PAST EU
gere on
mda Do
CAE
cme te
"mandato
BT
ge Dg
NE dte enn
neg he
ne pe
BEER Be See
ne ark ~
PT mega ei e
ER IC DE IA RENTE
]
Mi
_
pa
>
=
a ns
5 n
ET ET o gen behand viti we ED u
no > pee ne ere acne ET, Solan) ne
=
en
erge
pee Sue at
oe
Cw, ae
U es AP, ih
CAT
siga
EL
ae
he
cee
Nt
NS,
4°
att, | A
a
Hs My | AU
il
Tea + Pe ihe NI)
N NUE mi
BERK VAN DER WEE
(a À . Pao!
VOM hol MRO A AF
A
ni Nb Le 3
Lai” î ct
? î f L vi | À mp
' 9 i id
* vay A PL ®
sn i i PI Mw gr
[ne
AEEA rer \ un va
| em y: | à cH È a \
A iva | uni i, DI) re
PEN EN MAN: awe en
POM
sige. | 1}
Mudd dI,
a 2
—_—
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DEENEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
F. M. VAN DER WULP
EN
Jur. Dr. Ep. J. G. EVERTS
ZES EN TWINTIGSTE DEEL
JAARGANG 1882—83
Lo
SUN” "1a ibe
vun er
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1883
GEDRUKT BIJ GEBR. GIUNTA D’ALBANI.
INHOUD
VAN HET
ZES EN TWINTIGSTE DEEL.
Verslag van de 37° Zomervergadering der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging, gehouden te Wageningen op
1 July {1882 7.2 »
Lijst van de Leden der Nederl. Entomologische Vereeniging
op 1 Julij 1882 .
Bibliotheken der Nederl. Entomologische Vereeniging ; bijge-
komen boeken van 1 September 1881 tot 31 Julij 1882.
Entomologische inhoud van ontvangen Tijdschriften
Handleiding voor het verzamelen, bewaren en verzenden van
uitlandsche insecten .
Verslag van de 16% Wintervergadering der Nederl. Entomo-
logische Vereeniging, gehouden te Leiden op 14 Januarij
1883 .
F. J. M. Herraerts, Les Macrolépidoptères de Breda et
de ses environs. Liste supplémentaire N°. 8 (Captures de
1877—82) .
F. M. van per Worp, Amerikaansche Diptera (vervolg en
slot). Hiertoe Pl. 1 en 2 .
Prof. J. O. Westwood, Descriptions of some new exotie Cole-
optera. With PI. 3, 4 and 5
Mr. E. A. pe Roo van Westmaas, Boekaankondiging: De
Vlinders van Nederland (Microlepidoptera) systematisch
beschreven door P. C. T. SneLLEN. 2 din. Leiden 1882.
Jhr. Dr. Ep. Everrs, Bijdrage tot de kennis der in Neder-
land voorkomende Haliplidae . . . . . +
Bladz.
XXXIV
XL
LV
XCI
CXXXI
CXLIX
61
78
87
Dr. A. W. M. van Hassett, Boekaankondiging: Over den
bouw der geslachts-organen bij de Phalangiden, door HENRI
W. pe Graar. Leiden 1882
F. M. van per Wuze, Mydaea (Spilogaster) Angelicae Scop.
en urbana Meig. .
Lepidoptera van Celebes, verzameld door Mr. M. C. PıEpeErs,
met aanteekeningen en beschrijving der nieuwe soorten,
door P. C. T. Sxezzen. Hiertoe PI. 6, 7 en 8 .
E. Pracer, Boekaankondiging: O. Taschenberg, Die Mallo-
phagen mit besonderer Beriicksichtigung der von Dr. Meyer
gesammelten Arten systematisch bearbeitet. Mit 7 Tafeln.
Halle. 18825 ab
E. Prager, Quelques Pédiculines nouvelles ou peu connues
(BL Oder
Prof. H. WEYENBERGH, Bijdrage tot de kennis der Zuid-
Amerikaansche Ephemeriden (Pl. 10)
F. M. van DER Wurr, Opmerkingen betreffende Tipuliden
(EL +0)
Nieuwe of weinig bekende Microlepidoptera van Noord-Azie,
beschreven door P. C. T. SwneLLEN, met afbeeldingen
(Pl. 11, 12 en 13) door Dr. J. van LEEUWEN Jr.
Dr. A. W. M. van Hassett, Kleine Entomologische Mede-
deelingen. N°. VIII. Bijdrage over de nesten der zoogenaamde
melselspinnen =... 0 E a ra
Mr. A. J. F. Fokker, Catalogus der in Nederland voor-
komende Hemiptera. Eerste gedeelte, Hemiptera Heteroptera.
Verbeteringen
Register.
Bladz.
104
116
119
145
152
159
175
181
229
234
251
253
wy. ee EG:
__ TUDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
F. M. VAN DER WULP
EN
| JR. Dr. En. J. 6) EVERTS
ZES EN TWINTIGSTE DEEL
JAARGANG 1882—83 °
ee. [Ly
Eerste Aflevering “È 7.
NC N hei oF
’S GRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
VERSLAG
VAN DE
ZEVEN-EN-DERTIGSTE ZOMERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE WAGENINGEN,
op Zaturdag 1 Julij 1882,
des morgens ten 10 ure.
Voorzitter : de heer Dr. J. Ritzema Bos.
Verder tegenwoordig de heeren: Dr. M. W. Beijerinck, H. Bos,
Mr. A. Brants, J. F. G. W. Erbrink, Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts,
A. J. F. Fokker, H. W. Groll, Dr. A. W. M. van Hasselt, Dr.
F. W. O. Kallenbach, J. Kinker, Mr. A. F. A. Leesberg, J. W.
Lodeesen, A. C. Oudemans Jsz., J. F. Oudemans, C. Ritsema Cz. ,
K. Bisschop van Tuinen Hz. en F. M. van der Wulp.
De heer P. C. T. Snellen is wegens ongesteldheid afwezig. Van
de heeren Henri W. de Graaf, Dirk ter Haar, J. Jaspers Jr.,
Dr. E. Piaget en Dr. J. G. H. Rombouts is berigt ingekomen,
dat zij verhinderd zijn de vergadering bij te wonen.
De Voorzitter voornoemd opent de vergadering met eene korte
toespraak , waarbij hij voor de eer zijner benoeming dank betuigt
en de opgekomen leden welkom heet.
Hij vraagt of iemand der aanwezigen ook eenige aanmerking
heeft op de notulen der beide vorige vergaderingen (te Maastricht
1
IT VERSLAG.
op 23 Julij 1881 en te Leiden op 15 Januarij 1882), zooals die
notulen zijn vervat in de gedrukte verslagen, die aan de leden
zijn rondgezonden. Door niemand wordt echter deswege het woord
verlangd.
De President van het Bestuur, Dr. A. W. M. van Hasselt,
brengt hierop het volgende jaarverslag uit:
«Mijne Heeren, zeer geachte medeleden!
«Ingevolge de verpligting, op mij rustende, om het jaarlijksch
algemeen verslag omtrent onze Vereeniging uit te brengen, ver-
heugt het mij geen Jobsbode te moeten zijn, maar U de blijde
boodschap te mogen brengen, dat zij, wat haar arbeidsvermogen
betreft, in gunstigen toestand verkeert. Al behelst die mededeeling
voor U geen groot nieuws, toch mag zij met dankbaarheid worden
begroet. Immers wanneer men het oog vestigt op zooveel goeds
en schoons, wat om en nevens ons bezwijkt of ondergaat, dan
moeten wij tevreden zijn, dat onze vriendschappelijke en weten-
schappelijke corporatie, steeds onverzwakt en ongestoord, den
strijd des levens weérstaat. Al moge onze Vereeniging, in ons
kleine land, niet vatbaar zijn, naar ’t schijnt, voor eene belang-
rijke toeneming of uitbreiding, het is reeds van groote beteekenis,
dat zij voortdurend een zoo lang tijdperk van bloei mogt en mag
beleven. Dank dus aan zoo velen, ja aan U allen, die op ver-
schillende wijze en in onderscheidene mate daartoe medewerken.
Ik geloof ook uit Uw aller naam te spreken, zooals ik doe in den
mijnen, wanneer we dien inzonderheid toebrengen aan onzen vice-
praeses, secretaris, penningmeester en bibliothecaris, van wie ge
met mij zult toestemmen, dat zij «onverbeterlijk best» berekend
zijn voor hunne taak, en daarbij altijd volvaardig en welwillend
worden bevonden, ieder onzer met hun goeden raad en daad ter
zijde te staan.
«Even als in al wat ons omgeeft onvermijdelijk blijkt, heeft
ook dit jaar onze Vereeniging weder eenige mutatie doen ondergaan.
5
Vooreerst ontviel ons de heer Jules Putzeys, corresponderend
VERSLAG. TIT
lid te Brussel, aldaar in Januarij jl. op 72-jarigen ouderdom over-
leden. Hij bekleedde niet alleen de aanzienlijke betrekking van
Secretaris-Generaal bij het Belgische Ministerie van Justitie, maar
was ook Curator van het Koninklijk museum van natuurlijke
historie daar ter stede. Als zoodanig reeds voorstander der zoologie ,
werd vooral de entomologie door hem met ijver beoefend. De
Coleoptera inzonderheid maakten zijne lievelings-studie uit, en in
de kennis van de familie der Carabici stond hij zeer teregt als
autoriteit bekend. Vele stukken in de Awnales de la Société ento-
mologique de Belgique en in de Stettiner entomologische Zeitung ge-
tuigen van zijn werkzaam streven op dit gebied. — In de tweede
plaats hebben wij het overlijden te betreuren van twee onzer
gewone leden, de heeren J. Backer te Oosterbeek en Dr. J. G.
Ploem in Nederl. Indie. — Eerstgenoemde was sedert eene reeks
van jaren aan onzen kring verbonden, ofschoon hij slechts zeer
zelden onze vergaderingen bijwoonde; even als wijlen zijn vader,
dien onze oudste leden zich nog wel zullen herinneren, was hij
een ijverig verzamelaar van inlandsche Lepidoptera. — Dr. Ploem
daarentegen was eerst sedert 1880 toegetreden. Limburger van
geboorte, wijdde hij zich reeds op jeugdigen leeftijd aan de mili-
taire geneeskundige dienst in Indie en was in de laatste jaren,
na tot de burgerlijke praktijk te zijn overgegaan, aan het gezond-
heids-etablissement te Sindang-laja in de Preanger regentschappen
geplaatst. Hij stierf aldaar in December des vorigen jaars, op nog
slechts 46-jarigen leeftijd, kort na zijn’ terugkeer van eene reis
over Java, ten einde een onderzoek in te stellen naar voor de
cultures schadelijke insecten. Ofschoon eerst in den aanvang zijner
entomologische studien verkeerende, en nog niet op de door hem
vurig gewenschte hoogte, om den insecten-rijkdom der hem omrin-
gende tropische natuur in bijzonderheden te kunnen omvatten , had
hij daarvoor eene groote voorliefde opgevat, en was ook hij een
vlijtig verzamelaar. Hiervan getuigen verscheidene belangrijke toe-
zendingen, door hem aan onze geachte medeleden W. Albarda en
Swierstra gedaan. Lieten die bezendingen voor alsnog, wat zijne
wijze van conserveren betreft, veel te wenschen over, bij zijn
IV VERSLAG.
goeden wil zou daarin voorzeker weldra verbetering gekomen zijn.
Zijn dood is dus als een groot verlies te betreuren, zoowel voor
onze Vereeniging als voor de entomologische wetenschap in ’t alge-
meen, daar nu reeds, — gelijk de heer Albarda van hem ge-
tuigt, — «menig nieuw insect door hem werd ontdekt, terwijl
«onder de door hem gezonden insecten verscheidene Lepidoptera
«en anderen slechts op eene gunstige gelegenheid wachten om te
«worden bewerkt, met het vooruitzigt dat zich daaronder belang-
«rijke voorwerpen zullen bevinden, even als onder eenige, in
«papier gewikkeld, die nog uit O. Indie, door den broeder des
«overledenen, zullen worden nagezonden. »
« De sterkte van ons werkend ledental hier te lande hadden wij
eerst gehoopt onverminderd te zullen blijven. Immers tegen twee
leden, die voor hun lidmaatschap hebben bedankt, — de heeren
J. H. Vallen bij Roermond en A. W. Carrière Jr. te ’s Graven-
hage, — hebben zich twee anderen aangemeld, wier naam en
betrekking ons een waarborg schenen, dat zij eene meer blijvende
belangstelling in onze Vereeniging zouden toonen dan de beide
afgetredenen, die wij, tot ons leedwezen, zelden of nooit onze
vergaderingen zagen bijwonen. In de twee «nieuwe» leden be-
groette het Bestuur met ingenomenheid waardige opvolgers. Het
waren de heeren Dr. A. A. W. Hubrecht, destijds Conservator aan
’s Rijks museum van nat. historie te Leiden, thans benoemd tot
Hoogleeraar in de dierkunde aan de Rijks-universiteit te Utrecht,
en H. Bos, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool te Wageningen.
Dit vermoedelijk, quantitatief evenredig, qualitatief zelfs batig te
achten saldo mogten we nogtans niet geheel verwezenlijkt vinden.
Eerstgenoemde toch, de heer Hubrecht, heeft sedert, tot onze niet
geringe teleurstelling, reeds weder afstand gedaan van zijn lidmaat-
schap, zelfs nog vóór wij de eer mogten hebben, zijn’ naam op
onze jaarlijksche «lijst der leden» gedrukt te zien. Ons tweede,
nu eenige, wezenlijk «nieuwe» lid, de heer Bos, is, onder deze
omstandigheden van wisselende winst en verlies , thans als cunicum» ,
ons daarom dubbel welkom, en wij wenschen hem en ons zelven
geluk met zijne, naar wij vertrouwen, goed gemeende toetreding
VERSLAG. V
tot onzen, aan de zoo geliefde entomologie gewijden vriendenkring!
«De toestand onzer bibliotheken blijft bevredigend. Van
lieverlede neemt haar omvang zoodanig toe, dat wij in het volgend
jaar het fonds van het Tijdschrift voor Entomologie, — waarvan
dit jaar slechts enkele deelen zijn verkocht, — naar eene aan-
grenzende kamer zullen dienen over te brengen, waarmede dan
de aankoop der benoodigde boekenrekken verbonden zal zijn.
«Behalve met het inbinden der vervolgwerken en enkele anderen ,
wordt met den ruil van ons Tijdschrift geregeld voortgegaan, en
heeft zelfs de laatste weder eenige uitbreiding gekregen.
« Geschenken ontving de bibliotheek der Vereeniging, — met
groote erkentelijkheid, — van de heeren W. Albarda, C. Berg, A.
Preudhomme de Borre, G. Dimmock, A. Fauvel, M. ’s Grave-
sande Guicherit, R. Mac Lachlan, A. F. A. Leesberg, F. V.
Haydn, J. Mac Leod, J. Lichtenstein, J. G. de Man, F. Moore,
A. G. Oudemans Jsz., O. M. Reuter, C. Ritsema Cz., S. H.
Scudder, T. Thorell, H. Weyenbergh en F. M. van der Wulp, —
alsmede van de Engelsche Regering, van het Bestuur der Argen-
tijnsche republiek en van het Geographisch genootschap aldaar,
van het Aardrijkskundig genootschap in Nederland , van het Zeeuwsch
genootschap te Middelburg, van ’s Rijks Landbouwschool te Wage-
ningen, van de Smithsonian Institution te Washington, van de
Boston Society of nat. history, en van de Zweedsche akademie
van wetenschappen te Stockholm.
« Aangekocht werden, 0. a., voor de oorspronkelijke bibliotheek :
the Journal of Entomology, compleet in twee deelen, welk werk
eene groote leemte aanvult, die vroeger in de reeks onzer Tijd-
schriften bestond; en voor de bibliotheek Hartogh Heys: het
onlangs verschenen tweede gedeelte van de VZnders van Nederland ,
de Microlepidoptera bevattende, van de hand van ons medelid P.
C. T. Snellen.
« Wat laatstgenoemd werk 1!) betreft, is het mij aangenaam er
1) Dit is thans (1882) compleet, in twee deelen groot 8vo., van 1197 blad-
zijden en met 14 platen, waarop bijna 500 afbeeldingen. Uitgever E. J. Brill
te Leiden. Prijs f 15.—.
VI VERSLAG,
op te wijzen, dat de talentvolle schrijver daarmede de kroon heeft
gezet op de volledige behandeling onzer inlandsche Schubvleugelige
insecten, aan welker kennis hij vele jaren heeft gearbeid op het
voetspoor van en in voortdurende vereeniging met ons geacht
medelid Mr. H. W. de Graaf, die daaraan de eerste hand had
gelegd in de Bouwstoffen voor cene Fauna van Nederland. Het be-
hoeft hier ter plaatse voorzeker geen uitvoerig betoog, dat Snellen’s
arbeid bij ons te lande door de beoefenaars der Lepidopterologie
als een waar standaardwerk wordt beschouwd, en dat het, vooral
met het oog op de zoo moeïelijk te behandelen micro's, algemeen
geacht wordt onovertroffen te zijn, en dit niet alleen in, maar ook
buiten de grenzen van ons vaderland. Tot staving van dit laatste
doet het mij goed, de volgende zinsnede te mogen aanhalen uit
een onlangs aan onzen Secretaris gerigt schrijven van ons Eere-
lid H. T. Stainton te Londen: «I must also congratulate your
«illustrious Compatriot on his magnificent work on the Microlepi-
cdoptera of the Netherlands.» Dit eervol getuigenis van de eerste
autoriteit op dit gebied in Groot-Brittannie acht ik voor onzen
vriend van zoo hooge beteekenis, dat gij allen, met mij, hem
daarmede van harte zult willen geluk wenschen.
cDe toestand van de kas der Vereeniging is over het geheel
vrij goed te noemen, maar verkeert toch in een’ minder gunstigen
staat dan tijdens het uitbrengen van het voorgaande jaarverslag.
De rekening en verantwoording van onzen «onbetaalbaren » Pen-
ningmeester zal U zoo aanstonds daarover de noodige inlichtingen
verschaffen. Ten gevolge van eene buitengewone ontvangst, — de
opbrengst der insecten-collectie, in den nu afgeloopen jaarkring , —
sluit onze algemeene kas, voor alsnog, met een « batig » saldo,
even als het vorige jaar. Insgelijks mag voor het fonds ter uitgave
van het Tijdschrift, voor het oogenblik, op eenig « plus » worden
gewezen, doch zal dit weldra waarschijnlijk grootendeels benoodigd
zijn tot voldoening van de rekeningen wegens het graveren en
kleuren der platen, die nog niet ingekomen zijn. Daarentegen is
de Penningmeester voor de bibliotheek B wederom in voor-
schot, en zelfs nog iets meer dan een jaar geleden,
VERSLAG, VII
« Zooals meermalen bij het ontvangen der afleveringen blijkt , wordt
de uitgave van het Tijdschrift geregeld voortgezet, onder de uit-
nemende bezorging van onzen van der Wulp, die wel eene afzonder
lijke vermelding van de Redactie-commissie , als haren eigenlijk ge-
zegden Hoofd-redacteur, verdient. Van deel XXV zijn reeds de drie
eerste afleveringen met 10 platen verschenen. Ofschoon in den regel
aan buitenlandsche entomologen niet kan worden vergund, hunne
stukken in ons Tijdschrift opgenomen te zien, vooral niet wanneer
daaraan vele afbeeldingen moeten worden toegevoegd, heeft Uwe
Redactie eenstemmig gemeend, ditmaal enkele zoodanige, bij uit-
zondering, te moeten toelaten. In de eerste plaats is dit geschied
voor eene verhandeling, met 5 platen, van ons hoog gewaardeerd
Eerelid, Professor Westwood, niet alleen wegens de buitengewone
wetenschappelijke waarde, daardoor aan het Tijdschrift bijgezet,
maar vooral ook dewijl de beroemde schrijver daarmede ten doel
had, de nagedachtenis van zijnen en onzen vriend Snellen van
Vollenhoven te huldigen, als «a monument dedicated to his memory ».
Een paar andere kleinere opstellen van uitlandsche entomologen ,
— den Abt de Marseul en Dr. Schaufuss, — mogten mede niet
worden geweigerd, omdat zij uitmuntende beschrijvingen bevatten
van nieuwe Coleoptera-soorten, afkomstig uit onze Oost-Indische
bezittingen en in ’s Rijks museum te Leiden berustende.
«De Ade aflevering van het loopende deel zal nog de volgende
stukken bevatten: 1°. Mr. A. F. A. Leesberg, Bijdrage tot de
kennis der inlandsche Halticiden (vervolg en slot), met eene plaat;
2°. Dr. A. W. M. van Hasselt, Studien over de klank-organen der
Cicaden ; 3°. P.G. T. Snellen, Beschrijving eener nieuwe Phyeide; en 4°.
dezelfde, Aanteekeningen over Afrikaansche Lepidoptera; de drie laatst-
genoemde opstellen zonder plaat. Deze (25ste) jaargang zal derhalve
slechts 11 platen bevatten; daarentegen zijn voor den volgenden
nu reeds vele teekeningen voorhanden en ten deele bij onzen be-
kwamen graveur A. J. Wendel te Leiden in bewerking. Het
normale platental is anders 12 per deel, doch vroeger is daarvan
ook wel eens, even als nu, moeten worden afgeweken. Wenschelijk
ware het evenwel, dat wij over meer geldmiddelen hadden te be-
VIII VERSLAG.
schikken, zoodat wij niet minder, maar integendeel meer platen
konden uitgeven en ook vrijgeviger konden zijn voor vreemde-
lingen, die ons hunne mededeelingen aanbieden, van afbeeldingen
vergezeld. Doch van waar die middelen? Driewerf helaas! de ento-
mologische Maecenaten en begunstigers schijnen in onze eeuw te
behooren tot wat wij gewoonlijk «rarissimi» noemen.
«Aan studie-stof daarentegen ontbreekt het der Redactie voor-
eerst nog in geenen deele, en toch mag ik niet nalaten op te
wekken, haar Uw aller steun en medewerking, ook in wijderen
kring en nog meer over de onderscheidene insecten-orden, te ver-
leenen. Inzonderheid meen ik, dat eene rubriek « Varia » in ons Tijd-
schrift niet langer tot de desiderata moest blijven behooren. Ook
voor de plaatsing van «kleinere mededeelingen » houdt de Redactie
zich bij U gezamenlijk aanbevolen. Als ieder zijn scherfje aandraagt ,
zal ons wetenschappelijk gebouw nog des te hechter worden. Vis
unita fortior! « Laat ons allen waken», — zoo eindigde voor jaren
mijn betreurde voorganger zijn jaarlijksch verslag, — «en met
«geestdrift zorgen, dat onze Vereeniging voldoe aan de eischen,
cdie haar door tijdgenoot en nakomelingschap kunnen worden
gesteld. — Dit zij zoo!»
Na voorlezing van bovenstaand verslag, brengt de Penning-
meester, de heer J. W. Lodeesen, zijne rekening en verant-
woording over 1881/82 ter tafel, en geeft omtrent de daarin
vervatte cijfers eenige toelichtingen, terwijl hij tevens de schets
van begrooting voor het volgende jaar overlegt.
De Voorzitter verzoekt de heeren Erbrink en Bisschop van Tuinen
de rekening te willen nazien; deze houden zich onmiddellijk daar-
mede bezig.
Blijkens de toelichting van den Penningmeester, zou het batig
saldo der algemeene kas dit jaar merkelijk minder zijn dan het
vorige jaar, indien niet onder de ontvangsten ware opgenomen de
buitengewone post wegens de opbrengst der insecten-collectie, aan
’s Rijks Landbouwschool voor de som van f 600 afgestaan.
De heer Kinker maakt hieruit de gevolgtrekking, dat dus
VERSLAG. 1X
feitelijk de gewone uitgaven hooger zijn dan de gewone ontvang-
sten, een toestand dien hij op den duur onhoudbaar acht. Naar
zijne meening behoort de buitengewone ontvangst, uit den verkoop
der insecten-collectie voortgevloeid (7 600 nu van de Landbouw-
school en / 55 ten vorigen jare van den heer Fokker ontvangen)
afzonderlijk te worden gehouden en tot rentegevend kapitaal belegd.
De President van het Bestuur, Dr. van Hasselt, zegt in
antwoord hierop, dat dit punt ook bij het Bestuur ernstig is over-
wogen en de wenschelijkheid is uitgesproken, om te handelen in
den geest door den heer Kinker bedoeld. De Penningmeester, die
ten volle die meening is toegedaan, acht het evenwel onmogelijk,
om onder de bestaande omstandigheden dat kapitaal op die wijze
af te zonderen, omdat dan het geval zich zou voordoen, dat de
Vereeniging, ondanks het bezit van eenig kapitaal, toch niet bij
magte zou zijn, om op den duur hare onvermijdelijke uitgaven te
dekken, zoodat al spoedig het saldo der kas tot een minimum zou
worden gereduceerd. Dat saldo, zooals het nu is zamengesteld, is
niet renteloos, omdat hij zelf voor het tijdelijk ongebruikt geld
rente betaalt, gelijk uit de rekening blijkt. Daar het echter niet
te ontkennen valt, dat de gewone uitgaven geenszins door de ge-
wone inkomsten worden gedekt, kan hij den financiëlen toestand
der Vereeniging niet zoo rooskleurig vinden; doch hoe dit zij, op
dit oogenblik is de som van f 655 in de kas aanwezig en kan
die nog altijd worden afgezonderd en belegd; hij is ten volle be-
reid daartoe over te gaan, mits het hem maar niet aan de noodige
middelen ontbreke ter bestrijding der uitgaven, die in de laatste
jaren nog al gestegen zijn door den grooteren omvang der ge-
drukte verslagen en meer nog door de kosten der huur van lokalen
voor de bibliotheken.
De Voorzitter der vergadering resumeert deze discussien en leidt
er uit af, dat er noodwendig moet worden omgezien naar eene
bron van meer inkomsten. Sommige leden meenen die te kunnen
vinden in eene verhooging der contributie, desnoods gepaard met
eene verstrekking van het Tijdschrift aan al de leden, of wel in
eene verhooging van den prijs van het Tijdschrift. Tegen het eerste
© t>]
X VERSLAG.
wordt echter aangevoerd, dat dan welligt sommige minder belang-
stellenden het lidmaatschap zouden opzeggen en zeker in ’t vervolg
zich menigeen zou laten weerhouden tot de Vereeniging toe te
treden, waardoor alligt de maatregel eer na- dan voordeelig zou
kunnen werken; het laatste (prijsverhooging van het Tijdschrift)
zou waarschijnlijk evenmin doel treffen, omdat het nu reeds geringe
debiet dan gevaar zou loopen nog te verminderen.
De Voorzitter geeft ten slotte als zijne meening te kennen, dat
hier wel is waar geen periculum in mord bestaat, —- zoodat op
dit oogenblik geen bepaald besluit behoeft te worden genomen
(wat trouwens ook niet zou mogen geschieden, indien er eene
wijziging der wet mede gemoeid ware), — maar dat niettemin
het behandelde onderwerp een punt van opzettelijke overweging
dient te blijven. Hij noodigt de aanwezenden en in ’t algemeen de
leden uit, om daarover hunne gedachten te laten gaan en, zoo
mogelijk, tegen de volgende Zomervergadering in tijds een gemo-
tiveerd voorstel aan het Bestuur te doen toekomen; terwijl hij
overigens niet twijfelt, of het Bestuur zelf zal zich wel in de
eerste plaats de zaak aantrekken en middelen trachten uit te
denken, om voor de toekomst een gewenscht evenwigt tusschen
inkomsten en uitgaven te verzekeren.
Inmiddels zijn de heeren Erbrink en Bisschop van Tuinen gereed
gekomen met het onderzoek der rekening en brengen deswege
rapport uit, waarvan de slotsom is, dat zij de rekening in volkomen
orde hebben bevonden. De Voorzitter zegt hun dank voor hunne
bemoeijing in deze en brengt hulde aan den Penningmeester, die
met zijne bekende naauwgezetheid de financiële aangelegenheden
der Vereeniging bestiert en reeds zoo vele jaren daarvoor geene
moeite noch zorg ontziet. De Vergadering geeft ondubbelzinnige
blijken van instemming met deze woorden van haren Voorzitter.
Aan de orde wordt gesteld de benoeming van een lid van het
Bestuur. Aan de beurt van aftreding is de heer van der Wulp.
Met bijna algemeene stemmen herkozen zijnde, zegt de heer van
der Wulp, hierin niet zonder eenige zelfvoldoening het bewijs te
zien, dat zijne medeleden tevreden zijn over de wijze waarop hij
VERSLAG, XI
zijne taak in het Bestuur vervult, en gaarne bereid te zijn die
verder voort te zetten.
Evenzeer moet dit jaar weder de benoeming voor drie jaren
plaats hebben van twee leden in de Commissie van redactie voor
het Tijdschrift. Door het Bestuur worden daartoe de volgende
dubbeltallen voorgedragen :
1°. de heeren F. M. van der Wulp en J. Kinker.
2, » _ Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts en Dr. J. van Leeuwen Jr.
De heeren van der Wulp en Everts worden met groote meer-
derheid op nieuw als zoodanig benoemd. Beiden verklaren erken-
telijk te zijn voor dit vernieuwde bewijs van vertrouwen, hun
door de Vergadering geschonken, en gaarne te willen voortgaan
met naar hun beste vermogen de hun opgedragen belangen van
het Tijdschrift te behartigen.
Alsnu stelt de Voorzitter aan de orde de bepaling der plaats,
waar de volgende Zomervergadering zal worden gehouden. De heer
Everts herinnert, hoe ten vorigen jare te Maastricht een schrijven
van den heer Hartogh Heys van Zouteveen was ingekomen, het
voorstel inhoudende om te Assen bijeen te komen, waartegen toen
het bezwaar werd ingebragt, dat men, door twee jaren achtereen
op eene ver afgelegen plaats te vergaderen, alligt gevaar liep van
eene weinig talrijke opkomst der leden; toch waren toen reeds
velen geneigd, om eenmaal te Assen te vergaderen, vooral ook
omdat het noordoosten van ons land nog maar zeer oppervlakkig
door entomologen was onderzocht. De heer Everts neemt uit dit
een en ander aanleiding om andermaal Assen als plaats der vol-
gende Zomervergadering voor te stellen. In stemming gebragt,
wordt dit voorstel eenparig aangenomen.
Tot Voorzitter van die Vergadering wordt met algemeene stem-
men benoemd de heer Mr. H. Hartogh Heys van Zouteveen te Assen ,
aan wien de Secretaris deze keuze zal mededeelen !).
De heer Fokker herhaalt zijn voorstel, reeds in de jongste
Wintervergadering gedaan, doch waarvan hij in het verslag geen
1) Van den heer Hartogh Heys is sedert berigt ontvangen, dat hij de be-
noeming aanvaardt,
XII VERSLAG.
melding heeft gevonden, om namelijk het Tijdschrift ook dienst-
baar te maken aan het plaatsen van aankondigingen, met de
entomologie in verband staande, ’t zij op de omslagen der afleve-
ringen, *t zij op een afzonderlijk schutblad, op de wijze als dit
in de meeste buitenlandsche tijdschriften geschiedt; hij meent dat
de gelegenheid daartoe gemakkelijk zal kunnen worden gegeven en
aan velen welkom zou zijn.
De Secretaris, de heer van der Wulp, zegt dat in het ver-
slag der Wintervergadering geen melding van het voorstel van den
heer Fokker is gemaakt, omdat het een onderwerp van huis-
houdelijken aard betreft en die vergadering uitsluitend gewijd is
aan wetenschappelijke mededeelingen. Gelijk toen reeds is geant-
woord, bestaat er bij de Redactie geen het minste bezwaar, om
aan het voorstel gevolg te geven, doch tot dusver zijn bij haar
geen aanvragen tot plaatsing van eenige annonce ingekomen.
Alleen, indien er een druk gebruik van wierd gemaakt, zou dit
natuurlijk de kosten van het Tijdschrift eenigszins verhoogen.
De heer Fokker, zoowel als de overige aanwezige leden,
meenen dat er niets tegen kan zijn, om hen die verlangen te
adverteren, daarvoor naar een matig tarief te laten betalen, om
op die wijze de kosten te dekken. Dit wordt in beginsel aange-
nomen, en aan de Redactie overgelaten den prijs der advertentien
te bepalen.
De Bibliothecaris, de heer Ritsema, zegt dat van den heer
J. Puls te Gend het zeer vriendelijk aanbod is ontvangen, om het
exemplaar van Macquart’s Diptères exotiques, in onze bibliotheek
berustende, en waarvan sommige platen ongekleurd zijn, naar zijn
eigen exemplaar bij te kleuren. De heer Ritsema zou gaarne
van dit aanbod gebruik willen maken, ten einde daardoor de
waarde van het werk verhoogd te zien. Daar het evenwel bij art.
44 der wet uitdrukkelijk verboden is, eenig eigendom der Ver-
eeniging en dus ook deze boeken naar het buitenland te ver-
zenden, verzoekt hij de magtiging der Vergadering, om ten deze
eene uitzondering te mogen maken. Die magtiging wordt ver-
VERSLAG. XIII
leend, onder toejuiching van de welwillende gezindheid van den
heer Puls.
De huishoudelijke zaken hiermede afgehandeld zijnde, wordt,
na eenige pauze, overgegaan tot de wetenschappelijke mededeelingen.
De heer van Hasselt laat ter bezigtiging rondgaan vier als
meer bijzonder giftig beruchte spinnen, in exemplaren op spiritus:
eene zeer groote en fraaije Mygale avicularia Walck. 2, een mede
zeer schoon exemplaar van Lycosa tarantula Rossi 2, een uitstekend
goed geconserveerd vrouwelijk individu van Lathrodectus curaca-
viensis Müll., en eene krachtig ontwikkelde Segestria perfida Walck. 9.
Hij vestigt daarbij de aandacht op het aanzienlijk verschil in den
bouw en de ontwikkeling der kaakhaken bij de genoemde soorten,
en verduidelijkt dit door enkele preparaten van deze; een en ander
naar aanleiding van een door hem juist dezer dagen geschreven,
doch nog niet in het licht verschenen Verhandeling «Over het
spinnenvergift » in het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde U),
waarnaar hij, alleen onder vermelding van sommige nieuwe feiten,
in het bijzonder van een’ doodelij ken beet door laatstgenoemde van
dit typische viertal, — door ons medelid Prof. Weyenbergh van
Cordova beschreven, — verder meent te mogen verwijzen.
De heer Beijerinck geeft een zeer belangwekkend overzigt
omtrent de levenswijze der Cynipiden, die sints lang zijne bijzon-
dere aandacht hebben getrokken; zijne mededeelingen dienaangaande
worden opgehelderd door eene reeks van zeer fraaije natuurgetrouwe ,
op sterk vergroote schaal vervaardigde afbeeldingen, die hij daartoe
aan den wand der zaal heeft doen ophangen.
De familie der Galwespen noemt hij, wat de levenswijze der
daartoe behoorende insecten betreft, een van de merkwaardigste
groepen van het gansche dierenrijk. Van een plantkundig stand-
punt beschouwd, ligt die merkwaardigheid in de gallen, welke deze
LA
1) Sedert opgenomen in den „ Bundel” van den jaargang 1882 blz. 57.
XTV VERSLAG.
dieren aan zekere soorten van planten, zooals de eiken en de rozen,
voortbrengen. Maar vooral voor den zooloog doen zich in deze familie
verschijnselen voor, die in hooge mate de aandacht verdienen.
Wat het proces der galvorming betreft, gelukte het Spreker ,
in een aantal gevallen den gang van zaken, ten minste uit een
morphologisch oogpunt, tot helderheid te brengen. De eijeren der
Galwespen zijn in overeenstemming met de fijnheid en de groote
lengte van de legboor, waar zij doorheen moeten, van uiterst
lange holle stelen voorzien, die den ei-inhoud in zich kunnen op-
nemen, waardoor het ei, bij het verlaten van het ligchaam, de
gedaante van een zeer lang cylindertje verkrijgt; door het terug-
vloeijen van dien inhoud wordt het gelegde ei echter weldra peer-
vormig van gedaante. De meeste Galwespen leggen hare eijeren,
— geheel in tegenstelling met hetgeen men dienaangaande ge-
woonlijk vermeld vindt, — eenvoudig aan de buitenste oppervlakte
van zeer jonge plantendeelen neder, en de jonge larf, die zich in
dit ei ontwikkelt, is de eenige oorzaak der galvorming. De verwon-
ding, die de moederwespen in de plant maken, staat met het
ontstaan der gal volstrekt niet in verband, en ditzelfde geldt voor
de slijmige stoffen, die de galwespen bij of na het eijeren leggen
uitstorten. Waarschijnlijk hebben deze stoffen eene bepaalde functie
te vervullen bij het mechanisme van de voortbeweging van het
ei in de legboor; zeker dienen zij in sommige gevallen tot het vast-
kleven der eistelen aan de omgeving. De kennis dezer feiten brengt
de physiologie der galvorming in een nog geheimzinniger licht dan
dat waarin men dit proces tot nu toe meende te moeten be-
schouwen, want het is thans zeker, dat wij hier met wisselwer-
kingen tusschen de levende materie van het dierlijke en het
plantaardige organisme te doen hebben, die zich misschien nog
zeer lang aan eene volledige verklaring zullen onttrekken. Wat
met behulp van den microscoop kan worden waargenomen, be-
staat daarin, dat zich rondom het eynipiden-embryo een ringwal
van het jeugdig weefsel der plant verheft, welke langzamer-
hand over het jonge dier heengroeit en dit ten slotte volledig
insluit. Daardoor ontstaat een microscopisch klein ligchaampje, dat
VERSLAG. XV
zich het best met den eersten aanleg van de vrucht eener hoogere
plant laat vergelijken, met dit verschil, dat de kiem vervangen is
door het vreemde dier. Dit kleine ligchaampje begint zich nu op
eene geheel eigenaardige wijze verder te ontwikkelen en vormt
eindelijk eene gal met al hare verwonderlijke eigenschappen. Ook
in die gevallen, waar de galwespen hare eijeren binnen in de
betrokken plantendeelen leggen, geschiedt de galvorming niettemin
op eene geheel overeenkomstige wijze als zooeven geschetst werd.
Uit een zoologisch oogpunt zijn vooral de voortplantingsverrig-
tingen der galwespen merkwaardig; in de laatste jaren is daarover
veel licht opgegaan door de onderzoekingen van Bassett, Walsh,
Riley en Adler. Toen Hartig omstreeks het jaar 1840 zich bezig
hield met de studie van de soortverschillen der Cynipiden, toonde
hij aan, dat er een aantal vormen bestaan, welke alleen in
de vrouwelijke sexe voorkomen. Aan onzen tijd, en meer bepaal-
delijk aan de vier bovengenoemde natuuronderzoekers was het
voorbehouden het bewijs te leveren, dat de meeste dezer vrouwe-
lijke dieren slechts den éénen generatie-vorm vertegen woordigen van
eene soort, waartoe bovendien eene tweede, uit mannelijke en
vrouwelijke individuen bestaande, generatie behoort, zoodat er,
binnen de grenzen van eene en dezelfde soort van galwesp, eene
voortdurende en regelmatige afwisseling kan plaats hebben tusschen
eene zuiver parthenogenetische en eene geslachtelijke voortplanting.
Deze eigenaardige opvolging van twee volkomen geslachtsrijpe dier-
„vormen is blijkbaar verschillend van de teeltwisseling der lagere
dieren, en men heeft daaraan den naam van heterogenesis gegeven.
Met de wijze waarop de bladluizen zich vermenigvuldigen, biedt
deze heterogenesis meer dan één punt van overeenstemming aan;
geheel gelijk kan zij daarmede echter niet’ gesteld worden, omdat
de parthenogenetische generatie bij de Cynipiden niet in allen deele
aan de « voedsters » bij de bladluizen, beantwoordt, maar daarvan
onder anderen verschilt door de volledige ontwikkeling harer
genitaal-organen. Spreker licht nu de heterogenesis door een be-
paald voorbeeld toe, en kiest daartoe het verband tusschen Teras
terminalis $ en 9, en Biorhiza aptera 2, dat door hem voor het
XVI VERSLAG,
eerst in 1880 werd vastgesteld en door Adler is bevestigd ge-
vonden. Biorhiza aptera 2 is de merkwaardige ongevleugelde
galwesp, welke de onderaardsche gallen aan de wortels van den
eik bewoont. Dit dier verlaat zijne woning in December en Januarij ,
begeeft zich naar de takken tot boven in de toppen der eiken en
legt zijn eijeren in grooten getale binnen in het hart der knoppen.
Dientengevolge ontwikkelt zich in het voorjaar de welbekende
sponzige «eikappel», waaruit aan het eind van Junij Teras termi-
nalis 8 en 2 voor den dag komt. De bevruchte wijfjes van dezen
vorm, welke uit een morphologisch oogpunt niet minder merk-
waardig dan hare moeder zijn, kruipen in den grond en leggen
hare eijeren in de wortels van den eik, waardoor dan de, door
eene nieuwe generatie van Biorhiza aptera 9 bewoonde, wortel-
gallen ontstaan.
Zooals hierboven reeds is gezegd, hangen de meeste, zich parthe-
nogenetisch voortplantende galwespen, te zamen met eene in beide
sexen voorkomende generatie. Dit geldt evenwel niet voor allen
zonder uitzondering. Wat de inlandsche galwespen aangaat, kan
Spreker met zekerheid aangeven, dat Cynips Kollari 9, die onze
wilde galnoten van de eikentakken bewoont, zich uitsluitend par-
thenogenetisch voortplant, en niet afwisselt met eene tweeslach-
tige generatie. Sints 1877 heeft hij zich onafgebroken met de studie
van de leefwijze dezer galwesp bezig gehouden en de dieren bij
duizenden uit de gallen opgekweekt; na vele vruchtelooze pogingen
gelukte het in den vorigen herfst (October 1881) enkele wespen
aan een eik in zijnen tuin eijeren te doen leggen, en in het afge-
loopen voorjaar zag hij zelfs de gallen uit de aangestoken knoppen
voor den dag komen. Mannetjes werden nimmer daarbij waarge-
nomen. Daardoor is dus het bewijs geleverd, dat eene bevruchting
niet behoeft plaats te hebben.
Eene tweede inlandsche soort, die zich door eene uitsluitende
parthenogenesis kenmerkt, is Aphilothrix albopunctata 3, wier traaije
galletjes nabij Wageningen in Mei niet zeldzaam zijn. De leefwijze
van dit insect werd het eerst door Adler opgehelderd; Sprekers
eigen waarnemingen hebben die van Adler nader bevestigd.
VERSLAG, XVII
Er is eene derde groep van galwespen, die wat de voorplan-
tingsverhoudingen betreft, het midden houdt tusschen de beide
boven besproken gevallen; het zijn de soorten van Zèhodites, welke
aan onze wilde rozen gallen voortbrengen, en waarvan vooral de
bedeguar (bewoond door Mhodites Rosae) van algemeene bekend-
heid is. Deze dieren komen wel is waar zoowel in vrouwelijke
als in mannelijke sexe voor, maar de mannetjes zijn zoo zeldzaam,
dat van eene regelmatige bevruchting geen sprake kan zijn. Deze
is dan ook voor de vorming van de nieuwe generatie volstrekt niet
noodig: sints drie jaren heeft Spreker met drie op elkander vol-
sende generatien van Ahodites Rosace, bij volledige afwezigheid van
mannetjes, zeer fraaije bedeguaren opgekweekt.
De Rhodites-soorten, waar de mannetjes, hoezeer uiterst zeld-
zaam, toch in elke generatie gevormd worden, maken den over-
sang uit tot de eveneens galvormende geslachten Diastrophus en
Aulax, waar vrouwtjes en mannetjes in ongeveer gelijk — de
laatste echter in het geringere — aantal gevonden worden; en
deze beide geslachten leiden weder tot de niet galvormende Cyni-
piden-genera Ceroptres, Sapholytus, Synergus en tot de parasitische
onderfamilie der Figitiden, waar, naar het schijnt, de beide
sexen gewoonlijk door nagenoeg evenveel individuen vertegenwoor-
digd zijn.
Door de ontdekking van de heterogenesis bij-de Cynipiden is
de rangschikking der soorten, zooals die oorspronkelijk door Hartig
is opgesteld, natuurlijk niet meer houdbaar gebleven. De verande-
ringen, welke in deze rangschikking moeten worden aangebragt,
laten zich moeijelijk in korte trekken omschrijven. Adler meende |
dat bij de vormen van het geslacht Dryophanta g van Hartig
steeds een vorm van Spathegaster 3 en $ behoorde, en bij de
heterogenetische vormen van Aphilothrie $ een vorm van An-
dricus & en 2. Deze regel gaat echter niet zonder uitzondering door,
want het is Spreker gedurende den afgeloopen winter gelukt te
bewijzen, dat Aphilothrix solitaria 3, die een fraai spoelvormig galletje
van de eikenknoppen bewoont en daaruit in September te voor-
schijn komt, de parthenogenetische generatie is van de bewoners
2
~
XVIII VERSLAG.
der «aprilgal» Spathegaster aprilinus & en 9, die reeds in April
uitvliegen.
Zooals zich wel liet voorzien, kan de heterogenesis in sommige
gevallen een middel worden om nieuwe vormen van Cynipiden te
vinden: de onderzoekingen van Adler leveren daarvan het bewijs.
Ook Spreker gelukte het op die wijze een tot nu toe onbekend
insect te ontdekken, namelijk de geslachtlijke generatie, welke bij
de parthenogenetische vorm Newroterus ostreus 9 van Hartig behoort.
Laatstgenoemd dier bewoont een klein kogelvormig galletje, dat in
eene eigenaardige tweekleppige scheede aan de nerven der eiken-
bladen zit. Tegen het eind van September valt dit galletje af en
in October komt het insect daaruit te voorschijn, dat dan onmid-
dellijk eijeren begint te leggen in het ondereinde of den «ring »
der eikenknoppen. Dientengevolge vindt men bij het opengaan der
knoppen in Mei onder aan de jonge spruiten een klein wit galletje,
dat tot nu toe onbekend was gebleven, en waaruit in het eind
van Mei of het begin van Junij, mannetjes en vrouwtjes van eenen
vorm te voorschijn komen, waaraan Spreker den naam van Neu-
roterus furunculus heeft gegeven.
_De heer Fokker laat in de eerste plaats een Hemipter zien,
die al eens zijne intrede in de vergadering gedaan had als Teratocoris
Fokkeri Voll. Ter nadere determinatie door hem aan Dr. Reuter
gezonden , bleek het te wezen 7. antennatus Bohem. In diens dis-
sertatie (Aevisio critica Capsinarum praecipue Scandinaviae et Fenniae)
worden van deze soort, die in een brachypteren en macropteren
vorm voorkomt en bovendien uiterst varieert, een viertal varieteiten
opgesomd; bovengenoemd exemplaar behoort tot de varieteit @ en
is een g. Ken paar jaren later had Spreker het geluk op dezelfde
plaats, zijnde een buitenpolder onder Zierikzee, op riet aan te
treffen een exemplaar, dat bleek te behooren tot var. 4, die alleen
in de vrouwelijke sexe voorkomt. De forma macroptera is nog alleen
bij wijfjes waargenomen, de brachyptera bij beide sexen. Merk-
waardig, en in afwijking met de vier andere in Europa voorkomende
soorten van Teratocoris, is het verschil in grootte tusschen de beide
VERSLAG. XIX
sexen; het 4 is veel kleiner dan het 2 en slechts 3.75 mm. lang.
T. antennatus Bohem., waarvan de indigeniteit door het vinden van
twee exemplaren in verschillende jaren nu genoegzaam is geconsta-
teerd , komt uiterst schaarsch en slechts in enkele exemplaren voor
en is ook elders zeldzaam; dit blijkt uit den Catalogus van Dr. Puton
en ook uit de jongste opgave van Dr. Reuter (Analecta hemipterologica
in het Berliner Entom. Zeitschr. XXV, 1881, Heft 2), waar deze
vermeldt: Skagen in Denemarken, Leipzig, Praag, Zierikzee en de
Krim. De soort is dus eene merkwaardige aanwinst voor onze Fauna.
In de tweede plaats deelt de heer Fokker mede, dat hij ten
gevolge van zijn verzoek, verleden jaar te Maastricht gedaan, om
toezending van wantsen op vledermuizen, duiventillen en in zwaluw-
nesten gevonden, alleen een drietal heeft ontvangen van den heer
van den Brandt te Venlo, door dezen in een nest van Mirundo urbica
waargenomen. Bij onderzoek bleken deze voorwerpen te zijn Cimex
Hirundinis Jenyns; het zijn nog larven, doch ontwijfelbaar van deze
soort, daar Douglas en Scott van deze vermelden, dat bij de pupae
cthe abdomen is much narrower than the perfect insect, inclining
to oblong», wat volmaakt met deze exemplaren overeenstemt.
Ten derde laat dezelfde Spreker een viertal voor onze Fauna
nieuwe soorten zien van het genus Orthotylus Fieb., zijnde O. chloro-
pterus Kb., afkomstig uit Ruurlo, 0. diaphanus Kb., te Zierikzee
soms niet zeldzaam op linden; alsmede 0. rabidus Fieb. en Salsolae
Reut., de eerste volgens Puton’s Catalogus alleen in Frankrijk en
Engeland , de tweede in Zuid-Frankrijk gevangen , beiden bij Zierikzee
in aantal, soms zelfs uiterst gemeen, aan den kant van plassen
op Corallium marinum. Blijkens een ontvangen schrijven van Dr.
Reuter, houdt deze 0. Salsolae slechts voor eene groene varieteit
van 0. rubidus; zeker is het, dat zij steeds te zamen voorkomen.
Voorts laat de heer Fokker ter bezigtiging rondgaan het eerste
stuk van de Hemiptera Gymnocerata Europae, in 1878 door Dr.
O. M. Reuter uitgegeven, met voortreffelijk schoone platen naar
de onuitgegeven teekeningen van Fieber, door Dr. Puton daartoe
ter beschikking gesteld.
Eindelijk vertoont hij nog een exemplaar van Pinnotheres Pisum
XX VERSLA Ge
Latr., een uiterst klein krabbetje, dat in de mosselschelpen leeft,
en waaraan sommigen de schadelijke gevolgen toeschrijven, die
zich wel eens na het gebruik van mosselen openbaren.
De heer Everts komt hier nog eens terug op eene discussie
in de jongste bijeenkomst der Haagsche entomologen, waarbij de
heer Snellen betoogde, dat somtijds een schijnbaar zeer minutieus
kenmerk van veel gewigt kan zijn voor de classificatie. De questie
vond toenmaals daarin aanleiding, dat de heer van der Wulp ver-
scheidene exemplaren eener Anthomyien-soort vertoonde, waarvan
sommigen met behaarde oogen, tot Aricia umbratica Meig. (= Carbo
Schin) behoorden, terwijl anderen met naakte oogen als Spilogaster
vespertina Fall. moesten worden gedetermineerd, ofschoon overigens
volkomen overeenstemming bestond. De heer van der Wulp uitte
toen het vermoeden, dat hier eigenlijk aan eene en dezelfde soort
moet worden gedacht, bij welke de haarbekleeding der oogen zeer
ligt wordt afgewischt, en die dus naar gelang van de meer of
minder gave exemplaren in twee verschillende geslachten wordt
gerangschikt. De heer Snellen daarentegen haalde meer dan een
voorbeeld aan uit de Lepidoptera, waar de haarbekleeding der
oogen zeer teregt tot een hoofdkenmerk wordt aangewend ter
onderscheiding niet alleen van genera, maar zelfs van grootere
groepen. Spreker kon destijds een verschil van dezen aard niet zoo
ingrijpend vinden, doch thans moet hij erkennen, dat wel degelijk
de eigenschappen van het tegument, en voor de Coleoptera meer
bepaaldelijk het al of niet voorkomen van borsteldragende diepe
stippen tot belangrijke uitkomsten kan leiden voor de indeeling
eener groep. In de Transactions of the American Entomol. Society
(IX, 1881, p. 91—196) komt namelijk een stuk voor van Dr.
Horn, getiteld: On the genera of Carabidae, waarin deze de
bestaande verdeeling volgens Lacordaire en Schaum geheel laat
varen, om daarvoor eene meer rationele in de plaats te stellen;
deze arbeid heeft vooral daarom groote waarde, omdat de daarin
vervatte classificatie op alle bekende Carabicinen is toegepast. De
heer Preudhomme de Borre geeft er een overzigt van in de Comptes-
VERSLAG. XXI
rendus de la soc. entomol. de Belgiqne (séance du 4 Mars 1882)
en zegt het volgende: «Il y a déja longtemps que la science
recherche les bases du classement des Coléoptères ailleurs que dans
les tarses, les antennes et les élytres, organes accessoires et exté-
rieurs, auxquels nos anciens maîtres attachaient trop importance ,
et dont le rôle dans la vie de linsecte est plus en relation avec
les circonstances extérieures qu'avec la généalogie, véritable source
des affinités dans un système naturel. La structure des organes
du tronc, les parties de la poitrine et de l’abdomen ont une im-
portance bien autrement considérable, et c’est là qu’on doit cher-
cher surtout les bases de toute bonne classification. Les élytres,
les tarses, les antennes, les parties de la bouche, sans devoir être
laissés de côté, n’ont plus qu’une importance de second ordre et
doivent entrer en ligne de compte qu'après l’étude du sternum et
de ses modifications, où l’on trouve les caractères de premier ordre. »
Dr. Horn wijst op een kenmerk, dat tot dusver altijd werd
verwaarloosd en slechts beschouwd als eene soort van ornament,
namelijk de haarstippels (diepe stippels waaruit een borstelhaar te
voorschijn komt) op verschillende ligchaamsdeelen. Deze haren zijn
geenszins te beschouwen als toevallige huidaanhangsels, maar altijd
constant in aantal en plaatsing; zij moeten dus voorzeker eene nog
onbekende biologische waarde hebben. Reeds had een der grootste
kenners van de familie der Carabicinen, de onlangs overleden Putzeys,
op die haarstippels gewezen bij de soorten van het genus Amara,
Horn nu verdeelt de adephage of carnivore Coleoptera in zeven
familien: Cicindelidae, Carabidae, Haliplidae, Amphizoidae, Pelo-
biidae, Dytiscidae en Gyrinidae. Hij scheidt dus de Haliplidae als
afzonderlijke familie van de Dytiscidae af, naar Sprekers inzien
zeer teregt, gelijk blijkt uit eene reeks van Carabidae, Haliplidae
en Dytiscidae, die ter vergelijking rondgaat. Bij de Haliplidae zijn
de sprieten 10-ledig en op het voorhoofd ingeplant; de dekschilden
hebben duidelijke stippelrijen, even als bij de Carabidae; aan de
achterpooten zijn de coxen plaatvormig verbreed en bedekken de
dijen. Bij de Dytiscidae daarentegen zijn de sprieten duidelijk 11 -ledig,
even als bij de Carabidae, en onder den rand van den clypeus
XXII VERSLAG,
ingeplant; de dekschilden hebben nimmer regelmatige stippelrijen ,
en de achtercoxen zijn nimmer verbreed. Bovendien is bij de Hali-
plidae, even als bij de Cicindelidae en Carabidae het metasternum
door een’ dwarsnaad in tweeën verdeeld, wat bij de Dytiscidae
niet het geval is. De Halipliden vormen dus den overgang tusschen
de Carabidae en Dytiscidae; zij zwemmen zelden en niet met ge-
lijktijdige, maar afwisselende beweging der achterpooten; hun
verblijf is meer aan waterplanten, waar zij tusschen de wortels en
de onder water gedoken stengels en bladen rondkruipen, terwijl
zij zelfs buiten het water van de planten gesleept kunnen worden;
hunne achterpooten zijn nagenoeg volkomen als bij de Carabidae
gevormd, en niet platgedrukt en tot roeijen ingerigt zooals bij de
Dytiscidae.
De Carabidae worden verder door Dr. Horn in drie onder-
familien verdeeld, waarvan twee geldig zijn voor Europa, nl. de
Carabinae en de Harpalinae. De eersten verdeelt hij voorts in een
aantal groepen: Cychrini, Carabini, Nebriini, Omophronini, Lori-
cerini, Elaphrini en Scaritini, behalve nog eenige anderen voor
exotische soorten. De Harpalinae onderscheidt hij in Harpalini
bisetosae, met twee haarstippels op de orbita of den bovenrand
der oogen, en Harpalini unisetosae, met slechts één haarstippel
daar ter plaatse. Tot de Harpalini bisetosae behooren de Bembi-
dioni, Pogonini, Panagaeini, Pterostichini, Licinini, Odacanthini,
Platynini en Lebiini; tot de Harpalinae unisetosae de Brachynini,
Broscini, Chlaeniini, Zabrini en Harpalini.
Na deze belangrijke voordragt, die de heer Everts, om niet al
te wijdloopig te worden, hier wenscht te besluiten, laat hij nog
zien eene Feronia vulgaris L., bij welke uit den anus een ongeveer
7 centim. lange worm (Gordius) te voorschijn komt; het exemplaar
werd gevangen door een zijner vroegere leerlingen, thans leerling
aan ’s Rijks Landbouwschool.
Voorts laat hij ter bezigtiging rondgaan eene door hem vervaardigde
afbeelding van een nieuwen Apion van Sicilie, dien hij van den
heer Ragusa te Palermo ter determinatie ontving, en van welke de
beschrijving bestemd is voor het tijdschrift 77 Naturalista Siciliano.
VERSLAG. XXIII
Eindelijk vestigt de heer Everts de aandacht op een stukje in
Dr. Katter’s Æntomologische Nachrichten, «Ueber den sogenannten
Trompeter in den Hummelnestern », waarover Prof. Hoffer in de
Mittheilungen des naturwissenschaftlichen Vereines für Steiermark,
Jahrg. 1881, eene mededeeling doet. Deze bevestigt wat reeds
voor bijna 200 jaren door Goedaert gezegd is, van een’ «trom-
petter of wekker» in hommelnesten, welke namelijk elken morgen
boven in het nest stijgt en door aanhoudend sterk gonzen de overige
hommels tot den arbeid roept. Deze oude waarneming, welke zelfs
door Réaumur tot het rijk der fabelen werd gerekend, is thans door
Prof. Hoffer bevestigd gevonden; volgens hem is het feit door ver-
scheidene getuigen geconstateerd, en geeft het verwijderen van den
ctrompetter» eérst eene algemeene verwarring in het nest, terwijl
hij op volgende ochtenden telkens door een nieuwen trompetter wordt
vervangen. De waarneming werd gedaan aan Bombus ruderatus.
De heer GC. Ritsema Cz. deelt mede, dat hij van den heer
Witte, hortulanus van den academischen plantentuin te Leiden,
vier poppen ontving van een voor de Narcissen-bollen zeer scha-
delijk insect, dat bij Haarlem « Narcis-bij » genoemd wordt. Zij
waren ter laatstgenoemde plaats ontdekt in bollen, die uit Marseille
waren ingevoerd. Het wijfje legt hare eijeren tusschen de bladeren ;
de larve kruipt naar onderen, vreet door den bol heen en verpopt
in den grond. Spreker herkende aanstonds de hem ter hand gestelde
poppen als die eener vlieg. Drie der vier poppen leverden in het
begin van Junij de vlieg, de vierde was verdroogd. Twee vliegen
(een d en een 2) zijn typische voorwerpen van Merodon equestris F.
(bruingeel behaarden thorax met zwarten band tusschen de vleugels
en lichtergeel behaard achterlijf); de derde (een 9) heeft een geheel
zwart behaarden thorax en een bruingeel behaard achterlijf, met
uitzondering van den eersten ring, die zwart behaard is. De vlieg
is reeds veel vroeger meer dan eens, ook bij Haarlem gevangen.
Naar aanleiding van deze mededeeling zegt de heer van der Wulp,
dat deze vliegen, ofschoon zij van tijd tot tijd in ons land gevangen
werden , niet wel als eene inlandsche soort kunnen worden beschouwd,
XXIV VERSLAG.
omdat het, bij kweeking, telkens blijkt dat zij zich ontwikkeld heb-
ben uit bollen, die van Italie of Zuidelijk Frankrijk afkomstig waren.
Dat zij hier ook voorttelen, is tot dusver niet waargenomen.
De heer van der Wulp heeft ter Vergadering medegebragt
de Diptera, die ten vorigen jare bij de Noordpool-expeditie zijn
verzameld, en die hij op de jongste wintervergadering van den
heer Swierstra ter determinatie heeft overgenomen. Hij is het
genootschap Natura Artis Magistra zeer dankbaar, dat het op zoo
uitnemende wijze de belangen der zoologische wetenschap aan deze
noordelijke togten tracht te verbinden. De collectie insecten, van
den laatsten togt afkomstig, is nog wel niet van veel omvang en
de conservatie laat nog al iets te wenschen over (de meeste voor-
werpen waren namelijk in spiritus, eene methode althans voor
Diptera zeer af te keuren), maar het laat zich voorzien, dat bij
volgende gelegenheden zoowel het aantal als de toestand der voor-
werpen meer voldoende zullen worden. In de hoop van daardoor
beter geconserveerde exemplaren te verkrijgen, heeft hij aan den
heer Swierstra een afdruk gezonden van zijne vertaling van het
opstel van Dr. Mik over het prepareren van Diptera, ten einde dit
aan den Zooloog ter hand te stellen, die dezen zomer de expeditie
vergezelt. De vliegen, die nu door Spreker zijn nagezien, bepaalden
zich tot een 30-tal soorten, doch leverden hem op nieuw het
bewijs, dat in de hoognoordelijke streken, althans wat Diptera betreft,
zeer merkwaardige vormen optreden. Hij vond daarbij: Æxechia
lateralis Meig., Culex nemorosus Meig., Tipula nubeculosa Meig. en
nodulicornis Lett., Ramphomyia morio Lett. en nog eene soort van
dat geslacht, waarschijnlijk A4. griseola Zett., Onesia alpina Lett.,
Anthomyia fulgens Meig., muscaria Meig. en platura Meig., Scatophaga
stercoraria L. en villipes Zett., Fucellia muscaeformis Lett., benevens
eenige andere soorten, tot verschillende genera behoorende, maar
waarvan de exemplaren niet gaaf genoeg waren, om met zekerheid
te worden gedetermineerd.
Spreker vestigt in ’t bijzonder nog de aandacht op de volgende
soorten, waarvan hij de exemplaren ter bezigtiging laat rondgaan.
VERSLAG. XXV
Ten aanzien van Tipula nubeculosa Meig. (= guttulifera Zeit.)
merkt hij op, dat deze ook in midden-Europa tot de gewone
soorten behoort, maar tot dusver in ons land niet gevangen is,
wel de zeer verwante 7. scripta Meig., die bij ons zeer gemeen is. —
T. nodulicornis Zett. is zeer kenbaar aan den bijzonderen vorm der
sprieten bij het d, waarvan ieder lid in ’t midden zeer verdikt is. —
Onesia alpina is door Zetterstedt in het geslacht Sarcophaga opge-
nomen, en vergeleken zoowel met Cynomyia mortuorum als met
Calliphora vomitoria en erythrocephala. Schiner, die waarschijnlijk
niet ex visu heeft kunnen oordeelen, stelt de soort in het geslacht
Cynomyia; de habitus is echter verschillend en nadert, door het
breede, blaauwe, wit weerschijnende achterlijf, zeer tot Calliphora,
waarmede ook de vorm van den kop, vooral in g, groote overeen-
komst heeft. De vlieg behoort evenwel ontegenzeggelijk tot de groep
der Sarcophaginen, wegens den zeer ontwikkelden, ronden anus
van het d en den aan de spitshelft volkomen naakten sprietborstel;
naar Sprekers inzien past zij nog het best in het genus Onesia ;
zij werd eens in grooten getale door den heer H. VerLoren in
sommige huizen te Utrecht aangetroffen, waarschijnlijk met hout-
waren uit het noorden daar overgebragt. — Scatophaga villipes Zeit.
was in verscheidene exemplaren voorhanden; Zetterstedt’s beschrij ving
past volkomen, vooral wanneer men de soort, even als hij gedaan
heeft , vergelijkt met Sc. Zforea; alleen is het aangezigt niet zoo wit,
althans niet zoo zilverachtig als de beschrijving aangeeft. Het & laat
zich gemakkelijk van alle andere soorten van het genus onder-
scheiden door het gemis van stijve borstels aan de scheenen , welke
borstels door eene zeer digte en lange beharing zijn vervangen;
het 2, dat Zetterstedt niet bekend was, is, als gewoonlijk, minder
ruig behaard; de scheenen missen de digte beharing, maar dragen
eenige borstels, zooals wij die bij de andere soorten in beide sexen
vinden; bovendien zijn de pooten lichter van kleur en bepaaldelijk
de dijen meer bruingeel.
In de tweede plaats deelt de heer van der Wulp mede, dat hij
zoo goed als gereed is met een zamenstel van voorschriften voor
het vangen en bewaren van insecten in den vreemde. Alleen voor
XXVI VERSLAG.
Orthoptera en Hymenoptera zijn geen bijzondere aanwijzingen van
specialiteiten ontvangen. Welligt kunnen die nog gegeven worden
door ons geacht medelid Ritsema, die in zijne betrekking van
Conservator wel bekend zal zijn met de gebreken der voorwerpen,
die hem: uit de beide bovengenoemde insecten-orden uit verre
landen worden toegezonden. 1)
De Voorzitter, Dr. J. Ritzema Bos, doet eene mededeeling ,
die zich aansluit aan die van den heer Ritsema. Hij merkt op,
dat, zooveel hem bekend is, alleen het zoogenaamde « Rot» der
Narcissen door Merodon’s wordt veroorzaakt. Ook de Hyacinthen-
bollen waren dit jaar aan vele ziekten onderhevig. Uit de onder-
zoekingen van Prilleux is gebleken, dat het zoogenaamde « ringziek »
der Hyacinthen door eene Nematode (Tylenchus Hyacinthi) wordt
veroorzaakt; naast deze Hyacinthen-ziekte en het zoogenaamde
«Snot», wat misschien door Bacterien, althans niet door vliegen-
larven , veroorzaakt wordt, maakten onze bloemkweekers nog kennis
met eene nieuwe ziekte, waarbij ook het inwendige der Hyacinthen-
bollen in eene vuile, weeke zelfstandigheid verandert. In deze bollen
vond Spreker Bacterien, Nematoden en Fungi; naar zijne meening
kunnen noch deze Fungi, noch de Nematoden oorzaak der ziekte
zijn; hij kan daarover hier niet verder uitweiden, maar heeft
alleen op de genoemde Hyacinthen-ziekten gewezen, om te doen
opmerken, dat deze niet door vliegenlarven veroorzaakt worden.
Wat nu betreft het «rot» der Narcissen, daarvan wordt het
eerst melding gemaakt door Réaumur, die omstreeks het jaar 1730
van Bernard de Jussieu Narcissen ontving, door die ziekte aan-
getast, en daaruit de Merodon’s opkweekte, welke door hem zijn
afgebeeld en beschreven. Ook in ons land is het «rot» der Nar-
cissen sedert verscheidene jaren bekend; o.a. is eene verhandeling
daarover van T. W. van Eeden opgenomen in dl. XVI van het
Tijdschrift voor Niverheid.
Het vliegengeslacht Merodon behoort eigenlijk in zuidelijk Europa
1) De bedoelde voorschriften zijn sedert geheel gereed gekomen en worden, met
het doel om ze aan alle Leden mede te deelen, als bijlage achter dit Verslag gedrukt.
VERSLAG. XXVII
te huis; de maden van U. equestris worden dan ook bepaaldelijk
gevonden in Narcissen-bollen, die uit Marseille of Italie zijn inge-
voerd. In het laatst van het voorjaar begeven zich de volwassen
maden in den grond, om te verpoppen , en omstreeks Junij komen
de vliegen te voorschijn. Volgens Taschenberg planten zij zich in
midden-Europa moeijelijk voort; het is dan ook niet zeker of zij
in ons land voorttelen. Spreker ontving in dit voorjaar van den
heer Krelage te Haarlem eenige honderden poppen, waarvan wel
is waar een aantal op de reis omkwamen, maar waaruit zich toch
bijna 200 vliegen ontwikkelden, die gedurende een of twee weken
in eene soort van vliegenkast in ’t leven bleven en met suiker
gevoed werden. Ofschoon zij levendig en vrolijk waren, gelukte het
niet, paring waar te nemen. Ongeveer een vijftigtal, de helft
mannetjes en de andere helft wijfjes, bragt Spreker onder gaas
op levende Narcissen-planten over; tot heden heeft hij echter niet
waargenomen, dat er eijeren gelegd zijn, maar zekerheid daarom-
trent hoopt hij later te verkrijgen.
Merkwaardig is het groote verschil in kleur tusschen de onder-
scheidene individuen. Onder de 80 exemplaren, die ter bezigtiging
worden gesteld, bevinden er zich met een geheel zwarten thorax ;
anderen hebben den voorrand van den thorax geelachtig behaard
en het overige van dit ligchaamsdeel zwart, weder anderen hebben
zoowel den voorrand als den achterrand van den thorax met geel-
achtige haren bedekt en alleen het middengedeelte is zwart behaard;
nog anderen hebben dezelfde teekening, maar in plaats van eene
gele of geelbruine, eene goudkleurig roode beharing; bij sommigen
is zelfs de geheele thorax goudkleurig rood of wel geelbruin be-
haard. Ook het achterlijf is, wat de kleur der beharing betreft,
zeer verschillend naar gelang der individuen. De hier vermelde
verschillen in kleur gaan niet gepaard met andere, meer gewigtige
kenteekens, zoodat van onderscheidene soorten geen sprake kan
zijn. Ook zijn de kleurverschillen niet afhankelijk van de sexe,
hoewel het opmerking verdient, dat onder de mannetjes geene
exemplaren met geheel zwarten thorax gevonden worden, terwijl
bij de meerderheid der wijfjes dit ligchaamsdeel zoo gekleurd is.
XXVIII VERSLAG.
Na deze voordragt, waarmede de reeks der wetenschappelijke
mededeelingen wordt besloten, noodigt de Voorzitter de aanwezige
Leden uit, een bezoek te brengen aan de Rijks Landbouwschool;
hij voegt daarbij, dat men er sedert eenigen tijd bezig is met
het aanleggen van eene verzameling van al wat betrekking heeft
tot de schaden, door insecten aan onze kultuurplanten te weeg
gebragt, en beveelt zich zeer aan voor het ontvangen van hetgeen
op dit gebied merkwaardig mogt voorkomen.
Na een woord van dankzegging aan de verschillende sprekers,
sluit de Voorzitter vervolgens deze vergadering.
.
De Leden begaven zich daarop naar de Rijks Landbouwschool,
waar zij, onder de vriendelijke leiding van de heeren Dr. Ritzema
Bos, Dr. Beijerinck en H. Bos, een en ander in oogenschouw
namen. Tot aller leedwezen moest evenwel dit bezoek, uit gebrek
aan tijd, worden bekort, en bepaalde het zich daarom hoofdzakelijk
tot het bezigtigen van de aanwezige hulpmiddelen voor het onder-
rigt in de zoologie. Het was echter voldoende, om een zeer gun-
stigen indruk achter te laten ; bepaaldelijk trok de collectie betreffende
schadelijke insecten zeer de aandacht; zij is op ruime schaal aan-
gelegd en belooft veel voor de toekomst.
De volgende dag werd besteed aan eene gezamenlijke excursie
in de liefelijke omstreken van Wageningen. Door fraai weder be-
gunstigd, leverde zij voor velen niet onbelangrijke uitkomsten op;
sommige leden knoopten nog een dag er aan, om verdere ento-
mologische nasporingen te doen, en begaven zich daartoe voor een
deel naar Wolfhezen, voor een ander deel naar Renkum, Ede en
Veenendaal. De merkwaardigste vangsten bij deze gelegenheid wor-
den hieronder vermeld.
COLEOPTERA. Harpalus griseus Panz., onder
steenen.
Feronia lepida F., onder steenen. » psittacus Fourer., id.
» versicolor St., id. » discoideus F., id.
» parallela Dfts., id. » Fröhlichii St., id.
.
VERSLAG;
Bradycellus Verbasci Dfts. , onder
steenen.
Haliplus fluviatilis Aubé, tusschen
waterplanten.
Hydroporus bilineatus St., id.
» nigritus F., id.
» lineatus F., id.
Hydrochus elongatus Schall. , id.
» carinatus Germ., id.
» brevis Hrbst., id.
» angustatus Germ., id.
Bolitochara lunulata Payk., ge-
meen in paddestoelen.
Silusa rubiginosa Er.
Aleochara moerens Gyll., in pad-
destoelen.
» inconspicua Aubé, id.
Homalota palleola Er.
Tachinus pallipes Grav.
Conurus pubescens Payk. var.
fusculus Er.
Bolitobius lunulatus L., gemeen
in paddestoelen.
Quedius scitus Er., achter boom-
schors.
» cinctus Payk.
» tristis Grav.
Staphylinus chalcocephalus F., in
menschen-uitwerpselen.
Xantholinus tricolor F., onder
steenen.
Othius myrmecophilus Kies., id.
Bledius opacus Block.
Phosphuga reticulata F.
Silpha carinata Ill.
XXIX
Anisotoma dubia Kug., ’s avonds
aan grashalmen.
Agathidium badium Er. 77. zov. sp.
Olibrus pygmaeus St.
Cercus rufilabris L., op Juncus.
Epuraea decemguttata F., aan uit-
vloeijende sappen v. boomen.
» obsoleta F., id.
» florea Er.
Meligethes tristis St.
Cryptarcha strigata F., aan uit-
vloeijende sappen van boo-
men.
Pediacus depressus Hrbst., id.
Coninomus nodifer Westw.
Corticaria serrata Payk., op een
Polyporus.
Anthrenus fuscus Latr.
Agrilus angustulus Ill., op lage
eiken.
Cryptohypnus quadripustulatus F.
Athous longicollis Ol.
Helodes minutus L.
Telephorus oralis Germ.
» ater L.
Malthinus fasciatus Ol.
Malthodes minimus L.
» mysticus Kies.
» brevicollis Payk.
Axinotarsus marginalis Er.
Charopus flavipes Payk.
Tillus elongatus L.
» ambulans F. d.
Ptinus rufipes F. 2.
Ernobius mollis L.
RER
Ernobius parens Muls.
Aspidiphorus orbiculatus Gyll.
Mordellistena lateralis Ol.
Meloë brevicollis Panz.
Lissodema quadripustulatum
Marsh., achter boomschors.
Strophosomus faber Hrbst.
Sitones Regensteinensis Hrbst.
Cleonus turbatus Fahrs.
Lixus paraplecticus L.
Pissodes Pini L.
Balaninus cerasorum Hrbst.
Miarus Campanulae L.
Orchestes erythropus Germ.,
gemeen op eik.
Coeliodes trifasciatus Bach.
Ceutorhynchus Chrysanthemi Gyll.
Baris T-album L.
Apion Genistae Kirb.
» striatum Kirb.
» immune Kirb.
» tenue Kirb.
Rhynchites Alnı Müll.
» germanicus Hrbst., op eik.
» sericeus Hrbst., id.
» planirostris F.
Attelabus curculionoïdes L., ge-
meen op eik.
Scolytes rugulosus Ratz.
Strangalia quadrifasciata L.
Leptura fulva de G.
Donacia dentata Hoppe.
» clavipes F.
» simplex F.
Clythra tridentata L.
VERSLAG,
Clythra quadripunctata L.
Cryptocephalus nitidus L., op eik.
» bipunctatus L.
» labiatus L., gemeen op eik.
Chrysomela staphylea L.
» Hyperici Forst., gemeen op
Hypericum.
Luperus rufipes Scop.
» flavipes L.
Psylliodes cucullata Ill., gemeen
op Spergula.
Aphthona lutescens Gyll.
» venustula Kuts.
» ochroleuca Marsh.
Apteropeda orbiculata Marsh.
Hispa atra L.
Halyzia ocellata L., gemeen op
Abies in alle ontwikkelings-
toestanden.
Scymnus nigrinus Kug.
HEMIPTERA.
Piezodorus incarnatus Germ.
Cydnus flavicornis F.
Sehirus biguttatus L.
Aelia Klugii Hahn., Wolfhezen.
Sastragala ferrugator F., id.
Podisus luridus F., de larve op
dennen, id.
Zicrona coerulea L.
Alydus calcaratus L.
Myrmus miriformis Fall., Wolfh.
Chorosoma Schillingii Schumm. ,
Wolfhezen.
VERSLAG.
Cymus glandicolor Hahn.
Ptertometus staphylinoides Burm,
Wolfhezen. Fx. nov. sp.
Stygnus arenarius Hahn., Ede in
Junij. ln. nov. sp.
Scolopostethus pictus Schill. , Ede.
Dictyonyta crassicornis Fall.
Megaloceraea erratica L.
Leptoterna ferrugata Fall.
Calocoris roseomaculatus de G.
Oncognathus binotatus F. een 4.
Dichrooseytus rufipennis Fall.
Plesiocoris rugicollis Fall.
Lygus pratensis F., gemeen.
» campestris F., id.
Hadrodema pinastri Fall., in aan-
tal op dennen.
Capsus cordiger Hahn, in een’
weg op den Wageningschen
berg deze anders zeldzame
wants gemeen.
Rhopalotomus ater L., gemeen.
» id. var. tyrannus F.
Monalocoris Filicis L., Wolfhezen.
Heterocordylus unicolor Hahn.
Stiphrosoma luridum Fall.
Orthocephalus saltator Hahn.
» mutabilis? Fall.
Pithanus Maerkelii H. Sch. forma
brachyptera niet zeldzaam ;
te Wolfhezen onder de Wo-
danseiken een exemplaar
der forma macroptera ; deze
overal zeldzame vorm nieuw
voor onze inl. fauna.
XXXI
Cyllocoris histrionicus L., Ede.
Hoplomachus Thunbergi Fall,
Wolfhezen.
Phylus melanocephalus L., Wolfh.
Atractotomus sp.
Agalliastes pulicarius Fall.
Nabis rugosus L.
» ericetorum Schtz. Wolf h.
Coranus subapterus de G., de
larve te Ede.
Limnobates stagnorum L.
Hydrometra lacustris L.
Velia currens F., de larven in
aantal op een beekje te
Wolf hezen.
Cixius sp.
= Ledravaarita E.
Idiocerus sp.
Euacanthus interruptus L.
Tettigonia viridis L.
Livia juncorum Latr.
HYMENOPTERA.
Hylotoma segmentaria Panz.
Odynerus (Ancistrocerus) callosus
Thoms.
Pterochilus phaleratus Panz.
Prosopis variegata F.
Sphecodes subquadratus Smith.
Halictns albipes F.
Megachile maritima Kirb.
Nomada ochrostoma Kirb.
XXXII VERSLAG.
LEPIDOPTERA. Tipula peliosstigma Schumm.
Laphria marginata L.
Stauropus Fagi L. Asilus cothurnatus Meig.
Nola togatulalis Hbn. Hilara litorea Fall.
Dolichopus griseipennis Stann.
DIPTERA. nto
Syrphus maculicornis Zett.
Culex ornatus Meig. Anthomyia inanis Fall.
ARANEIDEN.
Omtrent de op de excursie verzamelde spinnen schrijft de heer
van Hasselt het volgende :
«Behalve onderscheidene, overal in ons land gemeene Epeiriden,
Therididen, Agaleniden, Drassiden, Lycosiden, Thomisiden en
Attiden, bestond mijne vangst, — onder erkentelijk ontvangen
medehulp van de heeren Bos, Brants, Everts, Fokker, Groll,
Kallenbach, Leesberg en Ritzema Bos, — in den omtrek van
Wageningen en vooral op den Wageningschen berg, uit de vol-
gende soorten :
Theridion (Ero) saxatile C. Koch (het 2 met het Psyche-achtige huisje,
doch nu zonder mieren, en twee fraai geteekende mannen).
» triste Hahn 2, zeldzaam.
Linyphia tenebricola R. var. tenuis Thor. beide sexen in vele
exemplaren, die onderling sterk variëren.
Dictyna (Ergatis) pallens Blackw., beide sexen, zeer zeldzaam.
Agroeca chrysea L. Koch, 9.
Argyroneta aquatica Cl. 9, bijzonder groot.
Melanophora petrensis C. Koch, g.
Gnaphosa nocturna L. beide sexen; bij twee exemplaren zijn slechts
twee witte vlekken op den rug van het abdomen.
Clubiona fuscula Westr. 4.
Erigone chelifera Westr. 4 (zeldzaam).
Lycosa (Trochosa) ruricola var., een zeer groot vrouwelijk voorwerp ').
1) Als vervolg op mijne mededeeling over het „spinnenvergift” teeken ik
aan, dat de heer Everts door deze spin gevoelig werd gebeten, doch zonder
eenig nadeelig gevolg.”
VERSLAG. XXXII
Lycosa (Tarantula) clavipes C. Koch 9.
Xysticus luctuosus Blackw., beide sexen (zeldzaam).
» erraticus Blackw. 9.
Sparassus virescens C. Koch, 2.
Epiblemum cingulatum Panz. 9.
Marpissa brevipes C. Koch, beide sexen.
» strigipes Westr. 9 (zeer zeldzaam, gevangen door den
heer Leesberg).
«Bovendien ving en verkreeg ik nog een vijftal merkwaardige
micro’s uit de geslachten Linyphia , Walckenaera en Oxyptila, waarvan
ik de soorten nog niet durf bepalen. Zoo wit dien hoofde, als
wegens de drie zeldzame en twee zeer zeldzame species, boven-
genoemd, ben ik over deze excursie zeer tevreden.
« Bij gelegenheid dezer bijeenkomst werd mijne collectie nog ver-
rijkt met een tweede exemplaar uit Nederland van Eresus cinna-
barinus Ol. d, reeds vroeger door den heer H. Bos in de omstreken
van Wageningen gevangen; met een groot exemplaar van Sparassus
virescens CG. Koch, ¢ plena, uit de omstreken van Arnhem, van den heer
Brants (ik heb dit voorwerp levend thuis gebragt, en daar het gretig
vliegen eet, hoop ik er den mij ontbrekenden fraai groenen cocon
van te verkrijgen); voorts met een Atypus affinis Eichw. g, uit het
mastbosch bij Ginneken, van den heer Snellen; en met twee zeer
groote exemplaren van Dysdera erythrina Walck. 9, uit Zierikzee
van den heer Fokker».
LIJST DER ED EN
VAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
op 1 Jul; 15882,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TORTREDING , ENZ,
aes
BEGUNSTIGERS.
De heer J. Kneppelhout, Memelsche Berg te Oosterbeek. 1867,
n
”
Dr. Francois P. L. Pollen, te Scheveningen. 1867.
Mevrouw Hartogh Heys van de Lier, geb. Snoeck, te ’s Gravenhage. 1868.
De heer Dr. F. J. L. Schmidt, te Rotterdam. 1869.
”
»
Mr. J. Thiebout, te Zwolle. 1869.
Het Koninklijk Zoologisch Genootschap Natura Artis Magistra te
Amsterdam. 1879.
EERELEDEN.
De heer Dr. G. F. Westerman, Directeur van het Koninklijk Zoologisch
Genootschap Natura Artis Magistra, te Amsterdam. 1858.
H. T. Stainton, Esq. Mountsfield, Lewisham bij Londen. 1861.
Dr. C. Felder, lid der Kais. L. C. Academie der Naturwis-
senschaften en Burgemeester van Weenen. 1861.
Prof. J. O. Westwood, M. A., F. L. S., Directeur van het
Hopean Museum te Oxford. 1862.
Jhr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort, te Bergen op Zoom. 1864.
Dr. Gustav L. Mayr, Professor aan de Hoogere Burgerschool
te Weenen. 1867.
Dr. H. D. J.Wallengrén, te Farhult, bij Höganäs in Zweden. 1871.
R. Mac Lachlan, F. L. S., te Londen. 1871.
Dr. T. Thorell, voormalig Hoogleeraar in de Zoologie aan de
Hoogeschool te Upsala in Zweden, thans wonende te Genua. 1872.
Dr. C. A. Dohrn, President der Entomologische Vereeniging
te Sellin. 1873.
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXV
De heer M. E. Baron de Selys Longchamps, te Luik. 1874.
» n Dr. V. Signoret, te Parijs. 1874.
CORRESPONDERENDE LEDEN.
De heer Prof. Arn. Förster, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool
te Alen. 1853.
Emil vom Bruck, te Crefeld. 1853.
» » Frederie Moore, Bestuurder van het Museum der voormalige
Oost-Indische Compagnie te Londen. 1864.
» » J.W. May, Consul-Generaal der Nederlanden te Londen. 1865.
Z. Exe. Mr. J. W. van Lansberge, voormalig Gouverneur-Generaal
van Nederlandsch Indie, te Brummen. 1865.
De heer Prof. P. C. Zeller, Grünhof bij Stettin. 1867.
» » W. Mink, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool te Cre-
feld. 1867.
„ » Dr.H. Weyenbergh, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Cordova
in de Argentijnsche Republiek. 1872.
» n Dr. W. Marshall, te Weimar. 1872.
n » A. Fauvel, te Caen. 1874.
BUITENLANDSCHE LEDEN.
De heer Henri Vicomte de Bonvouloir, Rue de Université, 15,
te Parijs. (1867—68).
„ » H. Jekel van Westing, lid der K. Acad. van natuuronderzoe-
kers te Moscou en van verscheidene entomol. genootschappen ,
Rue de Dunkerque, 62, te Parijs. (1868—69).
„ » J. Lichtenstein, villa la Lironde bij Montpellier. (1878 —79).
GEWONE LEDEN.
1845-46.
De heer Dr. J. G. H. Rombouts, te Groesbeek.
» » F. M. van der Wulp, Prinses Marie-straal, 14, te ’s Graven-
hage. — Diptera.
» » Dr. M. C. Ver Loren van Themaat, huize Schothorst, te
Hoogland bij Amersfoort. — Algemeene Entomologie.
„ » J. W. Lodeesen, Tulpstraat, 6, te Amsterdam. — Lepido-
ptera indigena.
Bett Dre RR van Laer, te Utrecht.
„ » Mr. H. Ver Loren van Themaat, te Utrecht. — Lepidoptera,
„ n W. 0. Kerkhoven, te Lochem,
XXXVI LIJST DER LEDEN ENZ.
1851-52.
De heer R. T. Maitland, Commelinstraat, 25, te Amsterdam. — Alge-
meene Entomologie.
» » P.C. T. Snellen, Wijnhaven (Noordzijde) 45, te Rotterdam. —
Lepidoptera.
ts. Dr: M. Imans, te Utrecht.
» » Dr. W. A. J. van Geuns, Oude Gracht, te Utrecht.
1852-53.
De heer Mr. H. W. de Graaf, Noordeinde, 123, te ’s Gravenhage. —
Inl. Lepidoptera, bijzonder Microlepidoptera.
» n G. M. de Graaf, Heerengracht, 55, te Leiden. — Lepidoptera.
» n G. A. Six, De Ruiterstraat, 65, te ’s Gravenhage. — Hymenoptera.
» » Dr. W. Berlin, Hoogleeraar aan de Universiteit, Westeinde,
2, te Amsterdam.
1855-586.
De heer A. A. van Bemmelen, Direeteur van de Diergaarde te Rot-
terdam. — Algemeene Entomologie.
» » Mr.B. A. de Roo van Westmaas, Huize Daalhuizen, te Velp. —
Lepidoptera.
1856-57.
De heer Mr. J. Herman Albarda, te Leeuwarden. — Inlandsche Lepi-
doptera (bijzonder Microlepidoptera) en Neuroptera.
„ » Mr. W. Albarda, te Ginneken. — Lepidoptera en Neuroptera.
» » Dr. A. W. M. van Hasselt, Amsterdamsche Veerkade, 15, te
’s Gravenhage. — Arachniden.
1857-58.
De heer Dr. J. W. Schubärt, te Utrecht.
0. WER aGrothe ‚Ste. Zeist.
1358-59.
De heer J. C. J. de Joncheere, Voorstraat, D, 368, te Dordrecht. —
Lepidoptera.
1860-61.
De heer J. Kinker, Oudezijds-Achterburgwal bij de Oudemanhaispoort ,
223, te Amsterdam. — Lepidoptera en Coleoptera indigena.
» » Dr. E. Piaget, Kortenaerstraat 416, te Rotterdam. — Diptera
en Parasitica.
1861-62.
Mevrouw de Weduwe Hartogh Heys van de Lier, te ’s Gravenhage,
voor wijlen haren Echtgenoot.
LIJST DER LEDEN ENZ, XXXVII
1563-64.
De heer Mr. R. Th. Bijleveld, Voorhout 88, te ’s Gravenhage. —
Algemeene Entomologie.
D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal, F, 3471, te Zwolle. —
” n
Lepidoptera.
186 1-65.
De heer Mr. A. H. Maurissen, te Maastricht. — Europesche insecten.
„ » Dr. H. J. Veth, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te
Rotterdam. — Algemeene Entomologie.
» » H. W. Groll, te Haarlem. — Coleoptera.
1365-66.
De Heer Mr. A. Brants, Buitensingel te Arnhem. — Lepidoptera.
1366-67.
De heer F. J. M. Heylaerts Jr., St.-Jansstraat te Breda. — Lepi-
doptera enz.
Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Hoogleeraar te Utrecht. — Alge-
meene Zoologie.
A. van den Brandt, te Venlo. — Lepidoptera.
” »
» »
1367-68.
De heer C. Ritsema Cz., Conservator bij ’s Rijks Museum van Natuur-
lijke historie, Rapenburg 94, te Leiden. — Algemeene Ento-
mologie.
» » Mr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Phil. nat. Dr., te Assen.
1868-69.
De heer Dr. J. G. de Man, Conservator bij ’s Rijks Museum van Natuur-
lijke historie, te Leiden. — Algemeene Entomologie.
» n Dr. F. W. O. Kallenbach, te Rotterdam. — Lepidoptera.
» » A. Cankrien, te Kralingen. — Lepidoptera.
» » Mr. €. J. Sickesz, Huize de Cloese bij Lochem.
1369-70.
De heer M. Nijhoff, Nobelstraat 18, te ’s Gravenhage. — Bibliographie.
1870-71.
I
—
e heer Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, Leeraar aan de Hoogere Burger-
school, Stationsweg 79, te ’s Gravenhage. — Coleoptera.
Mr. M. C. Piepers, Lid der regterlijke magt in Nederlandsch
Indie. — Lepidoptera.
» » Dr. P. J, Veth, Hoogleeraar te Leiden,
XXXVIII LIJST DER LEDEN ENZ.
1871-72.
De heer Dr. J. Ritzema Bos, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool
te Wageningen.
» » J.F. G.W. Erbrink, N. Z. Voorburgwal over de Kolk 62,
te Amsterdam. — Algemeene Entomologie.
» » J.B. van Stolk, Schie 23, te Rotterdam. — Lepidoptera.
» » Mr. A. F. A. Leesberg, Jan-Hendrikstraat, 9, te ’s Graven-
hage. — Coleoptera.
n» Dr. H. J. van Ankum, Hoogleeraar te Groningen.
» » M. M. Schepman, te Rhoon. — Neuroptera.
» » Dr. C. K. Hoffmann, Hoogleeraar te Leiden, — Vergelijkende
ontleedkunde.
Hdd
De heer Dr. A. J. van Rossum, Kastanjelaan te Arnhem.
1873-74.
De heer Dr. J. van Leeuwen Jr., P. C. Hooftstraat 32, te Amster-
dam. — Lepidoptera.
» » Mr. M. ’s Gravesande Guicherit, te Delft.
1874-75.
De heer H. L. Gerth van Wijk, Leeraar aan de Hoogere Burger-
school te Middelburg. — Hymenoptera aculeata.
» » J. van den Honert, Plantage Prinsengracht 9, te Amsterdam.
» » KR N. Swierstra, Koninkl. Zool. Genootschap Natura Artis
Magistra te Amsterdam. — Algemeene Entomologie.
1875-76.
De heer H. Uijen, Priemstraat te Nijmegen. — Lepidoptera.
» » J.G. Wurfbain, Huize Heuven, te Worth-Rhede.
» n A. J. Weytlandt, te Rijswijk.
» » Dr. M. W. Beijerinck, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool
te Wageningen.
» » Vine. Mar. Aghina, Sacr. Ord. Praed., te Schiedam.
» » N.M.La Fontijn, Officier der Infanterie te Bergen op Zoom.
1876-77.
De heer P. H. J. J. Ras, Jur. Stud. te Leiden (adres: Huize Rijnstein
te Arnhem).
» » L. de Bruyn, Officier der Artillerie te Brielle.
» » W.H. Dreessens, Oudebrugsteeg 5, te Amsterdam.
» n <A. J. F. Fokker, Jur. Stud. te Leiden. — Hemiptera.
» » Emile Seipgens, te Zutphen,
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXIX
heer A. M. J. Bolsius, Geneesheer der Billiton-maatschappij, op
Billiton (Nederl. Indie).
1577-78,
heer J. G. van Renthergem, te Bergen op Zoom.
„ Dr. C. Kerbert, Adsistent aan het Zootomisch Laboratorium,
Reguliersgracht 78, te Amsterdam.
„ G.A. F. Molengraaff, Phil. nat. stud. te Leiden. — Lepidoptera.
1873-79.
heer A. C. Oudemans Jsz., Phil. nat. stud. te Utrecht. — Acarina.
» Henri W. de Graaf, Phil. nat. stud. te Leiden.
» P. T. Sijthoff, Administrateur, te Tjilaki (Ned. Indie).
» J. B. Snellen, te Winterswijk.
„ Dr. F. A. Jentink, Conservator bij ’s Rijks Museum van
Natuurlijke historie, Papengracht 22, te Leiden.
1379-80.
heer Dirk ter Haar, te Nijmegen. — Lepidoptera.
» K. Bisschop van Tuinen Hz., Leeraar aan de Hoogere Bur-
gerschool en het Gymnasium te Zwolle. — Lepidoptera.
1880-81.
heer J. F. Oudemans, Sarphatistraat 78, te Amsterdam.
„ J. Gerard Kruimel, Tesselschadestraat 21, te Amsterdam.
» J. Jaspers Jr., Kerkstraat bij de Spiegelstraat 167, te Amsterdam:
1881-82.
heer H. Bos, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool te Wageningen.
BESTUUR.
President. Dr. A. W. M. van Hasselt.
Vice-President. P. C. T. Snellen.
Secretaris. F. M. van der Wulp.
Bibliothecaris. C. Ritsema Cz.
Penningmeester. J. W. Lodeesen.
COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT.
De President van het Bestuur.
F. M. van der Wulp.
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts.
BIBEIOTHERKEN
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
bo
BIJGEKOMEN BOEKEN VAN À SEPTEMBER 1881
TOT SI JULI 1882.
BIBLIOTHEEK A.
Natuurlijke Historie in het algemeen.
Anniversary Memoirs of the Boston Society of Natural History.
Published in celebration of the fiftieth Anniversary of the Society’s
Fondation. 1830—1880. Boston, 1880. roy. Svo. (Geschenk van
de Boston Soc. of Nat. Hist).
Algemeene Dierkunde.
Aurivillius (P. O. Chr.), On a new genus and species of Harpac-
ticida. Stockholm, 1879. With 4 plates. Svo. (Geschenk van de
Zweedsche Academie van Wetenschappen te Stockholm).
Man (Dr. J.G. de), Carcinological Studies in the Leyden Museum.
N°. 2. Leiden, 1881. 8vo. (Met de beide volgende nommers ten
geschenke van den Schrijver).
-—— Araeosternus Wieneckei n. g., n. sp. Een nieuwe vorm in
de familie der Loricata. ’s Gravenhage, 1881. Met 2 platen. 8vo.
—— On the genus Aracosternus d. Man Leiden, 1882. 8vo.
Oudemans, Jszn. (A. C.), Iets over fabelachtige verhalen en over
het vermoedelijk bestaan van de groote zeeslang. Haarlem, 1881.
8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Weyenbergh (Dr. H.), Zoologia sistematica. Texto traducido
muy abbreviadamente y con algunas modificaciones, de la parte
sistematica del texto de zoologia escrito en Holandes por el Dr,
P. Harting, Catedratico en Utrecht. Tomo I (Vertebrata), Cordoba,
1881. 8vo. (Geschenk van Prof. H, Weyenbergh),
BIBLIOTHEKEN DER NED. ENT. VERLENIGING. XLI
Algemeene Entomologie.
8. Borre (A. Preudhomme de), Sur une excursion entomologique en
Allemagne pendant les mois de Juin et Juillet 1880. Bruxelles,
1881/82. 8vo. (Geschenk van den heer de Borre).
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera.
9. (A. Preudhomme de), Matériaux pour la faune entomologique du
Brabant. Coléoptères. Deuxième centurie. Bruxelles, 1881. 8vo.
(Met de negen volgende nommers ten geschenke van den Schrijver).
10. —— Matériaux pour la faune entomologique de la province de
Liége. Coléoptères. Première et deuxième centurie. Bruxelles,
1881/82. Svo.
11. —— Matériaux pour la faune entomologique de la province de
Namur. Coléoptères. Première centurie. Bruxelles, 1881. 8vo.
12. —— Matériaux pour la faune entomologique de la province du
Luxembourg Belge. Coléoptères. Première centurie. Bruxelles,
1881. 8vo.
13. —— Matériaux pour la faune entomologique de la province
d'Anvers. Coléoptères. Première centurie. Bruxelles, 1881, Svo.
14. — — Matériaux pour la faune entomologique des Flandres. Colé-
optères. Première centurie. Bruxelles, 1881. Svo.
15. —— Sur le Carabus cancellatus et sa variété fusus. Bruxelles,
1882. 8vo.
16. — — Description d’une nouvelle espèce de Buprestide du genre
Slernocera , rapportée de l'Afrique centrale par le Capitaine Cam-
bier. Bruxelles, 1881. Avec une planche coloriée. 8vo.
17. —— Sur les métamorphoses des Rhagium. Bruxelles, 1881. Avec
une planche. 8vo.
18. —— Liste des Criocérides recueillies au Brésil par feu Camille
van Volxem, suivie de la description de douze nouvelles espèces
Américaines de cette tribu. Bruxelles, 1881. Svo.
19. Leesberg (Mr. A. F. A.), Bijdrage tot de kennis der inlandsche
Halticiden. ’s Gravenhage, 1881. Met eene gekleurde plaat. 8vo.
(Geschenk van den Schrijver).
20. Ritsema Cz. (C.), Descriptions of exotic Coleoptera. 3 Parts.
Leiden, 1882. 3vo. (Geschenk van den Schrijver).
26.
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
. Sahlberg (J.), Bidrag till Nordvestra Sibiriens Insektfauna. Coleo-
ptera. Insamlade under expeditionerna till Obi och Jenesej 1876
och 1877. I. (Cicindelidae-Micropeplidae). Stockholm, 1580. Med
en Tafla. 4to. (Geschenk van de Zweedsche Academie van Welen-
schappen te Stockholm).
B. Lepidoptera.
Aurivillius (P. O. Chr.), Lepidoptera Damarensia. Förteckning
pa fjärilar insamlade i Damaralandet af G. de Vylder ären 1873
och 1874 jemte beskrifning öfver förut skända arter. Stockholm,
1879. 8vo. (Geschenk van de Zweedsche Academie van Weten-
schappen te Stockholm).
Berg (C.), Apuntes Lepidopterologicos. III. Buenos Aires, 1881.
Svo. (Met het volgende nommer ten geschenke van den Schrijver).
—— Farrago Lepidopterologica contribuciones al estudio de la
fauna Argentina y paises limitrofes. Buenos Aires, 1882, 8vo.
Moore (F.). Deseriptions of new Indian Lepidopterous Insects
from the collection of the late Mr. W. S. Atkinson. Part II.
Heterocera (continued). Calcutta, 1882. With two coloured pla-
tes. 4to. (Geschenk van den Schrijver).
—— The Lepidoptera of Ceylon. Part HI and IV. With 35
coloured plates. London, 1881. 4to. (Geschenk van de Engelsche
Regering).
. Spangberg (J.), Note sur les variétés suédoises de la Brenthis
selene W. V. Stockholm, 1878. Avec une planche coloriée. 8vo.
(Met het volgende nommer ten geschenke van de Zweedsche Academie
van Wetenschappen te Stockholm).
Trybom (F.), Dagfjärilar insamlade af svenska expeditionen till
Jenesei 1876. Stoekholm, 1877. 8vo.
. Vollenhoven (Dr. S. ©. Snellen van), Beschrijvingen en Afbeel-
dingen van Nederlandsche Vlinders. (Vervolg op Sepp, Beschou-
wing der Wonderen Gods, enz.). ’s Gravenhage, 1882. DI. IV n°.
19 en 20. Met twee gekleurde platen. 4to.
C. Hymenoptera.
Adler (Dr. H.), Les Cynipides. ire. partie. Introduction. La
génération alternante chez les Cynipides. Traduit et annoté par
J. Lichtenstein. Suivi de la Classification des Cynipides d’après
le Dr. G. Mayr. Montpellier et Paris, 1881. Avec trois planches
8vo. (Geschenk van den heer J. Lichtenstein).
31.
30.
34.
35.
36.
37.
38.
39.
40.
43.
44.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLIII
André (E.), Species des Hyménoptères d’Europe et d’Algérie.
Fasc. XI—XIV. Beaune, 1881/82. Avec planches. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschrift voor Entomologie).
Holmgren (A. E.), Dispositio synoptica Mesoleiorum Scandinaviae.
Stockholm, 1876. 4to. (Geschenk van de Zweedsche Academie van
Wetenschappen te Stockholm).
D. Hemiptera.
Berg (Dr. C.), Sinonimia y descripcion de algunos Hemipteros de
Chile, del Brasil y de Bolivia. Buenos Aires, 1881. 8vo. (Geschenk
van den Schrijver).
Reuter (Dr. O. M), Analecta hemipterologica. Zur Artenkenntniss,
Synonymie und geographischen Verbreitung palaearktischer Hete-
ropteren. Berlin, 1881. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Sahlberg (J.), Bidrag till Nordvestra Sibiriens Insektfauna. Hemi-
ptera Heteroptera. Insamlade under expeditionerna till Obi och
Jenesej 1876 och 1877. Stockholm, 1878. 4to. (Met de volgende
vijf nommers ten geschenke van de Zweedsche Academie van
Wetenschappen te Stockholm).
Spängberg (J.), Homoptera nova vel minus cognita. Stockholm,
1877. 8vo.
—— Species Gyponae generis Homopterorum. Stockholm, 1878. 8vo.
—— Homoptera nonnulla americana nova vel minus cognita.
Stoekholm, 1879, 8vo.
Stal (C.), Sur les caractères distinctifs des Hétéroptères et des
Homoptères. Stockholm, 1878. 8vo.
—-— Enumeratio Hemipterorum. Bidrag till en förteckning öfver
alla hittills kända Hemiptera. 5. Stockholm, 1876. 4to.
E. Neuroptera.
. Lachlan (R. Me.), Finska Trichoptera. Helsingfors, 1881. Svo.
(Met de drie volgende nommers ten geschenke van den Schrijver).
. —— On two new Panorpidae from Western North America.
London, 1881. &vo.
—— Note sur le mâle de Perla Selysii Pictet. Bruxelles, 1881. 8vo.
—— Trichoptères, Névroptères-Planipennes et Pseudo-Névroptères
récoltés pendant une excursion en Belgique, au mois de Juillet
1281. Bruxelles, 1881. vo.
XLIV
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
F. Orthoptera.
Stal (C.), Observations Orthoptérologiques. n°. 1—3. Stockholm,
1875—78. 8vo. (Met de vijf volgende nommers ten geschenke van
de Zweedsche Academie van Wetenschappen te Stockholm).
Bidrag till södra Afrikas Orthopter-fauna. Stockholm,
1876. 8vo.
—— Orthoptera nova ex Insulis Philippinis. Stockholm, 1877. 8vo.
— Systema Acridiodeorum. Essai d’une systématisation des
Acridiodées. I. Stockholm, 1878. 8vo.
—— Systema Mantodeorum. Essai d’une systématisation nouvelle
des Mantodées. Avec une planche. Stockholm, 1877. 8vo.
Tullberg (T.), Collembola borealia. — Nordiske Collembola. Med
4 tafl. Stockholm, 1876. 8vo.
G Diptera.
Weyenbergh (Dr. H.), Dos nuevas especies del grupo de los
Dipteros pupiparos. Buenos Aires, 1881. Svo. (Met het volgende
nommer ten geschenke van den Schrijver).
—— Sobre la familia Pulicidae con deseripeion de algunas nuevas
especies. Cordoba, 1881. 8vo.
Wulp (F. M. van der), Rhaphiocera picta, nouvelle espèce de la
famille des Stratiomyides. Bruxelles, 1879, 8vo. (Met de drie
volgende nommers ten geschenke van den Schrijver).
— — Remarks on certain American Diptera in the Leyden Museum
and deseription of nine new species. Leyden, 1882. 8vo.
— — Amerikaansche Diptera. I. ’s Gravenhage, 1881. Met eene
gekleurde plaat. 8vo.
—— Over het prepareren van Diptera. Naar het Hoogduitsch
van J. Mik. ’s Gravenhage, 1882. 8vo.
H. Arachnoidea en Myriapoda.
Thorell (T.), Studi sui Ragni Malesi e Papuani. Genova, 1881.
Svo. (Met het volgende nommer ten geschenke van den Schrijver),
—-- Descrizione di aleuni Aracnidi inferiori dell'Arcipelago Malese.
Genova, 1882. 8vo.
Weyenbergh (Prof. H.), On two new species of the genus Pachylus
Koch, from the Argentine Republic. Boston, 1878. 8vo. (Geschenk
van den Schrijver).
61.
62.
63.
64.
65.
67.
68.
ENTOMOLOGISCHE VEREENTGING. XLV
Palacontologie.
Seudder (S. H.), The Tertiary Lake-basin at Florissant, Colorado,
between South and Hayden Parks. Geology and Palacontology.
Washington, 1881. 8vo. (Met het volgende nommer len geschenke
van den Sehrijver).
——— Archipolypoda, a subordinal type of spined Myriapods from
the Carboniferous Formation. With four plates. Boston, 1882. 4to.
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Dimmock (G.), Anatomy of the Mouth-parts and of the Sucking-
apparatus of some Diptera. Boston, 1881. With four plates. 4to.
(Geschenk van den Schrijver).
Mac Leod (J.), Recherches sur la structure et le développement
de l'appareil reproducteur femelle des Téléostéens. Avec deux
planches. Gand, 1881. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Seudder (S. H.), Fragments of the coarser anatomy of diurnal
Lepidoptera. Cambridge, 1882. Svo. (Geschenk van den Schrijver).
Weyenbergh (Dr. H.), Programma de Histologia. Como se ensena
actualmente este ramo en Is Universidad Nacional de Cordoba.
Cordoba, 1881. 8vo. (Met het volgende nommer ten geschenke van
den Sehrijver).
—-— Morphologische aanteekeningen over de Proestalen of Sym-
branchidae. Cordoba, 1881. Met eene plaat. 8vo.
Tijdschriften.
Anales de la Sociedad cientifica Argentina. Buenos Ayres, 1881/82,
tom. XII y XIII. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Annali del Museo civico di Storia Naturale di Genova, pubblicati
per cura di G. Doria e R. Gestro. Genova, 1881. vol. XVII. Svo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Annuaire entomologique pour 1881 (9e année) par A. Fauvel.
Caen, 1881. Svo. (Geschenk van den Sehrijver).
Archief. Vroegere en latere Mededeelingen voornamelijk in betrek-
king tot Zeeland, uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap der
Wetenschappen. Middelburg, 1881. DI. V, 2de stuk. 8vo. (Geschenk
van het Zeeuwsch Genootschap).
Boletin de la Academia Nacional de Ciencias de la Republica
Argentina. Cordoba, 1881. Tom. III, entr. 4; Tom. IV, entr. 1.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
XLVI
12.
75.
76.
79.
82.
83.
84.
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
Boletin del Instituto Geografico Argentino, publicado bajo la
direccion de su Presidente Dr. D. Estanislao s. Zeballos. Buenos
Ayres, 1881/82. Tom. II, cuad. 2—7, 9—12, 14 y 15; tom. III,
cuad. 1—10. 8vo. (Geschenk van het Argentijnsch Geographisch
Instituut).
Bulletin des Séances de la Société Entomologique de France.
Paris, 1881, n°. 14—19 et 21—24; 1882, n°. 1—13. 8vo. (In
ruil tegen de Verslagen der Ned. Ent. Vereen.).
. Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie. 3me sér. vol. IV,
Caen, 1880. Svo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Vol. III,
n°. 5; vol. IV, n°. 1 and 2. Buffalo, 1877/82. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
Bulletin of the Essex Institute. Vol. XII and XIII. Salem, 1880/81.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
. Bulletin of the U. S. Geological and Geographical Survey of the
Territories. Vol. VI, n°. 2. Washington, 1881. 8vo. (Geschenk
van den heer F. V. Hayden).
Bullettino della Societa Entomologica Italiana. Anno XIII, trim.
2-4; anno XIV, trim. 1. Firenze, 1881/82. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de
Belgique. Série III, n°. 9—20. Bruxelles, 1881/82. 8vo. (In ruil
tegen de Verslagen der Ned. Ent. Vereen.).
. Entomologische Nachrichten, herausgegeb. von Dr. F. Katter.
Jahrg. VII, Heft 17-24; Jahrg. VII, Heft 1-—14. Stettin,
1881/82. Svo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
. Entomologisk Tidskrift, pa föranstaltande af Entomologiska Före-
ningen i Stockholm utgifven af J. Spängberg. Arg. IT, Haft 3—4;
Arg. III, Häft 1—3. Stockholm, 1881/82. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.).
Entomologist (The). An Illustrated Journal of British Entomology.
Edited by J. T. Carrington. Vol. XIV, n°. 220—223; vol. XV,
n°. 224—230. London, 1881/82. 8vo.
Jahrbiicher des Nassauischen Vereins fiir Naturkunde. Jahrg.
XXXII und XXXIV. Wiesbaden, 1880/81. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
Journal. of Entomology (The). Descriptive and Geographical.
London, 1862/66. 2 Vols. With Plates. 8vo,
85.
86.
87.
88.
89.
90.
91.
92.
93.
94.
96.
97.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLVII
Meddelanden af Societas pro Fauna et Flora Fennica. Häftet
6—8. Helsingfors, 1881. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Naturalista Siciliano (II). Giornale di Scienze Naturali. Anno I,
n°. 1 e 2. Palermo, 1881. 8vo.
Naturhistorische Hefte nebst deutsch redigirter Revue, heraus-
gegeb. vom Ungarischen National-Museum in Budapest. Redigirt
von O. Herman. Bd. V, Heft 2—4. Budapest, 1882, 8vo (In ruil
legen het Tijdschr. v. Entom.).
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indie, uitgegeven
door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch
Indie. DI. XL. Batavia en ’s Gravenhage, 1881. Svo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Periodico Zoologico. Organo de la Sociedad Zoologica Argentina.
Tom. III, entr. 4. Cordoba, 1881. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.).
Proceedings of the Boston Society of Natural History. Vol. XX,
Prt. 4; vol. XXI, Prt. 1. Boston, 1881. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.).
Proceedings of the Linnean Society of New South Wales. Vol. I;
vol. III prt. 3; vol. V prt. 3 and 4; vol. VI prt. 1—3. Sydney,
1875—81. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society
of London for the year 1880, part 4; and for the year 1881,
part 1—3. London, 1881. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Psyche, Organ of the Cambridge Entomological Club, Vol. III,
n°. 83—89, and 93—96. Cambridge, 1881/82. 8vo. (Geschenk
van den Uitgever).
Report (Annual) of the Board of Regents of the Smithsonian
Institution for the years 1879 and 1880. Washington, 1880/81. Svo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
. Report (Annual) of the Commissioner of Agriculture for the years
1878 and 1879. Washington, 1879/80. 8vo. (Geschenk van het U. S.
Department of Agriculture).
Report (Annual) of the Comptroller of the Currency. Washington,
1880. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Revue Coléoptérologique publiée par C. van den Branden. Année
I, n°. 1—4. Bruxelles, 1882. 8vo. (De uitgave van dit tijdschrift
is mel n°. 4 gestaakt).
XLVIIT BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
98:
995
100.
101.
102.
105.
104.
106.
107.
108.
109.
Schriften der physikalisch-ökonemisehen Gesellschaft zu Königs-
berg. 21ster Jahrg. Abth. 2, und 22ster Jahrg. Königsberg ,
1880/81. 4to. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Transactions of the American Entomological Society, and Pro-
ceedings of the Entomological Section of the Academy of Natural
Sciences. Vol. VIII. Philadelphia, 1880. &vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.).
Tromso Museums Aarshefter. Bd. IV. Tromso, 1881. 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Tijdschrift der Nederlandsche Dierkundige Vereeniging. DI. V,
afl. 4; dl. VI, afl. 1. Met platen. Leiden, 1881/82. 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap gevestigd te
Amsterdam. DI. V, n°. 6 en dl. VI, n°. 1--4. Met kaarten.
Amsterdam en Utrecht, 1881/82. 4to. (In ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.).
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederl. Entom.
Vereen. DI. XXIV, afl. 4, en dl. XXV, afl. 1—3. Met platen.
’s Gravenhage, 1881/82. 8vo.
Verhandlungen der k. k. zoologisch-botanischen Gesellschaft in
Wien. Bd. XXXI. Mit Tafin. Wien, 1882. 8vo. (In ruil legen
het Tijdschr. v. Entom.).
. Verhandlungen des naturforschenden Vereines in Brünn. Bd.
XVII und XIX. Mit Tafin. Brünn, 1880/81. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
Verhandlungen des Vereins für naturwissenschaftliche Unter
haltung zu Hamburg. Bd. IV. Mit Tafln. Hamburg, 1879. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Verslag van de 36ste Zomervergadering en van de 15de Winter-
vergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging, ge-
houden te Maastricht den 23sten Julij 1881 en te Leiden den
15den Januarij 1882. ’s Gravenhage, 1882. 8vo.
Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van
Wetenschappen, afdeeling Natuurkunde. 2de reeks, 16de deel
2de en 3de stuk, en 17de deel. Amsterdam, 1881/82. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Zeitschrift für die gesammten Naturwissenschaften. Redigirt von
Dr. C. G. Giebel. Bd. LIV. Mit Tafin. Berlin, 1881. 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
110.
ALL
112.
115.
114.
115.
116.
119.
120.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLIX
Reizen.
Informe oficial de la Comision cientifica agregada al estado Mayor
General de la Expedicion al Rio Negro (Patagonia), realizade
en los meses de Abril, Mayo y Junio de 1879, bajo las ordenes
del General D. Julio A. Roca. Entrega I, Zoologia. Buenos
Ayres, 1881. 4to. (Geschenk van de Academia Nacional de Ciencias
de la Republica Argentina).
Midden-Sumatra. 3de aflev. Leiden, 1882. Imp. 8vo. (Geschenk
van het Aardrijkskundig Genootschap).
Varia.
Bericht über die geographischen, ökonomischen, comerziellen
und politischen Verhältnisse der Argentinischen Republik (Mission
des Grafen San Januario bei den Republiken Südamerika’s
(1878 und 1879). Buenos Ayres, 1881. 8vo. (Geschenk van de
Argentijnsche Regering.)
Candèze (Dr. E.), Aventures d’un Grillon. Paris, 8vo. (Geschenk
van Mr. M. ’s Gravesande Guicherit).
Catalogus der Bibliotheek van het Zeeuwsch Genootschap der
Wetenschappen. Tweede druk. 1ste stuk. Middelburg, 1882. 8vo.
(Geschenk van het Zecuwsch Genootschap).
Congressional Directory, compiled for the use of Congress by
Ben. Perley Poore. 2nd Ed. Washington, 1882. 8vo. (Geschenk
van de Smithsonian Institution.)
Conquête (La) de la Pampa. Recueil des documents relatifs
la Campagne du Rio Negro sous les ordres du Ministre de |
guerre, Général D. Julio A. Roca, précédé d’une étude topogra-
phique par Manuel J. Olascoaga, etc. Buenos Ayres, 1881. 8vo.
(Geschenk van de Argentijnsche Regering).
. Guide (Visitor’s) to Salem. Salem, Mass., 1880. 8vo. (Geschenk
van het Esser Institute).
. Katalog der Bibliothek des Naturforschenden Vereines in Brünn. I.
Suppl.-Heft. Brünn, 1880. 8vo. (Geschenk van het Naturf. Verein
in Brünn).
List of Foreign Correspondents of the Smithsonian Institution.
5th Edition. Washington, 1878. Svo. (Geschenk van de Smith-
sonian Institution).
Musschenbroek (Mr. S. C. J. W. van), Het Vaarwater van de
Schipbreukelingen van het Stoomschip „Koning der Nederlan-
den ”, en de kansen op hun behoud. Met 2 kaarten. Amsterdam en
Utrecht, 1881. 8vo. (Geschenk van het Aardrijkskundig Genootschap).
4
125.
Ts
2.
3}
4,
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
. Programma van de Rijkslandbouwschool te Wageningen voor het
leerjaar 1881—82. Wageningen, 1881. 8vo. (Geschenk van den
heer C. J. M. Jongkindt Coninck).
. Reports of Observatories. 1879. Washington, 1880. 8vo. (Geschenk
van de Smithsonian Institution).
. Scudder (S. H.), A Bibliography of Fossil Insects. Cambridge,
1882. 8vo. (Geschenk van den Schrijver.)
. Statuts de la Société Entomologique de Belgique, révisés en
assemblée générale du 25 Sept. 1865, avec toutes les modifications
qui y ont été apportées depuis cette époque. Bruxelles, 1882.
8vo. (Geschenk van de Société Entomologique de Belgique).
Weyenbergh (Prof. H.), Iets over den oorsprong van den vee-
rijkdom van Zuid-Amerika. 4to. (Met de beide volgende nommers
ten geschenke van den Schrijver).
. —— Noveno informe anual del Museo Zoologico de la Univer-
sidad Nacional. Cordoba, 1882. 8vo.
. —— Bibliographie scientifique principalement zoologique. Cordoba,
1882. 8vo.
Wulp (F. M. van der), S. C. Snellen van Vollenhoven als
Entomoloog geschetst. Met portret. ’s Gravenhage, 1881. 8vo.
(Geschenk van den Schrijver).
BIBLIOTHEEK B.
Natuurlijke Historie in het algemeen.
Zuchold (E. A.), Bibliotheca historico-naturalis. Göttingen, 1851 —
1870. Jahrg. I—XX. 3 bdn. 8vo. (Geschenk van Mr. W. Albarda).
Algemeene Dierkunde.
Schlechtendal (D. H. R. von), Die Gliederfüssler mit Ausschluss
der Insekten. Eine Anleitung zur Kenntniss derselben. Mit lithogr.
Tafln. Leipzig, 1881. 8vo.
Algemeene Entomologie.
Waterhouse (Ch. 0.), Aid to the identification of insects. With
Lithographs by Edw. Wilson. Vol. I. London, 1880—82. 8vo.
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera.
Belon (M. J.), Histoire naturelle des Coléoptéres de France. Famille
des Lathridiens. 1re partie. Lyon, 1881. 8vo.
10.
11.
12.
ENTOMOLCGISCHE VEREENIGING. LI
Heyden (L. von), Catalog der Coleopteren von Sibirien, mit
Einschluss derjenigen der Turauischen Linder, Turkestans und
der chinesischen Grenzgebiete, u. s. w. 1stes Heft. Berlin, 1880/81.
8vo. (Besonderes Heft der Deutschen Entomologischen Zeitschrift).
Mulsant (E.) et Cl. Rey, Histoire naturelle des Coléoptéres de
France. Paris, 1871—80. 8vo. (Lamellicornes et Pectinicornes
par Mulsant et Rey, 1871. — Improsternés, Unciféres, Diversi-
cornes spinipèdes, par Mulsant et Rey, 1872. — Brévipennes:
Aleochariens , Myrmédoniaires, ete. (11 nommers), par Mulsant et
Rey, 1871—80).
Weise (J.), Naturgeschichte der Insecten Deutschlands (begonnen
von Erichson, fortgesetzt van Schaum u. A.) iste Abth. Coleo-
ptera. Bd. VI, Liefer. 1. Berlin, 1882. 8vo.
Westhoff (Fr.), Die Kifer Westfalens. 1ste Abtheilung. Bonn,
1881. 8vo. (Supplement zu den Verhandl. d. naturh. Vereins der
preuss. Rheinlande und Westfalens).
B. Lepidoptera.
Moore (F.), The Lepidoptera of Ceylon. Part IV. With 21 coloured
Plates. London, 1881. 4to.
Snellen (P. C. T.), De Vlinders van Nederland. Microlepidoptera.
2 din met 14 platen. Leiden, 1882. gr. 8vo.
Vollenhoven (S.C. Snellen van), Beschrijvingen en Afbeeldingen
van Nederlandsche Vlinders. (Vervolg op Sepp, Beschouwing der
Wonderen Gods, enz.) ’s Gravenhage, 1882. DI. IV, n°. 19 en 20.
Met 2 gekl. plat. 4to.
C. Hymenoptera.
Mayr (Dr. G.), Die Genera der Gallen bewohnenden Cynipiden.
Wien, 1881. 8vo.
D. Hemiptera.
Niets bijgekomen.
E. Neuroptera.
Niets bijgekomen.
F. Orthoptera.
Niets bijgekomen.
G. Diptera.
Niets bijgekomen.
H. Arachnoidea en Myriapoda.
Niets bijgekomen.
LIT BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
Palaeontologie.
Niets bijgekomen.
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Niets bijgekomen.
Tijdschriften.
13. ‘Abeille (1°), Mémoires d’Entomologie, par M. S. A. de Marseul.
Tome XVIII, n°. 248—250. Paris, 1881. pet. in 8vo.
14, Album der Natuur. Tijdschrift ter verspreiding van natuurkennis
onder beschaafde lezers van allerlei stand. Jaarg. 1881 afl. 11
en 12; 1882, afl. 1—9. Haarlem, 1881/82. 8vo.
15. Annales de la Société Entomologique de Belgique. Tome XXV.
Bruxelles, 1881. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
16. Annales de la Société Entomologique de France. 5me sér. Tom. X.
Paris, 1880/81. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
17. Annales des Sciences Naturelles. Zoologie et Paléontologie. 6me
sér. tom. XI, n°. 5 et 6; tom. XII; tom. XIII, n°. 1. Paris,
1881/82. 8vo.
18, Annals and Magazine of Natural History. Conducted by Günther,
Dallas, Carruthers and Francis. 5th ser. Vol. VIII, n°. 3—6;
vol. IX; vol. X, n°. 1. London, 1881/82. 8vo.
19. Archiv für Naturgeschichte. Gegriindet von Wiegmann und fort-
gesetzt von Erichson und Troschel. Jahrg. 43, Heft 6; Jahrg.
44, Heft 6; Jahrg. 47, Heft 2—5; Jahrg. 48, Heft 1 und 2.
Berlin, 1877—82. 8vo.
20. Archives (Nouvelles) du Muséum d’Histoire Naturelle de Paris.
2me ser. tom. IV, fasc. 2. Paris, 1881. 4to.
21. Bericht über die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der
Entomologie wiihrend des Jahres 1880, van Dr. Ph. Bertkau.
Berlin, 1882. 8vo.
22. Berliner Entomologische Zeitschrift. Herausgegeben von dem Ento-
mologischen Verein in Berlin. Redacteur: Dr. H, Dewitz. Jahrg.
XXV, 2tes Heft; Jahrg. XXVI, 1stes Heft. Mit Tafln. Berlin,
1881/82. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
23. Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou,
publié sous la Direction du Dr. Renard. Ann. 1880, n°. 3 et 4;
Ann. 1881, n°. 1—3. Av. pl. Moscou, 1881/82. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom),
25.
26.
28.
29
30.
31.
32.
33.
34.
35.
36.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. LIII
. Correspondenz-Blatt des zoolog. miner. Vereines in Regensburg.
Jahrg. 35, n°. 7—12. Regensburg, 1881. 8vo.
Deutsche Entomologische Zeitschrift. Herausgegeben von der
Deutschen Entomologischen Gesellschaft. Redacteur: Dr. G. Kraatz.
Jahrg. XXV, Jahrg. XXVI, 1stes Heft. Mit Tafin. Berlin, 1881/82.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr, v. Entom.).
Entomologische Zeitung. Herausgegeben von dem entomologischen
Vereine zu Stettin. Jahrg. XLII. Stettin, 1881. 8vo, (In ruil legen
het Tijdschr. v. Entom.).
. Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Conducted by Douglas,
Barrett, MacLachlan a. o. Vol. XVII, n°.4—12; vol. XIX, n°. 1
and 2. London, 1881/82. 8vo.
Isis. Maandblad voor Natuurwetenschappen, onder redactie van
Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen. DI. X, aflev. 8—12. Rot-
terdam, 1881. 8vo.
Journal (The) of the Linnean Society of London. Zoology. Vol.
XV, n. 84 and 85. London, 1880/81. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.).
Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft.
Redigirt von Dr. G. Stierlin. Vol. VI, Heft 4—6. Schaffhausen,
1881/82. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Mittheilungen des Münchener Entomologischen Vereins. Jahrg.
V, Heft 2. München, 1881. 8vo.
Notes from the Leyden Museum. Edited by H. Schlegel. Vol. III,
n. 4; vol. IV, n°. 1—3. Leyden, 1881/82. 8vo.
Nunquam Otiosus. Mittheilungen aus dem Museum Ludwig Sal-
vator von Dr. L. W. Schaufuss. Bd. III, S. 513—560. Ober-
Blasewitz bei Dresden, 1882. 8vo.
Transactions of the Entomological Society of London for the
year 1881. London, 1881. With plates. 8vo. (In ruil tegen hel
Tijdschr. v. Entom.).
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging DI. XXIV, aflev. 4; DI. XXV, aflev.
1—5. Met gekl. pl. ’s Gravenhage, 1881/82. 8vo.
Verhandlungen des naturhistorischen Vereines der preussischen
Rheinlande und Westfalens. Herausgegeb. von Dr. C. J. Andrä.
Jahrg. XXXVIII. Bonn, 1881. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.).
LIV BIBLIOTHEKEN DER NED. ENT. VEREENIGING.
37. Verslag van de 36ste Zomervergadering en van de 15de Winter-
vergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging, ge-
houden te Maastricht den 23sten Julij 1881 en te Leiden den
15den Januarij 1882. ’s Gravenhage, 1882. 8vo.
38. Wiener Entomologische Zeitung. Herausgegeb. und redigirt von
L. Ganglbauer u. A. Jahrg. I, Heft. 1—7. Mit Tafln. Wien,
1882. 8vo.
39. Zoological Record for 1880. London, 1881. 8vo.
40. Zoologist (The). A. Monthly Journal of Natural History, edited
by J. Harting. 3rd. ser. Vol. V, n°. 57—60; vol. VI, n°. 61—67.
London, 1881/82. 8vo.
Reizen.
Niets bijgekomen.
Varia.
Niets bijgekomen.
ENTOMOLOGISCHE INHOUD
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
September 1881.
Entomologist (The), An Illustrated Journal of General Entomology.
Edit. by J. T. Carrington. vol. XIV, n°. 220 (September 1881) (a). ')
Notes on an abnormal pupa of Bombyx mori, by E. Kay-Robinson. —
“A life-history of Apatura Iris, by A. B. Farn. — Eupithecia
Jasioneata Crewe: a species new to science, by H. H. Crewe. —
A month in the New Forest, by R. E. Salwey. — Collecting in
North Devon, by R. South. — Introductory papers on Ichneu-
monidae, by J. B. Bridgman and E. A. Fitch. — Entomological
Notes, Captures, etc.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. vol. XVIII, n°. 208 (Sep-
tember 1881) (b).
A comparison of the Pterophori of Europe and North America,
suggested by Lord Walsingham’s „Pterophoridae of California and
Oregon,” by R. C. R. Jordan. — Natural History of Miana
expolila, by W. Buckler. — New species of Ichneumonidae, by
E. Parfitt. — A new species of Eupithecia, by H. H. Crewe. —
Entomological Notes , Captures, etc. — List of Lepidoptera observed
in the neighbourhood of Gallipoli, Turkey, in 1878, by G. F.
Mathew (continued).
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. VIII, n°. 45
(September 1881) (b).
1) (a) duidt aan dat het werk tot de oorspronkelijke Bibliotheek der Ned. Ent.
Vereeniging, (4) dat het tot de Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier behoort.
LVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
On the Penacidea, by C. Spence Bate. — Notes on Longicorn
Coleoptera : Revision of the Aerenicides and Amphionychides
of Tropical America, by H. W. Bates. -- On a Collection of
Crustacea made by Baron H. Maltzam at Goree Island, Sene-
gambia, by E. J. Miers.
Zoologist (The), A Monthly Journal of Natural History. Edit. by J.
E. Harting. 3rd. ser. vol. V, n°. 57 (September 1881) (0).
Notes and Observations on British Stalk-eyed Crustacea, by J. T.
Carrington and E. Lovett.
Bulletin des Séances de la Soc. Entom. de France. Ann. 1881, n°. 16 (a).
Description d’une nouvelle espéce de Coléoptéres de la famille des
Cicindélètes, par H. Lucas. — Diverses observations relatives à
des Coléoptéres, par L. Bedel. — Description d’une nouvelle
espèce de Coléoptéres de la famille des Hélopides, par M. E.
Allard. — Trois observations, par A. Chevrolat.
Mittheilungen der schweizer. entom. Gesellschaft. Vol. VI, Heft n°. 4 (b).
Nachtriige zur Lepidopteren-Fauna der Schweiz, von Prof. Dr. H.
Frey. — Entomologische Notizen, von Dr. G. Haller. — Ueber
Carabus Latreillei Dej. und seine Varietäten, von Dr. G. Stierlin. —
Beschreibung einiger neuer Riisselkiifer, von Dr. G. Stierlin. — :
Eine Excursion in den alpinen Siiden der Schweiz, von Pfarrer
Rätzer. — Carabus Olympiae Sella var. Stierlini Heyd. (Sellae
Strl. nee Krtz.), von Dr. L. van Heyden. — Synonymik.
Archiv für Naturgeschichte. Herausgeg. von Troschel. Jahrg. 47 Heft 2 (b).
Acarinologisches, II, von Dr. G. Haller.
Bullettino della Societa Entomologica Italiana. Anno 13, trim. 3 (a).
Sugli Imenotteri della Lombardia. Mem? 12, del Dott. P. Magretti. —
Contribuzione allo studio di alcune specie italiane del genera
Tiphia, dell’Ing. G. Gribodo. —- Contribuzione allo studio dei
Lepidotteri del Modenese e del Reggiano, pel Dott. A. Fiori. —
Escursione in Calabria (1877—78). Imenotteri, dell’Ing. G. Gri-
bodo. — G. Cavanna, Nuovo Genere (Plutonium) e nuova specie
(P. Zwierleini) di Scolopendridae. — Orthopterorum Italiae species
novae in collectione R. Musei Florentine digestae ab A. Fargioni-
Tozzetti. — Prof. C. de Siebold, Preghiera ai Signori Entomologi
italiani risguardante la Psyche apiformis. — Osservationi sulla
Fillossera del leccio in Sardegna, del Prof. L. Macchiati. —
Rassegna entomologica. — Notizie di Entomologia applicata.
Entomologische Nachrichten, herausgeg. von Dr. Katter. Jahrg. VII,
Heft 17 und 18. (a).
Coleopterologische Ergebnisse einer Excursion nach Süd-Ungarn im
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LVII
Mai 1880, I und II, von E. von Bodemeyer-Heinrichau. —
Massenhaftes und schädliches Auftreten der Graseule Charaeas
(Noctua) graminis Linn. im Thüringer Walde, von A. Gutheil. —
Psocidologischen Berichtigungen, von H. Kolbe. — Die Jahres-
versammlung der schweizerischen entomologischen Gesellschaft. —
Ptochus quadrisignatus Bach, von F. Krause. — Der Entomolo-
gische Verein für Thüringen.
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indie. DI. XL (a).
Bijdrage tot de kennis der Crustaceën-Fauna van Java’s Noordkust ,
door Dr. C. Ph. Sluiter.
Verhandlungen des naturforschenden Vereines in Brünn. Bd. XVIII (a).
Schiiden durch Zabrus gibbus, von A. Makowsky. — Schiiden durch
Dermestes lardarins, Ptinus fur und Anobium pertinax, von A.
Tomaschek. — Neun neue Clavicornier, von E. Reitter. — Einige
neue Coleopteren, von E. Reitter. — Die Gattungen und Arten
der Coleopterenfamilie Seaphidiidae meiner Sammlung, von E.
Reitter. — Beiträge zur Käferfauna von Neu-Seeland, von Edm.
Reitter.
Deutsche Entomologische Zeitschrift. Red. G. Kraatz. Jahrg. XXV
(1881) Heft 1 (b).
Beiträge zur Kenntniss einiger Braconiden-Gattungen, von H. Rein-
hard (Schluss). — Bemerkungen über typische Exemplare von
Arten der Heteromeren-Gattung Blaps aus Fischer von Waldheim’s
Sammlung, von Dr.-G. Kraatz. — Ueber Veränderlichkeit der
Prosodes-Arten und Beschreibung von Pros. minuta n.sp , von G.
Kraatz. — Ueber die europaischen Criocephalus-Arten, von G.
Kraatz. — Ueber die Madagascarischen Cetoniden-Gattungen, von
G. Kraatz. — Ueber die beiden Geschlechter und Heimath der
Melolonthiden-Gattung Tremato les Fald., von G. Kraatz. — Coleo-
pterologische Streifzüge in Istrien, von J. Stussiner. — Kleinere
Mittheilungen, von v. Heyden und Kraatz. — Monstrüse Käfer
aus meiner und der Sammlung des H. Prof. Doebner in Aschaf-
fenburg, beschrieben von Dr. L. v. Heyden. — Monströse Käfer,
beschrieben von Dr. G. Kraatz. — Ucber die Wichtigkeit der
Untersuchung des männlichen Begattungsgliedes der Käfer für
Systematik und Artunterscheidung , von Dr. G. Kraatz. — Welchen
europäischen oder exotischen Arten gebürt der GattungsnameCetonia
Fabr.?, von Dr. G. Kraatz. — Ueber die Anwendung combinirter
Autornamen hinter den Gattungsnamen, von Dr. G. Kraatz. —
Ueber das männliche Begattungsglied der Europaïschen Cetoniden
und seine Verwendbarkeit für deren scharfe specifische Unter-
scheidung, von Dr. G. Kraatz. — Mulsant’s Untergattungen von
Cetonia Fabr., von G. Kraatz. — Monographische Bearbeitung der
LVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Seydmaeniden-Gattung Leplomastax, von E. Reitter und H.
Simon. — Nachträge zu den Bestimmungstabellen II der Cocci-
nellidae, von J. Weise. — Ueber die neuerdings aufgestellten
Varietäten des Carabus monilis Fabr., von Dr. G. Kraatz. —
Ueber Sphodristus (Carabus) Bohemani Mén. und separandus Kraatz
n. sp., von G. Kraatz. — Ueber die russischen Scolytus-Arten,
von K. Lindemann. — Ueber einige neu aufgestellte Cetoniden-
Gattungen, von Dr. G. Kraatz. — Neue und seltene Coleopteren,
1880 in Siid-Dalmatien und Montenegro gesammelt und beschrieben
von E. Reitter, unter Mitwirkung der Herren Dr. Eppelsheim,
Dr. G. Kraatz, L. Miller und Fr. Wachtl. — Neue Käferarten
aus Asturien, beschrieben von Dr. L. v. Heyden und E. Reitter. —
Trogoderma apicipenne Reitter nov. sp. aus Neu-Holland.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo XII, entr. 1 y 2 (a).
Apuntes Lepidopterologicos, por el Dr. C. Berg.
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society of
London for the year 1880. Part IV (a).
On a collection of Phytophagous Coleoptera made by Mr. Buckley
at Eastern Ecuador, by M.Jacoby. — Descriptions of some sup-
posed new species of Butterflies from New Guinea, by F. D.
Godman and O. Salvin. — On a second collection of Lepidoptera
made in Formosa by H. E. Hobson, by A. G. Butler.
Id. for the year 1881. Part I and II (a).
Account on the zoological collections made during the survey of
H. M. S. , Alert” in the Straits of Magellan and on the Coast
of Patagonia; Crustacea, by J. E. Miers; Coleoptera, by C. O.
Waterhouse; Lepidoptera, Orthoptera and Hemiptera, by A. G.
Butler. — Descriptions of some new exotic species of Moths, by
J. O. Westwood. — On the Lepidoptera collected in Socotra by
Prof. J. B. Balfour, by A. G. Butler. — On the Coleopterous -
Insects belonging to the family Hispidae collected by Mr. Buckley
in Ecuador, by Ch. O. Waterhouse. — Additions to the Rhyn-
chotal Fauna of the Ethiopian Region, by W. L. Distant. —
On some North American Tineidae, by Th. Lord Walsingham. —
Descriptions of new Genera and Species of Asiatic Nocturnal
Lepidoptera, by F. Moore. — Descriptions of new Genera and
Species of Phytophagous Coleoptera, by M. Jacoby. — On the
Coleopterous Insects collected by Prof. J. B. Balfour in the Island
of Socotra, by Ch. O. Waterhouse. — Observations on two
species of Indian Butterflies (Papilio Castor and P. Pollux), by
J. O. Westwood.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou. Ann.
1880, n°. 3 et 4 (0).
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LIX
Die Hesperiinen-Gattung Goniurus Hübn. und ihre Arten, von C.
Ploetz. — Zweiter Nachtrag zum „Verzeichniss der bis jetzt in
der Umgegend von Jaroslav aufgefundenen Kiifer des Herrn M.
von Bell, von N. Kokujew. — Neue Lepidopteren des Amurge-
bietes, von H. Christoph. — Zwei neue dem Getreide schiidliche
Insekten Russlands, von Prof. K. Lindeman. — Ueber Eurytoma
(Isosoma) Hordei, Eurytoma albinervis, Lasioptera (Cecidomyia)
cerealis und ihre Feinde, von K. Lindeman.
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Vol. HI n°. 5 (a).
Description of a new species of Argulus, by D. 8. Kellieott. — New
Check List of North American Sphingidae, by A. R. Grote.
Anniversary Memoirs of the Boston Society of Natural History, published
in celebration of the 50th Anniversary of the Society's Founda-
tion: 1830—1880 (a).
The Devonian Insects of New Brunswick, by S. H. Scudder; with
a Note on the Geological Relations of the Fossil Insects from
the Devonian of New Brunswick, by J. W. Dawson. — The
Anatomy, Histology and Embryology of Limulus Polyphemus, by
A. S. Packard Jr. — Contributions to the Anatomy of the Milk-
Weed Butterfly, Danais Archippus Fabr., by E. Burgess.
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de Belgique.
Sér. III, n°. 9 (a).
Trichoptères, Névroptères-Planipennes et Pseudo-Névroptères, récol-
tés pendant une excursion en Belgique au mois de Juillet 1881,
par R. Me Lachlan. — Note sur le genre Rhombonyx Hope, par
M. A. de Borre. — Cas de monstruosité par excès chez Parandra
neocaledonica Montr., deerit par M. A. de Borre.
October 1881.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington Vol. XIV, n°. 221
(October 1881) (a).
Hybrid Hermaphrodite of Smerinthus Populi, by C. A. Briggs (with
illustration). — Notes on the Lepidoptera of the outer Hebrides,
by J. Jenner Weir. — Scoparia conspicualis Hodgk. : a Lepidopteron
new to the British Fauna, by J. B. Hodgkinson. — Entomolo-
gical Notes, Captures, etc.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XVIII, n°. 209 (October
1881) (b).
List of Lepidoptera observed in the neighbourhood of Gallipoli,
Turkey, in 1878 (concluded), by G. F. Mathew. — Annotated
list of British Anthomyidae (continued), by R. H. Meade. —
On certain British Hemiptera-Homoptera (continued), by John
LX
ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Scott. — Description of the larva of Scoparia truncicolella, by
G. T. Porritt. — Description of a new genus and species of
Tenthredinidae, by W. F. Kirby. — On a new species of Cha-
raxes from West-Africa, by A. G. Butler. — Entomological Notes,
Captures, ete. — A comparison of the Pterophori of Europe and
North America, by R. C. R. Jordan (continued).
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. VIII n°. 46
(October 1881) (0).
On a collection of Crustacea made by Baron H. Maltzan at Goree
Island, Senegambia, by E. J. Miers. — Dr. H. Adler's Researches
on the alternating Generation of the Gallflies of the Oak, trans-
lated by W. Francis, Jun. — Notes on Longicorn Coleoptera.
Revision of the Aerenicides and Amphionychides of Tropical America,
by H. W. Bates (continued). — List of the Aerenicides and Am-
phionychides of Tropical America which have been published since
the appearance of the 10th volume of Gemminger and Harold’s
Catalogue, by H. W. Bates. — An account of the Sphinges and
Bombyces collected by Lord Walsingham in North America during
the years 1871—-72, by A. G. Butler. — Description of a new
species of the Genus Trichoplus (Coleoptera, Cremastochilidae) ,
by C. O. Waterhouse. — Biological Evolution of the Aphis of
the Alder (Vacuna Alni Schrank), by J. Lichtenstein.
Zoologist (The), edited by J. E. Harting. 3rd ser. vol. V, n. 58
(October 1881) (0).
Notes and Observations on British Stalk-eyed Crustacea, by J. T.
Carrington and E. Lovett.
Notes from the Leyden Museum. Edited by Prof. H. Schlegel. Vol. III
n°. 4 (October 1881) (0).
Descriptions of new species of Melolonthini and Rutelini, collected
in the island of Sumatra during the scientific Sumatra-Expedition,
by D. Sharp. — Carcinological Studies in the Leyden Museum,
by Dr. J. G. de Man (n°. 2).
Entomologische Nachrichten. Herausgegeb. von Dr. F. Katter. Jahrg.
VII. Heft 19 und 20 (a).
Acht neue Coccinellidenvarietäten aus Central-Ungarn, von K.
Sajó. — Beitrag zur Schmetterlingsfauna des Fichtelgebirges,
von H, Backhaus. — Dipterologische Studien , von E. Girschner. —
Zabrus gibbus, von Treuge. — Der Zug von Libellula 4-maculata,
von F. Landwehr. — Grapholitha Zebeana Rtzb., von F. Thomas. —
Die Zucht von Psyche Graslinella, von C. Schmidt. — Zusätze
und Berichtigungen zum Verzeichniss der Neuropteren, von M.
Rostock. — Eine neue Grabwespe, von Dr. O. Schmiedeknecht. —
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXI
Tenthredinologische Studien, von Dr. R. v. Stein. 1. Die Par-
thenogenesis von Hylotoma Rosae Linn. — Aus der Fauna des
Egerlandes. Neue Beschreibungen von Insekten, von H. Gradl. I.
Hymenoptera.
Annali del Museo Civico di Storia Naturale di Genova. Vol.
XVII (a).
Studi sui ragni malesi e papuani, per T. Thorell. III. Ragni dell’
Austro-Malesia e del Capo York, conservati nel Museo Civico di
Storia Naturale di Genova.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederl. Entom. Ver.
DI. XXIV, afl. 4 (a en b).
Amerikaansche Diptera, door F. M. van der Wulp (met eene plaat). —
Bijdrage tot de kennis der inlandsche Halticiden, door Mr. A.
F. A. Leesberg (met eene plaat).
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tom. XII, entr. 3 (a).
Sobre las especias Argentinas del género Pompilus, por E. L.
Holmberg.
Verhandlungen des naturhist. Vereines der preuss. Rheinlande und
Westfalens. Herausg. von Dr. C. J. Andrä. Jahrg. 38. 1ste Hälfte
nebst Supplement (0).
Ueber Verbreitung der Thiere im Rhöngebirge und Mainthal mit
Hinblick auf Eifel und Rheinthal, von F. Leydig. — Beitrag
zur Insectenfauna der Kohlenformation von Saarbriicken, von Fr.
Goldenberg. — Het Supplement bestaat uit: Die Käfer Westfalens
zusammengestellt von Fr. Westhoff. Abth. I.
Bulletin des Séances de la Société Ent. de France. Ann. 1881, n°. 14,
195.17 (ef 18 (0).
Note sur des Anophthalmes par le Dr. Schaufuss. — Synonymies
nouvelles d’Hydrophilidae et de Sphaeridiidae, par L. Bedel. —
Description de deux Esamus nouveaux, par A. Chevrolat. —
— Description de deux nouvelles espèces du genre Agapanthia ,
par A. Chevrolat. — Diagnoses de cinq nouveaux genres de
Diptéres exotiques de la division des Ortalidae, par R. Osten-
Sacken. — Note sur les Carabus des Corbiéres , par M. V. Mayet. —
Note sur des Anophthalmes, par E. Abeille. — Quelques rectifi-
cations synonymiques touchant différents genres et espéces de
Coléoptéres frangais (lre partie), par M. des Gozis. — Note sur
des Coccides, par J. Lichtenstein. — Relevé des Cicindélides et
des Carabides de la Nouvelle-Calédonie déerits par MM. Mon-
trouzier et Perroud, par A. Fauvel. — Note sur l'habitat du
Dryophilus anobioides Chevr., par M. Régimbart.
TXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
November 1881.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XIV, n°. 222
(November 1881) (a).
Urania Sloanus at home, by P. H. Gosse. — On silk-producing
and other exotie Bombyces reared in London in 1881, by A.
Wailly. — On the supposed extinetion of Vanessa C-album, by
E. C. Hutchinson. — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XVII, n°. 210 (Novem-
ber 1881) (b).
A comparison of the Pterophori of Europe and North America,
suggested by Lord Walsingham’s „ Pterophoridae of California and
Oregon” (concluded), by R. C. R. Jordan. — Annotated list of
British Anthomyidae (continued), by R. H. Meade. — Notes on
Tenthredinidae, by J. E. Fletcher. — On Parthenogenesis in
Tenthredinidae, by J. E. Fletcher. — Further notes on Parthe-
nogenesis in Coleoptera, by J. A. Osborne. — Natural History
of Crambus Warringtonellus, by W. Buckler. — Life History of
Deilephila spinifascia Butler, by G. F. Mathew. — Description
of an Eudorea new to science (E. conspicualis), by J. B. Hodg-
kinson. — Description of a new Butterfly from the Malay Peninsula,
by W. L. Distant. — Descriptions of some apparently new species
of Arctiidae from North America, by A. G. Butler. — On certain
British Hemiptera-Homoptera (continued), by John Scott. —
Entomological Notes, Captures etc.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. Vol. VIII, n°. 47
(November 1881) (b).
On Aphelorrhina simillima Westwood (Coleoptera, Cetoniidae), by
Ch. O. Waterhouse. — On a collection of Crustacea. made by
Baron H. Maltzan at Goree Island, Senegambia, by E. J. Miers
(continued). — Descriptions of some new species of Heterocerous
Lepidoptera from Sumatra, by A. G. Butler.
Zoologist (The), edited by J. E. Harting. 3rd ser. vol. V, n°. 59
(November 1881) (b).
Notes and observations on British Stalk-eyed Crustacea, by J. T.
Carrington and E. Lovett.
Tijdschrift der Nederlandsche DierkundigeVereeniging. DI.V, aflev. 4 (a).
Ueber einige neue Isopoden der Niederländischen Fauna. (Ein Beitrag
zur Dunkelfauna), von Dr. Max Weber.
Entomologische Nachrichten, herausgegeb. von Dr. F. Katter. Bd VII
(Jahrg. 1881) Heft 21 und 22 (a).
Aus der Fauna des Egerlandes (Schluss), von Heinr. Gradl. —
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXIII
Einige neue Pimplarier , von Dr. Rudow. — Ueber einige deutsche
Vespa-Arten, von Dr. 0. Schmiedeknecht. — Zur Naturgeschichte
der Sesia Megillaeformis, von J. D. Schreitmüller. — Zur Species-
frage, von Dr. O. Schmiedeknecht. —- Biologische Notizen über
Macrolepidopteren, von W. von Reichenow. — Zu E. Girschner’s
„ Dipterologischen Studien”, von Josef Mik. — Drei neue Hyme-
nopteren, beschrieben von A. Moscäry.
Bulletin of the U. S. Geological and Geographical Survey of the T'er-
ritories. Vol. VI numb. 2 (a).
North American Moths, with a preliminary catalogue of species of
Hadena and Polia, by A. R. Grote. — The Tertiary Lake Basin
of Florissant, Colorado, between South and Hayden Parks, by
SH. der, — On a ea Son from the Lower Tertiary bets
of Western Wyoming, by A. S. Packard.
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de Belgique.
Ber. M0; ax. 11 (0):
Galles de Chêne recueillies en Belgique sur Quereus pedunculata et
sessiliflora ainsi que sur Quercus cerris, par M. van Segvelt. —
Communications arachnologiques, par L. Becker.
Verslag van de 36ste Zomervergadering der Nederl. Entom. Vereen.
gehouden te Maastricht (a en b).
Lijsten der merkwaardigste insecten soorten op de algemeene Ex-
eursie gevangen. — Over het prepareren van Diptera, naar het
Hoogduitsch van J. Mik, door F. M. van der Wulp. — Lijst van
Insecten, in Limburg en niet in de andere provincien van Neder-
land waargenomen, opgemaakt door Mr. A. H. Maurissen.
Correspondenz-Blatt des zool.-min. Vereines in Regensburg. Jahrg. 35.
n. 7—11 (0).
Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel.
Isis. Maandschrift voor Natuurwetenschap, onder redactie van Dr.
Hartogh Heys van Zouteveen. Jaarg. 10 afl. 9. (b).
Over het waarnemingsvermogen voor kleuren en tonen bij de Ar-
thropoda, door Dr. H, Hartogh Heys van Zouteveen.
Annales des Sciences Naturelles. 6me sér. Zoologie et Paléontologie.
Tom. XI n°. 5 et G (b).
Description de quelques Crustacés macroures provenant des grandes
profondeurs de la mer des Antilles, par M. A. Milne Edwards
(Suite). — Observations sur les fonctions de l’appendice caudal
des Limules, par M. Jousset de Bellême. — Crustacés rares ou
nouveaux des côtes de France, par M. Hesse,
LXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Bulletin des Séances de la Soc. Ent. de France. Ann. 1881, n°. 19
et 21 (a).
Quelques rectifications synonymiques touchant différents genres et
espèces de Coléoptères français (3me et 5me partie), par M. M.
des Gozis. — Note sur les genres Bathyscia, Quaesticulus et
Quaestus, par le Dr. Schaufuss.
December 1881.
Entomologist (The), An Illustrated Journal of General Entomology.
Ed. by J. Carrington. Vol. XIV, n°. 223 (December 1881) (a).
Some thoughts on the Distribution of the British Butterflies, by
F. Buchanan White. — Further notes on the Macrolepidoptera
of the Shetland Isles, by J. Jenner Weir. — Caradrina ambigua :
W. V.: a Lepidopteron new to the British Fauna, by E. G.
Meek. — On the Colours of Flowers as an attraction to Bees,
by J. Lubbock. — Notes on Diptera, by R. H. Meade. — Dipterous
Plantminers in their perfect state, by P. Inchbald. — The Genus
Phaedon, by W. W. Fowler. — Entomological Notes, Captures,
ete. — Obituary: John Bickerton Blackburn and William Gar-
neys. — Descriptions of Plate, by J. T. Carrington.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XVIII, n°. 211 (Decem-
ber 1881) (b).
Note on Aöpophilus Bonnairei Sign.; a genus and species of Hemi-
ptera new to Britain, by Ch. O. Waterhouse. — On two new
species of Butterflies from East Africa, by A. G. Butler. —
Description of a new species of Saturniidae from the Gold Coast,
by W. F. Kirby. — Description of the larva of Scopuia lutealis,
by W. Buckler. — Diptera of the Norfolk Broads. by G. H.
Verrall. — Notes on British Tortrices, by C. G. Barrett. — On
certain South American Delphacidae, by John Scott. -- New
Cetoniidae from East Central Africa, by H. W. Bates. — Ento-
mological Notes, Captures ete. — Notes on the Entomology of
Portugal. VI. Hymenoptera aculeata, by Edw. Saunders.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. VIII n°. 48
(December 1881) (0).
Report on a Collection made by Mr. T. Conry in Ascension Island,
by E. J. Miers, Ch. ©. Waterhouse and others. — An Abbreviated
Metamorphosis in Alpheus heterochelis, by A. S. Packard Jun.
Entomologische Nachrichten. Herausgeg. von Dr. F. Katter. Jahrg.
VII Heft 23 und 24 (a).
Drei neue Hymenopteren (Schluss), beschrieben von A. Mocsáry. —
Alphabetisches Verzeichniss der in den Jahren 1869—1879 auf-
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXV
gestellten Genus-Namen der Iymenopteren , von Dr. K. W. von
Dalla Torre. — Arctia Cervini, von O. Wackerzapp. — Thüringer
Entomologischer Verein, von K. Franke. — Aus Thüringen. —
Hermaphroditen von Saturnia Pavonia L. (Carpini S. V.), von W.
Maus. — Bearbeitung der Apiden Europa's, von E. L. Taschenberg.
Comptes Rendus des Séances de la Soc. Ent. Belge. 3me Ser. n°. 12 (a).
Communications Arachnologiques, par L. Becker.
Bulletin des Séances de la Soc. Ent. de France. Ann. 1881, n°. 22 (a).
Description d’une nouvelle espèce de Lycides, par M. J. Bourgeois. —
Description d’une nouvelle espèce d’ Aphodius par M. L. Fairmaire. —
Note synonymique sur quatre espèces de Coléoptères, par M. A.
Chevrolat. — Notes sur quelques Hémiptères, par M. A. Puton. —
Notes diverses, par M. H. Lucas.
Archiv für Naturgeschichte. Herausgegeb. von Troschel. Jahrg. 47,
Heft 3 und 4 (b).
Bericht über die Leistungen im Gebiete der Arthropoden während
des Jahres 1880, von Dr. Ph. Bertkau.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederl. Entom. Vereen.
DI. XXV, aflev. 1 (a en b).
Verslag van de 36ste Zomervergadering gehouden te Maastricht. —
Araeosternus Wieneckei n. g. n. sp., een nieuwe vorm in de familie
der Loricata, door Dr. J. G. de Man. — Phyllotoma Aceris Kaltenb.
in hare gedaantewisseling en levenswijze beschreven door Dr. J.
Ritzema Bos.
Berliner Entomologische Zeitschrift. Herausgegeb. von dem Ent. Ver,
in Berlin. Bd. XXV (1881) Heft 2 (6).
Catalogue of the Coll. of Diurn. Lepidopt. formed by the late W.
C. Hewitson, von Dr. C. Krüger. — Zur Kenntniss der Gattung
Oedionychis, von E. von Harold. — Analecta Hemipterologica.
Zur Artenkenntniss, Synonymie und geographischen Verbreitung
palaearktischer Heteropteren, von Dr. O. M. Reuter. — Hyme-
nopteren von Portorico, bearbeitet von Dr. H. Dewitz. — Dipte-
rologische Notizen, von V. v. Rider. — Eine neue Vogelspinne
aus Südafrika, von Dr. F. Karsch. — Chinesische Myriopoden
und Arachnoideen, von Dr. F. Karsch. — Miscellanea, von Dr.
J. P. E. F. Stein. — Die Pachyloma-Arten (Coleoptera-Chryso-
melidae), von Dr. F. Karsch. — Eine neue Cecidomyia aus der
Umgegend Berlins, von Dr. F. Karsch. — Das Messen kleiner
Käfer, von Dr. Paasch. — Erfahrungen im wissenschaftlichen
Sammeln und Beobachten der den Krainer Tropfsteingrotten
eigenen Arthropoden, von Dr. G. Joseph. — Die Naturgeschichte
der Insecten Deutschlands von Erichson, fortgesetzt von J. Weise.
)
LXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Besprochen von Dr. Paasch. — Zwei neue westafrikanische Papi-
lionen, von H. Dewitz. — Zwei neue Polydesmiden vom Quango,
von Dr. F. Karsch. — Eine neue Thomiside von Quango, von
Dr. F. Karsch. — Diagnosen einiger afrikanischer Cerambyciden,
von G. Quedenfeldt. — Ein neuer Amerikanischer Skorpion, von
Dr. F. Karsch. — Vier neue Staphylinen-Arten aus dem Mittelmeer-
Faunengebiet, beschrieben von M. Quedenfeldt. — Diagnose einer
neuen europäischen Art der Staphylinen-Gattung Echidnoglossa
Wollast., von M. Quedenfeldt. — Zwei neue Staphylinen aus
Angola, von M. Quedenfeldt. — Referate. — Ein Zwitter von
Aglia Tau, und Ein männlicher Geschlechtscharakter bei Calocala ,
von Dewitz. — Nachtrag zum Systematischen Verzeichniss der
Schmetterlinge Berlin’s und Umgegend, von J. Pfützner.
Meddelanden af Societas pro Fauna et Flora Fennica. Heft 6, 7,8 (a).
Enumeratio Hemipterorum Gymnoceratorum Fenniae, auctore John
Sahlberg. — Om förekomsten af en Podwrid (Isotoma sp.) i stor
mängd pä snön i Januari 1880, meddeladt af U. Collan. — En
ny art af Coleopter-slägtet Zilora Muls. af Melandryidernas family,
beskrifven af John Sahlberg. — En ny art Aradus fran Lappland,
beskrifven af O. M. Reuter. — Bidrag till kännedom om Finlands
Neuroptera planipennia, af L. Kiljander. — Finska Trichoptera,
bestämda af R. Me. Lachlan. — Rättelser till Nya bidrag till
Abo och Alands skärgärds Hemipterfauna, af O. M. Reuter.
Januarij 1882.
Entomologist (The), Edit. by J. T. Carrington. Vol. XV, n°. 224
(January 1882) (a).
Notes on the Lepidoptera of the Orkney Islands, by J. Jenner
Weir. — Notes on the Lepidoptera of Natal, by A. J. Spiller. —
Introductory Papers on Ichneumonidae, by J. Bridgman and E.
A. Fitch. -- Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XVIII, n°. 212 (January
1882) (b).
Notes on the Entomology of Portugal; VI. Hymenoptera-aculeata,
by Edw. Saunders. — Annotated List of British Anthomyidae,
by R. H. Meade. — Notes on British Pterophoridae, by C. G.
Barrett. — Natural History of Emmelesia blandiata, by W. Buck-
ler. — A new species of Hemiteles, by E. Parfitt. — Notes on
British Tortrices, by C. G. Barrett. — Entomological Notes,
Captures ete. — Obituary: John Gray.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. IX n°. 49
(January 1882) (0).
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXVIT
Notes on British Spiders, with Descriptions of three new Species
and Characters of a new Genus, by O. P. Cambridge. — On
Lepidoptera collected in Japan and the Corea by Mr. W. Wykeham
Perry, by A. G. Butler. — Notes on Coleoptera, with Descriptions
of new Genera and Species. Part IV, by F. P. Pascoe. — Des-
criptions of new Longicorn Coleoptera (Prionidae and Lepturidae)
from Madagascar, by Ch. O. Waterhouse. — Descriptions of
new Buprestidae, by Ch. O. Waterhouse. — On the Postem-
bryonic Development of the Diptera, by M. H. Viallanes. —
How Orb-weaving Spiders make the Framework or Foundations
of Webs, by Dr. H. C. Me Cook.
Zoologist (The), edit. by J. E. Harting. 3rd ser. vol. IV, n°. 61
(January 1882) (b).
Notes and Observations on British Stalk-eyed Crustacea, by J. T.
Carrington and E. Lovett.
Notes from the Leyden Museum, edit. by Prof. H. Schlegel. Vol. IV,
n°. 1 (January 1882) (b).
Description of a new genus and species of the Coleopterous Family
Colydidae, by E. Reitter. — Description of a new species of the
Coleopterous Family Staphylinidae, by A. Fauvel. — New species
of Gyrinidae in the Leyden Museum, by Dr. M. Régimbart.
Isis. Maandschrift voor Natuurwetenschap, onder redactie van Dr. H.
Hartogh Heys v. Zouteveen. Jaarg. X. afl. 10 (b).
De Generatie-wisseling der Eiken-galwespen, door W. Marshall.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tom. XII, entr. 6 (a).
Sinonimia y descripcion de algunos Hemipteros de Chile, del Brasil
y de Bolivia, por el Dr. D. C. Berg. — Sobre las especies Ar-
gentinas del genero Pompilus, por D. E. L. Holmberg. — Especies
del genero Cantharis.
Bulletin de la Société Impér. d. Nat. de Moscou. Ann. 1881, n°. 1 (b).
Neue Lepidopteren des Amurgebietes, von H. Christoph (Fortsetzung).
Archiv für Naturgeschichte, herausgeg. von Troschel. Jahrg. 48,
Heft 1 (b).
Zur Kenntniss der Dermaleichiden, von Dr. G. Haller. — Zur Kennt-
niss der Sinnesborsten der Hydrachniden, von Dr. G. Haller.
Entomologische Nachrichten, herausgeg. von Dr. F. Katter. Jahrg. VIII
Heft 1 und 2 (a).
Entomologische Bilder aus den ungarischen Flugsandsteppen, von
Prof. K. Sajó (IT. Sommerbild). — Zur Behandlung der Minutien,
von G. de Rossi. — Ueber einige neue deutsche Cecidien, von
Fr. Thomas. — 38 neue Coccinellen-Varietiiten , beschrieben von
LXVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
A. Walter. — Zur Speciesfrage von Bombus. Ergänzung, von
Dr. Schmiedeknecht. — Zur Lebensweise der Lepisma saccharina
L., von G. de Rossi. — Fernere Mittheilungen über Partheno-
genesis bei Coleopteren (nach dem Englischen des J. A. Osborne). —
Parthenogenesis bei Tenthrediniden. — Jahresbericht der entomo-
logischen Sektion der naturf. Gesellsch. in Bern pro 1881, von
Dr. G. Haller. — Aus der Ahrgegend, von H. Fuss.
Mittheilungen der schweizerischen entomologischen Gesellschaft. Vol.
VI, Heft 5 (0).
Ueber die Wanderheuschrecke von Central-Amerika, von Dr. 0.
Stoll. — Bericht über die 24. Sitzung der schweizerischen ento-
mologischen Gesellschaft am 27 Aug. 1881 in Aarau. — Die
Odonaten des bernischen Mittellandes, von E. Liniger. — Dr.
E. Schindler, von S. — Erebia Eriphyle Freyer, von Dr. Christ. —
Erebia Pyrrha Fabr. (Manto Esp. non Fabr.) var. Vogesiaca, von
Dr. Christ. — Nachruf (J. Chr. Rothenbach), von F. Jäggi. —
Beschreibung einiger neuer Rüsselkäfer, von Dr. Stierlin. —
Correspondenz aus Bern.
Februari 1882.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XV, n°. 225
(February 1882) (a).
The Linnean Order Neuroptera, by J. J. King. — Contributions
to the History of the British Plerophori, by R. South. — A
Coleophora new to Britain, by J. B. Hodgkinson. — Entomological
Notes, Captures etc.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XVIII, n°. 213 (February
1882) (b).
Notes on Tenthredinidae, by P. Cameron. — Description of the
larva, ete. of Hydroecia nictilans, by W. Buckler. —- On five
new British Hymenoptera; with a Synoptical table of the genus
Sphecodes, by Edw. Saunders. — Annotated list of British An-
thomyidae, by R. H. Meade. — Measurements in descriptive
Entomology; a Suggestion; by R. Me Lachlan. — An Announ-
cement of new genera of the Ephemeridae, by the Rev. A. E.
Eaton. — Entomological Notes, Captures, ete. — Obituary:
Prof. C. G. A. Giebel and Jules Putzeys.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. IX n°. 50
(February 1882) (b).
On a small Collection of Lepidoptera from Melbourne, by A. G.
Butler. — Descriptions of two new species of Papilio from North-
eastern India, with a Preliminary Indication of an apparently
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXIX
new and remarkable Case of Mimiery between the two distinct
Groups which they represent, by J. Wood-Mason. — Description
of a new species of the Homopterous Genus Aphaena from Sumatra,
by A. G. Butler.
Bulletin de la Société Entomologique de France. Ann. 1882, n°. 2 (a).
Diagnose d’un Coléoptére fort interessant du Gabon, par M. L.
Fairmaire. — Notes synonymiques, par M. L. von Heyden. —
Liste des Orthoptères pris à Cauterets (Hautes-Pyrénées) par M.
Finot. — Description d’une nouvelle espèce d’Odynére, par M.
M. Maindron. — Deux notes (Coccide et Cynipide), par M. J.
Lichtenstein. — Rectifications, par M. F. Bigot.
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Ann. XII. Trim. 3 e 4 (a).
Sugli Imenotteri della Lombardia (cont. e fine), del Dott. P. Ma-
| gretti. — Polimorfismo nella femmina del Dytiscus dimidiatus Berg,
del Dott. A. Fiori. — Aracnidi delle Madonie. Nota del Dott. E.
Cantoni. — Il Polimorfismo e la Partenogenesi di alcuni Acari
(Gamasidi). Memoria di A. Berlese. — Sopra i due tubercoli
addominali della larva della Porthesia chrysorrhoea, del N. Pas-
serini. — Il Sinorylon sexdentatum Oliv. nel senese : considerazioni
ec., del A. Dei. — Notizie sulla Fillossera delle viti, del A,
Targioni-Tozzetti. — Rassegna entomologica.
Entomologische Nachrichten, von Dr. F. Katter. Jahrg. VIII, Heft
3 und 4 (a).
Einige neue Ichneumoniden, von Dr. F. Rudow. — Ueber beschleu-
nigte Ueberwinterung von Schmetterlingspuppen, von H. Gauck-
ler. — Coleophora Tritici, ein neues schädliches Insekt Russlands,
von Prof. K. Lindemann. — Carabus auronitens und seine Varie-
täten. — Ein neuer Lichtselbstfänger, von H. Gauckler. —
Hemiptera Europae annis 1875—78 descripta consignavit Dr. G.
von Horvath. — Entgegnung, von Dr. Th. Studer. — Gefrorene
Raupen = gefrornes Leben ?, von J. Schilde.
Mittheilungen des Münchener Entomologischen Vereins. Jahrg. V,
Heft 2 (b).
Zur Miinchener Fauna, von E. von Harold. — Ueber die Genera
der Familie Geometra, von C. Frhr. v. Gumppenberg. — An essay
of comparative Chaetotaxy, by C. R. Osten Sacken. — Einige
neue Coleopteren, von E. Reitter. — John Sahlberg’s Brachelytra
Fenniae, angezeigt von E. von Harold. — A relic of the tertiary
period in Europe, Elephantomyia, a genus of Tipulidae, by C.
R. Osten-Sacken. — Slenus Quedenfeldti, beschrieben von E. von
Harold.
LXX ENTOMOLOGISCHE INIIOUD VAN
Entomologische Zeitung, herausgegeb. v. entom. Ver. zu Stettin.
Jahrg. 42 (b).
Die argentinischen Canthariden, von H. Burmeister. — Entomolo-
gisches aus dem Indianergebiet der Pampa, von Prof. C. Berg. —
Bemerkungen zu Hagen’s Bibliotheca Entomologiea, die nordische
Literatur betreffend, von E. Bergroth. — Note über Zabrus gibbus. —
Ueber eine introdueirte Psocidenspecies (Caecilius hirtellus Me-
Lachl.), von H. Kolbe. —- Exotisches, von ©. A. Dohrn. —
Ueber entomologischen Nachwuchs, von C. A. Dohrn. — Nach-
trag zur Schmetterlings-Fauna von Kissingen, von P. Maassen. —
Rede zur Stiftungsfeier am 7 November 1880. — Beitrag zur
Kenntniss von Parniden-larven, von C. W. Friedenreich. — Lepi-
dopterologische Bemerkungen, von G. Stange. — Hydaticus trans-
versalis, von C. A. Dohrn. — Iterabimus, von C. A. Dohrn. —
Die Pommerschen Rhopaloceren, Sphingiden, Bombyciden und
Noctuinen, von Prof. Dr. Hering, — Ueber Gelbschnäbel, eine
Raübergeschichte, von C. A. Dohrn. — Eine Reise im westlichen
Caucasus, von Hugo Christoph. — Zusätze und Bemerkungen zu
der Uebersicht der Europäischen Arten des Genus Ichneumon Gr.,
von Tischbein. — Lepidopterologische Bemerkungen, von C. A.
Teich. — Neue Dipteren aus dem südlichen Gebiet der Pampa,
von E. Lynch-Arribalzaga. — Spicilegia Linnaeana, von C. A.
Dohrn. — Zwei neue Noctuen aus Madagascar, von M. Saalmüller. —
Oecophora Schmidii n. sp., von M. Saalmüller. — Ueber die heutige
Aufgabe der Naturgeschichte, von C. Brunner von Wattenwyl. —
Differenzen in dem Vorkommen einiger Psociden-Species, von H.
Kolbe. — Zur Nord-Amerikanischen Käferliteratur, von C. A.
Dohrn. — Einige Worte über Verbreitung der Heteroceren in den
Tropen , von W. Petersen. — Beitrag zur Lepidopteren-Fauna
Central-Asiens, von Dr. O. Staudinger. — Revision der argenti-
nischen Arten der Gattung Cantharis, von Prof. Dr. C. Berg. —
Exotisches, von C. A. Dohrn. — Trimere Cioiden in Südbrasilien,
von C. W. Friedenreich — Bibliographisches, von Prof. Schmidt-
Göbel. — Ueber einige Vaterländer, von C. A. Dohrn. — Snellen
van Vollenhoven, ein Gedenkblättchen, von C. A. Dohrn. —
Neue Staphylinen, von Dr. Eppelsheim. — Ueber die Synonymie
der Crocidosema plebejana L., von Dr. Eppelsheim. — Lepidopte-
rologisches, von Keferstein. — Ueber Pangonia longirostris Hardw.,
von V. v. Röder. — Aphestia chalybea n. sp., von V. v. Röder. —
Zur Literatur über fossile Insecten. — Ueber Dipteren in Schmet-
terlingsleibern, von Dr. Rössler. — Sympycna paedisca Brauer,
von Dr. H. Hagen. — Noch einige Worte über die Verbreitung
der Heteroceren in den Tropen, von J. Schilde. — Neue Lepi-
dopteren aus Madagascar, von M. Saalmiiller. — Baron Chaudoir’s
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LXXI
Nekrolog, von J. Putzeys (in Auszuge). — Exotisches, von C.
A. Dohrn. — Proverbium Salomonis, von C. A. Dohrn. — Micro-
lepidopteren des Rheingaues, von A. Fuchs. — Errata ridicula.
II. — Lepidopterologische Mittheilungen, von Dr. A. Speyer. —
Die Raupe von Urania Leilus L., von Dr. E. Hoffmann. —
Nekrolog : Dr. W. G. Rosenhauer, von ©. A. Dohrn. — Die Löw’sche
Dipteren-Sammlung, von J. P. E. F. Stein. — Zwei Fragen,
aufgeworfen von ©. A. Dohrn. — Die Hesperiinen-Gattung Eudamus
mit ihre Arten, von Carl Plütz.
Deutsche Entomologische Zeitschrift. Jahrg. 1882 (Bd. XXVI) Heft I (4).
Revision der europäisch-syrischen Arten der Melolonthiden-Gattung
Haplidia Hope, von Dr. G. Kraatz. — Beitrag zur Coleopteren-
Fauna der Sierra de Cordoba, mitgetheilt von Dr. L. von Heyden. —
Ueber die Gattung Clinteria Burm., von Dr. G. Kraatz. — Ist
der Prosternalfortsatz von Goliathus Higginsi Westw. 2 von allen
übrigen Goliathen auffallend abweichend ?, von Dr. G. Kraatz. —
Uebersicht der europäischen Tropiphorus-Arten nach Dr. Stierlin’s
Arbeit, von Dr. G. Kraatz. — Cyanirus thoracica Kiist., von J.
Weise. — Revision der Arten der Dynastiden-Gattung Pentodon
Hoppe, von Dr. G. Kraatz (1stes Stück). — Die africanischen
Leucoceliden und die ihnen zunächst verwandten Gattungen der
Cetoniden, besprochen von Dr. G. Kraatz. — Uber die Verwand-
ten der Leucocelis haemorrhoidalis Fabr., von Dr. G. Kraatz. —
Beiträge zur Käferfauna von Turkestan. II. Neue Tenebrioniden
von Margalan, von Dr. G. Kraatz. — Zwei neue Melyrinen-
Gattungen aus Margalan, von Dr. G. Kraatz. — Käfer um Mar-
galan gesammelt von Haberhauer, aufgezählt von L. v. Heyden
und G. Kraatz. — Ueber einige Fischer’sche Tenebrioniden-Typen
des Dresdener zoologischen Museums, von Dr. G. Kraatz. —
Ueber die verschiedenen Forceps-Bildungen der europäischen
Cistela- (Byrrhus-) Arten, von Edm. Reitter. — Forceps-Abbil-
dungen von exotischen Melolonthiden nach Priiparaten von Metzler
in Frankfurt a. M., von Tieffenbach abgebildet. — Ist Carabus
punctato-auratus wirklich auronitens var.?, von Dr. G. Kraatz. —
Für Deutschland neue Käfer, von Dr. v. Heyden. — Neue Psela-
phiden und Seydmaeniden aus Brasilien, beschrieben von Edm.
Reitter. — Fiinfzig Ergänzungen und Bemerkungen zum Catalogus
Coleopterorum Europae, von Dr. L. von Heyden. — Neue und
seltene Elateriden aus der Krimm, von Dr. L. von Heyden. —
Synonymische Bemerkungen, von Dr. G. Kraatz. — Ueber Phyllo-
decta viennensis Schrank, von J. Weise. — Magdalis Weisei Schreiner,
neue Deutsche Art, von Schreiner. — Beitrag zur Kenntniss der
Pselaphiden und Scydmaeniden von Westafrika, von E. Reitter,
LXXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegev. door de Ned. Ent. Ver. DI.
XXV, aflev. 2 (a en b).
Descriptions of new or imperfectly known species of Ichneumones
adsciti, by J. 0. Westwood. — Aanteekening over twee Noctuinen
der Europesche Fauna, door P. C. T. Snellen. — Espèces nou-
velles de Coléoptéres de la famille des Pédilides et Anthicides du
Musée Royal d’hist. nat. à Leyde, décrites par M. S. de Marseul. —
Pselaphiden und Scydmaeniden der Niederländischen Besitzungen
auf den Sunda-Inseln im Reichsmuseum zu Leyden, bearbeitet
von Dr. L. W. Schaufuss. — Amerikaansche Diptera, door F. M.
van der Wulp (vervolg).
Maart 1882.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XV, n°. 226
(March 1882) (a).
Aberrations in the genus Argynnis (with woodcut and coloured plate),
by J. Jenner Weir. — Notes of Captures in the New Forest,
by W. J. Argent. — Observations on the Habits of Ants, by
Sir John Lubbock. — Cheimatobia myricaria mihi, a Geometer
new to Science, by N. Cooke. — The Tortrices of North Devon,
by R. South. — Natural Localities of British Coleoptera, by W.
W. Fowler. — Entomological Notes, Captures, etc. — Obituary:
R. W. Sinclair and J. W. Jobson. — Notes from current Ento-
mological Literature.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XVII, n°. 214 (March
1882) (0).
A few words about Epischnia (Anerastia) Farrella, by H. T. Stain-
ton. — Anerastia Farrella, by E. G. Meek. — Life-history of
Callidryas Drya Boisd., by G. F. Matthew. — Annotated List
of British Anthomyidae (continued), by R. H. Meade. — Alter-
nation of generations in the Cynipidae, by J. Lichtenstein
(extracted). — On the Butterflies of the genus Teracolus oceur-
ring at Accra, Gold Coast, by A. G. Butler. — Notes on the
Entomology of Portugal; VII. Coleoptera, by H. W. Bates and
D. Sharp. — Entomological Notes, Captures ete. — Notes on
the Lepidoptera of West Norfolk, by E. A. Atmore.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. IX, n°. 51
(March 1882) (b).
New Genera and Species of Buprestidae and Heteromera, by C.
O. Waterhouse. — Note on a Freshwater Macrurous Crustacean
from Japan (Afyephyra? compressa de Haan?), by E. J. Miers. —
Descriptions of new Species of Myriopoda of the Genus Zephronia
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXIII
from India and Sumatra, by A. G. Butler. — On a small Col-
lection of Lepidoptera principally from Candahar, by AJG. Butler.
Zoologist (The), edited by J. E. Harting. 3rd ser. vol. VI, n°. 63
(March 1882) (b).
Notes and Observations on British Stalk-eyed Crustacea, by J. T.
Carrington and E. Lovett. — Floating Crab at Penzance, by
Th. Cornish.
Wiener Entomologische Zeitung. Ister Jahrg. Heft I—III (Januar-
März 1882) (U).
Ueber die Verwandtschaft und systematische Stellung der Blepha-
roceriden, von Dr. Fr. Brauer. — Beiträge zur Synonymik der
europäischen und caucasischen Cerambyciden, von L. Ganglbauer. —
Ueber Leptura oblongomaculata Bug. und L. trisignata Fairm.,
von L. Ganglbauer. — Ueber eine noch unbeschriebene Eschen-
blattlaus, von Dr. Fr. Löw. — Synonymica concerning exotic
dipterology , von C. R. Osten Sacken. — Beitrag zur Falter-Fauna
von Bosnien, von H. von Mitis. — Litteratur, Notizen und Cor-
respondenz. — Zwei neue caucasische Caraben, von Edm. Reitter. —
Ueber Malthodes brachypterus Kiesw., von Edm. Reitter. — Tro-
glorrhynchus myops n. sp., beschrieben von Edm. Reitter. —
Eine neue Art der Dipteren-Gattung Leucostola Lw., von F.
Kowarz. — Beitrag zur Kenntniss der Synonymie der Tomiciden,
von F. A. Wachtl. — Metamorphose von Tipula rufina Meig.,
von J. Mik. — Ueber die Dipteren-Arten Hemerodromia precatoria
Fall. und Hemerodromia melanocephala Hal., von J. Mik. — Lit-
teratur, Notiz und Correspondenz. — Zur Kenntniss der Kopf-
bildung der Dipteren, von Ed. Becher. — Eine verkannte Cica-
dine, von P. Löw. — Ungefliigelte Cocciden-Minnchen, von Dr.
Fr. Löw. — Ueber Cyphipelta Big., von V. von Röder. — Eine
neue Aberration von Callimorpha Hera L., von P. Kempny. —
Einige dipterologische Bemerkungen, von J. Mik. — Zum Namen-
gebung der Varietiiten, von E. Reitter. — Synonymische Notizen,
von È. Reitter. — Kleinere Mittheilungen, von L. Ganglbauer. —
Ueber Elytrodon bidentatum Stev., von O. Retowsky. — Litte-
ratur, Notizen und Correspondenz.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Entom. de Belgique. Série
III, n°. 15 (a).
Enumération des Scarabaeides rapportés du pays des Somalis (Afrique
équatoriale) par M. Révoil, avec diagnoses des espéces nouvelles,
par M. J. W. van Lansberge. — Description de nouveaux Cho-
lides, par M. A, Chevrolat. — Communications arachnologiques ,
par L. Becker.
LXXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Entomologische Nachrichten, von Dr. F. Katter. Jahrg. VIII, Heft
5 und 6 (a).
Dipterenlarven die wie Blutegel kriechen. — Klebestoff an Fliegen-
beinen. — Neue Classification der Carabiden. — Kleinere Mit-
theilungen. — Die Blumenthiitigkeit der Bienen. — Das Insek-
tarium im zool. Garten in London. — Nekrolog. — Kiiferfang
in der Umgegend Athens, von Brenske. — Die Blumenthätigheit
der Bienen, von H. Müller (Schluss). — Der Fundort des Carabus
Olympiae. — Erwiderung von Dr. G. Haller. — Literatur.
Periodico zoologico. Organo de la Soc. Zool. Argentina. Tom. III,
entr. 4 (a).
Sobre la Familia Pulicidae con Descripcion de algunas nuevas especies ,
por H. Weyenbergh. — La Bibliographie scientifique, principa-
lement zoologique du Dr. H. Weyenbergh, suivie d’un Appendix
avec la liste des Nouvelles Espéces décrites par lui. — Nova
species generis Ceralocampa, C. Vogleri, par Weyenbergh.
Jahrbiicher des Nassauischen Vereins fiir Naturkunde. Jahrg. 33
und 34 (a).
Die Schuppenflügler des Reg.-Bez. Wiesbaden und ihre Entwick-
lungsgeschichte, von Dr. A. Rössler. — Beobachtungen über die
Lebensweise und Entwicklungsgeschichte des Thammurgus Kal-
tenbachi, von Dr. Buddeberg.
April 1882.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XV, n°. 227
(April 1882) (a).
On the Diseases of Lepidopterous Larvae, by A. B. Farn. —
Natural Localities of British Coleoptera, by W. W. Fowler. —
Introductory Papers on Ichneumonidae, by J. B. Bridgman and
E. A. Fitch. — Observations on the Habits of Ants, by Sir
John Lubbock. — Entomological Notes, Captures, etc. — Notes
from current Entomological Literature.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XVII, n°. 215 (April
1882) (b).
Notes on the Lepidoptera of West Norfolk, by E. A. Atmore. —
Some points in the natural history of Papilio Machaon, by W.
Buckler. — Another apterous male in the Coccidae (Acanthococeus
Aceris Signoret), by J. Lichtenstein. — Two new species of
Ichneumonidae, by E. Parfitt. — The British Psyllina, with
corrections in the Synonymy, by J. Scott. — Entomological
Notes from Teneriffe, St. Vincent, etc., by G. F. Mathew. —
Entomological Notes, Captures, ete. — Obituary: Sir C. Wyville
Thomson.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXV
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser., vol. IX, n°. 52
(April 1882) (b).
On some new Species of Araneidea, with Characters of a new Genus,
by the Rev. O. P. Cambridge. — New Species of Geodephagous
Coleoptera from North-west Mexico, by H. W. Bates. — Descrip-
tions of new Cetoniidae, Buprestidae and Cerambycidae from
Madagascar, by C. O. Waterhouse. — Descriptions of some new
Species of Myriopoda of the Genus Spirostreptus from Madagascar,
by A. G. Butler.
Notes from the Leyden Museum. Edited by Prof. H. Schlegel. Vol. IV
n°. 2 (April 1882) (0).
Remarks on certain American Diptera in the Leyden Museum and
description of nine new species, by F. M. van der Wulp. —
New species of Lycidae, Lampyridae and Telephoridae from
Sumatra, described by the Rev. H. S. Gorham. — A new Sumatran
species of the Clerid genus Callimerus, described by the Rev.
H. S. Gorham. — New species of Coleoptera belonging to the
families Pedilidae and Anthicidae, described by S. de Marseul. —
A new African species of the Coleopterous genus Mister, des-
cribed by S. de Marseul. — The Pselaphidae and Scydmaenidae
from the Sunda-islands in the Leyden Museum, by Dr. L. W.
Schaufuss. — A new African species of the Coleopterous family
Elateridae, described by Dr. E. Candèze. --- Description of a
new species of Apogonia discovered by M. L. Ritsema in Java,
by D. Sharp.
Wiener Entomologische Zeitung. 1ster Jahrg., Heft IV (April 1882) (0).
Zur Naturgeschichte des Acanthococcus Aceris Sign. , von Fr. Löw. —
Beitriige zur Kenntniss der Coleopteren-Fauna des Erzherzogthumes
Oesterreich, von L. Ganglbauer. — Genera nova Hemipterorum,
descripsit 0. M. Reuter. — Noch ein paar Worte zur Chaeto-
taxie, das ist die Vertheilung der Macrochaeten bei den Dipteren,
von ©. R. Osten-Sacken. — Eine neue Psylla-Art, von Dr. Fr.
Löw. — Litteratur, Notizen und Correspondenz.
Entomologische Nachrichten, von Dr. F. Katter. Jahrg. VIII, Heft
7 und 8 (a).
Beitrag zur Synonymie der Tomiciden, von Henschel. — Ueber
unbekannte Rhopaloceren-Raupen , von Booch-Arkossy. — Nacerdes
italica in Preussen, von Lentz. — Bestimmungstabellen europäi-
scher Coleopteren. — Literatur. — Verzeichniss palaearktischer
Hemipteren, von Reuter. — Verschiedene Nahrung der Männchen
und Weibchen mancher Insekten. — Flugjahre und Entwicke-
lungsdauer des Maikäfers. — Nekrolog. — Ichneumoniden-Studien ,
von Dr, Kriechbaumer,
LXXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Archiv für Naturgeschichte, herausgegeb. von Dr. Troschel, 48ster
Jahrg. Heft 2 (b).
Ueber die Segmentirung bei den Milben, von P. Kramer. — Ueber
Tyroglyphus carpio, eine neue Art der Gattung Tyroglyphus Latr.,
von P. Kramer. — Beitrag zur Metamorphose zweiflügeliger
Insekten aus den Familien Tabanidae, Leptidae, Asilidae, Em-
pidae, Dolichopidae und Syrphidae, von Beling.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Ent. de Belgique. Série III,
n°. 16 et 17 (a).
Description de Coléoptères et Hémiptères nouveaux rapportés de
Zanzibar par M. Burdo, par L. Fairmaire et V. Signoret. —
Analyse et résumé d’un Mémoire de M. le Dr. G. H. Horn: On
the genera of Carabidae with special reference to the fauna of
Boreal America, par A. Preudhomme de Borre. — Note sur la
Psectra diptera Burm. et sur une espèce nouvelle du genre Ecnomus,
par R. Me. Lachlan. — Sixième addenda à la faune des Coléo-
ptêres de Belgique, par M. H. Donkier.
Anales de la Sociedad cientifica Argentina. Tom. XII, entr. VI (a).
Sinonimia y descripcion de algunos Hemipteros de Chile, del Brasil
y de Bolivia, por el Dr. C. Berg. — Sobre las especies Argen-
tinas del genero Pompilus, por E. L. Holmberg.
Annales de la Société Entomologique de France. 5e sér., tom. X
(1880) (b).
Description de Coléoptères nouveaux du nord de l’Afrique (3e partie),
par L. Fairmaire. — Quelques mots sur la Nomenclature ento-
mologique : la loi de priorité et la loi de prescription, par le Dr.
A. Puton. — Essai sur les Jassides Stal, Fieber, et plus parti-
culièrement sur les Acocéphalides Puton (3e partie), par le Dr.
V. Signoret. — Note sur les Locustiens cavernicoles d'Europe,
par J. Bolivar. — Descriptions de chenilles de Microlépidoptères
inédites on peu connues, par C. Lafaury. Diptères nouveaux
ou peu connus (12me partie), par J. M. F. Bigot. — Note sur
une Mouche mineuse des feuilles du Houx (Phytomyza aquifolii
Goureau, P. Ilieis Kaltenbach), par le Dr. A. Laboulbène. —
Etudes arachnologiques (11me mém.), par E. Simon. — Faune
des Coléoptères du bassin de la Seine et de ses bassins secon-
daires (suite), par L. Bedel — Notice nécrologique sur le docteur
Boisduval, par Ch. Oberthür. — Diptères nouveaux ou peu connus
(13e partie), par J. M. F. Bigot. — Observations sur la Gortyna
flavago, par Th. Goossens. — Métamorphoses et moeurs de la
Deiopeia cribraria L., par J. Künckel d’Herculais. — Note
pour servir à l’histoire du Bombyx (Actias) Selene, par A. L.
Clément. — Note sur une nouvelle espèce de Coléoptére de la
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXVII
tribu des Cétonides (Ranzania Bertolonii), par H, Lucas. -- Cu-
cujides nouveaux ou peu connus (5me mém.), par A. Grouvelle. —
Notice néerologique sur Jean Etienne Berce, par A. L. Clément. -—
Remarques sur des aberrations de Attacus Pernyi, par A. L.
Clément. — Observations sur les métamorphoses de l’Altaens Allas,
par G. A. Poujade. — Essai sur les Jassides Stäl, Fieber (4me
partie), par le Dr. V. Signoret. — Diptères nouveaux ou peu
connus (14me partie), par J. M. F. Bigot. — Descriptions de
Coléoptères nouveaux d'Europe, par Ch. Brisout de Barneville. —
Description d'une nouvelle espèce de Corticaria (concolor), par H.
Brisout de Barneville. — Descriptions de Coléoptères d'Espagne
et de Turquie, par L. Fairmaire. — Descriptions de Coléoptères
nouveaux du nord de Afrique, par L. Fairmaire. — Descriptions
despéces et de genres nouveaux de Curculionites, par A. Che-
vrolat. — Description de quatre nouvelles espéces appartenant
au genre Pimelia, par le Dr. H. Sénac. — Essai de classification
des Blapsides de Ancien Monde (1re partie), par E. Allard. —
Descriptions de quelques Coléoptères de Nossi-Bé, par L. Fair-
maire. — Observations sur les premiers états du Scymnus minimus
Payk., par A. L. Clément. — Essai sur les Jassides Stal, Fieber
(fin), par le Dr. V. Signoret. — Description d’un Bombyx nou-
veau de France (Clostera alpina), par Bellier de la Chavignerie. —
Diptères nouveaux ou peu connus (15me partie), par J. M. F.
Bigot. — Etudes arachnologiques (12me mém.), par E. Simon. —
Notice nécrologique sur Etienne Mulsant, par J. Félissis-Rollin. —
Notice biographique sur Félix de Sauley, par Louis Reiche.
Tromso Museums Aarshefter. IV. («).
Nye Bidrag til Kundskaben om det arktiske Norges Lepidopter-
fauna, of W. M. Schüyen.
Entomologisk Tidskrift utgifven af Jacob Spängberg. Häft 3 & 4 (a).
Ueber einige neue Schmetterlings-varietäten aus dem arktischen
Norwegen, von W. M. Schöyen. — Skandinaviens med ögonlock
försedda Tineider (Tineae operculatae), af H. D. J. Wallengren. —
Skandinaviens Conchylididae, af H. D. J. Wallengren. — Till
kiinnedom om Skandinaviens Psylloder, af O. M. Reuter. —
Nigra anmärkningar om Leplura quadripustulata Fabr., af Sven
Lampa. — Revision af Skandinaviens Tipulidae, af H. D. J.
Wallengren. — Smiirre meddelanden, af O. Th. Sandahl. —
Bemaerkninger angaende de i Staudinger-Wocke’s katalog opfürte
variationer af Caradrina quadripunctata Fabr., af W. M. Schöyen.
Proceedings of the Boston Society of Natural History. Vol. XX,
Part. 4 (a).
LXX VIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Some characters useful in the study of the Sphecidae, by Mr. W.
H. Patton. — List of the North American Larradae, by Mr.
W. H. Patton. — Notes on the Philanthinae, by Mr. W. H.
Patton. -- Papers on Galls in recent Botanical Serials, by Dr.
H. A. Hagen. — Note on a Sarcophagus larva found in a Girls
Neck, by Dr. H. A. Hagen. — On the Proboscis of Nemognatha,
by Dr. H. A. Hagen.
Proceedings of the Boston Society of Natural History. Vol. XXI.
Part. 1 aj):
New Ichneumon Parasites of North American Butterflies, by Dr.
A. S. Packard Jr. — Moulting of the Lobster, Homarus ameri-
canus, by Prof. Hyatt.
Mei 1882.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XV, n°. 228
(May 1882) (a).
Charles Robert Darwin. Obituary Notice, by J. T. C. — Contribu-
tions to the History of the British Pterophori, by R. South. —
Natural Localities of British Coleoptera, by W. W. Fowler. —
Dicrorampha distinctana Hein., by R. South. — British Lepido-
ptera, by J. T. Carrington. — Entomological Notes, Captures,
ete. — Obituary : Henry Moss. — Notes on current Entomological
Literature.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XVIII, n°. 216 (May
1882) (b).
Annotated List of British Anthomyidae (continued), by R. H.
Meade. — Description of a new species of Liburnia, by J. Scott. —
Notes on Tenthredinidae (continued), by P. Cameron. — Two
new species of Ichneumonidae, by E. Parfitt. — Results of expe-
riments in rearing Tephrosia crepuscularia and biundularia with
regard to variation, by J. T. D. Llewelyn. — Rectifications
concerning Homoptera, by Jules Lichtenstein. — Entomological
Notes, Captures, ete.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. IX, n°. 53
(May 1882) (b).
Is Limulus an Arachnid?, by A. S. Packard Jr. — Additions to
the Australian Curculionidae. Part IX, by F. P. Pascoe — On
some new genera and species of Blattariae in the Collection of
the British Museum, by A. G. Butler. — Descriptions of two
new species of the Homopterous Genus Platypleura from Mada-
gascar, by A. G. Butler. — Undescribed Rhopalocera from the
Malay Peninsula, by W. L. Distant. — A new apterous male
among the Coccidae, by J. Lichtenstein. — Note on Euripus
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LXXIX
consimilis of Westwood, by A. G. Butler. — The Development
of Limulus, by Prof. H. N. Moseley.
Zoologist (The), edited by J. E. Harting. 3rd ser. vol. VI, n°. 65
(May 1882) (b).
Notes and Observations on British Stalk-eyed Crustacea, by J. T.
Carrington and E. Lovett.
Wiener Entomologische Zeitung. 1ster Jahrg. Heft. V (Mai 1382) (b).
Die Eupithecien Oesterreich-Ungarns, von O. Bohatsch. — Genera
nova Hemipterorum, von Dr. O. M. Reuter. — Eine neue Eusarcoris-
Art aus dem Caucasus, von Dr. O. M. Reuter. — Welche Coc-
einelliden-Varietäten sind zu benennen ?, von J. Weise. — Beiträge
zur Kenntniss der Coleopteren-Fauna des Erzherzogthumes Oes-
terreich (Schluss), von L. Ganglbauer. — Ueber das Präpariren
von Dipteren, von J. Mik. — Ueber das Betragen des Californi-
schen flügellosen Bittacus (B. aplerus Me. Lachl.), von C. R.
Osten Sacken. — Bemerkungen zu Coccus Rubi Schrank, von J.
Liehtenstein. — Litteratur, Notizen.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegev. door de Ned. Ent. Vereen.
DI. XXV, afl. 3 (a en b).
Verslag van de 15de Wintervergadering. — Lijst van Inseeten in
1881 te Valkenburg in Limburg verzameld door Dr. E. Piaget. —
Amerikaansche Diptera (vervolg), door F. M. van der Wulp.
Entomologische Nachrichten von Dr. F. Katter. Jahrg. VIII, Heft
IX und X (a).
Ichneumoniden-Studien (Schluss), von J. Kriechbaumer. — Verzeich-
niss europäischer Hautflügler, von H. Gradi. — Die Carabus
Olympiae-Aflaire, von O. Thieme. — Entomologische Skizzen aus
der Provinz Rio Grande do Sul, Brasilien, von W. Breitenbach.
Nunguam otiosus. Mittheilungen aus dem Mus. Ludwig Salvator von
Dr. L. W. Schaufuss. Bd. III, S. 513—560 (b).
Carabus Nordmanni Chaud. und Verwandte desselben, monographish
bearbeitet vom Herausgeber. — Zoologische Ergebnisse von Ex-
cursionen auf den Balearen, III, von Dr. L. W. Schaufuss. —
Neue Coleopteren-Arten und Varietäten, vom Herausgeber.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Entom. de Belgique. ser. III,
n°. 18 (a).
Description de Cureulionides d’Abyssinie du recent voyage de M.
Raffray, par A. Chevrolat.
Anales de la Sociedad cientifica Argentina. Tom. XII, entr. IV (a).
Farrago Lepidopterologica (Contribuciones al estudio de la Fauna
Argentina y paises limitrofes), por C. Berg. — Asilides Argentinos
(continuacion), por E. Lynch Arribalzaga.
LXXX ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Annales des Sciences Naturelles. 6me sér. Zool. et Palaeont. Tom.
XII n°. 3, 4, 5 et 6 (b).
Compte rendu des nouvelles recherches de M. Walcott sur la structure
des Trilobites, par M. H. Milne-Edwards. — Troisième note
sur les Pucerons du Térébinthe, par M. Derbès.
Verslagen en Mededeelingen der Acad. v. Wetensch. Afdeel. Natuurk.
2de reeks. DI. XVII, 2de stuk (a).
Rapport over eene Verhandeling van Dr. M. W. Beijerinck getiteld :
„Beobachtungen über die ersten Entwickelungsphasen einiger
Cynipidengallen ”, uitgebragt door Prof. N. W. P. Rauwenhoff en
Prof. Hugo de Vries.
Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. Vol.
VI, Heft 6 (b).
Philippe de Rougemont (1850—1881). Notice biographique par M.
de Tribolet. — Observations sur l’Helicopsyche sperata Me. Lachl.,
par Ph. de Rougemont. — Mémoire sur les pores sétigères pro-
thoraciques dans la tribu des Carnivores, par M. des Gozis. —
Uebersichtliche Zusammenstellung aller bis jetzt in der Schweiz
einheimisch gefundenen Arten der Phryganiden, von Meyer-Dür. —
Tagfalter und Sphingiden Teneriffa’s, von Dr. Christ.
Verhandlungen des Vereins für naturw. Unterhaltung zu Hamburg.
Barav):
Entomologische Mittheilungen aus London, von Martin Jacoby. —
Ueber die Eierlage der Bienenkönigin und die Theorie von Dzierzon,
von Dr. J. G. Fischer. — Ueber exotische Lepidopteren, von
Dr. C. Krüger. — Beitrag zur Kenntniss der Schmetterlingsfauna
von Wladiwostok, von L. Graeser. — Beobachtung einer zwei-
maligen Begattung eines weiblichen Lepidopterons, von C. Mein-
heit. — Ueber Fang, Zucht und Krankheiten der an Gräsern
lebenden Noetuinen-Raupen, sowie über die von diesen Raupen
angerichteten Verwiistungen, von A. Thalenhorst. — Ueber die
Metamorphose nacktflügeliger Ceralopogon-Arten sowie über die
von Tanypus nigropunctatus Staeg. und von Hydrellia mutata Meig.,
von G. Gercke. — Ueber die Metamorphose der Hydromyza livens
Fallen, von G. Gercke. — Dritter Beitrag zur Kenntniss der
Hymenopteren der Umgegend von Hamburg, von Dr. H. Beuthin. —
Nachtrag zur Schmetterlingsfauna der Niederelbe, von L. Graeser.
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Anno XIV’, trim. 1 (a).
Al Vulture ed al Pollino. Parte I°. C. Cavanna, Narrazione della escur-
sione fatta al Vulture ed al Pollino nel luglio del 1880 da A. Biondi,
C. Caroti et G. Cavanna. — Parte II: Catalogi degli animali raccolti
al Vulture, al Pollino ed in altri luoghi dell’ Italia meridionale
e centrale. — Il polimorfismo e la partenogenesi di alcuni Acari
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXT
(Gamasidi). Memoria di A. Berlese. — Note Entomologiche, per
F. Picciolii — Saggio di un Catalogo dei Lepidotteri d’Italia
aggiunte alle Piralidine e Tortricine, dell'Ing. A. Curo. — Let-
teratura entomologica italiana.
Zeitschrift fiir die gesammten Naturwissenschaften. Redigirt von Prof.
Giebel. Bd. LIV (a).
Neue Juliden des Berliner Museums, als Prodromus einer Juliden-
Monographie, von Dr. F. Karsch. — Ueber Milben, von P.
Kramer. — Ueber die Principien der Klassification der Gama-
siden, von P. Kramer.
Transactions of the Entomological Society of London for the year
1881 (0).
Descriptions of new Genera and Species of Heterocerous Lepidoptera
from Japan, by A. G. Butler. — Notes on Odonata of the sub-
families Corduliina, Calopterygina and Agrionina (Legion Pseu-
dostigma) collected by Mr. Buckley in the district of the Rio
Bobonaza in Ecuador, by R. Me. Lachlan. — A List of the
Hymenoptera of New Zealand, by W. F. Kirby. — Descriptions
of new Species of Galerucidae, by J. S. Baly. — On the Genus
Hilipus and its neo-tropical Allies, by F. P. Pascoe. — Des-
criptions of new Genera and Species of Rhynchota from Mada-
gascar, by W. L. Distant. — On the habits and affinities of
the Hymenopterous genus Scleroderma, with descriptions of new
Species, by S.S. Saunders. — Observations on the Hymenopterous
genus Scleroderma Klug and some allied groups, by J. O. West-
wood. — Description of a new Species of Corduliina (Gompho-
macromia fallax) from Ecuador, by R. Me. Lachlan. — Some
Additions to Mr. Marshall’s Catalogue of British Ichneumonidac,
by J. B. Bridgman. — Note on the Capture of the paired sexes
of Papilio Cenea Stoll (P. Merope auct.), in Natal, by R. Trimen. —
Description of new Genera and Species of Heterocerous Lepido-
ptera from Japan, by A. G. Butler. — On the Genus Sypna of
Guenée, a Group of Lepidoptera of the Tribe Noctuites, by A.
G. Butler. — Rhynchota from the Australian and Pacific Regions,
by W. L. Distant. — On the Tortricidae, Tineidae and Ptero-
phoridae of South Africa, by Lord Walsingham. — On the species
of the genus Euchroma, by D. Sharp. — Observations on the
Species of the Homopterous Genus Orthezia, with a description
of a new species, by J. W. Douglas. — Descriptions of new
Asiatic Diurnal Lepidoptera, by F. Moore. — On the Lepidoptera
of the Amazons, collected by Dr. J. W. H. Trail during the
years 1873 to 1875, by A. G. Butler. — Notes on new or
interesting species of Papilionidae and Pieridae collected by Mr.
6
LXXXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Buckley in Eastern Ecuador, by W. F. Kirby. — On the larva
of Nycteribia, by Baron Osten-Sacken. — Notae Dipterologicae:
New Species of Exotic Tipulidae, by J. O. Westwood. — Des-
cription of a new genus of Hymenopterous Insects, by J. O.
Westwood. — Neotropical Pentatomidae and Coreidae, by W. L.
Distant. — Description of the female sex of Morpho Adonis Cram.,
by W. L. Distant. — Descriptions of new Genera and Species
of Heterocerous Lepidoptera from Japan, by A. G. Butler. —
Descriptions of new Longicorn Coleoptera from India, Japan and
Africa, by Ch. O. Waterhouse. — On some new Species of
Rhopalocera from Southern Africa, by R. Trimen. — On the identity
of Coccus floccosus De Geer and Orthezia Normani Dougl., by J.
W. Douglas. — List of Butterflies collected in Chili by Th.
Edmonds, by A. G. Butler. — Descriptions of some new Coleo-
ptera from Sumatra, by Ch. O. Waterhouse. — Descriptions
of uncharacterized Species of Eumolpidae, with notices of some
previously described insects belonging to the same family, by J.
S. Baly. — On some new Coleoptera from the Hawaiian Islands,
by D. Sharp. — On some South American Coleoptera of the
family Rutelidae, by Ch. O. Waterhouse. — Notes on Hyme-
noptera with descriptions of new Species, by P. Cameron. —
Descriptions of new Genera and Species of Heterocerous Lepido-
ptera from Japan, by A. G. Butler. — Description of the immature
state of a Ceylonese insect apparently belonging to an undescribed
Genus, by J. O. Westwood. — Notae Dipterologicae. Minute
Species which attack cereal crops, by J. O. Westwood. — Des-
criptions of new Species belonging to the Homopterous family
Cicadidae, by W. L. Distant.
Proceedings of the Linnean Society of New South Wales. Vol. V, part
3 and 4 (a).
On some new Australian Marine Isopoda. Part I, by W. A. Haswell.
Id. Vol. VI, part 1—3 (a).
On some new Australian Marine Isopoda. Part II, by W. A. Has-
well. — Descriptions of Australian Micro-Lepidoptera. Part. V,
Tortricina, by E. Meyrick. — On a species of Phasma destructive
to a species of Eucalyptus, by W. Me Leay. — On some new
Australian Brachyura, by W. A. Haswell. — Descriptions of
Australian Micro-Lepidoptera. Part VI, Tortricina continued, by
E. Meyrick.
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Vol. IV, n°. 1 (a).
List of the Coleoptera observed and collected in the Vicinity of
Buffalo, by F. Zesch and O. Reinecke. — On Certain Fossils of
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LX XXIII
the Water-Lime Group near Buffalo, by J. Pohlman. — New
Coleoptera, by J. L. Le Conte. — Observations and Notes.
Transactions of the American Entomological Society. Vol. VIII (a).
Descriptions of New North American Hymenoptera in the Collection
of the American Entomological Society, by E. T. Cresson. —
Catalogue of the Tenthredinidae and Uroceridae of North America,
by E. T. Cresson. — Notes on the species of Asaphes of Boreal:
America, by G. H. Horn. — Synopsis of the Dascyllidae of the
United States, by G. H. Horn. — Notes on some genera of
Cerambycidae with descriptions of new species, by G. H. Horn. —
Contributions to the Coleopterology of the United States. N°. 3,
by G. H. Horn. — Descriptions of some monstrosities observed
in North American Coleoptera, by H. F. Jayne. — Short Studies
of North American Coleoptera, by J. L. Le Conte. — Three new
species of Hymenopterous Insects, described by E. T. Cresson. —
Synopsis of the Silphidae of the United States with reference to
the genera of other countries, by G. H. Horn. — Lists of Cole-
optera described by Mr. J. H. B. Bland and Mr. L. Provancher
with their Synonymy, by Dr. Horn. — Note on Hemipeplus Latr.,
by Dr. Horn. — Three new species of Hymenopterous Insects,
described by E. T. Cresson. — Table of characters as an aid
in the separation of our species, thus far known, of the genus
Sapyga Latr., by E. T. Cresson. — Observations on the syno-
nymy and habits of various Coleoptera of the United States, by
J. L. Le Conte.
Junij 1882.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XV, n°. 229
(June 1882) (a).
Natural Localities of British Coleoptera, by W. W. Fowler. —
Notes from Grange and Witherslack, by E. Shuttleworth. —
Effects of Warmth and surrounding Atmospheric conditions on
Silkworm Larvae, by E. A. Ormerod. — Entomological Notes,
Captures, ete. — Obituary. — Notes on current Entomological
Literature.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XIX, n°. 217 (June
1882) (b).
The influence of meteorological conditions on Insect-Life, by C. G.
Barrett. — Notes on the Neuroptera of Strathglass, Inverness-
shire, by J. J. King. — "The tarsal and antennal characters of
Psocidae, by Prof. H. A. Hagen. — Food-plants and times of
appearance of species of Psyllidae found in Great Britain, ete.,
by J. Scott. — Descriptions of new species of Aegeriidae and
LXXXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Sphingidae, by H. Druce. — Remarks on some Central American
species of Pyrrhopyge Hübn., by G. F. Mathew. — Entomological
Notes, Captures, ete. — Entomological Collecting on a voyage
in the Pacific, by J. J. Walker,
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. IX, n°. 54
(June 1882) (0).
Descriptions of new genera and species of Longicorn Coleoptera
(Lamiidae) from Madagascar, by Ch. O. Waterhouse. — Des-
cription of a new species of Mantidae, by F. P. Pascoe. — Note
on the Classification of the Homoptera, by F. P. Pascoe. —
Description of a new species of Crastia, a Lepidopterous genus
belonging to the family Euploeinae, by F. Moore. — Researches
on the Nervous System of the Larvae of Dipterous Insects, by
Prof. E. Brandt. — On the Nervous System of the Strepsiptera,
by Prof. B. Brandt. — Charles Darwin, by M. de Quatrefages.
Zoologist (The), edited by J. E. Harting. 3rd ser. vol. VI, n°. 66
(June 1882) (b).
Notes and Observations on British Stalk-eyed Crustacea, by J. T.
Carrington and E. Lovett.
Wiener Entomologische Zeitung. 1ster Jahrg. Heft VI (Juni 1882) (0).
Die Eupithecien Oesterreich-Ungarns (Fortsetzung), von O. Bo-
hatsch. — Coleopterologische Mittheilungen, von L. Ganglbauer. —
Ueber Trichocera hirtipennis Siebke, von J. Mik. — Ueber einige
Lygaeiden, von G. von Horvath. — Referate über einige in
Russischer Sprache erschienene dipterologische Schriften, von C.
R. Osten-Sacken. — Litteratur, Notizen.
Entomologische Nachrichten von Dr. F. Katter. Jahrg. VIII, Heft
11 und 12 (a).
Entomologische Skizzen aus der Provinz Rio Grande do Sul, Bra-
silien (Schluss), von W. Breitenbach. — Ein neuer Hymenopteren.
Tausch-Katalog, von K. W. von Dalla Torre. — Literatur. —
Tenthredopsis Costa, von Dalla Torre. — Untersuchungen über
beschleunigte Ueberwinterung von Schmetterlingspuppen, von H.
Gauckler. — Ichneumoniden-Studien, von J. Kriechbæumer. —
Monstrosität bei Melolontha. vulgaris Fabr., von Treuge. — Ueber
den sogenannten Trompeter in den Hummelnestern, von Hoffer. —
Ueber die Lebensweise des Apathus (Psithyrus) campestris Panz.,
von Hoffer.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Ent. de Belgique. Série III
Tit) a(t).
Note sur deux espèces appartenant au genre Lathridius, par M.
J. Bélon.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXV
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tom. XIII, entr. 5 (a).
Farrago Lepidopterologica, por Carlos Berg.
Deutsche Entomologische Zeitschrift. Redakt. Dr. G. Kraatz. Jahrg.
XXV (1881) 2tes Heft (0).
Neue Beiträge zur Kenntniss der Borkenkäfer Russlands, von Dr.
K. Lindemann. — Einige Worte über die Proceedings of the
Entomological Society of London 1840— 1846, von Dr. G. Kraatz. —
Zweites Verzeichniss von Coleopteren aus Asturien, zusammen-
gestellt von Dr. L. von Heyden. — Beitrag zur Kenntniss der
Molops-Arten aus Südost-Europa, von Dr. L. von Heyden. —
Leptura rufa Brullé und Verwandte, besprochen von Dr. L. von
Heyden. — Ueber Novae Coleopt. species Imperii Ross. incolae
a C. G. Comite de Mannerheim descriptae, von Dr. L. von Hey-
den. — Ueber Adelosia lyrodera Chaud, aus der Krimm, von Dr.
L. von Heyden. — Ueber Lymexylon (Serropalpus) biguttatum und
Lym. (2) liguricum Schellenberg, von Dr. L. von Heyden. —
Ueber die Varietäten von Neptunides polychrous Thoms., von Dr.
G. Kraatz. — Ueber Varietäten der Dicranorrhina Oberthurii
Deyr., von Dr. G. Kraatz. — Ueber Smaragdesthes mutica Harold,
von G. Kraatz. — Ueber Diplognatha incoides Thoms., von G.
Kraatz. — Ueber die Gruppe der Anoplochiliden , von G. Kraatz. —
Fiinf neue chinesische Carabus, beschrieben von Dr. G. Kraatz. —
Carabus emarginatus var. Bohatschi Rttr., von Edm. Reitter. —
Ueber das Artrecht der Cicindela maritima Dej., von G. Kraatz. —
Ueber das von Neuem angezweifelte Artrecht des Carabus obliquus
Thoms., von G. Kraatz. — Heteromerum species ex Aegypto,
Syria et Arabia, a F. Baudi descriptae. — Ein neuer deutscher
Quedius, beschrieben von Dr. Eppelsheim. — Synonymische Be-
merkungen iiber caucasische Staphylinen, von Dr. Eppelsheim. —
Einige für Deutschland neue Anobiidae, von Dr. G. Kraatz. —
Ueber eine eigenthiimliche Varietät der Melolontha Hippocastani
(ab. nigripes Comolli ?), von ©. Cornelius. — Beiträge zur Kenntniss
der Gattung Colon und Beschreibungen neuer Arten, von G.
Czwalina. — Nachtriige, von Czwalina und Kraatz. — Calops
flavicornis Thoms. in Deutschland, von G. Czwalina. — Beiträge
zur Käferfauna von Turkestan, von L. von Heyden und. G.
Kraatz. — Zur Synonymie der Clytus-Arten , von Dr. G. Kraatz. —
Necrologe von Mulsant, Guenée, Metzler, Kawall, Lottermoser ,
Chaudoir, Zaddach, Rosenhauer und Scherfling. — Neuere Literatur.
Berliner Entomologische Zeitschrift. Redakt. Dr. H. Dewitz. Jahrg.
XXVI (1882) 1stes Heft (b).
Systematische Verzeichniss der in den Tropfstein-Grotten von Krain
einheimischen Arthropoden, von Dr. G. Joseph. — Ueber die
LXXXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Fiihrung an den Körperanhängen der Insecten u. s. w., von Dr.
H. Dewitz. — West-Afrikanische Papilionen, von Dr. H. Dewitz. —
Einige Hesperiinen-Gattungen und deren Arten, von C. Plötz. —
Diptera from the Philippine Islands brought home by Dr. Carl
Semper and described by C.R. Osten Sacken. — Neue Apogonien
des Berliner Museums (Coleoptera: Scarabaeidae), von Dr. F.
Karsch. — Cleothera und Chnoodes Abendrothii Kirsch, von Th.
Kirsch. — Lepidopterologisches, von B. Gerhard. — Aus meinem
entomologischen Tagebuche, von Dr. L. Sorhagen (Fortsetzung). —
Melissoblaptes anellus Schiff. (bipunctanus Zell.), von Dr. L. Sor-
hagen. — Ueber einige neue Parnassius- und andere Tagfalter-
Arten Central-Asiens, von Dr. O. Staudinger und A. Bang-Haas. —
Ueber eine Lokalform des Parnassius Actius Eversm. und über
Parnassius Delius Esp. var. Corybas Fisch., von E. G. Honrath. —
Diagnosen neuer Staphylinen aus dem Mittelmeer-Faunengebiet ,
von M. Quedenfeldt. — Ein neuer Skorpion von Salanga, von
Dr. F. Karsch. — Diagnosen dreier africanischer Cerambyciden,
von G. Quedenfeldt.
Proceedings of the Zoological Society of London for the year 1881.
Part III (a).
On a collection of Lepidoptera from Western India, Beloochistan
and Afganistan, by A. G. Butler. — On the Hymenoptera collected
by Prof. Baily Balfour in Socotra, by W. F. Kirby. — On a
new Spider of the Family Theraphosidae, by the Rev. O. P.
Cambridge. — On some new Genera and Species of Araneidea,
by the Rev. O. P. Cambridge.
Verhandlungen der k.-k. zool.-bot. Gesellschaft in Wien. Jahrg. 1881
(Bd. XXXI) (a).
Mittheilungen über Phytoptocecidien, von Dr. Fr. Löw. — Bestim-
mungstabellen der europäischen Coleopteren IV und V, von E.
Reitter. — id. IV: und VII, von L. Ganglbauer. — Beiträge zur
Biologie und Synonymie der Psylloden, von Dr. Fr. Löw. —
Diptera, gesammelt von H. Krone auf den Aucklands-Inseln bei
Gelegenheit der deutschen Venus Expedition in den Jahren 1874
und 1875, von J. Mik. — Heegeria, nov. gen., von Dr. O. M.
Reutter. — Ueber die Autochthone Orthopteren-Fauna Oesterreichs ,
von Brunner von Wattenwyl. — Beschreibung von zehn neuen
Psylloden-Arten, von Dr. Fr. Löw. — Neue Spinnen aus Amerika,
III, von E. Graf Keyserling. — Dipterologische Mittheilungen ,
Il und III, von J. Mik. — Zur Pselaphiden- und Seydmaeniden-
Fauna Syriens, von E. Reitter. — Verzeichniss der entomolo-
gischen Schriften Cam, Rondani’s (Nachtrag zu Hagen), von C.
R. Osten Sacken. — Einige Worte über P. Gabriel Strobl’s
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXVII
„Dipterologische Funde um Seitenstetten, vom Prof. J. Mik. —
Beiträge zur Schmetterlings-Fauna von Surinam, IV (Schluss),
von H. B. Möschler. — Die Hymenopteren in Scopoli’s Entomo-
logica Carniolica und auf den dazugehörigen Tafeln, von A.
Rogenhofer und K. W. von Dalla Torre. — Zoologische Ergebnisse
von Excursionen auf den Balearen, von Dr. L. W. Schaufuss. —
Die Arachniden und Myriopoden der Balearen, von Dr. L. W. Koch.
Julij 1882.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XV, n°. 230
(July 1882) (a).
Contributions to the History of the British Pterophori, by R. South. —
Natural Localities of British Coleoptera, by W. W. Fowler. —
Further Notes on North Devon, by R. South. — Introductory
Papers on Lepidoptera, by W. F. Kirby. — Entomological Notes,
Captures, ete. — Reviews. — Notes on current Entomological
Literature.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XIX, n°. 218 (July
1882) (b).
Entomological Collecting on a voyage in the Pacific (concluded),
by J. J. Walker. — Voluntary submergence by the female of
Phryganea, by K. J. Morton. — Annotated List of British An-
thomyidae (continued), by R. H. Meade. — A list of Butterflies
captured in Barrackpore Park in 1880 and 1881, by G. A. Rothney
(with notes by F. Moore). — Natural History of Heliodes Arbuti,
by W. Buckler. — Description of a new species of Hemiptera-
Heteroptera from Central America, by J. Scott. — Entomological
Notes, Captures, ete. — Reviews. — Proceedings of the Ent. Soc.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser., vol. X, n°. 55
(July 1882) (0).
Descriptions of new species of Lepidoptera, chiefly from Duke of
York-Island and New Britain, by A. G. Butler. — Descriptions
of new Coleoptera from Madagascar, by Ch. O. Waterhouse. —
On the unpaired eye of the Crustacea, by M. Hartog. — On the
Priority of Euploca Castelnaui of Felder over Euploca Phoebus, by
A. G. Butler.
Zoologist (The), edited by J. E. Harting. 3rd ser., vol. VI, n°. 67
(July 1882) (b).
Notes and Observations on British Stalk-eyed Crustacea, by J. T.
Carrington and E. Lovett.
Notes from the Leyden Museum. Edited by Prof. H. Schlegel. Vol. IV,
n°. 3 (July 1882) (0),
LXXXVIIT ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
On the genus Araeosternus de M., by Dr. J. G. de Man. — Two new
species of Lucanoid Coleoptera from Sumatra, described by C.
Ritsema Cz. — Two new species of the Dynastid genus Dicho-
dontus Burm., described by C. Ritsema Cz. — On an undescribed
Cetoniid belonging to the genus Chalcothea Burm., by C. Rit-
sema Cz. — A new genus of the Cetonid group Macronotidae,
characterized by C. Ritsema Cz. — A new species of the Buprestid
genus Chrysochroa from Sumatra, described by C. Ritsema Cz. —
On three new species of Rhynchophorous Coleoptera from Sumatra ,
by C. Ritsema Cz. — Six new species of the Rhynchophorous
genus Oxyrrhynchus Sehönh., described by C. Ritsema Cz. —
A new species of the Brenthid genus Stratiorrhina Pascoe, des-
cribed by C. Ritsema Cz. — Description of a new Sumatran
species of the Anthribid genus Aylinades Latr., by C. Ritsema Cz. —
Three new species of the Brenthid genus Diurus Pascoe, described
by C. Ritsema Cz.
Wiener Entomologische Zeitung. ister Jahrg., Heft VII (Juli 1882) (0).
Die Eupithecien Oesterreich- Ungarns (Fortsetzung), von 0. Bohatsch.—
Coleopterologische Notizen, von E. Reitter. — Referate über einige
in russischer Sprache erschienene dipterologische Schriften (Fort-
setzung), von C. R. Osten-Sacken. — Zur Kenntniss der euro-
päischen Anomala-Arten, I, von L. Ganglbauer. — Litteratur
und Notizen.
Entomologische Nachrichten von Dr. F. Katter. Jahrg. VIII, Heft 13
und 14 (a).
Ueber die Lebensweise des Apathus (Psithyrus) campestris Panz.
(Schluss), von Hoffer. — Die Honigameise und westliche Ameise,
von A. H. Hagen. — Das Präpariren von Raupen, von H. Booch-
Arkossy. — Raupenkampf, von Schrebank. — Die Blumenthä-
tigheit von Käfer. — Gegen zwei irrthiimliche Ansichten betreffend
die Acariden, von G. Haller. — Literatur. — Darwin's Beiset-
zung. — Naturwissenschaftliche Versammlungen 1882.
Annales des Sciences Naturelles. Zool. et Paléont. 6me sér. tom. XIII,
n'e 14(D):
Recherches sur l’organisation des larves des Ephémérines, par M.
Vayssière.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tom. XIII, entr. 6 (a).
Farrago Lepidopterologica, por C. Berg.
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou. Année
1881, .n%. 3,(b).
Coleophora Tritiei, ein neues schädliches Insekt Russlands, von
Prof. K. Lindemann,
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LXXXIX
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Vol. IV, n°. 2 (a):
Additional Notes on the Fauna of the Water-Lime Group near
Buffalo, by J. Pohlman. — Notes on the Larvae of some Local
Pterophoridae, by D. S. Kellicott. — A new Tortricid, by C.
H. Fernald. — Additional List of Coleoptera, collected by O.
Reinecke. — Observations and Notes.
Verhandlungen des naturforschenden Vereines in Briinn. Bd XIX (a).
Die aussereuropäischen Dermestiden meiner Sammlung, mit 70 Dia-
gnosen neuer Arten, von E. Reitter.
Annales de la Société Entomologique de Belgique. Tom. XXV (0).
Métamorphoses de l’Exema dispar, par M. le Dr. E. Duges. —
Liste des Hémiptères recueillis par M. Delaunay à la Guadeloupe,
la Martinique et Saint-Barthélemy, par M. L. Lethierry. — Liste
des Orthoptères récoltés dans l’Afrique australe par M. de Selys-
Fanson et faisant partie du Musée Royal d'Histoire naturelle de
Bruxelles, par A. de Bormans. — Révision des types contenus
dans la collection d’Orthoptéres de M. Brisout de Barneville. 1re
partie, par M. A. de Bormans. — Essai d’une Monographie des
Psychides de la Faune européenne, précédé de’ considérations
générales sur la famille des Psychides, par M. F. J. M. Heylaerts
fils. — Liste des Criocerides recueillis au Brésil par feu Camille
van Volxem, suivie de la description de douze nouvelles espèces
américaines de cette tribu, par M. A. Preudhomme de Borre. —
Description de Curculionides de Zanguebar , par M. A. Chevrolat. —
Note sur les époques d’apparition des Lépidoptères diurnes de
l'Amérique du Sud recueillis dans la province de Rio Janeiro
par M. Thobie, en 1877, par M. J. B. Capronnier.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Ent. de Belgique. Série III,
n°. 20 (a).
Liste des Squillides du Musée Royal d'histoire naturelle de Belgique,
par M. de Borre. — Sur quelques variétés ou aberrations des
Zygaena de Belgique, par M. de Sélys-Longchamps. — Septièmes
addenda à la faune des Coléoptères de Belgique, par M. H. Donckier.
Boletin de la Academia Nacional de Ciencias de la Republica Argen-
tina. Tom. III, entr. 4 (a).
Nouveaux cas de Myiasis observés dans la province de Cordova
et dans la Republica de Venezuela, par P. A. Conil. — Etudes
sur l’Acridium Paranense Burm., ses variétés et plusieurs insectes
qui le détruisent, par P. A. Conil. _
Verhandlungen des naturh. Vereines der preuss. Rheinlande und West-
falens. Herausgegeben von Dr. C. J. Andrä. Jahrg. 38, 2te Hälfte (b).
Zur Käfergattung Bruchus L. und besonders über Br. pisorum L.,
XC
ENTOM. INHOUD VAN ONTV. TIJDSCHRIFTEN,
von Cornelius. — Ueber das Auftreten der Cephenomyia stimulator
Clark bei Bonn, von Troschel. — Einiges aus der Lebens-,
namentlich Fortpflanzungsgeschichte von Ixodes ricinus, von
Bertkau. — Ueber Palingenia longicauda, von v. Roehl.
Naturhistorische Hefte nebst deutsch redigirter Revue vom Ungar.
Nation.-Museum in Budapest. Bd. V, Heft II—IV (a).
Trochilium apiforme, ein Hermaphrodit, von O. Herman. — Beiträge
zur Lepidopteren-Fauna Ungarns, von J. Pavel. — Ueber die,
Bildung des Bedeguars, von J. Paszlavsky. — Hemiptera nova
vel minus cognita, descripsit Dr. G. Horvath. — Eine neue
Chelifer-Art, species aus dem Comitate Zemplén, beschrieben von
Dr. E. Tömösváry. — Eine neue Myriopoden-Gattung und Art
» Edentistoma octosuleata”, beschrieben von E. Tömösváry.
Entomologisk Tidskrift utgifven af J. Spangberg. Arg. III, Häft 1—3 (a).
Résumé des Séances de la Société entomologique pendant l’année
1881, par O. Th. Sandahl. — Nécrologie de Nicolas Westring,
par O. Th. Sandahl. — Révision des Tipulides de la Scandinavie,
par H. D. J. Wallengren. — Orchestes Populi L., comme insecte
nuisible, par Chr. Aurivillius. — Hadena unanimis Tr. trouvé
en Suède, par S. Lampa. — Sur le groupe Argus-Aegon du genre
Lycaena, par W. M. Schöyen. — Communications hémiptérolo-
giques , par O. M. Reuter. — Hémiptères hétéroptères de la Finlande
et de la Scandinavie, par O. M. Reuter. — Sur Cidaria olivata
W. V., par K. Fr. Thedenius. — Sur les antennes rétractiles
d’une larve de diptère (Tanypus), par Fr. Meinert. — Quelques
observations sur Simyra albovenosa Goeze (de Geer) et sur un
hyménoptère parasite de cette espèce, par A. E. Holmgren. —
Finsk entomologisk literatur 1881. — Svensk-norsk entomologisk
literatur 1881. — Hémiptères hétéroptères de la Finlande et de
la Scandinavie, par O. M. Reuter. — Sur Trochilium melanoce-
phalum Dalm., par Chr. Aurivillius. — Séance du 29 Avril 1882,
par O. Th. Sandahl. — Liste des Fourmis suédoises (communi-
cation préliminaire), par H. Stolpe. — Sur Parnassius Mnemosyne
L., par J. Spängberg. — Communications entomologiques des
séances de la Societas pro fauna et flora fennica, pendant les
années 1880—1881, par O. M. Reuter. — Nécrologie d’August
Wilhelm Malm, par J, Spängberg.
HANDLEIDING
HET VERZAMELEN, BEWAREN EN VERZENDEN
VAN
UITLANDSCHE INSECTEN.
S 1. Inleiding.
Voor eene wetenschappelijke studie der Entomologie is in de
eerste plaats noodig het bezit van een goed materiaal, d. i. van
gave voorwerpen, waaraan al de uitwendige kenmerken duidelijk
te zien zijn. Voor hen, die zich voornamelijk of uitsluitend op de
kennis der ‘inlandsche soorten toeleggen, valt het niet moeijelijk,
door eigen ervaring en door het voorbeeld van anderen, zich eene
collectie te maken, die aan de eischen van een wetenschappelijk
onderzoek voldoet; maar geheel anders is het in den regel met de
insecten, die ons uit den vreemde en vooral uit tropische gewesten
worden toegezonden. Dikwijls ontvangen wij die in een’ toestand,
die de voorwerpen ter naauwernood geschikt doet zijn om in eene
nette verzameling te worden geplaatst, en zelden slechts zijn ze
zoo goed geconserveerd, dat zij voor een grondig onderzoek kun-
nen dienen.
Het is daarom van groot belang dat zij, die op hunne reizen
of tijdens hun verblijf in verre gewesten insecten wenschen te
verzamelen, een doelmatigen leiddraad hebben, om te weten hoe
XCII HANDLEIDING VOOR HUT VERZAMELEN, ENZ,
zij daarbij te werk moeten gaan. Gewoonlijk staat hun het doel
voor oogen, om in betrekkelijk korten tijd een groot aantal exem-
plaren en tevens de meestmogelijke verscheidenheid van soorten
bijeen te brengen. Dat hierbij geen sprake kan zijn van eene
zorgvuldige preparatie van ieder voorwerp, zoodat het geheel ge-
schikt is om in de collectie te worden geplaatst, spreekt wel van
zelf : daartoe zullen verzamelaars in den vreemde veelal tijd noch
gelegenheid hebben. Niettemin dient ook bij hen op den voorgrond
te staan, de exemplaren zoo gaaf mogelijk te bewaren en over te
zenden.
$ 2. Waarde van kleine en minder in “toog vallende insecten.
Over ’t algemeen worden ons, vooral uit tropische gewesten,
bij voorkeur de grootere en door vorm, kleur en teekening in ’t oog
loopende insecten overgezonden; maar de kleinere soorten of de
zoodanigen, die meer op onze Europesche insecten gelijken, krijgen
wij zelden en meestal slechts als bij toeval onder de oogen. Dit
laat zich gemakkelijk verklaren uit den overvloed van groote en
prachtige soorten, die in de keerkringslanden de aandacht trekken
van den verzamelaar en hem de kleine, onaanzienlijke soorten
alligt over ’t hoofd doen zien. Toch schuilen onder die kleinere en
weinig in ’t oog vallende insecten dikwijls hoogst merkwaardige
vormen, die, juist omdat zij tot dusver veel minder bekend zijn,
voor de wetenschap soms veel meer waarde hebben dan geheele
reeksen van rijk uitgedoste vlinders of kevers, die sints lang zijn
beschreven en afgebeeld. Het kan daarom niet genoeg worden aan-
bevolen, ook de schijnbare nietigheden uit het rijk der insecten
te verzamelen, zohder dat daarom de meer schitterende soorten
geheel behoeven te worden verwaarloosd.
S 3. Gereedschappen en benoodigdheden.
Over de netten en verdere gereedschappen, die tot het vangen
en bewaren van insecten dienen, behoeft hier niet in het breede
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. XCIII
te worden uitgewijd. Het is aan te nemen, dat zij, die naar verre
gewesten trekken met het voornemen om hun verblijf aldaar ook
dienstbaar te maken aan het verzamelen van insecten, zich zullen
uitrusten met al wat daartoe noodig is en zullen in acht nemen
wat de ondervinding van degelijke entomologen daaromtrent aan
de hand geeft. Eene korte opsomming van de meest noodwendige
behoeften moge voldoende zijn. 1)
1. Een vlindernet, van genoegzamen omvang om ook voor de
grootere tropische soorten te kunnen dienen; behalve voor vlinders
kan het ook voor de grootere Libelluliden enz. worden gebezigd.
2. Een dergelijk net van iets kleineren omvang, geschikt voor
het vangen van andere vliegende insecten, als wespen, bijen,
vliegen enz.
3. Een sleepnet, vervaardigd van steviger en minder doorschij-
nende stof, bestemd om over lage planten te worden gesleept, en
dat tevens gebruikt kan worden tot het visschen van water-insecten.
4. Eene vangschaar, waarmede in de rust zittende, gevleugelde
insecten kunnen worden gevangen, die dan echter dadelijk aan de
speld dienen te worden gestoken.
5. Een zeeftoestel, bestaande uit een linnen zak van 4 decim.
diepte, aan een stevigen, vertind ijzeren beugel van ongeveer 2
decim. middellijn; boven op dien beugel sluitende een dito zak,
welke tot bodem heeft eene zeef uit stevig koperdraad gevlochten,
waarvan de mazen niet grooter zijn dan 5 vierk. millim. Nadat de
zeef op den beugel van den ondersten zak is bevestigd, vult men
den bovensten zak met een hoop dorre bladeren of andere voorwerpen,
waarin men vermoedt dat insecten huizen; door alsdan het toestel
krachtig heen en weêr te schudden, vallen allerlei torretjes en
andere dieren door de zeef in den ondersten zak. Aan dezen laatsten
moeten een paar bandjes zijn gehecht, ten einde den zak te kun-
nen digt maken.
6. Eene parapluie, liefst van witte of licht gekleurde stof ver-
1) De hier aangeduide benoodigdheden zijn bijna allen in ruime keuze te be-
komen bij den Naturalien-handelaar W. H. Dreessens, Oudebrugsteeg n°. 5 te
Amsterdam. Prijs-couranten worden door hem, op franco aanvrage, toegezonden.
XCIV HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ.
vaardigd, moetende dienen om ’t onderst boven te worden uitgespreid
onder boomen of struiken, ten einde daarin de insecten op te
vangen, die tengevolge van het afkloppen der takken naar beneden
vallen.
7. Een zakje met een beugel van balein of rotting; dit wordt
bij het afkrabben van boomschors of van groote boomzwammen
tegen den stam aangedrukt, om er de insecten in op te vangen.
8. Een vertind ijzeren lepel, om langs oevers snel loopende
insecten op te scheppen en schielijk in het hierboven beschreven
zakje te werpen.
9. Eene of meer doozen, waarvan de bodem met kurk, turf-
plaat of palmmerg is bekleed, ten einde daarin de insecten te
bergen, welke dadelijk aan eene speld worden gestoken.
10. De noodige insectenspelden en zilver- of platinadraad.
11. Een of meer wijdmondige fleschjes, gesloten met eene kurk,
doorboord met een glazen cylinderbuisje of pennenschacht, dat op
zijne beurt van boven ook weder met een kurkje is gesloten; om
het mogelijk verliezen van dit kurkje te voorkomen, is het doel-
matig het met een stevigen draad aan de kurk van de wijdmondige
flesch te bevestigen. !)
12. Cylinderfleschjes van onderscheidene grootte, allen met een
kurkje gesloten.
43. Spiritus-fleschjes van verschillende grootte.
14. De noodige doozen voor het bewaren en verzenden van de
gevangen insecten; voor zooveel deze aan spelden gestoken zijn,
moet de bodem der doozen met kurk, turfplaat of palmmerg
voorzien zijn.
15. Een geschikt pincet om de spelden in den bodem der
doozen vast te steken.
1) In de plaats van zulke flesch, kan ook voor kevers en andere niet vlie-
gende insecten eene ronde doos van karton of hout worden gebruikt, waarvan
de rand van den deksel zoowel als van de doos met een corresponderend gaatje
is doorboord; door het ronddraaien van den deksel kan dit gaatje geopend en
gesloten worden. Wijlen Snellen van Vollenhoven had zulk een doosje van palm-
hout, dat zeer practisch bleek te zijn.
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. XCV
$ 4. Dooden van insecten.
In onzen tijd, waarin dierenbescherming nog al op den voorgrond
treedt, worden de verzamelaars van insecten wel eens gerangschikt
onder de gevoelloozen, die zich niet ontzien om dieren gruwelijke
mishandelingen te doen ondergaan. Het is ook niet te ontkennen,
dat het doorsteken van een levend insect met eene speld, waaraan
het soms nog een geruimen tid kan blijven leven, niet van eenige
wreedheid is vrij te pleiten. Er is dus alle reden om te trachten
de gevangen insecten spoedig en op de minst pijnlijke wijze te
dooden. Vele en velerlei middelen zijn daarvoor aangegeven.
Om insecten, die dadelijk aan de speld zijn gestoken, spoedig
te dooden, is door den heer J. Mik eene zeer geschikte doos aan-
bevolen !). In den rand van den lossen deksel is eene vierkante
uitsnijding aangebragt, die past op eene dergelijke uitsnijding in
den rand van de doos zelve, zoodat bij het plaatsen van den deksel
op de doos eene kleine opening overblijft. Door die opening wordt
een brandend zwavelstokje gestoken, dat na 2 of 3 seconden er
weder wordt uitgehaald, waarna de doos wordt digtgedrukt , zoodat
de opening wordt gesloten en de zich in de doos bevindende in-
secten door de zwaveldamp bijna onmiddellijk zijn gedood. Men
zorge evenwel dat de doos korten tijd daarna weder geopend worde,
omdat anders de dieren, wegens het zich vormende zwavelig zuur,
schade kunnen lijden door het verbleeken der kleuren als anders-
zins. Het ligt voor de hand, dat dezelfde methode kan worden
toegepast op insecten, die nog niet aan spelden zijn gestoken.
Vele entomologen dooden hunne vangsten door ze te werpen in
een fleschje, waarin een stukje cyankalium, in vloeipapier gewik-
keld, op den bodem of wel aan de onderzijde van de kurk is
bevestigd ?). Het vloeipapier, dat tot omwikkeling dient, moet
zoodra het blijkt vochtig te zijn, door droog worden vervangen,
1) J. Mik, Ueber das Prepariren der Dipteren, Verhandl. zool. bot Gesellsch.
Wien 1880 (Holl. vertaling: Tijdschr. v. Entom. XXV blz. xcv).
2) Dit kan ook geschieden in het doosje, waarvan in de noot op de vorige bladz.
gesproken is.
XCVI HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ.
omdat de insecten bedorven zouden worden, wanneer zij in aan-
raking kwamen met de koolzure kali, waarin het cyankalium door
vocht wordt omgezet.
Het gebruik van cyankalium is echter te ontraden, niet alleen
wegens het gevaarlijke van deze hoogst vergiftige stof, maar ook,
omdat teedere insecten, als zij wat lang in het fleschje blijven,
te sterk uitdroogen en daardoor zeer breekbaar worden; terwijl bij
kleinere voorwerpen de vliesachtige vleugels dikwijls door onder-
linge aanraking geplooid worden en later niet meer glad zijn te
strijken , waardoor het aderbeloop niet goed meer te zien is. Ook
verandert eyankalium sommige kleuren: bij wespen b. v. wordt
het geel rood.
Een veel minder gevaarlijk middel om insecten te dooden,
doeh dat alleen op de grootere soorten kan worden toegepast,
bestaat in een sterk aftreksel van zware tabak. Vlinders b. v. ge-
stoken aan eene speld, welker punt met zulk tabaksap is bevestigd,
sterven binnen een kort tijdsverloop. Ook kan, wanneer men ze
niet dadelijk aan de speld wil steken, hetzelfde resultaat worden
verkregen door een paar prikken in de borst met eene aldus be-
vochtigde speld.
Overigens kunnen de gevangen insecten gemakkelijk worden
bedwelmd door in het fleschje, waarin zij worden geworpen, een
paar druppels chloroform, zwavel-ether of benzine te laten vloeijen.
Kleinere insecten worden meestal daardoor reeds voor goed gedood.
Voor zeer teedere dieren, als Aphiden, kleine muggen of vliegjes
wordt reeds dezelfde uitwerking verkregen, door een mondvol
tabaksrook in het fleschje te blazen, en het daarop voor een paar
minuten te sluiten.
$ 5. Gebruik van spiritus.
Een afdoend middel om insecten spoedig te bedwelmen en te
dooden, is voorzeker ook om ze in spiritus te werpen. Menige
insecten-verzamelaar in tropische streken is tot dusver van meening
geweest, dat het voldoende is al zijne vangsten in eene flesch met
spiritus te werpen; hij rekent er op dat de voorwerpen daardoor
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. XCVII
volkomen zijn gevrijwaard tegen schimmel, motten, Anthreniden ,
mieren, termiten, mijten en wat al meer eene insecten-collectie
kan verwoesten. Dit laatste moge waar zijn, maar niettemin is
toch in verreweg de meeste gevallen het gebruik van spiritus af
te keuren en de drooge weg aan te bevelen. Levendige kleuren
worden in spiritus gewoonlijk sterk veranderd; haar- of schub-
bekleeding wordt meestal geheel onkenbaar, zoodat b. v. vlinders,
die in spiritus hebben gelegen, moeten worden weggeworpen;
huidachtige vleugels, vooral bij kleinere soorten, kleven bij het
uitnemen uit het vocht, op het ligchaam of tegen elkander, zoodat
het aderbeloop, zoo onmisbaar voor de bestemming der geslachten
en soorten, onmogelijk meer te zien is. Alleen voor hardschalige,
donkere en geheel naakte keversoorten enz. zijn deze nadeelen niet
aan de trouwens zeer gemakkelijke spiritus-methode verbonden.
Dikwerf zal het intusschen den verzamelaars in vreemde landen
aan tijd en gelegenheid ontbreken, om eene andere dan de spiritus-
methode te volgen. In dat geval is het toch altijd beter, om de
voorwerpen op deze wijze dan om in ’t geheel niets over te zenden.
Er zal dan in den regel nog wel wat bruikbaars onder te vinden zijn.
Overigens is spiritus het eenige middel voor het bewaren van
zeer weekhuidige dieren, als rupsen, spinnen enz., die langs den
droogen weg hunnen natuurlijken vorm geheel verliezen, alsmede
wanneer de verzamelde voorwerpen voor eenig bijzonder doel, b. v.
voor anatomisch onderzoek zijn bestemd. Met dit laatste oogmerk
kan het zijn nut hebben, om van soorten, die veelvuldig voor-
komen, enkele exemplaren in spiritus te bewaren. Men zorge dan
slechts voor een goed conservatie-vocht, en voorts dat de voor-
werpen allen geheel in het vocht gedompeld en de flesschen lucht-
digt gesloten zijn. Bijzonderheden omtrent deze punten worden
hierna bij de Araneiden vermeld.
$ 6. Spelden en metaaldraad.
Het is niet volstrekt noodig al de gevangen insecten dadelijk
aan spelden te steken; voor vele, inzonderheid de grootere soorten ,
‘
XCVIII HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ.
is het zelfs wenschelijk dit niet te doen; voor andere, vooral
kleinere insecten, en voor sommige groepen, die nader zullen
worden aangeduid, is het daarentegen beter, dat zij dadelijk na
de vangst of nadat zij gedood zijn, maar vóór zij hunne weekheid
hebben verloren, aan eene speld of een stukje metaaldraad worden
gestoken.
Men gebruike daartoe liefst geene andere dan de bekende , lange
en blanke insectenspelden, zooals die bij de meeste Nederlandsche
entomologen in zwang zijn. Korte spelden, gelijk bij onze Engelsche
naburen veelal gebezigd worden, zijn volstrekt ongeschikt, omdat
de voorwerpen daardoor met hunne pooten en dikwijls ook met
hunne uitgespreide vleugels den bodem der doos raken, waardoor
zij ligt beschadigd worden en bovendien veel meer onderhevig zijn
aan de aanvallen van Psociden en andere vernielers der insecten-
collectien. Zwarte (verlakt ijzeren) spelden deugen evenmin, omdat
zij minder veerkrachtig zijn en dus bij het insteken in den bodem,
door spoedig krombuigen, aanleiding kunnen geven tot het breken
der voorwerpen, en omdat zij, niet het minst in warme landen,
gaan roesten en dan niet meer geschikt zijn om in den bodem te
worden gestoken, ja somtijds zelfs het aangehechte voorwerp geheel
onbruikbaar kunnen maken. Blanke spelden hebben al deze nadeelen
niet, ofschoon hier tegenoverstaat, dat zij, althans bij sommige
insectengroepen , door den invloed van zuren, uit de aangehechte
dieren voortkomende, aanleiding geven tot het ontwikkelen van
kopergroen 1), een kwaad dat evenwel bij lange na niet opweegt
tegen de veel ernstiger nadeelen van zwarte spelden.
De dikte der speld moet geëvenredigd zijn aan de grootte van
het dier; de speld moet vooral niet te dik zijn, om gelegenheid
te geven het insect later, na opweeking, aan eene nieuwe speld
te steken. De knop der speld moet minstens 1 centim. boven den
rug van het insect uitkomen, om de speld van boven met de
vingers te kunnen aanvatten, zonder gevaar van het voorwerp te
1) Dr. Katter (Entom. Nachrichten 1879 p. 99) geeft als een afdoend middel
hiertegen aan, de blanke spelden te doen vergulden, wat volgens hem den prijs
slechts weinig zou verhoogen,
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. XCIX
beschadigen. Voorts drage men zorg de spelden stevig in den bodem
vast te steken (waartoe een geschikt pincet noodig is); want een
enkel voorwerp, dat in de doos is losgeraakt, vooral wanneer het
eene groote soort is, kan eene geheelen voorraad kleinere insecten
bederven, inzonderheid als er eene verre reis meê gemoeid is.
Voor zeer kleine of teedere insecten moeten geene insectenspelden
worden gebruikt, maar kleine stukjes zilver- of platina-draad, die
met eene scherpe schaar schuinweg worden afgeknipt en als de
diertjes er aan gehecht zijn, in een stukje plantenmerg worden
gestoken, dat op zijne beurt weder met eene stevige speld in de
doos wordt vastgestoken. Bij ons wordt daarvoor het merg van
vliertakken of van de stengels van zonnebloemen gebruikt.
$ 7. Watten, papillotten en papierhulzen.
Voor zooveel de insecten niet aan spelden worden gestoken, is
het veelal voldoende, die, nadat zij gedood zijn, eenvoudig tusschen
een paar lagen watten (op de gegomde zijde) te ieggen; men zorge
daarbij evenwel, dat de voorwerpen vooraf goed gedroogd zijn.
Bij gebrek aan watten kan men zich ook bedienen van goed droog
uitgewasschen zaagsel, niet al te grof, maar ook liefst niet zoo fijn
als poeder. Zoowel op de watten als op het zaagsel late men enkele
druppels ereosoot of carbol-(phenyl-)zuur vloeijen, als voorzorg
tegen schimmel.
Insecten kunnen ook zeer goed, luchtig in papier gepakt , worden
bewaard en verzonden; vlinders in papillotten, andere insecten in
daartoe vooraf gereed gemaakte papieren hulzen, dit laatste vooral
voor kleine en teedere voorwerpen. Reeds gedurende of dadelijk na
de excursie, terwijl de insecten nog in weeken toestand zijn, kan
die inpakking in papier geschieden.
De papieren hulzen vervaardigt men door een stukje gewoon
post- of schrijfpapier om een rond staafje, b. v. een potlood, te
rollen, vervolgens aan het eene einde digt te vouwen en dan het
staafje er uit te trekken. Zij dienen geëvenredigd te zijn aan het
dier, opdat het niet te zeer gedrukt wordt en tevens er niet zoo
(e HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ.
ruim in ligt, dat het veel heen en weêr kan schudden. Het insect
moet met den kop naar voren in de huls worden geschoven, op-
dat de sprieten en pooten zich plat tegen het ligchaam voegen,
waarna ook het andere eind der huls wordt digtgevouwen. Het
komt er nu maar op aan, om de ingepakte voorwerpen goed te
droogen. Voor de meesten zal dit geen bezwaar opleveren, en zal
een goed droog lokaal of anders de zonnewarmte daarvoor geheel
voldoende zijn. Voor zeer groote soorten alleen is het droogen in
of bij een oven aan te raden, waarbij — dit spreekt van zelf —
moet gezorgd worden dat er geen de minste verschroeijing kan
plaats vinden.
S 8. Aantal exemplaren van dezelfde soort.
Menig entomoloog zal bij de studie onzer inlandsche insecten
hebben bemerkt, dat het verzamelen van een groot aantal exem-
plaren eener gewone soort soms verrassende uitkomsten geeft. Niet
alleen komen daardoor vroeger onbekende verscheidenheden voor
den dag, maar dikwijls ook gebeurt het, dat onder de vele bijeen-
gebragte voorwerpen nog eene andere, zeer verwante en zeldzamer
soort schuilt, die eerst bij later naauwkeurig onderzoek als zoodanig
wordt herkend. Bovendien zijn onder de insecten vele groepen,
waarvan de soorten , oppervlakkig gezien , zoo op elkander gelijken,
dat zij allen dezelfde schijnen te zijn, terwijl eene aandachtige
beschouwing met de loupe toch duidelijke soortverschillen aan het
licht brengt. Ook leveren de insecten tallooze voorbeelden van
mimicry, d. i. van soorten, die in uiterlijken vorm, kleur en tee-
kening overeenstemmen , maar niettemin door bepaalde kenmerken
zoo onderscheiden zijn, dat zij zelfs in zeer uiteenloopende groepen
thuis behooren.
Uit dit alles volgt, dat het verzamelen van een groot aantal
exemplaren van dezelfde soort in vele gevallen zeer wenschelijk
kan zijn. Men raadplege daarbij echter zijn gezond verstand, en
de ondervinding, die ook in deze de beste leermeesteres is, zal
hier wel den weg wijzen.
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. CI
S 9. Resultaten van specialisten.
Het is gebleken, dat bij het verzamelen van insecten steeds de
beste uitkomsten worden verkregen door de specialisten d. i. door
hen, die zich slechts tot eene enkele insecten-orde of zelfs tot eene
enkele familie bepalen; hun oog ziet veel scherper en hunne
ervaring weet dadelijk de zeldzame en daardoor meer belangrijke
voorwerpen te onderscheiden. Daarentegen brengen zij, die alles
te gelijk willen omvatten, gewoonlijk niet veel anders bijeen dan
de meest gewone en bekende soorten. Aan de zucht om van alles
te verzamelen, is het voorzeker toe te schrijven, dat wij zoo vaak
uit verre gewesten collectien ontvangen, die de insecten-fauna der
streek slechts zeer oppervlakkig leeren kennen.
Voor het geval dat een specialist in een of ander deel der ento-
mologie in den vreemde mogt wenschen werkzaam te zijn, dan zij
hem den raad gegeven specialist te blijven: hi) zal er zich
wel bij bevinden en der wetenschap grootere diensten kunnen be-
wijzen dan wanneer hij zich van zijne meer beperkte studie afwendt
en zich op een meer algemeen terrein gaat bewegen. Dit sluit
evenwel niet geheel uit, dat hij zich niet nu of dan zou kunnen
bezig houden met het bijeenbrengen van andere insecten dan die
waarvan hij eene bepaalde studie maakt. Somtijds zelfs zal hem
dit niet moeijelijk vallen; een Lepidopteroloog b. v. zal alligt ook
Libelluliden in zijn net kunnen vangen; iemand, die zich enkel
met Coleoptera bemoeit, zal onder het zoeken vrij gemakkelijk ook
spinnen en wantsen kunnen medenemen, enz.
In den regel evenwel zijn degenen, die insecten uit verre ge-
westen overzenden, geen specialisten. Zij zullen er op uit zijn,
om van alles te gelijk te verzamelen, waartoe vooral in tropische
landen aanleiding bestaat door den grooten insecten-rijkdom dien
zij er ontmoeten. Hun zij aanbevolen zich ook eenigszins te be-
perken en liever, naar tijd en gelegenheid, nu op het eene, dan
op het andere uit te gaan; zij behoeven zich dan op hunne excursien
niet te overladen met de meest verschillende gereedschappen en
benoodigdheden, die toch onmogelijk allen te gelijk kunnen worden
CIT HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN , ENZ,
in het werk gesteld. Door zich telkens een tijd lang meer uitslui-
tend bezig te houden met eene enkele insecten-orde of eene bijzondere
groep, waaraan zij dan meer bepaalde aandacht kunnen wijden,
bestaat er de meeste kans om voorwerpen van wetenschappelijke
waarde bijeen te brengen.
S. 10. Aanteekening van vindplaats, tijd enz.
Voor de wetenschappelijke bearbeiding van eene insecten-collectie
is de kennis der vindplaatsen van veel belang. In verband tot de
geographische verspreiding der soorten, is het b. v. niet onverschillig
of de exemplaren zijn gevangen op Java dan wel op een der
andere eilanden van den Oost-Indischen archipel, zelfs in welk
gedeelte dier eilanden, en voor zoover zij uit bergachtige streken
afkomstig zijn, op welke hoogte boven de oppervlakte der zee zij
zijn aangetroffen. Hoe naauwkeuriger dit alles wordt aangeduid,
des te meer zal de collectie voor de wetenschap van waarde zijn.
Ook kan het van nut zijn, bij de over te zenden insecten den
dag of althans de maand der vangst aan te teekenen, alsmede,
waar dit te pas komt, of de soort zich in vele exemplaren voor-
deed, ten einde daaruit een en ander omtrent tijd en wijze van
verschijnen te kunnen afleiden.
Overigens zijn aanteekeningen omtrent de leefwijze, metamor-
phose enz. altijd welkom, zoo ook omtrent punten, die alleen aan
het levende dier te zien zijn, als b. v. de kleur en teekening,
daar waar deze zeer vergankelijk zijn; men denke hier aan Ortho-
ptera, Libelluliden, de oogen van sommige vliegen enz.
§ 14. Inpakking en verzending.
Hieromtrent zij nog het volgende opgemerkt.
Voor zoover de dieren reeds aan spelden zijn gestoken, moeten
deze niet anders dan in doozen met een’ bodem van kurk, turf-
plaat of soortgelijke weeke stof, stevig worden vastgestoken, en wel
zoodanig dat nergens de voorwerpen elkander aanraken. Een zeer
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. CTIT
voornaam vereischte is, dat de insecten, als zij worden ingepakt
en verzonden, volkomen droog zijn en geheel vrij van alle motten,
Anthreniden, Psociden en dergelijken. Een stukje kamfer in elke
doos is daartegen nog het beste behoedmiddel, maar het dient op
eene of andere wijze daarin zóó te worden bevestigd, dat het niet
heen en weder kan rollen. Overigens moeten de doozen goed ge-
sloten zijn, ’t zij door de randen digt te plakken of althans door
de doozen in papier te wikkelen.
Is de collectie gereed voor de verzending, dan zijn nog voorzorgen
noodig, om haar voor stooten te bewaren , waardoor de voorwerpen
op de reis zouden losraken en breken. Daartoe moeten de doozen
in eene andere grootere doos of kistje worden geplaatst, en de
aan alle zijden overblijvende ruimten met eene veerkrachtige
zelfstandigheid, zooals zeegras, watten of desnoods papiersnippers
worden aangevuld, doch zonder die te vast aan te drukken. In-
zonderheid wordt deze voorzorg vereischt voor de aan spelden
gestoken insecten.
Na al hetgeen hiervoren meer in ’t algemeen is gezegd, mogen
nu eenige aanwijzingen volgen met betrekking tot de verschillende
insecten-orden ieder op zich zelve.
I. COLEOPTERA.
Het is niet voldoende de kevers te verzamelen, die toevallig op
wegen of planten in ’t oog vallen, maar zooveel mogelijk dienen
zij in hunne schuilhoeken en gewoon verblijf te worden opgezocht.
Het afkloppen van struiken en heesters met een’ stok boven eene
omgekeerde parapluie, zoowel als het opligten van steenen, geeft
meestal goede resultaten. Met een stevig mes kan boomschors
worden afgepeld en kunnen de dan voor den dag komende dieren
in een daaronder gehouden zak (§ 3 n°. 7) worden opgevangen.
Insnijdingen in boomstammen, — vele kevers toch azen op het
dan uitvloeijende sap, — kunnen dikwijls wat goeds ople-
veren ; evenzoo het doorzoeken van vogelnesten en vooral van
CIV HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ,
paddestoelen. Door meststoffen met een’ stok om te keeren en de
zich daaronder bevindende aarde na te zien, zullen vele Copro-
phagen voor den dag komen, die anders niet ligt kunnen worden
bemagtigd. Als de gelegenheid zich daartoe aanbiedt, kan het
zoeken aan doode vogels of kleinere zoogdieren enz. vele daarin
huizende kevers opleveren; een dooden vogel schudt men het best
uit boven een linnen zak. Het nazien van omgewaaide of gevelde,
half vergane boomstammen bezorgt meestal een rijken buit. Onge-
twijfeld zal die, vooral in de tropen, ook worden verkregen, door
flesschen met dierlijke overblijfselen gevuld, aan boomtakken op te
hangen of gedeeltelijk in den grond te begraven; na korten tijd
zullen zich daarin een aantal insecten bevinden, die van rottende
dierlijke stoffen leven. Als een eenvoudig middel om Microcoleoptera
te verzamelen is aan te bevelen om een tot een bal ineengefrom-
meld stuk papier tusschen gras en struiken neder te leggen en dit
later weder na te zien; het blijkt dan dat soms zeldzame soorten
tusschen de plooijen en reten zijn gekropen.
Vooral dient ook niet verzuimd te worden het zoeken in water,
hetzij door met het net daarin te visschen of door het uithalen
van wier en allerlei drijvende planten.
Bekend is het, dat ’s avonds in openstaande huizen vele nachtelijke
insecten op het lamplicht komen aanvliegen. Daaronder bevinden
zich niet zelden ook Coleoptera en soms soorten, die men overdag
en buiten te vergeefs zou zoeken. Een wit tafelkleed is daarbij
zeer dienstig om de voorwerpen te onderscheiden en de bruikbare
exemplaren uit te zoeken.
Vele Coleoptera laten zich vangen met het sleepnet (zie hiervoren
$ 3 n°. 3). Om met dat net te werken, moet het met de opening
naar voren in verticalen stand over de planten worden gesleept,
alsof men aan het maaijen ware. De slagen moeten vrij krachtig
‘zijn, opdat de insecten van de planten loslaten en in den zak vallen.
Er dient niet te lang achtereen te worden gesleept, omdat anders
de massa te groot wordt om het bruikbare er uit te nemen en op te
bergen. Het sleepen over doornige planten moet worden vermeden,
omdat daardoor het net blijft haken en gevaar loopt van te scheuren.
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. CV
Vooral voor het verzamelen van kleinere Coleoptera kan gebruik
worden gemaakt van de zeef ($ 3 n°. 5). Nadat men, door het
zeeftoestel goed te schudden, een aantal insecten in den daaronder
geplaatsten zak heeft opgevangen, of wel den aldus gevulden zak
slijf digt gebonden meé naar huis heeft genomen, kan men dien
ledigen in eene groote glazen bokaal, die weder met papier of op
andere wijze tijdelijk wordt afgesloten. Het uitzoeken dient met
kleine hoeveelheden te gelijk te geschieden, welke op een blad
papier worden nedergelegd. Door daarop een mondvol tabaksrook
te blazen, vertoonen zich allerlei kleine insecten en niet het minst
torretjes, die trachten weg te loopen, maar met een vochtigen
vinger of met de punt van een vochtig penseel gemakkelijk worden
opgenomen en in cylinderfleschjes of het wijdmondige fleschje (§ 3
n°. 11 en 12) kunnen worden opgeborgen.
Door het gebruik van het zeeftoestel kunnen ook mierennesten
worden onderzocht. Dit is zelfs zeer aan te bevelen, om de daarin
levende myrmecophilen te bemagtigen; het zijn bijna allen soorten,
die zich uitsluitend daarin bevinden en van elders nooit verkregen
worden.
Wil men op eene excursie sommige gevangen Coleoptera dadelijk
aan de speld steken, dan dient daarvoor de doos van Mik (zie
blz. xev). De speld moet altijd door het regter dekschild worden
gestoken. Verdere preparatie is geheel overbodig.
Voor Coleoptera, die in den vreemde worden verzameld met
het doel om ze naar Europa te zenden, is het evenwel volstrekt
geen vereischte ze aan spelden te steken. Zij kunnen, na gedood
en gedroogd te zijn, eenvoudig tusschen watten worden gelegd.
Tot dat einde worden zij reeds op de wandeling in de hierboven
bedoelde fleschjes geborgen. Daarbij dienen echter de grootere soorten
van de kleinere afgescheiden te blijven, omdat anders deze laatsten
gevaar loopen van te worden vernield.
Il. ORTHOPTER A.
Daar onder de Orthoptera, vooral in tropische gewesten, vele
CVI HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ.
groote soorten voorkomen, is het niet aan te raden deze insecten
aan spelden te steken. Zij nemen dan in de doozen te veel ruimte
in, terwijl bovendien, als soms een voorwerp losraakt, ongetwijfeld
eene groote verwoesting in de doos zou worden aangerigt. Wil
men echter dadelijk overgaan tot het gebruik van spelden, dan
moeten deze midden door den thorax worden gestoken, en dient
er goed voor gezorgd te worden, dat zij stevig in den bodem
worden gestoken.
Op de excursie is het welligt het gemakkelijkst deze dieren in
eene flesch met spiritus te werpen, doch alleen als een middel
om ze te dooden, geenszins om ze daarin te bewaren. Thuis
gekomen, hale men ze er spoedig weer uit, om ze, na goed ge-
droogd te zijn, even als hiervoren voor de Coleoptera is aange-
geven, eenvoudig tusschen watten te leggen.
Ofschoon onder de exotische Orthoptera vele groote soorten voor-
komen, moeten zij toch met de meeste voorzigtigheid worden behan-
deld , omdat de pooten en bij de langsprietigen (Blattidae, Locustidae
enz.) ook de sprieten zeer breekbaar zijn. Geene insecten zijn in
gedroogden staat meer onderhevig aan vernieling door Anthreniden
en andere roof-insecten, dan juist de Orthoptera; het is dus hier
inzonderheid zaak , bij tijdelijke bewaring, ze in goed gesloten doozen
te plaatsen, en door bijvoeging van carbol-zuur of iets dergelijks,
al wat ten hunnen koste leeft te dooden.
Bij de Orthoptera gebeurt het zeer dikwijls, dat, niettegenstaande
alle voorzorgen, de teekening en kleuren na den dood sterk ont-
aarden, ja geheel onkenbaar worden. Om die reden zijn aan-
teekeningen deswege, aan de levende dieren ontleend, altijd zeer
welkom.
Ill HEMIPTERA.
In deze insecten-orde zijn dieren vereenigd, die in habitus zeer
uiteenloopen en daarom ook eene verschillende behandeling ver-
eischen. De Hemiptera omvatten twee groote afdeelingen: 1°. de
Hemiptera Heteroptera, de land- en waterwantsen bevattende;
on
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. CVII
en 2°. de Hemiptera Homoptera, die weder onderscheiden worden
in de Auchenorhyncha of Cicaden-achtigen (b. v. onze schuimdiertjes ,
de Lantaarndragers en de eigenlijke Cicaden) en de Sternorhyncha,
waartoe de Psylliden, Aphiden en Cocciden behooren.
Op de Hemiptera Heteroptera is in de hoofdzaak toepasselijk Al
wat hiervoren omtrent het verzamelen van Coleoptera is gezegd.
Voor het vangen van wantsen kan met goed gevolg van het zeef-
toestel worden gebruik gemaakt; en ook hier zal het doorzoeken
van mierennesten van groot nut zijn, om verscheidene zeldzame
en merkwaardige myrmecophilen onder de wantsjes te leeren kennen.
Onder boomschors vindt men, althans bij ons, de platgedrukte
Aradiden en verscheidene kleine Anthocoriden. Het afkloppen van
takken en struiken boven eene omgekeerde parapluie en het gebruik
van het sleepnet zijn voor het vangen van Hemiptera niet minder
geschikt dan voor Coleoptera. Evenzeer zijn met het waternet ver-
scheidene in het water levende wantsen (Ranatra, Corixa, Notonecta)
te bemagtigen , zoomede de op de watervlakte als schaatsenrijdende
Hydrodromicae. Door Dr. G. von Horvath !) wordt als eene doel-
matige jagt-methode voor Hemiptera aangegeven het uitspreiden,
op grasrijke plekken, van een linnen doek van ongeveer een vier-
kanten meter. Door op den daaromheen liggenden bodem te slaan ,
springen en vliegen vele Capsiden en andere wantsjes op het witte
kleed, waar zij dan gemakkelijk met de hand, of als het kleine
teedere soorten zijn, door middel van een cylinderfleschje worden
gevangen.
De gevangen wantsen kunnen in den regel worden behandeld
als de Coleoptera. Over ’t algemeen zijn zij echter zwakker gebouwd ;
zij moeten daarom, en vooral de kleinere soorten, veel omzigtiger
worden aangevat, ten einde de pooten en sprieten niet te breken
of het ligchaam niet op eenigerhande wijs te beschadigen.
Spiritus-exemplaren, inzonderheid van licht gekleurde (gele of
groene) soorten, zijn meestal geheel onbruikbaar; ook behaarde en
beschubde wantsen worden in spiritus bedorven; alleen voor groote
1) Entomol. Nachrichten, IV (1878) blz. 100,
CVIII HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ.
en donker gekleurde soorten is de spiritus minder schadelijk,
ofschoon ook voor deze de drooge methode altijd de voorkeur
verdient.
Wil men de gevangen wantsen dadelijk aan de speld steken,
dan moet dit niet geschieden door den thorax en nog minder door
het schildje, maar in de achterhelft van den regtervleugel, zoodat
de speld even voor of achter de inwrichting der achterpooten uit-
komt. Eene collectie wantsen is evenwel veel gemakkelijker en
beknopter te bewaren en te verzenden, wanneer de voorwerpen
nog niet aan spelden zijn gestoken. De grootere soorten kunnen
dan tusschen watten worden gelegd; de kleinere worden beter be-
waard in papieren hulzen. Eene zorgvuldige drooging is hier vooral
aan te bevelen, omdat Hemiptera meestal vele vochtdeelen bevat-
ten; het is daarom ook zaak niet te veel exemplaren in de vang-
flesschen te leggen en vooraf eenige smalle strookjes vloeipapier
daarin te doen.
Wat de Hemiptera Homoptera betreft, deze zijn meerendeels
aan bepaalde planten verbonden; zij dienen dus daarop te worden
gezocht, en voor zoover dit mogelijk is, houde men zorgvuldige
aanteekening van de plant, waarop zij wonen. Bij het uitspreiden
van een doek en het slaan op den bodem, zooals hierboven
is aangegeven, komen veeltijds ook kleinere Cicadinen voor
den dag.
Voor het verzamelen van bladluizen (Aphiden) zijn door J. Lich-
tenstein , die daarin van ondervinding kan spreken, zeer doeltreffende
aanwijzingen gegeven. Voor zoover deze diertjes gallen aan de
planten veroorzaken, laten zij zich vrij gemakkelijk vinden, maar
andere soorten, die dit niet doen, ontsnappen aan het oog door
hare kleinheid en door hare kleur, die veeltijds overeenkomt met
de plant waarop zij leven. Deze kunnen evenwel spoedig ontdekt
worden, als men op eenige plant mieren ziet loopen, die zich dan
bijna altijd naar eene plek zullen begeven, welke door bladluizen
is bezet, omdat zij uiterst begeerig zijn naar het honigsap, dat de
bladluizen bevatten en rondom zich verspreiden. Evenzoo kunnen
de soorten van het vliegengeslacht Syrphus, die in larvenstaat op
aen
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. CIX
bladluizen azen, den weg wijzen, om zelfs de kleinste soorten in
hare verborgen schuilhoeken op lage planten op te sporen |).
Bij de Hemiptera Homoptera geschiedt het doorsteken met de
speld midden door den thorax; de zeer kleine soorten, zooals
Aphiden en Cocciden, kunnen wel niet anders dan met zilver- of
platina-draad worden doorstoken. Voor deze diertjes is het zelfs
aan te raden, om dit dadelijk te doen, ten einde gave exemplaren
te verkrijgen; want het doorsteken van teedere voorwerpen, als zij
gedroogd zijn, ook al worden zij naderhand weer opgeweekt , levert
eigenaardige moeijelijkheden op. Uitspannen der vleugels behoeft
daarbij echter niet te geschieden, mits slechts gezorgd worde, de
vleugels zoo te plaatsen, dat het aderbeloop gemakkelijk met de
loupe kan worden gezien. De grootere Cicaden alsmede de Fulgoriden
of Lantaarndragers kunnen echter zeer goed tusschen watten wor-
den gelegd, terwijl de kleinere, als ze niet aanstonds aan metaal-
draad worden gestoken, in papierhulzen kunnen worden geschoven.
Wat hierboven voor de wantsen omtrent het droogen is gezegd ,
geldt niet minder voor de Homoptera.
IV. NEUROPTERA ?).
Ook hier zijn zeer verschillende dieren in ééne orde bij elkander
gevoegd.
De grootere Libelluliden zijn in den regel wel niet anders dan
in het vlindernet te vangen. Zij zijn, omdat de larven in het water
leven, het meest in waterrijke streken te vinden; doch bij hunne
krachtige vlugt maken zij dikwijls verre togten, waardoor zij soms
ook op grooten afstand van eenig water voorkomen. Schaduwrijke
bosschen en rotswanden zijn voor de grootere soorten, welige gras-
plekken voor de kleinere (de Agrioniden) gewoonlijk goede jagt-
velden. Grootere Libelluliden hebben de gewoonte dikwijls op
1) Zie voor verdere bijzonderheden: J. Lichtenstein, Chasse et Collection des
Pucerons, in Tüjdsehr. v. Entomol. XXIII blz. 152.
2) Het meeste van hetgeen omtrent deze orde wordt gezegd, is ontleend aan
een werkje van R. Mac Lachlan, Jnstructions for the collection and preservation
of Newropterous Insects. London 1873.
CX HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ.
dezelfde plek terug te keeren; men vermoeije zich daarom niet
met deze dieren na te jagen, wat bij hunne snelle vlugt toch
meestal te vergeefs zal zijn. Daar vele soorten een geruimen tijd
(soms verscheidene dagen) na het uitkomen uit de pop noodig
hebben om in volle kleurenpracht te verschijnen, dient men zich
toe te leggen om geheel rijpe exemplaren te verkrijgen; de nog
niet volkomen gekleurde voorwerpen laten zich meestal aan hunne
zwakkere vlugt herkennen.
Op de excursie kunnen de gevangen Libeliuliden gemakkelijk wor-
den opgeborgen, zonder dat ze reeds dadelijk met eene speld worden
doorstoken, door de vleugels plat op den bodem der doos te leggen
en met een of twee papierstrookjes te bedekken, wier uiteinden
stevig met spelden worden bevestigd. Alleen moeten de dieren
elkander niet met den mond of de pooten kunnen bereiken, het-
geen beschadiging kan ten gevolge hebben.
Bij deze buitengewoon slanklijvige insecten is het abdomen zeer
onderhevig aan gedeeltelijke afbreking; terwijl ook de kop slechts
door eene korte en zeer dunne buis aan den thorax is verbonden,
waardoor hij gemakkelijk ronddraait en bij gedroogde exemplaren
ligt afbreekt. Als de kop scheef staat of het onderstboven is gekeerd,
kan hij alleen bij nog weeke exemplaren, — en dan nog met de
meeste voorzigtigheid, — worden regt gezet. Om het breken van
het achterlijf te voorkomen, kan, voor zoover het Agrioniden
betreft, een stukje van een stevig paardenhaar in het onderste
gedeelte van den thorax worden gestoken en behendig midden door
het achterlijf worden voortgestuwd tot aan of digt bij het einde,
doeh zonder daar naar buiten te worden gebragt; het uitstekende
eindje paardenhaar aan den thorax wordt daarna met een fijn
schaartje afgeknipt. Bij grootere-soorten kan het paardenhaar worden
vervangen door een stukje van een gedroogden grasstengel, dat
tevens dienen kan, door het heen en weder te schuiven, om
het lijf min of meer van de ingewanden te zuiveren, waardoor
het behoud der natuurlijke kleur wordt bevorderd; het spreekt
van zelf dat daarna een nieuw en droog stukje grashalm in
het achterlijf moet worden gebragt om er in te blijven. Voor
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. CXT
zeer groote en breedlijvige Libelluliden is het, ter bewaring der
kleuren, aan te raden om zooveel mogelijk de ingewanden te ver-
wijderen; dit kan geschieden door met een fijn schaartje eene
insnijding te maken langs de huidachtige ondervlakte van het achter-
lijf, en dan de inwendige deelen met een dotje watten weg te
nemen en een nieuw dotje watten. (liefst witte) daarvoor in de
plaats te stellen, dit laatste echter in geringe hoeveelheid, om het
achterlijf niet onnatuurlijk te doen uitzetten. Bij al deze bewer-
kingen dient te worden zorg gedragen , dat het uiteinde des achterlijfs
en de genitaal-deelen onaangeroerd blijven, omdat hieraan goede
kenmerken voor de geslachten en soorten worden ontleend. Dat
de bewerking niet anders dan aan pas gedoode en dus nog geheel
weeke exemplaren kan geschieden, behoeft wel niet te worden
gezegd. |
De Libelluliden kunnen overigens het best worden overgezonden
in papillotten, op de wijze zooals hierna voor de Lepidoptera wordt
vermeld, mits worde zorg gedragen dat zij goed droog zijn.
Dezelfde wijze van behandeling, ook wat betreft de toebereiding
van het achterlijf, kan worden toegepast op Myrmeleoniden, wier
larven echter niet in het water leven, maar in het zand kuilen
graven, waarin zij op de daarin vallende mieren en andere kleine
insecten azen.
Het is bekend, dat bij de Termitiden of witte mieren, behalve
de gewone sexuële verschillen, nog bijzondere vormen voorkomen,
als soldaten, arbeiders enz. Het is daarom van belang om al deze
vormen uit hetzelfde nest bijeen te zamelen. Deze dieren kunnen,
na gedroogd te zijn, tusschen watten of in papierhulzen worden
verzonden. Gevleugelde exemplaren moeten met veel voorzigtigheid
worden behandeld , omdat de vleugels zeer ligt afvallen. De bevruchte
wijfjes, wier achterlijf op verbazende wijze is opgezwollen, kunnen
niet wel anders dan in spiritus worden bewaard.
De meestal zeer kleine Psociden, waarvan velen ongevleugeld
(nog in larventoestand?) zijn, worden vooral op boomstammen of in half
vermolmd hout gevonden ; door de boomtakken, inzonderheid van den-
nen en ander naaldhout, te slaan boven eene omgekeerde parapluie
CXII HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ.
of een groot net, kan men zeker zijn er in overvloed te vinden.
De exotische soorten dezer familie zijn nog zeer weinig bekend en
daarom bijzonder gewenscht. Wanneer zij niet aan spelden ot
metaaldraad worden gestoken, hetgeen voor deze diertjes wel het
meest is aan te bevelen, kunnen zij in kleine papierhulzen worden
verzonden.
De Perliden worden aan de oevers van snelvlietende beeken en
in ’t algemeen bij water aangetroffen. Meerendeels hebben zij aan
het eind des achterlijfs lange en dunne, draadvormige ademhalings-
buizen, die zeer ligt afbreken, zooals trouwens al hunne ledematen
uiterst broos en zwak zijn. Ook voor deze is de verzending in
papierhulzen het beste middel om ze gaaf te bewaren, tenzij men
de gelegenheid hebbe ze dadelijk aan spelden te steken en de vleugels
uit te zetten, in welk geval in ’t bijzonder de zeer teedere achter-
vleugels voorzigtig dienen te worden behandeld.
Het doorsteken met de speld moet bij deze dieren, gelijk in ’t
algemeen bij alle Neuroptera, midden door den thorax geschieden.
Raphidien (die echter alleen in de gematigde luchtstreken voor-
komen), Ascalaphiden (zeer verwant aan de Myrmeleoniden, en even
als deze zandige streken bewonende, doch door de lange geknopte
sprieten onderscheiden), Nemopteriden (met korte en breede voor-
vleugels en buitengewoon lange en smalle ondervleugels), Panorpiden
(met schorpioenachtig gevormd achterlijf), Mantispiden (wier lar-
ven in spinnen- en wespennesten huizen) en Hemerobiden (de
bekende goudoogige gaasvliegen) kunnen allen even als de Libel-
ludiden in papillotten of papierhulzen worden bewaard en verzonden.
Bij de Ascalaphiden en andere langsprietige groepen dient vooral
gezorgd te worden, dat de sprieten gaaf blijven, bij de Nemopteriden ,
dat de lange, soms bijna lijnvormige achtervleugels niet breken.
De Trichoptera of Phryganeiden eindelijk zijn overal, in de
nabijheid van stilstaande of vlietende wateren, waarin de larven
hunne kunstmatige woningen bouwen. Daar zij krachtig vliegen,
verwijderen zij zich niet zelden van hunne geboorteplek. Naaldhout
is vooral vruchtbaar voor den verzamelaar dezer insecten. Over dag
zich verbergende, komen ze door het slaan tegen de takken te
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. CXIII
voorschijn, als wanneer zij schielijk en behendig dienen gevangen
te worden, omdat zij door hunne sluipachtige bewegingen en snelle
vlugt ligt ontsnappen, Sommige soorten evenwel vertoonen zich ook
meer bij dag en hebben zelfs de gewoonte van in den zonneschijn
te vliegen, doch verbergen zich onmiddellijk bij de geringste wind-
vlaag of bij eene korstondige voorbijtrekkende schaduw; andere
dansen in geheele zwermen, tegen de schemering, boven de op-
pervlakte des waters.
Ook deze dieren kunnen in papillotten worden gepakt of in
papierhulzen worden geschoven.
Het is van wetenschappelijk belang om zoo mogelijk ook de
huisjes der Trichoptera-larven te verzamelen, vooral als men die
soort voor soort met de imagines kan bijeenvoegen.
V. HYMENOPTERA.
Van deze insecten-orde behoeft hier weinig te worden vermeld.
De daartoe behoorende insecten worden bijna overal aangetroffen.
Wil men ze dadelijk aan spelden steken, dan geschiedt dit midden
door den thorax. Zij kunnen echter zeer goed, na gedood en gedroogd
te zijn, tusschen watten worden gelegd, de zeer kleine soorten
(sommige Ichneumoniden, Braconiden, Chalcididen, Proctotrupiden)
uitgezonderd, die beter in papierhulzen zullen bewaard blijven , en
nog beter, als zij, zoo daartoe gelegenheid bestaat, nog versch
zijnde, aan platina- of zilverdraad worden gestoken.
Bij de Tenthredinen, wier larven (op rupsen gelijkende) op be-
paalde planten leven, is het van belang om, zoo mogelijk , aantee-
kening te houden van de plant waarop zij voorkomen.
Bij die familien, waar, behalve de mannetjes en wijfjes, ook
werksters, soldaten en geslachtloozen voorkomen (Anthophila of
bijen, Diploptera of plooivleugelige wespen en Formiciden of mieren),
trachte men al deze vormen bijeen te krijgen. Dit gaat echter niet
altijd gemakkelijk, vooral wat de wijfjes betreft, die soms schaars
zijn vertegenwoordigd, gelijk wij dit b. v. zien bij onze gewone
honigbijen , waar de z. g. koningin het eenige wijfje in de geheele
8
CXIV HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ.
kolonie is. Mieren, die niet in de verschillende sexen uit de nesten
gevangen en bij elkander bewaard worden, hebben weinig of geen
waarde.
Zeer gewenscht is het, ook de zoo kunstig gemaakte bijen- en
wespennesten te verzamelen; men verzuime niet er altijd eenige
exemplaren der daarin gedoode voorwerpen bij te voegen, ten einde
later de soort te kunnen determineren. Het spreekt van zelf dat
de nesten des avonds, als de bewoners tot rust gekomen zijn en
den omtrek van het nest niet meer onveilig maken, moeten be-
magtigd worden. Nesten, onder den grond aangelegd, wordt men
tamelijk gemakkelijk meester; men giet nl. petroleum door het
vlieggat naar binnen en sluit daarna deze opening met eene graszode,
die goed vastgetrapt moet worden; den volgenden morgen vroeg,
om niet te zeer lastig gevallen te worden door bewoners, die den
nacht buiten het nest hebben doorgebragt, en die men eerst met
het kapellennet moet wegvangen, graaft men het nest met zijne
door den petroleum gedoode bewoners op. Nesten, aan boomtakken
enz. bevestigd, moeten voorzigtig door een linnen zak omgeven
worden, die daarna stevig toegebonden wordt. De bewoners moeten
daarop spoedig (ten einde het vernielen van het nest te beletten)
bv. door rook gedood worden.
VI. LEPIDOPTERA.
Hoe en waar Lepidoptera kunnen worden bemagtigd in tropische
landen, zijn punten waarover hier niet behoeft te worden uitgeweid.
Alleen zij aangestipt, dat voor het vangen van nachtvlinders stuk-
ken van zoete, geurige, liefst eenigszins overrijpe of zelfs een
weinig gistende vruchten, aan snoeren geregen en op geschikte
plekken opgehangen, goede diensten doen. Ook is door Petersen als
lokaas voor nachtvlinders aanbevolen het ophangen van half gedroogde
stinkende visschen *). Eene goede werking heeft ook het plaatsen
van eene brandende lamp voor een open venster in een vertrek
1) Een verzamelaar van Dr. Staudinger bezigde in Peru, als aanloksel, vooral
voor Geometriden, zelfs menschelijke uitwerpselen, en wel met goed gevolg.
wird
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. CXV
met witte wanden, vooral met een’ spiegel er achter, of op open
plaatsen, indien dit zonder gevaar voor roofdieren en (niet te ver-
geten!) slangen kan geschieden, op een wit laken. De op deze
wijze aangelokte vlinders moeten in grootere of kleinere doozen met
glazen bodems worden gevangen, zoo spoedig mogelijk met chloro-
form of zwavel-ether bedwelmd en verder gedood, door ze te plaatsen
in blikken doozen of groote stopflesschen , waarin zich een stuk
kamfer bevindt, waarop wat chloroform of zwavel-ether wordt
gedruppeld.
Voor het vangen van Lepidoptera bij dag mogen de volgende
opmerkingen van den heer Mr. M. G. Piepers hier eene plaats
vinden, als van iemand, die op dit punt eene veeljarige ondervin-
ding heeft opgedaan !) :
«Wanneer ik in Indie op de vlinderjagt ga, ben ik steeds voor-
zien van een net, eene groote blikken trommel, waarin twee of
drie boeken papier, een stopfleschje met wijden hals, een fleschje
met chloroform, een pincet, watten en kleinere en grootere doozen.
«Vang ik een echten dagvlinder, dan druk ik hem de borst in
en plaats hem daarna met toegeklapte vleugels tusschen de bladen
papier in de blikken doos. Vang ik een’ nachtvlinder of Hesperide,
dan doe ik twee of drie druppels chloroform op een watje en dit
in de flesch. Na twee minuten gewacht te hebben, schuif ik de
flesch onder het net, neem er de stop af en doe er den vlinder
in, wat met zekere vlugheid moet geschieden; gewoonlijk valt de
vlinder door de bedwelmende damp als door den bliksem getroffen,
terstond in de flesch, die daarop weder met de stop wordt gesloten.
Wanneer ik den vlinder nu eene minuut onbewegelijk heb zien
liggen, open ik de flesch weder, en stort er den vlinder uit;
vervolgens klap ik met behulp van het pincet de vleugels op de
wijze van die der dagvlinders achterwaarts te zamen, en plaats
1) Wat de dagvlinders aangaat, wordt ook zeer ter lezing aanbevolen het
onderhoudend geschreven, en zelfs in vreemde talen overgebragte opstel van den
heer Piepers in Tijdschr. v. Entom. dl. XIX blz. xv enz., alsmede de mededee-
lingen van den heer J. F. Snelleman, als inleiding tot Snellen’s bewerking der
op Sumatra verzamelde Lepidoptera, in Midden-Sumatra. Reizen en ontdekkingen
der Sumatra-expeditie Al. IV. 1 blz. 1—9.
CXVI HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ.
hem dan met toegeklapte vleugels in de blikken doos, onder ver-
scheidene lagen papier.
« Wanneer de vlinders zoo tusschen het papier beklemd blijven,
kunnen zij zich, ook al zijn ze nog levend, niet beschadigen.
«Te huis gekomen, doe ik in de blikken doos een groot stuk
kamfer en plaats dan de doos in de brandende zonnestralen. Na
eenige uren zijn de vlinders dan zeker dood. Nu neem ik ze van
tusschen de bladen papier uit en leg ze boven op het papier, omdat
bij het droogen anders de zwaarte van het papier de nog vochtige
ligchamen te veel zou platdrukken. Zoo wordt de doos met de
vlinders en de kamfer ongeveer eene week lang dagelijks zooveel
mogelijk aan den brandenden zonneschijn blootgesteld, waarna de
vlinders in papillotten gevouwen kunnen worden. Ik bewaar ze
nu het best in goed sluitende groote stopflesschen met kamfer,
welke ik in den droogen tijd een paar malen ’s weeks en in den
regentijd zooveel mogelijk in de zon zet, de stop op een kiertje
geopend, opdat alle waterdamp uit de flesch kunne ontsnappen.
Ter venzending pak ik ze in blikken doozen, welke worden digt-
gesoldeerd, waartoe ik liefst drooge en zonnige dagen uitkies.
cKleine vlindertjes doe ik in doosjes, waarin zij thuis gekomen
door wat chloroform bedwelmd worden. Dan prik ik ze op en zet
ze in daarvoor geschikte doozen met bijvoeging van kamfer, welke
doozen vervolgens in den droogen tijd ongeveer viermaal ’s weeks
en in den regentijd zoo dikwijls mogelijk aan de zonnestralen
worden blootgesteld, en dit voortdurend tot op de verzending.
« Alleen op deze wijze kan de groote vijand, de vocht, uit de
doozen worden geweerd. Voor groote schadelijke insecten, als mieren,
kakkerlakken enz. is de kamfer een voldoend behoedmiddel. Bemerk
ik sporen van stofluisjes (Psociden) of dergelijke vijanden, dan doe
ik in de doozen eenige druppels chloroform en sluit ze goed:
spoedig zullen deze diertjes dan gedood zijn.
«Ik verzend overigens zoo dikwijls en zoo spoedig mogelijk,
doeh nimmer dan goed gedroogde exemplaren. »
Bij deze aanteekeningen van den heer Piepers kan nog worden
gevoegd, dat hij in den laatsten tijd niet alleen Hesperiden, maar
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. CXVII
ook Lycaeniden niet in het net doodkneep, maar liefst in doosjes
met glazen bodems daaruit ving. Op de jagt toch ontbreekt het
dikwijls aan gelegenheid om met de noodige bedaardheid deze kleine
dagvlinders voorzigtig de borst in te drukken, terwijl zij gewoonlijk
rustig blijven zitten in de doozen, die echter ruim genoeg moeten
zijn om er hen in te laten rondwandelen. Wil men Lycaeniden
en Hesperiden niet in papillotten verzenden, maar opsteken, dan
is het van groot belang, dat de speld regt door het midden van
den thorax worde gestoken en vooral dat men den vlinder niet
met opgeklapte vleugels late sterven. Deze moeten on-
geveer waterpas liggen en een weinig uitgespreid zijn; dit kan
worden teweeggebragt door onder het ligchaam een stukje papier
te steken, waarop de vleugels worden uitgespreid. Deze voorzorg
verzuime men ook niet bij Heterocera, en late als algemeene regel
gelden, dat nooit een vlinder, die opgestoken maar niet dadelijk
uitgezet wordt en dus later weder zal moeten worden opgeweekt,
in zijne natuurlijke rustende houding mag sterven. Zoo gestorven
vlinders leveren bij latere opweeking en uitzetting de grootste
moeijelijkheden op, ja zijn dikwijls volstrekt niet meer uit
te zetten, o. a. kleine Tineinen met lancetvormige langfranjige
vleugels. Alleen Geometriden maken hierop eene uitzondering, om-
dat deze meest met vlak liggende, half uitgebreide vleugels rusten.
Hier moet men echter weder voorkomen, dat de vleugels opklappen
of geheel naar beneden slaan, waartoe zij groote neiging hebben.
Voor kleine Pyraliden, Geometriden en Noctuinen kan men ook
het opsteken nalaten, en de vlindertjes, steeds met uitgespreide
vleugels gedroogd, losjes, maar zoo dat zij elkander niet kunnen
beschadigen, tusschen lagen watten in blikken doozen leggen.
Tot het opsteken van zeer kleine vlindertjes bezige men in de
tropen platina-draad. IJzeren spelden deugen niet, omdat zij daar
vooral te snel roesten en ook geene vertind koperen , omdat vele
soorten, inzonderheid onder de Microlepidoptera, het metaal doen
oxyderen door de vetzuren, die zich in het ligchaam bevinden.
De heer Snellen, die in de laatste jaren uitnemend gave bezen-
dingen Lepidoptera van den heer Piepers uit onze Oost-Indische
CXVIII HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ,
bezittingen ontving, geeft nog de volgende punten aan, die daarbij
worden in acht genomen.
De bezendingen geschieden in cirkelronde, blikken, met zachten
bodem bekleede doozen, 8 centim. hoog en waarvan de grootste
20 eentim. middellijn hebben; zij sluiten op de wijze van eene
gewone kartonnen doos en hebben aan de binnenzijde een met gaatjes
doorboord blikken kokertje, dat aan den zijwand is gesoldeerd, tot
boven aan den rand reikt en met kamfer wordt volgestopt. Vóór
de verzending wordt over den naad eene reep papier geplakt, niet
met stijfsel maar met vernis. Kamfer is bij ondervinding gebleken
voldoende te zijn om roof-insecten af te weren. Door Kajapoeti-olie
of karbol-zuur op de watten te laten druppelen, worden de vlin-
ders ligt bezoedeld of zelfs geheel bedorven.
Voor de papillotten bezigt de heer Piepers niet den in Engeland
gebruikelijken driekanten, maar een vierkanten vorm, als gewone
poederpapiertjes; deze is verreweg verkieslijk voor het gaaf bewaren
van sprieten en vleugelpunten.
Het is bekend, dat bijzonder gave exemplaren van vlinders
vooral ook kunnen worden verkregen door kweeking uit de rupsen.
Kweeking van insecten levert altijd eigenaardige moeïelijkheden op,
en alleen bij eene hoogst zorgvuldige behandeling bestaat er kans
op voldoende uitkomsten. Ten aanzien van dit punt is voorzeker
de ondervinding de beste leermeesteres. Slechts eenige algemeene
regelen kunnen hier worden aangegeven.
Men gebruike voor het kweeken van rupsen ruime glazen, van
boven met gaas bedekt, zoodat de dieren niet kunnen ontsnappen,
en op den bodem belegd met eene tamelijk dikke laag aarde of
zand. Het voedsel moet dikwijls, ten minste tweemaal (in de tropen
liefst drie- of viermaal) daags worden ververscht, en altijd van
dezelfde of van eene soortgelijke plant genomen, als waarop de
rupsen gevonden zijn. Telkens moeten daarbij zooveel mogelijk ,
tegelijk met de verdroogde bladeren, ook de uitwerpselen worden
verwijderd. Men rake de rupsen zoo min mogelijk met de vingers
aan, vooral niet als zij in de periode van vervelling verkeeren.
De kweekglazen moeten nimmer aan een sterken zonneschijn
VAN UITLANDSCILE INSECTEN. CXIX
worden blootgesteld, maar daarentegen de bodem en het voedsel
nu en dan met eenige druppels water worden bevochtigd. Met
uitzondering van enkele soorten, die gewoon zijn in groote kolonien
te zamen te leven, plaatse men nimmer een groot aantal rupsen
in hetzelfde kweekglas, noch ook rupsen van verschillende soort,
al voeden zij zich soms met bladeren van dezelfde plant.
Bij het kweeken is het van hoog wetenschappelijk belang, eene
duidelijke en uitvoerige beschrijving te maken van de rupsen en
poppen, alsmede aanteekeningen omtrent de levenswijze, de plant
waarmede de rups zich voedt enz., alles met naauwkeurige ver-
wijzing naar de vlindersoort waarop het betrekking heeft. Is men
in de gelegenheid dit een en ander met getrouwe afbeeldingen op
te helderen, dan wordt de waarde er van niet weinig verhoogd.
Rupsen kunnen niet anders worden bewaard en verzonden dan
in daartoe geschikte fleschjes met spiritus (alcohol van minstens 25
graden); evenzeer de poppen van dagvlinders; alleen de meer hard-
huidige poppen of poppenschalen van nachtvlinders, kunnen, na
gedood en gedroogd te zijn, tusschen watten worden gelegd of bij
de uitgekomen vlinders gevoegd; ook de spinsels en poppenhulsels
kunnen op laatstgemelde wijze worden ingepakt en overge-
zonden.
Dikwijls gebeurt het, dat uit de gekweekte rupsen of poppen,
in plaats van den vlinder, sluipwespen of vliegen geboren worden,
wier larven ten koste der rupsen hebben geleefd. Voor de kennis
van deze parasieten is het kweeken, zelfs van overigens zeer ge-
wone vlindersoorten , zeer aan te bevelen. Het bewaren en verzenden
van zulke parasieten zal weinig moeite kosten, doch men verzuime
daarbij niet, naauwkeurig aan te wijzen van welke vlindersoort
de parasieten afkomstig zijn.
Nog wordt opgemerkt, dat gekweekte vlinders nimmer uit de
kweekglazen moeten worden genomen , dan nadat hunne vleugels
niet alleen volkomen zijn uitgegroeid, maar ook voldoende zijn
opgestijfd, waarmede soms verscheidene uren verloopen. Dit geldt
evenzeer voor de vliegen of sluipwespen, die uit hen zijn voort-
gekomen.
CXX HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ,
VIIe DET BRE RA:
Diptera zijn bijna overal te vinden. Inzonderheid zijn schaduw-
achtige en boschrijke plaatsen, plekken waar een welige plantengroei
bestaat en oevers van stilstaande of vlietende wateren rijk aan
allerlei soorten. Zeer dikwijls vertoonen zij zich in onze woningen,
tegen onze muren en onze vensterruiten. Een groot aantal vliegen
(Syrphiden, Musciden enz.) beminnen den zonneschijn en zuigen
honig uit de bloemen; schermbloemen vooral leveren meestal een
ruimen oogst. De Oestriden, wier larven op en in grasetende zoog-
dieren (voornamelijk onze huisdieren) leven, moet men in de nabij-
heid van deze laatsten zoeken. Evenzoo dienen de Hippobosciden
of luisvliegen, die parasietisch op paarden en vogels leven, en de
Nycteribiden !), die uitsluitend op vledermuizen wonen, op hunne
voedsterdieren te worden gezocht.
De Diptera behooren onder de minst geachte insecten; zeer in
’t oog vallende soorten zijn onder hen niet te vinden. Het is waar-
schijnlijk hieraan toe te schrijven, dat uit de tropen betrekkelijk
zoo weinig uit deze insecten-orde wordt overgezonden ; want dat ook
daar een groote rijkdom zoowel van soorten als van individuen
bestaat, is zeker.
Diptera kunnen het meest geschikt gevangen worden met de
vangschaar (zie hiervoren § 3 n°. 4), indien men ze althans dadelijk
aan de speld wil steken, of anders door middel van het kleine net
(l. c. n°. 2), terwijl ook het slepen over gras en lage planten
met het sleepnet (1. c. n°. 3) met voordeel is aan te wenden.
Sommige overigens zeldzame soorten van muggen en vliegen
kunnen wel eens in aantal door kweeking worden verkregen. Er
zijn er wier larven in het merg van rietstengels leven of tusschen
de boven- en onderhuid van de bladeren van planten gangen maken
1) De insecten van deze in het systeem geheel aan het eind geplaatste familie
der Diptera zijn ongevleugeld en gelijken op luizen met lange pooten. Ook onder
de Hippobosciden komen soorten voor, die ongevleugeld zijn of slechts rudimen-
taire vleugels bezitten. Zeer enkele voorbeelden van dezen aard leveren ook
sommige andere familien der Diptera,
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. CXXI
en zich met het bladgroen voeden. Anderen, zooals de Cecidomyiden
en sommige Trypetinen, veroorzaken ziekelijke uitwassen aan be-
paalde plantendeelen; deze uitwassen worden gallen genoemd en
zijn van onderscheidene grootte en vormen. Door die gallen in
geschikte kweekglazen te doen, zooals hiervoren blz. cxvit voor de
Lepidoptera is vermeld, vooral tegen den tijd dat de daarin wonende
larven bijna volwassen zijn, kost het dikwijls weinig moeite om
de daaruit voortkomende vliegen of muggen meester te worden.
Dit kweeken levert dan merkwaardige bijdragen tot de kennis van
de levenswijze dezer dieren. Aanteekeningen, met verwijzing naar
de verkregen soorten en van de planten waarop zij gevonden werden,
zijn daarbij van hooge waarde. De larven dient men in spiritus
te bewaren, terwijl de gallen, ook in gedroogden toestand veeltijds
nog zeer kenbaar, bij de insecten zelven kunnen worden gevoegd.
Wijl de Diptera over ’t algemeen eene minder stevige chitine-
huid hebben dan de meeste andere insecten, vereischen zij bij het
vangen en bewaren meer zorg. Men vermijde daarom zooveel
mogelijk ze met de vingers aan te vatten of op te nemen, en
gebruike daartoe liever een pincet of bij kleine soorten de vochtig
gemaakte punt van een penseel. De meeste kans, om zeer gave
voorwerpen te verkrijgen, bestaat voorzeker, wanneer zij dadelijk
reeds aan doelmatige spelden of de kleinere aan zilver- of platina-
draad worden gestoken en daarna geheel geprepareerd worden over-
gezonden. Dit kan te eer geschieden, omdat het prepareren van
Diptera veel minder tijd en moeite kost dan b. v. van Lepidoptera,
waarbij de vleugels behoorlijk moeten worden uitgespreid.
Bij de Diptera moet de speld of het metaaldraad door den thorax
worden gestoken, en wel eenigszins aan de regterzijde, ten einde
de borstels van den thorax, die in vele gevallen goede kenmerken
opleveren, ten minste. aan ééne zijde geheel gaaf te laten. Het
verdere prepareren der voorwerpen, dat natuurlijk niet anders
geschieden kan dan voor zoover deze nog versch en week zijn,
behoeft slechts te bestaan in het schikken der verschillende ligchaams-
deelen, zoodanig dat deze zoo duidelijk mogelijk in hun geheel te
zien zijn; dit kan het best met de punt eener speld geschieden.
CXXIT HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ.
De zuiger en palpen, als zij te veel in de mondholte zijn terug-
getrokken, moeten wat naar voren worden gehaald; de pooten
moeten zoo worden geplaatst, dat de scheenen niet tegen de dijen
zijn gedrukt; en de mannelijke genitalien, die bij vele vliegen en
muggen sterk uitsteken en zeer zamengesteld zijn, moeten, waar
’t noodig is, van het achterlijf worden opgeheven. Als de vleugels
op elkander of plat op het achterlijf liggen, wat niet zelden ge-
beurt, dan moeten zij voorzigtig uit elkander worden gehaald,
zoodat met de loupe gemakkelijk het aderbeloop kan worden gezien ;
in geen geval echter moeten zij worden uitgespannen, want daar-
door gaat de natuurlijke habitus van het dier geheel verloren. Bij
de grootere Tipuliden, wier lange en dunne pooten zeer ligt af-
breken, kan dit alles geschieden, wanneer zij, pas gedood en nog
geheel week, in eene doos, wier bodem met eene dubbele laag
turfplaat is bekleed, zoo diep worden gestoken, dat de pooten de
oppervlakte van den bodem raken; door middel van spelden, die
evenzeer in den bodem worden vastgestoken, kan men dan aan
pooten en vleugels de gewenschte rigting geven !).
Intusschen zal niet ieder in de gelegenheid zijn, om de verzamelde
Diptera goed te prepareren. In dat geval zal men kunnen volstaan
met de grootere soorten tusschen watten, de kleinere in papier-
hulzen te leggen. Op die wijze althans zullen de voorwerpen altijd
nog eenigszins kenbaar blijven, en kan de verdere preparatie, na
opweeking, worden overgelaten aan degenen, die ze later ter weten-
schappelijke bewerking ontvangt. Spiritus-exemplaren en opgeplakte.
voorwerpen, — dit althans staat vast, —- zijn in deze insecten-
orde volstrekt onbruikbaar.
Daar bij sommige vliegen de kleur en teekening van de oogen
bijzonder merkwaardig zijn en zelfs tot kenmerken kunnen dienen,
die echter alleen aan het levende dier te zien zijn, is het zeer
wenschelijk daaromtrent aanteekeningen te maken, ’t zij op een
eliquetje bij ieder voorwerp of op eene afzonderlijke nummerlijst
1) Het reeds vroeger op blz. XCV aangehaalde opstel van Dr. J. Mik bevat voor
het prepareren van Diptera vele nuttige wenken, waarvan het voornaamste hier
kortelijk is zamengevat.
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. CXXIIT
met verwijzing naar de exemplaren. Evenzeer is het van belang
D ©
bij de parasitische soorten het voedsterdier op te geven.
VII. ARANEIDEN.
Om met goed gevolg spinnen te verzamelen, moet men ten
minste eenigszins met hare levenswijze bekend zijn. Het is volstrekt
niet voldoende, zooals sommigen plegen, ze in de webben op te
sporen. Vooreerst vindt men deze dikwerf ledig en zijn de bewoners
in den omtrek daarvan tusschen bladeren of reten verscholen; ten
anderen bestaan er talrijke soorten, die geen ware webben ver-
vaardigen, maar, min of meer verborgen, buisvormige nesten in
hoeken en gaten op en in den grond maken; vele soorten eindelijk
uit de familien der Krab-, Loop- en Springspinnen maken noch
webben noch eigenlijke nesten, maar voeren hare eijercocons in
de kaken of aan het achterlijf mede. Men moet dus niet slechts
op spinnen jagt maken aan boomen, heggen of struiken, maar ook
tegen wanden en muren, en vooral ook op en zelfs in den grond,
— hier soms met behulp eener spade of troffel, — in greppels,
onder afgevallen bladeren, achter boomschors, onder steenen, onder
mos, in kelders, grotten enz. enz. Enkele malen zoeke men ook
aan de waterkanten, tusschen het riet, op het kroos en zelfs in
het water (ofschoon daarin, — in Europa, — slechts eene enkele
soort, Argyroneta aquatica, leeft). Ook kan men spinnen, in het
voor- en najaar, zelfs in de lucht zoeken, daar verscheidene zeer
kleine, veelal nog slechts jonge spinnetjes alsdan op lange rag-
draden door de lucht zweven.
Om de onder mos en afgevallen bladeren huizende spinnen te
verzamelen, kan met goed gevolg gebruik worden gemaakt van
het zeeftoestel, hiervoren K 3 n°. 5 en op blz. cv voor de Coleoptera
vermeld. Bij het uitstorten van kleine hoeveelheden zeefsel op een
wit laken zal menige zeldzame soort worden bemagtigd.
Over ’t algemeen is het opsporen van spinnen, als men het goed
wil doen, geen gemakkelijke taak , bepaaldelijk niet voor de menig-
vuldige kleinere en zeldzame soorten, die op den grond, vooral op
CXXIV JLANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ.
heidevelden en min of meer begroeide zandbodems voorkomen en
waarvan er zoo velen tot de micro’s onder de spinnen behooren.
Men moet daartoe, op de knieën liggende en met gebukt hoofd,
werkzaam zijn. Op den grond zoekende, bij sterken zonneschijn,
doet men voorzigtig een hoofddeksel met zoogenaamde « couvrenuque »
op te zetten; in plaats daarvan kan men ook een witten zakdoek
onder den hoed vastmaken en over den nek laten afhangen. Als
men van lieverlede de goede plaatsen, waar vermoedelijk iets te
vangen is, leert onderscheiden, zeer dikwijls op meer of min be-
schaduwde en vooral eenigszins vochtige plekjes, dan is het zoeken
op den grond meestal bijzonder vruchtbaar.
Bij het vangen van spinnen dient, behoudens nader te vermel-
den uitzondering, als regel te gelden, dat zij niet met de vingers
moeten worden aangevat, niet zoozeer of alleen uit voorzorg om
niet gebeten te worden, maar vooral om de dieren niet aan de
pooten te beschadigen of op het ligchaam af te wrijven , waarvoor
zij uiterst vatbaar zijn. Het best is ze te laten loopen in kleine
kartonnen , zoogenaamde pillendoosjes, liefst met glazen dekseltjes,
waarvan men een aantal van verschillende grootte in eene tasch bij
zich dient te dragen. Het deksel moet daarbij snel worden gesloten,
doch zonder het voorwerp te beleedigen, wanneer dit tracht te
ontvlugten. Er mag echter, in den regel, slechts ééne levende spin
in ieder doosje worden geborgen , omdat anders de zwakste meestal
verslonden wordt. Sommigen hebben de gewoonte, in plaats van
doosjes, glazen buisjes met kurken stopjes te bezigen, in welke
zij, door de monding op het spinnetje te plaatsen of behendig vóór
het kopstuk der spin te brengen, deze er letterlijk «laat inloopen ».
De glazen buisjes hebben dit voordeel, dat men zijne vangst terstond
goed kan bezigtigen. Tot het medevoeren der buisjes, om die niet te
breken of te verliezen, gebruike men kleine zakportefeuilles met
lederen oogjes, in den vorm van instrument-trousses. 1)
1) Deze „trousses de tubes” zijn te verkrijgen bij Emile Deyrolle, 23, rue
de la Monnaie te Parijs. Zij zijn voorhanden in twee vormen: „en boîte’ met
12 buisjes voor f 3.—, en „en portefeuille” met 12 buisjes voor f 3.50 of met
24 buisjes voor f 4.50.
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. CXXV
Op een der boven aangegeven wijzen vangt men de spinnen,
een voor een, onmiddellijk op de vindplaatsen zelve of wel verza-
melt men haar, bij verscheidenen te gelijk, in de gewone vlinder-
of sleepnetten, uit eene omgekeerde parapluie of een onder boom
of struik uitgespreiden witten doek, waarin zij, ten gevolge van
het afkloppen der takken, naar beneden vallen.
Zeer kleine, op den grond of tegen andere voorwerpen snel
loopende spinnetjes kunnen met een even bevochtigden vingertop
worden «opgepikt» en dan dadelijk in een fleschje met spiritus
worden geworpen. Dit laatste geschiedt ook voor de geheele vangst,
wanneer men tehuis of op eene daartoe geschikte rustplaats aan-
gekomen is, ofschoon sommigen dit reeds dadelijk gedurende de
excursie doen, ten einde niet zoo vele doosjes of buisjes te behoeven
mede te nemen. Bij het openen der doosjes of buisjes en het
overstorten der spinnen in den spiritus, zijn voorzorgen noodig,
om het ontsnappen en tevens om onderlinge beschadiging te voor-
komen. Voor het eerste kan eene handenwaschkom of bij gebreke
daarvan, een soepbord worden gebezigd, welker bodem vooraf met
eene laag spiritus wordt bevochtigd, en waarboven dan de over-
storting geschiedt. Voor het tweede neme men niet een, maar een
drietal wijdmonds-stopfleschjes, waarin men, langzaam aan, de
spinnen opvolgend vallen laat, beurtelings eene in flesch 4, 2 en
3, en zulks omdat, als in dezelfde flesch terstond eene tweede
levende spin wordt geworpen, zij zich in haren doodstrijd te zeer
beschadigen, ’t geen minder of niet plaats grijpt, wanneer enkele
minuten of soms slechts seconden zijn voorbijgegaan, voldoende om
haar eerst voor goed te bedwelmen. Ook is het nuttig, zelfs noodig,
voor de grootere soorten tot na hare volledige bedwelming te wachten
of voor deze telkens een afzonderlijk fleschje van voldoenden om-
vang te bestemmen.
Aanteekeningen, met behoorlijke verwijzing naar de gevangen
exemplaren, zijn hoog noodig, zoowel omtrent de vindplaats, als
omtrent het verblijf waar en den tijd wanneer de spinnen zijn
buit gemaakt. E
Met den meesten nadruk worde hier nog aanbevolen het bezigen
CXXVI HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ.
van een geschikt conservatie-vocht, opdat niet soms alle aangewende
moeite te vergeefs zij. Honderde, ja duizende individuen , en daar-
onder zelfs uiterst belangrijke, zijn, door het niet opvolgen hier-
van, voor de wetenschap verloren gegaan. In vocht van ongenoeg-
zamen sterktegraad verweeken de spinnen zeer spoedig en laten het
achterlijf en de pooten weldra van het kopborststuk los, zoodat
men soms een, voor bestemming en bewaring ten eenenmale on-
bruikbaar mengelmoes van verminkte en halfrottende spinnen-
fragmenten «ten geschenke» ontvangt!
Velerlei proeven zijn genomen met verschillende bewaarvochten,
die werden aanbevolen en geprezen, ook om de kleuren te bewaren,
die, helaas! dikwijls voor een groot deel verloren gaan; doch geen
daarvan heeft volkomen aan het doel beantwoord. Het best heeft
men zich nog bevonden bij den reeds door Walckenaer verkozen,
zuiveren wijngeest of alcohol van 25 à 30 graden. Het gebruik
daarvan is voor spinnenverzamelaars, inzonderheid in de tropen,
eene conditio sine qui non. Daarenboven moet worden zorg gedragen,
de zoo snelle verdamping van dit vocht steeds zooveel mogelijk
tegen te gaan, door het bezigen van goed sluitende stoppen, die,
vóór de verzending, verder tegen alle evaporatie moeten beveiligd
worden, door nat opgelegde, stevig toegebonden varkensblazen,
alsmede door het digtsmeren der stopranden met eene dunne gips-
brei, of bij gebreke daarvan , met eene dikke laag Arabische gomslijm,
en zulks nadat de hals der flesch zoo droog mogelijk is afgewreven.
Bij alle zorg om het vervliegen van den wijngeest te beletten,
heeft dit meermalen toch plaats langs soms onzigtbare tusschen-
ruimten aan den hals der flesch. Bij eene lange reis kan daardoor
de spiritus derwijze verslappen, dat ontbinding of ook verdrooging
der voorwerpen intreedt. Ten einde hierin eenigermate te voorzien,
is het nuttig gebleken , den alcohol in iedere flesch met een scheutje
zuivere glycerine te bedeelen. Ook wanneer de spiritus bijna geheel
vervlogen is, blijven de spinnen dan meermalen nog in het laagje
glycerine op den bodem in goeden staat.
Ten slotte mogen nog de volgende bijzondere wenken hier hare
plaats vinden :
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. CXXVII
4°. De zeer groote spinnen der tropen, zooals de bekende
ruigharige boschspinnen , de zoogenaamde kakkerlak- of muurspinnen,
de groote langwerpige, langpootige, fraai gekleurde radspinnen, in
circulaire webben tusschen de boomen (Nephilae) enz. kunnen
niet in doosjes of buisjes, maar moeten onmiddellijk met de hand
worden gevangen. Men vatte ze daartoe, desverkiezende met hand-
schoenen, wel stevig, doch onder matigen druk, aan de rugvlakte,
niet aan den kop of de pooten aan, en verdrinke ze dadelijk in
eene daarvoor geschikte flesch met spiritus.
2°. De mannetjes der laatstgenoemde spinnen zijn nog weinig
bekend. Zij zijn buitengemeen veel kleiner en bevinden zich
soms op het ligchaam der vrouwtjes of in de nabijheid van deze,
in of bij het web.
3°. Even zeldzaam zijn ook de mannetjes der fraai gekleurde
doorn- of schulpspinnen (Gasteracanthae); men zoeke dus vlijtig
naar met de vrouwtjes overeenkomende kleinere vormen met geknopte
palpen, in de nabijheid van hare ook cirkelvormige webben.
EET AA ENA:
Acarinen of mijten zijn op alle plaatsen van organischen oor-
sprong te vinden. Onze eetwaren, liefst gedroogde of gerookte,
bevatten er gewoonlijk een aantal. Een stuk vochtige oude kaas,
oud rookvleesch of ham, vunzig geworden meel, krenten, rozijnen,
gedroogde of bedorven vruchten, rottende aardappelen, te lang
bewaarde brei van rijst of vruchtenmoes, vogeltjeszaad enz. enz.
dit alles zal hem, die naar mijten zoekt, zelden onbevredigd laten.
Deze mijten behooren allen tot de familie der Zyroglyphidae, anders
genoemd Sarcophidae detricicolae. Op haar maken andere mijten
jagt, die tot de familien der Cheyletidae en der Gamasidae behooren.
Men treft deze dan ook vrij dikwijls onder de soorten der 7yro-
glyphidae aan, doch zij leven niet van de vermelde spijzen, maar
azen op hunne natuurgenooten. Wie vogels in kooijen houdt en
bemerkt dat de vrolijke zangers, vooral ’s avonds, teekenen van
onrust geven, hij vervange het stokje waarop zij zitten, door een
CXX VIII HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ.
uitgehold vliertakje of een stukje riet of bamboes, en kloppe dit
den volgenden morgen op een schoteltje uit, dan zal hij hoogst-
waarschijnlijk mijten aantreffen van het geslacht Dermanyssus (fam.
der Gamasidae). Wie in de gelegenheid is eene doode muis te
onderzoeken, zal in de meeste gevallen zijne moeite beloond
vinden; want op muizen leven dikwijls individuen van de
geslachten Myobia, Myocoptis en Dermanyssus. In de talkkliertjes
van het gelaat, vooral bij vette menschen, woont de overigens ons
geheel onschadelijke Demodex folliculorum Owen. Tyroglyphidae en
Gamasidae vindt men verder in alle collectien van insecten en
opgezette dieren, waar niet goed voor hunne verdrijving wordt
gezorgd. Op stoffige plaatsen ziet men dikwijls kleine, op spinnetjes
gelijkende, vuurroode mijten, die verbazend snel loopen; zij be-
hooren tot de familie der Zrythracidae.
Ook buiten onze woning, in de vrije natuur, zijn vele mijten
te vinden. Tusschen het gras treft men de helroode, bruine ot
zwarte, fluweelachtige, zich vrij langzaam bewegende Trombidiidae
aan, waarvan sommigen in tropische streken wel de grootte eener
erwt bereiken. In humus en onder rottende planten kan men zeker
zijn, niet te vergeefs naar mijten te zoeken. Op boomen, heesters
en kruiden zijn aan den onderkant der bladeren dikwijls eenige
Gamasidae en Tetranychidae, en onder de schors eenige Oribatidae
te vinden. In het water of in het slib treft men evenzeer Acarinen
aan, meestal spoedig kenbaar aan hunne levendig roode, groene
of paarsche kleur; het zijn Hydrachnidae, die vrij rondzwemmen,
Limnocharidae, die in het slib kruipen, of Oribatidae, die op de
oppervlakte des waters loopen.
Parasitisch op allerlei soorten van zoogdieren en vogels, soms
ook op beschubde kruipende dieren en niet zelden op insecten, leven
de Jvodidae en eenige soorten van Gamasidae en Sarcoptidae. Bij
zoogdieren treft men ze tusschen de onderste of huidgedeelten der
haren aan, vooral achter de ooren, in den nek, den hals en de
oksels, op de borst- en buikvlakte en tusschen de pooten; men
behoeft daartoe slechts zacht door een buisje te blazen, om de
haren vaneen te doen wijken. Bij vogels zijn ze gemakkelijk te
VAN UITLANDSCHE INSECTEN. CXXIX
vinden; als een doode vogel op eene zwarte tafel of een stuk zwart
papier is gelegd, loopen na verloop van een of twee dagen alle
mijten van het voorwerp weg en kunnen met de bevochtigde punt
eener speld worden opgenomen. Bij kruipende dieren ziet men ze
op de schubben zitten of verraden zij zich als eene kleine ver-
hevenheid onder de schubben. Bij insecten vallen zij door de
lichtgele, bruine of roode kleur terstond in het oog.
Vele parasieten onder de Acarinen boren zich met hun zuig-
werktuig, dat van een groot aantal weerhaakjes is voorzien, zoo
vast in de huid van het voedsterdier, dat men ze bij het ruw
aftrekken zou beschadigen en zelfs de mond van het ligchaam kan
worden gescheiden. Een middel om ze terstond te doen loslaten,
bestaat daarin, dat men een drupje sla-olie op hen late vallen.
Om die olie weder te verwijderen, dompele men het diertje in
ether. Verzamelaars van Acarinen moeten daarom altijd een fleschje
met olie en een met ether bij de hand hebben.
Voor het verzamelen van Acarinen kunnen de buisjes dienen,
hiervoren op blz. exxıv voor de Araneiden vermeld. Voordeeliger is
het echter zich losse reageer-buisjes !) aan te schaffen, die men,
van goed sluitende kurkjes voorzien, in gewone apothekers-schuif-
doosjes tusschen watten legt. Op ieder buisje plakke men een ge-
nummerd stukje papier. Onder het vangen kan men dan, met
verwijzing naar het nummer, aanteekenen waar, waarop of waarin
de voorwerpen zijn gevonden.
De buisjes moeten gevuld zijn met alcohol van 25 à 30 graden.
Daar het hier voor een groot deel uiterst kleine wezens geldt, die
later niet anders dan voor den microscoop moeten worden gepre-
pareerd, dient de vloeistof te worden ververscht, zoodra zij eenigs-
zins troebel is geworden, hetgeen voor het laatst nog eenmaal,
vóór de verzending, moet geschieden, waarbij dan tevens de sluiting
1) Deze reageer-buisjes zijn o.a. te verkrijgen bij H. A. M. de Liefde, amanuensis
aan het Botanisch Laboratorium te Utrecht (als Agent van W. P. Stender te
Leipzig). Buisjes van 4 centim. lengte en 6 millim. wijdte kosten f 1.90 de 100
stuks, van 5 centim. lengte en 1 centim. wijdte f 1.20 de 100 stuks.
9
CXXX HANDLEIDING VOOR HET VERZAMELEN, ENZ.
der buisjes met gipsbrei of Arabische gom moet worden verzekerd,
ten einde alle evaporatie gedurende de reis te voorkomen.
Bij het ververschen van den spiritus moet worden gezorgd, —
dat spreekt van zelf, — dat de nummers der buisjes steeds in
overeenstemming blijven met de lijst der gemaakte aanteekeningen.
De grootere en stevige Acarinen, zooals Teeken en Gamasiden,
kunnen, zonder gevaar van ze te beschadigen, met een pincet
worden aangevat. Anderen, die kleiner en weeker zijn of zeer snel
loopen, moeten met de bevochtigde punt eener speld of met de
punt van een vochtig gemaakt penseel worden opgenomen, om ze
in de buisjes over te brengen. Vangt men een kever of ander
insect, met vele mijten bezet, dan is het beter, om dit in zijn
geheel, met al zijne parasieten, in spiritus te werpen, om zoo
spoedig mogelijk tot verdere vangst gereed te zijn en later alles
op zijn gemak te kunnen onderzoeken.
VERSLAG
VAN DE
ZESTIENDE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE LEIDEN,
op 14 Januarij 1883
des morgens ten 104 ure.
Voorzitter: Dr. A. W. M. van Hasselt.
Met den Voorzitter tegenwoordig de heeren: Mr. W. Albarda,
A. A. van Bemmelen, Mr. R. Th. Bijleveld, H. Bos, Jhr. Dr. Ed.
J. G. Everts, A. J. F. Fokker, G. M. de Graaf, Mr. H: W. de
Graaf, Dirk ter Haar, Mr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, J.
Jaspers Jr., Dr. F. A. Jentink, J. Kinker, Mr. A. F. A. Leesberg,
Dr. J. van Leeuwen Jr., J. W. Lodeesen, A. C. Oudemans Jsz.,
Dr. E. Piaget, C. Ritsema Cz., P. C. T. Snellen, K. N. Swierstra,
Prof. P. J. Veth, Dr. H. J. Veth en F. M. van der Wulp.
Van de heeren Mr. A. Brants, Henri W. de Graaf, F. J. M.
Heylaerts en K. Bisschop van Tuinen is berigt ontvangen, dat zij
verhinderd zijn de vergadering bij te wonen.
De Voorzitter opent de vergadering met eene korte toespraak,
waarin hij de aanwezigen welkom heet en den wensch uit, dat deze
bijeenkomst vruchtbaar moge zijn voor den bloei der entomologie.
De reeks der wetenschappelijke mededeelingen wordt geopend
door den Voorzitter, Dr. A. W. M. van Hasselt, die — naar
LO
CXXXII VERSLAG.
aanleiding van een fraai exemplaar van Galeodes (Rhax) melanus
Oliv., hem door ons geacht medelid Ritsema, ter determinatie voor
het Leidsch museum, toegezonden, — eene voordragt houdt over
de Arachniden-orde der Solifugae of Galeodidae. Na hunne soort-
bepaling, biologie, anatomie en physiologie in breede trekken te
hebben besproken, onder verwijzing naar het genoemde en twee
andere Galeodes- of Solpuga-exemplaren uit het museum, licht hij
dit onderwerp verder toe door eenige vlugtige schetsteekeningen en
een paar loupe- en handmicroscoop-preparaten. Meer in het bijzonder
vestigt hij de aandacht der Leden op den bouw en de functie van
de merkwaardige poot-aanhangsels dezer dieren in betrekking
tot hunne copulatie.
Bij deze studie heeft hij voornamelijk gebruik gemaakt van de
klassieke verhandeling met platen, door Léon Dufour in 1862 in
de Mémoires de U Institut de France uitgegeven, en dien geleerde
als een buitengewoon vurigen bewonderaar der verscheidene merk-
waardigheden van deze Arachniden leeren kennen.
Wat de histologie der gezegde aanhangsels betreft, door Dufour
als «raquettes coxales» beschreven, deelt Spreker het resultaat
mede van een door hem, onder welwillende medehulp van ons
geacht medelid, den Hoogleeraar Hoffmann, voorloopig in ’t werk
gesteld microscopisch onderzoek. Hieruit bleek reeds dadelijk, ten
duidelijkste, het bestaan van eene bepaald vezelachtige struc-
tuur en fraaije huid-textuur dezer orgaantjes, waarvan de eerste
door Dufour betwijfeld, de laatste ontkend was geworden, terwijl
in den steel der raket het voorkomen van dwarsgestreept spier-
weefsel, door Dufour vermoed, onmiskenbaar werd geconstateerd.
Omtrent hunne verrigting gaat Spreker een stap verder dan deze
Schrijver. Waar Dufour in de raketten hoofdzakelijk min of meer
erectiele (?) «organes de volupté ou de titillation » ziet, slechts
dienende bij het voorspel der copulatie, oppert Spreker het vermoeden,
dat zij welligt verder, door tijdelijke vastere aaneenstrengeling bij
d en 9, ook durante coitu, strekken kunnen, om bij deze dieren,
bij welke het ¢ geen spoor van penis bezit, eene meer directe
aanraking te weeg te brengen van de, bij beide sexen geheel
VERSLAG. CXXXIII
overeenkomstige en vlakke of horizontale, uitwendige genitaal-
spleten, aan het voorste buik-segment, juist in de onmiddellijke
nabijheid der raketten, geplaatst.
Spreker stelt zich voor, het laatste onderwerp weldra meer
uitvoerig in het Tijdschrift zelf te behandelen, waarom hier niet
in eene breedvoerige uiteenzetting van het gesprokene behoeft te
worden getreden. Alleen zij er nog bijgevoegd, dat hij er op
wees, hoe bij de Araneïden of ware Spinnen de mannetjes door
hunne zamengestelde palpen dadelijk van de wijfjes te onderscheiden
zijn; terwijl daarentegen bij de meeste andere Arachnidengroepen
het verschil tusschen de beide sexen niet aan de uitwendige ge-
slachtsopeningen te zien is, bij de Galeodes evenmin als bij de
Scorpiones.
De heer Hartogh Heys vraagt, of bij deze Arachniden ook
de mannelijke palp niet bij de copulatie zou kunnen medewerken,
naar analogie met die der ware Spinnen, volgens de voor deze
door Menge ontdekte wijze van «overdraging van het sperma» ?
Dr. van Hasselt antwoordt, dat hij bij de vele schrijvers over
Galeodes, door hem geraadpleegd, hieromtrent niets heeft aange-
troffen, doch daarop bij zijne nadere studie de opmerkzaamheid zal
vestigen. Daar echter de mannelijke palp hier, — in sterke tegen-
stelling met die der Araneïden, — volmaakt denzelfden ontleed-
kundigen bouw vertoont als de palp der vrouwelijke voorwerpen,
meent hij, reeds a priori, de geopperde nevenwerking van de
Galeodes-palp te mogen betwijfelen.
De heer Snellen brengt aan de vergadering de groete over
van den heer Heylaerts te Breda, en brengt, namens dat Lid, ter
tafel eene «8me Liste supplémentaire des Macrolépidoptères des
environs de Breda», opgaven behelzende omtrent nader aldaar
waargenomen vlinders, alsmede verschillende synonymische en andere
opmerkingen over onderscheidene soorten !).
1) De lijst enz. is als bijlage achter dit verslag gedrukt,
CXXXIV VERSLAG,
Verder deelt Spreker mede, aansluitende bij zijne aanteekening
over Prodenia littoralis Boisd. en Pr. testaceoides Guen. (zie Tijdschr.
v. Ent. XXV blz. 50) !), dat hij, overeenkomstig zijn voornemen,
aan Mr. Piepers over beide dieren heeft geschreven en van dezen
ten antwoord ontving: « Het gelukte mij, door kweeking uit het
ei, op twee der door U gestelde vragen een voldoend antwoord te
kunnen geven. Blijkens de aan de exemplaren gestoken nummers
zijn inderdaad Pr. Littoralis en testaceoides de beide sexen van
dezelfde soort. Reeds lang had ik dit om de rupsen vermoed, doch
nu is het, als boven gezegd, door kweeking uit eïjeren, eene
zekerheid voor mij geworden ».
De tweede vraag, waarop de heer Piepers doelt, had betrekking
op een vermoeden van Spreker, dat de door hem in het Tijdschr. v.
Ent. dl. XX blz. 9, pl. 1 f. 2, beschreven en afgebeelde Huproctis, —
waaraan hij den op ’s Rijks museum te Leiden door hem gevonden
naam van incomta de Haan in litt. had laten behouden, — de
man was van Eupr. flavata Cram. IV pl. 307 G. Ook dit vermoeden
werd door den heer Piepers, mede na kweeking uit het ei beves-
tigd, zoodat incomta Sn. uit de rij der soorten moet vervallen.
Voorts laat Spreker ter bezigtiging rondgaan een zeer fraai wijfje
van Cidaria fluviata Hbn., door Mr. H. W. de Graaf op 28 October
1882 bij den Haag gevangen. Deze soort, nog niet lang als inlandsch
bekend, was tot dusver slechts in Limburg gevangen (zie Snellen,
Vlinders van Nederland, Mierolepidoptera, Aanhangsel blz. 1180).
Spreker vestigt de aandacht op het vrij groote verschil tusschen
de beide sexen; de man, waarvan hij ook een exemplaar vertoont,
was dan ook langen tijd voor eene verschillende soort gehouden
onder den naam van gemmata Hbn. Fluviata is overigens, hoewel
eene zeldzame, toch eene wijdverbreide soort: zij komt volgens
Staudinger’s Catalogus in Midden- en Zuid-Europa, alsmede in
Klein-Azie en Syrie voor; Spreker bezit haar ook uit Noord- en
1) Op blz. 51 is eene kleine ongerijmdheid ontstaan door verandering van
„maakte ” (regel 10) in , maak” en van „hield” (regel 11) in „houd”. Men
gelieve dit te verbeteren
VERSLAG, CXXXV
Zuid-Amerika (Argentina), terwijl zij misschien ook wel in Afrika
en op Ceylon vliegt (zie Guenée, Uranides et Phalénites II p. 430).
Spreker vestigt op nieuw de aandacht op een structureel verschil
tusschen Vanessa Urticae en Polychloros, namelijk op de bij laatst-
genoemde soort aanwezige, doch bij de eerste ontbrekende stijve
borstelhaartjes aan de wortelhelft van den voorrand der voorvleugels.
Hij gelooft de eerste te zijn, die dit kenmerk, — waardoor zich,
behalve //. Polychloros, ook J. Antiopa en Xanthomelas van de
overige Europesche /anessa-soorten onderscheiden, — heeft ontdekt
(zie Vlinders van Nederland, Macrolepidoptera, bla. 35) en brengt
dit in herinnering naar aanleiding van eene reeks artikelen en
artikeltjes in het Engelsch Tijdschrift the Entomologist (van 1880—
81), waarin melding wordt gemaakt van het vinden eener rups
van Polychloros op brandnetelen (terwijl zij anders op olmen en
kersenboomen, soms ook op wilgen en perenboomen leeft) te mid-
den eener groote school van Urficae-rupsen. Die rups zou eenen
vlinder hebben opgeleverd, die het midden hield tusschen Urticae
en Polychloros, doch daarbij schijnt alleen op kleur en teekening
te zijn gelet: van het bovenvermelde structureel verschil tusschen
beide soorten wordt althans niet gesproken.
Eindelijk laat de heer Snellen eene doos rondgaan, waarin zich
voorwerpen bevinden van Caradrina Taravaci Hbn. en A/siues Brahm,
en wel naar aanleiding der mededeeling van den heer van Leeuwen
in de vorige wintervergadering (zie Verslag blz. cxxxrr). Deze had
van in coitu gevonden wijfjes van beide genoemde Caradrinen
eijeren verkregen, waaruit zoowel witte als bruine rupsen waren
gekomen, en aangezien nu dit kleurverschil tusschen de overigens
niet te onderscheiden rupsen van beide soorten de voornaamste
reden was, die Spreker weerhield A/sines en Taraxaci te vereenigen
(zie Vlinders van Nederland, Macrolepidoptera blz. 446), meende
de heer van Leeuwen, dat hij nu het bewijs gevonden en gele-
verd had, dat Taraxacı inderdaad geen specifieke regten bezat.
De destijds door Mr. H. W. de Graaf en Spreker gemaakte op-
merking, dat zij de door Dr. van Leeuwen ter bezigtiging gestelde
vlinders allen voor Taraxaci hielden en er zich geene enkele Alsines
CXXXVI VERSLAG.
onder bevond !), gaf aanleiding dat de redenering van den heer
van Leeuwen weder eenigszins op losse schroeven stond; doch nu
heeft Spreker in den zomer van 1882 uit drie bruine rupsen twee
typische voorwerpen van Alsines Brahm gekregen en een derde,
dat, zooals hij aantoont, juist het midden houdt tusschen deze en
den type van Tarawacı. Het eenige wat, streng genomen, nu nog
kan worden verlangd, is dat uit eijeren, gelegd door een typisch
wijfje van een der beide varieteiten, de beide vormen met over-
gangen worden gekweekt. Spreker beveelt de Lepidopterologen der
Vereeniging aan, om dit bij gelegenheid te beproeven.
De heer van der Wulp vermeldt, als aanhangsel tot zijn
werk over de Nederlandsche Diptera, eenige soorten, die tot de
daarin behandelde familien behooren en in den laatsten tijd voor
’t eerst als inlandsch zijn bekend geworden. Het zijn de volgenden:
1. Asphondylia Sarothamni Löw. In July 1882 ontdekte de
heer Brants bij Renkum de gallen aan Brem, door de larven be-
woond; hij had de goedheid aan Spreker een aantal van deze
gallen met volwassen larven en poppen te zenden, waaruit ver-
scheidene muggen zijn ontwikkeld. Volgens de schrijvers zouden de
gallen zich bevinden aan de takken van de Brem; hier waren ze
integendeel allen aan de basis der peultjes; de soort beantwoordt
overigens volkomen aan de beschrijving.
2. Platyuru tipuloides F. Een 2 van deze soort, die zich door
het aderbeloop der vleugels gemakkelijk van de reeds als inlandsch
bekende P/. laticornis F. laat onderscheiden, werd door den heer
Maurissen in July bij Maastricht gevangen.
3 Platyura fasciata Latr. De heer Snellen ving een d in Junij
bij Breda.
4. Chironomus psittacinus Meig. Van deze soort, die door de
duidelijk gebaarde voortarsen van den overigens zeer verwanten en
meer gewonen Ch. viridis Macq. verschilt, werd door Dr. Piaget
een d in Mei bij Lisse gevangen.
1) In het verslag blz. cxxxıv staat het verkeerdelijk juist andersom, dat
namelijk al de vlinders, door Dr. van Leeuwen vertoond, A/sines waren.
VERSLAG, CXXXVII
5. Aedes cinereus Meig. Twee mannetjes van deze soort werden
door den heer Piaget ten vorigen jare van zijnen voorjaarstogt in
Noordbrabant medegebragt, het eene uit het Mastbosch bij Breda,
het andere uit het Ulvenhoutsche bosch. Het genus was tot dusver
niet in Nederland aangetroffen.
6. Tipula caesia Schumm. Een ¢ in Junij te Bunde in Limburg
door den heer Maurissen gevangen.
7. Dieranota bimaculata Schumm. De heer Piaget ving deze soort
te Valkenburg in Limburg, tijdens zijn verblijf aldaar in Julij 1881 ;
tenzelfden jare had ook de heer van den Brandt een exemplaar
reeds in Maart bij Venlo opgedaan.
Op een paar uitzonderingen na, worden de genoemde soorten
ter bezigtiging rondgegeven.
Voorts herinnert de heer van der Wulp, dat hij in de Winter-
vergadering van 19 December 1880 melding maakte van een exem-
plaar van Dasypogon teutonus L., volgens opgave van ons medelid
Maurissen, door den heer Ziegler bij Maastricht gevonden. Dat deze
soort daar voorkomt, is thans op nieuw gebleken uit een voorwerp,
door den heer Maurissen zelf in den vorigen zomer aldaar gevan-
gen, en dat mede ter bezigtiging rondgaat.
Eindelijk vertoont de heer van der Wulp eene kleine glanzig
zwarte Tipulide, Psiloconopa Meigen Zett., door Dr. Piaget in
drie vrouwelijke exemplaren uit Zwitserland medegebragt. Dat dit
eene merkwaardige vondst is, laat zich begrijpen, als men in
aanmerking neemt, dat genoemde soort, die reeds in 1840 door
Zetterstedt uit noordelijk Zweden is beschreven, sedert, naar ’t
schijnt, door niemand is weergevonden. Met opzigt tot hare rang-
schikking in het systeem heerscht dientengevolge eenige onzekerheid,
die Spreker hoopt te kunnen oplossen, nu hij Psi/oconopa Meigenti
ex visu heeft leeren kennen. Het is hier de plaats niet om daar-
over uit te wijden, maar hij wenscht later in een klein artikel in
het Tijdschrift daarop terug te komen.
De heer Piaget vestigt in de eerste plaats, naar aanleiding
van een stuk in het Geneeskundig Tijdschrift voor Ned.-Iudie
CXXXVIII VERSLAG.
(n. serie dl. X afl. 6 blz. 693 en volg.), de aandacht op de ver-
giftige eigenschappen, toegeschreven aan de uitwerpselen van een
Javaansch insect. Een geval van vergiftiging te Djokjokarta, dat
nog al eenige ruchtbaarheid verkreeg, bragt den heer E. Verschoof
er toe, om de gevaarlijke zelfstandigheid, waarvan de Javanen zich
deels als geneesmiddel, deels ook voor hunne wraakoefeningen
bedienen, en die zij legén noemen, scheikundig te onderzoeken.
Zijne quantitatieve en qualitatieve analyse bragt de aanwezigheid
daarin van 12.47 percent strychnine aan het licht. Volgens het
algemeen zeggen der inboorlingen, zou deze legén niets anders zijn
dan de drekstof van eenen kever, dien zij dendang noemen. De
heer Verschoof onderwierp een zeker aantal van deze dendangs
mede aan eene scheikundige analyse, waarvan de uitslag was, dat
ook daarin het voorkomen van strychnine, hoewel in geringe hoe-
veelheid, werd geconstateerd. Cantharidine en brucine werden er niet
in gevonden, zoomin als in de legén. De hier bedoelde kever is de
bij de Coleopterologen wel bekende Epicauta ruficeps I. Ongelukkig
is de levenswijze van dit insect te weinig bekend, om zich reken-
schap te kunnen geven van de aanwezigheid van strychnine in zijne
uitwerpselen, terwijl het vreemd is dat deze gevaarlijke giftstof voor
het dier zelf niet nadeelig zou zijn. Overigens wordt genoemde
keversoort veelvuldig op Borneo aangetroffen. Spreker laat eenige
exemplaren van Epicauta ruficeps rondgaan, alsmede een klein pakje,
eene zekere hoeveelheid legén bevattende.
De heer van Hasselt meent omtrent deze mededeeling van
den heer Piaget, als daarmede in vele opzigten bekend, eene nadere
toelichting te mogen geven. Zij maakt slechts een deel uit der
oorspronkelijke verhandeling van Dr. J. Groneman over dit voor-
zeker vreemdluidende onderwerp. Deze heeft sedert een beter licht
daarover ontstoken in een later nummer van bovengenoemd Tijd-
schrift (n. serie dl. XI, afl. 3, blz. 197), nadat hij van Spreker
officieus over een en ander eenige collegiale wenken had ontvangen.
De heer Groneman neemt dáár ook nu, teregt, alles terug wat in
zijn oorspronkelijk verslag omtrent de zoogenaamde strychnine
VERSLAG. CXXXIX
houdende dendang of keverdrekstof werd gezegd. Onder den naam
van legén wordt die stof, als zoodanig, in «roko’s» !) of rolletjes,
op Java als volksgeneesmiddel uit Bandjirmasin (Borneo) ingevoerd.
Na Spreker’s uitgesproken sterken twijfel hieromtrent, en na een
hier te lande gedaan scheikundig onderzoek , waaruit tevens bleek,
dat in die zoogen. «drekstof» noch piszuur noch guanine
was bevat, verklaart Groneman thans, dat hij verpligt is aan te
nemen, dat de legén geen keverdrekstof is, maar met Spreker’s
gevoelen in te stemmen, dat op bedriegelijke wijze, onder dien
naam, het gewone blaaspijlvergift der Dajaks, hetgeen in
hoofdzaak uit Strychnos-soorten wordt bereid, door de Bandjirezen
als «geneesmiddel» (obat) wordt verkocht en uitgevoerd en dus
niets met de dendang-kevers te maken heeft.
Aangaande deze dendangs nogtans, die tot de Coleoptera-familie
der Cantharidina behooren, en die, op Spreker’s verzoek destijds
door ons medelid Ritsema als Epicauta gedetermineerd zijn, blijft
Dr. Groneman, ook in zijn tweede opstel, zijne in het eerste uit-
gesproken, op bovengezegd onderzoek van den heer Verschoof
berustende meening volhouden, dat deze kevers zelven toch, —
ofschoon in ongemeen geringere hoeveelheid, — strychnine-
houdend zijn, en dat zij waarschijnlijk, ’t zij als larve, ’t zij als
volkomen insect, uitsluitend of ten deele van strychnine-houdende
planten leven, welligt van dezelfde Strychnos-soorten , die de Dajaks
tot de bereiding der legén gebruiken.
Door die aanwezigheid van strychnine, zoowel in de legén (het
blaaspijlgift) als in de dendangs (kevers), wordt, volgens Groneman,
misschien het raadsel opgelost, waarom de eerste als drekstof van
de laatsten in den handel wordt gebragt. Spreker stelt eene andere,
niet chemische, maar medische oplossing van dit raadsel voor:
zoowel de strychnine (in de legén), als vooral het principium activum
(in de dendangs) bezitten eene deels overeenkomstige, opwekkende
werking op het ruggemerg en het zenuwstelsel der organa uropoietica
1) Professor Veth maakte de opmerking, dat „roko” beteekent eene „sigaar ”:
werkelijk hebben die rolletjes een daarmede overeenkomenden vorm.
CxL VERSLAG.
en genitalia, en zijn beiden dienvolgens, naar het blijkt, in onze
Oost-Indische bezittingen, als volks-aphrodisiaca in misbruik. Het
is welligt uit dien hoofde, dat de eerste (gemakkelijk in ruime hoe-
veelheid te verkrijgen) als afkomstig van de laatsten (die moeijelijker
in grooten getale zijn te vangen) voor grof geld worden uitgevent.
Spreker had nog aan den heer Groneman de vraag gesteld, of
de gevonden strychnine-reactie der dendangs ook eene toevallige
kon zijn, door mededeeling van de veeltijds daarmede te zamen
verkochte legen ? In zijn laatste berigt ontkent deze zulks, daar
het nader ingesteld scheikundig onderzoek van een twintigtal der-
zelfde kevers, voor jaren reeds door anderen uit Bandjirmasin
medegebragt, hetzelfde resultaat had opgeleverd. Ook langs experi-
mentelen weg heeft hij een bewijs te meer voor zijne stelling ver-
kregen, daar verscheidene dezer, ook op Java te vangen, levende
kevers hem bij aanbrenging eener betrekkelijk sterke strychnine-
oplossing in de monddeelen en zelfs bij inoculatie en injectie,
ongevoelig bleken te zijn voor dit vergift. Aan het slot zijner in
elk geval zeer belangrijke en voor de medische praktijk in Oost-
Indie hoogst nuttige mededeeling , vermeldt de heer Groneman echter
zelf nog, dat zijne proefkevers, terstond na het vangen daarop onder-
zocht, geen strychnine in hunne drekstoffen hadden opgeleverd. 1)
In de tweede plaats stelt de heer Piaget de aanwezigen in
de gelegenheid, om kennis te maken met een paar in den laatsten
tijd verschenen, uitmuntende werken over Pediculinen. Het eene
is eene dissertatie van den heer O. Stroebelt over de anatomie van
Haematopinus tenwirostris Burm.; het andere een werk van Dr. O.
Taschenberg over eenige geslachten der Mallophagen, in aansluiting
1) Wanneer Epicauta ruficeps werkelijk, zooals Dr. Groneman, op het voetspoor
van zijn scheikundigen zegsman, blijft beweren, altijd strychnine zou bevatten
in hare eigen zamenstelling, — waaromtrent nog wel eene, na uiterst zorgvuldige
afwassching te verkrijgen, bevestiging van andere chemici wenschelijk voor-
komt, — kon hij zulks alsnog zeer gemakkelijk door eene physiologische
reactie zelf nader aantoonen; hij pulverisere, na dezelfde voorbereiding, een
paar hunner gedroogde achterlijven, brenge het poeder door een klein wondje
goed onder de huid van een’ kikvorsch, en neme waar, of daardoor al dan niet
de bekende tetanus toxicus wordt teweeg gebragt. Dr. VAN HASSELT.
VERSLAG. CXLI
aan Spreker’s Æssai monographique. De heer Piaget stelt de belang-
rijkheid en de verdiensten van beide deze werken in het licht en
zegt voornemens te zijn, van dat van Taschenberg een meer om-
standig verslag in het Tijdschrift te geven. Beide schrijvers hebben
bij de beoordeeling van Spreker’s werk, ook zeer vleijende woorden
uitgesproken over de daarbij gevoegde afbeeldingen; doch hij meent,
dat die lof voor het grootste deel toekomt aan onzen bekwamen
graveur, den heer A. J. Wendel, die met zijne bekende naauw-
keurigheid en talent de oorspronkelijke teekeningen op de platen
heeft weergegeven.
Eindelijk vertoont dezelfde Spreker een viertal door hem ver-
vaardigde teekeningen van nieuwe Pediculinen, waaronder eene
zeer merkwaardige soort, afkomstig van de Noordpool-expeditie en
behoorende tot het geslacht Axkistroma, door Prof. Westwood voor
eene enkele soort opgerigt. Deze afbeeldingen, met de daarbij be-
hoorende uitvoerige beschrijvingen, wenscht Spreker mede in het
Tijdschrift opgenomen te zien.
Professor Veth vraagt een oogenblik het woord, om mede te
deelen hoever de entomologische verzameling van de Sumatra-
expeditie gevorderd is. Wat de platen der Lepidoptera betreft, zijn
de moeijelijkheden nog niet geheel overwonnen. De afdeeling aan
de Neuroptera gewijd is nog vermeerderd met de beschrijving van
een termieten-nest, met welgeslaagde afbeeldingen naar teekeningen
van den heer Albarda te Ginneken. De bewerking der Coleoptera
is ver gevorderd en afgedrukt tot aan de familie der Anthribidae
Zoodra de Coleoptera voltooid zijn, zal de heer Ritsema tot de
bewerking der Hymenoptera overgaan, die reeds gedeeltelijk is
voorbereid. Voor de Hemiptera, die door het diep betreurd over-
lijden van den heer Snellen van Vollenhoven den voortreffelijken
bewerker missen, op wien bij den aanvang gerekend was, is nog
geen andere bewerker gevonden. Evenzeer zijn nog vacant de
Orthoptera, alsmede de Schorpioenen en Duizendpooten.
(Door verschillende leden worden daarop personen genoemd, van
wie de bewerking zou kunnen verzocht worden).
CXLIT VERSLAG.
Vervolgens wijst Prof. Veth op de aanstaande tentoonstelling te
Amsterdam, in welker koloniale afdeeling men gaarne ook verza-
melingen van insecten uit de Nederlandsche bezittingen in Oost-
en West-Indie zal opnemen. Van inzendingen van dien aard is
echter nog weinig bekend. Alleen is opgegeven dat onder de voor-
werpen, die de Rijksbestuurder van Soerakarta inzendt, zich ook
eene verzameling inlandsche (d. i. Javaansche) insecten zal bevinden ;
terwijl Dr. B. Hagen te Tjandong Morawa in het gebied van Ser-
dang (residentie Sumatra’s oostkust) eene zeer uitgebreide collectie
insecten , — gevangen deels in den omtrek zijner woonplaats, deels
op eene reis naar het meer van Toba in het binnenland, — voor
het museum van natuurl. historie te Leiden bestemd en den. heer
Jentink toegezonden heeft, op voorwaarde dat zij vooraf op de
Amsterdamsche tentoonstelling zouden verschijnen. De heeren Rit-
sema, Jentink en H. J. Veth hebben zich dientengevolge beijverd,
die verzameling zoo spoedig mogelijk te ordenen en zijn daarmede
reeds ver gevorderd. Op verzoek van Spreker, neemt de heer Snellen
op zich de vlinders gereed te maken, die hem te dien einde zullen
worden toegezonden. Ten slotte rigt Prof. Veth nog aan alle leden
de uitnoodiging, om wit hunne verzamelingen tot de tentoonstelling
bij te dragen, onder verzekering dat voor het ingezondene de
meestmogelijke zorg zal gedragen worden.
De heer Ritsema komt nog eens terug op eene mededeeling,
door hem gedaan in de Wintervergadering van 28 December 1879
(Verslag blz. xcıv), met betrekking tot de geographische versprei-
ding van Rhomborrhina resplendens Swartz, waarbij werd aangetoond,
dat dit geslacht wel degelijk op de Sunda-eilanden voorkomt, het-
geen door Dr. Mohnike ontkend was geworden. Het is hem namelijk
gebleken, dat de Lhomborrhina-soort, die op Java en Sumatra
voorkomt, niet is Rk. resplendens Swartz, maar Rh. Heros G. en P.
Eerstgenoemde soort behoort in China thuis. Een exemplaar van
beide soorten wordt ter bezigtiging gesteld.
In de tweede plaats vertoont de heer Ritsema een treffend geval
van nabootsing in vorm tusschen twee keversoorten van geheel
sa i
VERSLAG. CXLIIl
verschillende familien, te weten: Diatelium Wallacei Pasc. d en 9
(= Apoderus spectrum Voll.), tot de familie der Scaphididae behoo-
rende, en Apoderus tenuissimus Pasc. d en 2 (= Apoderus protactus
Dohrn in litt.), eene Curculionide.
In dezelfde doos waren nog geplaatst: 1°. een exemplaar van
Utopia Castelnaudi Thoms., een boktor met zonderling vervormde
achterdijen, door den heer van Houten in Ankola (Midden-Sumatra)
gevangen en door tusschenkomst van den heer Joh. F. Snelleman
aan ’s Rijks museum geschonken; 2°. eenige zeldzame, ten deele
wel onbeschreven Coleoptera, door ons medelid P. T. Sijthoff bij
Bandong (Preanger regentschappen : Java) gevangen en door tus-
schenkomst van den heer Everts aan ’s Rijks museum afgestaan;
en 3°. eenige merkwaardige keversoorten van Tjandong Morawa,
die deel uitmaken van de belangrijke verzameling, waarvan zoo
even door Professor Veth werd melding gemaakt.
; ‚De heer Fokker stelt ter bezigtiging een exemplaar van Pter-
tometus staphylinoides Burm., in den afgeloopen zomer door hem
bij Wolfheze gevangen en zoowel wat soort als wat geslacht betreft,
nieuw voor de Nederlandsche fauna. Het merkwaardige van deze
wants is hare bijzondere gelijkenis op eene Staphyline, eene eigen-
aardigheid, die bij meer geslachten der Lygaeiden wordt aangetroffen,
o. a. bij Tropistethus en Ischnocoris, doch bij geene in zoo sterke
mate als hier het geval is. De soort komt overigens in geheel
Europa voor, hier en daar gemeen; doch is, volgens Lethierry,
in het noorden van Frankrijk zeer zeldzaam en schijnt zulks ook
bij ons te zijn.
Voorts vertoont de heer Fokker eene wants, Galeatus maculatus
H. Sch., behoorende tot de familie der Tingitiden. Dit diertje, dat
door hem, een paar dagen na de excursie te Wageningen, van
Dr. J. Ritzema Bos was ontvangen, heeft zeer merkwaardige, met
blazen bezette elytra, waardoor men het op ’t eerste gezigt ter naau-
wernood voor eene wants zou houden. Het is eene belangrijke aanwinst
voor onze fauna, daar de soort zeldzaam is en, volgens Puton, tot
dusver alleen in Duitschland, Rusland en Frankrijk is gevangen.
CXLIV VERSLAG.
De heer Everts deelt eenige bijzonderheden mede over het
geslacht Hydrobius Leach, behoorende tot de familie der Palpicornia.
De kevers van deze familie leven deels in het water (Hydrophilus
en aanverwanten), deels in de aarde (sommige soorten van Cercyon),
deels in mest (Sphaeridium, Cercyon). Zij hebben vierledige kaaktasters,
die even lang of langer zijn dan de korte knodsvormige sprieten.
De sprieten zijn zes- tot negenledig, reiken zelden tot aan den wortel
van het halsschild en kunnen in eene groef onder den zijrand van
den kop worden verborgen; het wortellid is lang en de knods
doorbladerd. De tarsen zijn allen vijfledig, de achterpooten veelal
tot zwemmen ingerigt. Het zijn grootendeels trage dieren, die in
poelen, in of langs het water of onder steenen voorkomen. Een
gering aantal soorten kunnen zwemmen; de meeste ook van die,
welke in het water leven, klouteren slechts tegen de waterplanten.
In Snellen van Vollenhoven’s Gelede dieren van Nederland worden
zij «Voelertorren » genoemd. Zij worden in vier groepen verdeeld:
Hydrophylini, Spercheini, Helophorini en Sphaeridiini. Tot de
Hydrophilini behooren de geslachten Mydrophilus, Hydrochares
(= Hydrous) en Hydrobius.
De inlandsche soorten van //ydrobius laten zich onderscheiden
als volgt:
a. Laatste kaaktasterlid nagenoeg even lang als
het voorlaatste ; bovenzijde van het lig-
chaam okergeel met zwarten kop; dek-
schilden aan het uiteinde met stippelrijen
(g. Enochrus Thoms). . . . . . . bicolor Payk.
Laatste kaaktasterlid merkelijk langer dan
het voorlaatste; bovenzijde van het lig-
chaam zwart, donker- of lichtbruin; dek-
schilden met duidelijke stippelrijen of
slechts met eene naadstreep . . . . 0.
b. Dijen geheel of tot over de helft behaard;
bovenzijde fijn bestippeld, met stippelrijen
of slechts met eene naadstreep; zwart,
VERSLAG. CXLV
zwartbruin of licht geelbruin, met of
zonder lichter gekleurden randzoom, bij
uitzondering met uiterst geringen brons-
kleurigen of groenachtigen weerschijn. . €.
Achterdijen onbehaard; bovenzijde grof be-
stippeld, slechts met eene naadstreep;
bronzig bruin (g. Paracymus Thoms.). . aeneus Germ.
e. Dekschilden regelmatig gestreept. . . . fuscipes L.
Dekschilden slechts met eene van voren afge-
broken naadstreep (g. Anacaena Thoms.). d.
d. Voorhoofd aan weerszijden roodgeel gevlekt. bipustulatus Marsh.
Voorhooid: geheel zwart. 2.2 are
e. Ligchaam breed; bovenzijde donkerbruin,
aan den zijrand tamelijk scherp roodgeel
DEMTanS ee. A men: ner globale Eyk,
Ligchaam smaller; bovenzijde lichtbruin,
naar de randen in eene lichtere tint
uitvloeijende . . . . . . . . . limbatus Fabr.
Deze tabel is naar Thomson, von Kiesenwetter en Seidlitz ge-
volgd. Hydrobius fuscipes L. is overal zeer gemeen in slooten ; de
varieteit aeneus Sol slechts eenmaal gevonden (Amsterdam, Jaspers).
H. bicolor Payk. niet zeldzaam; H. aeneus Germ. uitsluitend op
zilten bodem, gemeen bij Zierikzee (Fokker), bij Amsterdam (Groll)
en te IJmuiden (Veth); Z. globulus Payk. verbreid, doch zeld-
zamer; HH. limbatus Fabr. overal zeer gemeen en H. bipustulatus
Marsh. zeldzaam; van dezen laatsten zijn slechts exemplaren bekend
van Haarlem (Groll), IJsselmonde (Veth) en Leiden (Perin). De
drie laatstgenoemde soorten werden vroeger steeds met elkander
verward. Van de verschillende hier opgenoemde soorten worden
exemplaren ter bezigtiging gesteld.
Tot dusver werd ook tot het genus Hydrobius gerekend eene
niet zeer zeldzame soort, H. oblongus Hrbst, welke grooter is dan
H. fuscipes L.; maar Seidlitz heeft teregt ingezien, dat zij eene
CXLVI VERSLAG.
plaats moet innemen in het geslacht //ydrochares (Hydrous). Zij is
namelijk veel nader verwant aan //ydrochares caraboides L. dewijl
het metasternum gekield is, wat bij de soorten van het geslacht
Hydrobius nimmer het geval is.
Ofschoon de Coleoptera nevens de Lepidoptera wel het meest
bestudeerd zijn, stuit Spreker bij de bewerking eener Nederlandsche
fauna telkens op moeijelijkheden, die dikwerf eene geheele om-
werking der stof vereischen. Hij is thans gereed met de geheele
groep der Clavicornia, doch is genoodzaakt deze andermaal te her-
zien, om partij te trekken van de steeds aangroeïjende ontdekkin-
gen van Edmund Reitter, een man die met ijzeren geduld de
Microcoleoptera bewerkt en op de meest logische wijze analytische
tabellen van de Europesche fauna geeft. Diens jaarlijksche reizen
naar nagenoeg onbekende terreinen van Croatie, Herzegowina, Bosnie
enz. doen het materiaal op eene verbazende wijze toenemen, zoo
zelfs dat de allernieuwste catalogi onvolledig zijn. Vooral zijn het
de Pselaphiden en Scydmaeniden, waarvan het aantal soorten ont-
zettend is vermeerderd, gelijk blijken kan uit daarvan door Reitter
geleverde tabellen, die ter inzage worden rondgegeven, en waaruit
's mans bewonderenswaardig groote werkkracht kan worden af-
gemeten.
In verband hiermede, verzoekt Spreker zijne medeleden, om
vooral te letten op de zeer kleine Coleoptera, welke op schimmel
van wijnvaten en in ’t algemeen op schimmel in de kelders leven ;
het zijn meestal de kleinst bekende kevertjes, behoorende tot de
geslachten Atomaria, Cryptophagus, Orthoperus, Silvanus enz.
De heer van Bemmelen komt nog eens terug op de belang-
rijke mededeelingen , daar straks door den Voorzitter gedaan omtrent
de genitalia der Arachniden. Als Directeur eener diergaarde is hij
genoodzaakt als ’t ware dagelijks waarnemingen te doen op het
gebied der voortteling van de meest verschillende dieren , en ofschoon
dit eigenlijk buiten het terrein der entomologie treedt, vestigt hij
de aandacht op het misschien weinig bekende feit, dat ook bij
hoogere diervormen, in de genitalien groote afwijkingen van den
Me 77
VERSLAG. CXLVIT
normalen toestand voorkomen. Zoo is het b. v. van de Hyena’s
schier onmogelijk de sexe te bepalen; uit anatomische onderzoekingen
van Prof. Watson (Proc. zool. soc. of London, 1877) is gebleken,
dat bij de wijfjes van Myaena erocata eene bepaalde vulva niet
aanwezig is, de clitoris, van 64 Eng. duim lengte, het aanzien
heeft van een’ penis met praeputium en doorboorde glans, terwijl
zich nabij den anus twee uitsteeksels bevinden, die er uitzien als
het scrotum van vele soorten der Carnivora. — Bij den Bever
(Castor fiber) blijft men, ook na het naauwkeurigste uitwendige
onderzoek op het levende of doode dier, volslagen onzeker omtrent
de sexe; de genitalien zijn zoo diep onder de huid verborgen, dat
zij alleen door eene uitvoerige sectie te voorschijn kunnen worden
gebragt; in het oude boek van Bonn maken vele fraaije anatomische
afbeeldingen dit feit duidelijk. — Ook bij het zien van vrouwelijke
voorwerpen van sommige Capucijn-apen meent men dikwijls man-
netjes voor zich te hebben, ten gevolge van de tot een trompet-
vormig instrument ontwikkelde clitoris, zoowel bij oude als bij
jonge individuen.
In de tweede plaats wijdt de heer van Bemmelen eenige woorden
aan het hoogst belangrijke werk van Dr. Piaget over de Pediculinen,
en zegt dat de heer Piaget, naar aanleiding van hetgeen daarover
door Stroebelt en Taschenberg geschreven is, ten onregte den lof,
door deze beiden over zijne afbeeldingen uitgesproken, op onzen
bekenden en gewaardeerden lithograaf Wendel terugbragt. Die
ontboezeming van den heer Piaget, wiens eerlijkheid en naauw-
gezetheid als ’t ware spreekwoordelijk is geworden, was ditmaal
niet volkomen overeenkomstig de waarheid. Zonder in ’t minst iets
op de verdiensten van den heer Wendel als lithograaf te willen
afdingen , constateert Spreker, dat Stroebelt «de groote verdiensten
bespreekt der juiste beschrijvingen en natuurgetrouwe afbeeldingen
in het klassieke werk van Piaget», en dat Taschenberg « gaarne
erkent, dat het hem naauwelijks gelukt zal zijn de groote naauw-
keurigheid van den Nederlandschen monographist Wort und Bild
bereikt te hebben». Spreker grijpt deze gelegenheid aan, eene
gelegenheid waarnaar hij reeds lang heeft gezocht, om hulde te brengen
CXLVIII VERSLAG.
aan ons medelid, Dr. Piaget, voor het zamenstellen van dat pracht-
werk en het teekenen van een 900-tal afbeeldingen; die teeke-
ningen zagen er uit als fluweel, en ieder die ze heeft gezien,
erkende zelden zoo iets aanschouwd te hebben. De voorrede tinte-
lend van humor, de beschrijvingen als het resultaat van de naauw-
keurigste onderzoekingen gedurende eene reeks van jaren, de
prachtige afbeeldingen met de grootste zorg uitgevoerd, dat alles
verdient onzen hoogsten dank: zulk een arbeid moet gewaardeerd
en den maker de zoo wel verdiende hulde gebragt worden.
De luide toejuiching, die onmiddellijk op deze uit het hart ge-
sproken woorden volgde, bewees duidelijk dat de geheele vergade-
ring daarmede volkomen instemde.
De heer Oudemans vraagt ten slotte nog even het woord,
en zegt, ook al naar aanleiding van hetgeen door den Voorzitter
over de genitalia der Galeodidae is medegedeeld, dat bij vele
Hydrachnidae en Trombidiidae ter weerszijden der geslachtsopeningen
kolf- of zuignapvormige organen voorkomen, die bij de anders
onzekere paring (want een penis ontbreekt hier evenzeer) als
aanhechtingswerktuigen dienst doen, even als dit vermoed wordt
van de vreemde aanhangsels aan de dijen van het achterste paar
pooten bij Galeodes. Ook verdient het opmerking, dat bij de boven-
genoemde Acarina-groepen, even als bij de Galeodidae, de voort-
plantingsopeningen der beide sexen doorgaans elkander zoo gelijken,
dat ook hier de sexuële kenmerken elders aan het ligchaam moeten
gezocht worden.
De wetenschappelijke mededeelingen hiermede afgeloopen zijnde,
sluit de Voorzitter de vergadering met een woord van dankzegging
aan de verschillende Sprekers.
LES MACROLÉPIDOPTÈRES DE BREDA ET DE SES ENVIRONS.
600.
601.
602.
603.
LISTE SUPPLÉMENTAIRE N°. 8.
Captures de 1877—1882.
PAR
F. J. M HEYLAERTS Fils.
Trochilium bembeciformis Hb. Le 5 Juillet 1881
étant en consultation avec mon collègue le Dr. Boele, et nous
trouvant, par hasard, dans le jardin du malade, un superbe
d de cette espèce, fraichement éclos, venait se poser sur la
manche de son habit. Je m'en emparais immédiatement, et,
après lavoir mis en sûreté, nous continuions notre discours.
Dans le fond du jardin sus-mentionné il y avait des Salix alba,
mais quoique je trouvais quelques trous, par où les papillons
étaient sortis, ce n’est que ce seul exemplaire, que j'ai pris.
Ma capture est d’ailleurs une aberration, je la décrirai plus
loin, remarque 1.
Emydia striata L. = grammica L. Pendant une
excursion dans le Mastbosch je trouvais une dizaine de
chenilles de cette espèce sur la bruyère de Galder. Du 2 au
17 Juillet 1880 ces chenilles, trouvées le 20 Mai, m'ont
donné les papillons, qui varient énormément.
Cymatophora octogesima Hb. = ocularis Gn. Un
d trouvé sur un peuplier dans le Loopschans. C'était le 12
Juin 1879.
Agrotis prasina F. = herbida Hb. Une chenille,
trouvée en Avril dans le Ulvenhoutsche bosch, me donna le
papillon d le 25 Juin 1879,
CL
604.
605.
606.
607.
608.
609,
610.
LES MACROLÉPIDOPTÈRES DE
Senta maritima Tausch. En mars 1878, m’ayant pro-
curé une certaine quantité de tiges de roseaux, j'étais assez
heureux d'y rencontrer, parmi d’autres, deux chenilles de
cette espèce. Je n’en ai eu qu’un seul papillon d, mais c'était
la var. assez rare bipunctata Hw. Il apparut le 27 Juin.
Orrhodia ligula Esp. et ses aberr. polita Hb. et sub-
spadicea Stgr. ne sont nullement rares ici. Je les prends
fin Septembre et Octobre. Les jeunes chenilles se trouvent
dans les chatons des saules, comme celles de Xanthia
flavago ¥., fulvago L. et Orthosia lota Cl.
Cucullia Absinthii L. Deux ex. de cette charmante
espèce furent pris par moi dans mon jardin, le d le 7 Juillet
1881, et la 2 le 17 de ce mois.
Plusia moneta F. Un & de cette espèce si reconnaissable
fut pris par moi, le 13 Juillet 1882, dans mon jardin sur
les fleurs de /’Aconitum napellus. Lex. est assez fruste.
Tholomiges turfosalis Wk. Deux mâles furent pris par
moi dans la Warande, tout près du Speelhuis, le 12 Août 1881.
Ils volèrent, vers le soir, parmi les plantes de Calluna
vulgaris. Tous les deux ne sont pas frais, mais parfai-
tement reconnaissables.
Acidalia inornata Hw. fut trouvée par moi en quelques
ex., le 20 Juillet 1877, dans le Mastbosch. Jen ai eu des oeufs,
Fidonia limbaria F. Un ex. de cette espèce fut trouvé
pece » >
par Mrs. le Dr. Kallenbach et Snellen, dans le Mastbosch.
REMARQUES.
L’exemplaire de Trochilium bembeciformis Mb., trouvé par
moi à Bréda, est une aberration. Ses ailes antérieures et pos-
törieures sont plus larges que celles des exemplaires Allemands
de ma collection. Les dessins sont d’un jaune plus vif, ce qui
vient peut-être de ce qu'il est fraichement éclos. A la base
des ailes antérieures le thorax porte une touffe de poils d’un
jaune intense; le seutellum du métathorax a deux lunules
jaunes assez grandes, dont les concavités se reg ardent.
BRÉDA ET DE SES ENVIRONS. CLI
Le premier anneau abdominal est jaune et couvert de poils
assez longs de la même couleur ; le second est noir à reflet
bronzé; le 3e est jaune; le 4e est d’un orange rougeätre luisant
et bordé, comme tous les autres, qui sont jaunes, d’une
mince bordure noire; la touffe anale est aussi d’un jaune
orangé et luisant. Antennes, palpes, pattes, etc. sont typiques.
Si j'ai le bonheur d'en trouver de pareils ici, je nommerai
cette aberration et je lui donnerai le nom de v. Bredanensis.
En Juin 1878, en faisant l’éducation de plusieurs chenilles
(ab ovo) de Porthesia chrysorrhoea L., jai obtenu quelques
exemplaires, qui ont Pabdomen entièrement d’un jaune d'or. Je
possède un d, qui l’a colorié comme la P. similis Fuessl.,
sa congénére.
Jai trouvé de nouveau quelques chenilles de Taeniocampa
opima Hb. en Mai dernier. Elles étaient encore jeunes et se
nourrissaient de Aumex acelosa. Jusqu'à leur 3° mue elles
sont vertes, comme les feuilles de la plante sus-dite. Après
leur 3e changement de peau elles ont la livrée, dont M. Snellen
donne la description (pag. 1150, Addenda Macrol., de son
travail sur les Microlepidoptera Neerlandica). Voici d’ailleurs
la description exacte. La tête est d’un jaune brunàtre très
luisant; elle porte huit points oculaires noirs; deux lignes
brunes divergeantes forment la fourche normale. Les antennes
et les palpes sont d’un jaune brunâtre assez clair. Le dessus
du corps est d'un brun de cannelle plus ou moins foncé. Une
dorsale et deux subdorsales jaunâtres s'étendent de la tête
jusqu’à l'anus. [Immédiatement au-dessus des stigmata, qui
sont d’un blanc sale, s’étend une raie large et noir, non
interrompue et formée, vue à la loupe, de petites stries parallèles.
Tout le dessous du corps (ainsi que les pattes menbraneuses)
est d'un vert assez gai et clair. Les pattes écailleuses sont
jaunes verdàtres, annelées de noir à lextérieur. Les crochets
sont très forts et recourbés. Sur la tête et le corps des poils
blonds, assez longs, sont implantés par-ci par-là,
L'éducation est très facile. La chenille se transforme sous
terre dans un trou, qu'elle se fait sans filer. Elle a en outre
beaucoup à souffrir de parasites.
Asteroscopus Sphinx Hin. (Snellen, Addenda Macrol. Neerl.
I. c. pag. 1152). Pour la plupart l'oeuf hiverne; mais par
CLIT
6.
LES MACROLEPIDOPTERES DE
contre il m'est arrivé plusieurs fois de trouver des femelles
fécondées en Février et Mars.
Calamia Phragmitidis Hb. La variété rougeàtre, trouvée par
moi, avec plusieurs ex. typiques, à Bréda, est la var.
rufescens Stgr. (Snellen |, c. pag. 1157).
Agrotis Saucia Hb. (Snellen 1. c. pag. 1160), qui n’est
pas trop rare ici, en Septembre surtout (on peut la prendre
sur les Salix alba, dont les feuilles sont couvertes d’Aphides),
varie assez. J'ai pris e. a. un ex., le 25 Sept. 1869, qui
s’approche de la var. margaritosa Hw.
(Je corrige la citation: «Milliere, Ic. III. p. 383 pl. 148
(et non 138) f. 4—6. — Snell. 1. c. p. 1160).
Nemoria viridata L., qui n’est pas rare ici sur nos bruyères,
se nourrit des feuilles de Salix repens. Jen ai fait l’édu-
cation assez facile en la nourissant de feuilles de Salix alba.
Je la crois un peu polyphage, car, si je ne me trompe
pas, Snellen l’a nourrie de feuilles de Crataegus oxyacantha
et moi-même je lai trouvé quelques fois sur la Genista
anglica (Snell. 1. c. p. 1168).
Acidalia inornata Hw. (Snell. 1. c. pag. 1170). Après avoir
lu la description des chenilles de /A. ornata Hw. et de
VA. deversaria H. S. du Dr. Roessler, observateur très con-
sciencieux et d’ailleurs lépidoptérologiste savant, je suis entière-
ment de avis de Snellen, quand il croit la deversaria H. S.
une espèce biens séparée de /’4. inornata Hw. En même temps
je crois, que l’on ne rencontrera pas la vraie Deversaria en
Hollande, mais peut-être en Belgique, dans les provinces
de Liege, de Namur et de Luxembourg, Moi-méme j'ai fait
Péducation des chenilles de /’A. inornata Hw., et il me parait
que la chenille est sujette à variation, car ma description
diffère en plusieurs points de celle du Dr. Roessler. Comme
Snellen, en outre, la compare (Macrolép. pag. 563) à celle de
VA. aversata L., il me parait utile de donner ici le portrait
assez minutieux des deux congénères élevées ab ovo.
Chenille de |A. aversata L. Chenille de PA. inornata Hw.
Long. 22—28 mm. Larg. les Long. 20—24 mm. Larg. les
deux premiers anneaux 2 mm., deux premiers anneaux 1,5 mm.,
le Je ann. 3,5 mm. le Je ann. 3 mm.
=
BRÉDA ET DE SES ENVIRONS.
La tête plus grande, d’un rouge
brunatre, tachetée de brun foncé,
est cordiforme. L’espace entre la
fourche brune noirâtre, est dépri-
mée (fovea), d’un teint noirâtre
et s’étend jusqu’à la lèvre supé-
rieure, qui est brune. Les palpes,
les antennes et les points oculaires
sont d’un brun noiràtre. Des poils
courts, rudes, distants et brunes
sont inplantés par-ci par-là.
Le corps en dessus est gris
jaunätre jusqu’au brun jaunàtre,
et depuis le 9e anneau ordinaire-
ment d’un gris blanchätre sale.
Quelquefois les dessins manquent
absolument (j'ai choisi un ex.
typique pour la description). La
dorsale est formée de deux lignes
brunes parallèles, assez rappro-
chées , non interrompues depuis la
tête jusqu’à anus. Puis viennent
deux subdorsales très minces et
une ligne épaisse noire au-dessus
des stigmata bruns. Chaque
segment porte (hormis les trois
premiers où il y a des stries noires
plus ou moins visibles, et les trois
derniers, qui n’ont qu’une ligne
longitudinale noire et épaisse),
des deux côtés de la dorsale deux
lignes noires constituant un tri-
angle avec la dorsale, et qui for-
ment, en se rapprochant, un carré
trés large. Comme ces lignes ne
se touchent pas, mais se recour-
bent perpendiculairement en bas,
elles forment, en coupant l’inci-
sion segmentale, une figure de
conduit vers le carré suivant, de
CLIIT
La tête plus petite, d’un brun
jaunätre, est cordiforme. L’espace
comprise entre les jambes de la
fourche brune est déprimée (fovea)
et un peu plus foncée, jusqu’à la
lèvre supérieure, qui est d'un
blanc jaunatre sale. Les palpes,
les antennes et les points oculaires
sont d’un brun de poix. La tête
porte en outre des poils brunâtres
courts, rudes et distants.
Le corps en dessus est d'un
brun rougeâtre. Une dorsale, d’un
blanc sale, non interrompue, qui
s’épaissit régulièrement sur le bord
inférieur de chaque segment en
forme de tache blanche, s’y trouve.
Les trois premiers anneaux ont en
outre, des deux côtés de la dorsale,
une sousdorsale de la même cou-
leur. Ges sousdorsales se perdent
entièrement sur les anneaux sui-
vants, qui portent, c'est à dire
le 4e—8e, chaque deux lignes
noires très minces formant unangle
très obtus. Ces deux lignes, beau-
coup plus rapprochées que chez
Aversata L., forment ensemble
une losange allongée et peu large.
Depuis le Je anneau on ne voit
qu'une ligne épaisse noire, qui
s’étend jusqu’au clapet anal. Des
deux côtés de cette dernière le
brun rougeätre est plutôt brun
grisàtre. Le dessous du corps est
d’un gris jaunätre . marbré de
brun. Les pattes écailleuses sont
d’un brun jaunâtre et annelées de
brun extérieurement. Les pat-
tes membraneuses ont la couleur
CLIV
sorte que tous les carrés commu-
niquent entre eux. Le dessous
du corps est d’un gris brunâtre
assez clair, tacheté de stries et de
points brunâtres. Les pattes écail-
leuses sont brunes, annelées de
brun plus foncé. Les pattes mem-
braneuses sont coloriées comme le
dessous du corps.
Sur tout le corps se trouvent des
poils courts, rudes et distants.
9. Boarmia gemmaria Brahm
LES MACROLEPIDOPTERES DE BREDA ETC.
du dessous du corps; les stig-
mata sont petits et d’un jaune
rougeatre.
Tout le corps est couvert de
poils, placés comme sur la téte.
— rhomboidaria W. V. (Snel-
len 1. c. p. 1173). Il faut que je contredise catégoriquement
assertion, que le axis laccata ne serait pas une nour-
riture de prédilection de cette espèce. Elle est polyphage, je
le confesse. Pourtant je trouve annuellement la chenille sur
cet arbre dans mon jardin,
et j'ai élevé des centaines de
chenilles au moyen de ses feuilles restant toujours vertes, ce
qui facilite l'éducation en hiver, or les larves hivernent toutes,
10.
Sthanelia hippocastanaria Hb. (Snell. 1. c. 1175).
Il ya pour sùr deux générations ici de cette espèce. La
première en Avril—Mai, l’autre en Juillet—Aoùt.
14,
Cidaria truncata Hfn. (Snell. 1. c. pag. 1181).
Je suis complètement de l'avis de M. Snellen, quand il dit que
truncata Hfn. et immanata Haw. ne sont qu'une seule et
même espèce. Depuis tantôt dix années jen fais éducation
ab ovo. Les chenilles vertes avec ou sans dessins couleur lie
de vin proviennent d’une même femelle, ainsi que les papillons
à bande plus ou moins large, plus ou moins arquée. En 1882
*
Jai eu d’une femelle de la var. perfuscata Wd.: 4 var.
centumnotata Wd., À var. marmorata Hw., 4 var. perfus-
cata Wd., 4 var. commanotata Wad. et 3 var. immanata Wd.
Plus quelques ex. de forme intermédiaire.
Bréda, le 20 Décembre 1882,
DE
“uscirà VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
Soa. À WM VAN HASSELT
F. M. VAN DER WULP
EN SÉ
Jur. Dr. Ep. J. G. EVERTS
ZES EN TWINTIGSTE DEEL
JAARGANG 1882—83
79?
SILE STERBEN un 14 |: >
_ Derde Aflevering
| S GRAVENHAGE ©"
“MARTINUS NIJHOFF
1883
EI
7
ri rm
—— ae
Amerikaansche Diptera.
Plas
AJW. sculps
v. d. W. del.
Amerikaansche Diptera.
AMERIKAANSCHE DIPTERA
DOOR
F. M. VAN DER WULP,
Vervolg van deel XXV, blz. 77.
(Hierbij Plaat 1 en De
SYRPHIDAE (Vervolg).
33. Allograpta obliqua Say.
Scaeva obliqua, Say, Journ. ac. Phil. III. 91. 5; — Syrphus obliquus,
Wied. Auss. Zweifl. II. 138. 39; — Syrphus securiferus, Macq. Dipt. ex.
II. 2. 100. 22; id. supp. 1. 139; — Syrphus signatus, v. d. Wulp,
Tijdschr.v. Ent. X. 144. 16. pl. 4. f. 12; — Sphaerophoria Bacchides,
Walk. List, II. 594; — Syrphus dimensus, Walk. Dipl. Saund. 235.
Van deze soort, vroeger door mij als Syrphus signatus beschreven,
ontving ik een ¢ uit Argentina van Prof. Weyenbergh. Zij vormt
den type van het geslacht Allograpta O. Sack. (Bull. Buff. soc. nat.
hist. III. 49), dat in naauwe verwantschap staat tot die soorten
van het genus Syrphus, welke een lang en smal achterlijf hebben,
alsmede tot de geslachten Melithreptus en Mesograpta. Van Syrphus is
het onderscheiden door de eigendommelijke teekening van het achterlijf
(zie Pl. 1 fig. 1) en door het zeer gewelfde en zelfs vooruitstekende
gezigt; van Melithreptus, waarmede het in het laatstgenoemd kenmerk
overeenkomt, verschilt het geslacht Allograpta door de niet zoo sterk
ontwikkelde mannelijke genitalien, van Mesograpla door het gemis der
lichte langsstrepen op den thorax. Allograpla is bovendien duidelijk
1
2 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
gekenmerkt door de oogen in d, waarvan het bovenste gedeelte grootere
facetten heeft, iets wat in geen der bovengenoemde verwante genera
het geval is.
34. Allograpta exotica Wied.
Syrphus exoticus, Wied. Aussereur. Zweifl. II. 136. 35.
Een mannetje en acht wijfjes van Guadeloupe (Delaunay) in het
museum te Brussel.
Wiedemann’s beschrijving kan zonder veel dwang op. deze voor-
werpen worden toegepast; alleen valt op te merken, dat daarin wordt
gezwegen van de kleur en teekening van het schildje, welke nogtans
bij deze soort zeer in ’toog vallen. Eene meer uitvoerige beschrijving
moge overigens de soort doen kennen, ook voor het geval dat mijne
determinatie onjuist ware.
Lengte 7 mm. Aangezigt en voorhoofd bleek okergeel, met eenigen
paarlemoerglans; het aangezigt met een glanzig zwarten middenband;
voorhoofd bij het ¢ met eene glanzig zwarte vlek boven de sprieten,
die bij het 9 tot een’ langsband is uitgerekt. Aangezigt in ’t midden
een weinig bultachtig uitstekende; voorhoofd met korte zwarte beha-
ring; achterhoofd aan de oogkanten lichtgrijs. Oogen bij het 4 van
boven met grover netwerk. Sprieten roodgeel; het derde lid van boven
bruin. Thorax glanzig metaalachtig zwartgroen; een zijband van de
schouders tot den vleugelwortel, de achterhoeken vóór het schildje en
een breede band in de borstzijden tusschen de voor- en middenheupen,
geel; bij sommige wijfjes is deze teekening groenachtig en verduisterd.
Schildje geel met zwarte halfronde middenvlek. De rug van den thorax
alsmede het schildje met korte maar digte beharing, die soms blond,
soms vrij donker bruin is; achterrug glanzig blaauwzwart. Achterlijf
(PL 1 fig. 2) slank, niet breeder dan de thorax, naar het einde ver-
smald; eerste ring geel, doch meestal aan den voorrand met zwarten
zoom, die in ’t midden breeder wordt en de gele kleur bijna tot een
paar zijvlekken terugdringt; tweede ring in ’t midden met een gelen
dwarsband; derde ring met een dergelijken, doch meer gebogen band;
vierde ring met twee gele, den voor- en achterrand bereikende vlekken,
die in 't midden door eene zwarte rugstreep zijn gescheiden en elk
bovendien een zwart langsstreepje hebben, dat tegen den achterrand
rust; vijfde ring bij het 9 bijna evenzoo geteekend, doch bij het 4
schier geheel geel, alleen met eenig spoor van een paar zwarte streepjes ;
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 3
buik eenkleurig geel. In ¢ hebben de zijden der voorste ringen eene
geelachtige uitstaande beharing. Pooten geel; de laatste leden der
voorste tarsen, een ring voor de spits der achterdijen, de achter-
scheenen met uitzondering der basis, en de achtertarsen geheel zwart.
Kolfjes geel. Vleugels glasachtig, met vuilgele randvlek.
Genus Mesoerarra Löw.
(Dipt. Amer. sept. IL. 390; Mesogramma, 1. e. II. 31).
Dit geslacht is naauw verwant aan Syrphus, en vooral aan Meli-
threptus, met welk laatste het overeenkomt in het vooruitstekende
aangezigt. Habitueel laat het zich onderscheiden door eene witachtige
langsstreep midden op den thorax; de bijoogen staan ver van de
kruin verwijderd; de schedeldriehoek van het ¢ is zeer langwerpig;
de facetten der oogen zijn van boven niet grover.
In Amerika is het genus sterk vertegenwoordigd: behalve al de
soorten, door den Baron Osten Sacken in zijn laatsten Catalogus der
Noord-Amerikaansche Diptera en door Schiner in de Novara-reis op-
gesomd, behooren daartoe stellig ook Syrphus pictus Macq. van Guiana
en S. amoenus Macq. van Venezuela. Over ’t geheel zijn er wel een
dertigtal beschreven, en sommigen er van schijnen veelvuldig voor te
komen. Waarschijnlijk zullen er nog wel meer zijn, althans onder
de zeven soorten, welke ik ken, vind ik er wel een drietal nog
onbeschreven.
Die zeven soorten onderscheiden zich als volgt :
a. Schildje geheel geel . . » . . . . . .b.
Schildje zwart, meestal echter met gelen
dani NRC MR NE St ER NEN Z
b. Derde en volgende ringen des achterlijfs met
hoogstens twee zwarte stippen. . . . . duplicata Wied.
Derde en volgende ringen met vier langwerpige
vlekjes, waarvan de middenste gestaart zijn. pulchella Macq.
Derde en volgende ringen met eene fijne, in
’t midden even afgebroken dwarslijn. . . linearis n. sp.
e. Schildje zwart, met breeden gelen achterrand;
ligchaam weinig glanzig. … . . . . «d,
4 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
Schildje met smallen gelen achterrand, soms
bijna geheel zwart; ligchaam zeer glanzig,
ala- verlaktiel-.: le. wing: bee SNE RES
d. Tweede achterlijfsring zwart met twee tot
elkander neigende, maanvormige, gele vlek-
ken; de beide volgende ringen geel met
zwarte zijvlekken en in ’t midden een paar
fijne langslijnen. . . . . . . . . . arcifera Löw.
Tweede achterlijfsring zwart, met een onaf-
gebroken gelen dwarsband; de beide vol-
gende ringen geel, elk, behalve de zwarte
zijvlekken, in ’t midden met vier zwarte
stippen. © . + . . . +. + . + . „Mullipunclata n. sp.
e. Derde en volgende lijfsringen nagenoeg een-
kleurig roodgeel. . . . . . . « . « basilaris Wied.
Derde en volgende lijfsringen glanzig zwart,
met roodgele zijvlekken van meer of minder
uitgebreidheid . © : . . . « « « « variabilis n. sp.
35. Mesograpta duplicata Wied.
Syrphus duplicatus, Wied. Auss, Zweifl. II. 142. 16; — Mesogramma .
duplicata, Schiner, Dipt. Nov. Reise, 350. 30; — Syrphus ochrogaster,
Thoms. Dipl. Eugen. Resa, 494. 82.
Een ¢ uit Argentina (Weyenbergh). Het behoort tot de varieteit (,
door Schiner vermeld, bij welke de bruine ring aan de achterdijen
ontbreekt. De derde en vierde lijfsringen hebben ieder twee stippen
naast elkander, de vijfde eene grootere stip in ’t midden, even als
door Schiner wordt aangegeven (zie mijne afbeelding PI. 1 fig. 3).
Thomson’s uitvoerige beschrijving van S. ochrogaster laat geen
twijfel, dat hij dezelfde soort voor oogen had.
36. Mesograpta pulchella Macq.
Syrphus pulchellus, Macq. Dipt. ex. supp. 1. 138. 36. pl. 11 f. 12.
Twee wijfjes van Guadeloupe (Delaunay) in het museum te Brussel.
Macquart beschrijft alleen het 9; het ¢ is dus nog onbekend. Hij
noemt het achterlijf „assez étroit”: dit moge waar zijn bij verge-
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 5
lijking met de meeste Syrphus-soorten , maar voor eene Mesograpta is het
eer vrij breed te noemen; in zijne afbeelding is aan het zwart te veel
uitbreiding gegeven (zie mijne teekening van het achterlijf Pl. 1
fig. 4.) |
37. Mesograpta linearis n. sp.
Flava; vertice, thoracis dorso, pleuris in parte posteriori, abdomi-
nisque segmento secundo limbo antico et postico nigris, segmentis
sequentibus tribus linea transversa in medio interrupta. — d long. 5 mm.
Aangezigt onder de sprieten duidelijk en knobbelachtig vooruitste-
kend, even als de sprieten geel, in ’t midden iets krachtiger gekleurd
en daarbij glanziger; de zeer langwerpige, van voren spits toeloopende
schedeldriehoek zwart met flaauwen glans, even als het geheele
achterhoofd. Oogen met zeer fijn netwerk. Thorax van boven glanzig
zwart, met witachtige langsstreep in ’t midden en aan weerszijden
met een gelen zoom; borstzijden zwart, aan de voorste helft met
groote zwavelgele vlekken, die bijna alleen door de zwarte naden
gescheiden zijn; schildje geel. Achterlijf (PI. 1 fig. 5) saffraangeel;
de zeer korte eerste ring in ’t midden zwart; tweede ring met zwarten
voor- en achterzoom, waarvan de laatste den zijrand volkomen bereikt;
derde en volgende ringen met iets verdonkerden, glanzigen achterzoom
en een weinig vóór de helft met eene fijne donkere, in ’t midden
even afgebroken dwarslijn. Pooten geel. Vleugels glasachtig ; de cubitaal-
ader in ’t midden ingebogen.
Een ¢ uit Mexico (E. Dugés) in het museum te Brussel.
38. Mesograpta arcifera Löw.
Mesogramma arcifera, Löw, Dipt. Amer. sept. Cent. VI n°. 52.
Elf mannetjes en drie wijfjes van Guadeloupe (Delaunay) in het
Brusselsche museum.
Deze soort onderscheidt zich vooral door de fluweelzwarte zijvlekken
aan de derde en vierde achterlijfsringen; dergelijke bevinden zich ook
aan den tweeden ring, waar zij van boven begrensd zijn door gele
maanvormige vlekken (zie mijne afbeelding PI. 1 fig. 6). Het schildje
is in ’t midden zwart, doch aan den achterrand met breeden gelen
zoom. Aan de achterpooten heeft de zwarte kleur eene groote uit-
breiding, zoodat alleen de basis der dijen en de knieën geel zijn.
6 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
39. Mesograpta multipunetata n. sp.
Nigra; capite antennisque flavescentibus ; thorace vittis tribus albes-
centibus, limboque laterali flavo; pleuris nigro-aeneis, macula flava ;
seutello nigro, flavo-marginato; abdomine rufo-flavo, segmento secundo
nigro, fascia media flava integra; segmentis 3 et 4 maculis duabus
lateralibus nigro-velutinus, punctisque quatuor mediis nigris; segmento
quinto maculis tribus nigris; pedibus flavis, femoribus posticis nigro-
annulatis. — 4 long. 5,5 mm.
Zeer verwant aan de voorgaande, doch gemakkelijk te onderscheiden
aan de teekening van den tweeden lijfsring, die in plaats van de
beide maanvlekken, uit een regten en onafgebroken gelen dwarsband
bestaat; de beide volgende ringen hebben dezelfde fluweelzwarte zij-
vlekken als bij arcifera, doch zij missen de beide langslijnen in ’t
midden, die hier door vier zwarte stippen vervangen worden (zie
mijne afbeelding Pl. 1 fig. 7). Aan de achterdijen is alleen even voor
de spits een duidelijke zwarte ring; de achterscheenen en tarsen zijn
wel iets verdonkerd, maar niet zwart. In de cubitaal-cel der vleugels
is een grijsachtige veeg, die ook bij arcifera voorkomt.
Een d van Guadeloupe (Delaunay) in het museum te Brussel.
40, Mesograpta basilaris Wied.
Syrphus basilaris, Wied. Auss. Zweifl. II. 143. 48.
Een ¢ van Guadeloupe (Delaunay) in het museum te Brussel.
De korte beschrijving van Wiedemann is op dit voorwerp geheel
van toepassing; alleen zie ik op den tweeden ring een paar geelroode
stippen (zie mijne afbeelding Pl. 1 fig. 8), waarvan in die beschrij-
ving gezwegen wordt. Het aangezigt steekt matig vooruit en vertoont
den paarlemoerglans, die aan de soorten van dit geslacht eigen is.
‘De achterscheenen zijn in ’t midden breed zwart en ook het iets ver-
dikte eerste lid der achtertarsen is donker. Het lijf is zeer glanzig,
als verlakt.
41. Mesograpta variabilis n. sp.
Nigra nitidissima; epistomate flavo margaritaceo; antennis flavis,
articulo tertio supra plerumque infuscato ; pleuris aeneis flavo maculatis;
scutello interdum anguste flavo-marginato; abdominis segmento secundo
interdum punctis duobus rufis; segmentis tertio et quarto maculis
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 7
lateralibus rufis; reliquis rufis nigro-maculatis; pedibus flavis, posticis
nigro-variegatis. — d 5,5 mm.
Aangezigt duidelijk vooruitspringend, glanzig paarlemoerachtig bleek-
geel; voorhoofd eveneens gekleurd; schedeldriehoek en achterhoofd
zwartachtig. Sprieten geel, het derde lid van boven gebruind. Thorax, :
schildje en achterlijf zeer glanzig zwart, als verlakt; op den thorax
drie witachtige langsstrepen; borstzijden metaalachtig blaauwzwart,
met bleekgelen paarlemoerglanzigen middenband; schildje met zeer
smallen, soms naauwelijks merkbaren, geelachtigen achterrand. Tweede
ring des achterlijfs (zie Pl. 1 fig. 9) met een paar roodgele stippen,
die echter dikwijls ontbreken; de beide volgende ringen met groote
roodgele zijvlekken, die tegen den voorrand liggen en gewoonlijk
buitenwaarts van achteren uitgesneden zijn; de beide laatste ringen
roodgeel, met zwarte middenvlek tegen den voorrand en nog een paar
min of meer duidelijke zijvlekken; de roodgele kleur is naar de ver-
schillende individuen van grooter of minder uitbreiding; de buik is
roodgeel. Pooten geel; aan de achterpooten de dijen, behalve aan
wortel en spits, zwart; de scheenen met twee zwarte ringen en het
eenigszins verdikte eerste tarsenlid (met uitzondering der spits) als-
mede de drie laatste tarsenleden, zwart; somtijds zijn ook de voorste
dijen iets of wat gebruind of zelfs aan den wortel zwart; onder aan
de achterdijen eene witachtige, vrij digte beharing. Kolfjes geel.
Vleugels met grijsachtige tint; cubitaal-ader naauwelijks een weinig
ingebogen.
Verscheidene exemplaren, doch alleen mannetjes, van Guadeloupe
(Delaunay) in het museum te Brussel.
42. Melanostoma mellina Linn.
Musca mellina, Linn. Faun. suec. 1821 ; — Syrphus mellinus, Fabr.
Spec. insect. II. 433. 61; id. Ent. Syst. IV. 308. 110; Meig. Syst.
Beschr. III. 331. 85; Macq. Suit. à Buff. Dipt. I. 544. 35; — Scaeva
mellina, Fabr. Syst. Antl. 251.12; Fall. Syrph. 46. 20; Zett. Ins. lapp.
608. 40; id. Dipt. Scand. II. 759. 62; — Melanostoma mellina , Schin.
Faun. austr. I. 292; — Syrphus Iris, Meig. Syst. Beschr. III. 380.
67; — S. mellarius, Meig. L c. 328. 81; Macq. 1. c. 544. 36; —
S. melliturgus, Meig. 1. ec. 329. 82; Macq. L. e. 545. 37 ;-— S. scalaris,
Fabr. Ent. Syst. IV. 308. 112; Meig. |. c. 330. 83; — Scaeva scalaris,
8 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
Fabr. Syst. Anil. 252. 14; Zett. Ins. lapp. 608. 41; id. Dipt. Scand.
II. 760. 63.
Een ¢ uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het museum
te Brussel.
43. Melithreptus scriptus Linn.
Musca scripta, Linn. Faun suec. 1820; — Syrphus scriptus, Fabr.
Spee. ins. IL. 434. 62; id. Ent. Syst. IV. 308. 113; Meig. Syst. Beschr.
III. 324. 73; — Scaeva scripta, Fabr. Syst. Antl. 252. 17; — Sphae-
rophoria scripta, Macq. Suit. à Buff. Dipt. I. 551. 1; Zett. Ins. lapp.
605. 28; id. Dipt. Scand. IL. 766. 1; — Melithreptus scriptus, Schin.
Faun. austr. 1. 326; — Conops gemmatus, Scop. Ent. carn. 965.
Een paartje uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het
museum te Brussel.
44. Xylota pigra Fabr.
Syrphus piger, Fabr. Ent. Syst. IV. 295. 63; — Milesia pigra,
Fabr. Syst. Anil. 192. 16; Latr. Gen. Crust. IV. 331; — Xylota pigra,
Meig. Syst. Beschr. III. 221. 11; Macq. Suit. à Buff. Dipt. I. 521.5;
Lett. Dipt. Scand. II. 878. 12; Schin. Faun. austr. I. 355; — Xylota
crassipes, Wahlb. Oevf. vet. ak. förh. 1838. 15.7; — Milesia haematodes,
Fabr. Syst Antl. 193. 21; — Xylota haematodes, Say, Amer. entom.
I. pl. viti; Wied. Auss. Zweifl. II. 99. 3.
Een paartje uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het
museum te Brussel.
45. Xylota nemorum Fabr.
Milesia nemorum Fabr. Syst. Antl. 192. 17; — Xylota nemorum,
Meig. Syst. Beschr. III 219. 11; Macq. Suit. à Buff. Dipt. I. 521. 3;
Lett. Ins. lapp. 585.3; id. Dipt. Scand. IL. 871.3; Schin. Faun. austr.
1. 356; — Milesia ignava, Fall. Syrph. 11. 6. (exel. syn. Panz.): — Xyl.
bifasciata, Meig. Syst. Beschr. III. 219. 10; Zett. Dipl. Scand. U. 872.
4; — Ayl. nigripes, Zett. Ins. iapp. 585. 4; id. Dipt. Scand. II. 880. 14.
Een ¢ uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het museum
te Brussel.
46. Nyritta pipiens Linn.
Musca pipiens, Linn. Faun. suec. 1822; — Syrphus pipiens, Fabr.
Spec. ins, II. 434, 65; id. Ent. syst. IV. 310, 119; Panz, Faun. germ,
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 9
32. 20; — Milesia pipiens, Fabr. Syst. Antl. 194. 27; Fall. Syrph.
12. 9; — Aylota pipiens, Meig. Syst. Beschr, III. 213. 1; — Coprina
pipiens, Zett. Ins. lapp. 584. 45; — Syritta pipiens, Macq. Suit. à
Buff. Dipt. I. 525. 1; Zett. Dipt. Scand. IT. 881. 1; Schin. Faun. austr.
I. 358; — Aylota proxima, Say, Amer. entom. I. pl. vitt; Wied.
Auss. Zweifl. II. 102. 9.
Exemplaren van beide sexen uit de omstreken van Quebec (Pro-
_vancher) in het museum te Brussel.
47. Rhingia nasica Say.
Say, Journ. ac. Phil. III. 94; Wied. Auss. Zweifl. U. 115. 1.
Drie wijfjes uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het
museum te Brussel. Bij een der exemplaren vind ik eene merkelijke
afwijking in de teekening des achterlijfs; is dit eene andere soort of
slechts eene varieteit? Rh. nasica is de eenig bekende soort uit
Noord-Amerika.
48. Sphegina rufiventris Löw.
Löw, Dipt. Amer. Sept. Cent. III. 22.
Drie mannetjes uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het
museum te Brussel.
49. Ocyptamus fascipennis Macq.
Macq. Suit. a Buff. I. 554. 2. pl. 12. f. 13.
Drie wijfjes van Guadeloupe (Delaunay) in het museum te Brussel.
Zij beantwoorden geheel aan de beschrijving en afbeelding van Macquart.
-Löw (Diptern Süd-Afrika’s p. 293) en Osten Sacken (Catal. of
the Dipt. of N. Amer. p. 127) houden deze soort voor dezelfde als
Bacha fuscipennis Say, hetgeen door Schiner (Dipl. Nov. Reise, 346.
14) bepaald wordt tegengesproken na vergelijking van typische exem-
plaren in Wiedemann’s collectie.
59. Qeyptamus funebris Macq.
Macq. Suit. à Buff. 554. 1; id. Dipt. ex, IL. 2. 105. 1 pl. 19 f. 2;
Bigot in R. de la Sagra, Hist. phys. pol. et nat. de Cuba, p. 807.
Een 9 van Bahia (de Lacerda) in het Brusselsche museum. De soort
is iets grooter dan de vorige en onderscheidt zich bij den eersten
10 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
oogopslag door de gelijkmatig donkerbruine vleugels, die alleen aan
de spits en in de kernen van sommige cellen lichter zijn.
51. Oevptamus dimidiatus Fabr.
Syrphus dimidiatus, Fabr. Spec. ins. IL. 434. 64; id. Ent. Syst.
IV. 310. 118; Wied. Auss. Zweifl. II. 140. 42; — Scaeva dimidiata,
Fabr. Syst. Antl. 254. 25.
Een aantal exemplaren van Guadeloupe (Delaunay) in het Brus-
selsche museum.
Deze soort is kleiner dan de beide vorigen en het achterlijf naar
evenredigheid korter, zoodat zij veel plomper gebouwd is; in habitus
gelijkt zij op eene Pipiza, terwijl de anderen meer het aanzien van
de Bacha-soorten hebben. Het schildje neigt bij de meeste voorwerpen
tot het roodbruine, wat ook eenigszins met het achterlijf het geval
is. Bij het d is de spitshelft der vleugels een weinig verduisterd,
zoodat de zwarte wortelhelft daar minder sterk uitkomt. De pekbruine
pooten zijn niet altijd even donker, maar somtijds de voorste scheenen
aan de basis en de tarsen geelachtig.
52. Bacha fascipennis Wied.
Bacha fascipennis Wied. Auss. Zweifl. II. 96. 6; — B. aurinola ,
Walk. List Dipt. Brit. mus. III. 548.
Een 9 uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het museum
te Brussel.
55. Bacha clavata Fabr.
Syrphus clavatus, Fabr. Ent. Syst. IV. 298. 73; — Bacha clavata,
Fabr. Syst. Anil. 200. 3; Wied. Auss. Zweifl. IL. 94. 4.
Twee mannetjes en een wijfje van Guadeloupe (Delaunay) in het
museum te Brussel.
CONOPSIDAE.
1. Conops tibialis Say.
Conops tibialis, Say, Journ. ac Phil. VI. 171; Williston, Trans.
Connect. academy, IV. 333; — C. nigricornis, Wied. Auss. Zweifl. II.
236. 4; Löw, Neue Beitr. I. 31.
AMERIKAANSCHE DIPTERA, 11
Een ¢ uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het museum
te Brussel.
Mijne determinatie berust op de beschrijvingen van Wiedemann en
Löw. Door Dr. S. W. Williston, die eene bijzondere studie heeft gé-
maakt van de Noord-Amerikaansche Conops-soorten , wordt C. nigricornis
Wied. beschouwd als synoniem met (€. tibialis Say en niet met C.
sagittarius Say, zooals door Wiedemann zelf en later door Löw en
Osten Sacken was aangenomen.
Deze soort, zoowel als de drie volgende, zou behooren te worden
gerangschikt in het geslacht Physocephala, door Schiner van Conops
afgescheiden. Daar echter geen der latere schrijvers over Amerikaansche
Diptera die generieke verdeeling heeft overgenomen, acht ik het
beter ze ook maar in het oorspronkelijke genus te laten.
2. Conops costatus Fabr.
Conops costatus, Fabr. Syst. Antl. 175. 4; Wied. Auss. Zweifl. I.
238. 6; — Physocephala costata, Schiner, Dipt. Nov. Reise, 371. 2.
Een d van Argentina (Weyenbergh), dat wel beantwoordt aan de
kenmerken, door Fabricius en Wiedemann opgegeven en volkomen
overeenkomt met de uitvoerige beschrijving, door Schiner geleverd.
De Noord-Amerikaansche soort, door Macquart als Conops costatus F.
vermeld (Dipl. ex. II. 3. 19. 11) moet ik voor eene andere houden,
want hij voegt bij de diagnose, door hem van Wiedemann overgeno-
men, nog de woorden: , nervo transverso obliquo”. Waarschijnlijk
bedoelt hij daarmede de schijfdwarsader, die bij sommige exotische
soorten inderdaad veel schuiner loopt dan wij dit bij onze inlandsche
gewoon zijn. Bij het Argentijnsche voorwerp, dat ik voor mij heb, is
die dwarsader echter regtstandig en vormt ongeveer een regten hoek
met de daarboven liggende discoidaal-ader. Vermoedelijk heeft Schiner
dit ook zoo gevonden bij de Chilenische exemplaren der Novara-reis
en vond hij daarin aanleiding om Macquart’s beschrijving niet aan
te halen.
Ik merk nog op, dat bij C. costatus de radiaal-ader in den voor-
rand eindigt boven de schijfdwarsader, in tegenstelling van de beide
volgende soorten, waar hare uitmonding merkelijk digter naar de
vleugelspits is gelegen. (Zie mijne afbeelding van den vleugel van C.
costatus Pl. 1 fig. 10 en van €. piciventris fig. 11).
12 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
3. Conops piciventris n. sp.
Fuscus; capite flavido; fronte lineaque epistomatis brunneis; abdo-
mine obscure rufo; callis humeralibus, punctis in thoracis dorso,
abdominis segmentorum primis limbo postico, segmentisque posticis
fere totis aureis; his nigro-setulosis; pleuris argenteis; antennis fuscis :
articulo primo et articuli tertii parte inferiori rufis; pedibus rufis
albomicantibus; alarum basi et dimidio costali fuscis. — 9 long.
15,5 mm.
Van stevige gestalte. Kop duister roodgeel; voorhoofd vóór de
schedelblaas, alsmede de kielvormig verhoogde middenstreep op het
aangezigt koffijbruin; de rand van onderen langs de oogen met zil-
veren weerschijn. Sprieten zwartbruin; het eerste lid en de onderzijde
van het derde roodgeel; het tweede lid twee en een-halfmaal zoo lang
als het eerste; het derde naauwelijks zoo lang als het eerste, met
spits toeloopende eindgriffel, aan welker einde zich een duideiijk af-
staand zijstuk bevindt. Zuiger zoo lang als de sprieten, roodgeel met
donkere spits. Thorax koftijbruin; de sterk uitpuilende schouderknub-
bels met goudgelen rand, die zich streepvormig verlengt zoowel langs
den voorkant als in de zijden van den thorax; naarmate het licht
valt, komt nog op den rug eene teekening van goudgele vlekjes of
streepjes voor den dag; de borstzijden en de kanten van den achter-
rug hebben een zilvergrijzen weerschijn, die in nog sterkere mate
aan de voorheupen aanwezig is. Achterlijf roodbruin; de beide eerste
ringen zwart, met goudgelen achterzoom, die zich aan den tweeden
ring ook in de zijden uitbreidt; de kolfachtig verdikte laatste ringen
bijna geheel met gondgelen weerschijn en tevens met korte, stijve,
zwarte haartjes bezet; het uitstekende deel onder aan het achterlijf
roodgeel en niet tepelachtig maar meer schildvormig. Pooten roodgeel,
naar gelang van het invallende licht donkerder of met zilverachtigen
weerschijn; achterdijen aan den wortel plotseling verdikt ; scheenen
aan den wortel zeer dun, doch op ’t midden verdikt en eenigszins
onregelmatig gebogen. Kolfjes geel. Vleugels (PI. 10 fig. 11) aan den
wortel en langs de voorhelft zwartbruin, welke kleur zich tot de
discoidaal-ader uitstrekt, een eind wegs in den wortel der schijfcel
dringt, de vleugelspits bereikt, doch een deel der eerste achtercel
vrijlaat; in de voorrandeel alsmede in de streek der vleugelspits is
de bruine kleur iets lichter; de posticaal-ader bruin gezoomd; uit-
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 13
monding der radiaal-ader voorbij de schijfdwarsader; schijfdwarsader
vrij schuin; eerste achtercel tamelijk lang gesteeld.
Een 9 uit Argentina (Weyenbergh).
4. Conops testaceus n. sp.
Testaceus; callis humeralibus pleurisque argenteo-micantibus; episto-
mate in medio fusco-lineato; antennis nigris, articulo primo rufo;
pedibus rufis, femorum basi tibiarumque dimidio apicali infuscatis;
alarum dimidio costali dilute fusco. — d long. 14 mm.
Bijna eenkleurig vuil kaneelbruin. Voorhoofd vóór de schedelblaas
iets donkerder; de kielvormig verheven langsstreep op het aangezigt
donkerbruin. Eerste sprietenlid roodgeel; de beide volgende zwart-
bruin, het tweede meer dan dubbel zoo lang als het eerste; het derde
ongeveer van gelijke lengte als het eerste. Schouderknubbels en borst-
zijden met zilverachtigen weerschijn. Achterlijf gesteeld, vooral aan
het eind van den tweeden en het begin van den derden ring zeer
dun; de beide voorste ringen zwartachtig, aan den achterzoom en
langs de kanten met zilverachtigen haarglans; de kolfachtige laatste
ringen kaneelkleurig, zonder glans of weerschijn (misschien is de be-
stuiving afgewischt). Pooten roodgeel; wortel der dijen en spitshelft
der scheenen donkerder; aan de achterpooten de dijen vrij dik, in
’t midden iets ingebogen, en de scheenen aan den wortel dun, van
het midden af onregelmatig verdikt en gebogen: achtertarsen bijzonder
breed. Kolfjes geel. Vleugels aan de voorhelft licht koffijbruin, welke
kleur de discoidaal-ader even overschrijdt en de geheele eerste achtercel,
alsmede de vleugelspits inneemt, ofschoon daar naar onderen een
weinig verflaauwende; uitmonding der radiaal-ader voorbij de schijf-
dwarsader; eerste achtercel lang gesteeld; schijfdwarsader eenigszins
schuin.
Een 2 uit Argentina (Weyenbergh).
OESTRIDAE.
Gastrophilus Equi Fabr.
Oestrus Equi, Fabr. Syst. Antl. 228. 4; Fall. Haemat. 13. 8; Macq.
Suit. à Buff. Dipt. IL. 52. 1; — Gastrus Equi, Meig. Syst. Beschr.
IV. 175. 1; Zett. Ins. lapp. 623. 1; id. Dipl. Scand. INI. 976, 1; —
14 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
Gastrophilus Equi, Schin. Faun. austr. I. 391; — Oestrus Bovis, Linn.
Faun. suec. 1730; — Oestrus intestinalis, de Geer, Ins. VI 29145
pl. 15. f. 16.
Twee mannetjes uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het
museum te Brussel; een wijfje van Arizona (Neumögen) in dat te
Leiden.
MUSCIDAE.
PHASINAE.
1. Allophora micans n. sp.
Nigra, griseo-micans; abdomine fascia media subrufescente; epis-
tomate pallide rufo sericeo; alis dilute brunnescentibus, nervi discoi-
dalis curvatura subrotundata; nervo apicali obliquo. — ¢ long. 9 mm.
Zwart; de kop groot en breed; het aangezigt zijdeachtig licht
roodgeel, op de weinig verheven gezigtslijsten met korte borsteltjes:
mondrand glanzig roestbruin; oogen van boven zamenstootend; het
driehoekige voorhoofd zwart, eenigszins fluweelig, aan de kanten
zijdeachtig bleekgeel, in ’t midden met fijne en digte zwarte beharing.
Sprieten zwart, nog niet de helft van het aangezigt bereikende; derde
lid elliptisch; sprietborstel regt, aan den wortel iets verdikt en lang-
zamerhand tot de haarfijne spits verdund. Thorax vóór den dwarsnaad
met witachtige bestuiving, welke drie langsstrepen vrijlaat; dergelijke
bestuiving vormt een paar witte vlekjes vóór den vleugelwortel en
bevindt zich ook aan de borstzijden, op het schildje en den achterrug;
boven op den thorax en op het schildje is eene digte, korte, zwart-
achtige beharing; voorts aan den achterrand van den thorax eenige
borstels; vier vrij lange borstels aan dien van het schildje. Achterlijt
plat, eirond, vijfringig, glanzig zwart, met een eigenaardigen blaauw-
grijzen, iets metaalachtigen gloed en eene grootendeels lichtgrijze
bestuiving, die naarmate het licht valt, al of niet zigtbaar is; op de
voorste helft van den derden ring is deze bestuiving roestbruin , waar-
door in sommige rigtingen een dwarsband van die kleur te voorschijn
komt. Pooten zwart, met vrij digte beharing en enkele verspreide
borstels aan de scheenen; voethaken en voetballen zeer lang, de
laatsten bleekgeel en van lange fijne borstelharen omgeven. Vleugel-
schubben en vleugels lichtbruin; aan de schouder-dwarsader eene
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 15
donkere schaduw; aderbeloop ongeveer gelijk aan dat der Europesche
A. subcoleoptrata; aan het allereerste begin van den voorrand eene
kam van stevige zwarte borstels; ter plaatse waar de cubitaal-ader
uit de radiaal-ader ontspruit, een eeltachtig knobbeltje. Zie eene
afbeelding van den vleugel op PI. 1 fig. 12 (de buiging der discoidaal-
ader is daar echter te rond en de spitsdwarsader niet schuin genoeg
voorgesteld).
Een ¢ uit Argentina (Weyenbergh).
2. Trichopoda pennipes Fabr.
Musca pennipes, Fabr. Ent. Syst. IV. 348. 149; — Dictya pennipes,
Fabr. Syst. Anil. 327. 5; — Trichopoda pennipes, Wied. Auss. Zweifl.
II. 274. 9; Rob. D. Myod. 288. 1; — Phasia jugatoria, Say, Journ.
ac. Phil. VI. 172. 2 (see. Ost. Sacken).
Een 9 van Argentina (Weyenbergh).
3. Trichopoda pyrrhogaster Wied.
Wied. Auss. Zweifl. II. 272. 6.
Eenige wijfjes van Guadeloupe (Delaunay) in het museum te Brussel.
OCYPTERINAE.
1. Ocyptera Dosiades Walk.
Walk. List. Dipt. Brit. mus. IV. 695.
Een 9 uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het museum
te Brussel.
2. Ocyptera nigrina n. sp.
Nigra, albo-micans ; antennis rufescentibus; alarum dimidio costali
fusco; calyptris albis. — 9 long. 7,5 mm.
Kop merkelijk breeder dan de thorax, zijdeachtig wit, aan de
wangen met bruinen weerschijn; voorhoofd bijna de halve kopbreedte
innemende, met breeden zwartbruinen middenband, aan de kanten
met witten zoom; schedel glanzig. Sprieten donker roestkleurig; het
eerste lid kort; het tweede ongeveer dubbel zoo lang; het derde weder
dubbel zoo lang als het tweede, naar het einde iets verbreed en af-
gerond; sprietborstel zwart, aan de wortelhelft een weinig verdikt,
16 AMERIKAANSCHE DIPTERÁ.
Thorax zwart, met eenige lichtgrijze bestuiving, die van boven on-
duidelijke zwarte strepen vrijlaat; borstzijden met witte weerschijn-
vlekken, die een paar banden boven de voorste heupen vormen;
schildje glanzig zwart, plat, fijn bestippeld; op den thorax vrij stevige
borstels, in vier langsrijen geplaatst; op het schildje verscheidene
borstels, waarvan een paar aan den achterrand steviger dan de overige.
Achterlijf glanzig zwart; aan den voorrand van den derden en vier-
den ring een witgrijze vlekkige weerschijn; aan het eind van den
tweeden en derden ring van boven een paar macrocheten; voorts
enkele in de zijden, alsmede verscheidene aan het eind van den
vierden en op den eenigszins kolfachtig verdikten laatsten ring. Pooten
zwart, vrij dik; op elk der heupen eene zilverachtig witte vlek;
behalve de eindsporen, die aan al de scheenen voorhanden zijn, aan
de achterste scheenen nog verspreide borstels. Vleugelschubben wit;
de kleine kolfjes zwart. Vleugels grauwachtig; de voorrandshelft don-
kerbruin ; deze donkere kleur strekt zich uit tot aan de discoidaal-
ader en de spitsdwarsader, die zij als eene schaduw begeleidt; spits-
dwarsader dubbel gebogen; de steel der spitscel schuin naar boven
gerigt; schijfdwarsader bijna regt, op ten minste twee derden der
spitscel ingewricht.
Een 9 uit Argentina (Weyenbergh).
TACHININAE.
1. Dejeania corpulenta Wied.
Tachina corpulenta, Wied. Auss. Zweifl. I. 280. 1; — Dejeania
rufipalpis, Macq. Dipl. ex. IL, 3. 35. 5. pl. 3 f. 1; — D, venatria,
O. Sack. West. Dipt. 348.
Een d van Bogota (van Lansberge) in het museum te Leiden.
Op het gezag van Osten Sacken (Cat. Dipt. N. Am. 147) citeer ik
de bovengenoemde synoniemen en daarentegen niet D, corpulenta Macq.
(Suit, à Buff. Dipt. IL. 77. 22, Dipt. ex. IL. 3. 35. 4 en supp. 1. 143).
2. Dejeania pallipes Macq.
Macq. Dipl. ex. II. 3. 34. 2, pl. 2 f. 9,
rm D
[wee mannetjes van Bogota (van Lansberge) in het museum te
Leiden.
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 156
3. Dejeania armata Wied.
Tachina armata, Wied. Auss. Zweifl. II. 287. 11; — Dejeania
armata, Macq. Dipt. ex. supp. 4. 168.
Vier exemplaren van Montevideo in het museum te Leiden.
4. Dejeania rutilioides Jaenn.
Jaenn. Neue ex. Dipt. 137.
Een 2 van Arizona in het museum te Leiden.
5. Hystrieia vivida Harr.
Tachina vivida, Harr. Ins. New Engl. ed. HI. 612. pl. 8. f. 1; —
Hystricia testacea, Macq. Dipt. ex. U. 3. 44; — Tachina finitima ,
Walk. List Dipt. Brit. mus. IV. 70.
Twee mannetjes uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het
museum te Brussel.
De citatie uit Harris heb ik overgenomen uit den Catalogus der
Noord-Amerikaansche Diptera van Osten-Sacken. Deze acht het waar-
schijnlijk, dat Tachina abrupta Wied. dezelfde soort is; is dit wer-
kelijk zoo, dan zou laatstgemelde naam de prioriteit hebben.
6. Jurinia nigriventris v. d. Wulp.
V. d. Wulp, Notes from the Leyd. mus. IV. 81. 13.
Cinerea; capite pallido; antennis sordide rufis, articulo tertio nigri-
cante; palpis rufis, in apice subdilatatis; abdomine nigro nitido;
pedibus nigris; calyptris alisque dilute brunneis. — 2 long. 13 mm.
Aangezigt regtstandig, aan den mondrand sterk, bijna kegelvormig
vooruitstekend, even als de wangen en kinbakken bleek grijsachtig
geel met bruingrauwen weerschijn; een eind boven den mondrand ter
wederzijde een groote en enkele kleinere borstels. Voorhoofd aschgrauw,
met roestrooden, smallen, naar voren verbreeden langsband; voor-
hoofdsborstels weinig talrijk maar stevig; achterhoofd met grove geel-
achtige beharing en den gewonen krans van zwarte borstels. Sprieten
vuil roestkleurig; het eivormige derde lid, althans van voren en aan
de spits zwartachtig; sprietborstel zwart. Palpen roestkleurig, naar
het einde een weinig verdikt. Thorax en schildje met digte aschgrauwe
bestuiving; geheel van voren op deu thorax eenige aanduiding van
zwarte langsstrepen; de borstels achter op den thorax en aan den
2
al
18 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
achterrand van het schildje stevig en van aanzienlijke lengte. Ach-
terlijf gewelfd, glanzig zwart, alleen in de zijden van den laatsten
ring met eene zilverachtige, tot het gele neigende weerschijnvlek ;
tweede ring zonder macrocheten; aan den rand van den derden ver-
scheidene, die zeer stevig zijn; de laatste ring met digte zwarte be-
haring en een aantal stekels; buik op het midden der ringen met een
aantal dikke, vrij stompe, doornige borstels. Pooten zwart ; dijen en
vooral de scheenen met vele lange en krachtige borstels. Vleugelschubben
en vleugels met grauwbruine tint; vleugeladeren bruinzwart; ombui-
ging der discoidaal-ader met scherpen hoek; schijfdwarsader zacht
geslingerd.
Een vrouwelijk exemplaar uit Chile, in het Leidsch museum; een
ander, volkomen daarop gelijkend, uit Argentina (Weyenbergh) in
mijne collectie.
De soort is naauw verwant met J. bicolor Wied. (Auss, Zweifl. II.
282. 3) en ik zou haar zelfs als zoodanig hebben bestemd, ware het
niet dat Wiedemann eene teekening van den thorax aangeeft, waarvan
bij mijne overigens vrij gave voorwerpen naauwelijks iets te zien is,
en den anus een weinig doorschijnend rood noemt, wat evenmin op
mijne exemplaren past.
7. Jurinia nitida v. d. Wulp.
V. d. Wulp, Notes from the Leyd. mus. IV. 82. 14.
Nigra nitida; capite pallescente, sericeo; fronte, antennis pedibusque
nigris; palpis rufis, subdilatatis, curvatis; alis dilute brunnescentibus ,
ad basin rufis. — g long. 15,5 mm.
Glanzig zwart. Kop zijdeachtig bleekgeel, aangezigt regtstandig ;
de mondrand een weinig vooruitstekend; boven den mondrand ter
wederzijde een grootere en verscheidene kleinere borstels; voorhoofd
glanzig zwart, met dofzwarten, van achteren gespleten langsband ;
voorhoofdsborstels stevig; achterhoofd met digte geelgrijze beharing
en een krans van zwarte borstels. Sprieten zwart; het tweede lid
dun; het derde verbreed, half zoo lang als het tweede, aan het einde
afgeknot; sprietborstel tot digt aan het einde verdikt. Palpen roest-
kleurig, gebogen, naar het einde iets verdikt. Achterlijf gewelfd, zonder
lichte bestuiving; aan den rand van den tweeden ring eenige plat-
liggende, aan den rand van den derden ring eenige overeindstaande
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 19
stekelachtige macrocheten ; buik op het midden der ringen met stevige
borstels. Pooten zwart, onder aan de voordijen en aan de buitenzijde
der scheenen met vele borstels. Vleugelschubben en wortel der vleu-
gels roodgeel, welke kleur aan den voorrand tot halverwege de vleu-
gellengte reikt; de vleugels overigens met licht bruingrauwe tint;
aderen donkerbruin, in “het wortelgedeelte bruingeel; ombuiging der
discoidaal-ader met bijna regten hoek; de spitsdwarsader gebogen ;
schijfdwarsader bijna regt.
Een ¢ van Arizona (Neumögen) in het museum te Leiden.
8. Echinomyia robusta Wied.
Tachina robusta, Wied. Auss. Zweifl. II. 290. 15; — Echinomyia
analis, Macq. Dipt. ex. supp. 1. 144. 4. pl. 12 f. 3.
Een 9 uit Argentina (Weyenbergh).
Aan de wangen zijn omlaag, digt tegen den oogrand, een paar
borstels; aan den buik zijn alleen in ’t midden borstels.
Het komt mij niet twijfelachtig voor, dat E. analis Macq. (wel te
onderscheiden van E. analis Fabr.) dezelfde soort moet zijn als Tachina
robusta Wied. In de beschrijving kan ik geen wezenlijke punten van
verschil vinden; alleen noemt Wiedemann de vleugelschubben , elfen-
beinweiss”, terwijl Macquart ze beschrijft als „un peu roussâtres ”.
Mijn exemplaar komt in dat opzigt met Wiedemann’s opgave overeen;
daarentegen beantwoordt het, wat den vorm der sprieten betreft, ten
volle aan de beschrijving, daarvan door Macquart gegeven; diens
afbeelding overigens is, als gewoonlijk, te ruw om daarop eenige
conclusie te gronden.
9. Echinomyia immaculata Macq.
Macq. Dipl. ex. supp. 4. 169. 6. pl. 15 f. 8; v. d. Wulp, Notes
from the Leyd. mus. IV. 83. 15.
Een ¢ van Arizona (Neumögen) in het Leidsch museum reken ik,
voorloopig althans, tot deze soort, omdat Macquart’s beschrijving
daarop geheel kan worden toegepast. Het verschil in vaderland (Mac-
quart geeft Brazilie aan) zou echter wel eene aanleiding zijn tot twijfel.
Het aangezigt heeft een sterken geelrooden weerschijn, vooral aan
den mondrand; de wangen zijn zonder borstels; de palpen zijn zeer
dun; het derde sprietenlid is ongeveer even lang als het tweede,
20 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
10. Echinomyia picea Rob. D.
Rob. D. Myod. 44. 2; Macq. Dipt. ex. II. 3. 37. 2. pl. 3. GE
Beide sexen van Quebec (Provancher) in het museum te Brussel.
De aangehaalde beschrijvingen passen op deze voorwerpen beter dan
op de volgende, overigens zeer verwante soort. De vleugels zijn bruin-
achtig grauw, aan de basis en het begin van den voorrand roestkleurig ;
de vleugelschubben helder roodgeel; het aangezigt en de wangen mede
roodgeel; de top der knieën roestkleurig.
11. Echinomyia lugubris n. sp.
Nigro-picea ; capite albescente ; antennarum articulis basalibus duobus
palpisque rufis; calyptris albis; alis cinereo-hyalinis, basi pallide
rufo. — ¢ 2 long. 13 mm.
Gelijkt op de vorige, doch onderscheiden door een meer witten kop,
door niet roodgele maar witte vleugelschubben, en bijna glasachtige,
aan den wortel slechts een weinig roodgele vleugels. Aangezigt, wan-
gen en kinbakken zijdeachtig geelwit; de mondrand roodachtig ; voor-
hoofd zwartachtig met lichtgrijzen weerschijn ; voorhoofdsborstels een
weinig beneden den sprietwortel afdalende; wangen zonder borstels,
doch met eenige fijne haren digt bij de oogen; kinbaard en beharing
van het achterhoofd vuilwit, digt en vrij ruw. De beide eerste sprie-
tenleden roestkleurig; het tweede lid van boven zwartborstelig; het
derde zwart, van onderen afgerond. Palpen roestkleurig, naar het
einde iets verdikt. Thorax glanzig zwart, naauwelijks een weinig grauw -
bestoven ; schildje roodbruin; achterlijf glanzig zwart, met roodbruinen
gloed, die zich het meest aan de zijden en soms ook aan den anus
vertoont; bij een der exemplaren bevindt zich aan den voorkant der
ringen, vooral aan de kanten, eene grijze vlekkige bestuiving, die
bij al de anderen ontbreekt (waarschijnlijk omdat zij meer afgevlogen
zijn). Pooten zwart, de scheenen pekbruin; aan de knieën eene
roodachtige stip. Vleugelschubben wit. Vleugels met flaauwe grauw-
achtige tint, aan den wortel bleek roodgeel; ook de aderen aldaar
van die kleur: bij het 9 is de basis der vleugels iets donkerder, ter-
wijl de middeldwarsader en de ombuiging der discoidaal-ader door
een donker schaduwvlekje zijn geteekend, waarvan bij het 4 naauwe-
lijks eenig spoor gevonden wordt.
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 21
Verscheidene exemplaren van Quebec (Provancher) in het museum
te Brussel,
12. Echinomyia vittata n. sp.
Testacea; thorace cinereo; abdomine vitta dorsali nigra; ano utrinque
argenteo-micante; capite pallide rufescente; antennis palpisque ferru-
gineis; antennarum articulo tertio nigricante; pedibus piceis; calyptris
albescentibus; alis cinereis, basi costaque ferrugineis. — Long. 10, 5
mm, (4), 9 mm. (9).
Kop zijdeachtig bleek roodgeel; voorhoofd van boven bijna 3) of
ruim (2) de halve kopbreedte innemende, in ’t midden met een niet
sterk sprekenden roestkleurigen langsband en aan weerskanten met
eene dubbele rij borstels, die ter halverwege het tweede sprietenlid
afdalen ; aangezigt zacht ingebogen, aan den mondrand een weinig
vooruitstekend ; wangen en kinbakken met beharing, de wangen zonder
borstels; mondrand ter wederzijde en kinbakken van onderen met
eenige zwakke borstels; achterhoofd met geelachtig aschgrauwe be-
haring en een’ krans van zwarte borsteltjes. Sprieten roestkleurig ;
het derde lid zwartachtig, althans aan den voorkant, die een weinig
uitgebogen is; sprietborstel zwart, vrij dik, eerst aan de spits ver-
dund. Palpen roodgeel, cylindrisch (4) of aan ’t einde iets verdikt (9).
Thorax aschgrauw, op den rug met onduidelijke zwartachtige langs-
strepen, in de zijden eenigszins geelachtig; behalve de korte donkere
beharing, zwarte borsteltjes, die aan de zijden en den achterrand
langer worden; schildje roodgeel, met witte bestuiving en zwarte
beharing, aan den achterrand met lange en stevige borstels. Achterlijf
glanzig roodgeel, eenigszins doorschijnend, met zwarten rugband, die
op den eersten ring breeder wordt en op den vierden bijna verdwijnt;
deze laatste ring ter wederzijde met zilverwitten weerschijn; buik
doorschijnend roodgeel, aan het einde zwartachtig, alleen op de mid-
delhjn met borstels. Pooten pekzwart, de knieën en voorste scheenen
naar het roestkleurige overhellende; dijen en scheenen met vele borstels.
Vleugelschubben vuilwit. Vleugels aschgrauw, aan den wortel en
voorrand roestkleurig.
Argentina (Weyenbergh), een paartje.
Ofschoon het ¢ kleiner is en zich door aan ’teind verdikte palpen
onderscheidt, is de overeenkomst overigens zoo groot, dat ik niet
aarzel de beide voorwerpen als dezelfde soort te beschouwen.
22 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
13. Echinomyia piliventris n. sp.
Nigricans; capite pallide rufescente; antennarum articulis basalibus
palpisque ferrugineis ; thorace albido-pollinoso; scutello testaceo; abdo-
mine nigro submetallico, albido-tessellato; ventre pilosulo; pedibus
nigris; calyptris albescentibus; alarum basi rufescente. — d long.
10, 5 mm.
Kop zijdeachtig bleek roodgeel; voorhoofd van boven ongeveer een
derde der kopbreedte innemende, roestkleurig, ter wederzijde met
glanzig bleekgelen zoom, die naar gelang het licht er op valt, breeder
wordt, zoodat er soms slechts een roestkleurige middenband overblijft;
voorhoofdsborstels als bij de vorige soort. Aangezigt regtstandig, aan
den mondrand vooruitstekend, wangen naakt; beharing en beborsteling
van den mondrand, de kinbakken en het achterhoofd als bij E. vittata.
Sprieten roestkleurig; het derde lid zwartachtig, van voren een weinig
uitgebogen; palpen roestkleurig, gebogen, naar het einde naauwelijks
iets verdikt. Thorax glanzig zwart, met witachtige bestuiving, die
vooral van voren en in de zijden duidelijk is en van voren min of
meer zwarte langsstrepen vertoont; schildje glanzig roodgeel. Achter-
lijf glanzig zwart met metaalachtigen gloed en zilvergrijze weerschijn-
vlekken, die in de zijden tegen den voorrand der ringen het meest in
‘toog vallen; de tweede en derde ring aan de kanten een weinig
roodbruin; van de macrocheten op het achterlijf zijn slechts enkele
aan den rand van den tweeden en derden ring overgebleven. Pooten
zwart, met de gewone borstels; die aan de middenscheenen lang en
stevig; achterscheenen van onderen met roodgelen haarglans, Vleugel-
schubben witachtig. Vleugels met grauwbruine tint, aan den wortel
roodgeel ; behalve de randader, die zwart is, zijn de overige aderen
roestkleurig ; schijfdwarsader een weinig gebogen.
Een 4 uit Argentina (Weyenbergh).
14. Cyphocera macrocera Wied.
Tachina macrocera, Wied. Auss. Zweifl. II. 290. 16; — Cuphocera
macrocera, Schin. Dipl, Nov. Reise, 350. 114.
Een d van Bahia (de Lacerda) in het museum te Brussel.
De soort is verwant aan die, welke ik naar een Noord-Amerikaansch
exemplaar als Schineria ruficauda heb beschreven (Tijdschr. v. Ent.
X. 146. 18). Löw heeft daaromtrent opgemerkt, dat deze beter in het
AMERIKAANSCHE DIPTERA. DES
geslacht Cyphocera past; ik moet hem daarin gelijk geven, wanneer
men althans niet al te veel waarde hecht aan de lengteverhouding
der sprietleden. Als kenmerk van het genus wordt namelijk aangegeven,
dat het derde lid korter zou zijn dan het tweede, terwijl in de beide
mij bekende soorten (ruficauda en macrocera) het derde sprietenlid
eer iets langer is, ofschoon het door zijnen vorm overigens aan de
geslachten Echinomyia en Micropalpus herinnert. Cyphocera maakt den
overgang uit tusschen die beide genera; met het eerste komt het in
de naakte oogen, met het tweede in de kleine, bijna rudimentaire
palpen overeen.
15. Gonia pallens Wied.
Gonia pallens, Wied. Auss. Zweifl. IL. 346. 6; Macq. Dipt. ex. 1.
3. 50. 4; Lynch Arribalzaga, Anal. Soc. cient. Argent. X. 1880.
viti; — G. chilensis, Macq. l.c. 5. pl. 5 f. 4; Blanch. bij Gay, Hist.
fis. pol. y nat. de Chile VII. 422. 1; — G. angusta, Macq. 1. c. 56.
7. pl. 5. f. 5; — G. lineata, Macq. 1. c. supp. 4. 178. 14.
Een 9 uit Argentina (Weyenbergh).
Het derde sprietenlid is bij dit exemplaar niet roodgeel, maar zwart-
achtig met lichtgrijzen weerschijn; het laatste lid van den sprietborstel
is ten minste anderhalfmaal zoo lang als het voorlaatste; op de ge-
zigtslijst staan in het midden drie of vier borstels. De borstels achter
op den thorax en die van het schildje zijn zeer lang en stevig; de
laatsten reiken wel tot halverwege het achterlijf. De middenscheenen
hebben vooral aan de buitenzijde verscheidene lange en stevige bor-
stels; de achterscheenen zijn buitenwaarts zeer regelmatig met korte
borstels gewinperd, waartusschen een weinig onder het midden een
enkele, langere borstel uitsteekt.
16. Belvosia bifasciata Fabr.
Musca bifasciata, Fabr. Syst. Ent. 777. 19; id. Ent. Syst. IV. 325.
33; id. Syst. Antl. 299. 78; — Ocyptera bifasciata, Latr. Diet. d’hist.
nat. XXIV. 195. 373; — Tachina bifasciata, Wied. Auss. Zweifl. II.
305. 44; — Latreillia bifasciata, Rob. D., Myod. 104. 1; — Nemoraea
bifasciata, Macq. Suit. à Buff. Dipt. II. 104. 19; Bigot, in R. de la
Sagra, Mist. phys. pol. et nat. de Vile de Cuba, anim. artic. 813; —
Belvosia bifasciata, Macq. Dipt. ex, U. 3. 57. 1. pl. 6. f£. 2; —
24 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
Belvosia bicincta, Rob. D. Myod. 103, 1; — Senometopia bicincta, Macq.
Suit. à Buff. Dipt. IT. 112. 28.
Een 9 uit Brazilie in ’s Rijks museum te Leiden; verscheidene
exemplaren van beide sexen uit Columbie in het museum te Brussel.
Deze soort is als type te beschouwen van het geslacht Belvosia,
door Robineau Desvoidy dus genoemd ter eere van den bekenden
Franschen reiziger en natuuronderzoeker Palisot de Beauvois.
Aan de hierboven aangehaalde beschrijvingen voeg ik nog het vol-
gende toe. De kop is breeder dan de thorax; het voorhoofd in beide
sexen zeer breed en van boven minstens een derde gedeelte van den
kop innemende; de gezigtslijsten treden sterk vooruit en zijn van
boven boogvormig over den sprietwortel omgetrokken (zie PI. 1 fig. 13)-
Palpen roestkleurig. Aan den derden achterlijfsring een witte of geel-
witte, soms iets goudachtige voorzoom; de vierde ring geheel van die
kleur; de borstels van thorax, schildje en achterlijf stevig en allen
platliggend ; onder aan de dijen en aan de buitenzijde der achterste
scheenen (fig. 14) vele borstels; voethaken roodgeel met zwarte spits.
Het geslacht Belvosia gelijkt door het breede, eivormige ligchaam
veel op onze Nemoraea’s of op de grootere soorten van Masicera (major,
sculellata enz.), met welke laatsten het de naakte oogen, de vrij lange
sprieten en de digt beborstelde achterscheenen gemeen heeft. Het
onderscheidt zich echter aanstonds door de plaatsing van den grooten
mondborstel niet aan-, maar een eind boven den mondrand, en door
de lange en stevige, platliggende borstels, die in grooten getale aan
den achterrand van het schildje voorhanden zijn en veelal wel tot
halverwege het achterlijf reiken; ook de macrocheten van het ach-
terlijf zijn zeer stevig en doen aan die van het geslacht Jurinia
denken. De voethaken zijn gewoonlijk roodgeel met zwarte spits of
althans aan den wortel roodachtig.
Behalve Belvosia bifasciata, reken ik tot dit geslacht ook Blephariptera
rufipalpis Macq. en zijn mij bovendien nog twee soorten bekend, die
zooveel ik kan nagaan, onbeschreven zijn en hieronder vermeld worden.
Analytisch kunnen deze vier soorten op de volgende wijze worden
onderscheiden :
1. Kop duidelijk breeder dan de thorax ; de
gezigtslijsten sterk uitpuilend. . . . bifasciata F,
Kop ongeveer zoo breed als de thorax; de
gezigtslijsten matig vooruitspringend. . 2.
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 25
2. Achterlijfeenkleurig zwart; vleugels grauw ;
achterscheenen buitenwaarts franjeach-
tig digt met borstels bezet. . . . . rufipalpis Macq.
Achterlijf zwart, met den vierden ring wit
of geelachtig; vleugels donkerbruin ;
achterscheenen niet franjeachtig gewim-
perd, ofschoon met vele borstels bezet. 3.
3. Derde sprietenlid dubbel zoo lang als het
tweede; voorhoofdsborstels ter wederzijde
in eene dubbele rij beneden den spriet-
wortel afdalende; macrocheten op het
achterlijf overeindstaande +. . . . . Weyenberghiana n. sp.
Derde sprietenlid driemaal zoo lang als het
tweede; voorhoofdsborstels ter weder-
zijde in eene enkele rij beneden den
sprietwortel afdalende ; macrocheten op
het achterlijf platliggende . . . . . leucopyga n. sp.
17. Belvosia rufipalpis Macq.
Blephariptera rufipalpis, Macq. Dipt. ex. IL 3. 55. 1. pl. 6 f. 1;
id. supp. 1. 158; Bigot, in R. de la Sagra, Hist. phys. el nat. de
Vile de Cuba, 815.
Van deze soort bezit ik een wijfje, mij door Prof. Weyenbergh uit
de Argentijnsche republiek overgezonden, en zag ik twee mannetjes
in de collectie van het Brusselsche museum, het eene van Columbic,
het andere door wijlen C. van Volxem in Brazilie gevangen.
Het geslacht Blephariptera Macq. onderscheidt zich voornamelijk , zoo
niet alleen, van Belvosia door de buitenwaarts franjeachtig beborstelde
achterscheenen, een kenmerk naar mijn inzien niet voldoende om
daarop eene generieke afzondering te gronden, te minder omdat ook
in de mij bekende Belvosia-soorten de achterscheenen vrij digt met
borstels bezet zijn. In de overige en meer wezenlijke kenmerken be-
staat inderdaad eene in ’t oog vallende overeenkomst.
Aan de beschrijvingen van Macquart en Bigot is nog het volgende
toe te voegen.
Kop ter breedte van den thorax; het voorhoofd in beide sexen bijna
even breed, naar boven een weinig smaller en op de kruin ongeveer
het vierde gedeelte van den kop innemende; de gezigtslijsten minder
26 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
uitpuilend dan in B. bifasciata; voorhoofdsband zwart, smal, onmid-
dellijk boven de sprieten iets verbreed en daar in eene roestkleurige
glanzige plek eindigende; voorhoofdsborstels ter wederzijde in eene
enkele rij beneden den sprietwortel afdalende. Achterlijf eenkleurig
zwart, met flaauwen glans. Pooten met vele borstels, die onder aan
de voordijen kamachtig op eene rij zijn geplaatst ; aan de buitenzijde
der middenscheenen en onder aan de achterdijen eenige borstels van
aanzienlijke lengte; die aan de buitenzijde der achterscheenen in
beide sexen eene digte franje vormende (zie Pl. 1 fig. 15); voethaken
zwart, aan den wortel slechts een weinig roodachtig. Vleugels grauw,
aan den wortel even als de vleugelschubben donkerbruin.
18. Belvosia Weyenberghiana n. sp. (PI. 1 fig. 16).
Atra ; thorace albido-pollinoso, substriato; abdominis segmento ultimo
pallide ochraceo, nudo; epistomate albescente; antennis pedibusque
nigris; palpis obscure rufis; alis fuscis, basi nigra. — ¢ long. 11 mm.
Kop ter breedte van den thorax; aangezigt en wangen wit, eenigs-
zins zilverglanzig, met roodbruinen weerschijn; voorhoofd zwartachtig
grauw, naar achteren iets versmald en op de kruin een derde der
kopbreedte innemende; de voorhoofdsband breed, weinig duidelijk,
tot het roodachtige neigende; onmiddellijk boven de sprieten eene
roestkleurige vlek; voorhoofdsborstels vrij stevig, ter wederzijde in
eene dubbele rij beneden den sprietwortel afdalende ; de gezigtslijsten
niet zoo sterk uitpuilende als bij B. bifasciata; boven den grooten mond-
borstel nog 4 of 5 zwakkere borstels, waarvan de bovenste ongeveer ter
halver hoogte van het gezigt is geplaatst (fig. 17); achterhoofd met digte
grijsachtig witte beharing. Sprieten zwart; het tweede lid verlengd ;
het derde ten minste dubbel zoo lang als het tweede en daarbij smal;
sprietborstel tot over het midden verdikt. Palpen donker roodbruin.
Thorax zwart, ten gevolge eener witachtige bestuiving eenigszins tot
het grijze neigende; van zwarte langsstrepen is slechts eenige aan-
duiding; schildje en achterlijf zwart, bijna fluweelig; vierde ring bleek
okergeel en behalve in de zijden en aan den achterrand, waar de
kleur weder zwart wordt, zonder beharing of borstels ; anus zwart.
De borstels van het ligchaam aanzienlijk ; aan het achterste gedeelte
van den thorax en den achterrand van het schildje vele stevige,
lange, platliggende borstels ; de macrocheten aan het eind der lijfs-
ringen regtop staande en daardoor zeer in ’t oog vallend. Pooten
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 27
zwart, rijk beborsteld ; aan de voorpooten onder tegen de dijen en
aan de buitenzijde der scheenen de borstels kamachtig op eene rij ;
aan de buitenzijde der middenscheenen en onder aan de achterdijen
enkele bijzonder iange borstels; achterscheenen buitenwaarts met vele
borstels, die evenwel niet als eene franje zijn geplaatst (fig. 18). Voethaken
roodgeel met zwarte spits en even als de okergele voetballen (bij het 4)
groot en met borstels omgeven. Vleugelschubben en vleugels zwartbruin,
de wortel der vleugels zwart; aderbeloop geheel gelijk aan dat van
B. bifasciata.
Een ¢ uit Argentina, dat ik aan de goedheid van Prof. Weyenbergh
heb te danken.
19. Belvosia leucopyga v.d. Wulp.
V. d. Wulp, Notes from the Leyd mus. IV. 84. 17.
Nigra; capite griseo-albo; fronte nigricante, in & postice attenuato;
vitta frontali rufescente; thorace antice albido pollinoso, substriato ;
scutello piceo (4) vel obscure rufo (g); abdominis segmento ultimo
albescente; antennis pedibusque nigris; palpis ex rufo fuscis; alis
infuscatis. — 49 long. 12 mm.
Kop ten minste zoo breed als de thorax; aangezigt en wangen
grijsachtig wit; voorhoofd zwartachtig, bij het d naar achteren sterk
versmald, zoodat het op de kruin minder dan het vierde gedeelte
der kopbreedte inneemt; bij het 2 het voorhoofd breed, op de kruin
ruim een derde van den kop innemende; voorhoofdsband roodbruin,
vrij smal; voorhoofdsborstels matig stevig, ter wederzijde in eene
enkele rij beneden den sprietwortel afdalende; de gezigtslijsten niet
zoo sterk uitpuilende als bij B. bifasciata en met eenige borstels bezet,
die ten minste tot halverwege het gezigt opklimmen ; achterhoofd met
digte lichtgrijze beharing. Sprieten zwart; het tweede lid vrij kort;
het derde ten minste driemaal zoo lang als het tweede; sprietborstel
tot het midden verdikt. Palpen zwartbruin, naar het eind roestkleurig.
Thorax zwart, geheel van voren met eenige witte bestuiving, waarin
zwarte langsstrepen zijn aangeduid; schildje bij het d pekzwart, bij
het 9 donker bruinrood. Achterlijf zwart; de vierde ring witachtig,
de anus weder zwart; de macrocheten allen platliggend, sommigen
aan het eind van den derden ring dik en doornachtig. Pooten zwart, de
borstels alsmede de voethaken en de voetballen als bij B. Weyenberghiana ;
28 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
bij het 9 de voethaken en voetballen korter. Vleugels en vleugel-
schubben donkerbruin.
Een paartje van Brazilie (Beseke) in het Leidsch museum.
Deze en de vorige soort schijnen naauw verwant aan B. analis
Macq. (Dipt. ez. supp. 1. 460. 2. pl. 14. f. 4), die echter kleiner is
en bij welke de wortelleden der sprieten bruingeel zijn.
20. Nemoraea erythropyga v. d Wulp.
V. d. Wulp, Notes from the Leyd. mus. IV. 83. 16.
Nigra; facie, antennis pro parte majore, abdominisque segmento
quarto rufis; thorace striis quatuor griseis; pedibus piceis ; alarum
nervo transversali medio infuscato. — 4 long. 11 mm.
Door de behaarde oogen, de alleen van onderen bewimperde gezigts-
lijsten, de breede wangen en kinbakken, het derde sprietenlid, dat
niet langer dan het tweede is, het eivormige achterlijf en de aan de
ombuiging niet verlengde discoidaal-ader behoort deze soort tot het
geslacht Nemoraea.
Aangezigt en wangen vuil roestkleurig; voorhoofd naar boven sterk
versmald, zwartachtig, alleen aan de uiterste oogkanten lichter; ter
wederzijde van den sprietwortel eene ronde zwarte vlek; de onderste
voorhoofdsborstels niet verder dan deze vlek afdalende; oogen met
geelgrijze beharing; mondborstels langs de gezigtslijsten tot aan het
ondereind der sprieten opklimmende; ook de wangen met een aantal
borstels. Sprieten ter halverwege het gezigt reikende, roestkleurig ;
de heide eerste leden van boven borstelig; het tweede lid verlengd ;
het derde zoo lang als het tweede, naar het eind iets verbreed en
donkerbruin ; sprietborstel zwart, tot ongeveer de helft verdikt. Palpen
zwart. Thorax zwart, van boven met vier lichtgrijze langsbanden,
de beide buitenste breeder en meer vlekachtig; borstzijden van voren
vuil roestkleurig; behalve de zwarte beharing op den thorax zijn op
de lichte banden en overigens van achteren en in de zijden lange
borstels. Schildje zwart, aan de kanten en van achteren met grijze
bestuiving, en voorts met zwarte beharing en eenige lange borstels.
Achterlijf langwerpig eivormig, zwart; de tweede en derde ring met
grijzen weerschijn, die naarmate het licht er op valt, zich voordoet
als zijvlekken of als een voorzoom der ringen ; vierde ring roodgeel ;
macrocheten aan den rand der ringen, op den derden ring ook in
't midden en op den vierden over de geheele oppervlakte verspreid.
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 29
Pooten langer en dunner dan bij de meeste soorten van het geslacht ,
pekbruin ; de heupen en wortel der dijen tot het roestkleurige nei-
gende; dijen met kamachtig geplaatste, scheenen met verspreide
borstels; haken en voetballen lang. Vleugelschubben bruingrauw, met
geelachtigen rand. Vleugels met grauwe tint; spitsdwarsader en schijf-
dwarsader gebogen; de laatste op drie vierden der spitscel ingewricht ;
middeldwarsader schuin achterover geplaatst, zwartachtig gezoomd.
Een & van Chile in het Leidsch museum.
21. Masicera insignis v. d Wulp.
V. d. Wulp, Notes from the Leyd. mus. IV. 85. 18.
Cinerea ; antennis, striis thoracis quatuor, abdominis segmento primo,
segmentorum 2—4 limbo postico, linea dorsali pedibusque nigris; palpis
testaceis ; thoracis stria media et scutelli apice rufescentibus ; abdo-
minis segmento ultimo limbo antico flavo. — ¢ long. 8,5 mm.
Wegens de naakte oogen, het ongewimperde aangezigt, de onmid-
dellijk aan den mondrand ingewrichte mondborstels, het verlengde
derde sprietenlid, het breed eivormige achterlijf en de aan de om-
buiging niet verlengde discoidaal-ader, tot het genus Masicera gebragt.
Kop zwartachtig met zilverwitten weerschijn ; voorhoofd naar ach-
teren versmald, de middenband smal, weinig in ’toog vallend, alleen
door het gemis van witten weerschijn te onderscheiden ; voorhoofds-
borstels ter wederzijde op eene dubbele rij geplaatst en tot iets beneden
het tweede sprietenlid afdalende; aangezigt regtstandig ; mondrand
niet vooruitstekend, met roodachtige tint; achter den grooten mond-
borstel nog verscheidene kortere borstels; achterhoofd grijsharig en
bovendien met een’ krans van zwarte borsteltjes achter de oogen.
Sprieten zwart, een weinig korter dan het gezigt; de wortelleden
van boven met borstels; het derde lid ten minste driemaal zoo lang
als het tweede; sprietborstel tot over het midden verdikt. Palpen
bruingeel. Thorax van boven aschgrauw, met vier doorloopende zwarte
langsstrepen ; de middenste tusschenruimte roodachtig aschgrauw, de
beide buitenste met witte bestuiving ; borstzijden en borst zwart; schildje
roodachtig aschgrauw; thorax in de zijden en van achteren met lange
borstels, even als de achterrand van het schildje. Achterlijf eivormig ,
licht aschgrauw; de eerste ring, eene rugstreep, de achterzoom van
den tweeden en derden ring, benevens de anus zwart met eenigen
glans; de zwarte zoom der middenste ringen aan weerszijden drie-
30 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
hoekig verbreed; vierde ring van voren tot over de helft scherp afge-
scheiden helder roodgeel, in ’t midden door eene fijne zwarte lijn (het
vervolg der rugstreep) gedeeld; macrocheten der middenste ringen
alleen aan den rand. Pooten zwart; middenscheenen met eenige langere
borstels ; achterscheenen aan de buitenzijde digt met borstels gewim-
perd ; haken en voetballen vrij lang. Vleugelschubben en vleugels met
naauwelijks eenige grauwe tint; geen randdoorn; spitscel op eenigen
afstand van de vleugelspits geopend; spitsdwarsader bijna regt; schijf-
dwarsader zeer flaauw gebogen, op twee derden der spitscel ingewricht.
Een gaaf d en nog een tweede, waaraan het achterlijf ontbreekt ,
van Chile, in het Leidsche museum.
DEXINAE.
1. Prosena mexicana Macq.
Macq. Dipt. ex. supp. 4. 231. 7. pl. 21 f. 12.
Een d uit Mexico (Dugés) in het museum te Brussel.
2. Prosena longipalpis n. sp.
Cinerea; capite albido; vitta frontali, antennis, palpis pedibusque
flavis; antennarum seta brevipennata ; palpis elongatis filiformibus ;
abdomine rufescente, vitta dorsali nigricante. — 9 long. 9,5 mm.
Gelijkt in vorm, kleur en teekening zeer op onze Pr. siberita, doch
door de lange dunne palpen en den slechts kort gevederden sprietborstel
duidelijk onderscheiden. Kop (PI. 2 fig. 1) grijsachtig wit, aan den mond-
rand, op de wangen en op het voorhoofd eenigszins geelachtig; voor-
hoofdsband roodgeel ; voorhoofd en aangezigt ongeveer even lang. Sprieten
tot twee derden van het gezigt reikende, roestkleurig ; het eerste
lid met een of meer borsteltjes; het tweede lid met een borstel;
het derde slank, twee-en-een-halfmaal zoo lang als het tweede, naar
het eind een weinig gebruind; sprietborstel roodbruin, kort gevederd,
aan de wortelhelft verdikt, langzamerhand dunner en aan ’t eind
haarvormig. Zuiger roestkleurig; het laatste derde deel zwartbruin ;
palpen bleek roodgeel, draadvormig, langer dan de kop en naar het
einde met eenige zwarte borsteltjes. Thorax aschgrauw, met zeer
onduidelijke langsstrepen, vaalgele beharing en zwarte borstels, die
op den rug in langsrijen zijn geplaatst; schildje een weing roodachtig ,
met zwarte beharing en borstels, waarvan er vier lang en stevig zijn.
TTI
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 31
Achterlijf eivormig, geelrood; in sommige rigtingen zijn de insnij-
dingen, een vrij breede rugband over den tweeden ring en groote
vlekken op de beide laatste ringen licht aschgrauw : in andere rigting
komt eene zwartachtige rugstreep voor den dag, die met eene altijd
zigtbare vlek op den eersten ring begint; beharing van het achterlijf
zwart; aan den achterrand van den tweeden ring een paar overeind
staande macrocheten; een aantal dergelijke aan den achterrand van
den derden ring en rondom den anus; buik roodgeel met zwarte rug-
streep. Pooten bleek okergeel; de tarsen naar het einde donkerbruin.
Vleugelschubben geelachtig. Vleugels (fig. 2) met grijze tint, aan den
wortel en ’t begin van den voorrand geelachtig; randader zwart, de
overige aderen bruingeel; ombuiging der discoidaal-ader met iets afge-
ronden hoek; spitsdwarsader aanvankelijk regt en eerst aan het einde
gebogen ; middeldwarsader op het midden der schijfcel; schijfdwarsader
een weinig voorbij het midden der spitscel.
Een 9 van Argentina (Weyenbergh).
3. Prosena sarcophagina n. sp.
Cinerea ; thorace nigro-trivittato; abdomine nigro-tessellato ; capite
rufescente-albo; vitta frontali, antennis, proboscide pedibusque nigris;
palpis filiformibus pallide flavis. — 4 9 long. 10 mm.
Van het aanzien eener Sarcophaga. Kop (PI. 2 fig. 3) grijsachtig oker-
geel met witten weerschijn ; aangezigt korter dan het voorhoofd, in ’t mid-
den lichtgrijs, even als het voorhoofd, dat bij het naar boven sterk
versmald is; voorhoofdsband zwart. Sprieten vrij kort, zwartbruin ;
de beide eerste leden lichter, tot het roodgele neigende; het tweede
lid met een langen borstel; het derde slank, twee-en-een-halfmaal
zoo lang als het voorgaande; sprietborstel lang en digt gevederd, aan
de wortelhelft verdikt. Zuiger zwart; palpen bleek roodgeel, draad-
vormig, niet langer dan de mondrand. Thorax, schildje en achterlijf
aschgrauw; op den thorax drie zwarte langsbanden, waarvan de
middenste ook over het schildje wordt voortgezet; achterlijf kegelvor-
mig (4) of eivormig (2), met zwartbruine weerschijnvlekken; beharing
en borstels zwart; macrocheten aan den rand der middenste ringen
en aan den anus. Pooten zwart. Vleugelschubben bruinachtig met wit-
ten rand. Vleugels (fig. 4) grijsachtig met zwarte aderen; middeld wars-
ader op het midden der schijfcel; ombuiging der discoidaal-ader met
32 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
stompen hoek; spitsdwarsader regt; schijfdwarsader gebogen, op twee
derden der spitscel ingewricht.
Een paartje van Argentina (Weyenbergh).
4. Dexia tenuicornis n. sp.
Cinerea; capite albido; seutello, abdomine pedibusque rufis ; abdo-
mine vitta dorsali maculisque duabus nigris; antennarum articulis
basalibus rufis, articulo tertio nigro, elongato; alarum costa testacea. —
3 long. 9,5 mm.
Kop (PI. 2 fig. 5) zijdeachtig wit met grijzen weerschijn; voorhoofd
smal, op de kruin naauwelijks een zesde van de kopbreedte innemende;
voorhoofdsband zwart, naar voren een weinig verbreed; aangezigt in ’t
midden zonder kielvormige verhooging; mondrand vooruitstekend , met
roodgelen weerschijn. Sprieten lang en smal; de beide eerste leden
roodgeel; het tweede eenigszins opgehoogd, met een langeren en een
paar kleinere borstels; het derde lid zwart, driemaal zoo lang als het
tweede; de borstel kort maar digt gevederd, aan den wortel verdikt.
Palpen lang en dun, roodgeel, met zwarte borstels. Thorax aschgrauw,
van boven donkerder, in de borstzijden grijs; op den rug van voren
eenige aanduiding van zwartachtige langsstrepen ; schildje roodgeel.
Achterlijf kegelvormig, doorschijnend roodgeel; over de drie eerste
ringen eene zwarte rugstreep, die aan ’t eind van den tweeden en
derden ring verbreed is; ter wederzijde van den derden ring eene
zwarte vlek; de beide laatste ringen bovendien met witte weerschijn-
vlekken. Pooten roodgeel, met zwartbruine tarsen. Vleugelschubben
geelachtig. Vleugels (fig. 6) bruinachtig grauw, langs den voorrand met
bruingele tint ; ombuiging der discoidaal-ader afgerond ; middeldwarsader
vóór het midden der schijfeel; schijfdwarsader zacht gebogen , op twee
derden der spitscel ingewricht.
Een d van Argentina (Weyenbergh).
Bij deze en de beide volgende soorten is de zuiger langer en
hoornachtiger dan bij onze Europesche Dexia’s ‚ ofschoon niet zoo lang
als in het geslacht Prosena en ook niet, zooals daar, tot het einde
dun, maar met verdikte eindlippen ; voorts is de ombuiging der discoidaal-
ader niet hoekig en scherp, maar afgerond. Waarschijnlijk zullen zij
later, op grond van deze en welligt nog andere kenmerken, tot het
vormen van een afzonderlijk genus aanleiding geven.
AMERIKAANSOHE DIPTERÁ. 33
5. Dexia parvicornis n. sp.
Cinerea ; abdomine albo-nigroque tessellato; antennis brevis, rufis,
apice nigro; pedibus piceis; calyptris albis; alis brunnescentibus. —
g long. 11 mm.
Aschgrauw. Kop (PI. 2 fig. 7) gezwollen, witachtig grijs; wangen
roodbruin ; mondrand niet vooruitstekend; mondborstels talrijk en
eenigszins langs de gezigtslijsten opklimmende; aangezigt in ’t midden
zonder kielvormige verhooging; wangen en kinbakken zeer breed; voor-
hoofd breed , ongeveer de halve kopbreedte innemende, met donker rood-
bruinen middenband. Sprieten kort, ongeveer een derde ter lengte van
het aangezigt; de beide eerste leden helder geelrood; het derde aan
den wortel ook van die kleur, doch verder zwart; het tweede een
weinig verheven, met borstels bezet; sprietborstel zwart, digt maar
niet zeer lang gevederd, aan den wortel verdikt. Zuiger lang, glanzig
zwart; palpen roodgeel. Thorax van voren met donkere langsstrepen ,
die naar mate van het invallende licht, zich in nog smaller lijnen
verdeelen ; schildje eenigszins roodachtig. Achterlijf eivormig, met
zwarte en zilverachtig witte weerschijnvlekken. Pooten pekzwart; de
heupen aschgrauw; de knieën en min of meer de scheenen met bruin-
rooden gloed. Vleugelschubben witachtig. Vleugels (fig. 8) met rood-
bruine tint; ombuiging der discoidaal-ader sterk vooruitstekend; mid-
deldwarsader op het midden der schijfcel; schijfdwarsader op twee
derden der spitscel.
Een 9 van Argentina (Weyenbergh).
Een tweede 9, van dezelfde herkomst, gelijkt in alles op het hierboven
beschrevene, behalve dat het kleiner is (9 mm.) en dat de spitscel
in beide vleugels gesloten en zelfs kort gesteeld is. Niettegenstaande
dit laatste, nog al belangrijke verschil, dat voor dit exemplaar zelfs
de plaatsing in het geslacht Dexia twijfelachtig zou kunnen maken,
meen ik het toch niet als eene afzonderlijke soort te moeten beschouwen,
6. Dexia suavis n. sp.
Grisea; thorace nigro-trivittato; abdomine testaceo, vitta dorsali
nigra; pedibus nigris; antennis rufis, articulo ultimo fusco; calyptris
testaceis ; alis ex rufo cinerascentibus. — Long. 12 (3), 11 (9) mm.
Verwant aan de vorige soort, waarvan zij echter dadelijk te onder-
scheiden is door het bruingele achterlijf; zij gelijkt veel op onze
3
34 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
Europesche D. rustica, doch verschilt van deze door donkerder tint,
zwarte pooten, een langeren zuiger en de afgeronde ombuiging der
discoidaal-ader.
Kop ongeveer van denzelfden vorm als bij D. parvicornis, zwart-
achtig grauw met bleekgelen weerschijn; voorhoofd naar achteren
sterk (¢) of minder sterk (9) versmald, met zwarten, in sommige
rigtingen donker roodbruinen middelband en ter wederzijde met eene
digte rij borstels, die de inplanting der sprieten naauwelijks even over-
schrijdt ; mondborstels talrijk. Sprieten merkelijk korter dan het gezigt ;
de beide eerste leden geelrood; het tweede naar boven verdikt; het
derde ongeveer dubbel zoo lang als het tweede, zwartbruin, aan de
basis roodachtig ; sprietborstel zwart, digt gevederd, aan den wortel
verdikt. Zuiger lang, zwart; palpen donker roestbruin, aan het einde
iets verbreed, bij het 4 fijn beborsteld. Thorax aschgrauw, van boven
met drie zwarte langsbanden; schildje zwartgrauw, bij het 2 tegen
den achterrand een weinig roodachtig. Achterlijf van het 4 kegel-
vormig, bruingeel met zwarten rugband, die aan den wortel van den
eersten ring zich iets verbreedt; tegen den voorrand der ringen min
of meer een zilverwitte weerschijn ; achterlijf van het 9 meer eivor-
mig; de zwarte rugband smaller en minder scherp geteekend; daar-
entegen de achterrand der ringen meer zwartachtig, de zilverachtige
weerschijn vlekkiger en vooral in de zijden duidelijk. Pooten zwart,
de scheenen soms pekbruin. Vleugelschubben geelbruin. Vleugels zonder
randdoorn, met roodachtig bruingrauwe tint, die aan den wortel en
voorrand krachtiger is; cubitaal-ader boogvormig; discoidaal-ader met
uitstekende, eenigszins afgeronde ombuiging; spitscel smal geopend ;
middeldwarsader op het midden der schijfcel; schijfdwarsader op twee
derden der spitscel, zeer schuin en, vooral bij het 2, iets geslingerd.
Een viertal exemplaren van Guadeloupe (Delaunay) in het museum
te Brussel.
SARCOPHAGINAE.
1. Phrissopoda splendens Macq.
Macq. Dipt. ex. II. 3. 96. 1. pl. 11. f. 3; Blanch. bij Gay, Hist.
fis. y pol. de Chile, VII. 427. 1, pl. 5. f. 3; v. d. Wulp, Notes from
the Leyd. mus. IV. 87. 19.
Een 4 uit Chile in het Leidsche museum.
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 35
Noch de afbeelding van Macquart, noch die van Blanchard geven
eene juiste voorstelling van dit dier. Bij de laatste is het ligchaam
veel te breed en het achterlijf aan de basis ten onregte veel breeder
dan de thorax ; de pooten daarentegen zijn te dun en de achterscheenen
niet gebogen; eindelijk is de spitscel, bijna aan de vleugelspits, door
misteekening gesloten voorgesteld. — De afbeelding van Macquart is
nog gebrekkiger: behalve de geheel onnatuurlijke kleur (op den thorax
zijn vier groene langslijnen en overigens is het ligchaam met eene
menigte goudstrepen bedekt) is de vorm mede veel te breed; terwijl
in de detail-teekening van den kop de sprietborstel tot geheel aan het
einde gevederd is afgebeeld. Het schijnt wel alsof hij, bij het teekenen ,
zonder naar het dier te zien, eenvoudig op de kenmerken heeft gelet,
die hij vroeger voor het genus had aangegeven, want juist de breeder
gestalte en de bevedering van den geheelen sprietborstel noemt hij
als het voorname verschil tusschen Phrissopoda en Sarcophaga. In
hoever dit nu kan gelden voor Phr. praeceps Wied., die hij als type
van het geslacht beschouwt (Suit. à Buff. Dipt. II p. 222) kan ik
niet beoordeelen; maar zeker is het dat Phr. splendens niet breeder
is dan de meeste andere Sarcophaginen en dat bij haar de spriet-
borstel aan het einde naakt is. De soort vertoont in bijna alle opzigten
eene merkwaardige overeenkomst met het genus Cynomyia, waarvan
zij alleen afwijkt door de sterker behaarde pooten, de dikkere dijen
en de gebogen achterscheenen. De witte langsstrepen op den thorax
loopen niet verder dan tot den dwarsnaad.
2. Sarcophaga chlorogaster Wied.
Sarcophaga chlorogaster, Wied. Auss. Zweifl. II. 359. 9; v. d. Wulp,
Notes from the Leyd. mus. IV. 87. 20; — Sarconesia ead., Bigot,
An. Soc. ent. France, 3e sér. V. 301. pl. 7. f. 5.
In ’s Rijks museum te Leiden berust een wijfje uit Chile, afkomstig
van Dr. Dohrn; ik zelf bezit een mannetje en vier wijfjes van Argentina
(Weyenbergh).
Ik vind geen enkelen grond om deze soort generiek of te scheiden
van het geslacht Sarcophaga, waarvan zij alle kenmerken bezit; de
metallieke kleur van het achterlijf is m. i. daartoe geen voldoende
reden.
36 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
3. Sarcophaga rufipalpis Macq.
Macq. Dipt. ex. II. 3. 102. 11; v. d. Wulp, Notes from the Leyd.
mus. IV. 88. 21.
Een ¢ van Curagao (Pater Jansen) in het Leidsche museum.
Ofschoon Macquart Brazilie als vaderland opgeeft, geloof ik hier
dezelfde soort voor mij te hebben; de beschrijving toch past volkomen,
behalve alleen dat hij de dijen aan de buitenzijde geelbruin noemt,
terwijl bij mijn exemplaar, dat echter niet zeer gaaf is, de pooten
geheel zwart zijn.
4. Sarcophaga quadrivittata Macq.
Macq. Dipt. ex. II. 3. 102. 12. pl. 12. f. 4.
Twee wijfjes van Argentina (Weyenbergh).
De kanten van het voorhoofd zijn bij mijne exemplaren niet geel,
maar wit; daarentegen zijn de vlekken in de borstzijden geelachtig ;
van de roodachtige bezooming der vleugeladeren, waarvan Macquart
spreekt, zie ik niets.
5. Narcophaga chrysostoma Wied.
Wied. Auss. Zweifl. II. 356. 2; Schin. Dipt. Nov. Reise, 313. 63,
Een mannetje en drie wijfjes van Bahia (de Lacerda) in het museum
te Brussel,
6. Narcophaga taitensis Schin.
Schin. Dipt. Nov. Reise, 314. 68.
Een d van Bahia (de Lacerda) en een tweede van Guadeloupe
(Delaunay), beiden in het museum te Brussel, komen met Schiner’s
beschrijving zoo geheel overeen, dat ik zonder schroom de bestemming
durf aannemen, niettegenstaande het verschil van herkomst. De soort
schijnt dus wijd verspreid.
7. Sarcophaga chilensis Macq.
Macq. Dipt. ex, II, 3. 104. 15. pl. 11. f. 6; Blanch. by Gay, Hist.
fis. y pol. de Chile, VII. 429. 3; v. d. Wulp, Notes from the Leyd.
mus. IV. 88. 22,
Twee wijfjes van Chile in het Leidsch museum.
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 37
De soort is zeer verwant aan de vorige; zij is kleiner, en de anus
is niet helder roodgeel, maar slechts met gele bestuiving bedekt; de
vleugels zijn aan het begin van den voorrand een weinig geelachtig.
8. Sarcophaga flavifrons Macq.
Macq. Dipt. ex. supp. 1. 191. 24 !); Blanch. bij Gay, Hist. fis. y
pol. de Chile, VII. 428. 1. pl. 5. f. 4.
Een d van Argentina (Weyenbergh).
Blanchard’s afbeelding is misteekend en doet naauwelijks aan eene
Sarcophaga denken, ook wegens de gesloten en gesteelde spitscel ; in
de afzonderlijke vleugelteekening (fig. 4c) is daarentegen de spitscel
veel te wijd geopend, maar ook deze figuur geeft geen juiste voor-
stelling van het aderbeloop. Mijne determinatie grondt zich voornamelijk
op de goudgele kleur van het voorhoofd en aangezigt en op den
roodachtigen voorhoofdsband.
9 Sarcophaga occidua Fabr.
Fabr. Ent. Syst. IV. 315. 12; id. Syst. Antl. 288. 19; Wied. Auss.
Zweifl. II. 368. 31.
Een paartje van Argentina (Weyenbergh).
Bij het & is de voorhoofdsband alleen van voren roodachtig, hooger
op meer zwart; de anus is geheel grijs bestoven; de achterscheenen
zijn aan de binnenzijde naakt. Bij deze soort is de spitsdwarsader
minder gebogen dan gewoonlijk; aan de uitmonding der hulpader is
een klein randdoorntje.
10. Cynomyia flavipalpis Macq.
Macq. Dipt. ex. supp. 4. 236. 3.
Twee wijfjes, het eene van Fernambuc (Lartige), het andere uit
de omstreken van Quebec (Provancher), berusten in het museum te
Brussel.
MUSCINAE.
1. Musca domestica L.
Musca domestica, Linn. Faun. suec. 1833; Fabr. Syst. Antl. 287. 18;
Meig. Syst. Beschr. V. 67. 31; Zett. Dipt. Scand. IV. 1335. 7; Schin.
1) Ten onregte als van Brazilie vermeld; de voorwerpen waren uit Chile (zie
Blanchard 1. c.).
38 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
Faun. austr. I. 594; — M. analis, Macq. Dipt. ex. II. 3. 154. 10. pl.
21 f. 2.
In het museum te Brussel bevinden zich exemplaren van beide
sexen van Guadeloupe (Delaunay), alsmede een 9 uit Mexico (Dugès);
een d uit Chile berust in ’s Rijks museum te Leiden; ik zelf bezit
verscheidene exemplaren van beide sexen uit Argentina (Weyenbergh).
De Argentijnsche exemplaren zijn iets kleiner, en de wangen en
kinbakken zijn iets minder ontwikkeld, waardoor de kop zich wat
korter vertoont; overigens zie ik geen het minst verschil met onze
inlandsche voorwerpen. M. analis Macq. (uit Chile) zal wel geen af-
zonderlijke soort, maar hoogstens eene locale varieteit zijn.
2. Compsomyia macellaria Fabr.
Musca macellaria Fabr. Syst. ent. 776. 14; Wied. Auss. Zweifl. II.
405. 38; — Compsomyia macellaria, E. Lynch Arribalzaga, Anal. de
la Sociedad cient. argent. X. p. 71 (met al de daar aangevoerde citaten
en synoniemen). !) i
Ik zag een ¢ van Guadeloupe (Delaunay) in het museum te Brussel
en bezit zelf beide sexen, die mij uit Argentina door Prof. Weyenbergh
werden gezonden.
Het is deze soort, die in Zuid-Amerika zich vaak bij den mensch
in de neusholte en andere ligchaamsdeelen ontwikkelt; zie daaromtrent
o. a.: Etudes sur la Myasis par C. Lerbini, H. Weyenbergh et P. A.
Conil, Buenos Aires 1878.
3. Lucilia Caesar L.
Musca Caesar, Linn. Faun. suec. 1828; Fabr. Spec. ins. IL. 437. 10;
id. Ent. Syst. IV. 316. 17; id. Syst. Antl. 289. 26; Fall. Muse. 46.
20; Meig. Syst. Beschr. V. 51. 15 Zett. Ins. lapp. 655. 9; — Lucilia
Caesar, Macq. Suit. à Buff. Dipt. IL. 252. 3; Zett, Dipt. Scand. IV.
1312. 1; Schin. Faun. austr. I. 590.
Een 9 uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het museum
te Brussel.
1) Onder de talrijke synoniemen daar vermeld ontbreekt Calliphora tristriata
VerHuell, Tijdschr. voor de wis- en natuurk. wetensch. àl. III blz. 273, pl. III,
2e helft, |
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 39
4. Lucilia cornicina Fabr.
Musca cornicina, Fabr. Spec. ins. II. 438. 11; id. Ent. Syst. IV.
317. 20; id. Syst, Antl. 289. 20; Fall. Musc. 47. 21; Zett. Ins. lapp.
655. 11 (excl. syn. Meig.); — Lucilia cornicina, Zett. Dipt. Scand.
IV. 1316. 5; Schin. Faun. austr. I. 590; — Musca caesarion, Meig.
Syst. Beschr. V. 57. 14.
Een mannetje en twee wijfjes uit de omstreken van Quebec (Pro-
vancher) in het museum te Brussel.
5. Lucilia eximia Wied.
Musca eximia, Wied. Auss. Zweifl. II. 399. 26.
Een 9 van St. Martin (Reigersma) in het Leidsch museum; twee
dito van Argentina (Weyenbergh).
L. punctipennis Macq. (Dipt. ex. supp. 3. 56. 40) schijnt voor ’t
minst verwant.
6. Pyrellia violacea Fabr.
Musca violacea, Fabr. Syst. Antl. 288. 25; Wied. Auss. Zweifl. II.
409. 43.
Verscheidene exemplaren van beide sexen van Guadeloupe (Delaunay)
in het Brusselsche museum.
Pyrellia violacea Macq. (Dipt. ex. supp. 4. 251. 8) is eene geheel
andere, Aziatische soort.
7 Dasyphora spinifera n. sp.
Ex violaceo nigra; abdomine aeneo; antennis, palpis pedibusque
nigris; femorum intermediorum apice supra spinula parva armata ;
antennarum seta ad apicem nuda; alis cinerascentibus, cellula apicali |
late aperta. — 4 long. 5,5 mm.
In het aderbeloop door de hreed geopende spitscel op eene Cyrtoneura
gelijkende, doch door de duidelijk behaarde oogen en verdere ken-
merken tot het geslacht Dasyphora behoorende.
Kop zwart; alleen het ingedrukte gedeelte van het aangezigt onder
de sprieten met grijzen weerschijn : voorhoofd als een smalle zwarte
band tusschen de oogen doorgetrokken; mondrand een weinig vooruit-
stekend, met vele borstels bezet. Sprieten en palpen zwart; sprieten
tot halverwege het gezigt reikende; sprietborstel aan de wortelhelft
verdikt, tot ongeveer twee derden der lengte luchtig gevederd, verder
40 AMERIKAANSCH DIPTERA.
naakt. Thorax en schildje. zwart, met paarsblaauwen gloed; geheel
van voren op den thorax het begin van drie breede witte langsbanden ,
waarvan de middelste door eene zwarte streep is gespleten. Achterlijf
metaalachtig donker blaauwgroen; in de zijden en op den laatsten
ring met vrij lange borstels. Pooten zwart; aan den binnenkant der
voorscheenen eene bruingele zijdeachtige viltbekleeding ; borstels der
voordijen zoowel van boven als van onderen, aan de achterdijen van
onderen kamachtig geplaatst; middeldijen lang, aan het eind van boven
met een stomp doorntje, dat van eenige borstels omgeven is. Vleugel-
schubben bruingrauw. Vleugels met grijze tint en zwarte aderen ;
ombuiging der discoidaal-ader afgerond; de spitscel breed geopend;
middeldwarsader op het midden der schijfcel.
Een ¢ uit Argentina (Weyenbergh).
8 Calliphora phacoptera v. d. Wulp.
V. d. Wulp, Notes from the Leyd. mus. IV. 88. 23.
Chalybea; thorace antice striis albis; capite nigro, griseo pollinoso;
antennis, palpis, barba pedibusque nigris; calyptris fuscis, albo-
limbatis. — 9 long. 10 mm.
Habitus als onze C. erythrocephala; het voorhoofd iets smaller, de
sprieten korter; de wangen en kinbakken iets minder ontwikkeld.
Grondkleur van den kop zwart, doch door eene witte bestuiving
grijs; in sommige rigtingen de wangen en oogkanten zuiver wit; de
kinbaard zwart. Sprieten merkelijk korter dan het gezigt, zwart met
grijze bestuiving; sprietborstel lang, aan de wortelhelft verdikt en
tot twee derden gevederd. Zuiger en palpen zwart. Thorax en schildje
staalblaauw, met zwarte beharing; op den thorax vijf witte langs-
lijnen, die evenwel achter den dwarsnaad onduidelijk worden. Ach-
terlijf glanzig staalblaauw, in de zijden der beide eerste ringen met
witachtige bestuiving. Pooten zwart; de dijen met eenigen blaauwen
gloed. Vleugelschubben donkerbruin, met witten zoom. Vleugels glas-
achtig, met grijze tint; aderbeloop als bij C. erythrocephala, alleen
de spitscel iets wijder geopend en de middeldwarsader een weinig
meer wortelwaarts, vóór het midden der schijfcel geplaatst.
Een 2 uit Chile in ’s Rijks museum te Leiden; het is daar ontvangen
van het Berlijnsch museum onder den bovengemelden naam, die van
Philippi afkomstig zou wezen, ofschoon de soort, zooveel ik weet,
nergens is beschreven,
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 41
9. Pollenia rudis Fabr.
Musca rudis, Fabr. Ent. Syst. IV. 314. 9; id. Syst. Antl. 287. 16;
Fall. Muse. 48. 24; Meig. Syst. Beschr. V. 66. 28; Zett. Ins. lapp.
659. 22; id. Dipt. Scand. IV. 1339. 11; — Pollenia rudis, Macq.
Suit. à Buff. Dipt. II. 269. 1 pl. 16 f. 18; Schin. Faun. austr. I.
586; — Musca obscura, Fabr. Ent. Syst. IV. 315. 19; id. Syst. Antl.
287. 17.
Een ¢ uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het Brusselsche
museum,
10. Cyrtoneura assimilis Fall
Musca assimilis Fall. Musc. 56. A1; — Anthomyia assimilis, Meig.
Syst. Beschr. V. 105. 39; — Cyrtoneura assimilis, Zett. Dipt. Scand.
IV. 1351. 6; Schiner, Fn. austr. I. 598; — Cyrtoneura aperta, Macq.
Suit. a Buff. Dipt. IL. 278. 15; Meig. Syst. Beschr. VII. 311. 14.
Ik bezit een 4, door den heer Hartogh Heys van Zouteveen uit
Noord-Amerika medegebragt en mij welwillend afgestaan. Zoover ik
aan het wel niet geheel gave, maar toch nog vrij kenbare exemplaar
kan bespeuren, wijkt het in geen enkel opzigt van onze inlandsche
voorwerpen af.
De soort is niet in den Catalogus van Osten Sacken vermeld.
11. Cyrtoneura stabulans Fall.
Musca stabulans, Fall. Muse. 52. 32, Meig. Syst. Beschr. V. 75. 42;
Zett. Ins. lapp. 660. 29; — Cyrloneura stabulans, Macq. Suit. a Buff.
II. 277. 10; Zett. Dipt. Scand. IV. 1354. 9; Schiner, Fn. austr. I.
597; v. d. Wulp, Notes from the Leyd. mus. IV. 89. 24. — Anthomyia
cinerascens, Wied. Zool. mag. I. 1. 79. 28; — Cyrtoneura vicina, Macq.
Dipt. ex. II. 3. 157. 3; Blanch. bij Gay, Hist. fis. y pol. de Chile,
VII. 437. 2.
Een ¢ van Chile in ’s Rijks museum te Leiden. Het komt met onze
Europesche exemplaren overeen; alleen is de schijfdwarsader, die bij
onze inlandsche voorwerpen eene flaauwe aanduiding van buiging
heeft, hier meer zuiver regt.
C. vicina zou, volgens Macquart en Blanchard, alleen afwijken door
het gemis van de zwarte rugstreep over het achterlijf; maar deze
rugstreep is bij de Europesche voorwerpen niet altijd duidelijk; Schiner
42 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
maakt er dan ook bij zijne overigens vrij uitvoerige beschrijving geen
melding van. Ik geloof daarom, dat men op dit kenmerk bezwaarlijk
eene afzonderlijke soort kan aannemen.
C. stabulans schijnt tot die insecten te behooren, welke zich ge-
makkelijk kunnen verplaatsen en den mensch volgen waar hij zich
vestigt; zij wordt ook veel meer in onze huizen gevonden dan in
de vrije natuur. Osten Sacken telt haar op onder de Noord-Ameri-
kaansche soorten (zie zijn’ Catalogus); Schiner (Dipt. Nov. Reise, 304)
vermeldt een exemplaar van Auckland ; en Macquart (Dipt. ex. supp.
4. 256) spreekt van Australische voorwerpen in het museum te
Parijs.
12. Cyrtoneura nudiseta n. sp.
Obscure cinerea; thorace striis quatuor pedibusque nigris; antennis,
palpis, scutelli apice anoque rufis; alarum cellula apicali late aperta;
antennarum seta nuda. — 2 long. 9 mm.
Kop geelachtig aschgrauw; voorhoofd ruim een vierde der kop-
breedte innemende, naar achteren niet versmald; middenband zwart-
achtig, ter wederzijde met eene rij korte borsteltjes; een paar langere
borstels staan onmiddellijk boven de sprieten en verscheidene anderen
op de kruin. Aangezigt regtstandig ; mondrand niet vooruitstekend ,
met een paar lange borstels, verder, even als de wangen, met een
aantal kortere borstels. Sprieten en palpen donker roestkleurig ; de
sprieten een weinig korter dan het gezigt; sprietborstel zwart, naakt,
aan de wortelhelft verdikt. Thorax aschgrauw, van boven met vier
zwarte, naar achteren ineensmeltende langsstrepen; schildje zwart-
achtig grauw, aan het einde roodachtig ; behalve de algemeene zwarte
beharing, zijn aan de kanten en van achteren op den thorax en aan
den achterrand van het schildje stevige borstels. Achterlijf eivormig ;
vierringig, aschgrauw met zwartbruine weerschijnvlekken ; de vierde
ring, met uitzondering van den wortel, helder roestkleurig. Pooten
zwart; voordijen zoowel van boven als van onderen, achterste dijen
alleen van onderen met kamachtig gestelde stijve borstels; achter-
scheenen gebogen, met korte borstels. Vleugelschubben en vleugels
grauw; middeldwarsader schuin achterover, in ’t midden boven de
schifcel; de spitscel wijd geopend (ongeveer als bij C. stabulans) ;
schijfdwarsader in ’t midden tusschen de middeldwarsader en de ronde
ombuiging der discoidaal-ader,
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 43
Een 9 uit Argentina (Weyenbergh).
Door den naakten sprietborstel van alle mij bekende soorten onder-
scheiden ; het aderbeloop evenwel en de geheele habitus zijn die aan
het genus Cyrloneura eigen.
ANTHOMYINAE.
1. Spilogaster sexpunctata n. sp.
Cinerea; abdomine punctis sex fuscis; antennarum basi, palpis
pedibusque rufis; alarum nervo transverso medio distincte-, nervo
transverso discoidali laeviter infuscato, — 4 long. 8,5 mm.
Aschgrauw. Aangezigt en kanten van het voorhoofd met witten
weerschijn ; voorhoofd zeer smal, met zwarten middenband; mondrand
een klein weinig vooruitstekend ; zuiger zwart ; palpen roodgeel. Sprieten
slank, bruinrood; de wortelleden roodgeel ; sprietborstel vrij kort ge-
vederd. Thorax van voren met vier donkere langsstrepen ; schildje rood-
achtig grijs; de binnenste rijen borstels op den thoraxrug, achter den
dwarsnaad, bestaan elk slechts uit drie borstels. Achterlijf kegelvormig,
op elk der drie eerste ringen twee zwartbruine stippen, die op den
eersten ring kleiner, die op den derden ring grooter en duidelijker.
Pooten roodgeel ; de tarsen een weinig verdonkerd; de voordijen aan
de spitshelft een weinig verdund, aan de middeldijen is dit nog in
meerdere mate het geval; aan de achterdijen zijn van onderen geen
borstels. Vleugelschubben witachtig. Vleugels bruinachtig grauw, aan
den voorrand meer geelachtig; middeldwarsader zwartbruin gevlekt,
op bijna twee derden der schijfcel; achterdwarsader flaauw bruin
gezoomd, een weinig gebogen; eerste achtercel aan de vleugelspits
zeer wijd geopend; laatste gedeelte der discoidaal-ader tot het voor-
laatste als 3: 2.
Twee mannetjes uit Argentina (Weyenbergh).
2. Limnophora Lynchii n. sp.
Nigricans ; thorace cinereo, nigro-quadristriato ; abdomine albo-pol-
linoso, nigro-punctulato ; antennis, palpis pedibusque nigris, genubus
tibiisque testaceis ; alarum nervis transversalibus plus minusve infus-
catis. — d 2 long. 6,5 mm.
Kop zwartachtig, aan de wangen en aan de oogkanten, ook van
44 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
achteren, met zilverwitten weerschijn; voorhoofd in d smal, met
zwarten middenband, die van voren in eene bruine, zilverwit weer-
schijnende stip eindigt; in ¢ het voorhoofd breed, met uitzondering
der witachtige oogkanten zwart; aangezigt kort, regtstandig, de
mondrand iets vooruitstekend. Sprieten, zuiger en palpen zwart; de
sprieten bijna zoo lang als het gezigt; het derde lid ruim dubbel zoo
lang als het tweede; de sprietborstel lang, aan de wortelhelft iets
verdikt, schijnbaar naakt, doch bij sterke vergrooting korte haartjes
vertoonende. Thorax van boven aschgrauw, met vier zwarte langs-
strepen; borstzijden zwart met lichtgrijze beharing ; schildje aschgrauw,
in ’t midden donkerbruin. Achterlijf breed eivormig, vierringig, zwart
met lichtgrijze bestuiving, zwartbruine weerschijnvlekken en rugstreep,
en zwarte borstelhaartjes, die langs den achterrand der ringen meer
op eene rij zijn geplaatst. Pooten zwart; de knieën en scheenen geel-
bruin; de borstels onder aan de dijen kamachtig gesteld; haken en
voetballen bij het 4 merkelijk langer dan bij het 2 en van gebogen
borstels omgeven. Vleugelschubben vuilwit met bruinen rand. Vleugels
een weinig grauwachtig, met zwarte aderen en een zeer klein rand-
doorntje; de beide dwarsaderen bruinachtig gezoomd; middeldwarsader
onder de uitmonding der subcostaal-ader, even voorbij het midden
der schijfeel; achterdwarsader iets ingebogen, op twee vijfden der
eerste achtercel.
Een paartje uit Argentina (Weyenbergh).
Ik wijd deze soort aan den Argentijnschen entomoloog, den heer
F. Lynch Arribalzaga, die met grooten ijver en scherpzinnigheid de
vliegen van zijn land bestudeert.
De soort schijnt naauw verwant aan L. fuscinevris Macq. (Dipt. ex.
supp. 4. 263. 2), waarvan zij echter onderscheiden is door het gemis
der witte driehoekige zijvlekken op het achterijf.
3. Brachygastrina chalybea Wied.
Anthomyia chalybea Wied. Auss. Zweifl. II. 428. 15; — Limnophora
chalybea, Schiner, Dipt. Nov. Reise, 299. 13; — Brachygastrina viola-
ceiventris, Macq. Dipt. ex. supp. 4. 259, pl. 23 f. 17; — Blanch. bij
Gay, Hist. fis. y pol. de Chile, VII. 439. 1.
Een mannetje en drie wijfjes uit Argentina (Weyenbergh).
De beschrijving van Wiedemann, ofschoon kort, en de iets uit-
voeriger opgaven van Macquart zijn gelijkelijk op deze voorwerpen
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 45
van toepassing, zoodat ik niet twijfel of beiden bedoelen dezelfde
soort; Macquart’s afbeelding is als gewoonlijk te ruw om haar te
herkennen.
4. Chortophila punctipennis Wied.
Anthomyia punctipennis, Wied. Auss. Zweifl. TI. 435. 31; — Cras-
pedochoeta punctipennis, Macq. Dipt. ex. supp. 4. 269. pl. 24 f. 14.
Een mannetje en twee wijfjes van Argentina (Weyenbergh).
Wiedemann noch Macquart kenden het ¢; de laatste heeft zich
laten verleiden door zekere gelijkenis met Coenosia tigrina, die hij
bij het 9 meende te zien, om voor deze soort een afzonderlijk ge-
slacht op te rigten, dat volgens hem het midden zou houden tusschen
Anthomyia en Coenosia. Daargelaten de onmogelijkheid om juiste
generieke kenmerken aan te geven, wanneer men van eene Antho-
myine alleen de vrouwelijke sexe kent, blijkt het mij, nu ik ook
het 3 heb leeren kennen, dat wij hier met eene soort te doen hebben ,
die althans bij den tegenwoordigen stand der wetenschap niet gene-
riek kan worden afgescheiden, en zoo dit al later mogt geschieden,
dan nog zal het nieuwe genus zeker niet als verwant aan Coenosia
kunnen worden beschouwd.
Ter aanvulling der bestaande beschrijvingen moge het volgende
dienen.
De soort gelijkt in vele opzigten op onze Anthomyia antiqua Meig.
De kop is lichtgrijs, in sommige rigtingen met zwarten, in andere
met zilverwitten weerschijn; de mondrand steekt niet vooruit en is
iets roodachtig; de voorhoofdsdriehoek van het 4 loopt naar boven
spits toe, zoodat de oogen op de kruin zamenstooten. Sprieten en
palpen zijn zwart, de sprieten vrij breed, het derde lid dubbel zoo
lang als het tweede, aan ’t eind afgerond; de sprietborstel is niet
volkomen naakt maar microscopisch behaard, aan de wortelhelft iets
verdikt. De langsstrepen op den thorax zijn bij mijne exemplaren
niet zwart, maar bruin; de middelste wordt over het schildje voort-
gezet. Het achterlijf van het 3 is smal, bandvormig, platgedrukt,
licht aschgrauw met zwarte rugstreep en puntwratjes waaruit fijne
borstels voortspruiten; onder aan den voorlaatsten lijfsring bevinden
zich een paar tepelvormige organen. Ook bij het ¢ is het achterlijf
vrij smal; de rugstreep is minder duidelijk; de borstelwratjes daaren-
tegen meer ontwikkeld; bij een der beide exemplaren is het schildje
46 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
eenigszins roodachtig. Bij het 4 zijn de pooten zwart of zwartbruin;
bij de beide wijfjes geelbruin (gelijk ook door Mane wordt opge-
geven); ik vermoed echter dat de voorwerpen , toen zij gedood wenen
eerst kort te voren de pop hadden verlaten. Aan de vleugels zijn,
behalve de randdoorn, nog korte borsteltjes aan den voorrand; de
vlek op de schijfdwarsader is vooral duidelijk ter plaatse waar deze
van boven in de discoidaal-ader is ingewricht; de middeldwarsader is
voorbij de uitmonding der subcostaal-ader geplaatst; het laatste ge-
deelte der discoidaal-ader is een weinig langer dan het voorlaatste;
de schijfdwarsader is bij het 4 iets ingebogen, bij de wijfjes regt.
Ik bezit nog eene soort, aan de bovenstaande digt verwant, maar
slechts in een enkel 2, mede van Argentina; het exemplaar is even-
wel niet gaaf genoeg om voldoende te worden beschreven. De sprieten
zijn wat zwaarder gebouwd; de randdoorn der vleugels ontbreekt of
is althans uiterst klein, de vlekken op de vleugels zijn iets grooter
en vermeerderd met eene digt bij den vleugelwortel en eene aan de
uitmonding der cubitaal-ader; ook de beide volgende langsaderen zijn
aan het einde flaauw gevlekt. Ik heb deze soort voorloopig in mijne
collectie den naam van Ch. spilota gegeven. In de vleugelteekening
heeft zij veel overeenkomst met Spilogaster maculipennis Macq. (Dipt.
ex. II. 3. 163. 2), die echter door den lang gevederden sprietborstel
generiek onderscheiden is.
5. Chortophila albostriata n. sp.
Nigra; thorace striis duabus dorsalibus subparallelis albis; pleuris
stria aequali; abdomine maculis duabus albis in singulis segmentis ;
alis subhyalinis. — d long. 4, 5 mm.
Kop met sprieten en palpen zwart; aangezigt met witten weer-
schijn; voorhoofdsdriehoek fluweelzwart; de oogen van boven naauwe-
lijks iets gescheiden. Thorax fluweelzwart, op den rug met twee
breede witte langsbanden, die van voren een klein weinig tot elkander
neigen en van achteren over het eveneens fluweelzwarte schildje zijn
voortgezet; een dergelijke witte band ter wederzijde van de schouders
naar den vleugelwortel; achterrug grijs. Achterlijf plat, bandvormig,
naar achteren iets versmald, zwart; op den tweeden en elk der vol-
gende ringen twee groote witachtige vlekken, die alleen in sommige
rigtingen duidelijk uitkomen en eene rugstreep en de insnijdingen
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 47
vrijlaten; het achterlijf digt wet fijne borstels bezet; onder den voor-
laatsten buikring een paar groote schubvormige aanhangsels. Pooten
zwart; de dijen met witten weerschijn. Vleugelschubben witachtig.
Vleugels glasachtig met flaauwe bruinachtige tint en een duidelijk
randdoorntje ; middeldwarsader op twee derden der schijfcel; cubitaal-
ader en discoidaal-ader evenwijdig; schijfdwarsader naauwelijks iets
gebogen, op een derde gedeelte der eerste achtercel ingewricht.
Een ¢ uit Argentina (Weyenbergh).
De soort is digt verwant aan Anthomyia Lindigii Schin. (Dipt.
Nov. Reise, 298. 12), die zich echter onderscheidt door de naar voren
uit elkander loopende thorax-strepen en den zwartbruinen zoom aan
den voorrand der vleugels; de vorm van den kop en het achterlijf
is volkomen zooals Schiner dit van zijne soort aangeeft; hij maakt
evenwel geen melding van aanhangsels aan den buik bij het d.
6. Chortophila chlorogaster Wied.
Wied. Auss. Zweifl. II. 427. 12.
Op een ¢ van Argentina (Weyenbergh) past Wiedemann’s beschrij-
ving van het 4 volkomen, buiten de gewone sexuéle verschillen.
Mijn exemplaar heeft het voorhoofd breed, met een zwarten, van
achteren diep gespleten langsband; de sprieten zijn zwart, met langen,
aan het wortelderde iets verdikten rugborstel.
7. Homalomyia canicularis L.
Musca canicularis, Linn. Faun. suec. 1841; Schrank, Ins. austr.
462. 938; Fabr. Syst. Antl. 303. 97; Fall. Musc. 69. 72; — Anthomyia
canicularis, Meig. Syst. Beschr. V. 143. 104; Macq. Suit à Buff. Dipt.
II. 334. 5; Zett. Ins. lapp. 681. 86; id. Dipt. Scand. IV. 1573. 188; —
Philintha canicularis, Rob. D. Myod. 568.1; — Homalomyia canicularis,
Schin. Faun. austr. I. 654; — Anthomyia chilensis, Macq. Dipt. ex.
II. 3. 171. 4; Blanch. by Gay, Hist. fis. y pol. de Chile, VII. 442. 1.
Een 4 van Buenos-Aires (Weyenbergh) volkomen gelijk aan onze
inlandsche exemplaren.
CORDYLURINAE.
1. Cordylura bimaculata Löw.
C. bimaculata, Löw, Wien. Ent. Monatschr. IV. 81. 3; id. Dipt.
Amer. sept. Cent. III. 40; — C. maculipennis, v. d. Wulp, Tijdschr,
48 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
voor Entom. X. 152. 25 pl. 5 f. 7—9; — Lissa varipes, Walk. List
Dipt. Brit. mus. IV. 1046.
Een g van Quebec (Provancher) in het museum te Brussel.
2. Cordylura pallida Fall.
Fall. Scatom. 8. 4; Meig. Syst. Beschr. V. 242. 28; Zett. Ins. lapp.
726. 8; id. Dipt. Scand. V. 2008. 12.
Een 9 van Quebec (Provancher) in het museum te Brussel.
TETANOCERINAE.
1. Ectinocera? occidentalis n. sp. PI, 2. fig. 9.
Ex cinereo rufa; thorace substriato; capite albo ; fronte, antennis,
haustello, palpis pedibusque rufis; alis immaculatis flavescentibus. —
d long. 6 mm.
Habitus als onze Sepedon spinipes, doch het tweede lid der sprieten
korter dan het derde, het aangezigt breeder, de achterdijen minder
lang en de achterscheenen niet gebogen. Wegens den naakten spriet-
borstel kan de soort niet tot het geslacht Tetanocera worden gebragt;
het best schijnt zij te passen in het geslacht Ectinocera Zett., waar-
van de tot dusver eenig bekende soort (E. borealis Zett.) in het hooge
noorden van Europa voorkomt.
Kop wit; voorhoofd roodgeel, alleen op de kruin met borstels ;
aangezigt en wangen breed, geheel naakt; kinbakken ver onder de
oogen afdalende; zuiger, palpen en sprieten roodgeel; de sprieten regt
vooruitstekend; de beide eerste leden vrij kort; het derde zoo lang
als de beide voorgaanden te zamen, van boven ingebogen, met naakten,
aan de wortelhelft iets verdikten rugborstel. Thorax, schildje en
achterlijf grijsachtig rood; op den thorax vier bruine, niet zeer duide-
lijke langsbanden; borstzijden geelachtig grijs, met een bruinen band
van de schouders naar den vleugelwortel; in de zijden van den thorax
zwarte borstels; een paar dergelijke aan het schildje. Achterlijf cylin-
drisch, zesringig, met lichtere insnijdingen en zwarte beharing. Pooten
stevig, bleek roestkleurig ; heupen geelachtig grijs; voordijen van boven en
van onderen met kamachtig geplaatste borstels ; achterdijen van onderen
met borstels en bovendien met korte doorntjes; scheenen met eind-
sporen; achterscheenen regt, met duidelijken praeapicalen borstel,
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 49
Kolf jes roodgeel. Vleugels met roodgele tint, die aan den voorrand
helderder is, maar tegen den achterrand meer naar het grijze overgaat ;
aderen bruingeel; middeldwarsader op het midden der schijfcel; cubitaal-
en discoidaalader evenwijdig loopende; schijfdwarsader iets buikig
uitgebogen, op het midden der eerste achtercel ingewricht.
Een d van Argentina (Weyenbergh).
2. Tetanocera pictipes Löw.
Löw, Wien. Ent. Monatschr. III. 292 ; id. Monogr. Dipt. N. Amer. I. 111.
Een 2 van Quebec (Provancher) in het museum te Brussel.
PSILINAE.
Loxocera cylindrica Say.
Say, Journ. ac. Phil. HI. 98; Wied. Auss. Zweifl. II. 528.
Twee mannetjes uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het
museum te Brussel.
CALOBATINAE.
1. Nerius rubescens Macg.
Macq. Dipt. ex. Il. 3. 242. 2. pl. 32 f. 6.
Een 9 uit Peru, in het museum te Brussel.
2. Calobata erythrocephala Fabr.
Fabr. Syst. Antl. 260. 1; Wied. Auss. Zweifl. II. 532. 1.
Twee wijfjes, het eene van Guadeloupe, het andere uit Mexico,
in het museum te Brussel.
3. Calobata diversa Schin.
Schin. Dipt. Nov. Reise, 250. 57.
Een exemplaar uit Mexico, in het Brusselsche museum.
4. Calobata annulata Fabr.
Musca annulata, Fabr. Ent. Syst. IV. 338. 111; — Calobata annulata,
Fabr. Syst. Antl. 262. 7; Wied. Auss. Zweifl. II 534. 5.
Een paartje uit Suriname, in het Brusselsche museum.
50 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
5. Calobata cyaneiventris Macq.
Macq. Dipt. ex. supp. 1. 215. 9. pl. 19 Eno
‘Twee wijfjes uit Columbie, in het museum te Brussel.
6. Calobata angulata Löw.
Löw, Berl. Ent. Zeitschr. X. 47. 87; Schin. Dipt. Nov. Reise, 253. 67.
Een 4 van Bahia (de Lacerda), in het museum te Brussel.
7. Calobata albiceps n. sp.
Pallide rufa; capite argyreo-micante, vitta frontali ferruginea ;
abdominis dorso fusco; femoribus posticis annulo subapicali fusco ;
alis flavescentibus. — ¢ long. 6,5 mm.
Habitus als onze C. petronella. Bleek roodgeel; de kop met zilver-
witten vlekkigen weerschijn, die alleen op den roestkleurigen voor-
hoofdsband geheel ontbreekt. Sprieten roodgeel; de sprietborstel zwart-
bruin, microscopisch behaard; op den schedel een paar fijne zwarte
borstels, eenige dergelijke borstels aan de kanten van den thorax en
twee aan den achterrand van het schildje; eene vlek tegen den
achterrug en het geheele achterlijf van boven zwartbruin. Aan de
achterpooten hebben de dijen, even voor de spits, een bruinen ring
en zijn ook de scheenen digt bij den wortel iets verdonkerd ; ook aan
de middelpooten is eene aanduiding van zoodanige teekening. Kolfjes
geel, de knop breed, eenigszins doorschijnend. Vleugels met geelachtige
tint en gele aderen; het aderbeloop volkomen gelijk aan onze in-
landsche soorten. |
Een paar mannelijke exemplaren uit de omstreken van Quebec
(Provancher) in het museum te Brussel.
8 Micropeza nigrina n. sp.
Nigra subnitida; facie antennisque ex ferrugineo fuscis ; haustello
palpis halteribusque rufis; abdomine incisuris pallidis, ventre flavido ;
oviductu nigro nitido elongato; pedibus (intermediis) piceis, coxis
femorumque basi et apice rufis; alis cinerascentibus, cellula posteriori
prima clausa apice appendiculata. — ¢ long. 5 mm. (sine oviductu).
Habitus ongeveer als onze M. corrigiolata. Zwart met eenigen glans.
Kop langer dan breed; aangezigt donker roodbruin, met naauwelijks
eenigen witten weerschijn; sprieten van dezelfde kleur ; monddeelen
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 51
roodgeel; achterhoofd glanzig zwart, op de kruin met eenige borstels.
Achterlijf met fijne geelachtige insnijdingen; buik roodgeel; eïjerbuis
glanzig zwart, ten minste twee derden zoo lang als het achterlijf.
Heupen roodgeel; aan de middelpooten zijn de dijen roodgeel, met
een breeden zwartbruinen ring, die digt bij de basis begint en tot
voorbij het midden reikt; de roodgele spits nog met een bruin vlekje
en ook de uiterste tip der knieën gebruind ; scheenen vuil roestkleurig ;
tarsen donkerbruin (de voor- en achterpooten ontbreken aan mijn eenig
exemplaar). Kolfjes roodgeel. Vleugels bruinachtig aschgrauw; eerste
achtercel gesloten, spits toeloopend en aan ’t einde gesteeld.
Een 9 uit Argentina (Weyenbergh).
SEPSINAE.
Nemopoda cylindrica Fabr.
Musca cylindrica, Fabr. Ent. Syst. IV. 336. 104; — Calobata cylindrica,
Fabr. Syst. Antl. 263. 11; — Sepsis cylindrica, Meig. Syst. Beschr. V.
290. 12; Zett. Ins. lapp. 748. 3; id. Dipt. Scand. VI. 2301. 17; —
Nemopoda cylindrica, Macq. Suit. a Buff. Dipt. II. 480. 1; Schin.
Faun. austr. II. 181; — Sepsis nitidula, Fall. Ortal. 21. 2; —
Nemopoda putris, Rob. D. Myod. 744. 1.
Van deze Europesche soort bevinden zich exemplaren uit de om-
streken van Quebec (Provancher) in het museum te Brussel.
RHOPALOMERINAE.
Rhinotera pluricellata Schin.
Schiner, Dipt. Nov. Reise, 233. 8 pl. 3 f. 7.
Ik ontving een exemplaar uit Argentina (Weyenbergh).
ORTALINAE.
1. Pyrgota undata Wied.
Pyrgota undata, Wied. Auss. Zweifl. II. 581. pl. 10. f. 6; Macq.
Suit. à Buff. Dipt. II 424. 1. pl. 18. f. 23; Gerst. Stelt. ent. Zeit.
XXXI. 188. pl. 2. f. 7; Löw, Monogr. Dipt. N. Am. II. 77. 2; —
Oxycephala fuscipennis, Macq. Dipt. ex. II. 3. 198. pl. 26. f. 6.
Een 9 uit Noord-Amerika in ’s Rijks museum te Leiden.
52 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
2. Rivellia viridulans Rob. D.
Rivellia viridulans, Rob. D. Myod. 729. 2; Löw, Monogr. Dipt. N.
Amer. IH. 88. pl. 8. f. 4; — Trypeta quadrifasciata, Walk. List
Dipt. Brit. mus. IV. 993. f. 5; — Herina rufitarsis, Macq. Dipt. ex.
supp. 5. 123. 7. pl. 7. f. 5
Een ¢ uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het museum
te Brussel.
3. Stenopterina mexicana Macq.
Herina mexicana, Macq. Dipt. ex. II. 3. 208. pl. 29. f. 2; Löw,
Monogr. Dipt. N. Am. III, 199.
Een g uit Columbie in het Brusselsche museum.
4. Pterotaenia fasciata Wied.
Ortalis fasciata, Wied. Auss. Zweifl. IL. 460. 5; — Tephritis quin-
quefasciata, Macq. Dipt. ex. supp. 4. 291. 18. pl. 27. f. 4; Blanch.
bij Gay, Hist. fis. y pol. de Chile, VII. 456. 1. pl. 5. f£ 9; — Ptero-
taenia fasciata, Rond. Annuario della Società dei Naturalisti in Modena,
anno III : Diptera aliqua in Am. mer. lecta (sep. p. 6); — Apospasmica
fasciata, Löw, Monogr. Dipt. N. Am. II 132.
Een paar mannetjes uit Chile in het Leidsch museum; een dito
uit Argentina (Weyenbergh) in mijne collectie.
Het geslacht Plerotaenia, door Rondani voor deze soort ee,
wordt door hem 1. c. gekenmerkt als volgt :
„Frons non distincte producta ultra oculos. Facies subperpendicu-
laris. Antennae articulo tertio elongato, apice extrinsecus acutiusculo;
secundo latitudine non distincte longiore ; arista nuda.
„ Scutellum quatuor-setosum.
„Alarum vena prima integra; secunda distincte producta ultra
transversam anteriorem; quarta et quinta non neque parum conver-
gentes extrinsecus ; transversa anterior magis proxima exteriori quam
interiori antica. Areola basalis postica angulo infero valde elongato.
„Gen. inter Herinam et Myennem Desv. locandem. ”
Daar de boven aangehaalde afbeeldingen van Macquart en Blanchard
veel te wenschen overlaten, acht ik het niet ondienstig eene schets-
teekening van den kop en eene afbeelding van den vleugel te geven
(Pl. 2 fig. 10 en 11).
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 53
Synoniem met het geslacht Pferotaenia Rond. en op dezelfde soort
gegrond, is het genus Apospasmica Löw, door dezen gekenmerkt als
volgt :
„Front of equal breadth. Face rather strongly carinate, rather
perpendicular and straight in profile; the vertical diameter of the
eyes very much larger than the horizontal one.
„Third antennal joint, on its upper side, gently but distinctly
excised, very pointed at the end: arista very bare.
„ Thorax along the middle with bristles on the hind part only.
„First longitudinal vein with bristles towards its end only; the
end of the fourth longitudinal vein not eurved forward; the posterior
angle of the anal cell drawn in a narrow, exceedingly long lobe.”
5. Seoptera vibrans L.
Musca vibrans, Linn. Faun. suec. 1867; Fabr. Spec. ins. II. 450.
81; id. Ent. Syst. IV. 350. 158; — Tephritis vibrans, Fabr. Syst.
Antl. 324.39; — Ortalis vibrans, Fall. Ortal. 20. 6; Meig. Syst. Beschr.
V. 284. 21; Macq. Suit. a Buff. Dipt. U. 437. 11; Zett. Ins. lapp.
747. 3; id. Dipt. Scand. V. 2159. 7; — Myodina vibrans, Schin. Faun.
austr. II. 85.
Een 4 van Guadeloupe (Delaunay) in het museum te Brussel; het
komt volkomen overeen met onze Europesche voorwerpen.
6. Euxesta eluta Löw.
Löw, Berl. Ent. Zeit. XI. 312. pl. 2. f. 19; id. Monogr. Dipt. N.
Am. III. 168. 13 pl. 9. f. 18.
Een ¢ uit Argentina (Weyenbergh). Tot dusver was de soort
enkel van het eiland Cuba bekend; het blijkt dus dat zij ook op het
vaste land van Zuid-Amerika voorkomt.
7. Chaetopsis aenea Wied.
Ortalis aenea, Wied. Auss. Zweifl. II. 462; — Chaetopsis aenea, Löw,
Berl. entom. Zeitschr. XI. 315. pl. 2. f. 21; id. Monogr. Dipt. N. Am.
II. 170. 1 pl. 9. f. 19; — Urophora fulvifrons, Macq. Dipt. ex. supp.
5. 125. 19. pl. 7. f. 8; — Trypeta Narytia, Walk. List Dipt. Brit.
mus. IV. 992; — Trypeta (Aciura) aenea, v. & Wulp, Tijdschr. v.
Ent. X. 157. 26. pl. 5. f. 12—14.
Een 9 van Wisconsin (Thure Kumlien) in het Leidsch museum,
54 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
TRYPETINAE.
1. Plagiostoma obliqua Say.
Trypeta obliqua, Say, Journ. ac. Philadelph. VI. 186. 3; Löw;
Monogr. Dipt. N. Amer. I. 99.
Een ¢ uit Mexico (Dugés) in het museum te Brussel.
2. Eutreta sparsa Wied.
Trypeta sparsa, Wied. Auss. Zweifl. II. 492. 24; Löw, Mon. Dipt.
N. Amer. L 18. pl 2. £ 135 I 28. 274» 29. pl.210. 17719
Platystoma latipennis, Macq. Dipt. ex. II. 3. 200. 3. pl. 26. f. 8.
Twee mannetjes uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het
museum te Brussel.
3. Urophora diaphana v.d. Wulp.
V. d. Wulp, Notes from the Leyd. mus. IV. 90. 25.
Aeneo-nigra ; capite, antennis, coxis anticis, genubus, tarsorumque
articulis duobus basalibus rufis; abdominis basi flava diaphana; alis fasciis
quatuor fuscis, prima basali, secunda nervum transversalem medium
attingente; tertia et quarta ad costam conjunctis. — d (?) long. 2 mm.
Glanzig metaalachtig groenzwart. Kop breeder dan de thorax,
bruinrood even als de sprieten en monddeelen; aangezigt kort, naar
onderen verbreed, in ’t midden ingedrukt, aan den mondrand opge-
wipt; het derde sprietenlid eivormig, met langen, regten, fijnen rug-
borstel. Achterlijf aan den wortel breed , naar het einde spits toeloopend ;
de beide eerste ringen doorschijnend roodgeel. Pooten pekbruin; de voor-
heupen, de knieën en de beide eerste tarsenleden bruinrood. Vleugels
(PL 2 fig. 12) glasachtig met vier donkerbruine banden; de eerste digt bij
den wortel; de tweede van de mediastinaal-cel (ongeveer op de halve
vleugellengte) uitgaande, de middeldwarsader aan de binnenzijde be-
strijkende en naar onderen breeder wordende; de derde schuin over
de schijfdwarsader loopende en aan den voorrand verbonden met den
vierden, die een breeden zoom aan de vleugelspits vormt.
Een enkel exemplaar, dat ik wegens het ontbreken eener eijerbuis
voor een d houd, van het eiland St. Martin (Reigersma) in ’s Rijks
museum te Leiden,
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 55
4. Tephritis bullans Wied.
Trypeta bullans, Wied. Auss. Zweifl. II. 506. 46.
Beide sexen van Buenos Aires (Weyenbergh).
Daar Wiedemann’s beschrijving vrij kort is en vervaardigd naar
een voorwerp zonder achterlijf, zal het niet overbodig zijn de soort
andermaal en wat uitvoeriger te beschrijven.
Mijne voorwerpen zijn kleiner dan hij aangeeft en slechts 2,5 mm.
lang. Kop okergeel; aangezigt en een voorzoom aan het voorhoofd
met witachtigen weerschijn; mondrand niet vooruitstekend; zuiger
kort; voorhoofd met gele borstels, waarvan er twee op den schedel
merkelijk langer zijn dan de anderen; ook het achterhoofd met een
krans van evenzoo gekleurde borstels. Sprieten vrij lang, aan het eind
van boven spits toeloopend ; sprietborstel lang en tot bijna de helft
verdikt; bij het d de sprieten kastanjebruin, bij het 2 roodgeel.
Thorax bleek okergeel (niet zwavelgeel zooals Wiedemann opgeeft),
in de zijden grauw met witachtige bestuiving; schildje roodgeel ;
achterrug donkergrijs; de borstels op den thorax allen geel, ook de
vier borstels op het schildje, waarvan de beide buitenwaartsche zeer
lang. Achterlijf roodgeel, met geelachtige beharing; eijerbuis van het 2
zwartachtig, zoo lang als de beide laatste ringen, aan het eind regt
afgeknot. Pooten roodgeel. Vleugels met een duidelijk randdoorntje en
een zeer grof netwerk, waarin twee grootere donkerbruine vlekken,
de eene tegen de uitmonding der subeostaal-ader, de andere tegen
die der radiaal-ader; mijne afbeelding Pl. 2 fig. 13 moge overigens
een denkbeeld van de vleugelteekening geven; het laatste gedeelte
der discoidaal-ader is sterk gebogen.
Digt verwant is ongetwijfeld T. meleagris Schin. (Dipt. Nov. Reise,
272. 122); volgens Schiner’s beschrijving zou ik deze zelfs als synoniem
rekenen, ware het niet dat hij beide soorten kende en stellig als
verschillend beschouwde. De heer Mik is zoo goed geweest mijne
exemplaren met Wiedemann’s typen in het Weener museum te ver-
gelijken; zij stemmen daarmede volkomen overeen.
SAPROMYZINAE.
1. Lonchoea chalybea Wied.
Wied. Auss. Zweifl. II. 476. 2; Schin. Dipt. Nov. Reise, 282, 151,
Beide sexen van Argentina (Weyenbergh).
56 AMERIKAANSCHE DIPTERA.
De determinatie is zeker, wijl de exemplaren door den heer Mik
met de typen in het Weener museum zijn vergeleken.
2. Sapromyza philadelphica Macq.
Macq. Dipt. ex. II. 3. 191. 13.
Een paartje uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het
museum te Brussel.
GEOMYZINAE.
1. Heterochroa picta Schin.
Schiner, Dipt. Nov. Reise, 236. 16; v. d. Wulp, Notes from the
Leyd. mus. IV. 90. 26.
Een 9 uit Chile in ’s Rijks museum te Leiden,
Het exemplaar komt met Schiner’s beschrijving van het ¢ genoeg-
zaam overeen , om de bovenstaande determinatie te kunnen aannemen.
Ik acht het evenwel niet overbodig eene afbeelding van het insect
en van den vleugel te geven, ook ter wille van het verschil met de
volgende, door mij te beschrijven, nieuwe soort.
Aan Schiner’s beschrijving voeg ik nog toe, dat het schildje ter
wederzijde zwart gevlekt is, als een vervolg van de beide zijstrepen
op den rug van den thorax.
Onder de kenmerken van het genus geeft Schiner aan: „der Abstand
der beiden Queradern von einander so gross als der der Hintern vom
Flügelrande”. Het is mij niet volkomen duidelijk wat hij daarmede
bedoelt: de aangehaalde zinsnede kan namelijk slaan op de discoidaal-
ader en dan zou het laatste gedeelte dier ader even lang moeten zijn
als het voorlaatste; of wel het kan betrekking hebben op de posticaal-
ader, en dan zou het laatste gedeelte van deze even lang moeten
zijn als het voorlaatste gedeelte der discoidaal-ader. Noch het een
noch het ander past geheel op het exemplaar, dat ik voor mij heb;
mijne afbeeldingen pl. 2 fig. 14 en 15 toonen dit aan. Aan een
sexueel verschil valt niet te denken.
Bij dit geslacht eindigt de randader niet plotseling aan de uitmon-
ding van eene der langsaderen aan de vleugelspits, maar zij is,
ofschoon voorbij de cubitaal-ader dunner, om den geheelen vleugelrand
doorgetrokken, iets wat bij de Musciden, zooveel ik weet, nergens
elders wordt aangetroffen,
AMERIKAANSCHE DIPTERA. O7
2. Heterochroa pictipennis v.d. Wulp.
V. d. Wulp, Notes from the Leyd. mus. IV. 91. 27.
Ochracea; vitta frontali unica, vittis thoracis sex cum fasciis
abdominis nigro-fuscis ; femoribus annulo subapicali fusco; alis fusco- et
albo-variegatis, basi flavescente, nervis transversalibus colore fusco
non obtectis; nervorum partibus in colore fusco situatis nigris et
incrassatis. — Q long. 5 mm.
Okergeel. Voorhoofd met eene smalle, donkerbruine, naar voren
spits toeloopende en de sprieten niet bereikende langsstreep; aangezigt
met witten weerschijn; ter wederzijde de gezigtslijsten met een zeer
smallen zwarten zoom; het tweede sprietenlid van boven met een
vrij langen zwarten borstel; de sprietborstel zelf mede zwart en met
microscopische beharing (bij H. picta zeer kort- maar duidelijk gevederd).
Thorax van boven met twee ver uiteenstaande zwarte langsstrepen,
die den voorrand niet geheel bereiken, en zich van achteren als een
zijrand van het schildje voortzetten; in de borstzijden, van de schouders
tot onder den vleugelwortel eene dergelijke streep, en daaronder nog
eene kortere boven de middelheupen. Achterlijf aan den voorrand der
ringen zwart of zwartbruin. Pooten bleek en vuil okergeel; vóór de
spits der dijen een donkerbruine ring. Vleugels (PI. 2 fig. 16) merkelijk
langer dan het achterlijf, aan de basis tot aan het eind der subcos-
taal-ader (op ongeveer een derde der vleugellengte) geelachtig, verder
donkerbruin en witachtig gevlekt; lichte vlekken bevinden zich om
de beide dwarsaderen en zijn van zoodanige uitbreiding, dat zij ook
in de daaronder en daarboven gelegen cellen indringen; voorts twee
ronde en aan elkander verbonden lichte vlekken in ’t midden der
cubitaal-cel en der eerste achtercel, eene eenigszins driehoekige in de
tweede achtercel, alsmede een paar halfronde aan de vleugelspits; de
vleugeladeren zijn, overal waar zij de donkere teekening doorsnijden,
verdikt en zwart; de posticaal-ader loopt geheel tot den vleugel-
rand door.
Een 9 uit Chile in het museum te Leiden.
Er zijn nu van het genus Helerochroa, dat door Schiner tot de
groep der Geomyzinae wordt gerekend, drie soorten bekend: H. picta
Schin., H. bicolor Schin. en de hierboven beschreven H. pictipennis.
Eerstgenoemde vertoont op den thorax-rug drie zwarte langsstrepen ;
bij de beide anderen zijn daar slechts twee strepen aanwezig, door-
dien de middenste is verdwenen. H. bicolor heeft ongevlekte, bijna
58 AMERIKAANSCHE DIPTERA..
glasachtige vleugels; bij picta en piclipennis daarentegen zijn de vleugels
donkerbruin en witachtig gevlekt; bij picta is de posticaal-ader niet
tot den vleugelrand voortgezet en de schijfdwarsader is door de donkere
teekening bedekt; bij pictipennis daarentegen loopt de posticaal-ader
tot den vleugelrand door en laat de donkere teekening de schijf-
dwarsader vrij.
EPHYDRINAE.
Ephydra caesia n. sp.
Nigra submetallica ; antennarum seta nuda; epistomate cinereo; geni-
bus tibiis tarsisque ex rufo-fuscis ; alis cinereo-hyalinis. — 2 long. 3,5 mm,
Zwart, bijna zonder glans, maar op het voorhoofd, den thorax en
het achterlijf met flaauwen staalblaauwen gloed. Het vooruitstekende
aangezigt geelachtig aschgrauw, digt behaard; de kinbakken grijs;
de sprieten zwart met naakten rugborstel. Borstzijden en heupen
aschgrauw; de dijen zwart met grijze bestuiving; de knieën, scheenen
en tarsen eenigszins tot het roestkleurige neigende. Kolfjes bruingeel.
Vleugels grauwachtig, aan den voorrand zeer fijn en kort gewimperd ;
schijfdwarsader een weinig voor het midden der eerste achtercel.
Een 9 uit Argentina (Weyenbergh).
Een tweede exemplaar (een d), van dezelfde herkomst, onderscheidt
zich door geringer grootte (2,75 mm.), meer groenachtigen metaalglans
en geheel bruingele pooten; het is, dunkt mij, slechts als eene lichtere
varieteit te beschouwen.
BORBORINAE.
Borborus hirtipes Macq.
Macq. Dipt. ex. II. 3. 297. 2. pl. 35. f. 5; Blanch. by Gay, Hist.
fis. y pol. de Chile, VII. 467. 1.
Een paartje van Argentina (Weyenbergh).
Aan deze exemplaren zijn niet alleen de beide eerste leden der
sprieten, maar ook het derde roestkleurig; de vlekken op de vleugels,
die in Macquart’s afbeelding allen te rondachtig zijn voorgesteld,
zijn eigenlijk eene donkere bezooming der aderen, welke op de langs-
aderen herhaaldelijk is afgebroken en zich daardoor als kleine streepjes
vertoont; in de tusschenruimten zijn die aderen wit gekleurd, wat
AMERIKAANSCHE DIPTERA. 59
echter alleen voor den dag komt, als men den vleugel tegen eene
donkere oppervlakte beschouwt; een dergelijk wit plekje vertoont zich
ook even vóór de uitmonding der subcostaal-ader.
HIPPOBOSCIDAE.
Ornithomyia erythrocephala Leach.
Leach, Eprob. ins. 13. 3. pl. 27. f. 4—6; Wied. Auss. Zweifl. II. 610. 5.
Twee exemplaren van Guadeloupe (Delaunay), in het museum te
Brussel.
Verk a ng der afbeeldingen.
PI. 1. Fig. 1. Allograpta obliqua Say 9 (achterlijf).
2. 5 exotica Wied. 2 (idem).
3. Mesograpta duplicata Wied. d (idem).
4 n pulchella Macq. ¢ (idem).
e he 5 linearis n. sp. d (idem).
6 m arcifera Löw ¢ (idem).
7 5 multipunctata n. sp. d (idem).
8 basilaris Wied. 3 (idem).
= = variabilis n. sp. d (idem).
n 10. Conops costatus F. (vleugel).
pd : piciventris n. sp. (vleugel).
» 12. Allophora micans n. sp. (vleugel).
„ 13. Belvosia bifasciata F. (kop).
„ld 2 A (achterpoot).
ee 5 rufipalpis Macq. (idem).
516; a Weyenberghiana n. sp.
VISA i (kop).
rae Le È $ (achterpoot).
60
AMERIKAANSCHE DIPTERA.
Pl. 2. Fig. 1. Prosena longipalpis n. sp. 9 (kop).
2. ; $ (vleugel).
3. 4 sarcophagina n. sp. (kop).
4. 5 > (vleugel).
5. Dexia tenuicornis n. sp. (kop).
6. è = (vleugel).
% 5 parvicornis n. sp. (kop).
8. È 5 (vleugel).
9. Ectinocera ? occidentalis n. sp. d.
10, Pterotaenia fasciata Wied. (kop).
ie È È (vleugel).
12. Urophora diaphana n. sp. (idem).
Tephritis bullans Wied. (idem).
. Heterochroa picta Schin. 9.
5 n (vleugel).
5 pictipennis n. sp. (idem).
#
2-4 Coenochilus; 5-7 Trichoplus ;
1 Deinosoma;
8-13 Lamesis: 14,15 Leiochrinus; 16 Motrita.
El
AJW. sculps.
1-6 Deinosoma; 7-25 Coenochilus .
Ela.
# AJW. sculps.
1-18 Leiochrinus; 19-25 Motrita .
DESCRIPTIONS
OF
SOME NEW EXOTIC COLEOPTERA,
BY
J. O. WESTWOOD M. A, FE. L. S.
HOPE PROFESSOR OF ZOOLOGY IN THE UNIVERSITY OF OXFORD.
Fam. COLYDIIDAE.
Deionosoma nov. gen.
Generibus Cicones Curtis (Brit. Ent. pl. 149) et Hyberis Pascoe
(Journ. Entom. I. p. 113. pl. vir f. 4) affine.
Corpus durum granulosum setosum, pedibus modice elongatis,
tibiis curvatis.
Caput porrectum granulatum ; labrum transversum margine antico
serrulatum setosum; mandibule breves, trigonæ, apice obtuse;
maxille elongate, lobis duobus apicalibus; externo majori apice
latiori subtruncato, setis curvatis dense instructo; interno graciliori
apice rotundato; palpis maxillaribus articulo basali minuto, secundo
et tertio majoribus subæqualibus, quarto majori subovali apice
suboblique truncato. Mentum transversum angulis anticis setà longa
instructis; labium quadratum; palpis labialibus subfiliformibus,
articulo primo minuto, secundo et tertio majoribus fere æqualibus,
hoc apice attenuato.
Antenne porrectæ 10-articulatee; articulis 9 basalibus fere æqua-
libus, basi angustioribus; 10mo majori subrotundato, setoso, ad
apicem substrangulato haud articulato.
62 DESCRIPTIONS OF SOME
Pronotum capite multo latius, lateribus rotundato-dilatatis, dorso
antice sulco medio parum profundo notato; margine postico supra
scutellum rotundato productum. Scutellum vix distinctum. Elytra
elongato-ovata subconvexa, rude granulata et setosa, granulis in
lineas longitudinales dispositis.
Pedes satis elongati; tibie curvatæ, setis rigidis curvatis lateralibus
instructis; tarsi omnes quadriarticulati, articulis tribus basalibus
brevibus, subtus haud lobatis, quarto elongato curvato subelavato.
Species unica :
Deinosoma rugosum n. sp. PI. 3. fig. 1.
Nigrum opacum, tuberculis seu granulis setisque nigris; elytris
fasciculis luteis setarum irregulariter positis; tibiis setis crassis
curvatis instructis.
Long. corp. 7 mill.
Habitat Borneo (Müller). In museo Lugdunense.
PI. 4. Fig. 1. Labrum and mandible.
Mandible detached.
Maxilla.
Mentum, labium and labial palpi.
Antenna.
le Se
Posterior tarsus.
Sect. LAMELLICORNIA.
Subfam. CREMASTOCHELIDAE.
Coenochilus sumatranus n. sp. Pl. 3. fig. 2.
Mas. Elongatus niger, vix piceo-tinetus, subnitidus, capite et
pronoto punctatissimis, elytris aciculato-punctatissimis; clypeo ante
antennas parum utrinque dilatato, margine antico vix emarginato ;
pronoto subconvexo, lateribus rotundato-dilatatis, pone medium
latitudine majori; angulis posticis depressis, subacutis et parum
extus porrectis; intus angulos paullo impresso, medioque linea
NEW EXOTIC COLEOPTERA. 63
tenuissima longitudinali glabra ante scutellum vix notato; elytris
sutura parum elevata levi, costa longitudinali levi prope suturam
alteraque parum distincta inter medium et marginem lateralem ,
postice in tuberculum subapicale ordinarium desinente; humeris
rotundatis prominentibus, margine laterali pone humerum emar-
ginato; abdominis segmento subapicali utrinque tuberculo laterali
ordinario squamoso munito; podice castaneo utrinque luteo-squa-
moso, punctato, linea tenui media elevata. Pedibus nigris; tibiis
anticis (maris) extus dentibus duobus apicalibus armatis; tibiis
quatuor posticis extus prope et ante apicem denticulo parvo in-
structis. Abdomine impressione elongata in medio segmentorum 2
et 3 basalium: metasterno utrinque nec non segmentis 2 et 3
ventralibus macula magna luteo-squamosa nigropunetata (his sensim
minoribus). Prosternum spina deflexa compressa setosa ante pedes
anticos armatum. Maxillæ lobo interno bispinoso, apicali etiam bi-
spinoso: mentum oblongum in medio ad basin palporum constrictum,
apice deflexo, impressione transverso-ovali crateriformi notato.
Long. corp. lin. 6; lat. humer. elytrorum lin. 24.
_ Habitat in insula Sumatra, Boenga-Mas, Palembang (J. C. van
Hasselt). In museo Lugdunensi.
PI. 4. fig. 7. Head and antenna.
» 8. Maxilla.
» 9. Mentum and labial palpi.
» 10. Apex of mentum seen trom the front.
» 11. Part of the head, prosternal deflexed spine and
base of fore leg.
» 12. Scutellum and part of the left elytron.
» 13. Anterior tibia and tarsus seen from above.
» 14. The same seen laterally.
» 15. Middle tibia and tarsus.
» 16. Posterior tibia and tarsus.
This species is most nearly allied to C. striatus Westw. Thes.
ent. p. 46 pl. XII. fig. 7, but that species is an inhabitant of
China, its mentum is quite differently formed and the elytra are
64 DESCRIPTIONS OF SOME
much more strongly costated than in the present species. From
the other asiatic species of Cænochilus it is distinguished by the
decided posterior angles of the prothorax.
Ceenochilus obscurus n. sp. Pl. 3. fig. 3.
Femina. Subelongatus, subdepressus, obscurus, ater, capite et
pronoto punctatissimis punctis minutis, rotundis; elytris fere planis,
costis vix apparentibus, sensim e basi ad apicem angustatis, punctato-
striatis punctis aciculatis parum impressis, striisque e punctis postice
conjunctis formatis, prima prope suturam, secunda inter primam et
medium elytrorum magis distincta, tertia inter medium et marginem
lateralem vix distincta , interstitiis (vel pseudo-costis) leevibus, punctis
parvis rotundis nonnullis distinctis. Capite parum convexo, clypeo
lateribus rotundis, medio marginis antici profundius emarginato ;
disco pone oculis integro, absque carina transversa et tuberculo ;
pronoto transverso-ovali, lateribus rotundatis, paullo pone medium
latiori, angulis posticis vix distinctis, disco inter angulos haud
impresso; impressione media longitudinali vix distincta versus scu-
tellum extensa; abdomine tuberculis duobus subapicalibus parvis;
podice atro convexo-punctato absque carina media. Corpore infra
nigro, abdomine convexo et medio metasterni glabris vix punctatis.
Pedibus brevibus, tibiis anticis planiusculis, depressis, extus integris ;
tibiis quatuor posticis extus inter medium et apicem parum angulatis
angulis vix spinam formantibus.
Long. corp. lin. 52; lat. humer. lin. 21.
Habitat in insula Sumatra, Kepahiam (Wienecke). In museo
Lugdunensi.
PI. 4. fig. 47. Front of the head.
» 18. Maxilla.
» 19. Mentum and labial palpi.
» 20. Fore leg seen from above.
» 21. The same seen from beneath.
» 22. Hind tibia and tarsus.
» 23. Portion of the left elytra.
NEW EXOTIC COLEOPTERA. 65
This species differs from C. swmatranus in the dull black colour,
the convex head with a more deeply notched clypeus, the hind
part without the transverse ridge or central tubercle, different
form of the elytra, with the costae almost obsolete, smooth and
marked with a few fine round punctures, the interstices being
filled in with aciculated punctures, which form more or less dis-
tinct longitudinal lines being posteriorly united together. The
maxillae have the inner lobe forming an obtuse tooth; the apical
lobe is formed of two teeth, the outer one short and obtuse, the
inner one longer and more acute. The mentum is oblong-quadrate,
the sides slightly emarginate and impressed for the labial palpi,
the anterior margin with a deep semicircular impression. The pos-
terior angles of the pronotum are very small but distinet; the
middle of the hind margin slightly depressed; the compressed spine
of the prosternum is fringed with erect hairs. The sides of the
metasternum and of the basal segment of the abdomen are clothed
with fine white sericeous pile. The terminal segment of the abdomen
and the podex are more closely punctured. The mesosternum is but
very slightly produced between the base of the intermediate pair
of legs.
I have seen but a single individual of each of the two species
of Cenochilus above described, and at first sight I was inclined
to think they were the opposite sexes of the same species, but
their relative characters seem scarcely to warrant such an opinion.
Ceenochilus Parrianus n. sp. PI. 3. fig. 4.
Niger parum castaneus, convexus, nitidissimus; capite antice
convexo, margine antico parum emarginato, lateribus ante antennas
paullo dilatatis, disco subtiliter punctato, utrinque ad basin anten-
narum tuberculo parvo elevato, carinaque transversa inter oculos
instructo; pronoto transverse-rotundato, angulis posticis rotundatis,
marginibus lateralibus et postico tenuissime reflexis, disco valde
‘convexo, punctatissimo; sulco tenui e medio ad scutellum ducto;
elytris glaberrimis, convexis, lateribus sensim e basi ad angulos
posticos angustatis, singulo striolis duabus gracilibus prope suturam
o
66 DESCRIPTIONS OF SOME
et cum illa parallelis, disco relicto parum subcoriaceo; pedibus
subgracilibus, femoribus subtus longitudinaliter striolatis, tibiis
duabus anticis apice bispinosis, quatuor posticis prope medium
extus parum angulatis; prosterno spina deflexa ante coxas armato;
metasterni lateribus setosis; abdominis segmentis basalibus in mare
parum canaliculatis, lateribus ante apicem tuberculis duobus spira-
culiferis ordinariis parvis instructo.
Long. corp. lin. 6.
Habitat in Angola. In museo D. F. J. Parry.
Pl. 4. fig. 24. Maxilla.
» 25. Mentum and labial palpi.
This new species agrees with C. glabratus in its convex form,
glossy surface, shape of pronotum and two subsutural strie on
each elytron, but differs from it in the transverse ridge between
the eyes and in the middle of the disc of the elytra not being
striated, also in the elytra being gradually narrowed and not
with the sides parallel, giving a more obconical form to the insect.
The type of C. glabratus in the Hopeian museum is from Gambia,
but there are two females from Port Natal in this museum with
the elytra somewhat more convex and more sulcated than in the type.
From C. Brou it is abundantly distinct by its much more convex
form, larger prothorax, elytra not parallel nor subdepressed, much
more glabrous and in not having the disc of the elytra longitudi-
nally carinated nor sulcated.
Trichoplus cordicollis Waterh. Pl. 3. fig. 5.
C. O. Waterhouse, Ann. Nat. Hist. 5th. ser. VIII p. 319
(Octob. 1881).
«Valde oblongus niger: thorace cordiformi disco excavato; elytris
oblique striatis, singulatim carina longitudinali suture proxima et
parallela instructis.
«Long. 45 lin.
«Very near to 7. Schawmii Westw. (Thes. Ent. p. 33 pl. IX.
fig. 10), but at once distinguished by the thorax being cordiform
instead of orbiculate. The thorax is closely and strongly punctured ,
NEW EXOTIC COLEOPTERA. 67
especially at the posterior border of the discoidal excavation: the
base itself is not punctured. Scutellum striolate. Elytra parallel for
two thirds of their length, then a little narrowed to the apex,
which is obtuse; sutural region flat, obliquely vermiculate-striolate ,
the flattened region bounded on the outer side by a carina, which
does not extend to the apex. Towards the side there is an indication
of a second carina, the surface between the dorsal carina and the
sublateral one less obliquely striolate: some very fine striolæ may
also be traced on the sides: the apex is dull and has some very
fine elongate punctures. The abdomen has some deep, elongate,
longitudinal punctures on each side of the middle of the four basal
segments. Pygidium transversely quadrate, opaque. All the tibiæ
are simple, but the posterior are shorter and broader than in
T. Schaumu ».
Habitat Zulu. In mus. Britann.
PI. 3. fig. 6. Anterior leg.
» 7. Posterior leg.
Sect. STERNOXA.
Lamesis nov. gen.
Inter Coleoptera Sternoxa hoc genus novum generi Melası maxime
affine videtur.
Corpus elongatum angustum, fere parallelum, supra depressum ,
coriaceo-punctatissimum seu granulosum. Caput breve, transversum,
antice rotundatum; os parvum, medium faciei inferæ capitis occu-
pante; palpis minutis, subfiliformibus, labialibus postice reflexis.
Antenne longitudine prothoracis æquales, graciles, 11-articulatæ ;
articulo 2do et 8 sequentibus ramum elongatum gracilem emitten-
tibus; 44mo elongato. Prothorax transverso-quadratus, capite paullo
latior, lateribus parum rotundatis, angulis posticis lateralibus trun-
catis, nec lateraliter nec retro extensis. Prosternum postice in spinam
planam, haud pronoto longiorem terminatum. Scutellum parvum
semicirculare. Elytra elongata, depressa, postice rotundata. Meso-
sternum breve, inter pedes intermedios paullo impressum. Meta-
68 DESCRIPTIONS OF SOME
sternum utrinque fossula magna elongata villosa notatum. Abdomen
segmento primo in angulum anticum productum; stylis duobus
minutis conicis apicalibus instructum. Pedes modice elongati gra-
ciles; tarsis omnibus 5-articulatis; articulo quarto subtus lobato.
Species unica :
Lamesis suturalis n. sp. PL 3. fig. 8.
Niger obscurus, confertim punctatissimus , punctis minutis: elytris
luteis, plaga magna elongata-trigona media, e basi ad apicem
extensa, nigra.
Long. corp. 6 mill.
Habitat Cordova, Republ. Argentin. (Weyenbergh). In museo
Lugdunensi.
Pl. 3. fig. 9. Underside of the head and thoracic segments.
» 10. Antenna.
» 11, Middle leg.
» 12. Middle tarsus.
» 13. Extremity of the body.
Fam. DIAPERID ZE.
Leiochrinus nov. gen.
Genus novum Coleopterorum heteromerorum, Diaperidibus affine,
Nilionem et Hemicyclum *) nonnihil habitu heemispherico simulans,
e Coccinellis primo intuitu vix distinguendum. |
Corpus hæmisphericum, glaberrimum, fere inpunctatum. Caput
parvum, labrum transversum antice fere rectum, parum setosum,
angulis lateralibus rotundatis. Mandibulæ breves latæ, extus rotun-
datæ apice in spinam acutam terminato; intus lobo tenui oblongo
serie spinularum circiter 24 brevium acutarum armato. Maxillæ
latæ bilobatæ, lobo supero magno, extus rotundato-dilatato valde
setoso, lobo interno parvo curvato apice acuto, superne in lobum
tenuem semicircularem dilatato; palpi maxillares crassi, subbreves,
articulo primo minuto, secundo et tertio æqualibus, quarto majori,
crasso apice magis dilatato. Mentum parvum, breve, antice latius ;
1) Hemicyclus (Hope M.S.), Westw. Arcan. Ent. I pl. XII fig. 3.
NEW EXOTIC COLEOPTERA. 69
labium transversum, mento multo majus, lateribus rotundatis,
margine antico fere recto; palpi labiales breves subfiliformes, articulo
ultimo precedenti fere æquali, apice subattenuato. Antennæ breves,
graciles, haud clavate, articulis primo et tertio longioribus , secundo
minuto, quinto et reliquis fere æqualibus, præcedentibus paullo
crassioribus.
Pronotum transversum, postice latius, tenue reflexo-marginatum.
Scutellum parvum, postice rotundatum. Elytra valde convexa, lateri-
bus rotundatis, parum reflexo-marginatis et subtus intus late inflexis,
Pedes breves, tarsis heteromeris, articulis intermediis longe lobatis,
ultimo elongato.
Alæ longe, vena transverse-obliqua e stigmate ad medium marginis
postici extensa, venas duas longitudinales emittente, spatio interno
pone medium ale macula magna lunulaque fuscis notato,
Species hujus generis sic dividuntur :
A. Pronotum antice integrum , caput tegens; antenne et pedes breves,
(Leiochrinus stricte sic dictus).
a. Pronotum margine antico rotundato.
L. fulvicollis.
» nigricornis.
» rufo-fulvus.
4. Pronotum margine antico in medio parum recte truncatum,
caput vero tegens.
L. lutescens.
» testaceus.
B. Pronotum antice emarginatum pro receptione capitis.
a. Antenne et pedes breves (Zeiochrodes).
L. discoidalis. L. castaneus.
» piceus. » bispilotus.
» fulvescens. » rufo-fulvus.
» nigripennis. » parvulus.
» medianus. » limbatus.
» chalybeatus. » octomaculatus.
» subpurpurascens. » Agathidioides.
» suturalis. » Coccinelloides.
» picicollis.
70 DESCRIPTIONS OF SOME
i. Antenne et pedes magis elongati.
# Tarsi articulo penultimo subtus lobato (Leiochrota).
L. uniformis.
» varicolor.
** Tarsi articulo penultimo haud lobato (Zeiochrotina).
L. indica.
Sectio A. Pronotum antice caput tegens.
Subsectio 4. Pronotum margine antico rotundato.
4. Leiochrinus fulvicollis n. sp. PI. 3. fig. 14.
Fulvus, corpore infra magis castaneo, elytris piceis lateribus et
apice magis rufescentibus, pronoti margine antico integro, antennis
prothorace vix longioribus fulvis, articulis ultra medium paullo
magis obscurioribus.
Long. corp. 53 mill.; lat. fere mill. 5.
Habitat Audai, Nova Guinea (von Rosenberg), in mus. Lugdunensi ;
etiam Batchian, Waigiou et Sarawak (Wallace), in mus. Hopeiano
Oxoniæ.
Var. paullo major, pronoto magis flavescenti, elytris magis nigri-
cantibus, margine tenuissimo fulvo. Dorei (Wallace), in Mus.
Hopeiano Oxoniæ.
PI. 5. fig. 1. Labrum and left mandible.
» 2. Left mandible detached.
» 3. Maxilla.
» 4. Mentum and labium.
» D. Antenna.
» 6. Wing.
» 7. Posterior tarsus.
2. Leiochrinus nigricornis n. sp.
Præcedenti simillimus, sed paullo minor, pronoto magis rufo-
fulvo, antennis nigris, pedibus obscure fulvis.
Long. corp. 5 mill.
Habitat Waigiou, Nova Guinea, Mysol (Wallace). In mus.
Hopeiano Oxoniæ,
NEW EXOTIC COLEOPTERA. 71
Var. paullo major, antennis et pedibus obscure fulvis, vix species
distincta. Dorei (Wallace). Long. 6 mill.
3. Leiochrinus rufo-fulvus n. sp.
Totus rufo-fulvus, antennis pedibusque concoloribus.
Long. corp. fere 6 mill.
Habitat Aru (Wallace). In mus. Hopeiano Oxoniæ.
Subsectio 6. Pronotum margine antico in medio parum recte
truncato, caput vero tegens.
4. Leiochrinus lutescens n. sp.
Magnitudo Z. nigricornis, totus pallide fulvo-lutescens nitidus,
antennis et pedibus concoloribus, illis pronoto parum brevioribus;
tibiis posticis ante medium subangulatis; margine antico pronoti
in medio parum reflexo et nonnihil subemarginato, caput tamen
omnino obtegenti, oculis nigris per cutem pronoti visibilibus.
Habitat Mount Ophir (Wallace). In mus. Hopeiano Oxoniæ.
5. Leiochrinus testaceus n. sp.
Totus rufo-fulvescens, antennarum articulis 7 ultimis obscu-
rioribus.
Long. corp. 53—6 mill.
Habitat Menado (Wallace). In mus. Hopeiano Oxoniæ.
Sectio B. Pronotum antice emarginatum.
Subsectio a. Antenne et pedes breves (Leiochrodes).
6. Leiochrinus (Leiochrodes) discoidalis n. sp. PI. 3. fig. 15.
Piceus vel rufo-piceus, nitidissimus levissimus, pronoto rufo,
lateribus lutescentibus, disco ante scutellum nigro, hoc cum sutura et
elytrorum plaga magna elongata discoidali in singulo, nigris; antennis
12 DESCRIPTIONS OF SOME
pronoto parum longioribus, piceis, articulis 7 ultimis æqualibus ;
pedibus piceo-nigricantibus, tarsis pedum anticorum luteis,
Long. corp. fere 6 mill.
Habitat Batavia, Java (Sythoff). In mus. Lugdunensi.
PI. 5. fig. 8. Maxilla.
» 9. Mentum and labium.
» 10. Antenna.
» 41. Fore foot with the terminal joint detached.
» 12. Middle foot. .
» 13. Hind foot.
7. Leiochrinus (Leiochrodes) piceus n. sp.
Piceus, nitidissimus; antennis pedibusque concoloribus; lateribus
pronoti et elytrorum lutescentibus; antennis pronoto longitudine
fere æqualibus; tibiis posticis paullo curvatis; pronoto antice semi-
circulariter emarginato.
Long. corp. 6 mill.
Habitat in insula Sumatra, Moeara Laboe (J. F. Snelleman).
In mus. Lugdunensi.
8. Leiochrinus (Leiochrodes) fulvescens n. sp.
Totus luteo-fulvescens; antennis pedibusque concoloribus; illis
pronoto parum longioribus, articulis 7 apicalibus æqualibus; tibiis
posticis fere rectis; pronoto in medio antice semicirculariter inciso.
Long. corp. 5 mill.
Habitat in insula Sumatra, Kloempang (A. L. van Hasselt).
In mus. Lugdunensi.
9 Leiochrinus (Leiochrodes) nigripennis n. sp.
Capite, pronoto, basi antennarum pedibusque rufis, antennarum
articulis 7 ultimis, scutello elytrisque omnino nigris, his æneo vix
tinctis, sutura et lateribus tenuissime obscure ferrugineis.
Long. corp. 44 mill.
Var. capite magis piceo.
Habitat Ceram, Dorei et Gilolo (Wallace). In mus. Hopeiano Oxoniæ.
NEW EXOTIC COLEOPTERA. 73
10. Leiochrinus (Leiochrodes) medianus n. sp.
Niger; capite, antennis, tibiisque quatuor posticis concoloribus ;
pronoto fulvo, macula media nigra; pedibus anticis tarsisque
quatuor posticis fulvis.
Long. corp. 43 mill.
Habitat Batchian (Wallace). In mus. Hopeiano Oxoniæ.
41. Leiochrinus (Leiochrodes) chalybeatus n. sp.
Rufus, elytris chalybeo-nigris, antennarum articulis apicalibus
nigris.
Long. corp. 43 mill.
Habitat Kaisa et Batchian (Wallace). In mus. Hopeiano Oxoniz.
Var. pallidior, capite et pronoto flavis. Batchian (Wallace).
12. Leiochrinus (Leiochrodes) subpurpurascens n. sp.
Rufus, capite piceo, elytris bronzeo-subpurpurascentibus, anten-
narum articulis 7 apicalibus nigris.
Long. corp. 4 mill.
Habitat Aru, Dorei et Waigiou (Wallace). In mus. Hopeiano
Oxoniæ.
13. Leiochrinus (Leiochrodes) suturalis n. sp.
Rufus, antennarum articulis 7 apicalibus nigris, elytris atris
nitidissimis; scutello, sutura late lateribusque elytrorum angus-
tissime ferrugineis.
eee
Long. corp. 4} mill.
Habitat Tondano, Amboina, Ceram et Bourou (Wallace); etiam
Moretn-Bay, Australia (an recte ?). In mus. Hopeiano Oxoniæ.
14. Leiochrinus (Leiochrodes) picicollis n. sp.
Capite, antennarum basi, pedibusque ferrugineis; pronoto, mar-
ginibus lateralibus rufis exceptis, nigro; elytris purpurascenti-
brunneis; tibiis quatuor posticis piceis.
Long. corp. 4 mill.
Habitat Mysol (Wallace). In mus. Hopeiano Oxoniæ.
74 DESCRIPTIONS OF SOME
45. Leiochrinus (Leiochrodes) castaneus n. sp.
Magis convexus, totus castaneus, antennis pedibusque concolo-
ribus, illis nonnihil brevioribus et paullo crassioribus.
Long. corp. 4 mill.
Habitat Borneo, Sarawak (Wallace). In mus. Hopeiano Oxonie.
16. Leiochrinus (Leiochrodes) bispilotus n. sp.
Rufus, antennis nigris, pronoti vitta media nigra, elytris nigris,
sutura late singuloque elytrorum plaga magna ovali discoidali rufis ;
pedibus quatuor posticis obscurioribus.
Long. corp. fere 4 mill.
Habitat Borneo, Sarawak (Wallace). In mus. Hopeiano Oxoniæ.
47. Leiochrinus (Leiochrodes) rufo-fulvus n. sp.
Totus rufo-fulvus, articulis 7 apicalibus antennarum piceis,
subgracilibus.
Long. corp. fere 5 mill.
Habitat Sulla, E. Celebes (Wallace). In mus. Hopeiano Oxonie.
18. Leiochrinus (Leiochredes) parvulus n. sp.
Parvus, valde convexior, capite et pronoto obscure rufis, elytris
et scutello cyaneo-nigris, antennis brevioribus, latioribus, nigris.
Long. corp 3 mill.
Habitat Dorei (Wallace). In mus. Hopeiano Oxoniæ.
19. Leiochrinus (Leiochrodes) limbatus n. sp.
Læte rufo-fulvus, capite obscuriori, antennis nigris (articulis
basalibus exceptis); elytris rubris, basi limboque laterali singuli nigris.
Long. corp. vix 4 mill.
Habitat Singapore (Wallace). In mus. Hopeiano Oxoniæ.
20. Leiochrinus (Leiochrodes) octomaculatus n. sp.
Valde convexus, levis, obscure fulvus; antennis brevioribus,
articulis tertio ad apicem sensim crassioribus setosis, articulis
NEW EXOTIC COLEOPTERA. 15
basalibus fulvis, quatuor apicalibus nigris; pronoto nigro, antice et
lateribus fulvo-rufis, margine postico in medio rotundato, scutellum
fere obtegente ; hoc et elytris nigris, singulo macula rotundata suturali
basali, secunda prope medium suture, tertia inter has et marginem
lateralem rotundata, quarta reniformi paullo ante apicem elytrorum
sita; pedibus fulvis, articulo penultimo tarsorum haud subtus lobato.
Long. corp. 34 mill.
Habitat Borneo, Sarawak (Wallace). In mus. Hopeiano Oxoniæ.
21. Leiochrinus (Leiochrodes) Agathidioides n. sp.
Minutus, valde convexus, chalybeo-niger nitidissimus lævissimus,
capite antice piceo; antennis vix pronoti longitudine, nigris, arti-
culis basalibus castaneis, apicalibus transversis, brevioribus quam
longioribus; pedibus fulvo-castaneis, tarsis articulo penultimo haud
subtus lobato.
Long. corp. vix 3 mill.
Habitat Aru (Wallace). In museo Hopeiano Oxoniæ.
22. Leiochrinus (Leiochrodes) Coccinelloides n. sp.
Fulvus; antennis brevibus, articulis apicalibus nigris, setosis,
quarto ad apicem fere æqualibus; elytris maculis 10 nigris, prima
rotundata in medio basali singuli, secunda fere in medio laterali,
tertia fere in medio disci, quarta ante apicem, his rotundatis,
duabus alteris suturalibus communibus ovalibus, una ante, altera
pone medium suture locatis; pedibus fulvis, tarsorum articulo
basali elongato, hoc et duobus sequentibus vix subtus lobatis.
Long. corp. fere 4 mill.
Habitat in Taprobana insula (Thwaites). In museo Hopeiano
Oxoniæ (olim nostro).
Subsectio 5. Antennis et pedibus elongatis.
* Tarsi articulo penultimo lobato (Zeiochrota).
23. Leiochrinus (Leiochrota) uniformis n. sp.
Totus rufo-fulvus ; elytris sub lente delicate sparsim punctatis;
76 DESCRIPTIONS OF SOME
pronoto parum convexo, lateribus parum rotundatis, antice late
emarginato ; elytris rotundatis et prope basin valde convexis; antennis
pronoto duplo longioribus, articulis 5—10 fere æqualibus nigris,
44mo precedenti paullo majori, hoc et articulis quatuor basalibus
rufo-fulvis; pedibus longis; tibiis quatuor posticis vix curvatis.
Long. corp. 5 mill.
Habitat in Menado et Tondano (Wallace); etiam India orientali
(Boys) an recte? — In museo Hopeiano Oxonie.
Pl. 5. fig. 14. Antenna.
» 15. Fore foot.
» 16. Hind foot.
24. Leiochrinus (Leiochrota) varicolor n. sp.
Capite, pronoto, palpis, antennarum articulis basalibus pedibusque
læte testaceo-fulvis; scutello obscuro; elytris pallide flavis, sutura,
macula trigona humerali marginique laterali tenuissimis nigris;
antennis longis, articulis septem ultimis fere æqualibus nigris ;
pedibus elongatis, tibiis 2 posticis paullo curvatis, tarsorum articulo
basali elongato, hoc et tribus (vel duobus, in pedibus posticis)
subtus paullo productis at vix lobatis.
Long. corp. 5 mill.
Habitat Borneo, Sarawak (Wallace). In museo Hopeiano Oxoniæ.
Var. paullo minor (43 mill.), elytris nigris singulo ad angulum
scutellarem plaga oblonga, tertiam partem longitudine elytrorum
æquanti, singuloque versus apicem marginis lateralis linea tenui
flava notatis (Sarawak).
** Tarsi articulo penultimo subtus haud lobato (Zeiochrotina).
25. Leiochrinus (Leiochrotina) indica n. sp.
Castaneus, parum æneus, nitidus, pronoti disco late piceo; capite,
antennarum basi pedibusque castaneo-piceis. Capite magis porrecto,
supra delicatissime punctatissimo; palpis maxillaribus filiformibus ;
antennarum” articulis septem ultimis nigris subæqualibus; elytris
NEW EXOTIC COLEOPTERA. 77
sub lente punctato-striatis, punctis minutissimis; tarsis omnibus
articulo penultimo simplici, præcedentibus subtus lobatis, tibiis
posticis parum curvatis.
L. uniformi prima intuitu omnino magnitudine et statura simil-
limus; differt tarsorum structura (unde subgenus distinctum pro
ejus receptione indicavi), superficie punctis minutis et elytris
delicatissime punctato-striatis, ex omnibus speciebus precedentibus
distinctus.
Long. corp. 63 mill.
Habitat in India orientali (Boys). In museo Hopeiano Oxoniæ
(olim nostro).
PI. 5. fig. 17. Antenna.
» 18. Anterior tarsus.
Motrita nov. gen.
Genus novum generi Tritomae proximum.
Corpus ovale convexum glabrum. Caput porrectum trigonum.
Mandibulæ subporrectæ, extus rotundatæ, apice in dentem acutum
producto, intus dente parvo acuto sub apicem armatæ. Labrum
transversum angulis anticis rotundatis, setis curvatis instructum.
Maxillæ lobis duobus apicalibus elongatis setosis inermibus, externo
majori. Palpi maxillares magni, articulo basali longo basi curvato,
secundo et tertio parvis crateriformibus, quarto maximo obconico,
angulo interno valde producto, apice fere recte truncato, antice
paullo latius. Mentum breve transversum angulis anticis acutis;
labium subquadratum, palpis labialibus articulis duobus parvis,
tertio longiori ad apicem sensim latiori apice subtruncato.
Antenne pronoto longiores, setose, articulo primo crasso ovali,
secundo parvo, tertio graciliori et longiori, quarto ad octavum
sensim brevioribus et crassioribus; clava magna, triarticulata , primo
(s. 9no) maximo transverse sublunato, 10mo paullo minori ejusdem
forme, dimo minore ovali.
Pronotum breve, antice multo angustius, lateribus rotundatis,
margine postico in medio supra scutellum paullo producto. Elytra
78 DESCRIPTIONS OF SOME NEW EXOTIC COLEOPTERA.
ovalia glabra nitida, basi sulcis duobus inter medium et humeros,
sensim fere evanescentibus, disco singuli fere levi.
Pedes breves, tarsis articulis tribus basalibus subtus dilatatis,
tertio cordato, setosis , articulo quarto minimo, quinto longiori clavato.
Species unica
Motrita fulvipes n. sp. Pl. 3. fig. 16.
Niger nitidissimus, capite antice, labro et mandibulis fulvescen-
tibus, antennis et pedibus fulvis, clava antennarum nigra; pronoto
glabro impunctato, lateribus tenuissime marginatis.
Long. corp. 43 mill.
Habitat Sumatra, Solok (J. H. Schagen van Leeuwen). In museo
Lugdunensi.
Pl. 5. fig. 49. Labrum.
» 20. Mandible.
» 24. Maxilla.
» 22. Mentum, labium and labial palpi.
» 23. Antenna.
» 24. Fore tarsus.
» 25. Posterior tarsus.
BOEK AANKONDIGING.
DE VLINDERS VAN NEDERLAND (MICROLEPIDOPTERA),
systematisch beschreven door P. C. T. SNELLEN, twee deelen.
Leiden, E. J. BriLL. 1882.
Onder een dergelijk opschrift als het bovenstaande was het mij
in 1868 eene aangename taak, het werk van den heer Snellen over
de Macrolepidoptera in dit Tijdschrift te bespreken en bij onze
Nederlandsche Entomologen in te leiden. ')
Veertien jaren zijn sedert verloopen, en in de beide lijvige boek-
deelen, die thans voor mij liggen, zie ik den wensch vervuld,
dien ik destijds uitte, namelijk «dat het den heer Snellen noch
aan lust noch aan tijd mocht ontbreken ook onze Microlepidoptera
op dezelfde uitmuntende wijze te bewerken. ”
Het gebouw, waarvan toen het eerste gedeelte was opgetrokken ,
staat nu voltooid voor ons, en wel mogen wij den Schrijver geluk-
wenschen met de voleindiging van een werk, waaraan hij een
groot deel zijns levens wijdde. Alleen toch dit tweede gedeelte
kostte hem, volgens zijne eigen getuigenis, meer dan twaalf jaren
onafgebroken studie, van welken tijd twee derden werden besteed
tot het bijeenbrengen der voorwerpen en het verzamelen van alle
citaten, die op de Europeesche Microlepidoptera betrekking hebben
en meer dan 5000 kwarto bladzijden schrift innemen. Eerst na
het leggen van dezen vasten grondslag konden de analytische
tabellen van al de ongeveer 3900 bekende soorten der Euro-
1) Tijdschr. v. Entom. dl. XI blz. 210.
80 BOEKAANKONDIGING. SNELLEN’S VLINDERS
peesche fauna worden uitgewerkt en ten slotte door het eigenlijke
schrijven van het werk, de laatste hand aan het geheel worden
gelegd.
Wij durven den heer Snellen gerust de meest mogelijke vol-
doening van zijnen zoo veel omvattenden arbeid voorspellen. Hij
heeft er zich niet slechts eene eerezuil door gesticht, maar ook
den rechtmatigen lof en dank verdiend van alle Lepidopterologen ,
voor wie dit standaardwerk een onmisbare schat is, die voortaan
in geen hunner boekerijen mag noch zal ontbreken.
Evenmin als bij mijne bespreking van het eerste gedeelte, acht
ik het mogelijk, noch zelfs wenschelijk, dit uitgebreide, eerst
onlangs verschenen werk reeds nu in zijne onderdeelen te behan-
delen. Ik bepaal mij dus tot eenige algemeene beschouwingen en
opmerkingen, die mij, ik zeg niet, bij het bestudeeren, maar
slechts bij het eenigszins nauwkeuring doorbladeren van het werk,
opvielen. Overigens wensch ik eene uitvoeriger behandeling en
beoordeeling over te laten aan Entomologen, die eene meer gezette
studie der Microlepidoptera, vooral wat betreft hunne systematische
rangschikking, maken. — Omtrent het plan en den inhoud van
het werk geeft de Schrijver, in zijne Voorrede, de noodige ophel-
deringen, waaruit blijkt, dat de inrichting dezer tweede afdeeling
weinig verschilt van die der eerste; echter zijn de aan de analy-
tische tabellen ontleende hoofdkenmerken van de familien , geslachten
en soorten thans niet boven de nadere beschrijvingen herhaald,
waardoor eene noodelooze uitgebreidheid is vermeden. Verder heeft
de Schrijver zich, wat aangaat de volgorde der geslachten en soor-
ten, strikter dan vroeger gehouden aan die, welke door de beste
bewerkers der familien is aangenomen, zonder, gelijk hij zegt,
daarom die verbeteringen prijs te geven, welke hij meende te kunnen
aanbrengen of waar zij door anderen reeds waren gemaakt. Zoo
heeft hij voor de Pyraliden Lederer, voor de Crambinen Zeller,
voor de Tortricinen eveneens Lederer, met de verbeteringen van
von Heinemann, voor de Tineinen grootendeels Stainton, voor de
Pterophoren hoofdzakelijk Herrich-Schäffer en Zeller gevolgd, terwijl
hij voor de Phyciden zijne eigene verdeeling aannam. — In het
VAN NEDERLAND (MICROLEPIDOPTERA). 81
geheel zijn, met bijvoeging der tijdens het drukken van het werk
nog nieuw ontdekte Botys fulvalis Hbn., Crambus myellus Hbn.,
en Tortrix (Cacoecia Hbn.) deeretana Treitsk., 948 soorten opgenomen
en daarbij nog 446 soorten, waarvan de ontdekking in Nederland
waarschijnlijk wordt geacht, gekarakteriseerd.
Op de Voorrede volgt een « Bijvoegsel tot de inleiding van het
eerste gedeelte », waarbij het verschil tusschen de Macro- en Micro-
lepidoptera wordt nagegaan en den bouw en vleugelvorm der
laatsten, ook wat hun aderstelsel betreft, nauwkeurig worden
omschreven.
De Schrijver maakt hier de, ook naar mijn gevoelen zeer juiste
opmerking, dat genoemd stelsel, hoe onmisbaar ook voor de syste-
matiek , wilde men het voor de classificatie der kleine smalgevleugelde
soorten op den voorgrond blijven stellen, gelijk dit Herrich-Schaffer
gedaan heeft, vaak tot verkeerde gevolgtrekkingen zou leiden. Ten
slotte worden nog eenige bijzonderheden omtrent de eerste toestanden
der Microlepidoptera medegedeeld. Daarna geeft de Schrijver eene
nieuwe, verbeterde en eenigszins gewijzigde tabel van alle behan-
delde familien, omdat hem de noodzakelijkheid gebleken was, om zijn
genus Gastropacha als eene bijzondere familie Lasiocampina van
de Bombycina af te scheiden, en tevens het in Nederland vinden
eener tot de Thyridina behoorende soort, namelijk van Zenestrella
Se., ook het inlasschen van deze familie onvermijdelijk maakte. Daar-
door is nu het getal familien van 27 tot 29 geklommen. Ook in de
volgorde is eenige verandering gebracht en de naam Lithosina
in de plaats van dien van Chelonariae getreden, terwijl nog de
vroegere uitgangen op zdae in ma veranderd zijn, waarin echter,
wat de meeste familien betreft, Herrich-Schäffer en von Heinemann
reeds waren voorgegaan.
Wij zijn thans genaderd tot het beschrijvende gedeelte, waarin
achtereenvolgend behandeld worden de familien 4 Pyralidina Led.,
2 Tortricina Led., 3 Tineina Herr.-Sch., 4 Pterophorina Herr.-
Sch., 5 Alucitina Herr.-Sch. en 6 Micropterygina Herr.-Sch.
De laatste familie is eene schepping van Herrich-Schäffer, die
de vlinders, vroeger onder de Tineiden in het g. Mieropteryx ge-
6
82 BOEKAANKONDIGING. SNELLEN’S VLINDERS
plaatst, daarin opnam en haar als de allerlaatste in het systeem
plaatste; ook Frey en Wocke namen de afzonderlijke familie aan,
die echter bij den eersten tusschen de Tineiden en Hyponeumatiden ,
bij den laatsten tusschen de Nepticuliden en Pterophorinen voor-
komt. De heer Snellen heeft gemeend Herrich-Schäffer te moeten
volgen. Welke schikking de voorkeur verdient durf ik niet beslis-
sen, daar het eene gevoelen op den afwijkenden loop der vleugel-
aderen, het andere op den ongewonen vleugelvorm der Pterophoren
en Alucitinen steunt. Aan het begin van elke familie komt eene
tabel der geslachten en vervolgens voor ieder geslacht eene tabel
der soorten. De Schrijver heeft dus hier dezelfde wijze van behan-
deling gevolgd als in het eerste gedeelte, zoodat hetgeen ik vroeger
opmerkte over het meer of minder doelmatige daarvan, ook nu
van toepassing is.
Nog bevat het werk eene systematische lijst der Microlepidoptera,
eene alphabetische lijst van de familien, subfamilien en genera,
eene alphabetische lijst der soorten met de synoniemen uit de
Bouwstoffen en het Tijdschrift voor Entomologie, eene systematische
lijst der in de aanteekeningen beschreven soorten van Microlepidoptera,
en vervolgens eene opgaaf der vlindersoorten, vermeld als Neder-
landsche Microlepidoptera in de Bouwstoffen en in het Tijdschrift,
die niet in het werk zijn opgenomen of daarin niet als afzonderlijke
soorten voorkomen, hetzij omdat zij tot de Macrolepidoptera gere-
kend of als vareiteiten beschouwd worden, hetzij verkeerd gede-
termineerd of wel niet inlandsch zijn.
Wat betreft de varieteiten, is de Schrijver in zijn streven om
daartoe vroeger aangenomen soorten te brengen en onder één
type te vereenigen, mijns bedunkens, hier en daar wel wat ver
gegaan. Om niet te spreken van soorten als Teras squamana Fabr.,
T. comparana Hbn. enz., is zeker, in dat opzicht, de zoogenaamde
Wahlbomiana-groep de opmerkelijkste. Tot deze toch werden vroeger
algemeen acht verschillende soorten gebracht, die eerst door O.
Hofmann tot vier, later door von Heinemann tot drie werden in-
gekrompen, en die thans onder een enkelen type met elf varieteiten
zijn vereenigd, hoewel de Schrijver te recht niet durft beslissen,
VAN NEDERLAND (MICROLEPIDOPTERA). 83
dat daarmede de zaak is uitgemaakt, hetgeen ik hem gereedelijk
toegeef, daar mij het kweeken der rupsen van eenige dier zooge-
naamde varieteiten in de gelegenheid stelde het aanzienlijke en vrij
constante verschil tusschen die rupsen en den tijd van haar voor-
komen waar te nemen.
Nog zij daaromtrent opgemerkt, dat door geen der genoemde schrij-
vers, zelfs niet door O. Hofmann, die de zaak het allernauwkeu-
rigst heeft onderzocht, het zekere bewijs hunner beweringen is gele-
verd, zijnde dit alleen door eene kweeking uit eieren te verkrijgen.
Van zeer groot belang voor de determinatie zijn de veertien aan
het werk toegevoegde platen, die 494 figuren bevatten en vooral
de afbeeldingen van generieke kenmerken voorstellen. Te betreuren
is het evenwel, dat de Schrijver, die overigens geene moeite heeft
gespaard aan het vervaardigen van lijsten en indices, heeft nage-
laten om, zoo als hij voor het eerste gedeelte deed, ook thans
eene verklaring der op de platen voorkomende figuren te laten
voorafgaan ; daarmede zou hij zeker aan de meesten zijner lezers, vooral
aan de mingeoefenden , een grooten dienst bewezen hebben, daar deze,
bij het beschouwen der afbeeldingen, nu niet dan na lang zoeken
kunnen te weten komen, op welken vlinder deze of gene figuur
betrekking heeft. Wel heeft de Schrijver de afbeeldingen zoo veel
doenlijk den tekst laten volgen, doch dat dit niet altijd mogelijk
was, blijkt op een aantal plaatsen en komt vooral sterk uit bij
fig. 1 en fig. 494, waarvan de eerste den kop, de laatste een ge-
deelte van den achtervleugel eener Micropteryx voorstelt.
Met eene lijst van medewerkers, aangehaalde werken en ver-
klaring der verkortingen wordt de afdeeling der Microlepidoptera
besloten en het overige even zeer te waardeeren gedeelte van het
werk gewijd aan «Bijvoegsels en verbeteringen tot de Macrolepi-
dopteren », waaruit blijkt dat, na de uitgaaf van het eerste gedeelte,
54 voor de Nederlandsche fauna nieuwe soorten zijn ontdekt en
het totaal dus tot 737 is geklommen.
Verder vindt men nog aanteekeningen omtrent 235 reeds be-
handelde soorten, waarvan een of ander nader is bekend geworden,
met de daartoe behoorende alphabetische lijsten.
84 BOEKAANKONDIGING. SNELLEN’S VLINDERS
Ziehier in korte trekken den inhoud van het werk, dat nu
met het eerste gedeelte een volledig geheel uitmaakt. Daardoor is,
voor zooverre de Lepidoptera betreft, het doel bereikt, waarnaar
wijlen Dr. J. A. Herklots, de oprichter der « Bouwstoffen voor eene
fauna van Nederland », en diens samenwerkers streefden , namelijk,
om door het bijeenbrengen en openbaar maken van lijsten der
hier te lande voorkomende diersoorten den grond te leggen en den
lust op te wekken tot eene meer opzettelijke behandeling der ver-
schillende orden. Het was Mr. H. W. de Graaf, die voorging door
zijne met de uiterste zorg bijeenverzamelde en gestadig aange-
vulde lijsten onzer Nederlandsche Schubvleugelige insecten, en wij
waardeeren het in den heer Snellen, dat hij, in zijne voorrede,
met nadruk op dien arbeid wijst. Misschien zelfs waren het deze
lijsten, die bij hem het plan deden rijpen tot het op zich nemen
eener taak, waarvoor hij wellicht zonder die gegevens ware terug-
gedeinsd. Bovendien bleef de heer de Graaf hem door zijn onver-
droten ijver, zorgvuldige nasporingen en nauwkeurige mededeelingen
steeds ter zijde staan en bracht hij daardoor verreweg het meeste
van alle medewerkers van den heer Snellen bij, om dezen zijn
schitterend resultaat te doen verkrijgen, waarom aan den heer
de Graaf een gedeelte der hulde toekomt, die ik thans breng aan
den Schrijver van het meest volmaakte werk, dat ooit over Neder-
landsche Lepidoptera is geschreven en dat in verdiensten niet
onderdoet voor hetgeen door vreemden over deze insecten-orde is
geleverd.
De eigenaardige moeielijkheid, die alle beschrijvende werken,
zoo zij niet van gekleurde afbeeldingen vergezeld zijn, gemeen
hebben, is ook onze Schrijver niet geheel te boven gekomen,
namelijk het geven van eene voor ieder begrijpelijke, juiste en
toch niet te omslachtige aanduiding der kleuren. Zoo vinden wij
uitdrukkingen als: grauwachtig-geelgrijs , bruinachtig-grijsgeel, groen-
wit, metaalkleurig-purper, groenachtig op rood trekkend bruin enz.
enz., waarvan men zich ongetwijfeld dikwijls eene geheel andere
voorstelling zal maken dan bedoeld is. Volgaarne erken ik echter,
dat het nagenoeg onmogelijk is aan dit bezwaar op eene voldoende
VAN NEDERLAND (MICROLEPIDOPTERA), 85
wijze te gemoet te komen, daar zelfs het eenige middel, namelijk
het opnemen eener zeer uitvoerige staalkaart van kleuren en tinten,
bij de talloos voorkomende schakeeringen nog slechts zeer onvol-
komen aan het doel zou beantwoorden.
Wanneer men nu dit tweede gedeelte met het eerste verge-
lijkt, bevindt men dat beiden, wat diagnosen en beschrijvingen
aangaat, door eene nauwkeurige en duidelijke wijze van voorstellen
uitmunten.
Het tweede gedeelte is evenwel vollediger behandeld, vooral
ten opzichte der eerste toestanden en der citaten, die veel uit-
voeriger zijn en waarbij steeds de eerste beschrijver of afbeelder
der soort is aangewezen.
Ook zijn zeer vele afbeeldingen uit verschillende werken aan-
gehaald en op ééne uitzondering na, te weten Coleophora solitariella
Zell. , al de in het werk van Sepp voorkomende platen, omtrent
de waarde van welke, vooral van die uit lateren tijd, de Schrijver
dikwijls op beslissenden toon uitspraak doet. Hij toont zich daarbij
een zeer streng beoordeelaar, die evenwel meermalen nalaat de
fouten aan te wijzen in figuren, die door hem gegispt worden;
ook zag hij wellicht te veel voorbij, dat men zelf de voorwerpen,
waarnaar geteekend is, zou moeten gekend, en zich tevens ver-
gewist hebben, dat de kleuren van al de platen volkomen gelijk
zijn aan die van het exemplaar volgens hetwelk beoordeeld wordt,
om een strikt rechtvaardig vonnis te kunnen vellen. Bovendien zijn
uitspraken als: fe grauw, te groen, te bont, te vuil enz. door hare
onbepaaldheid van een zeer twijfelachtig nut, en staan zij in dat
opzicht gelijk met uitdrukkingen als: grof, slordig , onooglijk ,
afschuwelijk, wanstaltig, vol kleine en groote fouten, belachelijk
enz., welke men ook in dit tweede gedeelte ruimschoots aantreft.
Tot mijn leedwezen moet ik, even als vroeger, tegen deze en der-
gelijke oordeelvellingen opkomen en die als geheel noodeloos mis-
prijzen, daar zij geene bewijsgronden zijn, waarvan de waarde ook
door anderen kan getoetst worden.
De Schrijver houde mij deze aanmerkingen te goede; zij bewijzen
alleen dat men sommige zaken verschillend kan inzien en daaraan
86 BOEKAANKONDIGING. SNELLEN’8 MICROLEPIDOPTERA.
zijnen lof onthouden, zonder daarom nog aan de verdiensten van
een werk in het minste afbreuk te doen.
De beide zware boekdeelen bevatten 1196 bladzijden, zijn van
denzelfden vorm als het eerste gedeelte en doen, even als dat,
wat letter en papier aangaat, den uitgever alle eer aan.
Hiermede besluit ik deze korte schets, die voornamelijk ten doel
heeft de aandacht onzer Entomologen te vestigen op het voortreffe-
lijke werk van den heer Snellen, die zich door de uitstekende
wijze, waarop hij zijne moeielijke en omvangrijke taak volbracht,
een duurzamen roem heeft verworven, dien zeker niemand hem
zal willen noch durven betwisten.
DE Roo vAN WESTMAAS,
December 1882.
BIJDRAGE
TOT
DE KENNIS DER IN NEDERLAND VOORKOMENDE
Mee D
DOOR
Jhr. Dr. Ed. EVERTS.
Haliplidae zijn in het water levende, meer of min langwerpig
eironde kevertjes, welke tot nu toe tot de Dytiscidae gerekend
werden, doch in vele opzichten daarvan zoozeer afwijken, dat zij
noodwendig tot eene afzonderlijke familie moeten gebracht worden.
Thomson, Le Conte, Sharp en Horn !) verklaren zich voor ge-
noemde afscheiding der Haliplidae op grond van de navolgende
kenmerken.
Kop klein ; oogen groot, ovaal. Sprieten draadvormig, kort, op het
voorhoofd tusschen de oogen ingeplant, tienledig. Monddeelen als bij
de Carabidae, tot verscheuren ingericht. Halsschild eenigszins trape-
ziumvormig of met meer evenwijdige zijranden, naar het scutellum
meer of min driehoekig uitgezakt. Scutellum onzichtbaar. Dekschilden
even als die van vele Carabidae met fijnere of grovere stippelrijen.
Prosternum vóór de coxae bultig opgericht, naar achteren verlengd en
1) Thomson, Skand. Coleopt. II. p. 2; Le Conte, Proc. Acad. 1853 p. 227 en
228; Sharp, Compt. rend. soc. ent. Belg. séance du 4 Sept. 1880; Horn, On the
genera of Carabidae, Trans. Amer. ent. Soc. IX. (1881) p. 91—196.
88 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER IN
het mesosternum bedekkend. Metasternum
(zie * in de figuur), even als bij de Cicin-
delidae en Carabidae, met een gedeelte
* voor de achtercoxae, hetwelk door eene
li AP meer of min duidelijke dwarslijn van het
I overige gedeelte afgescheiden is en zich
als een driehoekig uitsteeksel tusschen de
beide achtercoxae voortzet. Achtercoxae (zie ** in de figuur) tot
breede onbewegelijke dunne platen uitgegroeid, welke een groot
gedeelte van het abdomen bedekken, elkander aanraken en tot
aan den zijrand van het lichaam doorloopen. De middelste pooten
staan verder van elkaar dan de achterpooten. Tarsen vijfledig.
Ofschoon de Haliplidae hun verblijf in het water houden, bezitten
zij geene eigenlijke zwempooten, dat wil zeggen, hunne achterpooten
zijn geenszins platgedrukt en dus minder geschikt tot roeien. De
vervorming der achterpooten tot roeiriemen , zooals bij de Dytiscidae,
heeft dus nog niet plaats gehad; wel zijn de tarsen, vooral bij de man-
netjes, met lange zijdeachtige haren bezet. Zij zwemmen niet onder
gelijktijdige, maar onder afwisselende beweging der achterpooten.
Bij de wijfjes van enkele Haliplus-soorten zijn de dekschilden
tusschen de stippelrijen, behalve de gewone zichtbare stippels, nog
uiterst fijn en dicht bestippeld.
Uit de opgesomde kenmerken blijkt dus, dat de Haliplidae te
beschouwen zijn als het meest verwant aan de Carabidae, doch
vooral zijn te onderscheiden door het minder aantal sprietleden en
de uitbreiding der achtercoxae. Van de Dytiscidae verschillen zij
door het geringer aantal sprietleden en de niet ontwikkelde roei-
pooten. Zij leven hoofdzakelijk in stilstaande, zelden in stroomende
wateren, tusschen conferven en andere waterplanten. Hunne be-
wegingen bepalen zich tot kruipen en klimmen tusschen de onder
water gedoken plantendeelen. In den morgenstond komen velen
boven water en houden dan hun verblijf op de langs het water
groeiende planten. Eene enkele soort leeft vooral langs beken in
het mos verscholen. Zij zwemmen zonder vaardigheid en slechts
om van het eene plantendeel tot het andere te geraken.
NEDERLAND VOORKOMENDE HALIPLIDAE. 89
Indeeling in genera.
4. Halsschild bijna vierhoekig, aan weerszijden
met een aan den zijrand evenwijdig
loopenden lijnvormigen indruk . . . IL. Brychius Thoms.
Halsschild naar voren versmald, eenigs-
zings trapeziumvormig, hoogstens aan
weerszijden van de basis met een klein
SOMEREN ARN verle tar B
2. Dekschilden zonder naadstreep; tusschen-
ruimten der dekschilden bestippeld. . II. Haliplus Latr.
Dekschilden met eene fijne naadstreep;
tusschenruimten der dekschilden niet
bestippeld 0... +... I. Pelöodytes Regimb.
I. PELTODYTES Régimb.
Régimbart, Etude sur la classification des Dytiscidae, Ann. Soc.
ent. de France, T. VIII. 1878. p. 457.
Cnemidotus Mig. Mag. Ent. I. 1802 p. 375. 1).
Kop zeer klein; clypeus door eene dwarsgeplaatste kielvormige
verhevenheid van het voorhoofd gescheiden. Sprieten draadvormig ,
weinig langer dan de kop. Bovenlip kort, van voren zeer flauw
uitgerand; bovenkaken halfcirkelvormig gebogen , scherp toegespitst,
aan de binnenzijde met twee tandjes; laatste kaaktasterlid kegel-
vormig en langer dan het voorlaatste; onderlip zeer kort, drie-
tandig. Halsschild zeer kort, dubbel zoo breed als lang, naar voren
versmald. Lichaam langwerpig eirond, dik, aan de achterzijde sterk
gewelfd. Schildje onzichtbaar; in de plaats daarvan is de achterrand
van het halsschild driehoekig uitgetrokken. Dekschilden met eene
fijne naadstreep en met rijen groote stippels. Abdomen van onderen
grootendeels door de plaatvormige achtercoxae bedekt, welke aan
1) De naam Cnemidotus moet vervallen, omdat hij door Illiger gegeven is aan
Haliplus-soorten.
90 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER IN
het uiteinde van eenen tand voorzien zijn. Leedjes der achter-
tarsen geleidelijk in lengte afnemende; klauwen klein.
In Europa komen twee soorten voor, waarvan eene inlandsch.
Peltodytes caesus Díts.
Dufts. Fn. Austr, I. 284 (Dytiscus); Aubé, Ic. V. 38. pl. 3
f. 2; Schaum u. v. Kiesenw. Naturg. der Ins. Deutschl. 1868. p.
42; Thoms. Skand. Col. II. 3; Redt. Fu. austr. 3de ed. p. 91;
Seidl. Fx. balt. 8. 43; Gemm. u. Har. Cat. II. 427.
Syn. impressus Panz. Fn. germ. 14. 1.
Eivormig, okergeel. Halsschild aan den achterrand sterk in de
breedte ingedrukt en met eene dwarsrij van diepe stippels. Dek-
schilden met ongeveer tien regelmatige rijen van zeer diepe stip-
pels, welke naar het uiteinde steeds fijner worden, en met eene
gemeenschappelijke bruine vlek in ’t midden van den naad; boven-
dien vertoonen de dekschilden in den regel nog eene flauwe aan-
duiding van verscheidene andere donkere vlekjes.
Lengte 33—4 mm.
Niet zeldzaam door het geheele land in staande wateren.
II. HALIPLUS Latr.
Latr. Gen. Crust. et. Ins. I. 1806 p. 234.
Kop klein. Bovenlip kort, van voren eenigszins uitgerand, boven-
kaken als bij Peltodytes; laatste kaaktasterlid veel kleiner. dan het
voorlaatste, naaldvormig; onderlip zeer kort, met gespleten mid-
dentand; eindlid der liptasters dik, priemvormig. Sprieten draad-
vormig, kort. Halsschild smaller dan de dekschilden te zamen,
naar voren aanmerkelijk versmald; achterrand in ’t midden, op de
plaats van het scutellum, driehoekig uitgezakt. Lichaam eirond of
langwerpig eirond, dik, van onderen en van boven gewelfd. Dek-
schilden met ongeveer tien regelmatige stippelrijen. Prosternum
vlak ot uiterst weinig gewelfd, meer of min gegroefd, van achteren
recht afgesneden of iets uitgerand (confinis Steph.). Metasternum
effen of hoogstens met een groefje nabij de middelcoxae (fulvus F.,
impressus F). De plaatvormige achtercoxae, welke niet van een
NEDERLAND VOORKOMENDE HALIPLIDAE. 91
tandje voorzien zijn, bedekken slechts de drie eerste abdominaal-
segmenten, met uitzondering van de zijden. Leedjes der achtertarsen
geleidelijk in lengte afnemende; de beide klauwen meer ontwikkeld
dan bij Peltodytes.
Kleine, gele of roodachtige kevertjes, met zwarte stippen, langs-
streepjes of vlekjes op de dekschilden. Zij houden hun verblijf in
staande of weinig stroomende wateren, tusschen allerlei onderge-
doken waterplanten; zij klimmen ook op de boven het water
groeiende plantendeelen of tegen grashalmen langs slooten en rivieren,
van waar men ze soms in groot aantal kan afslepen,
In Europa komen ongeveer 24 soorten voor, waarvan 15 als
inlandsch bekend zijn.
a. Dekschilden met zeer fijne stippelrijen en
daartusschen uiterst fijn en dicht, eenigs-
zins rimpelig, doch duidelijk bestippeld. à.
Dekschilden met grove stippelrijen en daar-
tusschen met eene meer of min regelmatige
Fijrtunet stippels toe. casier ve We
b. Halsschild aan weerszijden van de basis met
een klein, maar duidelijk, scheefstaand
langsstreepje . . . . « . . . . 3. confinis Steph.
Halsschild zonder dit langsstreepje of dit
Mauweljes merkbaar. dt. + e es + ©
e. Voor- en achterrand van het halsschild scherp
zwart afgeteekend; basis van het hals-
schild met eene uiterst geringe aanduiding
van een langsstreepje. . . . . . . 2. varius Nic.
Alleen de voorrand van het halsschild soms
bruinachtig; de basis zonder het minste
spoor van een langsstreepje. . . . . 1. obliquus F.
d. Basis van het halsschild zonder eenige aan-
duiding van een langsstreepje of groef je
aan weerszijden . . . . . . . .&
92 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER IN
Basis van het halsschild aan weerszijden met
een meer of min duidelijk langsstreepje
aftgroef jens ua nel HR AES tae
e. De zijrand van het halsschild vormt met den
zijrand van elk der dekschilden eene door-
loopende uitranding; de eerste stippel der
stippelrijen op de dekschilden niet grooter
dit deovemee tt. Ga) 2 MER NT ENT
De zijrand van het halsschild zoodanig tegen
de dekschilden aansluitende, dat hij met
den zijrand der dekschilden eenen hoek
vormt ; de eerste stippel der stippelrijen
op de dekschilden veel grooter dan de
overige, te zamen een meer of minder
duidelijken dwarsindruk aan de basis der
dekschilden vormende. . . . . . . 8. affinis Steph.
f. Metasternum met een groef je nabij de middel-
EINER EAA LOE NAV AI
Metasternum zonder dit groefje . . . . A.
9. Voorrand van het halsschild in ’t midden
een weinig uitgetrokken, waardoor het
aan weerszijden uitgerand schijnt; dek- i
schilden met enkele zwarte langsvlekjes. 6. fulvus F.
Voorrand van het halsschild in ’t midden niet |
uitgetrokken en daardoor over de geheele
breedte geleidelijk uitgerand; slechts de
stippels der dekschilden zwart. . . .7. impressus F.
h. Dekschilden ongevlekt . . . . . . .4 mucronatus Steph.
Dekschilden met tamelijk breede, hier en
daar tot dwarsbanden versmolten , zwarte
NOMEN u na ae ee cas an variegatus St.
i. Halsschild met een diepen dwarsindruk aan
de basis, aan weerszijden met eene tot
0.
NEDERLAND VOORKOMENDE HALIPLIDAE. 93
over het midden reikende, boogvormige
langsstreep en met eene zwarte middellijn.
Halsschild zonder diepen dwarsindruk aan
de basis, hoogstens met eene zwakke aan-
duiding er van: langsstreepje aan weers-
zijden recht of slechts uiterst flauw gebogen
en zeer kort; zonder zwarte middellijn.
Licht okergeel, met hier en daar afgebroken
zwarte strepen, waarop de stippelrijen
15. lineatocollis
Marsh.
BEUK el erna ie Li ARSA Aube:
Donkerrood, met meer of min samenhan-
gende donkere vlekken .
Roodachtig geel, met doorloopende, niet
samenhangende breede zwarte langsstrepen
op de dekschilden , waardoor deze laatsten
een eenigszins donker voorkomen krijgen.
Roodachtig geel, met meer of min duidelijke
vlekken , welke door samenhangende don-
kere lijnen ontstaan .
Lichaam kort en breed; dekschilden met
krachtige stippelrijen ; de stippels ongeveer
zoo breed als de halve tusschenruimten.
Lichaam meer verlengd en iets smaller;
dekschilden met fijnere stippelrijen, de
stippels ongeveer zoo breed als een derde
der tusschenruimten .
Lichaam korter dan bij ruficollis, naar het
uiteinde sterker versmald; de eerste stip-
pels der rijen aan de basis der dekschilden
bijzonder groot, als groef jes, van de overige
. 14. fulvicollis Er.
12. striatus Sharp.
9. multipunctatus
Wehnke.
. 10. ruficollis de G.
stippels aanmerkelijk verschillend. . .11.//eydeni Wehnke.
94 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER IN
4. Haliplus obliquus Fabr.
Fabr. Mant. I. 193 (Dytiscus); Panz. Fn. Germ. 14. 6; Aubé,
Icon. V. 20 pl. 1 f. 3; Erichs. Käfer Mark. 1. 188; Thoms. Skand.
Col. II. 8; Schaum, Ins. Deutschl. 14; Redt. Fn. austr. 3de ed.
p. 92; Seidl. Fn. balt. 8. 43; Gemm. u. Har. Cat. II. 426.
Lichaam geelachtig, aan de bovenzijde dof en uiterst fijn en
zeer dicht bestippeld. Schedel in ’t midden bruin of zwart. Hals-
schild met enkele verstrooide grootere stippels; in ’t midden van
den voorrand meestal bruinachtig, aan de basis zonder eenig spoor
van streepjes. Dekschilden aan den wortel breeder dan de basis
van het halsschild; naad zwart en 10 zeer fijne op zwarte lijnen
staande stippelrijen; de zwarte lijnen zijn driemaal afgebroken en
hangen hier en daar zoodanig samen, dat zwartachtige vlekjes
ontstaan.
Lengte 31 mm.
Zeer zeldzaam. Breda (Heylaerts), Zutphen (Seipgens), Rhoon bij
Rotterdam, in Juni en Juli (Schepman) en Warnsveld, in Juli (Groll).
2. Haliplus varius Nic.
Nicolai, Col. agr. Hal. p. 34; Schaum, 1. c. 14; Redt. Fn. austr.
3de ed. p. 92; Seidl. 1. c.; Gemm. u. Har. Cat. II. 427.
Syn. maritimus Fairm. Faun. Frang. p. 216.
Deze soort gelijkt zeer op H. obliquus, doch is steeds kleiner,
aan de schouders breeder en daardoor meer afgerond. Bleekgeel,
uiterst fijn bestippeld; schedel meer of min gebruind, alsmede de
voor- en achterrand van het halsschild scherp zwart afgeteekend.
Dekschilden met fijne stippelrijen en zwarte langslijnen, waarvan
de binnenste bijna geheel doorloopen, de buitenste twee- of drie-
maal afgebroken zijn; hier en daar vloeien zij tot vlekjes samen.
Lengte 23 mm.
Zeldzaam. Breda (Heylaerts), Vorden (Groll), Middelburg in
Mei (Gerth v. Wijk), IJsselmonde, in September (Veth), Rhoon
bij Rotterdam, in Juli (Schepman) en Maastricht (Maurissen).
NEDERLAND VOORKOMENDF HALIPLIDAE. 95
3. Haliplus confinis Steph.
Steph. ZU. Brit. IL. 41; Redt. Fn. austr. 3de ed. 92; Gemm.
u. Har. Caf. II. 495. |
Syn. Zineatus Aubé, Icon. V. 21 pl. A f. 4; Thoms. Shand.
Col. II. 8; Schaum, 1. c. p. 15; Seidl. 1. c.
Deze soort gelijkt eenigszins op obliquus, doch is iets korter,
meer glanzig, meestal roestkleurig, en vooral onderscheiden door
het kleine langsstreepje aan weerszijden der basis van het hals-
schild. Zeer fijn en dicht bestippeld; halsschild met verstrooide
grootere stippels; dekschilden met zeer fijne stippelrijen en zwarte
lijnen, waarvan de binnenste minder samenvloeien en, behalve de
buitenste, bijna niet afgebroken zijn.
Lengte 33—32 mm.
De heer Veth ving bij Rotterdam, alsmede de heer Maurissen
te Ambij (Limburg) exemplaren, bij welke de dekschilden grooten-
deels zwart zijn ten gevolge van de samenvloeiing der strepen.
Ik bezit exemplaren uit Schotland en Frankrijk, welke even als
H. varius bleekgeel gekleurd zijn, met geringe ontwikkeling der
zwarte strepen. Deze varieteit wordt ook door Seidlitz uit de
Oostzee-provincien opgegeven. De type werd aangetroffen bij Breda
(Heylaerts) en bij Middelburg (Gerth v. Wijk).
4. Haliplus mucronatus Steph.
Steph. ZU. Brit. II. 40 pl. 11 f. 1; Redt. /n. austr. 3de ed.
p. 92; Gemm. u. Har. Cat. II 426.
Syn. badius Aubé, Icon. 25 pl. 2 f. 1; Schaum, I. c. p. 15.
Deze soort is gemakkelijk te herkennen aan den korten breeden
kop, de meer uitpuilende oogen, de vrij dichte en grove bestip-
peling van het halsschild en de langwerpige, eenigszins parallele
dekschilden. Roodachtig geel, op de dekschilden langs den naad
veelal in het roodbruine overgaande; de schedel alsmede de voor-
en achterrand van het halsschild min of meer roodbruinachtig.
Dekschilden met grove stippelrijen en in de tusschenruimten met
eene rij fijnere stippels.
Lengte 41 mm.
96 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER IN
Zeer zeldzaam. Zandvoort (Groll), Koudekerke (Gerth v. Wijk),
Loosduinen (Everts).
5. Haliplus variegatus St.
Sturm, Zes. VIII. 157. pl. 202 f. B; Erichs. Käf. Mark.
I. 484; Aubé, Icon. V. 28 pl. 2 f 3; Thoms. Skand. Col. IL. 7;
Schaum, L c. p. 16; Redt. 1. ce. p. 92; Seidl. 1. c. 8. 44; Gemm.
u. Har. Cat. II. 427.
De larve is beschreven door Schiödte (Nat. Tidskr. 1864. ps
164. t. 8 f. 13—15).
Roestkleurig, rood of roodgeel. Halsschild van voren en van ach-
teren sterk bestippeld, aan den achterrand bovendien met eene rij
grootere stippels. Dekschilden iets voor het midden het breedst,
aan de schouders smaller en naar het uiteinde meer geleidelijk
versmald, met donkeren naad; eene gemeenschappelijke vlek in ’t
midden daarvan en verscheidene vlekken op het midden van elk,
bruin of zwart.
Lengte 3—33 mm.
Over ’t algemeen zeldzaam. Den Haag, Juni (Leesberg en Everts);
Hengelo, Vorden en Warnsveld, in Juli (Groll); Leiden (Perrin);
Zierikzee, April (Fokker); Nijmegen (Ter Haar); Rhoon, Februari
(Schepman).
6. Haliplus fulvus Fabr.
Fabr. Syst. EIT. 271 (Dytiscus); Sturm, Ins. VIII. 148. t. 201;
Schaum, L c. p. 47; Thoms. 1. c. II. 6; Redt. 1. c. p. 92; Seidl.
l. c. 8. 45; Gemm. u Har. Cat. IL 425.
Syn. ferrugineus Aubé, Icon. V. 23 pl. 1 f. 5.
In den regel donker roestrood, zelden geelrood, met bruine
langsvlekken op de dekschilden. Halsschild aan voor- en achterrand
met enkele krachtige stippels en met eene rij grootere stippels aan
den achterrand; de voorrand is een weinig uitgetrokken. Dekschilden
eirond, aan de schouders verbreed en naar het uiteinde geleidelijk
versmald, met rijen van niet zeer dicht staande grove stippels
en eene rij van veel fijnere stippels op de tusschenruimten. Meta-
NEDERLAND VOORKOMENDE HALIPLIDAE, 97
sternum in ’t midden tusschen de trochanters der achterpooten
met een klein groefje.
Lengte 4 mm.
Verbreid, doch nergens gemeen. Den Haag, Juni (V. d. Wulp
en Everts); Rotterdam, Mei (Veth); Hengelo, Juli en de Bilt, Juni
(Groll): Rhoon, Februari en Maart (Schepman); Baarn (Jaspers);
Breda (Heylaerts); Zutphen (Seipgens). Een zeer licht gekleurd
exemplaar bij Driebergen, April (Six).
7. Haliplus impressus Fabr.
Fabr. Ent. Syst. I. 499; Erichs. Kf. Mark. I. 184; Gemm. u.
Har. Cat. II. 426.
Syn. flavicollis Sturm, Zus. VIII. 150. t. 202 f. a A; Aubé,
Icon. V. 24. pl. 1 f. 6; Thoms. I. c. IL 6; Schaum, 1. c. p. 174;
Seidl 1'sc. 8 44; Redt: Ie. p. 92.
Verwant aan fulvus, doch kleiner en iets breeder in de schou-
ders. Steeds bleek roodgeel, ongevlekt. Voorrand van het halsschild
niet uitgetrokken, aan den achterrand vrij dicht bestippeld en
met eene rij grootere stippels aan den achterrand. Dekschilden met
rijen van diepe en dicht bijeenstaande zwarte stippels; de tusschen-
ruimten als bij fulvus bestippeld. Metasternum eveneens met een
groefje.
Lengte 34 mm.
Veel zeldzamer dan fulvus. Den Haag, Sept. (Everts); Utrecht,
Mei en Sept., Haarlem, Juni, Zandvoort en Warnsveld, Juli (Groll);
IJsselmonde, Sept. (Veth); Zutphen (Seipgens); Rhoon, April
(Schepman); Bunde bij Maastricht, Mei (Maurissen).
8. Haliplus affinis Steph.
Steph. ZZ. Brit. II. 42; Gemm. u. Har. Cat. II. 425.
Syn. cinereus Aubé, Spec. VI. 1838. p. 18; Leon. V. 30. pl. 2
f. 4; Schaum, 1. c. p. 18; Redt. I. c. p. 92; Seidl. I. c. 8. 44.
Kleiner dan impressus. Geelachtig; schedel bruin; halsschild aan
de voorzijde een weinig gebruind, aan den voor- en achterrand
vrij dicht bestippeld, zonder streepje aan weerszijden van de basis.
98 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER IN
Dekschilden aan den wortel merkbaar breeder dan het halsschild,
zoodat de schouders meer dan bij de andere soorten uitpuilen, met
rijen van dicht opeenstaande stippels, gedeeltelijk op bruine lijnen
geplaatst; van deze stippelrijen is de eerste stippel aan den wortel
der dekschilden veel grooter dan de overige; tusschenruimten met
van elkander staande stippeltjes. Metasternum effen, niet gegroefd.
Lengte 34 mm.
Ik trof deze zeldzame soort slechts eenmaal aan bij den Haag,
in Mei.
9. Haliplus multipunctatus Wehncke.
Wehncke, Deutsche Ent. Zeitschr. 1875 p. 122.
Deze soort gelijkt op ruficollis, doch is iets breeder in de schou-
ders. Kop roestkleurig met donkeren schedel, met weinige doch
vrij sterke stippels bezet. Halsschild aan den voorrand bruinachtig
en verspreid bestippeld, aan den achterrand een weinig in de
breedte ingedrukt en eveneens verspreid bestippeld, aan weerszijden
van de basis met een scherp aangeduid streepje. Dekschilden aan
den wortel duidelijk breeder dan het halsschild, met rijen van
krachtige vrij dicht bijeenstaande stippels, welke gedeeltelijk zijn
geplaatst op zwarte lijnen, die door ineenvloeien eenige donkere
vlekken vormen.
Lengte 22—24 mm.
Bij den Haag, April en Augustus (Everts); ook bij Rotterdam
(Veth) en te Baarn (Jaspers).
10. Haliplus ruficollis de G.
De Geer, Zus. IV. 404. t. 16 f. 9 (Dytiscus); Erichs. Adf. I.
186; Schaum, l c. p. 19; Thoms. Shand. Col. II. 5; Sn. v.
Vollenh. Gel. dieren van Nederl. p. 169; Redt. 1. c. p. 92; Seidl.
l. c. 4. 44; Gemm. u. Har. Cat. II. 426.
De larve beschreven door Schiödte (Nat. Tidskr. 1864 p. 161
t. 8 f. 1—12).
Kop roestkleurig, met bruinachtigen schedel, fijn en verspreid
bestippeld. Halsschild roodachtig geel, aan den voorrand bruinachtig,
kort, naar voren aanmerkelijk versmald, fijn en verstrooid, aan
NEDERLAND VOORKOMENDE HALIPLIDAE. 99
den achterrand iets dichter bestippeld en aan weerszijden met een
kort streepje voorzien, dat ongeveer een vijfde van de lengte van
het halsschild bedraagt. Dekschilden aan den wortel breeder dan
het halsschild, naar het uiteinde sterk versmald, bleekgeel , duidelijk
zwart gevlekt ten gevolge van het ineenvloeien van donkere lijnen,
op welke rijen van even sterk ontwikkelde stippels staan; de
buitenste stippelrijen zijn zwakker dan de binnenste; in de tusschen-
ruimten bevinden zich enkele stippeltjes. Anaalsegment tot op een
smallen zoom, na aan de basis, dicht bestippeld.
Bij het 9 zijn de dekschilden op ae achterhelft uiterst fijn be-
stippeld en daardoor iets minder glanzig dan bij het 4; deze bestip-
peling is slechts bij sterke vergrooting duidelijk te herkennen.
Lengte 3 mm.
Overal zeer gemeen.
11. Haliplus Heydeni Wehncke.
Wehncke, Deutsche Ent. Zeitschr. 1875 p. 122.
Deze soort heeft het voorkomen van /. ruficollis, doch is kleiner,
korter en naar het uiteinde sterker versmald; de bestippeling is
meer verspreid en veel sterker. Kop roestkleurig, met bruinen
schedel en verspreide fijne bestippeling. Halsschild roodgeel, met
bruinen voorrand, eveneens verspreid doch iets sterker dan de kop
bestippeld , aan weerszijden van de basis met een diep streepje, dat
een derde der lengte van het halsschild inneemt. Dekschilden rood-
geel, sterk bestippeld; de stippelrijen beginnen aan den wortel met
eene veel grootere onregelmatige stippel; zij staan gedeeltelijk op
zwarte lijnen, die door ineenvloeien zwarte vlekjes vormen. Anaal-
segment verspreid bestippeld.
Het 2 vertoont niet de fijne bestippeling op de dekschilden.
Lengte 23—22 mm.
Op onderscheidene plaatsen aangetroffen met ruficollis.
12. Haliplus striatus Sharp.
Sharp, Mut. monthl. Magaz. VI (1869—70) p. 81.
Syn. immaculatus Gerhardt, Zeitschr. für Ent, Ser, II Heft
VI. Breslau 1877. |
100 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER IN
Deze soort, welke mede na verwant is aan ruficollis , onderscheidt
zich, door dat het lichaam iets grooter en aan de schouders iets
smaller is, een weinig meer naar het uiteinde versmald en met
breede zwarte lijnen op de dekschilden, welke lijnen doorloopen
en niet afgebroken zijn noch tot vlekjes ineenvloeien. Anaalsegment
verspreid bestippeld. Het g niet op de dekschilden fijn bestippeld.
De kleur is gewoonlijk helder roodgeel, terwijl zij bij ruficollis
meer vuilgeel is.
Lengte 34 mm.
Ik trof deze soort aan bij Vianen in Juni, bij den Haag in
April, en te Loosduinen in Mei; zij werd ook gevangen bij
Zierikzee (Fokker).
Ongetwijfeld is de door Gerhardt beschreven MH. immaeulatus
dezelfde soort, welke door Sharp als striatus beschreven werd.
Exemplaren van immaeulatus,, welke de heer Wehncke te Hamburg
onderzocht, beantwoorden volkomen aan de beschrijving, door Sharp
van striatus gegeven.
Ofschoon het niet onwaarschijnlijk is, dat deze soort, met
H. multipunetatus, Heydeni, ruficollis en fluviatilis, slechts rassen
of varieteiten van eene en dezelfde soort zijn, zoo valt toch het
verschil in habitus, kleur en structuur in ’t oog, wanneer men
geheele seriën met elkander vergelijkt.
Dat de dekschilden van s/riatus g overal fijn bestippeld zouden
zijn, daarvan spreekt Sharp niet, doch Wehncke !) geeft zulks op,
terwijl bij immaculatus de wijfjes geenszins bestippeld zijn. Intus-
schen vond ik onder fijn bestippelde rficollis-wijfjes enkele voor-
werpen, bij welke de zwarte vlekjes op de dekschilden nagenoeg
ontbreken en derhalve de zwarte strepen meer geïsoleerd zijn en
meer geheel doorloopen. Zijn dit misschien de exemplaren, die
Wehncke als s/riatus Sharp beschouwde ? Het al of niet gegroetd
zijn van het prosternum, waaraan Wehncke, naar het schijnt,
groote waarde hecht, komt mij voor volstrekt niet constant te
zijn: bij vele exemplaren o. a. van 4. fluviatilis, die ik te zamen
1) Wehncke, Uebersicht einiger Verwandten des H. ruficollis (Deutsche Ent.
Zeitschr, XXIV. 1880, Heft 1).
NEDERLAND VOORKOMENDE HALIPLIDAF. 101
ving, vertoonden zich alle overgangen van geheel effen tot duide-
lijk gegroefd.
13. Haliplus fluviatilis Aub.
Aubé, Icon. V. 33 pl. 2 f 3; Erichs. Kúf. Mark. 185. 6;
Schaum, l. c. p. 19; Thoms. ]. c. p. 9; Redt. 1. c. p. 91; Seidl.
l. c. 4 44; Gemm. u. Har. Cat. IL. 425.
Deze soort is almede verwant aan ruficollis, doch smaller. Zeer
bleekgeel, met niet ineenvloeiende, niet onafgebroken , doorloopende
zwarte lijnen op de dekschilden. Oogen grooter en meer uitpuilend.
Schedel een weinig gebruind. Halsschild aan den voor- en achter-
rand vrij dicht bestippeld. Stippels der rijen op de dekschilden
tamelijk fijn en dicht op elkander staande, die der binnenste rijen
iets dieper dan de buitenste.
Lengte 3 mm.
Zeldzaam, uitsluitend in stroomend water. Eenmaal door mij in
groot aantal bij Woudrichem langs de Merwede van waterplanten
gesleept; ook zag ik voorwerpen uit Rhoon (Schepman) en St. Pieter
bij Maastricht (Maurissen).
14. Haliplus fulvicollis Er.
Erichs. Kaf. Mark. I. 186; Schaum, |. c. p. 20; Thoms. L c.
IL. 9; Redt, 1e, p. 92; Seidl. L c. 4. 44; Gemm. u. Har. Cat.
II 425.
Zeer verwant aan ruficollis, doch vooral onderscheiden door het
lange, scherp aangeduide, scheeve streepje aan weerszijden der
basis van het halsschild. Kleur roestrood of bruinrood, zelden lichter
geelrood, sterk glanzig. Dekschilden nagenoeg als bij varzegatus
geteekend, d. i. met donkere vlekjes. Kop fijn en vrij dicht be-
stippeld. De stippels der rijen op de dekschilden staan verder van
elkander dan bij ruficollis; de tusschenruimten zijn met enkele
stippels bezet.
Lengte 3 mm.
Ik zag slechts twee voorwerpen, door wijlen Dr. Herklots voor
vele jaren wellicht bij Leiden aangetroffen.
102 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER IN
15. Haliplus lineatocollis Marsh.
Marsh. Ent. Brit. I. 429 (Dytiscus); Aubé, Icon. V. 34. pl. 3
f. 4; Schaum, 1. c. p. 20; Thoms. I. c. II. Ks Redt? 1% 925
Seidl. 1. c. 4. 44; Gemm. u. Har. Cat. II. 426.
Syn. bistriolatus Dufts. Fn. Austr. I. 285 (Dytiscus); Sturm,
Ins. VIII. 159. t. 202 f. c C.
Deze soort is langer dan ruficollis en naar het uiteinde minder
toegespitst. Kop dicht en sterk bestippeld, donkerbruin of zwart,
aan de voorzijde roodachtig. Halsschild geel, aan den voorrand
dicht bestippeld en bovendien slechts met weinige grootere stippels,
aan den achterrand sterk in de breedte ingedrukt en aan weers-
zijden met een diep gebogen streepje; bovendien met zwarte mid-
dellijn. Dekschilden aan de basis iets breeder dan het halsschild,
bleekgeel , met rijen van zwarte, krachtige, dicht opeengedrongen
stippels en menigmaal met eenige meer of min duidelijke donkere
vlekken ; gewoonlijk eene gemeenschappelijke donkere vlek op
het midden van den naad. Prosternum breed gegroefd ; metaster-
num effen.
Lengte 3 mm.
Zeer gemeen.
III. BRYCHIUS Thoms.
Thoms. Shand. Col. Il. p. 8.
Dit genus is van Haliplus onderscheiden door het halsschild,
dat vierhoekig is, voor het midden eenigszins afgerond verbreed en
achter het midden tot aan de basis een weinig versmald, aan
weerszijden met eene diepe, nagenoeg tot aan den voorrand rei-
kende langsgroef, en met eene dwarsgroef aan de basis tusschen
de beide langsgroeven; bovendien is de zijrand uiterst fijn gekerfd.
Metasternum met een diep groefje. De plaatvormig verbreede
achter-coxae bedekken, even als bij Maliplus, de drie eerste buik-
segmenten, behalve den zijrand. Achtertarsen met lange dunne
klauwen.
In Europa komen drie soorten voor, waarvan eene inlandsch is.
NEDERLAND VOORKOMENDE HALIPLIDAE, 103
Brychius elevatus Panz.
Panz. Fn. Germ. 14. 9 (Dytiscus); Aubé, Icon. V. AT. pl. 1 f
1 (Haliplus); Schaum, |. e. p. 22; Thoms. 1. e. IL 9; Redt. L c.
p. 93; Seidl. 1. c. 4 45; Gemm. u. Har. Cat. TI. 425.
Lichaam langwerpig. Licht okergeel, bovenkaken aan de basis
zwart; halsschild aan voor- en achterrand een weinig gebruind.
Dekschilden met zwartachtige stippelrijen, welke nabij den naad
het diepste zijn; de derde tusschenruimte tot over het midden
kielvormig opgericht. Zijden van het achterlijf zwartachtig.
Lenge 32—4 mm.
Deze soort leeft in beekjes, vooral tusschen het mos langs de
oevers.
Slechts eenmaal in Nederland aangetroffen te Valkenburg bij
Maastricht door den heer Von Hagens uit Düsseldorf; het exemplaar
heb ik aan de welwillendheid van genoemden heer te danken.
BOEKAANKONDIGING.
OVER DEN BOUW DER GESLACHTS-ORGANEN BIJ DE
PHALANGIDEN, door HENRI W. DE GRAAF.
De, in het jaar 1878 uitgeschreven, prijsverhandeling van ons
geacht medelid, in 1882 te Leiden bij E. J. Brill, zoo in Hol-
landschen als Franschen tekst — Sur la construction des organes
génitaux des Phalangiens — verschenen, werd reeds in 1879 door
de Leidsche philosophische faculteit met de gouden medaille bekroond.
Dat zij eerst in 1882 het licht zag, is veroorzaakt door een sedert
ondernomen grondiger histologisch onderzoek en vollediger beschrij-
ving der spermatozoïden en vooral der eieren en eivliezen, door de
opvolgende vertaling in de Fransche taal en door de moeielijkheden
bij het drukken der 35 platen in chromo-lithographie, die dit
prachtwerk versieren. In groot quarto, op best papier, met fraaie
letter gedrukt, bevat de Hollandsche tekst 100, de Fransche 93,
en de verklaring der platen niet minder dan respectievelijk 43 en
39 bladzijden, terwijl de prijs op f 25 (bij inteekening) is gesteld.
Volgens het eenparig gevoelen der Redactie van het Tijdschrift,
mocht eene dergelijke kolossale verschijning op het gebied der
Entomologie bij ons te lande door haar niet onopgemerkt blijven,
en meende zij, dat een algemeen overzicht daarvan den leden der
Entomologische Vereeniging even aangenaam als leerrijk zou zijn.
Dit te geven werd aan den ondergeteekende opgedragen , die,
zich gaarne van die opdracht kwijtende, echter niet mag nalaten
te verklaren, dat hij zich daarbij geenszins de bevoegdheid aan-
matigt, om over de wetenschappelijke vraagstukken van dezen
BOEKAANKONDIGING. DE GRAAF, PHALANGIDEN. 105
specialen arbeid, — tot hiertoe buiten zijn studieveld gelegen, —
een kritisch oordeel uit te spreken. Trouwens dit werd reeds ge-
geven door de Faculteit der wis- en natuurkunde van de Rijks-
universiteit te Leiden, in hare eervolle bekroning,
De Phalangiden, of eigenlijk de «Phalangiiden» van
Meade 1) (door De Graaf gevolgd) behooren tot de bastaard-
spinnen, — juister on ware spinnen, — dewijl zij geen spin-
apparaat bezitten, en zijn algemeen bekend onder den, voor allen
echter niet evenzeer geldenden, volks-collectiefnaam van «langpooten »
of « hooiwagens». Volgens des Schrijvers vergelijkend-ontleedkundige
nasporingen , moeten zij, in het systeem, in de nabijheid der Acarina
worden geplaatst. Het zijn nachtelijke, zoogenaamd vleeschetende
roofdieren, die zich vooral met vliegen, muggen, bladluizen en
andere kleine insecten voeden, terwijl zij, gelijk ook door De Gr.
bevestigd wordt, soms de gestorven of gedoode individuen hunner
eigen soort niet versmaden. Ofschoon nu en dan wel gevechten
tusschen de mannetjes van verschillende en van dezelfde soort
worden waargenomen, zijn zij op verre na niet zoo strijdlustig als
de ware spinnen, en leven de mannetjes en de wijfjes van dezelfde
soort gezellig en zeer veel verdraagzamer met elkander. Hunne
biologie werd door hem voor drie soorten (Phalangium cornutum
L., Phalangium parietinum de Geer en Leiobunus ?) rotundus Latr.)
in daartoe ingerichte groote glasstolpen, vooral des avonds en
1) On the British species of Phalangiidae, 1855. De systematiek van deze
Arachniden schijnt mij nog in hare wording en over de nomenclatuur vooral
heerscht verdeeldheid tusschen de autoriteiten. Simon (1870) en Thorell (1876)
behouden wel is waar beiden als naam der orde dien van Opiliones volgens
Sundevall, doch verkiezen eene eigen verdeeling in onderorden of sectiën. Zoo
plaatst Simon de hier behandelde geslachten in eene sousfamille , Phalan-
giinae” der familie , Phalangiidae” uit de sousordre der „Opiliones
plagiostheti”; terwijl Thorell ze eenvoudig in de familia „Phalangioidae”
zijner sectie Palpatores rangschikt. De tweede onderorde van Simon heet die
der Op. mecostheti, de tweede sectie van Thorell die der Laniatores.
Begripsverwarring voor de niet geheel ingewijden ten deze geeft wijders inzon-
derheid ook nog de familie „Phalangodidae” van Simon, in diens tweede
onderorde, aan een geheel ander genus, Phalangodus van Gervais, ont-
leend. De classificatie dezer orde blijkt ook in andere opzichten, hoe veel er
reeds aan gedaan is, niet van de gemakkelijksten !
2) Men vindt dien naam ook geschreven als Ziobonum en Liobunum,
106 BOEKAANKONDIGING. DE GRAAF, OVER DE
©
’s nachts, nagegaan. In sommigen dier glazen hield hij soort bij
soort, in anderen ook de verschillende species bij elkaar, een tijd
lang in het leven. Omtrent de levenswijze der laatstgenoemde soort
maakte De Gr. eene aardige observatie. Men ziet, en anderen hebben
zulks ook met hem en mij waargenomen, dat een aantal exem-
plaren daarvan bijeenzittende, bij toenadering tot een hunner,
allen eensklaps de vlucht nemen. Nu geeft hij daarvan de ver-
klaring; hij heeft opgemerkt, dat zij elkander met hunne tarsen
plegen aan te raken, zoodanig dat zij als door een net van
telegraafdraden verbonden zijn. Wanneer eenig gevaar dreigt , geven
zij zich achtereenvolgens door het bewegen van hunne pooten het
sein daarvan en zetten zich dan allen op een loopen.
In de zorgvuldige beschrijving der bijzondere lichaamsdeelen en
der uitwendige organen valt niets bijzonders op te merken. Alleen
een woord over de oogen. Er werd nog altijd, zonderling genoeg,
gestreden over de vraag ot de Opilioniden één dan wel twee paren
daarvan bezitten. In den aanvang zijner studiën over het onder-
werp, nam De Gr., ook wegens het verband met de zenuwen van
het hersen-ganglion, met Treviranus en anderen het laatste aan.
Bij nader onderzoek evenwel bleek het hem, op het voetspoor van
Krohn, dat de twee openingen, ter weerszijde aan den voorrand
van den cephalothorax aanwezig en als « bijoogen», — later ook
door Latreille en anderen als «stigmata» beschouwd, — huid-
klierzakjes zijn, welker verrichting nog niet vaststaat. Nochtans
wijst hij, in overeenstemming met de ook door hem gedane waar-
neming, dat deze dieren een onaangenamen reuk verspreiden, op
de hypothese van Sörensen, die de analoga dezer orgaantjes bij de
verwante familie der Gonyleptoiden als « stinkklieren » heeft geduid.
Ofschoon De Gr. ook met de meeste zorg en, naar het mij toe-
schijnt, mede met veel vrucht, zoowel het animale als vegetatieve
zenuwstelsel der mannelijke en vrouwelijke Phalangiden heeft
onderzocht, beschreven en afgebeeld, en het verband daarvan met
de generatie-organen voor onderscheidene deelen duidelijk heeft
aangetoond, verwijs ik voor de histologische bijzonderheden daar-
omtrent, voor de andere stelsels en weefsels en voor de getrouwe
GESLACHTS-ORGANEN DER PHALANGIDEN, 107
historische details van zijn onderwerp, naar de verhandeling
zelve, terwijl ik mijn referaat tot zijn anatomisch hoofd-object
wensch te beperken.
De uitwendige geslachtsdeelen hebben bij beide sexen eene
groote vormelijke overeenkomst; zij treden in den toestand van
rust niet naar buiten, ofschoon zij in meerdere of mindere mate
door drukking kunnen worden te voorschijn gebracht, en zij zijn
insgelijks bij beiden besloten in de holte van het sternum!
Aan den vrijen lipvormigen vóór-onderrand daarvan wordt,
vlak achter de monddeelen, eene bij d en 2 gelijksoortige, ean-
voudige dwarsspleet aangetroffen, die de genitaal-opening
vormt. Ofschoon deze organen niet, zooals bij de ware spinnen,
uitwendig zichtbaar zijn en dus niet dadelijk, gelijk bij deze,
kunnen strekken ter onderscheiding der sexen en soorten, ver-
toonen zij toch, bij het blootleggen, in de verschillende species,
zulke duidelijke verscheidenheden in vorm en bouw, dat zij, vol-
gens De Gr., ook voor deze dieren, gelijk voor de Araneïden, bij
het determineeren als de meest vertrouwbare soort-kenmerken
te beschouwen zijn.
Mannelijke geslachts-organen. — Deze bestaan uit een
penis met glandulae accessoriae, een ten deele meer samen-
gesteld vas deferens met de vasa efferentia, en een testis.
De zeer lange penis is langer dan de helft van het abdomen
(volgens fig. 124 van plaat XXXV overtreft zij, met de scheede,
zelfs dit lichaamsdeel in lengte). Deze «scheede» (ter onder-
scheiding van de vagina bij de wijfjes, zou ik haar liever vliezige
koker willen noemen), waarin zij bij rust gelegen is (en die m. i.
wel eenige functioneele analogie heeft met het praeputium bij
hoogere dieren), wordt bij de copulatie binnenste buiten gekeerd
of omgestulpt. Aan den top bevinden zich, boven de niet altijd
beweeglijke, maar soms met het corpus penis vergroeide, nu eens
driehoekige, dan kegel-, dan lancetvormige glans, bij de ver-
schillende soorten, veeltijds op eigen wijze gevormde, haakjes of
doornachtige aanhangsels. Zoowel de penis als zijne meer abdominale
scheede schijnen zich te ontwikkelen uit eene binnenwaartsche
108 BOEKAANKONDIGING, DE GRAAF, OVER DE
voortzetting van de huid en meer bepaald van de chitinogene
cellenlaag en bindweefsellaag van het sternum , terwijl de scheede
benedenwaarts nauwer wordende, zich aan haar einde naar binnen
omplooit, om vervolgens naar boven terugkeerende, den penis te
vormen. Hoe deze deelen zóóver naar buiten kunnen treden, is
mij, al wordt «het lichaamsvocht geacht hierbij eene groote rol te
spelen », niet geheel duidelijk. De Gr. verklaart zulks uit contractie
der huidspiervezels op de basis der scheede, waardoor deze opwaarts
wordt gedrukt, terwijl de terugkeer in de lichaamsholte, behalve
door ontspanning der genoemde vezels, tot stand komt door samen-
trekking van eigene, vrij sterk ontwikkelde, musculi retrac-
tores. Het komt mij voor, dat deze laatsten dan bij de opwaartsche
beweging een ongewonen graad van ontspanning moeten toelaten,
Ter vergemaklijking van de voor- en rugwaartsche beweging van
den penis en zijnen koker, dient het korrelig eiwitaardig excretie-
product der ex abdomine ontspringende glandulae accessoriae
of «groote smeerklieren » volgens Loman !), in veelvoudige, vin-
gervormige buisjes verdeelde, min of meer kronkelende blindzakjes,
die in de nabijheid van de glans uitmonden. Lang bekend, werden
zij voorheen voor de ctestes» aangezien. Zij komen echter, hoe-
zeer meer rudimentair, ook bij de wijfjes voor. Ware dit niet
dan zou, m. i. functioneel, aan analogie, geen homologie, met de
prostata kunnen worden gedacht.
Aan den top van de glans bevindt zich de uitmonding van den
ductus ejaculatorius, die, aan de basis van den penis daarin
doorgedrongen, de uiterste voortzetting is van het vas deferens,
eene in elkander gewikkelde en gekronkelde buis, waaraan door
De Gr., ongeveer in het midden naar het schijnt, en vóór hare
verbinding met de vasa efferentia, eene, ook reeds door Krohn
1) Dr. J. C. C. Loman heeft in zijn zeer verdienstelijk Academisch proefschrift,
Amsterdam 1881, bijna gelijktijdig met De Graaf, insgelijks eene meer algemeene
Bijdrage tot de anatomie der Phalangiden geleverd, terwijl zij beiden reeds vroe-
ger, in 1880, ieder afzonderlijk, een kort overzicht van hunne onderzoekingen
over de generatie-werktuigen, onder den gelijkluidenden titel: Zur Kenntniss des
anatomischen Baues der Geschlechtsorgane bei den Phalangiden in den Zoolog.
Anzeiger, 3 Jahrg. hadden geplaatst.
GESLACHTS-ORGANEN DER PHALANGIDEN. 109
opgemerkte, wijziging, zoo in lumen als fijnere structuur (die
overigens bij de bovengenoemde onderdeelen volkomen gelijk is)
werd waargenomen. Hij benoemt deze plaats niet anatomisch , maar
geeft er den m. i. wel te onbepaalden naam aan van «het ge-
deelte van samengestelder bouw» van het vas deferens.
Overigens beschouwt hij dit, ook naar mijne meening zeer juist,
als een propulseerend werktuig voor de ejaculatie van het sperma.
Juist hierom bevreemdt het mij, dat daaraan door Schrijver niet
de benaming van vesicula seminalis is toegelegd, te meer
daar ik bij Loman lees, dat Tulk reeds dit «eigenaardig kluwen »
der vasa deferentia de «zaadblaas» heeft genoemd. De vasa
efferentia hangen op de gewone wijze met de testis samen.
Deze doet zich voor als een darmvormig orgaan, met een of meer
insnoeringen, uit wier inwendige wandbekleeding van epitheliaal-
cellen, of juister uit de kernen van deze, zich de spermazo-
toiden ontwikkelen. De laatsten beschrijft hij als ovale, concaaf-
convexe, boonvormige lichaampjes, lang 2,9 u en breed 1,6 u, met
eene duidelijke kern, — waarvan het bestaan door Loman wordt
ontkend, — die eene zwermende beweging vertoonen.
Vrouwelijke geslachts-organen. — Deze bestaan, behalve
uit een paar kleine glandulae accessoriae (zie boven blz. 108),
uit een ovipositor met scheede, een oviductus met twee
receptacula seminis en daartoe behoorende dubbelklieren,
een uterus en een ovarium.
De ovipositor, omtrent wiens ontstaan of ontwikkeling en
omtrent welks voor- en rugwaartsche bewegingen, nagenoeg het-
zelfde geldt als daaromtrent voor den penis en diens koker is
gezegd (blz. 107), heeft eene groote overeenkomst met de leghoor
bij verscheidene insecten. Hij heeft, naar mijne meening, mede
functioneele analogie met de epigyne der ware spinnen, terwijl
beider morphologie uit de verte aan de clitoris der vertebrata
herinnert. Hij ligt in eene beweeglijke scheede, die eigenlijk uit
drie scheeden, eene binnenste zeer eigenaardig. gedoornde, eene
middelste gladde, en eene buitenste spierachtige, is samengesteld.
Deze leghoor zelve, die eene lengte heeft van meer dan de helft
110 ROEKAANKONDIGING. DE GRAAF, OVER DE:
van het abdomen, is een plat-cylindervormig orgaan, overal van
dezelfde afmetingen, doch naar boven iets smaller wordende. Aan
den top splitst het zich in twee tegenover elkander staande, gelijk-
vormige stompe kegels, bij wijze van eene tang of forceps, die ter
zijde en langs hare wanden met afzonderlijke of bundelvormige,
langere of kortere, stijve haren of stekels, als tast-organen, gewa-
pend zijn, ofschoon eene overeenkomstige haarbekleeding ook voor-
komt aan andere der vele, uit twee platen bestaande, chitine-
segmenten , waarmede het lichaam van den ovipositor in transversale
richting is bekleed. De ovipositor is in alle richtingen hoogst be-
weeglijk, tot het opzoeken der geschikte plaatsen voor het leggen
der bevruchte eieren, die met behulp der tangvormige tastwerk-
tuigen tot een hoopje worden opgesteld en met kleefstof voorzien.
Bij het leggen der eieren wordt de ovipositor met zijne omgestulpte
scheeden, even als de penis bij de copulatie, opmerkenswaardig
ver naar buiten en voren gebracht; volgens de afbeelding van De
Gr., plaat XXXV fig. 123, bedraagt hunne gezamenlijke lengte
ongeveer die van het geheele lichaam, terwijl Loman schrijft, dat
zij zelfs «tweemaal die lengte» zou kunnen bereiken !
De oviduetus doorloopt den ovipositor, vrij, in zijne geheele
lengte. Dit is eene lange nauwe buis, die met eene ovale vagina
tusschen de forceps-aardige tast-organen uitmondt en beneden- en
binnenwaarts, door verwijding, in den zakvormigen uterus over-
gaat, welke laatste op zijne beurt bovenwaarts van twee hoornachtige
verlengsels is voorzien. Diens fijnere structuur , even als die van den
oviduct, stemt met die van het vas deferens overeen, doch ver-
schilt daarvan door het bezit eener dwarsgestreepte tu nica mus-
culosa, die zich, bij wijze van een nauwsluitenden mantel, van
de monding van den oviduct tot aan het ovarium uitstrekt, alsmede
door het voorhanden zijn van fijne overlangsche plooien, die de voor
den doorgang der rijpe ovula noodige, opvolgende verwijding en
vernauwing van hun lumen toelaten. Daarenboven komt aan den
oviduct, even beneden de vagina, een ander verwijd gedeelte voor,
met de daarin bilateraal uitmondende en zijwaarts aanhangende, kleine,
blind eindigende, buis- of helmvormige receptacula seminis,
GESLACHTS-ORGANEN DER PHALANGIDEN. 113141
Ik wensch hier in herinnering te brengen, dat deze zoo karak-
teristieke bij-organen insgelijks bij de ware spinnen voorkomen in
veelvuldige vormverschillen, op welker hooge beteekenis, ook voor
de soortelijke diagnose, inzonderheid door Bertkau, de opmerkzaam-
heid is gevestied. Zij schijnen aan de aandacht van de vroegere onder-
zoekers der Opiliones te zijn ontsnapt of door hen verkeerd geduid.
Dit laatste was ook het geval bij De Gr., die hen eerst voor klier-
organen had gehouden. Terzelfder tijd en mede nagenoeg gelijktijdig
met Blanc !) in Frankrijk is, bij ons, Loman (ik geloof deze het
allereerst) tot de ontdekking van hunne ware beteekenis geraakt,
daar hij «deze zakjes, na de copulatie, altijd tot berstens toe met
sperma gevuld» had gezien. Op zijn voetspoor heeft De Gr. sedert
daarin insgelijks de aanwezigheid van spermatozoïden geconstateerd
en eigene overtuiging der juistheid van Loman’s diagnose verkregen.
Wat nogtans de oorspronkelijke opvatting van De Gr. betreft, is
toch gebleken, dat hij niet geheel en al op een dwaalspoor was,
aangezien hij zijnerzijds, nagenoeg terzelfde plaatse, de ontdekking
deed van het bestaan van twee kleine dubbelklieren, — door hem
Kittdrüsen (waarom niet slijmklieren ?) genoemd, — in eigene,
aan de receptacula seminis belendende en daarin uitmondende holten
van den oviduct, binnen de tangvormige tast-organen van den
ovipositor geplaatst. Deze klieren zouden, volgens hem, even als
de binnenwand der receptacula zelve, eene kleefstof (mucus ?)
afzonderen , waardoor eenerzijds de spermatozoiden , ‘als knotsvormige
klompjes worden bijeengehouden, voor en aleer zij uit de recep-
takels in het verwijd oviduct-gedeelte overtreden, en waarmede
anderzijds de ovula, daar ter plaatse, even voor het leggen,
dat meer dan eens in het daarvoor gunstige jaargetijde bleek te
geschieden, — worden bedeeld.
Het ovarium eindelijk is een vrij teeder, darmvormig orgaan,
waarvan de tunica propria in structuur met die van den testis
overeenkomt, terwijl zich uit eene onder haar gelegen laag van
1) Vreemd genoeg publiceerde Blanc deze ontdekking in zijne verhandeling
„Sur l'anatomie et physiologie de l'appareil sexuel mâle des Phalangides”, 1850.
112 BOEKAANKONDIGING. DE GRAAF, OVER DE
epithelium-cellen de eieren ontwikkelen. Over de wording der
kiemcellen in deze, over de dooiervorming (zonder dooierkern),
over het ontstaan van het kiemblaasje en van de follikels, over
den verderen groei van het ei met zijne opvolgende vormverande-
ringen, over het chorion, als tweede omhulsel er van in de uterus-
hoornen verkregen, over deszelfs voortstuwing door eene soort van
peristaltische beweging, tot en door den oviduct, — welke pro-
cessen allen met groote nauwkeurigheid door den Schrijver zijn
bestudeerd, — verdient het werk zelf, met de teekeningen er bij,
te worden geraadpleegd.
De wijze van copulatie der Phalangiden, waarvan Schrijver
op pl. XXXV fig. 122 eene duidelijke plastische voorstelling geeft,
was reeds door Lister gezien, door Latreille bevestigd en door
Menge nagenoeg volkomen juist beschreven. Zij geschiedt als ’t
ware mond aan mond, met de koppen in een horizontaal vlak
naar elkander toegekeerd, zoodanig dat de oogen van ¢ en g zich
schier aanraken. Het 4 slaat daarbij de lange pootpalpen over en
om de voorpooten en zijne kaken om den voorkop van het 9,
terwijl de naar buiten en naar voren getreden penis-top, met
behulp der kleine mondpalpen, bij beide sexen voorkomende,
tusschen de geopende tast-organen van den ovipositor, de juiste
richting naar den scheede-ingang verkrijgt, waarbinnen het doorn-
vormig glans-verlengsel bij afwisseling in een der receptacula seminis
doordringt en het sperma wordt uitgestort. Tot vulling van deze beiden
schijnt eene herhaalde copulatie noodig. Iedere akte daarvan duurt
bij deze dieren (in sterke tegenstelling met sommige Araneïden-
soorten) slechts enkele seconden, waarna de penis wordt terugge-
trokken en ingestulpt en de dieren elkander verlaten. Het bij de
ware spinnen veelvuldige verschijnsel, dat het 2 post coitum het
d doodt en verslindt, werd bij zijne Opiliones, ook door De Gr.
niet waargenomen. Wel zag hij de mannetjes dikwerf onderling
strijden om de wijfjes hunner soort — (ontrouw ten deze, zegt
Schr., komt bij hen, ook in den gevangen staat, niet voor) —,
doch liepen hunne gevechten zelden of nooit doodelijk af.
Het verwondert mij, dat sommige natuuronderzoekers, waaronder
GESTACHTS-ORGANEN DER PHALANGIDEN. 113
ook Loman, de beschreven wijze van copuleeren «eene vreemde »
hebben genoemd. Wel zegt hij terecht, dat zij zeer afwijkt van
die der ware spinnen, maar juist bij deze acht ik haar bevreemdend
en eigendommelijk gecompliceerd, niet bij de Phalangiden, die,
behoudens de horizontale toenadering, eene zeer algemeen gebrui-
kelijke methode blijken te volgen! Veel opmerkelijker vind ik:
vooreerst, bij de mannetjes dezer orde uit de klasse der Arachniden ,
in tegenstelling met die bij andere orden, vooral de Scorpioniden en
Galeodoïden, — die geen of nagenoeg geen penis bezitten, — de
buitengewoon sterke ontwikkeling van dit orgaan; en ten tweede,
dat hier bij beide sexen, de uitwendige geslachtsdeelen niet, gelijk
in den regel, voor aan den buik, dus achter het sternum, maar
vóór dit lichaamsdeel uitmonden.
Ten slotte behandelt Schr. ook het bij de Phalangiden soms bij
uitzondering voorkomende hermaphroditisme, waarvan de
eerste aanwijzing reeds door Treviranus werd gegeven. Over het
algemeen zij opgemerkt, dat bij deze dieren werkelijk eene in ’t
oog loopende morphologische analogie bestaat tusschen de verschil
lende mannelijke en vrouwelijke geslachtsdeelen, zoo tusschen den
penis en den ovipositor, als tusschen het vas deferens, met zijne
samengestelde verwijding (vesicula seminalis?) en den oviduct, met
den uterus, en vooral tusschen den testis en het ovarium. Inzon-
derheid aan laatstgenoemde organen zijn op het punt van sexe-
overgang alleszins merkwaardige waarnemingen gemaakt. Zoo zag
men bij hunne mares, ook vóór Schr. meermalen, dat hier de
testis gewone eieren kan voortbrengen en zelfs, volgens hem,
«geheel» 1) in ovarium kan overgaan, en ontdekte hij (hoezeer
slechts bij een enkel vrouwelijk voorwerp) insgelijks, dat zich hier
in het ovarium oorspronkelijk normale spermatozoïden kunnen
ontwikkelen; daarenboven vond hij bij het bedoelde vrouwelijk
individu een gedeeltelijken overgang van den ovipositor in den
penis-vorm.
1) Deze term schijnt wel eenigermate in strijd met de observatie van den
Schrijver zelven, dat in de eieren voortbrengende testis de ontwikkeling der
spermatozoïden toch „ ongestoord” voortgaat,
8
114 BOEKAANKONDIGING. DE GRAAF, OVER DE
Daar intusschen bij het 4 de gevormde ovula hunne volkomen
ontwikkeling niet bereiken, maar later weder eene retrogressieve
metamorphose ondergaan, noch bij het 9 de daar waargenomen
spermatozoïden naar buiten kunnen gevoerd worden, mag, volgens
Schr., voor deze dieren slechts van een ru dimentair herma-
phroditisme sprake zijn. Wel zou de door hem gedane ontdekking
kunnen worden aangevoerd ten bewijze van het ook compleet
bestaan van sexe-vermenging, van mogelijke zelfbevruchting,
maar ook dan nog, zooals hij doet opmerken, zou die, in zijn
geval, niet geheel doorgaan, dewijl daarbij de rijpe eieren niet
naar buiten zouden kunnen worden ontlast, uithoofde de ten deele
tot penis gewijzigde ovipositor hunne verdere buitenwaartsche voort-
beweging niet zou toelaten.
In dit Referaat zoeke men niet dan eene oppervlakkige schets
van het rijke materiaal, in deze verhandeling bevat, waarin dit
moeilijk onderwerp schier werd uitgeput. Alhoewel vroeger, en
zelfs later, daarover talrijke onderzoekingen waren gedaan, althans
veel omvangrijker dan mij te voren bekend was, en aan De Gr. daar-
door geen ruime gelegenheid tot bepaald nieuwe «ontdekkingen »
was overgelaten, heeft hij vele bijzonderheden hier tot een volledig
geheel samengebracht, veelzijdig licht ontstoken en menige leemte
aangevuld. Om daartoe te geraken, was wel eene zeldzame vaar-
digheid in het maken van zóó subtiele microscopische praeparaten,
en zulk een benijdenswaardig talent om die af te teekenen, noodig ,
als Schrijver hier getoond heeft te bezitten. In de meesterlijk be-
werkte afbeeldingen der organen en weefsels, zoo ieder op
zich zelve, als in schemate en in situ, welke laatsten zoo uiterst
lastig te bewerken zijn, is hij op eene voortreffelijke wijze geslaagd.
Ook in duidelijkheid laten zij niets te wenschen over, en de ver-
klaringen er van munten uit door eene buitengewone nauw-
keurigheid.
Volgens mijne meening heeft men hier met eene klassieke studie
te doen, met een zoogenaamd standaardwerk, een nieuw sieraad
GESLACHTS-ORGANEN DER PHALANGIDEN. 115
der zoologisch-entomologische litteratuur. Den Schrijver gelukwen-
schende met de eer, hem reeds op jeugdigen leeftijd deswegens
ten deel gevallen, roep ik hem belangstellend toe: Ga zóó voort
op dit moeitevol pad der wetenschap, zoo tot voldoening van U
zelven als tot den roem van ons Vaderland !
Dr. A. W. M. van HASSELT.
s-Gravenhage,
December 1882,
MYDAEA (SPILOGASTER) ANGELICAE Scop.
en URBANA Meig.
Als men Meigen’s opgaven (Syst. Beschr. V p. 117 en 118)
omtrent deze beide zeer verwante soorten naleest, dan zou Ange-
licae duidelijk van urbana te onderscheiden zijn door de roodgele
kleur van het schildje en achterlijf, terwijl laatstgenoemde geheel
aschgrauw is. Het schijnt echter, dat aan dit verschil in kleur
geen te groote waarde kan gehecht worden, als men in aanmer-
king neemt, dat Scopoli zijne Musca Angelicae beschrijft als volgt:
«Long. lin. 34. Cinerea; ocello quadrato occipitali; alis basi ferru-
gineis. Statura M. domesticae. Oculi brunnei. Pedes ferruginei. »
(Ent. Carn. 329. 880). Voorts wordt Fallen door Meigen aange-
haald en zelfs diens diagnose afgeschreven, luidende: « Ovata
cinerascens; thorace sublineato; alarum nervis at basi et
squamis pallidis. » Ook de afbeelding in het werk van Ahrens en
Germar (10 pl. 25), die ongeveer van denzelfden tijd dagteekent
als Meigens 5de deel, vertoont geenszins de roodgele kleur, waar-
van Meigen spreekt.
Zetterstedt heeft daarom naar een ander kenmerk gezocht, om
de beide soorten te onderscheiden , en meent dit gevonden te hebben
in het aderbeloop der vleugels (Dipt. Scand. IV. 1651). Bij Ange-
licae namelijk zou de schijfdwarsader regt, bi) urbana daarentegen
MYDAEA (SPILOGASTER) ANGELICAE EN URBANA. 117
gegolfd zijn, waarbij dan, volgens hem, zou komen, dat de meeste
voorwerpen der laatste eene meer grauwe, en die der eerste eene
meer geelachtige tint zouden vertoonen. Schiner (Fauna austr. 1.
612) heeft hem hierin geheel gevolgd.
Werkelijk vind ik ook onder mijne vele exemplaren sommigen,
bij welke dit verschil in den loop der genoemde dwarsader vrij
duidelijk spreekt. Langen tijd heb ik dientengevolge de voorwerpen
met eene regte of bijna regte dwarsader als Augelicae, en die met
eene gegolfde dwarsader als urbana bestemd. Ik moet echter er-
kennen, dat meermalen twijfel bij mij ontstond , omdat de dwarsader,
naar de onderscheidene individuen, in zeer verschillende mate ge-
bogen is, en dit bijna nimmer met een verschil in kleur gepaard
gaat.
Een geheel ander verschil wordt door Rondani aangegeven in
zijne analytische tabel der Italiaansche Spilogaster-soorten (Dipt.
Ital. Prodr. VI p. 69). Volgens hem zouden de borstels op den
derden lijfsring bij urbana alleen aan den achterrand voorkomen,
terwijl bij Angelicae nog eene tweede dwarsrij meer naar voren
zou aanwezig zijn. In zijne beschrijving van urbana (l. c. p. 86)
„noemt hij deze iets grooter en hare kleur meer aschgrauw; voorts
zou de schijfdwarsader schuiner zijn geplaatst (van meer of minder
buiging is bij hem geen sprake), en zou de uitmonding der sub-
costaal-ader iets voorbij-, niet juist boven de middeldwars-
ader gelegen zijn.
Als ik, bij gebreke van voldoende onderscheidingskenmerken bij
Meigen, Zetterstedt en Schiner, mij houd aan de bovengemelde
opgaven in de analytische tabel van Rondani, dan kom ik tot het
besluit, dat al mijne exemplaren, ook die welke ik vroeger als
Angelicae bestemde, tot urbana behooren, want bij geen enkel
vind ik de tweede dwarsrij borstels op den derden achterlijfsring ,
ofschoon bij sommige voorwerpen eenige aanduiding er van is te
zien in een paar borstels in de zijden.
Meade, die in den laatsten tijd eene bijzondere studie van de
Anthomyinen heeft gemaakt, schijnt tot dezelfde conclusie te zijn
gekomen. Hij noemt urbana eene gewone soort, Angelicae daaren-
118 MYDAEA (SPILOGASTER) ANGELICAE EN URBANA,
tegen uiterst zeldzaam: hij zag slechts een enkel exemplaar uit
Engeland en nog wel een 2 (zie Ent. monthl. Mag. XVIII p. 28).
Ook in Italie bestaat dezelfde verhouding ten aanzien van het
voorkomen der beide soorten (zie Rondani |. ec. p. 85 en 87).
Naar aanleiding van dit alles heb ik voorloopig nu ook maar al
mijne exemplaren onder het etiquet «urbana» opgenomen, en duge-
licae in de lijst der inlandsche soorten geschrapt, tot tijd en wijle,
dat ik welligt later eene echte Angelieae binnen onze grenzen mag
aantreffen, waaraan ik de verdere, door Rondani aangegeven rela-
tieve kenmerken hoop te kunnen toetsen.
VAN DER WULP.
s-Gravenhage.
April 1883.
PES}
AJW. sculps.
Fig.2,6,11 H A. Cet. AJW. del.
È
Pyralidina van Celebes.
FRET:
AJ.W.fec.et sculps.
Pyralidina van Celebes.
FING:
A JW fec. et sculps.
Pyralidina van Celebes.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES
VERZAMELD DOOR
Mr. M. C. PIEPERS,
met aanteekeningen en beschrijving der nieuwe soorten
DOOR
P. C. T. SNELLEN,
TWEEDE AFDEELING: HETEROCERA.
IV.
PERALTEDEN A I)
Van de nieuwe soorten dezer familie zijn de beschrijvingen
reeds in de vermelding van de Lepidoptera der Sumatra-reis
(Midden-Sumatra, IV. A Lep. p. 60—82 (1880) en in deel XXIII
(Jaargang 1879—80) p. 198—250 van dit Tijdschrift bekend
gemaakt. Ik geef dus hier vooreerst de namen der reeds bekende,
met aanmerkingen en opgave der vangplaatsen, benevens afbeel-
dingen der nieuwe, en enkele aanteekeningen. Het getal der door
Mr. Piepers op Celebes verzamelde Pyraliden is zeer belangrijk
1) Twee soorten van Sicu/ina werden door Mr. Piepers van Celebes overge-
zonden. Zij schijnen mij toe beiden nieuw te zijn, doch de exemplaren zijn te slecht
om te kunnen worden beschreven. Zie over deze familie: Midden-Sumatra enz.
1Vde deel, 1ste Afdeeling. Natuurlijke Historie. Lepidoptera door P. C. T.
Snellen, p. 51 enz. f
120 LEPIDOPTERA VAN CELEBLS,
(199 soorten); daarbij bevinden zich echter verscheidene (42),
meest allen wel nieuwe soorten, doch waar de toestand der exem-
plaren geene beschrijving of determinatie toelaat. Velen der op
Celebes gevonden soorten heb ik ook van elders, vooral van Java
en Sumatra, leeren kennen, hetgeen ik bij iedere soort zal aan-
teekenen.
De rangschikking der soorten is, wat de Pyralidae Lederer
aangaat, naar het bekende werk van dien schrijver over dit ge-
deelte der Pyralidina geschied, terwijl bij de Crambidae Zeller’s
Crambidarum Genera et Species en voor de enkele Galleridae en
Phycidae mede de geschriften van laatstgenoemden zijn gevolgd,
Subfamilie A. PYRALIDAE.
Gen. 74. PAREDRA Snell.
1. Eogenalis Snell., Mdd. Sum. IV. 1 Lep. p. 60. — PI. 6,
fig. 1 en 1a.
De sprieten zijn bij den 4 (het g ken ik nog niet) tot twee
derden stomp gekerfd; hunne bewimpering is iets langer dan
de breedte van de schaft. Tegen het puntderde houden de kerf-
tanden op en worden de sprieten langzamerhand draadvormig.
Nadat ik deze soort beschreef, heeft Piepers haar ook van
Java overgezonden, en wel in twee exemplaren. Bij een zeer
gaven d van Batavia vertoonen het donkerder wortel- en het
lichtere middenveld der voorvleugels eene olijfkleurig buin-
grauwe tint; het derde veld is het donkerste, grauwbruin
met paarse tint; de franje is roodachtig, als wijnmoer. Het
andere Javaansche voorwerp, van Toeban, dat minder gaaf
is, komt met den hier afgebeelden 4 van Celebes overeen,
terwijl het Sumatraansche voorwerp meer den Bataviaanschen
d nadert.
Genus 14. STERICTA Led.
Twee mannelijke vlinders van Stericta divitalis, die vrij wel
met Guenée’s naar een 2 gemaakte beschrijving dier soort overeen-
komen, beter dan met zijne bonte en blijkbaar niet met zorg
LEPIDOPTERA VAN CELEBUES. 121
vervaardigde afbeelding, stellen mij in staat, het genus de juiste
plaats in Lederer’s systeem aan te wijzen. Ader 8 der achter-
vleugels is vrij, doch de ocellen zijn aanwezig
e, zoodat wij naar
afdeeling 8 van de analytische tabel der genera verwezen worden,
alwaar, aangezien de palpen wel sikkelvormig zijn, doch niet boven
den kop uitsteken, Momura de naaste verwante is. Het mede in
deze sectie van afdeeling 8 te huis behoorende genus Dicymalomia
Zeller verschilt door geheel anderen vleugelvorm (zie Zeller, Verh.
zool. bot. Ges. 1872 p. 530). De hoofdkenmerken, waardoor de
beide zeer na verwante genera Momura en Stericta zich van el-
kander onderscheiden, zijn de volgende:
1. Bijpalpen ontbrekende; kop met eene lange, naar achteren
gestreken pluim (zie Lederer, pl. 4 f 3) . . Homura.
2. Bijpalpen aanwezig; tusschen kop en halskraag
een korte schubbenkam . . . . . . . . Sfericta.
Aderstelsel als bij Homura door Lederer beschreven.
A.
Eindlid der smallere palpen lang en spits (PL 6, fig. 2).
2. Divitalis Guenée, Delt. et Pyr. p. 124, pl. 7 fig. 4.
Twee mannen, zoo groot als het bij Guenée afgebeelde
wijfie.
Guenée’s afbeelding is niet fraai, gelijk ik boven zeide,
doch de beide voor mij staande exemplaren zijn niet gaat
genoeg voor eene betere. De achtervleugels zijn vuilwit , tegen
punt en achterrand donkergrijs; de sprieten zijn kort bewimperd.
Makassar en Boelekomba. Komt ook op Sumatra voor.
B.
Eindlid der breedere palpen kort, stomp gepunt. (PL. 6, f. 34).
3. Fuscibasalis Snell., Zjds. v. Ent. XXIII (1880) p. 199.—
Pl. 6, fig. 3 en 34.
De sprietwortel is bij /uscibasalis merkbaar minder ont-
wikkeld dan bij Dwitalis, en ook de palpen verschillen veel.
Om het reeds zoo groot getal der Pyralidinen-genera niet op
122 LEPIDOPTERA VAN CELEBES,
nieuw te vermeerderen, vormde ik voor mijne nieuwe soort
afdeeling in een bestaand genus, daar dit zonder
geschieden. In het aderstelsel merk ik bij beide
liever eene
dwang kon
soorten geen verschil op.
Amparang.
Genus 17. ASOPIA Treits., Led,
4. Torridalis Led., Beitr. p. 165. 9, pl. 6 fig. 15.
Op Lederer’s afbeelding zijn de vleugels wat te lang.
Bonthain (een man). Zeer groote exemplaren zond Piepers
ook van Java, |
5. Fuscicostalis Snell., 7%4s. v. Ent. XXII (1880) p. 199.—
Pl. 6, fig. 4.
Het afgebeelde exemplaar is een man en die sexe, zooals ik
bij de beschrijving opmerkte, kleiner dan het wijfje.
Fuscicostalis komt ook op Java voor: Mr. W. Albarda ontving
een exemplaar van dat eiland.
6. Mauritialis Boisd, Faune de Madagascar, Bourbon et Maurice, p. 119,
pl. 16 £ 8.—- Pl. 6,-hg. a het 9.
Twee exemplaren.
Boisduval heeft het voornaamste kenmerk, dat deze bij hem
vlugtig beschrevene en zeer slecht afgebeelde soort van onze
Costalis Fabr. en ook van Olinalis Guen. onderscheidt, niet
aangeduid. Het bestaat daarin, dat de gele achterrand der
vleugels in het midden wordt afgebroken door de donker purper-
roode grondkleur, die niet met grauw is gemengd gelijk op de
voorvleugels van Costalis. Verder is het geel der veel kleinere
voorrandsvlekken en der franje bij Mauritialis donkerder, en
laatstgenoemde over het geheel kleiner.
Ik hoop dat eene door den heer Wendel vervaardigde afbeel-
ding beter zal worden overgebragt dan die welke door Bois-
duval is geleverd.
Makassar, Balangnipa. Mij ook van Java en Sumatra bekend.
7. Pictalis Curt. Brit. Ent. — Wood f. 779.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES, 122
Pronoealis Lederer, Beitr. p. 166. 15.
Verscheidene exemplaren.
De vlinder onderscheidt zich op het eerste gezigt van de
verwante Furinalis en Lienigialis door het zwarte wortelveld
der achtervleugels. Verder is de tweede dwarslijn der voor-
vleugels aan den voorrand niet witter noch breeder, in het
midden naauwelijks gebogen. Ook zijn beide sexen kleiner.
De rups leeft van rijst.
Op verschillende plaatsen gevangen. Komt ook op Java voor,
8. Gerontesalis Walker, Cat. p. 896.
Eenige exemplaren.
Daar deze soort alleen door de beschrijving van Walker is
bekend en men, hoewel Lederer die heeft erkend, met regt mag
betwijfelen of die beschrijving toereikende is, ware eene afbeelding
niet overbodig, doch daar ik reeds zooveel platen noodig heb
voor mijne nieuwe soorten, stel ik haar uit tot later. Deze
soort behoort nog eenigszins tot de verwantschap van Farinalis ,
doch kenmerkt zich door stofgrijze voor- en achtervleugels.
Op eerstgenoemden is het wortelveld vaalzwart en het midden-
veld met eene dikke zwarte stip geteekend. Tweede dwarslijn
der achtervleugels getand.
Lokka, Makassar, Takalar. — Ook op Java.
Subfamilie B. BOTYDAE.
Genus 184. ENDOTRICHA Zell. Led.
9. Sondaicalis Snell. , Zijds. v. Ent. XXI (1880) p. 200. — PL 6, fig. 6.
Eenige gave exemplaren.
Bonthain, Takalar, Maros, Makassar.
10. Ustalis Snell. , Zijds. v. Hut. XXI (1880) p. 201. — PI. 6, fig. 7.
Eenige gave exemplaren.
Saleyer, Boelekomba. — Komt ook op Java voor.
Piepers zond nog twee andere soorten, die waarschijnlijk
beiden tot dit genus behooren, doch alleen in vrouwelijke exem-
LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
plaren; beiden zijn wel nieuw. Twee andere nieuwe soorten
ken ik nog van Java, nog twee uit het Amoer-land (Costae-
maculalis Christoph in litt. en F/avofascialis Bremer , die geene
Agrotera is). Eindelijk moet het genus Tegulifera Saalmüller ,
(Berichte der Senckenbergischen Gesellschaft 1879— 1880 p. 305)
met de daar beschrevene drie nieuwe soorten waarschijnlijk ook
met Ændotricha worden vereenigd. Het getal der soorten stijgt
dus tot 16, verondersteld dat Consobrinalis Zell. , en Pyrosalis,
Ignealis, Pulchrinalis, Subulalis Guenée, die Lederer alleen uit
de beschrijvingen kende, inderdaad tot dit genus behooren,
Genus 185. PSEUDOCHOREUTES Snell.
(Zijds. v. Ent. XXIII (4880) p. 202).
11. Choreutalis Snell., 1. c. — PI. 6, fig. 8 en 8a.
Makassar, Saleyer.
Zooals ik in het Tijdschrift opmerkte, vond Piepers nog twee
tot dit genus behoorende soorten op Celebes. Eene kleine werd
door von Nolcken ook in Columbie waargenomen.
Genus 224. GLUPEOSOMA Snell.
(Tijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 203).
12. Pellucidalis Snell., I. c. p. 204. — PI. 6, fig. 9 en 9a.
Makassar.
De bijpalpen zijn wel is waar draadvormig, maar toch aan
het eind een weinig verbreed, de lipvoelers onderaan smal wit ,
verder lichtbruin als de schedel en het voorhoofdskuifje, welke
wit gerand zijn.
Ik ken deze soort tot dusverre alleen van Celebes.
Genus 23. SCOPARIA Haw., Led.
(Eudorea Tell.)
13. Fulvosignalis Snell, Tijds. v. Ent. XXIN (1880) p. 204.—
PING, ig. AD!
Makassar.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 125
44. Nugalis Snell., Tijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 205.—Pl. 6,
figs: 44:
Maros.
Nog twee soorten van Scoparia vond Piepers op Celebes. De
eene, die van weinig grooter gestalte is dan de beide boven-
genoemden, heeft den bouw en habitus der Europesche soorten
en komt ook op Java voor. De andere, grootere, wijkt iets
_ meer af door breedere, stompere voorvleugels en smallere,
spitsere palpen. Ook loopt de eerste evenals de tweede, wit-
gekleurde dwarslijn zeer schuin en is geheel ongebogen.
Genus 345. ERETRIA Snell.
(Tijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 206).
45. Obsistalis Snell., 1. c. — Pl. 6, fig. 12 en 1924.
Boelekomba , Bonthain.
Genus 50. BOTYS Treits., Led.
(Botis Zell.)
A.
a
a.
16. Phaenicealis Hübn., Zutr. fig. 115, 116.
Een wijfje.
Hitbner’s afbeelding is wat te hard gekleurd. Phaenicealis is
eene wijdverbreide soort. Lederer vermeldt haar van Noord-
Amerika, Brazilie en Réunion; ik ken haar bovendien van
Java en Celebes.
Bonthain.
47. Jucundalis Led., Beitr. n°. 32 pl. 8 f. 17.
Abruptalis Feld. en Rog., Novara II, 2. pl. 135 f. 10.
Een man van 16 mm. vlugt.
Het voorwerp is veel helderder gekleurd dan het bij Lederer
beschreven en afgebeelde wijfje. De palpen zijn kort, stomp,
126 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
bruin gekleurd, aan den wortel wit. Achterlijf en voorvleugels
donkergeel, bijna saffraangeel; van het eerste fijne randen
der ringen en de buik wit, de laatsten geteekend met twee
scherpe, donkerbruine dwarslijnen en zulk een streepje op de
dwarsader, de tweede lijn franjewaarts breed doch niet zooals
bij het Le. afgebeelde voorwerp tot aan den achterrand bruin
beschaduwd. Franjelijn scherp bruin, franje donkergrijs.
Onderzijde bleeker dan boven, de geheele achterrand voorbij
de tweede dwarslijn paarsbruin. Pooten wit, de plat-driekante
voorscheenen met witte wortel- en donkerbruine tweede helft.
Door de palpen is Jucundalis aan het genus Craphalocrocis
verwant, doch overigens eene £07ys Lederer.
Bonthain.
18, Artificalis Led., Beitr. nd. 34 pl. 8 f. 16.
Twee exemplaren, gelijk aan Javaansche.
Takalar, Makassar.
19. Incoloralis Guenée, Delt. et Pyr. p. 333.
Twee exemplaren.
Verschillen niet van Afrikaansche voorwerpen in mijne ver=
zameling.
Makassar.
20. Anastomosalis Guen, Dell. et Pyr. p. 377.
Eenige exemplaren.
Deze soort is dezelfde als Botys Illisalis Led., Beitr. pl. 9
f. 12, die haar ook voor Walker’s ///isalis verklaart. Deze laatste
bewering geheel voor zijne rekening latende, moet ik opmerken,
dat dus Anastomosalis Guenée verwijderd wordt uit het genus
Pantographa Lederer, waar deze haar voorloopig had geplaatst,
omdat hij haar niet kende, doch waarmede zij niets te maken
heeft. Ook voor eene Botys is de habitus zeer vreemd en ik
zou meer geneigd zijn om Anastomosalis in het genus Megastes
te plaatsen, ware het niet dat de aanwezigheid der bijpalpen,
die volgens Guenée bij zijne Megastes grandalis ontbreken, en
21.
22
23.
24.
25.
LEPIDOPTERA VAN CELELES. 127
de onbewimperde sprieten van den man dit verboden. Botys
spilosoma Feld. en Rog., Novara II, 2. pl. 135 f. 48 houd
ik echter voor eene stellige Megastes, want de bijpalpen ont-
breken en de geheele bouw van den vlinder herinnert aan Meg.
grandalis.
Bonthain, Saleyer.
Salentialis Snell., Zijds. ©. Ent. XXIII (1880) p. 207.—PI. 7,
fig. 4.
Twee mannen en een wijfje.
Deze soort komt ook op Java voor.
Saleyer, Bonthain.
2. Paupellalis Led., Betr. n°. 56 pl. 10 f. 6
Eenige exemplaren.
Twee zeer versche wijfjes zijn donker paarsachtig bruingeel,
doeh komen overigens in de kleur der franje, de teekening,
vleugelvorm en grootte zoozeer met een iets minder frisch
wijfje overeen, waarop Lederer’s beschrijving en afbeelding juist
passen, dat ik hier slechts aan eene varieteit kan denken.
Twee afgevlogen mannen schijnen den overgang aan te duiden.
Het eindlid der palpen is bij deze soort vrij duidelijk en
horizontaal, terwijl ook de afscheiding tusschen lid 1 en 2
duidelijker is dan bij de meeste soorten dezer afdeeling van Botys.
Makassar, Maros.
Subcrocealis Snell., Zijds. v. Ent. XXIIT (1880) p. 208. —
Pind, fie, 9
Een gave man.
Bantimorong.
Taenialis Snell., Zijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 209.—PI. 7,
fig. 3.
Een gave man.
Balangnipa.
Korndörfferi Snell. , Midd. Sum. IV. Lep. p. 62,
Een wijfje.
26.
29.
30,
LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
De plaat in « Midden-Sumatra», waarop deze soort moet
worden afgebeeld, heeft het licht nog niet gezien.
Maros.
a.
Albofimbrialis m.
Niveicilialis Snell., Midd. Sum. IV. I. Lep. p. 64 (1880).
Een wijfje.
Daar er reeds eene door Grote in het Bulletin of the Buffalo
Society IL p. 232 (1875) beschrevene Botys niveicilialis wit
Noord-Amerika bestaat, die ouder is, moet ik den naam mijner
Sumatraansche soort veranderen. Cel 14 en 15 der achter-
vleugels benevens hun voorrand zijn ook op de bovenzijde on-
zuiver wit. Evenals van Bot. Korndürfferi is ook van deze soort
de afbeelding nog niet uitgegeven.
Makassar. Komt ook op Java voor.
Rubricetalis Snell., Zijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 209.—
Pl. 7, fig. 4 en 4a.
Twee gave mannen.
Maros. Ook op Java.
Faustalis Led., Beitr. n°. 68 pl. 10 f. 15.
Verscheidene exemplaren.
Makassar, Maros, Bonthain, Takalar. Komt ook op Sumatra
en Java voor.
LA
Trigalis Led., Beitr. pl. 10 f. 8.
Eenige exemplaren.
Bonthain, Makassar.
Nigrofimbrialis Snell., Midd. Sum. IV. A Lep. p. 62.—PI. 7,
fig. 5 en 5a.
Drie gave mannen.
Zooals ik op de aangehaalde plaats opmerkte, verschillen de
exemplaren van Celebes van de door Snelleman op Sumatra
gevangene, doordat de dwarslijnen der voorvleugels aan den
binnenrand en die der achtervleugels aan begin en uiteinde
39.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 129
niet zoo verdikt zijn als bij laatstgenoemde. De hier geleverde
afbeelding, die ik sinds lang had liggen, is naar een Cele-
baansch voorwerp gemaakt.
Amparang, Bonthain, Makassar.
. Velatalis Snell., Midd. Sum. IV. 1 Lep. p. 63.
Drie mannen.
Makassar, Bonthain. Is mij, behalve van Sumatra, ook
van Java bekend.
. Omicronalis Snell., Midd. Sum. IV. 1 Lep. p. 63.
Drie exemplaren.
Saleïjer, Bonthain, Makassar.
Mutualis Zell., Mer. Caffr. p. 40.
Aegrotalis Snell., Tijds. v. Ent. XV (1872) p. 90. pl. 7
f. 8. — Id., Midd. Sum. IV. 1 Lep. p. 63 (var.). (non Zell.).
Ik heb deze soort steeds voor Aegrotalis Zell. gehouden, tot
dat het zenden van een voorwerp onder dien naam aan Prof.
Zeller aanleiding gaf tot het ontdekken der verkeerde benaming.
De afbeelding in het Tijdschrift 1872 is middelmatig, de kleur
niet geheel juist van tint; de donkere, tot ongeveer aan de
tweede dwarslijn der voorvleugels strekkende streep langs den
voorrand der voorvleugels is vergeten, evenzoo de donkere be-
schaduwing van den achterrand. De palpen zijn bij deze soort
eer opgerigt en gebogen dan snuitvormig regtuitstekend te
noemen , overigens tweekleurig, onderaan wit, naar boven bruin.
Ik ken deze soort nu van Zuid-Afrika, Sumatra, Java en
Celebes. Zij heeft, zooals ik in « Midden-Sumatra» 1. c. op-
merkte, eene stofgrijs gekleurde varieteit, waar echter de dwars-
lijnen aan de afgewende zijden smal geel zijn afgezet, en die
ook op Java voorkomt; maar de voorwerpen die tot den type
behooren verschillen niet van een origineel exemplaar van
Prof. Zeller, dat ik door diens welwillendheid voor mij heb.
Ik ontving ter vergelijking ook een stuk van de echte Aegrotalis ,
die door slanker bouw en verschillend beloop der dwarslijnen
zich dadelijk als eene andere soort doet kennen.
130 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
Lederer heeft verzuimd om Botys mutualis Zeller in zijn
werk op te nemen.
Balangnipa, Takalar.
34. Multilinealis Guen., Delt. et -Pyr. p. 337 pl. 8f. 11. — Led.,
Beitr. pl. 14 f. 3. — Basipunctalis Bremer, Lepid. Ost-Sibir.
p 68. pl. 6. 8,8.
Verscheidene exemplaren. — Komt ook op Java en in het
Amoerland voor.
35. Tardalis Snell., Zijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 210. — PI. 7,
fig. 6 en 6a.
Drie exemplaren.
Bijpalpen klein.
Takalar, Balangmpa. Ik ken haar alleen van Celebes.
36. Orobenalis Snell., Zijds. v. Ent. XXII (1880) p. 211.— PL 7,
fig. 7 en Ta.
Drie exemplaren.
De bijpalpen zijn bij deze soort klein. Ik ken haar tot
dusverre alleen van Celebes.
Balangnipa.
37. Paucilinealis Snell., 7jds. v. Ent. XXIH. (1880) p. 212. —
Pl. 7, fig. 8 en 8a.
Ken exemplaar.
Bijpalpen als bij de voorgaande soort.
Makassar. Mij mede alleen van Celebes bekend.
38. Ruricolalis Snell., Zds. v. Ent. XXIII (1880) p. 243.—
BI. 7, fig. Den Qa;
Twee exemplaren.
Bijpalpen als bij de twee voorgaanden.
Maros, Makassar. Alleen van Celebes bekend.
39. Defloralis Snell., Zijds. v. Ent. XXII (1880) p. 214. —
PLT} fig. 10° en 407
Twee exemplaren.
staat dat de beide donker-
In de beschrijving, 1. e,,
40.
AA.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. ONE:
grijze middenvlekken half door de citroengele tint der voor-
vleugels bedekt zijn. Dit is onjuist en moet zijn «half
door den grijzen voorrand bedekt». De bijpalpen zijn iets
langer dan bij de voorgaande soorten. Piepers vond Defloralis
ook op Java.
Maros, Bonthain.
Filalis Guen., Delt. et Pyr. p. 204 (Asopia). — PI. 7, fig.
11 en 11a.
Drie exemplaren.
Deze aan Lederer onbekende soort is geene Zygropia, in
welk genus hij haar voorloopig plaatste (evenmin als Chromalis
Guenée = Bot. principialis Led.), maar ook geene Asopia.
Zij moet worden geplaatst in het genus Botys en is eene
verwante van mijne Auralis (Tijds. v. Ent. XV (1872) p. 90,
pl. 7 fig. 9, 10, en van mijne /ncalis (id. , XVIII (1874— 75)
p. 202 pl. 11 f. 13. De palpen zijn ongeveer eveneens ge-
vormd als bij laatstgenoemde, geheel onderaan wit, overigens
bleek goudgeel met purperen stippen.
Maros, Makassar. Door Dr. Ludeking ook op Java gevonden.
Guenée had haar van Mauritius.
Semifascialis Snell., Zijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 214. —
Pl. 7, fig. 12, 12« (kop) en 125 (achterpoot à).
Twee exemplaren.
Op de aangehaalde plaats zeide ik, een gaaf mannetje van
Java in mijne collectie te hebben. Dit is niet geheel juist,
aan dat exemplaar ontbreken de achterpooten, en nu de heer
Piepers onlangs twee inderdaad gave mannen van Java over-
zond, zie ik, dat de achterscheenen bij die sexe korter en
dikker dan gewoonlijk zijn en aan de binnenzijde versierd met
eene dikke vlok zwarte haren (zie fig. 19). Het eindlid der
palpen is iets anders gevormd dan bij de voorgaande soorten.
Andere bijzonderheden zie ik niet. De vorming van een nieuw
genus wordt uithoofde dezer haarvlok aan de achterscheenen ,
welke het wijfje mist, niet vereischt,
132 LEPIDOPTERA VÁN CELEBES.
Bij een paar der later ontvangen Javaansche exemplaren is
de gele stip onder aan de eerste voorrandsvlek, welke bij het
afgebeelde wijfje van Celebes slechts klein is, groot en duidelijk.
Bonthain, Maros.
42. Machinalis Feld. en Rog., Novara I. 2 pl. 136 f. 36.
Een man.
Machinalis behoort stellig in deze afdeeling van Botys.
Bonthain.
3. Incisalis Snell., Zijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 215.—PI. 8,
fig. 1 en 1a.
Twee exemplaren.
De palpen zijn bij deze soort zoo breed als de oogen, aan
de voorzijde afgerond; lid 2 is bruingrijs, hd 4 vuilwit. Bij-
palpen klein maar duidelijk.
Ik heb van deze soort ook twee Zuid-Amerikaansche exem-
plaren voor mij, van Columbie, afkomstig van von Nolcken’s
laatste reis. Zij zijn iets kleiner dan de Celebanen en een
weinig minder sterk gekleurd. Overigens zie ik geen verschil.
Saleyer, Bantimorong.
44. Abnegatalis Led., Beitr. pl. 11 f. 17.
Eenige exemplaren.
De heer von Hedemann deelde mij mede, dat hij te Londen,
in het Britsch Museum, deze soort en mijne Hurrhyparodes
stibialis vermengd had gevonden als Abnegatalis Walker. Diens
beschrijving geeft geene opheldering, welke der beide genoemde
Pyraliden bedoeld wordt en daarom is het best ons maar aan
Lederer te houden.
Het komt mij niet onwaarschijnlijk voor, dat deze soort de
Isopterye plumbalis Guen, Delt. et Pyr. p. 234 is. Plumbalis
Guen. zou dan de oudste naam zijn. De verzameling van
Guenée, thans het eigendom der heeren Oberthür te Rennes,
zou misschein in deze zaak de noodige opheldering kunnen
geven. Ik zeg misschien, omdat Guenée niet alleen verzuimd
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 133
heeft het, vaderland zijner Plumbalis op te geven, maar ook
uit welke verzameling hij de soort beschreef.
Bonthain, Maros. Mij buitendien van Amboina (Led.), Java ,
Sumatra en Ceylon bekend.
. Gratalis Led., Beitr. p. 183 pl. 11 € 18.—Pl. 8, fig. 2 (kop)
en 2a (achterlijf €).
Drie exemplaren.
De voorrandswortel der voorvleugels is donker grijsbruin.
Lederer kende alleen het wijfje en betwijfelde of deze soort
wel eene echte Botys is. Twee mannen, die Piepers overzond ,
stellen mij in staat dezen twijfel weg te nemen. Bij de manne-
lijke sexe hebben de sprieten op de helft een klein tandje op
de bovenzijde en zijn dan plotseling gebogen en verdund
(fig. 2).
Naar Lederer’s systeem zou Gratalis dus een nieuw genus
moeten vormen in afdeeling 89 der analytische tabel, naast
Ceratoclasis, met welk genus Gratalis echter niet vereenigd
kan worden om de geheel verschillend gevormde palpen en ook
wegens den vorm van het mannelijke achterlijf, dat bij Gra-
talis tegen het eind verdikt is (fig. 24).
Ik bezit nog eene onbeschreven soort van dit genus, van
Java (Distensalis m. i. 1.), die een eveneens gevormd achterlijf,
maar iets anders gebouwde sprieten en wat smallere palpen
heeft; terwijl eindelijk eene derde onbeschreven Pyralide (Fene-
stralis Staud. (Agrotera!) in litt.), van den Amoer, mede in
hetzelfde genus zou kunnen worden gehuisvest, hoewel het
mannelijke achterlijf gewoon gevormd is en de palpen nog smaller
zijn, indien men namelijk het getal der Pyraliden-genera niet
tot in het oneindige zou willen vermeerderen , waartoe Lederer’s
systeem anders wel aanleiding geeft.
Bonthain, Makassar. Door Mr. Piepers ook van Java gezonden.
46. Tridentalis Snell., Zijds. v. Ent. XV (1872) p. 89. pl. 7 f. 6, 7.
Twee exemplaren.
Deze wijdverbreide en gemeene soort zou strikt genomen,
134 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
eveneens (zie mijne afbeelding) in Lederer’s analytische tabel,
afdeeling 87, een nieuw genus moeten vormen, dat welligt het
best geplaatst zoude worden bij Piloerocis Lederer.
Op mine afbeelding zijn de achtervleugels aan den wortel
te licht en de voorvleugels te bruinachtig.
Makassar.
Gen. 505. EURRHYPARODES Snell.
(Tijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 215).
47. Stibialis Snell., 1. c. p. 216.—Pl. 8, fig. 3, 3a (kop) en 34
(blaas op den voorvleugel d).
Vijf exemplaren.
Van verschillende plaatsen op Celebes. Ook van Java en
Japan.
Schijnt niet zeldzaam.
Gen. 52). SAMEODES Snell.
(Tijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 215).
48. Trithyralis Snell., 1. c. p. 218.—Pl. 8, fig. 4, 4a (kop) en
4b (voorrand der voorvleugels 4’).
Samea Vespertinalis Saalmüller, Bericht Senckenb. Gesellschaft
1880 p. 301.
Verscheidene exemplaren van onderscheidene lokaliteiten.
Schijnt niet zeldzaam. De heer Saalmüller vermeldt op de aan-
gehaalde plaats niets van de generieke kenmerken.
Gen. 58. GODARA Led.
49. Comalis Guen., Delt. et Pyr. p. 368. (non Led.)
Een paar.
Lederer’s Comalis is niet die van Guenée, want deze zegt
zeer uitdrukkelijk (wat Lederer niet vermeldt en in Guenée’s
beschrijving zeker over het hoofd zag), dat zijne Comalis 4
een zeer in het oogloopend platgestreken haarbosje aan den
voorrand van de bovenzijde der voorvleugels heeft. Dit is inder-
daad zoo en dus moet het genus Godara, in de eerste plaats
50.
of.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 135
op Guenée’s Comalis gevestigd, niet in afdeeling 89 van Le-
derer’s tabel komen, maar wel in 86. Daarentegen schijnt
bij /neomalis Guen. de bovenvermelde bijzonderheid te ont-
breken. Wil men dus weder geen nieuw genus maken,
dan moet Comalis Guen. als Godara, A, in afd. 89 worden
vermeld en Zueomalis Guen. (waarschijnlijk Comalis Led.) als
pan, atd, 417.
Ader 2 der achtervleugels is bij Comalis Guen. d aan den
wortel verdikt en geknakt, bij het wijfje normaal, en beide
sexen hebben aan den binnenrand der voorvleugels een kleinen
tand van schubben, die bij Comalis Led. misschien mede ont-
breekt, daar Lederer er niet van spreekt.
Saleyer, Takalar.
Gen. 61. CNAPHALOCROCIS Led.
(Snell., Zijds. v. Ent. XV (1872) p. 91 (bij Marasmia)
en Midd. Sum. Lep. p. 65.)
A.
(Mannelijke voorvleugels met schubbenkammetjes).
Jolinalis Led., Beitr. p. 93 pl. 12 f. 7.
Vele exemplaren van alle lokaliteiten.
Schijnt ook op Celebes zeer gemeen, evenals op Java en
Sumatra. Komt ook op Amboina, het vasteland van Oost-Indie
en in Texas voor.
Rectistrigosa Snell., Zijds. v. Ent. XV (1872). p. 92, pl. 7.
ea Nn 4
Drie exemplaren.
Op mijne afbeelding in het Tijdschrift is de kleur te zwavel-
geel en moesten de streep langs den voorrandswortel en het
schubbenkammetje potloodkieurig grijs zijn, niet blaauwgrijs.
Bonthain, Makassar. Komt ook voor op Java, Sumatra en
Madagascar, alsmede in Zuid-Afrika en Texas.
52. Cicatricosa Led., Beitr. p. 94 pl. 12 f. 8 (Marasmia),
Twee wijfjes,
136 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
Van deze soort ken ik den man alleen uit Lederer’s af-
beelding. Volgens deze verschilt zij duidelijk van mijne Aeeti-
strigosa (zie aldaar). Indie schijnt overigens rijk te zijn aan
soorten van dit genus, want in 1880 zond Mr. Piepers weder
twee wijfjes eener nieuwe , vrij groote uit de bergstreken van Java.
Makassar.
B.
(Mannelijke voorvleugels zonder schubbenkammetje).
53. Sanitalis Snell., Midd. Sum. IV, 1, Lepid. p. 65.
Drie exemplaren.
De afbeelding dezer soort, die op de bij de Lepidoptera
behoorende platen in «Midden-Sumatra» moet verschijnen,
heeft op heden het licht nog niet gezien. De vlinder heeft
veel familie-trekken met de drie voorgaande gemeen. In mijne
beschrijving moeten de woorden «en de volgende, mede on-
beschreven soort» vervallen.
Makassar, Maros, Takalar.
54. Bifurcalis Snell. , Tijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 219. — PI. 8,
fig. 5 en 5a.
Een wijfje.
In 1880 zond Mr. Piepers ook eenige exemplaren van Java,
waarbij een man is. Deze heeft fijn bewimperde sprieten en
is lets slank- en langlijviger, doch verschilt overigens niet.
De palpen zijn bij Bifurcalis ongeveer als bij Rectristigosa ,
ader 8 der achtervleugels zeer kort of ontbrekende, 8—10 der
voorvleugels, evenals bij de andere soorten, gesteeld.
Eene aan Bifurcalis na verwante maar veel kleinere soort
heb ik ook van Columbie (Zuid-Amerika) leeren kennen.
Makassar. — Ook op Java en het vasteland van Indie.
Gen. 625. TABIDIA Snell.
(Tijds, v. Ent. XXIII (1880) p. 219).
DO. Insanalis Snell., 1. c. p. 220.— PI. 8, fig. 6 en 6a.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES, 137
Eenige exemplaren.
Balangnipa, Makassar, Maros.
Gen. 68. POLYTHLIPTA Led.
56. Albicaudalis Snell., Zds. v. Ent. XXIII (1880) p. 221. —
58.
BR os fier ta, ‘Ib, ene
Een gave en frissche man.
Fig. 7a vertoont het schubbenkammetje aan den staarthoek
der voorvleugels, 74 de zeer zonderling gevormde palpen, 7e de
verbreede voorscheenen. Verder ziet men op het achterlijf, aan
beide zijden van ring 3, nog eene donkerbruine, vinvormige
beharing. Deze vlinder is dus rijk aan bijzondere kenmerken,
althans de man; het (mij nog onbekende) wijfje zal, zooals
gewoonlijk bij de Pyraliden, wel eenvoudiger gebouwd zijn,
maar toch verwacht ik, dat het, wat den vorm der palpen en
de lengte der sprieten aangaat, wel met de andere sexe zal
overeenkomen.
Makassar, Java en eiland Gebek (’s Rijks Museum te Leiden).
Gen. 71. FILODES Guen., Led.
. Fulvidorsalis Hübn., Zutr. f. 643, 644. — Led. , Beitr. pl. 12 f. 7.
Een wijfje.
Bij deze soort ontbreekt inderdaad de binnenste middenspoor
der achterscheenen. Verder mist de man ader 8 der achter-
vleugels en zijn zijne voorpooten, aan de geheele binnenzijde,
van de dijen tot het eind der tarsen, met eene lange, wollige
beharing versierd, die pooten overigens tot het uiteinde der
scheenen zwartgrijs, op de tarsen vuil grijsgeel. Het aderstelsel
is bij het wijfje en ook bij den man, behoudens de vermelde
bijzonderheid, als bij Botys Led.; ader 7 der voorvleugels aan
den wortel gebogen.
Makassar.
Gen. 72. AUXOMITIA Led.
Minoralis Snell., Zijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 222 — PI. 8,
fig. 8 en 8a.
%
138 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
Drie wijfjes.
De man dezer, ook op Java voorkomende soort is mij nog
altijd onbekend. Welligt is hij geheel anders gevormd dan
het wijfje.
Takalar, Bonthain.
Gen. 754. MEROCTENA Led.
59. Staintonii Led., Beitr. p. 101 pl. 13 f. 4.
Een wijfje.
Bijpalpen klein, doch aanwezig. Sprieten bij het wijfje
normaal gevormd,
Bonthain.
Gen. 756. GYPTITIA nov. gen.
Eenige kleine afwijkingen in ligchaamsbouw bij de nu vol-
gende soort noodzaken mij op nieuw tot de vorming van een
afzonderlijk genus, welks plaats is in afdeeling 87 van Lederer’s
analytische tabel, onderaan, en dat aldus kan worden aan-
geduid :
Op de onderzijde der achtervleugels de binnenrand der mid-
dencel en ader 1e verdikt en met langere beharing. Onder aan
de binnenzijde van de sprietschaft een tandje. Gele Botyde
met vrij smalle, scherphoekige voorvleugels en breede achter-
vleugels. Sprieten fijn behaard. Bijoogen aanwezig. Palpen iets
schuin opgerigt, de helft langer dan de kop, ruim half zoo
breed als de oogen, glad beschubd, van boven regt afgesneden,
met klein, onduidelijk eindlid, half wit en donkerbruin, over
het geheel als bij Botys A, a, a, maar niet beslist snuit-
vormig. Bijpalpen klein. Zuiger lang. Achterrand der voor-
vleugels steil, iets gezwaaid. De achtervleugels hebben mede
vrij duidelijke hoeken en een tamelijk vlakken achterrand.
Aderstelsel als bij Botys. Pooten gewoon gevormd en gespoord ,
glad beschubd; ook het achterlijf heeft niets opmerkelijks.
Over het algemeen herinnert de vlinder aan Meroctena Stain-
lonii en Botyodes Asialis.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES, 139
60. Gonialis nov. spec. — PI. 8, fig. 9, 9a (kop) en 9% (achtervleugel).
Een gave man van 23 mm.
Grondkleur der bovenzijde dof saffraangeel, met licht roest-
bruine, aan den voorvleugel-voorrand donkerder dwarslijnen,
langwerpige, mede roestbruin omschreven, met de grondkleur
gevulde niervlek, en eene flaauwe, smalle, iets vlekkige, vrij
sterk geslingerde golflijn langs den geheelen achterrand. Eerste
dwarslijn der voorvleugels schuin, flaauw gebogen. Tweede
viermaal stomphoekig gebroken, tusschen de breuken iets
bogtig, op de achtervleugels eveneens, doch flaauwer. Uit de
middenvlek van laatstgenoemden loopt een geslingerd lijntje naar
den binnenrand. Golflijn aan de punt der achtervleugels met
eene grauwe vlek. Langs den geheelen achterrand loopt , even als
bij sommige soorten van Hydrocampa en Parapoynx, een don-
kerder gele zoom, die wortelwaarts door fijne bruine streepjes
is afgezet. De franjelijn is donker potloodkleurig grijs, even-
zoo de franje.
Op de bleekere onderzijde is de teekening op de voorvleugels
eveneens aangelegd als boven, maar flaauwer, daarbij paars-
achtig van tint. Pooten bleekgeel, de voor- en middenscheenen
helderwit en donkerbruin geteekend, de voor- en midden-
tarsen wit.
Makassar.
Gen. 77. DYSALLACTA Led.
61. Negatalis Led., Beitr. p. 102 pl. 13 £ 6.
Twee exemplaren.
Bonthain, Makassar. Mij ook van Java bekend.
Gen. 79. BOTYODES Guen., Led.
62. Asialis Guen., Delt. et Pyr. p. 324 (2). — Led. , Beitr. p. 103
pl. 13 £ 8 (4), pl. 5 f. 6.
Een wijfje.
Botyodes vestigialis Guen. is aan mij, evenals aan Lederer
onbekend, Flavibasalis Moore (Proc. Zool. Soc. 1867 p. 95. —
140
LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
Felder en Rogenh., Novara IL, 2 pl. 135 f 41) kan, ondanks
den afwijkenden habitus, tot Botyodes worden gebragt, maar
Ussurialis Bremer (Lep. Ost-Sibiriens p. 63 pl. 6 f. 6 (Cultralis
Staud., Millière) heeft niets met Botyodes te maken en moet
‘ een nieuw genus vormen.
65.
66.
Ik merk hierbij nog op, dat de palpen bij Asialıs (en ook
bij Flavibasalis) niet, zooals men uit Lederer’s analytische tabel
zou opmaken, chorizontal» zijn, maar wel zooals hij die bij
de beschrijving van het genus aangeeft, namelijk ckurz, am
Kopfe aufsteigend, vorne abgestumpft (beter afgerond); das
Endglied ungemein kurz und nur sehr wenig vorgeneigt, in
Form daher das Mitten zwischen Botys À, a und A, b. haltend».
Bij het (bij Lederer) voorgaande genus Condylorrhiza, zijn zij
snuitvormig, als bij Botys A, a.
Takalar.
Gen. 86. CYDALIMA Led.
3. Conchylalis Guen., Det. et Pyr. p. 303 pl. 8 f. 9.
Twee wijfjes.
Amparang.
Gen. 88. PACHYARCHES Led.
. Psittacalis Hübn., Zutr. f. 523, 524, — Guen., Delt. et Pyr.
p. 308.
Een man.
Makassar.
Vertumnalis Gnen., Delt. et Pyr. p. 309.
Twee wijfjes.
Saleyer.
Gen. 89. MARGARODES Guen., Led.
A.
(Sprietwortel niet verdikt of uitgesneden).
Glauculalis Guen., Det. et Pyr. p. 306.
Verscheidene exemplaren. Schijnt niet zeldzaam.
Alle lokaliteiten.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 141
B.
(Sprietwortel verdikt en uitgesneden).
67. Aquosalis Snell., Midd. Sum., Lep. p. 66.
Een wijfje.
De afbeelding dezer soort in het aangehaalde werk heeft het
licht nog niet gezien.
Ik ken deze soort nu van Celebes, Java en Sumatra.
Makassar.
Gen. 90. ENCHOCNEMIDIA Led.
68. Squamopedalis Guen., Delt. et Pyr. p. 309. — Led., Beitr.
p. 108 pl. 43 £12.
Drie exemplaren.
Makassar, Maros, Bonthain.
Gen. 93. PHAKELLURA Landsd. Guild., Guen.
(Phacellura Led. , Eudioptis Hübn.)
69. Indica Saunders, Trans. Ent. Soc. of London, New Ser. 1(1850—1)
p. 163 pl. 12 f. 5, 6 (rups, pop), f. 7 (vlinder).
Gazorialis Guen., Delt. et Pyr. p. 297. — Semper, Verh.
zool. bot. Ges. 1867 p. 702.
Vele exemplaren van alle lokaliteiten. Schijnt gemeen.
Bij een, overigens niet van de anderen afwijkend exemplaar ,
zijn drie in plaats van twee ringen op den rug des witten
achterlijfs bruingrijs gekleurd.
Indica is de eenige soort van het genus, die Piepers uit
Indie, ook van Java, overzond. Ik geloof naauwelijks dat
Translucidalis en Superalis Guenée (volgens dezen uit Silhet),
Aziatische soorten zijn, maar vermoed, dat zij uit Amerika,
het ware vaderland van het genus, komen. Capensis Zell,
(Mier. Caf. p. 52) verschilt welligt niet van Indica.
Gen. 95. GLYPHODES Guen., Led.
70. Jovialis Feld. en Rog. Novara II. 2 pl. 136 f. 25.
Twee exemplaren.
142
Ha”
13.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
Op de aangehaalde afbeelding zijn de palpen te spits voor-
gesteld, en er loopt uit de laatste witte vlek der voorvleugels,
bij de vleugelpunt, eene flaauwe lichte dwarslijn naar een wit-
achtig vlekje, aan den binnenrand, bij den staarthoek, dat op
diezelfde afbeelding vergeten is.
Zelleri Led. is na verwant, maar (volgens de afbeelding) zijn
de achtervleugels aan den staarthoek stomper, is hun zwarte
achterrand wortelwaarts meer rond uitgesneden en ook boven-
aan breeder.
Bantimorong.
Bivitralis Guen., Delt. et Pyr. p. 293.
Twee exemplaren.
Van dezen schoonen vlinder ware eene afbeelding zeer ge-
wenscht. Bij sommige exemplaren is de kaneelbruine grond
der voor- en de achterrand der achtervleugels dun roetbruin
bestoven, als berookt. Ik ken Bivitralis thans van Sumatra,
Java en Celebes. Guenée had haar van het vasteland van Indie.
Bantimorong , Makassar.
Diurnalis Guen., Delt. et Pyr. p. 294 pl. 5 f. 5.
Vier exemplaren.
Bij sommige exemplaren dezer mij ook van Java bekende
soort loopt de eerste witte dwarsband der voorvleugels steil en
iets verbreed in den binnenrand uit, bij andere is hij onderaan
versmald en bij eene derde varieteit vindt men op dezelfde
plaats een spits-ovale, geen der beide vleugelranden bereikende
witte vlek. De eerste is Guenée’s Diurnalis en de derde komt
mij voor te zijn Bicolor Swainson, Zool. Illustr., welke dus
de oudste naam der soort zoude zijn.
Bonthain, Makassar.
Serenalis Snell., Zijds. v. Ent. XXIII (A 880) p. 223. — PI. 8, f. 10.
Een wijfje.
De donkere achterrand der achtervleugels heeft onder het
midden eene spitse verbreeding tegen den wortel,
Balangnipa.
74.
76.
ate
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 143
Piepersialis Snell. , Midd. Sum. IN , 1 , Lep. p. 68. — PI. 8, f. 11.
Drie exemplaren.
Daar de afbeelding in het aangehaalde werk het licht nog
niet heeft gezien, geef ik er hier eene naar eene zeer fraaije
teekening, die Mr. Herman Albarda reeds lang geleden voor
mij heeft vervaardigd.
Ik heb nog eene aan Piepersialis na verwante, kleinere
soort van de Philippijnsche eilanden leeren kennen, die zich
onder meer onderscheidt door anders gevormde witte voor-
randsvlek.
Bonthain, Makassar. Van Java ken ik Piepersialis nog niet.
. Stolalis Guen., Delt. en Pyr. p. 293. pl. 3 f. 11.
Een gaaf en frisch wifje.
Op Gueneé’s afbeelding is de vorm van den vierden witten,
den binnenrand niet bereikenden dwarsband niet goed aan-
geduid. Hij heeft franjewaarts in het midden eenen tand , zooals
bij de voorgaande soort (Piepersialis). De op dezen onvolkomen
dwarsband volgende witte lijn is bij mijn Celebaansch wijfje
in het midden niet verdund, zooals op Guenée’s afbeelding,
doch dit schijnt te variëren, even als de breedte van den
onvolkomen dwarsband en ook de grondkleur der voorvleugels,
want de bedoelde dwarslijn is bij een Javaansch voorwerp tot
een voorrandsvlekje en een smal lijntje op den binnenrand
beperkt; de witte band is bij dat voorwerp even breed als
bij Guenée, de helft smaller dan bij het stuk van Celebes en
de grondkleur donkerder, zonder merkbare inmenging van geel.
Maros.
Nyctealis Snell. , Midd. Sum. IV. 1 Lep. p. 68.
Een gaaf wijfje.
Ook van deze soort heeft de afbeelding het licht nog niet
gezien.
Balangnipa.
Crameralis Snell., Midd. Sum. IV. 4 Lep. p. 69.
: R
Twee exemplaren.
144 LEPIDOPTERA VAN CELEBES:
De beschrijving is op de aangehaalde plaats naar deze Cele-
baansche voorwerpen gemaakt. Zij zijn iets bleeker geel en op de
voorvleugels tusschen de lichte vlekken minder donker bestoven
dan de Sumatraansche. Een onlangs ontvangen voorwerp van
Java komt met laatstgenoemde overeen.
Takalar.
78. Sexpunctalis Moore, Proc. Zool. Soc. of London, 1877 p. 616,
pl. 60, f. 12 (Oligostigma). — PI. 8, fig. 12.
Lomaspilalis Snell., Tijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 223.
Drie exemplaren.
Sexpunctalis heeft met de vlinders van het genus Oligostigma
slechts eene oppervlakkige overeenkomst, maar behoort er naar
de vleugeladeren, palpen, sprieten en pooten volstrekt niet toe.
Hoewel ook in het genus G/yphodes wat vreemdsoortig, kan
men haar toch moeijelijk elders huisvesten.
Saleijer.
(Wordt vervolgd).
0. TASCHENBERG, DIE MALLOPHAGEN MIT BESONDERER
BERUCKSICHTIGUNG DER VON Dr. MEYER GESAMMELTEN ARTEN
SYSTEMATISCH BEARBEITET. MIT 7 TAFELN. HALLE 1882. :)
Dans l’Essai monographique sur les Pédiculines publié en 1880,
je me proposais avant tout d'attirer l’attention des Entomologues
sur un groupe d'insectes fort négligé jusqu'ici, et j'indiquais
combien il restait à faire sur ce terrain. En effet, outre les
inexactitudes à corriger et les erreurs pour ainsi dire inhérentes
à tout travail de ce genre, il restait de grandes lacunes à remplir,
savoir un nombre considérable d'espèces à décrire, soit celles qui
se trouvent dans diverses collections particulières ou dans les
muséums de Londres, de Halle, de Berlin, de Hambourg, etc.
que je n’avais pas eu occasion d'examiner; soit les nouvelles
espèces qui se découvrent au fur et à mesure. Cest une satisfac-
tion pour moi de n’avoir pas prêché dans le désert. La curio-
sité, l’attention une fois éveillée, les résultats ne devaient pas
se faire attendre longtemps. Sans parler de plusieurs articles de
revues, je puis déjà signaler pour l’année 1882 seulement la très
intéressante dissertation inaugurale du Dr. O. Stroebelt sur l’ana-
tomie et la physiologie de /’Haematopinus tenuirostris Burm. et
surtout l’ouvrage du Dr. Taschenberg qui fait le sujet de cet article.
Il y avait à craindre pour moi que ces ouvrages, le dernier sur-
1) Publié dans les Nova acta der K. Leop.-Carol.-Deutschen Akademie der
Naturförscher. Band XLIV ne. 1,
10
146 O. TASCHENBERG, DIE MALLOPHAGEN.
tout, ne fussent écrits sans relation avec le mien, indépendamment
de ce que j'avais tenté, et qu’ainsi le travail que j'avais commenté,
ne fût ni continué, ni complété. On comprendra donc, sans que
j'insiste davantage, quelle agréable surprise j’éprouve en voyant se
réaliser ce que j'avais si vivement désiré, M. Taschenberg reprendre
mon travail où je l'avais laissé et le poursuivre d’une manière si
utile et si pratique. Aussi ai-je hâte d’en faire connaitre en détail
tous les mérites.
L'ouvrage de M. Taschenberg renferme une revision critique des
genres de Mallophages: Goniodes, Goniocotes, Lipeurus, Akidoproctus,
Ornithobius et Trichodectes, et permet d’esperer pour plus tard
examen des autres genres. Le succès sera, je n'en doute pas, un
encouragement suffisant. D’après des indications et des descriptions
inexactes et incomplètes, j'avais hasardé quelques conjectures sur
la similarité de mes espèces avec celles des auteurs qui m’avaient
précédé: Denny, Rudow et Giebel. Le Dr. Taschenberg ayant sous
les yeux diverses collections, celle de Halle surtout, qui me faisaient
défaut, a pu par une comparaison attentive décider ce qu'il y
avait de juste ou d’inexact dans ces conjectures, tantôt confirmant
ce que j'avais avancé sur différentes espèces qui me paraissaient
celles de Rudow et de Giebel, tantôt corrigeant ce que j'avais
hasardé, remettant chaque espèce à sa*vraie place et faisant ainsi
disparaitre toute confusion. Je citerai de ce dernier cas un exemple
qui prouvera combien le travail de l’auteur était nécessaire après
le mien. C'est par rapport au Goniocotes asterocephalus Nitzsch.
La description que Giebel avait donnée de cet insecte était si
vague que j'avais cru l’assimiler à une espèce découverte sur le
même Amphytrion; et j'avais naturellement conservé le nom.
Taschenberg en comparant mes exemplaires avec ceux que Giebel
avait eus sous les yeux, a reconnu que mon asterocephalus était
une nouvelle espèce pour laquelle il propose le nom de gracilis;
tandis que l’asterocephalus de Nitzsch correspond à mon Goniodes
elongatus. La seconde erreur, qui est générique, provient de ce que
je n’avais pas vu de mâle de cette espèce et que le mâle est in-
dispensable pour distinguer les deux genres.
O. TASCHENBERG, DIE MALLOPHAGEN. 147
C’est ainsi encore, pour m'en tenir au genre Goniodes, qu'il a
pu compléter la description que j'avais donnée du Goniodes conglo-
meratus, en ajoutant celle du mâle et en le séparant ainsi du
lipogonus de Nitzsch. A la vue des exemplaires mâles qui m’avaient
manqué, il a pu replacer mon Goniocotes latus parmi les Goniodes, —
assimiler mon Goniodes bicuspidatus avec le spinicornis Nitzsch, —
mon Goniodes laevis avec le Goniocotes coronatus Gieb., — mon
Goniodes longipes avec le bicolor Nitzsch, où l'abdomen du mâle
n’est pas arrondi, mais se termine par deux pointes chitineuses.
Ces exemples prouvent éloquemment avec quel soin, quelle
patience l’auteur a revu et comparé ce qui avait été fait avant lui.
Et ce n’est encore qu’une petite partie de son travail. Taschen-
berg ne s’est pas borné à une simple critique: il s’est aussi efforcé
d'améliorer la classification.
Il y a entre les nombreuses espèces qui composent le genre
Goniodes des différences et des ressemblances communes qui sem-
blent autoriser l'établissement de sous-genres; el je suis d'autant
plus disposé à admettre cette subdivision, que je l’avais déja indi-
quée dans mon tableau dichotomique, quoique sans noms spéciaux.
Taschenberg propose le nom de Strougylocotes pour les espèces à
tempes arrondies, sans appendice au troisième article de l’antenne
mâle, — celui de //opaloceras pour celles à tempes déjetées, à
antennes également sans appendice, mais diminuant de grosseur
du premier au cinquième article, — enfin celui de Coloceras pour
les quelques espèces dont l’antenne mâle est comme tronquée; les
deux derniers articles racourcis étant implantés sur le bord un peu
échancré du troisième article.
Dans le genre Zipeurus figurent aussi un petit nombre d’espéces
que je regarde comme génériquement distinctes. Taschenberg a
pour ces espèces créé deux genres: le genre Murgmetopus pour
celles qui, comme Zipeurus taurus, rappellent les Docophorus par
la forme du corps, — et le genre Bothriometopus pour celles qui,
comme le Lipeurus macrocnemis, semblent former une transition au
genre dkidoproctus, — ou mieux encore, ce me semble, au genre
Ornithobius
148 O. TASCHENBERG, DIE MALLOPHAGEN.
Quant aux espèces, Taschenberg, avec les matériaux qui lui ont
été fournis de divers côtés, a pu en décrire un certain nombre de
nouvelles; mais il paraît s’étre astreint à recommencer le travail
de Rudow et de Giebel pour celles de leurs espèces qui m’avaient
manqué dans mon travail, autant du moins que le permettait
l’état dans lequel les collections se trouvaient. Il a comblé ainsi la
grande lacune que j'avais laissée dans mon «Essai». Pour unifier
plus intimement ses recherches aux miennes, il a suivi la même
méthode que moi dans la description et dans les dessins qui accom-
pagnent ses descriptions. J’ajouterai que les figures très-détaillées
permettent de suivre les particularités du texte avec la plus grande
facilité. Peut-être son lithographe aurait-il par fois pu donner plus
de volume et de rondeur aux figures et éviter ainsi, comme dans
le Trichodectes setosus (pl. VII f. 6), l'apparence d’une série de
planches clouées en paroi.
Pour faciliter l'étude et les recherches, Taschenberg a ajouté à
chaque genre un tableau dichotomique basé sur les miens, mais
étendu et modifié pour y faire rentrer les espèces qui manquaient
à mon ouvrage; il a même ajouté au genre Goniodes une liste
nouvelle selon les sexes, grâce à laquelle il sera possible de dis-
tinguer dans beaucoup de cas les femelles de ce genre d’avec celles
du genre Gomiocotes; ce qui n'est pas toujours facile.
Une simple liste des espèces nouvelles ou plus complètement
décrites fera mieux que toute autre recommandation, reconnaître
l’importance des recherches de M. Taschenberg.
Goniodes mieux décrits :
Goniodes mamillatus Rud. . . . sur une Ortye Californica ,
» curvicornis Nitzsch. . . . » » Argus gigantea,
» evimius Rud. . . . . . » » Oreophasis Derbyana,
» (Coloceras) menadensis 3 Piag. » » Macropygia Reinwardti,
» (Rhopaloceras) aliceps Nitzsch. » » Crypturus macrurus,
» (Strongylocotus) agonus Nitzsch. » » » tao ,
nouveaux :
» (Strongylocotus) coniceps Tasch. » » Tinamus variegatus,
>. parvulus: Tasch.ys 42 e Varde Dei op » robustus.
O. TASCHENBERG, DIE MALLOPHAGEN. 149
Goniocotes mieux décrits :
Goniocotes isogenos Nitzsch. .
»
»
»
»
»
»
»
asterocephalus Nitzsch.
haplogonus Nitzsch. .
Jissus Rud. . . .
curtus Nitzsch. . .
rotundatus Rud. .
Carpophagae Rud.
flavus Bud... . » .
nouveaux :
.
.
discogaster Tasch. . .
macrocephalus Tasch. .
guttatus Tasch.. . .
verrucosus & Tasch.
procerus 9 Tasch.
affinis Tasch.
Lipeurus mieux décrits :
Lipeurus ternatus Nitzsch.
»
»
»
strepsiceros Nitzsch.
longiceps Rud. (non Piag.)
luridus Nitzsch . .
loculator Gieb. .
raphidius Nitzsch
melanocnemis Gieb.
Falcicornis Gieb.
docophorus Gieb.
‚foedus Nitzsch . .
Merde Geh Te
toxoceras Gieb. .
clypeatus Gieb. .
Jorficulatus Nitzsch. .
crenatus Gieb. . . .
quadrinus Nitzsch .
helvolus Nitzsch. . .
sur une Perdix afra,
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
»
Coturnix communis,
Lophophorus impeyanus ,
Talegallus Lathami,
Opisthocomus cristatus,
Tinamus rufescens,
Carpophaga perspicillata,
Phaps chatcoptera.
Megapodius Freyeineti,
Talegallus Latham,
Penelope crinita,
Tinamus variegatus,
Henicophaps albifrons,
Carpophaga rufigastra.
Sarcorhamphus papa,
Psittacus erithacus ,
Carpophaga
(diverses espéces),
Fulica atra,
Tantalus loeulator,
Ibis falcinellus,
Procellaria gigantea,
Centropus Merbeki,
Buceros abyssinicus ,
Psophia crepitans ,
Diomedea exulans ,
Halieus carbo ,
Pachyptila coerulea,
Pelecanus onocrotalus ,
Tachypetes leucocephalus,
Crax carunculata ,
Scolopax rusticola,
150 O. TASCHENBERG, DIE MALLOPHAGEN,
Lipeurus (Bothriometopus) macro-
enemis Nitzsch. . . . . . sur une Palamedea cornuta.
nouveaux :
» fortis Tasch, . . . . . » >» Otidiphaps nobilis,
» testaceus Tasch. |
» » Procellaria capensis.
> nGurltt Fasten) Ger ss
» lugubris Tasch.. . . . . » >» Sula fiber,
» fuliginosus Tasch. . . . . » >» Diomedea exulans,
» Burmeister, Tasch.. - . » » Zophophorus impeyanus,
» ischnocephalus Tasch. . . . » » Talegallus Latham,
pra Moyars Tasche 300 EE DE » fuscirostris,
» oæycephalus Tasch.. . . . » >» Megapodius Freycinet,
peat Dasch laces oii. ee) » LRemwardti.
mieux décrits :
Ornithobius hexophthalmus Nitzsch. » » Nyctea nivea,
Akidoproctus stenopygos Nitzsch. . » » Anas rufina,
Trichodectes pinguis Nitzsch. . . » » Ursus arctos,
» vulpis Denny. . . . . . >» » Canis vulpes,
» setosus Gieb.. . . . . . » » Erithizon dorsatum,
» mexicanus Rud. . . . . » » Cercolabes mexicanus ,
> breviceps Rud. . … . . . » » Auchenia lama,
» longicornis Nitzsch. . . . » » Cervus elaphus,
» cornutus Gervais. . . . . » >» Antilope dorcas,
» diacanthus Ehrb. . . . . » =» Hyrax syriacus.
nouveaux :
Trichodectes peregrinus 9 Tasch. . » » Mycteria erumenifera,
» Meyers 9 Tasch. . . . . » » 2 Antilope.
Il va sans dire que, n’ayant pas dans ma collection des repré-
sentants de ces différentes espèces, je m’abstiens de toute critique.
Cependant il est un point sur lequel je ne crois pas encore devoir
adopter la manière de voir de l’auteur; c’est à propos des plaques
chitineuses du Goniodes excavatus. Taschenberg regarde ces plaques
comme le premier segment abdominal; mais alors je ne m’expli-
querais pas la présence d’une suture au milieu du second segment
O. TASCHENBERG, DIE MALLOPHAGEN. 151
(voy. Essai monogr. pl. XXIII f. 4). Je n’ai d’ailleurs jamais ren-
contré un segment abdominal entièrement chitineux et ne se con-
tinuant pas à la face ventrale. De plus dans la supposition de
Taschenberg son Goniodes (Strongylocotes) agonus compterait ainsi
neuf segments; les derniers étant, il est vrai, sans suture distincte
entr’eux, mais nettement séparés par un étranglement.
Dans aucun des Ornithobius bucephalus que je possède je n’ai
trouvé de crochets isolés du clypéus. Il ne faudrait donc pas faire
un caractère générique de la présence de ces crochets dans les
autres espèces. — Le Lipeurus ferox, sans doute une espèce gigan-
tesque, n’est pas la plus grande Pédiculine connue (p. 145); le
Laemobothrium Titan 2 dépasse un centimètre. — Il y a par rap-
port au Goniocotes curtus Nitzsch une contradiction entre la figure
et le texte (p. 92 et f. 13, 13a pl. II). Le texte donne la largeur
de l’abdomen comme égale dans les deux sexes (0.63); tandisque,
selon la figure, l’abdomen de la femelle l'emporte distinctement
sur celui du mâle; ce qui du reste arrive ordinairement chez les
Pédiculines. — Dans la figure 114 pl. IV l’abdomen 2 me parait
trop large, comparativement à la mesure donnée dans le texte, —
Le Trichodectes cornutus male est plus long et même plus large,
sauf au thorax, que la femelle; on se demande involontairement
si l’exemplaire 2 dont Taschenberg s’est servi dans sa description,
était bien complètement développé,
J'espère que l’auteur ne verra dans ces petites observations qui
ne diminuent en rien la valeur de son exellent travail, qu’une
preuve de l'attention avec laquelle je l’ai étudié et du désir d'en
voir disparaitre la moindre tache.
E. PIAGET.
QUELQUES PÉDICULINES
NOUVELLES OU PEU CONNUES,
PAR
E. PIAGET.
Ancistrona Westw.
Ge genre, fondé par M. Westwood, est caractérisé pour la téte
par les deux appendices bipartites situés en arrière de la cavité
bucale, par de petites mandibules bidenticulées en avant de la
téte, par des antennes retirées habituellement dans une poche
latérale; pour le thorax par un développement considérable du
prothorax; pour les pattes par un prolongement appendiculaire du
coxis antérieur. Du reste il se rapproche du genre Menopon de Nitzsch.
Ancistrona gigas n. sp. PI. 9 fig. 1.
La tête en ménisque, beaucoup plus large que longue, nue en
avant, se termine en une petite pointe, avec une bande étroite
qui n’est pas parallèle au bord antérieur; les sinus à peine indiqués
par une légère coloration, avec une fine soie; la tempe déjetée,
à angle arrondi, pourvu de fortes soies; l’occiput rentrant, avec
une bande étroite en dessus, bordé de quelques soies, se confond
avec le prothorax en dessous (fig. 14). A la face inférieure une
large cavité bucale, avec un bord corné qui se prolonge en arrière
jusqu’au prothorax; deux forts appendices bipartites cornés et
noirâtres, avec un poil antérieur; les mandibules petites, bidenti-
culées, avec une soie; les palpes 4-articulées trés-courtes; les an-
tennes, trés-difficiles à distinguer, sont .2ntrées dans une poche
latérale en avant des bandes antennales, implantées sur une bande
de
Piaget del.
am“
BR’ nme Han
Pediculines,
“
FL 9.
AJW. sculps
QUELQUES PEDICULINES. 153
angulaire et en apparence composées de quatre articles, dont le
second est plus développé que les autres.
Le thorax beaucoup plus long que la tête et presque aussi large ;
le prothorax considérablement développé, renflé latéralement, arrondi
en arrière et bordé de longues soies implantées sur des pustules
incolores, avec une échancrure arrondie en arrière; deux bandes
longitudinales qui séparent les renflements latéraux, une bande
transverse et un léger sillon médian; le métathorax relativement
court, droit sur l’abdomen, bordé de soies au bord postérieur et
aux angles arrondis, avec une petite tache médiane trapézoidale ,
deux petites bandes obliques et une large bande transverse. A la
face sternale une petite bande ondulée entre les deux coxis anté-
rieurs, avec deux minces prolongements longitudinaux; une large
tache médiane au métasternum bordée de soies et deux petites
bandes en crochet en avant des coxis postérieurs (fig. 14).
Les pattes longues et poilues; les coxis antérieurs très-rapprochés
avec un long appendice soyeux, étranglé et recourbé au milieu,
terminé en pointe; les coxis moyens plus écartés à leur insertion,
étranglés et recourbés en avant, avec une série de poils; les pos-
térieurs encore plus écartés, renflés au milieu; les trochanters
courts et cylindriques; les fémurs moyens et postérieurs renflés à
l'épaule, avec deux rangées de longs poils au bord antérieur; les
tibias recourbés et en massue, un peu rétrécis à l'extrémité pos-
térieure, avec une série de soies dont deux plus longues que les
autres et deux à trois longs pouces; les tarses brarticulés, le pre-
mier article court, avec une petite palette aiguë , le second recourbé,
arrondi et long avec deux petites palettes sous les onglets qui sont
longs et très-recourbés (fig. 14). Les pattes antérieures relativement
courtes et massives; le fémur arrondi, poilu, le tibia court et
arrondi d’un côté.
L’abdomen ovale-allongé, épais, à angles antérieurs saillants,
arrondis à partir du quatrième segment; les huit premiers segments
avec une bande transverse bordée de soies; la première bande avec
un espace médian incolore; les stigmates distincts; le neuvième
segment arrondi, terminé par une ouverture droite bordée de fins
154 QUELQUES PÉDICULINES
poils; les angles portent deux à trois longues soies. A la face ven-
trale les bandes transverses n’atteignent pas le bord et sont d’inégale
largeur; la première la plus large est trapézoidale (fig. a); les
soies des bandes sont implantées sur des pustules incolores; celles
de la huitième bande très-serrées et implantées irrégulièrement.
La teinte du fond est pale, un peu plus foncée a la tête; les
bandes de l’abdomen sont d’un brun foncé, celles du thorax noiratres.
Les dimensions sont considérables : longueur totale 6 mm.
longueur 9 largeur 2
tölten sven nt sa OSS RO
prothorgmet naer 4400 adi io
zaétathoram:es.: 4410. 0h deme! dead
abdomen sts board ar: tO
Se fémur = x 10:86
Serbia iene 107080
dentaria see)
Je ne connais pas le màle et je dois la femelle que je possède
à la bienveillance de M. Swierstra qui l’a recueillie sur une Pro-
cellaria provenant de la deuxième expédition du Willem Barendts
au pôle nord. L’espèce se rapproche génériquement de /’ A. Procel-
lariae de M. Westwood !), mais en diffère spécifiquement, surtout
par les dimensions. Seulement la description donnée par le savant
entomologue est trop sommaire pour permettre une comparaison
détaillée.
Docophorus bisignatus Nitzsch (Giebel p. 106 pl. IX f. 9). PI. 9 fig. 2.
La tête presqu’aussi longue que large occupe près du tiers de
la longueur totale, presque nue, sauf quelques poils en avant
(Giebel note trois soies aux tempes). Le clypéus à bords parallèles
se rétrécit en avant et offre une échancrure angulaire assez pro-
fonde; les trabécules médiocres et droites; le dernier article de
l'antenne plus long que le troisième et que le quatrième; Poeil
saillant, avec un poil; la tempe arrondie; l’occiput légèrement
1) Thesaurus entomologicus oxoniensis p. 197 pl. 37 f. 4 a—e, 1874.
NOUVELLES OU PEU CONNUES. 155
saillant; les bandes occipitales s’enfoncent à mi-chemin et ne sont
visibles que sur la moitié postérieure de leur parcours, les anten-
nales courtes et arquées se rejoignent en avant par une bande trans-
verse; les deux signatures un peu étranglées en avant paraissent
finement guiliochées et atteignent la bande transverse par leur
extrémité postérieure; les mandibules fortes et longues.
Le prothorax trapézoide et nu rentre un peu dans la tête et
porte latéralement deux bandes recourbées à angle droit; le méta-
thorax arrondi et un peu saillant sur abdomen, avec une bande
latérale, recourbée en avant et en arrière et quelques épines aux
angles. Les pattes courtes et massives; le tibia avec deux fines
soies extérieures, quelques épines internes et deux pouces assez forts.
L’abdomen ovale, à angles peu saillants; les bandes latérales
recourbées en arrière, rentrent par une tête arrondie dans le seg-
ment antérieur; le premier segment porte une bande transverse
arquée, plus foncée que les autres taches, les sept suivants avec
une tache triangulaire qui n’atteind pas le bord et quelques poils
trés-caducs; le neuvième segment arrondi, avec une tache ondulée,
forme une saillie peu proéminente en arrière; les derniers segments
seuls avec une ou deux courtes soies aux angles; les stigmates
difficilement visibles dans l’espace incolore entre les bandes latérales et
les taches. A la face ventrale les septième et huitième segments portent
deux taches transverses. Je n’ai pas pu découvrir la valvule génitale.
Le fond est blanchatre, la tête et les taches brunes, les bandes
brun-foncé, les pattes pâles.
Dimensions : longueur totale 2.6 à 2.7 mm.
longueur 2 largeur 9
étain, OESO rt sar dyin » 2p O82,
PROPER a Lala epe B erat 069
dome lan) dl 440
3° fémur …… „0.23
RE AW oa cot cut: 0:95
antenne. . . . 0.26
Sur une Ibis falcinellus (Giebel), aussi, probablement comme
déserteur, sur une Stace macao. Si, comme je le crois, notre
156 QUELQUES PEDICULINES
espèce est la même que celle de Nitzsch, la figure de Giebel n’est
pas exacte surtout quant à l’échancrure de la tête et quant aux
pattes qui sont trop maigres et le trochanter trop long. Je n’ai
pas retrouvé les pustules du thorax et des taches abdominales dont
parle le même auteur.
Nirmus semiannulatus n. sp. Pl. 9 fig. 8.
La tête aussi large que longue, arrondie et tronquée en avant,
sans suture distincte pour le clypéus et avec 8 à 10 fins poils;
les trabécules très-petites et aiguës, l’oeil à peine saillant, avec un
poil; la tempe arrondie, bordée de noir, avec une soie et une
épine; l’occiput rentrant, avec une signature triangulaire; les
bandes antennales seules distinctes, ondulées au bord interne,
s’amincissent insensiblement avant d’atteindre l’angle de la trun-
cature; la signature incolore séparée du bord antérieur; les
mandibules petites; les antennes incolores, le dernier article avec
de longs poils.
Le prothorax à peine plus petit que le métathorax, quadrangu-
laire, rentrant sous l’occiput, avec deux bandes latérales incolores;
une soie à langle; le métathorax pentagonal, bordé de quelques
soies et à langle, aigu sur abdomen, avec deux petites bandes de
chaque côté. A la face sternale les coxis de la première paire sont
plus rapprochés entr’eux que les suivants; une faible bande parallèle
aux coxis de la seconde paire. Les pattes courtes, le fémur et le
tibia avec un poil et un demi-anneau plus foncé au tibia.
L'abdomen ovale-allongé à angles arrondis, avec deux à trois
soies à partir du troisième; les sept premiers segments à peu près
égaux en largeur, avec une bande légèrement recourbée aux deux
extrémités et s’arrétant à la suture, une tache médiane subqua-
drangulaire mieux limitée à la face ventrale et quatre soies par
segment, les deux médianes plus rapprochées entr’elles; le huitième
segment plus étroit porte une tache échancrée qui n’atteint pas
les côtés; le neuvième bilobé. A la face ventrale une tache génitale
flanquée de deux fines bandes longitudinales arquées; la vulve en
arc de cercle, avec une légère tache parallèle (fig. 34).
NOUVELLES OU PEU CONNUES. 157
Le fond est blanchâtre; la tête et le thorax jaunatres, les taches
jaune-brun, les bandes noiràtres.
Dimensions : longueur totale 1.55 mm.
longueur 2 largeur 2
KELE RA el 4 ter ORO vra rn dink OA
ERO NS te HORDES A aa O28
DOME MP nr kU) Lu te 097
98 fämurn ose OU
Dia et 7.008012
antenne’: 6042
Sur une Barita leuconota. Je ne connais pas le mâle, la femelle
se rapproche à beaucoup d’égards de celle du N. quadrulatus Nitzsch.
Goniocotes latifasciatus n. sp. Pl. 9 fig. 4.
La téte est plus longue que large, massive, presque aussi large
à l’angle du sinus antennal qu’à la tempe, avec quelques fins poils
en avant; les antennes ordinaires; l’oeil saillant, rejeté en arrière;
la tempe angulairement arrondie, avec deux longues soies; l’occiput
rentrant et arrondi, biangulaire; les bandes occipitales ne sont dis-
tinctes que vers l’origine; le bord de la tempe s’arrête à l'oeil,
diversement recourbé; les bandes oculaires distinctes; les antennales
renflées au milieu de leur parcours se confondent en avant avec
le bord antérieur de la téte, qui est interrompu par cinq encoches
pour l’insertion des poils; les mandibules sont minces, avec une
bande semi-circulaire en avant, concentrique avec celle qui forme
le bord de la cavité bucale.
Le prothorax trapézoide, avec deux fortes bandes latérales qui
ne sont pas parallèles au bord et rentrent en arrière dans le seg-
ment suivant où elles entourent partiellement les coxis de la seconde
paire; le métathorax saillant par un prolongement arrondi sur
l'abdomen, nu, transparent, avec une large bande laterale qui
s'arréte en partie avant d'atteindre le bord postérieur et pénètre
pour l’autre partie dans l’abdomen. Les pattes assez longues, à peu
près nues; les coxis implantés au bord du thorax; les fémurs des
deux paires postérieures avec une forte bande au còté externe; les
158 QUELQUES PEDICULINES. —
tibias maigres, avec deux épines au côté interne, deux pouces
distincts et une forte bande externe; les tarses courts avec deux
onglets de moyenne grosseur.
L’abdomen !) ovale-allongé, le plus large au quatrième segment,
nu, à angles à peine saillants, avec un poil; les segments d’iné-
gale longueur, le premier le plus long, le septième le plus étroit,
le dernier (8e et 9e) bilobé, à lobes très-écartés; les taches des
segments très-faibles de teinte, sont interrompues sur les segments
moyens et transverses sur le premier.et le septième; les bandes
latérales foncées, très-larges, rentrent par une forte tête dans
le segment antérieur et envoient à l’intérieur un appendice de plus
en plus long, au dessous duquel on aperçoit le stigmate et une
fine bande linéaire.
Le fond est blanchâtre; la tête, les pattes et les taches abdo-
minales jaunatres, les bandes brun-foncé.
Dimensions : longueur totale 2.4 à 2.5 mm.
longueur 9 largeur 2
tte) OO Roe SE
thora HER Ds OD kern AGD)
abdomen: st ONE
3° femur FQ 2032
de tibiae 032
antenne. +: . . 0.30
Sur un Cinclosoma bicolor. Je ne connais pas le mâle; mais je
n'hésite pas à ranger la femelle parmi les Goniocotes, tout à côté
du G. asterocephalus Nitzsch ou de celui que, faute d’avoir vu le
mâle, j'avais baptisé du nom de Goniodes elongatus (Pédiculines
p. 281). C’est à l’excellent ouvrage de M. le Docteur O. Taschen-
berg (Die Mallophagen) que je dois de pouvoir faire cette impor-
tante correction.
1 r Di LA . .
1) C’est par erreur que la figure ne représente que sept segments; il devrait
y en avoir huit distincts
A.J.W. sculps.
1-6 Weyenb. a-h v.d.W. del
Fig.1-6 Zuid-Amerikaansche Ephemeriden.
„ a-h Europeesche Tipulae.
x
BIJDRAGE TOT DE KENNIS
DER
ZUID-AMERIKAANSCHE EPHEMERIDEN,
DOOR
Prof. H. WEYENBERGH
te Cordova (Argentijnsche republiek).
Daar mij geene beschrijvingen van Zuid-Amerikaansche Epheme-
riden bekend zijn, kan ik zonder historische of litterarische uit-
weidingen dadelijk tot de beschrijving overgaan der soorten, die
mij tot heden onder de oogen gekomen zijn, voor de hier vermelde
geslachten verwijzende naar Burmeister’s Handbuch der Entomologie
II. 2. p. 796. vlg.
‘Ephemera Wappaei m.
De oogen zijn klein, bruinzwart; de kleine kop is licht geelachtig
bruin; het pronotum is blazig opgezet en iets donkerder, hoewel
het ook in de geelachtig bruine tint blijft; het mesonotum is breed,
gewelfd en geel van kleur in versche voorwerpen, geelbruin in
gedroogde voorwerpen. De achterrand van het pronotum is eenigszins
als gezoomd, bijna als een kraag tegen het mesonotum aanliggend,
terwijl het metanotum klein is, naar achteren versmald en vaak
iets donkerder van kleur.
Het achterlijf is grauwachtig geel, naar het uiteinde allengs don-
kerder, soms tot zwart toe. De onderzijde des lichaams is geheel
geelgrauw. De pooten zijn geel of grauwgeel. De twee aanhangsels
160 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
aan het achterlijf zijn zeer bleek, en hetzelfde geldt van de sprie-
ten, terwijl de palpen donkerder zijn. De middelste staartdraad is
tot een driehoekig puntje gereduceerd. De vleugels zijn helder,
maar niet zoo kristallijn als wel bij andere soorten uet geval is.
De voorrand is bruinachtig grauw, omdat de beide eerste langs-
aderen, die dicht neven dien rand loopen, die kleur vertoonen.
Omtrent het verloop der vleugeladeren kan ik volstaan met naar
mijne afbeelding (Pl. 10 fig. 1) te verwijzen. De achtervleugels,
hoewel niet zoo groot en minder puntig dan de voorvleugels, maar
meer ovaal van vorm, vertoonen daar waar zij met de voorvleugels
in aanraking komen, een bijna ondoorzichtigen stootkant.
Tenzij in het meer of min donkere achterlijfseinde, heb ik in
de kleur geen sexueel verschil kunnen bespeuren.
De breedste plaats van het notum is bijna 4 mill.; de vlucht
bij volkomen uitbreiding der vleugels 40 mill., zoodat de grootste
afmeting van elken voorvleugel 18 mill. is. De grootste breedte
der voorvleugels is 9 mill. De lengte der achtervleugels is 7 mill.
en de lengte van het lichaam 13 mill., of iets minder. De lengte
der staartdraden is 40 à 43 mill.
Vindplaats : Cordova.
Ik benoem deze soort naar den te vroeg ontslapen Staatsraad
Prof. Dr. J. E. Wappaeus, van de universiteit te Göttingen, die
zooveel heeft bijgedragen tot de kennis van Argentina in Europa,
en zoo krachtig heeft medegewerkt aan de overwinning van hen,
die in 1874 den strijd voor de vrijheid der wetenschap aan de
universiteit te Cordova streden.
Het lust mij in de volgende soorten de namen van allen te ver-
zamelen, die in dien strijd aan onze zijde hebben medegestreden.
‘Ephemera Holmbergii m.
De vleugels komen vrij wel met die der vorige soort overeen,
maar zijn iets kleiner en vertoonen kleine afwijkingen in de plaatsing
der dwarsaderen. De oogen en kop zijn grooter en zwart, vooral
de voorhoofdsruimte tusschen de oogen is zeer donker.
ZUID-AMERIKAANSCHE EPHEMERIDEN. 161
De pooten en sprieten zijn donkergrauw , eenigszins sepiakleurig ;
min of meer dezelfde kleur vertoont de geheele rugzijde van den
thorax en het abdomen, echter met vuilgeel afgezet, zoodat die
algemeene vrij donkere kleur meer bepaald van de donkere teeke-
ning afhangt, d. w. z. van de donkere vlekken. Deze teekening
is de volgende: een zwart, bijna volkomen rond bandje om den
hals, twee vrij groote, eenigszins vierkante vlekken op het prono-
tum, twee langsstrepen op het mesonotum, die zich op het meta-
notum voortzetten en daar door een’ dwarsband vereenigd zijn,
en het begin van eene derde (middel-)langslijn op het pronotum.
Van het begin der beide eerstgenoemde dwarslijnen neemt, aan
de zijden van den thorax, eene schuin naar achteren en onderen
zich uitstrekkende lijn haren oorsprong, daar ter plaatse dus een’
hoek vormend. Deze lijn bevindt zich dus boven de vleugels. Aan
het metanotum ziet men ongeveer hetzelfde in tegenovergestelde
richting, zelfs schijnt het soms dat beide zich vereenigen en zoo
eene eenigszins boogvormige lijn op de zijden vormen. Op den ach-
terrand van het metanotum staan twee zwarte punten, wier zwart
eenigszins samenvloeit en die zich min of meer knobbelachtig voor-
doen; vóór deze staan nog vier dergelijke knobbelachtige zwarte pun-
ten, wier zwart ook eenigszins samenvloeit tot eene min of meer
gebogen lijn.
Op het eerste achterlijfs-segment staat eene langwerpige, smalle
vlek terweérszijde van de middellijn, eenigszins aan de zijden; op
het volgende segment ziet men daarvan ook nog een spoor, maar
dan verdwijnt het, terwijl op het vierde en vijfde segment zich een
vlekje begint te vertoonen op de rugvlakte. Op de volgende seg-
menten wordt dit vlekje allengs grooter en tegelijkertijd naderen zij
elkander meer op de middellijn, en op het vijfde en zesde seg-
ment (van achteren af tellend) versmelten zij reeds geheel, zoodat
aldaar de geheele rugzijde eene grauwzwarte kleur heeft, terwijl
alleen de zijden en het geheele laatste segment geelachtig van kleur
blijven. De onderzijde is ook geheel bleekgeel.
De staartdraden komen vrij wel met die der vorige soort over-
een, ınaar zijn, als ik mi wel herinner, niet zoo lang. Op het
11
162 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
oogenblik kan ik ze niet meten, daar zij in mijne exemplaren zijn
afgebroken. Lengte des lichaams 12 mill.
Deze soort is zeldzaam; ik vond haar alleen in Buenos Aires.
Zij is gewijd aan mijn’ vriend Dr. E. L. Baron von Holmberg,
Argentijner van Oostenrijksche afkomst, arts te Buenos Aires en
leeraar aan het gymnasium aldaar, bij de beoefenaars der zoologie
niet onbekend als de eerste Argentijnsche arachnoloog, en in 1874
onze trouwe bondgenoot tegen de regeerings willekeur van Sarmiento
en Burmeister’s onwil. Sedert de verlegging van den zetel des
Bestuurs naar Buenos Aires is Dr. von Holmberg President der
Argentijnsche zoologische Vereeniging en tevens lid der nationale
Akademie,
-Palingenia Nappii m.
De grootte van het pronotum, het groote enkelvoudige oog op
het voorhoofd, terwijl de beide anderen neven de saamgestelde
oogen staan, de sprieten, de breede vleugelvorm, vooral die der
achtervleugels, en al wat verder Burmeister in zijne beschrijving
aangeeft, stemt zoo volkomen, dat ik geen twijfel koester omtrent
de juiste bestemming van het geslacht. Ook zijn de staartdraden
twee in getal, met een kort stompje van den derden tusschen hen.
De oogen zijn bruinzwart, de geheele buikvlakte van. het dier
is geelachtig, de pooten en sprieten zijn grauwgrijs. Het pronotum
is grauwgeel met een overlangschen, dubbelen, donkerder band
in het midden; ook de achterrand is donkerder, tot het bruin na-
derende, maar slechts lijnfijn en ietwat opgebogen. Overigens is
de thorax grauwbruin met drie donkerder strepen overlangs; de
zijden zijn lichter. Het abdomen is grijsachtig wit met een donkeren
dwarsband op den rug van elk segment; deze dwarsbanden worden
al breeder en breeder, totdat zij op de drie voorlaatste segmenten
bijna de geheele rugvlakte bedekken en zoo aan het achterlijf eene
donkere kleur geven, het laatste segment echter blijft geel.
De staartdraden zijn zeer wit en doorschijnend, zoodat men de
geledingen niet onderscheiden kan; de beide buitenste zijn zeer
ZUID-AMERIKA ANSCHE EPHEMERIDEN. 163
lang en de derde of middelste is slechts rudimentair. De breede
vleugels zijn helder met donkeren voorrand, tengevolge der beide
eerste donkere langsaderen. Somtijds zijn de vleugels een weinig
melkachtig troebel, zooals men dat gewoonlijk bij de subimago’s in
deze familie vindt. Ik zal over de vleugels verder niet uitweiden,
daar ik ze bij figuur 2 heb afgebeeld !). De pooten zijn donker,
eenigszins naar het bruin trekkend.
Het stootrandje voor de voorvleugels, op den bovenrand der
achtervleugels dicht voor ’t gewricht, is langer en smaller dan bij
Ephemera.
De lengte des lichaams is 13 mill., de lengte der voorvleugels
bijna 12 mill.; de lengte der staartdraden ongeveer 33 mill.
Van deze soort heb ik drie exemplaren in Januari te Santiago
d. E. gevangen. Zij voert haren naam naar den heer R. T. Napp,
lid van de nationale Akademie der wetenschappen, te Buenos Aires,
chef van het departement voor Statistiek en redacteur van het
Duitsche La-Plata-Monatschrift, welks kolommen hij, even als zijn
persoonlijken invloed, in 1874 geheel ter onze beschikking stelde.
De vijf nu volgende soorten heb ik in het geslacht C/oé gerang-
schikt (het geslacht Bactis is mij tot nu toe hier niet voorge-
komen), wegens de dubbele saamgestelde oogen der mannetjes,
den vorm der vleugels, de rudimentaire achtervleugels, de, in ver-
1) Met betrekking tot de dwarsaderen der vleugels maak ik hier eene opmer-
king, die ook voor de vorige en volgende soorten geldt, n.1. deze: dat zij niet
zeer constant zijn en vele afwijkingen vertoonen. Ik vond zelfs dat zij in twee
individuen derzelfde soort nooit volkomen gelijk zijn, ja zelfs niet in de beide
gelijknamige vleugels van hetzelfde dier. Intusschen geldt deze opmerking
niet de algemeene type der plaatsing en verhouding dezer aderen, maar natuur-
lijk slechts nevenzaken. Anomalien, zooals ik in enkele plaatsen van figuur 2
heb afgebeeld (zie b.v. den onderhoek), komen zeer vaak voor, maar zijn nooit
constant.
Wat in ’t bijzonder deze soort betreft, zoo moet ik nog opmerkzaam maken op
de derde en vierde langsader der achtervleugels, die niet uit het gewricht, maar
uit de tweede langsader ontspringen. Misschien zou dit zelfs als kenmer van
het genus kunnen gebruikt worden.
164 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
houding tot Owycypha talrijke dwarsaderen in de vleugels, en in
’t algemeen wegens de overeenkomst in geslachtskenmerken, zooals
Burmeister 1. c. die aangeeft.
Slechts bij eene enkele nam ik drie, maar doorgaans slechts
twee staartdraden waar, hoewel men in dit geval gewoonlijk nog
de afgebroken basis vindt van den middelsten draad, die zeer broos
schijnt te zijn.
-Clo& Sellacki m.
Deze soort, waarop mijne figuur 3 betrekking heeft, ken ik
reeds sinds het jaar 1873, toen Prof. Dr. C. Schulz Sellack mij
eenige exemplaren aanbood; sedert ving ik alhier (Cordova) telken
jare verscheidene exemplaren in de nabijheid van den stadsvijver.
De gewolkte vleugels, hoewel bij het wijfje veel minder sterk dan
bij het mannetje, maken haar zeer kenbaar.
In beide sexen zijn twee (?) staartdraden, die uit vele geledingen
bestaan (ik telde er 28), welke leedjes, tengevolge van een licht-
sepiakleurigen ring om elke articulatie, zeer gemakkelijk te zien
zijn, vooral aan het basaal gedeelte; naar het einde worden zij
minder duidelijk.
Het mannetje heeft vier oogen, waarvan het bovenste paar het
grootst en halfkogelvormig is en zich eenigszins als gesteeld voor-
doet; zij zijn hoogbruin van kleur en raken elkander bijna in de
middellijn des voorhoofds. Ocelli klein en parelkleurig.
De pooten zijn zeer licht bruin, bijna geel gekleurd en de voor-
pooten van het mannetje veel langer dan die van het wijfje en
dan de andere pooten. Monddeelen zeer rudimentair.
Bij gedroogde exemplaren is de kleur bijna geheel grauwachtig,
zoodat de beschrijving van alle C/oë-soorten naar levende individuen
moet geschieden.
De lengte van het lichaam is bijna 10 mill. bij &, en 8 mill.
bij 2; de vlucht is ruim 16 mill; de staartdraden zijn 15 mill.
in d en 12 mill. in 9.
De bijna kleurlooze sprieten vertoonen de eigenaardigheden van
ZUID-AMERIKAANSCHE EPHEMERIDEN. 165
het geslacht en de pooten zijn in ’t algemeen bij de mannetjes
krachtiger en langer dan bij de wijfjes, wier kop en thorax ook
kleiner en veel zwakker gebouwd zijn dan bij d.
De vleugels vertoonen lichtbruine aderen, van welke de beide
voorste het sterkst en het donkerst zijn, elkander zeer naderend.
De voorrand is, in bijna regelmatige afwisseling, lichtbruin gevlekt
en in zooverre dus eenigszins op de Europeesche soort C. diptera
gelijkend.
Op de vleugels zelve (vooral van het mannetje) onderscheidt
men twee duidelijke lichtbruine banden, die echter meer uit eene
samenvloeiing van grootere en kleinere vlekken bestaan; de eene
band begint ongeveer in het midden van den voorrand, met eene
breede driehoekige vlek en eindigt ongeveer aan den onderhoek
des vleugels; de tweede band begint onder den buitenhoek des
vleugels en loopt, eerst eenigszins naar binnen zich buigend,
vrij regelmatig parallel aan den buitenrand, en zou aan dezelfde
plaats als de eerste band eindigen, ware het niet dat hij reeds
ophoudt alvorens dat punt bereikt te hebben. Deze beide banden
loopen bijgevolg convergeerend. Tusschen deze banden is aan den
voorrand nog een begin van een’ band waar te nemen, die echter
niet meer dan eene vlek is te noemen, en ten deele met den aan-
vang van den eersten band samenvloeit. Tusschen den eersten band
en het gewricht staat eene groote, onregelmatig driehoekige vlek
op den voorrand des vleugels, en juist vóór het gewricht nog eene
dergelijke kleinere.
De vleugels van het wijfje zijn iets kleiner en vertoonen dezelfde
banden meer volkomen, maar tegelijk ook veel flauwer. De eerste
en tweede band zijn breeder en de groote vlek vóór den eersten
band is ook tot een’ band uitgebreid, tengevolge waarvan de geheele
vleugel een rookachtig voorkomen verkrijgt en de heldere plaatsen
veel kleiner, smaller zijn.
Ook met betrekking tot het lichaam en de aanhangsels zijn
enkele verschillen tusschen de beide, sexen waar te nemen, wes-
halve ik nog eenige bijzonderheden aan deze beschrijving zal
toevoegen.
166 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
4. De thorax is terzijde geelachtig groen; op het midden van
den rug ziet men eene breede, groene langsstreep, die vaak zelfs
een sepiakleurige band met donkere randen schijnt. Het midden
van de rugvlakte der abdominaal-segmenten en de randen zijn iets
donkerder dan het overige, somtijds zelfs roodachtig bruin. De
onderzijde van den thorax en van het abdomen zijn zeer bleek.
De stigmataal-stippen zijn langwerpig en zwart; men vindt die
op alle tien abdominaal-segmenten , met uitzondering van het eerste,
dat ten deele onder den metathorax verscholen is, en van het
laatste segment.
De algemeene kleur van het achterlijf is zeer licht bruin, bijna
doorzichtig en alleen aan het borst- en achtereind iets donkerder.
Aan het achtereind (voorlaatste segment) bevinden zich twee kromme
haakjes ter copulatie, eene soort van tang vormend, niet ongelijk
aan een forceps en uit drie geledingen bestaande; deze haakjes
zijn ongekleurd en juist terzijde (onder-vóór) van de staartdraden
ingeplant.
Tusschen deze twee staartdraden ziet men een klein puntje, dat
als rudimentaire derde draad is te beschouwen, of wel als basis
van een’ afgebroken draad, wat ik echter voor minder waarschijnlijk
houd, daar ik bij meer dan honderd exemplaren, die mij door de
handen gegaan zijn, nooit een volkomen derden draad vond.
De eerste geledingen der staartdraden zijn kort, en zij worden
allengs langer, zoodat de vierde reeds vijfmaal zoo lang is als de
eerste; na de zesde geleding worden zij echter weder regelmatig
kleiner; somtijds zijn de geledingen eenigszins gezwollen. De rug-
zijde van het eerste abdominaal-segment is blazig opgezet.
2. Bij deze sexe heeft het achterlijf een meer roodachtigen weer-
schijn, de borst is lichter en de middenstreep trekt meer naar het
bruine. Kop en thorax zijn overigens geelgrauw en de appendiculaire
organen bijna ongekleurd. De oogen zijn parelgrijs, met eene zwarte
streep op het meest convexe gedeelte, als ’t ware eene dwarsche
pupilspleet nabootsend, iets wat men bij deze oogen van het man-
netje, waar zij kleiner zijn, bijna nooit bespeurt.
Omtrent het verschil in de vleugels heb ik niets aan het gezegde
ZUID-AMERIKAANSCHE EPHEMERIDEN. 167
toe te voegen, dan alleen dit: dat zoowel bij mannetjes als wijfjes
verschillende varieteiten met betrekking tot de vlekken voorkomen,
“en somtijds de buitenrand der voorvleugels en de wortel stippen
vertoonen.
De achtervleugels zijn klein, lancetvormig en volkomen helder.
Levenswijs. De larve leeft in het water onder steenen en
in de modder, en voedt zich met allerlei dierlijke stoffen, kleine
insecten enz. Zij vervelt verscheidene malen, en komt eindelijk het
insect te voorschijn, dan vliegt het naar eene zonnige plaats, zet
zich stil neder en verhuidt dan nog eens (subimago). Deze huidjes
ziet men vaak aan muren en boomstammen. Men vindt deze
soort niet uitsluitend, maar toch hoofdzakelijk in het najaar. De
mannetjes vliegen lustig rond om wijfjes te zoeken, die veel min-
der talrijk schijnen te zijn. De larven schijnen zelfs in uitgedroogde
plassen nog te kunnen leven, en daaraan schrijf ik het toe dat
men deze dieren soms op plaatsen aantreft die ver van alle water
verwijderd zijn.
Ik benoem deze soort naar den ontdekker Prof. Dr. C. Schulz
Sellack, hoogleeraar der physica en directeur van het physisch
kabinet alhier, en medestrijder voor de vrijheid der wetenschap,
later belast met het wetenschappelijk toezicht op den bouw van het
physikalisch-meteorologisch observatorium te Potsdam en op nood-
lottige wijze te Berlijn overleden, korten tijd nadat de Argentijnsche
regeering, als erkenning zijner verdiensten, hem tot lid van de
nationale Akademie der wetenschappen benoemd had.
Cloë Lorentzii m.
Deze soort gelijkt veel op de vorige, maar is kleiner en de tee-
kening der vleugels verschilt eenigszins, zijnde de vlekken iets
donkerder en meer bruinachtig. Ik bepaal mij tot het aangeven
der verschillen, daar de algemeene vorm dezelfde is als bij €
Sellacki en ik ook steeds slechts twee staartdraden vond. De vleugels
vertoonen ook met betrekking tot de dwarsaderen eenig verschil,
zooals bij eene vergelijking der figuren 3 en 4 reeds duidelijk wordt,
168 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
De voorrand der voorvleugels is donkerder en de beide eerste
dwarsaderen zijn aog zwaarder gebouwd. De wolkachtige band, die
ongeveer van het midden van den vleugelrand naar den buitenhoek
gaat, is niet zoo breed als in C. Sellacki, maar donkerder en bij
den vleugelhoek iets breeder. Onder dezen band staat eene onregel-
matige vlek als door een steeltje met den onderrand van den band
verbonden. Boven den band ziet men dezeifde driehoekige vlek als
in €. Sellacki, maar kleiner (op de voorrandsader staande), en de
tweede nog kleinere vlek, die bij €. Sellacki voor het vleugel-
gewricht staat, is hier bijna geheel verdwenen. De ruimte tusschen
de sterke eerste langsaderen en den voorrand is ongeveer op dezelfde
wijze gevlekt als bij de vorige soort, maar ook weder donkerder.
Verder staat onder den eersten band, aan den voorrand, eene
langgerekte, zich eenigszins ombuigende en dan verbreede vlek,
en daarnaast eene kleinere onregelmatig driehoekige, die zich echter
niet met de andere vereenigt. De band, welken ik in C. Sel/acki den
tweeden band genoemd heb, bestaat hier ook, zelfs duidelijker,
donkerder, maar, hoewel hij ook parallel op korten afstand van
den onderrand loopt, zoo is hij aan zijn begin niet met den onder-
rand des vleugels in aanraking en strekt zich ook achterwaarts
niet zoo ver uit, zoodat hij de reeds vermelde gesteelde vlek niet
bereikt. De achtervleugels komen met die der vorige soort vrij wel
overeen , maar zijn eenigszins troebel.
Het wijfje is in ’t algemeen lichter en daar de vorm en bijzon-
derheden der andere deelen met de geslachtskenmerken samenvallen
en dus ook met de vorige soort overeenstemmen, kan ik mij ter
verdere kenschetsing der soort tot de kleur bepalen.
d. De oogen zijn donker roodachtig bruin, de thorax en pooten
grauw; de thorax is aan de rugzijde iets donkerder en aan de zijden
even als de buikvlakte meer geelachtig. Het achterlijf is roodbruin,
soms bijna bloedkleurig, of aan de rugzijde naar het donkerbruin
trekkend, met zeer donkere staartspits. De staartdraden zijn helder,
maar aan de geledingen donkerder dan bij de vorige soort, vooral
aan de basis. Ook zijn de leden niet zoo lang als bij de vorige soort,
zoodat in dit opzicht het verschil tusschen het basaal en eind-
ZUID-AMERIKAANSCHE EPHEMERIDEN. 169
gedeelte niet zoo in ’t oogloopend is. Hoewel de zwarte ringen om
de geledingsplaatsen in den aanvang duidelijker zijn, zijn zij echter
niet zoo ver te vervolgen als bij de vorige soort.
2. De oogen zijn grauwachtig grijs, eenigszins naar het bruine
trekkend; ook het achterlijf is bij deze sexe bleek geel of hoogstens
bruinachtig geel. De vleugeladeren zijn in beide soorten bruinachtig.
De lengte des lichaams is 6 mill, en de lengte der staartdraden
ruim 9 mill.
Wanneer wij ten slotte nog een blik werpen op de voorvleugels
der beide hier beschreven en zoo na verwante soorten, dan vinden
wij, behalve eenig verschil in den vleugelvorm, in het aantal en
den stand der dwarsaderen, in den loop der langsaderen en in de
teekening, alles hierboven reeds uitvoerig beschreven of kortelijk
vermeld, ook nog een verschil in grootte, zooals zich uit de on-
derscheidene lichaamsgrootte dezer soorten van zelf reeds laat ver-
moeden, maar dat toch niet geheel in verhouding staat tot die
lichaamslengte; C. Sellacki namelijk heeft de vleugels 9 mill. lang
en C. Lorentz slechts 5,5 mill.
Daarenboven is nog iets op te merken en wel aan den onderrand.
Tusschen elk paar langsaderen staat op den onderrand een klein
rudimentair adertje in C. Sellacki en in C. Lorentzii ziet men
twee zulke.
Voor de overige bijzonderheden der vleugels verwijs ik naar
mijne figuren.
Deze soort schijnt betrekkelijk zeldzaam te zijn, daar ik in het
najaar alhier slechts eenige weinige exemplaren gevangen heb, maar
nooit ter plaatse waar ik de vorige soort vrij algemeen vond.
De soort voert den naam van Prof. Dr. P. G. Lorentz, hoog-
leeraar der botanie alhier en stichter-directeur van het herbarium
en het botanisch museum, den ijverigen vorscher der Argentijnsche
flora; wat wij van deze weten is alleen aan hem te danken. Na
de overwinning in onzen strijd trok hij naar de provincien Entrerios
en Buenos Aires, en overleed te Concepcion aan typhus te midden
zijner werkzaamheden, te midden zijner boeken en verzamelingen.
De nationale Akademie der wetenschappen verloor in hem een
170 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
harer uitstekendste leden, die zijne groote en moeilijke reizen niet
alleen aan de botanie maar ook aan de zoologie en geologie wist
dienstbaar te maken, getuige de vele soorten door hem aan het
zoologisch museum geschonken.
-Clo& Siewertii m.
In deze soort is het abdomen donkergrauw, de borst sepiakleurig,
de kop iets lichter, de oogen bruinrood, en het paar grootere niet
veel grooter dan de kleinere. De sprieten zijn zwartachtig, de
pooten lichtgrauw. Het abdomen vertoont drie staartdraden, die
ongeveer driemaal zoo lang zijn als het lichaam en parelgrijs, met
iets donkerder geledingen ; ook de abdominaal-geledingen zijn iets
donkerder dan de segmenten zelve.
De vleugels zijn dof, niet zeer helder, maar zonder vlekken. De
achtervleugels zijn zeer klein, lancetvormig.
De lengte des lichaams, zonder de staartdraden, is 3 mill.
Bestond hier niet zoo’n belangrijk verschil in grootte, Gan zou
ik geneigd zijn deze als de subimago der volgende soort te be-
schouwen, omdat ook in de vleugels veel overeenkomst bestaat.
Van deze soort ving ik eenige weinige exemplaren alhier in het
voorjaar (November). Zij is benoemd naar Prof. Dr. M. Siewert,
hoogleeraar der chemie, stichter-directeur van het chemisch labo-
ratorium alhier en lid van de nationale Akademie der wetenschappen.
Vroeger hoogleeraar te Halle, is Dr. S., na de overwinning onzer
goede zaak, naar Duitschland teruggekeerd en thans hoogleeraar-
directeur van het agronomisch station bij Dantzig.
-Cloé Stelzneri m.
Het lichaam dezer fraaie soort is parelgrijs, op den rug iets
donkerder en het staalblauw naderend. De pooten en sprieten zijn
vrij donker in het mannetje, lichter in het wijfje; de palpen zijn
zeer licht grijs, de zijden van den thorax onder de vleugels grauw-
achtig geel. De gewone oogen zijn zwartachtig grijs en de andere
(in €) bruinrood.
ZUID-AMERIKAANSCHE EPHEMERIDEN. 171
De twee (?) staartdraden zijn parelgrijs, de geledingen zoo goed
als onzichtbaar.
De thorax is op den rug sepiakleurig, met zeer donkere vleugel-
gewrichten en eene donkere middellijn of langsband op het geheele
notum. Bij vele mannetjes is de geheele thorax donker.
De vleugels zijn in vorm ongeveer aan die van C. Lorentzii
gelijk , maar kleiner, helder, ongewolkt en met minder dwarsaderen ,
in dit opzicht weder meer met C. Sellacki overeenkomend; de
vleugeladeren zijn donker, bijna zwart. De achtervleugels zijn zeer
klein en stomp-lancetvormig.
De lengte des lichaams is 5,5 mill. (3), bij eene vlucht van
ongeveer 12 mill. De lengte der staartdraden is ruim 7,5 mill.
Deze soort is zeldzaam. Ik vond haar in het najaar en in den
zomer. Zij voert haren naam naar Prof. Dr. A. Stelzner, hoogleeraar
der geologie, mineralogie en palaeontologie alhier en stichter-directeur
van het daartoe betrekkelijk museum. Op de reizen, die hij als
lid van de nationale Akademie der weterischappen in dit land onder-
nam, verzamelde hij een groot aantal insecten en heeft alzoo tevens
zijn’ naam blijvend aan het zoologisch museum verbonden. Gedu-
rende den strijd tegen Dr. Burmieister in 1874, waaraan hij ijverig
deel nam, aanvaardde hij de benoeming tot hoogleeraar aan de
bergakademie te Freiberg, als opvolger van den beroemden Gotta.
-Clo& (?) Vogleri m.
Deze soort is mij wel eenigszins twijfelachtig, wat het geslacht
betreft waarin ik haar rangschik, daar vooral de vleugelvorm zeer
van dien der vorige soorten afwijkt (zie mijne fig. 5).
Naar Burmeister’s beschrijving (l. c.) te oordeelen, komt de
vleugelvorm en de grootte-verhouding van de vleugels tot het dier
meer met het geslacht Oxycypha overeen , maar daarentegen strooken
de vele dwarsaderen weder niet met die beschrijving, en evenmin
de aanwezigheid, hoewel zij zeer klein zijn, van achtervleugels.
In het geslacht Baéfis kan ik haar ook niet opnemen, daar dit
172 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
o. a. betrekkelijk normaal-groote achtervleugels heeft, met aderen
en dwarsaderen (vergel. Burmeister |. c. p. 800).
In andere opzichten weder is wel eenige overeenkomst met Bactis,
maar op den bouw der vleugels de hoofdwaarde voor de systematiek
dezer familie leggend, kan ik haar evenmin in Oxycypha als in
Baétis rangschikken, maar plaats haar liever , ongeacht de bestaande
verschillen, en zij ’t misschien slechts voorloopig, in het geslacht Cloé.
De voorvleugels zijn ongeveer half zoo breed als lang, glashelder,
met vele aderen en dwarsaderen, allen fijn en zwart; de beide
gebogene vooraderen zijn onderling door dwarsadertjes verbonden.
Al wat tusschen deze sterke vooraderen en den voorrand ligt, is
ondoorzichtig, donker en troebel.
De achtervleugels zijn klein en in verhouding tot de vorige soorten
nog smaller, en in plaats van twee langsaderen in het midden, ziet
men slechts één adertje dat den vleugelrand niet eens bereikt.
De borst en kop zijn glanzig zwart, ook het abdomen is zwart;
de staartdraden zijn grijsachtig met zwarte geledingen; pooten
eenigszins parelgrijs doch donker.
Het achterlijf van het wijfje is lichter gekleurd dan dat van het
mannetje. In de oogen is weinig verschil tusschen de beide sexen.
De lichaamslengte is 3,5 mill.; de staartdraden, drie in getal,
zijn 14 à 15 mill. lang.
Op den 20sten April zag ik aan den stadsvijver (Paseo Sobremonte)
alhier, omstreeks acht uren in den morgen, in den zonneschijn,
een gansche wolk van deze fraaie diertjes zweven, hunne kristal-
lijne vleugels spiegelend in de stralen der morgenzon en de staart-
draden in elegante houding opwaarts gericht. Ik bemerkte dadelijk
dat de soort mij nieuw was, en met een enkelen slag met het net
ving ik er eene menigte. Na een half uur vond ik op dezelfde plaats
er niet één meer, en zag alleen hunne lijken op het water drijven.
Na dien dag heb ik geen enkel exemplaar dezer soort ooit meer
gezien.
Ik heb de soort benoemd naar het lid van de nationale Akademie
der wetenschappen Prof. Dr. C. A. Vogler, hoogleeraar der toe-
gepaste wiskunde en mechanica alhier, die door zijne geschriften
ZUID-AMERIKAANSCHE EPHEMERIDEN. 173
niet weinig tot onze overwinning bijgedragen heeft; eenmaal naar
Duitschland teruggekeerd, heeft hij eene herbenoeming hierheen
echter niet willen aannemen, daar de regeering geen waarborg
wilde stellen voor de door hem beoogde en als voorwaarde gestelde
graadmeting. Thans is hij hoogleeraar te Bonn.
„Oxyeypha Oldendorffii m.
De kop, de net- en neven-oogen en de sprieten voldoen aan
Burmeister’s beschrijving van dit geslacht (1. c.). Ook de bijzonder-
heden van den thorax stemmen goed, en hoewel het achterlijf in
mijne voorwerpen niet bepaald « kort» mag heeten, zoo is het toch
opwaarts omgebogen, en de staartdraden, zonder verder groot ver-
schil in de beide sexen te vertoonen, zijn toch iets langer bij het
mannetje dan bij het wijfje. De vleugels zijn echter niet « auffal-
lend breit», zooals het in Burmeister’s beschrijving heet, maar
eerder smal en puntig te noemen; ook zijn de langsaderen niet
vertakt, maar tengevolge van de betrekkelijk talrijke onvolkomene
aderen aan den vleugelrand, schijnen zij slechts takken te zijn van
de hoofdaderen; daarentegen is de schaarschheid der dwarsaderen,
in verhouding tot de andere geslachten der Ephemeriden, en de
doorzichtigheid der vleugels met Burmeister’s beschrijving weder vol-
komen in overeenstemming. Ook van de pooten kan ik dit verklaren.
Om deze redenen maak ik, ongeacht het verschil, toch geen bezwaar
deze soort in het geslacht Oxycypha te plaatsen, daar zij in geen
der andere geslachten beter past, en de verschillen mij te gering
schijnen, in verhouding tot de belangrijke overeenkomsten, om een
nieuw geslacht te vormen, dat hoofdzakelijk alleen door de smal-
neid der vleugels van Oxycypha zou afwijken.
In figuur 6 heb ik den vleugel vergroot afgebeeld. De kop en
borst zijn sepiakleurig en glanzig; reeds op het schildje echter
wordt de kleur vaalgrijs en gaat op het abdomen in een grauw-
achtig bruin over. De oogen zijn donkerbruin. De pooten zijn grauw
en de staartdraden lichtgrijs, doorschijnend. Deze staartdraden,
waarvan gewoonlijk de middelste ontbreekt, zijn zeer zwak ge-
174 ZUID-AMERIKAANSCHE EPHEMERIDEN.
bouwd en 6 mill. lang. De onderzijde des lichaams is zeer licht van
kleur en de vleugeladeren daarentegen vrij donker.
Lichaamslengte 5 à 5,5 mill.
Ik vond deze soort alhier in ’t najaar tegen muren zittend, en
benoem haar naar mijn’ vriend C. Oldendorff, eerelid der Argentijnsche
zoologische Vereeniging, referendaris bij Binnenlandsche Zaken, chef
van het departement van Landbouw te Buenos Aires, die door zijn
invloed ons in 1874 een wakkere medestander was en thans in
soortgelijken werkkring zich te Salem in Oregon (Vereenigde Staten)
bevindt. De landbouw en landbouw-zoologie dezes lands heeft hem
ook veel te danken, o.a. door de oprichting van het inspectoraat
voor landbouw-dierkunde.
In een artikel, dat onder den titel « Kinige neue oder wenig bekannte
Neuroptera der Argentinischen Fauna » dezer dagen door mij in het
Tijdschrift van het genootschap /sis te Dresden gepubliceerd wordt,
heb ik bij de benoeming der soorten nog de lijst onzer medestanders
in 1874 gecompleteerd door de volgende personen te gedenken:
Dr. N. Avellaneda, destijds President der Argentijnsche republiek
en als zoodanig Sarmiento’s opvolger; Dr. O. Leguizamon, zijn
Minister van Onderwijs; den regeerenden Vorst van Saxen-Altenburg;
Prof. D. A. Grisebach te Göttingen; en Dr. M. Lucero, rector mag-
nificus der universiteit alhier.
Verklaring der afbeeldingen.
Plaat 10, fig. 1. Boven- en ondervleugel van Ephemera Wappaei.
eN pr » » Palingenia Nappii.
PISANI » » Cloé Sellacki.
De bede Am o » » » Lorentei.
AU Abe » ban » » » Vogleri.
6. Vleugel van . . . . Oxycypha Oldendorffit.
OPMERKINGEN BETREFFENDE TIPULIDEN,
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
I. Tipula marmorata Meig. en verwante soorten.
In mijne Diptera Neerlandica (I. 363. 13) beschreef ik onder
den naam van Tipula marmorata eene soort, die ik toen als
Meigen’s soort van dien naam meende te moeten beschouwen.
Meigen’s opgaven toch, — ofschoon zij alleen het 9 betreffen en
vooral ten aanzien van het achterlijf weinig volledig zijn, — kon-
den zonder den minsten dwang op mijne exemplaren worden toe-
gepast. Veel minder daarentegen was dit het geval met Zetterstedt’s
beschrijving der soort; o.a. zegt hij: «ano 4 modice magno,.....
segmento ultimo ventrali protuberante, apice bifido »; welk laatste
volstrekt niet past op de mannetjes mijner soort, bij welke de
laatste buikring in ’t geheel niet uitsteekt en ook geene tweelobbige
voortzetting vertoont. Veeleer kon ik op hen de beschrijving toe-
passen, die Zetterstedt van 7. obsoleta Meig. geeft. In de meeste
kenmerken weinig van die van marmorata verschillende, zegt hij
daar van de mannelijke genitalien : «anus mediocris, subnudus,
valvulis exterioribus fuscis, partibus interioribus flavis, parum pro-
minulis», wat volkomen op mijne 7. marmorata slaat. Ik kwam
hierdoor tot het resultaat, dat Zetterstedt 7. marmorata en obsoleta
moest hebben verwisseld. Ik moet echter hierbij opmerken, dat hij
176 OPMERKINGEN BETREFFENDE TIPULIDEN.
de vorkcel der vleugels bij beide soorten «subventricosa » noemt,
iets wat wel van 7. marmorata, maar niet van obsoleta Meig. kan
worden gezegd.
Van mijn geachten vriend Dr. J. Mik te Weenen ontving ik voor
eenigen tijd onder den naam van 7. marmorata een mannelijk
exemplaar, dat zeer bepaaldelijk van mijne voorwerpen specifiek
onderscheiden is, ofschoon ook op dat exemplaar Meigen’s beschrijving
ten volle kan worden toegepast, terwijl het tevens in alle opzigten
aan Zetterstedt’s beschrijving van marmorata beantwoordt. Het
spreekt van zelf, dat mijne vroegere opvatting omtrent de synonymie
hierdoor eene merkelijke wijziging onderging. Ik moest nu aannemen,
dat de soort, mij door Prof. Mik gezonden, inderdaad de ware
T. marmorata is van Meigen en Zetterstedt, en dat de soort, door
mij tot dusver zoo gedetermineerd, eene andere, hoezeer digt ver-
wante soort is, welke bij geen der dipterologische schrijvers is
vermeld, behalve alleen bij Zetterstedt, doch ten onregte onder den
naam van obsoleta Meig.; want het valt niet te ontkennen, dat al
de kenmerken, door Zetterstedt opgegeven, in haar worden weer-
gevonden. De soort moet echter nu een nieuwen naam ontvangen,
en ik stel daarom voor, haar te noemen 7. confusa.
Die soort, zoowel als de echte 7. marmorata, behoort tot eene
kleine groep van Tipula-soorten, die de volgende kenmerken met
elkander gemeen hebben. De vleugels zijn flaauw gemarmerd, d. 1.
zij zijn bruingrauw, met lichte of witachtige vlekken, die tegen
eene donkere oppervlakte gezien, vrij duidelijk uitkomen; bepaal-
delijk vertoonen zich ook zulke lichte vlekjes, gewoonlijk ten getale
van 3, tegen den achterrand; aan de spits zijn de vleugels niet
donkerder; de bovenarm der radiaal-ader loopt volkomen tot den
vleugelrand door; de vorkcel bij de vleugelspits is aan hare basis
een weinig buikig verbreed. De sprieten zijn zwartachtig met de
beide wortelleden geel. De thorax heeft van boven vier bruine
langsbanden, waarvan de beide middenste naar achteren smaller
worden en digter tot elkander komen.
Van deze groep zijn mij vier soorten bekend, waarvan twee
inlandsch. Zij onderscheiden zich als volgt :
| Na
_ TADSCHRIFT WOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Dr. A. W. M VAN HASSELT
F. M. VAN DER WULP
: ma. De
EN Songs
jun. DEED. J. G EVERTS
ZES EN TWINTIGSTE DEEL
JAARGANG 1882—83
Jin 22,
Fa es | & lg 24
OD,
Vierde Aflevering N oeps
’SGRAVENHAGE —
_MARTINUS NIJHOFF,
bo
OPMERKINGEN BETREFFENDE TIPULIDEN, 177
Banden op den thorax met lichte kernen en
donkere omzooming; eene zwartachtige streep
in de borstzijden , van de schouders naar den
vleugelwortel .
Banden op den thorax geheel donker; geen
zwartachtige streep in de borstzijden.
Borstzijden witachtig grijs, in kleur verschillend
van de eerste ringen des achterlijfs; de langs-
ader tusschen de vierde en vijfde achtercel
komt duidelijk uit de middelste wortelcel
voort; (laatste buikring d niet uitstekend en
zonder aanhangsels) .
mende met de eerste ringen des achterlijfs;
de langsader tusschen de vierde en vijfde
achtercel ontspruit juist uit het punt waar de
schijfcel met de middelste wortelcel zamen-
stoot; (laatste buikring 4 met in ’t oog val-
lende aanhangsels), . sus westie na
3. Achterlijf zonder zwartbruine zijstreep; laatste
buikring ¢ tot een paar tepelachtige organen
uitgegroeid , die korter zijn dan de kolfachtige
anus en met lange fijne bleeke beharing zijn
voorzien.
Achterlijf met zwartbruine zijstreep; laatste
buikring d met een paar tepelachtige organen,
die ten minste zoo lang zijn als de kolfachtige
anus en eene uiterst korte , zwarte, borstelige
hehasing, hebben, anar (Aare eat
. rufina Meig.
bo
. confusa v. a. W.
Borstzijden roodachtig, in kleur overeenko-
. marmorata Meig.
. signata Staeg.
Daar de genoemde soorten zich vooral ook door den vorm der
mannelijke genitalien onderscheiden, heb ik van deze eene schets-
teekening gemaakt. Op pl. 10 fig, @ en 5 zijn die van 7. rufina
voorgesteld; fig. ¢ en d vertoonen die van 7. confusa, fig. e en f
die van 7. marmorata, allen van terzijde en boven gezien; fig. 4
12
178 OPMERKINGEN BETREFFENDE TIPULIDEN.
en A eindelijk die van 7. signata, van terzijde en van achteren
gezien. Bij de eerstvermelde soort heeft de laatste buikring geenerlei
verlenging of uitsteeksel; bij confusa is dit evenmin het geval, doch
die ring eindigt ter wederzijde in een klein hoornachtig tandje, bij
marmorata en signata is hij daarentegen tot een paar tepelachtige
organen verlengd, die vooral bij de laatste soort bijzonder lang en
slank zijn.
T. rufina Meig., die wegens de donkere streep in de borstzijden
niet met andere soorten kan worden verward, schijnt zeer zeld-
zaam te zijn. Zij was tot dusver alleen bekend uit Duitschland
(Meigen), Silezie (Schummel), Frankrijk (Macquart) en Oostenrijk
(Schiner, Mik). Schummel en Schiner kenden slechts een enkel
en niet gaaf exemplaar. Zetterstedt vermeldt de soort niet, waaruit
kon worden afgeleid, dat zij niet in het noorden van Europa
voorkomt; doch nu onlangs heeft de heer V. von Röder geconsta-
teerd, dat zij ook op de Faroe-eilanden (62° n. breedte) voorkomt,
van waar Hansen haar onder den naam van 7. parvicauda n. sp.
heeft beschreven (zie Wien. Ent. Zeituug IL. 56.) De soort heeft
waarschijnlijk eene dubbele generatie, want Meigen ving haar in
°t begin van Mei, terwijl Mik haar jaarlijks tegen het eind van
Augustus of het begin van September aantrof. De laatste heeft
bovendien hare gedaantewisseling uitvoerig beschreven en afgebeeld
(Wien. Ent. Zeitung, I. p. 35 pl. 4 f. 1—12). In ons land is zij
nimmer gevangen; ik ken haar door een paartje, dat de heer Mik
zoo goed was aan mij te zenden.
T. confusa, = marmorata v. dà. W. (non Meig.) en obsoleta Zett.
(non Meig.), is voorzeker ook zeldzaam en althans zeer plaatselijk.
Ik ontmoet haar echter telken jare in September op eene bepaalde
plek in het Haagsche bosch en heb vroeger nog enkele vindplaatsen
uit ons land aangegeven. Dat ik nog altijd Zetterstedt’s 7. obsoleta
in haar geloof te zien, heb ik hiervoren reeds gezegd; mijne mee-
ning grondt zich voorel op de buikige vorkcel, een kenmerk dat
bij de overigens verwante T. obsoleta Meig. niet gevonden wordt.
De ware 7. marmorata Meig. ken ik alleen door het exemplaar,
mij uit Oostenrijk door den heer Mik gezonden. Schiner kende
OPMERKINGEN BETREFFENDE TIPULIDEN. 179
haar niet, evenmin als Macquart en Schummel; maar behalve in
Duitschland, komt zij ook voor in Denemarken (Staeger) en in
het zuiden van Zweden (Zetterstedt).
T. signata Staeg. eindelijk is eene soort, die vroeger alleen uit
Denemarken door Staeger beschreven was, doch die ik ieder jaar
aantref op dezelfde plek in het Haagsche bosch waar 7. confusa
zich ophoudt, doch zij komt er eerst in October te voorschijn, als
de laatstgenoemde weder verdwijnt.
II. Psiloconopa Meigenii Zett.
Het geslacht Psiloconopa werd in 1840 door Zetterstedt (Ins.
lapp. 847) opgerigt voor eene kleine, glanzig zwarte Tipulide uit
noordelijk Zweden, die hij Ps. Meigenit noemde en zoowel in het
genoemde werk, als later in zijne Diptera Scandinaviae (X. 4007)
zeer kenbaar beschreef. Het schijnt dat zij sedert door niemand
is weergevonden. Schiner (Faun. austr. Dipt. IL 573) maakt wel
melding van het genus, doch zonder de soort te kennen; in zijne
analytische tabel is het genus niet opgenomen, en afgaande op de
verzekering van Zetterstedt, dat het aderbeloop der vleugels over-
eenstemt met dat van Limnobia pilipes F., spreekt hij het vermoeden
uit, dat Psiloconopa Zett. synomien zou zijn met Gaophomgia O.
Sack. , waaronder hij Z. pilipes rangschikte !).
Ook aan Osten-Sacken, die de Tipuliden zoo uitnemend heeft
bestudeerd, is Psiloconopa Meigenii onbekend gebleven. Alleen ge-
waagt hij (Monogr. of the Dipt. of N. Amer. IN. 173) van een
paar andere Europesche soorten van dat geslacht, waarvan de eene
hoogstwaarschijnlijk dezelfde is als Ærioptera lateralis Macq. (= Lim-
nobia flavolimbata Hal.), en het is ongetwijfeld op grond van deze
soorten, dat hij het geslacht Psiloconopa nader kenmerkt en van
de aanverwante genera onderscheidt als volgt:
1) Deze rangschikking was intusschen onjuist. Tot mijn leedwezen heb ik
Schiner’s dwaling ook in mijne Diptera Neerlandica overgenomen, omdat ik bij
mijn toenmaligen arbeid de uitmuntende monographie van Baron Osten Sacken
over de N. Amerikaansche Tipuliden niet kende. Zimnobia pilipes behoort niet
in het geslacht Gnophomyia, maar is integendeel de eigenlijke type van het
genus Zrimicra O, Sack,
180 OPMERKINGEN BETREFFENDE TIPULIDEN.
4. Afstand tusschen de subcostaal-dwarsader en het
eind der hulpader meer dan dubbel zoo lang als
de achterdwarsader "AU Ee ee. Re
Afstand tusschen de subcostaal-dwarsader en het
eind der hulpader niet langer dan de achter-
dwarsader = sil, (scot, ed aeg ts Al NONE
2. Zevende langsader (axillaar-ader) regt. . . . Trimiera.
Zevende langsader (axillaar-ader) sterk golvend. . Symplecta.
3. Eenkleurig zwarte soorten. . . . . . . . Gnophomyia.
Glanzig zwarte soorten, wier schildje en borst-
zijden met geel geteekend zijn. . . . . . Psiloconopa.
Bij deze verdeeling evenwel is eene noot gevoegd, waaruit blijkt,
dat de schrijver zelf er niet volkomen over tevreden was.
Ik heb op dit oogenblik een drietal exemplaren van Psiloconopa
Meigenii voor mij, die door Dr. Piaget uit Zwitserland zijn mede-
gebragt; jammer dat het alleen wijfjes zijn. Het aderbeloop komt
inderdaad, even als Zetterstedt reeds heeft aangegeven, geheel met
dat van Trimiera pilipes overeen, ook wat betreft de plaatsing
der subcostaal-dwarsader, die bij haar evenzeer merkelijk van de
uitmonding der hulpader verwijderd is. Het kenmerk, door Osten
Sacken aan de plaats van deze dwarsader ontleend, om Psiloconopa
van Trimiera te onderscheiden, blijkt dus niet steekhoudend te
zijn en zou alleen kunnen dienen, om Ps. Meigenii van de overige
soorten van het geslacht Psiloconopa af te zonderen, indien zij
overigens niet door het eigenaardige koloriet zoo na verwant waren.
Het genoemde kenmerk behoudt echter zijne volle waarde als ver-
schil tusschen Trimiera en Gnophomyia.
Fe A
So
J.v.L.JE del.
Microlepidoptera van Noord-Azie.
AJ.W. sculps.
J.v.L. JE del
Microlepidoptera van Noord-Azie.
Pl. 12:
dere
Fe
WZ
Tinie rears.
en
ficrolepidoptera van Noord- Azie
bo
PL. 15.
DS
l.scuips.
u
MN Ales
\ LI
NIEUWE OF WEINIG BEKENDE
MOR OEE DO PT EB A
VAN NOORD-AZIE,
BESCHREVEN DOOR
BC. TOR LE N,
met afbeeldingen (Plaat 11, 12 en 13)
DOOR
Dr. J VAN LEEUWEN Jr.
In 1881 ontving ik van Baron von Hedemann te St. Petersburg
een aantal Microlepidoptera uit familien, die hij niet opzettelijk
bestudeert (dit is alleen het geval met de Pyralidina), met verzoek
die te determineren en de onbeschreven soorten bekend te maken,
tevens met verlof om de dubbelen te behouden. Deze Lepidoptera
waren door hem gedeeltelijk zelf verzameld op eene reis door Siberie
naar het Amoer-gebied, of wel in de genoemde landen en op het
eiland Askold door verschillende verzamelaars bijeengebragt. Gaarne
aan dat vereerend verzoek voldoende, — waardoor ik tevens in
de gelegenheid kwam, om nader kennis te maken met de Micro-
lepidoptera dier uitgestrekte landstreken ; welker Fauna met die van
Europa een onafscheidelijk geheel uitmaakt , — bevond ik bij het be-
noemen, dat een vrij aanzienlijk getal soorten nieuw was, en ving
ik de beschrijving van deze aan. Met dit werk was ik reeds ver
gevorderd, toen inmiddels ook, in het Bulletin de la Société impériale
des Naturalistes de Moscou van 1881 door den heer Christoph de
beschrijvingen werden gepubliceerd van de nieuwe Geometrina en
182 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE,
di
Microlepidoptera, door hem op zijne laatste reis door het Amoer-
gebied verzameld. Baron von Hedemann had de goedheid er voor
te zorgen, dat mij een afdruk van die beschrijvingen werd toege-
zonden, en ik vond bij de nalezing daarvan, dat verscheidene mijner
nieuwe soorten reeds door den heer Christoph waren bekend gemaakt.
Het kwam mij en ook den heer Christoph echter wenschelijk voor,
mijne reeds voltooide beschrijvingen van die soorten niet achter-
wege te houden, vooral omdat zij de zijne hier en daar aanvullen,
en omdat ik tevens in staat was mijne beschrijvingen vergezeld te
doen gaan van afbeeldingen, die ik aan de welwillende hulp van
mijnen vriend van Leeuwen te danken heb. Bovendien zijn onder
de Tortricina slechts drie door den heer Christoph beschreven soorten.
Aanvankelijk: geef ik hier de beschrijvingen van 26 Tortricina,
waarbij 23 geheel nieuwe. Daar de heer Christoph in den boven-
genoemden jaargang van het Bulletin nog 34 nieuwe Tortricina
beschrijft, is dit wel een bewijs van den rijkdom aan Microlepi-
doptera der gemelde landstreken. Vele echt Europesche soorten van
Tortricina (ruim 20) vond ik ook onder de Microlepidoptera van
den heer von Hedemann.
In den volgenden jaargang van het Tijdschrift voor Entomologie
hoop ik de beschrijvingen der overige nieuwe Microlepidoptera be-
kend te maken.
Door den heer Christoph zijn in bovengemelden jaargang van het
Russische Tijdschrift ook een aantal Pyraliden als nieuw beschreven.
Daaronder bevinden zich:
N°. 62. Botys dotatalis, die dezelfde is als B. Tithonialis Zeller,
Verh. zool.-bot. Ges. 1872 p. 504.
» 67. Botys extinclalis, eene soort die verdoopt moet worden,
omdat er reeds eene B. extinctalis Lederer is.
» 70. Botys hilaralis, dezelfde als B. costalis Eversm., Bull. de
Moscou 1852 p. 166. Zij moest ook buitendien verdoopt
worden om B. Ailaralis Herr.-Schaff.
Herpetogramma expictalis — eene Botys À, b, Lederer.
1
Frs
» 127. Agrotera fenestralis, die geene Agrotera is, maar een nieuw
genus moet vormen.
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE, 183
De sub N°. 135 beschreven Adela irroratella is Adela griseella
Walsingham, Proceed. of zool. Society of London 1880 p. 82 pl.
Jk fig. ‘9.
Lijst der beschreven en afgebeelde Tortricina.
O 0 O US
m i i fi ri bd
D NP WI > ©
17.
>
20
19.
Teras longipalpana m.
» affinatana m.
Tortrix subrufana m.
» stibiana m.
Doloploca characterana m.
Conchylis Hedemanniana m.
» olindiana m.
» jaculana m.
» fucatana m.
Grapholitha (Sericoris) expeditana m.
» (Sericoris) quadrimaculana m.
» (Aspis) circumfluxana Christ.
» (Semasia) rigidana m.
» ( » ) lignana m.
Ber or rite ook glebana m.
>» ( >» ) lyrana m.
» (Paedisca) rotundana m.
» ( >» ) acceptana m.
( » ) expressana Christ.
» ( » ) subcorticana m.
( >» ) contrariana Christ.
( » ) perangustana m.
» (Grapholitha) lepidulana m.
Bi » ) nigrostriana m.
Dias _( » ) timana m.
» (Tmetocera) prognathana m.
184 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
4. Teras longipalpana nov. sp. — Pl, 11 fig. 1 en 1a.
Een zeer gave en frissche ¢ van 25 mm. vlugt.
Hoe dwaas het ook moge schijnen om naar één exemplaar eene
nieuwe Teras te beschrijven, zoo geloof ik toch dit zonder gevaar
te kunnen wagen, daar ik een soortskenmerk ontdekt heb, niet
aan kleur of teekening ontleend, maar aan den bouw van een der
ligchaamsdeelen. Door de onbehaarde wortelhelft van den ongeveer
vlakken voorrand der voorvleugels en hunne vrij gladde beschub-
bing wordt de gedachte aan eene varieteit van Hastiana of Abietana
buitengesloten, terwijl de vlinder zich door de ongewoon lange en
breede palpen dadelijk van alle varieteiten van Rufana en Lorquniana
onderscheidt. Ook heb ik van geen der beide laatstgenoemde
soorten ooit zoo groote exemplaren gezien.
Palpen snuitvormig vooruitstekende, met driekant middenlid,
dus den gewonen 7eras-palpenvorm hebbende; zij zijn echter 24
maal zoo lang als de kop, lid 2 is in het midden zeer duidelijk
breeder dan de doorsnede der oogen. Hunne kleur is grootendeels
licht muisgrauw, iets paarsachtig, even als die van den kop en
van de bovenzijde der draadvormige sprieten; een smalle onderrand
der palpen en de onderkant der sprieten zijn licht bruingeel. Bij
Rufana en Lorquiniana zijn de palpen naauwelijks anderhalfmaal
zoo lang als de kop en het middenlid in: het midden naauwelijks
zoo breed als de doorsnede der oogen.
Thorax glad beschubd, zonder de bij Hastiana aanwezige scherpe
langskam. Voorvleugels naar achteren iets verbreed, in het midden
twee vijfden zoo breed als lang, kun voorrand met sterk gebogen
wortelderde, verder vlak tot aan de duidelijke ofschoon stompe
punt; de achterrand loopt vrij schuin, zijne bovenhelft is ongeveer
vlak, de onderhelft afgerond maar minder sterk dan bij Aufana
en vooral dan bij Lorquiniana. Voorrand zonder langere beharing.
Vleugelbekleeding vrij glad, slechts met enkele zeer kleine bosjes
opstaande schubben, die koolzwart zijn. Overigens is de grond bleek,
iets grijsachtig bruingeel, zeer flaauw bruin gewolkt en met eene
driekante, lichtbruine voorrandsvlek, die ongeveer bij twee vijfden
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 185
van den voorrand begint, binnenwaarts bijna tot twee vijfden reikt,
doch zich franjewaarts tot het begin der voorrandsfranje uitstrekt.
De buitenrand is dus dubbel zoo lang als de wortelrand. Deze
bruine driehoek is duidelijk maar niet scherp begrensd en heeft
op hare spits een ongeveer rond, koolzwart, iets ruw beschubd vlekje
en enkele zwarte stippen daarboven. Langs den achterrand en met
dezen evenwijdig, loopen twee rijen zwarte stippen. Franje grijs-
geel, roodbruin gedeeld als de vleugel, tegen de vleugelpunt iets
bruinachtig.
Achtervleugels met duidelijke punt, aan den staarthoek verbreed ,
doch minder dan bij Hastiana 3, bijna als bij Lorquiniana, maar
hunne franje aldaar veel sterker verlengd dan bij die soort. Zij
zijn grijs en over den wortel hunner geelwitgrijze franje loopt eene
tegen den staarthoek verflaauwende donkere lijn.
Onderzijde der voorvleugels bruingrijs, met bleek grijsgelen, fijn
zwart gestippelden buitenrand; die der achtervleugels geelachtig
grijswit met zwart gestippeld puntderde. Borst, buik en pooten
bleek grijsgeel, de bovenzijde der tarsen met donkergrijze stippen.
Aderbeloop het gewone van Teras, de voorvleugels met 12 onge-
steelde aderen, ader 2 iets voor het midden van den binnenrand
der middencel ontspringende, 3—6 iets opwaarts gerigt, in den
achterrand uitloopende, 7—441 in den voorrand. Ader 6 en 7 der
achtervleugels zijn gesteeld.
Amoer-rivier, Chabaroffka, 14 Aug. 1877.
2. Teras affinatana nov. sp. — ‘Pl. 11 fig. 2 en 2a.
Een vrij gaaf paar; de d 14 mm., het 9 12 mm. vlugt.
Dat deze Teras tot de verwantschap van Zerrugana behoort,
wordt door de algemeene kleur van den vlinder aangeduid en leert
ook een onderzoek der palpen, welke even kort en stomp zijn als
bij die soort; verder is de vleugelvorm bijna eveneens en de franje
der achtervleugels aan den staarthoek niet langer. Ook met de
naaste, eveneens gebouwde verwante van lerrugana, Teras querci-
nana Zeller, heeft zij overeenkomst. Wat Afinatana echter van
186 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
beiden onderscheidt, is de sterkere ruwe beschubbing der voor-
vleugels; vervolgens is de vleugelgrond niet, zooals bij de twee
genoemde soorten , met min of meer duidelijk dof netwerk overtogen,
en bestaat de teekening uit vrij duidelijke, dof, roodachtig licht
okerbruine dwarsbanden op vrij sterk goudglitglanzigen grond.
Sprieten bijna naakt, bij den d iets dikker en met duidelijk
afgescheiden, ofschoon toch digt opeengedrongen, driekante leden,
daardoor iets gekerfd schijnende, dus evenals bij de verwanten.
Palpen anderhalfmaal zoo lang als de kop, ongeveer regtuitstekend;
lid 1 dun, ook 2 aan den wortel, maar zeer spoedig sterk verbreed,
aan het stompe uiteinde driemaal zoo breed als aan den wortel,
het eindlid klein en stomp; kleur dof roodachtig okergeel als die
van kop en thorax.
Voorvleugels naar achteren, voorbij de buiging van den voor-
en binnenrand niet meer verbreed, de voorrand in het midden bij
beide sexen iets ingedrukt, minder vlak dan bij Ferrugana en
Quercinana. Daardoor komt de stomp-regthoekige vleugelpunt iets
meer voor, De achterrand is een klein weinig korter dan de helft
van den voorrand, bovenaan zeer steil, naar onderen afgerond
maar niet buikig. Achtervleugels aan den staarthoek niet verlengd,
kwart-elliptisch met stompe punt en afgeronden staarthoek. De
franje is op laatstgenoemde plaats niet meer dan tweemaal zoo
lang als aan de vleugelpunt.
Grondkleur der voorvleugels een roodachtig, flaauw zilverglanzig
bleekgeel en de teekening dof roodachtig okerbruin, waardoor het
uitzigt dier vleugels ongemeen sterk aan goudglit herinnert. Aan
den wortel der vleugelvouw staat een ruw beschubd, okerbruin
vlekje; evenzoo is ook de voorrandswortel gekleurd en bekleed.
Dan komt op een derde eene flaauw en regelmatig rondgebogen,
iets schuine okerbruine dwarsstreep, die op den binnenrand der
middencel en op ader 1, dus iets boven en onder het ruwe
vlekje aan den wortel der vouw, twee schubbendotjes heeft. Deze
dwarsstreep is onderaan 1, aan den voorrand naauwelijks 4
millimeter breed. Op drie zevenden van den voorrand begint de
midden band. Hij is aldaar niet breeder dan de eerste dwarsstreep ,
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE, 187
doch onderaan, aan het eind van den binnenrand, driemaal zoo
breed, loopt overigens iets schuin en is minder gebogen dan de
eerste. Kleur mede donker roodachtig okerbruin, doch even boven het
midden met eene licht roestkleurige stip, ook aan den voorrand
iets donkerder en achter zich, mede aan den voorrand nog een
roestbruin vlekje hebbende, welke teekening dus met die der ver-
wanten overeenkomt. Overigens is de middenband in het midden
geheel ruw beschubd. Het overschietende puntvierde des vleugels
is met eene gebogene schuine (insgelijks ruw beschubde), en meer
naar de vleugelpunt toe, nog met twee kortere, steile dwarsstrepen
geteekend, en de voorrand overigens tusschen het begin der be-
schreven teekening, donker okergeel gestippeld. Franje roodachtig
wit, iets glanzig. Achtervleugels en lijf grijs, de franje grijswit
met eene donkere lijn over den wortel, de staartpluim bij den d
bleekgeel.
Onderzijde der voorvleugels grijs, de grijs gestippelde voorrand
en de franje bleek okergeel, de achtervleugels grijswit, het punt-
vierde eenigszins grijs gesprenkeld; buik en pooten mede grijswit,
aan laatstgenoemden de buitenzijde der scheenen en de bovenzijde
der tarsen bruinachtig gevlekt en gestippeld.
Aderstelsel als bij Zerrugaua.
Chingan-gebergte, 27 en 28 Juli].
3. Tortrix subrufana nov. sp. — PI. 11 fig. 3 en 3a.
Twee goede mannen van 26—27 mm. vlugt.
De ongesteelde aderen 7 en 8 der voorvleugels, hunne duidelijke
ofschoon stompe punt en steile, naar onderen buikige achterrand,
benevens de smalle, opgerigte, iets gebogen palpen en de gewoon
gevormde, boven den wortel niet uitgesneden sprietschaft wijzen
aan deze soort hare plaats binnen het genus Zortrie L., Led.,
waartoe zij duidelijk behoort, aan in de afdeeling A, Cacoecia, ter-
wijl zij zich door de bleek paarsachtig bruingele grondkleur der voor-
vleugels nader doet kennen als eene verwante van Podana Scop.,
waarop zij zeer gelijkt. De groptte yan den vlinder, de stompe
188 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
breede vleugels en de bleek okergele kleur van het achterpaar wijzen
echter dadelijk het verschil aan.
Binnenzijde der palpen, onderzijde van het aangezigt en der
iets gekerfde, kort bewimperde sprieten bleekgeel, de buitenzijde van
eerstgenoemden vurig licht oranjebruin, de bovenhelft van het
aangezigt, de rugzijde der sprieten zeer bleek paarsachtig bruin als
de thorax. Vleugels breeder en stomper dan bij de andere soorten
dezer afdeeling, de voorvleugels zelfs naar achteren duidelijk ver-
breed en aan den staarthoek, bij het begin der franje, goed half
zoo breed als lang. Binnenrand der achtervleugels drie vijfden zoo
lang als de voorrand, hunne punt stomp.
De grondkleur der voorvleugels, die eenen, binnenwaarts echter
aan den rand niet langer behaarden, omslag aan den voorrands-
wortel hebben — even als bij Podana — is een bleek bruingeel,
nog bleeker dan bij typische wijfjes van Podana, en daarover ligt,
even als over de voorvleugels van die soort, eene bleek paarse tint,
die aan den wortel het sterkst is, naar achteren vermindert en op
het laatste vierde van den vleugel naauwelijks te bespeuren valt.
Verder is de grond met een fijn, lichtbruin, afgebroken netwerk
bedekt, gevormd door het zeer fijn bruin beschubde aderbeloop en
afgebrokene , onregelmatige dwarslijntjes. Eene tamelijk zamenhan-
gende hoekige dwarslijn op een vierde der vleugellengte, en die in
het midden buitenwaarts is gebroken, duidt het wortelveld aan, dat
eene vurig kaneelbruin gewolkte onderhelft heeft. Middenband op
een derde van den voorrand, even voor het eind van den omslag,
smal beginnende. Hij loopt iets schuin; zijn vrij scherpe, wortel-
waarts regt (of iets holgebogen) wortelrand bereikt op bijna twee
derden den binnenrand; verder is hij van af den voorrand der
middencel franjewaarts zeer verbreed, maar van daar met zeer
vervloeiden achterrand, en komt onderaan nog iets over het begin
der franje. Zijne kleur is een vurig kaneelbruin, dat tegen den
staarthoek iets paarsachtig gemengd is, terwijl het fijn bruine
netwerk, dat den vleugel bedekt, er door heen schemert. Het
vierde en vijfde zesde van den voorrand worden beslagen door eene
smalle, binnenwaarts afgeronde, op de helft ongeveer half zoo
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 189
breede als lange, vurig kaneelbruine vlek, die ook, maar telkens
iets anders van vorm, bij de verwante soorten voorkomt. Langs
den achterrand, iets met dezen convergerende, loopt, van ader
6—2, eene smalle, naar onder spitse bleek kaneelbruine streep,
ongeveer als bij Podana 3. Franje aan den staarthoek geelachtig,
overigens als de vleugel gekleurd, min of meer zwart bestoven.
Achtervleugels met franje bleekgeel, aan de vleugelpunt een zweem
gebruind. Achterlijf grauwer dan de achtervleugels, vooral aan
den wortel; de staartpluim geler.
Onderzijde van vleugels en lijf, benevens de pooten, bleek oker-
geel, de voorvleugels tegen den binnenrand met grauw bestoven,
hun voor- en achterrand, de punthelft der achtervleugels, de borst
en de buitenzijde der pooten met vrij vurig oranje-okergeel. Ach-
terrand der voor- en punt der achtervleugels met eenige bruine
schrapjes. Franje als boven, die der voorvleugels aan de punt zwarter.
Aderstelsel geheel als bij Podana d.
Suifun.
4. Tortrix stibiana nov. sp. — Pl. 11 fig. 4 en 4a.
Een d en 3 wijfjes van 14—16 mm. vlugt.
Deze kleine Zortrix, die door hare heldergeel en bruin gemengde,
loodkleurig geteekende voorvleugels aan Bergmanniana en Conwayana
herinnert, door den vleugelvorm echter meer aan de grootere
Aurichaleana Bremer (mede uit het Amoerland), heeft ongesteelde
aderen 7 en 8 der voorvleugels, spits snuitvormige palpen en gewoon
gevormde sprieten. Zij staat echter, even als de reeds genoemde
Aurichalcana, door den vorm der voorvleugels onder de mij bekende
soorten zoo zeer op zich zelve, dat zij in geen der afdeelingen
van Yortriv met ongesteelde voorvleugel-aderen past, en wel eene
nieuwe voor deze beiden mogt worden gevormd. De voorrand der
voorvleugels is namelijk ongewoon sterk gebogen, daarbij de vleu-
gelpunt zeer sterk afgerond; ook de staarthoek en de achterrand,
die in het midden geheel vlak is, loopt een’ zweem buitenwaarts.
durichalcana komt hierin met Stibiana overeen, wat wel niet uit
190 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
Bremer’s zeer slechte afbeelding blijkt, maar uit de voor mij
staande exemplaren.
Palpen bijna tweemaal zoo lang als de kop, regtuitstekend, plat;
lid 2 in het midden zoo breed als de oogen, 3 klein, iets hangende.
Voorhoofd met een zeer stomp kuifje. Sprieten bij beide sexen
geheel draadvormig, naakt, zoo lang als de helft der voorvleugels.
Voorrand der voorvleugels, als boven gezegd, sterk en daarbij zeer
gelijkmatig gebogen, bij den ¢ zonder omslag aan den wortel; de
binnenrand is vrij vlak, de achterrand iets korter dan de helft
van den voorrand. Grondkleur der voorvleugels frisch citroengeel;
eene streep langs den voorrand tot twee vijfden, een bij het eind
der voorrandsstreep aansluitende, iets schuine, ongebogen en op de
helft van den binnenrand uitloopende midden-dwarsstreep , benevens
het achterrandsvierde van den vleugel zijn oranjebruin. De voor-
randsstreep komt tot iets boven de helft van den vleugel, heeft
een horizontaal afgesneden binnenrand en is tegen het eind iets
verbreed, de dwarsstreep is ruim 1 mm. breed, niet scherp begrensd
evenmin als de bruine achterrand wortelwaarts. Verder ziet men
eene blinkende, paarsachtig loodkleurige langsstreep over den halfweg
bruinen voorrand en twee gebogene, iets schuine dergelijke dwars-
strepen over den middenband en over den wortelrand van het
bruine achterrandsvierde, terwijl langs de franjezijde van het laatst-
genoemde eene meer blaauwachtig loodkleurige streep gaat. Zeer
enkele, kleine bosjes van opstaande zwarte schubben zijn over den
vleugel verspreid. Franjelijn vervloeijend donker roestbruin; franje
loodkleurig, aan den wortel zeer fijn geel. Achtervleugels en lijf
bij beide sexen donkergrijs; de franje als die der voorvleugels,
maar met minder glans; de mannelijke staartpluim geelachtig.
Op de onderzijde zijn de voorvleugels donkergrijs, de achter-
vleugels benevens borst, buik en pooten lichter.
Ader 3 en 4 der achtervleugels ongesteeld, 5 met haar uit één
punt ontspringende, aan den wortel gebogen.
Aurichaleana is de helft grooter, de voorvleugels zijn lichter,
groener (meer kanariegeel), met bruingrijze, overigens op dezelfde
wijze aangelegde en ook loodkleurig gestreepte teekening. Het achter-
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE, 191
randsvierde der voorvleugels is echter niet verdonkerd en de even-
eens gevormde palpen ruim tweemaal zoo lang als de kop.
De vier exemplaren variëren niet.
Suifun.
5. Doloploca characterana nov. sp. — PI. 11 fig. 5 en 5a.
Twee goede wijfjes van 22 en 23 mm. vlugt.
Dat deze Tortricine tot het genus Doloploca moet worden gebragt,
leert de geheele beuw. Zij verschilt intusschen van Punetulana ,
tot dusver de eenige soort der Europesche fauna, door iets langere
palpen, door juist 22 (niet onder) de vleugelpunt uitloopende ader
7 der voorvleugels en door een weinig verwijderd van ader 3 ont-
springende, niet daarmede juist uit één punt komende, ader 4
der achtervleugels. Overigens zie ik in de generieke kenmerken
geen verschil. Kleur en teekening zijn echter geheel anders dan
bij Punctulana.
Palpen iets langer dan het aangezigt, een weinig smaller dan
de helft der oogen, helder lichtgrijs als de kop. Sprieten draad-
vormig, grijs, iets donkerder geringd. Thorax helder lichtgrijs
(zilvergrijs), aan het eind met eene bruine schubbendot. Voor-
vleugels met sterk gebogen voorrand, duidelijke doch stompe punt,
korten, schuinen, bijna ongebogen achterrand en vrij sterk afge-
ronden staarthoek, juist zooals bij Punctulana. Grondkleur hetzelfde
heldere lichte zilvergrijs als op den thorax, op het midden langs-
derde van den vleugel vervloeijend lichter, weinig meer dan grijswit
en met enkele donkerbruine schubben bestrooid. De eenvoudige
teekening bestaat uit eene zwartbruine figuur op een derde der
vleugellengte, bijna even ver van voor- en binnenrand, die
aan een naar den staarthoek gerigten vogelkop met een stuk van
den hals doet denken, en uit een regtstandig , tweemaal gebroken
zwartbruin dwarslijntje, dat van de spits der middencel naar den
binnenrand loopt en daar even voor den staarthoek aankomt. Het
is franjewaarts breed roetbruin beschaduwd. Daarachter ziet men,
nabij den achterrand, nog twee dwarsrijen fijne zwartbruine stippen:
192 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
Franjelijn ongeteekend; franje als de vleugel, over haren wortel
eene onmerkbaar donkerder lijn.
Achtervleugels gevormd als bij Punctulana, dun beschubd, iets
donkerder en minder helder grijs dan de voorvleugels, eenkleurig
en ongeteekend. Franje iets lichter. Achterlijf niet langer dan de
achtervleugels, stomp, met eene iets grove, langere beharing aan
de randen der ringen, gekleurd als de achtervleugels, aan het
eind iets geelachtig.
Onderzijde der achtervleugels als boven , de voorvleugels een weinig
bruinachtiger en donkerder dan het achterpaar, met van boven
flaauw doorschijnende teekening;' overigens vertoont de onderzijde
nog eenige flaauwe, donkere dwarsschrapjes. Franje als boven,
Borst, buik en pooten lichtgrijs, de tarsen iets bruinachtig.
Pokrowsk , 26 Mei; Imaschina 31 Mei. Beide plaatsen zijn aan
den Amoer gelegen.
6. Conchylis Hedemanniana nov. spec. — PI. 11 fig.
6 en Ga.
Twee gave en frissche wijfjes van 13 en 15 mm. vlugt.
Deze Conchylis, die Hartmanniana in grootte eenigszins nabijkomt ,
herinnert door kleur en teekening aan Kindermanniana. Ader 3 en
4 der achtervleugels zijn kort gesteeld, 5 ontspringt uit het onder-
gedeelte der dwarsader, 7 en 8 der voorvleugels omvatten de
vleugelpunt.
Palpen ruim tweemaal zoo lang als de kop, breed, plat, als een
stompe, iets hangende snuit vooruitstekende, lid 2 in het midden
zoo breed als de oogen, 3 klein, onduidelijk, in de bekleeding van
3 verborgen. Voorhoofd met een kort kuifje. Op zijde zijn de
palpen okerbruin als het midden van den schedel en drie vlekjes
op de schouderdeksels en het schildje, hun bovenrand is iets geel-
achtig wit als de voorhoofdskuif, de schedel op zijde en de grond-
kleur van den thorax. Sprieten bruingrijs. Voorvleugels naar achteren
weinig verbreed, in het midden iets minder dan half zoo breed
als lang, hun voorrand flaauw gebogen, in het midden bijna vlak,
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 193
de punt stomp, de achterrand iets schuin, onder de punt een
weinig ingetrokken, aan den staarthoek afgerond, ongeveer half
zoo lang als de voorrand. Hunne grondkleur is een flaauw glanzig,
niet zeer zuiver wit, die der niet scherpe teekening okerbruin,
lichter of donkerder. Voorrand tot een vierde okerbruin, eene iets
opwaarts gebogene, even lange langsstreep boven den binnenrand
bleeker. Middenband bij twee vijfden des voorrands beginnende,
even ver van den wortel aan den binnenrand uitloopende, aldaar
1 mm. breed, aan den voorrand onbeduidend breeder, flaauw
gebogen, boven de helft zelfs een’ zweem gebroken en op die plaats
aan beide zijden minder duidelijk begrensd dan tegen de vleugel-
randen, alwaar hij ook donkerder, bepaald okerbruin is, terwijl het
middengedeelte eene bleekere tint heeft. Achter den middenband
vindt men aan den voorrand bij een der exemplaren eene bruine
stip, bij beiden aan den: binnenrand een zeer flaauw, driekant ,
bleek okerbruin vlekje voor den staarthoek. Op het achterrandsderde
ziet men eerst eene onregelmatig driekante, met de stompe punt
naar den achterrand gerigte en den voorrand en staarthoek rakende
vlek. Deze vlek is bleek okerbruin, aan de vleugelranden donkerder.
Verder is de voorrand tot aan de punt bij het groote exemplaar
met één, bij het kleine met twee bruine vlekjes geteekend en de
achterrand smal (naar onderen iets breeder) bleek okerbruin, de
franjelijn fijn roestbruin, de franje grauwbruin. Achtervleugels
grijs, hunne lichtere, aan den wortel zelfs iets geelachtige franje
met eene donkerder lijn over den wortel. Achterlijf mede grijs.
Onderzijde der voorvleugels bleek, bruinachtig grauw, op de plaats
van de teekeningen der bovenzijde donkerder gewolkt. Achtervleugels
lichter dan boven. Pooten grijsachtig geel, de tarsen aan de buiten-
zijde grijs gevlekt.
De hier beschreven teekening verschilt dus in onderscheidene
opzigten van die van Äindermanniana en komt bijna meer overeen
met die van Waliniana. Hedemanniana onderscheidt zich echter
van beiden en ook van de volgende soort, door stompere voorvleu-
gels en door het aderbeloop.
Blagowestchenk (Amoer), 27 Junij en 7 Julij.
13
194 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
7. Conchylis Olindiana nov. sp. — PI. 11 fig. 7 en 74.
Vier wijfjes van 15—17 mm. vlugt.
De verwantschap met de voorgaande soort is onmiskenbaar, doch,
afgescheiden van kleinere verschillen in de teekening, merk ik op
dat ader 7 en 8 der voorvleugels hier in den voorrand uitloopen
en 3 en 4 der achtervleugels afzonderlijk ontspringen. Groot is
ook de overeenkomst met Kindermanniana en Straminea , doch eerst-
genoemde is veel kleiner en heeft twee vrij scherpe leembruine
vlekjes aan den voorrand der voorvleugels, terwijl bij laatstgenoemde,
die ongeveer even groot is als Olindiana, de franjelijn der spitsere,
vlakker gerande voorvleugels sterk verdonkerd is. Overigens doet
de vlinder ook denken aan Olinda albulana, van daar de naam.
Palpen als bij de voorgaande soort, maar lid 2 met steileren
voorrand en 3 daardoor duidelijker. Zij zijn onzuiver wit, buiten-
waarts bruinachtig leemgeel bestoven even als kop en thorax. Sprieten
bruingrijs. Een duidelijk voorhoofdskuifje zie ik niet, doch dit kan
afgestoten zijn.
Voorvleugels in verhouding niet breeder dan bij de voorgaande
soort, doch de voorrand iets vlakker en vooral de vleugelpunt dui-
delijker; achterrand flaauw en gelijkmatig gebogen, iets schuin,
half zoo lang als de voorrand. Hunne grondkleur is een niet zeer
zuiver wit, dat doffer en meer bruinachtig schijnt dan bij de voor-
gaande soort, omdat de grond tusschen de — ongeveer eveneens
aangelegde — teekening overal een weinig donker okergeel is ge-
wolkt en dus minder uitkomt. Vleugelwortel okerbruin gewolkt,
vooral tegen den voorrand, maar niet zoo zeer in den vorm van
twee langsstreepjes als bij Hedemanniana. Middenband met een zeer
klein leembruin vlekje op drie vijfden van den voorrand beginnende,
verder op den voorrand der middencel afgebroken maar niet scherp,
vervolgens schuin naar de helft van den binnenrand loopende; dit
tweede of hoofdgedeelte van den band is ongeveer 1 mm. breed,
wortelwaarts in de vouw iets naar buiten gebroken, franjewaarts
op ader 1 iets wortelwaarts hol; de kleur is licht okerbruin, en
hij is aan beide zijden vrij scherp door de grondkleur afgezet,
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 195
vooral de benedenhelft; franjewaarts heeft hij in de vouw een
onduidelijk zwartbruin tandje. Staarthoek juist bij den aanvang der
franje met eene kleine, zwartbruine, driekante vlek en daarvóór
een donker okergeel vlekje. Iets boven den staarthoek ziet men een
wortelwaarts gebroken, donker okergeel dwarsstreepje (&), dat de
vleugelranden ongeveer bereikt; de voorrand is verder met 3 of 4
okerbruine stipjes geteekend en vóór, parallel met den achterrand,
loopen twee flaauwe donker okergele dwarsstreepjes. Franje als de
vleugel, geel gevlekt. Achterlijfsrug donkergrijs, ook de achter-
vleugels, met eene lijn over den wortel hunner lichtgrijze franje.
Op de onderzijde zijn de voorvleugels donkergrijs, de tweede helft
van den voorrand donker okergeel, met een paar bruine vlekjes, de
franje als boven. Achtervleugels lichtgrijs. Pooten vuil geelwit, buiten-
waarts bruingrijs bestoven, de voor- en middentarsen aldus geringd.
Albasin (Amoer), 4 en 6 Junij.
8. Conchylis jaculana nov. sp. — PI. 11 fig. 8 en 8a.
Een paar; de 3 18, het 9 20 mm. vlugt.
Hoewel de beide voor mij staande exemplaren dezer nieuwe soort
niet geheel gaaf zijn, is zij toch zoo kennelijk, dat ik geen bezwaar
maak, haar te beschrijven. Na verwant is zij eigenlijk aan geene
mij bekende Conchylis, het meest nog aan Milarana Herr. Sch.,
doch deze heeft Zeemkleurige (niet zilvergrijze) voorvleugels met eene
donker okerbruine streep op den binnenrand. Wat het aderbeloop
aangaat, zoo omvatten ader 7 en 8 bij Jaculana de voorvieugelpunt,
terwijl ader 3 en 4 der achtervleugels uit één punt komen. Het
wijfje is merkbaar diklijviger dan de man, en deze heeft geen om-
slag aan den voorvleugelvoorrand.
Sprieten bruin, bij den man vrij dik, vooral tegen den wortel,
met vrij duidelijke, naar de punt sterk in lengte afnemende
kerftanden, buitendien kort en fijn bewimperd. Palpen ruim 24
. maal zoo lang als de kop, spits, geneigd; lid 2 is vóór de helft
zoo breed als de oogen en versmalt van daar regelmatig; lid 3 is
vrij lang, maar niet duidelijk, omdat het op de spitse punt van
196 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
lid 2 ligt. De palpen zijn overigens buitenwaarts donkerbruin, doch
de bovenrand is zilvergrijs als de korte stompe voorhoofdskuif, de
schedel en de thorax.
Voorvleugels ongeveer in den trant van die van Mi/arana, Stra-
minea en Ciliella gevormd, dus met bijna vlakken voorrand, spitse
punt, schuinen, vrij vlakken achterrand en even voorbij den wortel
gebogen binnenrand. Hunne grondkleur is een zilvergrijs, dat naar
achteren en tegen den voorrandswortel iets verdonkert; tot ongeveer
twee derden der vleugellengte is het ongeveer zoo als op den thorax,
het lichtst om eene spitse, driekante, pijlpuntvormige streep, die
bij een vierde van den binnenrand begint, onderaan 15 mm. breed
is en schuin omhoog loopt, om, op een vierde der vleugelbreedte,
onder het midden van den voorrand, vrij scherp gepunt te eindigen.
Deze streep is ongebogen, alleen de buitenrand is flaauw bogtig
en zij is scherp iets helderder wit dan de grond begrensd. Andere
teekening is niet aanwezig, alleen ziet men het meest tegen den
achterrand, enkele bruine stofjes, die flaauwe gewaterde lijnen vor-
men. Naar de overblijfselen oordeelende, zou ik zeggen dat de
franje bij deze soort donkerbruin is.
Achtervleugels met franje en achterlijf grijs, loodkleurig, don-
kerder dan de voorvleugels, namelijk dan het lichtere gedeelte van
deze; staartpluim en spits grijswit. Op de onderzijde zijn de voor-
vleugels donkergrijs, bruinachtig, ook de voor- en middenpooten
en deze met licht geringde tarsen. De achtervleugels zijn iets lichter
dan boven, vooral tegen binnenrand en staarthoek, de achterpooten
bijna grijswit, hunne scheenen breed, plat.
Suifun.
9. Conchylis fucatana nov. sp. — PI. 44 fig. 9 en 9.
Drie goede exemplaren; 2 mannen van 14 en 15 mm., 1 g van
13 mm. vlugt.
Op het eerste gezigt zou men dezen vlinder voor eene Tineine,
verwant aan Zueurvaria houden, doch de breede, platte stompe
palpen, zonder zigtbaar eindlid, de driekante, regelmatige middencel
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 197
der kwart-elliptische achtervleugels en eindelijk ook het kleine in-
druksel aan de basis van ader 14 derzelfde vleugels (door eene
korte, wortelwaartsche vorking dier ader veroorzaakt), doen ons
weldra zien dat wij met eene Tortricine te doen hebben en wel,
uithoofde van den onbehaarden binnenrand van de middencel der
achtervleugels en de zeer na bij den staarthoek van de middencel
ontspringende, naar beneden gerigte ader 2 der voorvleugels, met
eene soort van het genus Conchylis en niet, gelijk men ook zou
kunnen meenen, met eene Sciaphila uit de verwantschap van
Osseana of Longana. Ader 7 der voorvleugels loopt onder de vleu-
gelpunt uit, 3 en 4 der achtervleugels ontspringen bij de mannen
ongesteeld uit één punt (bij het 2 zijn-zij kort gesteeld) en 5 komt
even boven den staarthoek uit den achterrand der middencel.
Onder de mij bekende soorten van het genus Conehylis weet ik er
intusschen geene, waarmede Fucatana verward zou kunnen worden.
Palpen iets hangende, tweemaal zoo lang als de kop; lid 2 is
in het midden zoo breed als de oogen. Hunne kleur is bleekgeel,
buitenwaarts okerbruin. Kop bleekgeel. Sprieten okerbruin, bij den
d fijn bewinperd. Thorax bleekgeel; een kort, dik haarbosje aan
het eind bovenaan okerbruin. Voorvleugels lang en smal; in het
midden bedraagt de breedte slechts een derde der lengte en zij
zijn tot twee derden slechts weinig verbreed, van daar af sterker.
De voorrand is vlak, op twee derden iets ingedrukt, de vleugelpunt
duidelijk doch stomp, de achterrand is zoo lang als de helft van
den voorrand, schuin, tot ader 4 vlak en dan, om den staarthoek ,
afgerond; de franje naar onderen iets verlengd. De voorvleugels
zijn dus ongeveer gevormd zoo als bij Conch. elongana, francillana
en, zooals gewoonlijk, op twee derden iets geknikt.
Grondkleur der voorvleugels bleek ledergeel, bij het 9 bleeker
dan bij den d en vrij zuiver, bij de andere sexe tot twee derden
door een grauwachtig waas eenigszins verduisterd, vooral bij den
grootsten en gaafsten der beide mannen. Verder is het aderbeloop
roestbruin beschubd, tot twee derden bleeker, grauwer en iets
vervloeid, op het laatste derde zeer fijn en scherp. Franjelijn scherp,
donker roestbruin, Van de gewone Tortricinen-teekening is niets te
198 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
zien. Franje onder en boven zeer donker grijs met eene grauwbruine
deelingslijn. Achtervleugels grijs, middelmatig donker en eenkleurig,
het aderbeloop iets donkerder. Franje als de vleugel, tegen den
staarthoek iets lichter, over haren wortel eene donkere lijn. Ach-
terlijf grijs met bruingele staartpluim. Op de onderzijde zijn de
voorvleugels donkergrijs, tegen den achterrand geelbruin, de ach-
tervleugels lichter dan boven. Pooten bruingeel.
Anosowa (Amoer), 15 Junij 1877.
10. Grapholitha (Sericoris) expeditana nov. sp. —
PI. 12 fig. 1 en 1a.
Twee mannen, waarvan een geheel gaaf en frisch, van 18 mm.
vlugt.
Wie eenigszins nader met de Tortricinen bekend is, ziet dadelijk
dat hij hier eene verwante van onze welbekende Sericoris lacunana
voor zich heeft, en bij nader onderzoek wordt dit ook bevestigd.
Niet alleen kleur en teekening, maar ook het aderbeloop, verwijzen
Expeditana ontwijfelbaar tot de genoemde afdeeling van het genus
Grapholitha, terwijl het gelijkmatig verdonkerde puntvierde der voor-
vleugels haar tot de groep van Zucivagana Zell. (Rupestrana Dup. 2),
Olwana Tr. en Palustrana Zell. verwijst. Van deze drie soorten
wordt zij door de onzuiver olijfgroene, smal en vrij dof wit geteekende
voorvleugels zonder inmenging van roestbruin, door de ontbrekende
zwarte langsstreepjes van hun middenveld of door het tot den
voorrand gelijkmatig verdonkerde puntvierde en door de grootte
onderscheiden. Beide laatstgenoemde kenmerken gelden vooral tot
onderscheid van Zucivagana.
Palpen onzuiver wit, donkergrijs gevlekt. Kop en thorax donker
olijfgroen, als de voorvleugels; haren op den schedel, een rand
om den halskraag, het eind der schouderdeksels en eene vlek op
het schildje wit, min of meer zuiver. De vorm der voorvleugels is
zooals bij de genoemde Sericoriden, aan de punt een weinig afge-
rond, hun achterrand iets schuin, ongeveer vlak, niet zooals bij
Lacunana, waar de vleugelpunt stomp-regthoekig en de vrij steile
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 199
achterrand onder de punt een’ zweem ingetrokken is. Grondkleur
dof olijfgroen, doch door fijne bestuiving zwartachtig, het meest
in het wortel- en middenveld, bij het gave exemplaar op het achter-
randsvierde alleen tusschen de voorrandshaakjes. Wortelveld op de
grootere basaal-helft sterk met onzuiver witte vlekjes geteekend,
de kleinere tweede helft zuiver zwartachtig olijfgroen. Eerste lichte
streep over het geheel niet breeder dan twee vijfden van het wor-
telveld, bijna even smal als bij Oliwana en Palustrana, doch nog
scherper begrensd dan bij laatstgenoemde, met onregelmatiger
randen, bovenaan minder verbreed, voorts scherp donker gedeeld
door eene afgebrokene donkergrijze middenlijn en dof onzuiver,
grijsachtig wit, zonder loodkleurige zijdelijnen. Middenveld met
scherpen, gebogen en iets gegolfden wortelrand, met een onzuiver
wit stipje aan den binnenrand en eene vrij groote, helder dofwitte
ronde stip op de dwarsader, nabij de plaats waar twee grijsachtig
witte, fijn donkergrijs gedeelde, iets gegolfde dwarsstrepen elkander
iets boven het midden van den vleugel doorkruisen. De eerste dezer
lijnen begint aan het midden van den voorrand en loopt in den
staarthoek uit; zij is even onder het vermelde kruispunt kort
afgebroken en het steilere ondereind zilverglanzig. De tweede ont-
springt aan den voorrand iets verder puntwaarts, loopt in tegen-
overgestelde rigting, is op de helft iets buitenwaarts gebogen en
eindigt op drie vierden van den binnenrand. Het door het boven-
stuk der eerste en het onderste gedeelte der tweede begrensde
puntvierde van den vleugel is met twee smalle, witte, donkergrijs
gedeelde voorrandshaakjes en twee of drie fijne witte geslingerde
lijntjes voor den achterrand geteekend. Franjelijn fijn zwart, franje
wit , met zes zwartgrijze stippen, waarvan die in het midden grooter
zijn, en de beide in cel 2 en 3 ineenvloeijen; aan de vleugelpunt
is de buitenrand der franje zwart. Achtervleugels boven donkergrijs,
onder lichter, donker gesprenkeld; hunne franje lichtgrijs met eene
donkere lijn over den wortel. Achterlijf donkergrijs met korte,
lichtgrijze staartpluim.
Onderzijde der voorvleugels donker bruingrijs met vuil okergele,
donker gedeelde voorrandsvlekjes en sporen van eveneens gekleurde
200 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
lijntjes tegen den achterrand, de franje als boven. Pooten grijs,
de tarsen onzuiver geel geringd.
Imaschina (Amoer), 31 Mei (de gave ¢); Semerow (Amoer), 19 Junij.
41. Grapholitha (Sericoris) quadrimaculana nov. sp. —
Pl. 12 fig. 2 en 2%.
Een gaaf 9 van 14 mm. vlugt.
Hoewel ik van deze soort slechts een wijfje voor mij heb, is
het exemplaar zoo gaaf en de soort zoo kennelijk, dat ik besluit
haar bekend te maken, vooral daar ik in de gelegenheid ben, door
Dr. van Leeuwen’s welwillende hulp, mijne beschrijving door eene
voldoende afbeelding toe te lichten. Dat deze Grapholitha tot het
subgenus Sericoris, zooals ik het aanneem, behoort, wordt door
de aan den wortel iets gebogen ader 5 der achtervleugels en hunne
uit één punt ontspringende, doch ongesteelde aderen 3 en 4 aan-
geduid; 6 en 7 der achtervleugels zijn gesteeld, 7 en 8 der voor-
vleugels ongesteeld. De vlinder moet overigens tusschen Bipunctana
Fabr. en Tiedemanniana Tell. worden geplaatst.
Palpen regtuitstekend, bijna tweemaal zoo lang als de kop, lid
2 naar voren verbreed, 3 kort maar duidelijk. Lid 4 en 2 zijn
onzuiver wit, 3 is donkergrijs. Schedel onzuiver roestgeel, hals-
kraag vuilwit. Thorax-rug zwartbruin (schijnt iets spekkig), schou-
derdeksels vuilwit, met twee donkergrijze vlekken. Sprieten
donkergrijs.
Voorvleugels ongeveer gevormd als bij het wijfje der bekende,
bovengenoemde Bipunctana, met even gelijkmatig gebogen voorrand,
iets stompere punt en ook iets schuineren, meer gelijkmatig gebogen
achterrand. Zij zijn na een derde niet meer verbreed. Hunne
grondkleur is een zeer donker, dof koffij- of gebrande omber-bruin,
gemengd met iets glanzig, vaal blaauwzwart. Deze laatste kleur
heeft de overhand op het wortelderde, terwijl het tweede vrij
zuiver bruin is en het blaauwzwart op het overige van den vleugel
slechts hier en daar te voorschijn komt. Verder bemerkt men twee
zeer onduidelijke roetzwarte langsstrepen, die vooral op het midden-
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 201
derde te zien zijn, en is het bovengedeelte van het laatste derde,
dus tegen de vleugelpunt, mede sterk roetzwart gemengd. Vleugel-
wortel tegen den voorrand met eenige vuilwitte schrapjes. Overigens
bestaat de teekening uit vier helderwitte vlekken op twee vijfden
en vier vijfden, ongeveer regt tegenover elkander aan den voor-
en binnenrand geplaatst, de bovenste iets meer wortelwaarts en
de tweede onderste in den staarthoek. De beide eersten, op twee
vijfden, zijn driekant, iets onregelmatig (de spitsen naar elkander
gewend), ieder met eene zwarte randstip en nog met eenige zwarte
stofjes geteekend. De tweede voorrandsvlek, de kleinste der vier,
is mede bijna driekant, doch hangt met de stompe spits aan den
rand, terwijl de vierde, grootste, ongeveer vierkant is met onregel-
matig getanden bovenrand. Voorts ziet men eene kleine witte stip
op de dwarsader, een wit voorrandsstipje voor de tweede vlek en
nog vijf andere, twee voor, drie onder de vleugelpunt. Franjelijn
van de punt tot de vlek in den staarthoek zwart, wortelwaarts,
vooral naar onderen, met eenige geelachtige schubben. Franje wit.
. Achtervleugels op de bovenzijde grijs, tegen den wortel der
cellen 2—4 iets witachtig, hunne franje grijswit met eene grijze
lijn over den wortel. Op de onderzijde zijn zij vuilwit, dun grijs
bestoven. Onderzijde der voorvleugels donkergrijs, een dwarsband
van twee derden des voorrands naar den staarthoek wit, iets grijs
bestoven, vlekjes op hunnen voor- en achterrand geelwit, de franje
wit, grijs bestoven, vooral naar boven. Achterlijf grijs, met geel-
wit gerande ringen. Pooten geelwit, vlekjes op de buitenzijde der
voor- en middenscheenen en ringen om de tarsen donkergrijs.
Blagowestchenk (Amoer), 25 Junij.
12. Grapholitha (Aspis) circumfluxana Christ., Bull.
de Moscou 1881 p. 1 (sep. p. 166) n°. 110. — PI. 12 fig. 3 en 3a.
Een gaaf paar van 14—15 mm. vlugt.
Niet alleen bij eene oppervlakkige beschouwing en oordeelende
naar kleuren teekening, maar ook na grondig onderzoek, herkent
men in deze soort eene verwante van onze welbekende Uddmanniana L.
202 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
Aderbeloop en vorm der palpen zijn hetzelfde en alleen de voor-
vleugels wat smaller en de omslag aan den voorrand ontbreekt bij
den man.
Palpen regtuitstekende, weinig langer dan de kop, lid 2 naar
voren sterk verbreed en aldaar zoo breed als de doorsnede der
oogen, aan de voorzijde regt afgesneden, iets ruw behaard. Eindlid
kort. De palpen zijn aan de binnenzijde vuilwit, buitenwaarts muis-
grauw als het zeer korte voorhoofdskuifje en de schedelbeharing.
Sprieten naakt, bijna draadvormig, de driekante leden bij den
man iets dikker en een weinig duidelijker afgescheiden. Thorax
glad beschubd, gekleurd als de voorvleugels. Deze zijn naar achteren
weinig doch zeer regelmatig verbreed, hun voorrand is alleen aan
den wortel een weinig gebogen, verder vlak, de punt is stomp
regthoekig, de achterrand tot ader 4 bijna loodregt en ongebogen,
vervolgens afgerond, overigens weinig langer dan de helft van den
voorrand. Binnenrand bijna vlak, slechts een zevende korter dan
de voorrand.
De zeer effene grondkleur der voorvleugels verschilt een weinig
bij de beide exemplaren. Bij den zeer gaven en frisschen man is
zij een zeer aangenaam, paarsachtig dof, loodkleurig grijs, tegen
de vleugelpunt een weinig donkerder, maar bij het iets afgevlogen
wijfje is de kleur onzuiverder, bruiner getint. Over den geheelen
vleugel loopen zeer fijne, steile, gegolfde, sterk afgebroken’ donker-
bruine dwarslijntjes, die aan den voorrand met iets dikkere, schuine
streepjes beginnen. Eene dezer lijnen, in den: staarthoek, is dikker,
duidelijker en meer zamenhangend dan de andere. Verder ziet men
juist op het midden van den binnenrand eene stomp driekante,
zwartbruine vlek, die tot de middencel, halfweegs den voorrand
reikt. Duidelijke voorrandshaakjes ontbreken , ook het schild. Franje-
lijn fijn donker. Franje om den staarthoek als de vleugel gekleurd,
overigens iets donkerder en iets glanzig.
Achtervleugels met franje en achterlijf donkergrijs. Onderzijde
eenkleurig, de voorvleugels donkerder, de achtervleugels iets lichter
dan de bovenzijde van laatstgenoemde. Franje als boven. Pooten
grijs, de tarsen lichter, grijsgeel geringd.
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 203
Uddmanniana is grooter, de man heeft eenen omslag aan den
gebogen voorrand der voorvleugels, de grondkleur van deze is
bleeker, groenachtig geelgrijs, de driekante binnenrandsvlek staat
verder naar achter, in den staarthoek, is ook naar verhouding
kleiner en meer koffijbruin. Verder is de gewone Tortricinen-teekening
aangeduid, olijfgrauw gekleurd en zijn in het bijzonder de voorrands-
haakjes zeer duidelijk. Junetana H. S. en Jaspidana Christ. verschillen,
naar de beschrijvingen te oordeelen, nog meer. Christoph’s boven
aangehaalde beschrijving is goed.
Kumara, 17 Junij (4); Blagowestchenk, 25 Junij (2).
13. Grapholitha (Semasia) rigidana nov. sp. — PI. 12
fig. 4 en 4a.
Een gaaf paar; de d 26 mm., het g 21 mm. vlugt.
Hebben de soorten van het subgenus Semasia in het algemeen,
wat de teekening betreft, een eenigszins stijf en houterig voor-
komen, met de nu te beschrijven Tortricine is dit in vrij hooge
mate het geval. Ader 4 der achtervleugels is, zooals bij de meeste
Semasiën, aanwezig en gesteeld met 3 (bij Contermimana en Latiorana
ontbreekt die ader, althans somwijlen, en bij Hypericana zijn beiden
ongesteeld). Overigens is Rigidana, wat de teekening betreft, het
naast verwant aan Hohenwarthiana, naar de kleur aan Jaceana.
Palpen tweemaal zoo lang als de kop, driekant, lid 2 in het
midden zoo breed als de oogen; verder zijn zij plat, langharig,
buitenwaarts muisgrauw , onderaan grijswit. Sprieten grauwbruin.
Schedel reebruin. Thorax weder donkerder, meer grijsbruin. De
voorvleugels zijn reeds bij den wortel vrij breed en verbreeden
naar achteren niet veel meer, de voorrand flaauw en gelijkmatig
gebogen, de achterrand iets korter dan de helft van den voorrand,
even zoo veel langer dan de helft van den binnenrand, van boven
af iets schuin, onder de duidelijke, stompe vleugelpunt eerst vlak,
van af ader 5 gebogen, de staarthoek afgerond.
De grondkleur der voorvleugels is bij den & zuiver licht leem-
kleurig grauw, dof met leemkleurig okerbruine, niet scherpe
204 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
teekeningen, die minder dof zijn, terwijl de vrij scherpe streepjes
tusschen de voorrandshaakjes en de afzetting van het schild vuil
witgrijs zijn en min of meer zilverglans vertoonen. Uit den binnen-
randswortel loopt, een weinig opwaarts, eene ongebogene, ongeveer
44 mm. breede bruine langsstreep, die op de helft van den vleugel
stuit tegen een scherp gebroken bruinen middendwarsband, wiens
smallere bovenhelft op het midden van den voorrand begint, aldaar
duidelijk vuil witgrijs is afgezet en scheef loopt, terwijl de breedere
onderhelft vrij steil is en den binnenrand van ruim twee derden
tot den staarthoek beslaat. Aan de buitenzijde, van de plaats waar
de middenband is gebroken, ontspringt verder eene iets tegen den
voorrand gebogene, 1 mm. breede langsstreep, die een weinig
grauwer is, aan den achterrand eindigt en zoo van boven het
ongeveer ronde, leemkleurige, aan beide zijden door twee gebogene
grijszilveren streepjes afgezette, met twee zwarte langslijntjes ge-
teekende schild bezoomt. Voorrand voor den middenband met bruine
stippen, daar voorbij met bruine vlekjes, afgezet door vuil wit-
grijze, iets glanzige streepjes, die scheef loopen, behalve een kort
en een lang voor de vleugelpunt, welke regtstandig zijn. Franje
grijs, van de plaats waar de buiging van den achterrand begint
naar, beneden glanzig. Op het leemkleurig grijze wortelgedeelte
onder en boven de bruine langsstreep is de grond eenigszins
(overlangs) striemig. |
Bij het g is de grond zoo veel donkerder, grauwer getint, dat
de teekening, ofschoon deze ook donkerder , bijna koffijbruin gekleurd
is, weinig uitkomt. Alleen het schild is gedeeltelijk licht leem-
grauw en de streepjes aan den voorrand, voorbij den middenband,
zijn even scherp en licht als bij den d. Verder loopt de bruine langs-
streep uit den vleugelwortel spits toe tegen den middenband en is
deze wortelwaarts uitgehold.
Achtervleugels grijs, donker en eenkleurig, vooral bij het 2; de
franje witgrijs, met eene donkere lijn over den wortel. Achterlijf
even donker als de vleugels.
Onderzijde der vleugels donkergrijs, bij den & op het achterpaar
iets lichter, de voorrand der voorvleugels met flaauwe grijsgele
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 205
streepjes, de franje lichtgrijs als de pooten; deze met grijsgeel
geringde tarsen.
Eiland Askold.
14. Grapholitha (Semasia) lignana nov. sp. — PI 12
fig. 5 en 5.
Vier min of meer goede exemplaren; 3 mannen van 19—22 mm. ,
1 2 van 20 mm. vlugt.
Deze soort, door de teekening van het puntderde der voorvleu-
gels aan Arabescana Eversm. herinnerende, verschilt van de overige
soorten van Semasia door de zeer bleeke, ongeveer houtgele kleur
dier vleugels en hunnen smallen, spitsen vorm. Ader 3 en 4 der
achtervleugels zijn gesteeld, 5 is aanwezig.
Palpen anderhalfmaal zoo lang als de kop, stomp gepunt, bleek
houtgeel, aan de buitenzijde, vooral tegen de punt, iets grauw-
achtig. Sprieten dun, bijna draadvormig, licht bruingrijs. Kop bleek
houtgeel. Thorax in kleur overeenkomende met de voorvleugels.
Deze zijn lang en smal, naar achteren zeer weinig verbreed; de
voorrand is bijna vlak, de punt vrij duidelijk; de schuine, vlakke
achterrand niet langer dan drie achtsten van den voorrand of drie
zevenden van den binnenrand; de staarthoek stomp, maar duidelijk.
Hunne grondkleur is een zeer bleek, grijsachtig oker- of houtgeel
met leemgrauwe, een weinig donkerbruin beschubde teekeningen.
Wortelveld zeer onduidelijk; het steekt in het midden met eene
spitse, tot twee vijfden der vleugellengte reikende punt uit, terwijl
de rand naar boven en onderen zeer schuin loopt, doch bij alle
exemplaren zijn er slechts tegen den buitenrand donkere langs-
streepjes in de cellen van overgebleven. Middenband van de helft
van den voorrand naar den staarthoek loopende, weinig meer
dan 1 mm. breed, naar onderen niet verbreed, geheel ongebogen,
wortelwaarts niet scherp begrensd, franjewaarts duidelijker en met
een scherpen tand even onder het midden. Ook de middenband
toont eene neiging om zich in leemgrauwe, donkere bruin be-
schubde langsstreepjes op te lossen. Boven den staarthoek ziet men
206 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
het kleine, onduidelijke, stomp-liggend ovale schild. Het is bleek-
geel, met twee fijne zwarte langslijntjes, een weinig goudglitglanzig
afgezet. Boven het schild ziet men eene gebogene leemgrauwe
langsstreep, die op drie vierden van den voorrand begint, zich naar
onderen wendt, het schild raakt en dan weder opwaarts gebogen ,
in de vleugelpunt uitloopt. Dezelfde teekening is ook bij Arabescana
aanwezig, maar scherper. Binnen het half-ovaal der grondkleur , door
de beschrevene streep aan den voorrand afgezonderd, ziet men een
half ovaal donker randvlekje en de achterrand is smal leemgrauw.
Franje aan den wortel, maar niet bij alle exemplaren geheel tot
aan de vleugelpunt, grijswit, verder grijs met een paar fijne bruine
deelingslijnen. Achtervleugels grijs, bij de mannen licht, bij het 2
vrij donker, met smal donkerder franjelijn en lichtere franje.
Onderzijde der voorvleugels donkergrijs, de voorrand tegen de
vleugelpunt geelachtig, de achtervleugels lichter dan boven. Ach-
terlijf en pooten grijs, als de bovenzijde der voorvleugels. Staart-
pluim niet lichter.
De mannen zijn bij Irkutzk op 24 en 30 Augustus gevangen,
het ¢ op 21 Junij.
15. Grapholitha (Semasia) glebana nov. sp. — PI. 12
fig. 6 en 6a.
Vijf exemplaren; een d van 17, 4 wijfjes van 14-49 mm.
vlugt. |
Deze soort, die zich niet alleen door de kleur en teekening, maar
ook uithoofde van het aderbeloop, als eene duidelijke Semasia doet
kennen, onderscheidt zich zeer doordat de voorvleugels tot over
de helft geheel ongeteekend zijn. Myperieana heeft in dit opzigt
nog de meeste overeenkomst met Glebana, maar vooreerst hebben
de voorvleugels bij eerstgenoemde eene veel warmere, oranjebruine
grondkleur, met duidelijke fijne donkere langslijnen op de wortelhelft,
en dan kenmerkt zij zich onder de Semasiën zeer door de onge-
steelde aderen 3 en 4 der achtervleugels. Deze aderen zijn bij al
de voor mij staande exemplaren van Glebana korter of langer gesteeld,
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 207
Palpen bijna tweemaal zoo lang als de kop, driekant, stomp
gepunt, aan de voorzijde iets ruig, witgrijs, aan de buitenzijde
met muisgrauwe haren, het eindlid niet duidelijk. Kop met wit-
grijze en bleek leemgele haren bedekt. Sprieten bruingrijs, bij het
2 geheel draadvormig en naakt, bij den ¢ iets dikker, met duide-
lijker afgescheiden leden, zeer kort bewinperd. Thorax leemkleurig.
Voorvleugels naar achteren niet verbreed; de voorrand bijna vlak,
althans tegen de punt, bij den d zonder omslag; punt stomp ;
achterrand iets korter dan de helft van den voorrand, zoo lang als
de halve binnenrand, iets schuin, onder de vleugelpunt vlak, tegen
den afgeronden staarthoek gebogen. De grond der voorvleugels is
zuiver leemkleurig, glad maar niet glanzig, aan den wortel en
vooral langs den voorrand, tot de helft, het lichtst, naar achteren
iets donkerder en warmer, meer okerbruin, het laatste vooral op
de tweede helft. Teekening, in den vorm van donkerder of lichter
langs- of dwarsstrepen, is op de eerste helft van den vleugel niet
aanwezig, met uitzondering van twee flaauwe donkere langslijnen
op het midden, doch reeds spoedig voorbij den wortel beginnen aan
den voorrand geelwitte en donkergrijze stippen, die, langzamerhand
grooter wordende, ongeveer op de helft overgaan in schuine, onge-
paarde streepjes — de gewone haakjes. De beide laatsten, voor de
vleugelpunt, zijn regtstandig. Boven den staarthoek ziet men het
schild; het is cirkelrond, iets plat gedrukt, tegen den voorrand
open, overigens door eene dikke, loodkleurige lijn gezoomd, zoodat
het iets op eene liggende © gelijkt. Van binnen is het lichter en
grijzer en met twee dikke, koolzwarte langsstreepjes geteekend.
De gewone loodkleurige lijntjes, die, uit de voorrandshaakjes komende,
in min of meer schuine rigting benedenwaarts loopen, zijn bij deze
soort zeer flaauw. Achter het schild, langs den achterrand, ziet
men eene smalle, helder lichtgrijze beschubbing, met zwarte stipjes
gemengd. Deze grijze beschubbing zet zich ook voort op de franje,
tot twee derden, en is daar met twee zwarte lijnen geteekend.
Achtervleugels donkergrijs, tegen den wortel lichter. Franje wit-
grijs, met eene donkere lijn over den wortel. Achterlijf donker-
grijs, bij den & stomp, bij het 2 vrij dik. Onderzijde grijs, op de
208 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
voorvleugels donkerder, op de achtervleugels eenigszins geel getint.
Pooten en buik grijsgeel.
Pokrowsk, 29 Mei; Baitonowa, 6 en 9 Junij; Tschernajewa, 11 Junij.
16. Grapholitha (Semasia) lyrana nov. sp. — PI. 12
fig. 7 en Ta.
Een paar van 16—417 mm. vlugt.
Deze nieuwe Semasia schijnt mij toe, naar de beschrijving en
ook naar eene voor mij liggende afbeelding te oordeelen, aan Sub-
terminana Erschoff verwant te zijn, indien ten minste Subtermimana
geene Sericoris is, wat mij, met het oog op den slanken, met de
mannen van Lacunana, Urticana en andere Sericoriden overeen-
komenden bouw, niet geheel ontwijfelbaar toeschijnt. Zij zou in
dit geval reeds door het aderbeloop genoegzaam onderscheiden zijn
van Lyrana, die anders door mindere grootte, de spitse voorvleu-
gelpunt van den d, de stompgepunte achtervleugels van beide
sexen en de veel kleinere lichte vlek op den binnenrand der
voorvleugels, duidelijk van Subterminana — altijd op beschrijving
en afbeelding afgaande — verschilt. Bij Zyrana ontspringt de aan
den wortel gebogene ader 5 der achtervleugels uit één punt met
den steel der aderen 3 en 4.
Palpen niet ten volle anderhalfmaal zoo lang als de kop; lid 2 naar
voren verbreed, stomp en iets ruigharig; lid 3 kort maar vrij
duidelijk. Zij zijn wit, iets onzuiver, buitenwaarts met bruingrijze
haren tegen het eind. Aangezigt onderaan wit. Kop leemkleurig
behaard. Sprieten grauwbruin (bij den & afgebroken). Thorax
jeemkleurig. Voorvleugels bij den d naar achteren iets verbreed en
de voorrand (zonder omslag) alleen aan de eerste helft gebogen,
de tweede helft vlak, de voorrandshoek scherp, zelfs iets naar
boven omgebogen. Achterrand half zoo lang als de voorrand, met
steile bovenhelft, de staarthoek afgerond. Binnenrand een zesde
korter dan de voorrand. De grondkleur der voorvleugels is tot drie
vijfden leemgeel, aan den wortel en langs den voorrand iets stre-
perig bleek kaneelbruin gemengd. Een wortelveld wordt slechts
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 209
flaauw aangeduid , evenzoo eene lichtere binnenrandsvlek , wier vorm
naar den vierkanten zweemt, die het derde vierde van den rand
beslaat en naar boven niet hooger dan tot aan de middencel of
twee vijfden der vleugelbreedte reikt. Achter de vlek ziet men een
flaauwen, vrij steilen, iets geslingerden middenband, die onderaan
het duidelijkste is als eene driekante, bleek kaneelbruine vlek,
achter de lichte en iets smaller dan deze. Puntderde bleek kaneel-
bruin. Schild klein, rond, door een tegen den voorrand openen
loodkleurigen kring begrensd, ongeteekend. Vier paren flaauwe
lichte voorrandshaakjes ziet men aan den smal kaneelbruinen voor-
rand. Uit het vierde haakje, van den wortel af, komt eene vrij
schuine, uit het laatste eene regtstandige, flaauwe, fijne potloodlijn,
die beiden slechts tot een derde der vleugelbreedte reiken. Franjelijn
fijn donkergrijs; franje als de vleugel, aan den staarthoek iets
bleeker. Achtervleugels vrij stomp, donkergrijs, met witgrijze franje,
over wier wortel eene donkergrijze lijn loopt.
Bij het 2 zijn de voorvleugels iets smaller, naar achteren niet
verbreed, met regthoekige punt en iets schuineren achterrand. Het
wortelveld is veel duidelijker, donkerder kaneelbruin, evenzoo de
middenband, die bovendien door eene langsstreep over den binnen-
rand der middencel met het wortelveld verbonden wordt. Hierdoor
is ook de binnenrandsvlek duidelijker begrensd en komt dus meer
uit. Puntderde van den vleugel als bij den 4, Punt der achter-
vleugels iets langer, maar toch nog vrij stomp.
Onderzijde donkergrijs, bij den d op de voorvleugels eenigszins
met leemgeel, op de achtervleugels met lichter grijs gemengd. Franje
als boven. Pooten grijs, leemgeel gemengd. Achterlijf grijs.
Irkutsk (4); Amoer, 19 Junij (9).
17. Grapholitha (Paedisca) rotundana nov. sp. — PI.
12 fig. 8 en 8a.
Vijf goede exemplaren van 17—19 mm. vlugt.
Dat deze Grapholitha eene Paedisca is, wordt door de aan den
wortel gebogene, nabij de kort gesteelde aderen 3 en 4 ontsprin-
14
210 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
gende ader 5 der achtervleugels bewezen, terwijl het ook duidelijk
is, dat zij tot de groep van Brunnichiana-Similana behoort. In
se groep is zij door de vrij sterk met gegolfde donkere lijntjes
geteekende, hichte binnenrandsvlek der voorvleugels nader verwant
aan Lepaticana, Trigeminana, Graphana en Similana, doch verschilt
van deze vier soorten door den vrij gelijkmatig gebogenen, onder.
de vleugelpunt niet ingetrokken achterrand derzelfde vleugels, wier
tweede helft ook, afwijkende van de vier genoemde soorten, sterk
roestkleurig leembruin is gemengd.
Palpen bijna tweemaal zoo lang als de kop, regtuitstekende of
iets hangende, lid 2 in het midden verbreed, verder stomp gepunt,
lid 3 onduidelijk. Zij zijn aan de buitenzijde vuilwit, met zwart-
bruine middenvlek en punt. Kop, halskraag en thorax licht bruin-
grijs, de laatste zwartbruin gevlekt. Sprieten bruingrijs, bijna naakt.
Voorvleugels naar achteren weinig verbreed, met flaauwen gelijk-
matig gebogen voorrand (die bij den 4 een’ omslag aan den wortel
heeft), stompe punt en gelijkmatig gebogen achterrand, die zoo lang
is als de halve binnenrand, en iets korter dan de helft van den
voorrand. Hun iets verder dan een derde reikende wortelveld is
donkergrijs, met zwartbruine, steile, gegolfde dwarslijntjes; tusschen
de beide laatste lijntjes is de grond roestbruin. Aan den voorrand
is het wortelveld niet duidelijk gescheiden van een iets schuinen,
naar onderen weinig verbreeden, niet scherp begrensden roest-
bruinen middenband, die van iets voor het midden van den voor-
rand naar den staarthoek loopt. Deze band wordt doorsneden van
zwartbruine, gegolfde dwarslijnen, die echter niet in dezelfde rigting
als de band, maar .ongeveer loodregt loopen. Tusschen het wortel-
veld en dezen middenband ziet men aan den binnenrand eene
ongeveer gelijk- en regizijdig vierkante grijswitte vlek van ongeveer
2 mm. lang en breed, die juist in het midden tusschen binnen-
randswortel en franje staat. Deze vlek is aan beide zijden duidelijk
begrensd, tegen den voorrand minder. De kleur gaat aldaar in het
potloodkleurig grijze over en zij wordt door potloodkleurig grijze
en bruine, vrij steile dwarslijntjes doorsneden. Puntderde van den
vleugel boven den staarthoek met een onduidelijk , ovaal schild,
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 211
gevormd door twee iets gebogene, glanzig potloodkleurige zijlijnen
en eene leem- of licht roestbruine, bij 4 der 5 exemplaren zwart
gestippelde middenstreep. Verder ziet men aan den voorrand vijf
paar korte witte voorrandshaakjes ? waarvan de vier eersten digt op
een staan. Tusschen hen is de voorrand donkerbruin en uit hen
komen eenige schuine, potloodkleurig grijze lijntjes, en een regt, die
allen in de rigting van het schild loopen , waarboven men nog eene
slecht begrensde, ongeveer ronde roest- of leembruine vlek ziet, die
zwart gestippeld is en door eenen zijtak met den achterrand verbonden,
even als bij Sericoris. Achterrand smal roestbruin, boven het midden
met twee onzuiver witte stippen.
Achtervleugels eenkleurig donkergrijs, over den wortel hunner
grijswitte franje eene donkergrijze lijn. Onderzijde mede donkergrijs,
de voorvleugels aan voor- en achterrand grijswit geteekend, de
achtervleugels sterk met die kleur gemengd en (tegen de punt)
eenigszins aldus gesprenkeld. Achterlijf donkergrijs, de buik en
staartpluim lichtgrijs. Pooten grijs met grijsgeel geringde tarsen.
Bij drie der exemplaren is de grijswitte grond van de binnen-
randsvlek der voorvleugels duidelijk (type), maar bij de twee anderen
geheel door potloodkleurige en bruine dwarslijntjes bedekt (varieteit I).
Bij een dezer exemplaren is ook de anders potloodkleurig grijze,
donkerder gevlekte franje der voorvleugels roestgeel, aan de vleugel-
punt en boven den staarthoek donkergrijs.
Een exemplaar van den type is op 12 Junij by Irkutsk gevangen,
de anderen op het eiland Askold. Van deze stukken is de vangtijd
niet opgegeven.
48. Grapholitha (Paedisca) acceptana nov. sp. — PI.
42 fig. 9 en 9a.
Een zeer gave en frissche ¢ van 16 mm. vlugt.
Vleugelvorm en aderbeloop zijn als bij de voorgaande, iets grootere
soort; de voorvleugelpunt is nog iets meer afgerond en de achter-
rand iets schuiner en meer gelijkmatig gebogen. In den vleugelvorm
is er dus veel overeenkomst tusschen Acceptana en Rotundana met
212 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIF.
Adustana (Corticana), Pinicolana en Ratzeburgiana, doch deze drie
laatstgenoemde Paedisken verschillen door een geheel anders gevormd
wortelveld der voorvleugels, waardoor de binnenrandsvlek ook eene
andere, meer vier- dan driekante gedaante verkrijgt. Van Rotundana
verschilt Acceptana, behalve door den afwijkenden vleugelvorm, door
de scherpe teekening en den aan beide zijden overal duidelijk be-
grensden middenband der voorvleugels.
Palpen als bij Rotundana, iets langer, vuil leemkleurig licht
bruingrijs; buitenwaarts ziet men eene bijkans zwarte vlek tegen
hunnen wortel, terwijl zij tegen de punt donkergrijs zijn. Voorhoofd
en schedel met licht roestkleurige, het achterhoofd meer met bruin-
grijze haren bezet. Sprieten bruingrijs, met digt op een gedrongen,
bijna driekante leden, uiterst kort behaard. Thorax in kleur over-
eenkomende met de voorvleugels. Deze zijn naar achteren weinig
verbreed; de achterrand, die flaauw maar zeer regelmatig is gebogen ,
is zoo lang als de helft van den binnenrand, iets korter dan de
helft van den mede zeer flaauw gebogen voorrand. Deze heeft een
kleinen omslag aan den wortel. Hunne grondkleur is grijswit, de
teekening schorsbruin, de lichte binnenrandsvlek (onderhelft der
eerste lichte streep) helderder wit. Wortelveld iets langer dan een
viërde van den vleugel, met gegolfden buitenrand, die boven het
midden wortelwaarts terugwijkt en minder scherp is ; het is tegen
den wortel met de grondkleur gemengd en met zwartbruine golf-
lijntjes geteekend. Eerste lichte streep met grijswitte bovenhelft, en
deze meer met donkergrijze golflijnen geteekend dan de helderder,
ook iets breedere benedenhelft, verder met een bruin vlekje aan
den voorrand. Middenband van drie zevenden des voorrands naar
den staarthoek loopende, dus iets schuin; hij is bijna ongebogen,
aan den voorrand ruim 1, onderaan bijna 11 mm. breed, heeft
wortelwaarts in de vouw eene kleine, spitse insnijding, franje-
waarts even onder het midden een’ stompen, flaauwen tand, en
is schorsbruin met zwartbruine sprenkels, overal scherp begrensd.
Het overblijvende gedeelte van den vleugel heeft in het midden
eene liggend-ovale schorsbruine vlek, die vrij duidelijk begrensd en
door een bruin streepje met den achterrand is verbonden. Onder
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. MI
haar ziet men het kleine, vierkante, leemkleurige, met drie fijne
zwarte langslijntjes geteekende schild, dat door twee bijna regt-
standige loodkleurige lijntjes wordt ingevat. De loodkleurige lijn
aan de wortelzijde loopt verder in schuine rigting door tot den
voorrand , naar het eerste der vier paren zeer scherpe witte haakjes,
tusschen welke de voorrand donkerbruin is. Overigens is de vleu-
gelpunt licht roestbruin, met een paar loodkleurige lijntjes, van
welke een, dat duidelijker is, ongeveer den bovenrand volgt der
liggend ovale, donkerbruine vlek, waarvan ik boven sprak. Franje
om de vleugelpunt donkergrijs, van het overige ook het midden-
derde aldus, de rest grijswit met eene donkergrijze stip achter
twee witte stippen, die op den vleugel, vóór de franjelijn, iets boven
de helft worden gevonden.
Achtervleugels donkergrijs, eenkleurig; over den wortel hunner
lichtgrijze franje eene donkere lijn. Achterlijf mede donkergrijs, de
lichtere staartpluim iets geelachtig. Onderzijde der voorvleugels
donkergrijs, met vuilwitte sprenkels langs den achterrand en zulke
haakjes aan den voorrand. Achtervleugels vuilwit, donkergrijs ge-
sprenkeld. Pooten vuilwit, de buitenzijde der voor- en midden-
pooten zwartbruin gevlekt, alle tarsen aldus geringd.
Amoer, 20 Junij 1877.
19. Grapholitha (Paedisca) expressana Christ., Bull.
de Moscou 1881 (sep. p. 172) n°. 116. — PI. 13 fig. 1 en 1a. —
(Het 2 Graph. contrasignata id. 1. c. p. 174).
Twee gave en frissche mannen en een bruikbaar 9 van 21—22
mm. vlugt.
Mede eene Paedisca, tot de verwantschap der beide voorgaanden
behoorende. De vleugelvorm is ongeveer dezelfde, maar deze soort
is grooter. Zij onderscheidt zich van Acceptana verder door de niet
scherp begrensde teekening (het wortelveld vloeit met de bovenhelft
van den middenhand in een) en het ontbreken der zwarte langs-
lijntjes van het schild; van Rotundana, met welke zij in de beide
laatstvermelde opzigten overeenkomt, door de kleinere, helderwitte,
214 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
scherp begrensde, ongeteekende binnenrandsvlek, en van beide soorten .
door de wit- en donker grijsbonte franje der voorvleugels en de
eenkleurig witte franje der achtervleugels. Het aderbeloop is het-
zelfde. |
Palpen ongeveer tweemaal zoo lang als de kop, breed, plat, het
middenlid op de helft verbreed, verder stomp gepunt, aan de voor-
zijde lang en grof behaard. Zij zijn vuil geelwit, buitenwaarts
tegen den wortel met eene zwartgrijze vlek, tegen het uiteinde met
zwartgrijze haren. Sprieten bruingrijs, bij den d met digt opeenge-
drongen driekante leden, bijna naakt, bij het 9 geheel draadvormig.
Thorax licht bruingeel, met zwartgrijze vlekjes.
Voorvleugels gevormd als bij Rotundana, bij den d met een’
omslag aan den voorrand. Hun wortelveld reikt aan den binnenrand
tot twee vijfden; boven de helft van den vleugel is de begrenzing
niet te onderscheiden. Het is geelbruin, met zwartbruine, gegolfde
dwarslijntjes, en is iets vóór de helft gedeeld door eene zeer slecht
begrensde, geelwitte dwarsstreep , die eerst een weinig onder den
voorrand zigtbaar wordt. Bovenhelft der eerste lichte streep bij de
mannen niet te onderscheiden; zij vloeit ineen met het wortelveld
en de bovenhelft van den middenband en is, even als deze beiden,
geelbruin met zwarte lijntjes. Bij het 9 ziet men aan den voorrand,
op de plaats der bedoelde streep, een vierkant, scherp, roomwit
vlekje met eene bruine stip bovenaan. De onderhelft der eerste
lichte streep. vormt de gewone lichte binnenrandsvlek van Paedisca.
Zij beslaat juist het midden van den binnenrand, komt tot de
helft van den vleugel, staat iets schuin, met flaauw gebogen zij-
randen, is onderaan ongeveer 13 mm. breed, een derde langer
en eindigt met eene stompe spits, terwijl zij aan de franjezijde
bovenaan nog eene stompe punt heeft, vooral duidelijk bij de
mannen. Verder is zij scherp begrensd, roomwit gekleurd. Van den
middenband is wortelwaarts alleen de benedenhelft duidelijk begrensd,
die onderaan, waar hij het overige van den binnenrand inneemt,
vrij sterk afgerond is verbreed. Buitenwaarts is de begrenzing niet
scherp, maar toch zigtbaar, en loopt de rand schuin, bijna ongebogen,
terwijl hij onregelmatig gegolfd is, De kleur is geelbruin, met bij
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 215
het 9 vervloeide, afgebrokene, gegolfde dwarslijntjes. Eene ongeveer
1 mm. breede, niet scherpe maar toch duidelijke, tweede lichte
streep begrenst den middenband buitenwaarts, en loopt van drie
vijfden des voorrands naar den staarthoek. Deze streep is bij de
mannen vuil grijswit, met geelbruine vlekjes en afgebrokene, pot-
loodkleurig glanzige grijze dwarslijntjes. Bij het 2 is zij aan den
voorrand en staarthoek geelwit, in het midden bijna geheel potlood-
kleurig, bovenaan overigens bij beide sexen met zwarte streepjes
geteekend. Puntvierde van den vleugel geelbruin, bij het 9 donker-
der
kleurige dwarslijntjes en heeft aan den voorrand, waar het iets
, met zwartbruine stippen; het vertoont sporen van lood-
donkerder is, drie paren scherpe, geelwitte haakjes. Van het schild
ziet men slechts eene flaauwe aanduiding onder aan de tweede lichte
streep. Franje aan den staarthoek geheel roomwit, verder met
bruine wortelhelft, terwijl de buitenhelft aan de vleugelpunt en
van ader 3—5 donkergrijs is, daartusschen roomwit met twee
zulke vlekjes op de bruine wortelhelft.
Achtervleugels bij de mannen donkergrijs, bij het 2 bijna zwart.
Over den wortel hunner grijsachtig witte franje loopt eene donker-
grijze lijn. De onderzijde is bij het 9 zwartgrijs, bij den d op de
voorvleugels donkergrijs, op de achtervleugels vuil grijswit met grijs
gewolkte voorrandshelft. Bij beide sexen is de voorrand der voor-
vleugels geelwit gevlekt, de franje als boven. Achterlijf donkergrijs,
de staartpluim bruingeel, de buik grijswit gemengd. Pooten don-
kergrijs, buitenwaarts grijswit gemengd, de tarsen geelwit geringd.
Christoph's beschrijving is niet zeer uitvoerig. Hij merkt op dat
Expressana aan Pflugiana (Seutulana) verwant is. Dit is juist, maar beide
soorten worden wel het eerst door den vleugelvorm onderscheiden.
Eiland Askold.
20. Grapholitha (Paedisca) subcorticana nov. sp. —
Pl. 13 fig. 2 en 2.
Vier vrij goede exemplaren (3 mannen en 1 wijfje) van 13—15
mm, vlugt,
216 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
Eene aan de welbekende Graph. (Paed.) corticana Hübn. na
verwante soort, die daarmede in het aderstelsel, den bouw der
palpen en het ontbreken van den voorrandsomslag bij den d, geheel
overeenkomt. De vorm der voorvleugels is echter eenigszins anders,
want de achterrand is steiler en vlakker, en daardoor cok de staart-
hoek, hoewel zeer stomp, veel duidelijker. Verder is de lichte
binnenrandsvlek der voorvleugels meer driekant dan schuin-ruit-
vormig, zooals bij Corticana, en niet scherp begrensd, terwijl eindelijk
schedel en thorax-rug eenkleurig met de schouderdeksels zijn en
niet iets lichter, zooals bij de genoemde soort, waar zij gewoonlijk
eene lichtgrijze kleur hebben, terwijl de schouderdeksels steeds eene
olijfgroene bezitten.
Palpen anderhalfmaal zoo lang als de kop, iets hangend; lid 2
naar voren verbreed, 3 klein maar duidelijk. De beschubbing van
lid 2 is grof, maar niet ruig, en het is buitenwaarts olijfgroen met
zwart; lid 3 donkergrijs. Aangezigt lichtgrijs. Schedel en thorax
olijfgroen. De draadvormige, bij den d dikkere, bijna naakte sprie-
ten donker bruingrijs, fijn donker geringd.
Voorvleugels naar achteren eenigszins verbreed, de voorrand
gelijkmatig gebogen, de punt stomp-regthoekig, de achterrand tot
ader 3 vlak en regtstandig, tegen den staarthoek afgerond, overi-
gens zoo lang als de halve binnenrand, iets korter dan de helft
van den voorrand. Bij alle exemplaren is de grondkleur niet even-
eens, zij is bij drie eer iets olijf kleurig mosgroen, langs den voorrand
witachtig en verder met eenig grijs gemengd, bij het vierde een
vrij zuiver wit, terwijl de teekening, die bij allen overigens juist
eveneens is aangelegd, eene zwarte kleur heeft, maar bij het witte
voorwerp meer uitkomt dan bij de anderen.
Wortelveld in het midden scherp franjewaarts gebroken, met de
spits tot twee vijfden der vleugellengte komende, de bovenrand iets
langer en schuiner dan de onderrand; het is met zwarte dwars-
schrapjes bedekt, die den grond laten doorschijnen, in cel 14 geheel
zwart, terwijl de mede zwarte achterrand van den voorrand tot
een derde streepvormig dik is en dan min of meer afgebroken,
meer vervloeid. Middenband, van twee vijfden des voorrands naar
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 217
den staarthoek loopende, ongebogen, aan den voorrand ruim 3 mm.
breed, naar onderen gelijkmatig tot 13 mm. breedte aanwassende.
Hij is in cel 14 naauwelijks ingesneden en springt op ader 4 niet
merkbaar hoekig uit, wat beiden bij Cortieana zeer duidelijk is;
de dus door de onderzijde van het wortelveld en den middenband
(die op de helft de spits van het wortelveld bijna raakt) begrensde
ruimte is derhalve vrij regelmatig driekant, overigens bij twee der
groene exemplaren wit met zwarte schrapjes, bij het derde, waar
ook de voorrand groener is dan bij de anderen, weinig lichter dan
de grond. Middenband donker olijfgroen, fijn en afgebroken zwart
gerand, verder aan den voorrand, in het midden en op ader 4
overlangs vervloeijend zwart. Puntderde aan den voorrand lichter,
wit of bleek olijfgroen, met vijf paren fijne witte haakjes door
fijne zwarte streepjes en naar de vleugelpunt grooter wordende
vlekjes gescheiden, in het midden verduisterd, met twee zwarte
streepjes, boven den staarthoek zonder schild, slechts met twee
onregelmatige, ineenloopende zwarte lijntjes. Franjelijn zwart,
onregelmatig. Franje als de vleugel, onder de punt tweemaal wit
doorsneden.
Bij het vierde voorwerp is de teekening eveneens, maar de witte
vleugelgrond daartusschen zwart gesprenkeld en ook alle lijnen
scherper zwart, de middenband echter smaller, onder de helft
geheel afgebroken, zoodat het onderstuk zich als eene driekante
zwarte vlek vertoont en de anders driekante lichte binnenrandsvlek
geen duidelijken buitenrand heeft. De franje is zeer donker grijs.
Dit exemplaar vormt eene varieteit a.
Achtervleugels donker bruingrijs met hichte franje, op de
onderzijde lichter. Onderzijde der voorvleugels donker bruin-
grijs, met flaauwe witte voorrandsstreepjes, de franje als de
vleugels. Borst, buik en pooten grijs, de pooten buitenwaarts
zwart gevlekt.
Chabaroffska, 12 Aug. (1 4); Suifun (4 2 type en var.); Amoer,
(1 2, het afgebeelde exemplaar). De drie laatsten zonder aandui-
ding van vangtijd.
218 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
21. Grapholitha (Paedisca) contrariana Christ., Bull,
de Moscou 1881 (sep. p. 187), n°. 126. — PI. 13 fig, 3 en 3a,
Vier exemplaren, waarvan een paar geheel gaaf van 12—13 mm.
vlugt.
Bij deze Grapholitha is ader 5 der achtervleugels aan den wortel
gebogen, 3 en 4 zijn gesteeld, evenals 6 en 7 (bij beide sexen),
ader 3 der voorvleugels is tegen den achterrand opwaarts gebogen ,
7 en 8 zijn ongesteeld, de mannelijke voorvleugels hebben een
omslag aan den voorrandswortel en de palpen zijn naar voren ver-
breed. Het is dus duidelijk dat zij tot de afdeeling Paedisca behoort ,
wat de breede, bont geteekende voorvleugels buitendien reeds op
het eerste gezigt aanduiden. Intusschen ken ik in de genoemde
afdeeling geene na aan haar verwante soort; het meest doet zij nog
denken aan typische voorwerpen van Trimaculana Donovan.
Palpen een derde langer dan de kop, stomp, grof behaard, wit,
buitenwaarts met donkergrijze wortelhelft. Aangezigt roomwit. Schedel
donkergrijs, even als de bij den d fijn bewinperde sprieten. Hals-
kraag roomwit, in het midden donkergrijs. Thorax zwartbruin, eene
stip op het schildjeen de schouderdeksels, behalve aan het wortel-
vierde, roomwit.
Voorvleugels naar achteren iets verbreed; de voorrand gelijkmatig
gebogen, tegen. het eind, juist bij de punt, vlak; deze stomp-
regthoekig; de achterrand tot ader 3 regtstandig en vlak (een?
zweem ingebogen), verder (ook de staarthoek) afgerond, overigens
iets langer dan de halve voorrand, drie vijfden zoo lang als de
binnenrand. De grondkleur is een zeer donker maar zuiver, dof
zwartbruin. Op een vierde ziet men eene iets gebogene, smalle,
naar onderen verbreede lichte dwarsstreep, die echter slechts bij één
stuk tot aan den voorrand, zij het dan ook onzuiver, wit kan
worden genoemd, maar bij allen vertoont zich de onderhelft als
eene helder roomwitte vrij regtstandige vlek, die 4 mm. lang is
en 3 mm. breed, terwijl de bovenhelft bij drie voorwerpen lood-
kleurig grijs is. Achter deze streep ziet men enkele okergele schubben
in cel 14. Vervolgens komt op een derde van den voorrand een
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 219
iets schuin roomwit streepje, dat wat verder dan een derde der
vleugelbreedte komt, 1 mm. lang is en 3 tot 2 mm. breed. Aan
den bovenrand heeft het eene zwarte stip. Dan ziet men op de
helft van den binnenrand bij drie der exemplaren eene onregelmatig
driekante roomwitte vlek die, met het grondvlak naar den wortel
gekeerd, geknot op den rand staat, terwijl de spits zich in cel
14 bevindt; zij is weinig langer dan de voorrandsvlek, doch de helft
breeder, en met die vlek door eenige loodkleurig grijze schubben
verbonden. Bij het vierde exemplaar is deze vlek meer vierkant.
Achter deze vlek ontwaart men eenige okergele schubben. Op
drie vijfden van den voorrand beginnen de haakjes, twee paren
iets schuine, een ongepaard en een paar steile voor de punt; onder
hen ziet men eenige okergele schubben. Uit het eerste en tweede
paar komen twee schuine, uit het laatste eene regtstandige blaauw-
zilveren lijn. Deze lijnen houden allen reeds op bij een derde der
vleugelbreedte en reiken niet tot het okergele, zwart gestreepte,
wortelwaarts door eene regte blaauwzilveren, franjewaarts door eene
gebogene, in het midden afgebroken witte, overigens blaauwzilveren
lijn afgezette schild, dat bij één d, waar het bovenaan gesloten is,
vrij wel op eene D gelijkt; bij twee andere voorwerpen heeft het
meer van eene grieksche ». Franjelijn zwart, franje glanzig donker-
grijs, aan den wortel bruinachtig, beiden onder de vleugelpunt wit
doorsneden, bij den gaven d zeer scherp.
Achtervleugels onder en boven bij beide sexen eenkleurig zwart-
grijs, de franje donkergrijs, boven ader 3 lichter wordende en
met eene zwartgrijze lijn over den wortel. Achterlijf zwartgrijs, de
mannelijke staartpluim bruinachtig. Onderzijde der voorvleugels
zwartgrijs, vijf voorrandsvlekjes (allen, behalve het eerste, met
eene zwarte stip) en een langsstreepje onder de vleugelpunt als
boven, wit. Borst, buik en de buitenwaarts zwartgrijs gevlekte
pooten grijswit.
Christoph zegt dat Contrariana bij Coronillana kon worden ge-
plaatst; zij heeft daarmede niets gemeens.
Amoer, 21 Julij; Irkutsk, 30 Junij en 7 en 30 Julij. De eerst
gevangene voorwerpen zijn gaaf,
220 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
92. Grapholitha (Paedisca) perangustana nov. sp. —
Pl. 13 fig. 4 en 4a.
Een paar. De iets afgevlogen d 103, het gave 2 ruim 14 mm. vlugt.
Schijnbaar eene Phthoroblastis, tot de verwantschap van Tomiana
Zell., Vernana Knaggs en Ravulana H.S. behoorende, doch met in
beide sexen regelmatig geaderde achtervleugels, onderscheidt deze
nieuwe soort, die het naast verwant is aan Graph. (Paedisca) nemo-
rivaga Tengstr., zich van laatstgenoemde door de zeer smalle vleu-
gels, de grijswitte franje van het achterpaar en door eene vrij
duidelijke zwarte stip op het achterrandsderde der voorvleugels, juist
op de helft der buitenzijde van den middenband. Dit laatste komt
ook voor bij Plumbatana Zeller, doch deze soort — mede eene
Phthoroblastis — heeft veel minder maar regelmatiger geteekende
voorvleugels (die ook eene regthoekige punt hebben), terwijl de
achtervleugels, welke bij Perangustana bijna eenkleurig donkergrijs
(in de punt iets donkerder) zijn, bij Plumbatana wortelwaarts min
of meer, soms bijna tot wit toe, ophelderen. Onder de soorten
van de afdeeling Paedisca ken ik er geene andere dan Nemorivaga,
waarmede men Perangustana zou kunnen vergelijken.
Palpen een derde langer dan de kop, regtuitstekende, iets op-
gerigt; lid 2 naar voren iets verbreed, doch smaller dan de oogen,
plat, ongebogen, iets ruw beschubd, donkergrijs; het duidelijke
kleine eindlid is zwart. Kop en thorax donker ijzergrauw, met
enkele witgrijze schubben. Sprieten bijna draadvormig, grauwbruin.
Voorvleugels naar achteren zeer weinig verbreed, met iets schui-
nen , zeer gelijkmatig flaauw gebogen achterrand, die naauwelijks halt
zoo lang is als de nog flaauwer gebogen voorrand. De vleugelvorm
is dus geheel anders dan bij al de bovengenoemde soorten, waar
de voorvleugelpunt stomp-regthoekig is en de achterrand eene
neiging tot intrekking, juist onder de punt, vertoont. Wortelveld
groot, tot ruim een derde der vleugellengte reikende, donker grauw-
bruin (aardbruin), aan den wortel zeer sterk, overigens in mindere
mate glanzig potloodkleurig grijs gewaterd. De achterrand van dit
veld is vrij steil; in het midden steekt hij met eene korte, vrij
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 221
stompe punt uiten is over ’t geheel iets onregelmatig. Eerste lichte
streep half zoo breed als het wortelveld, bovenaan niet smaller
dan aan den binnenrand, een klein weinig schuin, donker zilver-
grijs, iets glanzig, door eene bovenaan kort gevorkte donkere lijn
gedeeld. Middenband even breed als de lichte streep, bovenaan
onbeduidend smaller, in dezelfde rigting loopende, slecht begrensd,
vooral wortelwaarts, donker ijzergrauw gekleurd, met een paar
gegolfde, donker aardbruine deelingslijnen. Aan de buitenzijde van
dezen band, juist op de helft en aan de wortelzijde er niet van
gescheiden, ziet men de bovenvermelde zwarte stip. Puntderde van
den vleugel donker potloodkleurig grijs, iets blaauwachtig en glanzig,
op de snede van den voorrand, tusschen de vier ongepaarde bruine
haakjes (het vierde zeer fijn) wit. Het tweede en derde haakje
zijn iets verlengd tot twee lijntjes, die echter spoedig vervangen
worden door eene, welke den staarthoek niet bereikt. Geen schild.
Achterrand smal en op vier plaatsen grijswit afgebroken, aardbruin
gezoomd. Franje grijs, met donkerder deelingslijn.
Achtervleugels met vrij duidelijke, stompe punt, donkergrijs, de
punt iets donkerder. Over den wortel hunner grijsachtig witte
franje loopt eene donkergrijze lijn. Achterlijfsrug donkergrijs, evenzoo
de onderzijde der voorvleugels, die aan den voorrand, vooral van af de
helft, met grijswitte haakjes zijn geteekend. Buik witgrijs, ook de
onderzijde der achtervleugels en de aan de buitenzijde aardbruin
gevlekte pooten.
Ader 5 der achtervleugels is aan den wortel gebogen, uit één
punt met den steel van 3—4 ontspringende.
Pokrowsk (Amoer), 29 Mei (4); Albasin (Amoer), 3 Junij (9).
23. Grapholitha (sensu restricto) lepidulana nov. sp. —
Pl. 13 fig. 5 en 5a.
Een paar van 17 mm. vlugt; de 4 zonder achterlijf, doch overi-
gens beide exemplaren gaaf en frisch.
De smalle, sterk gebogen palpen en de aan den wortel onge-
bogene, verwijderd van de gesteelde aderen 3 en 4 ontspringende
299 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
ader 5 der achtervleugels, gevoegd bij den behaarden binnenrand
van de middencel, duiden aan, nog zekerder dan de teekening der
voorvleugels, dat deze nieuwe soort tot de afdeeling Grapholitha
van het eveneens genaamde, omvangrijke genus behoort. In die
afdeeling doet zij zich, door de lange lichte binnenrandsvlek der
voorvleugels en de donkere plek in hunnen staarthoek, kennen
als eene verwante van Perlepidana Haw. en Fimana Snell. , waar-
van zij zich echter door veel aanzienlijker grootte, het ongekromde
bovengedeelte der lichte binnenrandsvlek en de bij beide sexen,
donker gekleurde, alleen aan den wortel vuilwitte achtervleugels
duidelijk onderscheidt. Seintillana Christ. Bull. de Mosc. 1881 p.
184 is blijkbaar mede na verwant, doch de afzetting van het schild
is bij Lepidulana niet rood goud en de franjelijn bij Scintillana ,
naar de beschrijving oordeelende, niet driemaal wit doorsneden.
Palpen smal, gebogen, glad beschubd, met duidelijk eindlid,
grijsachtig wit, buitenwaarts over het midden met eene grijze
streep. Sprieten geheel draadvormig, naakt, bij den 4 dikker,
donkergrijs, met fijn licht gerande ringen. Kop op het aangezigt
lichtgrijs, naar achteren opdonkerend. Thorax donkergrijs, vrij
zuiver. Voorvleugels naar achteren eenigszins verbreed, de voorrand
vrij duidelijk gebogen, de achterrand half zoo lang als de voorrand,
zeer weinig schuin, onder de vleugelpunt ingetrokken, vervolgens
gebogen, met afgeronden staarthoek. Zij zijn glad beschubd. Hunne
kleur is aan den wortel, tot een vierde der vleugellengte, langs den
geheelen voorrand tot een vierde der breedte (tegen de vleugelpunt
smaller) en op eene smalle streep langs den achterrand, middelmatig
donker, vrij zuiver grijs. Het overige is zeer donker grauwbruin,
bij zwart af, doch niet scherp van het grijs gescheiden. Geen wor-
telveld. De op de snede onzuiver witte voorrand is van den wortel
af bezet met bijna zwarte streepjes, doch deze zijn tot een vierde
niet meer dan stippen; dan komen 4 paren zeer schuine, afwisse-
lend korte en lange, eindelijk 5—6 regtstandige, korte en dikke,
scherp geelwit gescheidene, waarvan donkerbruine en donker grijs-
blaauwe lijntjes in schuine rigting naar het bovenste derde der
franjelijn loopen, doch deze niet bereiken. In het bruine gedeelte
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 223
ziet men de lichte binnenrandsvlek. Zij is juist op de helft van
den rand geplaatst, onderaan 41 mm. breed en daar zeer kort
gebogen (wat het duidelijkst aan de franjezijde te zien is), versmalt
dan een weinig en loopt verder zeer schuin maar geheel ongebogen,
tot halfweegs den voorrand, waar zij, op twee derden der vleugel-
lengte, stomp en niet scherp eindigt. Hare kleur is grauwachtig
geelwit en zij wordt gedeeld door eene donkerbruine lijn , die onderaan
verdikt is en daar nog twee smalle, ras ophoudende donkere lijntjes
naast zich heeft. Schild harpvormig, wortelwaarts regt, buitenwaarts
gebogen, bovenaan vlak. Het is vrij donker grijs, zeer flaauw glanzig
gerand, inwendig lichter grijs, met drie zwarte langslijntjes, die
een weinig voorbij den wortelrand beginnen. De plek tusschen de
binnenrandsstreep, den vleugelyand en het schild is de donkerste
van den vleugel. Achterrand smal grijs, zooals het binnenste van
het schild. Deze grijze achterrand is, evenals de fijn en scherp
zwarte franjelijn en de bruingrijze franje, op drie plaatsen, aan
den staarthoek, op een vierde en nog eens, op drie vierden, daar
waar de achterrand is ingetrokken, geelwit doorsneden.
Achtervleugels bij beide sexen tot een derde geelachtig vuilwit,
het overige donkergrijs, wortelwaarts vervloeijend; franje grijsachtig
wit. Op de onderzijde zijn de voorvleugels lichtgrijs, de achtervleugels
geelachtig grijswit, beiden op het puntvierde donker gesprenkeld,
de achterrand van laatstgenoemde donker bestoven. Borst, buik en.
pooten grijswit, de buitenzijde der voor- en middenscheenen grijs,
de tarsen nog donkerder, met licht gerande leden.
Irkutsk.
24. Grapholitha (sensu restricto) nigrostriana nov. sp. —
Pl. 13 fig. 6 en Ga.
Een gave en frissche d van 13 mm. vlugt.
Door het aderbeloop, den vorm der palpen en de teekening
duidelijk tot dezelfde afdeeling van Grapholitha behoorende als de
voorgaande soort (Zepidulana), onderscheidt Nigrostriana zich op
het eerste gezigt van al de verwanten door de zwarte langslijntjes
224 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
der voorvleugels, die bij geene mij bekende soort derzelfde afdeeling
voorkomen.
Palpen geelwit, evenzoo het onderste gedeelte van het aangezigt ;
voorhoofd en schedel licht okergeel. Sprieten bruingrijs; evenzoo,
maar lichter, is ook de kleur van den thorax en der glad beschubde
voorvleugels. Deze zijn aan den wortel iets lichter, naar achteren
fijn bleekgeel bestoven, niet merkbaar verbreed; hun vorm is dus
zooals bij Dorsana F., die ook in kleur eene groote overeenkomst
met onze kleinere Nigrostriana heeft. Achterrand iets korter dan
de halve voorrand. Lichte binnenrandsvlek iets voorbij de helft van
den binnenrand geplaatst, onderaan 2 mm. breed, niet tot de helft
van den vleugel komende, vrij scheef staande, ongebogen, naar
boven niet versmald, aan het topeinde niet scherp begrensd, geel-
wit gekleurd (evenals de smallere van Coronillana Zeller), over
hare geheele lengte gedeeld door een leembruin lijntje, dat iets
bogtig is en boven de vlek doorloopt tot het uiteinde van een fijn,
scherp, horizontaal, koolzwart langslijntje, dat zich op het middenste
vijfde van den vleugel, juist op twee derden der vleugelbreedte
(van den binnenrand af), bevindt. Achter de binnenrandsvlek ziet
men een tweede, korter zwart lijntje, weinig boven den binnenrand
en schuin naar den staarthoek gerigt. Na het eerste vierde is de
voorrand smal geelwit en beginnen de donkere voorrandsstreepjes,
die niet duidelijk paarsgewijs bijeenstaan, maar elkander ongeveer
regelmatig opvolgen. De vijf eersten staan scheef en daarvan zijn
3 en 4 iets verder gescheiden dan de anderen; 3 en 5 zijn de
langste. De overige zes streepjes staan regtstandig en zijn iets ge-
bogen. Tusschen de streepjes 3—4 en 6—7 ontspringen twee flaauwe,
schuine, loodkleurige lijntjes, die reeds op het bovenste vierde van
den vleugel te niet gaan en dus niet doorloopen tot eene regt-
standige, meer roodachtig-paars zilveren lijn, die iets boven den
staarthoek eindigt en de wortelzijde van het schild aanduidt. Overi-
gens is van het laatstgenoemde, evenmin als bij Internana en
Compositella, iets te zien. Franjelijn scherp zwart, onder de vleu-
gelpunt iets ingetrokken, doch, evenmin als de donkergrijze, iets
glanzige franje, ergens licht doorsneden, Achtervleugels donkergrijs,
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE, 225
tegen den wortel iets lichter, de franje grijswit. Achterlijfsrug
donkergrijs.
Onderzijde der voorvleugels donkergrijs, de tweede helft van den
voorrand geelwit, met donkere streepjes. Achtervleugels lichter
dan boven, vuil witgrijs. Pooten grijsgeel, met donker geringde
tarsen.
Albasin (Amoer), 5 Junij 1877.
25. Grapholitha (sensu restricto) fimana nov. spec. —
POS fie. 7 en Ta.
Twee vrij gave en frissche wijfjes van 104 en 12 mm. vlugt.
Hoewel oogenschijnlijk na verwant aan Graph. perlepidana
Haworth en met eveneens gevormde palpen, wijkt /imana toch
eenigszins af van de soorten dezer afdeeling, door de aan den wortel
gebogene en met de gesteelde aderen 3 en 4 der achtervleugels
uit één punt ontspringende ader 5. Dit komt meer met de afdee-
ling Paedisca overeen, doch vooreerst loopt ook bij Perlepidana
ader 5 der achtervleugels niet zoo horizontaal als b. v. bij Compo-
stella, en dan komt Fimana overigens zoo zeer met de soorten van
Grapholitha overeen, dat zij duidelijk in Paedtsca misplaatst zoude
zijn. Men kan haar als een overgang van de laatstgenoemde afdee-
ling op Grapholitha beschouwen en ook als een nieuw bewijs, dat
men het groote genus Grapholitha niet wel in scherp begrensde
kleinere kan splitsen. De d is mij overigens onbekend.
Palpen wit, aan de buitenzijde een weinig grijs bestoven. Kop
en thorax donkergrijs, de sprieten bruingrijs. Voorvleugels naar
achteren weinig verbreed, de voorrand vlak, de achterrand zoo
lang als de halve voorrand, steil (bij Perlepidana schuin), onder
de vleugelpunt ingetrokken, doch franjelijn en franje aldaar niet
wit doorsneden. De grond is op eene streep langs den voorrand
helder lichtgrijs, maar deze kleur, die aan den vleugelwortel ruim-
schoots de halve vleugelbreedte inneemt, versmalt naar achteren
eerst regelmatig, dan vrij snel en wordt eindelijk haarfijn, doch
bereikt de vleugelpunt niet. Van het overige is eene tegen den
15
226 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
voorrand afgeronde plek, die den geheelen binnenrand beslaat , don-
ker roetbruin en wordt op de helft geheel gedeeld door de schuine,
ongebogene, aan den binnenrand 1 millimeter breede, doch reeds in
cel 15 tot de helft versmalde lichtgrijze binnenrandsstreep , die fijn don-
ker gedeeld is. De overige twee vijfden van den vleugel zijn grauwbruin,
lichter dan de binnenrandsvlek, maar toch vrij donker. Deze drie,
den vleugel verdeelende kleuren zijn wel niet scherp maar toch vrij
duidelijk begrensd. Het grauwbruine gedeelte bevat het V-vormige,
tegen den voorrand opene, roodachtig zilver afgezette, met eenige
koolzwarte stippen geteekende schild boven den staarthoek. Donkere
voorrandshaakjes spoedig voorbij den wortel beginnende. Aanvan-
kelijk zijn zij stipvormig; dan, na de helft, komen, aan den nu
zeer smal lichtgrijzen vleugelrand, vier schuine, grauwbruine
streepjes en vóór de vleugelpunt twee regtstandige witte die, even-
als een paar der bruine, binnenwaarts door blaauwgrijze, glanzige
streepjes opgevolgd worden, ‘welke echter spoedig, nog vóór het eind
van het bovenste derde, verdwijnen. Franjelijn fijn en scherp zwart,
onder de vleugelpunt ingetrokken en afgebroken, doch aldaar, als
boven gezegd, zoo min als de donker grauwbruine franje, wit
doorsneden. Achtervleugels sneeuwwit met roetzwart puntzesde;
zoover is ook de wortelhelft der overigens witte franje zwart en
wordt de tweede helft door eene grijze lijn verdonkerd.
Achterlijf grijswit, op den buik de ringen wit gerand, Op de
onderzijde zijn de voorvleugels grijs, eene, plek tegen den binnen-
rand en voorrandsstreepjes wit. Achtervleugels wit, aan de punt
slechts een weinig donkergrijs gevlekt, doch de franje geheel als
boven.
Pooten grijswit, de voor- en middenscheenen buitenwaarts grijs
bestoven, de tarsen tegen het eind zwartgrijs, wit geringd.
Bij Perlepidana 8 is de lichte binnenrandsstreep der voorvleu-
gels witter, duidelijk gebogen, haar uiteinde scherp begrensd.
Verder zijn bij den d de achtervleugels geheel wit, bij het 9 ge-
heel grijs.
Eiland Askold.
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIL. 227
26. Grapholitha (Tmetocera) prognathana nov. sp. —
PI. 13 fig. 8.
Twee middelmatig goed geconserveerde paren van 14—15 mm.
vlugt.
Hoewel de voorwerpen dezer soort eenigszins afgevlogen zijn,
aarzel ik niet, haar te beschrijven, daar zij in het genus Grapho-
litha, — waartoe zij, door de op de bovenzijde behaarde onderste
middenader der achtervleugels en de gebogene, met de gesteelde
aderen 3 en 4 uit één punt ontspringende ader 5 derzelfde vleu-
gels, behoort, — zeer kenbaar is door de bijzonder lange palpen en de
boven den wortel uitgesneden mannelijke sprietschaft. Het laatste
kenmerk heeft zij gemeen met Grapholitha (Tmetocera) ocellana
W. V., die ook ongeveer eveneens gekleurde en geteekende voor-
vleugels, maar de helft kortere palpen bezit, terwijl verder bij
Prognathana het wortelveld der voorvleugels geene donkerder kleur
heeft dan het middenveld, wat bij Ocellana in hooge mate het geval is.
Voorhoofd met eene lange, spitse kuif. Palpen ruim tweemaal
zoo lang als de kop (de kuif inbegrepen), regtuitstekende, snuit-
vormig, spits. Lid 2 is in het midden zoo breed als de oogen, 3
duidelijk, iets geneigd. Het is lichtgrijs, het overige der palpen
vuilwit als kop en thorax. Sprieten bleekbruin, fijn donker geringd,
bij het 9 geheel draadvormig, bij den ¢ iets dikker, fijn bewim-
perd, boven het grondstuk met eene kleine uitsnijding.
Vleugels ongeveer gevormd als bij Ocellana, doch de punt meer
regthoekig, daar de achterrand tot ader 3 steil en dan iets gebroken
is. Bij Ocellana is die rand iets schuiner en zeer flaauw, maar
gelijkmatig gebogen. Grondkleur der voorvleugels hetzelfde onzuivere,
grijsachtig getinte wit, dat ook den thorax verwt. Tot twee derden
zijn zij geteekend met ongeveer zes flaauwe, bleek leemkleurige
dwarslijntjes. Daarvan zijn 1, 2, 4 en 5 gegolfd: en afgebroken,
3 en 6 niet alleen duidelijker maar ook ongegolfd, de eerste op,
de tweede boven de helft gebroken. Laatstgenoemde lijn begint aan
den voorrand merkbaar donkerder, doch verdwijnt onder de helft
geheel. Bij den d is het midden van den voorrand buitendien met
een grijs wolkje geteekend. Evenals bij Oce//ana, is de staarthoek
228 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
geteekend met een bleekbruin, zwart bestoven, gelijkzijdig driekant
vlekje, dat ook niet grooter is en slechts tot een derde der vleugel-
breedte komt. Daar achter bevindt zich een regtstandig, glanzig ,
loodkleurig grijs streepje, dat iets hooger komt dan het bruine
driehoekje, en dan ziet men voor den smal bruingrijzen achterrand ,
eene tweede loodkleurige lijn, die van den voorrand tot den staart-
hoek loopt, op een derde en twee derden flaauw buitenwaarts
gebroken en daartusschen vlak is. De ruimte tusschen de eerste
en tweede loodlijn is weder, evenals bij Ocellana en ook niet tot
den voorrand, bleekbruin, naar boven iets verbreed en aldaar met
drie zwarte langslijntjes geteekend. Voorrand tot de helft met
donkergrijze stippen, verder met zulke schuine streepjes. Franje
donkergrijs, aan den wortel, tot eene fijne donkere deelingslijn op
een derde, bruinachtig.
Bovenzijde der achtervleugels en onderzijde der voorvleugels grijs,
middelmatig donker. De onderzijde der achtervleugels is vuilwit,
bij het 9 tegen den voorrand iets grijsachtig. Borst, buik en
pooten vuilwit, de tweede tegen het eind, ook de voor- en midden-
scheenen buitenwaarts, grijs bestoven. Tarsen donkergrijs geringd.
Evenals bij Ocellana zijn ader 3 en 4 der voorvleugels aan het
eind omhoog gerigt, vooral ader 3, die eene sterke bogt maakt en
de volgende tegen den achterrand zeer nadert.
Chingan-gebergte, 20 en 22 July 1877.
KLEINE ENTOMOLOGISCHE MEDEDEELINGEN
DOOR
Dr. A. W. M VAN HASSELT.
N°, VII 1).
BIJDRAGE OVER DE NESTEN DER ZOOGENAAMDE
METSELSPINNEN.
Het is van algemeene bekendheid, dat sommige Theraphosoidae,
uit de spinnen-onderorde der Territelariae of Mygalidae, hoogst
eigenaardige onderaardsche verblijven vervaardigen. Zonder hierover
groot «nieuws» te kunnen mededeelen, ben ik toch in de gelegen-
heid, op enkele merkwaardigheden daaromtrent de aandacht te
vestigen.
De eenige vertegenwoordiger der genoemde familie in ons vader-
land is eene Afypus-soort, de À. affinis Eichw., volgens de diagnose
van Bertkau. Hare beursvormige, meer dan 2 decimeters lange
spinselbuizen, — van welke o. a. door Simon in zijne Æ{udes
arachnologiques, Décembre 1872, eene zeer nauwkeurige en fraaie
afbeelding werd gegeven, — zijn overigens uiterst eenvoudig van
samenstelling. Zij worden, aan den beganen grond, alleen afgesloten
door eene horizontale omknikking der daar aanwezige opening, die
door zand of aarde en aangehecht mos min of meer voor het oog
verborgen wordt gehouden.
In zuidelijk Europa echter en vooral in de meeste heete gewesten,
worden verscheidene andere, in doel analoge, doch in bewerking
1) Vervolg van deel XI blz, 177,
230 KLEINE ENTOMOLOGISCHE
veel meer gecompliceerde vormen dezer Territelariën-woningen aan-
getroffen. Naar men weet, zijn deze vermaard door de even kunst-
als doelmatig aangehechte kleppen of deuren aan hare toegangen,
Hare maaksters, — het zijn alleen de feminae die ze daarstellen, —
worden «metsel- of valdeur-spinnen» genaamd, de araignées
maconnes der Fransche, de trapdoor-spiders der Engelsche schrij vers.
Reeds voor meer dan eene eeuw door Sauvages beschreven,
hebben sedert Audouin, Brown, Saunders, Simon en vele anderen
zich met de studie dezer nesten en spinnen bezig gehouden. Hunne
kennis schijnt in het laatste tiental jaren schier tot volkomenheid
te zijn gebracht, door de uitvoerige beschrijvingen en duidelijke
teekeningen in de beroemde speciaal-werken van Moggridge en
Cambridge 1).
Moggridge heeft deze grond-woningen in twee hoofdsoorten onder-
scheiden, als « wafer-nests» en «cork-nests», naar den aard van
hunne klepdeuren, voor de eersten met een wafel- of ouwelvormig
plaatje, voor de laatsten met een min of meer conischen kurken-
stop te vergelijken. Zijn deze uit verscheidene, in omvang ver-
schillende, afwisselende spinsel- en aard-lagen samengesteld, zoo
bestaan gene slechts uit eene enkelvoudige, dunnere of dikkere
laag daarvan.
De kurk-nesten bezitten slechts ééne klep of deur, waarvan
er aan sommige soorten van ouwel-nesten twee voorkomen, ter-
wijl de buisgangen der laatsten, bij enkele species, bovendien nog
op onderscheidene wijzen van eene vertakking zijn voorzien.
Beider werksters, de dusgenaamde metsel- of bouw-spinnen,
waarvan de bijnamen cementaria, aedificatoria, enz., zijn in den
regel niet bijzonder groot, doch van een krachtigen, ineengedrongen
lichaamsbouw, weinig behaard en met stevige, maar korte pooten.
Ofschoon in de zoodanige genera Cyrtocarenum , Idioctis, Pachy-
lomerus, Sphodros, enz. metselspinnen voorkomen, vindt men die vooral
1) Moggridge J. Traherne, Harvesting Ants and Trapdoorspiders, London 1873,
en het Supplement daarop, with descriptions of the Spiders, by O. P. Cambridge,
London 1874,
MEDEDEELINGEN. 231
in de geslachten Cteniza en Nemesia. Uit het laatstgenoemde bezit
ik slechts, vermoedelijk van N. elaeanora Cambr., een volwassen
exemplaar, met een ouwelnest van deze soort, ut Mentône,
vroeger van Mevr. J. Bosch te Utrecht ten geschenke gekregen.
Het nest echter bevond zich in een minder goed geconserveerden
toestand en gaf mij overigens geen aanleiding tot nadere bespreking.
Daarentegen ontving ik van de kurk-nesten onlangs een even
zeldzaam als bijzonder fraai en onges:honden overgekomen specimen.
Ik ben dit, erkentelijk, verschuldigd aan de goedheid van ons
geacht medelid, Mr. W. Albarda, wien het uit Los Angeles in
Californie was toegezonden.
Van dit nest, met eene groote stevige valdeur voorzien, vond
ik, na eenig zoeken, in het Supplement van Moggridge, eene vol-
maakt met het mijne overeenkomstige beschrijving en afbeelding
van een insgelijks uit Californie verkregen exemplaar ').
Als eene buitengewone zeldzaamheid verdient daarbij vermelding
dat in het nest van Mogeridge, de vervaardigster er van, bij aan-
komst in Europa, nog in leven, voorhanden was gebleven. Met
eene in deze gevallen ongewone: zekerheid was hij dus overtuigd,
dat beiden bij elkaêr behoorden. Zijne spin, door Cambridge als
Cteniza Californica benoemd, vertoont duidelijk den boven in het
kort omschreven, typischen of althans meest voorkomenden vorm
der metselspinnen, in lichaamsbouw , pootlengte en beharing. Juist
hierdoor stuitte ik op een groot bezwaar in het aannemen der
overigens blijkbare identiteit van het kurknest van Moggridge
met het onze.
Te gelijk daarmede namelijk mocht ik van den heer Albarda eene,
naar hem gedane opgave, tot dit nest behoorende spin, onder den
volksnaam van «Tarantula», mede uit Los Angeles ontvangen. Deze
nu verschilt hemelsbreed van Moggridge’s en Cambridge’s Oteniza !
Zij moet, zonder den minsten twijfel, tot de veel grootere, lang-
pootige, sterk behaarde, eigenlijke J/yga/e-vormen, van den type
der «bosch- of vogelspin», worden gebracht.
1) Lib. cit. Pl. XV ad p. 198, fig. A, terwijl in fig. B uitmuntende teeke-
ningen der spin, die het bewoont, worden aangetroffen,
232 KLEINE ENTOMOLOGISCHE
Voor de zoodanigen intusschen weet men wel, dat zij, als
«grond- of aard-spinnen >, even als sommige Lycosiden, holen of
of zelfs tunnelvormige holten in den bodem weten te graven en
die met spinsel bekleeden, maar was mij tot hiertoe volstrekt niet
bekend, dat er ook onder hen zouden worden gevonden, die hunne
woningen met deksels als de bovenbedoelde, vermogen af te sluiten.
Alsnu echter de klassieke Beiträge zur Kenntniss der Arachniden-
Familie der Territelariae, van Ausserer 1), — die zich overigens
in hoofdzaak tot de systematiek dezer spinnen heeft bepaald en
bijzonder weinig handelt over hare biologie, — ad hoc raadplegende,
vond ik, voor de zoo even vermelde Mygale-vormen, eene mij
hoogst bevreemdende uitzondering opgeteekend. Onder deze namelijk
zou één subgenus bestaan , waarvan , door ééne species, gelijkvormige
kurkdeksel-nesten zouden worden vervaardigd als door Cteniza
Californica Cambr.! Ik bedoel de Eurypelma Steindachneri Auss.
Van deze soort had Dr. Steindachner voor hem uit S. Diego,
mede in Californie, een exemplaar met haar dekselnest medegebracht.
De beschrijving zijner spin komt in de hoofdzaken vrij wel over-
een met de kenmerken van onze Wygale uit Los Angeles, en ook
het nest brengt hij, in dezelfde bijdrage p. 128, naast dat der
evengenoemde Cteniza, even als het onze, tot Moggridge’s « kurk-
nesten». Ibidem S. 200, schrijft hij daarover nog het volgende:
«Das Thier lebt auf lehmigen, ganz vegetationslosen Boden, in
der Ebene. Das Nest, an dessen Grunde das Thier in der Regel
sitzt, ist circa 1 Schuh tief, hat kaum 4 Zoll im Durchmesser,
und der Deckel passt so genau, dass er nur mit grösster Mühe
vom Boden unterschieden werden kann ».
Hiermede kon het eene uitgemaakte zaak schijnen, dat ook door
de groote Mygale’s (resp. van het geslacht Eurypelma) valdeur-
woningen, van den type «kurk-nest», kunnen worden bewoond,
Eenigen twijfel hieromtrent kan ik nochtans niet onderdrukken.
Evenzeer toch als al de mij de visu en uit afbeeldingen bekend
geworden, middelmatig groote vormen van metselspinnen, uit de
1) Zweiter Beitrag,
MEDEDEELINGEN, 233
kortbeenige geslachten Cteniza, Nemesia enz., zich door bouw en
omvang uitmuntend goed leenen tot een verblijf in deze onder-
aardsche deurwoningen, even weinig schijnen mij de meer kolos-
sale, langpootige, ware Mygale’s daarvoor geschikt. Is hier geene
vergissing mogelijk, of liever misleiding door de verhalen der in-
landers, die in de tropische gewesten dikwerf zoo weinig te ver-
trouwen zijn? Even als Albarda, kreeg Ausserer een overeenkomstig
kurknest en eene, «volgens opgave», daarbij behoorende, overeen-
komstige spinsoort, beiden uit eene overeenkomstige landstreek,
Maar hebben Ausserer’s en Albarda’s zegslieden zelven gezien,
dat de door hen medegebrachte of toegezonden Lurypelma’s wer-
kelijk in die nesten gevonden werden, zooals Moggridge het van
zijne Cteniza heeft mogen waarnemen?
Het is mij meer dan eens voorgekomen, spinnen-cocons te ont-
vangen, met de, naar het oordeel der gevers, daarbij behoorende
spinnen, die mij later bleken, geheel andere eiernesten te maken.
Kan het niet zijn, dat zoowel Steindachner als de toezender der
voorwerpen van Albarda, in den omtrek van ledige of verlaten
deksel-nesten , Mygule’s hebben aangetroffen, die zij voor de werk-
sters daarvan hebben aangezien, zonder dit nader te kunnen
constateeren ?
Met allen eerbied voor Ausserer, zou ik dit punt, — waarover
zijne Beiträge geen licht geven, — wel eerst opgehelderd willen
zien, voor en aleer de hier besproken exceptie, zonder eenig
protest, te durven beämen.
CATALOGUS
DER
IN NEDERLAND VOORKOMENDE HEMIPTERA.
EERSTE GEDEELTE.
HEMIPTERA HETEROPTERA.
DOOR
Mr. A. J. F. FOKKER.
«Als het eene schip te water gelaten is, dient onmiddellijk de
kiel gelegd voor een volgend», met deze woorden besloot wijlen
_ Dr. Snellen van Vollenhoven de voorrede van zijn in 1878 ver-
schenen werk Memiptera Heteroptera Neerlandica, daarmede be-
doelende, dat nu eenmaal de Heteroptera waren afgehandeld, de
beurt kwam aan de Homoptera. Daar hieruit blijkt dat hij- de
meening toegedaan was, dat met dit zijn werk tamelijk wel het
laatste woord over de inlandsche eigenlijke wantsen gezegd was,
en misschien anderen, met hem van dit gevoelen, verwonderd
zullen zijn, dat, nu er reeds een beschrijvend werk over een deel
onzer Hemiptera bestaat, nog op nieuw voor datzelfde gedeelte
eene lijst wordt uitgegeven, zoo is het wellicht niet ondienstig
hier eerst uiteen te zetten, dat zulk eene nieuwe opgave werkelijk
reden van bestaan heeft, ja onmisbaar is.
Met allen eerbied voor de uitstekende bekwaamheden van
Dr. Snellen van Vollenhoren en zijne bijzondere verdiensten ten
opzichte der vaderlandsche entomologie, meen ik toch het feit te
mogen constateeren, dat zijne werken, — wat deze met die van
CATALOGUS DER IN NEDERL, VOORKOMENDE HEMIPTERA. 235
andere groote mannen gemeen hebben, — niet allen op gelijke lijn
kunnen geplaatst worden, en zelfs dat er enkelen zijn, die bij
de meesten zeer ten achter staan. Immers in den tegenwoordigen
stand der wetenschap is het niet mogelijk voor iemand, welke
buitengewone talenten hij ook bezitte, alle takken der entomologie
gelijkelijk meester te zijn. Wie dat toch beproeft, ondervindt nood-
zakelijk de waarheid van het «qui trop embrasse, mal étreint».
Eenigermate is dit met Snellen van Vollenhoven het geval bij de
behandeling der inlandsche wantsen, die hij ter hand genomen
heeft, omdat niemand er zich over ontfermde. Oorspronkelijk be-
gonnen met in de Bouwstoffen eene lijst van deze te geven,
vervolgde hij deze opgave, die uit den aard der zaak hoogst on-
volledig was, niet, maar maakte later in ons Tijdschrift een
aanvang met de soorten, welke hem als inlandsch bekend waren,
af te beelden en te beschrijven. Toen deze arbeid voltooid was,
vereenigde hij die schetsen en gaf ze in 1878, met eenige geringe
wijzigingen, onder bovengenoemden titel uit. Is zijne bedoeling
met die uitgave geweest een standdaardwerk voor de Nederlandsche
wantsen te leveren, gelijk Douglas en Scott, Puton, Flor en
Reuter dit respectievelijk voor hun land gedaan hebben, dan
durf ik zeggen, dat dit doel in geenen deele is bereikt,
Een niet gering gebrek van zijn werk is, dat de nieuwere
systematiek te zeer door hem verwaarloosd is. Hij volgde voor de
rangschikking Flor en de oudere schrijvers, die hun best deden
om het grootst aantal soorten in het kleinst getal geslachten op
te bergen. Toen men naderhand wel eenigszins tot het andere
uiterste oversloeg en talrijke nieuwe geslachten opgericht werden,
wilde v. Vollenhoven daar niets van weten !), maar bleef zijn
oud systeem getrouw, ten minste in zijne geschriften; zijne eigen
collectie is, merkwaardig genoeg, ingericht naar Puton’s Catalogue,
wel een bewijs, dat hij zelf het lastige en onhoudhare van zijne
verdeeling inzag.
Gevolg daarvan is dat alleen hierdoor reeds zijn werk hoogst
1) Zie hemzelven in de voorrede van zijne Hemiptera etc,
236 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
-
lastig in het gebruik is naast die van nieuwere schrijvers. Bijna
alle soorten hebben bij hem een anderen geslachtsnaam dan ze
tegenwoordig dragen, daar hij zoo weinig mogelijk geslachten
aannam. Zoo omvat zijn geslacht Lygus ongeveer op enkele uit-
zonderingen na, die volstrekt niet allen gemotiveerd zijn, de
geheele familie der Capsiden. Wat zou men van een Goleoptero-
loog zeggen, die nog alle Staphyliniden in het oude geslacht
Staphylinus wilde plaatsen! En toch zou dit juist hetzelfde zijn,
Behalve deze thans verouderde systematische rangschikking en
de niet altijd juiste synonymie, zijn er in het werk nog andere,
niet mindere gebreken. Vooreerst had de Schrijver bij de be-
schrijving eener soort, meestal een te klein getal voarwerpen te
zijner beschikking. Van daar is die beschrijving dikwijls onjuist
of onvolledig. Voorts schijnt de opgave van de grootte der soorten
door hem als iets van minder belang beschouwd te zijn. Deze
toch is zelden volkomen juist en verschilt gewoonlijk een paar
millimeter met de werkelijkheid !). Het sterkst sprekend voor-
beeld, dat ik hiervan ken, is het volgend. Vollenhoven beschrijft
p. 76 eene Berytide onder den naam van Derytus cognatus Fieb.
naar twee voorwerpen, door den heer Heylaerts bij Breda ge-
vangen, en geeft als hunne grootte op 12 mm.. Dat deze voor-
werpen nu verkeerd door hem zijn gedetermineerd en behooren
tot Berytus hirticornis Brullé, doet er in dezen minder toe, maar
hoe is het mogelijk dat, terwijl zij beiden slechts 8—9 mm.
groot zijn, hij 12 mm. aangeeft, eene grootte, die, indien zij
juist ware, B. cognatus zou maken tot de grootste Berytide,
grooter zelfs dan de soorten van het geslacht Nerdes! Wie zou
nu, v. Volfenhoven’s beschrijving van B. cognatus lezende, ver-
moeden dat daarmede bedoeld was B. hirticornis?
Eene andere fout van v. Vollenhoven is, dat, was eene soort
hem niet bekend, hij er spoedig toe overging die als nieuw te
beschrijven. De enkele soorten, die hij zoo in zijn werk als
nieuw opgeeft, bleken mij reeds beschreven te zijn.
1) Men vergelijke o. a. eens de grootte-opgaven van Snellen van Vollenhoven
met de steeds hoogst nauwkeurige van Dr, Puton in diens Syuopsis,
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 237
Daar ik in het bezit ben der afdeeling Hemiptera van de col-
lectie der Nederlandsche Entomologische Vereeniging, die door
Snellen van Vollenhoven zelf geordend is, hem gediend heeft
bij de vervaardiging van zijn boek en vele merkwaardigheden en
unica bevat, was het mij bijna altijd mogelijk de voorwerpen,
die hij voor elke soort ter beschrijving gebruikt heeft, te veri-
fieeren, en het blijkt mij daarbij dagelijks dat zijne determinatien
ook dikwijls verkeerd zijn, dat de eene soort voor eene andere
verwante werd aangezien, of twee soorten als ééne beschreven,
ook zelfs een enkele maal eene soort als twee verschillende 1),
meerendeels een gevolg daarvan dat de Schrijver de werken der
nieuwe auteurs niet of weinig gebruikte. Moest ik derhalve in
enkele woorden mijn oordeel over de Hemiptera Heteroptera Neer-
landica samenvatten, dan zou ik zeggen, dat het werk mij voor-
komt de sporen te dragen van met overhaasting en zonder de
noodige nauwgezetheid ?) te zijn bewerkt, dat noch de beschrij-
vingen, noch de grootte-opgaven, noch de synoptische tabellen,
voor zoover deze er zijn, nauwkeurig zijn, dat de determinatie
der soorten dikwijls veel te wenschen overlaat, en de systematische
rangschikking is verouderd.
Niet dan na zergvuldig onderzoek en na het boek meermalen
doorgewerkt te hebben, en de soorten volgens de-nieuwste schrijvers
op nieuw te hebben gedetermineerd, heb ik mij gerechtigd ge-
acht bovenstand oordeel uit te spreken. Men moge het hard vinden,
de volgende lijst zal bewijzen dat het niet onverdiend is doch
v. Vollenhoven’s verdiensten als entomoloog staan te hoog en
zijn van te algemeene bekendheid, dan dat één minder gelukt
werk iets van zijnen roem zou kunnen wegnemen.
In den hieronder volgenden Catalogus zal ik achtereenvolgens
de inlandsche Heteroptera-soorten opgeven, daarbij telkens ver-
1) Bv. Aelia acuminata L. en pallida Kust. zijn ééne soort, acuminata L.
2) Hoe is het anders te verklaren, dat talrijke vindplaatsen door den Schrijver
verzuimd zijn op te geven, en dat er in de collectie der Vereeniging verschei-
dene soorten waren, nieuw voor onze fauna, die toch niet in het werk beschreven
zijn, dus eenvoudig vergeten ?
238 CATALOGUS DER IN NEDERL. VOORKOMENDE HEMIPTERA.
meldende onder welken naam zij in v. Vollenhoven’s werk be-
schreven staan. Zijn de Heteroptera behandeld, dan hoop ik de
Homoptera te doen volgen.
Op volledigheid zal ook deze lijst nog geen aanspraak kunnen
maken; te weinig is daarvoor in ons land op Hemipterologisch
gebied gedaan, te gering het aantal dergenen die wantsen verza-
melen. Moge zij er echter toe bijbrengen meerdere belangstelling op
te wekken voor- en aandacht te vestigen op deze asschepoetster der
vaderlandsche entomologie.
Voor de rangschikking heb ik, met enkele wijzigingen, gevolgd
die aangenomen in den Catalogue van Dr. Puton.
HEMIPTERA HETEROPTERA
Sect. I. GEOCORISAE.
Fam. I. PENTATOMIDAE.
Corimelaena White.
scarabaeoides L. — Corcomelas scarabaeodes L., bij S. v. V. p.
22. — Den Haag 4, Leesberg; Velp 8, Ritsema; Rottum 7,
Ritz. Bos; Breda, Heylaerts; en op Geum urbanum,
Driebergen, Six.
Phimodera Germ.
galgulina H. S. 1). — Eodem nomine bij S. v. V. p. 19. — Zeer
zeldzaam: een exemplaar door v. Vollenhoven te Scheve-
ningen, en een ander, mede aldaar in Juni, door Mr.
A. F. A. Leesberg.
Eurygaster Lap.
Maura L. — Zetyra maura L. bij S. v. V. p. 44. -- Gevangen in
Holland, Gelderland, Utrecht, Noordbrabant en Overijssel. —
Van de var. picta F. bezit ik een inlandsch voorwerp
zonder nadere aanduiding van vindplaats.
1) De soorten, die wel in ons land, maar niet in Belgie voorkomen, volgens
de lijst der heeren Lethierry en Pierret in de Annales de la Société Entomologique
Belge t. XXII, zijn cursief gedrukt. De soorten, wel dáár, maar nog niet hier
te lande aangetroffen, zal ik telkens opgeven. Op deze wijze sluiten op elkander
de catalogus van Belgie en van Nederland en de Catalogue du département dy
Nord par M. Lethierry.
240 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
Hottentotta F. — Tetyra hottentotta F. bij S. v. V. p. 15. —
Overveen 5, Weyenbergh; Utrecht 8, A. C. Oudemans;
den Haag, van Hasselt; Haarlem 5, Groll; Zierikzee,
Fokker. — De var. »igra in Nederland, v. Eyndhoven;
Velp 7, Ritsema; Walcheren, La Fontyn.
Odontoscelis Lap.
fuliginosa L. — Eodem nomine by S. v. V. p. 40. — Hij ver-
warde deze en de volgende soort; daarom kan ik geen
andere vindplaatsen opgeven dan Hollandsche duinen, v.
Vollenh., en twee exempl. zonder etiquet in de collectie
der Vereeniging, in Holland, Groll.
dorsalis F. Faunae nov. spec. — Driebergen 6, Six.
Graphosoma Latr.
+ lineatum L. 1). — Trigonosoma nigrolineata Rossi bij S. v. V.
p. 17. — Alleen gevonden door Baron van Ittersum
in Noordbrabant.
Podops Lap.
inuncta F. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 18. — Holland,
Fransen; den Haag, v. Vollenh.; Rotterdam 3, Snellen;
Breda 3, Heylaerts; Utrecht 6, Six; Arnhem, v. M. de
Rooij; Zierikzee, Fokker; Haarlem, Groll.
Cydnus F.
flavicornis F. — Eodem nomine bi S. v. V. p. 32. — Niet
zeldzaam op de duinen; ook te Utrecht gevangen door den
heer G. A. Six.
nigritus F. Faunae nov. spec. — Een exemplaar ving ik te
Zierikzee 8, en een ander te Wageningen 7.
Sehirus Am. Serv. 2).
luctuosus M. et R. Fn. nov. spec. — S. v. V. p. 31 noemt deze
1) Het teeken + duidt aan, dat de soort mij in inlandsche voorwerpen ontbreekt.
2) Brachypelta aterrima Foerst. en Sehirus dubius Scop., eenige malen in
Belgie gevangen, zijn nog niet als inlandsch bekend. |
VOORKOMENDE IEMIPTERA. 241
soort ten onrechte Cyduus morio L., die veel grooter is.
S. luctuosus werd in alle provincien gevangen, doch is
nergens gemeen.
Morio L. Fn. nov. spec. — Arnhem 7, ‘Groll.
bicolor L. — Cydnus bicolor L. bij S. v. V. p. 29. — Gemeen.
biguttatus L. — Cydnus biguttatus L. bij S. v. V. p. 31. —
Breda, 1, 3, 6, Heylaerts; Arnhem 6, v. M. de Rooij;
St. Pietersberg, Maurissen; in Holland, Wttewaall; Wa-
geningen 7, Fokker en Groll.
Gnathoconus Fieb.
albomarginatus F. — Cydnus albomarginatus F. bij S. v.V. p. 30. —
Hij kende echter de volgende soort niet en verwarde die
met deze; daarom geef ik als vindplaatsen slechts op:
Arnhem 4, v. M. de Rooij; in Gelderland, v. Eyndhoven :
in Holland, Fransen; Haarlem, Groll; den Haag 5, Six.
picipes Fall. Fn. nov. spec. — Velzen 6 en den Haag 3, Jhr. Dr.
Ed. Everts; duinen van Holland 4, Snellen; Renesse 8,
Fokker; Haarlem, Groll.
Sciocoris Fall.
terreus Schrank. Fn. nov. spec. — Bij S. v. V. verkeerdelijk ge-
determineerd als Se. wmbrinus Wolff, die niet inlandsch
is. Se. ferreus is nergens zeldzaam op drooge gronden.
Aelia F.
"acuminata L. — S.v. V. p. 35 geeft A. acuminata L. en pallida
Küst. als twee afzonderlijke soorten op; zij zijn echter
synoniem en de door hem als pallida gedetermineerde
voorwerpen, die ik zag, waren allen goede acuminata L.
Deze soort is gevangen in Holland, Drenthe, Gelderland,
Brabant en Limburg.
Klugii Hahn. — Aelia Klugü L. bij S. v. V. p. 36. — Oos-
terbeek 7, v. M. de Rooij; de Bildt, Six en Everts;
Noordwijkerhout 6, de Graaf; den Haag, van der Wulp;
Wassenaar 7, v. Vollenhoven; Wolfhezen 7, Fokker;
Arnhem 7, 8, Groll.
16
242 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
Neottiglossa Curtis.
inflexa Wolff. — delia inflera Wolff bij S. v. V. p. 37. —
Den Haag 6, van Vollenhoven, Six en van der Wulp;
in Brabant, van Eyndhoven; Vorden 6, Groll.
Eysarcoris Hahn.
perlatus F. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 38. — Breda 4,
Heylaerts; verscheidene exemplaren te St. Pieter, door
Mr. A. H. Maurissen.
+ melanocephalus F. Fn. nov. spec. -— Door Mr. Maurissen te
Nuth gevangen.
Palomena M. et R. !).
viridissima Poda Fn. nov. spec. — Cimer prasinus bij S. v. V.
p. 42; hi) nam deze en de volgende soort als een aan.
In Holland, Fransen; in Groningen, Dr. de Gavere;
Rheden, v. Vollenhoven; Ruurlo 6, Leesberg; Utrecht 9,
A. C. Oudemans; Venlo, van den Brandt; Velp 7, Ritsema.
prasina L. (= dissimilis F.). — Arnhem en Nijkerk, v. M. de
Rooij; in Gelderland, Snellen en op den Keijenberg 6;
Vorden 6, Groll.
Carpocoris Kolen.
nigricornis F. — Cimex nigricornis bij S. v. V. p. 44. — Zeer
zeldzaam: een exemplaar in Gelderland, A. G. Oudemans;
en een te Beekhuizen 8, Ritsema.
Verbasci de Geer Fn. nov. spec. — S. v. V. p. 44 noemt deze
soort verkeerd baccarum L., want baccarum L. is = nigri-
cornis Wolff en fuscispinus Boh. en nog niet in ons land
aangetroffen, terwijl baccarum F. synoniem is met Verbasci
de Geer. — Gemeen.
1) Rubiconia intermedia Wolff, Peribalus vernalis Wolff en sphacelatus F., en
Carpocoris baccarum L. zijn wel in Belgie, nog niet bij ons waargenomen,
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 243
Pentatoma Oliv.
juniperina L. Fn. nov. spec. — Gevangen in verscheidene exem-
plaren door Mr. A. H. Maurissen te St. Pieter 6.
pinicola M. et R. — Cimex pinicola Muls. bij S. v. V. p. 43. —
In Gelderland, een exemplaar door A. C. Oudemans, en
een bij Arnhem, door v. M. de Rooij.
Piezodorus Fieb.
incarnatus Germ. — Cimex lituratus Klug bij S. v. V. p. 41. —
Verspreid. De var. alliaceus Germ. te Beek 6, Six; Oos-
terbeek 6, Ritsema; Arnhem 5, v. M. de Rooij.
Tropicoris Hahn. |).
rufipes L. — Eodem nomine bi S. v. V. p. 39. — Gemeen.
Strachia Hahn.
oleracea L. —- Cimex oleraceus L. bij S. v. V. p. 45. — Overal
voorkomende, hier en daar gemeen ?).
Acanthosoma Curt.
haemorrhoidale L. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 47. — Ge-
vonden in Holland door verscheidenen; Breda 6, Heylaerts;
Arnhem 4 en Oosterbeek 6, v. M. de Rooij; Zierikzee en
Valkenburg 7, Fokker; Wageningen, Bos.
dentatum de Geer. — A. haematogaster Schr. bij S. v. V. p.
48. — Niet zeldzaam.
Sastragala Am. S.
ferrugator F. — Acanthosoma ferrugator F. bij S. v. V. p. 50. —
Breda, Leesberg, Snellen en Heylaerts; Utrecht, Six;
Velp 8, Ritsema; Arnhem 10, v. M. de Rooij; Rneder-
steeg 8, van Vollenh.; Wolfhezen 7 en Assen 7, Fokker.
Cyphostethus Fieb.
tristriatus F. — Acanthosoma clypeatum Burm. bij S. v. V. p.
49. — Zeer zeldzaam: Overveen 2, Weyenbergh; Arnhem
5, v. M. de Rooij.
1) Rhaphigaster griseus F. wel in Belgie, niet bij ons.
2) Strachia picta M, Sch., decorata H. Sch. en festiva L. in Belgie.
244 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
Elasmostethus Fieb.
interstinctus L. — Acanthosoma griseum L. bij S.v. V. p. 50. —
Hier en daar niet zeldzaam.
Fieberi Jakowl. Fn. nov. spec. — Deze soort komt voor in Rus-
land en Finland; een enkel exemplaar werd volgens Dr.
Puton in de Vogezen gevangen. Hoogst merkwaardig is
dus het vinden dezer soort hier te lande. Een exemplaar ,
gevangen Arnhem 8, v. M. de Rooij, vond ik in de col-
lectie der Vereeniging; het stond onder de voorgaande
soort, waarop Fieber: zeer gelijkt, maar waarvan zij licht
herkenbaar is door de zwarte sprieten en den zwart be-
stippelden buik. Ik bezit nog een voorwerp, eveneens te
Arnhem gevangen in Mei door den heer van Medenbach
de Rooij, met bestippelden buik, doch sprieten gelijk aan
die van interstinctus; dit vormt dus als ’t ware een’ over-
gang tusschen beiden. Nog vond de heer Groll een ex.
in Juli bij Vorden.
Picromerus Am. S.
bidens L. — Asopus bidens bij S. v. V. p. 28. — Niet zeldzaam.
Arma Hahn.
custos F. — Asopus custos F. bij S. v. V. p. 27. — In Holland,
Utrecht, Gelderland en Brabant.
Podisus H. Sch.
luridus F. — dsopus luridus F. bij S. v. V. p. 26. — Gevangen
in Holland, Utrecht, Gelderland en Friesland.
Asopus Burm.
punctatus L. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 24. — Arnhem
4, v. M. de Rooij; Walcheren, la Fontijn; Scheveningen ,
Leesberg.
Jalla Hahn.
dumosa L. — Asopus dumosus bij S. v. V. p. 25. — In de Hol-
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 245
landsche duinen, v. Vollenhov. en de Graaf; Driebergen 6,
Six; Walcheren, la Fontijn; Zierikzee 9, Fokker.
Zierona Am. S.
coerulea L. — Asopus coeruleus L. bij S. v. V. p. 23. — Utrecht
6, Six; Brummen 7, Leiden 6 en Schothorst 7, v. Vollenh. ;
Breda 5, Heylaerts en Leesberg; Arnhem, v. M. de Rooij
en Groll; Wageningen 7, Fokker.
Fam, II, CoREIDAE.
Enoplops Am. S.
scapha F. — Syromastes scapha F. bij S. v. V. p. 59. — Zeer
zeldzaam: 2 voorwerpen te Breda, 3 en 5, Heylaerts.
Spathocera Stein.
Dalmannii Schill. !). — Atractus Dalmannii Schill. bij S. v. V.
p- 67. — Een ex. in Holland, Perin; twee te Noordwijk
6, Everts en Leesberg.
Pseudophlaeus Burm.
Fallenii Schill. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 65. — Den
Haag 7 en Leiden, v. Vollenhoven; duinen van Holland,
Snellen; Velzen 5, Ritsema; Scheveningen, van der Wulp.
+ Waltlii H. Sch. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 66. —- Een
voorwerp dezer zeldzame soort werd gevangen op Walcheren
door den luitenant la Fontijn.
Ceraleptus Costa.
lividus Stein, Fn. nov. spec. — In het Tijdschrift voor Entomo-
logie, dl. XII, blz. 56 beschreef van Vollenhoven een
voorwerp dezer soort, door den heer P. GC. T. Snellen in
Maart bij den Haag gevangen, als nova species onder den
naam van Coreus difficilis Voll. In zijne Hemiptera p. 62
verklaart hij, dat het behoort tot Ceraleptus squalidus Costa.
Ook dit is onjuist. Ik bezit het typische exemplaar van
Coreus difficilis Voll. en dit is niet anders dan Ceraleptus
1) In Belgie Spathocera lobata H. Sch. en Bathysolen nubilus Fall,
246 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
lividus Stein. Bovendien werd /ividus gevangen te Breda,
4 en 5, door Heylaerts, en op Walcheren door la Fontijn.
Coreus F.
hirticornis F.'), Fn. nov. spec. — S. v. V. determineerde deze
soort verkeerd als €. pilicornis Burm., die niet inlandsch
is. — Den Haag 9, v. d. Wulp; Noordwijk 6, Everts;
Bergen op Zoom 5, Heylaerts; Walcheren, la Fontijn;
Domburg 6 en de Bildt 7, v. Vollenhoven; Zierikzee 5,
Fokker.
Syromastes Latr.
marginatus L. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 56. — Is in de
oostelijke provincien vrij gemeen; ook te Zierikzee 7,
Fokker, en bij Haarlem 4, Weyenbergh.
Verlusia Spin.
rhombea L. — Syromastes quadratus bij S. v. V. p. 57. — Veel
zeldzamer dan de vorige. Bij den Haag door verscheidenen
gevangen; ook te Velp 8, de Roo van Westmaas; Schapen -
duinen, Ritsema; Utrecht, Six; en Middelburg, Leesberg.
Gonocerus Latr.
venator L. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 60. — Arnhem 6
en Oosterbeek 10, v. M. de Rooij; Houten 7, Maurissen ;
Venlo 7, van den Brandt.
Alydus F.
calcaratus L. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 70. — Breda,
Heylaerts en Leesberg; Rhedersteeg 7, Ritsema en van
Vollenhoven; Driebergen, van Bemmelen; Arnhem 9 en
Oosterbeek 7, v. M. de Rooïj; Vorden 7, Groll; Wage-
ningen 7, Fokker.
Stenocephalus Latr.
agilis L. — St. nugax F. bij S. v. V. p. 69. — Arnhem 6, van
Vollenhoven en 5, v. M. de Rooij; den Haag 11, Dr. van
Hasselt.
1) In Belgie ook C. scabricornis Panz.
-
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 247
medius M. R. Fn. nov. spec. — Van deze bij uitstek merkwaardige
en zeldzame soort bezit ik een exemplaar, dat in de col-
lectie der Vereeniging onder agilis stond, zonder nadere
aanduiding van vindplaats. Ik meen het echter te herkennen
als afkomstig van den heer P. C. T. Snellen.
Therapha Am.
Hyoscyami L. — Corieus Hyoscyami L. by S. v. V. p. 84. — In
Holland, van Vollenhoven; Zierikzee 8, Fokker; Driebergen,
Six; Beekhuizen 8, Ritsema; Breda, op Tunacelum,
Heylaerts.
Corizus Fall. !). ‘
maculatus Fieb. Fn. nov. spec. — Een enkel exemplaar is in
mijn bezit; het is gevangen te Breda 5 door den heer
Snellen; ook te Vorden, 7 en 9, Groll, 2 exempl.
capitatus F. — S.v.V. p. 81—83 beschrijft als inlandsch drie
soorten, crassicornis L., capitatus F. en pratensis Fall.;
blijkens zijne determinatien verwart hij evenwel deze drie
dikwijls. Alle voorwerpen van crassicornis, die ik zag,
waren pratensis Fall, op één na, de bovengenoemde Fn.
nov. spec. maculatus; C. crassicornis moet dus als in-
landsche soort vervallen. Ook van de tweede soort waren
alle voorwerpen pratensis Fall., op één na, dat werkelijk
een capitatus is. Dit, voor zoover mij bekend, eenige
inlandsche exemplaar van capitatus, werd gevangen te
Driebergen door den heer Six.
parumpunctatus Schill. (= pratensis Fall.). — Verspreid, hier en
daar niet ongemeen.
Myrmus Hahn.
miriformis Fall. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 79. — Niet :
zeldzaam op heidegrond, zeldzamer op de duinen. De
macroptere vorm is alleen gevangen door mij te Ruurlo, 7,
1) In Belgie ook C. erassicornis L. en rufus Schill.
vw
248 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
in 2 exemplaren; Steenwijk 7, één ex. en Assen 7, één
ex. Groll; en te Loosduinen door generaal v. Hasselt,
Chorosoma Curt.
Schillingii Schumm. — Lhopalus Schillingii Schill. bij S. v. V.
p. 74. — Gemeen op de duinen, minder gemeen op de
heide.
Fam. II. BERYTIDAE.
Neides Latr.
tipularius L. — Berytus tipularius L. bij S. v. V. p. 73. —
Scheveningen, Wassenaar 8 en Bennebroek op Verbascum,
van Vollenhoven; in Utrecht door verscheidenen; Breda 4,
Heylaerts; Arnhem 4, v. M. de Rooij; Rotterdam, J. F,
Snelleman; Haarlem, 5, 7 en 8, Groll,
Berytus F.
Dit geslacht is een chaos bij S. v. V.; alle soorten zijn
verkeerd gedetermineerd. Inlandsch zijn:
hirticornis Brullé, Fn. nov. spec. — Verkeerdelijk bij S. v. V.
p. 75 als B. cognatus Fieb.! (die eene varieteit is van
minor). Eene zeer eigenaardige, door hare grootte en de
lang behaarde sprieten zeer onderscheiden soort. Twee
exemplaren te Breda van den heer Heylaerts.
montivagus Fieb. Fn. nov. spec. — Wel geeft S. v. V. in het
Tijdschr. voor Entomologie, dl. XXII, blz. 228, deze soort
als inlandsch op, naar exemplaren, door mij bij Zierikzee
4 gevangen, maar deze voorwerpen behooren tot de forma
macroptera van B. minor H. Sch. Ik bezit echter een
exemplaar, gevangen te Utrecht door den heer Six, dat
door v. Vollenhoven als B. clavipes gedetermineerd is,
maar tot deze soort behoort, en wel tot de volgens Dr.
Puton zeer weinig voorkomende forma brachyptera.
minor H. Sch., Fn. nov. spec. — De forma brachyptera (= B.
Fieberi Dohrn, conmutatus Del. et Sc.) is niet zeldzaam in de
omstreken van Zierikzee, 4 en 9; ook te Renesse 8. De
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 249
forma macroptera (= B. vittatus Fieb.) is zeldzamer: een
exemplaar te Renesse 8, en een zestal te Zierikzee, 4 en
5; voorts door v. Vollenhoven bij den Haag 4 (door hem
gedetermineerd B. crassipes H. Sch.).
B. elavipes F., bij S. v. V. p. 74 beschreven, is niet
inlandsch. De voorwerpen door hem als zoodanig bestemd,
die ik zag, behoorden er niet toe. Een zonder nader etiquet
was minor forma brachyptera, en twee anderen, ofschoon
grooter dan mijne Zierikzeesche exemplaren (64 mm.),
maar overigens in kleur geheel aan minor gelijk , behooren
ook tot den brachypteren vorm van minor. Deze laatsten
zijn gevangen te Driebergen, Six.
De eigenlijke B. clavipes F. is grooter dan minor (7—8}
mm.) en heeft de knots van het eerste sprietenlid en van
de dijen niet zwart, maar geel en weinig verdikt, en is
onderscheiden van montivagus, Signoreti en crassipes door
het gemis der cel aan de basis der membraan ').
Signoreti Fieb. Fn. nov. spec. — Hiermede is synoniem de soort,
door van Vollenhoven genoemd, p. 76, B. driebergensis
Voll. Ik bezit drie voorwerpen, door S. v. V. zelf als £.
driebergensis bestemd. Een daarvan, door mij te Zierikzee
gevangen, is een echte mizor H. Sch.; de twee anderen
echter zijn Signoreti Fieb.; het eene is gevangen Sterken-
burg 7, v. Vollenhoven, het andere aan de Bildt 8, Six.
crassipes H. Sch. Fn. nov. spec. — Het eenige exemplaar ,
dat ik ken, en door v. Vollenhoven als crassipes gedeter-
mineerd, was een B. minor, forma macroptera. Ik zelf
ving evenwel van deze zeldzame soort een zeer klein stuk
te Zierikzee 9, en een ander te Leiden 7.
Misschien behoort ook tot deze soort een voorwerp,
gevangen te Driebergen, Six. Het heeft de knots van het
eerste sprietenlid en van de dijen zwart, doch de dijen
zijn niet zoo plotseling verdikt als in crassipes, en de
1) B. clavipes F. is in Belgie op een paar plaatsen gevonden.
250 CATALOGUS DER IN NEDERL. VOORK. HEMIPTERA.
kleur van het geheele dier is veel donkerder, grauwachtig
bruin.
Metacanthus Costa.
elegans Curt. — Berytus elegans by S. v. V., p. 77. —
Scheveningen 8, van der Wulp, Six en v. Vollenhoven;
duinen van Holland 8, Piaget; Haarlem 8 en 9, tamelijk
gemeen , Groll N).
(Wordt vervolgd).
1) Metatropis rufescens H. Sch., in Belgie voorkomende, is bij ons nog niet
aangetroffen.
VERBETERINGEN.
NE
Blz CXLUI regel 13 v. ond. staat: Zropistethus en Ischnocoris; lees: Acompus
en Ischnocoris.
183 regel 2 v. ond. staat: fimana; lees: fimana.
ts LE 5 à
h
Su
RR
REGISTER.
CRUSTACEA.
Pinnotheres Pisum Latr. Blz. xIx.
COLEOPTERA.
Agathidium badium Er. xxix.
Agrilus angustulus Ill. xxıx.
Aleochara inconspicua Aubé xxIx.
» moerens Gyll. xxIx.
Anisotomia dubia Kug. xxIx.
Anthrenus fuscus Latr. XXIX.
Aphthona lutescens Gyll xxx.
” ochroleuca Marsh. xxx.
” venustula Kuts. xxx.
Apion Genistae Kirb. xxx.
” immune Kirb. xxx.
” striatum Kirb. xxx.
D tenue Kirb. xxx.
Apoderus protactus Dohrn. CXLIL.
” spectrum Voll. cxLuI.
” tenuissimus Pase. CXLIII.
Apteropeda orbiculata Marsh. xxx.
Aspidiphorus orbiculatus Gyll. xxx.
Athous longicollis Ol. xxix.
Atomaria. CxLVI.
Attelabus curculionoides L. xxx.
Axinotarsus marginalis Wr. xxix.
Balaninus cerasarum Hrbst. xxx.
Baris T. album L. xxx.
Bledius opacus Block. xxıx.
Bolitobius lunulatus L. xxIx.
Bolitochara lunulata Payk. xxıx.
Bradycellus Verbasei Dfts. xxıx.
Brychius elevatus Panz. 103.
Carabidae (Nieuwe system. verdeeling der) |
LI
Cereus rufilabris L. xxrx.
Ceutorhynchus Chrysanthemi Gyll. xxx.
Charopus flavipes Payk. xxix.
Chrysomela Hyperici Forst. xxx.
” staphylea L. xxx
Cleonus turbatus Fahrs. xxx.
Clythra quadripunctata L. xxx.
” tridentata L. xxx.
Coeliodes trifaseiatus Bach. xxx.
Coenochilus Brou. 66.
” glabratus. 66.
’ obscurus Westw. 64.
Coenochilus Parrianus Westw. 65.
" striatus Westw. 63.
. sumatranus Westw. 62.
Coninomus nodifer Westw. xxix.
Conurus pubescens Payk. var. fusculus
Er. XXIX.
Corticaria serrata Payk. xxıx.
Cryptarcha strigata F. xxix.
Cryptocephalus bipunctatus L. xxx.
” labiatus L. xxx.
” nitidus L. xxx.
Cryptohypnus quadripustulatus F, xxıx.
Cryptophagus. CXLVI.
Deionosoma Westw. n. g. 61.
” rugosum Westw. 62.
Diatelium Wallacei Pasc. cxzur.
Donacia clavipes F. xxx.
” dentata Hoppe. xxx.
simplex F. xxx.
Epicauta ruficeps Ill. (Vergiftige eigen-
schappen toegeschreven aan de
uitwerpselen van). CXXXVIIL.
Epuraea decemguttata F. xxix.
” florea Er. XXIX.
” obsoleta F. xxix.
Ernobius mollis L. xxıx.
” parens Muls. xxx.
Feronia lepida F. xxvirr.
” parallela Dfts. xxvur.
” versicolor St. XXVIII.
” vulgaris L. bezet door een’
Gordius. XXII.
Haliplus aftinis Steph. 92,97.
” badius Aubé. 95.
bistriolatus Dfts. 102.
cinereus Aubé. 97.
confinis Steph. 91,95.
ferrugineus Aubé. 96.
flavicollis St. 97.
fluviatilis Aubé. xxix, 93, 101.
fulvicollis Er. 93, 101.
fulvus F. 92, 96.
Heydeni Wehnke. 93, 99.
immaculatus Gerh. 99.
impressus F. 92, 97.
lineatocollis Marsh. 93, 102.
lineatus Aubé. 95.
maritimus Fairm. 94.
mucronatus Steph. 92, 95.
multipunctatus Wehnke 93, 98,
ft: a, ag) Cr Ae] eVa N
=
a2 8 & |
Haliplus obliquus F. 91, 94.
” ruficollis de G. 93, 98.
” striatus Sharp. 93, 99.
” variegatus Marsh. 93, 102.
” varius Nic. 91, 94.
Halyzia ocellata L. xxx.
Harpalus discoideus F. XXVIII.
” Fröhlichii St xxvii.
” griseus Panz. XXVIII.
” psittacus Fourer. XXVIII.
Helodes minutus L. xxix.
Hispa atra L. xxx.
Homalota palleola Er. xxıx.
Horn (Werk van Dr) over de system.
verdeeling der Carabidae. xx.
Hydrobius. CXLIV.
” aeneus Germ. CXLV.
” bicolor Payk. cxLv.
” bipustulatus Marsh. cxLv.
” fuscipes L. CXLV.
” globulus Payk. cxtv.
” limbatus F. cxLv.
” oblongus Hrbst. cxLv.
Hydrochares. CXLIV.
” caraboides L. CXLVI.
Hydrochus angustatus Germ. XXIX.
" brevis Hrbst. xxrx.
” carinatus Germ. XXIX.
” elongatus Schall. xxrx.
Hydrophilus. CxLIv.
Hydroporus bilineatus St. xxIx.
” lineatus F. xxIx.
” nigritus F. xxıx.
Hydrous. CXLIV.
Lamesis Westw. n. g. 67.
” suturalis Westw. 68.
Leiochrinus Westw. n. g. 68.
” fulvicollis Westw. 69, 70.
» lutescens Westw. 69, 71.
” nigricornis Westw. 69, 70.
” rufo-fulvus Westw. 69, 71.
” testaceus Westw. 69, 71.
Leicchrodes Westw. n. g. 69.
” Agathidioides Westw. 69, 75.
” bispilotus Westw. 69, 74.
" castaneus Westw. 69, 74.
” chalybeatus Westw. 69, 73.
” Coccinelloides Westw. 69, 75.
discoidalis Westw. 69, 71.
fulvescens Westw. 69, 72.
limbatus Westw. 69, 74.
medianus Westw. 69, 73.
nigripennis Westw. 69, 72.
octomaculatus Westw. 69, 74.
parvulus Westw. 69, 74.
piceus Westw. 69, 72.
picicollis Westw. 69, 73.
rufo-fulvus Westw. 69, 74.
Wo, EEE ee CR
” suturalis Westw. 69, 73.
Leiochrota Westw. n. g. 70.
” uniformis Westw. 70, 75.
” varicolor Westw. 70, 76.
subpurpurascens Westw. 69, 73.
REGISTER.
Leiochrotina Westw. n. g. 70.
” indica Westw. 70, 76.
Leptura fulva de G. xxx. :
Lissodena quadripustulatum Marsh, xxx.
Lixus paraplecticus L xxx.
Luperus flavipes L. xxx.
” rufipes Scop. XXX.
Malthinus fasciatus Ol. xxıx.
Malthodes brevicollis Payk. xxIx.
” minimus L. XXIX.
” mysticus Kies. XXIX.
Meligethes tristis St. xxIx.
Meloë brevicollis Panz. xxx.
Miarus Campanulae L. xxx.
Mordellistena lateralis Ol. xxx.
Motrita Westw. n. g. 77.
” fulvipes Westw. 78.
Olibrus pygmaeus St. xxıx.
Orchestes erythropus Germ. xxx.
Orthoperus. CXLVI.
Othius myrmecophilus Kies. xxIx.
Pediacus depressus Hrbst. xx!x.
Peltodytes caesus Díts. 90.
” impressus Panz. 90.
Phosphuga reticulata F. xxıx.
Pissodes Pini L. xxx.
Psylliodes cucullata Ill. xxx.
Ptinus rufipes F. xxıx.
Quedius cinctus Payk. xxIx.
» scitus Er. xxix.
” tristis Grav. XXIX.
Rhomborrhina Heros G. en P. cxrir.
” resplendens Swartz. CXLII.
Rhynchites Alni Müll. xxx.
” germanicus Hrbst. xxx.
” planirostris F. xxx.
a sericeus Hrbst. xxx.
Scolytes rugulosus Ratz. xxx,
Scymnus nigrinus Kug. xxx.
Silpha carinata Ill. xxıx.
Silusa rubiginosa Er. xxıx.
Silvanus. CXLVI.
Sitones Regensteinensis Hrbst. xxx.
Staphylinus chalcocephalus F. xxıx.
Strangalia quadrifasciata L. xxx.
Strophosomus faber Hrbst. xxx.
Tachinus pallipes Grav. xxIx.
Telephorus ater L. xxx.
” oralis Germ. xxIx.
Tillus ambulans F. xxıx.
7 elongatus L. XXIX.
Trichoplus cordicollis Waterh. 66.
Utopia Castelnaudi Thoms. CXLIIL.
Xantholinus tricolor F. xxIx.
HEMIPTERA.
Acanthosoma clypeatum Burm. 243.
” dentatum de G. 243.
” ferrugator F. 243.
” griseum L. 244.
haematogaster Schr. 243.
haemorrhoidale L. 243,
=
=
REGISTER
Acompus. 251.
Aelia acuminata L. 241.
” inflexa Wolff. 242.
” Klugii Hahn. xxx, 241.
” pallida Küst. 241.
Agalliastes pulicarius Fall. xxxr.
Alydus calcaratus L. xxx, 246.
Arma custos F. 244.
Asopus bidens L. 244.
” coeruleus L. 245.
” custos F. 244.
” dumosus L. 244.
” luridus F. 244. .
“ punctatus L. 244.
Atractotomus sp. XXXI.
Atractus Dalmannii Schill. 245.
Bathysolen nubilus Fall. 245.
Berytus clavipes F. 248.
” cognatus Fieb. 248.
commutatus Dgl. et Sc. 248.
erassipes H. Sch. 249.
Driebergensis Voll. 249.
elegaus Curt. 250.
Fieberi Dohrn. 248.
hirticornis Brulle. 248.
minor H. Sch. 248.
montivagus Fieb. 248.
Signoreti Fieb. 249.
tipularius L. 248.
vittatus Fieb. 249.
Bras pe aterrima Horst. 240.
Calocoris roseomaculatus de G. xxXt.
Capsus cordiger Hahn. xxxt.
Carpocoris baccarum L. 242.
” nigricornis I°. 242.
” Verbasci de G. 242.
Ceraleptus lividus Stein. 245.
” squalidus Costa. 245.
AR RE RE RME; RR
Chorosoma Schillingii Schumm. xxx, 248.
Cimex baccarum L. 242.
” fuscispinis Boh. 242.
Hirundinis Jenyns. xIx.
lituratus King. 243.
nigricornis F. 242.
nigricornis Wolff. 242.
oleraceus L. 243.
pinicola M. et R. 243.
” prasinus L. 242.
Cixius sp. XXXI.
Coranus subapterus de G. xxXI.
Coreomelas scarabaeodes L. 239.
Coreus difticilis Voll. 245.
” hirticornis F. 246.
” pilicornis Burm. 246.
” scabricornis Panz. 246.
Corimelaena scarabaeoides L. 239.
Corizus capitatus F. 247.
” crassicornis L. 247.
” Hyoscyami L. 247.
” maculatus Fieb. 247.
” parumpunctatus Schill. 247.
” pratensis Fall. 247.
” rufus Schill, 247.
ot aa jae Jun ee |
255
Cydnus albomarginatus F. 241.
” bicolor L. 241.
” biguttatus L. 241.
” flavicornis F. xxx, 240.
” morio L. 241.
nigritus F. 240.
elsaaris histrionicus L. xxxt.
Cymus glandicolor Hahn. xxxt.
Cyphostethus tristriatus F. 243.
Diehrooseytus ruficornis Fall. xxxr.
Dictyonyta crassicornis Fall. xxxt.
Elasmostethus Fieberi Jakowl. 244.
” interstinctus L. 244.
Enoplops scapha F. 245.
Euacanthus interruptus L. xxxt.
miele hottentotta F. 240.
# var. nigra. 240.
” maura L. 239.
var. picta. 239.
Eysarcoris melanocephalus F. 242.
” perlatus F. 242.
Galeatus maculatus H. Sch cxum.
Guathoconus albomarginatus F. 241.
. picipes Fall. 241.
Gonocerus venator L. 246.
Graphosoma lineatum L. 240.
Hadrodema pinastri F. xxxI.
Heterocordylus unicolor Hahn. xxxr.
Hoplomachus Thunbergi Fall. xxxI.
Hydrometra lacustris L. xxxt.
Idiocerus sp. XXXI.
Ischnocoris. CXLIII.
Jalla dumosa L. 244.
Ledra aurita L xxxI.
Leptoterna ferrugata Fall. xxxr.
Limnobates stagnorum L. xxxt.
Livia juncorum Latr. Xxxt.
Lygus campestris F. xxxt.
” pratensis F. xxxr.
Megaloceraea erratica L. xxxr.
Metacanthus elegans Curt. 250.
Metatropis rufescens H. Sch. 250.
Monalocoris Filicis L. xxxt.
Myrmus miriformis Fall. xxx, 247.
Nabis ericetorum Sch{z. xxxI.
” rugosus L. Xxxt.
Neïdes tipularius L. 248.
Neottiglossa inflexa Wolff. 242.
Odontoscelis dorsalis F. 240.
” fuliginosa L. 240.
Oncognathus binotatus F. xxxr.
Orthocephalus mutabilis Fall. xxxI.
” saltator Hahn. xxxr.
Orthotylus chloropterus Kb. xıx.
” diaphanus Kb. xıx.
2 rubidus Fieb. xix.
” Salsolae Reut. xıx.
Palomena dissimilis F. 242.
” prasina L. 242,
” viridissima Poda. 242,
Pentatoma juniperina L. 243.
” pinicola M. et R. 243,
Peribalus sphacelatus F. 242,
LA LA
256
Peribalus vernalis Wolff. 242
Phimodera galgulina H, Sch. 239.
Phylus melanocephalus L. xxx.
Picromerus bidens L. 244.
Piezodorus incarnatus Germ. xxx, 243.
” ” var. alliaceus Germ.
243.
Pithanus Maerkelii H. Sch. xxxt.
Plesiocoris rugicollis Fall. xxxr.
Podisus luridus F. xxx, 244.
Podops inuncta F. 240.
Pseudophlaeus Fallenii Schill. 245.
n Waltlii H. Sch. 245.
Ptertometus staphylinoides Burm. xxxt,
CXLIIT.
Rhaphigaster griseus F. 243.
Rhopalotomus ater L. XXXL.
” ” var. tyrannus À.
XXXI.
Rhopalus Schillingii Schill. 248.
Rubiconia intermedia Wolff. 242.
Sastragala ferrugator F. xxx, 243.
Sciocoris terreus Fall. 241.
” umbrinus Wolff. 241.
Scolopostethus pictus Schill. xxxr.
Sehirus bicolor L. 241.
” bignttatus L. xxx, 241.
” dubius Scop. 240.
» . luctuosus M. et R. 240.
” morio L. 241.
Spathocera Dalmannii Schill. 245.
” lobata H. Sch. 245.
Stenocephalus agilis L. 246.
” medius M. et R. 247.
” nugax F. 246.
Stiphrosoma luridum Fall. xxxr.
Strachia decorata H. Sch. 243.
” festiva L. 243.
” oleracea L. 243.
” picta H. Sch. 243.
Stygnus arenarius Hahn. xxxt.
Syromastes marginatns L. 246.
” quadratus L. 246.
” scapha F. 245.
Teratocoris antennatus Boh. xvi.
” Fokkeri Voll. xvut.
Tettigonia viridis L. xxx1.
Tetyra hottentotta F. 240.
” maura L. 239.
Therapha Hyoscyami L. 247.
Trigonosoma nigrolineata Rossi. 240.
Tropicoris rufipes L. 243.
Tropistethus. oxLIII, 251.
Velia currens F. xxxr.
Verlusia rhombea L. 246.
Zicrona coerulea L. xxx, 245.
NEUROPTERA.
Cloë Lorentzii Weyenb. 167.
” Sellacki Weyenb. 169.
” Siewertzii Weyenb. 170.
” Stelzneri Weyenb. 170.
REGISTER.
Cloë? Vogleri Weyenb. 171.
Ephemera Holmbergii Weyenb 160.
7 Wappaei Weyenb. 159.
Oxycypha Oldendorftii Weyenb. 173.
Palingenia Nappii Weyenb. 162.
HYMENOPTERA.
Ancistrocerus callosus Thoms. xxxr.
Andricus. XVII.
Aphilotrix solitaria. xvir.
Bijen en hommels (Trompetter of wekker
in de nesten van). XXIII.
Biorhiza aptera. xv.
Bombus ruderatus. XXII.
Ceroptres. XVII.
Cynipiden (Overzigt van
der). XIII.
Cynips Kollari. xvI.
Diastrophus. xvir.
Dryophanta. XVII.
Halictus albipes F. xxxr.
Hylotoma segmentaria Panz. XXXL.
Megachile maritima Kirb. xxxr.
Neuroterus furunculus Beyer. xvir.
” ostreus Hart. Xvrir.
Nomada ochrostoma Kirb. xxxr.
Odynerus callosus 'l'homs. XXXL.
Prosopis variegata F. xxxI.
Pterochilus phaleratus Panz. XXXL.
Rhodites Rosae. XvI.
Sapholytus. XVII.
Spathegaster. xvIt.
” aprilinus. x Vill.
Sphecodes subquadratus Smith, xxXt.
Synergus. XVII.
Teras terminalis. xv.
de leefwijze
LEPIDOPTERA.
Acidalia aversata L. cu.
” deversaria H. Sch. cuit.
” inornata Haw. CL, CLII.
Adela griseella Wals. 183.
” irroratella Christ. 183.
Agrotera fenestralis Staud. 133.
” fenestralis Christ. 182.
Agrotis herbida Hbn. cxLIx.
” prasina F. CXLIX.
” saucia Hbn. cur.
” » var. margaritosa Haw.
OLII.
Asopia filalis Guen. 131.
” fuscicostalis Sn. 122.
” gerontesalis Walk. 123.
” Mauritialis Boisd. 122.
” pictalis Curt. 122.
” pronoealis Led. 123.
” torridalis Led. 122.
Aspis cireumfluxana Christ. 201.
Asteroscopus Sphinx Hfn. cur.
Auxomitia minoralis Sn. 137.
Boarmia gemmaria Brahm, cLiv,
REGISTER. 257
Boarmia rhomboidaria W. V. curv.
Botyodes asialis Guen. 139.
” flavibasalis Moore 139.
” usurialis Bremer. 140.
” vestigialis Guen. 139.
Botys abnegatalis Led. 132.
aegrotalis Sn. 129.
albofimbrialis Sn. 128.
anast omosalis Guen. 126.
artificalis Led. 126.
basipunctalis Bremer. 130.
costalis Eversm. 182.
defloralis Sn. 130.
distensalis Sn. 133.
dotalalis Christ. 182.
extinctalis Christ. 182.
faustalis Led. 128.
filalis Guen. 131.
fulvalis Hbn. 81.
” gratalis Led. 133.
” hilaralis H. Sch. 182.
” hilaralis Christ. 182.
” illusalis Led. 126.
” incisalis Sn. 132.
” incoloralis Guen. 126.
” jucundalis Jed. 125.
” Korndörfferi Sn. 127.
” machinalis Feld. 132.
ER A WUR RTR Oe REAR |
multilinealis Guen. 130.
mutualis Zell. 129.
nigrofimbrialis Sn. 128.
” niveicilialis Sn. es
omicronalis Sn. 129.
Orobenalis Sn. 130.
paucilinealis Sn. 130.
paupellalis Led. 127.
phaenicealis Hbn. 125.
principialis Led. 131.
rubricetalis. 128.
ruricolalis Sn. 130.
salentialis Sn. 127.
semifascialis Sn. 131.
suberocealis Sn. 127.
taenialis Sn. 127.
tardalis Sn. 130.
Tithonialis Zell. 182.
tridentalis Sn. 133.
trigalis Led. 128.
” velatalis Sn. 129.
Cacoecia decretana Tr. 81.
Calamia Phragmitidis Hbn. cut.
Caradrina Alcines Brahm. Cxxxv.
Wek wet pom et feet ST Fost Weak Weak Mel al TOS ek Wk |
” Taraxaci Hbn. CXXXV.
Cidaria fluviata Hbn. CXXXIV.
” gemmata Hbn. CXXXIV.
” immanata Haw. CLIV.
o” truncata Hfn. CLIV.
Li » var. centumnotata Wd.
CLIV.
n ” n commanotata Wd,
CLIV.
” ” » immanata Wd.
CLIV.
Cidaria truncata var. marmorata Haw.
CLIV.
” ” » perfuscata Wd.
CLIV.
Clupeosoma pellucidalis Sn. 124.
Cnaphalocroeis bifurcalis Sn. 136.
” cicatricosa Led. 135.
” jolinalis Led. 135.
” rectistrigosa Sn. 135.
” sanitalis Sn. 136.
Coleophora solitariella Zell. 85.
Conchylis fucatana Sn. 196.
” Hedemanniana Sn. 192.
” jacalana Sn. 195.
” olindiana Sn. 194.
Crambus myellus Hbn. 81.
Cueullia Absinthii L. cr.
Cydalina conchylalis Guen. 140.
Cymatophora octogesima Hbn. cxurx.
” ocularis Guen. CXLIx.
Doloploca characterana Sn. 191.
Dysallacta negatalis Led. 139.
Emydia grammica L. CXLIX.
” striata L CXLIX.
Enchocnemidia squamopedalis Guen. 141.
Endotricha consobrinalis Zell. 124.
” costaemaculalis Christ. 124.
” flavofascialis Bremer. 124.
" ignealis Guen. 124.
pulchrinalis Guen. 124.
” pyrosalis Guen. 124.
” sondaicalis Sn. 123.
” subulalis Guen. 124.
” ustalis Sn. 123.
Eretria obsistalis Sn. 125.
Eudorea 124.
Euproctis flavata Cram. cxxxIv.
” incomta de Haan. cxxxIv.
Eurrhyparodes stibialis Sn. 132, 134.
Fidonia limbaria F. cr
Filodes fulvidorsalis Hbn. 137.
Gyre bicolor Swains. 142.
bivitralis Guen. 142.
” Crameralis Sn. 143.
” diurnalis Guen. 142.
” jovialis Feld. 141.
m lomaspilalis Sn. 144.
N nyctealis Sn. 143.
” Piepersialis Sn. 143.
” serenalis Sn. 142
” sexpunctalis Moore. 144.
” stolalis Guen. 143.
” Zelleri Led. 142.
Godara comalis Led. 134.
Grapholitha acceptana Sn. 211.
eireumfluxana Christ. 201.
contrariana Christ. 218.
contrasignata Christ. 213.
expeditana Sn. 198.
expressana Christ. 213.
fimana Sn. 225.
glebana Sn. 206.
lepidulana Sn. 221.
deere 8%
17
258 RUN GLIE SILE RB:
Grapholitha lignana Sn. 205.
7 lyrana Sn. 208.
” nigrostriana Sn. 223.
7 perangustana Sn. 220.
” prognathana Sn. 227.
” quadrimaculana Sn. 200.
” rigidana Sn. 203.
” rotundana Sn. 209.
subcorticana Sn. 215.
Gyptitie Sn n. g. 138.
” gonialis Sn. 139.
Herpetogramma expictalis Christ. 182.
Isopteryx plumbalis Guen. 132.
Lygropia chromalis Guen. 131.
” filalis Guen. 131.
Marasmia cicatricosa Led. 135.
Margarodes aquosalis Sn. 141.
” glaucalalis Guen. 140.
Megastes grandalis Guen. 126.
Meroctena Staintonii Led. 138.
Nemoria viridata L. cum.
Nola togatulalis Hbn. xxxrr.
Oligostigma sexpunctalis Moore. 144.
Orrhodia ligula Esp. cr.
Pachyarches psittacalis Hbn. 140.
” vertumnalis Guen. 140.
Paedisca acceptana Sn. 211.
7 contrariana Christ. 218.
” expressana Christ. 212.
” perangustana Sn. 220.
” rotundana Sn. 209.
” subcorticana Sn. 215.
Paredra eogenalis Sn. 120.
Phakellura capensis Zell. 141.
” gazorialis Guen. 141.
” indica Saund. 141.
” superalis Guen. 141.
” translucidalis Guen. 141.
Plusia moneta F. cu
Polythlipta albicaudalis Sn. 137.
Porthesia chrysorrhaea L. cur.
” similis Fuessl. cur.
Prodenia littoralis Boisd. cxxxrv.
- testaceoides Guen. cxxx1v.
Pseudochoreutes choreutalis Sn. 124.
Pyraliden van Celebes. 119.
Samea vespertinalis Saalm. 134.
Sameodes trithyrialis Sn. 134.
Scoparia fulvosignalis £n. 124.
” nugalis Sn. 125.
Semasia glebana Sn. 206.
” lignana Sn. 205.
” lyrana Sn. 208.
" rigidana Sn. 208.
Senta maritima Tausch. cu.
Sericoris expeditana Sn. 198.
" quadrimaculana Sn. 200.
Stauropus Yagi L. xxxır.
Stericta divitalis Guen. 121.
" fuscibasalis Sn. 121.
Sthanelia hippocastanaria Hbn. cLıv.
Tabidia insanalis Sn. 136.
Taeniocampa opima Hbn. eur.
Tegulifera. 124.
Teras affinatana Sn. 185.
” comparana Hbn. 82.
” longipalpana Sn. 185.
” squamana F. 82,
Tholomiges turfosalis Wk. cu.
Tmetocera prognathana Sn. 227.
Tortrix decretana Tr. 81.
” stibiana Sn. 189.
n subrufana Sn. 187.
Trochiliam bembeciformis Hbn. cxurx.
r; ” var. Bredanensis
Heyl. cu.
Vanessa Antiopa L. cxxxv.
” Polychloros L. cxxxv.
» Urticae L. cxxxv.
7 xanthomelas. cxxxXv.
DIPTERA.
Aciura aenea v d. W. 53.
Aédes cinereus Meig. CxxxVII.
Allograpta exotica Wied. 2.
" obliqua Say. 1.
Allophora micans v.d. W. 14.
Anthomyia antiqua Meig. 45.
” canicularis Meig. 47.
” chalybea Wied. 44.
" chilensis Macq. 47.
” cinerascens Wied. 41.
” fulgens Meig. xxv.
” inanis Fall. xxxir.
” muscaria Meig. Xxv.
” platura Meig. xxv.
” punctipennis Wied. 45.
Apospasmica fasciata Löw. 52.
Asilus cothurnatus Meig. xxXxII.
Asphondylia Sarothamni Löw. cxxxVI.
Bacha aurinota Walk. 10.
” elevata F. 10.
” fascipennis Wied. 10.
” fuscipennis Say. 9.
Belvosia bicincta Rob. D. 24,
” bifasciata F. 23.
» leucopyga v.d. W. 25, 27.
” rufipalpis Macq. 24.
” Weyenberghiana v. d.W. 25, 26.
Blephariptera rufipalpis Macq. 25.
Borborus hirtipes Macq. 58.
Brachygastrina chalybea Wied. 44.
” violaceiventris Macq. 44.
Calliphora phacoptera v.d. W. 40.
” tristriata VerHuell. 38.
Calobata albiceps v.d. W. 50.
” angulata Low. 50.
7 annulata F. 49.
” cyaneiventris Macq. 50.
» diversa Schin. 49. °
erythrocephala F. 49.
Omen aenea Wied. 53.
Chironomus psittacinus Meig. CXXXVI.
Chortophila albostriata v.d. W. 46.
” chlorogaster Wied. 47.
REGISTER. 259
Chortophila punctipennis Wied. 45. Hystricia testacea Macq. 17.
Compsomyia macellaria F. 38. ” vivida Harr. 17.
Conops costatus F. 11. i Jurinia nigriventris v.d. W. 17.
” gemmatus Scop. 8. | ” nitida v.d. W. 18.
” nigricornis Wied. 10. | Laphria marginata L. XXXII.
” piciventris v.d. W. 12. | Latreillia bifasciata Rob. D. 23.
” testaceus v.d. W. 13. i Limnophora chalybea Schin. 44.
” tibialis Say. 10. 7 Lynchit v.d. W. 43.
Coprina pipiens Zett. 9. Lissa varipes Walk. 48.
Cordylura bimaculata Löw. 47. Lonchoea chalybea Wied. 55.
” maculipennis v. d. W. 47. Loxocera cylindrica Say. 49.
” pallida Fall. 48. | Lucilia caesar L. 38.
Craspedochoeta punctipennis Macq.745. 7 cornicina F. 39.
Culex nemorosus Meig. xxIv. | ” eximia Wied. 39.
” ornatus Meig. XXXII. Masicera insignis v.d. W. 29.
Cynomyia flavipalpis Macq. 37. Melanostoma mellina L. 7.
Cyphocera macrocera Wied. 22. Melithreptus scriptus L. 8.
Cyrtoneura aperta Macq. 41. Merodon equestris F. XXII, XXVI.
” assimilis Fall. 41. Mesogramma arcifera Löw. 5.
” nudiseta v.d. W. 42. Mesograpta arcifera Löw. 4, 5.
” stabulans Fall. 41. | u basilaris Wied. 4, 6.
vieina Macq. 41. ” duplicata Wied. 3, 4.
ua spinifera v. d. W. 39. 7 linearis v.d. W. 3, 5.
Dasypogon teutonus L. CXXxvir. ” multipunctata v.d. W. 4, 6.
Dejeania armata Wied. 17. ” pulchella Macq. 3, 4.
” corpulenta Wied. 16. | ” variabilis v.d. W. 4, 6.
” pallipes Macq. 16. | Micropeza nigrina v.d. W. 50
” rutilioides Jaenn. 17. Milesia haematodes F. 8.
” venatrix Ost. Sack. 16. ” ignava Fall. 8.
Dexia parvicornis v.d. W. 33. ” nemorum F. 8.
“ suavis v.d. W. 33. ” pigra F. 8.
” tenuicornis v.d. W. 32. ” pipiens F. 9.
Dicranota bimaculata Schumm. cxxxvir. | Musca analis Macq. 38.
Dictya pennipes F. 15. ” annulata F. 49.
Diptera der Noordpool-expeditie. xxIv. ” assimilis Fall. 41.
Dolichopus griseipennis Stann. XXXII. ” bifasciata F. 23.
Echinomyia analis Macq. 19. ” caesar L. 38.
” immaculata Macq. 19. 7 caesarion Meig. 39.
” lugubris v. d. W. 20. „ canicularis L. 47.
” picea Rob. D. 20. 7 cornicina F. 39.
” piliventris v.d. W. 22. cylindrica F. 51.
” robusta Wied. 19. domestica L. 37.
” vittata. v.d. W. 21. ” eximia Wied. 39.
Ectinocera? occidentalis v.d. W. 48. ” macellaria F. 33.
Ephydra caesia v. d. W. 58. ” mellina L. 7.
Eutreta sparsa Wied. 54. ” obscura F. 41.
Euxesta eluta Löw. 53. ” pennipes F. 15.
Exechia lateralis Meig. xxıv. pipiens L. 8.
Fucellia muscaeformis Zett. xxv. ” rudis F. 41.
Gastrophilus Equi F. 13. ” scripta F. 8.
Gastrus Equi Meig. 13. » stabulans Fall. 41.
Gnophomyia. 180. ” vibrans L. 53.
Gonia angusta Macq. 23. violacea F. 39.
” chilensis Macq. 23. Vi Angelicae Scop. 116.
„ lineata Macq. 23. ” urbana Meig. 116.
” pallens Wied. 23. Myodina vibrans Schin. 53.
Herina mexicana Macq. 52. Nemopoda cylindrica F. 51.
” Tufitarsis Macq. 52. ” putris Rob. D. 51.
Heterochroa bicolor Schin. 57. Nemoraea bifasciata Macq. 23.
” picta Schin. 56. ” erythropyga v.d. W. 28.
d pictipennis v.d. W. 57. Nerius rubescens Macq. 49.
Hilara litorea Fall. xxxır. Ocyptamus dimidiatus F. 10.
Homalomyia canicularis L. 47. | ” fascipennis Macq. 9.
260 Be Beers 8) Bee RB.
Ocyptamus funebris Macq. 9.
Ocyptera bifasciata Latr. 23.
” Dosiades Walk. 15.
” nigrina v.d. W. 15.
Oestrus Bovis L. 14.
” Equi F. 13.
” intestinalis de G. 14.
Onesia alpina Zett. XXIV, XXV.
Ornithomyia erythrocephala Leach. 59.
Oitalis aenea Wied. 53.
” fasciata Wied. 52.
” vibrans L. 53.
Oxycephala fuscipennis Macq. 51.
Phasia jugatoria Say. 15.
Philintha canicularis Rob. D. 47.
Phrissopoda splendens Macq. 34.
Physocephala costata Schin. 11.
Plagiostoma obliqua Say. 54.
Platystoma latipennis Macq. 54.
Platyura fasciata Latr. CxxxXvI.
” tipuloides F. cxxxvr.
Pollenia rudis F. 41.
Prosena longipalpis v.d. W. 30.
” mexicana Macq. 30.
” sarcophagina v.d. W. 31.
Psiloconopa Meigenii Zett. cxxxvit, 179.
Pterotaenia fasciata Wied. 52.
Pyrellia violacea F. 39.
” violacea Macq. 39.
Pyrgota undata Wied. 51.
Rhamphomyia griseola? Zett. xxiv.
” morio Zett. XXIV.
Rhingia nasica Say. 9.
Rhinotera pluricellata Schin. 51.
Rivellia viridulans Rob. D. 52.
Sapromyza philadelphica Macq. 56.
Sarconesia chlorogaster Big. 36.
io a chilensis Macq. 36.
chlorogaster Wied. 35.
” chrysostoma Wied. 36.
” flavifrons Macq. 37.
” occidua F. 37.
” quadrivittata Macq. 36.
n rufipalpis Macq. 36.
taitensis Schin. 36.
Bon dimidiata F. 10.
” mellina F. 7.
” obliqua Say. 1.
” scalaris F. 7.
” scripta F. 8.
Scatophaga stercoraria L. xxIv.
" villipes Zett. XXIV, xxv.
Senometopia bicincta Macq. 24.
Seoptera vibrans L. 58.
Sepsis cylindrica Meig. 51.
” nitidula Fall. 51.
Sphaerophoria Bacchides Walk. 1.
” scripta Macq. 8.
Sphegina rufiventris Löw. 9.
Spilogaster Angelicae Scop. 116.
” sexpunctata v.d. W. 43.
” urbana Meig. 116.
Stenopterina mexicana Macq. 52.
Symplecta. 180.
Syritta pipiens F. 8.
Syrphus basilaris Wied. 6.
UA
bn jhe Span R aa ese) EN
EIN edi Tot pad li ER
dimensus Walk. 1.
dimidiatus F. 10..
duplicatus Wied. 4,
exoticus Wied. 2.
Iris Meig. 7.
maculicornis Zett. xxxI.
mellarius Meig. 7.
mellinus F. 7.
melliturgus Meig. 7.
obliquus Say. 1.
ochrogaster Thoms, 4.
piger F. 8.
pipiens F. 8.
pulchellus Macq. 4,
scalaris F. 7.
scriptus F. 8.
securiferus Macq. 1.
signatus v.d. W. 1.
Tachina abrupta Wied. 17.
depth be A Werd et}
armata Wied. 17.
bifasciata Wied. 23.
corpulenta Wied. 16.
finitima Walk. 17.
macrocera Wied. 22.
robusta Wied. 19.
vivida Harr. 17.
Tephritis bullans Wied. 55.
u
”"
quinquefasciata Macq. 52.
vibrans F. 53.
Tetanocera pictipes Löw. 49.
Tipula caesia Schumm. CXXXVII.
confusa v.d. W. 177, 178.
guttulifera Zett. xxv.
marmorata Meig. 174, 177, 178.
nodulicornis Zett. XXIV, XXV.
nubeculosa Meig. XXIV, XXV.
peliostigma Schumm. xxxIl.
rufina Meig. 177, 178.
scripta Meig. xxv..
signata Staeg. 177, 179.
mond pennipes F. 15.
LA
pyrrhogaster Wied. 15.
Trimicra. 180.
Tres aenea v.d. W. 53.
LA
LA
LA
”
[2
bullans Wied. 55.
meleagris Schin. 55.
Narytia Walk. 53.
obliqua Say. 54.
quinquefasciata Walk. 52.
sparsa Wied. 54.
Drops diaphana v.d. W. 54.
fulvifrons Macq. 53.
Xylota bifasciata Meig. 8.
LA
= 2 Bie UE
crassipes Wahlb. 8.
haematodes F. 8.
nemorum F. 8.
nigripes Zett. 8.
pigra F. 8.
pipiens Meig. 9.
proxima Say. 9.
REGISTER. 261
ARACHNOIDEA en ACARINA.
Agroeca chrysea L. xxXII.
Argyroneta aquatica Cl. xxxII.
Atypus affinis Eichw. xxx111. 229.
Clubiona fuscula Westr. xxxIr.
Cteniza californica Cambr. 231.
Dictyna pallens Blackw. xxx.
Dysdera erythrina Walck. xxx.
Epiblemum cingulatum Panz. xxxrir.
Eresus cinnabarinus Ol. xxXIII.
Ergatis pallens Blackw. xxxII.
Erigone chelifera Westr. XxxII.
Ero saxatile C. Koch. xxXxIl.
Galeodes melanus O1. cxxxII.
Galeodidae. CxxXII.
Gnaphosa nocturna L. xXXxII.
Hydrachnidae (Geslachtsorganen
CXLVIIL.
Lathrodectus curagaviensis Müll. xu.
der).
Linyphia tenebricola R. var. tenuis Thor.
EXEIT.
Lycosa clavipes C. Koch. xxx.
” ruricola. XXXII.
” tarantula Rossi. xIIc.
Marpissa brevipes C. Koch. xxxıtı.
” strigipes Westr. XXXIII.
Melanophora perennis C. Koch. xxxıı.
Metselspinnen. 229.
Mygale avicularia Walck. xt.
Nemesia elaeanora Cambr. 231.
Rhax melanus Ol. cxxxir.
Segestria perfida Walck. xt.
Solifugae (Poot-aanhangsels der). cxxxII.
Sparassus virescens C. Koch. xxxuI.
Sphodros. 230.
Tarantula clavipes C. Koch. xxxMI.
Theridion saxatile C. Koch. xxxII.
” triste Hahn. xxxu.
Trochosa ruricola. XXXII.
Trombidiidae (Geslachtsorganen der).
CXLVII.
Xysticus erraticus Blackw. xxx.
” luctuosus Blackw. xxxIII.
PEDICULINA.
Akidoproctus stenopygos Nitzsch. 150.
Ancistroma gigas Piag. 152.
” Sp. CXLI.
Bothriometopus Burmeisteri Tasch. 150.
” fortis Tasch. 150.
fuliginosus Tasch. 150.
Gurlti Tasch. 150.
ischnocephalus Tasch. 150.
lugubris Tasch. 150.
macrocnemis Nitzsch. 150.
Meyeri Tasch. 150.
oxycephalus Tasch. 150.
sinuatus Tasch. 150.
” testaceus Tasch. 150.
Coloceras menadensis Piag. 148.
See ie Ay ee
Docophorus bisignatus Nitzsch. 154.
Goniocotes aflinis Tasch. 149.
” asterocephalus Nitzsch. 146,
149.
” Carpophagae Rud. 149.
” curtus Nitzsch. 149, 151.
” discogaster Tasch. 149.
” elongatus Piag. 146.
” fissus Rud. 149.
” flavus Rud. 149.
” gracilis Tasch. 146.
” guttatus Tasch. 149.
” haplogonns Nitzsch. 149.
” isogenos Nitzsch. 149.
” latifasciatus Piag. 157.
” latus Piag. 147.
” macrocephalus Tasch. 149.
„ procerus Tasch. 149.
7 rotundatus Rud. 149.
” verrucosus Tasch. 149.
Goniodes agonus Nitzsch. 148, 151.
u aliceps Nitzsch. 148.
” bicolor Nitzsch. 147.
” bicuspidatus Piag. 147.
“ conglomeratus Piag. 147.
” coniceps Tasch. 148.
” curvicornis Nitzsch. 148.
Ù excavatus. 150.
7 eximius Rud. 148.
” laevis Piag. 147.
” latus Piag. 147.
” lipogonus Nitzsch. 147.
” longipes Piag. 147.
” mamillatus Rud. 148.
” menadensis Piag. 148.
” parvulus Tasch. 148.
7 spinicornis Nitzsch. 147.
Haematopinus tenuirostris Burm. CXL.
Laemobothrium titan. 151.
Lipeurus clypeatus Gieb. 149.
” crenatus Gieb. 149.
” docophorus Gieb. 149.
7 falcicornis Gieb. 149.
” ferox. 149, 151.
” foedus Nitzsch. 149.
” forficulatus Nitzsch. 149.
” helvolus Nitzsch. 149.
” loculator Gieb. 149.
” longiceps Rud. 149.
” luridus Nitzsch. 149.
7 maeroenemis Nitzsch. 147, 150.
melanocnemis Gieb. 149.
quadrinus Nitzsch. 149.
raphidius Nitzsch. 149.
strepsiceros Nitzsch. 149.
taurus. 147.
ternatus Nitzsch. 149.
” toxoceras Gieb. 149.
Mallophagen (Werk van Dr. O. Taschen-
berg, over de). 145.
Nirmus semiannulatus Piag. 156.
Ornithobius bucephalus. 151.
” hexophthalmus Nitzsch. 150.
Re RO RR
262
Rhopaloceras aliceps Nitzsch. 148.
Strongylocotus agonus Nitzsch. 148, 151.
” coniceps Tasch. 148.
Taschenberg. Zie: Mallophagen.
Trichodectes breviceps Rud. 150.
5 cornutus Gerv. 150, 151.
diacanthus Ehrb. 159.
longicornis Nitzsch. 150.
mexicanus Rud. 150.
Meyeri Tasch. 150.
peregrinus Tasch. 150.
pinguis Nitzsch. 150.
setosus Gieb. 150.
Vulpis Denny. 150.
EEN CURO ve WR LL N SP Ee
ALGEMEENE ZAKEN.
Aankondigingen op entomologisch gebied
(Tijdschrift opengesteld voor).
XII.
Assen als plaats voor de Zomervergade-
ring in 1883 gekozen. xr.
Backer (J.) jr. overleden. 111.
Bos (H.) nieuw lid. Iv.
Carrière jr. (A. W.) voor het lidmaat-
schap N. E. V. bedankt. rv.
Castor fiber (Bij) de sexe moeilijk te
onderscheiden. cxr vir.
Everts (Jhr. Dr. Ed. J. G.) in de com-
missie van redactie herkozen. x.
Financiële toestand der Nederl. Entomol.
Vereen. VIII.
Graaf (Werk van Henri W. de) over de
geslachtsorganen der Phalan-
giden. 104.
REGISTER.
Hartogh Heys van Zouteveen (Mr. H.)
tot voorzitter der Zomervergad.
te Assen benoemd. xr.
Hubrecht (Dr. A. A. W.) nieuw lid. rv.
Hyaena crocuta (Bij) de sexe moeilijk te
onderscheiden. CXLVII.
Legèn, vergiftstof op Java, aan uitwerp-
selen van een’ kever toege-
schreven. CXXXIX.
Piaget (Werk van Dr. E.) over de Pedi-
culinen. CXLVII.
Ploem (Dr. J. G.) overleden. n.
Puls (Aanbod van J.) tot het bijkleuren
van platen in Macquart’s Dip-
tères exotiques. XII.
Putzeys (J.) overleden. 11.
Snellen (Werk van P. C. T.) over de
Microlepidoptera van Neder-
land. v.
Stroebelt (Werk van O.) over de anatomie
van Haematopinus tenuirostris
Burm. cxL.
Sumatra-expeditie (Bewerking van de in-
secten der). CXLI.
Taschenberg (Werk van Dr. O.) over
eenige geslachten der Mallo-
phagen. 145.
Tentoonstelling te Amsterdam (Insecten-
verzameling op de). CXLII.
Vallen (J. H.) voor het lidmaatschap der
N. E. V. bedankt. rv.
Wulp (F. M. van der) als Bestuurslid
herkozen, x.
” idem als lid der redactie van
het Tijdschrift. x.
Ingevolge het besluit, op de Vergadering der Entomologische
Vereeniging van 1 Julij 1882 te Wageningen genomen, wordt
voortaan in het Tijdschrift voor Entomologie gelegenheid gegeven
tot het plaatsen van ADVERTEN' TIEN, met de ento-
mologie in verband staande.
Daartoe zal in ’t vervolg aan elke aflevering een afzonderlijk
blad worden toegevoegd.
De kosten der advertentien bedragen 5 cents per regel, grootere
letters of tusschenruimten berekend naar evenredigheid van de
plaats, die zij innemen.
De advertentien, geplaatst in de afleveringen, waarin de ver-
slagen der algemeene vergaderingen voorkomen , worden kosteloos
ook gevoegd bij de overdrukken dier verslagen, welke aan al de
leden der Vereeniging worden rondgezonden.
Dr REDACTIE.
Bij MARTINUS NIJHOFF te ’s Gravenhage hebben het licht
gezien :
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE, uitgegeven door de
Nederlandsche Entomologische Vereeniging, onder redactie
van Dr. A. W. M. van Hassett, F. M. van per Wurp
en Jhr. Dr. Ep. J. G. Everts, 95° deel. Met il meest
gekleurde platen. . . RDE NI af eee
REPERTORIUM betreffende dee nai VII ae serie) van het
Tijdschrift voor Entomologie, bewerkt door Mr. E. A. pe
Roo van WESTMAAS. . os, 1000
REPERTORIUM betreffende feel pee XVI (2 serie) van het
Tijdschrift voor Entomologie, bewerkt door F. M. van
DER WuLP. . daten 10:00
REPERTORIUM beirallende fel XVIL—XXIV (3° serie) van
het Tijdschrift voor Entomologie, bewerkt door F. M. van
DRY ULE no te bete been aj Oe
HANDLEIDING voor het ram bewaren en verzenden
van uitlandsche insecten, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging. . . Piera ae 8200)
Aan de Leden der Nederlandsche tes Ver-
eeniging wordt het bovengenoemde Tijdschrift afgeleverd
tegen den prijs van f 6 per jaargang, het Repertorium op
deel I—VIII voor f 0.50, de beide anderen ieder voor f 0.75,
de Handleiding voor / 0.40. Aanvragen daartoe te richten
tot den Secretaris, den Heer F. M. van per Wurp, Prinses
Mariestraat n°. 14, te ’s Gravenhage.
Voor zooveel de voorraad strekt, kunnen de Leden der
genoemde Vereeniging de beide eerste reeksen van het
Tijdschrift (deel I—XVI) bekomen tegen den prijs van
f 3 per deel met gekleurde en van f 1.50 per deel met
ongekleurde platen. Zij gelieven zich daartoe te wenden
tot den Bibliothecaris, den Heer C. Rirsema Cz., Rapenburg
n°, 94, te Leiden.
Door tusschenkomst van den Boekhandel worden de beide
genoemde reeksen van het Tijdschrift afgeleverd voor den
prijs van f 4.80 per deel met gekleurde en van / 2.40
met ongekleurde platen.
Van dit alles is nogtans uitgezonderd deel VII, wijl
daarvan geen exemplaren voorhanden zijn.
pr anna
Voorts is nog door MARTINUS NIJHOFF te ’s Gravenhage
uitgegeven :
ESSAI D'UNE FAUNE ENTOMOLOGIQUE DE L’ARCHIPEL
INDO-NEERLANDAIS, par S. ©. SNELLEN VAN VOLLEN-
HOVEN.
1°. Monographie: Famille des Scutellérides. gr. 4to.
Merck sell DALE linee Va en er nf Die
2°. Monographie: Famille des Piérides. gr. 4to.
Met 7 platen, waarvan 6 gekleurd. . . . . - 8.50
3°. Monographie: Famille des Pentatomides. 1° partie
gr. 4to. Met 4 gekl. platen . . . :. . . J = 6—
DE VLINDERS VAN NEDERLAND. Macrolepidoptera, syste-
matisch beschreven door P. C. T. SneLLen. Imp. 8vo.
Be ONE a een Eee zen ta LE rac ia O
DIPTERA NEERLANDICA. De Tweevleugelige Insecten van
Nederland, door F. M. van per Wurr. I° deel, met 14
EEE DNO ne ee ea: me On
HEMIPTERA HETEROPTERA NEERLANDICA. De inlandsche
ware Hemipteren (Land- en Waterwantsen), door Dr. S. C.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN. Roy. 8vo. Met 22 pl. f 10.—
SCHETSEN TEN GEBRUIKE BIJ DE STUDIE DER
HYMENOPTERA, door Dr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
I. Ichneumoniden. Met 3 platen. gr. 4to oblong. f 1.50
II. Braconiden. Met 3 platen. gr. 4to oblong. . - 1.50
III. Pteromalinen. Met 4 platen. gr. 4to oblong . - 2.—
IV. Proctotrupiden. Met 4 platen. gr. 4to oblong. - 2.—
PINACOGRAPHIA. Afbeeldingen van meer dan 1000 soorten
van Noordwest-Europeesche Sluipwespen (Ichneumones sensu
Linnaeano), door Dr. S. C. SNELLEN van VOLLENHOVEN.
gr. 4to. Met 45 gekleurde platen . . . . . f 31.50
LIJST der in Nederland voorkomende Schildvleugelige Insecten
(Coleoptera), opgemaakt door Jhr. Ep. Everrs, Phil. Dr.
ER ah, Ain sed, no Nature ars. CLS af Le
SEPP’S NEDERLANDSCHE INSECTEN. Tweede serie, bij-
eengebragt door Dr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
Deel I—III. Met 150 gekleurde platen. gr. 4to. Prijs per
deel.» ge ter hoen en I
Van deel IV is verschenen Aflevering 1—18. Prijs per
Aflevering 45824 er re en ae ee N
De uitgave van dit werk wordt, na het overlijden van
Dr. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, voortgezet door de Heeren
Mr. A. Brants en P. C. T. SNELLEN.
Bij MARTINUS NIJHOFF te ’s Gravenhage zijn, onder meer
anderen, voorhanden de volgende ENTOMOLOGISCHE
WERKEN, die voor de daarbijstaande prijzen worden
afgeleverd :
THE ENTOMOLOGIST’S MONTHLY MAGAZINE, conducted
by T. Blackburn, H. G. Knaggs a.o. London, 1864—80.
Tom. I—XV, XVI. 1—11. 16 din. Met pl. 8vo. DI. I—XII
in-linnen, band. sr 22 m RR eee
Ontbreekt n°. 163 (Decemb. 1877).
TH. HORSFIELD, Descriptive Catalogue of the Lepidopterous
Insects in the Museum of the East-Ind. Company. London,
1828/29. Part. I, Il, met 5 zwarte platen. 4to. Zeer zeld-
BAGNI, ui at ee ea ete) se ae re
In bladen; de titel ontbreekt.
H. N. HUMPHREYS and J. O. WESTWOOD, British Moths
and their transformation. London, 1843. 2 dln. Met 124
fraaie gekl. platen. gr. 4to. In halfled. band. . f 70.—
INSECTA SUECICA. Dissertt. entomolog. praes. C. P. Tuunsere
defensae. Upsala 1784—95. 9 stukken. Met pl. 4to. f 3.—
Bevat verhandelingen van Boresrrüm, SeraLptr, Hay,
KINMANSON e. a.
LINNAEA ENTOMOLOGICA. Zeitschrift herausgeg. von dem
Entomologischen Vereine in Stettin. Leipzig, 1846—66. 16
din. Met pl. 15 stn. 8vo. In kartonn. band. Fraai ex. f 30.—
P. LYONET, Traité anatomique de la chenille, qui ronge le
bois de saule. La Haye, 1762. Met 18 pl. 4to. / 10.—
—— Recherches sur l’anatomie et les métamorphoses de diffé-
rentes espèces d'insectes. Publ. par W. pe Haan. Paris,
18542 Met 54 pl gr ito. unis: te omver 10.
ENTOMOLOGISCHE MISCELLEN , herausgeg. von dem Vereine
für Schlesische Insektenkunde. Breslau, 1874. 8vo. / 0.75
F. OCHSENHEIMER und F. TREITSCHKE, Die Schmetter-
linge von Europa. Leipzig, 1807—34. 10 din. 8 stn. 8vo.
pi ESPRIT n REN es a 3 is
A. PERCHERON, Bibliographie entomologique, comprenant les
ouvrages publiés en France et à l'étranger et les monographies
contenues dans les recueils etc. Paris, 1837. 2. din. gr.
ER Pa A ate ek! ar AA POE BOA ES
REISE DER OESTERREICHISCHEN FREGATTE NOVARA
um die Erde in den Jahren 1857—59. Zoologischer Theil.
Wien, 1865—75. 2 din. Met zwarte pl. 7 stn. gr. 4to /115.—
A. J. RöSEL, Insekten-Belustigung. Mit Kieemann’s Beyträge.
Nürnberg, 1746—61. 5 din. Met 339 gekl. pl. 4to. In led.
band verenld op snede’; «=... en bere I
C. J. SCHONHERR, Synonymia Insectorum oder Versuch einer
Synonymik aller bekannten Insecten. Stockholm, 1806—17.
I. Kifer. 3 Bd. met append. 4 dln. gebonden in 2 kartonnen
ILE LIÉE e AR RA RA E TRE RD ARIE de o I
C. STOLL, Représentation des Cigales et des Punaises des
quatre parties du monde. Amsterd. 1788. 2 dln. Met 30
en pl. tte, In led: band ee sters fet
J. en J. H. C. F. STURM, Die Käfer Deutschlands. Nürnberg,
1805— 57. 23 din. Met 424 gekl. pl. klein 8vo. . / 45.—
J. SWAMMERDAM, Biblia Naturae s. Historia Insectorum in
class. certas redacta. Ace. vita auct. deser. a H. Boerhave.
Latijn en Fransch. Leiden, 1737. 2 din. met pl. fol. in
Li ga PO 1101 ETS Ey ENT A Al ee MEA
P. HARTING, Leerboek van de grondbeginselen der Dierkunde
in haren geheelen omvang. Tiel, 1862—74. 3 din. 18 stn.
met. houten. 870 >. stal: ts, Asoka KOEN
NEDERLANDSCH TIJDSCHRIFT VOOR DIERKUNDE. Uit-
gegeven door P. Brreker, H. Scurecer en G. F. Wester-
MAN. Amsterdam, 1863—73. 4 dln. Met gekl. platen. gr.
4to. Invhalf mar. banden um Aug Rem
Een Catalogus van alle Entomologische werken, bij Marrinus
Nisnorr voorhanden, wordt door hem, op franco aanvraag,
verzonden.
Bi) E. J. BRILL te Leiden is verschenen:
DE VLINDERS VAN NEDERLAND,
MICROLEPIDOPTERA,
systematisch beschreven door
PC. TT. SNELLE NN.
2 deelen met platen / 15.—.
LES PEDICULINES.
Essai monographique
par
Dr. E PIAGET.
2 vol. texte et planches.
Gebonden in linnen f 60.—.
TE KOOP
cen LOK EP,
bevattende vijf laden, elk hoog 65 mm., lang 50 em. en breed
ongeveer 40 cm., uitstekend geconserveerd, de laden belegd met
turf en het Loket van slot voorzien; afkomstig van de voormalige
collectie der Nederl. Entomol. Vereeniging. Vooral voor HH. Lepi-
dopterologen uitnemend geschikt.
Adres: A. J. F. FOKKER, jur. doct. Leiden.
Ter overneming wordt aangeboden:
een exemplaar van het werk van E. ANDRE,
SPECIES DES HYMÉNOPTÈRES D'EUROPE.
zoover het is verschenen (20 afleveringen, met inbegrip
van die welke in den loop van 1885 het licht zullen zien).
Inlichtingen te bekomen bij Jhr. Dr. Ep. EVERTS,
Stationsweg 79, den Haag.
Ingevolge het besluit, op de Vergadering der Entomologische
Vereeniging van 1 Julj 1882 te Wageningen genomen, wordt
voortaan in het Tijdschrift voor Entomologie gelegenheid gegeven
tot het plaatsen vn ADVERTEN' TIEN, met de ento-
mologie in verband staande.
Daartoe zal in ’t vervolg aan elke aflevering een afzonderlijk
blad worden toegevoegd.
De kosten der advertentien bedragen 5 cents per regel, grootere
letters of tusschenruimten berekend naar evenredigheid van de
plaats, die zij innemen.
De advertentien, geplaatst in de afleveringen, waarin de ver-
slagen der algemeene vergaderingen voorkomen, worden kosteloos
ook gevoegd bij de overdrukken dier verslagen, welke aan al de
leden der Vereeniging worden rondgezonden.
DE REDACTIE.
Bij MARTINUS NIJHOFF te ’s Gravenhage hebben het licht
gezien:
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE, uitgegeven door de
Nederlandsche Entomologische Vereeniging, onder redactie
van Dr. A. W. M. van Hassett, F. M. van DER Wutp
en Jhr. Dr. Ep. J. G. Everts, 25° deel. Met il meest
gekleurde platen. . . En M 0)
REPERTORIUM betreffende deel ee VII ae serie) van het
Tijdschrift voor Entomologie, bewerkt door Mr. E. A. pe
Roo van WESTMAAS. . . ONE FOO
REPERTORIUM betreffende feel IX— XVI @ serie) van het
Tijdschrift voor Entomologie, bewerkt door F. M. van
DER WuLP. . ade AO D
REPERTORIUM io deel XVI XXIV (3° serie) van
het Tijdschrift voor Entomologie, bewerkt door F. M. van
DERSWULP SI Qi: FRS TROIS
HANDLEIDING voor È SSA Bee en verzenden
van uitlandsche insecten, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging . . . PURES 0550
Aan de Leden der Nodorlaniducties Entente Ver-
eeniging wordt het bovengenoemde Tijdschrift afgeleverd
tegen den prijs van / 6 per jaargang, het Repertorium op
deel I—VIII voor / 0.50, de beide anderen ieder voor f 0.75,
de Handleiding voor / 0.40. Aanvragen daartoe te richten
tot den Secretaris, den Heer F. M. van per Wurp, Prinses
Mariestraat n°, 14, te ’s Gravenhage.
Voor zooveel de voorraad strekt, kunnen de Leden der
genoemde Vereeniging de beide eerste reeksen van het
Tijdschrift (deel I—XVI) bekomen tegen den prijs van
[ 3 per deel met gekleurde en van f 1.50 per deel met
ongekleurde platen. Zij gelieven zich daartoe te wenden
tot den Bibliothecaris, den Heer C. Rırsema Cz., Rapenburg
n°. 94, te Leiden.
Door tusschenkomst van den Boekhandel worden de beide
genoemde reeksen van het Tijdschrift afgeleverd voor den
prijs van f 4.80 per deel met gekleurde en van f 2.40
met ongekleurde platen.
Van dit alles is nogtans uitgezonderd deel VII, wijl
daarvan geen exempiaren voorhanden zijn.
Voorts is nog door MARTINUS NIJHOFF te ’s Gravenhage
uitgegeven:
ESSAI D'UNE FAUNE ENTOMOLOGIQUE DE L’ARCHIPEL
INDO-NEERLANDAIS, par S. C. SNELLEN van VOLLEN-
HOVEN.
1°. Monographie: Famille des Seutellérides. gr. 4to.
MOL ra OBE plated.) Pst A heh RS EURE de
2°, Monographie: Famille des Piérides. gr. 4to.
Met 7 platen, waarvan 6 gekleurd. . . . . - 8.50
3°. Monographie: Famille des Pentatomides. 1° partie
eri Ato Met 4 gokt: platen Lite AD Sita Ge
DE VLINDERS VAN NEDERLAND. Macrolepidoptera, syste-
matisch beschreven door P. C. T. SneLLen. Imp. 8vo.
Msi er RE AS
DIPTERA NEERLANDICA. De Tweevleugelige Insecten van
Nederland, door F. M. van per Wutp. I° deel, met 14
ERRORS EMD sc BVO, n SS heey ie DE fee
HEMIPTERA HETEROPTERA NEERLANDICA. De inlandsche
ware Hemipteren (Land- en Waterwantsen), door Dr. S. C.
SNELLEN VAN VOLLENHOVEN. Roy. 8vo. Met 22 pl. f 10.—
SCHETSEN TEN GEBRUIKE BIJ DE STUDIE DER
HYMENOPTERA, door Dr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
I. Ichneumoniden. Met 3 platen. gr. 4to oblong. f 1.50
II. Braconiden. Met 3 platen. gr. 4to oblong. . - 1.50
III. Pteromalinen. Met 4 platen. gr. 4to oblong . - 2.—
IV. Proctotrupiden. Met 4 platen. gr. 4to oblong. - 2.—
PINACOGRAPHIA. Afbeeldingen van meer dan 1000 soorten
van Noordwest- Europeesche Sluipwespen (Ichneumones sensu
Linnaeano), door Dr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
gr. 4to. Met 45 gekleurde platen . . . . . f 31.50
LIJST der in Nederland voorkomende Schildvleugelige Insecten
(Coleoptera), opgemaakt door Jhr. En. Everts, Phil. Dr.
BIO ane). os) ss tjd en EN
SEPP'S NEDERLANDSCHE INSECTEN. Tweede serie, bij-
eengebragt door Dr. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN.
Deel I—III. Met 150 gekleurde platen. gr. 4to. Prijs per
deel; 2: tr ee . f 37.50
Van deel IV is verschenen Aflevering 1—18. Prijs per
Aflevering . {4.4 ae ent ee
De uitgave van dit werk wordt, na het overlijden van
Dr. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, voortgezet door de Heeren
Mr. A. Brants en P. C. T. SNELLEN,
Bij MARTINUS NIJHOFF te ’s Gravenhage zijn, onder meer
anderen, voorhanden de volgende ENTOMOLOGISCHE
WERKEN, die voor de daarbijstaande prijzen worden
afgeleverd :
THE ENTOMOLOGIST’S MONTHLY MAGAZINE, conducted
by T. Blackburn, H. G. Knaggs a.o. London, 1864— 80.
Tom. I—XV, XVI. 1—11. 16 din. Met pl. 8vo. DI. I—XII
in Jinnen: band. a woms ee ee
Ontbreekt n°. 163 (Decemb. 1877).
TH. HORSFIELD, Descriptive Catalogue of the Lepidopterous
Insects in the Museum of the East-Ind. Company. London,
1828/29. Part. I, Il, met 5 zwarte platen. 4to. Zeer zeld-
BOUM en à Nee eae eg NET
In bladen; de titel ontbreekt.
H. N. HUMPHREYS and J. 0. WESTWOOD, British Moths
and their transformation. London, 1843. 2 din. Met 124
fraaie gekl. platen. gr. 4to. In halfled. band. . f 70.—
INSECTA SUECICA. Dissertt. entomolog. praes. C. P. THunBERG
defensae. Upsala 1784—95. 9 stukken. Met pl. 4to. f 3.—
Bevat verhandelingen van Borestrém, Sesazpr, Hay,
KINMANSON e, a.
LINNAEA ENTOMOLOGICA. Zeitschrift herausgeg. von dem
Entomologischen Vereine in Stettin. Leipzig, 1846—66. 16
din. Met pl. 15 stn. 8vo. In kartonn. band. Fraai ex. 130. =
P. LYONET, Traité anatomique de la chenille, qui ronge le
bois de saule. La Haye, 1762. Met 18 pl. 4to. f 10.—
—— Recherches sur l'anatomie et les métamorphoses de diffé-
rentes espèces d'insectes. Publ. par W. pe Haan. Paris,
334,4 MER IE ply pr Lo Ta Net 40
ENTOMOLOGISCHE MISCELLEN , herausgeg. von dem Vereine
für Schlesische Insektenkunde. Breslau, 1874. 8vo. / 0.75
F. OCHSENHEIMER und F. TREITSCHKE, Die Schmetter-
linge von Europa. Leipzig, 1807—34. 10 din. 8 stn. 8vo.
In Halte HANG en ire, Ste ec Pp D
A. PERCHERON, Bibliographie entomologique, comprenant les
ouvrages publiés en France et à l'étranger et les monographies
contenues dans les recueils ete. Paris, 1837. 2. din. gr.
FES VLOER ARE RN tee > E TE
REISE DER OESTERREICHISCHEN FREGATTE NOVARA
um die Erde in den Jahren 1857—59. Zoologischer Theil.
Wien, 1865—75. 2 din. Met zwarte pl. 7 stn. gr. 4to /115.—
A. J. RüSEL, Insekten-Belustigung. Mit Krermann’s Beyträge.
Nürnberg, 1746—61. 5 din. Met 339 gekl. pl. 4to. In led.
band. vergald oprenede … > «22. 0e ea
C. J. SCH6NHERR, Synonymia Insectorum oder Versuch einer
Synonymik aller bekannten Insecten. Stockholm, 1806-17.
I. Kifer. 3 Bd. met append. 4 din. gebonden in 2 kartonnen
LENS TER OENE a Lo Len ger. 15.)
C. STOLL, Représentation des Cigales et des Punaises des
quatre parties du monde. Amsterd. 1788. 2 din. Met 30
Bekent ato, band... else en fe Oe
J. en J. H. C. F. STURM, Die Käfer Deutschlands. Nürnberg,
1805—57. 23 din. Met 424 gekl. pl. klein 8vo. . / 45.—
J. SWAMMERDAM, Biblia Naturae s. Historia Insectorum in
class. certas redacta. Acc. vita auct. deser. a H. Boerhave.
Latijn en Fransch. Leiden, 1737. 2 dln. met pl. fol. in
EE rn eeen
P. HARTING, Leerboek van de grondbeginselen der Dierkunde
in haren geheelen omvang. Tiel, 1862—74. 3 dln. 18 stn.
met hotitsn. vo; Gi ven en AE
NEDERLANDSCH TIJDSCHRIFT VOOR DIERKUNDE. Uit-
gegeven door P. BLeEKER, H. Scurecez en G. F. WesTER-
MAN. Amsterdam, 1863—73. 4 dln. Met gekl. platen. gr.
4to. Tu: half mar. banden ss ae ae ee
Een Catalogus van alle Entomologische werken, bij Martinus
Nisnorr voorhanden, wordt door hem, op franco aanvraag,
verzonden.
Bij E. J. BRILL te Leiden is verschenen:
DE VLINDERS VAN NEDERLAND,
MICROLEPIDOPTERA,
systematisch beschreven door
P. C. FT. SNELLE N.
2 deelen met platen / 15.—.
LES PÉDICULINES.
Essai monographique
par
Dr E PIAGET.
2 vol. texte et planches.
Gebonden in linnen / 60.—.
TE KOOP
een LOKET.
bevattende vijf laden, elk hoog 65 mm., lang 50 cm. en breed
ongeveer 40 cm., uitstekend geconserveerd, de laden belegd met
turf en het Loket van slot voorzien; afkomstig van de voormalige
collectie der Nederl. Entomol. Vereeniging. Vooral voor HH. Lepi-
dopterologen uitnemend geschikt.
Adres: A. J. F. FOKKER, jur. doct. Leiden.
Ter overneming wordt aangeboden :
een exemplaar van het werk van E. ANDRE,
SPECIES DES HYMÉNOPTÈRES D'EUROPE,
zoover het is verschenen (20 afleveringen, met inbegrip
van die welke in den loop van 1883 het licht zullen zien).
Inlichtingen te bekomen bij Jhr. Dr. Ep. EVERTS,
Stationsweg 79, den Haag.
QUE
VOLT mh
Jam Ly
A è
Pee wi, È A
ft? dat o
Wanna”
peti ae ae
Smo
RR tee es
dr i gna jn A
nm or a
amd ere
een
camerini
atte ren
a