherp gescheiden
van de roestkleurige streep langs de tweede dwars-
lijn; boven gemelde ader 3 vloeijen die streep en
de schaduw ineen. Tegen de golflijn staat op ader
o der voorvleugels eene zwartgrijze vlek; daarachter
laat de bruingrijze beschaduwing in cel 1b en 3
overal vlekken der grondkleur vrij. Franjelijn met
grijsbruine, iets verlengde stippen. Franje grijsgeel,
donkergrijs gevlekt. Achterlijf op den rug met acht
zwarte stippen tegen de punt en twee, hoefijzer-
vormig vereenigde lijntjes tegen den wortel.
Onderzijde grijswit; groote middenvlekken en eene
naar boven zeer verbreede schaduw op den achter-
rand der vleugels, die aan de vleugelpunten, in cel
2 der voorvleugels en op de achtervleugels onder ader
3 de grondkleur vrijlaat, donker grijsbruin.
Pooten donker gevlekt; de achterscheenen verdikt.
SIL.
414. Nov. sp. — B. Een wijfje, niet gaaf genoeg om te
beschrijven.
Genus Hypochroma Gn.
115. Pseudoterpnaria Gn. — B.
Aanmerking. Het genus is na aan Pseudoterpna
49 HETEROCERA OP JAVA.
verwant; ader 5 der achtervleugels even dik als de
andere aderen, digt bij de ongesteelde aderen 6 en 7
ontspringende. Voorvleugels zonder aanhangceel. Ach:
dE Au e
terpooten dikker, korter en met vier sporen. Sn.
Genus Thalassodes Gn.
116. Quadraria Gn. — B.
Aanmerking. Het genus kan niet van Nemoria
worden gescheiden. Sn.
Genus Acidalia Tr.
117. Eulomata Hagenbach, Mus. L. B. — B. PL 3, fig. 21.
Beschrijving. Ken gaaf wijfje van 24 mm.
Eene soort uit groep V van Guenée, verwant aan
zijne Nictata en mijne Subnictata, doch van de eerste
verschillende door dat op de franjelijn alleen zwarte
stippen staan, de eerste dwarslijn ontbreekt en de
tweede alleen aan den binnenrand en in cel 4 en 5
der voorvleugels paarsgrijze vlekjes achter zich heeft
en op die plaatsen uit koolzwarte halvemaantjes be-
staat; overigens is zij zeer licht bruingrijs, weinig
donkerder dan de vuil witgrijze grond. Schaduwlijn
eene flaauw gebogene, bruingrijze, schaduwachtige
streep, die op de voorvleugels onder den voorrand
begint en dikker en iets donkerder, op een derde
van den binnenrand der achtervleugels eindigt , boven
het zwarte middenpunt, terwijl zij er op de voor-
vleugels vrij ver achterloopt, halfweegs de tweede
dwarslijn. Voor den achterrand twee flaauwe, ge-
golfde bleek bruingrijze lijnen, waartusschen eene
golflijn der grondkleur is uitgespaard. Rug van het
achterlijf met zwarte stippen. Palpen grijswit doch
tegen het aangezigt zwartbruin als dit en de hals-
kraag, de schedel grijswit.
Onderzijde helderder grijswit, de teekening bijna
als boven, doch fijner, scherper, donkerder; de
HETEROCERA OP JAVA. 43
franjelijn bijna zamenhangend bruingrijs, waardoor
men ziet dat de achterrand iets gegolfd is. Het
midden der voorvleugels grijs bestoven.
De schaduwlijn is bij mijne kleinere Subnictata ge-
golfd, donker grijsbruin, hetgeen haar dadelijk van
Eulomata onderscheidt.
Nervuur normaal; ader 6 en 7 der achtervleugels
ongesteeld. Achterscheenen met 4 sporen.
Op ’s Rijks Museum is deze soort mede van Java
aanwezig en reeds sedert Hagenbach’s dood (1825)
onbeschreven in de collectie staande. sn.
Genus Micronia Gn.
418. Adspersata Snell. nov. sp. — B. PI. 3, fig. 22.
Beschrijving. Twee wijfjes van 34 mm.
Tot de groep van Rectinervata Guenée behoorende,
over de geheele helderwitte bovenzijde gelijkmatig
met eenigszins gegolfde bruingrijze streepjes ge-
sprenkeld, doch op de. achtervleugels iets minder.
Op de voorvleugels ziet men twee dwarsstrepen,
uit ineengevloeide bruingrijze streepjes bestaande.
Zij beginnen op een derde en twee derden van den
binnenrand vrij breed en loopen schuin, ongebogen
en naar boven dunner wordende naar de vleugelpunt
dien zij echter niet bereiken. Achtervleugels met
drie eveneens zamengestelde strepen, waarvan de
buitenste in het midden iets gebogen is. De achter-
vleugels hebben verder op ader 4 een spitsen tand
met een zwart vlekje; boven en onder hem staan
op den achterrand telkens nog twee zwarte streepjes.
Onderzijde geheel wit, ongeteekend, langs den
voorrand der voorvleugels iets bruinachtig.
Palpen en aangezigt zwart; de sprieten donkergrijs
met wit bestoven wortel.
Ader 3—4 en 6—7 der achtervleugels uit één
punt; 6—7 en 8—10 der voorvleugels gesteeld en
4h
HETEROCERA OP JAVA,
de nervuur dus eveneens als bij Rectinervata , waar-
van deze soort, behalve door de bij laatstgenoemde
ontbrekende randvlekjes der achtervleugels, zich on-
derscheidt door ongedeelde, niet zuiver donkergrijze
maar bruinachtige dwarsstrepen en geheel gespren-
kelde bovenzijde.
Grammearia Hbn. en Caseata Gn. hebben volgens
dezen eene grijze onderzijde, de andere soorten hebben
meer afgeronde achtervleugels of met den achterrand
evenwijdige dwarsstrepen op de voorvleugels. Sn.
Genus Erosia Gn.
119. Plicata Snell. nov. sp. — B. PL 3, fig. 23.
Beschrijving. Een gaaf wijfje van 22 mm.
Verwant aan mijne Nigrocapitata (Tijdschr. 1873/4
(XVID) p. 66, pl. 5, fig. 3), de vleugels eveneens
gevormd, d.i. de voorvleugels ongetand, de achter-
vleugels met gegolfden, tusschen twee spitse tanden
uitgesneden achterrand.
Palpen en aangezigt zwart, sprieten en bovenzijde
van lijf en vleugels licht aschgrauw, de voorvleugels
fijn donker bestoven, in den staarthoek digter, met
eene alleen in het midden duidelijke, steile, fijne
zwartbruine dwarslijn op een derde en eene tweede,
eveneens hier en daar uitgewischte , die even voor
het tweede derde van den voorrand begint, een
klein bogtje, dan een tandje op ader 4 maakt en op
tweederden van den binnenrand, dus weinig verder
naar achteren dan de oorsprong, met een regtstan-
dig, dik zwartbruin streepje eindigt. Tusschen ader
4-6 voor den achterrand een gebogen, franjewaarts
hol en donkergrijs beschaduwd zwartbruin streepje
met eene donkergrijze stip er boven. Franje iets
donkerder dan de vleugel.
De achtervleugels hebben alleen aan de punt en
HETEROCERA OP JAVA. AB
op eene wortelwaarts spitse wigvormige streep tus-
schen ader 1b en 5 donkere bestuiving, die tegen
den voorrand, schijnbaar als eene vouw, roestgeel
begrensd is en op welke kleur een mede roestbruin
middenstreepje eindigt. Zij worden doorsneden door
eene fijne, lichtgele, aan den voorrand met eene
zwarte stip beginnende, hier en daar scherp donker
afgezette dwarslijn, die op ader 4 een spitsen, langen
tand heeft en op ader 1b een kleineren; juist boven
den laatsten staat eene wortelwaarts afgeronde,
dikke zwartbruine halve maan in cel 4c. Franjelijn
in de uitsnijding zwartbruin, voorbij de onderste
tand een zwartbruin, door een geelwit streepje be-
grensd vlekje.
Onderzijde der voorvleugels lichtgrijs, die der ach-
tervleugels grijswit en op eenige bruine sprenkels
tegen den achterrand na, ongeteekend. Nervuur
geheel als bij Nigrocapitata. Pooten ontbrekende of
ontschubd. Sn.
Genus Tephrina Gn.
420. Medardaria H.S. — B. (Genus Petelia Herr.-Sch. Sn.)
Genus Numeria? Dup.
191. Fulvocapitata Snell. nov. sp.—B. PI. 3, fig. 24 a en b.
Beschrijving. Een vrij frisch, onafgevlogen wijfje
van 32 mm.
Eenigszins, doch zeer verwijderd, verwant aan
Numeria, wordt deze vlinder van dat genus en al
de verwanten gescheiden door den vreemden vorm
der palpen. Deze zijn namelijk vrij lang en breed,
schuin opgerigt en hebben een vrij lang, horizon-
taal eindlid, terwijl de beschubbing van lid 1 en 2
aan de voorzijde getand is (fig. 24b). Het voorhoofd
heeft een kuifje. Zuiger aanwezig. Sprieten afge-
broken.
HETEROCERA OP JAVA.
Kop met palpen roestgeel, de borst bij den kop
geelwit. Geheele bovenzijde blauwgrijs, als beslagen
lood, op den halskraag aan den wortel van cel 12 der
voorvleugels en langs den achterrand der achter-
vleugels in eene breede, wortelwaarts getande streep
iets glanzig, overigens dof. Voorvleugels met effe-
nen, tegen de iets spitse vleugelpunt regteren ach-
terrand; de gelijkmatig gebogene der achtervleugels
flaauw spits gegolfd. Op de voorvleugels ziet men
vier steile, ets met den binnenrandshoek conver-
geerende smalle dwarsstrepen, de eerste iets gebo-
gen, de anderen bijna regt. De drie eersten zijn
bruinachtig, de vierde, naast bij den achterrand
staande, is donkergrijs en tegen den voorrand flaau-
wer. Op de dwarsader eene zwartgrijze stip.
Achtervleugels met eene fijne donkere stip op de
dwarsader, eene bruingrijze streep, die zich bij de
tweede der voorvleugels aansluit, en op tweederden,
met eene zeer scherpe, ongebogen, donkerbruine,
franjewaarts grijswit afgezette dwarslijn, waarachter
de dofgrijze kleur als eene vooral in het midden
sterk stomp getande streep tegen den glanziger ach-
terrand staat. Franjelijn scherp donkerbruin, de
franje aan den wortel grijswit, verder bruinachtig.
Onderzijde paarswit, iets glanzig, langs den ach-
terrand met donkere vlekken, die op de voorvleugels
donkergrijs, op de achtervleugels bijna zwart zijn.
Ader 3 en 4, en 6 en 7 der achtervleugels uit één
punt; 5 veel dunner; 8 geheel vrij, slechts aan den
wortel iets langs de middencel loopende. In de
voorvleugels 3 en 4 uit één punt, 5 uit het midden
der dwarsader, 6 bovenaan, 7—10 gesteeld, 14 door
12 doorsneden.
Pooten gewoon gevormd en gespoord, glad be-
schubd, grijs, tegen het eind en aan de voorzijde
geelachtig. Sn.
—_
HETEROCERA OP JAVA. 47
Genus Hyposidra Gn.
122. Janiaria Gn. — B.
Aanmerking. Een mannetje; dit is na verwant aan
het genus Terpnomicta Led. dat Stegania Dup. moet
heeten (zie Catalogus Staud. et Wocke, 2° ed. p. 155).
. De voorvleugelpunt is scherper, iets omgebogen en
de palpen zijn breeder. Sn.
Genus Remodes Gn.
423. Abortivata Gn. — B.
Aanmerking. Zeer merkwaardig genus. De sprieten
zijn in het midden dikker en de achtervleugels van
het mannetje minder ontwikkeld dan die van het
wijfje. Behoort overigens tot de Phytometrina Herr.
Schäffer. Sn.
PYRALIDINA.
Genus Botys Tr.
124. Multilinealis Gn. — B.
125. Abnegatalis Led. — B.
Genus Eurycreon Led.
126. Nov. sp. — B.
Aanmerking. Het exemplaar is niet gaaf genoeg
ter publicatie dezer soort. Sn.
Genus Cnaphalocrocis Led.
427. Jolealis Led. — Zeer gewoon in B.
Genus Margarodes Gn.
128. Glauculalis Gn. — Zeer gewoon in B.
Genus Æuchocnemidia Led.
129. Squamopedalis Gn. — B.
Genus Phakellura Gn.
430. Gazorialis Gn. — B,
131
132
437.
138.
HETEROCERA OP JAVA.
Genus Siriocauta Led.
. Testulalis Hbn. — B.
Genus Zinckenia Zell.
. Recurvalis Tr. — B.
Genus Parapoynx Hbn.
. Linealis Gn. — B:
Genus Schoenobius Dup.
. Punctellus Zell. — B.
. Nov. sp. — B.
Aanmerking. Niet gaaf genoeg ter publicatie. Sn.
. Nov. sp. — B.
Aanmerking. Als voren. Sn.
Genus Doloessa Zell.
Viridis Zell. — B.
TINEINA.
Genus Simaethis.
Pronubana Snell. nov. sp. — B. PI. 3, fig. 25.
Beschrijving. Vijf exemplaren van Java en Celebes
van 15—18 mm.
Op het eerste gezigt van dit diertje werd ik sterk
herinnerd aan het genus Dasycera, doch bij nader
onderzoek bleek het mij dat het wegens de korte
palpen en de zeer ontwikkelde achtervleugels gansch
niet bij de Gelechiden te huis behoorde, maar veeleer
verwanten had onder de Choreutina, wordende om
verschillende redenen eene vereeniging met de overige
meer breedvleugelige Tineinen verboden. Inderdaad
komt de bouw geheel en al overeen met de door
mij in het 18° deel van dit Tijdschrift, p. 74, pl. 6,
fig. 7 bekend gemaakte Simaethis aurofasciana en
plaats ik Pronubana, even als de genoemde West-In-
HETEROCERA OP JAVA. 49
dische soort slechts voorloopig in het genus Simaethis.
Stellig moet voor beiden een nieuw genus worden
gevormd, waarvoor ik, onder verbetering, den naam
Chordates voorsla.
Bouw van vleugels, lijf en ligchaamsdeelen , zoo
mede de nervuur geheel als bij Aurofasciana zijnde,
verwijs ik te dien opzigte naar bovenaangehaalde
beschrijving. De glad beschubde palpen zijn bij een
exemplaar van Java en een van Celebes aan den
wortel donkerbruin, verder zwart met metaalglans,
bij de andere voorwerpen zijn lid 1 en 2 buiten-
waarts wit, lid 3 bronskleurig. Sprieten zwart met
witten ring voor de iets langere spits. Kop metaal-
kleurig groen. Thorax donker bronskleurig, de schou-
derdeksels meer groen en alles (behalve de sprieten)
glad beschubd.
Van de voorvleugels is bij vier exemplaren het
wortelvierde franjewaarts scherp afgesneden metaal-
kleurig groen of goudgroen, bij het vijfde (van Java)
goudbruin met drie goudgroene langslijnen, waarvan
de middenste aan het eind is omgebogen en als een
regtstandig lijntje naar den binnenrand loopt. Ver-
volgens komt bij allen een goudbruine band, die bijna
zoo breed is als het tweede vierde, gedeeld wordt
door eene goudgroene streep en franjewaarts begrensd
door eene zwarte lijn. De nu volgende, grootste
tweede helft van den vleugel is op zwartbruinen,
grond vooral naar achteren digt koperkleurig violet
beschubd en ongeteekend.
De achtervleugels zijn zwartbruin doch in ver-
schillende mate okergeel gestreept. Bij een exem-
plaar is bijna de geheele wortel tot tweederden oker-
geel met twee fijne okergele strepen in den donkeren
binnenrand, bij een tweede is de voorrandshelft van
de wortelhelft geel met smal zwarten voorrand en
vertoont de binnenrandshelft slechts een smal geel
4
HETEROCERA OP JAVA.
streepje, terwijl bij de drie anderen slechts eene
kolfachtig of wigvormig verbreede gele streep uit het
midden van den wortel komt en tot twee derden
doorloopt.
De franje der voorvleugels is zwartbruin, die der
achtervleugels vuilwit, tegen den staarthoek grijs-
bruin of geheel roetbruin.
Bovenzijde van het achterlijf en onderzijde der
vleugels roetbruin , het achterpaar met de gele tee-
kening van boven, doch deze onzuiverder van tint.
Borst metaalgroen, buik en pooten roetbruin, op
de laatsten vlekjes der vier achterscheenen en op de
tarsen geel of grijswit.
Bij een voorwerp, van Celebes, is de tweede helft
van de bovenzijde der voorvleugels niet koperkleurig
violet, maar even metaalkleurig groen als de vleugel-
wortel en middenstreep.
De exemplaren die ik beschrijf, bevinden zich in
de door den heer Piepers bijeengebragte verzameling
en in mijne eigene. Sn.
Genus Tinea L.
439. Nov. sp. — B.
Aanmerking. Twee exemplaren, aan de monddeelen
beschadigd en vervuild, buitendien iets afgevlogen
en dus ongeschikt ter publicatie. Sn.
Ne
N:
NI;
ARANEZ EXOTICA,
QUAS QUONDAM IN INDIà ORIENTALI
(praesertim insulà Amboinà)
collegit Cel. Dr. C. L. DOLESCHALL,
AC, PRO MUSEO LUGDUNENSI,
DETERMINAVIT
Dr. A. W. M. VAN HASSELT.
EPEIRIDES.
4. Plectana (Gasteracantha) arcuata Walck. 9.
9. Plectana (Gasteracantha) flavida Dol. e.
Spinis lateralibus minimis notabilis. Rara.
3. Plectana (Gasteracantha) praetextata
Walck. 9.
N°. 4. Epeira (Argyopes) crenulata Dol. g.
N°. 5. Epeira (Argyopes) trifasciata Dol. g.
N°. 6. Epeira (Argyopes) ornatissima Dol. g.
N°. 7. Epeira (Nephila) Walckenaeri Dol. g.
N°. 8. Epeira (Nephila) penicillum Dol. ¢ Jun.
N°.
N°.
Pullus foret, sec. Doleschall, Nephilae praecedentis (2).
9. Epeira (Nephila) Hasseltii Dol. 2 (?).
Magnopere cum Epeird chrysogaster Walck. convenit.
10. Epeira Radja Dol. g.
. 44. Epeira De Haanii Dol. ¢.
52 ARANEAE EXOTICAE.
N°. 12. Epeira caput lupi Dol. g.
Rara et perpulchra quoad abdominis dorsalem figuram ,
faciei lupinae, aut si mavis vulpinae, simillimam.
Vide Tabulam IV, Litt. A.
N°. 43. Epeira, exanthematicae Dol. affinis, 9.
Apex abdominis bifidus deést, dorsum vero « punctis
numerosis, nitentibus, pustulaeformibus » perspersum est.
N°. 14. Epeira (Euryzoma) paradoxa Dol. g.
Pulcherrimum exemplar, cum descriptione cel. Thorell
Caerostris mitralis Vinson, var. turrigerae, omnino con-
veniens.
N°. 15. Epeira (Singa?) bifida Dol. 9.
No. 46. Teivasnatha serra Do.
N°. 17. Tetragnatha nepaeformis Dol. gs. (2)
N°. 48. Ariadne (Ariamnes); flagellum Dol. 9.
Rarissimum.
Licet omnibus pedibus privatum, tamen vermiculare
corpus singularissimum , uti pingitur in «Bijdrage tot de
kennis der Arachniden van den Indischen Archipel»
(Natuurk. Tijdschr. voor Ned. Ind. Deel XIII, 1857, pag.
434, tab. 1, fig. 1) perfecte dignosci potest.
THERIDIDES.
N°. 19. Theridion(?) tubicolum. Del. g.
Magis ad genus Latrodecti accedere videtur.
AGELENIDES.
N°. 20. Tegenaria(?) dolomedes Dol. ¢ Jun.
N°. 21. Tegenaria(?) argentata Dol. 9.
In valde mutilato exemplari, attamen ventris linea alba
mediana clare conspicitur.
ARANEAE EXOTICAE. 53
N°. 22. Hersiliasclnidiea Hue, ‘3.
Quoque vitiata; abdominis pictura vero evidenter per-
spicua.
DRASSIDES.
N°. 23. Drassus(?) luctuosus Dol. g.
Oculi medii postici non Drassoidearum typici.
PHOLCIDES.
N°. 24. Pholcus sisyphoides Dol. 4.
Pulchre cum figura et descriptione Pholci Borbonici
Vinson convenit.
N°. 25. Pholcus elongatus Vins. g et à.
Rectissime de illo Vinsonius perhibet: «le dessin du
dos représente assez bien une feuille de Mimosa ».
LYCOSIDES.
N°. 26. Dendrolycosa (Dolomedes?) fusca Dol. g.
Oculi nec definite «minimi», nec «totidem aequales »;
ceteroquin cum Doleschallii figura et descriptione satis
conveniens.
N°. 27. Sphasus striolatus Dol. g.
De ejus «striato» mihi vix differre videtur. An potius
varietates dicendae ?
THOMISIDES.
N°. 28. Olios (Ocypete) Javensis Dol. g et 4.
N°. 29. Olios (Ocypete) Malayanus Dol. 2.
N°. 30. Olios (Ocypete) mygalinus Dol. 2.
N°. 31. Olios (Ocypete) lunula(?) Dol. 4.
Inter sese hae species multopere convenire videntur,
saltem in spirità; pro diagnosi differentiali necesse sic-
cari debent, si cum descriptione comparare velis.
54 ARANEAE EXOTICAE.
N°. 32. Thomisus dilatatus Dol. 9 Jun.
N°. 33. Sparassus psittacinus Dol. 2 et 4.
Propter coloris viridis et rubri evanescentiam difficile
certo determinabilis.
ATTIDES.
N°. 34. Attus Galticus) alfurus Dol.
Plura exemplaria, praesertim dd.
N°. 35. Attus (Salticus) cornutus Dol.
Plura exemplaria , praesertim gg.
Plexippo mutillario G. Koch simillimus.
N°90. Attus (@alticusy forceps Doll
N97. Attus (Salticus) venustus Dole
N° 38. Attus Galticus) viridifasciatus Dols
Luce refractä pulchre iridescit.
N°. 39. Attws Galticus) fimbriatus Del 222:
N°. 40. Attus species incognita, praecedenti valde affinis
quoad pedum «fimbrias», sed multo major. 2.
N°. 41. Attus (Saltieus) regulus Dol. 3
Colore, hic illie, praesertim in luce solari, adhuc pul-
cherrime «azureo et aureoviridi ».
N°. 42. Attus (Salticus) sexpunctatus Dol. 4.
Verosimiliter idem exemplar, de quo Doleschallii fi-
gura 8, tab. IV, in ejus Tweede Bijdrage tot de kennis der
Arachniden v. d. Indischen Archipel, desumta fuit!
N°. 45. Attus (Diolenius) obisioides Dol. ¢.
Rarissimus. Valde vitiatus eheu! par vero pedum pri-
mum typieum conservatum est, uti pingitur fig. 2, tab. 1
in «Eerste Bijdrage» (Natuurk. Tijdschr. supra citato),
multo clarius quam in «Tweede Bijdrage» fig. 1, tab. IV.
ARANEAE EXOTICAE. 55
MYGALIDES.
N°. 44. Mygale Javanensis Dol. ¢ Jun.
N°. 45. Gteniza Malayana Dol. g.
Valde rara. Palpi et longitudine et marginibus pulchre
denticulatis spectabiles.
DYSDERIDES.
N°. 46. Scytodes pallida Dol. ¢.
N°. 47. Nidus araneae, longissime petiolatus (9 ad 10 centim.),
mihi incognitae; aderat in lagenà cum araneis Amboi-
nensibus Doleschallii. — Vide Tabulam IV, Litt. B.
Multis annis praeteritis vir amicus Snellen van Vollen-
hoven me rogavit, an collectionem Aranearum Amboinen-
sium, a D" Doleschallio, Museo Lugdunensi dono datam ,
determinare vellem. Hae araneae, licet statim novo spiritu
praeditae, jam in itinere valde vitiatae erant. Tune tem-
poris occasio mihi deficiebat hoc opus suscipiendi. Quum
autem mense Januarii hujus anni, cum viro amico Ritsema,
Musei arachnida inspiciebam, mihi patuit, Doleschallii
araneas adhuc confertim suis lagenis originalibus inesse,
et, ulteriorem perniciem metuens, nunc, in memoriam cele-
berrimi arachnologi, suscepi adhucdum servare quod potui.
Licet plurimas ejus araneas, putrefactione et emollitione,
pedibus palpisque perditis, nullius valoris invenerim, et
hae, quas supra determinare periclitatus sum, quoque plus
minusve defectae sint, ita ut de nonnullarum diagnosi mihi
certe non constet, tamen credo, me oleum et operam non
totidem perdidisse.
56 ARANEAE EXOTICAE.
Plura exemplaria exotica rara, nonnulla typica aut unica
nunc demum universali destructione immunia, pro caro
nostro Museo conservari contigit.
Inter haec praesertim Ariadne flagellum, Altus obisioides
et Epeira caput lupi in specie notanda sunt.
)
«Capitis lupi» figuram memorabilem, multo meliorem,
quam quae incolorata et non tam luculenter, jam a Dole-
schallio ipso (Tweede Bijdrage, tab. VIII, fig. 6) data fuit,
Vollenhovenius noster, cognità suà dexteritate, huic qua-
licumque meo operi adjungi posse curavit.
Hagis Comitum ,
mense Juli anni MDCCCLXXVI.
BIJDRAGE TOT DE KENNIS
DER GEDAANTEWISSELING VAN DIPTERA
DOOR
8. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
(Zie Plaat 4, onder.)
Elk steentje aangedragen tot den opbouw van den groot-
schen tempel, dien men kennis der natuur heet, zal wel
zijne betrekkelijke waarde hebben, al munt het noch door
omvang, noch door bewerking uit, en zoo veroorloof ik
mij eene zeer geringe en onvolledige waarneming mede te
deelen als bijdrage tot de natuurlijke geschiedenis der
Diptera. Deze toch, ofschoon zij in de laatste twintig jaren
zeer merkwaardige stappen voorwaarts gedaan heeft door
het onvermoeide streven van mannen als Westwood, Perris
en Frauenfeld, vertoont nog zoo vele leemten, dat iedere,
zelfs onaanzienlijke bijdrage aan hare onderzoekers welkom
moet zijn.
Zoo is nog weinig bekend omtrent de metamorphose der
Dolichopoden, dier vlugge meestal goudglanzige vliegen,
die wij des zomers in talrijke scharen de bladeren van
lage planten en heesters zien bevolken.
De Geer, dien wij telkens ontmoeten, wanneer van
waarnemingen omtrent gedaantewisseling sprake is, heeft
de eerste observatie betreffende deze Dipteren-familie ge-
daan en ons in zijne Mémoires 1), de levensgeschiedenis
van Dolichopus ungulatus L. medegedeeld. Na deze waar-
1) Vertaling van Goeze, Deel VI, bl. 78 vlgg. Plaat 11, fig. 14—22.
58 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
neming, die even voor 1776 moet gedaan zijn, komt een
verbazend lang tijdperk van stilstand in dezen tak van
natuurlijke historie, zoodat wij met eenmaal overspringen
tot in het midden dezer eeuw, om te vernemen dat de
larven en chrysaliden van Porphyrops fuscipes Meig. door
Heeger onder den bast van Pinus abies aangetroffen wer-
den, dat zekere soort van Systenus door von Heyden uit
afgevallen hout werd opgekweekt en dat Staeger de larve
van Dolichopus popularis Wied. aangetroffen heeft onder
beukenschors. Voeg hier nu nog bij een opstel van den
heer Laboulbéne (Metamorphoses d'un Diptère de la famille
des Dolichopodes, Systenus adpropinguans Löw, par Mr. le
Dr. Alex. Laboulbéne, dans les Annales de la Société entom.
de France, 5° Série, tome 3, p. 49, avec figures Pl! 5), en
gij zult, zoo ik mij niet vergis, alles bijeen hebben, wat
tot nog toe over de gedaantewisseling der insecten dier
familie wereldkundig gemaakt is.
Ik durf dus gerust met mijne zeer geringe bijdrage voor
den dag komen.
Op den 19” Junij, daags na de excursie van 1876, bevond
ik mij met drie vrienden aan den Scheldedijk bij Woens-
drecht, zoekende naar onbekende of ten minste zeldzame
insecten, toen een hunner, de heer Groll, mij opmerkzaam
maakte op zekere eivormige zandhuisjes (fig. 1) die aldaar
in de nog vrij natte klei der schorren te vinden waren.
Een daarvan brak in onze handen en vertoonde ons in zijn
omhulsel een geelwit popje; drie anderen deed ik in eene
doos en nam hen mede naar huis.
Den volgenden dag onvoorzigtig onder meer andere do-
zen, het doosje waarin de cocons waren openende in een
vertrek waarvan het raam openstond, had ik de smart van
plotseling eene vlieg daaruit te zien ontsnappen, die zoo
vlug verdween, dat ik zelfs niet bespeuren kon tot welke
familie zij behoorde. Ik zag echter met een oogopslag dat
er geen tweede vlieg in de doos was en begon nu met
voorzigtigheid een der eivormige hulsels te openen en vond
GEDAANTEWISSELING VAN DIPTERA. 59
daarin een popje, dat ik bij fig. 2 vergroot afgebeeld heb.
Dit popje kwam mij zeer merkwaardig voor. Het was dik
en bultig van thorax, met den kop ingedrukt en neerge-
bogen en het achterlijf daaronder eenigzins naar de buik-
zijde gekromd. Op den kop zag men een paar bruine
verhevenheden, de bovenste breeder en stomper dan de
onderste; onder den kop was een uitspringend tentaculum
als een baardje. De poot- en vleugelscheeden waren dui-
delijk te herkennen en naar de borst en tevens naar be-
neden gebogen; aan hare spitsen waren zij okerbruin,
even als de uitsteeksels aan den kop; op de rugzijde ston-
den eenige korte haren steil overeind. Aan zes ringen van
het abdomen zag men aan de rugzijde eene rij van korte
stijve borstels in de gedaante van een’ kam en aan het
laatste lid zag men geheel onder aan twee bruine stijve
doorntjes en naar de buikzijde toe twee gekromde bruine
haakjes. Het merkwaardigste echter van deze pop waren
twee schoorsteenvormige kokertjes op den thorax-rug, waar-
uit zich naar boven twee ongelede bruine buisjes verhie-
ven, op wier top nog een klein priemvormig of langwerpig-
kegelvormig deel te zien was.
Dat deze buisjes ademhalingswerktuigen waren, was
duidelijk genoeg, de vraag was echter waartoe zij der pop
dienstig waren als zij binnen een gestoten coconnetje bevat
was. Hier was oogenschijnlijk tegenstrijdigheid en wel
eene die niet zoo gemakkelijk scheen op te lossen. Eerst
bezag ik de brokstukken van het cocon en bevond dat dit
van klei- en zandkorrels vervaardigd, van buiten eenigzins
ruw, doch van binnen glad en glanzig was, zonder eenige
opening op den top. Ik bezag daarna de buisjes onder
het microscoop en vond hen hol, doch niet uit leedjes
zamengesteld, behalve het bovenste priemvormige leedje;
op zijde vond ik iets dat op een’ naad geleek (zie fig. 3).
Na dit onderzoek stelde ik mij de zaak op deze wijze voor.
De larve heeft hoogstwaarschijnlijk in het kleiachtig en zan-
derig aanspoelsel der schorreplaat geleefd en van die sub-
60 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
stantie onder water haar cocon vervaardigd; zoolang dit
nat was had de lucht uit het water door de poreusheid
der zandbekleeding toegang tot het inwendige of wel de
chrysalide kon met de fijne priempjes aan het einde der
buizen door het klei-omhulsel doordringen; toen echter
het cocon buiten het water kwam te liggen, trok in het
laatste geval de pop hare priempjes terug, die door het
indroogen van het omhulsel beklemd geraakten. In het
eerste geval bleef het cocon altijd gesloten, doch poreus,
in het tweede werden de bijna onzigtbare openingen , door
de priempjes der luchtbuizen veroorzaakt, door het indroo-
gen van het cocon gesloten en de pop zou onvermijdelijk
moeten stikken, indien niet de vloed, door het cocon te
verwerken, haar op nieuw de gelegenheid verschafte lucht
uit het water op te nemen.
Mijne popjes waren dus ter dood gedoemd, zoo het co-
con niet verbroken werd. Werkelijk veranderde wel de
chrysalide uit het cocon dat ik den 20° Julij verbroken
had, maar die uit het andere cocon, dat ik eerst twee
dagen later opende, is ineengeschrompeld, verdroogd en
bruinzwart geworden.
Ik behoefde niet lang in de onzekerheid te blijven welke
vlieg in dit popje ingewikkeld lag, want 8 dagen nadat
ik het afgebeeld had, zag ik tot mijn genoegen eene Doli-
chopode onder het glas rondloopen en met behulp van
Schiner’s Diptera Austriaca kon ik bepalen dat mijn insect
tot het genus Machaerium behoorde, doch ik behoefde de
voorlichting van onzen uitstekenden Dipteroloog van der
Wulp om tot de wetenschap van den soortsnaam te gera-
ken. Deze zou eigenlijk zijn Maritimae Hal., want onder
dien naam heeft Haliday ons insect beschreven in het
Zoological Journal, V, 352, n°.4; doch daar dit adjectivum
in genitivo op geen voorgaand woord slaat, neem ik de
vrijheid aan een lapsus calami of eene drukfout te denken
en noem het insect Machaerium marılımum.
De beschrijving der imago is als volgt:
GEDAANTEWISSELING VAN DIPTERA. 61
Lengte 5 mm. Het dier is voor eene Dolichopode vrij
kort en gedrongen, de kleur goudgroen en grijs (verg. fig. 4).
De kop is schijfvormig, de schedel tusschen de oogen in-
gedeukt, het achterhoofd uitgehold. De oogen ovaal, na
den dood paarsbruin, in het leven purperblaauw, geel en
oranje in verticale ineensmelting; het voorhoofd daartus-
schen driehoekig en goudgroen; het aangezigt en de mond-
deelen naar het vallen van het licht donkergrijs of zilver.
De lange sprieten, in omtrek afgebeeld bij fig. 5, zwart;
de rand om de oogen wit, het achterhoofd grijsgroen, de
baard sneeuw wit.
Thorax op den rug goudgroen, met twee naar het vallen
van het licht blaauwgroene of bronskleurige langsstrepen :
de zijden iriseren in goudgroen en zilvergrijs, het schildje
in blauwgroen en zilvergrijs, de metathorax is groen.
Vleugels doorschijnend, iriserend met gele inplanting;
kolfjes geel. Heupen en apophysen grijs. De pooten licht
okergeel, dik met zwarte haren en borstels bezet; tarsen
bruinachtig, voorste tarsen met groote witte zuiglappen.
Het achterlijf goudgroen met grijzen weerschijn en zwarte
haartjes, die uit zwarte stipjes oprijzen.
De schedel en de rug van den thorax zijn met zwarte
gekromde borsteltjes bezet.
Wegens de groote zuiglappen aan de voorpooten, hetgeen
volgens Haliday een kenmerk yan het mannetje is, kan
mijn voorwerp niet anders dan een mannetje zijn, ofschoon
de genitaliën, bij andere geslachten der Dolichopoden zoo
duidelijk, hier naauwelijks zigtbaar waren,
Met deze beschrijving stemt die van Haliday nagenoeg
in alle opzigten overeen.
Laat ons nu aan het einde nagaan in welke bijzonder-
heden de pop van Machaerium maritimum van de overigen,
die in deze familie beschreven zijn, verschilt.
Van die van Dolichopus ungulatus L. naar de beschrijving
en afbeelding van de Geer, verschilt zij in menig opzigt.
Vooreerst toch heeft deze, volgens de afbeelding een’ zon-
69 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
derlingen, boven den thorax uitstekenden kop met drie
vrij groote stekels, waarvan de Geer zegt dat 2 daarvan
eenigzins geleken op een geopenden bek, ten andere heeft
haar achterlijf negen ringen volgens text en plaat en dus
een meer dan bij ons voorwerp; ten derde zijn bij Ungu-
latus ook wel twee hoorntjes of buisjes op den thorax te
zien, doch deze zijn zeer kort, steken slechts even boven
den kop uit en hebben geen dikker kegelvormig basaal-
stuk, gelijk onze soort zoo duidelijk vertoont. Eindelijk
was het popje van Ungulatus niet in een cocon ingesloten ,
maar schijnt — als ik de beschrijving wel versta — geheel
los in de aarde gelegen te hebben.
Het komt mij voor dat de Senator von Heyden, die eene
soort van Systenus uit hout opkweekte, noch hare larve,
noch hare chrysalide gezien heeft en omtrent de popjes
door Heeger en Staeger waargenomen weet ik niets te
zeggen, aangezien het mij onbekend bleef of en waar
hunne waarnemingen gepubliceerd zijn, maar wat den
Systenus adpropinquans van Laboulbene betreft, ben ik in
staat vrij naauwkeurige vergelijking te maken, daar hij
zijn voorwerp omstandig beschreven en keurig afgebeeld
heeft. Zijne chrysalide heeft wel in het algemeen denzelfden
vorm als de mijne, doch er bestaan toch tusschen beide
zeer belangrijke verschillen. Zoo is de kop bij zijne pop
niet zoo sterk gebogen, maar van twee veel grooter uit-
stekende doornen voorzien; ik zeg twee, want Laboulbene’s
text zegt duidelijk: «la partie antérieure de la tête est
munie de deux fortes épines noirâtres», maar zijne figuur
9 toont even duidelijk aan dat er vier zijn. Boven op den
kop staan, altijd volgens fig. 9, vier borsteltjes, daarentegen
echter staan geen haren of borstels op den thorax. Volgens
de teekening bij fig. 6 zouden er ovale oogbedekkingen te
zien zijn, waarvan echter de text niet gewaagt. Boven op
den thorax staan ook twee luchtbuizen, maar veel korter
en anders gevormd dan bij de onzen. Het onderstuk, dat
aan de onzen gezien wordt, ontbreekt daar, zoomede het
GEDAANTE WISSELING VAN DIPTERA. 63
eenigzins scheef staande puntje; daarentegen is het laatste
derde gedeelte afgebeeld als geringeld of ten minste van
dwarse inkervingen voorzien, terwijl in den text gespro-
ken wordt van «noueux».
Voorts bespeur ik nog de beide volgende verschillen:
de pooten zijn bij den Systenus tot aan het voorlaatste ab-
dominaal segment uitgestrekt en het laatste segment ver-
toont in het geheel geene haken, noch aan de buik-, noch
aan de rugzijde. Eindelijk mag ik niet verzwijgen dat La-
boulbene aan de ringen van het achterlijf ter wederzijde
zeven zeer kleine stigmata heeft bespeurd, die ik bij mijne
chrysalide niet heb kunnen waarnemen.
TRYPHON PRAEROGATOR Grav.
Gravenhorst beschreef in het 2° deel zijner Ichneumono-
logia Europaea blz. 427 een Tryphon praerogator, die gelijk-
vormig zou moeten zijn aan Linnaeus’ Ichneumon praerogator
n°. 44, Syst. Nat. ed. XII, doch daarvan in allen gevalle
verschilt door de kleur der pooten, die bij Linnaeus geel,
bij Gravenhorst geelachtig rood (fulvus) is. Geen der vol-
gende schrijvers of zamenstellers van Catalogen heeft dit
insect vermeld, behalve Holmgren, die in zijne Monographia
Tryphonidum op bladz. 223 het vermoeden uitspreekt, dat
de soort van Linnaeus identiek zou zijn met zijn’ Acroto-
mus canthopus en die van Gravenhorst in Scandinavië on-
bekend.
Ik meen het verloren schaap teruggevonden te hebben,
namelijk de soort van Gravenhorst. In eene oude doos
met insecten, in het jaar 1862 door wijlen Dr. J. Wttewaall
op Wickenburg bij Houten verzameld, vond ik 3 wijfjes
van een’ Mesoleius, die nagenoeg geheel overeenstemt met
de beschrijving van den Breslauschen Hoogleeraar. De
verschillen zijn alleen deze: de — vrouwelijke — voorwerpen
zijn 13 lijn langer, het eerste lid der sprieten is zwart,
het stigma is vrij donker bruin, op de knieën der achter-
pooten zijn geene zwarte vlekjes te zien, daarentegen zijn
de 4 laatste leedjes der tarsen aan die pooten even donker
als het eerste.
SH:
heel Oe TRR À.
op Sumatra verzameld, voornamelijk in Atchin, !)
DOOR
J. J. KORNDORFFER,
Kapitein 1ste klasse, Oud-Kommandant van het Detachement Mariniers in Atchin,
MET BESCHRIJVING VAN EENIGE NIEUWE SOORTEN,
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
Onderstaande opgave der meestal in Atchin verzamelde
Lepidoptera had ik gaarne willen inleiden met eene korte
beschrijving van het land van waar het grootste gedeelte
der soorten afkomstig is. Dit is mij echter niet wel mo-
gelijk, maar zeker zal ik dit opstel niet aanvangen zonder
een woord van hulde aan de verdiensten van den heer
Korndörffer, die de vrije oogenblikken welke hem zijne
moeijelijke pligten te midden van het krijgsgewoel overlie-
ten, nog wist dienstbaar te maken aan de belangen der
wetenschap !
Ik zal mij, wat de bekende soorten aangaat, tot eene
bloote opgave der namen bepalen. De Rhopalocera zijn
gerangschikt naar Herrich-Schaffer’s Prodromus en voor de
de Lycaeninen en Hesperidinen naar Kirby's Catalogus, de
Heterocera naar Walker (Sphinginen en Bombycinen), Guenée
(Noctuinen en Geometrinen) en Lederer (Pyralidinen).
1) Van enkele soorten is het voor mij twijfelachtig of zij niet in hoogere streken
dan Atchin zijn verzameld. Allen zijn echter stellig van Sumatra.
5
66 LEPIDOPTERA VAN SUMATRA.
De voorwerpen berusten in de verzameling van het ge-
nootschap Natura Artis Magistra te Amsterdam, dat mij
de determinatie opdroeg.
Acraea Terpsichore L.
Danais Chrysippus L.
» Hegesippus F.
Cyllo Leda L.
Mycalesis Justina Cram.
» Hesione Cram.
Yphthima Pandocus Moore.
» Hübneri Kirby.
Debis Rohria F.
» Europa F.
Neptis Aceris Lep.
Amathusia Phidippus L.
Diadema Bolina L.
» Misippus L.
Vanessa Cardui L. ')
Argynnis Niphe L.
Atella Phalantha Drury.
Cirrochroa Clagia God.
Adolias Alpheda God.
Junonia Orythia L.
» Asterie L.
» Laomedia L.
Doleschallia Bisaltide Cram.
Cupido Celeno Cram.
» Boeticus L.
Deudoryx Melampus Cram.
Cathaemia Belisama Cram. ')
Callidryas Scylla L.
Terias Hecabe L.
Papilio Helena L.
1) Wel niet in de laag gelegen Atchineesche kustlanden gevangen, maar waädr-
schijnlijk elders op Sumatra.
LEPIDOPTERA VAN SUMATRA. 67
Papilio Pammon L.
» _ Sarpedon L.
Casyapa Thrax L.
Pamphila Julianus F.
» Augias L.
Chaerocampa Alecto L.
» Celerio L.
» Silhetensis Boisd.
» Thyelia L.
» Velox F. (Butus Cram.)
Elibia Dolichus Westw.
Panacra scapularis Moore.
Acherontia Satanas Boisd.
Chalcosia marginata Guerin.
Aganais Sylvandra Cram.
Creatonotos interrupta L.
Aloa Vacillana Moore.
Deiopeia pulchella L.
Bizone peregrina Walk.
Arctia Strigatula Moore.
Spilosoma Maculifascia Moore.
Lithosia Chilomorpha Snellen nov. sp. Pl. 5, fig. 4, a—d.
Een vrij gaaf paar van 29 (4) en 32 (2) mm.
Moet later zeker een nieuw genus vormen wanneer de
oude Bombyces eens beter geclassificeerd zijn ; voorloopig
plaats ik de soort in Lithosia.
Palpen niet langer dan de kop, een weinig gebogen,
bijna horizontaal, stomp, plat, met naar voren in lengte
verminderende, bij het mannetje iets langere beschubbing,
Oogen naakt. Geene bijoogen. Aangezigt vlak. Sprieten
draadvormig; bij den man 5—6 leden boven den wortel,
aan de eene zijde iets door beschubbing verdikt (fig. b).
Voorvleugelpunt bij het wijfje nog iets meer sikkelvor-
mig omgebogen dan bij den afgebeelden man. Nervuur der
voorvleugels bij beide sexen dezelfde; ader 5 ontbreekt;
68 LEPIDOPTRRA VAN SUMATRA.
3 en 4 gesteeld; b uit de dwarsader; 7—9 gesteeld, 14
door 12 gesneden (fig. c). In de achtervleugels bij het
wijfje 7 aderen; 2—4 als in de voorvleugels; 5 ontbreekt;
6 en 7 gesteeld; 8 uit een derde van den voorrand der
middencel; deze heeft (ook in de voorvleugels) twee vijfden
der vleugellengte; dwarsaders steil.
Bij den man is de achtervleugel abnormaal gevormd,
korter, breeder, stomper gepunt, aan den staarthoek meer
verlengd dan bij het wijfje en heeft aan den voorrand een’
omslag, waardoor eene ader loopt en die onderaan met eene
franje van lange, platte schubben bezet is. Ader 2 ont-
springt geheel bij het eind der middencel; 4, 5 en 6 ont-
breken (fig. d).
Pooten dun, glad beschubd , gewoon gevormd en gespoord.
De voorborst heeft bij den man eene dikke zwartbruine
beschubbing, die aan een antieken jabot herinnert, en zijn
achterlijf eene breede staartpluim.
Kop, thorax en bovenzijde der voorvleugels zijn geelgrijs ,
ook de eerste leden van den achterlijfsrug; het overige
met achtervleugels en onderzijde en de geheele franje bleek
okergeel. De onderzijde der voorvleugels is tegen den
achterrand zwartgrijs, borst en pooten graauwachtig; de
buik tegen de punt donker okergeel.
Hypocrita H.S. (Barsine Walk.) inclusa Snellen nov. sp.
Pl. 5, fig. 2, a—e.
Drie vrij gave exemplaren (1 &, 2 9) van 28—35 mm.
Palpen zwart; evenzoo de draadvormige kort behaarde
sprieten. Geene bijoogen (fig. b). Kop en thorax goud-
geel, alles overal zwart gerand. De voorvleugels met franje
zijn vaalzwart met groote helder okergele, overal door
de grondkleur breed ingevatte vlekken en eene in het
midden afgebroken gele tweede dwarslijn. Achtervleugels
en achterlijf bleek okergeel; de eersten tegen den binnen-
rand, het laatste tegen de punt donkerder.
Op de onderzijde zijn de voorvleugels bijna als boven
LEPIDOPTERA VAN SUMATRA. 69
geteekend doch met geel bestoven wortelhelft; de achter-
vleugels bleek okergeel; een vlekje op het midden van den
voorrand en eenigen tegen de punt zwartgrijs.
Voor de nervuur verwijs ik naar mijne afbeelding (fig. 2, c).
Pooten glad beschubd, gewoon gevormd en gespoord,
zwart, de scheenen met gele langslijnen.
Pseudoblabes bifasciata Felder. Felder (Novara-reis) beeldt
van dit dier het wijfje af als Lithosia bifasciata. Naar twee
mannen op ’s Rijks Museum behoort deze soort tot het
genus. Pseudoblabes Zeller.
Porthesia fumosa Snellen nov. sp. Pl. 5, fig. 3 (4) en 4 (@).
Een gaaf paar; de man 42, het wijfje 35 mm.
Kop en thorax zijn bij den man donkerbruin, iets
graauwachtig, zijne voorvleugels donker grijsbruin met bleek-
gelen achterrand en geheel zwart bestoven; de dwarsader
heeft een dik zwart middenpunt. De achtervleugels zijn
zwartgrijs met helder lichtgelen achterrand, het achterlijf
zwartgrijs met gele staartpluim.
Bij het wijfje zijn thorax en voorvleugels licht bruin-
grijs; de laatsten vertoonen behalve het dikke, zwarte,
hier vuilwit gerande middenpunt, daarachter nog twee pa-
rallele, vuilwitte dwarslijnen. Achtervleugels vuilwit, bruin-
grijs bestoven, vooral tegen den binnenrand; achterlijf
bruingrijs.
Op de onderzijde de vleugels bij den man met bogtig
uitgesneden zwartgrijze wortelhelft en zwart middenpunt,
bij het wijfje bijna eenkleurig geelgrijs met donkergrijze
middenpunten.
Lymantria hilaris Voll.
Odonestis Vita Moore.
» Vishnou Lefevre.
Parasa Loésa Moore.
Leucania extenuata Gn.
» Yu Gn. — Klein exemplaar.
70 LEPIDOPTERA VAN SUMATRA.
Glottula Dominica Cram.
Spodoptera Mauritia Boisd,
Prodenia Testaceoides Gn.
Apamea modestissima Snellen. (Zie de beschrijving en
afbeelding in de lijst der Javaansche Heterocera door den
heer Piepers verzameld, hiervoren blz. 26, Pl. 2, fig. 14).
Agrotis Interjectionis Gn.
Heterochroma leucographa Snellen nov. sp. PL.5, fig. 5, ad.
Een vrij gaaf paar. & 25, ¢ 28 mm.
Palpen en kop lichtbruin, thorax donkerbruin; evenzoo
de voorvleugels. Deze met twee roomkleurig witte dwars-
strepen geteekend en tegen den achterrand iets bleeker
bruin, vooral op den gewaterden band, tusschen de
tweede dwarsstreep en de plaats waar anders de golflijn
wordt gevonden, zijnde van de laatste hier niets te zien.
Op de plaats der ronde vlek vindt men eene witte stip,
terwijl zich op die der niervlek eene driekante witte vlek
bevindt, die met een voorrandsvlekje, twee stippen en een
gebroken lijntje daaronder de tweede witte dwarsstreep
vormt, zijnde de eerste onafgebroken en getand.
Op de zeer fijne bruingele franjelijn staan zwarte, drie-
hoekige stippen en de franje is even donker bruin als de
vleugel.
Achtervleugels paarsachtig bruingrijs, bij het wijfje een-
kleurig, bij den man tegen wortel en binnenrand iets
lichter, bij beide sexen met een donker middenvlekje.
Achterlijf als de achtervleugels gekleurd, met donker-
bruine pluimpjes.
Onderzijde bruingrijs met donkere boogstreep, die alleen
op de tegen wortel en binnenrand witachtige achtervleugels
duidelijk is.
Oogen naakt, onbewimperd; bijoogen aanwezig. Pal
pen smal, opgerigt. Zuiger opgerold (fig. b). Sprieten bij
den man tot 2/3 met bewimperde zaagtandjes, verder
korter en gelijkmatig bewimperd; bij het wijfje draadvor-
LEPIDOPTERA VAN SUMATRA. 71
mig. Pooten ongedoornd, gewoon gevormd en gespoord.
De achtervleugels zijn geaderd als bij Hadena, Lederer,
doch in de nervuur der voorvleugels is eene bijzonderheid
op te merken. De aanhangcel ontbreekt namelijk bij beide
sexen en 8—10 zijn gesteeld, 7 komt uit de spits der
dwarsader en is bij het mannetje aan den wortel gebogen,
terwijl ook de steel van 8—10 aan den wortel als door
eene pletting (de vleugel vertoont op de plaats der aan-
hangcel een ligt indruksel) is uitgewischt. Bij het wijfje
ontbreekt deze bijzonderheid (fig. ce, d).
Onder de Europeesche Noctuinen zou voor deze soort
dus een nieuw genus moeten worden gevormd, doch bij
den tegenwoordigen staat van de classificatie der exotische
kan zij voorloopig wel in het genus Heterochroma worden
gehuisvest.
Heliothis armigera Hbn.
Xanthodes transversa Gn.
Plusia signata F., Gn.
Cosmophila Auragoides Gn.
Checupa (Moore) tinctoides Snellen nov. sp. Pl. 5, fig. 6,
a—c.
Een gaaf mannetje van 48 mm.
Palpen grijswit, op zijde van lid 2 eene zwarte streep
en stipje en een zwart stipje aan de punt van lid 3. Kop
(met een kuifje tusschen de oogen) muisgraauw, de sprie-
ten bruin. Thorax bruin, geelgrijs en witgrijs gemengd,
evenzoo de voorvleugels die buitendien geheel gewaterd
zijn met donkerder dwarsschrapjes. Het witgrijs bevindt
zich vooral aan den wortel en in den omtrek van den bin-
nenrandshoek. Eerste dwarslijn fijn zwart, schuin, doch
niet tot den binnenrand doorloopende; van de tweede en
golflijn niets te zien. Ronde vlek onduidelijk. Niervlek
een fijne zwarte ring, die franjewaarts een tandje heeft en
vrij donker bruin gevuld is. Bij de vleugelpunt eene zwart-
72 LEPIDOPTERA VAN SUMATRA.
grijze voorrandsvlek met twee zwarte lijntjes en boven den
binnenrandshoek een zwart streepje.
Achterlijf en achtervleugels bruingrijs, de wortel, eene
naar boven verflaauwende dwarsstreep en de franje der
laatsten grijsgeel. Onderzijde grijsgeel, de achterrand der
vleugels en eene boogstreep bruingrijs.
De oogen zijn naakt, onbewimperd; bijoogen aanwezig.
Zuiger zeer klein. Palpen smal, glad beschubd, ruim twee-
maal zoo lang als de oogen, bijna horizontaal; lid 3 lang,
dun, rolrond, aan de punt iets dikker (fig. b). Sprieten
naauwelijks half zoo lang als de voorvleugels, draadvormig ;
de iets dikkere wortelhelft kort behaard. Thorax en achter-
lijf vrij plat, de eerste met platte haren bekleed, zonder
pluimpjes, vierkant; het lijf fijn behaard met sporen van
pluimpjes. Voordijen en scheenen met eene dikke, platte
beharing (fig. c) bekleed en ook de overige pooten dik
behaard, overigens kort en stevig, ongedoornd, gewoon
gespoord. Achtervleugels met even dikke ader 5, deze
met 3 en 4 uit den binnenrandshoek der. middencel, die
jets korter is dan de halve vleugels. Voorvleugels als bij
Hadena Led. geaderd.
Alamis Umbrina Gn.
Ophideres Salaminia Cram.
Odontodes Aleuca Gn.
Potamophora Manlia Cram.
9 Nyctipao Ephesperis Hbn. var. obscur.
Schijnt mij toe eene donkerbestoven varieteit te zijn
van deze soort. Gebrek aan materiaal ter vergelijking
belet mij echter dit met zekerheid uit te maken.
Pseudophia Tirrhaea L.
Achaea Ambidens Rog. en Feld. Een exemplaar dat zoo
wat het midden houdt tusschen de afbeelding in de Novara-
reis en die van de op dezelfde plaat voorgestelde Anetica
R. en F. Welligt maken beiden slechts ééne soort uit.
LEPIDOPTERA VAN SUMATRA. Ten
Ophiusa Joviana Cram.
Remigia Archesia Cram,
Sympis Rufibasis Gn,
Madopa? quadristrigata Snellen nov. sp. Pl. 5, fig. 7.
Een paar mannen van 24—25 mm.
Palpen lichtbruin met witte spits. Kop lichtbruin. Hals-
kraag paarsachtig donkergrijs. Thorax ontschubd. Voor-
vleugels bij het eene mannetje dat vrij frisch is ; paarsachtig
donkergrijs met vier zwarte dwarsstrepen, waarvan de
beide laatsten iets gebogen en wortelwaarts witachtig af-
gezet zijn. Bij het andere, meer afgevlogen exemplaar
draagt de vierde streep bovenaan twee witte vlekjes, waar-
van bij het gavere slechts sporen te zien zijn. Op de
dwarsader staat bij beide exemplaren een dun, lang zwart
streepje.
Achtervleugels paarsachtig grijs, tegen den wortel lichter.
Het slanke achterlijf evenzoo gekleurd, zonder pluimpjes.
Onderzijde bruinachtig; de voorvleugels bij het eene
exemplaar met twee witte stippen en de achtervleugels
met een wit langslijntje tegen den achterrand. Pooten bruin.
Wijkt van Madopa salicalis W.V. af door kortere palpen
met korter eindlid, gemis van een voorhoofdskuifje en van
bijoogen, dikkere onbehaarde sprieten, stompere voorvleu-
gels en door ader 5 der achtervleugels, die met 3 en 4 uit
een punt ontspringt. Het overige is eveneens.
Oxydia Korndörfferi Snellen nov. sp. PL 5, fig. 8, a, b.
Een gaaf mannetje van 34 mm.
Palpen niet ten volle zoo lang als de kop, gebogen, smal,
het eindlid een derde zoo lang als lid 2, dunner dan dit;
hunne kleur zwart even als die van het aangezigt. Schedel
licht paarsgrijs, evenzoo de schaft der tot 4/5 zwartgrijs
gebaarde sprieten.
Thorax groengrijs. Bovenzijde der vleugels olijfgroen,
behalve het voorrandsderde der achtervleugels dat okergeel
74 LEPIDOPTERA VAN SUMATRA.
is. Het aderbeloop is ten deele iets donkerder groen, even
zoo fijne dwarsschrapjes waarmede de geheele bovenzijde,
doch niet digt, bedekt is. Voorvleugels met twee donker
purperroode dwarsstrepen en eene dergelijke, in het mid-
den fijn grijze, groote ovale middenvlek. De tweede dwars-
streep komt onder de vleugelpunt uit eene halfronde,
donker paarsgrijze, zwartgerande vlek en de voorrand is
voor de eerste dwarslijn tot de middencel grijsachtig.
Achtervleugels met purperroode middenstreep, van drie
vijfden des binnenrands tot de helft der dwarsader, en kleine
purperroode midden vlek.
Achterlijf grijs met okergele punt en zijden.
De onderzijde is oranje-okergeel, op de voorvleugels het
helderst en hun binnenrand tot de helft van cel 1b geelwit.
Verder zijn die vleugels grof purperrood gesprenkeld en
geteekend met eene paarse middenvlek en twee onvolko-
men dwarsstrepen, waarvan de eerste purperrood is. De
tweede, uit de paarsbruine vleugelpunt komende, is eerst
paarsbruin en dan onderaan purperrood. Achtervleugels
veel spaarzamer rood gesprenkeld en met kleine purper-
roode middenvlek.
Franje der voorvleugels onder en boven paarsbruin, die
der achtervleugels donker okergeel. Slechts één middenpoot
is overgebleven, die eene okergele dij heeft en verder grijs is.
Achtervleugels met dunnere ader 5; 8 uit den wortel;
3 en 4 en 6 en 7 verwijderd van elkander. Voorvleugels
met 12 aderen; 2—4 ver van elkander; 5 uit de helft der
dwarsader; 6 uit de spits; de steel van 7—9 uit 4/5 der
middencel; 7 in den achterrand; 10 met 11 gesteeld en de
laatste door 12 gesneden (fig. b).
Benoemd naar den heer Korndörffer.
Boarmia concentraria Snellen nov. sp.
(Zie beschrijving en afbeelding in de lijst der Javaan-
sche Heterocera door den heer Piepers verzameld, hier-
voren blz. 40, Pl. 3, fig. 20).
LEPIDOPTERA VAN SUMATRA. 19
Boarmia acutaria Snellen nov. sp. PI. 6, fig. 1 en 2.
Een paar; de man 35 mm., het spitsvleugelige wijfje
32 mm.
Palpen licht bruin, smal, iets langer dan de kop, met
horizontaal eindlid. Sprieten draadvormig. Vleugels met
scherpe hoeken, vooral bij het wijfje, de voorvleugels bijna
driekant met ongebogen randen; de achterrand der achter-
vleugels gebogen, bij den man sterk getand, bij het wijfje
slechts rond gegolfd.
Grondkleur der bovenzijde een onzuiver geelachtig wit-
grijs, bruingrijs besprenkeld en gewolkt en met twee bruin-
grijze dwarsstrepen en zulk eene middenvlek geteekend,
alles flaauw en vervloeijend. Buitendien ziet men eene rij
donkerder stippen over het midden der vleugels en derge-
lijke randstippen. Franje witgrijs.
De man vertoont eene onduidelijke, sterk getande golflijn.
Onderzijde meer geelachtig dan boven, bij den man
groote middenvlekken en drie dwarsstrepen bruin, bijna
roestkleurig; bij het wijfje ziet men kleinere middenvlekken
en slechts twee dwarsstrepen.
Pooten en nervuur als bij de typische Boarmién; de
middencellen vrij kort.
Thalassodes quadraria Gn.
Timandra amataria Linn.
Een exemplaar, niet verschillende van Europeesche.
Zanclopteryx saponaria Gn.
Een gaaf mannetje van 17 mm.; buitendien heb ik nog
een wijfje dat door den heer Piepers op Celebes is gevan-
gen; de soort is dus tamelijk verbreid (Ceylon, Sumatra,
Celebes). Het genus Zanclopterye Gn., welks beide andere
soorten (Aculeataria H. S. en Zincaria Gn.) ik mede thans
voor mij heb, is na verwant aan mijne Chionopteryx aluci-
taria van het Prinsen-eiland. !) De nervuur is dezelfde, maar
1) Zie Tijdschrift deel XVI, blz. 72, pl. 4, fig. 1.
76 LEPIDOPTERA VAN SUMATRA.
de vleugels zijn korter, het lijf niet zoo lang en dun, de
bouw daardoor meer gedrongen; ook de kop staat bij
Zanclopteryx niet op zulk een langen hals en de achter-
scheenen zijn ongebogen en langer. Hierbij bepaalt zich
het verschil, het overige is eveneens.
Ik geef hieronder eene meer uitvoerige beschrijving dan
Guenee:
Sprieten met hoekige leden, ook bij het wijfje; bij den
man fijn behaard. Bovenzijde blaauwachtig wit, de vleugels
zeer dun beschubd, zoodat men daaronderliggend schrift
bijna lezen kan.
Voorrand der voorvleugels tot bij de punt met fijne grijze
schrapjes. Eene stip op de dwarsader en fijne op den
achterrand in het midden van alle cellen zwart; verder
ziet men sporen eener bruinachtige, afgebroken dwarslijn
digt bij den achterrand. Achtervleugels met eene bruin-
achtige middenvlek en eene dergelijke dwarslijn, doch die
iets duidelijker is dan op de voorvleugels, benevens fijne
zwarte stippen langs den geheelen achterrand in de cellen.
Franje fijn, wit. Onderzijde als boven geteekend, doch veel
flaauwer.
Voorpooten grijs; midden- en achterpooten wit; de schee-
nen der achterpooten iets verdikt en plat.
Zancl. Zincaria Guenée, eene na verwante soort, waarvan
ik een zeer gaaf mannetje uit Dr. Staudinger’s collectie
van Malakka en een op Celebes gevangen wijfje voor mij
heb, is grooter (23 mm.) en heeft een gelijkmatig licht bruin-
grijzen voorvleugelvoorrand, grootere zwarte middenvlek
der voor- en kleinere bruinachtige der achtervleugels en
op beide vleugels drie vlekkige, bleekbruine dwarslijnen.
Verder is de onderzijde bijna ongeteekend en de sprieten
volkomen draadvormig. Vleugelvorm en nervuur zijn
eveneens.
In Peru komt nog eene vierde, geheel ongeteekende
soort voor, die mede in Dr. Staudiger’s collectie aanwe-
zig is.
LEPIDOPTERA VAN SUMATRA. 77
Asopia Gerontesalis Walker.
Botys tridentalis Snellen.
Gelijk aan mijne Afrikaansche exemplaren. Komt boven-
dien op Java en Celebes voor.
Enchocnemidia squamopedalis Gn.
Glyphodes Piepersialis Snellen nov. sp.
Deze soort zal ik weldra publiceeren in mijne opgave
der door den heer Piepers op Celebes gevangen Pyrali-
den en laat dus de beschrijving hier achterwege.
Glyphodes Westermani Snellen nov. sp. Pl. 6, fig. 3.
Van deze soort, die ik zoo vrij ben naar den talentvollen
bestuurder van het Amsterdamsch genootschap Natura
Artis Magistra, eerelid der Ned. Ent. Vereeniging, Dr. G. F.
Westerman te benoemen , heb ik twee vrij goede mannen
van 30 mm. voor mij. Zij behoort te huis in eene groep
van het genus Glyphodes, waar de achtervleugels tot aan
den donker geteekenden achterrand glanzig licht zijn en
de voorvleugels twee convergeerende glanzig lichte dwars-
tanden hebben die in den voorrand uitloopen. Van de
soorten dezer groep (Nyctealis Snell. en Piepersialis Snell.)
onderscheidt zij zich door den lichtgelen achterrand der
vleugels.
Palpen onderaan wit, in het midden zwart, bovenaan
lichtbruin als de sprieten. Kop en thorax witgeel, ook de
zijden van het achterlijf. Dit met geelgrijzen, donkergrijs
geranden rug. Voorvleugels tot de helft bruingeel, de
binnenrand smal witgeel, van het bruingeel gescheiden
door een donkerbruinen zoom en met een rugwaartschen
tand voor de helft. Deze bruingele wortelhelft vertoont
eene fijne en eene breedere doorschijnende geelwitte dwars-
streep, beiden schuin en fijn bruin gerand. De tweede is
onderaan spits en eindigt aan ader 4 in een okergeel
plekje. Vervolgens komt eene breede, steile, wigvormige,
geelwitte, doorschijnende fijn bruin gerande streep, die
78 LEPIDOPTERA VAN SUMATRA.
bij het einde der tweede schuine uitloopt, wortelwaarts
iets rond is gebogen ‘en franjewaarts eenen tand heeft.
Van daar tot den witgelen achterrand komen twee zwart-
bruine dwarsstrepen, die ieder door eene okergele lijn ge-
deeld en door eene paarse streep gescheiden zijn. Achter-
vleugels geelwit, doorschijnend, vooral tegen den voorrand,
met een bruin streepje op de dwarsader en een ongeveer
als op de voorvleugels geteekenden achterrand. Franjelijn
donkerbruin, in de cellen verdikt. Franje witgeel.
Onderzijde glanzig wit, de teekening van boven door-
schijnende, met donkergrijze strepen voor den witgelen
achterrand.
Hedylepta vulgalis Gn.
Terastia proceralis Led.
Stenurges caliginosalis Snell. nov. sp.
Van deze soort zal weldra eene beschrijving met afbeel-
ding verschijnen in een stuk over nieuwe Pyraliden dat
gereed ligt en misschien nog wel voor dit het licht ziet.
Ik verwijs dus daarnaar.
Zinckenia recurvalis F.
Coptobasis luminalis Led.
Gonocausta invertalis Snell. nov. sp. Pl. 6, fig. 4.
Ken niet geheel gaaf mannetje van 24 mm.
Heeft geheel den vleugelvorm van Gonocausta zephyralis
Led., doch van de sprieten is slechts een stuk van den
linker overgebleven. De teekening is juist omgekeerd als
bij genoemde soort, daar de lichte vlekken der voorvleugels
niet op den binnenrand rusten maar aan den voorrand
hangen. Ook zijn de achtervleugels geheel donker.
Palpen lichtbruin, lid 4 slechts onderaan smal wit. Kop
lichtbruin. Thorax tamelijk ontschubd. Hij schijnt paars-
prijs te zijn geweest, zooals het achterlijf op de bovenzijde
is. Dit heeft eene fijne, zwarte, vrij lange staartpluim.
LEPIDOPTERA VAN SUMATRA. 79
Voorvleugels paarsgrijs, tusschen twee groote aan den
voorrand hangende, olieachtig gele, doorschijnende, fijn
donkerbruin gerande vlekken oranjebruin, paars bestoven.
Het midden van den voorrand is leemkleurig en het paars-_
grijs zwart bestoven. Achtervleugels paarsgrijs, zwart be-
stoven; de voorrand en sporen eener dwarslijn geelachtig.
Franjelijn bruingeel; franje donkerbruin.
Onderzijde bijna als boven geteekend, maar helderder
wit op grijzeren grond.
Borst, buik en pooten wit, de voorscheenen ‘bruin.
Conchylodes Caberalis Gn.
Oligostigma gibbosalis Gn.
Schoenobius punctellus Zell.
Buitendien zijn door den heer Korndörffer nog een 31-tal
soorten van Lepidoptera overgezonden, wel meestal nieuw
doch te slecht om met zekerheid te worden gedetermineerd
of beschreven en afgebeeld. Het getal der verzamelde
soorten bedraagt dus in het geheel 135.
Rotterdam, 12 April 1876.
DESCRIPTION: DU
NIRMUS ASYMMETRICUS Nrrzscu
(Giebel p. 151, taf. VIII, fig. 8 et 9)
PAR
M. le Docteur E. PIAGET.
Nitzsch qui a le premier decouvert ce parasite, pas plus
que Giebel aprês lui, ne parait avoir remarque combien il
differait par son organisation de toutes les espèces connues
jusqu'ici. Cette difference est telle que je proposerais la
création d’un nouveau genre; car si comme chez quelques
Nirmi, les trabécules sont réduites à une excroissance
insignifiante, d'autre part les antennes, la mobilité du
clypéus, la forme des derniers segments, les taches géni-
tales, les pelottes des tarses, le séparent absolument du
genre où Nitzsch l’a placé.
La tête est conique et échancrée en avant, mais non
pas tronquée obliquement (Giebel). Dans quelques individus
l’échancrure est plus profonde et les angles du clypéus
très aigus (Pl. 6, fig. e). Ge qui a trompé nos auteurs au point
de leur faire croire que le clypéus était tronqué oblique-
ment ') (fig. f), c'est que l’avant-tête est mobile, que l’ani-
mal en rapproche les bords en dessous, ou plutôt rapproche
celui de droite de l’autre, et forme ainsi une gaîne aux
deux tiers fermée jusqu'à peu de distance des mandibules.
De la une espèce d’asymmétrie. Il est à remarquer que
1) »Tief und schiefwinklig ausgeschnitten, in welchen Ausschnitt die tiefe Futters
rinne der Unterseite ausläuft».
DESCRIPTION ETC. 81
dans les jeunes cette asymmétrie n'existe pas; le clypéus
est alors tronqué droit et la gaine est une simple dépres-
sion; tous les changements apparaissent peu a peu. L’avant-
tête porte trois soies en avant, trois en arrière et un poil
à la base des trabécules, qui sont ici à peine distinctes.
Les antennes trés poileuses et colorées different dans les
deux sexes; chez le mâle sensiblement plus longues, le
9° article égale le 3 et tous deux sont à peine plus courts que
le 2°; chez la femelle le 2° plus long que les autres. Le
sinus antennal est peu concave; les tempes avec une tache
mal limitée en arrière de Voeil, angulairement arrondies,
avec 6 soies dont une au bord de l’oeil, implantées à égale
distance sur des pustules, et deux fortes épines en arrière;
l’occiput rentrant et un peu convexe; les bandes occipitales
arquées l’une contre l’autre, donnent une branche à la
racine postérieure des mandibules et s’avancent jusqu'aux
bandes antennales; celles-ci de largeur inégale, longent le
bord jusqu'à langle du clypéus et reviennent ensuite for-
mer le bord de la gaine. En dessous (fig. a) on distingue
dans la gaine une dépression semicirculaire incolore en
avant, puis un petit talus parallèle, ensuite les faisceaux
musculaires avec le demi-cercle de chitine auquel ils pa-
raissent s'attacher, — les coussins musculaires en avant
des mandibules, entre lesquels un point noir dont j'ignore
la signification ,— les mandibules entr’ouvertes pour montrer
que l’une est à trois petites dents, l’autre à deux, — les
organes buccaux , — deux bandes peu colorées qui ne cachent
pas entièrement les bandes occipitales, enfin une tache
subtriangulaire à l’occiput qui se termine sur cette face
par deux pointes renflées et très foncées.
Le prothorax convexe sur les côtés, droit postérieurement
avec deux taches séparées par un sillon incolore, et une
soie implantée en avant de l’angle postérieur arrondi. Le
métathorax sans sillon incolore, arrondi latéralement, trans-
verse, droit ou plutôt concave au côté postérieur; la tache
parallèle à ce bord avec 3 échancrures de chaque côté et
6
82 DESCRIPTION DU NIRMUS
quelques pustules enclavées en arrière des angles. Par
une particularité dont je ne connais pas d’autres exemples,
la partie incolore du métathorax n’est pas continue avec le
reste mais s'en sépare brusquement par une échancrure
et est plus étroite. A la face sternale (fig. a) le thorax pré-
sente entre les 1” et 2" coxis une bande noire transverse
ondulée, avec deux appendices longitudinaux sur la ligne
médiane, et sur la ligne même une tache triangulaire. Les
pattes longues colorées et poileuses; les 4 coxis postérieurs
inserrés plus prés du bord que les premiers; les fémurs
assez robustes, avec 5 poils dorsaux dont deux plus longs
que les autres; les tibias avec une bande dorsale, plus
longs et plus gréles, trés épineux a la face interne — les
epines des 1"* plus longues et moins nombreuses (3) —,
et avec deux soies dorsales et deux forts ardillons; les
tarses longs, avec deux onglets aussi forts et aussi colorés
Yun que l’autre et une petite pelotte transparente qui fait
penser a celle des Liothéides.
L’abdomen chez la femelle ovale et très allongé, porte sur
les six premiers segments seulement des bandes latérales
linéaires, noires au milieu et dépassant a peine la suture
antérieure, — des taches arrondies au côté interne, plus
ou moins longues selon lage, isolées des bandes latérales,
avec une échancrure au bord antérieur et 3 ou 4 au pos-
terieur; la fovéole stigmatique est très limitée; les soies
épaisses et raides relativement courtes, sont sur deux
rangées par segment dont l’anterieure s’arréte aux taches,
la 2% occupe toute la largeur. Les trois derniers segments
n’ont pas de sutures distinctes; la tache du 7° qui n’atteint
pas les côtés, est effacée au bord postérieur; le 8° porte
une valvule bilobée bordée en arrière de tres petits poils;
la transparence laisse entrevoir les taches de la face ven-
trale; le 9° segment échancré en arrière et séparé du 8° par
un étranglement avec une longue soie et une épine de
chaque côté, Les angles antérieurs, sauf les 2 premiers,
laissent entrevoir 3, puis 4 a 5 soies courtes et raides. A
ASYMMETRICUS NITZSCH. 83
la face ventrale, les soies sont comme à la dorsale; sur
les 7° et 8° segments deux bandes étroites longitudinales ,
irrégulières, avec une continuation en avant plus étroite et
moins colorée, en outre sur le 7° une proéminence laterale
un peu arrondie, en arrière de laquelle une serie de soies
implantées en demi-cercle (fig. b).
L’abdomen du mâle d'un tiers plus court que celui de la
femelle, à côtés presque paralleles; les taches des 7 premiers
segments transverses sont aussi séparées de la bande latérale,
et avec une seule échancrure au bord antérieur et une
série au postérieur; le & laisse entrevoir au travers de sa
petite bande un demi-cercle de chitine trés noir et en ar-
riere une série de soies plus courtes que les autres; le 9°
segment arrondi, avec 5 à 6 soies de chaque côté (fig. c).
A la face ventrale une tache latérale, arrondie sur les 7
premiers segments et une terminale sur le 9° très acuminée
en avant.
L'apparail sexuel (fig. d) trés long et trés étroit et un
peu étranglé à l’articulation des appendices latéraux ; ceux-ci
arqués et aigus dépassent de fort peu le pénis.
La couleur du fond est blanchatre, les taches, le thorax
et les pattes fauves, la téte plus foncée.
Les dimensions sont considérables: 35')—36 e, 24 4.
longueur 2 d largeur 2 d
téte 0,00095 0,00079 0,0007 0,00064
thorax 052 043 068 058
abdomen 24 44 093 066
antennes 023 037
3 femur 029
9° tibia 041
3° tarse 02
En très grand nombre sur un Dromaeus Novae Hollandiae
du Jardin zoologique de Rotterdam.
La description de Giebel est très incomplète et sur plu-
1) Par abréviation pour 0,0035,
84 DESCRIPTION ETC.
sieurs points inexacte, quant à la forme et aux détails de
la tête. Il n’a pas reconnu la différence dans les antennes
des deux sexes, les particularités de la face inférieure, la
forme si caractéristique du métathorax; les soies des tibias ;
les échancrures aux taches de l’abdomen, leur isolement
de la bande latérale, l'existence même de cette bande, la
double rangée de soies; l’apparence de la face sternale
ni celle de la ventrale , la difference entre l’abdomen des deux
sexes, les taches génitales, etc. ete. Et le dessin donné
par Nitzsch n’est guéres propre à corriger les erreurs.
J'ai cru devoir augmenter la transparence de ma figure
pour mieux laisser voir les détails de la tete.
AANTEEKENING OVER DE EUROPESCHE SOORTEN
VAN HET GENUS PANCALIA STEPH,
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
In het beroemde werk over de Europesche Lepidoptera
van Dr. Herrich-Schäffer: Systematische Bearbeitung der
Schmetterlinge von Europa worden, deel V, p. 210, drie
soorten van bovenvermeld genus opgenoemd; meer worden
er in den laatsten Catalogus van Staudinger en Wocke
niet vermeld en volgens het in October 1876 verschenen
laatste gedeelte van het werk over de Lepidoptera van
Duitschland en Zwitserland, dat na von Heinemann’s dood
door Dr. Wocke is bezorgd, komen zij alleen in de beide
genoemde landen voor.
Herrich-Schäffer onderscheidt de twee soorten die reeds
sedert lang bekend waren (volgens hem, Lewwenhoeckella
Wien. Verz. en Latreillella Steph.) en die beiden goudbruine,
donker gerande voorvleugels hebben, waarop een dwars-
band bij den wortel en vijf randstreepjes zilverkleurig zijn,
door de grootte, de donkerheid van de grondkleur der
voorvleugels, den stand van het laatste dorsaalstreepje en
de sprieten, zijnde Latreillella de grootste, de lichtste,
met iets schuins staand dorsaalstreepje en geheel zwarte
sprieten , welke laatsten bij Leuwenhoeckella een’ breeden
witten ring voor het eind hebben. Verder voegt hij er
eene derde soort aan toe, Nodosella Mann. (Verh. d. Zool.-Bot.
Vereins 1854, p. 586), waarvan hij zegt: «Der L. sehr
nahe. Die Grundfarbe der Vorderflügel viel dunkler braun,
86 AANTEEKENING OVER PANCALIA STEPH,
‘die Silberflecke mehr tropfartig erhoben, der kleine auf der
Mitte des Innenrandes fehlt, die Fühler hinter der Mitte
durch abstehende Schuppen verdickt, das Stück vorwärts
davon an der Wurzel weiss.» — Uit Spanje en noordelijk
Italie. Ik heb Mann’s beschrijving niet met Herrich-Schäffer
vergeleken, doch zij is in Stainton’s Tineina of Southern
Europe p. 107, 116 en 245 herhaald en besproken, en ik
kan mij niet herinneren bij het lezen van dit boek eenige
afwijking met Herrich-Schäffer te hebben opgemerkt, zoo-
dat diens Nodosella en die van Mann wel dezelfde zijn.
Wat de kenmerken der beide oudste soorten aangaat,
zoo zegt reeds Frey in zijne Tineen der Schweiz, p. 166,
dat Leeuwenhoeckella «mit Ausnahme des weissen Gürtels
vor der Fühlerspitze und etwas plumperer, kürzerer Flügel
mit der vorigen Species (Latreillella) ganz übereinstimmt.»
Alleen teekent hij in de diagnose der eerste aan, dat de
dwarsband bij den wortel dikwijls afgebroken is. Stainton’s
Insecta Brittannica en Manual kan ik niet vergelijken, doch
Mr. H. W. de Graaf merkt in de Bowwstoffen voor eene
Fauna van Nederland, deel II, p. 264, noot sub n°. 181,
aan dat Leewwenhoeckella zich alleen door den breeden witten
gordel voor het eind der sprieten onderscheidt. Von Noleken
gaat in zijne Lep. Fauna von Estland ete. p. 602 nog
verder en beweert dat ook de wijfjes van Latreillella wit
geringde sprieten bezitten. Zijne zienswijze wordt door
von Heinemann gedeeld, want deze noemt alleen de man-
nelijke sprieten van Latreillella «ganz dunkelbraun » en zegt
dat de vrouwelijke voor de spits witachtig zijn gelijk in
beide sexen van Leewwenhoeckella. Het wordt dus vrij
moeijelijk deze twee soorten steeds te onderscheiden en
als constante kenmerken blijven voor beiden slechts de
plompere bouw en mindere grootte van Leewwenhoeckella
over — beide zaken echter al te zeer aan het bij Fransche
Entomologen zoo geliefkoosde «un peu plus» en «un peu
moins» herinnerende om ons groot vertrouwen in te
boezemen.
AANTEEKENING OVER PANCALIA STEPH. 87
Voor Nodosella blijft bij von Heinemann wel het verschil
in den bouw der sprieten, maar niet het verschil in kleur
en teekening der voorvleugels bestaan, want zijne diagnose
is voor de vleugels voor alle drie de soorten dezelfde en
de zilveren teekening noemt hij bij allen drupvormig. In
grootte staat Nodosella tusschen de beide anderen in.
In ons vaderland was sints lang Leeuwenhoekella als in-
landsch bekend, daar zij reeds in het eerste deel der
Bouwstoffen op p. 45 wordt vermeld. Later in deel III, 1. c.,
komt Latreillella Curtis er bij. Ik zelf had alleen de laatste
gevangen, welke over dag talrijk in April in de duinen vlie-
gende voorkomt. Leeuwenhoeckella kende ik in natura slechts
door een zeer klein voorwerp dat Dr. Piaget voor mij uit
Zwitserland had medegebragt, doch had die niet gevangen.
Nooit verwachtte ik de in Dalmatie, Spanje en Italie (vide
Staudinger en Wocke) levende Nodosella in ons land te
zullen aantreffen. Zeer aangenaam werd ik dus verrast
door een geschenk van den heer van der Wulp, bestaande
in eene Pancalia met verdikte en daarvóór breed witte
sprieten, die ik voor Nodosella moest houden en die volgens
het briefje aan de speld den 6% Mei 1865 bij ’s Graven-
hage gevangen was. Bijna had ik die derde soort als nieuw
voor onze Fauna opgegeven, want zoo min aan de waar-
heid als aan de juistheid van de medegedeelde vangplaats
mogt ik bij mijnen naauwgezetten en degelijken collega
twijfelen , toen ik, bij naauwkeurige vergelijking en herle-
zing der bovenvermelde beschrijvingen en aanteekeningen !)
op een nieuw denkbeeld werd gebragt. Ik begon namelijk
te vermoeden dat ik in de drie soorten van Pancalia, die
zoo eveneens gekleurd en geteekend zijn, slechts de beide
sexen van ééne species voor mij had en Leewwenhoeckella
alleen ontstaat doordat de vrij loszittende zwarte verdik-
king der sprieten van Nodosella door het vliegen verloren
1) Alleen het laatste gedeelte van von Heinemann’s werk, dat ik eerst in de
laatste dagen leerde kennen, uitgenomen.
88 AANTEEKENING OVER PANCALIA STEPH,
gaat. De plompere bouw, de uitstekende eijerlegger en
het gespleten vleugelhaakje deden mij verder zien dat
Nodosella het wijfje is, terwijl bij de exemplaren der jets
slankere Latreillella het vleugelhaakje enkelvoudig is.
Mijn vermoeden klom dus tot zekerheid en werd nog
verder bevestigd toen ik in April 1875, in de Wasse-
naarsche duinen een fraai exemplaar van den man en een
niet minder gaaf van het wijfje bij elkander vond. Nu
wordt ook het «angeblich im Nordosten Deutschlands»
dat von Heinemann bij Nodosella vermeldt, verklaarbaar.
Wij hebben dus in onze (tot dus verre eenige) Europe-
sche Pancalia het merkwaardige voorbeeld van eenen vlin-
der, bij welks wijfje de sprieten meer versierd zijn dan
bij den man, terwijl anders volgens de mij bekende voor-
beelden, het tegendeel plaats vindt.
De sprieten van den man zijn vrij dik, bijna naakt,
draadvormig, eenkleurig donker bronsbruin, even als palpen,
kop en thorax; die van het wijfje zijn dunner, overigens
bij Herrich-Schäffer (zie bij Nodosella) goed beschreven;
palpen, kop en thorax iets lichter dan bij den man. De
voorvleugels zijn zeer donker oranjebruin, de randen en de
wortel tot aan de eerste dwarsstreep zwartbruin. Deze
dwarsstreep, even als de overige teekeningen wortelwaarts
fijn zwart gerand, dik opliggende en roodachtig zilver, is
iets gebogen en kan (zie Treitschke IX, 2, 167 Oec. Schmidtella
en Frey, l. c.) in het midden afgebroken zijn. Ik bezit
hiervan geen voorbeeld. Vervolgens komt op twee vijfden
van den voorrand een regt streepje dat niet halfweegs den
vleugel komt. Hier tegenover staat, doch niet altijd (het
ontbreekt bij 2 mijner 10 exemplaren geheel) een stipje
op den binnenrand. In den staarthoek staat een streepje
dat loodregt, schuin of gebogen kan zijn; als voortzetting
daarvan loopt een vijfde streepje in den voorrand uit, dat
in diens franje wit wordt en op de onderhelft van den
achterrand vindt men eene zesde streep. Achtervleugels,
geheele franje en onderzijde zeer donker grijsbruin, iets
AANTEEKENING OVER PANCALIA STEPH, 89
glanzig. Achterlijf, buik en pooten ijzerzwart. Achter-
scheenen met twee witte vlekjes.
De kop is plat en breed, het lijf ineengedrongen, stevig
gebouwd en alles glad beschubd; de vleugels zijn spits-
lancetvormig en hebben zeer lange franje.
In den Catalogus van Staudinger en Wocke heet de
soort Lewwenhoekella en wordt Linnaeus als auteur opge-
geven. Volgens Werneburg (Schmett, älterer Autore) heeft
Linnaeus haar in de 2° editie der Fauna Suecica sub n°. 1400
het eerst. beschreven, doch onder den naam van Loeven-
hoekella ; later in de 12° editie van het Syst. Nat. als Leu-
venhoekella. Is het eerste citaat juist, dan moet het dier,
ofschoon Linnaeus den vlinder kennelijk ter eere van onzen
grooten Antony van Leeuwenhoeck heeft willen benoemen,
toch stellig Pancalia Loevenhoekella heeten; de rest kan men
er dan bij denken,
De rups is, voor zoover ik weet, nog onbekend.
Aan exotische soorten is het genus Pancalia nog niet
rijk. Mij zijn er geene bekend en of de in de Novara-reis
II, 2, pl. 140, fig. 10, afgebeelde Stellaris van Bogota in-
derdaad eene Pancalia is, zou ik, om het vraagteeken
achter den generieken naam, betwijfelen.
Rotterdam, 28 Januarij 1877.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN,
BESCHREVEN EN MEERENDEELS 00K AFGEBEELD
DOOR
S.C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
Zevende stuk met vier platen.
NEGENDE FAMILIE — HEBROIDEN.
HEBROIDES.
Deze familie is, even als de derde, hier te lande slechts
vertegenwoordigd door eene soort, zoodat de familie- en
geslachts-kenmerken zamenvallen. Eene inlandsche bena-
ming bestaat voor haar niet, aangezien de eenige soort
hoogst zelden voorkomt en dus tot heden voor de oogen
van het groote publiek verborgen bleef. De ware plaatsing
der familie is bovendien eenigzins moejjelijk, daar zij naar
hare levenswijs groote verwantschap toont met de volgende
familie der Oeverwantsen en zelfs met de geslachten Velia
en Hydroessa onder de Waterwantsen, doch in ligchaams-
gedaante en vooral in den vorm van den zuiger en de
tarsen overeenkomst toont met de Netwantsen.
Het ligchaam is vrij breed en ineengedrongen, hard van
bekleeding. De kop is middelmatig groot, van boven gezien
bijna vijfhoekig, op zijde gezien driehoekig met gebogen
voorrand. De oogen staan op de zijden van den kop en
zijn klein, ovaal en grof van facetten; daartusschen, verder
van elkander dan elk van het oog aan zijne zijde, twee
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 91
ocellen. De sprieten staan meer naar voren dan de oogen,
elke op een kleine verhevenheid en bestaan uit vijf leedjes ,
waarvan echter de beide voorlaatsten aan de basis nog
eene afsnoering hebben, zoodat er schijnbaar 7 leedjes
aanwezig zijn. Het eerste lid is het langste en dikste, de
3 middelsten zijn slanker, echter 2 dikker dan 3; 5 is
dikker dan 2 em spoelvormig. De zuiger bestaat uit 4
leedjes, waarvan het eerste het langste en geheel in eene
gleuf aan de keel verborgen is.
De prothorax is grof en breed, doch fe bijzonder lang,
in het midden der zijden ingedeukt en aan den pollen
achterrand meer dan tweemaal zoo lang als aan den voor-
rand. Het schildje is klein, korter dan zijne basis lang is;
in het midden is een fijn dwarsgleufje en de punt is meer
stomp dan spits. De dekschilden bezitten clavus, corium
en membraan, doch de eerste en laatste zijn van dezelfde,
van aderen ontbloote lederachtige zelfstandigheid, terwijl
het corium hoornachtig is; de dekschilden zijn aan het
eind zeer breed naar gelang hunner lengte en bedekken
het abdomen geheel; de vleugels hebben eene driehoekige
cel aan de basis en eene van daar uitloopende ader. Het
abdomen is aan de bovenzijde plat, aan de buikzijde toe-
gerond, doch in het midden weder eenigzins afgeplat. De
genitaalsegmenten zijn slechts van onderen zigtbaar.
De pooten zijn matig lang, wat gebogen; hunne tarsen
hebben twee leedjes, doch het eerste daarvan is bijzonder
klein; het tweede draagt 2 klaauwtjes en twee zuiglapjes.
Genus HEBRUS Curt.
Kenmerken hierboven opgegeven.
A. Hebrus pusillus Fall.
Plaat 7, fig. 1, 1a, 10.
Fallen, Mon. Cim. 71, 19. — Germ. Faun. Ins. Europ.
45, pl. 44. — Westw. Ann. d. U. Soc. Ent. III, p. 692,
09 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Pl. 6, f. 6. — Flor, Rhynch. Lil. I, p. 374. — Dougl,
et Scott, Brit. Hem. p. 266, Pl. 19, f. 4,
Lengte 2 millim. — Zwart, aan de onderzijde met grijze
haartjes bezet. Kop aan den voorkant witachtig, om den
zuiger heen ros; zuiger zelf bruinachtig geel. Oogen bruin.
Sprieten zwart, doch de basis van het 4° lid en het 2° bijna
geheel bruingeel. De achterrand van het borststuk bruin.
Corium donker zwart met een wit streepje in het midden
aan de basis; clavus aan de basis sneeuwwit; membraan
bruinachtig met 3 witte vlekjes, 2 aan de zijden en een
aan de spits. Pooten vuilgeel met de spits der tarsen zwart.
Dit diertje leeft in slooten en waterpoelen op kroos. De
heer A. G. Six ving er eenige exemplaren van bij Drie-
bergen. Waarschijnlijk is het in ons land niet zeldzaam
en maar alleen door zijne kleinheid aan het oog van andere
entomologen ontsnapt.
TIENDE FAMILIE — OEVERWANTSEN.
RIPARII.
Dat de naam der familie van het oponthoud der Oever-
wantsen aan de oevers van beekjes, moerassen en poelen
afgeleid is zal wel niet behoeven gezegd te worden. Zij
schijnen voornamelijk in menigte voor te komen bij plassen
van zeewater op de eilanden en in of bij brak water aan
de rivieroevers.
Hun ligchaam is eivormig, korter of langer, van boven
zeer flaauw gewelfd, van onder veel sterker. Hun kop
is van boven gezien min of meer driehoekig, met een
zeer kort halsje en met bijzonder groote bolle, uitpuilende
oogen en 2 kleine digt bijeen staande bijoogjes daartusschen
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 93
op het voorhoofd. De sprieten staan voor de oogen, ter
zijde onder den voorrand van den kop, zijn korter dan
het ligchaam en bestaan uit 4 leedjes, waarvan het tweede,
dunner en langer dan de overigen, die meestal onderling
van gelijke lengte zijn, gewoonlijk een weinig gekromd is.
De zuiger is lang en dun, geheel onbedekt, doch naar de
zijde van den buik uitgestrekt; hij bestaat uit drie leedjes,
waarvan het eerste zeer kort en het tweede veel langer is
dan het derde.
Het borststuk is aan den achterrand altijd veel breeder
dan aan den voorrand en heeft gewoonlijk rond gebogen
zijden, terwijl de achterrand diep naar voren ingedeukt is;
er zijn twee dwarsgleuven, een aan den voorrand, de
tweede in het midden; tusschen deze beiden ziet men wel
eens twee knobbeltjes. Het schildje is groot, gewoonlijk
veel langer dan de prothorax. De dekschilden bestaan uit
duidelijke clavus, corium en membraan, en bedekken steeds
het geheele achterlijf. Op het corium ziet men dikwijls 2
of 3 verhevene aderen; de membraan onderscheidt zich van
die van andere wantsen doordien hare 5 of 4 langsaderen voor
den rand in elkander loopen, zoodat er 6 of 5 gesloten cellen
en eene randcel ontstaan. Somtijds blijven de vleugels on-
ontwikkeld en in dat geval zijn ook de verdeelingen der
dekschilden onduidelijk. De pooten zijn tot loopen, niet
tot zwemmen geschikt, vrij lang en slank; hunne heupen
staan bij paren tegen elkander aan, hunne dijen gewoon-
lijk onderling van gelijke dikte, hunne scheenen met ste-
keltjes bezet. De tarsen zijn vrij lang en zeer dun, uit 3
leedjes bestaande, waarvan het eerste zeer kort is; de
klaauwtjes zijn lang en fijn, weinig gebogen.
Genus SALDA F.
De kenmerken van dit eenige inlandsche geslacht worden ,
als ook die der familie zijnde, hierboven vermeld.
94
I ©
PUS
CO OF
CT
8 (7).
9 (2).
10 (11).
11 (10).
12 (13).
13 (12).
Ah (45).
15 (14).
16 (A).
17 (48).
18 (17).
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Tatelegder soorten:
. Zijden van den prothorax bol uitgebogen.
. Rand van den prothorax zwart.
Corium geheel zwart.
Sp. 2. Flavipes F.
Corium zwart met witte vlekjes of wit met zwarte.
. De witte vlekjes alleen aan den achterrand van
het corium. Lengte 7 mm.
Sp. 1. Zosterae F.
De witte vlekjes ook op het midden.
. De witte vlekjes op het midden, oogvormig.
Sp. 3. Saltatoria L.
Eene vrij groote vlek voor en op het midden, band-
vormig.
Sp. 4. Pallipes F.
Rand van den prothorax wit of geelwit.
Dekschilden harig.
Sp. D. Pilosa Fall.
Dekschilden kaal of slechts met een paar haartjes
aan den rand.
Corium wit met een bruin vlekje aan den buitenrand.
Sp. 6. Eburnea Fieb.
Corium zwart met witten zijrand.
Het wit aan den buitenrand een ongetande strook.
Sp. 7. Lateralis Fall.
Het wit getand naar binnen inspringend.
Sp. 8. Pulchella Curt.
Zijden van den prothorax hol ingebogen.
Twee laatste sprietleden verbreed.
Sp. 9. Geminata Cost.
Twee laatste sprietleden niet verbreed.
Sp. 10. Cincta H. Sch.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 95
1. Salda Zosterae F.
Plaat 7, fig. 2 en 2a.
Fabr. S. Rh. 143, 4.— Burm. Handb. II, 216, n°. 1.—
Herr.-Sch. W. Ins. VI, t. 194, f. 599. — Flor, Rh. Lil.
MON 2D.
Lengte bijna 7 mm. — Ovaal, zwart, kaal, schijnbaar
olieachtig en dus met een’ zeer matten glans. Clypeus en
bovenlip bruinachtig geel. Oogen slechts matig uitpuilend |
bruin. Sprieten langer dan de helft van het ligchaam; de
beide eerste leedjes bruingeel, de beide laatsten zwart,
allen uiterst fijn behaard. De zijden van den prothorax
zijn bol naar buiten gebogen; hun zoom is een weinig op-
gewipt en zwart; de achterrand loopt in het midden krom
naar voren. Schild lang uitgerekt driehoekig met 2 scheeve
indruksels, waardoor de basaalhoeken uitpuilen. Dekschil-
den langer dan het achterlijf, een weinig gewelfd, hun
zijrand opgewipt; de beide middenaderen van het corium
naderen op het midden tot elkander en tusschen hen is
aldaar eene wratvormige verdikking. Op den achterrand
van het corium naar den naad toe ziet men flaauwelijk ter
wederzijde twee wigvormige lichtbruine vlekjes. Membraan
lichtbruin met den buitenrand, de langsaderen en eene
rij langwerpige vlekken tusschen dé aderen donkerbruin.
Pooten lichtbruin en vrij lang; de basis der heupen zwart;
onderkant der voordijen zwart; spitsen der scheenen en tar-
sen donkerbruin. Haren en stekeltjes aan de scheenen zwart,
In mijne naamlijst staat dat deze soort bij Utrecht ge-
vangen werd; ik kan dit nu niet meer verifieeren, maar
betwijfel de juistheid mijner toenmalige determinatie, Zeker
is het dat Zosterae in het begin van Junij door den heer
Ritsema op Vlieland en ter Schelling en in Julij door mij
op de schorren aan den oever der Schelde gevangen is;
ook ving Mr. Leesberg een exemplaar in Junij in de om-
streken van den Haag. Het voorwerp van den Schelde-
96 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
oever is eene verscheidenheid met 4 gele vlekjes onder
elkander tusschen de beide middenaderen van het corium.
2. Salda flavipes F.
Plaat 7, fig. 5.
Fabr. S. Rh. 114, 3.— Fieber, Eur. Hemipt. p.147, 14.
Misschien Flor, Rh. Livl. I, p. 710 Morio.
Lengte 5 mm. — Deze soort gelijkt in vorm sterk op de
voorgaande, doch verschilt 4°. in grootte, 2°. in kleur en
3°. daarin, dat de kop en de prothorax met een zeer fijn
vilt van zilverachtige haartjes bedekt zijn. Het zal overi-
gens voldoende zijn de punten van verschil in kleur aan
te geven.
De beide voorste leedjes der sprieten zijn lichter van
kleur, de beide laatsten schijnen mij toe langer behaard.
Prothorax en schildje hebben een’ bruinen gloed. De dek-
schilden vertoonen geene witte vlekjes op het corium.
De membraan is dof zwart met eenigzins glanzige zwarte
aderen, eene lichtere spits en twee zeer kleine bruinachtig
witte stipjes tegen de eerste ader van buiten af. De poo-
ten zijn veel lichter geel; de basis der heupen, de spits
der scheenen en het laatste tarsenlid zijn zwart.
Het zou kunnen wezen dat deze soort niets dan eene
verscheidenheid der vorige ware, gelijk Flor en na hem
Douglas en Scott schijnen te meenen; Fieber daarentegen
deelt die meening niet.
Een voorwerp in mijn bezit werd door den heer Heylaerts
in Mei aan de Schelde bij Bergen op Zoom bemagtigd.
3. Salda saltatoria L.
Plaat 7, fig. 4.
Linn. S. N. Ed. 13, 729, 93. — Fabr. S. Rh. 115, 13. —
Fall. Hem. Suec. I, p. 73, 3. — Burm. Handb. II, p. 216,
n°. 3, — Am. Serv. Hem. p. 405, n°. 2, — Hahn, W. Ins.
II, t. 55, f. 167. — Panz. D. Ins. 92, 13. — Wolff, Ze.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 97
Cim. p. 77, t. 8, f. 74. — Flor, Rh. Lul. p. 713. —
Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 522.
Lengte 3—4 mm. — Dof zwart, met microscopische haartjes
bedekt, ovaal. Kop minder breed dan bij de vorige soor-
ten; sprieten korter dan de helft van het ligchaam; hun
eerste lid aan de binnenzijde geelbruin, aan de buitenzijde
zwart; de overigen zwart. Borststuk met rond gebogen
zijden en diep naar voren ingebogen achterrand. Schildje
met een’ dwarsnaad over het midden. Dekschilden zwart
met eenige witte vlekjes; bij fraai geteekende voorwerpen
staat een langwerpig vlekje op den clavus even voorbij het
midden; op het midden van het corium scheef naast elkander
twee oogvormige vlekken met zwarte pupillen, daarnaast
eene witte vlek aan den rand, en eindelijk aan de spits
een langwerpig bijna vierhoekig vlekje. De membraan is
geelachtig wit met grijsbruinen rand en bruine aderen;
tusschen deze eene rij bruine streepjes en aan den rand
een zwart vlekje. Somtijds echter is van al deze versie-
ringen niet veel te zien. Pooten bruingeel of bruin ; hunne
dijen aan den onderrand zwart en dikwijls aan de achter-
zijde bezet met zwarte stippen; de basis en spits der
scheenen zwartachtig, zoo als ook het laatste lid der tar-
sen of ten minste de spits er van.
Deze soort, die in geheel Europa voorkomt, is ook bij
ons tamelijk gemeen en houdt zich op in vochtige lage
streken, aan den kant van poelen en waterplassen. Zij
werd gevonden in het Haagsche bosch, aan den oever van
de voormalige Haarlemmermeer, bij Heemstede, op ter
Schelling, bij Utrecht en Driebergen, bij Roozendaal in
Gelderland, in Friesland, bij Breda, bij Bergen op Zoom
en op Walcheren.
4, Salda pallipes F.
Plaat 7, fig. 10.
Fabr. S. Rh. 115, 12. — Fallen, Hem. Suec. 1, p. 73,
n°. 4. — Hahn, W. Ins. II, p.82, pl. 55; f. 166. — Herr.-
7
98 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN,
Sch. W. Ins. VI, p. 43, pl. 194, f. 600 (onjuist). — Flor,
Rh. Livl. I, p. 715. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 527.
Lengte 3,5 mm. — Deze soort schijnt in teekening op
de dekschilden zeer te varieeren; het eenige mij bekende
inlandsche voorwerp is als volgt:
Ovaal, zwart, met microscopische haartjes bekleed,
waardoor een zijdeachtige glans ontstaat. De kop zeer
breed, met een uiterst fijn geel streepje tusschen de bruine
oogen; clypeus en eerste lid der sprieten van onder geel.
Sprieten overigens zwart, korter dan het halve ligchaâm.
Halsschild aan de zijden bol uitgebogen, aan den achterrand
veel minder ingebogen dan bij de vorige soort. Het schildje
schijnt eene flaauwe dwarse indrukking te hebben in het
midden. De dekschilden zijn zwart met geelwitte versie-
ring; van de laatste kleur zijn op elk dekschild een klein
driehoekig vlekje aan de punt van den clavus, een vrij
breede, boven en onder getande dwarsband op het corium
voor het midden, daaronder zes langwerpige vlekjes, waar-
van het meest in het oogvallende tegen den buitenrand;
de membraan aan den binnenhoek zwart met 2 witte
vlekjes, verder geelwit met zwarte aderen en daartusschen
langwerpige zwarte vlekjes; aan den rand naar de spits van
het corium toe een zwart vlekje tusschen 2 witten, en het
overige van den buitenrand berookt. Pooten geel; de dijen
met eene zwarte streep van onderen, de scheenen met eene
zeer fijne zwarte streep aan den buitenkant en met de spits
zwart; de 2 voorste leden der tarsen wit, het laatste zwart.
Dit voorwerp werd den 1" September door Dr. Piaget in
het duin, waarschijnlijk bij ’s Gravenhage, gevangen.
>. Salda pilosa Fall.
Plaat 7, fig. 3.
Fall., Mon. Cim. 29, 3. — Id. Hem. Suec. 74, 5. —
Burm. Handb. II, 216, n° 2. — Germ. Faun. Germ. 10,
45. — Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 518.
Lengte 4—5 mm.— Deze soort laat zich van de overige
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 99
inlandschen dadelijk onderscheiden doordien zij niet alleen
met zeer fijne nederliggende gele haartjes bekleed is, maar
ook aan de bovenzijde met verspreid staande langere op-
staande zwarte haren. Zij is zeer breed en gedrongen van
vorm, vooral breed voorbij het midden en ook wat boller
dan anderen. Haar kleur is licht geelachtig bruin of geel,
doch er is verschil in kleur bij de individuen. Op het
midden van den kop staat een zwart, hoekig vlekje, waarin
de ocellen. De oogen zijn bruin. De beide eerste leden
der sprieten zijn geel, de beide overigen zwart, bezet met
enkele zwarte haartjes. De zuiger is geel met bruine spits.
De prothorax is aan den voorrand vrij breed en de zij-
den zijn zeer weinig uitgebogen, zoodat er duidelijke voor-
hoeken ontstaan; de achterrand is vrij sterk naar voren
ingebogen; alle randen zijn geel of bruingeel, het midden-
veld is zwart of donkergrijs. Het schildje is vaal grauw-
bruin en vertoont in het midden een’ dwarsnaad. De
dekschilden hebben den clavus vaal grauwbruin met gele
spits, het corium geel of bruin met de basis zwart en eene
zwarte hoekige of halfronde vlek voor de spits. De mem-
braan heeft roestkleurige aderen en daartusschen dikwijls
lichtbruine streepjes. De pooten zijn geel met rijen bruine
stippen op de dijen, die bovendien dikwijls aan de onder-
zijde eene donkere langsstreep vertoonen; de spits der
scheenen is zwartachtig even als het laatste lid der tarsen;
de scheenen hebben zwarte stekeltjes en roestbruine haren.
Van deze zeer kennelijke soort werden verscheidene voor-
werpen gevangen in Mei op de schorren der Schelde bij
Bergen op Zoom door den heer Heylaerts, in Junij op ter
schelling door den heer Ritsema en op Walcheren door
den heer Gerth van Wijk.
6. Salda eburnea Fieb.
Plaat 7, fig. 6 en 6a.
Fieber, Europ. Hemipt. p. 144, n° 3.
Lengte 3 mm. — Gedrongen van gedaante, kort en breed;
400 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
kaal. Kop breed met zeer uitpuilende oogen, glanzig zwart
op den schedel, grijs op het aangezigt en verder naar den
zuiger toe wit. Oogen en ocellen bruin. Sprieten kort,
schier onbehaard, vuil geel, met een zwart langsstreepje
onder tegen het eerste lid; het 4° grijsachtig. Bovenlip
geelachtig wit en zuiger zwart. Prothorax zeer kort en
zeer breed met rond uitgebogen zijden en diep ingebogen
achterrand; aan den hals een dwarsgleufje en over het
midden een ander, daartusschen twee glanzige knobbels;
de zijden breed lichtgeel, het overige zwart. Schildje tame-
lijk groot, zwart met eene dwarsgleuf over het midden;
het voorste gedeelte zijdeachtig, het andere meer als ver-
lakt blinkend. Dekschilden geheel geel, ook de membraan,
alleen een bruin of zwart vlekje aan den buitenrand voorbij
het midden, en een zeer klein even zoo gekleurd stipje
aan de spits. De aderen der membraan zijn weinig zigt-
baar. Onderzijde glanzig zwart met gele zoomen en gelen
anus. Pooten geel of wit, met een haarfijn zwart streepje
onder de dijen, een zeer smal zwart bandje aan de spits
der scheenen en het laatste lid der tarsen aan de punt van
dezelfde kleur.
Twee voorwerpen werden door den heer Ritsema den
2” Junij 1872 op ter Schelling gevangen; de heer Gerth
van Wijk trof de soort aan op Walcheren.
7. Salda lateralis Fall.
Plaat 7, fig. 7.
Fall. Mon. Cim. 30, 4. — Id. Hem. Suec. 74, 6. —
Fieber, Europ. Hem. p. 144, n° 2. — Dougl. and Scott,
Brit. Hem. p. 519.
Lengte 3,5—4 mm.— Langwerpig ovaal met de grootste
breedte voorbij het midden, glanzig zwart met microsco-
pische haartjes bezet en met gele versiering. Kop met de
oogen en den zuiger als bij de vorige soort. Sprieten bijna
zoo lang als de helft van het ligchaam, geelachtig wit op
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 101
de bovenzijde van lid 1 en op het geheele tweede lid; het
overige zwart. Prothorax als bij de vorige, doch het wit
der zijden vrij wat minder uitgestrekt. Schildje groot,
glanzig zwart; ik bespeur aan mijn exemplaar geene dwars-
gleuf, slechts eene vrij breede verdieping. Dekschilden
glanzig zwart met eene langwerpige gele, aan beide uit-
einden spitse streep aan den buitenrand tot even voorbij
het midden; de spits vertoont eene ovale gele vlek, die
zich na een klein bruin vlekje ingesloten te hebben op de
membraan voortzet. Het overige deel der membraan bruin-
achtig geel met vrij onduidelijke aderen en een bruin vlekje
aan de spits. Pooten lichtgeel met zwarte langsstreepjes
op de dijen, boven en onder; aan de scheenen zijn de
basis en de spits, even als de fijne stekeltjes bruin, aan
de tarsen de basis van het eerste lid en de spits van het
laatste.
Ook deze soort werd (met eene verscheidenheid) op ter
Schelling aangetroffen door den heer Ritsema. De heer
Heylaerts ving eenige exemplaren in Mei bij Bergen op
Zoom aan den oever der Schelde.
8. Salda pulchella Curt.
Plaat 7, fig. 8.
Curtis, Brit. Ent. XII. Pl. 548. — Fieber, Eur. Hem.
p. 144, n° 4. — Herr.-Sch. W. Ins. IX, p.131, tab. 308,
f. 947. — Douglas and Scott, Brit. Hem. p.520, pl. 17, f. 9.
Lengte 3 mm. — In gedaante overeenstemmend met S.
eburnea. Kop breed, zwart, grijs bestoven met wit bene-
dengedeelte en witte bovenlip. Oogen bruin, ocellen zwart.
Sprieten bijna zoo lang als de helft van het ligchaam, fijn
behaard; 1° lid licht geel met een bruin streepje aan den
onderkant, 2° licht bruin of vuil geel, de laatsten donker-
bruin. Zuiger bruin met gele basis. Halsschild naar voren
glanzig zwart, naar den achterkant bruinachtig dof zwart,
met de zijden bedekt door een’ witten zoom, voor smal,
102 DE INLANDSCHE HEMIPTÊREN.
achter tamelijk breed. Schildje bruinachtig zwart met grijze
beharing; korter en breeder dan bij Lateralis. Dekschilden
bruinachtig zwart met grijze beharing; de uiterste basis en
spits van den clavus zijn geelwit; van dezelfde kleur is eene
wigvormige vlek aan den voorrand, strekkende van den
schouder tot over de helft van het corium en zijnde eens
ingekeept aan haren achterrand; de spits is wit gekleurd
door eene driehoekige liggende vlek, onder welke op de
vuilwitte membraan een bruin veegje te zien is; de aderen
der membraan en nog een paar vlekjes daartusschen zijn
bruin. De onderzijde is zwart, op de borst met eenige
witte vlekken. De pooten zijn geel, met streepjes en stip-
pen als bij de voorgaande soort.
Ken enkel exemplaar dezer soort ving de heer Ritsema
2 Junij op ter Schelling; de heer Heylaerts trof een paar
voorwerpen aan in Mei op de schorren bij Bergen op Zoom.
9. Salda geminata Cost.
Plaat 7, fig. 9.
Fieber, Europ. Hem. p. 147. 1)
Lengte 3 mm. of iets meer. — Deze soort verschilt van
al de voorgaanden door de gedaante van het halsschild,
tgeen aan de zijden ingebogen is, zoodat de randlijn con-
caaf en niet convex is; bovendien is er groot verschil in
de gedaante der sprieten, waarvan de beide laatste leden
sterk verdikt zijn.
Het geheele ligchaam op de rugzijde met opstaande
zwarte haren bedekt. Kop van boven gezien breed en kort,
naar beneden onder de oogen echter smal en vrij sterk
verlengd, overal, ook op de bovenlip, glanzig zwart. Oogen
zeer sterk uitpuilend, donkerbruin. Zuiger licht bruin.
Sprieten korter dan het halve lijf, vrij forsch van bouw
voor dit genus: 1° lid zwart tot op de helft, dan geel,
1) Costa’s beschrijving dezer soort bleef mij onbekend; ik moest mij behelpen met
Fieber’s korte opgaaf, waarin ik bovendien nog fouten vermoed.
GEE”
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 103
2° geel met zwarte basis, 3° bijna zoo lang als 2, doch
dikker, spoelvormig, zwart met zwarte beharing, 4° gelijk
aan 3 doch iets puntiger aan de spits. Thorax aan den
voorrand weinig breeder dan het halsje van den kop en
aan den naar voren ingebogen achterrand slechts weinig
breeder dan de kop met de oogen, op het midden met 2
dwarsgleuven voorzien, knobbelig aan den hals en op de
schouders, glanzig zwart. Schildje kort, breed, driehoekig,
zonder dwarsgleuf, glanzig zwart. Dekschilden zwart met
gelen zoom, die zeer flaauw begint, op de helft van het
corium vrij breed is, daarop plotseling hoekig smaller wordt
en zich aan de spits wederom wat verbreedt. Daartegen
aan staan twee kleine ronde vlekjes, het bovenste geel,
het onderste, bijna tegen de membraan aan, wit. Boven-
dien is er een zeer klein wit vlekje aan de spits van den
clavus. De membraan is bruinachtig geel met bruine ade-
ren, tusschen welke de membraan in het midden donker-
der is; de zoom is grijs berookt. Pooten roodachtig geel
met een weinig bruin op de knieën en aan de spits der
scheenen en der tarsen.
Twee voorwerpen d en g werden 25 Julij bij Hilversum
gevangen door den heer C. Ritsema Cz.
10. Salda cincta H. Sch.
Herr.-Sch. Wanz. Ins. VI, 40. Pl. 194, f. 598. — Fieb.
Eur. Hem. p. 148.
Lengte 3 mm. — Twee voorwerpen heb ik voor mij, on-
derling niet geheel gelijk, van eene soort, na verwant aan de
voorgaande, doch met onverdikte sprieten, welke
noch geheel passen op de beschrijving van Cincta H. Sch.,
noch op die van Elegantula Fall. , doch het meest gelijken
op de eerstgenoemde.
Kop als bij Geminata, doch iets meer vooruitstekend,
bovenlip zwart, zuiger bruingeel. Sprieten tamelijk kort
en vrij slank, gekleurd als bij de vorige. Thorax en schildje
10% DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
als bij Geminata. Dekschilden dofzwart met gelen zoom,
die bij het eene voorwerp vrij regelmatig doorloopt tot de
spits, bij het andere meer golvend en voor de spits een-
maal afgebroken. Membraan bij het eerste lichtbruin met
donkerder aderen, bij het tweede lichtgeel met 2 bruine
vlekjes aan den rand. Pooten als bij de vorige soort.
Het eene, vrij goed bewaarde werd in Mei door Perin
bij Rijnsburg aangetroffen; het andere, minder van ge-
halte, werd voor jaren door den heer Six bij Driebergen
gevangen. Het eerste zou, indien de sprieten meer verbreed
waren, voor een wijfje van Geminata kunnen doorgaan
In het algemeen komt het mij voor dat de soorten van
dit geslacht niet zuiver van elkander zijn afgescheiden en
dat bij kennisneming van geheele serien, eenigen zullen
blijken uiterste einden te zijn van eene doorloopende serie,
ELFDE FAMILIE. — ROOFWANTSEN.
REDUVINI.
Roofwantsen zullen wij de insecten dezer familie betitelen,
omdat zij voor zoo verre waargenomen is, andere levende
insecten grijpen en uitzuigen; een onder hen, de oudst
bekende, doet zelfs het menschdom in dat opzigt voordeel
door als verklaarde vijand der bedwantsen , hun overgroot
aantal eenigermate te verminderen.
De ware kenmerken der familie bestaan hierin: 4° dat
de zuiger onbedekt en loshangend is, 2° dat de ocellen
staan achter eene denkbeeldige lijn getrokken dwars over
den kop, zoo dat zij de achterranden der oogen aanraakt,
3° dat de kop achter de oogen halsvormig is uitgerekt,
4° dat de tarsen uit 3 leedjes bestaan, 5° dat de voordijen
dikker zijn dan de achterdijen.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN, 105
Kop gewoonlijk klein naar gelang van het ligchaam ; aan-
gezigt uitgerekt voorbij de zijdelingsche inplanting der
sprieten; achter de oogen en ocellen een halsje, soms
tamelijk lang en door eene dwarsgleuf van den schedel af-
gezonderd. Oogen bol, uitpuilend met vrij grove facetten.
Ocellen, gelijk boven gezegd is, nimmer tusschen, altijd
achter de oogen. Sprieten zijdelings voor de oogen op een
knobbeltje ingeplant, slank en vrij lang, soms zweepvormig
van vier leedjes, waartusschen echter dikwijls zeer kleine
leedjes ingevoegd zijn, doch zoo dat een zoodanig leedje
eigenlijk altijd als afgezette basis bij het volgende groote
lid behoort. Zuiger loshangend, bij de meeste geslachten
kort, gezet en slechts van 3 leedjes, bij een enkel lang en
slank van 4 leedjes. Prothorax aan den voorrand meest
zeer smal, naar achteren vrij regelmatig verbreed, door
twee dwarsgleuven in drie deelen verdeeld, waarvan het
voorste gewoonlijk zeer kort is. Schildje klein, driehoekig,
soms vrij puntig aan de spits. Achterlijf van zes duide-
lijke ringen, met de huid aan de zijden zeer dikwijls op-
gewipt. Vleugels dikwijls slechts half ontwikkeld; indien
zij volledig uitgegroeid zijn, bestaan zij uit clavus, corium
(zonder cuneus of embolium) en membraan, de laatste
dikwijls met vele langsaderen. De pooten zijn middelmatig
van lengte, bij een genus zeer slank en lang; de voordijen
zijn altijd dikker dan de achterdijen en de voorpooten in
'tgeheel tot grijpen en vasthouden ingerigt; de tarsen be-
staan uit drie leedjes, waarvan het eerste zeer klein is en
het laatste van 2 klaauwtjes voorzien.
Tafel der geslachten.
1 (6). Zuiger van drie leedjes, kort en vrij dik.
2 (5). Voorheupen gewoon. De voorpooten dienen tot gaan
en grijpen. Ocellen aanwezig.
3 (4). Sprieten zeer dun en zweepvormig.
Genus 2. Repuvıus F.
106 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
4 (3). Sprieten niet bijzonder dun, draadvormig.
Gen. 3. HARPACTOR Lap.
5 (2). Voorheupen zeer dun en lang; de voorpooten dienen
niet tot gaan, maar slechts tot grijpen. Ocellen
ontbreken.
Gen. 5. PLOEARIA Scop.
6 (1). Zuiger van vier leedjes.
7 (8). Zuiger en voorpooten kort en dik, prothorax aan
den voorkant bol.
Gen. 1. PROSTEMMA Lap.
8 (7). Zuiger slank, tot voorbij de voorheupen reikend; pro-
thorax niet bol aan den voorkant. Voorpooten vrij lang.
Gen. 4 Nasis Latr.
Gen. 1. PROSTEMMA Lap.
Dit genus dient wel vooraan te komen omdat hier het halsje
nog zeer onduidelijk is en de ocellen min of meer tusschen
de oogen zijn geplaatst, zoodat het geslacht nog niet in
allen opzigte voldoet aan de kenmerken der familie. Niet-
temin is Prostemma een Reduvide en wel even zeker als
Ploearia, dat door andere karakters weder eenigzins van
den typus der familie afwijkt. De eerstgegeven naam
Prostemma werd door Laporte gekozen, omdat hij ten on-
regte meende dat de ocellen, stemmata, voor de oogen
staan; Léon Dufour, die de onjuistheid daarvan. inzag,
veranderde den naam in Postemma (post stemma), doch
Amyot, die geen hybridisch gevormden naam wilde aanne-
men, veranderde dit weder in Metastemma van meta en
stemma ; doch, ofschoon nu de benaming etymologisch
zuiver is, beteekent zij niets, want zij geeft geen karakter
van het genus, maar alleen een der kenmerken der familie
aan. Ik keer dus weder tot Prostemma terug.
Kop tamelijk lang, bol, krom naar beneden gebogen,
van een uiterst smal halsje voorzien. Oogen uitpuilend en
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 107
ovaal; ocellen zeer duidelijk, tegen den hals aan staande,
doch niet geheel achter de oogen. Sprieten harig, slank
van 4 leedjes, waarvan echter het 2° aan de basis in een
condylus is afgesnoerd, ten gevolge waarvan verschillende
schrijvers 5 leedjes tellen. Het 1° lid is kort en reikt niet
voorbij de spits van den kop; het 2°is driemaal zoo lang,
naar de spits verdikt en daar zeer harig, het 3° is iets
korter en mede van langere haren voorzien, het 4° nog
korter met eene soort van dons bedekt. Zuiger van 4
leedjes, waarvan het 1° zoo kort en ringvormig, dat het
door Curtis bij de spits van den kop werd gerekend; het
2° iets langer, minder dik, doch naar het eind toe zich
uitzettend, het 3° nog langer kegelvormig, het 4° zeer kort
en harig.
Prothorax aan de voorzijde bol en bijna bultig op den
rug, in de zijden voorbij het midden een weinig ingedeukt,
daarop weder sterk uitgezet. Schildje vrij breed en kort,
volstrekt niet spits aan het einde. Dekschilden zeer breed,
in het eenig bekende inlandsche voorwerp kort, zonder
clavus en aan den achterrand flaauwelijk ingebogen met
eene uiterst korte membraan zonder aderen. Het abdomen
veel langer en veel breeder dan kop en thorax te zamen,
boven weinig, onder zeer bol, met scherpe, opgewipte
zijranden; de laatste ring wat ingetrokken. Pooten krach-
tig, vooral de voorpooten (zie plaat 7, fig. 11°) wier dikke
heupen aan de onderzijde voorbij het midden met eene
dubbele rij fijne stekeltjes bezet zijn; hunne scheenen,
die naar de spits sterk verbreed zijn, hebben aan de on-
derzijde van de basis tot over het midden mede eene rij
stekeltjes. De tarsenklaauwtjes vrij lang.
1. Prostemma guttula F.
Plaat 7, fig. 11.
Fabr. S. R. 281, 70. — Laporte, Hem. 12, n° 13. —
Curtis, Brit. Ent. XV, Pl. 684, — Léon Duf. Ann. Soc.
108 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN,
Ent. de France III, p. 350, Pl. 5, f. 8. — Hahn, W. Ins.
II, p. 28, t. 44, f. 130. — Dougl. and Scott, Brit. Hem.
ps 546, PIAS SATA:
Lengte 8 mm. — Kop en thorax blinkend zwart, met
vrij lange opstaande haren bedekt, Oogen donkerbruin.
Sprieten aan de onderste leden roodgeel, de laatsten zwart.
Zuiger zwart aan de basis, met de beide laatste leden
geelachtig. De thorax op den bollen rug eenigzins metaal-
achtig van glans. Schildje zwart met roodgele zijhoeken.
Het corium der korte dekschilden oranje met haren van
dezelfde kleur bezet; de membraan vuilwit met een bruin
vlekje. Achterlijf zwart met metaalglans, vooral op het
midden; de ringen fijn gestippeld met gladde zoomen; de
voorlaatste ring sterk behaard. Pooten oranjerood met de
heupen donkerbruin, de uiteinden der scheenen en het
laatste lid der tarsen bruin; de haren licht- en de stekeltjes
der voorste dijen en scheenen donkerbruin.
Slechts een voorwerp dezer merkwaardige en fraaije soort
is mij als inlandsch bekend geworden. Het werd op Wal-
cheren gevangen door den heer N. La Fontijn, die de bij-
zondere welwillendheid had het mij voor mijne verzameling
af te staan.
Gen. 2. Repuvıus F.
In vroegeren tijd omvatte dit geslacht de geheele familie,
tegenwoordig slechts een zeer gering getal soorten. Onder
de inlandsche genera kenmerkt het zich door den korten
zuiger van 3 leedjes, door niet uitsluitend tot grijpen ge-
schikte voorpooten en door den vorm der sprieten; in de
inlandsche fauna bevat het slechts eene soort.
Bouw krachtig; het geheele ligchaam met alle deelen
behalve dekschilden en vleugels, met zijdeachtige haren
dun bekleed, Kop van langer hals voorzien dan het voor-
gaande genus; deze hals is van den schedel afgescheiden
door eene dwarsgleuf; de kop draagt op zijn hoogste punt
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 109
de groote bijoogen. Oogen groot, uitpuilend, aan de on-
derzijde van den kop elkander bijna aanrakend, uit grove
facetten bestaande. Sprieten digt voor en tegen de oogen
aan ingeplant, zoo lang als de halve lengte van het lig-
chaam, van vier leedjes en zweepvormig; 1° lid zoo lang
als de kop, in het midden wat spoelvormig uitgezet, tus-
schen 1 en 2 een condylus-leedje, 2 minder dik dan À maar
tweemaal langer, 3 en.4 iets korter maar bijna haarvor-
mig, waardoor de geheele spriet op eene zweep gelijkt.
Zuiger van 3 leedjes, vrij dik, de voorheupen aanrakend.
Prothorax aan den uitgebogen achterrand breeder dan in
het midden lang, voor smal; zijn eerste helft (na het smalle
voorzoompje) in het midden door eene langsgleuf verdeeld
en zijne tweede helft door drie zulke gleuven, waarvan de
middelste het diepst gaat. Schildje vrij groot, spits driehoekig
met opstaande lijstjes voor de zijranden en daartusschen
ingedrukt; de spits doornachtig opgewipt (zie PL 8, fig. 1°).
Dekschilden met smallen clavus en groote, aan den buiten-
rand bijna lederachtige membraan met drie aderen, welke
door haar kronkelen twee gesloten cellen vormen. Pooten
vrij lang; de voorheupen kegelvormig, hunne dijen niet
bijzonder sterk verdikt, hunne scheenen en die van het tweede
paar van onderen aan de spits van eene holle, behaarde
zool voorzien, die aan het einde in een krom uitsteeksel
uitloopt. Achterlijf anderhalfmaal zoo lang als de thorax
met den kop, weinig breeder dan de borst, boven eenig-
zins hol, onder vrij bol, aan de bovenzijde van den laatsten
ring sterker behaard dan op andere punten.
À. Reduvius personatus L.
Plaat 8, fig. 1 en 1a.
Linn. S. N. 13 ed. 724, 64, — Fabr. S. Rh. 267, 7.—
De Geer, Mémoires (vert. Goeze) IT, p. 185. Tab. 15,
f. 1-9. — Panzer, Faun. Germ. 88 f. 22. — Hahn,
W. Ins. II, p. 17. PL 39, £.125.— Wolff, Ic. Cum. p. 79.
440 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
tab. 8, f. 76. — Flor, Rh. Livl. I, p. 679. — Doug]. and
Scott, Brit. Hem. p. 544, PL 18, f. 3 et 3a, b, c.
Lengte 15 of 16 mm.— Grauwbruin of donkerbruin met
zijdeachtige lichtbruine haren bekleed, voornamelijk op de
pooten. De basis van het eerste lid der sprieten geel; de
spits van den kop met de bovenlip geelachtig bruin, de
basis der scheenen geelachtig wit; het verdient vermelding
dat dit laatste wel bij alle inlandsche voorwerpen plaats
grijpt, terwijl een tweede voorwerp uit mijne verzameling
dit kenteeken mist, welk exemplaar echter een Spanjaard is.
Voor ongeveer 40 jaren vond ik eens op een’ zoldertrap
eene larve van deze soort; zij kwam volkomen overeen
met de beschrijving bij de Geer en had zich geheel met
stof en zandkorrels bedekt. Om deze bekleeding gaf Lin-
naeus aan de soort den naam van Personatus (vermomde).
De volwassen insecten zijn nachtdieren, die op roof uit-
gaande des avonds wel door de openstaande vensters komen
binnenvliegen. Men zegt dat zij bedwantsen tot voedsel
gebruiken, waarschijnlijk echter ook nog vele andere in-
secten. Met zekerheid kan ik meêdeelen dat hun steek
bijzonder pijnlijk is.
De soort werd aangetroffen te Leyden, Warmond, Woer-
den, ’s Gravenhage, Driebergen, Brummen en Middelburg,
meestal binnen ’s huis. Zij schijnt echter niet zeer gemeen.
Gen. 3. Harpacror Lap.
Van het vorige onderscheidt zich dit genus hoofdzakelijk
door den vorm der sprieten, wier beide laatste leden niet
zoo uiterst fijn zijn en meer overeenkomen met de beide
voorgaanden; overigens stemt het met het voorgaande in
het aantal leedjes des zuigers overeen.
Kop klein, doch van een vrij langen hals voorzien.
Zuiger van 3 leedjes, dik; het 2° lid in lengte gelijk aan
het eerste of iets langer. Oogen zeer bol uitpuilend. Sprie-
ten zoo lang als de helft van het ligchaam, of iets langer,
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 444
slank, van 4 leedjes; bij de eene soort een tusschenleedje
aan de basis van het 1°, bij de andere aan de basis van
het 3° lid; het 2° lid steeds het langste.
Borststuk aan de voorzijde hoekig en smal, aan de ach-
terzijde bij de eene soort zeer breed, bij de andere minder;
over het midden door eene dwarsgleuf in 2 deelen verdeeld.
Schildje klein, puntig opgewipt. Dekschilden bij de eene
soort (Pedestris) gewoonlijk niet ontwikkeld, bij de andere
wel ontwikkeld en in de rust over elkander gevouwen,
veel smaller dan het abdomen, met groote membraan,
waarin vier aderen, van welke de 3 buitensten 2 gesloten
cellen vormen. Achterlijf langer dan kop en borststuk, en
in het midden 14 maal breeder dan het laatste, aan de
zijden opgewipt, dus hol op den rug, doch bootvormig als
men het op zijde beziet. Pooten matig dik en lang, met
de voordijen niet bijzonder gezwollen.
De beide inlandsche soorten van dit genus zijn, vooral
aan de pooten met opstaande haren bezet; zij zijn door
de kleur gemakkelijk van elkander te onderscheiden , daar
de eene geheel grijs en zwart is (Pedestris); terwijl de
andere aan abdomen en pooten eene bloedroode kleur ver-
toont (Annulatus).
A. Harp. pedestris Wolff.
Plaat 8, fig. 2 en 2a.
Wolff, Icon. Cim. p. 205, tab. 20, f. 199 (Pedestris). —
Burm. Handb. II, 230, 3. — Curtis, Br. Ent. X, pl. 453
(Coranus subapterus). — Hahn, W. Ins. II, p. 25, t. 4,
f. 129. — Flor, Rhynch. Livl. I, p. 684 (Subapterus). —
Douglas and Scott, Brit. Hemipt. p. 544, Pl. 18, f. 2.
Lengte ongeveer 10 mm. — Grijs met zwarte en gele
vlekjes, met grijze zijdeachtige opstaande haren bezet,
zelden met uitgegroeide dekschilden en vleugels. Kop met
een vrij langen, naar achteren kegelvormig versmalden
hals. Zuiger aan de basis grijs, naar de spits zwart en
412 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
glanzig. Oogen uitpuilend, donker bruin of zwart. Sprieten
donker bruingrauw, aan de eerste leden harig; voor het
2° lid, dat het langste is, een klein tusschenleedje. Borst-
stuk achter niet zeer veel breeder dan voor, bij de gevleu-
gelden iets meer. Schildje klein, opgewipt. Van daar
naar voren tot op het midden van den kop een smal
lichtgrijs streepje. Dekschilden als zij onontwikkeld blijven,
viltig grijs met zeer korte scheeve bruine membraan;
ontwikkeld, tot aan den anus reikend, minder viltig, bruiner,
met zeer groote bruine membraan. Midden van het abdo-
men op den rug, met gladde, glanzige vierkante plekken,
de opgewipte zijden geblokt vuil geel en zwart, de buik
in het midden glanzig bruin, met vuil gele vlekken daar-
tegen aan. De zeer harige pooten zijn geringeld vuilgeel
en zwart, de dijen gegolfd knobbelig.
Deze soort is op enkele plaatsen gemeen, bijv. in het
dennenbosch te Driebergen onder heideplanten en in de
duinen tusschen den Haag en Scheveningen. Men vindt
haar volwassen in het najaar. Behalve op de genoemde
plekken werd zij aangetroffen bij Katwijk (de Graaf),
Noordwijk (v. Bemmelen), Utrecht en Brummen (v. V.),
Breda (Heylaerts) en Domburg (de Man). Voor het overige
is zij over geheel Europa verspreid.
Een gevleugeld inlandsch exemplaar ving o. a. Perin.
2. Harpactor annulatus L.
Linn. S. N. 5° ed. p. 495, 71. — Fall. Mon. Cim. 120,
2. — Fabr. S. Rh. 271 , 24. — Panz. Faun. Germ. 88, f. 23. —
Wolff, Ic. Cim. p. 81, tab. 8, f. 78. — Hahn, W. Ins.
II, p. 22, tab. 40, f. 128. — Flor, Rh. Lil. I, p. 683.
Lengte 12 mm. — Zwart met bloedroode versierselen,
geheel met zachte opstaande zwarte haren bezet. Sprieten
zwart, langer dan bij de voorgaande soort; een tusschen-
zetsel aan de basis van het 3° lid. Het halsje is korter dan
bij Pedestris en aan den voorkant mieer gezwollen. Het
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 145
halsschild heeft uitstaande puntjes op zijde van den voor-
rand en is aan den achterrand tweemaal zoo breed als
tusschen die puntjes. Dekschilden altijd volgroeid en de
zwarte membraan zeer groot. De spits van het schildje
niet opgewipt. De opgewipte zijden van het abdomen
bloedrood en zwart geblokt. Pooten zwart, behalve het
grootste gedeelte der scheenen en twee breede ringen om
de voor- en achterdijen, die bloedrood zijn.
Van deze fraaije soort zijn door den heer Hevlaerts eenige
voorwerpen aangetroffen in het Ulvenhoutsche bosch bij
Breda.
Gen. 4. Napıs Latr.
Dit geslacht heeft even als het eerste den zuiger van
vier leedjes, doch wat de gedaante betreft, sluit het zich
veel nader bij het voorgaande aan.
De gedaante van het ligchaam zonder den kop is lang-
werpig ovaal, voor een groot deel met evenwijdige zijden.
De kop is vrij lang, zonder de oogen smal, met een voor
deze familie zeer kort halsje, dat bovendien dikwijls onder
den voorrand van het halsschild teruggetrokken wordt. De
oogen zijn zeer sterk uitpuilend, de bijoogjes digt bi
elkander geplaatst, niet zoo zeer achter dan wel tusschen
de oogen. Sprieten ter wederzijde op een knobbeltje in-
geplant halverwege tusschen de oogen en de spits van den
kop, zeer slank draadvormig; lid 1 de helft zoo lang als
2, dit iets langer dan 3 en 4 weinig langer dan 1, ja zelfs
ook wel iets korter. Zuiger lang en dun, voorbij de
voorste heupen reikend, van 4leedjes, waarvan het 1° zeer
kort is en het 2° het langste. Borststuk op den rug gezien,
van den vorm van een afgeknotten kegel met afgeronde
achterhoeken, aan den achterrand tweemaal zoo breed als
voor, soms iets langer dan breed, met 2 dikwijls zeer on-
duidelijke dwarsgleuven, waarvan de voorste vlak bij den
hals, de 2° iets voorbij het midden ligt. Schildje klein,
breed driehoekig. Dekschilden soms zeer kort, dikwijls
8
114 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
met de membraan de spits van het abdomen niet berei-
kend; zijn zij onvolgroeid, dan zijn de 3 deelen dikwijls
niet van elkander te onderscheiden; zijn zij volkomen, dan
is de clavus naar achteren breed, dan vindt men 2 midden-
nerven op het corium en 4op de membraan, die zich naar
den rand vergaffelen.
Achterlijf op den rug plat met opstaande randen, aan de
onderzijde kielvormig. Pooten vrij lang; hunne heupen
zwaar, bij paren digt bijeen staande; dijen van het voorste
paar zeer dik, die van het 2° iets dunner maar even lang, die
van het 3° langer en smaller; scheenen der beide voorste
paren forsch, verbreed naar het eind en aldaar van onder
van een viltig zooltje voorzien; achterscheenen langer en
smaller. Tarsen met een zeer klein eerste lid; het 2° aan
de achterpooten even lang als het 3°; klaauwtjes lang,
slank, ongetand en weinig gekromd.
Fabel der soorten.
4 (3). Kleur bruinachtig rood; dekschilden en membraan
meestal bruin gemarmerd; beiden zelden goed
ontwikkeld.
2 (4). Grootte 1 em. Kop van boven gezien tweemaal
zoo lang als breed.
Sp. 1. N. brevipennis Hahn.
4 (2). Grootte 7 mm. Kop van boven gezien anderhalf-
maal zoo lang als breed.
Sp. 2. N. apterus F.
3 (4). Kleur geel, grauw of grauwrood; dekschilden niet
gemarmerd ; membraan meestal met donkerder
aderen.
5 (6). De membraan der dekschilden reikt over het lig-
chaam heen.
Sp. 4. N. ferus L.
De membraan reikt niet tot aan den anus.
7 (8). Grooter, donkergrauw met gelen rand.
Sp. 3. N. flavomarginatus Scholz.
©)
nn
or
Dd
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 445
8 (7). Kleiner, niet donkergrauw, de dekschilden zeer
verkort.
9 (10). Kleur geel of grijsachtig.
Sp. 9. N. brevis Scholz.
40 (9). Kleur rood uit den grauwen.
Sp. 6. N. dorsalis Duf.
1. Nabis brevipennis Hahn.
Plaat 8, fig. 3 en 3a.
Bahn, ans. Ins. III, p: 32, Pl. 83, f. 253. — Elor,
Rh. Livl. I, p. 694. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 549.
Lengte ongeveer 1 cm. — Kenbaar aan de grootte. Van
gedaante fleschvormig, van kleur rood of roodbruin, met
bedekking van grijs vilt. Kop cylindervormig met toege-
ronde spits, 2 maal zoo lang als tusschen de oogen breed;
het bijna altijd zigtbare achterste gedeelte van het halsje
glanzig zwart. Voor de bijoogjes een zeer flaauw en fijn
dwarsgleufje, dat gebogen achter de oogen loopt. Oogen
rond, uitpuilend, donkerbruin. Zuiger dun, lang, glanzig
roodbruin. Sprieten nog al ver voor de oogen ingeplant,
zeer slank, op > der lengte van het ligchaam, geelbruin
met een donker bandje aan de basis van lid 1, een ander
even voor de spits van dat lid en een derde even voor de
spits van lid 2. Prothorax met weinig ingedeukte zijden,
die zeer rond naar beneden loopen, aan den achterrand
naauwelijks 2 maal breeder dan aan den voorrand; de
achterrand dikwijls donker gemarmerd, het middengedeelte
aan de zijden dikwijls donker gevlekt. Schildje gelijkzijdig,
dof zwart, soms met (door dikke beharing) lichtere zijden.
De dekschilden reiken niet tot op het midden van het ab-
domen en hebben geene aderen, maar wel eene scheef
aangehechte korte membraan. Hunne kleur is bruinrood
of roodgrauw met donkerder marmering, de membraan is
grauw, iets lichter naar den zoom. Achterlijf veel langer
en tevens veel breeder dan kop en borststuk, met opgewipte
416 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
zijden, die aan den rand een oranje vlekje vertoonen aan
de basis der ringen 2 tot 6. Na den 6° ring is het lig-
chaam plotseling toegespitst. De pooten zijn roodgrauw
met vele donkere dwarsbanden, die echter in het midden
van dijen en scheenen niet bij alle voorwerpen te zien zijn.
Nabis brevipennis werd gevangen binnen Leyden in den
hortus op hagedoorn in Augustus (de Graaf), bij Heem-
stede in September, in het Haagsche bosch en de Scheve-
ningsche boschjes, mitsgaders aan de Rhedersteeg in den
herfst (v. Voll.) en bij Breda (Leesberg). Mij zijn slechts
wijfjes bekend en ik zie dat Flor in hetzelfde geval ver-
keerde. Douglas en Scott schijnen gelukkiger te zijn geweest.
2. Nabis apterus F.
Plaat 8, fig. 4.
Fabr. S. R. 281,72. — Hahn, Wanz. Ins. 1, p. 35, tab.
VI, £ 24. — Wolff, Ic. Cim. p. 201, tab. 20, f. 200
(nymf). — Fieber, Eur. Hem. p.160 (Subapterus de Geer).
— Doug]. and Scott, Brit. Hem. p. 550.
Fieber haalt bij deze soort de beschrijving en plaat van
Reduvius subapterus bij de Geer (Mémoires (Duitsche vert.)
HI, p.189, pl. 15, f. 10, doch stellig ten onregte. Vooreerst
toont de vergroote afbeelding van den kop (fig. 11) reeds
aan dat hier Harpactor pedestris bedoeld is, maar ten over-
vloede leert ons de text dat de zuiger kort en dik is,
‘tgeen op geen Nabis past. Of de fig. 200 van Wolff, die
eene nymf voorstelt, hier juist geciteerd is, zal latere
kweeking moeten leeren.
Lengte nog niet ten volle 7 mm. Het zal voldoende zijn
bij de groote gelijkenis met de vorige soort het verschil
tusschen beide kenbaar te maken. Apterus is kleiner, heeft
lichter kleur op kop en thorax en langer dekschilden; die
tot over de helft van het abdomen reiken. Voorts
is het abdomen op de rugzijde donkerder, bijna zwart, en
het oranje vlekje op den zesden ring is veel grooter naar
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 4417
rato en niet scherp begrensd. Eindelijk heeft de prothorax
aan wederzijde eene donkerbruine of zwarte vlek.
De soort werd met en zonder membraan aan de dek-
schilden in April en Mei in het Liesbosch bij Breda aan-
getroffen door den heer Heylaerts; de Man ving er eene
27 April bij Middelburg en Ritsema schonk mij eene nymf
door hem in Augustus bij Rozendaal gevangen.
3. Nabis flavomarginatus Scholz.
Plaat 8, fig. 5.
Scholz, Aufzähl. 1) n°. 2 p.? — Fieb. Eur. Hemipt.
pi 101.
Lengte 9 mm. — Van gedaante een langwerpig ovaal,
dat naar voren kegelvormig is toegespitst, van boven vrij
plat, van onder kegelvormig verheven, donker grijs of grauw
met gele randen. Kop van den voorrand der oogen tot de
spits even lang als van den voorrand der oogen naar het
halsschild, boven zwart met 2gele strepen tegen de oogen
aan en eenige gele vlekjes voor en tusschen de inplanting
der sprieten. Deze weinig langer dan de helft van het
ligchaam, lichtgrauw, bruin aan het einde met een donker
bandje aan de spits van het 2° lid. Oogen bruin. Zuiger
glanzig licht bruin met gele basis. Keel even als de voor-
borst licht geel. Borststuk op den rug grauw met drie
breede donkere langsstrepen; de zijden licht onzuiver geel.
schildje zwart met gele zijden. Dekschilden bruingrauw
met de helft van den buitenrand geel gezoomd; de mem-
braan zeer groot, van dezelfde grauwe kleur doch met
lichtere vlekken tusschen de aderen. Het achterlijf op zijde
buiten de dekschilden uitstekend en ook iets langer, zwart,
doch de opstaande zijrand vuilgeel. Onderzijde aan den
rand breed geel, dan bruin en glanzig, in het midden
1) Dit opstel bleef mij onbekend; het komt voor in de Arbeiten der Schlesischen
Gesellschaft fiir Kultur, 1846.
118 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
echter met eene rij van ronde gele vlekken. Alle heupen
geel met zwarte basis; de 4 voorpooten zeer forsch ge-
bouwd, geel; hunne dijen met donkere dwarsstrepen ge-
tijgerd. Achterpooten langer en slanker, geel; de uiteinden
der dijen en de spits der scheenen en der tarsenleedjes
zwart.
De korte beschrijving bij Fieber stemt niet geheel met
deze overeen, doch is op verscheiden punten onduidelijk.
De gelijknamige soort bij Flor schijnt eene andere.
De soort werd gevangen bij Leyden in September door
Perin, op Walcheren door den heer La Fontyn, bij Loos-
duinen door Generaal Dr. van Hasselt, en 10 October door
mij bij Scheveningen. Ook werd eene nymf dezer soort bij
Loosduinen aangetroffen.
4, Nabis ferus L.
Plaat 8, fig. 6.
Linn. S. N. ed. 13, 734, 108. — Fabr. S. Rh. 255, 11
en 12. — Fall. Hem. Suec. I, p. 133, 9. — Wolff, Ic. Cim,
p. 159. Tab. 16, f. 153. — Burm. Hdb. Il, p. 242, 1. —
Hahn, W. Ins. Ill, p. 34, pl.-83, £252: — Flore
Lil. I, p. 698. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 555.
Lengte 6—7 mm. — Licht geel met een bruinen of
grauwen glans, veel smaller dan de vorige naar gelang
der lengte. Kop klein, niet sterk uitstekend voor de oogen,
met eene tamelijk breede zwarte langslijn in het midden
en een vlekje achter ieder oog. Sprieten iets langer dan
de helft van het ligchaam, vuil lichtgeel; het 4° lid, of-
schoon zeer dun, toch dikker dan de overigen, een weinig
naar beneden gekromd; 2 en 3 met bruine bandjes om de
spits. Borststuk smal van voren en van achter 24 maal
zoo breed en aldaar boller dan bij de vorige, met eene
naar achteren smaller wordende zwarte middellijn ; van den
hals tot den 2” dwarsnaad ter wederzijde bij den zijkant
aanduiding van nog eene dergelijke lijn. Schildje zwart
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 119
met 2 gele vlekjes in de hoeken. Dekschilden geheel vol-
groeid, reikende tot een geheel eind over de spits van het
abdomen. Clavus naar den naad toe verbreed; corium met
bolle aderen en 3 zwarte vlekjes onder elkander, waarvan
het laatste op den rand van corium en membraan staat.
Membraan een weinig grijzer dan het corium, met licht-
bruine aderen. Abdomen op den rug zwart met breeden
gelen zoom, aan de onderzijde helder geel met eene zeer
smalle langslijn in het midden en twee iets breedere aan
de zijden. (Deze teekening is soms onduidelijk). Pooten
vaalgeel met eenige donkere puntjes en streepjes op de 4
voorste dijen.
De soort varieert wel in donkerder grijze of grauwe tint
en met bruine membraan.
Zij is vrij algemeen verspreid over het geheele land op
drooge gronden en komt in grooten getale voor op de
heide en de duinen. Ik heb indertijd te Heemstede waar-
genomen dat zij in het najaar zeer belust is op frambozen,
‘tgeen niet wegneemt dat hare eigenlijke spijze dierlijk
voedsel zal wezen.
De beide nu volgende soorten zullen misschien later
blijken niet anders te zijn dan verscheidenheden van Ferus.
5. Nabis brevis Scholz.
Plaat 8, fig. 7.
Scholz, Arbeiten, Aufz. n°. 2 — Fieber, Eur. Hemipt. p. 160.
Lengte 6 mm. — In het algemeen meer geteekend dan
de vorige, maar vooral van korter dekschilden voorzien en
misschien ten gevolge daarvan slanker in de schouders.
De algemeene kleur is een koud geelwit, min of meer
grijsachtig. Kop, sprieten, zuiger, oogen als bij de vorige.
Het middengedeelte van het borststuk is met zeer fijne
zwarte slingerstreepjes fraai beteekend, — en van daar
uit loopen 5 of 7 donkere streepjes naar achteren, van
welke die in ’t midden de duidelijkste is. Dekschilden
120 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
niet geheel uitgegroeid, met vrij sterk verhevene aderen
en een zeker aantal zwarte vlekjes, gewoonlijk zeven op
elk, soms minder, soms ook tot streepjes in een vloeijend.
In de vrij korte membraan zijn veel minder aderen en die
somtijds niet eenmaal anastomeeren. De pooten zijn vrij
sterk met rijen zwarte stippeltjes bezet en schijnen daar-
door donkerder dan bij Ferus.
Brevis werd in Mei bij Utrecht gevangen (Piaget); in het
voorjaar onder dorre bladeren bij Breda (Heylaerts); bij
den Haag, Scheveningen en Noordwijk in Aug. (v. Voll.)
6. Nabis dorsalis Duf.
L. Dufour, Recherch. 62, 1, tab. 5, 1. 55, Ames
Serv. Hémipt. p. 332, 4. Scholz. Aufzähl. n° ? (Erice-
forum). — Fieber, Eur. Hem. p. 160. — Flor, Rh. Livl.
I, 690 en II, 618. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 552.
Fieber en Scholz noemen dezen Nubis: Ericetorum , welke
naam stellig karakteristieker is dan die van Dorsalis, die
niets beteekent ten minste om het onderscheid met Ferus
te doen uitkomen; doch de naam van Léon Dufour is ouder.
Zijne beschrijving bleef mij onbekend, doch die van Amyot
et Serville, naar de zijne vervaardigd, slaat uitmuntend
op onze voorwerpen.
Lengte 5—6 mm. — Kleur glanzig bruinrood, met don-
kere langsstreep over kop en thorax. lets slanker dan
Ferus en vooral minder behaard; overigens daarop in allen
deele gelijkende, behalve in de lengte der dekschilden, die
slechts weinig over het midden van het abdomen heen
reiken. Hunne aderen zijn vrij hoog oppuilend, op het
corium is eene rij van 4 zwarte vlekjes te zien; de mem-
braan is zeer kort en telt minder aderen dan bij Ferus.
Van deze soort werden eenige voorwerpen zeer laat in
het jaar onder heideplanten en op gras in den omtrek van
Breda en met name in het Liesbosch gevangen door den
heer Heylaerts.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 491
Gen. 5. PLOEARIA Scop.
Van Scopoli ontving dit genus den naam van Ploearia
(eigenlijk schreef hij Ploiaria) tusschen 1785 en 88; Fa-
bricius gaf er in 1794 den naam van Gerris aan. De
eerste benaming is dus de oudste, doch, al ware zij dit
niet, dan zou toch mijns inziens de tweede naam verme-
den moeten worden, omdat Gerris ook gebruikt is om het
geslacht aan te duiden dat wij met Fabricius en anderen
Hydrometra noemen; zoo ontgaan wij alle verwarring.
Het is van de vorigen zeer gemakkelijk te onderscheiden
door de bijzonder lange voorheupen en de bestemming der
voorpooten, kennelijk niet voor den gang, maar alleen
voor het grijpen en vasthouden eener prooi. De beide in-
secten, die tot dit afwijkende geslacht behooren gebruiken
dan ook in het gaan de lange sprieten als voorpooten,
waarop zij werkelijk steunen, terwijl het ligchaam overigens
tusschen de vier achterpooten, wier knieën ver boven den
rug uit komen, hangt te schommelen.
Ligchaam zeer smal; kop en borststuk slechts een vijfde
gedeelte der geheele lengte uitmakende. Kop +4 korter
dan het borststuk met een bol opgezetten hals, die door
eene dwarsgleuf van den eigenlijken kop afgescheiden is.
Geen bijoogjes; oogen sterk uitpuilend met grove facetten;
daarvoor de dikke grondknobbels der sprieten en geen
uitsteeksel daartusschen. Zuiger kort en dik, tot tusschen
de voorheupen reikend, van 3 leedjes. Sprieten zeer dun,
haarvormig, langer dan het ligchaam, met een tusschen-
leedje aan de basis van lid 1; de beide laatste leedjes te
zamen slechts half zoo lang als het tweede, 3 driemaal
langer dan 4. Borststuk slechts weinig breeder achter dan
aan den hals en iets langer dan breed. Schildje vrij groot,
doch door eene gleuf in 2 deelen verdeeld, waarvan het
voorste veel hooger ligt dan het andere en bovendien van
een opgewipt stekeltje voorzien, zoodat dit voorste deel
het geheele schildje schijnt uit te maken.
122 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN,
Dekschilden iets langer dan het achterlijf en dit geheel
bedekkend ; zij zijn zeer smal aan de basis en verbreeden
zich bijzonder sterk voorbij het midden; de membraan
neemt er het grootste gedeelte van in. Deze heeft even
voor de binnenzijde eene lange ader, van waar kleine
dwarsaderen uitgaan, naar eene andere ader in het midden.
Achterlijf van onder kielvormig met opgewipten dunnen
zijrand. Voorpooten met zeer lange heupen, des niettegen-
staande echter in het geheel niet veel langer dan de dijen
der achterpooten. Voordijen vrij dik, midden- en achter-
dijen zeer dun en bijzonder lang, even als hunne scheenen ;
tarsen daarentegen kort.
Door hunne gedaante en het hangen tusschen de pooten
doen deze insecten aan sommige soorten van muggen
(b. v. Limnobia) of wel aan het geslacht Berytus denken.
Zij worden meest in tuinhuisjes en dergelijken aangetroffen.
Flor verzekert dat zij snel vliegen. Inlandsch zijn twee
soorten, eene grootere en eene kleinere.
1. Ploearia vagabunda L.
Plaat 8, fig. 8 en 84.
Linn. S. N. Ed. 43, p. 732, 119. — Fahr. S. Rh. 2028
9. — De Geer, Mémoires vert. II, 212, 44, tab. 17,
fi 1-7. — Wolff, de. Gimp. 203, tab. 20 RASE
Schellenb. Cim. Helv. p. 24, tab. 8, f.1 a—d.—H. Sch.
W. Ins. IX, p. 117, tab. 305, f. 941. — Flor, Rh. Lil
I, p. 689. — Dougl. and Scott, Br. Hem. p. 536. PI. 18, fig. 4.
Lengte 7 mm.— Kop grauw, aan de spits en achter de
zwarte oogen bruin. Zuiger geelachtig wit met 4 donkere
bandjes. Sprieten, 4° lid en benedenhelft van het 2° wit
met fijne zwarte bandjes, het overige van het 2° met 3
wit, 4 grijs. Borststuk lichtgrauw met eenige bruine
schrapjes op de voorhelft. Schildje aan den voorrand licht-
grauw met eene witte spits, het overige zwartachtig. Ach-
terlijf bruin met eene roodachtige streep aan wederzijde.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 493
Dekschilden gemarmerd grijs met witte aderen; 2 bruine
vlekjes aan den buitenrand, waarvan de achterste grooter
en donkerder, begrenzen een helder wit langsstreepje; spits
der membraan lichtbruin bewolkt met 4 witte vlekjes aan
den rand. Voorpooten met tamelijk lange haren be-
haard; alle pooten geelachtig wit; voordijen naar de spits
toe met 3 vrij breede bruine bandjes, voorscheenen desge-
lijks, maar de bandjes flaauwer. Vier achterpooten met
tal van fijne zwarte bandjes.
Ik heb eenmaal deze soort gevangen op de Gliphoeve bij
Bennenbroek, zoo ik mij wel herinner in een grotwerk ,
op klimop; Prof. J. van der Hoeven ving er een in een
tuinhuisje bij Leyden; voorts zag ik nog een exemplaar
door den heer de Gavere te Groningen gevangen, en twee
voorwerpen die de heer Schepman in October te Rhoon
aantrof, kruipende op stammetjes van hazelaren. In Enge-
land is de soort plaatselijk gemeen op klimop; het is dus
vreemd dat men haar hier te lande, waar zoo veel klimop
wast, zoo zelden aantreft.
2. Ploearia erratica Fall.
Plaat 8, fig. 9.
Fall. Mon. Cim. 117, 6. — Id. Hem. Suec. 164, 2. —
H. Sch. W. Ins. IX, 118. — Burm. Hab. II, p. 224 —
Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 536.
Lengte 5 mm. — Deze soort, veel kleiner dan de voor-
gaande, is bovendien herkenbaar aan de volgende kentee-
kens: de voorpooten zijn onbehaard; de kleur is iets don-
kerder; de spits der membraan is bepaald bruin, met fijne
witte aderen, de zijrand van het achterlijf is geblokt,
zwart en wit en de bandjes om de achterpooten zijn iets
breeder.
Deze soort is niet zoo zeldzaam. Zij werd aangetroffen :
bij Rotterdam (Gijsberti Hod.), bij den Haag (de Gr., v.
Hass., v. d. Wulp), bij Leyden (van Voll), bij Utrecht
124 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
(Six) en bij Breda (Hevlaerts). Zij komt voor van Mei tot
in October, in huizen en tuinhuizen.
TWAALFDE FAMILIE. — WATERBEROEIJERS.
HYDRODROMICI.
De vertaling van den Griekschen naam zou eigenlijk in
het Hollandsch luiden op het water loopers, doch daargela-
ten dat dit moeijelijk tot een woord zamen te vatten is,
loopt eigenlijk slechts eene soort uit de familie over het
water (Limnobales Stagnorum), terwijl de overigen op het
water drijvende, zieh met hunne pooten roeijende voort-
bewegen.
De familie onderscheidt zich van alle vorigen door de
inplanting der klaauwtjes, die zeer klein zijnde, geplaatst
zijn in eene inkeeping voor het einde van het laatste lid
der tarsen. Hierop maakt nu wel het geslacht Limnobales
eene uitzondering, doch wat de overige karakters betreft,
behoort het kennelijk tot deze groep, zijnde een overgangs-
vorm tusschen de evenzeer lang uitgerekte Ploearien en
het geslacht Hydrometra dat de hoofdstam is in deze familie.
Gedaante meestal lang gestrekt, zelden klein en gedron-
gen, onderzijde van het ligchaam steeds met zijdeachtige,
zeer digte, als metaal blinkende beharing bedekt, die het
water niet tot het ligchaam laat doordringen. Kop gewoon-
lijk klein. Oogen steeds bol en uitpuilend. Bijoogjes ont-
breken of zijn moeijelijk te zien. Sprieten van 4 leedjes,
aan de zijden van den kop, voor de oogen ingeplant.
Zuiger los, doch tegen de borst aangedrukt van 3 of 4
leedjes, waarvan het middelste of voorlaatste verreweg het
grootst. De prothorax strekt zich met een uitsteeksel, den
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 125
zoogenaamden processus, over den mesothorax en het
schildje heen. De dekschilden en vleugels ontbreken dik-
wijls; wanneer de eersten aanwezig zijn, zijn zij van basis
tot spits van eene en dezelfde lederachtige hoedanigheid,
doch van krachtige aderen voorzien, die echter weinig
cellen vormen. Het abdomen levert geene bijzondere ken-
merken op. De pooten zijn zeer verschillend gevormd;
die van Limnobates zijn looppooten (de dieren loopen op
het water), die der andere geslachten zijn roeipooten of
grijppooten met dien verstande dat het voorste paar ge-
bruikt wordt om de prooi te grijpen en te houden, terwijl
de beide andere paren tot roeijen dienen, zijnde hier het
middelste paar altijd langer. De beweging is bij het 4° paar
verticaal, bij de beide anderen horizontaal. De tarsen
hebben 2 of 3 leedjes; over de inplanting der klaauwtjes
in het laatste is reeds gesproken.
Men ziet deze dieren hetzij aan den oever van stilstaande
wateren loopen en zich tusschen kroos en andere water-
planten bewegen, hetzij op stroomende beekjes in grooten
getale roeijend zich tegen den stroom opwerken en met fu
elkander spelen. Hun roeijen is niet gelijkmatig, maar
geschiedt bij schokken. Hun voedsel bestaat in kleinere
insecten.
De familie telt slechts 4 geslachten, die zeer gemakkelijk
in schema te brengen zijn.
Tabel der geslachten.
4 (2). Kop langer dan de prothorax; voorpooten tot gaan
geschikt.
Gen. 1. LIMNOBATES Burm.
2 (1). Kop korter dan de prothorax; voorpooten niet tot
gaan geschikt.
3 (4). Borststuk langer dan breed.
Gen. 2. Hyprometra F,
126 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
4 (3). Borststuk zoo lang als breed of breeder dan lang.
5 (6). Het 4° lid der sprieten het langste. Tarsen van 3
leedjes.
Gen. 3. VELIA Latr.
6 (5). Het 4° lid der sprieten het langste. Voortarsen van
2, achtertarsen van 3 leedjes.
Gen. 4. MIcROVELIA Westw.
Gen. 1. LIMNOBATES Burm.
ken geslacht van bijzondere gedaante. Ligchaam slank.
Kop langer dan het borststuk, bijna eylindervormig, doch
in het midden dunner dan aan de beide einden; het ge-
deelte voor de oogen veel langer dan dat er achter. Oogen
middelmatig, uitpuilend, cirkelrond. Zuiger zeer slank,
zoo lang als de kop, van 3 leedjes, de beide uitersten on-
geveer even kort. Sprieten zijdelings bijna op het eind
van den kop ingeplant, hun grondlid iets dikker dan de
3 haarvormige volgenden; het 3° langer dan 2 en 4 vereenigd.
Thorax tweemaal zoo dik als de kop, prothorax zeer kort,
mesothorax korter dan de metathorax. Vleugels en dek-
schilden zelden ontwikkeld; zijn zij het dan reiken zij
bijna tot de spits van het achterlijf; dekschilden lederachtig
met 2 langsaderen en bij de spits 2 scheeve dwarsaderen;
vleugels met 2 langs- en eene dwarsader. Achterlijf bij de
mannen zeer slank, bij de wijfjes in het midden uitgezet
met opstaanden rand, bij beiden iets korter dan kop en
thorax te zamen genomen. Pooten zeer slank en vrij lang,
allen, ook die van het voorste paar, tot gaan ingerigt; de
heupen staan vrij ver van elkander en zijn tamelijk dik;
dijen en scheenen zijn zeer dun, tarsen van 3 leedjes, met 2
klaauwtjes aan de spits, niet in eene inkeeping onder de spits.
Limmobates Stagnorum L.
Plaat 9, fig. 1 en 1a.
Linnaeus, S. N. ed. 13, p. 732, 118. — Fabr, S. Rh.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 197
258, 6. — Fall. Mon. Cim. 116, 4. — Curtis, Brit. Ent.
I, pl. 32. — Burm. Hdb. II, AA. — Herr.-Sch. W. Ins.
IX, p. 118, tab. 304, f. 938, 939. — Dougl. and Scott,
Bris Hem: po 916, ple 19,167.
Lengte ongeveer 1 cm. — Zwart of zeer donker bruin.
Zuiger- pekbruin. Eerste leden der sprieten aan de basis
roodachtig. Somtijds drie zeer fijne zilverachtige langs-
lijntjes op het borststuk. Als de vleugels aanwezig zijn,
draagt de thorax op de achterhelft aan de zijden twee
kleine ronde, gladde bultjes. Dekschilden bruin met vuil
okerbruine vlekjes tusschen de aderen, Het onbedekte
abdomen vertoont soms goudglanzige bestuiving op de
zijden van den rug. De pooten zijn roodbruin, doch wor-
den donkerder van het midden der scheenen naar het eind.
Men vindt deze dieren aan den oever van slooten en
poelen; zij loopen er langzaam over het kroos en zelfs
over het water, en zijn misschien ook nachtdieren. De
meeste voorwerpen, die men aantreft, zelfs laat in den
herfst, hebben geene uitgegroeide dekschilden en vleugels.
Gen. 2. HYDROMETRA F.
Dit en de beide volgende geslachten bevat insecten, die
op het water roeijen, niet loopen als Limnobates, noch ook
onder water zwemmen, gelijk de waterwantsen. Hydrometra
onderscheidt zich van de beide anderen door dat het borst-
stuk langer dan breed is, volgens andere schrijvers ook
doordien alle tarsen uit niet meer dan 2 leedjes bestaan ;
dit kenmerk is echter niet gaaf aan te nemen, daar het
microscoop bij sommigen een derde leedje doet ontdekken.
De benaming werd door Fabricius gegeven, Latreille noemde
hen Gerris, een’ naam later ook door Fabricius gebruikt,
doch ook gegeven aan het vroeger beschrevene geslacht
Ploearia en daarom maar liever geheel te verwerpen, vooral
daar er een betere en misschien ook oudere bestaat.
Ligchaam langwerpig, min of meer spoelvormig, aan de
498 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
onderzijde geheel met zijdeglanzig vilt bekleed, dat goud-
of zilverstof nabootst. Kop vrij klein, tot aan de oogen
in den prothorax verzonken, voor de oogen in eene stompe
punt uitgestrekt op wier zijden ter halver lengte van de
spits de sprieten op knobbeltjes zijn ingeplant. Oogen
groot, bolrond, aan den binnenkant een weinig ingesneden.
Bijoogjes zeer klein en meest onder beharing verborgen.
sprieten met 4 leedjes van ongelijke lengte, ten hoogste
zoo lang als de kop met den thorax; tusschen lid 2 en 3
gewoonlijk een tusschenzetsel. Zuiger kort, kegelvormig,
los hangend, van 3 leedjes, waarvan het middelste verre-
weg het langste. Prothorax aan den hals van een dwars-
gleufje en daarachter van een paar bultjes voorzien, in
de zijden naar achteren toe verbreed en over den meso-
thorax uitgestrekt met een rondloopend uitsteeksel (Pro-
cessus), dat de plaats van een niet aanwezig schildje inneemt,
maar niet den geheelen mesothorax bedekt. Dekschilden
en vleugels zijn bij enkele soorten niet, bij anderen wel
ontwikkeld; in dit laatste geval zijn zij zoo lang als of iets
korter dan het achterlijf en tussehen de opgewipte zijran-
den daarvan in de rust plat op het abdomen nedergelegd;
de dekschilden vertoonen geene afscheiding in clavus, co-
rium en membraan, en bezitten drie langsaderen, waarvan
de beide voorsten gegaffeld zijn en onderling door een
smal dwarsadertje verbonden. Abdomen op den rug vlak,
aan den buik bol, met scherpe, eenigzins opgewipte
zijranden, onder welke eene fijne vrij diepe langsstreep
loopt. Het zesde segment eindigt aan beide zijden in
eene punt, die bij een paar soorten als een werkelijke
doorn naar achter uitsteekt. Na dit zesde hebben de
wijfjes nog 2, maar de mannetjes nog 3 korte genitaal-
segmenten. De voorpooten zijn zeer ver van de overigen
af ingeplant, gezet en vrij kort; hunne beweging is nage-
noeg verticaal, terwijl die der vier anderen horizontaal is;
dezen zijn veel langer, vooral de middenpooten. De vier
achterheupen ziet men op zijde uitsteken, als men de die-
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN, 129
ren op den rug beschouwt. Dijen en scheenen der achter-
pooten zeer slank, tarsen vrij lang en slank van twee
leedjes; hunne klaauwtjes aan de onderzijde voor het einde
ingeplant.
Tabel der soorten.
1 (4). Eerste lid der sprieten duidelijk langer dan 2 met
3. Achterlijfshoeken als doornen uitstekend.
2 (3). Zijrand van het abdomen geel. Kerste tarsenlid
der achterpooten bijna 2 maal langer dan het tweede.
Sp. 1. H. Paludum F.
3 (2). Zijrand met het abdomen eenkleurig. Dekschilden
en vleugels ontbreken meest. Eerste tarsenlid der
achterpooten slechts 14maal zoo lang als het tweede.
Sp. 2. H. aptera Schumm.
4 (4). Eerste lid der sprieten korter dan 2 met 3.
9 (6). Doornen van het 6° segment lang en kegelvormig.
Sp. 3. H. rufoscutellata Latr.
6 (5). Uitsteeksels van het 6° segment kort, breed en plat.
7 (8). Zesde segment bij & aan den buik met 2 naar
voren gerigte haakjes. Eerste bij g dwars ingedrukt.
Sp. 4 H. odontogaster Zett.
8 (7). Zesde segment bij ¢ zonder haakjes. Eerste bij ¢
met een’ kiel.
9 (10). Thoraxrug naar het eind roestgeel.
Sp. 9. H. thoracica Schumm.
10 (9). Thoraxrug geheel zwart of donkerbruin.
41 (14). Grooter dan 7 millim.
12 (13). Buik zwart met eene smalle roestgele middenstreep.
Sp. 6. H. gibbifera Schumm.
13 (12). Buik bij 9 geel met 2 breede zwarte zijstrepen.
Sp. 7. H. lacustris L.
44 (11). Gewoonlijk kleiner dan 7 millimeter, zwart met
zilverstreepjes.
Sp. 8. H. argentata Schumm.
130 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
1. Hydrometra Paludum F.
Plaat 9, fig. 2 a en 6.
Fabr. S. R. 258, 3. — Schumm. Ploteres, 29, t.4, f.5
et 4—13. — Burm. Handb. II, 210, 1.—H. Sch. W. Ins.
IX, pe O7 vet 770751: 500, 1.926. — lors Shh Kal
p. 732. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 559.
Lengte 14—15 mm. — Donkerbruin, op de bovenzijde
hier en daar met goudgele haartjes bezet, onderzijde loodgrijs
met zilverglans. Kop van onder zilverwit, welke kleur in
den hals loodregt tegen het bruin aanligt. Oogen, bijoogen,
zuiger en sprieten zwart; van deze laatsten is lid 4 bijna
zoo lang als de 3 volgenden te zamen, 3 korter dan 2,en
ook dan 4. Voorborststuk met een klein stekeltje aan
wederzijde van voren, en in het midden aldaar een kort
geel streepje; middengedeelte naar achter wat verbreed en
aan de achterhoeken in een knobbeltje uitloopend; over
het midden, dat bol oprijst, een fijn rigcheltje; processus
bol met platten rand, waarop een geel bandje. Aan de
zijden der borstringen een zeer zwart streepje op den zil-
verglanzigen grond. Dekschilden zeer donker bruin met
goudgele beharing aan de basis. Pooten zwart; heupen
der achterpooten met hunne pannen geel. Midden- en
achterdijen even lang; middenscheenen ongeveer zoo lang
als de achterscheenen met hunnen tarsus; eerste tarsenlid
der middelpooten meer dan 3 maal, dat der achterpooten
slechts 2 maal zoo lang als het daarop volgende lid. Ach-
terlijf in het midden met een flaauw kieltje, in iedere zijde
met eene rij van 5 zilverwitte vlekjes op den achterrand
der 5 voorste segmenten; zijdestrepen vuil oranje. Stekels
van het 6° segment bij het ¢ zoo lang als, bij het 2 langer
dan de genitaalsegmenten.
In de tweede naamlijst staat dat deze soort in Holland in
een exemplaar door den heer van Bemmelen gevangen
werd; het bedoelde voorwerp bleek echter tot H. aplera
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. ; 134
Schumm. te behooren; doch op ’s Rijks Museum voor na-
tuurlijke geschiedenis te Leyden staan drie voorwerpen van
H. Paludum met het etiquet «Calkoen, Holland». (Calkoen
was een handelaar in naturalien te Amsterdam, omstreeks
1820).
2. Hydrometra aptera Schumm.
Plaat 9, fig. 3 en 3a.
Schumm: lot 32, o tab. At. 4 en 90-94. TI,
Duf. Recherch. p. 69, tab. 5, f. 59 (Canalium). — Flor,
Rh. Livl. I, p. 734 1). — Dougl. and Scott, Brit. Hem.
p. 560.
Lengte 13—17 mm. — Mij zijn geene andere dan onge-
vleugelde voorwerpen als inlandsch bekend. De soort ver-
schilt van de voorgaande in de volgende opzigten. Zij
wordt grooter in de vrouwelijke sexe, vertoont minder zil-
verglans op de onderzijde en heeft veel korter stekels aan
het 6° segment. Het 4° lid der sprieten is in lengte gelijk
aan het 3°; er is geen stekeltje aan de zijden van den
prothorax, geen streepjes in het midden, geen geel bandje
aan den processus, geen oranje zijdestrepen aan het ach-
terlijf. Op de borst ziet men 2 divergeerende langsvlekken;
daarachter volgt eene zalmkleurige vlek tusschen de mid-
denpooten. Middelscheenen iets langer dan de achterscheenen
met hunnen tarsus. Eerste tarsenlid der achterpooten slechts
14 maal langer dan het tweede.
Deze soort komt hier te lande veel meer voor dan Pa-
ludum; zij werd gevangen bij den Haag (v. d. Wulp), bij
Warmond (v. Bemm.), op Sterkenburg bij Driebergen in
Aug. (v. Voll), bij Hattem (Piaget), onder Wolfheze in
Aug. (de Graaf), bij Nijmegen (van Bemm.), bij Breda in
Mei (Heylaerts).
1) Ik haal de Geers Cimer Najas niet aan, omdat het mij voorkomt dat be-
schrijving en afbeelding eer op H. lacustris slaat; evenmin citeer ik Schellenberg’s
Aquarius Paludum , omdat ook daar de soort niet te bepalen is.
182 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
3. Hydrometra rufoscutellata Latr.
Plaat 9, fig. 4 en 4a.
Latr. Gen. Cr. et Ins. III, p. 134. — Cuvier, Règne An.
Pl.92, f.5.—Schumm. Plot. p: 323 1.3, tet 2b
f. 4, 2, 14—19. — Herr. Sch. W. Ins. IX, p. 62, t. 300,
f. 924 et t. 299, f. g h i. — Flor, Rh. Lil. I, p. 756.
Lengte 15 mm. — lets kleiner dan de vorige, er op
gelijkend, doch slanker en vooral lichter van kleur. Kop
van boven zwart, aan de zijden en van onder glanzig als
geelachtig zilver. Zuiger slank, grijs. Sprieten langer dan
bij de andere soorten, langer dan kop en borststuk,
roestbruin met zwarte einden der leedjes; lid 4 aan de
basis wat naar binnen gebogen, 1imaal zoo lang als 2;
3 korter dan, 4 gelijk aan 2, het vierde soms zwart. Oogen
groot, glanzig zwart. Voorborststuk op den rug zwart met
een roestkleurig middenstreepje, middenborststuk roest-
kleurig met zwarte zijden vooral naar voren toe, processus
geheel roestkleur. Aan de zijden van den thorax eene
zwarte langsstreep en daaronder de zwarte borst met
zilvervilt behaard. Dekschilden en vleugels ontwikkeld; de
eersten roodbruin met donkerder aderen, bezet met gele
haartjes. Pooten rosbruin met donkerder tarsen. Eerste
tarsenlid der middenpooten 4—5 maal, dat der achterpoo-
ten 2-maal zoo lang als het volgende lid. Buik met fijne
middenrigchel. Doorntjes van het 6° segment vrij lang en
stekelig, bruinachtig geel, bij het wijfje zoo lang als de
genitaalsegmenten, bij het mannetje veel korter.
Deze soort werd in Holland aangetroffen door den heer
van Bemmelen, bij Wassenaar in het voorjaar door den
heer de Graaf en in de omstreken van Breda door den heer
Heylaerts. Ik vond haar vroeger in overvloed in Junij en
Julij op den vijver van de Gliphoeve onder Heemstede en
bij Sterkenburg.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 133
4. Hydrometra odontogaster Zett.
Plaat 9, fig. 5,
Zetterstedt, Fauna Lap. 506, 3. — Schumm. Plot.
p: 36, tab.’3, f. 810. Hi Sch. Wanz: Ins: IX, p.73,
t 301, f. 931. — Flor, Rh. Livl. I, p. 738.
Lengte 7,5—8,5 mm. — Zeer sterk gelijkend op Lacustris
(de gemeenste soort), doch in de mannelijke sexe daarvan
duidelijk te onderscheiden door de kleine buikhaakjes aan
segment 6, in de vrouwelijke moeijelijker door een’ dwarsen
indruk in het eerste genitaalsegment.
Zwart, door de beharing op den rug bruin; buikzijde
loodgrijs met zilverwitten weerschijn. Sprieten bijna tot de
middelheupen reikend, zwart; lid 1 nagenoeg als 2+3, 3
het kortste der vier. Een streepje op den prothorax en de
zijden van den thorax geelachtig. Een flaauw langsrig-
cheltje op den processus. De zijden der borst vertoonen
in bepaalden stand eerst een looden, dan een kopergelen
gloed, door een smal bruin streepje van elkander afge-
scheiden. Dekschilden zwart met blaauwen glans en bruine
aderen. Pooten geelachtig bruin; voordijen zwart met
gele basis of geel met zwarte streep aan de buitenzijde.
Eerste lid der tarsen aan de middenpooten 3 maal langer
dan het tweede.
Zoomen van het achterlijf bleek rood; zesde segment bij
den man diep ingesneden met 2 korte naar voren gebogen
haakjes. Bij het wijfje is het eerste genitaalsegment dwars
ingedeukt.
Deze zeer zeldzame soort werd tot nog toe alleen ge-
vangen door den heer Mr. H. W. de Graaf en wel bij
Wassenaar in het eerste voorjaar onder dorre bladeren en
in April op de slooten aldaar.
5. Hydrometra thoracica Schumm.
Schumm. Ploteres, p. 46. — Herr. Sch. W. I. IX, p. 71,
134 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
PI. 301, f. 928 en pl. 299, Z aa, bb. — Flor, Rh. Lil.
I, p. 739. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 562.
Lengte 10-41 mm. — Deze soort is met geene andere
te verwarren als men let op grootte en kleur.
Zwart of donkerbruin met een streepje op den prothorax,
de achterhelft van den mesothorax met den processus rood-
bruin en de zijranden van het achterlijf geel. De sprieten
zijn zeer kort en reiken slechts tot de helft van den me-
sothorax, zij zijn roodachtig lichtbruin met zwarte spitsen.
De randen van den processus en de dekschilden zijn don-
kerbruin. De onderzijde is zilverglanzig met een geel
streepje op de zijden van den mesothorax. Pooten aan de
heupen geel, verder geelbruin en aan de tarsen zwart.
Eerste lid der middeltarsen slechts 2 maal langer dan het
tweede. Spitsen van het 6° segment plat en vrij breed,
roodachtig geel even als de genitaalsegmenten.
Eene vrij gemeene soort, gevonden bij Wassenaar, Ley-
den, den Haag, Haarlem, Breda, Middelburg en Koude-
kerke, meestal in het voorjaar.
6. Hydrometra gibbifera Schumm.
Plaat 9, fig. 6.
Schumm. Plot. p. 41, tab. 3, fig. 5—7. — Herr. Sch.
Wins. TX p. 12, tab:.30A 58.999.
Bri, Hem. p..964 Pl. 19,1%
Dougl. and Scott,
Lengte 8—10 mm. — Kenbaar aan het roode bultje op
het midden van de buikzijde van den mesothorax, overigens
sterk gelijkende op Lacustris.
Ligchaam van den gewonen vorm, boven zeer donker-
bruin, onder zwart met loodglans. Kop gewoon gevormd.
Sprieten kort, slechts tot aan de middenheupen reikend,
zwart; 1° lid gelijk aan 2 + 3, laatste langer dan 3. Over
den rug eene middenrigchel, die aan den prothorax rood-
achtig betint is. Zijden van den thorax voor de inplanting
~
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 135
der vleugels vrij sterk bultig; juist daaronder in de zijden
een kort geel streepje. Dekschilden bruin. Zijrand van het
abdomen roodgeel; hoeken van segment 6 van boven bijna
onzigtbaar. Voorpooten aan heupen, apophysen en basis
der dijen zeer licht geelrood, dijen verder zwart, scheenen
lichtbruin met hunne uiteinden en tarsen donker. De vier
overige pooten aan de basis geelrood, naar het eind toe
bruin. Onderzijde van het lijf zwart; bij den man op het
midden van den metathorax een oranje knobbel; van daar
eene smalle gele middelstreep naar den anus; zijranden,
achterzoom en genilaalsegmenten geel. Bij het wijfje ont-
breekt de knobbel, doch schijnt aldaar eene hoekige gele
vlek aanwezig.
Ik ken slechts een inlandsch voorwerp dezer soort; het
is een mannetje, door mij in Julij op een der slooten bij
Schothorst ten noorden van Amerstoort gevangen.
7. Hydrometra lacustris L.
Plaat 9, fig. 7.
Linn. S. N. 13 ed. 732, 117. — Schumm. Plot. p. 43,7.
Pl. 3, f. 11.— Burm. Handb. II, p. 210, n° 2. — H. Sch.
WV nst UX, op: 63: en 13, SPL 4304, £7930" en Pl; 299.
f. T—V.— Flor, Rh. Livl. I, p. 742. — Dougl. and Scott,
Brit. Hem. p. 566.
Lengte 8—9 mm.— De meest gewone soort, op den rug
zwart, door fijne goudgele beharing bruin, aan den buik
zilverglanzig en loodgrijs, in de zijden bij het wijfje koper-
achtig. Een streepje op het midden van den prothorax,
een veegje onder tegen de zijranden van den mesothorax
en de zoomen van het achterlijf met de genitaalsegmenten
geel. De middelkiel over den thorax is vrij sterk opgezet
en vooral op den processus ietwat kamvormig. De sprieten
zijn als bij de vorige soort, ook de dekschilden. Het gele
zoompje van het achterlijf is weder door een zeer smal
zwart randje omgeven. De pooten zijn bruinachtig geel
136 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
aan de basis, langzamerhand donker wordend, zoodat de
tarsen bijna zwart zijn; de voordijen hebben op de boven-
zijde eene zwarte langsstreep. Eerste tarsenlid der midden-
pooten bijna 4 maal, dat der achterpooten tweemaal zoo
lang als het daarop volgende lid. Aan de onderzijde loopt
over de borst eerst een middengleufje, dat echter reeds
ter hoogte van de middelheupen in een rigcheltje verandert
en als zoodanig ver over het midden van het abdomen
heenloopt. Bij den man is het achterlijf eenvoudig zwart
of donkergrijs met gele zijranden en achterrand, ook de
rand van het 1° genitaalsegment en het geheele tweede
zijn geel; bij het wijfje is het achterlijf meestal bruingeel
met 3 zwarte langsstrepen, een over het midden, de ande-
ren langs de zijden.
Men treft deze soort in zeer vele slooten en stilstaande
wateren van ons land aan. De heer Mr. H. W. de Graaf
ving onder de anderen ook volwassen voorwerpen met ver-
korte dekschilden.
8. Hydrometra argentata Schumm.
Plaat 9, fig. 8.
Schumm. Ploteres, p. 49, 9.— Herr. Sch. W. Ins. IX,
p. 68 en 74. Pl. 301, f. 932. — Flor, Rh. Livl.1, p. 740. —
Dougl. and Scott. Brit. Hem. p. 568.
Lengte 7—8 mm. — De kleinste soort, bovendien her-
kenbaar aan eenige in eene bepaalde lichtrigting glinsterende
streepjes op den thorax. Bovenzijde donkerbruin, onder-
zijde zwart met loodgrijze of kopergele spiegeling. Gedaante
als bij de vorige. Sprieten zwart, lid À = 2 + 3, deze
beiden aan elkander gelijk, lid 4 iets langer. Over den
thorax loopt een langsrigcheltje dat op den prothorax vuil
oranje is gekleurd. De zilverglans, die bij zekere rigting
van het licht gezien wordt is of op dit rigcheltje of op het
midden van den processus of wel op de zijden daarvan.
Dekschilden soms maar half uitgegroeid, zwart met een
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 497
blaauwen weérschijn. Zoom van het achterlijf zwart, doch
in het midden met een zeer fijn oranje streepje geteekend.
Pooten van boven gezien bruin, van onder bruingeel, de
heupen zeer licht gekleurd. Voorheupen met een donker
vlekje. Achterscheenen met hunne tarsen bijna 4 korter
dan de middenscheenen alleen. Eerste tarsenlid der mid-
delpooten 3 maal, dat der achterpooten slechts 1} maal
langer dan het daarop volgende. Aan den buik geene
lichte strepen of vlekken, behalve de randzoom, die geel is.
Ik ken van deze soort slechts twee vindplaatsen, de om-
streken van Breda (Heylaerts, Leesberg) en duinslooten
om ’s Gravenhage (van der Wulp in Juli).
Gents. VELA. katr.
Ligchaam vrij gedrongen, naar gelang der lengte breeder
dan bij het voorgaande geslacht. Kop even als daar, tot
aan de oogen in den prothorax gedoken, breeder dan lang,
bol op het voorhoofd en dan regt naar beneden gebogen.
Zuiger van 3 leedjes tot aan de middelheupen reikend.
Oogen rond en bol; bijoogjes ontbreken. Sprieten op een
knobbeltje onder de oogen, bij de basis van den zuiger
ingeplant, van 4 leedjes; het eerste langer en ook iets
dikker dan elk der overigen afzonderlijk, de 3 anderen
ongeveer gelijk van lengte. Borststuk voor breeder dan de
kop met de oogen, op ? der lengte zeer breed, gewelfd
en met een korten processus, die echter bij gevleugelde
individuen wat langer is. Meestal zijn er geene dekschil-
den, noch vleugels; waar zij voorkomen, zijn zij iets kor-
ter dan het achterlijf en liggen in de rust op elkander
tusschen de opstaande zijden. Deze zijn scherp en bij on-
gevleugelden op den rug vrij digt bijeengebragt, aan het
einde vormen zij driehoekige opstaande lappen; van onder
is het achterlijf zeer buikig gewelfd; het is niet veel langer
dan kop en thorax. Het 6° segment is langer dan de
overigen en van achteren loodregt afgesneden. Pooten
138 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
tamelijk lang en dik, de voorpooten niet veel korter dan
de anderen en meer naar buiten gekeerd dan bij Hydrometra ;
hunne heuppannen staan vrij digt bij die der middelpooten.
De heupen der laatsten staan zeer wijd uiteen. Achterdijen
van den man sterk gezwollen en van 2 grootere tanden,
tusschen welke eene rij kleinere, voorzien. Middelscheenen
aan den binnenkant met vrij lange haren bekleed. Tarsen
van 3 leedjes, waarvan het 1° zeer kort is, het 2° aan de
voorpooten korter, doch aan de achterpooten langer dan
het 3°. Klaauwtjes vrij lang en tamelijk ver van de spits
des tarsen ingeplant.
Velia currens F.
Plaat 9, fig. 9.
Fabr. S. Rh. 259, 12. — Fall. Hem. I, 160, 2. — Burm.
Handb. II, p. 212. — Curtis, Brit. Ent. I, tab. 2. — Wolff,
Ic. Cim. p. 201, tab. 20, f. 195. — Schumm. Plot. p. 19,
lab, 1, 1. 8 et 2, 1.1, 2 — Herr. Sch W. Tas 18
p. 76. — Flor, Rh. Livl. I, p. 746. — Dougl. and Scott,
Hem. Brit. p. oil, PL 19.27. 2.
Lengte 6—8 mm. (de gevleugelden langer). Zwart, door
de digte beharing chocolaadbruin, het achterlijf van onder
en de opstaande zijden peenrood. Sprieten en oogen zwart,
zuiger glanzig bruin. Op den prothorax twee vrij groote
driehoekige zilverglanzige vlekken en de streek daartus-
schen is min of meer helder rood. Het abdomen zwart,
zonder bruine haarbekleeding, doch aan wederzijde 5 zil-
verglanzige vlekken in eene langsrij. De roodgele opstaande
randen zwart ingekerfd. Het laatste buiksegment geelach-
tig, de genitaalsegmenten bruin. Pooten boven donker-
bruin, onder bruinrood.
Bij de gevleugelde individuen zijn de dekschilden zwart
met vier doorzigtige vlekjes, waarvan 2 digt bijeenstaan
aan de basis, een op het midden en het 4° digt voor den
achterrand. De gevleugelde voorwerpen zijn zeldzaam.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 139
Men heeft deze soort aangetroffen in de provincien Zuid-
Holland, Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant; als bij
Katwijk (Perin), Wassenaar (de Gr., v. V.), Warmond (de
Graaf), Woerden (id.), bij Zeist (v. V., de Gr.), Driebergen
(v. Bemm., Six), Wolfheze (Piaget), Doorweerth (de Gr),
den Keijenberg nabij Renkum (v. V.) en Breda (Hevl.).
Waarschijnlijk komt zij ook in andere provincien voor; zij
houdt zich liefst op stroomend of zachtvlietend water op.
Gen. 4. MICROVELIA Westw.
Wij hadden dit geslacht in onze vroegere naamlijst
Hydroessa genoemd naar Burmeister, doch de benaming
Mierovelia dagteekent van een jaar vroeger.
Het grootste verschil tusschen beiden ligt in de sprieten
en tarsen, daargelaten de relatieve meerdere breedte. Het
ligchaam is slechts 2 maal zoo lang als breed en dus zeer
gezet, van de schouders af naar achteren slechts weinig
smaller wordend. Kop kort, van het achterhoofd tot den
zuiger spheroidaal naar beneden gebogen, met uitpuilende
oogen en zonder bijoogjes. Zuiger iets voorbij de voor-
heupen reikend, van 3 leedjes, waarvan het 4° kort, het
2° anderhalf maal langer dan 3. Sprieten even voor de
oogen ingeplant, zoo lang als de voorscheen met haren
tars, van 4 leedjes, waarvan 2 het kortste, 4 het langste;
twee tusschenleedjes aan de basis van 2 en 3. Thorax breed
en bol, met ingedrukte zijden voor de dekschildbasis, een
indruksel over het midden en den processus ietwat puntig
toeloopend. Dekschilden en vleugels zoo lang als het ach-
terlijf; de aderen op de eersten vormen 3 gesloten cellen.
Pooten ongeveer als bij Velia, doch die van het middelste
paar niet veel langer dan de achterpooten en de trochan-
ters langer dan daar. Tarsen der voorpooten van 2, die
der overige pooten van 3 leedjes.
140 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Microvelia pygmaea Duf.
Plaat 9, fig. 10.
Léon Dufour, Ann. Soc. Ent. de Fr. III, p.115, tab. 6B,
f. 1.— Westw. ibid. III, 647. — Burm. Handb. II, 213. —
Curtis, Brit. Ent. XV, tab. 681. — Flor, Rh. Livl. I, p.
749. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 574, pl.19, f. 3.
Lengte 1,7 mm. — Fluweelachtig olijfbruin; randen der
oogen en onderzijde bekleed met zilverachtig vilt. Kop
met een flaauw middelrigcheltje. Sprieten zwart met het
eerste lid rood aan de basis. Over den prothorax aan den
hals een smal rood bandje, in het midden afgebroken en
in weerschijn zilverachtig. Abdomen dof zwart, doch met
een paar glanzige veegjes aan de basis. Dekschilden
zwart met eenige doorzigtige vlekjes tusschen de aderen ;
de meesten zijn langwerpig, doch het grootste is rond en
staat het digst bij de spits. Pooten zwart met roode heu-
pen, trochanters en basis der dijen.
Tot nog toe werd deze soort in ons land uitsluitend ge-
vangen door den heer G. A. Six bij Driebergen in Sept.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 441
WATERWANTSEN.
HYDROCORES.
Deze tweede afdeeling der Hemiptera heteroptera wordt
door de schrijvers met verschillende benamingen bestempeld.
Burmeister noemt de dieren daartoe behoorende Hydro-
cores, Amyot en Serville Hydrocorises, Flor en Fieber
Cryptocerata.
De insecten daartoe behoorende leven allen in het water,
"t zi) zij daarin zwemmen of op den bodem rondloopen;
echter vliegen zij ook wel uit het water op en vindt men
hen dan toevallig op den grond rondspringen ter plaatse
waar zij niet behooren en waar zij slechts gekomen zijn,
doordien hun de kracht ontbrak om verder door te vliegen
of doordien zij zich door het zintuig van het gezigt lieten
bedriegen (b.v. wanneer zij het glas der broeibakken voor
water aanzien). Ofschoon nu eenige Geocores op het water
of aan den oever van het water leven en dus door toeval
een enkele maal onder het water kunnen geraken, blijven
deze waterwantsen de eenige Hemiptera die onder water
hun verblijf houden.
In den ligchaamsbouw hebben zij tevens een doorslaand
kenmerk ter afscheiding van de landwantsen in hunne
sprieten, die korter zijn dan de kop en aan de onderzijde
van dien zijn ingeplant, hebbende altijd de basis of het
grondlid bedekt. Men kan daar als algemeene kenmerken
nog bijvoegen: de bijoogjes ontbreken bij allen; de sprie-
ten hebben slechts 3 of 4 leedjes; de dekschilden bestaan
uit drie deelen, corium, clavus en membraan; de voorpoo-
ten zijn altijd geschikt om eene prooi vast te houden.
Overigens echter is de ligchaamsgedaante zoo verschillend
142 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
(ofschoon het aantal soorten in betrekking tot de vorige
afdeeling zeer gering is), dat het onmogelijk is een alge-
meen beeld der Hydrocores te geven.
Zij worden op natuurlijke wijze in vier familien verdeeld
volgens dit schema:
1 (6). Zuiger uitwendig zigtbaar, uit leedjes zamengesteld.
2 (5). Voorheupen op het midden of aan den voorrand der
voorborst ingeplant. |
3 (4). Sprieten van 3 leedjes, waarvan het tweede een
zijdelingsch uitsteeksel vertoont. Eene uitstaande buis
aan het achterlijf.
4° Fam. Nepina.
4 (3). Sprieten van 4 leedjes, zonder uitsteeksels. Geene
uitstaande buis aan het achterlijf.
2° Fam. Naucoridea.
5 (2). Voorheupen tegen den achterrand der voorborst in-
geplant. Eenvoudige sprieten van 4 leedjes.
3° Fam. Notonectica.
6 (1). Zuiger onder de bovenlip verborgen, van een leedje.
4° Fam. Corisidea.
EERSTE FAMILIE — WATERSCORPIOENEN.
NEPINA.
Het komt mij gepaster voor met deze niet zwemmende
familie den aanvang te maken, dan wel, gelijk gewoonlijk
geschiedt met de Naucoridea. Dat de waterscorpioenen
hunnen naam verkregen naar zekere overeenkomst in ge-
daante met de ware scorpioenen, is ligt te gissen; die
overeenkomst is echter slechts schijnbaar.
Bij de twee geslachten, die hier te lande tot deze familie
behooren, is de gedaante verschillend, zijnde of plat ovaal
of lang cylindrisch. De punten waarin beide geslachten
overeenstemmen , zijn de volgenden: Kop klein met bolle
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 143
oogen. Sprieten zeer kort van 3 leedjes, onder de oogen
ingeplant, het tweede lid met een uitsteeksel aan de boven-
zijde. Zuiger kort, priemvormig van 3 leedjes. Dekschil-
den en vleugels ontwikkeld, de eersten uit clavus, corium
en membraan bestaande. Buik eenigzins gekield. Voor-
pooten tot grijpen geschikt, zonder klaauwtjes, achterpoo-
ten niet tot zwemmen ingerigt, met twee klaauwtjes aan
den tars. De spits van het achterlijf draagt twee uitge-
holde lange platen, die tegen elkander sluiten en zoo eene
holle buis vormen.
Over deze buis is eenig verschil van inzigt bij de ge-
leerden, waarover men kan naslaan Flor, Rhynch. Livlands
p. 760 vlg. Naar mijne meening moet men het meest ge-
loof hechten aan hetgeen Léon Dufour en Burmeister op
grond van zootomische onderzoekingen voor waar verkla-
ren. De buis is dan een ademhalings-toestel, die het dier
vergunt te ademen ook wanneer het in slijk bedolven ligt.
Want de dieren dezer familie leven in het slijk der
slooten en poelen, en kruipen over dag tusschen de wortels
der waterplanten rond. Des nachts en in de schemering
vliegen zij dikwijls uit het water en zelfs in de allereerste
fraaije voorjaarsdagen ook wel midden op den dag (even
als vele waterkevers), waardoor het geschiedt dat men hen
wel eens op landwegen aantreft, waar zij echter eene zeer
onbeholpen figuur maken.
Er zijn in deze familie slechts twee geslachten inheemsch
waarvan de eene Nepa van de andere Ranatra verschilt
doordien het ligchaam van boven zeer plat is en de voor-
heupen veel korter zijn dan de voordijen.
Gen. 1. Nepa L.
Ligchaam zeer plat, ovaal, aan den voorkant als afgesne-
den en voorbij het midden het breedst. Kop klein, plat
vooruitstekend, tot aan de oogen in het halsschild gedo-
ken, in het midden met een langsrigcheltje. Oogen vrij
144 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
groot, grof van netwerk, naar boven uitpuilend. Sprieten
in de rust achter de oogen verborgen, van 3 leedjes,
waarvan het 4° het kleinste en bijna kogelvormig, het 2°
veel langer en met een doornvormig uitsteeksel, waaronder
het 3° dat lang en priemvormig is. Zuiger naar beneden
gebogen, kort, van 3 leedjes; het 1° smal aan de inplan-
ting eng, aan den rand breed, het 2° langer en versmallend
naar het einde, het 3° korter dan dik, priemvormig.
Prothorax breed vierhoekig, met scherpe randen, de
voorrand diep klaverbladvormig ingesneden om den kop
op te nemen; de rugvlakte ongelijk, hobbelig. Schildje
groot, driehoekig met scherpe punt naar achteren en de
zijvanden ietwat gegolfd. Dekschilden het geheele achterlijf
bedekkend, het corium met 2 langsaderen en daartusschen
eenige fijne, geslingerde dwarsadertjes; membraan bijna
van dezelfde lederachtige zelfstandigheid als het corium met
vele adertjes en vliezigen zoom. Buik met eene kiel in
het midden over de lengte. Pooten wijd uiteen ingeplant;
heupen der voorpooten dik, hunne apophysen zijdelings
uitgebogen, hunne dijen scheef daarop ingeplant, naar be-
neden zeer sterk uitgezet en aldaar van eene gleuf voor-
zien, waarin de zeisvormige scheen kan geborgen worden;
tars der voorpooten van een lid, zonder klaauw. De 4
overige pooten, gewone looppooten, zijn langer en smaller,
hunne heupen zijn kort, hunne dijen aan de onderzijde
kantig, doch zonder gleuf, hunne scheenen regt, hunne
tarsen van 1 lid en met 2 lange klaauwen voorzien.
Nepa cinerea L.
Linn. S. N. 13° ed. 714, 5. — Fabr. S. Rh. 107, 8. —
Panz. Faun. Germ. 95, 14. — Schellenberg, Cim. Helv.
p. 32, tab. 14, f. 1. — Rösel v. Rosenh. Ins. Bel. HI,
p. 133, tab. 22. — Voll. Gelede Dieren, p. 284, tab. XIX,
f. 9. — Flor, Rh. Livl. I, p. 762.
Lengte 17—21 mm. — Algemeen bekend onder den
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 145
dwazen naam van waterscorpioen. Grijs of aschkleurig
grauw, soms bruin, met de bovenzijde van het achterlijf
vermiljoen-rood, bij den man voor en achter zwart gevlekt.
Ook de basis der vleugels is rood, en hunne voorste ade-
ren. De adembuis is geelachtig en somtijds 1 cm. lang.
Bij enkele voorwerpen ziet men lichtere en donkerder rin-
gen om de dijen; de scheenen der 4 achterpooten zijn aan
de binnenzijde met eene franje van vrij lange zachte haren
bezet.
Deze soort van insecten, waarvan de ontwikkeling en
levenswijze omstandig door Rösel von Rosenhoff beschre-
ven is, schijnt door geheel Europa, behalve het hooge
noorden voor te komen. Bij ons werd zij in de provincien
Zuid- en Noord-Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland,
Noord-Braband en Friesland waargenomen en zal in de 4
overigen wel niet ontbreken. Het is wel te betreuren dat
er van de fauna onzer Noord-Oostelijke grenzen nog zoo
weinig bekend is.
Gen. 2. RANATRA F.
Dit geslacht onderscheidt zich van het voorgaande bij
den eersten opslag van het oog door het lange cylindrische
ligchaam en de uitgerekte voorste heupen.
Lijf ongeveer 7 of 8 maal langer dan breed. Kop bij-
zonder klein, horizontaal geplaatst met twee sterk uitpui-
lende oogen, onder welke de zeer korte sprieten verborgen
zijn. Deze (zie fig. 11a) van 3 leedjes, het 1° cylindervor-
mig, het 2° bijna driehoekig, met eene punt naar beneden
uitstekend, het 3° ongeveer boonvormig. Zuiger iets langer
dan de helft van den kop, vrij slank, van 3 leedjes, waar-
van het middelste iets langer dan de beide anderen. Thorax
bijna vijfmaal langer dan de kop, rond in de zijden, voor
scheef afgesneden, achter op den rug diep ingekerfd voor
het schildje, voorbij het midden breeder wordend en ook
van onderen wat uitgezet aan de voorheupen. Schildje van
10
146 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
voren puntig, naar achteren wapenschildvormig. Dek-
schilden smal en lang, doch niet het geheele achterlijf
bedekkend. Buik sterk in de lengte gekield. Pooten zeer
lang en slank; voorpooten (zie PI. 9, fig. 116) bijna onder
den kop ingeplant, hunne heupen langer dan de helft van
de dijen, apophysen sterk naar boven opgewipt; dijen even
voorbij de helft beneden van een tandje voorzien, daarna
een weinig krom naar boven loopend en aan de onderzijde
gegleufd, de rand der gleuf met eene rij korte borsteltjes
bezet; voorscheenen en tarsen een sikkelvormig geheel
uitmakend zonder klaauwtje. Achtertarsen van een lid
met 2 uiteenstaande dunne klaauwen.
Ranatra linearis L.
Plaat 9, fig. 11, 11a en 110.
Linn.“S.:N. ed..43, 714, 7.—Fabr.-S. Rh: 1095252,
Fall. Hem. Suec. 1, p. 169. — Panz. Fn. 95, 15. —
Curt. Brit. Ent. VI, t. 281. — Rösel, Ins. Bel. III, p.
444, tab. 23. — Hahn, W. Ins. Il, p.30, tab. 42, f. 131. —
Flor, Rh. Livl. 1, p. 765. — Dougl. and Scott, Brit, Hem.
pls 205 fe 2:
Lengte 30—36 mm. Adembuis 30 mm. — Licht grauw
of lederkleurig, het borststuk aan de onderzijde met zwarte
vlekken in de lengte, aan de zijden naar achteren geel-
achtig. Van deze laatste kleur zijn ook de zijranden van
den buik en de adembuis; de rug van het abdomen is
menierood.
Dit insect, ofschoon door geheel Europa verbreid, schijnt
hier te lande zeldzamer dan het voorgaande. Exemplaren
werden gevangen bij Bleiswijk en Voorschoten (v. V.), bij
Leyden (Herklots en v. V.), bij Noordwijk (de Gr.), bij
Overveen (Rits.) en bij Driebergen (Six).
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 147
TWEEDE FAMILIE — NAUCORIDEN.
NAUCORIDEA.
De eenige inlandsche soort van waterwantsen, welke tot
deze familie gebragt kan worden, heeft tot heden geene
bijzondere Hollandsche benaming ontvangen.
Volgens onze tabel der familien verschilt deze tweede
van de eerste door het gemis van eene ademhalingsbuis
en in den vorm der sprieten; er zijn echter nog meer
punten van verschil. Ligchaam breed, ovaal, een weinig
gewelfd. Kop kort en zeer breed, van voren afgerond;
aangezigt verticaal. Oogen groot, van boven gezien min
of meer driehoekig. Sprieten kort en vrij dik, van 4 leedjes
zonder uitsteeksels. Zuiger breed, kort van 3 leedjes,
waarvan het 2° veel langer dan het 1°, en het derde kegel-
vormig en kort.
Thorax vierhoekig met toegeronde zijden, veel breeder
dan lang, van voren echter iets smaller dan van achter,
met naar voren verlengde voorhoeken. Schildje groot, breed
driehoekig met gegolfde zijden. Dekschilden met clavus,
corium en membraan, de laatste zonder aderen. Vleugels
breed. Abdomen breed met platten zijrand en eene kiel in
het midden van den buik; luchtgaten klein. Pooten vrij
kort en gezet; de voorpooten zeer ver naar voren ingeplant,
met dikke heupen en zeer gezwollen dijen, die aan de on-
derzijde eene gleuf vertoonen, waarin de fijne, gebogen
scheen en tars als een knipmes geborgen kunnen worden;
de tars is onbewegelijk en heeft geen’ klaauw. De vier
andere pooten hebben minder dikke dijen, scheenen die
aan de binnenzijde sterk gedoornd zijn en beweegbare
tarsen van twee leedjes, waarvan het laatste aan het eind
twee lange klaauwtjes draagt.
Er is slechts een geslacht in deze familie.
148 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Gen. Naucoris Geoffr.
Bij de opgegeven karakterschets der familie dient hier
generisch nog vermeld te worden: dat het voorhoofd twee
kromme rijtjes van fijne putjes vertoont, dat de achterrand
van het borststuk iets gewelfd is en van het voorste ge-
deelte afgescheiden door eene dwarsrij van ondiepe putjes,
dat clavus en corium beide eene lengteader bezitten en |
de membraan van dezelfde lederachtige hoedanigheid is als
deze beiden, dat de achterrand van ieder buiksegment aan
de zijden doornachtig uitsteekt en dat de achtertarsen aan
de binnenzijde met lange zwemharen bezet zijn.
De Naucoriden zwemmen en vliegen zeer goed, doch
loopen slecht op het drooge, waarop zij soms toevallig in
hunne vlugt nederkomen. De steek met hunnen zuiger
is zeer pijnverwekkend, doch de pijn verdwijnt binnen
korten tijd.
Naucoris cimicoides L.
Plaat.10, fig. 1.
Linn. S. N. 13 ed. 714, 6. — Fabr. S. Rh. 110, 1. —
Panz. Fn. Germ. 95, 16. — Schellenb. Cim. Helv. p. 30,
tab. 12. — Burm. Handb. I, p. 193. — Flor, Rh. Lul.
I, 753. — Rösel, Ins. Belust. III, bl. 173, t. 28. — Dougl.
and Scott, Brit. Hem. p. 580, Pl 19,16. — x Nor
Gel. dieren v. Ned. bl. 284, Pl. 19, f. 10.
Lengte 12—15 mm. — Groenachtig of bruinachtig geel
met lichtere randen en onderzijde. Kop, thorax en pooten
zeer glanzig; schildje en dekschilden met de membraan
olijfbruin, dof. Oogen glanzig bruinzwart. Op het midden
van den thorax een licht vlekje tusschen twee grootere
donkere. Zijdoorntjes aan de ringen van het achterlijf van
boven bruin; zoom van het achterlijf lang behaard. Kanten
der gleuf aan de dijen met zeer korte geelwitte borsteltjes
digt bezet. Tarsen groen, stekeltjes der dijen bruin,
klaauwtjes bruinrood.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 149
Deze waterwantsen zijn hier te lande vrij gemeen en
werden in bijna al onze provincien aangetroffen. Men ziet
hen dikwijls aan de oppervlakte van het water hangen met
den anus naar boven; zij hernieuwen dan den voorraad
lucht onder hunne dekschilden en aan den buik.
DERDE ‘FAMILIE — ONDERSTBOVENZWEMMERS.
NOTONECTICA.
Het ware kenmerk dezer familie ligt in de wijze van
zwemmen, namelijk op den rug; men kan er echter mor-
phologisch bijvoegen dat de voorheupen veel verder naar
achter zijn ingeplant dan bij de beide vorige familien, dat
de sprieten uit 4 leedjes zamengesteld zijn, dat er geene
ademhalingsbuis aan het achterlijf is en dat de groote
zuiger voor het: bloote oog steeds zeer duidelijk te zien is.
Ligchaam langwerpig spoelvormig of ovaal, van boven
gewelfd, van onder niet. Kop kort verticaal met groote
oogen. Sprieten zeer kort van 4 leedjes, waarvan of 2 en
3, of alleen 3 langer zijn dan 1 en 4. Zuiger van 4 of 3
leedjes, langer dan de voordijen, priemvormig. Thorax
breeder dan lang, tusschen de schouders het breedst.
Schildje groot. Dekschilden met clavus en corium en ’t zij
met in de rust in de lengte geplooide membraan, ’t zij
zonder. Pooten vrij lang, vooral die van het laatste paar,
die geheel tot zwemmen zijn ingerigt en daartoe aan de
binnenzijde behaard zijn; de voortarsen dragen steeds 2
klaauwtjes, de achtertarsen in een geslacht wel, in het
andere niet. =
Hier te lande telt de familie twee genen, die aldus
kunnen onderkend worden:
150 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Achtertarsen zonder klaauwtjes, ligchaam bijna
driemaal zoo lang als breed . . . .”. ... Notonecta.
Achtertarsen met klaauwtjes, ligchaam ander-
halfomaal:z00 "lang “als breeds. rare. LR oa:
Gen. 1. NOTONECTA L.
Ligchaam bijna spoelvormig, boven gewelfd, onder plat,
niet hooger dan breed. Kop van boven gezien kort, ver-
ticaal geplaatst. Aan de wangen is een stuk door een’
gebogen naad afgescheiden, dat teugel (Lora) genoemd
wordt. Oogen zeer groot, bol driehoekig, met grove fa-
cetten. Sprieten kort van vier leedjes, 1 knobbelvormig,
2 vrij dik, subcylindervormig, even voorbij de basis het
dikst, 3 smaller maar even lang, aan de buitenzijde met
eene rij van (7?) geknopte haartjes bezet, 4 zeer kort en
dun. Zuiger reikend tot aan het metasternum, van 4 leedjes ;
1 kort en breed, bedekt door de breed driehoekige bovenlip,
2 iets korter dan het voorgaande, 3 zoo lang als 1 en 2
te zamen, naar de punt versmallend, 4 kort priemvormig.
Thorax tweemaal zoo breed als lang, van boven gezien
zeshoekig, de voorrand iets enger dan de kop met de
oogen. Schildje groot, driehoekig met uitgerekte spits.
Dekschilden het geheele abdomen bedekkend, bestaan uit
clavus, corium en membraan; het corium is fluweelig be-
haard met dikken voorrand, de membraan is in de rust
door eene overlangsplooi dakvormig in twee neêrgebogen
deelen verdeeld, hare basis is van dezelfde hoedanigheid
als het corium; aderen ontbreken; aan het eind van de
langsplooi is de membraan ingesneden. Vleugels zeer breed
met 3 langsaderen en 1 dwarsader. Achterlijf sterk behaard
aan den rand en vooral aan de spits. Pooten tamelijk
lang, achterpooten bepaaldelijk zeer lang. Voor- en mid-
denheupen zeer groot, in gleuven aan de borst gebogen;
hunne apophysen steken een eind naar achter uit en zijn
zeer groot, hunne dijen iets korter dan de scheenen, naar
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 151
beneden uitgezet, zijdelings zamengedrukt; de middendijen
(zie Pl. 10, f. 2a) met twee tandjes onder aan naar de
knie toe; hunne tarsen van 2 leedjes, waarvan het achterste
vrij klein met twee smalle lange klaauwtjes. Heupen der
achterpooten zijdelings weggedrukt, opdat de dijen daar-
over heen zouden kunnen glijden, ’t geen de Notonecten
in staat stelt hunne achterpooten bijna geheel naar voren
te brengen. Dijen dier pooten niet zoo gezet als de ande-
ren maar langer, van onder bezet met twee digte rijen
van zeer korte stekeltjes. Scheenen en tarsen dier pooten
aan de binnenzijde met lange zwemharen bezet; tarsen
van 2 leedjes, aan de spits zonder klaauwtjes.
De insecten van dit geslacht zwemmen uitmuntend,
vliegen des nachts, een enkele maal ook wel op den dag
en zijn zeer roofzuchtig. Loopen kunnen zij niet en trach-
ten dus door springen het water weder te bereiken, wan-
neer zij er toevallig zijn uitgekomen.
4. Notonecta glauca L.
Plaat 10, fig. 2 en 2a.
Linn. S. N. 43 ed. 742, 1. — Fabr. S. Rh. 102, 1, 2.
et 3.— Panz. Fn. Germ. 3, f. 20.— Rösel, Ins. Bel. III,
pl. 27.— De Geer, Mem. vertal. v. Goeze, D. III, p. 250
vlgg. PI. 18, f. 16—28. — Burm. Hdb. II, 190. — Fieber,
Rhynchotogr. p. 49, 3. — Flor, Rh. Livl. I, p. 772. —
Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 587, Pl 20, f. 4.
Lengte 15 mm. — Zwart met den kop en het voor-
borststuk vuilwit; beide zijn glanzig, glad en onbehaard;
de groote oogen zijn zeer glanzig bruin. Onder het ach-
terste gedeelte van den prothorax schijnt dikwijls het
schildje door, dat fluweelachtig zwart is. De dekschilden
zijn of vuilgeel, of lichtbruin, zelfs bij eene varieteit bijna
zwart met witte basaalvlekken. Bij de minst geteekende
voorwerpen ziet men alleen onder den voorrand eene rij
van vierhoekige donkerbruine vlekken; sterk geteekenden
152 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
hebben de dekschilden geheel met donkerbruin getijgerd.
Steeds zijn zij met zeer korte neêrliggende haartjes bezet
en daardoor dof en wat fluweelachtig. De pooten zijn geel
of bruinachtig; hunne haren en klaauwtjes bruin.
De bedoelde donkere varieteit, Furcata F., heeft de dek-
schilden roetkleurig met lichtere membraan en met twee
_vuilgele langwerpige vlekken aan de basis, waarvan de
grootste op den clavus, de andere daar tegen aan op het
corium. Wat ik van Marmorea F., Lutea Müll. en Maculala
der Engelschen denken moet, weet ik niet; zijn het soor-
ten, zijn het verscheidenheden? Verschillen zij van Glauca
in iets anders dan grootte en kleur? Zoo veel is zeker dat
ik hier te lande nooit eenig voorwerp gezien heb, dat met
zekerheid tot eene der genoemde soorten te brengen was.
N. glauca is zeer algemeen verspreid en schier in iedere
sloot aan te treffen. Furcala werd door den heer van
Medenbach de Rooy bij Nijkerk, door mij in Zuid-Holland
gevangen.
Gens 2" Pros, Peach.)
Het zal wel voldoende zijn de punten van verschil tus-
schen dit genus en het voorgaande op te geven. Het
ligchaam is kort en breed, doch nog hooger dan breed;
de kop is sterk naar beneden gebogen en met de oogen
breeder dan de thorax. De dekschilden zijn geheel leder-
achtig, zonder membraan. Aan de achterpooten zijn de
zwemharen veel korter en hebben de tarsen twee vrij lange
klaauwtjes.
4. Ploa minutissima F.
Plaat 10, fig. 3 en 3a.
Fabr. S. Rh. 104, 10. — Leach, Trans. Lin. Soc. XII,
44,4. — Burm. Handb. II, 189. — Panz. Fn. Germ. 2,
14. — Amyot et Serv. Hem. 449, 1.— Fieb. Ent. Monogr.
1) Teach schreef Plea, doch Stephens heeft dit naar de eigenaardigheid van het
Grieksch in Ploa verbeterd,
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 453
47. Pl. 4, f. 27—35. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p.
Bod, «Pl: 20), fi 3vet:24, f..8:
Lengte 2 mm. — Grauw-wit of geelachtig. Op het aan-
gezigt eene vrij lange bruine langsstreep. Zuiger vuilbruin.
Oogen zwart. Thorax en dekschilden sterk gestippeld ,
schildje daarentegen glad en bruinachtig. De dekschilden
zijn of van achter alleen in de putjes donker gestippeld,
of wel zij vertoonen nog twee vlekjes in het midden van
het corium. Borst en buik zwart. Dijen aan de basis don-
ker gekleurd. |
De soortnaam Minutissima was eigenlijk door Linnaeus
aan eene andere waterwants toegekend (de volgende soort);
maar Fabricius duidde dit verkeerd en nam onze soort
voor de Minutissima aan. Naar regt van prioriteit moest
dus, indien zij niet in twee genera, zelfs in twee ver-
schillende familien waren ingedeeld, de nu beschrevene
soort haren naam verliezen.
Ploa minutissima zal waarschijnlijk wel in alle provincien
voorkomen; ik kan echter slechts de volgende vindplaatsen
opnoemen: bij Leyden (van der Hoeven); aldaar en bij
. Heemstede onder kroos in April gemeen (v. Voll); gemeen
in slooten bij Utrecht (Six); bij Breda (Heylaerts); op
Walcheren (La Fontijn en Gerth van Wijk).
VIERDE FAMILIE — DUIKERWANTSEN.
CORIXIDEA.
De laatste der familien van Waterwantsen onderscheidt
zich voornamelijk door den zuiger, die uit een leedje be-
staande steeds onder de bovenlip verborgen blijft. De
Hollandsche benaming is door mij ontleend aan de gewoonte,
die deze insecten hebben om, even aan de oppervlakte
154 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
van het water gekomen om hunnen voorraad lucht te ver-
verschen, plotseling als eene pijl uit een boog naar den
bodem te duiken.
Ligchaam langwerpig aan beide zijden afgerond, of ovaal
(Sigara), op den rug slechts weinig gewelfd. Kop van boven
gezien half cirkelvormig, van voren lang uitgerekt en aan
den zuiger naar achter gekromd; aangezigt gewoonlijk
zonder afscheiding van het voorhoofd, bij een geslacht
door een vrij scherpen kant afgescheiden. Oogen groot,
driehoekig. Sprieten van 4 of 3 leedjes. Bovenlip breed
en plat, gespleten om de borstels van den zuiger doorgang
te verleenen; zuiger korter dan deze, van een lid. Pro-
thorax een weinig bol gebogen, aan den voorrand smaller
dan de kop met de oogen, naar achter in eene punt ver-
lengd, die gewoonlijk het schildje bedekt. Schildje , wan-
neer het onbedekt is, klein driehoekig. Dekschilden en
vleugels ontwikkeld; de eersten over hetrabdomen reikend,
bestaan uit clavus, corium en eene van het corium slechts
door eene plooi gescheiden, nagenoeg gelijkvormige mem-
braan, die in de rigting van den naad geplooid is, doch geene
aderen vertoont. Vleugels doorschijnend vliezig en zeer
dun. De borst zijdelings in lappen verdeeld, doch niet bij
de schier onzigtbare voorborst, die een uitsteeksel tusschen
de voorheupen vertoont; ook tusschen de achterheupen
ontspringt een puntig uitsteeksel, dat Ayphus genoemd wordt.
Het eerste paar der pooten is tot vasthouden van den
buit ingerigt; daar zijn de dijen gezet, de scheenen kort
en dik, en de tarsen omgevormd tot eene soort van schep-
per, snoeimesvormig gebogen en aan de binnenzijde hol,
aan de kanten met borstels bezet, doch aan de spits zon-
der klaauwen; dit deel heet Pala en verschilt vrij sterk in
vorm bij de sexen. Het 2° paar pooten is het langste en
dunste; zijne tars bestaat uit een enkel cylindervormig lid
met 2 zeer lange dunne klaauwen. Met deze middelpooten
houden de Duikerwantsen zich onder water aan planten en
stengels vast. De achterpooten zijn ware roeipooten, tame-
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 155
lijk breed en plat aan dij, scheen en tars; de scheen is
bijna even lang als de dij, maar de tars, die uit 2 leedjes
bestaat is veel langer en even als de scheen aan de bin-
nenzijde met lange haren bezet. Het tweede lid is gewoon-
lijk slechts een derde zoo lang als het eerste en eindigt in
een klaauwtje.
Achterlijf van zes ringen en een genitaalsegment, dat
bij het mannetje daarin van het wijfje verschilt dat de
daarin aanwezige spleet of regts of links van het midden
afwijkt, terwijl zij bij 2 in het midden staat.
De levenswijze is vrij gelijk aan die der Onderstboven-
zwemmers; ook de dieren dezer familie zijn geweldige
roovers, en zwemmen en vliegen goed. Zij hangen echter
meer met het achterlijf aan de oppervlakte van het water,
maar bij de minste stoornis duiken zij als een bliksem-
schicht naar onder. In het eerste voorjaar vliegen zij veel
bij avondschemering.
Men treft in deze familie drie geslachten aan, waarvan
de verdeeling op de volgende tabel duidelijk te maken is.
Rarelder) geslachten.
1 (2). Schildje zigtbaar; sprieten van 3 leedjes.
Gen. 1. Sicara F.
2 (1). Schildje onder den processus verborgen; sprieten
vierledig.
3 (4). Tars der voorpooten scheppervormig, zonder klaauwtje.
Voorhoofd zonder kant in het aangezigt overgaand.
Gen. 2. CorixA Geoffr.
4 (3). Tars der voorpooten cylindervormig, bij den man
met eene krachtige klaauw. Voorhoofd bij het wijfje
door een kantje van het aangezigt afgescheiden.
Gen. 3. CvMaATIA Flor.
‘Gen. 1. SIGARA F.
Ligchaam ovaal van omtrek, vrij plat van boven. Kop
van boven gezien halvemaanvormig, met de driehoekige
156 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
oogen iets breeder dan het borststuk, van voren gezien
naar beneden puntig en naar achter gebogen; geen plooi
noch lijstje tusschen schedel en aangezigt. Bovenlip met
eene dwarsplooi, onder haar de korte zuiger onzigtbaar.
sprieten (PL. 10, f. 4a) zeer kort van 3 leedjes, het derde,
dat het langste is, in het midden naar eene zijde verbreed.
Prothorax zeer kort met de voor- en achterranden uitge-
bogen. Schildje zigtbaar, doch klein, driehoekig. Dek-
schilden en vleugels ontwikkeld, een weinig langer dan
het abdomen; clavus breed; corium zonder naad of plooi
in de membraan overgaande. Pooten als in de kenmerken
der familie opgegeven is.
1. Sigara minutissima L.
(Minuta F.)
Plaat 10, fig. 4 en 4a.
Linn. S. N. 13° ed. 712, 3. — Fabr. S. Rh. 105, 6. —
Fallen, Hem. Suec. I, p. 179. — Burm. Hdb. II, p. 188. —
Herr.-Sch. W. Ins. IX, p. 46, Pl. 295, f. 907. — Fieb.
Ent. Mon. p. 13, tab. 1, f. 11-49. 1) — Flor, Rh. Lil.
I, p. 803. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 616. PI. 20, f. 6.
Lengte 2 mm. — Grauwgeel en bruinachtig. Kop geel-
achtig wit, meestal met eene bruine langsstreep op het
midden van het aangezigt, soms met twee fijnere daarne-
vens aan wederzijde. Prothorax uiterst kort met eene
bruine, in het midden afgebroken dwarsstreep. Schildje
grauwgeel. Dekschilden vlekkig; clavus aan den boven-
rand en den naad grauwgeel, het overige vlekkig bruin;
corium met 6 onbepaalde bruine vlekjes; membraan zeer
kort, grauw aan den rand doorschijnend. Onderzijde en
pooten vuilgeel, bijna wit, haren der achterpooten bruin.
1) De voorstelling van het overslaan der membraan van den linkervleugel is veel
te sterk uitgedrukt; ten minste bij onze voorwerpen is het naauwelijks te bespeuren.
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 157
Het is mij niet bekend dat dit insect door iemand anders
hier te lande gevangen is dan door Perin; hij ving het bij
Leyden in Mei en Junij. Door de welwillendheid van den
heer van der Wulp kwam ik in het bezit van 3 exempla-
ren uit die vangst.
Gen. 2. CorixA Geoffr.
Het rijkste aan soorten der drie geslachten, van het
vorige verschillend door het verborgen zijn van het schildje
onder den processus van den prothorax, van het volgende
onder anderen doordien de schedel zonder kant of rigchel
in het voorhoofd en dit in het aangezigt overgaat. De al-
gemeene beschrijving der familie is overigens geheel op
dit geslacht toepasselijk, indien men de volgende nadere
beschrijving der sprieten en voorpooten in het oog wil
houden.
De sprieten van Coriva (onder de oogen verborgen) be-
staan uit 4 leedjes, waarvan 4 en 2 kort en cylindervormig
zijn, het derde langer, eenigzins knods- of wel spoelvormig
en het vierde kort en priemvormig. Het eerste paar pooten
is het kortste der drie en vrij krachtig; de heupen zijn
langwerpig, iets korter dan de dijen; deze gezet, zamen-
gedrukt eylindrisch; scheenen zeer kort en ietwat knods-
vormig; tarsen van een lid, scheppervormig (Pala), zeer
verschillend in vorm bij de mannetjes der verschillende
soorten en daarom tegenwoordig als onderscheidingskenmerk
gebruikt, ofschoon daarbij een onvermijdelijk vereischte is
dat men daartoe voorwerpen bezitte, zoodanig opgezet dat
zij de Pala zeer duidelijk vertoonen, ’t geen gewoonlijk
niet het geval is.
De prothorax en dekschilden zijn zeer dikwijls door
uiterst fijne streepjes in de lengte als met de naald gekrast ;
in de volgende tabel en beschrijvingen zal ik om dat aan
te toonen alleen het woord gekrast gebruiken; de Duitschers
zeggen daarvoor «rastrirt», de Engelschen «rastrated ».
158
10 (5).
11 (14).
12 (13).
13 (12).
14 (11).
15 (16).
16 (15).
17 (20).
18 (19).
19 (18).
20 (17).
21 (22).
22 (21).
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Tabelrder soorten
. Borststuk en dekschilden niet gekrast. Lengte
13mm. ne = oa Geopmoyı.
. Borststuk en soms ook de deksehilden gekrast ;
lengte beneden 10 min.
. Achtertarsen met eene zwarte vlek . . . . Praeusta.
5 ongevlekt.
. Het corium niet gekrast.
. Borststuk bleek SE met zeer smalle zwarte
dwarslijntjes . . . . + « « Hicroglyphica.
. Geleen zwarte bende op den no ax al even br ed.
Een zeer kort langwerpig knobbeltje aan den
voorrand van het borststuk. . . . . . . Stalü.
. Een bijna doorloopend langsrigcheltje over het
borststukt eee hee de Canas
Het corium even zeer Le shade en Sie
gekrast.
Corium en clavus met gegolfde, doch meestal
doorloopende streepjes.
Borststuk met 4 lichte dwarsstreepjes en een
in de lengte. . . . Vote | seblellensrt.
Borststuk zonder licht tnt de . +. Regularis.
Corium met afgebroken en soms zeer verwarde
streepjes.
Thorax en dekschilden “i met fijne zwarte
streepjes . . + born LOT
Thorax en deksckilden 5 uin ‘inet gele streepjes.
Borststuk met 8 of 9 gele streepjes.
Geul aan den rand der dekschilden geel. . . Striata.
a a ae D at cab be N bruinach-
tier AWARE {0.0 i ot ey. ver allenta.
Borststuk slechts met 6 of 7 pele streepjes.
Grooter, achterrand van het borststuk scherp
geel afgezet . . . . RENE Mogan:
Kleiner, achterrand van ater TRI not Fossarum.
4. Corixa Geoffroyi Leach.
Plaat 10, fig 5 en 5a.
Leach, Trans. Lin. Soc. XII, 17, 7. — Burm. Handb.
II, p. 186, 1. — Amyot et Serv. Hem. p. 447. — Fieb.
Spec.
Cor. 14, A, tab. A, f. A. — Herr.-Sch. W. Ins. IX,
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 159
p. 62, tab. 296, f. 914. — Rösel, Ins. Bel. III, tab. 29,
f. a, b, c. — Flor, Rh. Livl. I, p. 786. — Dougl. and
Scott, Brit. Hem. p. 593, Pl. 20, f. 5.
Lengte 13—14 mm. — Kenbaar aan zijne grootte en de
gladheid van den thorax. Kop, borst en pooten geel, borst
en buik met bruine vlekken, rug van het achterlijf zwart.
Borststuk en dekschilden glad zonder krassen, het eerste
bruin met 16 of meer, aan den rand in een vloeijende
zeer fijne gele dwarsstrepen. Dekschilden bruin met een
bezaaisel van- gele vlekjes en gekriewelde korte slingertjes;
de geul aan den voorrand geel; de membraan niet van
het corium afgescheiden ; de zoom harer linkerzijde vliezig. 1)
Deze soort schijnt niet zeer zeldzaam. De heer Mr. H. W. de
Graaf vond haar bij Leyden in April in slooten (ook door
mij aldaar gevonden) en in October in de duinen van
Wassenaar in eene waterput, alsmede bij den Haag. De
heer Six trof haar vroeg in het voorjaar bij Driebergen en
de Bildt in slooten aan. De heer van Medenbach de Rooy
ving haar in Oetober bij Arnhem en Nijkerk, de heer
Gerth van Wijk op Walcheren.
2. Corixa praeusta Fieb.
Plaat 10, fig. 7.
Fieber, Sp&c.iCor. p. 28,80, tab. 1717, f. 118 —
Flor, Rh. Lil. I, p. 181, n° 2.
Lengte 8 mm. — Kop, buik en pooten lichtgeel, borst
met groote zwarte vlekken. Borststuk geel met 8 fijne
zwarte dwarslijntjes, die den zijrand niet bereiken. Dek-
schilden bruin met vele geslingerde gele bandjes op clavus
en corium, en de membraan dik bezaaid met korte gele
slangetjes. Aan de onderzijde van den achtertars is het
1) Den vorm der palae in de verschillende soorten en ook bij de sexen verschil-
lend zal ik niet opgeven; omdat ik bij gebrek aan het noodige aantal exemplaren
zelf geene studie gemaakt heb; men vergelijke het aangehaalde werk van Fieber.
160 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
laatste derde van het voorste lid zwart; de zwemharen op
zijde van die vlek zijn mede zwart.
Tot nog toe alleen bij Maastricht gevonden door den
heer Mr. A. H. Maurissen.
3. Corixa carinata Sahlb.
Plaat 10, fig. 8.
Sahlb. Not. Fenn. p. 12, n° 4. — Fieb. Spec. Cor. n° 47,
tab. 2, f. 24. — Herr.-Sch. W. Ins. IX, p. 56, tab. 296, f. 913.
Lengte 8 mm. — Kop en onderzijde geel met zwart-
bruine vlekken achter de voor- en achterheupen. Borststuk
en clavus wel gekrast, doch het corium niet of slechts
flaauwelijk. Op het borststuk een bijna tot het eind toe door-
loopend langsrigcheltje in het midden. Borststuk bruin met
9 (10?) smalle gele bandjes, die wel eens gevorkt in een
loopen. Clavus bruin met 17 gele dwarslijntjes, waarvan
de zes eersten regt; corium van dezelfde kleur met iets
meer gegolfde, doch niet afgebroken gele dwarslijntjes.
Membraan zeer donker met flaauwelijk aangeduide slinger-
bandjes. Haren der achtertarsen donkerbruin.
Door Perin in Zuid-Holland (bij Leyden?) en door den
heer van Bemmelen bij Wassenaar gevonden; in menigte
door den heer Heylaerts bij Breda gevangen.
4. Corixa Stalii Fieb.
E Saunders, Synopsis in Transact. Ent. Soc. of London
1876, p. 648, n° 12.
Lengte 7 mm. — Borststuk en elavus wel, corium niet
gekrast. Kop en onderzijde geel; op de eerste buikringen
een paar bruine vlekjes. Borststuk alleen met een langs-
knobbeltje aan den voorrand, bruin met 7 tot 8 gele dwars-
streepjes, die aan den buitenrand in een loapen. Dekschil-
den bruin met afgebroken geslingerde gele bandjes, die
vrij smal zijn en alleen iets breeder aan de basis van den
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 161
clavus. Membraan bruin met geslingerde streepjes en vlekjes,
meest allen klein, doch op elkaar gedrongen tegen den
zoom. Randgeul bruingrauw. Haren der achterpooten bruin.
Ik kan voor de juistheid der determinatie niet instaan,
vooreerst om het onvolledige der beschrijving door Saun-
ders (in Fieber’s Europ. Hemipteren is de soort niet opge-
geven), ten andere omdat ik maar een enkel voorwerp ken.
Dit werd door Mr. H. W. de Graaf bij Woerden gevangen.
5. Coriva hieroglyphica Duf.
Plaat 10, fig. 9.
Léon Dufour, Hem. 86, 2, fig. 85, 87. — Herr.-Sch.
W. Ins. IX, p. 59, Pl. 297, f. 921. — Fieb. Spec. Cor.
patte A. 8.20.
Lengte 6 mm. — Kop geel met den schedel vuil besto-
ven, zelfs min of meer met eene donkere langsstreep.
Prothorax vrij donker bruin met 8—10 onduidelijke lichtere
dwarsstrepen; deze en de clavus wel, corium niet gekrast.
Dekschilden een weinig minder donker bruin met 3 dikkere
dwarsbandjes aan den grond van den clavus en overigens
met eene menigte korte afgebroken gele slangetjes, die op
het corium min of meer duidelijk 4 langsrijen vormen.
Membraan van het corium afgescheiden door eene gele
streep, donker, vooral bijna zwart aan den zoom, doch
geteekend even als het corium. Borst en buik bruin met
gele zijden; ook de zoomen der ringen van het abdomen
zijn geel. Pooten geel met grijze zwemharen.
Deze soort werd door Mr. H. W.de Graaf in October bij
Wassenaar gevonden, door mij bij den Haag in Augustus,
door Dr. Weyenbergh bij Haarlem en door den heer La
Fontijn op Walcheren.
6. Corixa Hellensii Sahlb.
Plaat 10, fig. 10.
Sahlb. Not. Fenn. p. 11, 3. — Herr.-Sch. W. Ins. IX,
p. 54. Pl. 295, f. 909.
11
162 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Lengte 5 mm. — Kop geler dan bij de vorige soorten met
een okerkleurig langsstreepje op het voorhoofd. Onderzijde
en pooten geel, doch de basis van den buik zwartachtig.
Borststuk, clavus en corium gekrast, even als bij alle
volgende soorten. Borststuk zeer kort, bruin met 4 flaauw-
gele doorloopende dwarslijnen en het begin van eene gele
middellijn. Clavus donkerbruin, zeer duidelijk en helder geel
gezoomd, met 10 onduidelijke, regte dwarslijntjes ; corium
even donker en mede geel gezoomd, doch met geslingerde
en deels afgebroken lijntjes; membraan zeer donker, vooral
aan den zoom, in het midden met korte gekronkelde gele
slangetjes. Klaauwen der middelpooten bijzonder lang;
zwemharen bruin.
Een enkel voorwerp bij Breda, door den heer Heylaerts
gevangen.
7. Corixa regularis H. Sch.
Herr. Sch. W. Ins. IX, p. 57, Pl. 295, f. 910. — Mis-
schien ook Fieber, Spec. Cor. n° 25, t. 2, f. 4 en Eur.
Hem. p. 94 (C. Linnéi Fieb.).
Lengte 6—8 min. — Kop lichtgeel, bijna wit, achterrand
van den schedel zwartachtig. Onderzijde lichtgeel met bruine
vlekken achter de heupen, soms ook op de achterheupen.
Borststuk bruin met gelen achterrand en zes smalle gele
dwarsbanden. Dekschilden van dezelfde kleur met zeer
smalle bijna allen doorloopende dwarsstreepjes, waarvan
die op de voorhelft van den clavus regt en de overigen
wat geslingerd zijn; membraan donkerder dan het corium,
met onduidelijke gekrieuwelde lichte slangetjes. Randgeul
lichtgrauw. Pooten geel, zwemharen bruin.
Ik zie eigenlijk geen verschil tusschen Regularis H. Sch.
en Linnei Fieb. dan misschien de grootte, doch ik begrijp
evenmin waarom Fieber Linnei schrijft en niet Linnwi,
gelijk ieder verstandig mensch doen zou.
De soort werd aangetroffen: in Holland door Dr. de Haan,
Dr. Herklots en door Perin; bij Leyden door Prof. J. van
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 163
der Hoeven; bij Driebergen in Sept. door den heer Six en
bij Woerden in Maart door Mr. H. W. de Graaf.
8. Corixa lineolata Herr. Sch.
Plaat 10, fig. 11.
Herr. Sch. W. Ins. IX, p. 55, Pl. 295, f. 911. — Mis-
schien ook Fieb. Spec. Cor. n° 40, t. 2, f. 48 (Nigroli-
neata) en Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 605, n° 12.
Lengte 6 mm. — Gemakkelijk daaraan te herkennen,
dat de donkere streepjes smaller zijn dan de gelen. Kop
geel met een vuilen, zwartachtigen schedel. Onderzijde
bruinzwart, met gele vlekken in de zijden van de borst.
Borststuk geel met ongeveer 9, niet tot den rand doorloo-
pende en vooral niet evenwijdige fijne zwarte lijntjes. Dek-
schilden mede geel met fijne zwarte dwarsstreepjes, die op
de voorhelft van den clavus evenwijdig zijn, doch verder
en op het corium onregelmatiger worden en dikwijls aan
eene van beide zijden zijn gegaffeld. Membraan geel met
donkere marmering, die aan den zoom eene soort van bor-
duursel vormt. Pooten geel, zwemharen zeer licht bruin.
De beschrijving van Nigrolineata bij Fieber past niet
best; eerder nog komt die van zijne Parallela met onze
voorwerpen overeen, doch deze soort is tweemaal grooter
en stamt uit den Griekschen Archipel.
Lineolata werd bij Wassenaar in het duinwater gevonden
door Mr. H. W. de Graaf. Ook bezit ik voorwerpen van
Perin, waarschijnlijk wel ter zelfder plaatse gevangen.
9. Coriza striata L. (Fieb.)
Fieber, Spec. Cor. n° 33, tab. 2, f. 4.—-Id. Eur. Hem.
p. 97. — Herr. Sch. W. Ins. IX, p. 58, tab. 297, f. 918
(Basalis). — Ik moet mij van meer citaten onthouden,
daar ik er geen vind, die volkomen passen.
Lengte 7 mm. — Kop en onderzijde met de pooten geheel
geel (4), buik met 3 of 4 bruinachtige banden (g). Borst-
16% DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
stuk bruin met 7, 8 of 9 gele dwarsbandjes en smallen
gelen achterrand. Basis van den clavus geel met ongeveer
7 bruine dwarsstreepjes, het overige deel bruin met afge-
broken gele streepjes; corium bruin met eene menigte
niet doorloopende, gegolfde of gekrinkelde gele vlekjes;
randgeul geel, aan het eind ietwat grauw. Membraan van
het corium afgescheiden door een zwart streepje onder een
geel, bruin met fijnen zwarten zoom en vele hieroglyphi-
sche gele slingertjes. Achterpooten met eene donkere streep
op de buitenzijde.
Door Dr. Herklots in Zuid-Holland gevonden, door den
heer de Graaf bij Woerden, bij Driebergen in April door
den heer Six, bij Nijkerk door den heer van Medenbach
de Rooy, op Walcheren door den heer La Fontijn en in
Limburg door den heer Mr. Maurissen.
10. Corixa Fallen Fieb.
Fieber, Spec. Cor. n° 34, t. 2, f. 12. — Id. Eur. Hem.
Bae
Lengte bijna 7 mm. — Verschilt van de vorige alleen
in deze punten. De onderzijde is bruin met groote gele
vlekken in de zijden en gelen rand van het achterlijf. De
gele achterrand van het borststuk is zeer onduidelijk. Op
de basis van den clavus is het geel minder verbreid. De
geul langs de dekschilden is donkerbruin, aan het einde
bijna zwart. De membraan is van het corium wel door
een geel lijntje afgescheiden, maar het zwarte daaronder
ontbreekt.
Een enkel voorwerp werd door Mr. H. W. de Graaf den
21” October in eene duinbeek bij Wassenaar aangetroffen.
41. Corixa moesta Fieb.
Fieber, Spec. Cor. n° 39, tab. 2, f. 47. — Id. Eur.
Hem. p. 98.
Lengte 7,5 mm. — Kop en borst geel; onder de voor-
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 165
heupen zwarte vlekken, de achterheupen bruinachtig, de
drie eerste ringen van het achterlijf bruin met gele zoomen.
Borststuk bruin met 6 doorloopende gele dwarsstreepjes en
gelen achterrand. Clavus bruin met ongeveer 16 gele
dwarsstreepjes, waarvan de 6 eersten regt en doorloopend;
corium bruin met donkergrauwe randgeul en vele gegolfde
en soms afgebroken gele dwarslijntjes. Membraan bruin
met gele hieroglyphische slangetjes, meest naar de randen
toe; eene zwarte veeg onder de spits van het corium langs
den buitenrand. Zwemharen der achterpooten bruin.
Een voorwerp in Maart bij Woerden gevangen door Mr.
H. W. de Graaf.
412. Corixa Fossarum Leach.
Plaat 10, fig. 12.
Herr. Sch. W. Ins. IX, p. 55, Pl. 295, f. 908. — Flor,
Rh. Livl. 1, p. 795. — Fieb. Spec. Cor. p. 32, n° 37,
tab. 2, f. 45.
Lengte 6 mm.— Kop geel met roestkleurige tint op den
schedel en aan de bovenlip. Borst donkerbruin met gele
vlekken aan den rand; buik geel aan den rand en in het
midden bruin. Borststuk bruin met 6 tamelijk breede, na-
genoeg evenwijdige dwarsbandjes; achterrand niet geel ge-
kleurd. Clavus met fijnen gelen zoom, bruin met ongeveer
16 gele dwarsbanden, waarvan de vijf voorsten iets breeder
en gelijker dan de anderen, de laatsten afgebroken en ver-
ward; corium met donkergrauwe randgeul, bruin met gele
dwarslijntjes, die zeer onregelmatig staan en als in 3 langs-
rijen onder elkander gesteld zijn. Membraan van het co-
rium afgescheiden door eene gele streep, waaronder eene
zwarte, bruin met zeer fijne gele slangetjes en puntjes;
de rand zwartachtig. Pooten roestgeel, zwemharen bruin.
Van deze soort ving de heer Six een voorwerp bij Utrecht
en de heer Heylaerts eenigen bij Breda.
166 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN.
Ik mag niet instaan voor de zekerheid dezer determina-
tien der soorten van het geslacht Coriwa, dat ook voor
anderen een struikelblok geweest is. Werden de water-
wantsen door entomologen meer verzameld, het zou mij
misschien mogelijk worden tot meer duidelijkheid te ge-
raken, vooral ook door het onderzoek der palae en verge-
lijking daarvan met de afbeeldingen van Fieber.
Gen. 3. CyMATIA Flor.
Dit laatste genus der Heteroptera onderscheidt zich van
het voorgaande voornamelijk door den vorm van de tarsen
aan de voorpooten en ten tweede door het profiel van het
aangezigt. Kop met de oogen breeder dan het borststuk.
Spricten als bij Coriva. Schedel vlak vooruitstekend, langer
dan het borststuk, aan wederzijde met eene fijne ingedrukte
langsstreep. Aangezigt van den schedel afgescheiden door
een’ scherpen kant, en bij den man bovendien ietwat hol.
Clypeus glad. Borststuk en dekschilden glad, zonder kras-
sen in de lengte, noch streepjes in de breedte. Eerste lid
der tarsen aan de achterpooten niet veel meer dan twee-
maal zoo lang als het tweede. Tars der voorpooten cylin-
dervormig, doch een weinig dunner naar de spits toe, aan
de basis van gelijke dikte met de scheen, die driemaal
korter is, en van dezelve slechts door eene kringvormige
insnijding gescheiden; aan zijne onderzijde zeer lange
borstels in 2 rijen.
Cymatia coleoptrata F.
Plaat 10, fig. 6
Fabr. S. Rh. 105, 4.— Fall. Hem. Suec. I, p. 185, 7. —
Panz. Faun. Germ. 50, 24. — Burm. Handb. II, p. 188,
n° 4.— Amyot et Serv. Hem. p. 448, n° 3.— Herr. Sch.
W. Ins: TX, p. 53, PI. 297, £ 915. Flor, Ar. Lite
p. 800. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 614.
Lengte 3—4 mm. — Kop, onderzijde en pooten geel,
DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 167
bovenlip met hare omgeving roestkleurig, achterrand van
den schedel zwartachtig. Oogen zeer groot, zwart. Borst-
stuk veel korter dan de kop van boven gezien, olijfbruin,
glanzig. Dekschilden zeer glanzig en ongestippeld, iets
langer dan het achterlijf; clavus olijfbruin met gelen voor-
rand en naad; corium geel met 2 breede olijfbruine langs-
strepen tegen elkander aan; membraan donkerbruin, zeer
klein, doch aan het linker dekschild iets breeder. Rand-
geul geel, doch op de zoomen aan wederzijde eene fijne
zwarte lijn, waarvan de buitenste tot aan de membraan
doorloopt. De vleugels ontbreken. Middelpooten met don-
kere knieën en zwarte spitsen van scheen en tars. Achter-
scheenen dikwijls bruin gekleurd ; zwemharen bruinzwart.
In Holland aangetroffen door Dr. de Haan en mij: ge-
meen in de omstreken van Utrecht volgens den heer Six.
In April bij Nootdorp en in den zomer bij Breda gevangen
door den heer Mr. Leesberg; in October in de omstreken
van Maastricht door den heer Mr. Maurissen.
SUPPLEMENT
OP DE
LIJST DER IN NEDERLAND VOORKOMENDE
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN (Coleoptera),
DOOR
Jhr. Ed. EVERTS, Phil. Dr.
De behoefte aan een supplement op de voor twee jaar
door mij uitgegeven Lijst der Nederlandsche Coleoptera
heeft zich thans ruimschoots doen gevoelen.
Vele coleopterologen hebben zich wederom beijverd het
materiaal te doen bijeenkomen; niet genoeg kan ik hun
voor die medewerking erkentelijk zijn; moge deze hernieuwde
poging bij de beoefenaars onzer wetenschap den gewensch-
ten bijval vinden.
Tevens is het mij eene aangename taak mijn’ medebe-
werker Mr. A. F. A. Leesberg dank te zeggen voor zijne
zoo gewichtige ondersteuning.
Ook kan ik niet genoeg bij herhaling gedenken de be-
reidwillige hulp van de heeren A. Fauvel te Caen en J.
Putzeys te Brussel, alsmede van de heeren Allard te Parijs
(Halticiden), Desbrochers des Loges te Vitry-aux-Loges
(Curculioniden), en Edmund Reitter te Paskau in Moravie
(Nitidularién , Gryptophagiden, Lathridiiden), die ons bij
de bewerking der moeielijkste familién zoo zeer de behulp-
zame hand boden.
SUPPLEMENT OP DE LIJST ENZ. 169
Om niet al te uitvoerig te worden, heb ik het eerst
door mij opgevatte plan, om te gelijk een overzicht van al
de nieuwe vindplaatsen te geven, laten varen.
Ik veronderstel dat het aantal inlandsche Coleoptera het
maximum begint te naderen, en wanneer nu ten gevolge
van de behandeling van afzonderlijke groepen, de kennis
der soorten zich aanzienlijk zal hebben uitgebreid, dan is
het te verwachten, dat eene meer uitgebreide lijst, voor-
zien van citaten en met korte aanwijzing van levenswijze
der soorten, eene eerste behoefte zal worden, en als zoo-
danig als eene vernieuwde uitgave niet onwenschelijk zal zijn.
Even als in mijne Lijst beteekenen de cijfers achter de
vindplaats de maand der vangst; die achter de soortnaam
verwijzen naar den Catalogus van de Marseul; het teeken *
vóór eene soort duidt aan dat deze in de collectie der
Nederlandsche Entomologische Vereeniging ontbreekt; het
teeken + achter de soort beduidt hetzelfde voor mijne eigen
collectie.
* Nebria livida L. 2. — Nijmegen, Maitl.
* Dyschirius laeviusculus Putz. + 24. — Selzaete, Putzeys.
4 » remotepunctatus Putz. +. — Moerdijk, Putzeys.
* Callistus lunatus F. + 1. — St. Pieter 7, M.
* Badister unipustulatus Bon. 1. — Middelburg, La F.; Was-
senaar 4, Rits.; Haag 4, E.
* Diachromus germanus L. 1. — Ede 6, Maitl.
* Dichirotrichus obsoletus Dej. A. — Walcheren, G. v. Wijk.
* Bradycellus similis Dej. 10. — Rotterd. Sn.
* Harpalus rupicola St. | 37. — St. Pieter, M.
; » ignavus Dfts. + 94. — Tellin 5, M.; de zwarte
var. bi) Bergen op Zoom 6, E.
° Feronia aterrima F. + 72. — Breda 8, L.
* Molops elata F. 231. — Huissen, Agh.
* Amara famelica Zimm. 31. — Rott. Veth.
* » hbialis Payk 36. — Arnh. 5, d. R.
* » rufocincta Sahl. 56. — Breda, H.; Leiden, Hait.
170 SUPPLEMENT OP DE LIJST VAN
a
>
+
»
*
+
Amara montana Dej. 81. — Rott. Sn. (Wellicht is deze
Zuid-Europeesche soort met hout of op andere
wijze overgebracht).
Anchomenus impressus Pz. + 27. — Dieren 5, K.
„Ad scitulus Dej. 50. — Sluis-Kill (Zeeland) 7, Putz.
Pogonus luridipennis Germ. 3. — Bergen op Zoom langs
de Schelde, 6, E.; Selzaete, Putzeys.
» littoralis Dufts. 5. — Walcher. G. v. W. en La F.
Trechus rubens F. 41. — Rott. 5, Veth.
Bembidium impressum Pz. 3. — Ellecom 6, K.; Oosterbeek,
Putzeys ; Holland, Sn.
» nigricorne Gyll. + 26.— Eindhoven, door den
heer Miedel.
» pusillum Gyll. var. normannum Dej. — Walch.
Gi VW.
» ephippium Marsh. 129. — Arnemuiden 7 en
fort de Nolle 7, G. v. W. en La F.; Bergen
op Zoom 6, E.; Zierikzee 7, Fokk.
Tachys scutellaris Germ. 26. — Bergen op Zoom 6, langs de
Schelde, E. en L.
Colymbetes notaticollis Aubé + 12. — Breda 4, H.
“ Agabus guttatus Payk. + 31. — Breda 4, H.
* Hydroporus oblongus Steph. + 100. — Breda 6, L.
» melanarius St. + 107. — Breda 8, L.
» obscurus St. + 121. — Breda, H.
» æanthopus Steph. 95. — Rhoon, Schepman ;
Zuid-Holl., Per.
» granularis L. 7 134. — Vorden 7, G.
* Haliplus obliquus F. +3. — Breda, H. ; Rhoon 4, Schepman.
» mucronatus Steph. 10. — Koudekerke, G. v. Ws;
Zandvoort 7, G.
» cinereus Aubé 14. — Breda 8, L.; Huissen, Agh.
» varius Nicolai. — Amby 4, M.; Breda, H.; Vor-
den 8, G.; Middelb., G. v. W.
Gyrinus bicolor F. 4. — Middelburg 4, 6, G. v. W.; Zie-
rikzee 3, Fokk.
» opacus Sahl. 9. — Breda 6, in de Mark, L.
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 474
* Orectochilus villosus Ill. 4. — Breda 8, in de Mark, L.
»
Ochthebius marinus Payk 10. — Middelb. G. v. W. en La F.;
Zierikzee, Fokk.; Rott. Veth.
* Cercyon aquaticum Steph. 12. — Haag 3, E.; Utr. Six.
» plagiatum Er. 14. — Breda 8, L.; Haag 10, E.
* Crataraea suturalis Mann. (praetexta Er.) 6.— Haag 9, E.
*
*
»
Lomechusa paradoxa Steph. 4. — Haag 4, duinen, Hait.
Myrmedonia collaris Payk + 4. — Breda, H.
» cognata Mark. + 8. — Breda, H.
Homalota terminalis Cryll. 33. — Haag 4, E.
» luridipennis Manh. 40. — Haag 4, E.
» cavifrons Sharp. — Haag 3, E.
» soror Er. + 102. — In Holland volgens den heer
Fauvel.
» sordida Kr. 148. — Haag 3, 4. L. en E.; Wolf-
heze 9, d. Ri
» hepatica Er. 119. — Rott. Veth.
» sodalis Er. 138. — Haag 10, E.
» villosula Kr. 182.— Haag 9, 10, E.; Rott. Veth.
» picipennis Gyll. + 235. — In Holland volgens den
heer Fauvel.
Oligota atomaria Kr. 6. — Haag 3, 4, 10, E. en L.
» _ punctulata Heer. — Haag 11, E.
* Myllaena minuta Grav. + 5. — Lochem 7, K. -
* Hypocyptus laeviusculus Manh. 8. — Utr. Six.
»
Mycetoporus ruficornis Kr. + 14. — Breda, H.
* Acylophorus Wagenschieberi Ksw. + 2.— Breda 8, onder mos,L.
* Heterothops praevius Er. A. — Haag 3, E.
»
Quedius praecox Grav. 37. — Wolfh. 9, d. R.; Utr. Six.
* Staphylinus fulvipes Scop. 13. — Baarn 7, Veth.
* Ocypus pedator Grav. + 24. — Maastr. door den heer Ziegeler.
»
Philonthus temporalis Muls. + 14. — Breda, H.
» scutatus Er. 16. — Haag 4, E.
» lepidus Grav. + 33. — Bergen op Zoom 6, L.
» immundus Gyll. 63. — Breda, H.; Haag 3,12
en Kuyk, E.; Middelb., G. v. W.
172 SUPPLEMENT OP DE LIJST VAN
+
*
+
*
+
Erichsonius elongatulus Er. 143. — Haag 5, E.
Xantholinus glaber Er. + 13. — Oud-Vroenhoven 4, M.
Achenium depressum Gr. 4. — Middelb. 5, 7, G. v. W.;
Bergen op Zoom 7, E.
Scopaeus laevigatus Gyll. 3. — Arnh. 10, de R.
Lithocharis ripicola Kr. 13. — Rott. 5, Veth.
Sunius pulchellus Heer (diversus Aubé) 17. — Haag 3, E.
Stenus lustrator Er. + 57. — Breda, H.
» humilis Er. 71. — Rott. 5, Veth.
» salinus Bris. 83. — Rott. 8, Sn.; Huissen 5, Agh.
» geniculatus Grav. + 117. — Breda, H.; Amst. K.
» palustris Er. 120. — Arnh. 9, d. R.; Tiel, Seipg.;
Breda 6, L.; Middelb., G. v. W.
Bledius bicornis Germ. +7.— Domburg 6, L.; Zierikzee 8; Fokk.
Lesteva punctata Er. 10. — Haagsche bosch 10, onder dorre
bladeren, E.
Coryphium angusticolle Steph. +4. — Volgens opgave van
den heer Fauvel in Holland.
Omalium riparium Thoms. 3. — Haag 10, E.
Anthobium ophthalmicum Payk 40. — Middelb. 5, La F.
Proteinus limbatus Makl. — Haag 4, E |
Megarthrus hemipterus Il. + 5. — Tiel, Seipg.
Bythinus bulbifer Rchb. 24.— Haag 4, onder dorre bladeren, E.
* Euplectus signatus Reichb. 6. — Haag 3, 4, 10. E. en L.
*
» piceus Motsch. 13. — Haag 3, 10, L.
» bicolor Denny 17. — Haag 3, 4, E. en L.
» intermedius Saulcy. — Haag 4, E.
Eutheia scydmaenoides Steph. 4. — Delft 4, gemeen onder
dorre bladeren, E. en L.
* Colenis dentipes Gyll. + 1. — Noordwijk 10, Weytlandt.
»
Liodes axillaris Gyll. 2. — Bergen op Zoom 6, in zwam-
men, L. en E.
Clambus Armadillo de G.1.— Haag 4, onder dorre bladeren, E.
* Comarus enshamensis Steph. — Utr. Gr. ; Middelb. 9, G. v. W.
Trichopteryx thoracica Gillm. 3. — Haag 3, E.
» grandicollis Manh. 9. — Haag 4, E.
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 173
* Millidium trisulcatum Aubé (Ptilium minutissimum Ljungh).
*
— Haag 10, E.
Hister ruficornis Grim + 37. — Breda 8, in een fungus, L.
* Acritus nigricornis Hofm. 6. — Haag 10, E.
* Cercus rufilabris Late. + 8. — Bunde 7 en Nuth 7, M.
»
Sambuci Er. +. — Tellin 5, M.
* Carpophilus dimidiatus F. 10. — Haag, in rijst, E.
* Epuraea melina Er. + 5. — Nuth 8, M.
* Meligethes lumbaris St. + 2. — Maastricht, M.
Hebes Heer + 4. — Haag 10, L.
ochropus St. 33. — Haag 6, E.; Nuth, M.
difficilis Heer 35. — Haag 4, 5, E.
pedicularius Gyll. 44, — Zuid-Holl., Per.
villosus Bris. 47. — Maastricht, M.
serripes Gyll. 50. — Haag 4, E.
planiusculus Heer 63. — Wassenaar 7, v. V.
fuliginosus Er. 68. — Haag 4, 5, 7, 8. E. en L.
gagatinus Er. 83. — Haag 4, E.
* Synchita Juglandis Helw.1.— Axel, achter boomschors, Sn.
* Atomaria plicicollis Makl. — Haag 3, 4, 10. E. en L.
»
»
»
»
»
Herminea Reitt. — Haag 9, E.
nigriventris Steph. (nana Er.) 7.— Haag 4, E.
Rhenana Kr. 22. — Middelb. La F.; Zuid-Holland,
Per.; Haag 5, L.
peltata Kraatz 24. — Haag 10, E.
analis Er. 48. — Haag 3, 9,10. E.; Rott. 5, Veth.
testacea Steph. — Haag 10, E.
* Holoparamecus Kunzei Aubé. | — Uit rijst, v. V.
Lathridius alternans Manh. + 11.—Middelb. 6, L.; Vorden, @. -
»
ruficollis Marsh. 21. — Haag 5, E.
* Corticaria impressa Ol. 42. — Niet zeldzaam bij den Haag,
»
E. en L.
serrata Payk + 18. — Breda 8, L.
crocata Manh. 49. — Haag 7, 9. E.; Rott. Veth. ;
Noordw. Weytl.; Nuth 7, M.; Hilversum 7, L.
latipennis Sahlb. — Haag 10, E.
174 SUPPLEMENT OP DE LIJST VAN
La
La
Monotoma longicollis Gyll. 15.— Haag 10, E.; Middelb. G. v. W.
Murmidius ovalis Beck. — Uit rijst, v. V.
* Aphodius borealis Gyll. 24. — Texel en Vlieland, Rits. en
LA
*
»
Roelofs.
» Scrofa F. 78. — Arnh. 5, d. R.; Breda, H.
» tristis Panz. 79.— Wassenaar 5, E.; Middelb. G v.W.
» consputus Creutz. 100. — Oranjezon 10, G. v. W.
Agrilus viridis L. 10. — Velp, Rits.
Cryptohypnus tetragraphus Germ. 9. — Bunde 7, M.
» dermestoides Hrbst. + 21. — Bunde 7, M.
Cardiophorus nigerrimus E. + 32. — Kerkrade 6, M.
* Athous crassicollis Lac. — Tiel, Seipg.: Middelb. G. v. W.;
Zierikzee, Fokk.
* Corymbites Quercus Gyll. + 13. — Breda, H. en L.
Adrastus awillarıs Er. + 2. — Haagsche bosch 7, L.
Cyphon nitidulus Thoms. 2. — Middelb. 5, La F.
Eucinetus haemorrhoidalis Germ. 1. — Middelb La F.
Malthodes Maurus Cast. 32. — Rott. 6, Piag.
Ebaeus thoracicus Ol. 7. — St. Pieter 7, M.
Clerus 4-maculatus F. 6. — Middelb. 5, La F.
* Cis festivus Panz. 27. — Schev. 8, Six.
LA
»
+
»
è
Aspidiphorus orbiculatus Gyll. 4. — Middelb. 6, E.
Ptinus pusillus St. 34. — Breda, H.
Cistela ceramboides L. + 13.— Arnh. d. R.; Oirschot 6, M.
Rhipiphorus paradoxus L. + 4. — Soest door den heer v.d.
Honert.
Asclera coerulea L. 4. — Utrecht, in huis gevangen, 5.
Liophloeus Herbstiù Gyll. — + Nuth 7, M.
Strophosomus retusus Marsh. 5. — St. Pieter 7, M.
» curvipes Thoms. — Wolfheze 9, d. R.
Sitones tibialis Hrbst. 16. — Rott. Sn.; St. Pieter 7, M.;
Haag 4, Hait.; Velp, Rits.; Vorden 7, G.
Metallites atomarius Ol. 6. — Ellecom 6, Hait.
Polydrosus flavovirens Gyll. 24. — Ellecom 6, op wilgen K.;
Middelb. La F.
Otiorhynchus tenebricosus Hrbst. 39. — Maastr. (St. Pietersb.)
gemeen, M. en G.
*
*
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 175
Trachyphloeus scaber L. 2. — Hilversum 7, L.; Oudenbosch,
Weytl. ; Bunde 7, M.; Texel 7, Roelofs.
» squamulatus Ol. 10. — Middelb. La F.; St.
Pieter, M.
Phyllobius Artemisiae Desbr. +. — Sluys-Kill (Staats-Vlaan-
deren) M. v. d. Broeck.
* Hylobius fatuus Rossi 8. — Rotterd. Sn.
* Dorylomus maculatus Marsh. 23. — Middelb. 6, E.
nebulosus Gyll. 35. — Holl. v. V.
* Bagous subcarinatus Gyll. 9. — Rott. Sn.
»
»
tempestivus Hrbst. 20. — Utr. S.
cylindrus Payk + 31. — Amby 4, M.
Anoplus Roboris Suf. 2. — Gelderland 6. Sn.
* Apion opeticum Bach. 2. — Vian. 6, E.; Zuid-Holl., Sn.
»
Caullei Wenck. 18. — Wassen. 10, v. V.
confluens Kirby + 25. — Buiksloot 8, K.
pubescens Kirby 41. — Rott. 9, Sn. en Veth. ; Walch.
1. Ga DI,
vicinum Kirby | 43. — Haag 2, L.; Breda, H.
pallipes Kirby | 62. — Maastr. 6, Gr.
cruentatum Walton 89. — Vianen 6, E.
sanguineum d. G. 9, — Haag 4, Hait.; Wasse-
naar 11, Per...
Ononidis Gyll. 98. — Haag 5 en Bergen op Zoom,
E. op Ononis repens; Zierikzee, Fokk. ; Breda, H.;
Ellecom 6, Hait.
difforme Germ. 114. — Haag 4, 5, E. en L.
Meliloti Kirby + 133. — Bunde 7, M.
simule Kirby 139. — Haag 5 en Steeg 8, E.; Leid. v.
V.; Ellecom 6, Hait.; Middelb. La F.; Hillegom 5, K.
aethiops Hrbst. + 167. — Maastr. M.
punctigerum Germ. 169. — Valkenburg 6, Roel.
ebeninum Kirby 177. — Hilvers. 7, E.; Breda 8, L.
Sedi Germ. 185. — Haag 4, duinen op Sedum acre,
Sn. en E. -
affine Kirby 193. — Middelb. 6 en Rozendaal, E.
en L.; Breda 5, H.
176 SUPPLEMENT OP DE LIJST VAN
*
*
*
Diodyrhynchus austriacus Germ. 4. — Arnh. 5, d. R.;
Middelb. La F.
Magdalinus violaceus L. + 2. — Breda 6, L.
» phlegmaticus Hrbst. | 7.— Bergen op Zoom 6, L.
> carbonarius L. 4. — St. Oedenrode 7, Veth.
“ Anthonomus Ulmi d. G. 1. — Arnh. 4, de R.
+
LA
*
Orchestes melanocephalus Ol. 9. — Middelb. 14 en Koudekerke
6, G. v. W.; Noordwijk, Weytl.
Gymnetron melanarius Germ. + 15. — Middelb. 6, L.
» longirostris Gyll. 39. — Breda 6, v. Hall.; Maastr.
Sour
» Campanulae L. 44. — Ulvenhout 5, Piaget.;
Bergen op Zoom 6, L.; Oirschot 6, M.; Breda
5, H.; Ginneke 7, v. V.; Vorden 8, Gr.
Acalles ptinoides Marsh. + 22. — Wolfheze 5, Putzeys.
* Celiodes exiguus Oliv. 19. — Middelb. 7, G. v. W.
*
»
*
Rhytidosomus globulus Hrbst. + 4. — Middelb. 6, Weytl.
Geuthorhynchus melanarius Steph. 6. — Amst. 2, onder
dood riet, K.; Rott. 5, Veth.
» frontalis Bris. 17. — Middelb. La F.; Zierik-
zee 5, Fokk.
» alboscutellatus Gyll. 38. — Arnh. 4, d. R.
Phytobius Comari Hrbst. 9. — Rott., Sn.
Rhinoncus denticollis Gyll. — Middelb. La F.; Breda 6, L.
Baridius cuprirostis F. + 30. — St. Pieter 7, M.
Rhyncolus truncorum Germ. + 10, — Uit eene inl. coll. af-
komstig van den heer v. Eyndhoven te Zutphen, K.
Phloeophorus Spartii Nordl. + 3. — Haag 4, Huit.
Scolytus pygmaeus Hrbst. + 3. — Breda 11, L.
Cryphalus granulatus Ratz. 7. — Huissen 7, de R.
Dryocetus cryptographus Ratz. + 2. — St. Pieter 8, M.
Tropideres albirostris Hrbst. + 1. — Arnh. 5, d. R.
» cinctus Payk. 14. — Huissen 6, Agh.
Bruchus luteicornis Wl. 85. — Middelb. en Bergen op
Zoom 6, E.
Clytus detritus L. 1. — Zwolle, v. Tuin.
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 477
Obrium cantharinum L. + A.— Maastr. 6 en Venlo 6, M.
Leptidia (Gracilia) brevipennis Muls. 3.— Middelb. 7, G. v. W.
Rhamnusium Salicis F. A. — Haag, Vosmaer.
Strangalia attenuata L. 7. — Middelb. La F.
Grammoptera praeusta F. + 7. — Venlo, v. d. Brandt.
Cryptocephalus flavescens Schneid. 97. — Nuth. 7, M.
Lina cuprea F. + 6. — Kerkrade 5, M.
Galeruca xanthomelaena Schr. + 3. — St. Pieter, M.
Luperus circumfusus Marsh. + 4. — Bunde 7, M.
Coccinella 14-pustulata L. A. — Gronsveld 7, M.
» labilis Muls. (magnifica Redt.) 12. — Verschei-
dene exemplaren bij St. Oedenrode 7, Veth.
Epilachna Argus Geoff. (A1-maculata F.) A. — Meerssen 6,
Veth; Kerkrade 5, M.
Seymnus marginalis Rossi + 14. — Maastr M.
Alexia globosa Sturm. 4. — Rott. Sn.
NEDERLANDSCHE HALTICIDEN. 1)
PopAGRICA Foudr.
. fuscipes F. + À. — St. Pieter, M,
. fuscicornis L. 8. — Niet zeldzaam.
Dn =
MANTURA Steph. (Balanomorpha Ghevr.)
‘A. rustica L.— Haag 5, 4, 10. Hait., L. en E.; Gorinctiem
BES Dir 6, Ce.
Chrysanthemi Koch ?) 2. — Niet zeldzaam.
re
ÜREPIDODERA Chevr,
* A. Salicariae Payk 5.— Vorden 6 en Ütr. 7, Gr.; Breda
5, H.; Middelb. 6, E.
1) De bewerking der Halticiden door Mr. A.F. A. Leesberg naar de monographien
van Foudras, Kutschera en Allard maakt een nieuw overzicht dezer groep noodzakelijk.
De genera zijn volgens den catalogus van Gemminger en Harold overgenomen; de
soortnamen eveneens met verwijzing naar den catalogus van de Marseul.
2) De in de lijst vermelde I. obtusata moet vervallen.
13
178
Sale
=:
SUPPLEMENT OP DE LIJST VAN
transversa Marsh. !) 8. — Niet zeldzaam.
ferruginea Scop. 9. — Gemeen.
helxines L. 24. — Zeldzaam. Amst. Smit; Bunde en
Amby, M.
aurata Marsh. ?) 25. — Zeer gemeen.
chloris Foudr. 26. — Gemeen. De blauwe varieteit bij
Rotts Veth en on.
smaragdina Foudr. 27. — Ellecom 7, Hait.; Breda 7,
H.; Vorden 6, G.; in Holland, Sn.
Modeeri L. 29. — Gemeen.
Erirrix Foudr.
pubescens Koch 30. — Gemeen op Solanum-soorten.
Vianen 6, E.; Haag, L.en’E.; Rott. 4, Sn.;
de varieteit bij den Haag, E. en L.
Harrıca Geoff. (Graptodera Chevr.)
Quercetorum Foudr. ?) (Erucae Oliv.) 1.— Gemeen op eik,
ampelophaga Guér, 4.— Ginneken, v. V.; Haag, E., L.
en Hait.; Bergen op Zoom 6, E.; Arnh., Sn. ;
Rott., Veth.; Z.-Holl., Per.; Wolfh. 7, Sn.
Lythri Aubé 6. — Verspreid. Op Epilobium.
Tamaricis Schrk. (Hippophaés Aubé) 8— Breda, H.; Rott.,
Sn; Maastr., M.; Ellecom 6, Hait.
oleracea L. 11. — Gemeen.
Loneirarsus Latr. (Thyamis Steph.)
tabidus F. (Verbasci Pz.) A. — Arnh. 5, d. R.
niger Koch 4, — Haag 4, E.; St. Pieter 6, M.
1) Deze soort werd ten onrethte Cr. impressa F. genoemd. De laatste komt alleen
in Zuid-Europa voors
2) Deze soort, met Cr. chloris en smaragdina vermengd, was steeds voor Haltica
helxines L. gehouden.
3) De 5 hier opgenoemde soorten waten verward onler H, oleracea L. en
Erucae Oliv,
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. 479
. alricapillus Dufts. (melanocephalus All.) 5. — Zeer gemeen.
. melanocephalus de Geer (atriceps Kuts.) 8. — Leid. 4,
E.; Middelb. 6, E.; Haag 8, L.; Vorden 5
Goo Mel, Pen
?
. holsaticus L. 14.— Utr. 4, Drieb. 10.en Wassen. 5, S.;
Breda, H.; Haag 9, E.
. atricillus L. 24. — Niet zeldzaam.
. brunneus Dfts. 25. — Gemeen in alle varieteiten.
flavicornis Steph. 40. — Haag 10, L.; Rott., Sn.
laevis Dfts. 41. — Haag 8, 10, E. en L.; Breda, H. ;
Z.-Holl., Per. ; de Steeg 8 en Rozendaal 6, E.
. Medicaginis All. 55, — Breda, H.; Haag, L. en E.;
Gorinchem, E.; Amersfoort, Six.; Leid. 7,
vid.) We
. pusillus Gyll. 29. — Gemeen.
. Anchusae Payk. 64. — Gemeen.
. luridus Scop. 70. — Gemeen.
. fulgens Foudr. 71. — Vian. 6, E.
. piciceps Steph. + 75. — Haag, Hait.; Amst., K.; ook
de var. Poweri All.
. canescens Foudr. 79. — Haag, v. V. en v. d. W.;
Z.-Holl., Per.; Warmond 7, Rits.
. Nasturtii F. 80. — Verbreid.
. suturellus Dfts. (thoracicus Steph.) 83. — Breda, H.;
Gormnch 10, Kes Utro9 6. Vian6, E;
Haag 4, 5, E. en L.
. patruelis All. + 88. — Bergen op Zoom, H.
. Jacobeae Waterh, (tabidus Ol.) 92. — Gemeen op
Senecio Jacobea.
. ochroleucus Marsh. 95. — Bergen op Zoom 6, E.; Haag,
ya VDE LEG aay ES
‚ gracilis Kutsch. 97, — Leiden 7, v. d. W.; Wassen,
8, Per.
. ater F. (parvulus Payk) 103. — Zeer gemeen.
. suturalis Marsh. + 81. — Haag, L. en Hait,
3. Juncicola Foudr. 74. — Haag, L. en E,
480 SUPPLEMENT OP DE LIJST VAN
*26. candidula Foudr. 30. — Valkenburg, Per. !)
APHTHONA Chevrol.
* 4. Cyparissiae Koch 5. — Haag 8, Hait.; Brumm. v. V.;
Maastr., M.
* 2. lutescens Gyll. + 10.— Breda, H.; Utr. 6, Gr.; Goor 7, Hait.
3. albinea Foudr. *)+.—Ken exemplaar zonder nadere vind-
plaats in de collectie der Ned. Ent: Vereeniging:
4. nonstriata Goeze (coerulea Fourcr.), 14. — Gemeen op
Iris pseudacorus.
"5. venustula Kutsch. (Euphorbiae Schrk.) 26. — Amby 8,
M.; Renkum 10, G.; Huissen 4, Agh.
*6. atrocoerulea Steph. 28. — Utr. G.; Haag 10, E. en L.;
Middelb. E. en La F.
* 7. violacea Koch. 30. — Haag 6, E.
8. hilaris Steph. 3) 36. — Zeer gemeen.
PHYLLOTRETA Foudr.
4. nodicornis Marsh. *) (antennata Koch) 1. — Breda 6,
H. en L. op Silene.
2. aterrima Koch (atra Payk) 4. — Gemeen;
3. Cruciferae Goez: (obscurella Ill.) 5. — Zeer gemeen.
A: diademata Foudr. 7.— Renkum, Wtt.i Haag 4, 5, 8,
E. en L.; Ellecom; Hait.
5. nigripes F. (Lepidii Koch) 10. — Niet zeldzaam.
* 6. melaena Ill. 12. — Middelb. 6, E. en L.
7. ochripes Curt. 16. — Gemeen.
8. sinuata Steph. 17. — Holl. Wtt.; Haag, E., L. en Hait. ;
1) De drie laatstgenoemde soorten zijn als zoodanig door den heer E. Allard ge-
determineerd. De juistheid der 2de soort is door mij nog niet met zekerheid aange-
nomen, tevens betwijfel ik de opgave door dien heer van twee exemplaren van Z.
patruelis door de heeren Leesberg en Haitink bij den Haag gevangen, die te veel
van het door den heer Heylaerts bij Bergen op Zoom gevangen exemplaar afwijken.
2) Was ten onrechte gebracht tot het genus Zongitarsus door Foudras. Ik be-
twijfel echter deze determinatie van den heer E. Allard.
3) Deze soort werd ten onrechte genoemd A. Euphorbiae.
4) Ten onrechte werd deze soort als gemeen opgegeven; lees daarvoor ZZ. eruci-
ferae Goez,
13.
. nemorum L. *) 19. — Breda, H.; Oud-Vroenh., M.;
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN, 481
Vian. 6, E.; Ellecom, Hait.; Z.-Holl., Per.;
Bergen op Zoom 6, E.
>
Haag, Hen’ bs Zi=Holl; Per.; Vian, 6, E.
. Vittula Redt. 20. — Haag 10, E. en Hait.
. undulata Kutsch. 21. — Zeer gemeen.
. flexuosa Ill. 22. — Breda, H. (in quisquiliis); Leid.
v. V.; var. tetrastigma Comolli, Haeren, M.;
Holl, v. V.; Vian. 6, E.; Haag, L.; Rott. 4, Sn.
Exlamationis Thnb. (Brassicae F.). — Breda, H. ; Hilvers.
1, Bor Ut vS, East en BE.
CHAETOCNEMA Steph. (Plectroscelis Redt.)
concinna Marsh. (dentipes Hoffm.) 6. — Zeer gemeen.
Mannerheimi Gyll. 15. — Haag 6, L ; St. Pieter, M.;
Rott,5, Neth.
aridula Gyll. 16. — Niet zeldzaam.
confusa Bohm. (arida Foudr.) 17. — Haag, E., L. en Hait.
Sahlbergi Gyll. + 24. — Amst., K.; Haarl. 9, G.
hortensis Fourcr. (aridella Payk.) — Zeer gemeen.
APTEROPEDA Chevr.
. orbiculata Marsh. (ciliata Oliv.) 4. — N.-Brab., Sn.;
Breda 10, H. op Medicago sativa.
SPHAERODERMA Steph.
Cardui Gyll. 4. — Gemeen.
testacea F. 2. — Niet zeldzaam.
DiBoLia Latr.
Cynoglossi Koch + 10. — Eenmaal gemeen op de duinen
bij den Haag, v. V.
occultans Koch 13. — Breda, H.; Haag 4, L. en E.
1) Onder deze soort, die niet gemeen is, werden gerekend 7%. sinuata , ochripes
en wadulata.
182 SUPPLEMENT OP DE LIJST VAN
PSYLLIODES Latr.
de Chrysocephala L. — Gemeen. Op koolzaad, L.; var.
nigricollis Marsh. 1, Haag, E., L. en Hait. ;
Rott. 9, Sn.; Arnh. 6, d. R.; Utr. S. en G.;
Steeg 8, Sn.; Z.-Holl. Per.
2. Rapae Ill. (Napi Koch 7.) — Gemeen.
* 3. cuprea Koch 14. — Breda 8 en Haag 6, L.; Ellec. 6,
Hait.; Arnh +5, d. RB.
* 4. instabilis Foudr. 19. — Arnh. 6, d. R.; Haag 6, L.
* 5. attenuata Koch 21. — Bommelerwaard 5 op hop, Sn.;
St. Pieter, M.
* 6. .nucea Ill. 22. — Haag, 5, 6, L.; de Steeg, E.
7. marcida Ill. 24. — Gemeen langs de zeekust.
8. affinis Payk 25. — Zeer gemeen.
* 9. Allardi Bach (rufilabris All) 28. — Scheven., E.
10. Dulcamarae Koch 34. — Vian. 6, E.; Rott. 5, Sn.
“AA. chalcomera Ill. 35. — Vian.6,E.; Utr. 10, Gr.; Z.-Holl.,
Per.; Amst., 'K.; Haag, Hait.; Huissen,
Agh.; Heemstede, v. V.
12. picina Marsh. 38. — Velzen 6, E.; St. Pieter, M.;
Holl., Blume.
*43. luteola. Müll. 39. — Steeg 8, E.; Breda 12, H.
14. cucullata Ill. 4%. — Noordw., v. V.; Renkum en Vor-
den. 7, Gr.; Haag 8, v..V. en Hart
SOORTEN WELKE UIT MIJNE LIJST MOETEN
VERVALLEN.
Dyschirius apicalis Puts. wordt aeneus De}.
Philonthus aerosus Kies. wordt atratus Grav.
» corvinus Er. wordt immundus Gyll.
Stilicus affinis Er. is eene var. van orbiculatus Payk.
Anthobium scutellare Er. synoniem met torquatum Kr.) volgens den
Proteinus brevicollis Er. id. met ovalis Steph.\heer Fauvel.
Corticaria piligera Manh. is syn. met pubescens Il.
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN, 183
Monotoma spinicollis Aubé wordt picipes Hrbst.
Anaspis assimilis Voll. is volgens den heer Emery te Napels
eene var. van A. frontalis L.
» ftestacea Voll., als voren van A. maculata Geoff.
Otiorhynchus fuscipes Ol. wordt tenebricosus Hrbst. ; beide soor-
ten zijn zeer verwant en wellicht varieteiten,
Apion subulatum Kirby moet zijn opeticum Bach.
» rufierus Germ. (var. van Trifolii) is nog niet aangetroffen.
» filirostre Kirby was slechts een afgewreven exemplaar
van simile Kirby.
In mijne Lijst der in Nederland voorkomende Schild-
vleugelige insecten zijn vermeld . . . . 2145 soorten.
Af: de daaronder begrepen Halticiden. . 53 »
Bit. cs 05.2092 »
In dit Supplement zijn opgenomen. . . 229 »
en bij de nieuwe rangschikking der Halticiden
ziji deze, gebracht tat a Ash." nit a 90 »
Lerzamen mln edad »
terwijl daarentegen uit de lijst moeten
VEE A EET a SE a u Baden ita <A 14 »
Blijft alzoo voor de gezamenlijke soorten
van Coleoptera, die als bewoners van ons
land bekend zijn, een getal van . . . . 2397 »
Ten overvloede wensch ik hieronder nog aan te duiden
de soorten welke in het buitenland nabij de Nederlandsche
grenzen zijn aangetroffen, in zooverre het mogelijk was
eenige opgave daarvan te verkrijgen.
Calosoma sericeum F. Badister peltatus Panz.
» reticulatum F. Feronia parumpunctata Germ.
Cychrus attenuatus F. Amara sylvicola Zimm.
Cymindis Vaporariorum L. |Hydrophilus aterrimus Esch,
Chlaenius agrorum Ol. Aleochara rufitarsis Heer.
>» holosericeus F. Homalota aquatica Thoms.
184
Homalota laticeps Thoms.
» aegra Heer.
gemina Er.
angusticollis Thoms.
Aubei Bris,
indubia Sharp.
subaenea Sharp.
ignobilis Sharp.
dilaticornis Kr,
inquinula Er,
marcida Er.
laevana Muls.
» pulchra Kr.
Placusa pumilio Gravy.
Oligota granaria Er.
» flavicornis Lac.
Encephalus complicans Wstw.
Gyrophaena laevipennis Kr.
» minima Er.
» strictula Er.
manca Er.
Boleti L.
laevicollis Kr.
Myllaena brevicornis Math.
» elongata Math.
Gymnusa brevicollis Payk.
» variegata Kies.
Trichophya pilicornis Gyll.
Hypocyptus discoideus Er.
» seminulum Er.
Lamprinus saginatus Grav.
» haematopterus Kr.
Tachinus rufipennis Gyll.
» scapularis Steph.
» elongatus Gyll.
Tachyporus transversalisGrav.
Conurus bipunctatus Grav.
Bolitobius pulchellus Man.
» trinotatus Er.
Megacronus striatus Ol.
» inclinans Grav.
» cernuus Grav.
» rufus Er.
Mycetoporus lucidus Er.
» angularis Muls.
» nanus Er.
Acylophorus glabricollis Grav.
Euryporus picipes Payk.
SUPPLEMENT OP DE LIJST VAN
Quedius laevigatus Gyll.
» umbrinus Er.
» auricomus Kies.
Staphylinus latebricola Grav.
» fossor Scop.
Ocypus fuscatus Grav.
Philonthus nitidulus Grav.
» rufimanus Er.
» rubripennis Kies,
» astutus Er.
Erichsonius prolixus Er.
Leptacinus parumpunctatus
Gyll,
Baptolinus pilicornis Payk.
Lathrobium dilutum Er.
» angusticolle Lac.
Dolicaon biguttulus Lac.
Lithocharis castanea Grav.
» diluta Er.
» picea Kr.
Stenus argentellus Thoms.
» incanus Er.
» . sylvester Er.
» fossulatus Er.
Oxyporus maxillosus F.
Bledius pallipes Grav.
» erraticus Er.
» rufipennis Er.
Platystethus capito Heer
Oxytelus fulvipes Er.
Trogophloeus exiguus Er.
Anthophagus testaceus Grav.
Lesteva pubescens Manh.
Olophrum fuscum Grav.
» assimile Payk.
Lathrimaeum melanocepha-
lum I.
Acidota cruentata Manh.
Arpedium quadrum Gray.
Philorinum sordidum Steph.
Omalium minimum Er.
» brunneum Payk.
» pygmaeum Payk.
Anthobium Marshami Fauv.
» rectangulum Fauv.
» longipenne Er.
» Primulae Steph.
Prognatha quadricornis Kirby.
SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN,
185
Scydmaenus angulatus M. etK.!Anobium pertinax L.
Agathidium nigripenne Kug. Oligomerus brunneus OL.
Hister succicola Thoms.
Carpophilus sexpustulatus F.
Dermestes bicolor F.
Pomatinus substriatus Mull.
Aphodius arenarius Ol.
Odontaeus mobilicornis F.
Homaloplia ruricola F.
'Salpingus ater Payk.
Otiorhynchus ligneus Ol.
Omias mollicomus Ahr.
Apion Limonii Kirby.
‚Platyrhinus latirostris F.
Tropideres niveirostris F.
Sphindus dubius Gyll.
Cryptohypnus minutissimus Cryptocephalus flavipes F.
Limonius Bructeri F.
de ventralis Ill. !)
Engis sanguinicollis F.
Laricobius Erichsoni Ros. Halysia 12-guttata Poda,
Entomologen welke mij hunne bijdragen voor de Nederl.
Fauna toezonden en niet in mijne Lijst zijn aangeduid:
Agh. . .,.... Pater Aghina, thans te schiedam.
Dreess. .. de heer W. H. Dreessens te St. Odiliënberg
(Ned. Limburg).
Fokk. DNS la Ra KokkerterZierikzee:
Gye Wo. » epe. B Gerth van Wijk te Middelburg.
v.d. Hon. . » » J: van den Honert te Amsterdam.
La F. » » N. La Fontijn te Vlissingen.
Seipg. » » Emile Seipgens te Zutfen.
DW en » » K.N. Swierstra te Amsterdam.
v. Tuin » » H. van Tuinen Hz. te Zwolle.
Veth. Yee re wae Vel -bechvouerdam,
Weyl...
A. J. Weytlandt te Noordwijk.
(Voer de overige verkortingen zie mijne Lijst.)
1) De overige Haltieiden die hier te lande waarschijnlijk voorkomen
spoedig in dit Tijdschrift worden opgenomen,
zullen
OVER DE LEGBOOR
VAN
APHILOTHRIX RADICIS Far.
DOOR
Dr. M. W. BEIJERINCK.
(Plaat 11 -en 12).
Het geraamte van het achterlijf dezer galwesp is op de
volgende wijze samengesteld.
Vooreerst is het welbekend dat er bij de Cynipiden, even
als bij vele andere Hymenoptera, eene diepe insnoering
tusschen thorax en abdomen is gelegen, eene insnoering
die bij nader onderzoek de eerste achterlijfsring blijkt te zijn.
Deze ring bestaat uit één enkel stuk (fig. 4 en 2) en heeft
een harden en dikken wand, waardoor hij een uitnemend
bekleedsel vormt voor de talrijke gewichtige organen, die
door zijne nauwe holte in het achterlijf binnendringen.
Door de zeer aanmerkelijke afmetingen, die de tweede
ring bereikt, vormt hij een scherp contrast met den voor-
gaanden; even als de 5 volgende achterlijfs-segmenten
bestaat hij uit een grooter dorsaal en een kleiner ventraal
gedeelte (fig. 1, 27 en 2). Aan iedere zijde van het dorsale
stuk ligt een rossig haarbosje (fig. 1 en 3, h). De drie volgende
ringen bieden geen meldenswaardige bijzonderheden aan.
Zoo als bij alle achterlijfsringen, zijn ook hier de rugstandige
deelen aanmerkelijk grooter dan de buikstukken, die door
de eersten ten deele omsloten worden; vooral wanneer
het insect de eieren legt is daardoor van het ventrale deel
slechts zeer weinig te zien (fig. 3), behalve van den 6den
OVER DE LEGBOOR VAN APHILOTHRIX ENZ, 187
ring die door het legboor-apparaat naar beneden wordt
gedrukt. De eigenaardige vervorming die de laatstgenoemde
ring heeft ondergaan (fig. 2) staat in verband met zijne
functie om als onderst sluitstuk te dienen van de wijde
genitaal-opening, die geheel buikstandig is en aan de andere
zijde begrensd wordt door het ventrale deel van ring 7
(fig. 4). Twee kleine staafjes (fig. 2, a. v.) zijn op ’t uit-
einde ingeplant; door een vlies zijn zij verbonden en aan
de buitenranden behaard. Ik heb gezien, hoe eene andere
welbekende galwesp (Cynips quercus foli L.) van deze staatjes
gebruik maakt bij het afzetten der eieren. In het begin van
Maart zag ik n.l. het genoemd insect de nog volkomen
gesloten knoppen van Quercus pedunculata nauwkeurig
onderzoeken. Met den kop naar de punt van den knop
gekeerd schoof het met de genoemde buikstaafjes, door eene
eigenaardige beweging van het achterlijf zoo lang heen en
weer, tot zij juist onder een der knobschubben aanlandden,
deze iets ophieven en zoo toegang verschaften aan de fijne
legboor, om het jeugdig blaadje, tusschen de knopschubben
verscholen, te bereiken. De naam van «buiktasters» voor
deze staafjes scheen mij daarom niet ongeschikt.
Eindelijk moet ik nog wijzen op de twee kleine oogvlekjes
(fig. 2, 0) die het uiteinde van den ring versieren en bijv.
bij Cynips Kollar, Hart. zeer in 't oog loopend zijn, ook zonder
beschadiging van het lichaam. Het laatste segment van
het abdomen dat door den anus A (fig. 1 en 4) uitgang aan het
darmkanaal verschaft, is door den 7den ring omsloten,
(fig. 4, 7' en 7°). Het aan den rug gelegen stuk van dezen
ring is van den gewonen vorm, maar het ventrale deel is
uiterst klein en eerst bij nauwkeuriger onderzoeking te
vinden; het stelt als ’t ware het verband daar tusschen de
twee quadratische platen, die nader zullen worden beschre-
ven (fig. 3, Q en fig. 6), en het vormt, om hier nog bij herha-
ling op terug te komen, het analogon van het perineum der
zoogdieren. Nog moet ik hier eene physiologische bijzonder-
heid vermelden, die de beschouwing van het achterlijf mij
188 OVER DE LEGBOOR VAN
ophelderde. Het is bekend dat vele galwespen (zoo ik
mij niet bedrieg doen allen het) een’ eigenaardigen reuk
verspreiden, die vooral bij aanraking als de dieren angstig
worden zeer sterk is; bij geene soort nam ik dit verschijnsel
in hooger mate waar dan bij Aphilothria Radicis en Andricus
terminalis. Over den aard der afgescheiden stof is niets
bekend; de vergelijking met mierenzuur is zeker onjuist;
de geur stemt het meest overeen met die van zekere
terpenen.
Nu bleek het mij al spoedig dat de sterkst riekende in-
dividuen overal op de achterlijfsringen, maar vooral eenigs-
zins naar de buikzijde, met kleine olieachtige droppeltjes
waren bedekt; na eenig zoeken vond ik die droppeltjes
ook tusschen de ringen gelegen, en het vermoeden is nu
zeker niet al te gewaagd, dat hier aan eene afscheiding moet
gedacht worden, geheel te vergelijken met die van het bijen-
was (mijn onderzoek bepaalde zich tot Aph. Radicis).
Plaatst zich het insect in de houding om de eieren af
te zetten (fig. 3), dan heeft er eene verschuiving plaats van
de ringen van het achterlijf onderling, zoodanig dat de anders
zoo moeielijk te tellen ') ringen 5, 6, 7, nu, wat hunne
dorsaaldeelen aangaat, gemakkelijk zichtbaar worden; daar-
entegen omvatten de meer naar voren gelegen rugringen
een zoo groot deel der buikvlakte dat deze ten deele on-
zichtbaar wordt.
De oorzaak dezer verschuiving bestaat nu juist in de
spier-contractie, welke de toenadering der ringstukken ten
gevolge heeft. Natuurlijk wordt hierbij alles wat in het
achterlijf eene kleine verplaatsing toelaat, zoo als het bloed,
de eierstokken enz, zoo ver mogelijk naar achteren gedreven,
en daardoor de uitstulping van het geweldig groote geslachts-
1) Lacaze Duthiers, die even als ik <Aphilothrix Radicis onderzocht, doch meent
dat Cynips quercus foli dezelfde soort is (pag. 27), zegt: » Malgré les dissections les
plus attentives et les plus minutieuses je n’ai pu compter les tergums» (rugringen)
ete. (Récherches sur Varmure génitale femelle des insectes. Paris 1858).
APHILOTHRIX RADICIS FABR. 189
‚apparaat te weeg gebracht. Reeds aan Marcello Malpighi 1)
was de sterke verandering die de lichaamsgedaante daarbij
ondergaat bekend, en hij geeft daarvan eene verdienstelijke
afbeelding.
Met weinig moeite gelukt het om door voorzichtige samen-
drukking van het achterlijf ook aan het gedoode lichaam de
bedoelde legbooruitdrijving op te roepen. In dezen nieuwen
toestand, is het niet moeielijk twee nieuwe chitine-platen te
ontdekken, die zich in het verlengde der rug-segmenten plaat-
sen en onder gewone omstandigheden geheel in het lichaam
verborgen liggen. Zij heeten de langwerpige» -en de
«quadratische plaat» (fig. 3, O en Q). Deze namen zijn
sedert lang in gebruik voor de overeenkomstige deelen bij
de angeldragers, waar zij den vorm der deelen aanwijzen,
hetgeen hier volstrekt niet het geval is. De beide platen
zijn onderling verbonden door de (in fig. 3 onzichtbare,
in fig. 4 en later, door H aangewezen) «hoekplaat »
(Winkelplatte der Duitsche beschrijvingen). Met hare weder-
helften van de andere zijde vormen zij eene soort van
kielvormig lichaam, dat aan het naar onder gekeerde hoek-
punt de angelbasis draagt (fig. 4).
Ik kan niet nalaten hier er op te wijzen hoe de vorm
van al deze platen en de aanhechting van de legboor zelve;
goede kenmerken voor de classificatie zullen opleveren.
Neemt men nu voorzichtig het geheele angel-apparaat
uit het lichaam en snijdt men de vliezige verbinding tus=
schen de rechter- en linkerhelft geheel door, ’t geen zonder
ruwe beschadiging wèl gelukt, dan kan men een nauw-
keuriger beeld van het geheel verkrijgen zoo als dit in fig.
9 is voorgesteld. Vergelijkt men die figuur met fig. 4 dan
blijkt daaruit dat de langwerpige plaat O binnen in het
lichaam bij U vrij eindigt, dat echter de binnenste chitine-lijst
langzaam samenvloeit met de hoekplaat H. Twee andere
lijsten, o en a fig. 4 en de randlijst verloopen over de breede
1) Opera omnia. Lugd. Bat. 1687. De Gallis,
490 OVER DE LEGBOOR VAN
vlakte van het eigenlijk lichaam der langwerpige plaat en
vloeien samen in een verlengstuk aa, dat met eenig recht
canaal-taster » zou kunnen genoemd worden; de inkeeping
bij < en het vliezig bandje v zijn kenmerkend. De kleur
van dit orgaan is zeer intens bruin en de oppervlakte is
kortborstelig. De hoekplaat H is vooral aan de randen verdikt,
nabij de basis is een chitine-arm veld; zij is door het gewricht
a met de oblonge plaat, door d met de quadratische plaat
en door e met het straks te beschrijven stylet verbonden
(fig. 4, s en fig. 5, S). De vorm van de quadratische
platen -eindelijk is het best door vergelijking van de figuren
4 en 6 te leeren kennen. Terwijl de langwerpige platen
door rijke chitine-afzetting sterk verhard zijn, zijn de
quadratische platen meer van vliezige natuur en minder
donker bruin gekleurd; de lijst /. d. en de chitine-verdik-
king k (fig. 7) vallen het meest in ’t oog; de genoemde
chitine-lijst voert naar de gewrichtspan d (fig. 6) waar
de aansluiting met de hoekplaat tot stand komt. Aan het
andere uiteinde dragen de quadratische platen de staafjes
t, die door een chitine-stuk (ch) dat met het ventraal deel
van den 7° ring vergroeid is, zijn verbonden. Eene duide-
lijke beharing bewijst dat ook zij ten minste met hunne
randen aan de lichaamsoppervlakte liggen, hetgeen nog ten
overvloede wordt aangetoond door de éénledige tasters 4,
De voornaamste spieren die bij de beweging van de leg-
boor in ’t spel komen, zijn allen aan deze plaat vastgehecht,
en door hare bewegelijke ligging in het vliezig deel der
lichaamsbekleeding wordt de vervulling van de belangrijke
rol, die zij bij de voortbeweging der eieren door het nauwe
angelkanaal speelt, mogelijk gemaakt.
Voor het juiste begrip van den bouw der eigenlijke leg-
boor is het noodig een blik te slaan op hare ontwikkeling.
Het lichaam der Hymenoptera-larven bestaat met den kop
daaronder begrepen uit 14 segmenten. De 4 segmenten
dieop den kop volgen, worden zoo als algemeen bekend is,
verbruikt tot vorming van den thorax der volkomen insecten.
APHILOTHRIX RADICIS FABR. 491
Hierdoor blijven er 9 ringen over voor het abdomen. Van
dit 9-tal zijn er bij Aphilothria Radicis zoo als boven bleek 7
gemakkelijk terug te vinden, alleen de 1° die tot ’t steeltje
van het achterlijf is geworden en de laatste die den anus
omgeeft (t anaal-blaasje) leveren eenig bezwaar. Nu is uit de
onderzoekingen van Ouljanin '), Kräpelin *) en Dewitz *)
overeenstemmend gebleken dat op de 7° en 8° achterlijfs-
ringen, tegen den tijd dat de larve in poptoestand
overgaat, een 6-tal papillen zichtbaar worden; dääruit,
en uit de ventraaldeelen der betrokken ringen, ontstaat
later het geheele geslachts-apparaat, en wel wat de in-
wendig gelegen deelen betreft door woekering naar binnen
(eierstokken, giftblaas, giftklier, smeerklier), wat daaren-
tegen de uitwendige aanhangselen aangaat door woekering
naar buiten (het legboor-apparaat). Het aantal der genitaal-
papillen bedraagt, zoo als boven werd gezegd, 6. Hiervan
zijn er 4 op den 8", de twee anderen op den 7" ring ge-
plaatst. Nu plaatsen zich de 4 papillen van op één na den
laatsten ring zoodanig, dat weldra de 2 middelsten daarvan
tot één onparig stuk vergroeien, de angelgoot (fig. 4 en 7, 9),
terwijl de beide woekeringen van den 7° ring zich verlengen
tot de twee styletten of steekborstels (fig. 4, s) die over twee
ribben op de angelgoot kunnen heen en weêr schuiven,
zoo als straks nader zal blijken. Het is dus buiten allen
twijfel, dat de 4 genoemde angeldeelen volkomen homoloog
zijn met andere segment-aanhangsels zoo als de vleugels, de
pooten of de sprieten. Wat er wordt van de twee andere
papillen op het 8° achterlijfssegment en waaraan de andere
deelen van de legboor hun oorsprong ontleenen, is nog niet
volkomen vastgesteld, en omtrent het verschil van meening
dat te dien opzichte heerscht (Dewitz p. 198, Kräpelin p.
920), kan ik niet nalaten nog het volgende op te teekenen.
1) Zeitschrift f. wissensch. Zoologie. 1872 (Ref.).
2) Ibid. 1873 pag. 289. Untersuchungen über den Bau, Mechanismus u. Ente
wickelungsgeschichte des Stachels der bienenartigen Thiere. _
8) Dewitz. Ueber Bau u. Entwickelung des Stachels ete. Zeitsch. f. Wissensch,
Zoologie. 1875, pag. 174,
192 OVER DE LEGBOOR VAN
In de leerboeken der zoologie wordt gewoonlijk de vol-
gende morphologische waarde aan het angel-apparaat toege-
kend: de schrijvers stellen zich voor, dat er eene metamor-
phose van ringen heeft plaats gehad, zoo diep ingrijpend
dat daardoor het werktuig in quaestie ontstond. Het eerst
werd eene dergelijke verklaring wetenschappelijk begrond |
door Lacaze Duthiers '); zij schijnt geheel in overeenstem-
ming met het verdwijnen der 7° en 8° ringen; eene verge-
lijking toch der 7 achterlijfsringen van het volkomen insect
met de 9 abdominaal-segmenten der larven toont dit ver-
dwijnen genoegzaam aan. Toch is de opvatting in dezen
vorm onjuist, zoo als de ontwikkelingsgeschiedenis aan
bovengenoemde onderzoekers heeft geleerd. Zij hebben n.1.
gezien hoe reeds in den poptoestand de ventraal-deelen van
deze ringen zich terugtrekken onder het buikschild door
den 6" ring gevormd, daarbij geheel rudimentair wordende
(volgens Dewitz bij Cryptus) of voor een deel bijdragende
tot vorming der hoekplaten en andere deelen (Kräpelin),
terwijl de dorsaal-stukken zich even zoo terugtrekken, van
buiten niet zichtbaar zijn en als smalle rudimentaire, chitine-
arme vliezige banden een deel uitmaken der rugbekleeding
(fig. 4, wy).
Ik keer nu tot den bouw van den angel in volwassen
toestand terug. Ofschoon daarvan slechts 3 deelen zijn waar
te nemen, die op eigenaardige wijze met elkaar samen-
hangen, is het toch uit de bovengenoemde ontwikkelings-
geschiedenis gebleken, dat het oneven stuk uit de vergroeiing
van twee onderdeelen is ontstaan, en het is daarom niet
verrassend, bijv. in ’t geslacht Tenthredo de geheele zaag uit
4 vrije deelen samengesteld te vinden. Vervolgt men deze
angelgoot tot aan het punt van aanhechting in het lichaam,
dan blijkt zij alleen samen te hangen met de langwerpige
plaat, maar daarmede is zij door twee verschillende inrich-
tingen verbonden. Vooreerst (fig. 5) draagt haar sterk ge-
1) Récherches sur Varmure génitale femelle des Insectes. Paris 1853.
APHILOTHRIX RADICIS FABR. 193
zwollen en met een traliewerk te vergelijken uiteinde
aan de beide zijden een klein gewrichtshoofd h, dat in de
uitholling van den sterk verdikten chitine-rand der oblonge
plaat past, maar verder worden er twee cchitine-bogen» B.
(fig. 5) gevonden, die blijkbaar de voortzetting zijn van
den hier eindigenden rand der oblonge plaat en in de goot
overgaan; vervolgt men ze tot zoo ver dan ziet men hoe
de beide bogen (in de figuur zijn zij even als de geheele
kleppentoestel uit elkander geslagen) aan de naar elkaar
toegekeerde vlakten met borsteltjes zijn begroeid, waardoor
zij als ’t ware in elkander haken op dezelfde wijze als de
voor- en achtervleugels der wespen en bijen. Verder naar
achteren blijken zij het te zijn, die de twee ribben of
railvormige stukken (fig. 5 en 7, rr.) waarover de styletten
heen en weêr glijden, vormen. Uit fig. 7, die eene dwarse
doorsnede van den geheelen angel is, is de gedaante van
het gootvormig stuk in het verder verloop te bepalen.
Van de vergroeiingslijn der oorspronkelijke onderdeelen is
niets meer zichtbaar en eene (met bindweefsel los gevulde)
holte A” verloopt door hare geheele lengte; aan het vrije
uiteinde is zij naar beneden gebogen (fig. 4, g), niet doorboord
en van 3 zwakke kerfjes voorzien (fig. 3), eene merkwaardige
eigenschap der Cynipiden, wanneer men bedenkt dat bij alle
andere daarop onderzochte Vliesvleugeligen juist de stylet-
ten van weerhaken of insnijdingen zijn voorzien en het
gootvormig stuk geheel gaaf blijft. In de holte H’ zijn twee
fijne tracheën gelegen. De vorm der styletten of steekbor-
stels (fig. 7, s) is ook het best uit de dwarsdoorsnede af te
leiden. Het blijkt dat ook zij geheel hol zijn zonder echter aan
het eind doorboord te wezen; in het dus gevormd kanaal
is ééne luchtbuis gelegen. De verbinding der styletten met
het inwendig geraamte is zeer merkwaardig. Uit fig. 5 toch
blijkt dat elk stylet uit een versmelting van 3 fijne staafjes
bestaat, waarvan 2 (fig. 5) vrij in ’t lichaam eindigt, terwijl
4 en 3 samenhangen met het hoekstuk h; het gewrichts-
hoofd van 4 vertoont beharing. Na hunne versmelting
13
19% OVER DE LEGBOOR VAN
vormen zij aanvankelijk één smal plaatje, dat eerst op
eenigen afstand van de plaats der inplanting de eigenaardige
gedaante krijgt die in fig. 7 is afgebeeld op de dwars-
doorsnede.
Men ziet in deze figuur hoe aan de bovenzijde der sty-
letten eene groeve of gleuf aanwezig is, welke nauwkeurig
past op de ribbe van het gootvormig stuk en alleen daar-
langs kan verschuiven zonder dat eene zijdelingsche ver-
plaatsing mogelijk is.
Geen spoor van twijfel kan er bestaan omtrent den weg
dien het ei moet volgen, ofschoon hierover langen tijd onze-
kerheid heeft geheerscht. Boven is n. l. opgemerkt dat de
holten H’ en hh (fig. 7), die respectievelijk de angelgoot en de
styletten doorboren, met bindweefsel zijn gevuld en boven-
dien blind eindigen; er blijft dus niets anders over dan
het kanaal k, boven door de goot, terzijden door de steek-
borstels begrensd. Mocht men hiertegen eenig bezwaar
maken op grond van de uiterste fijnheid van dit kanaal
(de teekening 7 is naar 650-malige lin. vergrooting), dan
bedenke men hoe alle galwespeieren (ook die der inquilinen)
van lange stelen zijn voorzien (het eerst door Hartig waar-
genomen), die in een blaasje eindigen waardoor de ei-inhoud
verplaatsbaar is, en dat verder door de wijze van aan-
hechting der styletten eene zwakke draaiing daarvan om de
ribben en dus eene verwijding van het kanaal k mogelijk is.
Van den bouw der eigenlijke voortplantingswerktuigen,
die der eierstokken als bekend veronderstellende, moet ik
thans nog melding maken van de bijkomende klieren.
Zoo als bij alle daarop onderzochte Vliesvleugeligen, bezit-
ten ook de galwespen eene giftklier (fig. 8 A, gl. v.) die
bij oppervlakkige microscopische beschouwing volkomen op
een Malpighisch vat gelijkt. Vergroot men echter een gedeelte
sterk (fig.8, B) dan verkrijgt men eene geheel andere uitkomst.
Het kanaal dat men geneigd was te houden voor eene
holte, door celuiteenwijking gevormd, blijkt een bruinachtig
eylindrisch buisje te zijn (B, k.) van chitine, waarin een
APHILOTHRIX RADICIS FABR. 195
groot aantal zeer korte zijkanaaltjes uitkomen, die af-
komstig zijn uit druiventrosvormige secundaire kliertjes,
welke het secreet afzonderen (het eerst bij andere Hyme-
noptera in 1846 door Meckel gezien). De afgescheiden stof
vloeit nu naar de giftblaas vs, die met het boven beschre-
ven angelkanaal in verband staat; bij het leggen van elk
ei wordt een droppeltje dezer vloeistof door het kanaal
geperst en daardoor het ei ongetwijfeld vooruitbewogen.
Verlaat het ei het kanaal, dan wordt het achterna gestuurde
droppeltje zichtbaar, een verschijnsel dat reeds aan Malpighi
bekend was. Bij individuen van Cynips Kolari, die in
Augustus uit hunne gallen waren gekomen, gelukte het
mij om door drukking van het achterlijf de vloeistof uit
de zeer groote giftblaas zonder beleediging van het insect
voor den dag te brengen. Zij trad als eene gelei naar buiten,
die spoedig aan de lucht verdroogde tot een volkomen door-
schijnend glashelder staafje. Zure of alcalische reactie be-
speurde ik niet !); onder de huid veroorzaakte het geen
irritatie en op de tong bleek het smakeloos te zijn; deze
eigenschappen komen niet overeen met het vergif der
Aculeaten ?), maar hoe de verhoudingen in het vroege
voorjaar zijn, wanneer de insecten hunne eieren afleggen,
kan ik nog niet beoordeelen. Dat nu een dergelijke gift-
droppel ook in het weefsel der planten bij het onderbren-
gen der eieren wordt gevoerd, is zeer natuurlijk, maar
het komt mij tegenwoordig eenigszins twijfelachtig voor of
zij bij de Galwespen de eenige werkende oorzaak is bij de
galvorming, terwijl dit voor de Zaagwespen hoogst waar-
schijnlijk wel het geval is; hierover echter elders.
Ten laatste blijft mij nog over, eene andere accessoire
klier, die bij de Hymenoptera algemeen voorkomt, te ge-
1) Latere aanteekening. Deze galwesp vond ik in den aanvang van Mei hare
eieren leggende in gesloten knoppen; toen ik een giftblaasje, dat nog slechts weinig
inhoud bevatte, op blauw lakmoespapier verscheurde, werd dit rood.
2) Volgens Doenhof (Biezenzeitung XIV, 17) is dit eene solutie van eiwit in
mierenzuur.
196 OVER DE LEGBOOR VAN
denken. Het is de zoogenoemde smeerklier. Hier moet ik op
eene bijzonderheid wijzen, waardoor de Galwespen een eigen-
aardig standpunt innemen, bij vergelijking met de andere ver-
wante groepen. Overal in anatomische beschrijvingen vindt
men n. L vermeld, dat de smeerklier onparig voorkomt,
terwijl het mij voor 3 verschillende soorten van Galwespen
is gebleken dat zij daar parig is en wel zich voordoet in
den vorm van twee zeer kort gesteelde melkwitte zakjes
die aan de angelbasis uitmonden (fig. 8, gl. s). De inhoud
dezer klieren was in Augustus en September een groot
aantal geelachtige moleculen, zoo groot dat de Browniaansche
beweging daarvan nauwelijks zichtbaar was. Of zij werke-
lijk er toe dienen om de ribben van de angelgoot te
smeren, opdat de steekborstels gemakkelijk daar langs zou-
den kunnen schuiven, laat ik in het midden, zoo als ook
de chemische eigenschappen der afgescheiden zelfstandig-
heid, aan wier vetnatuur ik evenzeer twijfel als aan die
van het dusgenoemde «vetlichaam» der insecten.
De bewegingen die de geheele uitwendige legboor kan
volbrengen zijn veelzijdig. Behalve eene verplaatsing der
deelen onderling, waarop boven herhaaldelijk werd gewezen,
kan het geheele werktuig eene draaiing om zijne lengte-as
ondergaan, die zeer aanmerkelijk is (hiertoe dient de
spier van fig. 4, M, die boog en quadratische plaat verbindt);
verder eene zwakke buiging naar rechts en links (door eene
spier N, die het gewrichtshoofd van het helmvormig stuk
der goot met den boog verbindt). Deze bewegingen worden
geregeld door de twee elastische plaatjes KE’, die van het
genoemde helmpje uitgaande, zich inplanten op de hoekplaat
en de langwerpige plaat. De spieren M, N en O zijn de
gewichtigste motoren van de steekborstels met behulp van
de hoekplaat. Het is toch duidelijk dat wanneer de spieren
Oen M zich samentrekken terwijl N nalaat of verslapt, dat
dan de hoekplaat rondom het gewricht a zal draaien en het
daaraan bevestigd stylet s zal worden naar binnen getrok-
ken, en omgekeerd, De uitstulping van de geheele legboor
APHILOTHRIX RADICIS FABR. 497
wordt, zoo als in den aanvang reeds werd aangeduid, niet
door directe contractie van daartoe aangewezen spieren,
maar indirect door verplaatsing van den lichaamsinhoud
bewerkt.
Verklaring der Figuren !).
Allen ontleend aan Aphilothrix Radicis Fabr.
Fig. 4. Het achterlijf van terzijde. — De nummers duiden
de rangorde der ringen aan; d dorsaal-, v. ven-
traal-deelen.
a.v. Buikstaafjes van den zesden ring.
a.a. Taststaafjes van de langwerpige plaat.
A. Anus.
h. Haarbosje van het dorsaal-deel van ring 2.,
Fig. 2. Ventraal-deelen der 6 eerste achterlijfsringen vlak
uitgespreid.
o. Oogvlekjes.
1. Het eerste ringvormige segment bekleedt het
steeltje; de dwarslijn beduidt de verdeeling in
dorsaal en ventraal gedeelte.
Fig. 3. Houding der galwesp bij het leggen der eieren.
O de langwerpige plaat.
Q de quadratische plaat.
H de hoekplaat.
Fig. 4. Schema van het achterlijfsgeraamte.
x.y. De dorsaal-stukken van de rudimentaire achter-
lijfsringen, wier ventraal-deelen het legboor-appa-
raat hebben helpen vormen.
A. De anus.
ch. De chitine-lijst die de staafjes ¢ der quadratische
platen verbindt.
1) In de verschillende figuren zijn de overeenkomstige deelen door dezelfde
letters aangewezen; voor de hier niet verklaarde letters, zie men den tekst,
198
OVER DE LEGBOOR VAN APHILOTHRIX ENZ.
hae
Fig.
2
5
ns
US.
Taststaafjes der quadratische plaat.
. Eenledig tastervormig aanhangsel.
Gewricht tusschen hoekplaat en quadratische plaat.
Elastisch vliesje tusschen quadratische en lang-
werpige plaat.
Gewricht tusschen hoekplaat en langwerpige plaat.
De angelgoot.
De steekborstel.
. Aanhechting van de legboor aan hoek- en lang-
werpige plaat.
Uiteinde der langwerpige plaat in het lichaam.
De binnenrand vloeit samen met de hoekplaat.
Steekborstel uit 3 staafjes vergroeid 1, 2, 3.
. De bogen die naar onder overgaan in de
. ribben van het
gootvormig stuk,
het helmpje,
de gewrichtshoofden daarvan met de langwerpige
plaat.
Dwarslijst analoog met het zoogenaamde « vork-
been » der overige Hymenoptera, hier ontbrekend.
. De quadratische platen, naar buiten uitgeslagen.
. Dwarsdoorsnede van den angel.
h. h. de holten die bindweefsel en tracheen
voeren. (Vergrooting 650).
De goot uit twee stukken vergroeid.
. De styletten met groeven voor het opnemen der
ribben 7.
. A. De giftklier (gl.v.) en de smeerklier (gl. s.).
De giftblaas.
. Stukje der giftklier vergroot.
VERBETERING.
Bladz. 30 regel 15 staat: Pl.
lees: PI.
16.
18.
JF Wfec.
Javaansche Heterocera.
AJW sculps.
15 a.
J.F W.fec. AJW. sculps
Javaansche Heterocera.
tf
PISE
18.
Javaansche Heterocera.
mo
A. Epeira Caput lupi Dol. Nat. gr.
B. Spin-cocon, Amboina Dol. Nat.gr.
Machaerium maritimum Hal.
ELE
FW. fec A UW. sculps
Atchineesche Lepidoptera.
er
« in
. È Er
b o : Pos -
= sì ~ >
- rl >
1 0 a int » =
= u :
- i fi 3
Ng, ae »
ad Li N
¥ i
E N
n / a
si È 7 1
f A
1 Pi
he i 5
k a
© r a > 228 Le
= cali |
Pa 4
A N} 13 2
= < | .
Pa 7
0
di u 6 L
eo
* _
r
14 ”
A 9 n |
È = J A
i En sa
2 ori >
x
4
.
x
.
wi
7
bare
gars
Fr LI
Paz
“ È
PING:
JEW. fec
Atchineesche Lepidoptera.
Ts
EN
er
FA
d.
Piaget fec AJW. sculps.
Nirmus asymmetricus N.
|
me p
S.v.V. fec.
Inlandsche Hemiptera.
AJM. sculps.
j
gt pu u
à le "A 4
hi bea
a
Dv. V. fec.
8.
A At
SAY un :
IN 111 \ Jr
NS / A | ## %
NL fe aaa ea è
En
Inlandsche Hemiptera.
Inlandsche Hemiptera.
kr
1 fi .
( # 1
È ï
3; | n) È i
i
| ù
igen © >
‘ Mi I
oy
= pi u
# ì
À LA =
= v
A Ù
x
y i
= er =
i Ù u
n at
te x {
=
A 1
n R Ow x eh,
NAT ti
. À i E
A i ;
y i
‘ \
ß \ SI]
Inlandsche Hemiptera
10.
SSL
MET
casse
ZA i x
M.W.B. del. |
Legboor van en ge Radicis F. A.JW. sculps
i
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR È
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGINCHE VEREENIGING
' ONDER REDACTIE VAN
. Mr. W. ALBARDA
Mr. 8. GC. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
F. M. VAN DER WULP
TWINTIGSTE DEEL
JAARGANG 1876—77
É. sz Aflevering
SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
4877
TIJDSCHRIET VOOR ENTOMOLOGIE
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Mr. W. ALBARDA
| Mr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
F.:M. VAN DER WULP
x
| Z
EWINTIGSTE DEEL _ ER Pa,
a
JAARGANG 1876—77
2* Aflevering
SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1877 .
BE
Rz
EN Re
i rl
a 6
er DINI
IR
TIJDSCHRIFT VOOR ENTONOLOGIE —
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGINCHE VEREENIGING
ONDER-REDACTIE VAN
Mr. W. ALBARDA
Mr. 8. G. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
F. M. VAN DER WULP
TWINTIGSTE DEEL
JAARGANG 1876—77
3* Aflevering
NAALD
’SGRAVENHAGE
On MARTINUS NIJHOFF
1877
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Mr. W. ALBARDA
Mr. 8. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN
EN
F. M. VAN DER WULP
TWINTIGSTE DEEL
JAARGANG 1876— 17
ae
DEA
n me
je . Or ee
4° Aflevering erba:
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
4877
y x La
EEA NS
AA
QT Ye"
REC
xi CRI
|
CS ee.
af
i asd,
Im
ers Fre er
Fa - PES TER
SE pent Le