Ve ty ten ep De he
3 > Nr n . ii er È STA
sa pese Ltée erge À er 1 . he bent, Ont de tir
er Le
Dur A
mar
cr em Map dea >
en à
Regi age >
+ De
id vereen ches siehe he 10 A phate a dee
n E rr hr ee te
Dadi det ne 5 ER Eu n» ct de dna he? ren rt Maren nat
+ 4 Nl entree rn
8
ideeen rh
se do»
” Resana
ere Seo gen im
PARC en
Te rane MA BEN ME” MOND eee
a eV ed
en = : nem
PR ed È -
en en rogna nemen ene rame eel
ear NO
OOP Foe nr er . om te pete e : pace eae
EO er on ne + : a ere n en eten rente =
gr à er
N Aret pete
re > runs ene
wre we
NA CREER
no erge
“ > nine p - é ont 2 si pr 5 * .
i in - nr En ne Te ee
ee > gr. " = Te EM Are oies
ded dg ae a ER eye aridi] EP WT WEE 5 ne u
De min Korn pi net rit de ma me En rs iedere ore POTD VAT OOD ON EL
Ph Ir
| \
he #
AUEM
?
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Dr. A. W. M. VAN HASSELT —
F. M. VAN DER WULP
EN
Jur. Dr. Ep. J. G. EVERTS
TWEE-EN-DERTIGSTE DEEL
JAARGANG 1888—89
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1889
GEDRUKT BIJ GEBR. (
ENHO UD
VAN HET
TWEE-EN-DERTIGSTE DEEL.
Verslag van de 43° Zomervergadering der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging, te Apeldoorn op 23 Juni 1888.
C. Rırsema Cz., Chronologische Naamlijst der beschreven
soorten van de Cerambyciden-genera Zonoplerus, Pachyteria
en Aphrodisium . . ee Saher RE TR AP Be
Jhr. Dr. Ep. Everts, Supplement op de Nieuwe Naamlijst
van Nederlandsche Schildvleugelige Insecten.
Dezelfde, Naamlijst van in Nederland voorkomende Myria-
poden . Sern ate
Lijst van de Leden der Nederl. daga Vereeniging
op 23 Juni 1885 NET, : . MEI:
Bibliotheken der Nederl. omar a —
Bijgekomen boeken van 1 September 1887 tot 19 Sep-
SDE 1888 >. 5 + à MAX
Entomologische inhoud van ontvangen tijdschriften.
Verslag van de 22° Wintervergadering der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging, te Leiden op 13 Januari 1889.
P.C. T. SweLLEN, Azazia Henrici, nieuwe soort der Siculina
(Lepidoptera Heterocera), met af beelding door Dr. J. vaN
Leeuwen jr. (Pl. 1, fig. 1)
Dezelfde, Aanteekening over Cyclidia substigmaria Hbn, en
eenige andere verwante soorten van Lepidoptera, met
afbeeldingen door Dr. J. van Leeuwen jr. (PI. 1, fig. 2—6).
Bladz.
XXIX
XXXIII
XLI
XLVI
LIII
LXVI
XCIX
E. WASMANN, S. J., Ein kleiner Beitrag zur Niederländischen
Améisenfauna PR CRETE PRA de En
W. Rorrors, De Japansche Curculioniden-fauna vergeleken
met die van andere landen .
P. C. T. SneLLEN, Aanteekeningen over Nederlandsche
Lepidoptera. II. Miao . -
Dr. L. W. Scmauruss, Entgegnung auf E. Reitter’s Bemer-
kungen p. 316—342 der Tijdschrift voor Entomologie ,
LOCA ESA) PNE OE ord Ee
J. R. H. Neervoorr van DE Porz, Monographical Essay
on the Australian Buprestid genus Astraeus C. et G.
(PI. 2 en 3) - EURES Ar
Mr. A. J. F. FOKKER, TRI on synony-
mica Heteropterorum palaearcticorum quae descripserunt
auctores vetustiores, Linnaeus 1758—Latreille 1806 , door
O. M. Reuter)
Jhr. Dr. Ep. Everts, Proeve eener rangschikking der in Ne-
derland vertegenwoordigde Coleoptera-familien (Pl. 4en 5).
A. W. M. van Hasserr, Le muscle spiral et la vésicule
du palpe des Araignées males (PI. 6 en 7)
P. C. T. SneLLEN, Synonymische Aanteekeningen
Dezelfde, Aanteekening over Cidaria procellata W.V.
Herman ALBARDA, Catalogue raisonné et synonymique des
Névroptères, observés dans les Pays-Bas et dans les Pays
limitrophes
P. C. T. SweLLEN, Aanteekeningen over Lepidoptera van
Nieuw-Guinea (PI. 8, 9 en 10)
Mr. A. J. F. Fokker, Een nieuwe vijand onzer zeeweringen
(PE 11) RL ee ee
F. J. M. Heytarrrs, Opmerkingen betreffende Nederland-
sche i. darte :
Dr. J. T. OuDEMANS, Thermophila pn Rov. Di 12)
Register .
Erratum .
Bladz.
19
20
29
73
377
401
423
425
433
448
era. sat Aa nile
= gi u ji
.
4 4 ei:
ART dir:
=, ae DO ESTRRISHEENEE VERS
= = er | set = i Le tat ‘ dei = ee
I Ase TT et be TYE
gees) OS Er shore HN
roth D TU 5651 ln
PAU odi ER
SEIT ER AE prat ng
Aa otte 0 DI pe dar a hy Hb
COTY U a U 0, 27
rer ol a HE En dE be ha eh
u ro ET, WO AV
| } © maling wets
wike fae lavate tow rad
= LE GTA, : Pa ROO ZE LN
+ = Ku, VS meal u‘ Th Ah! n
int: ER sine Kan LE IDE
+
“a
Nadere ERRATA in Deel XXXII.
. 222, regel 14.
et que depuis bientôt vingt ans à peu près, tout
lees: et que depuis bientôt vingt ans, à peu près tout.
. Sülzer, lees: Sulzer.
v. 0. matritensis, lees: madritensis.
. Sehäffer, lees: Schiiffer.
. 903, lees: 908.
. Phyrrosoma, lees: Pyrrhosoma.
en 3 v. b. en regel 7 en 13 v. 0. Notochrysa, lees: Nothochrysa.
5 v. 0. 1802, lees: 1798.
244, SO
DATES 8
2500
A)
lee
DOT AZ
SN à
DB à I
D. me I
SU ILE
436, kolom 2,
CD
440, „ 2,
Aa: sd
en 2. Anysarchus, lees: Asynarchus.
v. 0. fulva, lees: furva.
Villes, lees: Villers.
regel 10 v. 0. Anysarchus, lees: Asynarchus.
„ 90. Notochrysa, lees: Nothochrysa.
„ 33. Oecetis fulva, lees: O. furva.
„ 30. Perla matritensis, lees: P. madritensis.
pos nga ok Cr
VAN DE
DRIE-EN-VEERTIGSTE ZOMERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE APELDOORN
op Zaterdag 23 Juni 1888,
des morgens ten 11 ure.
Voorzitter: Dr. H. J. Veth.
Met den Voorzitter tegenwoordig de heeren Mr. A. Brants, Jhr.
Dr. Ed. J. G. Everts, Mr. A. J. F. Fokker, H. W. Groll, Dr.
A. W. M. van Hasselt, D. J. R. Jordens, J. Kinker, Mr. A. F.
A. Leesberg, Dr. J. T. Oudemans, C. Ritsema Cz., W. Roelofs,
P. C. T. Snellen, K. N. Swierstra, K. Bisschop van Tuinen, H.
A. de Vos tot Nederveen Cappel, J. de Vries en F. M. van
der Wulp.
Van de heeren Dr. H. Bos, D. ter Haar, F. J. M. Heylaerts,
D. van der Hoop, J. Jaspers jr., Dr. F. A. Jentink, Dr. F. W.
O. Kallenbach, J. W. Lodeesen, R. T. Maitland, Dr. J. G. H.
Rombouts en Dr. A. J. van Rossum is bericht ingekomen, dat
zij verhinderd zijn de vergadering bij te wonen.
De Voorzitter Dr. H. J. Veth opent de vergadering met de
volgende toespraak :
II VERSLAG.
«Mijne Heeren,
«Ik heet U allen hartelijk welkom te dezer plaatse, in het
bijzonder den heer de Vos tot Nederveen Cappel, die voor het
eerst eene vergadering van onze Vereeniging bijwoont.
«Het is heden de elfde keer, dat onze bijeenkomst plaats heeft ‘
in onze door de natuur zoo rijk bedeelde provincie, in ons schoone
Gelderland. En spant dit gewest in dit opzicht reeds de kroon
boven al onze andere provincien, in niet mindere mate steekt het
daarboven uit door het aantal verschillende plaatsen, waar onze
vergaderingen zijn gehouden. Want reeds zes Geldersche gemeenten
hebben ons binnen hare muren gezien: na Arnhem en Nijmegen
kwamen achtereenvolgens Zutphen, Wageningen, Winterswijk en
thans Apeldoorn aan de beurt. En geen wonder, daar eene schoone
natuur ook het best geschikt is voor ons doel: eene rijke flora
brengt toch steeds eene rijke fauna mede.
«Is het voor mij, en ik vertrouw ook voor U allen, reeds een
feest om weder op de Zomervergadering der Nederlandsche Entomolo-
gische Vereeniging tegenwoordig te zijn, een gelukkig toeval maakt
deze dag voor ons tot een’ feestdag in den waren zin des woords.
Onze geachte President toch, wiens plaats ik heden het voorrecht
heb tijdelijk in te nemen, onze geliefde Generaal van Hasselt,
gedenkt heden eene zeldzame gebeurtenis: want juist 50 jaren
geleden, op 25 Juni 1838, werd hij te Utrecht tot Doctor in de
Geneeskunde bevorderd, na verdediging van een proefschrift, ge-
titeld: «Observationes anatom. pathol. de sanguinis dissolutione ,
et clandestinâ tuberculorum evolutione ». Uit naam onzer Vereeniging
wensch ik hem van ganscher harte geluk met dien feestdag en
voeg er den wensch bij, dat hij nog langen tijd, in de volheid
zijner ambtelijke rust, voor zijne betrekkingen en voor ons ge-
spaard moge blijven.
« Was het niet zonder aarzeling, toen ik een vorig jaar de door
U zoo welwillend op mij uitgebrachte keuze tot Eerevoorzitter voor
deze vergadering aannam, ik zou die benoeming allicht gretiger
hebben aanvaard, had ik toen reeds geweten, dat het voorrecht
VERSLAG. \ III
mij zou zijn te beurt gevallen, om dien gelukwensch aan onzen
President te kunnen uitbrengen. Maar het besef van de moeielijkheid
mijner taak is even groot gebleven. Moge Uw aller steun en niet
het minst die van onzen ijverigen Secretaris mij helpen om die
taak naar eisch te vervullen.
«Met den wensch, dat ook deze bijeenkomst moge bijdragen
tot bevordering : van de studie der Entomologie in ons vaderland,
open ik de 43ste Zomervergadering der Nederl. Entomologische
Vereeniging. »
Deze toespraak van den Voorzitter wordt luide toegejuicht, en
vooral de gelukwensch aan den Generaal van Hasselt ontlokt daverende
bijvalsbetuigingen , die door een hartelijken handdruk worden be-
zegeld. Dr. van Hasselt zegt zeer gevoelig te zijn voor de
vriendelijke woorden, door den leider dezer bijeenkomst tot hem
gesproken en voor de blijken van toegenegenheid en vriendschap,
hem door al de aanwezigen bij deze gelegenheid betoond; doch hij
wenscht verder zijn persoonlijk feest hier op den achtergrond ge-
schoven te zien. Dit neemt echter niet weg, dat gedurende de
vergadering nog tal van brieven en telegrammen van geluk-
wensching, door oudleerlingen, vrienden en vereerders buitenaf,
aan hem gericht werden.
De Voorzitter vraagt, of iemand der aanwezenden ook eenige
aanmerking heeft op de notulen de beide voorgaande vergaderingen ,
te Maastricht op 23 Juli 1887 en te Leiden op 22 Januari 1888,
zooals die notulen vervat zijn in de gedrukte Verslagen, welke
aan de Leden zijn toegezonden. Daar niemand deswege het wóord
verlangt, worden die notulen geacht te zijn goedgekeurd.
De President van het Bestuur, Dr. A. W. M. van Hasselt,
brengt, overeenkomstig art. 17 der wet, het navolgende jaar-
verslag uit:
«Mijne Heeren,
« Bij onze beraadslaging, ten vorigen jare, over de plaats waar
de volgende bijeenkomst zou gehouden worden, ontspon zich een
vriendschappelijke strijd. Deze werd voornamelijk gevoerd tusschen
IV à VERSLAG.
twee onzer geachte medeleden, Dr. Veth, die de voorkeur aan
Arnhem gaf, en Mr. Brants, die voor Apeldoorn pleitte. De daarover
gehouden discussien, replieken, duplieken en stemmingen hebben
tot de beslissing geleid, dat laatstgemelde plaats als onze aanstaande
verzamelplaats werd aangenomen. Eene merkwaardige bijzonderheid
deed zich daarbij voor. Door wederkeerige courtoisie zien wij thans,
dat de warme pleiter voor het voorstel Arnhem het mandaat van
den niet minder vurigen verdediger van het voorstel Apeldoorn
wel heeft willen op zich nemen! Blijkt hieruit niet opnieuw de
groote harmonie, die in onze Vereeniging heerscht? Niet alleen
zijn de beide, altijd in der minne strijdende partijen het eens
kunnen worden, maar wij zien ze, thans tot één vereenigd, in
onzen huidigen Eerevoorzitter, Dr. Veth. Zoowel aan hem als aan
onzen wegbaner naar Apeldoorn’s schoone dreven, zij voor hunne
echt kameraadschappelijke houding in deze, waardoor ons aller belang
werd bevorderd, onze sympathetische dankbetuiging toegebracht!
«De in onze vorige Zomervergadering benoemde Correspondeerende
Leden, — Prof. F. Plateau te Gend, A. Preudhomme de Borre
te Brussel en S. H. Scudder te Cambridge (N.A.), — hebben in
de meest vleiende bewoordingen die benoeming aangenomen.
«De Vereeniging genoot het voorrecht, den heer J. P. Goedkoop
te Amsterdam tot de gewaardeerde reeks onzer Begunstigers te
zien toetreden.
«Van de gewone Leden hebben wij het verlies te betreuren van
drie hunner, als van den heer M. Koch, in Nederlandsch Indie
overleden, en van de heeren A. E. Kerkhoven , mede daar te lande
en J. F. G. W. Erdbrink te Amsterdam, die beiden voor het
lidmaatschap bedankten.
« Wij mogen ons daarentegen verheugen in de toetreding, als
nieuwe Leden, van de heeren E. Wasmann, 8. J., te Exaeten bij
Roermond (die reeds onze vorige Zomervergadering te Maastricht
bijwoonde), H. F. Hartogh Heys te Assen (tijdelijk te Verviers),
W. Roelofs te ’s Gravenhage, L. W. Havelaar te Rotterdam en
H. A. de Vos tot Nederveen Cappel te Apeldoorn. Dientengevolge
is het getal gewone Leden op dit oogenblik tot 98 gestegen.
VERSLAG, Vv
«De toestand der bibliotheken is hoogst bevredigend. Ook door
verschillende jongere Leden werd in dit jaar een ruim gebruik
gemaakt van onzen rijken boekenschat. Voor zijne jongste studien
over de zeldzame West-Indische spinnen van het Leidsch Museum ,
heeft Uw verslaggever insgelijks de onmisbaarheid daarvan opnieuw
ondervonden en tevens de, zeer erkentelijk te vermelden, zaak-
kuudige bereidvaardigheid van onzen waarden Bibliothecaris.
« De bibliotheek der Vereeniging mocht weder verscheidene boek-
geschenken ontvangen, als van de heeren Chr. Aurivillius, A.
Preudhomme de Borre, Dr. J. Ritzema Bos, D. ter Haar, Dr. A.
W. M. van Hasselt, A. Lameere, Mr. J. W. van Lansberge, Dr.
J. G. de Man, Dr. G. L. Mayr, F. Moore, Dr. J. T. Oudemans,
Dr. F. Plateau, C. Ritsema Cz., W. Roelofs, S. H. Scudder,
Baron E. de Selys Longchamps, Prof. T. Thorell, Dr. J. H. Wakker,
E. Wasmann en F. M. van der Wulp, alsmede van het Bestuur
van het 40ste Landhuishoudkundig Congres.
« Voor de bibliotheek Hartogh Heys zijn, behalve enkele kleinere
werken en de voortzetting van onderscheidene tijdschriften, aan-
gekocht: Trimen en Bowker «South-African Butterflies», in 3
deelen, met gekleurde platen (waarvan dl. I en IT verschenen zijn).
Voor haar is wijders ingeteekend op: Grose Smith en Kirby's
« Rhopalocera exotica», een vervolg op Hewitson’s « Exotic Butter-
flies» (waarvan bereids 4 afleveringen het licht zien).
«Met het doen inbinden der boeken is nu geregeld voortgegaan.
« Ruil met nieuwe buitenlandsche genootschappen is dit jaar niet
aangegaan, doch zijn een tweetal aanvragen daartoe, tot nadere
overweging, na informatie, aangehouden, te weten van het Entomo-
logische Verein «Iris» te Dresden en van de Californian Academy
of sciences.
«Het verheugt mij, in algemeenen zin, te mogen mededeelen ,
dat de geldelijke toestand van onze Vereeniging geruststellend kan
worden genoemd. Bij elke toch van de drie verschillende kassen
is een saldo op nieuwe rekening over te brengen, grooter dan dat
van het vorige jaar. Voor de algemeene kas is dit veroorzaakt door
het hoogere beschikbare cijfer, waarmede de campagne van 1887/88
VI VERSLAG.
werd aangevangen, alsmede door de aanwinst van drie Begunstigers
en twee Leden. Bij de kas voor de uitgave van het Tijdschrift is
dit gunstig verschil van minder beteekenis en ligt de oorzaak in
de kosten van het drukken en van het plaatwerk, die lager zijn
gebleven dan in het voorgaande jaar. Voor de bibliotheek Hartogh
Heys van de Lier is het grootere kas-saldo een gevolg van be-
sparing onzerzijds, met het oog vooral op de belangrijke kosten
van een nieuwen catalogus, waarvan een herdruk noodzakelijk is
geoordeeld, wegens de belangrijke uitbreiding dezer voortreffelijke
boekerij. Deze toch is, dank zij de milde toelage van onze hoog
gewaardeerde eerste Begunstigster, al meer em meer een waar
glanspunt geworden in de geschiedenis onzer Vereeniging.
«Voor het Tijdschrift was in den laatsten tijd overvloed van
stof voorhanden, zoo zelfs dat de loopende 31ste jaargang grooter
omvang zal verkrijgen dan de vroegere deelen. De uitgave van de
beide eerste reeds verschenen afleveringen is eenigszins vertraagd
geworden door de opneming van den Catalogus Pselaphidarum van
Camillo Schaufuss, die, aanvankelijk op slechts 3 bladen geraamd,
door de vele bijvoegingen onder het drukken, tot ruim het dubbele
is uitgedijd. De 3de en Ade afleveringen zullen vermoedelijk nu
vrij spoedig kunnen volgen, daar al de platen (voor dezen jaargang
slechts tot een tiental beperkt) reeds gereed liggen Die afleveringen
zullen bevatten: Dr. A. W. M. van Hasselt, Araneae exoticae, quas
collegit Dr. H. ten Kate jr. in Guyana Hollandicà (met 2 platen);
Dr. H. Bos, Mieren en Bladluizen; E. Wasmann, 8. J., Beiträge
zur Lebensweise der Gattungen Afemeles und Lomechusa (eene
omvangrijke en hoogst belangrijke studie); Jhr. Dr. E‚ Everts,
Tabellarisch Overzicht der in Nederland waargenomen soorten van
het geslacht Amara; Mr. M. C. Piepers, Ueber die Entwicklungs-
geschichte einiger Javanischen Papilioniden-Raupen (met 2 platen) ;
en F. M. van der Wulp, Nieuwe Argentijnsche Diptera van wijlen
Prof. H. Weyenbergh (met 2 platen).
«Voor het 32ste deel liggen reeds in portefeuille: P. C, T.
Snellen, Aanteekeningen over Nederlandsche Lepidoptera (II. Micro-
lepidoptera) en eenige kleinere opstellen van denzelfden, over exo-
VERSLAG, WII
tische vlinders; terwijl in bewerking zijn: E‚ Wasmann, een nader
stuk over: « Mierengasten uit de orde der Schildvleugeligen; A. W.
M. van Hasselt, Recherches sur le muscle spiral et sa vésicule
chez les araignées mâles; en E. Everts, eene studie over inlandsche
Coleoptera.
«Sinds lang had het Bestuur den wensch gekoesterd, om deel
VII van het Tijdschrift, — waarvan indertijd de geheele over-
gebleven oplaag door den toenmaligen - uitgever Kruseman werd
vernietigd, en waardoor dat deel uiterst zeldzaam is geworden , —
te doen herdrukken. De hieraan verbonden kosten waren echter
moeielijk uit de inkomsten der Vereeniging alleen te vinden. In
een aanbod van den heer P. W. M. Trap te Leiden, om voor een
matigen prijs dien herdruk te leveren , vond Uw Bestuur aanleiding ,
om deze zaak nogmaals ernstig te overwegen. Het meende, dat
wellicht velen, die eene reeks van het Tijdschrift bezitten, doch
waaraan deel VII ontbreekt, geneigd zouden zijn dit aan te schaffen,
en dat zoodoende de kosten van den herdruk grootendeels konden
worden gedekt. Eene circulaire in dien zin “werd aan de Leden
rondgezonden en eene dergelijke, in de Fransche taal, aan alle
buitenlandsche genootschappen en geleerden, die, zooveel bekend
is, in het bezit zijn van het Tijdschrift.
«De uitkomst was intusschen ver van gunstig. Slechts een klein
getal inteekenaars (in het geheel 7, waarvan een uit het buitenland)
deden zich op. Aanvankelijk dacht nu het Bestuur het plan van
den herdruk te moeten opgeven, doch op het advies van onzen
Bibliothecaris, — die zich sterk maakt dat, als de herdruk werkelijk
tot stand zal zijn gekomen , er nog koopers genoeg zullen opdagen, —
is besloten om toch tot de uitvoering over te gaan, mede in de
verwachting , dat misschien sommigen zich alsdan aangespoord
zullen gevoelen, om zich insgelijks de overige vroegere deelen
aan te schaffen. Dit voordeel van de kas zou dan mede tot
compensatie kunnen strekken van de uitgaven, aan den herdruk
te besteden.
« Zoover mij bekend is, zijn dit jaar geene afzonderlijke werken
op entomologisch gebied uitgegeven dan een verdienstelijke arbeid
VIII VERSLAG.
van ons geacht medelid van der Wulp, betreffende de Musciden
van Centraal Amerika, en deel uitmakende van het groote Engelsche
werk van F. Ducane Godman en O. Salvin, getiteld « Biologia
Centrali Americana». In April Ll. verscheen de eerste aflevering
zijner bijdrage, met 2 platen. Ik grijp gaarne deze gelegenheid
aan, om U mede te deelen, dat onze van der Wulp in den loop
van dit jaar benoemd is tot Eerelid van de Société Entomologique
Belgique; een nieuw bewijs, hoe onze naburen erkennen, wat door
ons Hollanders op entomologisch gebied wordt verricht.
«In September 1887 werd door den heer Minister van Water-
staat, Handel en Nijverheid aan het Bestuur der Vereeniging in-
lichting gevraagd omtrent een aan Z.Exc. uit Noordbrabant toe-
gezonden insect, zulks in de veronderstelling of dit, als op een
aardappelveld gevonden, ook de beruchte « Golorado-kever» kon
zijn. Wij werden tevens aangezocht, om ook verder, bij dergelijke
inzendingen, van advies te willen dienen. Op deze aanvraag is
terstond geantwoord, dat het bewuste insect geen Colorado-kever
was, maar eene bij ons te lande meermalen voorkomende Schild-
wants, Cimea prasinus L., en voorts dat de Entomologische Ver-
eeniging zich gaarne bereid verklaarde, om steeds, in overeen-
komstige gevallen, der Regeering ten dienste te staan. Aan den
Minister werd tevens het voorstel gedaan, om aan een der ambte-
naren van zijn departement op te dragen, zich tot dat einde met
den Secretaris der Entomologische Vereeniging in betrekking te
stellen. Hierop werd ons medegedeeld, dat aan dit laatste ver-
langen gevolg zal worden gegeven. Tot dusver evenwel is van het
gedane aanbod geen verder gebruik gemaakt.
«Met 4 Mei 1888, toen het Konink). Zoologisch Genootschap
Natura Artis Magistra te Amsterdam zijn 50-jarig bestaan heeft
mogen vieren, zijn door het Bestuur der Entomologische Vereeniging
brieven van hartelijke gelukwensching gericht, zoowel aan heeren
Bestuurders van het feestvierende Genootschap, als persoonlijk aan
ons hoog gewaardeerd oudste Eerelid, Dr. G. F. Westerman, die
gedurende die 50 jaren als Directeur dezer grootsche instelling is
werkzaam geweest en meer dan iemand tot haren hoog gestegen
VERSLAG. IX
bloei heeft bijgedragen. Van beide zijden mocht onze Vereeniging
daarvoor hunne welgemeende dankbetuigingen ontvangen.
«Op 4 Juni daaraanvolgende ontving het Bestuur van de Neder-
landsche Commissie voor de Tentoonstelling te Parijs in 1889 de
uitvoerige mededeelingen en voorwaarden omtrent deze expositie,
Daar in het Algemeen Reglement, onder groep VIII, n°. 76, ook
de gelegenheid wordt opengesteld tot inzending van « nuttige en
schadelijke insecten», acht ik het noodig, de aandacht van de
Leden onzer Vereeniging hierop te vestigen.
«Ten slotte houdt Uw verslaggever zich, namens de Redactie
van het Tijdschrift, bij de heeren van Bemmelen en H. Bos min-
zaam aanbevolen voor de door hen toegezegde bijdragen, respec-
tievelijk over het «trekken van insecten» en over het « nadeel
door Masius niger aan voedselplanten te weeg gebracht » ; en voorts,
namens onzen zorgvuldigen Bibliothecaris, voor de welwillende toe-
zending van photographische portretten der heeren Leden, ter
completeering van het album der Vereeniging.
«Ik mag dit verslag niet eindigen, zonder opnieuw mijne
erkentelijkheid te betuigen aan mijne geachte medebestuurders,
voor de hulpvaardigheid waarmede zij, ieder in hunne betrekking,
ook weder in het afgeloopen jaar, mijne taak als Voorzitter hebben
aangenaam gemaakt. Ook voel ik mij gedrongen , nogmaals onzen
Eerevoorzitter, Dr. Veth, hartelijk dank te zeggen voor de wel-
willende woorden, reeds bij den aanvang onzer bijeenkomst tot
mij gericht.
«En hiermede, Mijne Heeren, tot besluit een «Vivat, floreat,
erescat » voor onze Entomologische Vereeniging! »
De Voorzitter vraagt, of iemand der aanwezenden ook eenige
nadere toelichting wenscht te bekomen of eenige bedenking heeft
in ’t midden te brengen omtrent de in het verslag behandelde
punten. Niemand deswege het woord verlangende, brengt hij den
dank der Vergadering aan den heer van Hasselt, voor de aan het
verslag bestede zorg.
De Secretaris deelt mede, dat de Penningmeester, de heer
x VERSLAG.
Lodeesen die, tot aller groot leedwezen, door ongesteldheid,
bij hoogst zeldzame uitzondering, ditmaal niet tegenwoordig kan
zijn, hem de rekening en verantwoording over 1887/88, met al
de daarbij behoorende bewijsstukken, heeft toegezonden, alsmede
de schets van begrooting voor het volgende jaar. De Secretaris
vermeldt, in verband met hetgeen reeds in het jaarverslag van
den President ten aanzien van den financieelen toestand der Ver-
eeniging is medegedeeld, nog eenige bijzonderheden omtrent de
cijfers der drie afzonderlijke kassen, voor elke waarvan een schrif-
telijk overzicht door den Penningmeester is opgemaakt en ingezonden.
De Voorzitter verzoekt de heeren Jordens en Bisschop van
Tuinen, de rekening te willen nazien. Deze stellen zich hiertoe
beschikbaar en houden zich onmiddellijk daarmede bezig.
Aan de orde is de benoeming van een lid van het Bestuur.
Aan de beurt van aftreding is de heer F. M. van der Wulp,
die met bijna algemeene stemmen wordt herkozen.
De heer van der Wulp verklaart zich, onder dankbetuiging voor
het in hem gestelde vertrouwen, gaarne opnieuw bereid, zijne
taak als Bestuurslid en Secretaris te blijven voortzetten, doch
meent, uit aanmerking van zijn toenemenden leeftijd, der Ver-
gadering in overweging te moeten geven, tegen het tijdstip dat
hij weder aan de beurt van aftreding zal komen, op zijne ver-
vanging door jeugdiger krachten bedacht te zijn.
Voor de benoeming van twee leden der Redactie van het Tijd-
schrift worden door het Bestuur voorgedragen:
Eerste dubbeltal, de heeren F. M. van der Wulp en P. C. T.
Snellen.
Tweede dubbeltal, de heeren Jh. Dr. Ed. J. G. Everts en Mr.
A. F. A. Leesberg.
De heeren van der Wulp en Everts worden met groote meerder-
heid als zoodanig herkozen. Beiden verklaren, onder dankzegging,
zich bereid de hun opgedragen taak te blijven vervullen. Eerst-
genoemde refereert zich echter, ook ten opzichte van deze her-
kiezing, aan hetgeen hij reeds gezegd heeft met betrekking tot zijne
herbenoeming als lid van het Bestuur.
VERSLAG. XI
De Voorzitter zou nu in behandeling wenschen te nemen het
rapport der Commissie, in de jongste Wintervergadering benoemd,
om advies te geven, wat door de Entomologische Vereeniging ge-
daan kan worden, om de willekeurige en verwarring stichtende
veranderingen van generieke namen in de Entomologie tegen te
gaan. De Commissie evenwel, die in de meening verkeerde, dat
eerst in de volgende Wintervergadering haar rapport verwacht
werd, is op dit oogenblik nog niet daarmede gereed. Zij wordt
dientengevolge diligent verklaard.
Aan de orde is de keuze van de plaats, waar de volgende
Zomervergadering zal gehouden worden. Verschillende plaatsen
worden daartoe aanbevolen , onder anderen Bergen-op-Zoom, Paters-
wolde, Oisterwijk, Brielle en Zierikzee. Uit de bespreking hier-
over blijkt, dat velen geneigd zouden zijn, in het aanstaande jaar
Zierikzee te bezoeken, maar vreezen, dat de eenigszins lastige
reis daarheen wellicht anderen zal terughouden. Bij hoofdelijke
stemming wordt daarop beslist, dat Bergen-op-Zoom, als van de
genoemde plaatsen nog het dichtst bij Zierikzee gelegen, de aange-
wezen plaats voor de gezegde vergadering zal zijn.
Als Voorzitter van die vergadering wordt bij meerderheid van
stemmen gekozen Mr. A. J. F. Fokker, die verklaart deze be-
noeming te aanvaarden.
Inmiddels zijn de heeren Jordens en Bisschop van Tuinen
gereed gekomen met het onderzoek der rekening en brengen, bij
monde van eerstgenoemden, deswege rapport uit. Zij hebben de
rekening, na vergelijking der daarbij behoorende bescheiden, in
volmaakte orde bevonden, en dit met hunne handteekening aan
den voet der rekening bevestigd.
De Voorzitter dankt de beide heeren, die zich de moeite der
naziening hebben getroost, en verzoekt den Secretaris, de stukken
weder aan onzen zoo beleidvollen Penningmeester te doen toe-
komen en hem den dank der Vergadering en tevens onzer aller
hartelijke wenschen voor zijn spoedig herstel over te brengen.
De heer Ritsema deelt nog mede, dat de heer A. J. Wendel
te Leiden, — wien de Vereeniging veel verplicht is wegens zijne
XII VERSLAG.
langdurige hulp in het graveeren der platen voor het Tijdschrift,
maar die door volslagen blindheid dat werk heeft moeten staken, —
onlangs eene operatie aan zijne oogen heeft ondergaan, en wel
met zoo uitnemende uitkomst, dat hij het gezichtsvermogen heeft
terugbekomen en het hem zelfs vergund zal zijn, ofschoon op matige
wijze, zijn arbeid weder op te vatten. Dit bericht wordt door de
Vergadering met onverdeeld genoegen vernomen.
Na eene korte tusschenpoos wordt overgegaan tot de weten-
schappelijke mededeelingen.
De Voorzitter, Dr. H. J. Veth, brengt in herinnering, dat de
heer Everts, in de Wintervergadering van 1887 !) eene niet in-
landsche Zeptura-soort vertoonde, door een van diens leerlingen te
’s Gravenhage gevangen en waarschijnlijk uit Noord-Amerika af-
komstig. Spreker vermeldde toen nog een ander voorbeeld van
een exotischen kever, die levend bij ons te lande werd aange-
troffen, en wel Clerus nigripes Say, door hem te Rotterdam ge-
vangen. In den laatsten tijd heeft zich nog een paar malen hetzelfde
geval voorgedaan; hij vond namelijk, mede te Rotterdam, levende
exemplaren van Compsocerus violaceus White, uit Brazilie, en van
eene nog onbestemde Wduria, eveneens uit Zuid-Amerika. Beide
deze boktorren laat hij ter bezichtiging rondgaan, waarbij nog
een andere kever uit dezelfde familie is gevoegd, te weten Phi/e-
matium femorale Oliv. uit Oost-Afrika, waarvan, reeds voor eenige
jaren, twee levende exemplaren door hem, eveneens te Rotterdam,
werden gevonden.
De heer Veth vestigt voorts de aandacht op een paar berichten,
welke onlangs in sommige nieuwsbladen voorkwamen, betreffende
de verwoestingen, door Si/pha opaca L. op beetwortelvelden aan-
gericht. Uit Etten-Leur wordt gemeld, dat eenige akkers met
dit schadelijk insect als bezaaid zijn en dat vooral de jonge plantjes
worden aangetast. Vroeger reeds waren dergelijke berichten ook
ontvangen uit de noordelijke departementen van Frankrijk, waar
Tijdschr. v. Entom., dl. XXX, blz. cvı.
VERSLAG. XIII
vooral te Carvin geheele velden met beetwortels zijn vernield. In
die couranten-artikels zijn alweder zonderlinge en onwetenschappe-
lijke voorstellingen gegeven van den toestand; zoo werd b. v. uit
Frankrijk gemeld, dat de natuurlijke vijanden der Si/pha zouden
zijn de «kapellen, uilen» (waarmede waarschijnlijk de nachtvlinders
worden bedoeld) en «alle vogels». De Fransche Regeering heeft
zich de zaak aangetrokken en zoekt naar middelen om het kwaad
tegen te gaan; reeds werden door verschillende autoriteiten eenige
als zoodanig aanbevolen, maar, naar ‘tschijnt, zullen deze wegens
hunne giftige bestanddeelen ook wel nadeelig zijn voor de planten
zelven en tevens andere gevaren opleveren.
Naar aanleiding van het vorenstaande, herinnert de heer Swierstra,
dat indertijd door hem eene dergelijke mededeeling werd gedaan
in de Wintervergadering van 22 December 1877 '). Het gold toen
eene zeer belangrijke schade door dezelfde Si/lpha-soort teweegge-
bracht aan het koolzaad in de ingedijkte polders van het 1J bij
Amsterdam.
De heer Leesberg meent, dat waarschijnlijk het kwaad kan
worden gestuit door niet voortdurend op dezelfde akkers beetwortels
te kweeken; een geregelde wisselbouw is te meer aan te bevelen,
omdat het gebleken is, dat bij jaarlijksche verbouwing van beet-
wortels op hetzelfde veld de planten ontaarden en minder gezond
ontwikkelen; terwijl het een algemeen feit is, dat ziekelijke en
zwakke planten in den regel het meest van schadelijke insecten te
lijden hebben.
De heer van Hasselt geeft eene bijdrage tot zijne verhandeling ,
dezen winter gehouden, over het copulatie-blaasje aan de
palpen der mannelijke spinnen ?), onder aanwijzing van een paar
microscopische praeparaten en een viertal fraaie afbeeldingen van
de hand van den heer Everts.
1) Tijdschr. v. Entom., dl. XXI, blz. LXXVII.
2) Tijdschr. v. Entom., dl. XXXI, blz. Lxxxvi. — Daar van het hier be-
handelde onderwerp weldra eene uitvoerige studie in het Tijdschrift zal worden
opgenomen, wordt voor verdere bijzonderheden daarnaar verwezen,
XIV VERSLAG,
Verder stelt hij ter bezichtiging twee onlangs door hem ont-
vangen, levende exemplaren van den bij ons zoo zeldzamen als
fraaien Zresus cinnabarinus Oliv., door ons medelid Dr. H. Bos te
Wageningen gevangen.
Hierop vertoont hij eenige Javaansche Araneiden, hem voor
eenigen tijd, onder vriendelijke bemiddeling van den heer Snellen,
door ons Oost-Indisch medelid Mr. M. C. Piepers geschonken.
Zooals allen, die zijn’ talentvollen ijver voor de entomologie in het
algemeen en voor de lepidopterologie in het bijzonder kennen, zulks
van hem gewoon zijn, munten zijne vangsten, ook voor de Araneae,
door eene hooge mate van zuiverheid en ongeschondenheid uit. Ten
voorbeelde laat Spreker enkele fleschjes rondgaan met zeer schoone,
in het gebergte, op ruim 5000 voet hoogte, verkregen specimina,
als van Platythomisus octomaculatus Dol. , Argiope Doleschallii Thor. ,
Gasteracantha roseolimbata Dol., allen feminae, en van Meta celebesi-
ana Walck., 3 en 9, met zoo onverbleekten zilver- en goudglans
van het geelwitte, zwart gestreepte abdomen , als hij dit, bij dozijnen
van deze soort, nog nimmer had mogen bewonderen. Maar er was
bij deze toezending nog eene buitengewone spinnengroep aanwezig ,
over welker vangst en hoedanigheid Spreker woordelijk de karakteris-
tieke beschrijving mededeelt, door Mr. Piepers daarvan gegeven.
Hij doet zulks in het volle vertrouwen, dat deze de daardoor begane
«schending van het brievengeheim» wel zal willen ten goede
houden, wegens de bedoeling, om, even leerzaam als onderhoudend,
’s mans zeldzame geestdrift om ook voor andere specialiteiten dan
de zijne nuttig werkzaam te wezen, plastisch voor te stellen.
Naar aanleiding namelijk van een vroeger door Spreker te kennen
gegeven verlangen, om toch vooral de kleine mannetjes der
groote Epeiriden, vooral uit het geslacht Nephila , bij voorkomende
gelegenheden, niet over het hoofd te zien, schreef de heer Piepers,
dd°. 5 November 1887 onder anderen het volgende:
«Eindelijk wilde het toeval, dat ik, op zekeren dag, op het
«groote, met boomen en struiken begroeide erf mijner woning,
«een der door U begeerde spinnen, eene 9, in haar web aantrof.
«Het was, wel is waar, een individu van niet bijzondere grootte,
VERSLAG. xv
«maar wat mijne opmerkzaamheid trok, was dat zich, nevens
«haar, over het net verspreid, niet minder dan megen zeer
«kleine spinnetjes bevonden! Dit noopte mij die allen voor U
cte vangen, waartoe ik, zoo dicht bij mijne woning, nu de
« mogelijkheid inzag.
cNaar het door mij gevormd plan de campagne, riep ik
«toen van mijne bedienden en hunne vrouwen negen personen te
«zamen, plaatste die nabij het web, gaf ze ieder een doosje in
«de linker- en het deksel ervan in de andere hand, wees elk een
«bepaald spinnetje aan en gelastte hen toen, om, wanneer ik het
«signaal gaf, tot den aanval over te gaan en elk het hem aan-
«gewezen voorwerp in zijne doos te sluiten, zonder zich om de
«overigen te bekommeren. Zelf nam ik het groote wijfje voer
«mine rekening.
«Op mijn wenk volgde toen de attaque, met eene ware furia
«francese, en met dit gelukkig gevolg, — hoewel een der aan-
«vallers en ééne aanvallerin in botsing kwamen en over elkaâr op
«den grond buitelden, — dat al de 10 spinnen op eenmaal krijgs-
«gevangen werden gemaakt. Zóó ziet U, dat ook ik wel aanleg
chad, om een goed « Generaal» te worden. »
En zoodoende is Spreker in het gelukkig bezit geraakt van deze
merkwaardige Spinnen-kolonie, welke hij ter bezichtiging
stelt. Zij bestaat uit één middelmatig exemplaar der trouwens niet
ongewone Nephila maculata Fabr. g, — één volkomen ontwikkeld
en thans met zekerheid te bestemmen ¢ van dezelfde soort, —
vier exemplaren der zeer zeldzame, althans mij nog niet voor-
gekomen Linyphia parasita Vins. 9, — en vier mannetjes van
deze species.
Omtrent het laatstgemelde genus, sedert door Simon als Argyrodes
benoemd, werd reeds vóór 25 jaren door Vinson de oorspronkelijke
waarneming gedaan, dat het tot de tafelschuimers behoort, die van
den afval leven hunner voorname verwanten. Hij heeft het niet
alleen aangetroffen op de webben van Nephila inaurata Walck. en
van diens Nephila nigra, maar ook op die van andere groote
Epeiriden.
XVI VERSLAG.
Over deze buitengewone groep vindt men bij hem de volgende
beschrijving in zijne Aranéides des les de la Réunion, etc. 1863,
p. 263:
«Ces Aranéides se distinguent et se séparent de toutes les autres
«par leur caractère éminemment parasitaire. On ne les ren-
«contre jamais isolées. C'est toujours sur les extrémités et même
«au sein des grandes toiles des grosses Epeirides, qu’elles tissent
«leurs petits réseaux. Celles-ci ne paraissent nullement les inquiéter
«et vivent avec elles en parfaite intelligence. Leur nombre est
«souvent très multiplié sur une même toile d’Epeire. »
Dat de laatste, weinig of niet bekende omstandigheid aan ons
medelid is voorgekomen, gaf hem aanleiding tot de vermelde
«miraculeuse vangst» en Spreker tot de mededeeling daarvan,
onder ook hier herhaalde warme dankbetuiging, in welke, blijkens
hun applaus, door de aanwezige Leden werd gedeeld.
Den, na deze voordracht, door den heer Ritsema uitgesproken
twijfel, of de benaming van «parasita» hier wel naar de letter
juist is, daar de bedoelde spinnetjes niet op het lichaam der
Nephiliden leven, — beantwoordt Spreker als niet van goeden
grond ontbloot te zijn. Daar zij bovendien, op het groote web,
zelve afzonderlijke netjes spreiden, kan het ook zeer wel zijn,
dat zij daarin hunne eigene kleinere msectenprooi bemachtigen.
Het is hem overigens niet bekend, of men wel heeft waargenomen,
dat zij werkelijk ook van den «afval» hunner gastvrouwen profi-
teeren, zooals verondersteld wordt. Bij gebrek aan ander voedsel
komt hem dit trouwens niet zoo geheel onwaarschijnlijk voor. In
elk geval is deze Argyrodes, met het oog op haar vast verblijf in
eens andersmans woning, in zooverre wel als « parasitisch levende »
aan te merken.
De heer Snellen deelt mede, dat in zijn werk De Vlinders
van Nederland, Macrolepidoptera, blz. 495, onder den naam van
Hypenodes costaestrigalis Steph. eigenlijk eene andere soort, JM.
albistrigatis Haw. is beschreven. Evenzoo is de costaestrigalis der
Bouwstoffen, dl. III, blz. 57 niet deze, maar ook albistrigatis.
VERSLAG. XVII
Verschillende omstandigheden hebben tot deze dwaling aanleiding
gegeven. Vooreerst hebben zoo min Mr. H. W. de Graaf als de
Spreker ooit voldoend gave en goed behandelde exemplaren in
handen gehad; verder is het waar, wat Guenée reeds opmerkt
(Delt. et Pyr.): «les Hypénodes sont des espèces trés-délicates ,
qu'il est rare de rencontrer fraiches », terwijl buitendien deze kleine
Noctuinen weinig voorkomen. Hierbij kwam nog het door Guenée
reeds opgemerkte en later door Herrich-Schäffer (Corresp. Blatt des
zool. miner. Vereins in Regensburg, 24, 1870, p. 104) erkende
feit, dat de door laatstgenoemden in zijne Systematische Bearbeitung ,
dl. II, fig. 619 geleverde afbeelding van Cledeobia acuminalis (=
costaestrigalis Steph.) «aus beiden europäischen Arten des Genus
zusammengesetzt ist», een feit wel geschikt om verwarring te
veroorzaken; waarbij nog gevoegd moet worden, dat Guenée’s be-
schrijvingen ook niet door duidelijkheid uitmunten.
Wat tot de ontdekking der dwaling aanleiding gaf, is eene
waarneming van ons medelid, den heer J. W. Lodeesen, die in
1886 verscheidene gave exemplaren eener Hypenodes bij Oosterbeek
ving, maar hunne kenmerken niet in overeenstemming vond met
Spreker’s beschrijving en hem dit mededeelde. Toevallig ontving
Spreker tegelijkertijd van Dr. Staudinger een paartje van de tot
dusver niet als inlandsch bekende albistrigatis. Uit eene herhaalde
en zorgvuldige vergelijking der nu ten dienste staande goede exem-
plaren met de afbeeldingen en beschrijvingen bleek toen, dat de
vroeger als inlandsch beschreven costaestrigalis = albistrigatis Haw.
was en dat de door den heer Lodeesen te Oosterbeek gevangen
voorwerpen tot de echte costaestrigalis Steph. behooren.
Spreker is voornemens, dit onderwerp weldra uitvoeriger in het
Tijdschrift te behandelen, vooral omdat Prof. van Leeuwen zoo
goed was, van beide soorten zeer juiste afbeeldingen te vervaardigen ,
waardoor in eene behoefte wordt voorzien. Hij bepaalt er zich dus
heden bij, eenige welbehandelde exemplaren van beiden ter be-
zichtiging te stellen, deels uit zijne eigene verzameling, deels hem
welwillend verstrekt uit de collectie van den heer Lodeesen en
uit die van het Genootschap Natura Artis Magistra. Tevens ver-
>
VA
XVIII VERSEAG.
toont hij een voorwerp van HHypenodes albistrigatis uit eene streek ,
waar men die soort zeker niet zou verwachten, namelijk van Java,
uit de Preanger gebergten op eene hoogte van 1800 meter, waar
het met eenige andere, minder goed geconserveerde exemplaren
werd gevangen. Het is alweder aan Mr. Piepers, dat wij deze
interessante waarneming zijn verschuldigd.
Ook gaat ter bezichtiging rond een ontwijfelbaar exemplaar van
Hypena (Bomolocha) Fontis Thunb. (= crassalis Fabr.), mede van
Java, Preanger (1800 meter) door Mr. Piepers overgezonden. Van
deze soort was het evenmin bekend, dat zij op Java voorkomt.
De heer Ritsema stelt in de eerste plaats ter bezichtiging
monsters van eene soort van kurk-koek, uit fijne stukjes kurk
samengesteld, die zeer goed zou kunnen dienen tot bekleeding van
den bodem van insecten-laden. Daar tot het vervaardigen ervan de
afval in kurken-fabrieken kan worden gebezigd, zal de prijs billijker
zijn dan die van kurkplaten; volgens bekomen opgaaf zou deze zijn
fA.— per vierk. meter bij eene dikte van ongeveer 4 centimeter.
Verder laat de heer Ritsema exemplaren zien van eene kleine
Melolonthide (Apogonia gemellata Kirby), die volgens een bericht
van het proef-station te Passoeroean (Oost-Java) aan Dr. H. Bos,
daar ter plaatse schadelijk voor het suikerriet was.
Vervolgens deelt hij mede, dat een Italiaan, de heer Modigliani,
die geruimen tijd op het eiland Nias (ten westen van Sumatra)
heeft doorgebracht, met het doel om verzamelingen van allerlei
aard bijeen te brengen, een vernuftig middel heeft uitgedacht, om
een steeds om de toppen van hooge boomen vliegenden dagvlinder
binnen het bereik van het kapellennet te lokken. Het betreft Zpkias
Vossiù Maitl. De heer Modigliani had reeds geruimen tijd exem-
plaren van deze soort waargenomen, vliegende om de toppen van
bloeiende palmen, doch geen enkele daalde. Hij liet daarop een
bloeienden palmboom omhakken, en plaatste, dagen achtereen,
een inlander, met een kapellennet gewapend, erbij op wacht, doch
te vergeefs: de vlinders bezochten de bloemen van dezen boom
niet. Nu kwam hij op den inval, papieren vlinders te knippen
VERSLAG. XIX
en deze te kleuren als de bewuste soort, waarna hij ze binnen
het bereik van zijne netten tegen de boomen vastprikte, Dit hielp:
de vlinders lieten zich misleiden, kwamen op de papieren vlinders
af en werden gevangen. Het gelukte op deze wijze ongeveer zeven
stuks van deze in verzamelingen nog zoo zeldzame soort machtig
te worden. Het typische exemplaar, waarnaar de heer Maitland
de beschrijving der soort genomen heeft, gaat ter bezichtiging rond.
Ten slotte laat de heer Ritsema eene doos rondgaan met bok-
torren, behoorende tot de even fraaie als zeldzame geslachten Zonopterus
Hope, Pachyteria Serv. en Aphrodisium Thoms., voor het grootste
gedeelte toebehoorende aan ons buitenlandsch lid René Oberthür
te Rennes. Van eerstgenoemd geslacht zijn vier soorten beschreven,
welke allen, en wel in beide sexen, in de doos vertegenwoordigd
zijn. Van het genus Pachyteria bedraagt het aantal beschreven
soorten op dit oogenblik 27, waarvan er zich 20 in de doos be-
vinden; terwijl het genus Aphrodisium 6 soorten bevat, waarvan
er echter aan Spreker slechts 3 in natura bekend zijn *).
De heer Roelofs geeft een algemeen overzicht van de
Japansche Coleoptera-fauna, in zoover zij door hem werd onder-
zocht. Deze fauna is vooral meer bekend geworden door de ont-
dekkingen van G. Lewis meer bijzonder in het zuidelijk gedeelte van
het Japansche rijk. Spreker werd indertijd uitgenoodigd, de Cur-
culioniden en verwante familien uit de verzameling van Lewis te
bewerken, en de resultaten van dien arbeid hebben vervolgens
het licht gezien in de Annales der Belgische Entomologische Ver-
eeniging. Daar het nu door hem gegeven overzicht te uitvoerig is,
om hier ter plaatse zelfs beknoptelijk te worden weergegeven, zal
het later, in zijn geheel als een afzonderlijk opstel in het Tijdschrift
worden opgenomen. Als résumé der gemaakte opmerkingen zij
aangeteekend, dat de Curculioniden , Brenthiden, Anthribiden en
Bruchiden van Japan (het noordelijk gedeelte buiten beschouwing
gelaten) voor een deel tot Europeo-Aziatische genera behooren, en
1) Eene naamlijst van al de beschreven soorten dezer 3 geslachten, benevens
eene uitvoerige beschrijving van Aphrodisium De la Touchiù Fairm., worden als
bijlage achter dit Verslag gevonden.
XX VERSLAG,
zelfs sommige soorten identisch zijn met de Europeesche en Noord
Aziatische. Eene andere groep van geslachten is Indo-Aziatisch
en heeft sommige soorten met die van tropisch Azie gemeen,
Eene derde groep bevat geslachten, welke tot dusver alleen in
Japan zijn gevonden. De Brenthiden , zoo kenschetsend voor tropische
gewesten, zijn in Japan door verscheidene soorten vertegenwoordigd.
De algemeene indruk is, dat dit gedeelte van Japan een sterk
element bevat van tropische vormen, en dat de Brenthiden zich
daar verder naar het noorden hebben verbreid dan elders.
De heer de Vos tot Nederveen Cappel geeft eene nieuwe
vindplaats op voor Agrotis Lidia Cr.; hij ving namelijk dezen
zeldzamen vlinder, die tot dusver bij ons alleen bij Velp in Noord-
brabant was aangetroffen, op 14 Juli 1885 aan het eerste gesticht
te Veenhuizen. Voorts deelt hij mede, dat Plusia moneta F. in
de buurt van Apeldoorn veelvuldig voorkomt; -hij vermoedt, dat
de rups van laatstgemelde Noctuine niet uitsluitend op Aconitum ,
maar ook op andere planten moet leven, omdat de genoemde plant
in de omstreken van Apeldoorn zeer weinig wordt gekweekt.
De heer Fokker deelt, ten vervolge op hetgeen hij vroeger
omtrent Axthophora parietina F. vermeldde !), thans mede, dat
deze bij, die destijds zoo talrijk was, in 1886 bijna geheel ontbrak.
Zij maakt eene dikke en zeer harde cocon, zoo hard dat, als zij
droog is, men zelfs eenige krachtsinspanning moet aanwenden om
haar met een mes door te snijden. Indien dus gedurende de laatste
weken, die aan het uitkomen van het insect voorafgaan, veel
droogte heerscht, dan worden de cocons zoo hard, dat de bewoners
onmachtig zijn er doorheen te breken. Dit was het geval in 1886;
er waren toen nagenoeg geen bijen rondvliegende te vinden, maar
wel vele cocons, die opengesneden zijnde, eene volkomen ont-
wikkelde, gave, doch doode Anthophora bevatten. In 1887 vlogen
1) Zie Verslag der Wintervergadering van 13 Januari 1884 (Tijdschr. v. Entom.,
dl. XXVII, bl. Lxxxvil) en dat der Zomervergadering van 23 Augustus 1884
(Tijdschr. ve Entom. dl, XXVIII, blz. xu),
VERSLAG. XXI
er weder meer bijen en bleek hare vliegtijd tusschen 15 en 30
Juni te zijn. Dit jaar was er, wegens de koude en algemeene
achterlijkheid, op 20 Juni nog geen enkele te zien en bleken de
cocons toen nog geheel ongekleurde poppen te bevatten.
Vreemd is het, dat Starts muralis Först., die parasitisch in de
Anthophora-cocons leeft, ondanks geregeld en nauwkeurig onderzoek,
in de latere jaren niet meer te vinden was. Het is te hopen, dat
deze niet door eene gelijke catastrophe als hare gastvrouw geheel
zal zijn uitgeroeid.
De heer Everts brengt in de eerste plaats ter tafel een supple-
ment op de in het vorige jaar door hem uitgegeven Nieuwe Naam lijst
van Nederlandsche Schildvleugelige Insecten 1). Die naamlijst wees,
met de daarbij gevoegde addenda, een cijfer aan van 2785 inlandsche
soorten. Volgens het nu gegeven supplement komen er 77 bij,
terwijl er 18 uit de lijst moeten vervallen. Op dit oogenblik zijn
er dus 2844 Coleoptera-soorten als inlandsch bekend.
In de tweede plaats deelt de heer Everts mede, dat hij in den
laatsten tijd een niet onbelangrijk materiaal heeft bijeengebracht,
betreffende de in ons land voorkomende Myriapoden. In 1858 gaf
de heer Maitland in deel II der Bouwstoffen voor eene Fauna van
Nederland eene lijst van de destijds als inlandsch bekende soorten.
Voor zooveel Spreker bekend is, werd na dien tijd niets meer over
Nederlandsche Myriapoden in het licht gegeven, dan eene bijdrage
van Dr. J. J. le Roy over. Arthronomalus similis Newp. in deel III
van het Tijdschrift der Neder]. Dierkundige Vereeniging, als ook
eene mededeeling van Prof. Max Weber over de afscheiding van
cyanwaterstofzuur bij Paradesmus (Fontaria) gracilis G. Koch, in
het Avondblad voor Natuurwetenschappen, 1884, n°. 9. Spreker
heeft nu eene nieuwe naamlijst van de inlandsche Myriapoden
samengesteld ?). Het aantal der daarin vermelde soorten bedraagt
45, tegen 21 indertijd door den heer Maitland opgegeven; van
deze laatsten zijn hem 8 onbekend gebleven. De determinatien
1) Dit supplement, enz. is als bijlage achter dit verslag gedrukt.
2) Zie deze naamlijst als bijlage achter dit verslag.
XXII VERSLAG.
kunnen aanspraak maken op groote nauwkeurigheid, omdat zij te
danken zijn aan de welwillende medewerking van den verdienstelijken
Zweedschen Myriapoden-kenner, Dr. C. O. von Porat te Jönköping,
met wien Spreker voor eenige jaren het voorrecht had kennis te
maken. Bovendien was bij dezen arbeid het klassieke werk van
Dr. Robert Latzel, « Die Myriapoden der Oesterreichisch- Ungarischen
Monarchie», van zeer veel nut. Nadere onderzoekingen zullen onge-
twijfeld nog aanmerkelijk meer soorten als inlandsch leeren kennen.
Spreker beveelt daarom het verzamelen van Myriapoden bij zijne
medeleden aan; men heeft ze slechts in alcohol te werpen. Vooral
aan hen, die zich met kevers en spinnen bezig houden, zal het niet
moeielijk vallen, ook de hun voorkomende Myriapoden mede te nemen.
De heer van der Wulp stelt ter bezichtiging eene kleine,
maar fraaie Dexine, onlangs uit Java van den heer Piepers ont-
vangen, en die naar ’t schijnt, in het geslacht Zeptoda *) kan
worden opgenomen, waarvan tot dusver alleen Amerikaansche
soorten bekend waren. Van Dexia gracilis Wied., die als type
van dat genus te beschouwen is, verschilt de bedoelde Javaansche
soort (aan welke hij den naam van Zeptoda elegans wenscht te
geven), behalve door veel geringer grootte en een ander coloriet,
door de zacht afgeronde ombuiging der discoidaal-ader, die in 2.
gracilis een duidelijken hoek vormt.
Behalve Dexia gracilis, bracht Spreker (1. c.) ook Dexia diadema
Wied. tot het geslacht Leptoda. Laatstgemelde soort onderscheidt
zich echter door eene meer algemeene roodgele kleur en door een
veel korter gevederden sprietborstel; zij komt hierdoor zeer nabij
aan het geslacht J/yobia ‚ dat niettegenstaande zijn Dexinen-achtigen
habitus, tot dusver onder de Tachininen is gerekend, omdat de
daartoe behoorende Europeesche soorten een naakten of bijna naakten
sprietborstel hebben. Deze soort zou om die reden, voor ’t oogenblik
althans, beter in het geslacht Myobia kunnen worden opgenomen,
te meer omdat er nog andere exotische soorten van dat genus
1) Zie de diagnose van dit geslacht Zijdschr. v. Entom., XXVIII, blz. 196,
VERSLAG, XXIII
bestaan, bij welke de sprietborstel behaard of zelfs kort gevederd
is. Eene vergelijking van Dewia diadema met de Europeesche
Myobia manis Fall. en eene nog onbeschreven Amerikaansche Myobia
brengt dit helder aan het licht. Het blijkt daaruit opnieuw , hoe vaag
en onzeker de kenmerken zijn, waardoor de verschillende groepen
der Muscidae calypterae zich van elkander heeten te onderscheiden.
Tot het geslacht Myobia schijnt ook te behooren de Javaansche
Tachina mellea Wied. (Aussereur. Zweifl. II, p. 333), waarvan
een paartje evenzeer aan den heer Piepers is te danken. Zij wijkt
evenwel af door een meer ineengedrongen vorm en door de aan-
wezigheid van een’ randdoorn aan de vleugels.
De heer van der Wulp vestigt voorts nog de aandacht op een
paar zeer kleine vliegjes, mede van Java door den heer Piepers
overgezonden. Het eene behoort tot het geslacht Paralimna Löw
(uit de groep der Ephydrinen). Van dit genus, — dat onder
anderen is gekenmerkt door een gekamden, d. i. alleen van boven
gevederden sprietborstel en door het eindlid der sprieten, dat aan
den tip korte borstelhaartjes draagt, — zijn tot hiertoe slechts
eenige weinige soorten bekend, ten deele uit Noord-Amerika, ten
deele uit Zuid-Afrika. Het blijkt nu voor ’t eerst, dat het ook op
Java vertegenwoordigd is; Spreker zou daarom aan deze soort den
naam van P. javana wenschen te geven.
Het andere vliegje behoort tot de groep der Sapromyzinen en
moet daarin een nieuw genus vormen, dat, wegens de zeer dicht
nevens elkander loopende hulpader en subcostaal-ader, den naam
van Homoneura zou kunnen dragen, terwijl de soort, wegens hare
zwartbruine kleur, //. picea kan worden genoemd.
Van al de voormelde soorten gaan exemplaren, van de meesten
ook daarvan door Spreker vervaardigde, vergroote afbeeldingen ,
ter bezichtiging rond. Die afbeeldingen , voor zoover zij tot Javaansche
soorten betrekking hebben, hoopt hij later, met de noodige be-
schrijvingen, in het Tijdschrift het licht te doen zien.
De heer Brants brengt in herinnering, dat hij in de vorige
vergadering de welwillende medewerking inriep, ten einde nadere
XXIV VERSLAG.
gegevens te verkrijgen omtrent de wijze van overwinteren van
Plusia moneta F., wier levenswijze sedert eenige jaren door hem
wordt nagegaan. Ook zonder dat dit beroep op zijne medeleden
vrucht heeft opgeleverd, is het hem in Juli 1887 gelukt, de ge-
noemde vlindersoort in gevangen staat tot paring te brengen en
eenige bevruchte eieren te zien afzetten op de stengels en bloem-
knoppen der voedsterplant, de blauwe Monnikskap (Acronitum
napellus). De jonge rupsjes verschenen nog in dezelfde maand en
vingen dadelijk hunne verborgen leefwijze in het inwendige der
bloemknoppen aan. Wel mocht het niet gelukken de diertjes ge-
durende den volgenden winter in ’t leven te houden, maar het
is nu toch afdoende gebleken, dat de zeer kleine rups reeds in
Augustus, met de afvallende knoppen, de bloemtrossen verlaat,
ten einde voor den winter eene geschikte schuilplaats te zoeken
onder aan de verdorde stengels der voedingsplant of wellicht aan
de alsdan reeds ontkiemende loten voor het volgende jaar. Het
kan dus als uitgemaakt worden geacht, dat Plusia moneta in den
staat van rups, en niet als ei of als vlinder overwintert. Toch
blijft hier nog veel stof over tot nader onderzoek.
Aan het vorenstaande knoopt de heer Brants eene opwekking
tot het kweeken van vlinders uit het ei; vooral daardoor zal
men dikwijls verrassende bijzonderheden omtrent de biologie dezer
insecten leeren kennen.
Spreker heeft het voorrecht, met ons zaakkundig medelid Snellen ,
de uitgave te leiden van het eenmaal zoo beroemde werk van Sepp,
dat uitsluitend aan deze biologie gewijd en, naar hij meent, eenig
in zijne soort is. Bij de geringe belangstelling, die dit werk tegen-
woordig, helaas! ondervindt, is de taak der Redactie niet ge-
makkelijk, want zij heeft voortdurend te streven naar behoud van
het evenwicht tusschen de zeer beperkte opbrengsten van het werk
en de belangrijke kosten, welke onvermijdelijk zijn, zal men de
daarbij behoorende platen doen beantwoorden aan de eischen van
een degelijk en voor den tegenwoordigen stand der wetenschap in
allen deele voldoend prachtwerk. Dankbaar moet worden erkend,
dat ’s Lands Regeering in den aanvang van dit jaar, — na door
VERSLAG. . XXV
de Redactie volledig te zijn ingelicht omtrent den stand der onder-
neming, — het nut en de deugdelijkheid van het werk heeft in-
gezien en hare geldelijke ondersteuning, die sedert tal van jaren
genoten wordt, aanmerkelijk heeft uitgebreid. Hierdoor is het
thans mogelijk geworden, Sepp’s werk geregeld voort te zetten
op eene wijze, die aan alle billijke eischen zal voldoen en in gehalte
verre zal staan staan boven den oppervlakkigen arbeid, waarmede
de inteekenaren zich jaren achtereen hebben moeten tevreden stellen.
Zal intusschen die mogelijkheid tot werkelijkheid worden,
althans op den duur blijven, dan behoeft de Redactie den steun
der Nederlandsche Lepidopterologen. Spreker eindigt dan ook, met
zijne medeleden, en in het bijzonder de jongeren onder hen, aan
te sporen om zich vooral aan de biologie der vlinders te wijden
en zich te oefenen in het afbeelden der verschillende levenstoestanden
dezer insecten-orde, opdat zij als degelijke medewerkers van Sepp’s
werk kunnen optreden.
De wetenschappelijke mededeelingen zijn hiermede geëindigd,
doch alvorens de vergadering afloopt, vraagt de heer Snellen nog
even het woord, om hulde te brengen aan den Voorzitter Dr. H.
J. Veth, voor de uitnemende wijze waarop hij de bijeenkomst
heeft geleid , eene hulde waarin al de aanwezigen luide instemmen.
De Voorzitter zegt den heer Snellen dank voor de welwillende
woorden jegens hem geuit, en sluit daarop de vergadering.
Den volgenden dag namen nagenoeg al de ter vergadering op-
gekomen Leden deel aan eene excursie in het nabij gelegen Hoog
Soeren en het Soerensche bosch (een jongere broeder van den heer
Fokker en het oudste zoontje van den heer de Vos waren mede
van de partij). Begunstigd door bij uitstek fraai zomerweder, —
wat te meer te waardeeren was, omdat de zomer 1888 zich
door hoogst ongestadig weder kenmerkte, — liet deze tocht aan
allen, die haar medemaakten, de aangenaamste herinneringen achter.
Van de vangsten worden de merkwaardigsten hieronder vermeld:
XXVI VERSLAG.
COLEOPTERA,
Amara praetermissa Sahlb.
» equestris Dfts.
Quedius lateralis Grav.
Baptolinus affinis Payk.
Liodes humeralis Kug. var. globosa Payk.
Scaphidium quadrimaculatum O1.
Cryptarcha imperialis F.
Cryptophagus villosus Heer.
Cyrtotriplax bipustulata F.
Alexia pilifera Müll. Faun. nov. sp.
Platycerus caraboides L. in aantal.
Odontaeus armiger Scop.
Xyletinus laticollis Dfts.
Sphindus dubius Gylh.
Aspidiphorus orbiculatus Gylh.
Cistela ceramboides L.
Abdera triguttata Gylh.
Salpingus aeneus Steph.
Strophosomus curvipes Thoms.
Ceutorrhynchus pumilio Gylh. var. posthumus Germ.
Lehynchites sericeus Hrbst.
Stenocorus sycophanta Schrk. (mordax F als
» mordaz de G. (inquisitor F.).
Asemum striatum L.
Clytus arcuatus L. in groot aantal.
Plateumaris consimilis Schr. in groot aantal.
Lochmaea suturalis Thoms. in groot aantal.
HEMIPTERA.
Monanthia costata Fieb. (Laag Soeren).
Gerris gibbifera Schumm. d en 3.
Prezostethus cursitans Fall.
Microphysa pselaphiformis Curt., op beukenstammen.
Orthocephalus parallellus M.D. (Laag Soeren).
VERSLAG. XXVII
HYMENOPTERA.
Tenthredo cingulata F.
Mutilla europaea F.
Pterochilus phaleratus Panz.
Prosopis confusa Nyl. var. genalis Thoms.
Halictus zonulus Smith.
Andrena parvula Kirby.
Panurgus ater Panz.
Nomada sexfasciata Panz.
» ochrostoma Kirby.
» similis Mor.
LEPIDOPTERA.
Coenonympha Arcanius L. — Van deze zeldzame Satyride, tot
dusver uitsluitend bij Nijmegen en Harderwijk aange-
troffen, werden 8 mannelijke exemplaren gevangen door
de heeren de Vos en Brants.
Mamestra leucophaea W.V., een broedsel bevruchte eieren door
den heer de Vos gevonden.
Hesperia lineola Ochs. en Thaumas Hin. Enkele rupsen werden
door den heer Brants medegenomen; ofschoon zij niet
zeldzaam zijn, maakt hare verborgen leefwijze deze vondst
toch meldenswaardig.
DIPTERA.
Tabanus tropicus L., de var. geheel zonder roode teekening aan
het achterlijf.
Exoprosopa capucina F. — Deze anders vrij zeldzame soort kwam
te Hoog Soeren op 24 Juni veelvuldig voor.
Laphria gilva L. 2. Een prachtig exemplaar werd door den heer
Ritsema gevangen.
XXVIII VERSLAG,
ARANEAE.
Hieromtrent berichtte de heer van Hasselt het volgende:
« Ofschoon schier alle Leden en ook onze gast, de heer Fokker jr.,
zeer welwillend medewerkten tot mijne vangst, — waarin ik
daarenboven den ganschen dag met de meeste vlijt en handigheid
door het zoontje van ons nieuwe Lid, den heer de Vos, werd
bijgestaan, — heb ik geene enkele voor onze Fauna nog onbe-
kende soort kunnen bemachtigen. Daarentegen mocht ik mij, —
vooral door de onvermoeidheid van mijn jeugdigen adsistent, —
verheugen in het bekomen van een buitengewoon groot aantal
diverse frissche exemplaren, waarvan velen tot verbetering mijner
collectie konden dienen. Als bij ons meer of minder zeldzaam
zijn daaronder te tellen:
Tetragnatha dearmata Thor. 9 (zeer fraai individu).
Epeira dromedaria Walck. 9 (2 ongewoon groote exemplaren).
Anyphaena accentuata Walck. 3 (eene mij vreemde varieteit).
Coelotes atropos Walck. g (niet minder dan 5 specimina).
« Van deze laatsten heb ik er een ter observatie in een suikerglas
levend gehouden. Zij heeft bereids cocon gemaakt, en daar zij
zich geregeld met de haar toegeworpen vliegen blijft voeden, hoop
ik in staat te worden gesteld, de opmerkelijke waarneming van
den heer Heylaerts omtrent het maken van een afzonderlijk buis-
vormig web voor hare pulli, waarnevens zij in hare eigen buis
verblijf hondt, zelf bevestigd te mogen zien 1). »
1) Zie mijn’ Catalogus Aranearum h. u. in Hollandiâ inventarum (Tijdschr. v.
Entom., XXIX, p. 145, Sep., p. 33). De cocon, vervaardigd 25 Juni, is 27
Juli uitgekomen. In de eerste dagen zaten inderdaad de pulli in de eene, de
moederspin in de andere spinselbuis, die ieder eene in- en uitgangsopening ver-
toonen. Sedert verspreiden eenige jongen zich ook wel buiten hunne „ kinderkamer’ .
CHRONOLOGISCHE NAAMLIJST
DER BESCHREVEN SOORTEN
VAN DE
CERAMBYCIDEN-GENERA
ZONOPTERUS Hope, PACHYTERIA serv !)
EN
APHRODISIUM THoms.,
SAMENGESTELD DOOR
°C. RITSEMA Cz.
Zonopterus
Hope. Trans. Linn. Soc. Lond. XIX. 1843. p. 110.
flavitarsis Hope. Trans. Linn. Soc. Lond. XIX. 1843. Silhet.
PELI LION.
grandis Thoms. Rev. et Mag. de Zool. (3). VI. 1878. Malakka.
p. SI.
suspectus Rits. Not. Leyd. Mus. VII. 1885. p. 125. Java.
LA AT: 3
consanguineus Rits. /. c. XI. 1889. p. 1. Himalaya.
4
1) In dit genus neem ik niet op:
Purpuricenus rubripennis Hope, Trans. Linn. Soc. Lond, XIX. 2. 1843.
p. 110. £. 10. f. 6, van Silhet, en
Pachyteria zonopteroides Fleutiaux, Ann. Soc. Ent. Fr. 1887. p. 66. £. 4.
f. 6, van Annam.
De eerste ken ik slechts uit de beschrijving en afbeelding, die echter niet aan
eene Pachyteria doen denken (de type berust bij den heer A. Fry te Londen),
de tweede is = Aphrodisium Griffithii Hope (zie dit genus).
Callichroma? Davidis H. Deyr. van China (Ann. Soc. Ent. Fr. 1878. p. 132;
pl. 3, f. 8) is later (Rev. d’Ent. 1888. p. 139) door Fairmaire ten onrechte tot
het geslacht Pachyteria gebracht. Volgens Gahan (Ann. and Mag. Nat. Hist. (6). II.
1888. p. 60) is het zelfs geene zelfstandige soort, maar slechts eene varieteit van
Callichroma? bimaculatum White (Cat. Col. Ins. Brit, Mus, VII. 1853. p. 165).
XXX CERAMBYCIDEN-GENERA ZONOPTERUS,
Pachyteria
Serville. Ann. Soc. Ent. Fr. 1833. p. 553.
Niraeus Newman. Mag. of Nat. Hist. IV. 1840. p. 194.
Euchroa Guérin. Delessert, Voyage dans l’Inde. 1843. p. 57.
fasciata Fabr. Syst. Ent. 1775. p. 168. n°. 17 Tranquebar.
(Cerambye). — Oliv. Entom. IV. n°. 67. p. 19.
t. 1. f. 4.a.b (Cerambyx). — Casteln. Hist.
nat. Ins. Col. II. p. 420.
populnea Schröter. Abhandl. 1. 1776. p. 349. t. 3. n
f. 1 (Cerambya) 1).
tricolor Newm. Mag. of Nat. Hist. IV. 1840. p.194 Tenasserim.
(Niraeus).
dimidiata Guêr. Delessert, Voy. dans l'Inde. II. Penang.
1843. p. 57. t. 14. f. 1 (Euchroa).
equestris Newm. Entomologist. 1841. p. 79 (Ni- Incert. sedis.
raeus). — Pascoe. Proc. Zool. Soc. Lond. 1866. Penang.
p. 518.
dimidiata W est w. Cab. Or. Ent. 1848. p. 60. t. 29. f.8. Assam.
bicolor Parry. Trans. Ent. Soc. Lond. V. 1849. p. 182. Java.
t. 18. f.5.— Fry. Not. Leyd. Mus. X. 1888. p. 180.
voluptuosa Thoms. Syst. Ceramb. 1865. p. 568. Cambodja.
speciosa Pascoe. Proc. Zool. Soc. Lond. 1866. p. 519. Penang.
i 43. 5:
Lambii Pascoe. I. c. p. 519. t. 43. f. 6. a
virescens Pascoe. |. c. p. 519. t. 43. f. 2. 5
spinicollis Pascoe. l.c. p. 519. i. 43. f. 4. >
insignita Pascoe. |. c. p. 520. 5
strumosa Pascoe. |. c. p. 520. t. 43. f. 3. di
ochracea Waterh. Ann. and Mag. Nat. Hist. (5). II. Borneo.
1878. p. 136.
basalis Waterh. I. e. p. 137. x
polychroma Harold. Col. Hefte. XVI. 1879. 4
p. 228.
1) Ik heb dit werk niet kunnen raadplegen en haal dit citaat bij deze soort
slechts aan op gezag van den Catalogus Coleopterorum van Gemminger en von
Harold,
PACHYTERIA EN APHRODISIUM.
vufteollis Waterh. Ann. and Mag. Nat. Hist. (5), II.
1878. p. 137.
eollaris Harold. Col. Hefte. XVI. 1879. p. 228.
javana Bates. Cist. Ent. II. 1879. p. 396.
puncticollis Rits. Not. Leyd. Mus. III. 1881. p. 33.
rugosieollis Rits. /. c. p. 31.
affinis Rits. /. c. p. 35; X. 1888. p. 191.
parallela Rits. J. c. p. 36.
Scheepmakeri Rits. I. c. p. 38.
Hügeli Distant. Ann. and Mag. Nat. Hist. (5). VII.
1881. p. 298. — Waterh. Aid Identif. Ins. I. t. 36.
superba Gestro. Ann. Mus. Civ. Genova. (2). VI. 1888.
p. 128.
Borrei Rits. Not. Leyd. Mus. X. 1888. p. 178.
Pryeri Rits. /. c. p. 183.
Hageni Rits. l. c. p. 185.
Evertsi Rits. /. c. p. 187.
Oberthüri Rits. /. c. p. 190.
27
Aphrodisium
XXXI
Birmanie.
Java.
Borneo.
Sumatra.
”?
”
Thomson. Syst. Ceramb. 1866. p. 173.
Cantori Hope. Trans. Linn. Soc. Lond. XVIII. 1840.
p. 440. 1.30. f.3 (Callichroma). — Thoms.
Syst. Ceramb. 1866. p. 173.
Griffithii Hope. l.c. p. 440. t. 30. f. 2(Callichroma).
zonopteroides Fleut. Ann. Soc. Ent. Fr. 1887.
p. 66. t. 4. f. 6 (Pachyteria).
neoxenum White. Cat. Col. Ins. Brit. Mus. VII. 1853.
p. 154 (Callichroma) *).
Hardwickianum White. Lc. p.162 (Callichroma).
De la Touchii Fairm. Ann. Soc. Ent. Fr. 1886. Bull.
Ent. p. 162 ?). — Zie ook de volgende bladzijde.
Albardae Rits. Not. Leyd. Mus. X. 1888. p. 193.
6
1) Cf. H. W. Bates, in Cistula Entomologica. II. p. 419.
Assam.
n
Annam.
Incert. sedis.
Nepal.
China.
Java.
2) Deze soort schijnt verwant te zijn aan Callichroma Faldermanni Saund. van
Noord China (Trans. Ent. Soc. Lond. (2). II. 1853. p. 111. £. 4. f. 7).
XXXII GENERA ZONOPTERUS, PACHYTERIA EN APHRODISIUM.
Description détaillée de l’Aphrodisium De la Touchü, Fairm. '),
par L. Fairmaire.
Long. 40 mill. — Elongatum, postice gradatim leviter attenuatum,
aeneo-viride, metallicum, prothorace miniato, basi cyaneo, parte antica
depressa aeneo-viridi, elytris pubescentibus, vitta suturali postice
attenuata rufescente, extus obscurata et parum limitata, subtus dilutius ,
pube fulva sericans, abdomine rufo, densius fulvo-sericante, pedibus
cyaneis, tarsis sat pallide flavo-fulvis ; capite inter antennas sulcatulo,
antice rufopubescente, epistomate nudo, cupreo micante, mandibulis
extus striatis, palpis fulvis; antennis elytris vix brevioribus, fusco-
caeruleis, opacis, articulis primis nudis et nitidis; prothorace trans-
verso, lateribus late et fortiter angulato, antice rotundatim tuberoso ,
basi constricto, dorso transversim biseriatim tuberculato, antice sat
fortiter et sat late depresso; scutello triangulari, acuto, laevi, medio
valde sulcato; elytris prothorace latioribus, elongatis, a basi postice
paulatim attenuatis, apice rotundatis, dorso alutaceis, ad suturam
coriaceis, parte obscura densius pubescente, velutina, utrinque lineis
2 discoidalibus et altera submarginali vix elevatis; femoribus 4 anticis
paulo clavatis, posticis elongatis, elytrorum apicem haud attingentibus.
Hab. Tokien (Chine).
Ce bel. insecte me parait bien rentrer dans le genre Aphrodisium
par ses antennes un peu moins longues que le corps, à ler article
épineux à son extrémité interne, le bourrelet intra-antennaire saillant
et le corselet fortement angulé sur les côtés; mais ici cet angle n’est
pas épineux, le corps est plus allongé, pubescent, au moins sur les
élytres et en dessous, et le dessus du corselet porte des tubercules
assez forts, disposés sur deux rangs, 3 en arrière, 2 en avant,
ceux-ci transversaux et flanqués en dehors d’un autre plus petit. La
coloration et la sculpture du corselet rappellent celles de quelques
Aromia.
1) Ann. Soc. Ent. Fr. 1886. Bull. Ent. p. 162.
SUPPLEMENT
OP DE
NIEUWE NAAMLIJST
VAN
NEDERLANDSCHE SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN,
OPGEMAAKT DOOR
Jhr. Dr. ED. EVERTS.
I. ADDENDA.
(SOORTEN EN VARIETEITEN, NIEUW VOOR DE NEDERLANDSCHE FAUNA).
Cicindela campestris L., de bruine varieteit. — Exaeten 5 (Wasmann)
en Apeldoorn 4 (de Vos tot Nederveen Cappel).
Bembidium octomaculatum Goeze (Sturmi Panz.) — Roosteren 5
(Verheggen).
Blemus areolatus Creutz. — Roosteren, langs de Maas, 4 (Verheggen).
Amara strenua Zimm. Loosduinen 5 (Veth).
» montivaga St. — Exaeten 4 (Wasmann); Roosteren 4
(Verheggen); Valkenberg 6 (Leesberg).
Molops piceus Panz. (terricola F.). — Wijnandsrade (Wasmann) ;
Roosteren (Verheggen).
Lebia erux-minor L. — Roosteren 7 (Verheggen).
Harpalus laevicollis Dfts. — Oldenzaal 7 (v. Doesburgh). — De
var. nitens Heer, Wijnandsrade (Wasmann).
Bradycellus Deutschi Sahlb. (cognatus Gylh.). — Exaeten 2 (Was-
mann).
3
XXXIV SUPPLEMENT OP DE NIEUWE NAAMLIJST VAN
Dyticus eireumeinetus Ahr., var. 2 dubius Gylh. — Winterswijk
(v. d. Poll). |
Graphoderes zonatus Hoppe, var. interjectus Westh. — Exaeten 4
(Wasmann); Weesp 4 (Jaspers).
Hydrobius fuscipes L., var. Lottenbergi Gerh. — Blijenbeek 3
(Wasmann).
Hydraena pulchella Germ. — Valkenberg 7 (Veth).
Euryusa laticollis Heer. — Valkenberg 7 (Veth).
Thiasophila inquilina Märk. — Bij Lasius fuliginosus, Exaeten 4,5
(Wasmann); Doorn 7 (van de Poll).
Notothecta confusa Märk. — Terzelfde plaatse.
Aleochara cuniculorum Kr. — Loosduinen 4 (Everts).
Atemeles pubicollis Bris. (inflatus Kraatz). — Doorn 7, bij Formica
rufa (van de Poll).
» paradoxus Grav., de varieteiten Zaticollis Wasm. , obsoleti-
collis Wasm. en rhombicollis Wasm. — Exaeten, bij
Myrmica scabrinodis en ruginodis (Wasmann).
» emarginatus Grav., de varieteiten angulicollis Wasm.,
recticollis Wasm., foveicollis Wasm. en nigricollis Kr. —
Exaeten, bij Myrmica scabrinodis en ruginodis (Wasmann).
_Calodera nigrita Mannh. — Exaeten 4, langs de Maas (Wasmann).
» riparia Er. — Exaeten 1, onder mos (Wasmann).
Homalota oblongiuscula Sharp. — Den Haag 3, 4 (Everts).
» pagana Er. — Oldenzaal 7 (v. Doesburgh).
» pilicornis Ths. — Leiden (Huet).
Placusa pumilio Grav. — Arnhem 6 (Veth).
Oxypoda sericea Heer. — Arnhem 6 (Veth).
» praecellens Eppelsh. — Cuyk (ter Haar).
Tachinus scapularis Steph. — Oldenzaal 7 (v. Doesburgh).
Tachyporus ruficollis Grav. — Zutphen (Seipgens).
Conurus bipunctatus Grav. — Berkel 7 (Veth).
Velleius dilatatus F. — Eenmaal op het landgoed Oranje-Nassau
bij Wageningen (J. Roelants); Exaeten 5 (Wasmann).
Quedius ochripennis Ménétr., var. concolor Eppelsh. — Blijenbeek
(Wasmann).
NEDERLANDSCHE SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. XXXV
Staphylinus fuscatus Grav. — Op veldwegen , Exaeten 4 (Wasmann) ;
Brummen 5 (van Essen).
Philonthus astutus Er. — Arnhem 5 (Veth); Valkenberg 7 (Leesberg).
Medon dilutus Er. — Exaeten 6 (Wasmann).
» piceus Kr. — Exaeten 1, 3 en Blijenbeek 8 (Wasmann).
» brunneus Er. — Heerlen 7 (Everts).
Scopaeus gracilis Sperk. — Bij Thorn, langs de Maas, 5
(Wasmann).
Sunius immaculatus Steph: (intermedius Er). — Zierikzee 7 (Fokker) ;
Aalbeek 7 (Wasmann).
Evaesthetus laeviuseulus Mannh. — Exaeten 3 (Wasmann).
Homalium gracilicorne Fairm, — Arnhem 4 (Veth); Loosduinen 6
(Everts).
Anthobium limbatum Er. — Wijnandsrade 5 (Wasmann).
Batrisus formicarius Aubé. — Aalbeek 7, bij Lasius brunneus
(Wasmann).
» venustus Reichb. — Oldenzaal (v. Doesburgh).
Bryaxis impressa Panz. — Exaeten 4 (Wasmann).
Bythinus puncticollis Denny. — Den Haag 4, langs eene sloot uit
dorre bladeren gezeefd (Everts).
Euplectus Aubeanus Reitt. — Valkenberg 7 (Veth).
Neuraphes elongatulus Mill. — Terzelfde plaatse.
Colon calearatum Er. — Valkenberg 7, in gras (Everts).
Hydnobius strigosus Schmdt. — Wylré7, van gras gesleept (Everts).
Anisotoma badia St. — Valkenberg 7, in gras (Everts).
Liodes humeralis Kug. , var. globosa Payk. — Apeldoorn 6 (Leesberg).
Platysoma angustatum Hoffm. — Aalten 9 (v. d. Poll).
Hister bimaculatus L., var. morio Schmidt. — Oldenzaal 7
(v. Doesburgh).
Meligethes (Odontogethes Reitt.) hebes L. — Den Haag 9 (Roelofs).
» Brassicae Scop., var. coeruleus Marsh. — Valkenberg 7
(Everts).
Cychramus fungicola Heer. — Bunde 5, op Sorbus aucuparia
(Maurissen); Valkenberg 6 (Leesberg).
» luteus F. — Bunde 6 (Leesberg); Warnsveld 7 (Groll).
XXXVI SUPPLEMENT OP DE NIEUWE NAAMLIJST VAN
Cerylon ferrugineum Steph. — Arnhem 7 (Veth).
Silvanus bidentatus F. — Rotterdam, op wijnvaten (Snellen); den
Haag (Everts).
Coninomus constrictus Hummel.
Maastricht en Valkenberg 7 (Everts);
Doorn 7 (van de Poll).
Cartodere elongata Curtis. — Leiden (Huet).
Corticaria bella Redt. — Valkenberg 7 (Everts).
» ‚Fenestralis L. — Haren (Groningen) 7 (Swierstra).
Coenoscelis ferruginea Sahlb. — Valkenberg 7 (Everts).
Alexia pilifera Müll. — Apeldoorn 6, van Zrica gesleept (Everts).
Scymnus arcuatus Rossi. — Maastricht 6 (Maurissen).
Syncalypta spinosa Rossi. — Valkenberg 7 (Veth).
Aphodius pictus St. — Exaeten 9 (Wasmann) ; Heerenveen (Jaspers).
» depressus Kug. met de var. atramentarius Er. — In groot
aantal bij Lienden 7 (Veth).
Psammodius vulneratus St. — Valkenberg 6 (Leesberg).
Hoplia farinosa L. (squamosa F.). — Door den heer van Lansberge
een 30-tal wijfjes bij Bruromen gevangen (doch geen
enkel d), langs eene weide in grooten getale ’s morgens
vliegende over Spiraea (1882).
Wlater praeustus F. — Rotterdam (Veth); Kralingen 6 (Dixon).
Cryptohypnus minutissimus Germ. — Valkenberg 7 (Veth).
Corymbites cinctus Payk. — Brummen (v. Essen).
Gastrallus laevigatus Ol. — Valkenberg 7, uit Crataegus geklopt
(Everts).
Sphindus dubius Gylh. — Arnhem 5—7 (Veth); Apeldoorn 6, in
groot aantal uit een boomzwam (Leesberg, Veth,
Ritsema, Fokker en Everts).
Cis bidentatus Ol. — Heerlen 7 (Everts).
» festivus Panz. — In boomzwammen, Loosduinen 4, 6
(Leesberg en Veth); Lienden 8 (Veth).
Alphitophagus quadripustulatus Steph. — Kralingen, in meel
(Dixon).
Strophosomus rufipes Steph. (capitatus Bedel, non de Geer). —
Gemeen,
NEDERLANDSCHE SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN. XXXVII
Polydrosus chrysomela Ol. (salicicola Fairm.). — Op Chenopodium
Lo langs de zee. Bergen-op-Zoom 5, 6 (Piaget en Ritsema).
Rhinoeyilus conieus Fröl. (antiodontalgicus Gerbi., latirostris Latr.,
Olivieri Gylh.). — St. Pieter 5, 6, 7 (Maurissen en
Everts).
Plinthus caliginosus F. — St. Pieter 6 (Maurissen); Gronsveld 7,
aan een gevelden boom (Leesberg, Veth en Everts).
Hydronomus (Bagous) elandieans Boh. (longitarsis Ths., frit H.
Bris). — Utrecht 6 (Groll); Rotterdam (v. d. Hoop).
» glabrirostris Hrbst. '). — Gorinchem 7 (Everts).
Dorytomus hirtipennis Bedel (taeniatus Gyllh. , flavipes Boh. , suratus
Seidl). — Verbreid over het geheele land.
Acalles echinatus Germ. (turbatus Boh.). — Arnhem 5 en Gronsveld
7 (Veth).
Gymnetron pascuorum Gylh. — Zierikzee 7 (Fokker).
Ceutorrhynchus (subgen. Stenocarus) Cardui Hrbst. — Eijsden 7
(Leesberg, Veth en Everts) ; Maastricht 4, 7 (Maurissen
en Everts).
» (subgen. Ceutorrhynchidius) pumilio Gylh., var. posthumus
Germ. — Woudrichem 4, Apeldoorn 6 en Valkenberg
7 (Everts).
» Urticae Boh. — Bergen-op-Zoom 6 (Leesberg).
Amalus (subgen. Rhinoncus) albicinctus Gylh. — Arnhem 5 (Veth).
Apion difficile Hrbst. — Op Genista-soorten. Katwijk (Groll).
Attelabus cureulionoides 1, var. atricornis Muls. (marginatus
Wasm.). — Blijenbeek 5 (Wasmann) ; Bunde en Heerlen
7 (Everts).
Crypturgus pusillus Gylh. — Achter dennenschors. Amersfoort 4
(v. d. Hoop); Arnhem 4 (Veth en v. d. Hoop); Apeldoorn
6 (Fokker en Groll).
Clytus arcuatus L., var. Colbeaui Mors. — Goor 6 (Oudemans).
Bxocentrus adspersus Muls. — Valkenberg 7 (Leesberg).
Plateumaris sericea L., var. tenebricosa Westh. — Exaeten (Was-
mann); var. micans Panz. verbreid.
1) UH. nigritarsis Ths. is daarvan eene varieteit.
XXXVIII SUPPLEMENT OP DE NIEUWE NAAMLIJST VAN
Mee DELENDE- À):
33. Dyticus cireumflexus F., var. 9 dubius Serv., moet zijn:
* var. 9 perplexus Lac.
113. Monotoma punctaticollis Aubé vervalt, moet zijn: * M. brevi-
collis Aubé.
114. Curtodere elegans Aubé vervalt, moet zijn: * C. Beloni Reitt.
152. Blaps mortisaga L. vervalt; de herkomst der voorwerpen is
te twijfelachtig.
156. Abdera quadrifasciata Curt. vervalt, moet zijn: * A. triguttata
Gylh.
157. Anthicus luteicornis Schmidt vervalt, moet zijn: A. flavipes Pan.
163. Trachyploeus laticollis Schönh. en Tr. digitalis Gylh. ver-
vallen, moeten zijn: Pr. scabrieulus L.
164. Liophloeus Herbsti Gylh. vervalt, moet zijn: * Z. pulverulentus
Gylh. |
165. Polydrosus picus F. vervalt; de herkomst is te twijfelachtig.
» Phyllobius Artemisiae Desbr. vervalt, moet zijn: PA. Piri L.
168. Hypera alternans Steph. en H. Juliniv Sahlb. vormen ééne
soort.
170. Larinus planus F. vervalt, moet zijn: * LZ. Carlinae Ol.
(planus Germ.).
172. Dorytomus longimanus Först. en D. macropus Redt. vormen
ééne soort.
173. » affinis Payk. vervalt, moet zijn: D. Dejeani Faust.
» » occalescens Gylh. vervalt, moet zijn: * D. sali-
cinus Gylh.
» » majalis Payk. vervalt, moet zijn: D. flavipes Panz.
176. Pissodes validirostris Gylh. vervalt; is slechts eene onbe-
duidende varieteit van P. zotatus F.
178. Tychius lineatulus Germ. vervalt, moet zijn: * 7. haematopus
Gylh. (junceus Boh.).
1) De met een * aangeduide verbeterde soortnamen waren nog niet als inlandsch
bekend.
180.
»
182.
185.
186.
187.
»
189.
195.
»
196.
NEDERLANDSCHE SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN, XXXIX
Ceutorrhynchus nigrinus Mrsh. vervalt, moet zijn: €. flo-
ralis Payk.
» Achilleae Gylh. vervalt, moet zijn: C. pulvinatus Gylh.
» molitor Gylh. vervalt, moet zijn: C. rugulosus Hrbst.
Amalus velaris Gylh. vervalt, moet zijn: A. Comari Hrbst.
Apion basicorne Il. vervalt, moet zijn A. eyareum de G.
» Roelofsi Ev. is synoniem met A. confluens Kirby.
» confluens Kirby, var. stolidum Germ. is eene goede
soort.
» columbinum Germ. vervalt, moet zijn: * A. Spencei
Kirby.
Glyptoderes granulatus Ratz. vervalt, moet zijn: @/. aspera-
tus Gylh.
Tomicus amitinus Fichh. vervalt, moet zijn: * 7. acuminatus
Gylh.
Xyleborus eryptographus Ratz. vervalt, moet zijn: * Aylocleptes
bispinus Dfts.
DE GORRLGEN DA:
Achter Leistus ferrugineus L. te voegen: (spintlabris Panz.).
Pterostichus aterrimus Hrbst., moet zijn: Pt. aterrimus Payk.
Agonum versutum Gylh., moet zijn: A. versutum St.
Thiasophila angulata Er. De opgave bij Formica cunicularia
is onjuist.
(noot 3). Quedius auricornis, moet zijn: @. auricomus.
Philonthus intermedius L., moet zijn: PA. intermedius Lac.
Maesthetus ruficollis, moet zijn: £. ruficapillus.
(noot 4). Bythinus Curtisi Leach, moet zijn: B. Curtisi Denny.
Silvanus unidentatus Ol. De opgave Rotterdam en den Haag
moet vervallen.
Achter Aphodius nitidulus moet gevoegd worden: F.
Vóór Euenemis moet staan 2 in plaats van 3.
Bij Cleroides formicarius staat: vooral op Sco/ytia, moet zijn
Scoly tus.
NEDERLANDSCHE SCHILDVLEUGELIGE INSECTEN.
Lyetoaylon, moet zijn: Lyctophols.
Bij Anaspis maculata Fourer. staat: (obsura, enz), moet zijn:
(obscura, enz.).
Sitones Waterhouser Waltl. , moet zijn: S. Waterhouse, Walton.
Hypera trilineata Payk., moet zijn: H. trilineata Mrsh.
Lepyrus colon F., moet zijn: L. colon L.
Lepyrus binotatus F., moet zijn: Z. binotatus Payk.
Tanysphyrus Germ., moet zijn: Tanysphyrus Schönh.
Het achter Meemus collaris Germ. medegedeelde moet ver-
vangen worden door:
Op Plantago major en maritima. — Amsterdam 4
(Kinker).
(Door onachtzaamheid werd hier hetzelfde gezet wat
tot Mecinus janthinus behoort).
Bij Gymnetron stimulosum Germ. moet staan: op Plantago,
in plaats van: op kamille.
Myrmedonia lugens Gr. Bij Formica pratensis moet zijn: bij
Lasius fuliginosus.
ep
pel: ge
NAAMLIJST
VAN
IN NEDERLAND VOORKOMENDE MYRIAPODEN.
DOOR
Jhr. Dr. ED. EVERTS.
Orde CHILOPODA.
Familie SCUTIGERIDAE.
Genus SCUTIGERA Lam.
coleoptrata L. — Door Maitland uit Groningen vermeld,
volgens Kriens en Karsten, wit. Fn. Gron., n°. 2. —
Mij alleen uit Zuid-Europa bekend.
Familie LITHOBIIDAE.
Genus LitHoBIUSs Leach.
forficatus L. — Overal zeer gemeen.
piceus L. Koch. — Den Haag (Everts).
glabratus C. Koch (s. Z. buceulentus L. Koch, Meinert). —
Den Haag en Maastricht (Everts).
dentatus C. Koch. — Leiden (Maitland). Mij onbekend.
mutabilis L. Koch (? s. Z. communis L. Koch). — Onder
laatstgemelden naam door Maitland medegedeeld,
als bij den Haag gevangen. Mij onbekend.
calcaratus C. Koch. — Den Haag (Maitland en Everts).
erythrocephalus G. Koch. — Den Haag (Everts).
crassipes LL. Koch. — Den Haag en Maastricht (Everts).
XLII NAAMLIJST VAN IN NEDERLAND
Genus CrypToPps Leach.
1. hortensis Leach. (s. Cr. Savignyi Leach). — Den Haag
(Maitland en Everts). Cr. Savignyi Leach uit Gro-
ningen (Kriens en Karsten) vermeld.
Familie SCOLOPENDRIDAE.
Genus ScoLoPENDRA Newp.
1. sp. — Een niet met zekerheid te determineeren, gebrekkig
exemplaar uit Utrecht (A. C. Oudemans).
Genus OTOSTIGMA Meinert.
1. spinosum v. Porat. — Utrecht, in den hortus botanicus (A. C.
Oudemans); wellicht met tropische planten in-
gevoerd.
Familie GEOPHILIDAE.
Genus GEOPHILUS Leach.
4. longicornis Leach (s. @. hortensis C. Koch; ? s. Arthronomalus
similis Newp.). — Den Haag en Maastricht (Everts).
@. hortensis C. Koch door Maitland als inlandsch
opgegeven. Het is deze soort, die meermalen door
menschen werd uitgebraakt.
2. proximus C. Koch. — Maastricht (Everts).
3. electricus L, — Den Haag (Maitland en Everts).
4. linearis C. Koch (s. G. simplex Gervais, s. @. brevicornis C.
Koch). — Door Maitland als twee soorten, @. simplex
en brevicornis, opgegven. — Den Haag (Maitland).
Mij onbekend.
5. truncorum Meinert. — Den Haag (Everts).
6. sodalis Meinert. — Den Haag (Everts).
7. carpophagus Leach. — Leiden (Maitland). Mij onbekend.
VOORKOMENDE MYRIAPODEN. XLIII
Genus SCOLIOPLANES Bergs. et Meinert.
1. acuminatus Leach. — Den Haag (Everts).
crassipes G. Koch, — Maastricht (Everts).
Genus ScHENDYLA Bergs. et Meinert.
1. wemorensis CG. Koch. — Den Haag (Everts).
Genus ORPHNAEUS Haase.
1. lividus Meinert. — Utrecht, hortus botanicus (A. C. Oudemans).
Eene interessante vondst. Deze soort, welke
phosphoresceert, komt in het geheele Indo-Austra-
lische gebied voor en is waarschijnlijk met tropische
planten medegebracht.
Genus BOTHRIOGASTER Sseliwanofl.
(Himantarium G. Koch; Stigmatogaster Latzel).
1. subterraneus Leach. — Utrecht (A. C. Oudemans); den Haag
(Everts).
Orde SYMPHYLA.
Familie SCOLOPENDRELLIDAE.
Genus ScoLOPENDRELLA Gervais.
1. nivea Scop. — Amsterdam, hortus botanicus, in run (J. T.
Oudemans).
Orde DIPLOPODA.
Sub-orde PSELAPHOGNATHA.
Familie POLYXENIDAE.
Genus PoLyxEnus Latr.
4. lagurus L. — Overal gemeen achter boomschors.
XLIV NAAMLIJST VAN IN NEDERLAND
bo
de
Sub-orde CHILOGNATHA.
Familie GLOMERIDAE.
Sub-familie GLOMERIDIA.
Genus GLOMERIS Latr.
marginata Villers (s. G/, limbatus Ol). — Scheveningen
(Maitland); Apeldoorn 6 (Everts); Utrecht (A. C.
Oudemans). — (Door Maitland als GJ. limbatus Ol.
opgegeven).
pustulata Latr. (bij Maitland pustulata F.). — Groningen
(Karsten). Mij onbekend.
hexasticha Brandt. — Gronsveld 7 (Everts).
Familie POLYDESMIDAE.
Genus PorypresMmus Latr.
denticulatus C. Koch (s. P. acutangulus Menge). — Den Haag
en Maastricht (Everts).
complanatus L. — Leiden en den Haag (Maitland en Everts) ;
Maastricht (Everts).
Genus PARADESMUS Saussure.
(Fontaria C. Koch).
gracilis CG. Koch. — Amsterdam, Utrecht en Zeist, in broei-
kassen gemeen (Max Weber en J. T. Oudemans).
Schijnt met levende planten uit Java aangevoerd
te zijn.
Familie CHORDEUMIDAE.
Genus ATRACTOSOMA Fanzago.
bohemicum Rosicky (s. Craspedosoma polydesmoides Leach, bij
Maitland). — Leiden (Perin). Mij onbekend.
m
co 19
10.
VOORKOMENDE MYRIAPODEN. XLV
Genus CRASPEDOSOMA Leach.
Rawlinsii Leach. — Leiden (Maitland); den Haag (Everts).
Familie JULIDAE.
Genus BLANJULUS Gerv.
venustus Meinert. — Den Haag (Everts).
guttulatus Gerv. (bij Maitland B/. guttatus Gerv.). — Den
Haag (Maitland). Mij onbekend.
Genus JuLus Brandt.
punctatus Leach. — Den Haag en Maastricht (Everts) ; Utrecht
(A. C. Oudemans).
pusillus Leach. — Den Haag (Everts).
luscus Meinert. — Den Haag (Everts).
longabo C. Koch (? s. J. albipes C. Koch). — Leiden (Maitland) ;
Valkenberg 7 (Everts).
Door Maitland als J. albipes C. Koch opgegeven,
en het voorwerp uit Valkenberg door den heer
v. Porat als J. albipes C. Koch gedetermineerd.
fallax Meinert. — Den Haag (Everts).
silvarum Meinert (s. J. nemorensis G. Koch sec. Haase). — Den
Haag (Everts).
scandinavius Latzel. — Den Haag (Everts).
terrestris L. (? s. J. rugifrons Meinert). — Zeer gemeen.
sabulosus L. Zeer gemeen.
londinensis Leach. — Den Haag (Maitland, A. C. Oudemans
en Everts); Maastricht (Everts); Utrecht (A. C.
Oudemans).
LIJST DER LEDEN
VAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
op 23 Juni 1888,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
ODIA GPe
BEGUNSTIGERS.
Mr. C. W. Hubrecht, Lid van Gedeputeerde Staten van Zuidholland,
Nassauplein 25, te ’s Gravenhage. 1859.
Mevrouw de Wed. Hartogh Heys van de Lier, geb. Snoeck, Alerander-
straal 23, te ’s Gravenhage. 1868.
Dr. F. J. L. Schmidt, te Rotterdam. 1869.
Mr. J. Thiebout, te Zwolle. 1869.
Het Koninklijk Zoologisch Genootschap Natura Artis Magistra te
Amsterdam. 1879.
Mr. J. W. van Lansberge, oud Gouverneur-Generaal van Ned. Indie,
Huize de Rees te Brummen. 1882.
Dr. C. Sepp, Emeritus Predikant, Keizersgracht bij de Leidsche straat,
469, te Amsterdam. 1882.
C. L. Roos Vlasman, Burgemeester van Abcoude en Baambrugge,
te Abcoude. 1882.
Mr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Phil. nat. Dr., te Assen, 1882,
Teyler’s Stichting te Haarlem. 1883.
Mr. J. Jochems, Korte Vijverberg 4, te ’s Gravenhage. 1883.
De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem. 1884.
Dr. J. G. M. Mastboom, Westeinde 140, te ’s Gravenhage. 1887.
Mevrouw de Wed. Mr. J. Kneppelhout, geb. van Braam, Hemelsche
Berg, te Oosterbeek. 1887.
Mevrouw M. Neervoort van de Poll, geb. Zubli, Heerengracht 416,
te Amsterdam. 1887.
W. E. Rijnbende, Heerengracht bij den Amstel 586 , te Amsterdam. 1887.
J. P. Goedkoop, Plantage Muidergracht 5, te Amsterdam. 1887.
EERELEDEN.
Dr. G. F. Westerman, Directeur van het Koninklijk Zoologisch Ge-
nootschap Natura Artis Magistra, te Amsterdam, 1858.
LIJST DER LEDEN ENZ. XLVII
H. T. Stainton, F. R.S. ete., Mountsfield, Lewisham, 8. E., te Londen.
1861.
Dr. ©. Felder, lid der Kais. L. C. Academie der Naturwissen-
schaften en Burgemeester van Weenen , Operngasse 8, te Weenen. 1861.
Prof. J. O. Westwood, M. A., F. L. S., Directeur van het Hopean
Museum, te Oxford. 1862.
Jhr. Dr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort, te Bergen-op-Zoom. 1861.
Dr. Gustav L. Mayr, Professor aan de Hoogere Burgerschool te Weenen,
III Haupstrasse 75, te Weenen 1867.
Dr. H. D. J. Wallengrén, te Farhult, bij Höganäs in Zweden. 1871.
R. Mac-Lachlan, F. R. S., Westview, Clarendon Road, Lewisham,
S. E., te Londen. 1871.
Dr. T. Thorell, voormalig Hoogleeraar in de Zoologie aan de Hoogeschool
te Upsala in Zweden, thans wonende te Sori, Liguria (Italie). 1872.
Dr. C. A. Dohm, President der Entomologische Vereeniging te
Stettin. 1873.
E. Baron de Selys Longchamps, Boulevard de la Sauveniere 34, te
Luik. 1874.
Dr. V. Signoret, Avenue de Chevreuse 5, te Clamart (Seine)
Frankrijk. 1874.
CORRESPONDEERENDE LEDEN.
Frederic Moore, Claremont House, Avenue Road, Penge (Surrey). 1864.
Jhr. J. W. May, Consul-Generaal der Nederlanden, Arundal House,
Percy Cross, Fulham Road, S. W., te Londen. 1865.
Dr. W. Marshall, Professor aan de Universiteit te Leipzig. 1872.
A. Fauvel, Rue d'Auge 16, te Caen. 1874.
Dr. O. Taschenberg, te Halle a. S. 1883.
A. W. Putman Cramer, Douglass Street 51, te Brooklyn, Staat
New-York, in Noord-Amerika. 1883.
Dr. F. Plateau, Professor der Zoologie aan de Hoogeschool te Gend. 1887.
A. Preudhomme de Borre, Conservator aan het Kon. Museum van
natuurlijke historie, Rue Seutin 11, Schaerbeek, bij Brussel. 1887.
S. H. Seudder, te Cambridge (Mass.) in Noord-Amerika. 1887.
BUITENLANDSCHE LEDEN.
Vicomte Henri de Bonvouloir, Boulevard S. Germain 215, te Parijs,
(1867—68). — Coleoptera.
H. Jekel van Westing, lid der K. Acad. van natuuronderzoekers te Moscou
en van verscheidene entomol. genootschappen, Rue de Dunkerque 62,
te Parijs. (1868—69). — Coleoptera, meer bijzonder Curculioniden.
René Oberthür, Faubourg de Paris 20, te Rennes (Ille-et-Vilaine)
Frankrijk. (1882—83). — Coleoptera, vooral Carabiciden.
XLVIII LIJST DER LEDEN ENZ.
GEWONE LEDEN.
1845-46.
Dr. J. G. H. Rombouts, te Groesbeek. — Algemeene Entomologie.
F. M. van der Wulp, Trompstraat 154, te ’s Gravenhage. — Diptera.
Dr. M. C. VerLoren van Themaat, Huize Schothorst, te Hoogland
bij Amersfoort. — Algemeene Entomologie.
J. W. Lodeesen, Tulpstraat 6, te Amsterdam. — Lepidoptera indigena.
W. O. Kerkhoven, te Lochem.
1851-52.
R. T. Maitland, Commelinstraat, 17, te Amsterdam. — Algemeene
Entomologie.
P. C. T. Snellen, Wijnhaven (Noordzijde) 45, te Rotterdam. —
Lepidoptera.
Dr. M. Imans, te Utrecht.
Dr. W. A. J. van Geuns, Koninginnegracht 15, te ’s Gravenhage.
1852-53.
Mr. H. W. de Graaf, Noordeinde 123, te ’s Gravenhage. — Inl. Lepi-
doptera, bijzonder Microlepidoptera.
G. M. de Graaf, Heerengracht 55, te Leiden. — Lepidoptera.
G. A. Six, De Ruiterstraat 65, te ’s Gravenhage. — Hymenoptera.
Dr. W. Berlin, Oud-Hoogleeraar, Westeinde 2, te Amsterdam. —
Algemeene Zoologie.
1855-56.
A. A. van Bemmelen, Direeteur van de Diergaarde te Rotterdam. —
Algemeene Entomologie.
Mr. E. A. de Roo van Westmaas, Huize Daalhuizen, te Velp. —
Lepidoptera.
1856-57.
Mr. J. Herman Albarda, te Leeuwarden. — Neuroptera.
Mr. W. Albarda, te Ginneken. — Lepidoptera en Neuroptera.
Dr. A. W. M. van Hasselt, Amsterdamsche Veerkade 15, te ’s Graven-
hage. — Araneïden.
1857-58.
Dr. J. W. Schubärt, te Utrecht.
W. K. Grothe, te Zeist.
1858-59.
J.C.J. de Joncheere, Voorstraat, D 368, te Dordrecht, — Lepidoptera.
LIJST DER LEDEN ENZ. XLIX
1860-61.
J. Kinker, Keizersgracht CC 580, te Amsterdam. — Lepidoptera en
Coleoptera indigena.
Dr. E. Piaget, aux Bayards, Neuchatel, Zwitserland. — Diptera en
Parasitica.
1863-64.
Mr. R. Th. Bijleveld, Voorhout 88, te ’s Gravenhage. — Algemeene
Entomologie.
D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal, F 3471, te Zwolle. — Lepidoptera.
1864—65.
Mr. A. H. Maurissen, te Maastricht. — Europeesche insecten.
Dr. H. J. Veth, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, Boezemsingel 118,
te Rotterdam. — Algemeene Entomologie, vooral Coleoptera.
H. W. Groll, te Haarlem. — Coleoptera.
1365-66.
Mr. A. Brants, Eusebius-Buitensingel, te Arnhem. — Lepidoptera.
1366-67.
F. J. M. Heylaerts, St.-Jansstraat, A 503, te Breda. — Lepidoptera enz.
Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Hoogleeraar te Utrecht. — Algemeene
Zoologie.
A. van den Brandt, te Venlo. — Lepidoptera.
1367-68.
C. Ritsema Cz., Conservator bij ’s Rijks Museum van natuurlijke
historie, Rapenburg 94, te Leiden. — Algemeene Entomologie.
1368-69.
Dr. J. G. de Man, te Middelburg. — Diptera en Crustacea.
Dr. F. W. O. Kallenbach, te Rotterdam. — Lepidoptera.
A. Cankrien, te Kralingen. — Lepidoptera.
Mr. C. J. Sickesz, Huize de Cloese, bij Lochem,
1369-70.
M. Nijhoff, Nobelstraat 18, te ’s Gravenhage. — Bibliographie,
1870-71.
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool,
Stationsweg 79, te ’s Gravenhage. — Europeesche Coleoptera.
i
L LIJST DER LEDEN ENZ.
Mr. M. C. Piepers, Lid der rechterlijke macht in Nederlandsch Indie ,
thans met verlof in Nederland, Heerenstraat 4, te ’s Gravenhage. —
Lepidoptera.
Dr. P. J. Veth, Oud-Hoogleeraar, Villa Maria, Utrechtsche weg 22,
te Arnhem.
1871-72.
Dr. J. Ritzema Bos, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool te Wage-
ningen. — Oeconomische Entomologie.
J. B. van Stolk, Schie 23, te Rotterdam. — Lepidoptera.
Mr. A. F. A. Leesberg, Gedempte Burgwal 33, te ’s Gravenhage. —
Coleoptera.
Dr. H. J. van Ankum, Hoogleeraar aan ’sRijks Universiteit te
Groningen. — Algemeene Zoologie.
M. M. Schepman, te Rhoon. — Neuroptera.
Dr. C. K. Hoffmann, Hoogleeraar aan ’s Rijks Universiteit (Morsch-
singel) te Leiden. — Vergelijkende ontleedkunde en Embryologie.
1872-73.
Dr. A. J. van Rossum, Eusebius-plein, te Arnhem.
1873-74.
Dr. J. van Leeuwen Jr., Hoogleeraar aan ’s Rijks Universiteit (Pieters-
kerkgracht 11) te Leiden. — Lepidoptera.
Mr. M. ’s Gravesande Guicherit, te Delfi. — Coleoptera.
1874.—75.
H. L. Gerth van Wijk, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te
Middelburg. — Hymenoptera aculeata.
J. van den Honert, Plantage Muidergracht 32, te Amsterdam. —
Lepidoptera. ;
K. N. Swierstra, Conservator bij het Koninkl. Zool. Genootschap
Natura Artis Magistra te Amsterdam. — Algemeene Entomologie.
1875-76.
H. Uijen, Priemstraat , te Nijmegen. — Lepidoptera.
Mr.J. G. Wurfbain, Villa Claerhout bij Arnhem. — Algem. Entomologie.
A. J. Weytlandt, te Westzaan. — Coleoptera.
Dr. M. W. Beijerinck, te Delft. — Gallenmakende Insecten.
Vine. Mar. Aghina, Sacr. Ord. Praed., te Schiedam. — Lepidoptera.
-
1876-77.
Dr. P. H. J. J. Ras, Velper weg 56a, te Arnhem.
W. H. Dreessens, Oudebrugsteeg 5, te Amsterdam.
LIJST DER LEDEN ENZ. LI
Mr. A. J. F. Fokker, te Zierikzee. — Hemiptera.
Emile Seipgens, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, Zoeterwoudsche-
singel, te Leiden. — Coleoptera. *
A. M. J. Bolsius, Geneesheer op het gezondheids-etablissement Sin-
danglaja, Preanger, Java.
1877-73.
Dr. C. Kerbert, Directeur van het Aquarium, Plantage Middenlaan,
hoek Badlaan 70, te Amsterdam.
Dr. G. A. F. Molengraaff, Privaat docent aan de Universiteit, Plantage
Middenlaan 88, te Amsterdam. — Lepidoptera.
1878—79.
Dr. A. C. Oudemans Jsz., Directeur van den Zoologisch-Botanischen
tuin, te ’s Gravenhage. — Acarina.
Dr. Henri W. de Graaf, Heerenstraat bij Leiden. — Anatomie en
Physiologie der Insecten.
P. T. Sijthoff, Administrateur op de kina-plantage 7jilaki, nabij
Bandong, Preanger regentschappen, Java. — Coleoptera.
Dr. F. A. Jentink, Directeur van ’s Rijks Museum van natuurlijke
historie, Rembrandt-straat, te Leiden.
1879—8s0.
Dirk ter Haar, te Cuyk. — Lepidoptera en Orthoptera.
K. Bisschop van Tuinen Hz., Leeraar aan de Hoogere Burgerschool
en het Gymnasium te Zwolle. — Lepidoptera.
1880-81.
“Dr. J. T. Oudemans, Plantage Middenlaan 78, te Amsterdam. —
Macrolepidoptera en Hymenoptera.
J. Gerard Kruimel, op de koffie-onderneming Kalimanis, Wlingie,
Blitar (Residentie Kedirie) Java. — Lepidoptera.
J. Jaspers Jr., te Velsen. — Inlandsche Insecten.
1881-82.
Dr. H. Bos, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool te Wageningen. —
Formiciden.
1882-83.
Dr. R. H. Saltet, Binnen Amstel bij de Keizersgracht 244, te Amsterdam.
D. van der Hoop, Zwidblaak 64, te Rotterdam. — Coleoptera.
Dr. J. Bosscha Jz., tijdelijk op Borneo. — Coleoptera.
H. M. Bruna, Predikant te Purmerend. — Lepidoptera.
Dr. R. Horst, Conservator bij ’s Rijks Museum van natuurlijke
historie, Nieuwsteeg, te Leiden,
LII LIJST DER LEDEN ENZ.
1883-84.
Johan P. Vink (adres: in firma H. Duys) te Nijmegen. — Lepidoptera.
J. R. H. Neervoort van de Poll, Heerengracht 476, te Amsterdam. —
Coleoptera.
Mr. Th. F. Lucassen, Kemanglen (Tagal) Java. — Coleoptera.
Mr. Wd. ©. Ben Cramer, te Velp. — Lepidoptera.
Otto Netscher, te Batavia. — Coleoptera.
J. Büttikofer, Conservator bij ’sRijks Museum van natuurlijke
historie, Breestraat, te Leiden.
Dr. Th. W. van Lidth de Jeude, Conservator bij ’s Rijks Museum van
natuurlijke historie, Boommarkt, te Leiden. — Anatomie der Insecten.
1884 85.
Joh. de Vries, P. C. Hooftstraat 82, te Amsterdam. — Lepidoptera.
1886-87.
Dr. Max C. W. Weber, Hoogleeraar aan de Universiteit, Sarphati-
kade 3, te Amsterdam.
Dr. J. C. C. Loman, Leeraar aan het Gymnasium, Leidsche Kade 96 ,
te Amsterdam.
Dr. J. van der Hoeven, Eendrachtsweg, te Rotterdam. — Coleoptera.
N. A. de Joncheere, te Dordrecht. — Lepidoptera.
Erich Wasmann, S. J., te Exaeten bij Roermond. — Coleoptera en
Formiciden.
1887-88.
H. F. Hartogh Heys, te Assen (tijdelijk bij Prof. E. Gens te Verviers,
Belgie).
W. Roelofs, Rijnstraat 20, te ’s Gravenhage. — Curculioniden.
L. W. Havelaar, Wolfshoek 5, te Rotterdam. — Lepidoptera.
H. A. de Vos tot Nederveen Gm te Apeldoorn. — Lepidoptera.
BESTUUR.
President. Dr. A. W. M. van Hasselt.
Vice-President. P. C. T. Snellen.
Secretaris. F. M. van der Wulp.
Bibliothecaris. C. Ritsema Cz.
Penningmeester. J. W. Lodeesen.
COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT.
Dr. A. W. M. van Hasselt.
F. M. van der Wulp.
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts.
6
ler)
En Oi tE: EIN
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
BIJGEKOMEN BOEKEN VAN 1 SEPTEMBER 1887
tot 19 SEPTEMBER 1888.
BIBELOTHERER A
Natuurlijke Historie in het Algemeen.
Wakker (Dr. J. H.), Onderzoek der ziekten van Hyacinthen en
andere bol- en knolgewassen. Verslag over de jaren 1883—85.
Haarlem, 1887. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Bos (Dr. J. Ritzema), De dierlijke parasieten van den mensch en
de huisdieren. Met 100 houtsneefiguren. Zwolle, 1888. 8vo. (Geschenk
van den Schrijver).
Man (Dr. J. G. de), Sur quelques Nématodes libres de la mer
du Nord, nouveaux ou peu connus. Avec 4 pl. Paris, 1888. 8vo.
(Met de beide volgende nommers ten geschenke van den Schrijver).
—— Report on the Podophthalmous Crustacea of the Mergui
Archipelago, collected for the Trustees of the Indian Museum,
Caleutta, by Dr. John Anderson. With 19 Pl. London, 1887/88. 8vo.
—— Bericht über die im indischen Archipel von Dr. J. Brock
gesammelten Decapoden und Stomatopoden. Mit 17 Tafln. Berlin,
1888. 8vo.
Selys Longehamps (E. de), Révision des poissons d’eau douce de
la faune Belge. Bruxelles, 1887. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Algemeene Entomoiogie.
Niets bijgekomen.
LIV
10.
11.
14.
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera,
Borre (A. Preudhomme de), .Matériaux pour la faune entomolo-
gique de la Province du Brabant. Coléoptères. 4me Centurie.
Bruxelles, 1887. 8vo. (Met de drie volgende nommers ten geschenke
van den Schrijver).
. —— Matériaux pour la faune entomologique de la Province du
Luxembourg belge. Coléoptéres. 3me Centurie. Luxembourg,
1888. 8vo.
—— Matériaux pour la faune entomologique de la Province de
Liége. Coléoptéres. 4me Centurie. Bruxelles, 1888. 8vo.
—-— Liste des cent et cing espéces de Coléoptéres Lamellicornes
actuellement authentiquement capturées en Belgique, avec le
tableau synoptique de leur distribution géographique dans le pays.
Bruxelles, 1888. 8vo.
Gestro (Dr. R.), Appunti entomologici. Genova, 1878. 8vo. (Ge- —
schenk van den heer W. Roelofs).
. Lameere (A.), Le genre Rosalia. Avec 1 pl. Bruxelles, 1887. 8vo.
(Geschenk van den Schrijver).
Lansberge (J. W. van), Diagnoses de quelques espéces nouvelles
de Buprestides et de Scarabaeides de la Malaisie. Bruxelles, 1879.
8vo. (Met de zestien volgende nommers ten geschenke van den
Schrijver).
-—— Enumération des Scarabaeides rapportés du pays des Somalis
(Afrique aequatoriale) par M. Révoil, avec diagnoses des espéces
nouvelles. Bruxelles, 1882. 8vo.
15. —— Tmesisternus Rafaelae n. sp. Bruxelles, 1885. 8vo.
16. -—— Descriptions d’espèces nouvelles de Coléoptères appartenant
au Musée civique de Gênes. Genova, 1885. 8vo.
17. —— Les Coprides de la Malaisie. La Haye, 1886. 8vo.
18. —-— Révision des Onthophagus de Archipel Indo-Néerlandais,
avec description des espèces nouvelles. Leyde, 1883. 8vo.
19. —— Supplément à la Révision des Onthophagus de l’Archipel
Indo-Néerlandais. Leyde, 1883. 8vo.
20. —— Trois espèces nouvelles de Coléoptéres Longicornes de
Sumatra. Leyde, 1884. 8vo.
21.
22.
23.
24,
25.
26.
27.
28.
29.
30.
31.
32.
34.
35.
36.
37.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. LV
Lansberge (J. W. van), Catalogue des Prionides de l’Archipel
Indo-Néerlandais, avec description des espèces nouvelles. Leyde ,
1884, 8vo.
—— Description de quatre espèces nouvelles de Coprophages
appartenant au Musée de Leyde. Leyde, 1885. 8vo.
—— Scarabaeides, Buprestides et Cérambycides de l’Afrique
occidentale, envoyés au Musée de Leyde par MM. Veth et van
der Kellen. Leyde, 1886. 8vo.
— — Description de quelques Scarabaeides des Indes Néerlandaises
appartenant au Musée de Leyde. Leyde, 1886. 8vo.
—— Cinq espèces nouvelles de Coléoptères exotiques appartenant
au Musée de Leyde. Leyde, 1887. 8vo.
—-- Description d’une espèce nouvelle de Buprestide de l’Afrique.
Leyde, 1887. 8vo.
—— Description d’une espèce nouvelle de Cérambycide de Sumatra.
Leyde, 1887. 8vo.
—— Description d’un genre nouveau et de six espèces nouvelles
de Scarabaeides des Indes orientales. Leyde, 1887. 8vo.
--— Trogides nouveaux. Leyde, 1887, 8vo.
Ritsema Cz. (C.), The species of the Rhynchophorous genus
Ectatorhinus Lac. enumerated. Leyden, 1888. 8vo. (Met de zeven
volgende nommers ten geschenke van den Schrijver).
—— Description of a new species of the Buprestid genus Endelus
H. Deyr. (E. Weyersi). Leyden, 1888. 8vo.
—— On five new and two unsufficiently known species of the
Longicorn genus Pachyteria. Leyden, 1888. 8vo.
—— Description of two new species of the Longicorn group
Callichromini. Leyden, 1888. 8vo.
—— Two synonymical Remarks about Longicorn Coleoptera.
Leyden, 1888. 8vo. (Bij het vorige ingenaaid).
—— Description of three new species of the Longicorn group
Agniini. Leyden, 1888. 8vo.
—— Description of a new species of the Longicorn genus Bacchisa
Pase. (B. singularis). Leyden, 1888. 8vo.
—— On the male sex of Lamia grisator Fabr. Leyden, 1888. 8vo.
LVI
38.
39.
40.
41.
42.
43.
44,
45.
46.
47.
48.
49.
50,
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
Roelofs (W.), Cureulionides recueillis au Japon par M. G. Lewis.
2me et 3me partie. Bruxelles, 1874/75. 8vo. (Met de drie volgende
nommers ten geschenke van den Schrijver).
—— Additions à la faune du Japon. Nouvelles espèces de
Curculionides et familles voisines, et observations sur les espèces
déjà publiées. Bruxelles, 1880. 8vo.
—— Deux espèces de Curculionides trouvées dans des Orchidées
de l’Equateur. Bruxelles, 1885. 8vo.
—— Curculionides d’Angola. Lisboa, 1877. 8vo.
Wasmann (E.), Der Trichterwickler. Eine naturwissenschaftliche
Studie über den Thierinstinkt. Mit einem Anhange über die
neueste Biologie und Systematik der Rhynchites-Arten und ihrer
Verwandten (Attelabiden, Rhynchitiden und Remonygiden). Mit
Holzschnitten und Tafeln. Münster, 1884. 8vo. (Geschenk van
den Schrijver).
B. Lepidoptera.
Haar (D. ter), Lijst van planten waarop de in Nederland voor-
komende Microlepidoptera te vinden zijn. ’s Gravenhage, 1887.
8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Moore (F.), Descriptions of new Indian Lepidopterous Insects
from the collection of the late Mr. W. S. Atkinson. Heterocera
(continued). With 3 PI. Calcutta, 1888. 4to. (Geschenk van den
Schrijver).
Oudemans (Dr. J. T.), De Nederlandsche Macrolepidoptera.
Amsterdam, 1888. folio. (Geschenk van den Schrijver).
Scudder (S. H.), The introduction and spread of Pieris rapae in
North America, 1860--1886. With a Map. Boston, 1887. 4to.
(Met de beide volgende nommers ten geschenke van den Schrijver).
—— The earliest Butterflies at the White Mountains of New
Hampshire. 1887. 8vo.
—— Comparative Tables for the Families of Butterflies. 1887. 8vo.
Vollenhoven (S. C. Snellen van), Sepp’s Nederlandsche Insecten.
2de ser. 4de deel , n°. 33—36. Met 4 Plat. ’s Gravenhage, 1887. 4to.
C. Hymenoptera.
André (Ed.), Species des Hyménoptères d’Europe et d’Algérie.
27—29me fase. Avec pl. Beaune, 1888. 8vo. (In ruil tegen hel
Tijdschr. v. Entom.).
51.
52.
53.
54.
55.
56.
57.
58.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. LVII
Aurivillius (Chr.), Bidrag till kännedomen om vara solitära
_getingars lefnadssätt. Stockholm, 1886. 8vo. (Geschenk van den
Schrijver).
Mayr (Dr. G.), Südamerikanische Formiciden. Wien, 1887. 8vo.
(Geschenk van den Schrijver).
D. Hemiptera.
Niets bijgekomen.
E. Neuroptera.
Niets bijgekomen.
F. Orthoptera.
Oudemans (Dr. J. T.), Beitrage zur Kenntniss der Thysanura
und Collembola. Mit 3 Tfln. Amsterdam, 1888. folio. (Geschenk
van den Schrijver).
G Diptera.
Wulp (F. M. van der), Biologia Centrali-Americana. Diptera.
p. 1--40, pl. 1 en 2. London, 1888. 4to. (Geschenk van den
Schrijver).
H. Arachnoidea en Myriapoda.
Hasselt (Dr. A. W. M. van), Araneae exoticae quas collegit,
pro Museo Lugdunensi, Dr. H. ten Kate Jr. in Guyanà hollandicà
(Suriname). Cum figuris. Hagae Comitis, 1888. 8vo. (Geschenk van
den Schrijver).
Plateau (F.), Observations sur une grande Scolopendre vivante.
Bruxelles, 1887. 8vo. (Met het volgende nommer ten geschenke van
den Schrijver).
—— Observations sur les moeurs du Blaniulus guttulatus Bose,
et expériences sur la perception de la lumière par ce Myriopode
aveugle. Bruxelles, 1886. 8vo.
Thorell (Prof. T.), Pedipalpi et Seorpioni dell'Arcipelago Malese
conservati nel Museo civico di Storia naturale di Genova. Genova,
1888. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Palaeontologie.
Niets bijgekomen.
LVIII BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
59.
60.
61,
62.
63.
64.
65.
66.
67.
68.
69.
70.
11.
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Plateau (F.), Recherches expérimentales sur la vision chez les
Arthropodes. Part. 1—3. Bruxelles, 1887/88. 8vo. (Met het volgende
nonvmer ten geschenke van den Schrijver).
—— Expériences sur le rôle des palpes chez les Arthropodes
maxillés. 3me et dernière partie. Paris, 1887. 8vo.
Tijdschriften.
Actas de la Academia nacional de ciencias de la Republica
Argentina. Tomo II, entrega 1; tomo V, entrega 3. Buenos Aires,
1886. 4to. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Anales de la Sociedad cientifica Argentina. Tomo XXIII, entr.
5y 6; tom. XXIV; tom. XXV, entr. 1—4. Buenos Aires, 1887/88,
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Annuaire de l’Académie Royale des Sciences, des Lettres et des
Beaux-Arts de Belgique. Ann. 52 et 53. Bruxelles, 1886/87. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Archivos do Museu nacional do Rio de Janeiro. Vol. VI. Rio de
Janeiro, 1885. 4to. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Boletin de la Academia nacional de ciencias en Cordoba (Republica
Argentina). Tomo IX, entr. 3 y 4; tom. X, entr. 1 y 2. Buenos
Aires, 1886/87. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Vol. V, n°, 2.
Buffalo, 1886. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Bulletin of the California Academy of Sciences. Vol. II, n°. 6—8.
San Francisco, 1887. 8vo.
Bulletin of the Essex Institute. Vol. XVIII. Salem, 1886. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Bullettino della Societa Entomologica Italiana. Anno XIX, trim.
3 e 4. Firenze, 1887. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Bulletins de l’Académie Royale des Sciences, des Lettres et des
Beaux-Arts de Belgique. Ann. 55 et 56. Bruxelles, 1885/86. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.). |
Bijdragen tot de Dierkunde. Uitgegeven door het Kon. Zool.
Genootsch. Natura Artis Magistra. Aflev. 14 —16, benevens feest-
nommer uitgegeven bij gelegenheid van het 50-jarig bestaan van
het Genootschap. Amsterdam, 1887/88. fol. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.).
72.
73.
74.
75.
76.
77.
78.
80.
81.
82.
83.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. LIX
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de
Belgique, Ser. III, n°. 90—102. Bruxelles, 1887/88. 8vo. (In
ruil tegen de Verslagen der Ned. Entom. Vereeniging). Voorts
gecompleteerd met n°. 79 van de iste ser. en n°. 11, 27, 28,
30, 32, 35 en 36 van de 2de serie.
Correspondenzblatt des entomologischen Vereins , Iris” zu Dresden.
N°. 1—4. Dresden, 1884—87. 8vo.
Entomologica Americana. A monthly Journal devoted to Entomology
in general. New-York, 1887/88. Vol. III, n°. 6—12; vol. IV,
n°. 1—5. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Entomologisk Tidskrift, pa föranstaltande af Entomologiska
Foreningen i Stockholm. Utgifven af J. Spangberg. Arg. VIII.
Stockholm, 1887. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Entomologist (The), An Illustrated Journal of British Entomology.
Edited by J. T. Carrington. Vol. XX, n°. 292—295; Vol. XXI,
n°. 296—304. London, 1887/88. 8vo.
Insekten-Börse. Central-Organ zur Vermittelung von Angebot,
Nachfrage und Tausch. 1887, n°. 17—23. Leipzig, 1887. 4to.
(Geschenk van den uitgever E. Wartig te Leipzig).
Jahrbücher des Nassauischen Vereins für Naturkunde. Jahrg. XL.
Wiesbaden, 1887. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
. Memoirs of the Boston Society of Natural History. Vol. IV,
n°. 1—4. Boston, 1886—88. 4to. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.).
Monatliche Mittheilungen aus dem Gesammtgebiete der Natur-
wissenschaften. Organ des naturw. Vereins des Regierungsbezirks
Frankfurt. Bd. V, n°. 4—12. Berlin, 1887/88. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
Naturhistorische Hefte, nebst deutsch redigirter Revue, heraus-
gegeben vom Ungarischen National Museum in Budapest. Redigirt
von O. Herman. Vol. XI, n°. 1 und 2. Budapest, 1887/88. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederl. Indie. Uitgegeven door de
Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indie.
DI. XLVI en XLVII. Batavia en ’s Gravenhage, 1887/88. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr, v. Entom.).
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society
of London for the year 1886, prt. 4, and for the year 1887.
London, 1887/88. Svo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
LX
84.
85.
86.
87.
88.
89.
90.
31.
92.
93.
94.
95.
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
Report (Annual) of the Board of Regents of the Smithsonian
Institution, to July 1885. PartI. Washington, 1886. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Report (Thirteenth and fourteenth Annual) of the Geological and
Natural History Survey of Minnesota for the years 1884 and
1885. St. Paul, 1885/86. 8vo.
Report (Sixth Annual) of the United States Geological Survey
by J. W. Powel. 1884—85. 8vo.
Schriften des naturwissensch. Vereins des Harzes in Wernigerode.
Bd. IL. Wernigerode, 1887. 8vo.
Societatum Litterae. Herausgegeben von Dr. E. Huth. Berlin,
1887/88. Bd. I, n°. 6—10, 12; Bd. II, n°. 1—4. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Transactions of the American Entomological Society and Procee-
dings of the Entomological Section of the Academy of Natural
Sciences. Vol. XIII, n°. 3 and 4. Philadelphia, 1886. 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Transactions of the Wagner Free Institute of Science of Philadel-
phia. Vol. I. Philadelphia, 1887. 8vo.
Tijdschrift der Nederlandsche Dierkundige Vereeniging. 2de ser.
DI. II, aflev. 1en 2. Leiden, 1888. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.).
Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap te Amsterdam.
2de ser. Afdeeling: Verslagen en Aardrijkskundige Mededeelingen.
DI. IV, n°. 7—10; DI. V, n°. 1—4. — Afdeeling: Meer uit-
gebreide Artikelen. DI. IV, n°. 2; DI. V, n°. 1. Amsterdam en
Leiden, 1887/88. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging. DI. XXX, aflev. 4; DI. XXXI,
aflev. 1—3. Met gekl. pl. ’s Gravenhage, 1887/88. 8vo.
Verhandlungen der k.k. zoologisch-botanischen Gesellschaft in
Wien. Jahrg. 1887 (Bd. XXXVII) 3 und 4 Quartal. Wien, 1887.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Verhandlungen des naturforschenden Vereines in Briinn. Bd. XXV.
Briinn, 1887. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Hierbij gevoegd: Fiinfter Bericht der meteorologischen Commis-
sion des naturforschenden Vereines in Briinn.
96.
97.
98.
99.
100.
101,
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. LXI
Verslag van de 42ste Zomervergadering en van de 21ste Winter-
vergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging, ge-
houden te Maastricht op 23 Juli 1887 en te Leiden op 22 Januari
1888. ’s Gravenhage, 1888. 8vo.
Verslag van het 40ste Nederlandsch Landhuishoudkundig Congres
te Haarlem in 1887. Haarlem, 1888. 8vo.
Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van
Wetenschappen, afd. Natuurkunde. Sde Reeks, DI. III, 3de
Stuk; DI. IV; DI. V, iste Stuk. Amsterdam, 1887/88. 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Zeitschrift für Naturwissenschaften. Herausgegeben im Auftrage
des naturw. Vereins für Sachsen und Thüringen. Bd. LX
Heft 2—6. Halle a. S., 1887. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr.
v. Entom.).
„Reizen.
Niets bijgekomen.
Varia.
Boekwerken ter tafel gebracht in de Vergaderingen van de
Directie der Kon. Natuurk. Vereeniging te Batavia gedurende
het jaar 1886 (Januari— Juni).
Lettre aux membres de la Société Entomologique de Belgique
par un de leurs vieux confrères. Bruxelles, 1888. 8vo. (Geschenk
van den heer A. Preudhomme de Borre).
BIBLIOTHEEK B.
Natuurlijke Historie in het Algemeen.
Niets bijgekomen.
Algemeene Dierkunde.
Niets bijgekomen.
Algemeene Entomologie.
Tepper (J. G. 0.), Common Native Insects of South Australia.
A popular guide to South Australian Entomology. Part I. Coleo-
ptera or beetles. Adelaide, 1887, 8vo,
LXII BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
10.
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera.
Weise (J), Naturgeschichte der Insecten Deutschlands. 1ste Abth.
Coleoptera. Bd. VI, Lief. 5 (Bogen 49—60). Berlin, 1888. 8vo.
B. Lepidoptera.
Dewitz (H.), Westafrikanische Tagschmetterlinge (Nymphaliden).
Mit 1 col. Taf. Halle, 1887. Ato.
Moore (F.), The Lepidoptera of Ceylon. Supplementary Part XIII.
With coloured plates. London, 1887. 4to.
Müller (Dr. W.), Südamerikanische Nymphalidenraupen. Versuch
eines natiirlichen Systems der Nymphaliden. Mit 4 Tafin. Jena,
1886. 8vo.
Smith (H. Grose) and W. F. Kirby, Rhopalocera exotica, being
Illustrations of New, Rare, or Unfigured Species of Butterflies.
Part I—V. London, 1887/88. 4to.
Trimen (R.) and J. H. Bowker, South African Butterflies: A
Monograph of the extra-tropical species. Vol. I (Nymphalidae);
Vol. II (Erycinidae and Lycaenidae). London, 1887. With col.
pl. 8vo.
Vollenhoven (S. C. Snellen van), Sepp’s Nederlandsche Insecten.
2de ser. 4de deel, n°. 33—36. Met 4 pl. ’s Gravenhage, 1887. 4to.
Cc Hymenoptera.
Handlirsch (A), Monographie der mit Nysson und Bembea ver-
wandten Grabwespen. Wien, 1887. M. Tafln. 8vo.
Schimper (A. F. W.), Die Wechselbeziehungen zwischen Pflanzen
und Ameisen im tropischen Amerika. Jena, 1888. Mit 3 Tafln. 8vo.
D Hemiptera.
Niets bijgekomen.
E. Neuroptera.
Niets bijgekomen.
F. Orthoptera.
Niets bijgekomen.
IE
12.
13.
14.
15.
16.
ET
18.
19.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING, LXIIT.
G Diptera.
Niets bijgekomen.
H. Arachnoidea en Myriapoda.
Niets bijgekomen.
Palaeontologie.
Niets bijgekomen.
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Niets bijgekomen.
Tijdschriften.
Abeille (|), Mémoires d’Entomologie, par S. A. de Marseul,
n°. 320—329. Paris, 1887/88. 8vo.
Album der Natuur. Jaarg. 1887, aflev. 11 en 12; Jaarg. 1888,
aflev. 1—11. Haarlem, 1887/88. 8vo.
Annales de la Société Entomologique de Belgique. ‘Table générale
des Tomes I—XXX, et Catalogue des ouvrages périodiques de la
bibliothèque, par A. Lameere. Bruxelles, 1887. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
Annales de la Société Entomologique de France. 6me sér. Tom. VI.
Paris, 1886/87. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Annales des Sciences Naturelles. Zoologie et Paléontologie. 7me
ser. Tom. II, n°. 5—6; Tom. III, n°. 1--6; Tom. IV, n°. 1—6;
Tom. V, n°. 1—6. Paris, 1887/88. 8vo.
Annals and Magazine of Natural History. Conducted by Giinther,
Dallas, Carruthers and Francis. 5th ser. Vol. XX, n°. 3—6:
Vol. XXI; Vol. XXII, n°. 1—3. London, 1887/88. 8vo.
Archiv fiir Naturgeschichte. Gegriindet von Wiegmann, und fort-
gesetzt von Erichson, Troschel, von Martens und Hilgendorf,
Jahrg. 51, Heft 6, Jahrg. 52, Bd. II, Heft 1; Jahrg. 53,
Bd. I, Heft 1—3, Bd. II, Heft 2. Berlin, 1885/87. 8vo.
Archives (Nouvelles) du Muséum d'Histoire naturelle de Paris.
2me sér. Tom. IX; tom. X, ler fasc. Paris, 1887. 4to.
Bericht iiber die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der
Entomologie während des Jahren 1886 (Crustacea 1885 und 1886)
von Dr. Ph. Bertkau und Dr. G. H. Fowler. Berlin, 1887. 8vo,
LXIV BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
20. Berliner Entomologische Zeitschrift. Herausgegeben von dem
21.
23.
24.
25.
26.
27.
28.
29.
30.
Entomologischen Verein in Berlin. Jahrg. XXXI, 2tes Heft;
Jahrg. XXXII, 1stes Heft. Mit Tafln. Berlin, 1887/88. 8vo. (In
ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscon,
publie sous la direction du Prof. Ch. Lindeman. Année 1886,
n°. 4; ann. 1887, n°. 1—4; ann. 1888, n°. i. Moscou, 1886—88.
8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
. Deutsche Entomologische Zeitschrift. Herausgegeben von der
Deutschen Entomologischen Gesellschaft. Redacteur Dr. G. Kraatz.
Jahrg. XXXI, Heft 2, Jahrg. XXXII, Heft 1. Mit Tafin. Berlin,
1887/88. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Entomologische Zeitung. Herausgegeben von dem Entomologischen
Vereine zu Stettin. Jahrg. 48. Stettin, 1887. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Conducted by Barrett,
Douglas, Fowler a. o. Vol. XXIV, n°. 4—12; Vol. XXV, n°. 1—4.
London, 1887/88. 8vo.
Horae Societatis Entomologicae Rossicae. Tom. XXI. Petropolis,
1887. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Journal (The) of the Linnean Society of London. Zoology. Vol. XX,
n°. 118; Vol. XXI, n°. 130 and 131; Vol. XXII, n°. 136—139.
London, 1887/88. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft.
Redigirt von Dr. G. Stierlin. Vol. VII, n°. 10; Vol. VIII, n°. 1.
Schaffhausen, 1887/88. Svo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Notes from the Leyden Museum. Founded by the late Prof. H.
Schlegel, continued by Dr. F. A. Jentink, Director of the Museum.
Vol. IX, n°. 4; Vol. X. With plates. Leyden, 1887/88. 8vo.
Revue d’Entomologie, publiée par la Société Française d’entomo-
logie. Rédacteur A. Fauvel. Tom. V. Caen, 1886. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Transactions of the Entomological Society of London for the year
1887. London, 1887. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
. Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging. DI. XXX, afl. 4; DI. XXXI, afl. 1—3.
Met gekl. pl. ’s Gravenhage, 1887/88. 8vo.
32.
33.
34.
35.
36.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. LXV
Verhandlungen des naturhistorischen Vereines der preussischen
Rheinlande, Westfalens und des Reg.-Bezirks Osnabriick. Heraus-
gegeben von Dr. Ph. Bertkau. Jahrg. XLIV; Jahrg. XLV, 1ste
Hälfte. Bonn, 1887/88. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Verslag van de 42ste Zomervergadering en van de 21ste Winter-
vergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging, ge-
houden te Maastricht op 23 Juli 1887 en te Leiden op 22 Januari
1888. ’s Gravenhage, 1888. 8vo.
Wiener Entomologische Zeitung. Herausgegeben und redigirt von
J. Mik, E. Reitter und F. Wachtl, Jahrg. VI, Hett 6—10;
Jahrg. VII, Heft 1—6. Mit Tafln. Wien, 1887/88.
Zoological Record for 1886. London, 1887. 8vo.
Zoologist (The), a Monthly Journal of Natural History. Edited
by J. E. Harting. 3rd ser. Vol. XI,-n®. 129—132; Vol. XII,
n°. 133 —141. London, 1887/88. 8vo.
Reizen.
Niets bijgekomen.
Varia.
Niets bijgekomen,
ENTOMOLOGISCHE INHOUD
DER
ONTVANGEN TIJDSCHR CERN:
September 1887.
Entomologist (The). An illustrated Journal of general Entomology.
Edited by J. T. Carrington. Vol. XX, n°. 292 (September
1887) (a) 1).
On a new species of Diaperis from Japan, by G. Lewis. — On a
species of Phellopsis found in Japan and Siberia, by G. Lewis. —
Lycaenidae in North Kent, by R. South. — Lycaenidae in North
Kent, by E. Sabine. — Notes from Shoeburyness, by W. G.
Sheldon. -— Entomological Notes, Captures, etc. — Societies.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXIV, n°. 280 (September
1887) (0).
Supplement to annotated list of British Anthomyidae, by R. H.
Meade (continued). — A new species of Aeshna from South America,
by R. Me Lachlan. — Butterflies occurring at Dover and its
vicinity since 1860, by ©. G. Hall. — Observations upon Aspidiotus
rapax Comstock, and A. camelliae (Boisd.) Signoret, two allied
species of Coccidae, by A. C. F. Morgan. — Mesosa nubila in
Huntingdonshire, by J. Brown. — Entomological Notes, Captures ,
ete. — Obituary: Dr. Max Gemminger and Robert Francis Logan. —
Societies. — Note on some British Coccidae, by J. W. Douglas.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. Vol. XX, n°. 117
(September 1887) (0).
On the Pyrochroidae of Japan, by G. Lewis. — Description of a
new Genus of Chalcosiid Moths allied to Pedoptila, by A. G,
1) (a) duidt aan dat het werk tot de oorspronkelijke Bibliotheek der Ned. Ent.
Vereeniging, (4) dat het tot de Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier behoort.
ENTOM. INHOUD DER ONTV. TIJDSCHRIFTEN. LXVII
Butler. — Description of a new genus and species of Polyzonidae ,
by R. Innes Pocock. — Descriptions of new species of Cicadidae ,
by W. L. Distant. — Note on a new type of compound eye,
by F. E. Beddard. — Descriptions of new species of Lepidoptera
from the Solomon Islands, collected by C. M. Woodford, by A,
G. Butler. — Aulax hypochoeridis, a new Gall-fly, by J. J.
Kiefer. — Habitat of Peripatus Leuckarti, by Prof. F. Jeffrey Bell.
Zoologist (The). A monthly Journal of Natural History. Edited by
J. E. Harting. 3rd ser. Vol. XI, n°. 129 (September 1887) (0).
Craneflies preyed upon by Gulls and Terns, by C. Brazenor.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. VI, Heft 6 (August 1887) (b).
Beiträge zur Kenntniss der Haarfliigler (Trichopterygier), von C.
Flach. — Ein neuer Carabus aus Tscherkessien , von Edm. Reitter. —
Dipterologische Miscellen, von J. Mik. — Neue Borkenkäfer aus
Europa und den angrenzenden Ländern, von Edm. Reitter. —
Literatur: Allgemeines, Rhynchota, Diptera.
Archiv für Naturgeschichte. Herausgegeben von Dr. F. Hilgendorf.
Jahrg. 53, Bd. I, Heft 1 (0).
Die von Dr. Sander 1883—1885 gesammelten Cirripedien (Acasta
sculicosta, n. sp.), von Dr. W. Weltner. — Duftorgane bei
Phryganiden, von Dr. W. Miiller.
Tijdschrift voor Entomologie. Dl. XXX., afl. 4 (a en b).
Aanteekeningen over Nederlandsche Lepidoptera, door P. C. T.
Snellen. — Araneae exoticae, quas collegit, pro Musei Lugdu-
nensi, J. R. H. Neervoort van de Poll, insulis Curacao, Bonaire
et Arubâ, et quas determinavit Dr. A. W. M. van Hasselt. —
Lijst van planten waarop de in Nederland voorkomende Micro-
lepidoptera te vinden zijn, door Dirk ter Haar (vervolg). —
Boekaankondiging, door P. C. T. Snellen. — Vierzehn neue
Heteromeren, von Bradshaw im Zambesi-Gebiete aufgefunden und
im Museum der Königlichen Zoologischen Gesellschaft „Natura
Artis Magistra” zu Amsterdam befindlich , beschrieben von Clemens
Müller, mit Abbildungen von J. R. H. Neervoort van de Poll. —
Bemerkungen über die Attelabiden und Nemonygiden von Hollän-
disch Limburg, von Erich Wasmann, S, J. — Bemerkungen zu
der Arbeit , Beschreibung neuer Pselaphiden aus der Sammlung
des Museums Ludwig Salvator von Dr. L. W. Schaufuss”, von
Edm. Reitter.
October 1887.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XX, n°. 293
(October 1887) (a).
LXVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Notes on Entomological Classification, by Geo. Vernon Hudson. —
The Educational value of Entomological Collections, by J. W.
Tutt. — Notes upon Nepticulidae, by J. B. Hodgkinson. — The
Mongrel-hybrid Theory, by C. A. Briggs. — The Lycaenidae of
North Kent, by J.-W. Tutt. — Notes on Lobophora viretata,
by the Rev. C. F. Thornewill. — The Hessian Fly, by Miss E.
A. Ormerod. — Entomological Notes, Captures, ete. — Societies.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXIV, n°. 281 (October 1887) (0).
Note on some British Coecidae (n°. 8, continued), by J. W. Douglas. —
Sphinx convolvuli in Norfolk in 1887, by C. G. Barrett. — On
a species of the family Gelechidae hitherto unrecognised in England,
by W. Warren. — Description of a new Gelechia of the Lita-
group, allied to G. maculea, by J. W. Tutt. — On the true
distinction between Lithosia complana and L. lurideola, by A.
G. Butler. — List of British Tipulidae, etc. (Daddy-Longlegs),
with Notes (continued), by G. H. Verrall. — Entomological
Notes, Captures, etc. — Societies.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. Vol. XX, n°. 118
(October 1887) (0).
Descriptions of eight new species of Asiatic Butterflies, by H.
Grose Smith. — Notes on Sphingidae from the Malay Peninsula,
and Description of a new Species of Ambulyx from North Borneo,
by W. L. Distant. — On the Classification of the Diplopoda, by
R. Innes Pocock. — Scent-organs in Phryganidae, by Dr. W.
Miiller.
Notes from the Leyden Museum. Vol. IX, n°. 4 (October 1887) (0).
Description de deux Dytiscides nouveaux, par M. Régimbart. —
Description d’un Gyrinide nouveau, par M. Régimbart. — Contribu-
tions to the knowledge of the Longicorn group of the Batoceridae ,
by J. R. H. Neervoort van de Poll. — On the forma priodonta
of Odontolabis Dalmani Hope, and the forma teledonta of Odon-
tolabis celebensis Leuthn., by J. R. H. Neervoort van de Poll. -
Synonymical remarks on Madagascar Cetoniidae, by J. R. H.
Neervoort van de Poll. — Description of a new species of the
Australian Longicorn genus Brachytria Newm., by J. R. H.
Neervoort van de Poll. — Descriptions d'Elatérides nouveaux,
provenant de Normantown: baie de Carpentaria (Australie septen-
trionale), par E. Candéze. — Description of two new species of
Aesernia, by Martin Jacoby.
Album der Natuur. Jaarg. 1887, aflev. 12 (0).
Invloed der voeding op de kleuring van vlinders. — Nog eens de
zelfmoord van scorpioenen. — Vliegen en tuberkelbacillen.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXIX
Entomologica Americana. Vol. III, n°. 6 (September 1887) (a).
Proceedings of the Entom. Club of the A. A. A. S. at the New
York Meeting, August 1887. — What makes a species in the
genus Arclia, by J. B. Smith. — Notes upon some of Mr. Walker’s
species of Geometridae, by G. D. Hulst. — Synopsis of the
North American species of Lordotus, by D. W. Coquillett. —
Studies on the North American Proctotrupidae, with Descriptions
of new species from Florida (Part 1), by W. H. Ashmead
(continued). — Notes on American Lepidoptera, by A. G. Butler. —
Myriopoda or Myriapoda, by A. S. Packard.
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indie. Deel XLVI (a).
Vlinders op het eiland Edam aangetroffen, door Mr. M. C. Piepers.
Bulletin de la Société Impériale de Moscou. Année 1886, n°. 4 (b).
Die am Getreide lebenden Thrips-Arten Mittel-Russlands, von Prof.
K. Lindeman.
Idem. Année 1887, n°. 1 et 2 (b).
Die Pteromalinen der Hessenfliege (Cecidomyia destructor S.), von
Prof. K. Lindeman. — Entomologische Beiträge, von Prof. K.
Lindeman. — Die Hessenfliege (Cecidomyia destructor Say) in
Russland, von Prof, K. Lindeman.
Bulletin of: the California Academy of Sciences. Vol. 2, n°. 6 (January
1887) (a).
Descriptive Notices of North American Coleoptera, I, by Thos.
L. Casey.
Transactions of the American Entomological Society. Vol. XIII, n°. 3
and 4 (a).
Descriptions of new Pyralidae, by Geo D. Hulst. — A generic
Synopsis of the Hymenopterous Family Proctotrupidae, by L. O.
Howard. — Monograph of the Mutillidae of North America, by
Ch. A. Blake. — Dipterological Notes and Descriptions, by S.
W. Williston, — Catalogue of the Described Species of South
American Syrphidae, by Prof. S. W. Williston. — Contributions
to a knowledge of the Lepidoptera of West Afrika, by Rev. W.
J. Holland. — Monthly Proceedings of the Entomological Section.
Verhandlungen des naturhist. Vereines der Preuss. Rheinlande u. s.
w. Jahrg. 34, Hälfte 1 (0).
Ueber die Cirrhipediengattung Chihamalus Ranz., von Prof. Schlüter. —
Ueber den Bau der Chernetiden, von Dr. Bertkau.
Comptes-Rendus de la Société Entom. de Belgique. Sér. III, n°. 91
(Octobre 1887) (a).
LXX ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Observations sur les moeurs du Blaniulus guttulatus Bose, et expé-
riences sur la perception de la lumière par ce Myriopode aveugle,
par F. Plateau. — Trois Psychides nouvelles, décrites par F.J.
M. Heylaerts. — Trois notes, par F. J. M. Heylaerts.
November 1887.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XX, n°. 294
(November 1887) (a).
Acidalia immorata L., a species new to Britain (with illustration),
by J. H. A. Jenner. — Notes on the Notodontidae, by the Rev.
B. Smith. — The Lita group of Gelechiidae, by J. W. Tutt. —
Lycaenidae in North Kent, by R. South. — A reply to Mr.
Briggs, by R. South. — Note on the genus Lycaena, by J.
Jenner Weir. - Entomological Notes, Captures, etc. — Societies.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXIV, n°. 282 (November
1887) (0).
Life-history of Scopula decrepitalis, by G. T. Porritt. — Notes on
British Hymenoptera, by E. Saunders. -— Occurrence of Lozotaenia
(Cacoecia Hb.) decretana Tr. in Norfolk, by W. Warren. — The
larva of Batrachedra pinicolella, by J. H. Wood. — An entomo-
logical Ramble at Bergen, Norway, August 20th, 1887, by R.
C. R. Jordan. -— Entomological Notes, Captures, etc. — Societies. —
Notes on the species of Heinemann’s family Chauliodidae that
occur in England, by W. Warren.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. Vol. XX, n°. 119
(November 1887) (0).
A list of Japanese Silphidae, with descriptions of new species, by
G. Lewis. — Descriptions of some new genera and species of
Curculionidae, mostly Asiatic. Part IV, by F. P. Pascoe. — On
the sexual generation of Chermes abietis Linn. , by Dr. F. Blochmann.
Zoologist (The). Edited by J. E. Harting. 3rd ser. Vol. XI, n°. 131
(November 1887) (6).
Crustacea from the Channel Islands, by E. J. Miers. — Societies.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. VI, Heft 7 (September 1887) (6).
Beschreibung einer den Birnen schädlichen Gallmiicke (? Diplosis
nigra Meig.), von Prof. Riley. — Rüsselkäfer aus Algier und
Syrien, von J. Faust. — Ueber Klater-Arten aus der Verwandt-
schaft des E. ochropterus Eschsch., von Edm. Reitter. — Cole-
opterologische Notizen, von Edm. Reitter. — Note Diptérologique ,
par J. M. F. Bigot. — Literatur: Rhynchota, Diptera.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXI
Album der Natuur. Jaarg. 1888, aflev. 1 (b).
Vliegenlarven als gasten van vleeschetende planten.
Entomologica Americana. Vol. III, n°. 7 (October 1887) (a).
Proceedings of the Entom. Club of the A. A. A. S. at the New
York Meeting, August 1887. — Cryplorhynchus lapathi Linn.,
by W. Juelich. — A living Ixodes said to have been four months
in the ear of a man, by Dr. H. A. Hagen. — Notes on Stenus
and Barinus, by T. L. Casey. — Method of Oviposition of
Tachina, by A. C. Weeks. — North American Pyralidae, by
Prof. C. H. Fernald. — Description of a new Proctotrupid, by
W. H. Ashmead. — New species of Pyralidae, by Geo. D.
Hulst. — Descriptions of new species of North American Tineidae,
by W. Beutenmüller. —- A remarkable Arctian and a history, by
D. Bruce.
Comptes-Rendus de la Société Entom. de Belgique. Sér. III, n°. 92
(Novembre 1887) (a).
Remarques, par M. de Sélys Longchamps. — Liste de Lépidoptéres
récoltés à Pontianak par M. Bollen, par M. Capronnier. — Le
genre Japyx Haliday appartient-il à l’ordre des Orthoptères ou à
l’ordre des Thysanoures?, par M. de Bormans.
Jahrbücher des Nassauischen Vereins für Naturkunde. Jahrg. XL (a).
Catalog der Coleopteren von Japan mit Angabe der bezüglichen
Beschreibungen und der sicher bekannten Fundorte, zusammen-
gestellt von H. von Schönfeldt. — Beiträge zur Lepidopteren-
Fauna des malayischen Archipels (IV). Ueber die Calliduliden,
von Dr. A. Pachenstecher.
Mittheilungen der schweizerischen Entom. Gesellschaft. Vol. VII,
ni 10 (D).
Bericht über die dreissigste Versammlung der schweiz. Entom.
Gesellschaft, den 26 Juni 1887 in Luzern. — Fourmis récoltées
à Madagascar par le Dr. C. Keller, décrites par A. Forel. —
Beschreibung neuer Rüsselkäfer und Bemerkungen, von Dr. G.
Stierlin. — Description de plusieurs nouvelles espéces de Panor-
pides provenant du Japon et de la Sibérie orientale, par R. Me
Lachlan. -— Beiträge zur Kenntniss der schweizer Blattwespen
(Tenthredinidae), von Dr. von Heyden. — Pityophthorus Henscheli
Seitr., von Forstmeister Miihl.
Nouvelles Archives du Musée d’hist. nat. de Paris. 2me ser. Tom. 9,
1er fase. (b). P
Matériaux pour servir à l’étude des Coléoptéres de la famille des
Paussides, par A. Raffray.
LXXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
December 1887.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XX, n°. 295
(December 1887) (a).
Agrolis fennica, by N. F. Dobrée. — On a Japanese species of
Sandalus (with illustration), by G. Lewis. — Parasites of the
Hessian Fly, by E. A. Ormerod. — Notes on Scoparia angustea,
by W. G. Sheldon. — A rational Method of setting the under
sides of Rhopalocera (with illustration), by P. Rendall. —
Entomological Notes, Captures, ete. — Societies.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXIV, n°. 283 (December
1887) (0).
Notes on the species of Heinemann’s family Chauliodidae that
occur in England (concluded), by W. Warren. — On the luminous
larviform females of the Phengodini, by Prof. C. V. Riley. —
Concerning Anomalon tenuicorne Grav., by J. B. Bridgman. —
Notes on Lepidoptera in the Italian Lake District, by A. H.
Jones. — Notes on some varieties of Melitaeae from the Italian
Lake District, by W. F. de V. Kane. — A marine caddisfly
in New South Wales, by R. Me Lachlan. — Entomological
Notes, Captures, ete. — Review. — Societies.” — A new
species of Hetaerius from Tangier, by G. Lewis. — Note on
some British Coccidae (N°. 8, continued), by J. W. Douglas.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. Vol. XX, n°. 120
(December 1887) (6).
Descriptions of two new species of Hyponomeutidae from the Solomon
Islands, by A. G. Butler. — Descriptions of two new species of
Cicadidae, by W. L. Distant. — Descriptions of six new species
of Butterflies captured by Mr. John Whitehead at Kina Balu
Mountain, North Borneo, in the collection of Mr. H. Grose Smith.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. VI, Heft 8 (October 1887) (b).
Nachtrag zur Monographie der Oestriden, von Prof. Dr. Fr. Brauer. —
Coleopterologische Notizen, von Edm. Reitter. — Drei neue
österreichische Staphyliniden, von Dr. Eppelsheim. — Ueber
Buprestis rustica L. und haemorrhoidalis Hbst, von Dr. A.
Fleischer. — Bemerkenswerthe neue Käfer-Varietäten, von
Dr. A. Fleischer. — Dipterologische Notizen, VI, von Prof.
J. Mik. — Literatur.
Album der Natuur. Jaarg. 1888, aflev. 2 (b).
Iets over schadelijke vlinders, van Dr. D. Lubach. — De sprieten
der insekten als reuk-organen. — Voortplanting van schildluizen. —
Photographie door het licht van glimwormen.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXIII
Entomologica Americana. Vol. III, n°. 8 (November 1887) (a).
Notes on Lachnosterna, by G. H. Horn. — Early stages of Orgyia
nova Fitch, by H. Edwards. — The collection of insects in
National Museum. — Observations on Capsidae with descriptions
of new species, by P. R. Uhler. — An interesting new genus
of South American Tachinidae, by Prof. !S. W. Williston. —
A new Sphinx, by J. B. Smith. — Notes on Diludia G. et R.,
by J. B. Smith. — Hemipterological Contributions, by W. H.
Ashmead. — Coleopterological Notes, by W. Beuttenmueller. —
Foodplants of Lepidoptera, by W. Beutenmueller. — A note on
the european Parasites and Foodplants of Cryptorhynchus Lapathi,
by L. O. Howard. — Society News.
Comptes-Rendus de la Soc. Entom. de Belgique Sér. II, n°. 93
(Décembre 1887) (a).
Notes sur les moeurs d’une grande espéce de Scolopendre mexicaine ,
par le Dr. A. Dugés.
Deutsche Entomologische Zeitschrift. Redact. Dr. G. Kraatz. Jahrg.
31, Heft 2 (0).
Besprechung von Seidlitz’ Fauna Baltica Ed. II, von Dr. G. Kraatz. —
Pimelia laevisulcata Kraatz aus Marocco, eine auffallende Varietät
von P. Fairmairei Kraatz, von Dr. G. Kraatz. — Orina vir-
gulata Germ. var. nov. Papei Weise, von J. Weise. — Ist
Clivina collaris Herbst Art oder Varietät, von J. Schilsky. —
Bembidium obliquum Sturm und varium Oliv., von J. Schilsky. —
Kleinere Mittheilungen, von J. Weise. — Uebersicht der europäi-
schen Ochthebius-Arten, von A. Kuwert. — Anthobiodes n. gen.
Halticarum, von J. Weise. — Neue brasilianische Staphyliniden,
bei Eciton hamatum gesammelt von Dr. W. Müller, beschrieben
von E. Wasmann. — Neue Staphylinen von Amur, beschrieben
van Dr. Eppelsheim (2tes Stück). — Synonymische Bemerkun-
gen über europiische Staphylinen, von Dr. Eppelsheim. —
Bericht über die von den Herren Prof. Dr. von Fritsch und
Prof. Dr. Rein in Marocco und dem Atlas-Gebirge gesammelten
Käfer, von Dr. L. von Heyden. — Mylabridum seu Bruchidum
(Lin. Schön. All.) europeae et finitimarum regionum Faunae
recensitio, auctore F. Baudi (Schluss). - Zwei neue Arten der
Gattung Byrrhus L., beschrieben von G. Czwalina. — Neue
Coleopteren aus Europa, den angrenzenden Ländern und Sibirien ,
mit Bemerkungen über bekannte Arten, von Edm. Reitter. —
Zur Species-Kenntniss der Maikäfer ans Europa und den angren-
zenden Ländern, von Edm. Reitter. — Kurze Bemerkungen zu
dem vorhergehenden Aufsatze, von Dr. G. Kraatz.
LXXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Actas de la Academia Nacional de Ciencias de la Republica Argentina
en Cordoba. Tom. V, entr. 3 (a).
Abejas (continuacion), por el Dr. E. L, Holmberg.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou. Ann.
188,00: 3%(b):
Die Hessenfliege (Cecidomyia destructor Say) in Russland, von
Prof. K. Lindeman. — Otiorhynchus Turca Stev., ein Beschadiger
des Weinstockes, von E. Ballion.
Proceedings of the Scientif. Meetings of the Zoological Society of
London for 1886, Part IV. (a).
On the Lepidoptera of Mhow, in Central India, by Col. C.
Swinhoe.
Idem, for 1887, Part I--III (a).
On the Habits of the Tree Trapdoor Spider of Graham’s Town,
by the Rev. Nendick Abraham. — Report on the Insect-House
for 1886, by Mr. A Thomson. — Descriptions of the Phyto-
phagous Coleoptera of Ceylon obtained by Mr. G. Lewis during
the years 1881--82, by M. Jacoby. — On some Coleopterous
Insects collected by Mr. H. H. Johnston on the Cameroons
Mountain, by Chas. O. Waterhouse. — Notes on the Peripatus
of British Guiana, by W. L. Sclater. — Note on a new Parasitic
Dipterous Insect of the Family Hippoboscidae, by Chas.
O. Waterhouse. — Remarks upon a pair of Ornithoptera Victoriae,
by O. Salvin. — The experimental proof of the protective value
of colour and markings in insects in reference to their Vertebrate
Enemies, by E. B. Poulton. — On the classification of the
Coleoptera of the subfamily Languriides, by the Rev. H. 8.
Gorham. — On the Lepidoptera of Japan and Corea. Part I,
Rhopalocera, by J. H. Leech. — Description of some new
Lepidoptera from Sikkim, by H. J. Elwes. — Descriptions of
some new or little-known Butterflies from India, with some Note
on the Seasonal Dimorphism obtaining in the genus Melanitis, by
L. de Nicéville. — Remarks upon specimens of Papilio Porthaon
reared in the Society’s Insect-House , by A. Thomson. — Remarks
upon an original drawing of the head of an abnormal Palinurus
(P. penicillatus), by Prof. G. B. Howes. — List of a small
collection of Coleoptera obtained by Mr. W. L. Sclater in British
Guiana, by Martin Jacoby, with description of a new species
(Phileurus Sclateri), by H. W. Bates. — Report on a Zoological
Collection made by the Officers of H. M. S. „Flying Fish” at
Christmas Island, Indian Ocean: Crustacea, by R. I. Pocock;
Coleoptera, by C. O. Waterhouse; Lepidoptera, by A. G. Butler.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXV
Bulletin of the Essex Institute. Vol. XVIII (a).
The Development of Crangon vulgaris (second paper), by J. 8.
Kingsley.
Januari 1888.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XXI, n°. 296.
(January 1888) (a).
Post-glacial Insects, by A. Bell. — Entomology of Delamere
Forest, by J. Arkle. — Tortrices and Crambi taken in 1887,
by A. Thurnall. — Notes on Japanese species of Silpha, by
G. Lewis. — Proposal for a New Entomological Society, by
C. Matthews. — Entomological Notes, Captures, ete. —
Societies. — Review.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXIV, n°. 284 (January 1888) (5).
Note on some British Coccidae (n°. 8, concluded), by J. W.
Douglas. — The larva and case of Ithytrichia lamellaris Eaton,
with references to other species of Hydroptilidae, by K. J.
Morton. — Neuroma clathrata Kol. reported from the London
District, by R. Mac Lachlan. — Aépophilus Bonnairii Signoret,
by J. H. Keys. — A year’s insecthunting at Gibraltar, by J.
J. Walker. — Review. — Entomological Notes, Captures, etc. —
Societies.
Annals and Magazine of Natural History. 6th ser. Vol. I, n°. 1
(January 1888) (0).
On three extremely interesting new Moths of the family Chalcosiidae
from Kilima-Njaro and Natal, by A. G. Butler. — The fauna
of the Podophthalmous Crustacea of the Bay of Marseilles, by
_P. Gourret.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. VI, Heft 9 (November 1887) (b).
Die Excremente der gallenbewohnenden Aphiden, von Dr. G.
von Horvath. — Coleopterologische Notizen, von Edm. Reitter. —
Uebersicht der mir bekannten Pedius-Arten, von Edm. Reitter. —
Ueber Tachina elegantula Zett. = Paragusia Frivaldskyi Schin.,
von F. Sintenis. — Ueber eine schon beschriebene aber noch
nicht benannte österreichische Dipterenart, von J. Mik. —
Dipterologische Miscellen, von J. Mik. — Literatur. — Notiz. —
Corrigendum.
Entomologica Americana. Vol. III, n°. 9 (December 1887) (a).
Early stages of some North American Lepidoptera, by H. Edwards. —
Notes on some Coleoptera, by M. L. Linell. — A bee new to
Entomologist’s, by G. D. Hulst. -— An unknown or forgotten
LXXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
illustration of North American Sphingidae, by Dr. H. A. Hagen. —
Larva of Acidalia insularia Guen., by Geo. D. Hulst. — Traces
of maternel affection in Eutilia sinuata F., by Mary E. Murtfeldt. —
Life History of Euscirrhopterus gloveri Grt. — Food-plants of
Lepidoptera, by W. Beutenmueller. — Society Meetings.
Schriften des naturwissensch. Vereins des Harzes in Wernigerode.
2ter Band (a).
Nachtriige zu der Macrolepidopterenfauna der Grafschaft Wernige-
rode, von Oberlehrer H. Fischer.
Archiv für Naturgeschichte. Jahrg. 53, Bd. I, Heft 2 (0).
Die Larve von Culex nemorosus, von E. Walther Raschke. —
Neue sibirische Chrysomeliden und Coccinelliden , von J. Weise. —
Bericht über die von Herrn Dr. Brock im indischen Archipel
gesammelten Decapoden und Stomatopoden, von Dr. J. G. de Man.
Idem. Bd. II, Heft 2 (0).
Bericht über die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der
Entomologie während des Jahres 1886, von Ph. Bertkau. --
Crustacea 1885 und 1886, von Dr. G. H. Fowler.
Verhandlungen des naturforschenden Vereines in Briinn. Bd. XXV. (a).
Ueber Verheerungen durch Insecten, von A. Makowsky. —-
Polyphylla fullo von Briinn, von J. Czizek. —- Bestimmungs-
tabellen der Dytisciden und Gyriniden des europäischen Faunen-
gebiete, von Dr. G. Seidlitz.
Entomologica Americana. Vol. III, n°. 10 (January 1888) (a).
New genera and species of North American Moths, by H. Edwards. —
Descriptions of three new Eucharids from Florida, with a
generic table of the Eucharinae, by W. H. Ashmead. —
Descriptions of new species. — Ewomias pellucidus Boh., by
A. C. Weeks. — A summer trip to Southern California, by
Geo. D. Hulst. — Larva of Hemileuca Nevadensis, by Geo. D.
Hulst. — Larva of Chlorosea bistriaria Pack. , by Geo. D. Hulst. —
Capturing Carabus serratus, by A. C. Weeks. -- A revision of
the genera Acrolophus Poey and Anaphora Clem., by Lord
Walsingham, by C. F. Fernald. — A wicked Worm, by
J. B. S. — On Bolina fascicularis (Hübn.) Guen., by H. B.
Möschler. — Society Meetings.
Tijdschrift voor Entomologie. Uitgegev. door de Nederl. Entom.
Vereen. DI. XXXI, aflev. 1 (a en b).
Verslag der 42ste Zomervergadering gehouden te Maastricht op
23 Juli 1887. — Catalogus synonymicus Pselaphidarum adhuc
descriptarum , auctore Camillo Schaufuss.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXVII
Comptes-Rendus de la Société Entomologique de Belgique. Ser. LIT,
n°. 95 (Janvier 1888) (a).
Enumeration of the Van Volxem collection of Rhynchota contained
in the Brussel’s Museum. Part. II, by W. L. Distant.
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Ann. XIX, trim. 3 e 4 (a).
Dr. P. Magretti, Sugli Imenotteri della Lombardia. Mem. IIIa. —
Rincoti del Sottoceneri. Nota del Prof. A. de Carlini. — Note
Emitterologiche, del Dott. G. Horvath. — Intorno alla struttura
del cervello della Somomya erythrocephala. Nota preventiva del
Dott. G. Cuccati. — Sulle transformationi che subisce il sistema
digerente dei Lepidotteri, passando dallo stato larvale a quello
d’insetto perfetto. Nota del Dott. D. Casagrande. — E. Allard
e A. Dodero, Due nuovi Coleotteri italiani raccolti in Sardegna
da Uberto Lostia di S. Sofia. — Dell’ ubicazione di alcune
specie di Coleotteri nell’isola di Sardegna. Nota del Socio Umberto
Lostia di S. Sofia. — Le tre forme sessuali del Dorylus helvolus
L., e degli altri Dorilidi, del Dott. C. Emery. — Formiche
della provincia di Rio Grande do Sûl nel Brasile, raccolte dal
dott. H. von Ihering, del Dott. C. Emery. -- I. Chatin, Ter-
minazioni nervose nelle antenne della Tinea tapezella. — - Lettera-
tura entomologica italiana. — Rassegna e Bibliografia entomologica.
Februari 1888.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XXI, n°. 298
(February 1888) (a).
Lepidoptera of the Outer Hebrides, by R. South. — Distribution
of Lepidoptera in the Outer Hebrides, Orkney, and Shetland,
by R. South. — Clostera anachoreta, by the Rev.J. Greene. —
Notes on the Macrolepidoptera of South Devon, by W. F. de
V. Kane. — Notes on the Notodontidae, by the Rev. B. Smith. - -
An Entomological Winter Campaign in Spain and North Africa,
by G. Dieck. --- Contributions towards a list of the varieties
of Noctuae occurring in the British Islands, by J. W. Tutt. —
Entomological Notes, Captures etc. — Societies. — Obituary:
W. Farren, J. English, J. Hamer.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXIV, n°. 285 (February
1888) (0).
Coleoptera at Armagh etc. in 1887, by Rev. W. F. Johnson. —
British Hemiptera: Additional species, by J. Edwards. — Acen-
tropus niveus in Norfolk, by C. G. Barrett. — Tropical African
Coleoptera, chiefly from the Zanzibar Mainland, by H. W. Bates
(continued). — Migration of insects, by Rev. C. Fowler. —
LXXVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Aspidiotus zonatus Frauenfeld, by A. C. F. Morgan. — Note on
Orthezia insignis, by J. W. Douglas. — On some new or little
known British Parasitic Cynipidae, by P. Cameron. — Entomological
Notes, Captures, ete. — Obituary: G. R. Waterhouse. — Societies.
Annals and Magazine of Natural History. 6th ser. Vol. I, n°. 2
(February 1888) (0).
New species of Butterflies collected by Mr. C. M. Woodford in the
Solomon Islands, by F. D. Godman and O. Salvin. — On account
of three series of Lepidoptera collected in North West India by
Major Yerbury, by A. G. Butler. — On the first Changes in
the fecundated Ovum of Lepas, by Prof. M. Nussbaum. —
Notice of two new Branchiopod Crustacea from the Trans-Caspian
Region, by Dr. A. Walter.
Zoologist (The). Edited by J. E. Harting. 3rd ser. Vol. XII, n°. 134
(February 1888) (0).
Peripatus in New South Wales, by A. Sidney Olliff. — Societies.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. VI, Heft 10 (December 1887) (0).
Nachtrag zu den Blennocampiden, von Fr. W. Konow. — Ueber
Brachyrrhynchus centralis Berg, von Dr. E. Bergroth. — Ueber-
sicht der mir bekannten Arten der Coleopteren-Gattung Dromius
Bon. aus Europa und den angrenzenden Liindern, von E. Reitter. —
Ueber eine mehrfach benannte und beschriebene Art aus der
Dipterenfamilie der Phoriden, von V. v. Röder. — Zwei Gall-
wiicken nnd ihre Gallen, von F. A. Wachtl. — Zur Biologie
von Zonosema Meigenii Löw und einer neuen Anthomyinen-Art,
von Prof. J. Mik. -— Coleopterologische Notizen, XXVII, von
E. Reitter. — Ueber Blaps armeniaca Fald. und Bl. armeniaca
All., von E. Ballion. — Note on the gen. Emipsara and Eudaemo-
nius, by G. Lewis. — Zu Herrn Dr. A. Fieischer’s coleopterolo-
gischen Artikeln in der Wien. Entom. Zeitung Jahrg. 1887,
VIII Heft, von Dr. G. Kraatz. — Ueber Apogon Dufourii Perr.
(ein dipterologischer Beitrag), von Prof. J. Mik. — Literatur.
Annales des Sciences Naturelles. Zoologie. 7me sér. Tom. IV, n°. 1 à 3 (0).
Etudes histologiques et organologiques sur les centres nerveux et
les organes des sens des animaux articulés. 5me mémoire: 1. le
cerveau du Criquet; 2°. comparaison du cerveau des Crustacés
et des Insectes; 3°. le cerveau et la morphologie du squelette
céphalique, par M. H. Viallanes. — Observations sur les Crabes
des eaux douces de l’Afrique, par M. A. Milne- Edwards.
Entomologica Americana. Vol. III, n°. 11 (February 1888) (a).
Address of Mr. G. W. J. Angell, the Retiring President of the
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXIX
Brooklyn Entomological Society. — On the position of the genus
Pleocoma Lec. in the Lamellicorn System, by Dr. Gerstaecker. —
Pleocoma fimbriata Lec., by L. E. Ricksecker. — Southern Form
of E. scribonia Stoll, by Annie Trumball Hosson. — New Species
of Geometridae (n°. 4), by Geo. D. Hulst. — The American
species of Callimorpha, by Geo. D. Hulst. — Deilephila lineata
Fabr., by Geo. D. Hulst. — Notes on the Larvae of Arclia
Brucei Edw., by D. Bruce. — Society News.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Ent. de Belgique. Sér. III,
n°. 96 (Février 1888) (a).
Trois Polyphylla de la Chine, par L. Fairmaire. — Note sur la
découverte 4 Lanklaer (Campine Limbourgeoise) du Gamphocleis
glabra Herbst, Orthoptére nouveau pour la Belgique, par le Dr.
C. Bamps. — Trois communications, par M. A. Preudhomme
de Borre.
Maart 1888.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XXI, n°. 298
(March 1888) (a).
Arctia caia (with illustration). — Coleoptera taken in 1887, by
A. Beaumont. — An Entomological Winter Campaign in Spain
and North Africa, by G. Dieck. — Contributions towards a List
of the Varieties of Noctuae occurring in the British Islands, by
J. W. Tutt. — The Elucidation of Causes of Variation, by S.
Webb. -— Entomological Notes, Captures, etc. — Societies.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXIV, n°. 286 (March 1888) (0).
Additions to the British Ichneumonidae, by E. Capron. — Descrip-
tion of a new species of Phyllotoma, with note on Nematus
crassicornis Htg., by P. Cameron. — Notes on British Tortrices
(continued), by C. G. Barrett. — Contribution to the Life-history
of Nephopteryx abietella S.V., with a description of its larva,
by E. A. Atmore. — Note on Dioryctria decuriella and its allies ,
by E. L. Bagonot. —- Larvae of Lepidoptera feeding on Coccidae,
by J. W. Douglas. — Information wanted as to Selenia illunaria ,
ete., by F. Merrifield. — Entomological Notes, Captures, etc. —
Review. — Obituary: G. R. Waterhouse, Dr. J. Th. Boswell,
W. Farren. — Societies. — Tropical African Coleoptera: chiefly
from the Zanzibar Mainland (continued), by H. W. Bates.
Annals and Magazine of Natural History. 6th ser. Vol. I, n°. 3
(March 1888) (0).
Descriptions of a new genus and of some new species of Longicorn
LXXX ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Coleoptera of the family Lamiidae, obtained by Mr. C. M.
Woodford in the Solomon Islands, by Ch. J. Gahan. — On
some species of Cetoniidae from the Loo Choo Islands, by O.
E. Janson. — An account of three series of Lepidoptera collected
in North-west India by Major Yerbury, by A. G. Butler. —
New species of Butterflies collected by Mr. C. M. Woodford in
the Solomon Islands, by F. D. Godman and O. Salvin.
Zoologist (The). Edited by J. E. Harting. 3rd ser. Vol. XII, n°. 135
(March 1888) (0).
A forgotten species of Peripatus, by Prof. E. Jeffrey Bell. —
Scientific Societies.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. VIL, Heft 1 und 2 (Januar
und Februar 1888) (0).
Notizen zu den europäischen Arten der Dipteren-Gattung Gonia
Meig., von F. Kowarz. — Coleopteren aus Circassien, gesammelt
von Hans Leder im Jahre 1887, von E. Reitter. — Dipterolo-
gische Miscellen, VIII, von Prof. J. Mik. — Ueber die Gallmiicke,
deren Larve auf Lamium maculatum Linn. Triebgallen erzeugt,
von Prof. J. Mik (Taf. 1). — Ueber unzulässige Gattungsnamen,
von Dr. G. Seidlitz. — Coleopterologische Notizen, XXVIII, von
E. Reitter. — Literatur: Allgemeines, Rhynchota, Lepidoptera,
Diptera, Hymenoptera. — Corrigenda.
Atome zur Biologie der Käfer, I, von L. Hacker. — Verbesserungen
zu meinem , Verzeichniss””, ete., von Prof. J. Mik. — Beitrag
zur Kenntniss von Saga serrata F., von F. A. Wachtl. — Be-
merkungen zur Coleopteren-Gattung Blaps, von Dr. G. Kraatz. —
Vier neue Coleopteren, von E. Reitter. — Eine zwitterähnliche
Missbildung von Syrphus lunulatus Meigen (mit 3 Holzschnitten). —
Literatur: Allgemeines, Thysanura, Orthoptera, Lepidoptera,
Diptera. — Corrigenda.
Entomologisk Tidskrift. Utgifven af J. Spängberg. Arg. VIII (a).
O. Th. Sandahl, Entomologiska föreningens sammankomst den 26
Februari 1887. — O. Th. Sandahl, En , Sorgmantel” (Vanessa
Antiopa L.) öfvervintrande i en hvitmasstorfva. — Sven Lampa,
Om fluglarver förekomst i tarmkanalen hos menniskan. — E.
Holmgren, Lepidopterologiska iakttagelser i Stockholms omgif-
ningar. — J. Meves, Skogsinsekters härjningar. — J. Meves,
För larv-uppfödare. — E. Bergroth, Finsk entomologisk literatur
1886. — C. O. Porat, Om Norska Myriapoder. — G. Adlerz,
Myrmecologiska notiser. — Chr. Aurivillius, Svensk-norsk entomo-
logisk literatnr 1886. — Chr. Aurivillius, Ytterligare om lycae-
nidernas larver och myrorna. — J. Ammitzböll, Bidrag till
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LXXXI
kännedomen om svenka fjärilars geografiska utbredning. — W.
Sörensen, Sur la faculté des Condylopodes de fermer et d’ouvrir
spontanément leurs trachées. — 0. M. Reuter, Ad cognitionem
Heteropterorum madagascariensium. — W. M. Schöyen, Analytisk
oversigt over de skandinaviske slaegter af phytophage Hymeno-
ptera. — Ur främmande literatur. — Chr. Aurivillius, Entomo-
logiska anteckningar fran norra Roslagen. — 0. Th. Sandahl,
Nagra ord om den svartkantade ollonborren eller kastanjebaggen
(Melolontha Hippocastani F.). — Chr. Aurivillius, Nya Coleoptera
Longicornia. — C. H. Nerén, Bidrag till kännedomen om ekor-
respinarens (Stauropus fagi Linn.) utvecklingshistoria.
Revue d’Entomologie. Rédact. Alb. Fauvel. Tom. V (0).
Abeille de Perrin, Etude sur les Trechus aveugles du Dauphiné. —
d’Antessanty, Quelques Hémiptéres du Calvados. — ‘Bourgeois,
Faune Gallo-Rhénane (Malacodermes), suite. — R. du Buisson,
Description d’une nouvelle espèce de Chryside. — A. Fauvel,
Les Staphylinides du Nord de l’Afrique. — Idem, 2e supplément
aux Staphylinides recueillis par M. Montandon dans la Valachie
et la Dobroudja. — Idem, Description d’un nouveau genre de
Staphylinides de France. — Idem, Rectifications au Catalogus
Coleopterorum Europae et Caucasi (2me sér.). — Idem, Descrip-
tion d’un Bythinus nouveau de France. —- Idem, A Monsieur
Chrevreul. — Idem, Staphylinides des îles Philippines. — Idem,
Voir des Gozis. — Idem, Essai sur l’Entomologie de la Haute-
Auvergne. — Idem, Voir Puton. — Des Gozis, Les Histérides
gallo-rhénans, tableaux traduits et abrégés de l’allemand de J.
Schmidt, avec catalogue supplémentaire par A. Fauvel. — Idem,
Note sur le genre Liophloeus. — Horvath, Nouvelle Révision
du genre Plinthisus. — Konow, Description d’une nouvelle espèce
de Tenthrède. — Mae Lachlan, Notes additionelles sur les
Névroptères des Vosges. — Idem, Une excursion névroptérolo-
gique dans la Foret-Noire. — Martin, Les Odonates du départe-
ment de l’Indre. — Montandon, Hémiptères-Hétéroptères des
environs de Gorice (Illyrie) et description d’une espéce nouvelle. —
Idem, Hémiptéres-Hétéroptéres de la Dobroudja. — Olivier,
Lampyrides nouveaux ou peu connus. — Puton, Catalogue des
Hémiptéres de la faune paléarctique. — Idem, Nouvelle note sur
l’Aepophilus. — Reutter, Notes synonymiques. — Rey, Descrip-
tion de deux genres nouveaux de Tachyporiens. -— Tholin,
Neerologie: l’abbé Victor Mulsant.
Verhandlungen der k.k. zool.-bot. Gesellschaft in Wien. Bd. XXXVII,
Quartal 3 und 4 (a).
Ueber die Verwandlung der Meloiden, von Dr. F. Bauer. — Ueber
6
LXXXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Plethus cursitans, von H. A. Hagen. — Ueber Neurobasis und
Vestalis, von H. A. Hagen. — Siidamerikanische Formiciden,
von Dr. G. Mayr.
Naturhistorische Hefte. Vol. XI, n°. 1 (a).
Ueber die Begattung und die Copulationsorgane von Trochosa in-
fernalis Motsch., von A. Lendl. — Studia synonymica, auctore A.
Moesáry. — Species aliquot novae generis Andrena Fabr., auctore
H. Friese. — Trachyphloeus Frivaldskyi, species coleopterorum
nova e familia Curculionidarum, auctore D. Kuthy. — Species
tres novae generis Anthidium Fabr., ab A. Mocsäry descriptae.
Comptes-Rendus de la Soc. Ent. de Belgique. Sér. III, n°. 97 (Mars
1888) (a).
Quelques détails relativement à l’Adolias Corezia Hübn., par L. J.
Weyers. — Sur l’hivernation de deux espèces d’Odonates, par
M. de Sélys-Longchamps.
Entomologica Americana. Vol. III, n°. 12 (March 1888) (a).
Catalogue of Species of the Higher Families of the North American
Heterocera, described since Grote’s „New Check List” (1872),
with those omitted from that publication, by H. Edwards. —
Pleocoma Lec., its systematic position and indication of new
species, by G. H. Horn. — Obituary: W. W. Hill. — Index.
Berliner Entomologische Zeitschrift. Bd. XXXI, Heft 2 (b).
Lepidopterologische Beobachtungen in Französisch-Guyana, im be-
sonderen über Morpho- und Agrias-Arten. Nach brieflichen Mit-
theilungen von Leo Sahlke, nebst Nekrolog, von E. G. Honrath. —
Neue Fundorte von /apyx Hal. , mitgetheilt von Dr. F. Karsch. —
Einiges über die Färbung der Dipterenaugen, von E. Girschner. —
Studies on Tipulidae. Part II. Review of the published genera
of the Tipulidae brevipalpi, by C. R. Osten Sacken. — Die
Schmetterlingsfauna der Mosigkauer (Dessauer) Haide, von G.
Amelang. — Ueber Pselaphiden und Scydmaeniden des Königl.
zoologischen Museums zu Berlin und verwandte Arten, von Dr.
L. W. Schaufuss. — Papilio Gundlachianus Feld. Vorkommen,
Lebensweise und Varietiiten. Die Raupe im ersten Stadium, von
E. G. Honrath. — Ueber Athmung der Larven und Puppen von
Donacia crassipes, von Dr. E. Schmidt-Schwedt. — Die Käfer
der Mosigkauer Haide, von K. Schreiber. — Neue Rhopalocera,
von E. G. Honrath. — Die apistischen Forschungen Müllenhoff’s,
referirt von Schiller-Tietz, — Bericht über die durch Herrn Lieute-
nant Dr. C. W. Schmidt in Ost-Afrika gesammelten und von der
zoologischen Abtheilung des Königl. Musems fiir Naturkunde in
Berlin erworbenen Dipteren. — Nekrolog: Pierre Milliére.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LXXXIII
Horae Societatis Entomologicae Rossicae. Tom. XXI (0).
Diptera europaea et asiatica nova aut minus cognita. Pars V. Auctore
J. Portschinsky (Av. 1 pl). — Neue Cerambyciden von Peking,
von L. Ganglbauer. — Ein neuer Liopus aus dem Kaukasus, von L.
Ganglbauer. — Verzeichniss der von Herrn Herz in Peking, auf
der Insel Hainan und auf der Halbinsel Korea gesammelten Riissel-
käfer, von J. Faust. — Insecta in itinere cl. N. Przewalskii in
Asia centrali novissime lecta. III et IV. Sphegidae et Tenthredi-
nidae, auct. M. Radoszkowski et A. Jakowleff (Av. 2 pl). —
Descriptions d’espèces nouvelles ou peu connues du genre Spheno-
ptera Sol. des régions paléarctiques, par B. Jakowleff. — Faune
Hyménoptérologique Transcaspienne, par M.O. Radoszkowski,
Beitrag zur Fauna der Niederländischen Besitzungen auf den
Sunda-Inseln. II, von Dr. L. W. Schaufuss. -— Coléoptères nouveaux
de l’Asie centrale, par B. Jakowleff. — Insecta in itinere cl.
N. Przewalskii in Asia centrali novissime lecta, V, Genre Carabus,
par A. Séménow. — Diptera europaea et asiatica nova aut minus
cognita, auctore J. Portschinsky. — Insecta in itinere cl. N.
Przewalski in Asia centrali novissime lecta, VI. Clavicornia,
Lamellicornia et Serricornia, von E. Reitter. — Description de
deux espèces nouvelles du genre Carabus L., par A. Séménow. —
Description de deux nouvelles espèces du genre Poecilus Bon.,
par T. Tschitchérine. — Verzeichniss der von Herrn Otto Herz
auf der Chinesischen Halbinsel Korea gesammelten Coleopteren,
von Dr. L. von Heyden. — Sur quelques Osmia russes, par O.
Radoszkowski. — Révision des armures copulatrices de la famille
Epeolus, par 0. Radoszkowsky. — Pentatomides nouveaux de la
faune Russe-Asiatique, par B. Jakowleff. — Ueber die Metamor-
phose von Oxythyrea stictica L., von I. Schewiroff. — Insecta
in intinere cl. N. Przewalskii in Asia centrali novissime lecta.
VII. Coléoptères nouveaux, par B. E. Jakowleff. — Révision des
espèces du genre Prionus de la faune de la Russie, par B. E.
Jakowleff. — Insecta in itinere cl. N. Przewalskii in Asia centrali
novissime lecta. VIII. Cantharides nouveaux du Thibet, par W.
Dokhtouroff. — Description de deux coléoptères nouveaux de la
faune Aralo-Caspienne, par W. Dokhtouroff. — Ueber transcas-
pische Chlorion-Arten, von Dr. F. Morawitz. — Neue Elateriden
und Bemerkungen über bekannte Arten, von E. Koenig. — Insecta
in itinere cl. N. Przewalskii in Asia centrali novissime lecta. IX.
Tenebrionidae, von E. Reitter. — Insecta a cl. G. N. Potanin
in China et in Mongolia novissime lecta. I. Tribus Carabidae,
par A. Séménow. — Hyménoptères de Korée, par O. Radosz-
kowski. — Insecta in intinere el. N. Przewalskii in Asia centrali
novissime lecta. X. Cicindelidae, par W. Dokhtouroff. -— Insecta
LXXXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
in itinere cl. N. Przewalskii in Asia centrali novissime lecta. XI.
et XII. Neuroptera, 1, par E. de Sélys Longchamps et R. Me
Lachlan. — Aricia vagans Fall. (nec Schiner), par J. Schnabl.
April 1888.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XXI, n°. 299
(April 1888) (a).
Variety of Spilosoma urticae, by C. A. Briggs (with illustration). —
Distribution of Lepidoptera in the Outer Hebrides, Orkney and
Shetland, by R. South. — Contributions towards a list of the
varieties of Noctuae occurring in the British Islands, by J.
W. Tutt. — Notes on some British Tortrices, by W. G. Sheldon. —
Northern Lepidoptera in 1887, by J. B. Hodgkinson. — On
the capture of a new species of Pytho in Japan, by G. Lewis. —
Entomological Notes, Captures, ete. — Societies.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXIV, n°. 287 (April 1888) (0).
Tropical African Coleoptera: chiefly from the Zanzibar Mainland,
by H. W. Bates (concluded). — Tortrices in Norfolk in 1887, by
C. G. Barrett. — Descriptions of the larvae of Butalis siccella
and B. variella, by E. R. Bankes. — Description of the larva
of Leucania turca, by G. T. Porritt. -— Ephestia semirufa
(Haw.?), Stn., by John H. Wood. — Notes on Dr. Hermann
Miiller’s, Fertilisation of Flowers, by E. Saunders. — Des-
criptions of some new species of Microlepidoptera from Algeria,
by G. T. Baker. — The egg and young larva of Anthocharis
cardaminis, by T. A. Chapman. — Description of a new genus
and species of Lycaenidae, by H. H. Druce. — Nepticula
serella, n. sp., by H. T. Stainton. -- White Butterflies in Japan,
by H. Pryer. — Rhyacophila munda Me Lachl. in West Central
France, by R. Mc. Lachlan. — Review. — Societies.
Annals and Magazine of Natural History. 6th. ser. Vol. I, n°. 4
(April 1888) (0).
New species of Lucanidae, Cetoniidae and Buprestidae in the
British Museum, by Chas. O. Waterhouse. -- On Longicorn
Coleoptera of the family Lamiidae, by Chas. J. Gahan. — On
the genus Theatops, by R. I. Pocock. — Descriptions of new
species of oriental Homoptera belonging to the family Cicadidae. —
Bibliographical Notices: A Catalogue of the Moths of India.
Compiled by E. C. Cotes and C. Swinhoe. Part I. Sphinges;
Part II. Bombyces. — Catalogue de Crustacés Malacostracés
recueillis dans la Baie de Concarnau, par J. Bonnier. — On
Parasitic Castration in the Eucyphotes of the genera Palaemon
and Hippolyte, by A. Giard.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LXXXV
Notes from the Leyden Museum. Vol. X, n°. 1 and 2 (January
and April 1888) (b).
Descriptions of new Cetoniidae, by Oliver E. Janson. — On the
male sex of Argyripa subfasciata Rits., and description of a new
species of the Cetoniid genus Allorhina, by Oliver E. Janson. —
Bemerkung über zwei Histeriden, von Joh. Schmidt.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. VII, Heft 3 (März 1888) (b).
Coleopteren aus Cireassien, gesammelt von Hans Leder im Jahre
1887 (II. Theil), von Edm. Reitter. — Ueber einige von G. A.
Olivier beschriebene Dipteren, von J. Mik. — Dipterologische
Miscellen IX, von J. Mik. — Bemerkung zu Herrn Th. Becker’s
Aufsatz über Dipteren-Zwitter, von ©. R. Osten-Sacken. —
Dipterologische Beiträge, von V. von Röder. — Bemerkungen
zur Dipteren-Gattung Exoprosopa Macq., von V. von Röder. —
Calocoris Costae n. sp., von Dr. O. M. Reuter. — Fünf neue
Trichopterygier (Coleoptera), von C Flach. - Coleopterologische
Notizen, XXIX, von Edm. Reitter. — Ueber die als Adjeetivum
gebildeten Gattungsnamen, von Edm. Reitter. — Note dipterolo-
gique, de J. Bigot. — Literatur. — Notizen. — Corrigenda.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou. Ann.
1887, n°. 4 (b).
La régénération des organes perdus chez les Araignées, par V.
Wagner. — Kurze Notizen über einige russische Blaps-Arten,
von E. Ballion. — Vorläufige Diagnose und Beschreibung zweier
neuer Branchiopoden aus Transkaspien, von A. Walter.
Verhandlungen des naturhist. Vereines der preuss. Rheinlande und
Westfalens. Jahrg. 44, 2te Hälfte. (0).
Nicht eine, sondern zwei Singcicaden in der Rheinprovinz, von
L. Geisenheyner. — Ein brasilianischer Bockkäfer in Kreuznach
(Trachyderes striatus), von L. Geisenheyner. — Ueber Duft-
apparate einheimischer Schmetterlinge, von Ph. Bertkau. -- Ueber
den Bau der Chernetiden, von Ph. Bertkau.
Comptes-Rendus de la Soc. Ent. de Belgique. Ser. III, n°. 98 (Avril
1888) (a).
Diagnose d’une nouvelle espèce de Thysanoptéres , par E. Bergroth. —
Essai de Catalogue des Staphylinini (Fauvel) de la province
d'Anvers, par P. J. Roelofs. — Note sur quelques Buprestides
de Sumatra, par M. Weyers. — Note sur Carabus clathratus ,
par M.M. Weyers et Preudhomme de Borre.
Entomologica Americana. Vol. IV, n°. i (April 1888) (a).
A preliminary list of the Myriapoda of Arkansas with descriptions
of new species, by ©. H. Bollman. — An introduction to a
LXXXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
classifisation of the North American Lepidoptera, by J. B.
Smith (continued). —- Note on Bolina fasciolaris, by A. G. Butler. —
A disclaimer, by J. B. Smith. — Descriptions of new Florida
Chalcids, belonging to the subfamily Encyrtinae, by W. H.
Ashmead. — Thoroughness in Entomological Tables, by T. I.
Casey. — Society News.
Entomologische Zeitung herausgegeben von dem Entom. Verein in
Stettin. Jahrg. 48 (0).
Exotische Lepidopteren IV, von G. Weymer. — Zwei neue Pythiden,
von Dr. J. W. Behrens. — On Butterflies of the genus Parnassius,
by H. J. Elwes, von H. B. Möschler. — Lepidopterologische
Mittheilungen aus Ostpreussen, von A. Riesen. —- Zur Biologie
von Acidalia punctata Tr., von Heinr. Grosz. — Centralasiatische
Lepidopteren, von Dr. 0. Staudinger. — Welsche Plaudereien,
von ©. A. Dohrn. — Aus der Lepidopteren-Fauna der russischen
Ostseeprovinzen, von Dr, C. von Lutzau. — Vereinsangelegen-
heiten. — Sammel-Reminiscenzen, von C. Grevé. — Welsche
Plaudereien, von C. A. Dohrn. — Eupithecia distinctaria H.S.
162, von O. Bohatsch. — Notizen über einige Käfer des öst-
lichen Turkestan, von L. Conradt. — Illustrations of North
American Entomology by Townend Glover, von Dr. H. Hagen. —
Biologische Beobachtungen, von A. Hoffmann. — Welsche Plaude-
reien, von Dr. C. A. Dohrn. — Die Fächerflügler (Strepsiptera),
von W. Müller. — Vereinsangelegenheiten. — Diagnosen neuer
Lepidopteren aus Tekke, von H. Cristoph. — Diagnosen einiger
neuer centralasiatischer Lepidopteren, von S. Alpheraky. —
Ueber einige Bertolonische Kifer aus Mossambik im Museum von
Bologna, von Dr. ©. A. Dohrn. — Goliathus atlas n.sp., von O.
Nickeil. — Neue Riisselkiifer vom Kyndyr-Tau (Turkestan), von J.
Faust. — Ergiinzende Bemerkungen zu Dr. Gerstaecker’s Mono-
graphie der chilenischen Carabus-Arten, von A. von Kraatz-
Koschlau. — Verschiedenes iiber Ceroglossus, von A. von Kraatz-
Koschlau. — Hochzeitsfackeln der Leuchtkäfer. Beobachtungen von
C. Emery. — Ein Nachruf, von ©. A. Dohrn (Max Gemminger). —
Authentische Heimath des Carabus Weisei , von V. Gaiger. — Mate-
rialien zu einer Monographie der Curculionen-Gruppe Pachyrrhyn-
chidae, von W. Behrens. -- Biologische Kleinigkeiten, von Dr.
Flach. — Nachtrag zu den Lepidopteren von den Shetland-Inseln ,
ete, von A. Hofmann. — Ueber Erastria scitula Hübn. Eine Lesef-
rucht. — Ueber einige Arten Nepticula, von C. T. Glitz. — Ein
dänisches Postscriptum zu den welschen Plaudereien, von Dr. C. A.
Dohrn. — Sphodristus acuticollis Motsch. und Procrustes Payafa
White, von Ch. Haury. — Verzeichniss der von Herrn L. Conradt im
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LXXXVII
östlichen Turkestan gesammelten Rüsselkäfer nebst Beschreibung
neuer Arten, von J. Faust. — Biologische Beobachtungen, von
A. Hoffmann. — Nachtrag zu dem Heimaths-Certificaat des
Carabus Weisei ausgestellt durch Herrn V. Gaiger in Zara, von
Edm. Reitter. — Technische Notizen, von W. Behrens. — Zur
Literatur der Paussiden, von Dr. C. A. Dohrn. — Vereins-An-
gelegenheiten. — Dr. Geo. H. Horn über Amblychila Picolominii
und Dromochorus Pilatei. — Ein neuer Prachtkäfer, beschrieben
von Dr. Flach. — Persönliche Angelegenheit. — Stiftungssitzung
am 6 November 1887. — Lepidopterologische Mittheilungen,
von A. Speyer. — Die Verwandtschaft von Procrustes Payafa
Haw. mit Sphodristus acuticollis Motsch., von L. Ganglbauer. —
Ein neuer Omphreus, beschrieben von L. Ganglbauer. — Welsche
Plaudereien, von C. A. Dohrn. — Ueber Ceroglossus, von A.
von Kraatz-Koschlau. — Procerus laticollis Kraatz, von A. von
Kraatz-Koschlau. — Biologische Kleinigkeiten, von Dr. Flach. —
Verzeichniss der Schmetterlinge Thiringens, von F. Knapp (2te
Aufl... — Brachycerus Guineensis sp. n., par L. Péringuey. —
Zwei nene Blattiden-Gattungen, beschrieben von Dr. H. Dohrn. —
Gromphadorhina Hildebrandti n. sp., beschrieben von Dr. H. Dohrn.
Deutsche Entomologische Zeitschrift. Redact. Dr. G. Kraatz. Jahrg.
32, Heft 1 (b).
Allgemeine Angelegenheiten 1888. I. — Gnorimus variabilis var.
Heydeni Beck., von G. Beckers. — Das deutsche entomologische
National-Museum, von Dr. G. Kraatz. — Die 60. Versammlung
Deutscher Naturforscher und Aerzte zu Wiesbaden, 1887, von
Dr. G. Kraatz. — Ueber Carabus auratus var. Brullei Géhin,
von Dr. G. Kraatz. — Beiträge zur Kenntniss der Pachyrrhynchus-
Arten, von Dr. G. Kraatz. — Die pidagogische und ethische
Bedeutung der Entomologie, von Dr. G. Seidlitz. -- Ueber die von
L. Conradt aus dem Alai-Gebirge mitgebrachten Coleopteren.
Beitrag XII, von M. Dr. L. von Heyden. — Beiträge zur Klein-
asiatischen Coleopteren-Fauna, von M. Dr. L. von Heyden. —
Ueber Carabus breviusculus Kraatz aus Ungarn, von Dr. G.
Kraatz. — Neue Staphylinen Central-Asiens, beschrieben von
Dr. E. Eppelsheim. — Käfer vom Cilieischen Taurus, mitgetheilt
von M. Dr. L. von Heyden. — Neue und interessante Coleopteren
aus Malatia in Mesopotamien, mitgetheilt von M. Dr. L. von
Heyden. -- Ueber Otiorhynchus bicostatus und gemellatus, von
Dr. G. Stierlin. — Ueber Coccinellen aus Afrika, hauptsächlich
von Herrn v. Mechow gesammelt, von J. Weise. — Einiges iiber
den Werth mehrerer Coleopteren-Gattungen und: über deren
Prioritäts-Berechtigung, von Edm. Reitter, — Ueber Hippuriphila
LXXXVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
simplicipes Kutsch., von J. Weise. — Ueber die afrikanische
Galeruciden-Gattung Pachytoma Clark, von J. Weise. — General-
Uebersicht der Hydraenen der europäischen Fauna, von A. Kuwert. --
Timarcha strophium, von J. Weise. — Beiträge zur Käferfauna
Deutschlands, III, von J. Schilsky. — Uebersicht der Berosus-
Arten Europas, der Mittelmeer-Fauna und der angrenzenden
Länder, von A. Kuwert. — Zur Kenntniss von Phengodes, von
Dr. E. Haase. — Zur Abwehr, von Dr. G. Seidlitz. — Ueber
Apion dispar Germ., Hookeri Kirby und Sorbi F., von Dr. G.
Kraatz. -— Ein neues deutsches Lathrobiwm , beschrieben von Dr.
Eppelsheim. — Signoretia Kraatz statt Westwoodia Sign., von
Dr. G. Kraatz. — Laccobius elongatus Tourn. = lencaspis Kiesenw. ,
von Dr. G. Kraatz. — Beitrag zur Kenntniss der deutschen
Käferfauna, von J. Schilsky. — Ist Rhizophagus parallelocollis
wirklich ein Leichenfreund, von Dr. G. Kraatz. — Ueber Kifer
und Schmetterlinge der Mosigkauer Haide, Referat von Dr. G.
Kraatz. — Zwei neue Blaps von Alai (Turkestan), von Dr. G.
Kraatz. — Ueber Beiträge zur Käferfauna der Bucowina und
Nordrumänien, von Dr. G. Kraatz. — Beiträge zur Kenntniss
der Coleopteren-Fauna Koreas von H. J. Kolbe und Dr. L. von
Heyden, besprochen von Dr. G. Kraatz. — Ueber die Gattung
Cyphonotus Fisch. und einige ihr verwandte neue russiche Melolon-
thiden-Genera, von Dr. G. Kraatz. -— Die Blattwespengattung
Allantus Jur., von Fr. W. Konow. — Fahraea nov. gen. Hydro-
philidarum, von Dr. E. Bergroth. — Ueber Cychrus convexus Mor.,
von Dr. E. Bergroth. —- Dictyoptera sanguinea L. vielumworben, von
Dr. G. Kraatz. — Catalog der Coleopteren von Japan, zusammen-
gestellt von H. von Schönfeldt, besprochen von Dr. G. Kraatz. —-
Ueber „kurze Beschreibungen neuer Deutscher Arten”, von Dr.
G. Kraatz. — Neue, von Herrn Lothar Hetschko um Blumenau
im südlichen Brasilien gesammelte Pselaphiden , von Edm. Reitter.
Annales de la Société Entomologique de France. 6me sér. Tom. VI
(1886) (b).
Chenilles nouvelles. Lépidoptères nouveaux ou peu connus, par M,
P. Milliére. — Notes Hyménoptérologiques, par M. le Prof. C.
G. Thomson (3me partie). — Liste des Hémiptères recueillis à
Madagascar, aux environs de Tamatave, en 1885 par le Révérend
Pére Camboné et description des espéces nouvelles, par M. V.
Signoret. -— Notes sur les Coléoptères recueillis par M. Raffray,
à Madagascar, et description des espèces nouvelles, par M. L.
Fairmaire (2me partie). — Catalogue des Coléoptéres des iles
Philippines, par M. G. A. Baer. — Etudes sur les Lampyrides,
par M. E. Olivier (2me partie). — Essai monographique de la
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXIX
famille des Gyrinidae. ler Supplément, par M. le Dr. M. Régim-
bart. — Priorité absolue ou prescription ? par M. E. Abeille de
Perrin. — Note sur une aberration de la Spilosoma zatima, par
feu A. Depuiset. — Une nouvelle aberration de Vanessa cardui
L. (aber. inornata), par M. K. L. Bramson. - - Note sur des
oeufs remarquables d’un Insecte Diptère, par M. le Prof. A.
Laboulbène. — Diptères nouveaux on peu connus. 29me partie,
par M. J. M. F. Bigot. — Descriptions de Coléoptères de
l'intérieur de la Chine, par M. L. Fairmaire. — Evolution et
Biologie des Hypera arundinis Payk. et Hypera adspersa Fabr.
(H. pollux Fabr.), par H. Gadeau de Kerville. — Relation
d’un voyage entomologique dans le territoire d’Assinie, possession
française de la côte occidentale d’Afrique, par M. Ch. Alluand. —
Diptéres nouveaux ou peu connus, par M. J. M. F. Bigot. —
Etudes sur les Crustacés du sous-ordre des Phyllopodes, par
M. E. Simon. — Des chenilles vésicantes, par M. Th. Goossens. —
Monographie du genre Ancistrosoma, par M. A. Sallé. — Réponse
à une Note de M. Abeille de Perrin, relative à la Nomenclature
entomologique, par M. M. des Gozis. — Notice nécrologique sur
Depuiset (Louis-Marie-Alphonse), par M. A. L. Clément. —
Notice nécrologique sur Maurice Girard, par M. G. A. Poujade. —
Bulletin des Séances et Bulletin bibliographique. — Faune des
Coléoptères du bassin de ia Seine, et de ses bassins secondaires:
Rhynchophora (suite), par M. L. Bedel.
Mei 1888.
Entomologist (The). Edited by J. T Carrington. Vol. XXI, n°. 300
(May 1888) (a).
Proposed new Entomological Society, by J. T. Carrington. —
Diplosis pyrivora Riley, the Pear-gnat (with illustr.), by R. H.
Meade. — Varieties of Rhopalocera near Dover, by Sydney
Webb. — Contributions towards a list of the Varieties of
Noctuae occurring in the British Islands, by J. W. Tutt. —
Entomological Notes, Captures, ete. — Societies.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXIV, n°. 288 (May 1888) (0).
Description of a new species of Aleurodes, by J. W. Douglas. — Notes
on some Norwegian Crambi, by G. T. Baker. — On the knot-horn
larva which infests the cones of spruce fir, by H. T. Stainton. —
A new species of Crambus from Colorado, by T. D. A. Cockerell. —
Entomological Notes, Captures ete. — Obituary. — Societies.
Annals and Magazine of Natural History. 6th ser. Vol. I, n°. 5
(May 1888) (b).
Description of Scolopendra valida Lucas, with Notes on allied
XC ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
species, by R. I. Pocock. — Some observations on the Coleo-
pterous Family Bostrichidae, by C. O. Waterhouse. — Short
Life-histories of nine Australian Lepidoptera, by A. Sidney
Olliff. — Descriptions of new species of Oriental Cicadidae, by
W. L. Distant.
Zoologist (The). Edited by J. E. Harting. 3rd ser. Vol. XII, n°. 137
(May 1888) (0).
Our common Dragonflies, by W. E. Baily. — Societies.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. VII, Heft 4 (April 1888) (0).
Orthoptera duo- nova ex insula Lesina Dalmatiae, descripsit H.
Krauss. — Primo cenno sulla Fauna dell’isola Lesina in Dal-
mazia. Dermoptera et Orthoptera. Di Giov. Battista Novak. —
Coleopterologische Notizen, von Edm. Reitter. — Ueber die
Dipteren-Gattung Alloeostylus Schnabl und über die sogenannten
Kreuzborsten bei Anthomyiden-Weibchen, von J. Mik. — Dip-
terologische Miscellen, von J. Mik. — Coleopteren aus Cirkassien ,
gesammelt von Hans Leder im Jahre 1887, beschrieben von
E. Reitter. — Vorläufige Diagnosen zwei neuer Prionus-Arten ,
von A. von Semenov. — Die Meconemiden, ein orthopterologischer
Beitrag, von Dr. F. Karsch. — Literatur. — Corrigenda.
Comptes-Rendus de la Soc. Ent. de Belgique. Sér III, n°. 99 (Mai
1888) (a).
Liste des Passalides recueillis en 1872 par feu C. van Volxem
pendant son voyage au Brésil, par A. Preudhomme de Borre.
Entomologica Americana. Vol. IV, n°. 2 (May 1888) (a).
Preliminary Survey of the Cicadidae of the United States, by
P. S. Uhler. — Callida purpurea Say, by O. Dietz. — Des-
cription of Mature Larva of Gnophaela vermiculata G. et R.,
by D. Bruce. — Euproserpinus euterpe, a new species of
Sphingidae, by H. Edwards. — An Introduction to a Classifi-
cation of the North American Lepidoptera, by J. B. Smith. —
On North American Tineidae, by Wm. Beutenmüller. — On
the genus Sympetrum Newm., by Dr. H. A. Hagen. — A
more wicked worm, by H. B. Möschler. — Phloeophagus spadix
Herbst, by W. Jülich. — Early stages of Erebus odora L., by
H. T. Fernald. — North American Pyralidae, by Prof. C. H.
Fernald. — Book notice. — Society news.
Tijdschrift voor Entomologie. Uitgeg. d. d. Ned. Ent. Ver. DI. XXXI,
afl. 2 (a en D).
Verslag van de 21ste Wintervergadering der Ned. Ent. Ver. — Cata-
logus synonymicus Pselaphidarum adhuc descriptarum, auctore
Camillo Schaufuss (vervolg en slot). — Die getreidesammelnden
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. XCI
Ameisen in Alter und Neuer Zeit von Erich Wasmann, S.J., door
Ed. E. — Bijdrage tot de kennis der Aganaidea H. S., door P. C.
T. Snellen. — Quelques nouvelles Pédiculines, par E. Piaget.
Zeitschrift für Naturwissenschaften. Bd. LX, Heft 5 und 6 (b),
Die europäischen Arten der Dipterengattung Alophora, von E.
Girschner. — Physopoden aus dem Braunkohlengebirge von Rott
am Siebengebirge, von Dr. D. von Schlechtendal.
Transactions of the Entomological Society of London for the year
1887. (b).
Cecidomyia destructor Say in Great Britain, by E. A. Ormerod. —
Descriptions of some new species of Brachycerus, by F. P.
Pascoe. — Pedigree Moth-breeding, as a means of verifying
certain important Constants in the General Theory of Heredity ,
by F. Galton. — Practical suggestions and enquiries as to the
method of breeding Selenia illustraria for the purpose of obtaining
data for Mr. Galton, by F. Merrifield. — Description of a new
species of Synchloé from Kilima-njaro, by Ph. Crowley. —
Descriptions of some new species of Rhopalocera from the Solo-
mon Islands, by G. F. Mathew. — Monograph of British
Braconidae, Part II, by the Rev. T. A. Marshall. — Descrip-
tion of a new species of the lepidopterous genus Camara,
together with a few notes on the genus, by G. T. Baker. —
A revision of the genera Acrolophus Poey and Anaphora Clem.,
by Lord Walsingham. — Description of a new genus of Rhopa-
locera allied to Anteros Hew., by G. T. Baker. — New genera
and species of Buprestidae, by C. O. Waterhouse. — On
- Pyralidina from Australia and the South Pacific, by E. Meyrick. —
Descriptions of some exotic Microlepidoptera, by E. Meyrick. —
Notes in 1886 upon lepidopterous larvae, etc., by E. B. Poulton. —
On Byrsops and some allied genera, by F. P. Pascoe. — Con-
tributions to a knowledge of Oriental Rhynchota. Part I. Fam.
Pentatomidae, by W. L. Distant. — Further additions to the
Rev. T. A. Marshall’s Catalogue of British Ichneumonidae, by
John B. Bridgman. — On a new genns of South African
Pselaphidae, by Th. L. Casey. — On the Butterflies of the
French Pyrenees, by H. J. Elwes. — Proceedings of the
Entomological Society of London.
Juni 1888.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XXI, n°. 301
(June 1888) (a).
Labelling Insects, by J. W. Tutt. — Description of Larva of
Macromphalia rivularis Butler, by W. Bartlett-Calvert. — Lepi-
XCII
ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
doptera in the Channel Islands, by the Rev. F. A. Walker. —
Contributions towards a List of the Varieties of Noctuae occur-
ring in the British Islands, by J. W. Tutt. — Entomological
Notes, Captures, ete. — Societies. — Review. — Obituary:
H. J. S. Pryer; M. E. Glanville, by E. A. Ormerod.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXV, n°. 289 (June 1888) (0).
Coleophora Frischella L. (= €. trifolii Curt.), versus C. melilotella
Scott, by E. R. Bankes. — Concerning some of Haworth’s
types of British Microlepidoptera, by W. Warren. — A concise
generical synopsis, with an annotated list of the species of
British Ephemeridae, by Rev. A. E. Eaton. — Description of
a new Nepticula from Beech, by H. T. Stainton. — Description
of the larva of Euclidia mi, by G. T. Porrit. — Entomological
Notes, Captures, ete. — Entomological Societies. — List of
British Tipulidae, ete. (,Daddy-longlegs”), with notes, by
G. 1H. Verrall.
Annals and Magazine of Natural History. 6th ser. Vol. I, n°. 6
(June 1888) (b).
On Butterflies of the genus Teracolus obtained by Mr. H. G.
Palliser at Khandesh in the Winter of 1886—87, by A. G. Butler.
Comptes-Rendus de la Soc. Ent. de Belgique. Ser. IH, n°. 100
(Juin 1888) (a).
Flacon de chasse au cyanure de potassium, par A. de Bormans.
(nb. zie over hetzelfde onderwerp het vorige nummer der C. R.
waar het besproken wordt door den heer J. L. Weyers).
Entomologica Americana. Vol. IV, n°. 3 (June 1888) (a).
A
revised Generic Table of the Eurytominae, with Descriptions ot
New species, by W. H. Ashmead. — Notes on the Crambidae,
by C. H. Fernald. — Biography of Acontia delecta Walker, by
A. C Weeks. — A note on Chanopterus Boh., by G. H. Horn. —
Notes on Geometridae, n°. 4, by G. D. Hulst. — Book Notices:
Revision of the species of Lachnosterna of America North of
Mexico, by G. H. Horn. — Twenty-two common insects of
Nebraska. — A new species of Hyparpax, by E. L. Graef —
Notes on Life-History of Scopelosoma moffatiana Grote, by R.
F. Pearsall. — Books and Pamphlets received during April
1888. — Society News.
Mittheilungen der schweiz. Entom. Gesellschaft. Vol. VIII, Heft n°. 1 (6).
Neue Ichneumoniden der Schweiz, von Brauns. — Beschreibung
einiger neuen europäischen Rüsselkäfer, von Dr. G. Stierlin. —
Nachträge zur Fauna Coleoptera Helvetiae, von A. Rätzer. —
Ueber Phyllobius croaticus, von Dr. Stierlin. — Bijgevoegd was:
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, XCIII
Fauna insectorum helvetiae Diptera. Familie Tipulidae Schiner,
von Prof. Dr. G. Huguenin. Schaffhausen, 1888.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. VII, Heft 5 (Juni 1888) (b).
Coleoptera nova e Transsilvania, a Prof. O. Sandor descripta. —
Coleopteren aus Circassien gesammelt von Hans Leder im Jahre
1887 (IV Theil), von Edm. Reitter. — Dipterologische Miscellen,
XI, von Prof. J. Mik. — Zur Biologie von Ceratopogon Meig.
nebst Beschreibung einer neuen Art dieser Gattung, von Prof.
J. Mik. — Ueber einige nord-amerikanische Tipuliden, von
E. Bergroth. — Dipterologische Bemerkungen, von P. Stein. —
Literatur. — Corrigendum.
Juli 1888.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol, XXI, n°. 302
(July 1888) (a).
High flat-setting of Lepidoptera, by A. Cant. — Variation of
certain Agrotidae, by J. W. Tutt. — Contributions towards a
List of the varieties of Noctuae occurring in the British Islands,
by J. W. Tutt. — A fortnight in Switzerland, by R. J.
Hutchinson. — Entomological Notes, Captures, ete. — Societies.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXV, n°. 290 (July 1888) b).
List of British Tipulidae with Notes, by G. H. Verrall. — On
two additional British species of Sarcophagidae or flesh-flies,
by R. H. Meade. — A concise generically synopsis with an
annotated List of the species of British Ephemeridae (concluded),
by the Rev. A. E. Eaton. — Carrion beetles attracted by
Arum dracunculus, by J. J. Walker. — A new species of
Cyclopides from Chili, by W. Bartlett-Calvert. — Addition to
the list of British Hemiptera, by E. Saunders. -— Entomological
Notes, Captures, ete. — Entomological Societies. — Observations
on Coccidae (n°. 1), by A. C. F. Morgan.
Annals and Magazine of Natural History. 6th ser. Vol. II, n°. 7
(July 1888) (b).
On new Longicorn Coleoptera from China, by C. J. Gahan. —
On the family Rhysodidae, by G. Lewis.
Zoologist (The). Edited by J. E. Harting. 3rd ser. Vol. XII, n°. 139
(July 1888) (0).
Dromia vulgaris in Cornwall, by G. Tregelles. — Scientific Societies.
Notes from the Leyden Mnseum. Vol. X, n°. 3 (July 1888) (0).
On Erotylidae of the Leyden Museum, by the Rev. H. S. Gorham. —
A new species of the Coleopterous family Endomychidae, by
the Rev. H. S. Gorham. — Some new species of Phytophagous
XCIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Coleoptera from Brasil (Colony Blumenau), by Martin Jacoby. —
On the genus Apoleon Gorh., by the Rev. H. S. Gorham. —
Description of a new species of the Coleopterous genus Languria,
by the Rev. W. W. Fowler. — The species of the Rhynchophorous
genus Ectatorhinus Lacord, enumerated by C. Ritsema Cz. —
Description of a new species of the Buprestid genus Endelus
H. Deyr., by C. Ritsema Cz. — On five new and two unsuffi-
ciently known species of the Longicorn genus Pachyteria, by
C. Ritsema Cz. — Description of two new species of the Longicorn
group Callichromini, by C. Ritsema Cz. — Two synonymical
remarks about Longicorn Coleoptera, by C. Ritsema Cz. — Des-
cription of three new species of the Longicorn group Agniini, by
C. Ritsema Cz. — Description of a new Cetoniid, by O. E. Janson.
Comptes-Rendus de la Soc. Ent. de Belgique. Sér. III, n°. 101
(Juillet 1888) (a).
Odonates recueillis aux îles Loo-Choo par feu M. Pryer, par E. de
Sélys Longchamps. — Notice nécrologique sur Charles Donckier
de Donceel, par E. de Sélys Longchamps.
Entomologica Americana. Vol. IV, n°. 4 (July 1888) (a).
Early stages of some North American Moths, by H. Edwards.
Notes on Lepidoptera, by H. Edwards. — Larva of a large
species of Hepialidae (Phassus triangularis H. Edw.) from Vera
Cruz, Mex., by Wm. Schaus Jr. — A proposed classification
of the Hemiptera, by W. H. Ashmead. — The faunal limits
of the United States, by G. D. Hulst. — Lycaena sonorensis
Feld., by W. G. R. Wright. — Note on the genus Platythyris,
by A. R. Grote. — Collecting Notes, by Chas. Liebeck. —-
Foodplants of Lepidoptera, by Wm. Beutenmiiller. — Book
Notices. — Society News.
Album der Natuur. Jaarg. 1888, afiev. 9 (0).
Een verbond tusschen boomen en mieren, door Dr. J. H. Wakker.
Archiv fiir Naturgeschichte. Jahrg. 53, Bd. I, Heft 3 (0).
Bericht über die von Herrn Brock im Indischen Archipel gesammelten
Decapoden und Stomatopoden, von Dr. J. G. de Man (2te Hälfte).
Bulletin de la Soc. Imp. des Naturalistes de Moscou. Ann. 1888,
n°. 1 (0).
Die schädlichsten Insekten des Tabak in Bessarabien, von K.
Lindeman. — Des poils nommés auditifs chez les Araignées,
par W. Wagner.
Proceedings of the Scient. Meet. of the Zoological Society of London
for the year 1887. Part IV (a).
On two small collections of African Lepidoptera recently received from
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, XCV
Mr. H. H. Johnston, by A. G. Butler. — Revision of the Japanese
species of the Coleopterous family Endomychidae, by the Rev.
H. S. Gorham. — Descriptions of some new species of Lepidoptera
Heterocera, mostly from Tropical Africa, by H. Druce.
Journal of the Linnean Society of London. Zoology. Vol. XX, n°. 118 (b).
Notes on a collection of Crustacea from Singapore, by A. 0. Walker.
Idem. Vol XXII, n°. 136—139 (5).
Report on the Podophthalmous Crustacea of the Mergui Archipelago,
collected for the Trustees of the Indian Museum, Calcutta, by
Dr. John Anderson, by Dr. J. G. de Man.
Bulletin of the California Academy of Sciences. Vol. II, n°. 8 (a).
Some new North American Pselaphidae, by Thos. L. Casey.
Memoirs of the Boston Society of Natural History. Vol. IV, n°. 3 (a).
The introduction and spread of Pieris Rapae in North America,
1860—1885, by S. H. Scudder.
Augustus 1888.
Entomologist (The). Edited by J.T. Carrington. Vol. XXI, n°. 303
(August 1888) (a).
Lasioptera cerealis Lind. (with illustr.), by Peter Inchbald and R.
H. Meade. — Variation of certain Agrotidae, by J. W. Tutt. —
Parasites of the Hessian Fly, by F. Enock. — High flatsetting,
by K. M. Hincheliff and A. E. Hall. --- Contributions towards
a List of the Varieties of Noctuae occurring in the British Islands,
by J. W. Tutt. — Entomological Notes, Captures , etc. — Societies.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXV, n°. 291 (August 1888) (a).
A week in Jersey, by R. C. R. Jordan. — Notes on the synonymy
of certain British Leucanidae, by J. W. Tutt. — Notes on some
British and exotic Coccidae (n°. 9), by J. W. Douglas. — Anochetus
Ghilianii Spin. 2? by Edw. Saunders. — Descriptions of three
new species of Lepidoptera heterocera, by H. Druce. — Descrip-
tions of a species of Epischnia (Bankesiella) new to science, from
Portland, by N. M. Richardson. — Entomological Notes, Captures ,
ete. — Reviews. — Entomological Societies.
Annals and Magazine of Natural History. 6th ser. Vol. II, n°. 8
(August 1888) (0).
Description of a new species of Polistes from South America, by
W. F. Kirby. — On new species of Formicarious Histeridae
and Notes on others, by G. Lewis. — The species of the genus
Urodacus contained in the collection of the British Museum, by
R. I. Pocock. — On the geographical distribution of the genus
XCVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD DER
Diaptomus, by M.M. de Guerne and Richard. — Note on the
sense of direction in a European Ant (Formica rufa), by Dr.
Henry C. Me Cock. — On some new species of Ceponina , by M.M.
A. Giard and J. Bonnier. — On Henops brunneus Hutton, by W.
M. Maskell.
Zoologist (The). Edited by J. E. Harting. 3rd ser. Vol. XII, n°. 140
(August 1888) (0).
Dromia vulgaris in Cornwall, by E. Lovett. — Butterflies mobbing
small birds, by G. E. Lodge. — Scientific Societies.
Album der Natuur. Jaarg. 1888, aflev. 10 (0).
De lijkenverslindende insecten, door D. L.
Annales des Scieuces Naturelles. Zoologie. 7me ser. Tome V, n°. 5
et 6 (b).
Crustacés rares ou nouveaux des côtes de France, et particulière-
ment de la Bretagne (37me article), par M. Hesse.
Entomologica Americana. Vol. IV, n°. 5 (August 1888) («).
Preliminary survey of the Cicadidae of the United States, Antilles
and Mexico, by R. P. Uhler. — Handling Wasps without Harm,
by G. D. H. — A revised generic table of the Chalcidinae, by
W. H. Ashmead. — List of the Sphingidae of temperate North
America, by J. B. Smith. — Breading habits of Amphicerus
bicaudatus , by H. G. Hubbard. — Notes. — Correspondance. —
Note on species of Boarmia, by A. R. Grote. — Note upon Aegeria
impropria H.E., and a description of the female, by J. J. Rivers. —
Book Notices.
Tijdschrift voor Entomologie. Uitgegeven door de Nederl. Ent. Vereen.
DI. XXXI, aflev. 3 (a en b).
Quelques nouvelles Pédiculines, par E. Piaget. — Araneae exoticae ,
quas collegit, pro Museo Lugdunensi, Dr. H. ten Kate jr. in
Guyana Hollandicâ (Suriname), et quas determinavit Dr. A. W.
M. van Hasselt (cum figuris). — Lijst der Entomologische ge-
schriften van Mr. J. W. van Lansberge, gevolgd door eene opgave
der daarin beschreven nieuwe geslachten, ondergeslachten en
soorten, opgemaakt door C. Ritsema Cz. — Mieren en bladluizen ,
door Dr. H. Bos. — Beiträge zur Lebensweise der Gattungen
Atemeles und Lomechusa, von E. Wasmann, S. J.
Berliner Entomologische Zeitschrift. Bd. XXXII, Heft 1 (0).
Vereins-Angelegenheiten. — Sammeln von Schmetterlingen in tro-
pischen Ländern. — Entnehmen die Larven der Donacien ver-
mittelst Stigmen oder Athemröhren den Lufträumen der Pflanzen die
sauerstoffhaltige Luft, von Dr. H. Dewitz. — Hilara sartor n. sp.
(Osten-Sacken i. 1.) und ihr Schleier, von Th. Becker. — Constant
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. XCVIL
Bar und seine Verdienste um die Lepidopterologie, übersetzt
von E. G. Honrath. — Der Frass des Lebbachbockkiifers an den
Lebbachbäumen in Egypten, von Dr. Anderlind — Eine für die
deutsch-österreichische Fauna neue Catocala, von A. Streckfuss. —
Ueber das Flügelgeäder der finnischen Dendrometriden, von Dr.
A. Poppius. — Zwei neue Myriopoden von Ecuador, von Dr. F.
Karsch. — Ein abnormer Procrustes coriaceus L., von Dr. Karl
Eckstein. — Beiträge zur Kenntniss der Lepidopteren- Fauna des
Amurlandes, von L. Graeser. — Gastrocercus Richleri nov. spec. ,
von Prof. Dr. Fischer. — Beitriige zur Kenntniss der Koleopteren-
Fauna von Central-Afrika, nach den Ergebnissen der Lieutenant
Wissmann’schen Kassai-Expedition 1883 bis 1886, von G. Queden-
feldt. — Verzeichniss der von Herrn E. von Oertzen in den
Jahren 1884 und 1885 in Griechenland und auf Kreta gesammelten
Myriopoden, zusammengestellt von Dr F. Karsch. — Ueber Miss-
bildungen bei Schmetterlingen , besonders der Schmetterlingsflügel.
Ein Beitrag zur Biologie der Insecten, von C. Fromholz. —
Lepidopterologisches, von Dr. M. Standfuss. — Neue Rhopalocera,
von E. G. Honrath. — Wenig bekannte Tagfalter, von E. G.
Honrath.
- Bijdragen tot de Dierkunde, uitgegeven door Natura Artis Magistra.
Aflev. 14—16 (a).
Altes und neues iiber das Nephridium (die Coxaldriise) der Arach-
niden, von 3. U. ©. Loman. — Beiträge zur Kenntniss der
Thysanura und Collembola, von Dr. J. T. Oudemans.
Idem. Feestnummer.
De Nederlandsche Macrolepidoptera, door Dr. J. T. Oudemans.
September 1888.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XXI, n°. 304
(September 1888) (a).
The effect of meteorological conditions upon insect-life, by W.
White. — Note on a species of Acrops from Japan, by G. Lewis. —
Contributions towards a list of the varieties of Noctuae occurring
in the British Islands, by J. W. Tutt. — Entomological Notes,
Captures, etc. — Societies. — Reviews.
Entomologist’s Monthly Magazine. Vol. XXV, n°. 292 (September
1888) (0).
Notes on Prays Curtisellus and rustica, by T. A. Chapman. —
Description of the ash-cauliflower gnat, by R. H. Meade. —
Addition to the list of British Hemiptera, by E. Saunders. —
Climatie and local variation in our butterflies, by C. G. Barrett. —
7
XCVIII ENTOM. INHOUD DER ONTV. TIJDSCHRIFTEN.
On the species of Cucujus found in Japan, by G. Lewis. —
Descriptions of three new Phytophaga from the East, by J. S.
Baly. — Notes on some British and exotic Coccidae (n°. 10),
by J. W. Douglas. — The larva, ete., of Philopotamus, by K.
J. Morton. — Entomological Notes, Captures, etc. — Review. —
Societies.
Annals and Magazine of Natural History. 65th ser. Vol. II, n°. 9
(September 1888) (0).
Descriptions of some new species of Coleoptera in the British Museum ,
by L. Péringuey. — Descriptions of new species of Lepidoptera,
chiefly from Central-America, by H. Druce. — Descriptions of
some new Coleoptera from Japan, by Dr. D. Sharp. — On the
African specimens of the genus Scorpio Linn. contained in the
Collection of the British Museum, by R. I. Pocock. —- Descrip-
tions of some Indian species of Longicorn Coleoptera, by C. J.
Gahan. — On the Calanidae of the Boulonnais, by M. E. Canu.
Zoologist (The). Edited by J. E. Harting. 3rd. ser. Vol. XII, n°. 141
(September 1888) (6).
Dromia vulgaris on the Sussex Coast, by W. Jeffery.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. VII, Heft 6 (Juli 1888) (0).
Vorläufige Beschreibung einer neuen Gallmücke, von F. A. Wachtl. —
Coleopteren aus Circassien gesammelt von Hans Leder im Jahre
1887, von E. Reitter. — Coleopterologisch-synonymische Notizen,
von Dr. von Heyden. — Seltene Dipteren gefangen.im Jahre 1887
am Manhartsberg in Niederösterreich, von A. Siebeck. — Hyme-
nopterologische Notizen, I, von Prof. K. W. von Dalla Torre. —
Dipterologische Miscellen, XII, von Prof. J. Mik. — Literatur. -—
Notiz. — Corrigenda.
Album der Natuur. Jaarg. 1888, afl. 11 (0).
Mieren en bladluizen, d.V. — Bijengift, D.L.
Notes from the Leyden Museum. Vol. X, n°. 4 (October 1888) (b).
Description of a new species of the Longicorn genus Bacchisa Pascoe,
by C. Ritsema Cz. — Coléoptéres nouveaux de l’Afrique du Musée
de Leyde, décrits par L. Fairmaire. — On the male sex of
Lamia grisator Fabr., by C. Ritsema Cz.
RnS EA G
VAN DE
TWEE-EN-TWINTIGSTE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE LEIDEN
op Zondag 13 Januari 1889,
des morgens ten 11 ure.
Voorzitter Dr. A. W. M. van Hasselt.
Met den Voorzitter tegenwoordig de heeren J. Büttikofer, Jhr.
Dr. Ed. J. G. Everts, Mr. A. J. F. Fokker, G. M. de Graaf,
H. W. Groll, D. ter Haar, D. van der Hoop, Dr. R. Horst,
Dr. F. A. Jentink, J. Kinker, Mr. A. F. A. Leesberg, Prof. J.
van Leeuwen jr., J. W. Lodeesen, J. C. H. de Meijere, Dr. J.
T. Oudemans, Mr. M. C. Piepers, J. R. H. Neervoort van de
Poll, C. Ritsema Cz., P. C. T. Snellen, K. N. Swierstra, Dr. H.
J. Veth, J. de Vries en F. M. van der Wulp; benevens als gast
de heer H. Fruhstorfer uit Passau, geintroduceerd door den heer
Neervoort van de Poll.
Van de heeren Mr. W. Albarda, A. A. van Bemmelen, A.
Preudhomme de Borre, Mr. A. Brants, Mr. H. W. de Graaf, J.
Jaspers jr., W. Roelofs, Dr. J. G. H. Rombouts, K. Bisschop
van Tuinen en E. Wasmann is bericht ingekomen, dat zij ver-
hinderd zijn de vergadering bij te wonen.
Met betrekking tot Dr. Rombouts werd dit medegedeeld in een
C VERSLAG.
schrijven van Mevr. Rombouts, met bijvoeging dat haar echtge-
noot sedert ruim 6 maanden ongesteld is, welke toestand in de
laatste weken zoodanig is verergerd, dat hij zijn einde nabij ziet.
Vooraf echter, — zoo schrijft HEd., de woorden uit zijnen mond
opteekenende, — wilde hij aan de leden van het Bestuur, alsook
aan zijne oude bekenden en de nieuwere leden der Entomologische
Vereeniging een laatsten groet met een hartelijken handdruk toe-
zenden; hij beveelt zich in aller aandenken aan en wenscht dat
voortdurend de bloei der Vereeniging moge toenemen en daarin
steeds dezelfde harmonie als tot dusver moge heerschen.
Dit zoo het schijnt laatste vaarwel van den heer Rombouts,
een van de oprichters der Vereeniging, maakt op de aanwezigen
een weemoedigen indruk.
De Voorzitter opent de Vergadering met eene korte toespraak ,
waarin hij de aanwezigen welkom heet en zich verheugt in de
talrijke opkomst der leden, waaruit blijkt dat hunne belangstel-
ling niet verflauwt; in ’t bijzonder richt hij ook het woord tot
den heer de Meijere, die als nieuw lid voor het eerst de ver-
gadering bijwoont, en tot den heer Fruhstorfer, die als gast
tegenwoordig is.
De Voorzitter stelt alsnu aan de orde het rapport der Commissie,
in de voorgaande wintervergadering benoemd, om te onderzoeken,
wat door de Vereeniging zou kunnen en moeten worden gedaan, om
de invoering tegen te gaan van generieke namen in plaats van de
zoodanigen, die door een langdurig gebruik in de Entomologie
burgerrecht hebben verkregen. Hij geeft daartoe in de eerste plaats
het woord aan den heer Horst, te zamen met de heeren Leesberg
en Ritsema de Commissie uitmakende.
De heer Horst zegt daarop, ter inleiding en toelichting van
het rapport, het volgende:
«In de vergadering van onze Vereeniging, op 23 Augustus 1884
te Breda gehouden, werd door ons medelid Mr. Leesberg de aandacht
gevestigd op den toen kort te voren verschenen Catalogus Coleo-
pterorum Europae van L. von Heyden, E. Reitter en J. Weise
VERSLAG. CI
(Ed. III, 1883) en gewezen op het bedenkelijk verschijnsel, dat
in dit overigens hoogst verdienstelijk werk eenige sinds lang in
gebruik zijnde en algemeen bekende geslachtsnamen door andere,
minder bekende of in geheel anderen zin gebezigde namen werden
vervangen. Zoo werd Pfinus veranderd in Bruchus, Bruchus in
Mylabris, enz. Het duurde niet lang, of door verscheidene entomologen
werd, in buitenlandsche Entomologische tijdschriften, tegen deze
ingrijpende wijzigingen verzet aangeteekend. Natuurlijk bleven de
bewerkers van bovengenoemden Catalogus niet in gebreke, hunne
wijze van handelen tegen die verschillende aanvallen te verdedigen,
en zij mochten er ook in slagen, sommige entomologen tot hunne
zienswijze over te halen. Immers een paar jaren later verscheen
een geschrift van den heer M. des Gozis, getiteld Recherche de
l'espèce typique de quelques anciens genres (1886), waaruit bleek
dat de schrijver niet alleen de denkbeelden der ontwerpers van
den Catalogus Coleopterorum Europae omhelsde, maar zooals het
dikwijls gaat, «plus royaliste que le roi» hunne methode op veel
breeder schaal toepaste. Er wordt toch in dat geschrift onder de
algemeen aangenomen generieke namen eene ware razzia gehouden,
en tal van oude geslachtsnamen met elkander verwisseld of door
nieuwe vervangen. Zoo wordt Carabus vervangen door Tachypus,
Clythra door Melolontha, Melolontha door Ludibrius, enz. enz.
Geen wonder dat ons bovengenoemd medelid hierin op nieuw aan-
leiding vond, om uwe vergadering te wijzen op het ernstige gevaar,
dat de entomologische wetenschap dreigt, indien dit streven meer
bijval mocht vinden. Het mag toch niet uit het oog worden ver-
loren, dat bepaalde namen bepaalde begrippen vertegenwoordigen
en daaraan bepaalde voorstellingen in onzen geest verbonden
zijn; worden dus die namen onderling verwisseld, dan moet
dit noodwendig tot schromelijke verwarring en misverstand aan-
leiding geven.
«De besprekingen, over deze questie in uwe vergadering van
22 Januari 1888 gehouden, hebben er toe geleid eene Commissie
te benoemen, met de opdracht, te onderzoeken of de meer en meer
veldwinnende beweging in de entomologische nomenclatuur, om
CII VERSLAG.
tot hiertoe algemeen aangenomen generieke namen,
hetzij door oudere, hetzij door geheel nieuwe te ver-
vangen, gerechtvaardigd is, en welke houding de Nederlandsche
Entomologische Vereeniging tegenover die beweging dient aan te
nemen.
«Uwe Commissie ging uit van het beginsel, dat de uitspraak
van Fabricius: Mutata nomina nunquam usum saepius confusionem
praebent; verba enim valent uti numeri, pretio distincto deter-
minato» nog steeds behartiging verdient. Zij stelde het zich dus
allereerst tot taak, de gronden op te sporen, die bovengenoemde
schrijvers er toe geleid hebben, de bedoelde veranderingen voor
te stellen. De voornaamste grond, dien de schrijvers daarvoor aan-
voeren, is de handhaving van het recht van prioriteit. Een
schrijver, die het eerst een geslacht of soort heeft beschreven en
benoemd, en daardoor de wetenschap met eene zekere hoeveelheid
kennis heeft verrijkt, heeft natuurlijk het recht, dat de door hem
gegeven naam bewaard blijve en deze niet veronachtzaamd worde
door den eerste den beste die, hetzij met opzet, hetzij uit on-
wetendheid, aan eene reeds beschreven soort een nieuwen naam
geeft. De rechtvaardigheid van dit beginsel is zóó duidelijk, dat
het geen verder betoog behoeft. Toch willen sommigen, hoewel de
billijkheid van het prioriteits-recht erkennende, het evenwel met
eenige beperking toepassen en een zeker verjaringsrecht (prescriptio)
aannemen, zoodat zij geen verandering willen toelaten van namen,
die gedurende eene halve of drie kwart eeuw in gebruik zijn.
Hoewel dit denkbeeld aanvankelijk Uwe Commissie toelachte, heeft
zij na rip overleg zich er toch niet mede kunnen vereenigen ,
omdat de toepassing er van tot te veel willekeur aanleiding zou
geven, en zij meent, dat inderdaad de prioriteit zooveel mogelijk
moet gehandhaafd worden; want doet men dit niet, dan zet men
de deur wijd open voor de menschelijke ijdelheid, die in het uit-
denken van nieuwe namen steeds een dankbaar arbeidsveld heeft
gevonden. »
Het rapport der Commissie wordt alsnu voorgelezen. Het luidt
als volgt:
VERSLAG, CIII
«In de Wintervergadering der Nederlandsche Entomologische
Vereeniging, 22 Januari 1888 te Leiden gehouden, werd eene
Commissie benoemd, ten einde te onderzoeken of de meer en meer
veld winnende beweging in de Entomologische nomenclatuur, «om
tot hiertoe algemeen aangenomen generieke namen, hetzij door
oudere, hetzij door geheel nieuwe te vervangen», al dan niet den
steun onzer Vereeniging verdient.
« Wij hebben thans de eer U hieromtrent het volgende rapport
aan te bieden :
«Uwe Commissie is eenparig van oordeel, dat de steeds was-
sende stroom der synonymie terecht voor de Entomologische weten-
schap een ware ramp mag genoemd worden; dat de nomenclatuur
zooveel mogelijk stabiliteit dient te bezitten , ten einde verwarring
van geslachten en soorten te voorkomen, zoodat a priori hieruit
reeds volgt, dat geen algemeen aangenomen namen zonder gel-
dige redenen mogen worden veranderd.
« Daar Linnaeus de eerste is geweest, die aan de onovertroffen
binaire nomenclatuur een vasten vorm gegeven heeft, meent Uwe
Commissie als uitgangspunt der systematische literatuur te moeten
aannemen het jaar 1751, in welk jaar de Philosophia botanica
verscheen, waarin voor het eerst het binominale systeem, nl.
het geven van Latijnsche of Grieksche geslachts- en soorts-
namen, voor het Plantenrijk werd ingevoerd.
« Wel wil zij gaarne toegeven, dat oudere natuuronderzoekers,
zooals Tournefort, Klein, e.a. , reeds vóór Linnaeus de noodzake-
lijkheid eener binaire nomenclatuur tot aanduiding der voorwerpen
in de organische wereld hebben ingezien, en haar nu en dan
hebben toegepast; wel erkent Uwe Commissie, dat Linnaeus her-
haaldelijk , zonder verklaarbaren grond, de groote verdiensten van
voortreffelijke voorgangers heeft miskend, die — gelijk Agassiz dit
in zijn « Revision of the Echini» heeft aangetoond — hem in de
kennis en classificatie van sommige dier-groepen ver vooruit waren ;
maar de consequente toepassing dezer methode zijn wij aan Linnaeus
verschuldigd, die haar het eerst in de Xde editie van het Systema
Naturae (1758) voor het Dierenrijk aanwendde.
CIV VERSLAG.
« Het behoeft evenwel geen betoog, dat de verdiensten dier oudere
onderzoekers blijven bestaan, ook al worden de door hen gebruikte
namen niet meer toegepast, en dat men hunne billijke rechten op
waardeering kan erkennen, door de namen hunner genera en species
als synoniemen te vermelden.
«Het komt derhalve Uwe Commissie voor, als regels te moeten
aannemen :
«I. De oudste naam, volgens het binominale
systeem aan een geslacht of soort gegeven, moet
steeds blijven gehandhaafd.
« Diensvolgens blijven buiten beschouwing en mogen niet worden
gebruikt :
«a. alle namen, zoo voor genus als species, zij het ook La-
tiinsche of Grieksche, vóór 1751 aan eenige diersoort gegeven,
omdat het binominale systeem toen nog niet in gebruik was.
«b. alle namen, na 1751 gegeven, waarbij het binominale systeem
niet werd toegepast.
« Dat Uwe Commissie het jaar 1751 heeft gekozen als uitgangs-
punt der systematische literatuur, en niet 1758 (het jaar der
uitgave van de Xde editie van het Systema Naturae, waarin Linnaeus
voor het eerst aan de diersoorten namen heeft gegeven, in stede
der vroeger gebruikte cijfers), heeft zijn grond daarin, dat zij
het prioriteits-recht wenscht te verzekeren aan de schrijvers die,
zooals Clerck in zijne « Aranei Suecici 1757 », in dat tijdsverloop
van 7 jaren tusschen het verschijnen der Philosophia botanica en
de Xde editie van het Systema Naturae, natuurhistorische werken
hebben geschreven met toepassing der binaire nomenclatuur.
«Er zijn schrijvers, die ook na 1751 voortgingen de oude me-
thode te volgen, waarbij bijv. een genus met een Latijnschen
naam werd beschreven, terwijl de species hetzij met cijfers,
hetzij met eene omschrijving of met een naam in eene der
hedendaagsche talen werden aangeduid. Dit is o. a. de methode
van Geoffroy, schrijver der welbekende « Histoire abrégée des In-
sectes», verschenen in 1764, niettegenstaande hij met die van
Linnaeus bekend was. Uwe Commissie, — hoewel erkennende de
VERSLAG. CV
vele diensten, die genoemde schrijver, zoowel door zijne uitstekende
afbeeldingen als door zijne nauwkeurige beschrijving der genera en
species, aan de wetenschap heeft bewezen, — kan evenwel, om
bovengenoemde redenen, niet goedkeuren, dat aan de door hem
gebruikte geslachtsnamen eene plaats in het systeem wordt inge-
ruimd. Indien dus door latere schrijvers voor sommige genera de-
zelfde namen worden gebruikt als Geoffroy bezigde , mag als auteurs-
naam niet Geoffroy worden vermeld, maar de naam van den schrijver,
die het eerst bij dien genus-naam een Latijnschen of Griekschen
soortsnaam voegde, immers: «perfecte nominata est planta
nomine generico et specifico instructa» (Linnaeus). Men
kan dan echter de verdiensten van Geoffroy erkennen, gelijk hier-
voren is gezegd, door den door hem gebezigden naam als syno-
niem aan te halen.
«II. Waneer een bestaand geslacht in meerdere
geslachten wordt gesplitst, moet de oorspronkelijke
naam verblijven bij dat gedeelte wat door den oor-
spronkelijken auteur als het meest typisch werd
beschouwd.
«Als het genus bij den eersten beschrijver slechts ééne soort
bevat, of door hem eene bepaalde soort als type wordt aangeduid,
levert de toepassing van bovenstaanden regel geen moeilijkheid op.
Indien echter in een genus meerdere soorten zijn geplaatst, zonder
dat eene bepaalde soort als type wordt aangegeven, is de beslissing
moeilijker, en zal ieder geval op zich zelf moeten worden beoordeeld.
Wel schijnen vele schrijvers, in het laatste geval, van de in een
genus geplaatste soorten, de eerste soort die in de omgeving van
den schrijver voorkomt, als type van dat genus te beschouwen,
maar het komt der Commissie zeer twijfelachtig voor, of deze op-
vatting steeds in overeenstemming is met de bedoeling van den
schrijver.
«De conclusie Uwer Commissie is derhalve, dat vele der ver-
anderingen van bestaande en erkende namen in den «Catalogus
Coleopterorum Europae» van Dr. L. von Heyden, E. Reitter
en J. Weise, (ed. III, 1883), en in M. des Gozis’ « Recherche
CVI VERSLAG.
de l’espéce typique de quelques anciens genres» (1886), om bo-
venstaande redenen niet gerechtvaardigd zijn en noodeloos in de
Entomologische literatuur groote verwarring dreigen te stichten.
Dr; sh Horst:
ra | December 1888. Mr. A.F. A. LEESBERG.
s Gravenhage, \ C. Rirsema Cz.»
Na de voorlezing van dit rapport, vraagt de heer Everts het
woord. Hij brengt hulde aan het werk der Commissie en verklaart
zich ten volle te kunnen vereenigen met het in het rapport voor-
gestane beginsel, dat met het binominale stelsel van Linnaeus
moet worden begonnen en alles verworpen wat niet geheel met
dat stelsel strookt, onder anderen ook de nomenclatuur van Geoffroy ,
die achter zijne uit het Latijn of Grieksch ontleende generieke
namen, de soorten alleen met eene korte omschrijving in het
Fransch heeft aangeduid. Toch moet hij opmerken, dat bij eene
consequente toepassing van dit beginsel, sommige merk waardige
naamsveranderingen zullen zijn veroorloofd en er dus nog geen
volkomen afdoend middel zou in gelegen zijn, om alle geijkte,
gesanctioneerde generieke namen te behouden. Als voorbeeld
hiervan haalt Spreker eene zinsnede aan uit het werk van des
Gozis, en wel die betreffende het genus Melolontha. Deze naam
werd oorspronkelijk door Geoffroy gegeven aan het wel ‘bekende
Chrysomeliden-geslacht C/ythra Laichtg. Volgens des Gozis mag dus
de naam Melolontha niet meer op onze « meikevers» worden toe-
gepast, ofschoon Fabricius (die heel wat tot de bestaande ver-
warringen heeft bijgedragen) den naam Melolontha alleen voor
onzen bekenden duinkever (Polyphylla fullo) gebruikte. Naar den
stelregel nu, door de Commissie aangegeven, moet Geoffroy niet
worden gevolgd, maar wel Fabricius (die het binominale stelsel
huldigde, al zondigde hij ook tegen het prioriteits-recht). Daar
deze echter in zijn genus Melolontha alleen de soort ful/o opnam,
zoo volgt hieruit, dat bij consequente en logische toepassing van
het systeem der (Commissie, onze eigenlijke « meikevers» geen
VERSLAG. CVII
generieken naam zouden hebben en hun dus een nieuwen naam
gegeven zou moeten worden. Intusschen meent Spreker, dat samen-
voeging van fullo, vulgaris en Hippocastani in één genus wel te
verdedigen is en dat er voor fu//o hoogstens aan een subgenus
kan gedacht worden; in welk geval de naam Melolontha Fabr.
(niet Geoffr.) in den zin waarin wij dat gewoon zijn, kan blijven
bestaan.
Spreker zou derhalve gaarne zien, dat het door de Commissie
aangegeven beginsel streng werd toegepast en algemeen aange-
nomen, op gelijke wijze als de Botanici zich aan een indertijd
door De Candolle ingevoerden regel vasthouden. Hij meent, dat
zulk eene algemeene wet kon worden vastgesteld op eene inter-
nationale bijeenkomst van gedelegeerden uit de verschillende ento-
mologische genootschappen, waartoe wellicht het in den aanstaan-
den zomer te Parijs te houden zoologische congres eene zeer geschikte
gelegenheid zou aanbieden.
De heer Snellen merkt op, dat de zucht tot het veranderen
van lang in gebruik zijnde generieke namen, waarvan terecht
zooveel verwarring in de Entomologie wordt gevreesd, tot dusver
nog niet in de Lepidopterologie is doorgedrongen. De voornaamste
systematische Lepidopterologen hebben bij hunne beschrijvingen
wel het werk van Geoffroy aangehaald, maar nimmer eenige notitie
van zijne nomenclatuur genomen; wat zeer natuurlijk is, omdat
daarin het binominale systeem van Linnaeus niet is gevolgd. Om
deze laatste reden is hij het met de Commissie eens, dat het
geheele werk van Geoffroy in dit opzicht buiten aanmerking moet
blijven.
De heer Veth wijst er op, dat in de vroegere vergaderingen,
waar het onderwerp, dat ons thans bezig houdt, werd behandeld ,
en ook ten vorigen jare bij het instellen der Commissie, alleen
sprake is geweest van de verandering van generieke namen; het
euvel bestaat echter, z. i., ook en in niet mindere mate ten
opzichte der specifieke namen, die niet zelden, na een zeer lang-
CVIII VERSLAG
durig gebruik, ter wille van het prioriteits-recht van een ouderen
auteur, en soms op onzekere gronden, door anderen worden ver-
vangen.
De heer Piepers zegt, dat dezelfde gedachte als bij den vorigen
Spreker, ook bij hem is opgekomen. Naar zijne meening moest
eene beweging, als waarschijnlijk nu van onze Vereeniging naar
het buitenland zal uitgaan, zich niet bepalen tot de generieke
namen, maar diende zij ook eene regeling van de specifieke be-
namingen te omvatten, wijl daarin, door dezelfde oorzaken, niet
minder verwarring ontstaat. — Hij meent voorts, dat in het
rapport der Commissie, zooals dit door Dr. Horst is toegelicht,
het verzekeren van het prioriteits-recht wel wat veel op den voor-
grond is gesteld. Ofschoon het eerbiedigen der prioriteit hem over
’t algemeen billijk en wenschelijk voorkomt, acht hij toch het
bestaan van een recht van prioriteit zeer twijfelachtig. De nood-
zakelijkheid van eene vaste regeling spruit volgens hem alleen voort
uit het belang der wetenschap, wijl thans groote verwarring wordt
gesticht, die de studie der Entomologie zeer bemoeielijkt en als
men op dien weg blijft voortgaan, eindelijk zoo goed als onmogelijk
zal maken. Overigens behoeft het geen betoog, dat zelfs de beste
regeling niet volmaakt kan wezen en men zich dus, als eene al-
gemeene verbetering kan worden verkregen, niet moet laten weér-
houden door kleine onvolmaaktheden of tegenstrijdigheden , zooals
zich onder anderen voordoen in het door den heer Everts aan-
gevoerde voorbeeld der Melolontha; in de praktijk zullen zich
dergelijke bezwaren wel voldoende oplossen.
De heer Fokker acht het rapport der Commissie wat te alge-
meen gesteld. Al werd de daarin gemaakte conclusie onmiddellijk
als wet aangenomen, dan nog zouden, naar zijne meening, de
meeste bezwaren, die men wenscht te bestrijden, blijven bestaan ;
zelfs de meest vurige aanhangers van het prioriteits-stelsel zouden
dit niet zoo klakkeloos met twee regels willen invoeren, zooals
door de Commissie wordt voorgesteld. Ten bewijze hiervan haalt
VERSLAG. CIX
Spreker het nieuwe werk van Reuter ') aan, die, ofschoon groot
voorstander van prioriteit, het toch noodig vindt, niet minder dan
16 regelen vast te stellen, welke bij de toepassing niet mogen
vergeten worden.
Naar ’Sprekers meening is het rapport der Commissie, met de
beide daarin aangegeven regelen, te beknopt om eenig practisch
nut te kunnen stichten. Juist omdat het begrip van geslacht
zeer onbestemd en bij de oudere schrijvers geheel en al zonder
grenzen is, acht hij het vaststellen der generieke namen van veel
minder gewicht dan de stabiliteit der specifieke nomenclatuur.
Kan er reeds groote verwarring ontstaan, wanneer twee sinds
lang bekende geslachten onderling van naam verwisselen, — waar-
van thans sprekende voorbeelden zijn bij de Coleoptera, — veel
bezwarender zal het zijn, wanneer niet spoedig eenheid en vastheid
verkregen wordt voor de fluctueerende species-namen. Met de
heeren Veth en Piepers is Spreker het derhalve eens, dat de
Commissie had wel gedaan, met aan haar rapport in dien zin
uitbreiding te geven. Alle onderzoekingen toch van thans en
vroeger, die niet de systematiek, maar de biologie, de anatomie
of de geographische verspreiding betreffen, zullen voor het nage-
slacht onbruikbaar en waardeloos worden, als het niet vaststaat
welke soort of soorten door dezen of genen schrijver behandeld is;
want daar de synonymie uit den aard der zaak met de jaren toe-
neemt, zal in eene volgende eeuw niemand dit meer kunnen
weten; die synonymie zal tot een berg aangroeien, waaronder ten
slotte alle bovengenoemde, veel belangrijker vakken begraven zullen
worden. Spreker zou daarom eene uitnoodiging tot de verschillende
Entomologische genootschappen willen richten, om vooral tot de
stabiliteit der soortsnamen mede te werken; dit zou wellicht het
best kunnen geschieden door het vaststellen van catalogi voor de
onderscheidene insecten-orden, met de bepaling, dat het gebruik
van de daarin opgenomen generieke en specifieke namen verplichtend
1) O. M. Reuter, Revisio synonymica Heteropterorum palaearcticorum quae
descripserunt auctores vetustiores (Linnaeus 1758 — Latreille 1806). Helsing-
fors, 1888.
Cx VERSLAG.
is en in alle werken, door die genootschappen of hunne leden uit
te geven, voortaan moet worden gevolgd.
De heer van der Wulp, ofschoon zeer op prijs stellende
wat door de Commissie is verricht, kan de opmerking niet weér-
houden, dat deze, naar zijne meening, niet geheel voldaan heeft
aan de opdracht. Wel is in haar rapport een afkeurend vonnis
geveld over de verwarring stichtende wijziging van generieke namen,
waartegen naar ’t schijnt alle Nederlandsche entomologen gekant
zijn; wel zijn daarin een paar algemeene regelen aangegeven,
welke misschien zeer geschikt zijn, om daaraan paal en perk te
stellen; maar door de Commissie wordt geen advies gegeven om-
trent den weg, dien onze Vereeniging moet inslaan, om haar
gevoelen verder te verbreiden en algemeen ingang te doen vinden.
Intusschen zal het gemis van zoodanig advies wel door de thans
gehouden wordende discussien kunnen worden aangevuld en ten
slotte in deze vergadering wel beslist worden wat te doen is om
het beoogde doel te bereiken.
In verband met hetgeen zoo even door den heer Fokker is in
*t midden gebracht, meent hij de vergadering niet onkundig te
mogen laten van een schrijven van ons medelid Jaspers, die tot
zijn leedwezen verhinderd is hier tegenwoordig te zijn. «De
systematiek», zoo schrijft de heer Jaspers, «acht ik eene onmis-
bare en in vele opzichten belangwekkende wetenschap, maar de
natuurlijke historie heeft nog andere takken , ontleedkunde, biologie,
geographische verspreiding enz., die van veel hooger belang zijn.
Wel eischt het overgroot aantal soorten onze aandacht, en is
daarom terecht door de dierkundigen ingezien, dat het vóór alles
noodig is, om al die soorten met een naam aan te duiden. Nu
zou men meenen, dat het verder onderzoek moet volgen; maar
volgens eenige zoologen zijn de namen nog niet goed in orde, en
zij nopen hunne collega’s het voortgezet onderzoek te laten steken
en opnieuw de eerste beginselen te herzien. Mag de nomenclatuur
het onmisbare A B C der wetenschap worden genoemd, dan
maakt zulk eene handelwijze op mij den indruk, alsof iemand ons
VERSLAG. CXI
in onzen schriftelijken arbeid komt storen met een betoog, dat
b. v. de spraakklank A eigenlijk door het letterteeken X moet
worden voorgesteld. Het moge wellicht een aardig tijdverdrijf zijn,
de gronden voor zulk eene bewering na te gaan; maar hij, die
bezig is een belangrijk opstel te schrijven zal weldoen met zich
daarvan niet te laten aftrekken en zijnen tijd niet aan de voor-
gestelde wijziging van letterteekens te besteden; het nagaan der
gronden, waarom Carabus eigenlijk Tachypus, Clythra eigenlijk
Melolontha zou moeten heeten, kost tijd en werkkracht, die aan
veel nuttiger arbeid worden onttrokken; feitelijk gaan op die wijze
nomenclatuur en systematiek in onze wetenschap de hoofdrol spelen ,
zeer tot hare schade. »
Over het onderwerp, dat ons thans bezig houdt, is nog een
ander schrijven bij den heer van der Wulp ingekomen, en wel
van ons correspondeerend lid Preudhomme de Borre te Brussel,
mede een ijverig bestrijder van de nieuwe richting, die hij een
«bouleversement de la nomenclature» noemt. Deze beroept zich
op eene merkwaardige uitspraak te dien opzichte van een der
grootste geleerden onzer eeuw, die reeds vóór 40 jaren in afkeu-
renden zin de aandacht vestigde op hetgeen thans in zoo onrust-
barende mate plaats heeft. In een brief namelijk, op 6 October
1848 door Ch. Darwin aan J. Hooker geschreven |), komt name-
lijk het volgende voor:
«J'ai fait dernièrement une tentative dans le but de susciter
un mouvement (mais je ne réussirai pas, et je me demande même
si j'aurai la force de le mener à bien), contre l’habitude des
naturalistes de vouloir rattacher à perpétuité le nom du premier
descripteur à celui des espèces. Je regarde cela comme une prime
donnée au travail hâtif, à une simple nomenclature, au
lieu de la description. Une espèce devrait avoir un nom telle-
ment connu que l'addition du nom de l’auteur fût superflue et
que ce ne fût par là une simple question de vanité. Actuellement
1) Vie et correspondance de Charles Darwin. Traduction par H. C. de Varigny.
Paris, 1888. Tome I, p. 429.
CXII VERSLAG.
il ne suffirait pas de donner des noms purement spécifiques, mais
je vois que les zoologistes pourraient ouvrir la voie à la réforme
en renvoyant aux bons écrivains systématiques, et non aux pre-
miers descripteurs. La Botanique, je me l’imagine, n’a pas souffert
autant que la Zoologie de cette facon de faire de simples nomen-
clatures; les caractères heureusement sont plus obscurs. Avez-
vous jamais réfléchi à cela? Pourquoi des naturalistes ajouteraient-ils
leurs propres noms à de nouvelles espèces, alors que les minéra-
logistes et les chimistes ne le font pas pour de nouvelles sub-
SACS YOU. Aid
De heer Preudhomme de Borre voegt hierbij:
«Vous ne sauriez croire quelle satisfaction j'ai éprouvée en
voyant une si illustre autorité scientifique donner ainsi, il y a
quarante ans déjà, raison à la these que j'ai toujours soutenue:
que la science devait adopter les noms des monographies et ne
pas s’amuser puérilement à la recherche des origines des noms,
«renvoyant aux bons écrivains et non aux premiers descripteurs».
C’est intérêt de la science que nous devrions tous avoir unique-
ment en vue, et non les petites satisfactions de notre vanité.
Soyons bien convaincus que, comme le pense Darwin, l'addition
d'un nom d’auteur au binom générico-spécifique n’a eu, dans le
principe, pour but que de renvoyer à une bonne descrip-
tion de l’espece. Peu-à-peu ce but a été perdu de vue, et il ne
vient à personne l'idée de déterminer les espèces de Linné, Fa-
bricius etc. d’après les brèves et vénérables descriptions de ces
anciens auteurs. Le nom devrait donc aujourdhui nous conduire a
une description plus moderne, plus compléte et surtout comparative
avec tant d’autres formes que ces anciens n’avaient pas connues
ou n'avaient pas distinguées. C'est dans les bonnes monographies
que nous trouvons ces descriptions; ce serait par conséquent le
nom du monographe qu’on devrait plutòt placer a la suite du nom
spécifique et non celui du premier descripteur.
«Pour ne froisser aucun préjugé, ne vaudrait-il pas mieux
renoncer a faire suivre la désignation spécifique d’aucun nom et
adopter de commun accord les noms admis par le dernier travail
VERSLAG. CXIIT
d’ensemble, noms généralement consacrés par l'usage et contestés
seulement par ces novateurs qui embrouillent toute la nomenclature
d’une façon si regrettable? C’est ce que nous dit Darwin: «pour-
quoi des naturalistes ajouteraient-ils leurs propres noms à de
nouvelles espèces, alors que les minéralogistes et les chimistes ne
le font pas pour de nouvelles substances?» »
De heer Leesberg, lid der Commissie, beantwoordt de voor-
gaande Sprekers, en in de eerste plaats den heer Everts, die zijne
vrees heeft te kennen gegeven. dat, ook in het systeem door de
Commissie aangegeven, de naam Melolontha uit de genera der
Scarabaeiden zou moeten verdwijnen, omdat Geoffroy daarmede
eene Clythra heeft aangeduid, en Fabricius dien alleen op onze
Polyphylla fullo zou hebben toegepast, waaruit volgt, dat onze
Melolontha vulgaris en Hippocastani zonder generieken naam
zouden zijn en des Gozis derhalve terecht voor deze soorten een
nieuwen generieken naam (Zudibrius) heeft voorgesteld. Dit bezwaar
bestaat evenwel niet: de door Geoffroy gegeven namen worden
door de Commissie verworpen, zoodat de naam C/ythra niet door
Melolontha wordt vervangen en er dus een genus Melolontha van
Fabricius blijft bestaan. Ook is er geen reden, om Scarabaeus
fullo L. te herdoopen en in plaats van Polyphylla, Melolontha te
noemen. Het moeielijke punt, om te weten, welke soort door
een schrijver als type werd beschouwd, is door de Commissie
overwogen, en het komt haar voor, dat ieder geval op zich zelf
moet worden beoordeeld, zoodra er meer dan eene soort in een
genus bij den oudsten auteur worden gevonden. Nu heeft Fabricius
in zijn genus Melolontha, behalve fullo, die het eerst door hem
wordt genoemd, ook vulgaris en nog vele andere soorten daarin
opgenomen; en er bestaat volstrekt geen reden om juist de eerst-
genoemde soort als type van het geslacht aan te nemen, en niet
vulgaris, die stellig in Noord-Duitschland even veelvuldig als elders
zal voorkomen; zoodat de naam Melolontha, ook naar het door
de Commissie voorgestane beginsel, zeer goed op vulgaris en naaste
verwanten kan worden toegepast. Wil men /w//o generiek blijven
8
CXIV VERSLAG.
afzonderen, dan kan voor dezen de naam Polyphylla behouden
worden. |
Dat de Commissie zich alleen heeft bepaald tot de generieke
namen, vindt zijn’ grond daarin, dat zij meende hare taak niet
verder te moeten uitbreiden dan zooals die ten vorigen jare bij
hare instelling was afgebakend; indien zij zich ook met de dik wijls
al zeer willekeurige veranderingen der soortsnamen had ingelaten,
dan ware het te vreezen geweest, dat zij nog in lange niet met
haar rapport zou zijn gereed gekomen.
De heer Horst, lid der Commissie, voegt aan hetgeen door
den vorigen Spreker is gezegd, nog toe, dat bij de behandeling
van het vraagstuk der prioriteit voor de geslachtsnamen , het noodig
is geweest eene groote massa daartoe betrekkelijke stukken in te
zien en te bestudeeren; de Commissie heeft er wel aan gedacht,
of zij niet beter zou doen, de omvangrijke quaestie der geheele
nomenclatuur, dus ook die betreffende de specifieke namen, te
behandelen; doch zij is daarvoor teruggedeinsd, omdat alsdan de
literatuur ervan niet ware te overzien, en zij vreesde niet tot een
einde te zullen komen.
Wat meer bijzonder de prioriteit betreft der generieke namen,
moet de Commissie toegeven, dat het dikwijls zeer moeielijk, ja
soms onmogelijk is, de prioriteit met volkomen juistheid vast te
stellen. Een geslacht vertegenwoordigt zelden een scherp omgrensd
begrip; bijna nooit wordt door de verschillende schrijvers aan eenig
geslacht dezelfde beteekenis toegekend, en onze voorstellingen
dienaangaande zijn, met den vooruitgang onzer kennis, aan groote
wisselingen onderhevig, zoodat de prioriteit van een generieken
naam dikwijls alleen met behulp van een eenigszins willekeurig
gekozen maatstaf kan worden vastgesteid.
Tegenover hetgeen door den heer Fokker is gezegd, — die
meent dat het rapport te algemeen is gesteld om de bestaande
bezwaren uit den weg te ruimen, en die van onze besprekingen
daarover weinig practisch nut verwacht, — stelt Spreker het
stellige gevoelen der Commissie, dat, wanneer haar rapport als
VERSLAG. CXV
de uitdrukking mag worden beschouwd van de algemeene opvatting
der Nederlandsche entomologen, de openbaarmaking daarvan in
de entomologische wereld zonder twijfel een gunstigen invloed zal
uitoefenen.
De heer Jentink acht het onderwerp, thans in behandeling,
niet enkel van belang voor de Entomologie, maar zou het willen
uitgestrekt zien over de geheele Zoologie, want het euvel, dat men
wenscht te bestrijden, bestaat niet alleen bij de studie der in-
secten, maar ook bij die van andere klassen van het dierenrijk.
Hij stelt daarom voor, om zich ook tot de Nederlandsche Dier-
kundige Vereeniging te wenden, en het daarheen te leiden, dat
deze ook eene Commissie benoeme, ten einde met de drie leden
der Entomologische Commissie tot het beoogde doel samen te
werken. Op deze wijze zou kunnen blijken, welken weg de Neder-
landsche dierkundigen voor het vervolg denken in te slaan. Hunne
uitspraak zou dan, — gelijk reeds door den heer Everts is aan
de hand gedaan, — kunnen worden medegedeeld op het zoologisch
congres, dat in den aanstaanden zomer te Parijs zal worden ge-
houden bij gelegenheid van de wereldtentoonstelling aldaar. Men
zou zoodoende te weten komen, hoe de zoologen van alle landen
over de zaak denken, en eene gewenschte eenheid kunnen ver-
krijgen.
De Voorzitter verklaart, zich wel met het voorstel van den
heer Jentink te kunnen vereenigen. Hij vraagt of de Commissie
bereid is zich, tot het bereiken van het bedoelde oogmerk, in
betrekking te stellen met eene dergelijke Commissie uit de Dier-
kundige Vereeniging, en wellicht zich door een of meer harer
leden te Parijs zou willen doen vertegenwoordigen. Dit ontmoet
evenwel bedenking, vooral bij de heeren Leesberg en Ritsema,
die wegens veelvuldige bezigheden bezwaar maken om zich verder
beschikbaar te stellen.
Op voorstel van den Voorzitter, wordt alsnu door de vergade-
ring besloten:
CXVI VERSLAG.
1°. de conclusie van het rapport der Commissie aan te nemen
als het gevoelen der Nederlandsche Entomologische Vereeniging;
20, van dit besluit en van het rapport mededeeling te doen
aan de Nederlandsche Dierkundige Vereeniging, met verzoek om
ook in hare vergadering de zaak te willen bespreken, en met den
uitslag daarvan in kennis te worden gesteld;
3°. het rapport der (Commissie en een kort overzicht van de
daarover gehouden discussien mede te deelen aan de onderscheidene
buitenlandsche genootschappen, die zich met Entomologie bezig
houden ;
4°. de Commissie te ontbinden, onder dankzegging voor hetgeen
door haar is verricht.
Ten aanzien van het derde punt, wordt door sommige leden
de wenschelijkheid betoogd, om ter wille van de meest mogelijke
openbaarheid, het bedoelde stuk in de Fransche, Engelsche en
Hoogduitsche talen te verspreiden; anderen achten het voldoende,
wanneer dit alleen in de Fransche taal zou geschieden. Bij meer-
derheid van stemmen wordt echter besloten, zich voor de beöogde
openbaarmaking van de drie genoemde talen te bedienen.
Na eene korte pauze wordt overgegaan tot het doen van weten-
schappelijke mededeelingen.
De heer van der Wulp laat ter bezichtiging rondgaan een
tweetal exemplaren van O/fersia Ardeae Macq., hem door den heer
Swierstra toegezonden; zij waren afkomstig van eene doode Ardea
purpurea, die voor het Museum van Natura Artis Magistra te
Amsterdam werd geprepareerd. Sedert de publicatie der laatste
Naamlijst van Nederlandsche Diptera in de Bouwstoffen voor eene
Fauna van Nederland, is voor bijna alle groepen het aantal der als
inlandsch bekende soorten aanzienlijk toegenomen; eene uitzondering
hierop maakte evenwel de familie der Hippobosciden (waartoe
Olfersia behoort), welke in dat opzicht geheel stationair is ge-
VERSLAG. CXVII
bleven. Het is daarom des te merkwaardiger, dat wij nu niet
alleen eene nieuwe soort, maar zelfs een nieuw geslacht van ge-
zegde groep, als ten onzent voorkomende kunnen aanteekenen.
Dr. J. T. Qudemans deelt mede, dat eene tweede soort van de
afdeeling der Lepismidae in Nederland is waargenomen. Tot nog toe
kende men bij ons alleen Lepisma saccharina, de welbekende suiker-
gast. De nieuwe soort, waarvan verscheidene levende exemplaren
worden vertoond, draagt den naam van T’hermophila furnorum Rov.
en leeft op de bakkersovens. De eerste exemplaren verkreeg Spreker
van den heer Swierstra; later vond hij zelf er nog meer bij ver-
schillende bakkers. Eenige kenmerken van dit vlugge diertje worden
door hem opgegeven, doch zullen later uitvoeriger in een opstel
in het Tijdschrift voor Entomologie worden behandeld. Eenige
photographische afbeeldingen der Termophila worden tevens ter
bezichtiging gesteld.
In de tweede plaats laat de heer Oudemans de resultaten zien
van eene door hem in ’t werk gestelde conserveerings-methode ,
die vooral geschikt is voor larven van Coleoptera en Hymenoptera.
Deze methode is wel niet nieuw, maar zal wellicht niet aan allen
bekend zijn; zij bestaat daarin, dat men dieren, nog levend, in
heeten alcohol van 60 graden werpt, welke later door alcohol van
90 graden vervangen wordt. De dieren behouden alsdan hun
natuurlijken vorm en kleur, terwijl dergelijke larven, in kouden
alcohol gedood, dikwijls zeer wankleurig worden.
De heer Swierstra laat ter bezichtiging rondgaan een eiernest
afkomstig van Lahat, Zuid-Sumatra. Dit voorwerp, op een verdord
blad vastgehecht, is helder zeegroen van kleur, 3 c.M. lang, 2 c.M.
hoog en evenzoo breed , van verlengd driehoekigen vorm, van
voren afgeplat en aan het andere einde met stomp afgeronde punt,
waarin eene kleine ruimte of kamer, kennelijk ingenomen geweest
door het moederdier. Uit de omstandigheid dat men hier niet te
doen heeft met een spinsel, maar de grondstof blijkbaar heeft be-
staan uit gomhoudend schuim, vermoedt Spreker, dat het afkomstig
CXVIII VERSLAG.
kan zijn van eene soort uit de familie der Cicadellinen, welke
meening door de meesten der aanwezigen wordt gedeeld.
De heer Neervoort van de Poll laat eene collectie zien van
al de hem bekende soorten van het Australische Buprestiden-genus
Astraeus, alsmede twee fraaie, door den heer J. Migneaux te Parijs
bewerkte platen, waarop die soorten, ten getale van 19, zijn af-
gebeeld. Deze platen zijn bestemd voor het Tijdschrift en zullen
gevoegd worden bij een daarin op te nemen arbeid van den Spreker,
waarbij het genoemde geslacht monographisch wordt behandeld.
Reeds nu vestigt hij, onder aanwijzing der voorwerpen, de aan-
dacht op eenige kenmerken, waardoor de soorten zich onder-
scheiden en waarnaar zij in groepen kunnen worden afgedeeld.
De heer Everts stelt ter beschikking van de aanwezige leden
afdrukken van het supplement op de nieuwe naamlijst van Neder-
landsche Schildvleugelige Insecten, de naamlijst van in Nederland
voorkomende Myriapoden, het tabellarisch overzicht der in Neder-
land voorkomende Amara-soorten, alsmede van de door hem, in
vereeniging met Dr. Veth uitgegeven ruillijst der Nederlandsche
Coleoptera.
Voorts deelt hij mede, dat na de uitgave van het supplement
op de nieuwe naamlijst van Nederlandsche Schildvleugelige Insecten ,
hem nog de volgende soorten zijn bekend geworden :
Leistus rufomarginatus Dfts. — Apeldoorn, 6 (Leesberg).
Bembidion humerale St. — Valkeveen, 8, langs het strand
(Swierstra).
Limnobius truncatulus Ths. — Blijenbeek, 3 en Exaeten, 9
(Wasmann).
Helophorus affinis Mrsh. (Eriehsoni Bach, dorsalis Er.). —
Blijenbeek (Wasmann).
Myrmedonia similis Märk. — Exaeten, 12, bij Lasius fuliginosus
(Wasmann).
Mycetoporus forticornis Fauv. — Exaeten, 3, 9 (Wasmann).
Stenus providus Er. — Blijenbeek, 9 (Wasmann).
VERSLAG. CXIX
Silvanus similis Er. — Exaeten, 10, bij Lasius fuliginosus
(Wasmann).
Atomaria ornata Heer (versicolor Er.). — Op wijnvaten, Rot-
terdam, 1 (Snellen); Maastricht, 7 (Maurissen).
Corticeus linearis F. — Arnhem, 10 (v. d. Hoop).
Tetropium luridum L. var. fulcratum F. — Groningen (Peters).
Ook zijn aan Spreker de volgende Myriapoden-soorten als nieuw
voor de Nederlandsche fauna bekend geworden :
Lithobius ? curtipes G. Koch. — Een bij Apeldoorn, 6 (Everts).
» 2? anodus Latz. — Valkenburg, 7 (Everts).
Brachydesmus? superus Latz. — Een g bij den Haag (Everts).
Isobates varicornis G. Koch. — Den Haag (Everts).
Julus dicentrus Latz. — Wijfjes bij Zeist, 8 (J. T. Oudemans).
Van Dr. von Porat ontving Spreker nog de mededeeling, dat de
opgave in de lijst van Julus fallar Mein. onjuist is en al de
daartoe gerekende exemplaren tot Julus scandinavieus Latz. moeten
gebracht worden.
Ten slotte vertoont de heer Everts nog een exemplaar van eene
Anophthalmus-soort, uit de Mammouth-grot in Kentucky, en door
hem van Dr. Bleekrode ontvangen.
De heer Fokker deelt mede, dat aan de verdedigingswerken langs
de oevers van het waterschap Schouwen eene keverlarve ontdekt is,
die in grooten getale de perkoenpalen, ook de gecreosoteerde aan-
tast en groote geldelijke schade veroorzaakt heeft. Hij vermoedt dat
het larven van Nacerdes melanura L. kunnen zijn, welk ver-
moeden ook door den heer Everts wordt gedeeld. Mede aldaar,
doch slechts op twee plaatsen , werden in perkoenpalen de larven
en volwassen insecten aangetroffen van de Curculionide Codiosoma
spadis Hrbst. Spreker stelt exemplaren van de beide larven ter
bezichtiging, en wenscht zich voor het oogenblik tot deze korte
mededeeling te bepalen, omdat hij voornemens is, eerlang in een
artikel in het Tijdschrift daarop uitvoeriger terug te komen.
De heer G. M. de Graaf vermeldt de uitkomsten van eenige
CXX VERSLAG.
door hem gedane waarnemingen omtrent de verpopping van Preris
Brassicae L. — Half October 1888 vond hij, even buiten Leiden,
een groot aantal rupsen dezer soort rondkruipen op eene houten
schutting. Zij waren volwassen en zochten blijkbaar naar eene
geschikte plaats om zich vast te hechten en hare gedaantewisseling
te ondergaan. Eenige rupsen, toen door Spreker medegenomen ,
bleken al spoedig bezet te zijn met talrijke parasieten-larven, die
hare gele cocons begonnen te spinnen en naar ’t schijnt tot den
gewonen Microgaster glomeratus L. behoorden. Toen later op dezelfde
vindplaats voortdurend nog rupsen rondkropen, bezocht Spreker
gedurende ruim drie weken dagelijks de plek, ten einde op alles
wat er voorviel een waakzaam oog te houden. De hier bedoelde
schutting is van ruwe planken opgeslagen tegen de stammen van
opgaande lindeboomen en langs een voetpad tegen het noorden
gekeerd ; van de plek, waarop zich de rupsen bevonden, loopt de
schutting ruim 50 meter in oostelijke richting, terwijl zij zich
westelijk 10 meter uitstrekt en eindigt bij een steenen muur van
5 meter lengte, die van boven niet van eene rollaag is voorzien
en dus geen beschutting heeft tegen den regen; dan volgt een wit
gepleisterd gebouwtje, waaraan in horizontale richting, ongeveer
op manshoogte, eene houten goot is aangebracht. Aan de zuidzijde
der schutting ligt een moestuin, waarin kool gekweekt werd,
waarop de rupsen haren wasdom hadden bereikt.
Het bleek nu, dat de rupsen, om eene geschikte en veilige
plaats voor hare verandering te zoeken, over de schutting waren
heengekropen en den schaduwkant (het noorden) hadden opge-
zocht. Dewijl de planken met fijn groen stofmos bedekt en vochtig
waren, scheen de gelegenheid daar niet gunstig, want geen enkele
rups heeft zich op die planken ter verandering gezet, behalve
alleen die welke met parasieten bezet en dus ziek waren. De
gezonde rupsen bewogen zich ruim 14 dagen, voordat eene enkele
daarvan eene geschikte plaats ter verpopping gevonden had. Altijd
zoekende, trokken zij langzaam in westelijke richting naar het
gebouw. Eerst in het laatst van October was eene der rupsen
verpopt, en wel tegen den witten muur, dicht onder de houten
VERSLAG, CXXI
goot; op gelijke wijze hebben nog 31 individus denzelfden weg
afgelegd en zich onder de goot tot uitwendig gezonde poppen
gevormd. Daar was dus het eenige geschikt bevonden winterverblijf.
_ Merkwaardig is het, dat elk individu zelfstandig de bezwaren
had weten te overwinnen, om ter bestemmingsplaats te komen.
Nog duidelijker bleek die strijd om het bestaan, toen op 1 December
nog eene rups op de groene schutting kroop; zij had de veilige
witte plek niet kunnen bereiken, waarschijnlijk wegens de koude
(24 graden Fahr.), maar had zich toch niet ter verandering gezet
op eene wijze, die haren ondergang onvermijdelijk maakte; zij bleef
dus zes weken zoekende. Deze achterblijver werd mede naar huis
genomen en veranderde dáár, bij eene hoogere temperatuur, spoedig
in eene gezonde pop, die door den Spreker ter vergadering was mede-
gebracht en als een curiosum aan den heer Snellen werd afgestaan.
Niet te verklaren is het feit, dat al de rupsen in westelijke
richting naar eene geschikte plaats gezocht hebben, terwijl geen
enkele zich oostwaarts verplaatste, waar de schutting zich 50
meter uitstrekte. Hoe kwamen zij tot de wetenschap, dat alleen
westelijk het gezochte te vinden was”?
De hierboven vermelde waarnemingen liepen over 80 individus;
hiervan ging 60 percent verloren door parasieten, de overige 32
veranderden tot goed gevormde poppen, doch van deze werden
nog 10 door vogels weggepikt.
De heer Piepers beantwoordt in de eerste plaats eene vraag,
in de vorige wintervergadering door Dr. Veth gedaan, of namelijk
het voorkomen van Deilephila (Chaerocampa) Celerio L. op Java
als eene toevallige omstandigheid moet beschouwd worden, ver-
moedelijk als een gevolg van het zwermen van dezen vlinder. Hij
kan te dien opzichte met volle zekerheid verklaren, dat die soort,
en evenzoo Chaerocampa Alecto L., Sphinx Convolvuli L. en J anessa
Cardui L. op Java tehuis behooren en daar steeds zeer gewoon
zijn, even als hunne rupsen.
Voorts vestigt hij de aandacht op het een en ander, dat hem
bij de inzage van het groote werk van Moore, The Lepidoptera of
CXXII VERSLAG.
Ceylon, ten aanzien van eenige ook op Java voorkomende soorten
is opgevallen. In dat werk vindt men vele afbeeldingen van rupsen,
die hem van Java zeer goed bekend zijn en van welke hij ook
teekeningen bezit, onder zijn toezicht vervaardigd en door hem
met de levende dieren vergeleken. Met deze laatsten leveren de
afbeeldingen , door Moore gegeven, soms veel verschil op. Ten deele
mag dit worden toegeschreven aan de mindere nauwkeurigheid
van Moore's figuren; soms kan dit met zekerheid worden aan-
gewezen, zooals ten opzichte van den hoorn der rups van dche-
rontia Styx Westw., welke den eigenaardigen vorm heeft aan alle
Acherontia-rupsen eigen, doch dien Moore's afbeelding niet vertoont.
Maar men zou te ver gaan door al de verschillen aan zulke on-
nauwkeurigheden toe te schrijven. Zou het niet mogelijk zijn,
dat rupsen van dezelfde vlindersoorten in onderscheidene land-
streken werkelijk verschillen vertoonden? Reeds vroeger was bij
Spreker dezelfde gedachte opgekomen, toen hij een paar jaren ge-
leden, het werk van Semper over de vlinders der Philippijnen
inziende, daar almede afbeeldingen aantrof van op Java gewone
rupsen, die echter van de Javaansche aanmerkelijk verschilden.
Bepaaldelijk was dit het geval met die van Doleschallia Bisaltide Cr.;
doch ook deze afbeeldingen waren zonder twijfel weinig nauwkeurig.
Dat rupsen van dezelfde soort somtijds in ’t oogloopend kunnen
verschillen, blijkt onder anderen uit die van Cricula trifenestrata
Helf., welke in menigte op Java voorkomen. Die van het lage
land tot op 3000 voet hoogte en die van de hoogten tusschen
4000 en 6000 voet verschillen zoo aanmerkelijk, dat men ze
stellig voor afzonderlijke soorten zou houden, en dit te meer
omdat de beide varieteiten op zich zelve zeer vast van kleur zijn.
Toch kon het geoefend oog van ons medelid Snellen tusschen de
vele vlinders uit beide streken geen verschil ontdekken.
In het bovengenoemde werk van Moore leest men, dat de rups
van Papilio Agamemnon L. op Ceylon gewoon is op Zuurzak
(Anona muricata L.) en die van Chaerocampa Hypothous Cr. op
Cinchona. Beide deze planten nu zijn noch daar, noch op Java
inheemsch, maar uit Amerika overgebracht. Op Java leeft de rups
VERSLAG. CXXIII
van Papilio Agamemnon op eenige inheemsche planten, maar wordt
veel meer op Zuurzak gevonden; terwijl die van Chaerocampa
Hypothous er in het lage land almede op inheemsche planten,
doch in het gebergte zeer overvloedig gevonden wordt op aan-
plantingen van Cinchona succirubra. In beide, ver van elkander
verwijderde landen hebben dus deze rupsen, toen haar de gelegen-
heid daartoe openstond, juist hetzelfde gedaan en hare inheemsche
voedingsplanten grootendeels voor dezelfde ingevoerde plant ver-
laten. Wat Java betreft, mag men aannemen, dat dit gunstig op
hare vermenigvuldiging heeft gewerkt, want juist op die vreemde
planten zijn nu de rupsen veel meer gewoon geworden.
Omtrent Papilio Antiphathes L. vermeldt Moore, dat deze soort
op Ceylon zeldzaam is en slechts op hoogten tusschen 1500 en
3000 voet voorkomt. Op Java is zij daarentegen niet ongewoon,
en wel juist in het lage land, b. v. te Batavia.
Ceylon levert, blijkens dat werk, ééne soort van Ornithoptera
uit de Pompeus-groep, namelijk 0. Darsius Gray, die er overal
in het lage land tot op hoogten van 4000 voet gewoon is. Java
heeft drie Ornithoptera’s uit deze groep, maar die op verschil-
lende hoogten worden aangetroffen. O. Pompeus Cr. is een vlinder
van het lagere land; op ongeveer 3000 voet hoogte vangt O. Am-
phrysus Cr. aan, welke nog op 6000 voet hoogte is gevonden en
misschien nog wel hooger voorkomt, even als eene derde, nog
niel met zekerheid gedetermineerde, veel op Darsius gelijkende
soort, welke niet beneden de 5000 voet schijnt te leven.
De heer Piepers deelt vervolgens eenige beschouwingen mede
over den zoogenaamden hoorn der Sphingiden-rupsen,
en laat, tot toelichting, een twintigtal, onder zijn opzicht naar
de levende dieren vervaardigde afbeeldingen van Javaansche rupsen,
in volwassen en jongeren toestand, onder de aanwezigen rondgaan.
Wegens de belangrijkheid dezer beschouwingen worden zij hieronder
woordelijk in het verslag opgenomen.
«Onlangs mocht ik in ons Tijdschrift eenige waarnemingen
openbaar maken omtrent de ontwikkeling van eenige Javaansche
Papilioniden-rupsen, en wees er toen op, hoe zekere lichaams-
CXXIV VERSLAG,
deelen, vermoedelijk overblijfsels van vroegere wapens, nog bij de
jonge rupsen aanwezig, hetzij geheel, hetzij nagenoeg verdwijnen
of ook wel eene geheele vervorming ondergaan, en dan als 't ware
de bouwstoffen leveren voor een nieuw orgaan, hetwelk eerst bij
de volwassen rups wordt aangetroffen. Het zij mij vergund, ook
thans weder de aandacht te vestigen op de vervorming, die een
dergelijk lichaamsdeel bij eene andere categorie van rupsen
ondergaat , op de geschiedenis namelijk van den zoogenaamden hoorn
der Sphingiden-rupsen.
«Het is bekend, dat vele dezer rupsen op den rug der voor-
laatste geleding een uitwas, — den zoogenaamden hoorn —
dragen. Deze hoorn komt het meest voor als een krom, schuins
achterwaarts naar boven gericht, puntig uitloopend, aan de
oppervlakte gegranuleerd, hard en onbewegelijk uitsteeksel, van
verschillende lengte, dikte en kleur naar gelang der soorten.
Veelal is hi achterwaarts gebogen, ook wel eens naar voren
gekromd of recht. Onder de rupsen der Javaansche Chaerocampa
Phoenyx H.S. vond ik bij eenige individuen den hoorn recht,
bij anderen met eene voorwaartsche kromming. Ook kwam
mij bij eene Javaansche Macroglossa-soort er een voor met ach-
terwaartsche kromming, doch welks uiteinde naar voren was
omgebogen. In het geslacht Acherontia is hij meer horizontaal ge-
plaatst in de richting van het verlengde van den rug en heeft daarbij
eene eigenaardige sierlijke kromming met sterk naar voren omge-
kruld uiteinde. Bij sommige Javaansche Chaerocampa- en Panacra-
soorten (Ch. Acteus Cr., P. vagans Butl. en P. scapularis H.S.)
bestaat hij slechts in een klein achterwaarts gebogen uitsteeksel;
zoo ook bij de Europeesche Ch. Elpenor L. — Calymnia Panopus Cr.
van Java vertoont daarentegen een zeer langen hoorn, welks lengte
ongeveer een derde bedraagt van de gansche lichaamslengte der
vrij groote rups. Chaerocampa Celerio L. heeft een vrij dunnen,
bijna rechten, sterk gegranuleerden, puntig uitloopenden hoorn
van middelmatige lengte, merkwaardig omdat hij door de rups
willekeurig sterk naar voren kan worden bewogen. Deze wille-
keurige beweging vindt men eveneens bij dien der Javaansche
VERSLAG, CXXV
Chaerocampa Oldenlandiae F., welke echter overigens slechts in
een dun, aan het uiteinde weinig in dikte verminderd, niet hard
maar lederachtig, buigzaam uitsteeksel bestaat, dat bezwaarlijk den
naam van «hoorn» verdient, even min als het nog kortere uit-
steeksel der Javaansche Chaerocampa Thyelia L. — Eene mede
op Java zeer gewone soort, Chaerocampa Silhetensis Butl. heeft
niet eens meer een eigenlijk uitsteeksel; het lichaam dezer rups
loopt daar ter plaatse slechts puntig uit en eindigt dan nog in
een hoornachtig spitsje. Bij de almede op hetzelfde eiland voor-
komende Hlibia Dolichus Westw. is de hoorn geheel verdwenen;
de gedaante van het lichaam der rups, op de plaats waar bij
andere soorten de hoorn is ingeplant, geeft evenwel den indruk,
dat zich daar vroeger zulk een uitsteeksel heeft bevonden. Van
de Europeesche Pterogon Oenotherae W.V. vind ik vermeld, dat
de rups, instede van eenen hoorn, eene hoornachtige plaat bezit.
Wat eindelijk nog de Europeesche Chaerocampa Porcellus L. betreft,
zoo wordt van deze rups meestal vermeld, dat zij geen hoorn heeft;
door één waarnemer, den heer Th. Goossens, vind ik evenwel
aangeteekend, dat in den volwassen toestand nog een klein doorntje
of uitsteeksel op de plaats van dat orgaan bij haar wordt aangetroffen.
«Het is niet te verwonderen, dat zulk een eigenaardig lichaams-
deel de aandacht heeft getrokken van de Lepidopterologen , die
meer bijzonder den larventoestand der vlinders bestudeerden. In
eene op 22 Januari 1873 gehouden vergadering der Société En-
tomologique de France is daarover dan ook door den heer Th.
Goossens eene belangrijke voordracht gehouden. Deze tracht daarin
de beteekenis van dit orgaan na te sporen en komt tot het besluit,
dat het strekt tot bescherming tegen uitwendige beleediging van
eene zich juist daaronder bevindende, tot afscheiding der urine
dienende klier. Evenwel berust deze slotsom, louter als een ver-
moeden, op het feit dat die klier zich juist onder den hoorn
bevindt, zonder dat van eenig causaal verband tusschen de plaat-
sing der beide organen iets blijkt. Ook geeft die, — zooals de
heer Goossens dan ook zelf erkent, — volstrekt geene opheldering
omtrent de gedaante van den hoorn, waaromtrent hij zich bepaalt
CXXVI VERSLAG.
tot de opmerking: «la nature s’est plu à varier les formes ex-
térieures à l'infini et nous ne pouvons faire autre chose que de
les observer». Ik geloof daarom, dat de zaak der beteekenis van dien
hoorn nog wel niet als uitgemaakt behoeft beschouwd te worden; ook
meen ik, dat ten opzichte van «formes extérieures» nog wel iets
meer dan loutere waarneming en wellicht bewondering mogelijk
en geoorloofd is; eene poging daartoe wensch ik ten minste in het
werk te stellen.
«Ik heb mij hierboven, bij de beschrijving van den vorm van
dit orgaan, tot eenige Javaansche en Europeesche soorten, de
laatsten meest in Nederland voorkomende, beperkt; voor een meer
omvattend onderzoek, alle bekende Sphingiden-rupsen betreffende,
ontbreekt mij voor het oogenblik de gelegenheid. Ook wat de
jongere toestanden aangaat, dien ik mij te beperken. Toch heb
ik die van acht op Java voorkomende soorten zelf kunnen waar-
nemen, namelijk van Chaerocampa equestris F. Clotho Drury, Lu-
cash Boisd., Æson Cr. en Actus Cr., Acherontia Stye Westw.,
Colymnia Panopus Cr. en Elibia Dolichus Westw. — Voorts zijn
mij uit de afbeeldingen in de bekende werken van Rösel en Sepp
die van zeven Nederlandsche soorten bekend geworden, nl. van
Sphinx Ligustri L. en pinastri L., Chaerocampa Euphorbiae L. en
Porcellus L., Smerinthus Populi L. en Tiliae L. en Macroglossa
Stellatarum L.; en leverde mij het onlangs verschenen werk van
Moore over de Lepidoptera van Ceylon de afbeeldingen van acht
soorten, op dat eiland inheemsch, nl. van Diludia discistriga Walk. ,
Sphinx Convolvuli L., Chaerocampa Neri L. en Oldenlandiae F.,
Macroglossa taxicolor Moore, proxima Butl. en insipida Butl.,
alsmede van Cephonodes Hylas L., van welke soorten sommige tevens
tot de Europeesche of Javaansche fauna behooren. Het komt mi
voor, dat dit materiaal van 23 soorten voldoende is, om daaruit
ten minste voorloopig eenige gevolgtrekkingen te kunnen afleiden.
«Bij al deze soorten, met uitzondering van Chaerocampa Por-
cellus L., zien wij in de jongere toestanden den hoorn sterker
ontwikkeld dan bij de volwassen rups. De Nederlandsche en eenige
andere Ceyloneesche soorten vertoonen dit niet zoo duidelijk als de
VERSLAG, CXXVIT
Javaansche. De afbeeldingen toch van gene vertoonen bij de jonge
rupsen geen bijzonder langen hoorn; alleen bij Sphinx Ligustri L.
schijnt hij van opvallende lengte. Maar toch is steeds, al valt dit
niet zoo dadelijk in het oog, die lengte veel belangrijker bij de
jonge dan bij de volwassen rups, indien men ze beschouwt in
verhouding tot die van het geheele lichaam. Duidelijk is het dus,
dat hij in den jongeren toestand sterker is ontwikkeld; dat zijne
ontwikkeling geen gelijken gang houdt met de toeneming van het
geheele lichaam. Bij de Javaansche Calymnia Panopus Cr. komt
in een anderen vorm hetzelfde voor. Zoowel de jonge als de vol-
wassen rups van deze soort heeft een buitengewoon langen hoorn,
bij de eerste niet veel in lengte met dien van de andere verschillende ;
neemt men echter daarbij de geheele lichaamslengte van het dier
in aanmerking, dan is de hoorn bij de jonge rups betrekkelijk veel
langer en dus sterker ontwikkeld. Maar bij de Javaansche soorten
vinden wij bij de vier eerst genoemden, in den volwassen toestand
een dikken, achterwaarts gebogen hoorn van middelmatige lengte,
en bij Charocampa Eson Cr. en Acteus Cr. slechts een kort, evenzoo
gebogen hoorntje; van al die soorten hebben echter de jonge rupsen
den hoorn langer, zoodat die zelfs de helft en meer der algemeene
lichaamslengte bereikt. Ook bij de Ceyloneesche Macroglossa proxima
Butl. en Cephonodes Hylas L. is de hoorn bij de jonge rupsen veel
langer dan in den volwassen toestand. Bovendien vond ik bij al
die 6 Javaansche soorten, dus nagenoeg bij al degenen, welke juist
te dezen opzichte nauwkeurig zijn waargenomen, den hoorn niet,
zooals in den volwassen staat, hard en onbewegelijk , maar wille-
keurig voorwaarts bewegelijk. Dit laatste vermeldde ik mede reeds
van de volwassen rupsen van Chaerocampa Phoenyx M. S. en Ol-
denlandiae F., maar de bewegelijkheid bij de genoemde rupsen
kwam mij toch voor sterker te zijn. Zij wordt niet louter door
het plooien der rughuid veroorzaakt, — gelijk men dat bij sommige
rupsen, b. v. die van Platydonta coriaria Sn. en Bombyx Waringi
Teysm. aantreft, welke eveneens een uitsteeksel als de hoorn der
Sphingiden-rupsen bezitten, doch slechts uit eene buigzame, plooi-
hare verlenging der rughuid bestaande , — maar komt overeen met de
CXXVIII VERSLAG,
willekeurige beweging, welke de rups van Secusio eburneigutta Moore
aan sommige der aanhangsels op haren rug kan mededeelen, met
dien verstande, dat de Sphingiden-rupsen haren hoorn slechts in ééne
richting, namelijk naar den rug toe, schijnen te kunnen bewegen.
« By de laatstgenoemde Javaansche soort, Hlibia Dolichus Westw.,
is die vermindering van den hoorn het sterkste zichtbaar. Hare
volwassen rups heeft toch, gelijk wij reeds zagen, in ’t geheel
geen’ hoorn, alleen doet de vorm van haar lichaam aan de vroegere
aanwezigheid van zulk een orgaan denken ; welnu, inderdaad heeft
de jonge rups, vóór hare laatste vervelling, een sterken, harden,
voorwaarts gebogen hoorn, welke bij de volwassen rups geheel
verloren gaat. Opmerkelijk is het, dat deze hoorn, vrij dik, hard
en van niet meer dan middelmatige lengte als hij is, eene sterke
overeenkomst vertoont met den aard der hoornen, welke bij de
meeste Sphingiden-rupsen voorkomen.
«De Europeesche Chaerocampa Porcellus L. alleen schijnt hier
eene uitzondering te maken, want naar de afbeeldingen zou niet
alleen de volwassen rups geen’ hoorn bezitten, maar zou daarvan
ook in de jongere toestanden geen spoor te vinden zijn. Doch volgens
den heer Goossens is bij de volwassen rups zulk een spoor nog wel
aanwezig, en dan zou het laatste vooral zeer vreemd klinken. Men
bedenke echter, dat wat dit betreft de rups nog niet opzettelijk is
onderzocht en dus hier nog geene uitspraak kan worden gedaan. Zij
staat nu toch alleen tegenover 22 gevallen, waarin steeds de ontwikke-
ling zich in de jongere voorwerpen het sterkst vertoont en het orgaan
blijkbaar in een afnemenden, atrophieerenden toestand verkeert.
«Immers wanneer wij deze vermindering zoo als regel waarnemen,
kunnen wij dat orgaan, naar ik meen, bezwaarlijk anders be-
schouwen. Op die wijze toch wordt het ons mogelijk , de vraag naar
zijne beteekenis te beantwoorden, terwijl er bovendien nog een
ander verschijnsel is, dat dien atrophieerenden toestand schijnt aan
te duiden. Op het oogenblik kunnen wij niet bemerken, dat de
hoorn tot eene bepaalde functie noodig is; die toch, welke de heer
Goossens heeft waargenomen, moge bestaan, zij kan, naar het mij
voorkomt , niet meer dan eene toevallig bijkomende zijn; immers
VERSLAG. OXXIX
daar uit haar volstrekt geen reden valt af te leiden voor den uiterst
verschillenden vorm, waarin de hoorn zich vertoont, voor zijne
verkleining met den leeftijd, voor zijn geheel verdwijnen somtijds,
kan men ook niet aannemen, dat in haar de reden van zijn bestaan
is gelegen, daar zij alsdan op dat alles een overwegenden invloed
zou moeten uitoefenen, van welke zeker eenig spoor zou zijn waar
te nemen. Neemt men daarentegen aan, dat dit orgaan in een
atrophieerenden toestand verkeert, dan is men niet meer genood-
zaakt zich bij de bespiegeling neder te leggen dat «la nature s’est
plu a varier les formes extérieures 4 Vinfini et nous ne pouvons
faire autre chose que de les observer». Want dan kan men in al
die verschillende wijzen van voorkomen van het orgaan even zoo
vele vormen zien, waarin de steeds voortgaande atrophie zich open-
baart, naar de verschillende omstandigheden onder welke zij werkt.
ledere soort toch verschilt van elke andere; hoe gering dit onder-
scheid betrekkelijk tusschen twee zeer verwante soorten ook moge
wezen, het bestaat ; de omstandigheden waaronder eene soort leeft,
het midden waarin zij zich ontwikkelt, zijn niet dezelfde welke
ook voor andere soorten gelden. Daar deze nu op elke vervorming
invloed moeten uitoefenen, is het duidelijk, dat die ook bij de ver-
schillende soorten niet op gelijke wijze kan tot stand komen. Bij
de eene zal zij sneller voortgaan dan bij de andere; hier zal zij
in de eerste en voornaamste plaats in deze richting werken, daar
in eene andere. Zoo wordt het dan begrijpelijk, hoe de hier be-
doelde atrophie bij sommige soorten nog maar weinig gevorderd is,
hij andere zoo ver dat de hoorn reeds geheel of tot op een spoor
na is verdwenen; hoe bij de eene species de hoorn in de lengte
is afgenomen, bij eene andere in de dikte, bij weder andere ge-
lijkelijk wat beide afmetingen betreft; hoe de vatbaarheid tot
willekeurige beweging bij de meesten al spoedig is aangetast. bij
enkelen echter is bewaard gebleven, ook terwijl de hoorn overigens
in lengte en dikte al sterk is verminderd. En zien wij dat orgaan
in een aanhangsel van bijzonderen vorm veranderen, zooals dit
vooral bij Acherontia het geval is, dan staan wij slechts voor het-
zelfde verschijnsel, hetwelk in mijn bovenvermeld opstel over eenige
9
CXXX VERSLAG.
Papilioniden-rupsen werd opgemerkt, dat namelijk de voorgaande
atrophie soms plotseling, zonder dat de reden daarvan duidelijk
is, schijnt te worden gestuit, en eenig orgaan dan als het ware
eene nieuwe ontwikkeling, maar niet in de oude richting, aanvangt,
waartoe het overblijfsel van het vroegere dan de bouwstof levert.
«Ken verschijnsel, dat ook op atrophie wijst, schijnt de sterke
granulatie te zijn, welke de meeste hoornen, ook de lange van
de vermelde jonge Javaansche rupsen, vertoonen. Daarmede komt
toch de granulatie der geatrophieerde voordoornen van de in het
vermeld opstel beschreven Papilioniden-rupsen geheel overeen, en
deze is daar door mijne waarneming gebleken slechts het over-
blijfsel te zijn van vroegere stekels of stekelachtige haren. Niet
zonder grond mag men dus hier hetzelfde vermoeden; en daar nu
het verdwijnen van die stekelharen der bedoelde voordoornen met
de vermindering van deze laatsten samengaat, daarvan als ’t ware
een onderdeel uitmaakt, kan uit het verdwijnen der stekels van
den hoorn, de atrophie van dit orgaan worden afgeleid.
«Nemen wij nu aan, dat de hoorn der Sphingiden-rupsen een
in atrophie verkeerend orgaan is, dan laat ons dit een der oorzaken
duidelijk begrijpen, door welke het ontstaan van nieuwe dier-
vormen tot stand komt. Wanneer toch hetzelfde bij eenigen dier-
vorm in den loop der tijden met meerdere organen geschiedt en
zich daarbij telkens zoovele wijzen van vervorming voordoen als wij
die hier hebben waargenomen, dan is het duidelijk , dat daarvan
alleen reeds zeer verschillende gedaanten het gevolg moeten wezen.
Bovenal indien zich daarbij op gelijke wijze eens de toeneming van
eenige organen, eene vervorming in omgekeerde richting, gaat
openbaren. Het valt niet te betwijfelen dat de entomologen, indien
zij bij de imagines van insecten aanhangsels aantreffen, zoo ver-
schillend van vorm, of nu eens wel, dan eens niet aanwezig,
gelijk dit met den hoorn onzer rupsen het geval is, op dien grond
verschillende soorten zullen aannemen. Inderdaad gaan dan ook
die verschillen met de soortelijke samen en kunnen zij dus ook
als soortskenmerken worden gebruikt.
« Wij staan nu echter nog voor de volgende vragen: zoo de
VERSLAG. CXXXI
hoorn vroeger een orgaan van meer beteekenis is geweest, welke
waren dan zijne functien? en waarom zijn die sedert onnoodig
geworden? Hare beantwoording leidt ons natuurlijk op het terrein
der gissing; toch schijnt dit ook wel betreden te mogen worden,
mits men slechts de voorzichtigheid niet uit het oog verlieze en
den aard van den bodem waarop men zich waagt niet vergete,
« Uitsteeksels of aanhangsels van verschillenden vorm zijn in het
dierenrijk niet zeldzaam. Men vindt er, die als versierselen eene
rol schijnen te moeten vervullen bij de sexueele teeltkeus; van
dezulken kan bij de geslachtlooze Lepidopteren-larven niet de rede
zijn. Sommige dieren, bepaaldelijk visschen , bezitten er, die wormen
of andere kleine diertjes nabootsende, de daarop azende prooi in
hunne nabijheid lokken; dit kan zich bij de blad-etende rupsen
niet voordoen. Tastorganen kunnen zij ook somtijds wezen ; hiervan
is mij echter bij Lepidopteren-larven geen voorbeeld bekend ; zulke
schijnen zij ook niet van noode te hebben. Er zijn ook vele aan-
hangsels bij de insecten, die als mimicry ter bescherming dienen;
hieraan schijnt echter in het onderhavig geval niet te kunnen worden
gedacht. Dan nog vindt men er dikwijls, die tot wapenen dienen,
en tot deze zeer uitgebreide categorie komt het mij voor, dat ook
de hoorn der Sphingiden-rupsen oorspronkelijk zal hebben behoord.
«De vijanden der rupsen zijn vooreerst vele insecten-etende dieren,
vooral vogels, doch nog in veel sterker mate de sluipwespen en
de vliegen. Tegen deze kleine maar zeer geduchte vijanden hebben
zij het meest bescherming noodig. Daartoe zijn dan ook bij vele
rupsen opzettelijke organen aanwezig, die zich als uitsteeksels voor-
doen of telkens wanneer dit noodig is uitgestoken kunnen worden.
Zoo het Y-vormig orgaan der Papilioniden-rupsen, uit de thorax-
geledingen op den rug voorkomende, hetwelk eene sterk riekende
zelfstandigheid verspreidt, waardoor vermoedelijk zulke kleine in-
secten worden verjaagd. Door anderen, zooals door de Europeesche
Harpyia-rupsen, worden, des gevorderd, uit het achterste gedeelte
van den rug, dus van de plaats waar zich bij de Sphingiden-rupsen
de hoorn bevindt, twee lange draadvormige lichamen in de richting
van den rug uitgestoken, die zeker wel tot een dergelijk oogmerk
CXXXII VERSLAG.
dienen ; bij eene verwante Javaansche soort zag ik toch uit die
draden een droppel helder vocht komen, waarvan men wel mag
vermoeden, dat die dienstig moest zijn om hetzij door een sterken
reuk te verspreiden — al kon ik dien niet waarnemen —, hetzij
door aanraking, kleine insecten te verjagen. Wanneer wij dit nu
weten en wij zien eene andere rups, de boven reeds vermelde van
Secusio eburneigutta Moore, hare rug-aanhangsels willekeurig be-
wegen, dan komt dadelijk bij ons de gedachte op, dat ook op die
wijze kleine vliegende insecten wel kunnen worden verjaagd en
dus belet worden hunne eieren op de rups te leggen, en dat der-
halve die bewegelijkheid der rug-aanhangsels ook tot ditzelfde doel
dient. Nu zien wij ook de jonge Sphingiden-rupsen geheel op
dezelfde wijze haren langen hoorn bewegen; en als wij daarbij
bemerken dat, aangezien deze rupsen gewoon zijn hare voorste
geledingen sterk om te buigen en in te trekken, zij met dien
hoorn ongeveer de gansche lengte van den rug kunnen bestrijken, —
moeten wij dan niet gaan vermoeden, dat daarmede ook hetzelfde
doel wordt beoogd ? Zeker ligt er dan niets onwaarschijnlijks in,
dat dit vroeger zoo kan zijn geweest ; want, nog niet geatrophieerd,
was natuurlijk de hoorn grooter en krachtiger en dus zooveel beter
daartoe in staat, vooral indien wij uit de overblijvende granulatie
tot het vroeger bestaan van stekels op dat orgaan mogen besluiten,
welke dan, evenals ik dat bij de Papilioniden-rupsen vermoedde,
gif-stekels kunnen zijn geweest, als die der tegenwoordige Coclio-
poden-rupsen, en op die wijze dan bovendien een verdedigings-
middel kunnen hebben gevormd als dat der bovengenoemde Harpyza-
rupsen maar veel krachtiger. Inderdaad zulk een hoorn zou tegen
de genoemde kleine vijanden een zeer geducht wapen zijn, misschien
nog door grooteren te ontzien; dat eenmaal de functie van dat
orgaan eene dusdanige, met de nog bij andere rupsen bestaande
verdedigingsmiddelen overeenkomstige en zeker voor het bestaan der
rups zeer belangrijke zal zijn geweest, is dus zeer mogelijk.
« Wanneer die functie echter is gaan ophouden , moet zij onnoodig
zijn geworden. Valt dit en daarmede de waarschijnlijke reden eener
atrophie van het bedoeld orgaan ook na te sporen ? Niet met zeker-
VERSLAG, OXXXIII
heid; maar niet geheel behoeven wij toch ook op deze vraag het
antwoord schuldig te blijven. De wapenen, die de Sphingiden- rupsen
thans bezitten, komen zeker niet zoo krachtig voor als het wapen,
hetwelk ik daareven als in het vermoedelijk bezit harer voorouders
schilderde. Het is waar, sommigen, zooals de Chaerocampa- en
Panacra-soorten, bezitten een ander eigenaardig verdedigingsmiddel,
dat der slangen-mimicry, die bij eenige soorten zeer sterk is en
vooral door de ontwikkeling van zoogenaamde oogvlekken ontstaat;
en de vorming van deze oogvlekken bij de verschillende soorten
schijnt juist het tegenovergestelde van atrophie te vertoonen, na-
melijk in een tijdperk van toeneming, van ontwikkeling, te ver-
keeren. Men zou dus geneigd zijn, hierin een nieuw wapen ter
vervanging van het oude te zien; maar tegen deze beschouwing
bestaan twee groote bezwaren. In de eerste plaats komt het niet
altijd voor; bij het geslacht Acherontia is er geen spoor van te
vinden, en toch heeft ook daar, zooals wij zagen, de atrophie van
den hoorn plaats gehad. Verder is wel de slangen-mimicry een
belangrijk verdedigingsmiddel, maar naar het mij voorkomt, alleen
tegen grootere dieren, vogels, insecten-etende zoogdieren of hagedis-
achtige dieren ; in het meermalen aangehaald opstel deelde ik een
door mij waargenomen feit mede, ten bewijze hoe het zelfs tegen
menschen kan werken. Tegen vliegen of Ichneumoniden moet ik
er echter de waarde van betwijfelen, en om die reden kan ik
bezwaarlijk aannemen, dat hare ontwikkeling het oude zoo krachtige
wapen overbodig kan hebben gemaakt. Het middel, dat de Sphin-
giden-rupsen thans bezigen om zich te verdedigen wanneer zij
worden aangeraakt, bestaat in het zoo krachtig mogelijk slaan met
den kop naar het bedreigde punt van het lichaam, gepaard met
bijten. Is dit voldoende om de ongenoode gasten te verjagen ? Het
is mogelijk, maar het schijnt toch niet zoo krachtig te kunnen
zijn als het middel dat, naar wij vermoeden, haar vroeger daartoe
ten dienste stond. Men vergete echter niet, dat er ook andere
verdedigingsmiddelen kunnen bestaan, die wij niet kunnen waar-
nemen; de huid der rupsen zou b. v. een onaangenamen reuk
kunnen afgeven, sterk genoeg om insecten te verjagen, maar te
CXXXIV VERSLAG.
fijn voor de waarneming met onze reukorganen. Er is één feit,
dat mij toeschijnt hier van veel beduidenis te zijn. In een, trouwens
weinig gezag hebbend, Duitsch werkje vind ik aangeteekend, dat
de rups der Europeesche Chaerocampa Euphorbiae L. veelal door
larven van sluipwespen bezet is. Mine ondervinding van Java is
daarmede in volkomen strijd. De Sphingiden-rupsen behooren daar
tot dezulke, die veel gevonden worden en gemakkelijk zijn te
kweeken ; zeer vele van een 30-tal soorten heb ik dan ook gekweekt,
en niet dan hoogst zelden bleek het, dat zij larven van vliegen of
sluipwespen bevatten; omtrent die Javaansche soorten durf ik
alzoo bepaald verklaren, dat zij maar weinig door zulke insecten
worden geplaagd. Op dien grond moet ik aannemen, dat die
rupsen in haren tegenwoordigen toestand, op welke wijze dan
ook, zeer voldoende tegen hare bedoelde kleine vijanden zijn
beschermd, waaruit zich rechtstreeks de gevolgtrekking laat afleiden
dat, indien zij vroeger daartegen bijzondere thans niet meer be-
staande verdedigingsmiddelen hebben bezeten , deze, al blijft de reden
daarvan duister, toch inderdaad overbodig moeten zijn geworden.
«Met het bovenstaande geloof ik op het bedoelde vervormings-
proces in voldoende mate de aandacht te hebben gevestigd. Nog
ééne opmerking, hoewel zij eigenlijk buiten het behandeld onder-
werp valt, moge ik daaraan, ter gelegenheid dezer beschouwing
van Sphingiden-rupsen, toevoegen. Zooals ik mededeelde, is de
volwassen rups van Hlibia Dolichus Westw. zonder hoorn; vóór
hare laatste vervelling daarentegen heeft zij nog een vrij krach-
tigen, naar voren omgebogen hoorn. Deze verschilt echter van dien
bij alle andere mij bekende Sphingiden-rupsen daarin, dat hij niet
min of meer zuiver rond, maar op de zijden sterk afgeplat, dus
sabelvormig is. Ditzelfde nu vindt men terug bij de zuigerscheede
der pop, die even als dit bij vele poppen van het geslacht Sphinx
voorkomt, zich als een hengsel uit het kopeinde der pop omkromt,
doch mede niet, zooals alle zulke mij bekende zuigerscheeden, min
of meer zuiver rond, maar op de zijden afgeplat is. Wel een be-
wijs hoe de gedaantevorming van eene bepaalde soort door eigene
invloeden wordt beheerscht, welke elders niet voorkomen, doch
VERSLAG. CXXXV
hier, telkens wanneer de gelegenheid zich er toe voordoet, aan de
ontwikkeling eene bepaalde richting geven».
Naar aanleiding van het gesprokene, deelt Prof. van Leeuwen
mede, dat hij indertijd rupsen van Chaerocampa Porcellus uit het
ei heeft gekweekt en zich zeer goed herinnert, dat zoowel bij de
jonge rupsen als bij de volwassenen, een kleine spits, als ver-
)
tegenwoordiger van den hoorn bij andere Sphingiden-rupsen, aan-
wezig was, zonder dat hij zich echter nu de betrekkelijke grootte
dier hoorntjes juist kan te binnen brengen.
De heer G. M. de Graaf zegt, niet te gelooven, dat die rupsen
haren hoorn ter verdediging gebruiken, daar hij steeds heeft op-
gemerkt, dat zij zich alleen verdedigen, door het voorste deel des
lichaams snel heen en weder te bewegen. De heer Snellen be-
vestigt deze opmerking.
De heer J. T. Oudemans vraagt of ook is onderzocht in
hoever de beweging van den hoorn der jonge Sphingiden-rupsen
door eene bepaalde spier geschiedt? — De heer Piepers ant-
woordt hierop, dat die beweging wel het bestaan van zulk eene spier
moet doen vermoeden, doeh dat dit niet anatomisch is onderzocht.
De heer Ritsema heeft een exemplaar medegebracht van den
herdruk van deel VII van het Tijdschrift voor Entomologie, voor
zoover die gereed is, namelijk de tekst in zijn geheel en 4 van
de 12 platen, een en ander op zeer billijke voorwaarden door den
heer P. W. M. Trap te Leiden bezorgd, de platen door ons medelid
Dr. Henri W. de Graaf op steen gebracht !).
Voorts laat de heer Ritsema een drietal exemplaren zien van
een hier te lande zeldzaam voorkomend kevertje, Niptus erenatus
F.; zij waren in November 1888 in een woonhuis binnen Leiden
aangetroffen, in gezelschap van vele exemplaren van Niptus holo-
leucus Pall.
1) Gelijk dit bereids werd aangekondigd, is deze herdruk verkrijgbaar voor
de Leden der Entomologische Vereeniging tegen f 6.— met gekleurde en f3.—
met ongekleurde platen. Het is te wenschen, dat velen zich deze gelegenheid
zullen ten nutte maken, om hunne reeks van het Tijdschrift te completeeren.
CXXXVI VERSLAG.
Verder stelt hij ter bezichtiging een exemplaar van eene zeer
varieerende Oost-Indische Getonide, nl. Macronota egregia G. et P.,
bij welk exemplaar het rechter dekschild geheel zwart, het linker
daarentegen met een bruinrooden overlangschen band voorzien is,
zoodat de uiterste varieteiten der soort hier op hetzelfde individu
vereenigd voorkomen. Het exemplaar was, volgens het etiquet,
afkomstig van Palembang (Oost-Sumatra) en werd onlangs van
Mr. W. Albarda ontvangen.
Eindelijk vestigt de heer Ritsema de aandacht op het kever-
geslacht Helota MacL., waarvan hij niet minder dan 23 soorten
in eene doos heeft bijeengevoegd en aan de aanwezigen laat zien.
In deel XII van den Catalogus Coleopterorum van Gemminger en
von Harold, dagteekenende van 1876, worden in het geslacht Helota
5 soorten opgenoemd; sedert zijn er door Spreker 2, door Lewis
1, door Oberthür 3, door Sidney Olliff 5 en door Kolbe 1 nieuwe
soort beschreven, hetgeen het getal der beschreven soorten
tot 17 doet klimmen. Bovendien zijn aan Spreker tot op dit
oogenblik nog 8 nieuwe soorten bekend, waarvan hij de be-
schrijvingen weldra hoopt te publiceeren. Hierdoor stijgt het soor-
tental tot 25, d. i. juist het vijfvoud van het aantal, dat in 1876
beschreven was. Van deze 25 soorten zijn hem 23 in natura bekend,
dezelfden die in de doos zijn vertegenwoordigd. Hij stelt zich voor,
later eene lijst der soorten van dit geslacht in het Tijdschrift
voor Entomologie te geven.
De heer Snellen spreekt in de eerste plaats over het geslacht
Catocala. In de Nederlandsche fauna is dit genus door vier soorten
vertegenwoordigd, de bekende C. Fraxini, nupta, promissa en
sponsa, terwijl de Europeesche of, beter gezegd, de Palaearctische
fauna er 31 telt. Zeer aanzienlijk wordt dit getal overtroffen in
Noord-Amerika, van waar ongeveer 80 goede species beschreven
zijn. Uit Japan en Noord-China zijn 20 soorten gepubliceerd, die
echter misschien ten deele met anderen uit de Palaearctische fauna
synoniem zijn. Eene enkele soort, C. Rama Moore, is van Ceylon
bekend en in de Lepidoptera of Ceylon beschreven en afgebeeld,
VERSLAG. CXXXVIT
Uit landen, verder oost- en zuidoostwaarts gelegen, ontvingen wij
tot dusver nog geene Catocala. !). Het was weder voor Mr. Piepers
weggelegd, om ons eene van Java te leeren kennen. In de laatste
bezendingen, die hij uit de Preanger Regentschappen ontving,
bevond zich een wijfje van de bovengenoemde Ceylonsche soort,
C. Rama. Het exemplaar gaat ter bezichtiging rond; het is in
de bergstreken der Preanger gevangen, op welke hoogte is niet
opgegeven (doch het moet tusschen 3500 en 6000 voet geweest
zijn). Deze soort behoort tot die met gele achtervleugels en is eene
geheel typische Catocala, die alleen door de groenwitte niervlek
iets vreemds heeft.
Vervolgens stelt de heer Snellen ter bezichtiging de beide sexen
van eene Noctuine, nieuw voor de Nederlandsche fauna, en wel
Mamestra Treits. Led. (Hadena Snell. lind. v. Ned.) splendens Hbn.
Zij is het naast verwant aan M. oleracea, waarvan zij zich door
de aangenamer, meer steenroode kleur der voorvleugels, eene
fijnere witte golflijn en het ontbreken van het roestgeel in de
niervlek dadelijk onderscheidt. De rups gelijkt, naar de beschrij-
ving te oordeelen, nog al op die van oleracea en leeft ook op lage
planten. Een iets afgevlogen, maar nog zeer goed kenbaar voor-
werp van splendens ving de heer de Vos tot Nederveen Cappel op
14 Juni 1888 te Nieuwveen bij Alphen in Zuidholland. Staudinger
geeft in zijn Catalogus van 1871 als vaderland op: Duitschland,
Gallicie, Hongarije, Amoer.
Verder vertoont Spreker een gekweekt voorwerp van Plusia
C-aureum Knoch, voortgekomen uit eene rups, die door ons medelid,
den heer Groll, bij Zutphen op Thalictrum gevonden en aan Spreker
toegezonden is; hij bezit nu gekweekte inlandsche exemplaren van
al onze zes Plusia-soorten.
Ten slotte laat de heer Snellen nog een exemplaar zien van eene
zeer groote, prachtige, onbeschreven soort van Milionia Voll., een
Geometrinen-genus tot de Indo-Maleische fauna behoorende. De
1) Er is wel eene Catocala Urtica Montrouzier van Nieuw-Caledonie bekend,
doch de naam van den auteur levert, bij onbekendheid met het dier, geen waar-
borg dat de generieke determinatie juist is.
CXXXVIII VERSLAG.
soort komt van Noord-Celebes (Minahassa) en is aan Spreker met
andere Lepidoptera van dat eiland ter determinatie gezonden.
De heer van Hasselt laat ter voorloopige bezichtiging rondgaan
de zoo even ontvangen, door onze geachte medeleden Ed. Everts
en Henri W. de Graaf keurig bewerkte proefplaten zijner voor het
het Tijdschrift ter perse gaande studie «Sur le muscle spiral et la
vésicule du palpe des Araignées mâles». Een der platen, geheel
van de hand van Everts, heeft betrekking op het door Spreker
hier ten vorigen jare behandelde copulatie-blaasje, waardoor
de uitdrijving van het sperma uit de zaadbuis wordt bewerkstelligd.
De andere bevat, — nevens eenige op het genoemd orgaan-deel
doelende, — afbeeldingen van tot hiertoe nog in hunnen aard
onvolledig of niet bekende vliesachtige aanhangsels van
het apicale uiteinde der palpen.
Zoo door Menge, als na dezen door Lebert, niet zeer duidelijk
voorgesteld onder de benamingen van «Nebentheile», «Nebentrager»
en «gefranzte Organe», spreekt hij over deze aanhangsels het ver-
moeden uit, dat hunne functioneele strekking verder reikt dan die,
welke door genoemde schrijvers is aangenomen. Waarschijnlijk
dienen zij niet alleen, gelijk de Menge'sche spermophoor zelf, tot
het eenvoudig ter plaatse opnemen der, naar men weet, door
de spin, vóór den coitus, uit de testes geëjaculeerde sperma-droppels,
maar insgelijks, en misschien voornamelijk, onder medewerking
van den penis en diens conductor, tot het inzuigen van het
semen in de zaadbuis, binnen den bulbus genitalis gelegen.
De wetenschappelijke mededeelingen hiermede afgeloopen zijnde,
wordt de vergadering, onder dankzegging aan de verschillende
Sprekers, door den Voorzitter gesloten.
AZAZIA HENRICI,
NIEUWE SOORT DER SICULINA
(LEPIDOPTERA HETEROCERA)
BESCHREVEN DOOR
PC T. SNELLEN,
AFGEBEELD DOOR
Dr. J. VAN LEEUWEN Jr.
(PI. 4, fig. 1).
In het Tijdschrift voor Entomologie, deel XX (1876—1877),
p. 28, is een nachtvlinder van Java door mij beschreven en op
pl. 2, fig. 15 a—e afgebeeld onder den naam van Thermesioides,
die ik voorloopig tot het Noctuinen-genus Zomodes Guenée bracht.
Later is door den heer A. G. Butler (Proc. Zool. Soc. of Lond.
1880, p. 680) medegedeeld, dat die soort de Thermesia? reticulata is
van Walker’s Catalogus 33, p. 1062. Met de origineelen van Walker
voor zich, kon hij dit, bij vergelijking met mijne beschrijving en
eenigszins geholpen door de (middelmatige) afbeelding, gemakkelijker
uitmaken dan ik, het bekende gehalte van Walker’s beschrijvingen
in aanmerking genomen.
Sedert ben ik tot de overtuiging gekomen, dat mijne T#ermesioïdes
geene echte Noctuine is. Het bijzondere verloop van ader 8 der
achtervleugels, die voorbij de sluiting der zeer korte middencel, ader
7 door eene bocht sterk nadert, het ontbreken der bijoogen en
de geheel ongesteelde aderen der voorvleugels, doen mij haar thans
1
D AZAZIA HENRICI, NIEUWE
onder de familie der Siculina Guenée (zie ook Snellen, in Midden-
Sumatra, Lepidoptera, p. 51) rangschikken. Ik moet evenwel
opmerken, dat zij vrij wat nader in habitus bij de Noctuina komt
dan de meer typische Siculina, zooals: Dracoma oleigutta Feld.,
Novara, U, 2, pl. 134, f. 3, Dr. Periphete Cram., IL, p. 54,
pl. 134 G, Belenoptera Phyllula A.S., Aussereur. Schmett., p. 76,
t. 403, en zelfs nader dan Striglina scallula Guen., Ann. Soc.
Ent. de Fr., A877, p. 283, waaraan Thermesia? fenestrina Feld. ,
Novara, II, 2, pl. 117, f. 4, blijkbaar verwant is. Om die reden
zonder ik dan ook liever de met Thermesioides overeenkomende
soorten van het genus Striglina Guen. (l. c.) af, namelijk die met
eene donkere dwarslijn of schaduw der bovenzijde, zonder door-
schijnende vlekjes, en breng die over in een ander genus, waarvoor,
naar Felder’s voorbeeld de naam Azazia Walk. (volgens Felder,
in Walker, Catalogus, XV, 1576) wel in aanmerking kon komen.
De meer Noctuinen-achtige habitus, de stompere palpen en vleugels
en, als boven vermeld, het ontbreken der doorschijnende vlekken
op de voorvleugels kunnen voorloopig als generieke kenmerken
gelden. Tot dit genus Azazia reken ik dan: Zineola Guen, L ec.
p. 284, navigatorum Feld. , Novara, II, 2 pl. 117, f. 4, australina
Guen., p. 284, Myrtea Drury, Il, p. 4, pl. 11, f. 3, rufitibia
Feld., 1. c., pl. 117, f. 1, mijne Zhermesioides, Sonagara vialis
Moore, Proc. Zool. Soc. Lond., 1883, p. 27, pl. vi, f. 9, be-
nevens cene soort, waarvan de heer H. B. van Rhijn, eerste luitenant
bij het Nederl. Oost-Indische Leger, in den omtrek van Fort de
Kock (Sumatra's westkust) een exemplaar ving en aan Mr. H. W.
de Graaf toezond. Deze had de goedheid mij dat voorwerp voor
mijne collectie te schenken, en ik voldoe hierbij aan zijnen wensch
om de soort te publiceeren, zoo zij nieuw mocht zijn. Zij komt
mij inderdaad voor in dat geval te verkeeren. Ik benoem haar
naar een der voornamen van den heer van Rhijn.
Azazia Henrici onderscheidt zich door de grootte, de levendige
kleur van vleugelgrond en teekening van T2ermesioides, vialis en
lineola, waarmede zij anders door de scherp uitgedrukte booglijn
der bovenzijde het meest overeenkomt, van wavigalorum en Myrtea
SOORT DER SICULINA. 3
door de aanwezigheid der vermelde, bij deze beide soorten ont-
brekende dwarslijn, van zufitibia bovendien nog door de heldere,
bij die soort vuil leemgele kleur. Het naast is Zenriei misschien
nog verwant aan australina Guen., doch deze heeft volgens Guenée
slechts de grootte van Zineola (25 mm. vlucht), terwijl Henriei
35 mm. haalt. Vervolgens zijn de vleugels stomper, is de grond-
kleur niet levendig en glanzig steenrood en houdt de dwarslijn der
voorvleugels niet bij de middencel op. De overige verschilpunten
komen mij minder belangrijk voor.
Vlucht 35 mm. Een d. Sprieten (naar een gedeelte van den
rechterspriet te oordeelen) draadvormig, ter lengte van de breedte
der schaft fijn en gelijkmatig bewimperd. Palpen half zoo breed
als de oogen, opgericht, niet boven den schedel uitstekende, glad
beschubd, met kort, stomp eindlid. Zij zijn evenals de kop, de
thorax en het achterlijf, levendig licht saffraan-, bijna goudgeel,
zeer helder saffraankleurig geelrood getint, Staartpluim kort, stomp,
okergeel.
Vleugels regelmatig gevormd, de voorvleugelpunt zeer duidelijk ,
doch niet omgebogen. Hoeken der achtervleugels mede duidelijk,
doch stomper. Achterranden der vleugels gelijkmatig gebogen. De
grondkleur van de bovenzijde is, evenals op het lijf, een levendig
licht saffraangeel, en men ziet, op dezelfde wijze als bij Thermesioides ,
in de vleugelcellen overal zeer fijne, gegolfde rechtere of schuinere
donkerder dwarslijntjes; deze hebben echter eene veel levendiger,
geelroode kleur dan bij T’hermesioides. Verder is eene vermiljoen-
roode bestuiving waar te nemen langs den voor- en binnenrand
der voorvleugels en aan hunnen wortel, benevens ter wederzijde
van de boog- of dwarslijn, die van 21 mm. vóór de punt der
voorvleugels naar het midden van den binnenrand der achtervleugels
loopt. De kleur dezer lijn is blauwzwart en zij is zeer scherp,
schijnt echter een weinig vervloeid door de vele roode schubben,
die er dicht tegenaan liggen. Verder ziet men op de achtervleugels
nog eene fijne donkerbruine lin, die van twee derden des voor-
rands recht op twee derden des achterrands aanloopt, doch ruim
1 mm. daarvóór tegen ader 3 stuit en dan, nog fijner wordende,
4 AZAZIA HENRICI, NIEUWE SOORT DER SICULINA.
zich verliest in de roode dwarslijntjes der cellen. Op het eerste
derde der voorvleugels bemerkt men nog twee vrij steile, onder
den voorrand gebroken roode dwarslijnen, op hunne dwarsader een
paars middenvlekje, dat zwartbruin is gerand, en de binnenrand der
achtervleugels is bij het eind der booglijn een weinig paarsblauw
gemengd. Franje kort, geel als de vleugels, rood bestoven.
De onderzijde is vuil bruinachtig okergeel, met sporen van de,
hier grauwbruin gekleurde teekening der bovenzijde. De middenvlek
der voorvleugels is echter zeer duidelijk, bijna zwart, en de voor-
en binnenrand dier vleugels eenigszins glanzig, paarsachtig van
tint. Franje okerbruin.
Pooten gewoon gevormd, bruingeel; alle tarsen, zoomede de aan
de voorzijde met een wit vlekje geteekende voorschenen zwartbruin.
Aderstelsel als bij Zhermestoïdes; de middencel der achtervleugels
zeer kort, hunne dwarsader alleen onderaan duidelijk. Alle aderen
der voorvleugels zijn ongesteeld; 4—5, 7—8 en 9—10 paarsgewijs
nabij elkander ontspringende.
AANTEEKENING
CYCLIDIA SUBSTIGMARIA HUEBNER
EN EENIGE ANDERE VERWANTE SOORTEN VAN
EEPTDOPTERA,
DOOR
P. C.T.SNELLEN,
MET AFBEELDINGEN DOOR
Prof. Dr. J. VAN LEEUWEN Jr.
(Pl. 1, fig. 2—6).
Hoewel het niet te ontkennen valt, dat Guenée’s werken over
de Noctuina, Geometrina en Pyralidina inderdaad — de schim
van Lederer zij om vergiffenis gevraagd! — den naam wel ver-
dienen van « Epochemachend», waarmede een beroemd Duitsch
Lepidopteroloog ze bestempelde, — zij zijn toch het uitgangspunt
voor ieder, die zich met de studie der exotische soorten van die
familien wil bezighouden — zoo kan het geen verwondering wekken ,
Guenée’s manier van werken in aanmerking genomen, wanneer
wij bij nader onderzoek van tid tot tijd bevinden, dat hij in de
bovengenoemde, door hem behandelde familien geheel vreemd-
soortige bestanddeelen opnam. Juiste, scherpe kenmerken toch voor
die familien geeft Guenée nergens; zijne karakteristiek bepaalt zich
tot algemeenheden, en om uit te maken of eene of andere vlinder-
6 CYCLIDIA SUBSTIGMARIA HÜBN. EN
soort, b.v. tot de Geometrina behoort of niet, moet een discipel
van onzen Franschen Lepidopteroloog zich, wanneer hij de rups
niet kent, behelpen met den indruk, dien de habitus van het
volkomen insect ongeveer op hem maakt, kortom, meer het instinct
dan de rede moet zijn leidsman zijn. Vooral bij exotische Lepidoptera
is die habitus echter een zeer slechte proefsteen en dienen wij
zekerder hulpmiddelen voor de classificatie ter hand te nemen,
met name de systematische werken van Herrich-Schäffer en
Lederer.
De juistheid mijner bovengenoemde meening bleek mij voor
eenigen tijd opnieuw bij een nader onderzoek van den in den titel
van dit stukje vermelden vlinder. Hoewel uiterlijk zeer veel ge-
lijkende op verscheidene soorten der genera Cimscodes Guen., Oxydia
Guen. en Cratoptera H.S., b.v. op praelataria H.S., vulpecularia
H.S., praeditaria H.S. en vestianaria H.S., — allen ontwijfelbare
Geometrina, — bezit hij toch geenszins de kenmerken der Geometrina,
zooals Herrich-Schäffer, Syst. Bearb. der Schmett. von Europa, VI,
p. 82, die opgeeft. In het oogloopend is vooral hoe sterk de toestand
van de aderen 6, 7 en 8 der achtervleugels bij substigmaria afwijkt
van dien, welken men bij alle mij bekende echte Geometrina aantreft.
Cyclidia Platypteryx
substigmaria Hbn. £ cultraria F. & praeditaria H.S. ¢
(nat. grootte). (vergroot).
Achtervleugels.
Ader 8 der achtervleugels is namelijk niet met den voorrand der
middencel vergroeid, om zich er vóór haar einde weder duidelijk
en in zeer verschillende richting van te verwijderen, zooals bij de
afdeeling Phytometrina H.S. der Spanners; en evenmin blijft die
ader vrij van den voorrand der middencel, op de wijze als bij de
Geometrina, afdeeling Dendrometrina H.S. plaats vindt. Ader 8
loopt, wel is waar, bij sommige Dendrometrina lang zeer nabij den
EENIGE ANDERE VERWANTE LEPIDOPTERA. |
voorrand der middencel, b.v. bij het genus Odezia, maar zij ver-
wijdert zich dan toch vóór het eind der cel zeer beslist van haar.
In plaats daarvan nu blijft bij substigmaria ader 8 niet alleen
langs den voorrand der middencel loopen tot aan haar einde, maar
dezelfde richting behoudende, vergezelt zij ader 7 nog een geheel
eind weegs, om eerst bij een derde der lengte van die ader zich
van haar af te scheiden, Voegt men hierbij, dat ader 6 der
achtervleugels ver van ader 7 ontspringt aan het ondereinde van het
zeer schuine bovenderde der dwarsader; dat de aderen 3—5
dier vleugels even ver van elkander ontspringen uit den achterrand
van de uitstekende onderhelft der middencel, en dat ader 5 der
voorvleugels nog nader bij 4 staat dan deze by 3, dan is het
duidelijk, dat wij hier met geen Spanner te doen hebben, maar
met eene soort van eene andere vlinderfamilie en wel met eene
zuivere Drepanuline. Het beschreven aderstelsel komt namelijk vrij
nauwkeurig overeen met dat van de Europeesche soorten van het
genus Platypterys, althans wat de hoofdpunten aangaat; alleen
ontbreekt de bij dat genus voorkomende aanhangeel der voorvleugels.
Verder onderscheidt sudstigmaria zich van de Europeesche soorten
van Platypterye door een sprankje van ader 1 der voorvleugels,
dat zich juist op het punt der wortelwaartsche vorking van die
ader in de richting van den binnenrand verwijdert, en doordat de
steel van de aderen 7—10 der voorvleugels niet bijna uit één punt
met ader 6 ontspringt. De mannelijke sprieten zijn overigens dik ,
draadvormig, naakt, en de opgerichte palpen bijna zoo lang als de
À ?
kop. Achterschenen viersporig; vleugelhaakje aanwezig. Voorloopig
kan deze soort generiek van Platypleryx gescheiden blijven onder
den naam Cyclidia.
Door den heer Oberthür is in de Etudes @ Entomologie, afl. X,
p- 35, pl. 3, f. 3, nog eene Huchera (= Cyclidia) fabiolaria uit
Thibet beschreven, die ik niet ken, terwijl Luchera Agnes Butl.,
Annals and Magazine of Natural History, ser. v, Vol. I (1878),
p. 441, uit Japan, eene zuivere Geometrine is, aan Cidaria
verwant.
In het voorbijgaan merk ik nog op, dat de drie soorten, die Hübner
& CYCLIDIA SUBSTIGMARIA HÜBN. EN
in zijn Jereeichniss, p. 305, onder den naam Luchera vereenigt,
(Cunica, zegge: Cunina Cram. 3, 257 G, Hesperia Cram. 3, 251 A, B
en Cenis Cram. 2, 147 E), klaarblijkelijk niets met substigmaria
gemeens hebben. Het was dus in ieder geval loutere willekeur
van Geyer, die Hübner's Zuträge voortgezet heeft, toen hij ook
laatstgenoemde soort in het genus Huchera Hübn. plaatste. Guenée’s
naam Cyclidia kan dus ter wille van Huchera niet achtergesteld
worden.
Ik maak van deze gelegenheid gebruik , om hier nog eenige soorten
van Drepanulina te bespreken. Zij zijn allen van Java en door
Mr. M. C. Piepers verzameld.
1. Platypteryx argentilinea nov. spec.
(Pl. 4, fig. 2).
Een zeer gaaf en frisch paar, de d 22, het 9 28 vlucht.
Deze soort is eene echte //atypterya, met ongetanden achterrand
der voorvleugels en met tweesporige achterschenen. Zij onderscheidt
zich zeer van de mij bekende soorten door hare dofwitte, iets
berookte grondkleur en de zilveren teekening.
De sprieten zijn bij beide sexen gebaard, bij het 9 korter dan
bij den &; hunne schaft is bruinwit, de baarden zijn bleek bruingrijs.
Aangezicht bleekbruin, smaller dan de oogen. Thorax bruinachtig
(3) of grijsachtig (2) wit, het achterlijf bij den d bruinwit, by
het ¢ lichtgrijs.
Punt der voorvleugels omgebogen doch weinig, nog minder sterk
dan bij de Europeesche cxltraria Fabr. De bovenzijde der vleugels
heeft eene grijswitte grondkleur, die iets bruinachtig is getint. Zij
is op de voorvleugels geheel dof; op de iets helderder achtervleugels
heeft zij, behalve tegen den staarthoek, een flauwen zijdeglans en
is bij het g nog wat zuiverder dan bij de andere sexe. Op de
dwarsader der voorvleugels ziet men een dik, ovaal, staalkleurig
middenteeken, onderaan met een horizontaal, lichtbruin, ovaal vlekje
op den wortel van ader 4 verbonden. Overigens zijn drie langs-
EENIGE ANDERE VERWANTE LEPIDOPTERA. 9
lijnen, als: eene fijne juist onder den voorrand der genoemde
vleugels, eene dikkere, iets ongelijke, meer binnenwaartsche, die het
beloop van ader 11 volgt, en eene derde aan het begin in schubben
opgeloste, aan het eind vlekkig verbreede, over het midden der
middencel en ader 6, die de vleugelpunt niet geheel bereikt,
blinkend zilver, met groenen glans. Laatstgenoemde lijn wordt
door het teeken op de dwarsader kort afgebroken. Even onder de
vleugelpunt ontspringt nog eene zilveren dwarslijn (golflijn), die,
drie bochten makende, langs en nabij den achterrand loopt en
vóór den staarthoek eindigt, terwijl de franjelijn zelve ook zilver-
kleurig is. Zeer nabij den vleugelwortel ziet men verder nog een
flauw bruin dwarslijntje, dat op een zesde van den binnenrand begint
en bij den wortel van ader 2 eindigt, terwijl eene zeer flauwe,
bruinachtig grauwe schaduwlijn van het middenteeken naar den
binnenrand gaat.
Op de achtervleugels is de franjelijn slechts gedeeltelijk zilver-
kleurig, namelijk van ader 5 tot den staarthoek, en door de aderen
afgebroken, terwijl een dikker, buitenwaarts geelbruin beschaduwd ,
iets bochtig zilverlijntje van drie vijfden van cel 3 (9) of 4 (9)
naar vijf zesden van den binnenrand loopt. Franje als de vleugel
gekleurd.
Onderzijde wit iets onzuiver, ongeteekend, met flauwen zijde-
glans. Pooten bleekbruin.
Batavia.
2. Platypteryx cilicoides nov. spec.
(PI. 1, fig. 3).
Deze Drepanuline, waarvan Mr. Piepers nog slechts een enkel,
vrij goed vrouwelijk voorwerp zond, van 36 mm. vlucht, doet op
het eerste gezicht aan eene groote Ciliv denken, doch de generieke
kenmerken verwijzen haar naar Platypteryx, omdat ader 8 der
achtervleugels uit den wortel komt en de spitse voorvleugelpunt,
hoewel weinig, toch nog omgebogen is. De achterschenen zijn
overigens 4-sporig, de sprieten plat, met stompe kerftanden ge-
10 CYCLIDIA SUBSTIGMARIA HÜBN. EN
wapend, het aangezicht smaller dan de oogen en de achterrand
der voorvleugels onder de punt iets uitgesneden, evenals bij de
Europeesche Plat. sicula, doch hooger, niet tusschen ader 3 en de
punt, maar tusschen ader 5 en de korte vleugelspits. Overigens is
de vlinder iets plomp gebouwd en onderscheidt hij zich zeer van
de mij bekende soorten van het genus door de witte, grijs gevlekte ,
aan eene Abravas herinnerende bovenzijde.
Palpen opgericht, kort, maar iets langer dan bij de Europeesche
soorten. Zij zijn grauwbruin, gelijk de kop en de sprieten. Thorax
wit, evenals de wortel van het achterlijf; de rug van dit laatste
wordt, behalve aan den wortel en de mede witte spits, geheel
beslagen door eene groote ovale grauwbruine, fijn grijswit gedeelde
vlek. Borst, buik en pooten onzuiver wit, aan laatstgenoemden de
buitenzijde van het voor- en middenpaar bruingrijs.
Bovenzijde der vleugels wit; de voorrand der voorvleugels met
zes grijze vlekken, drie vóór en drie voorbij het midden. Onder
de vijfde vlek staat in cel 5 nog een kleiner grijs vlekje. Langs
den achterrand, iets rechter dan deze loopende en in den staart-
hoek eindigende, ziet men van af cel 6, eene grijze streep, die boven —
ader 4 (lager verder niet) door de aderen fijn afgebroken wordt.
Tusschen deze streep en de middencel ziet men voorts nog eene
grijze teekening op den binnenrand, die aan het zoogenaamde schild
der Grapholithen herinnert. Zij wordt. gevormd door eene dikke
grijze streep, van ader 4 naar den binnenrand, welker onderste
vierde half zoo breed (1 mm.) als het overige en ook iets gebogen
is. Wortelwaarts en nabij deze breede streep ziet men van af ader
5, twee smallere, gebogene, waarvan de binnenste in cel 2 en 3
tegen den achterrand twee stompe tanden heeft. Deze drie strepen
sluiten dus twee witte lijnen der grondkleur in, eene iets getande
en eene zeer fijne, alleen gebogene. Franjelijn grijs, naar onderen
dikker.
Achtervleugels in den staarthoek okergeel gemengd achter drie
min of meer ineenvloeiende gegolfde grijze dwarslijntjes, die on-
geveer evenwijdig met den achterrand loopende en iets onder de
helft van den vleugel beginnende, op vier vijfden van den binnenrand
EENIGE ANDERE VERWANTE LEPIDOPTERA. 11
eindigen. Iets onder de helft, ziet men nabij den binnenrand nog
twee grijze stippen en in het geel gemengde gedeelte van den achter-
rand op de aderen eenige fijne zwarte streepjes en stippen , benevens
een tapvormig grooter zwartgrijs vlekje op den achterrand van cel
2. Overigens is de franjelijn afgebroken grijs, en bevinden zich
twee grijze streepjes vóór die lijn in cel 4 en 5, waarvan het
onderste, grootere, halvemaanvormig is. Franje wit.
De onderzijde is wit, met donkergrijze bestuiving op de wortel-
helft der voorvleugels, tegen den voorrand, grijze vlekken en eene
gebogen grijze streep op hun puntvierde, benevens grijze vlekken
in het staarthoekvierde der achtervleugels.
West-Java; Preanger-gebergte, tusschen 1500 en 1800 meter
hoogte gevonden.
3. Drapetodes nummularia nov. spec.
(PL A, fig. 4, 4a).
In het Tijdschrift voor Entomologie, deel XXIII (1879—80),
p. 67, zeide ik, dat het genus Drapetodes Guenée uit de familie
der Geometrina moest verwijderd en tot de Noctuina gerekend worden.
Thans komt het mij voor, dat ook daar nog niet de rechte plaats
is, maar dat wij, uithoofde van het afwijkende beloop van de aderen
6, 7 en 8 der achtervleugels, met eene Drepanuline te doen
hebben. Ader 7 der achtervleugels nadert 8 inderdaad nog meer
dan de afbeelding der nervuur van Drapetodes mitaria t. a. pl.
aanduidt. Het genus Drapetodes onderscheidt zich door den vorm
der voorvleugels genoegzaam van de overige genera der familie, om
nog verder gekarakteriseerd te behoeven te worden.
Tot dusverre kenden wij slechts twee soorten van Drapetodes
t. w. mitaria Guen., Uran. et Phal. 2, p. 424, pl. 18, f. 6 en
matulata Feld. en Rog., Novara, II, 2, pl. 134, f. 44 2, die
zich beiden onderscheiden door de met zeer schuine strepen ge-
teekende bovenzijde der vleugels, welke bij mifaria donkergeel,
bij matulata wit is. Drapetodes fratercula Moore, Lep. of Ceylons
10% CYCLIDIA SUBSTIGMARIA NÜBN. EN
p. 541, pl. 200, f. 1, stelt een klein exemplaar eener varieteit
van mitaria voor, die ook op Java voorkomt, bij welke het midden
der voor- en achtervleugels donkergrijs bestoven is en die door
overgangen met den type is verbonden. De daarbij, fig. 1a, af-
gebeelde rups bewijst de verwantschap met P/atypterya en Cilia.
Zij gelijkt, volgens de beschrijving, eenigszins op de rups van de
Europeesche Cilix spinula en is 14-pootig, daar de naschuivers ont-
breken. De pop is bruinrood, wit bestoven. Eene derde, nog on-
beschrevene soort kenmerkt zich door geelwitte vlekjes op leem-
bruinen grond en is dus op het eerste gezicht kenbaar. Ik heb
daarvan een 4, zonder franje, doch overigens gaaf, voor mij.
Sprieten naakt, plat, met platte stompe, zeer dicht opeenstaande
tanden gewapend, evenals bij mitaria d (mijne afbeelding, |. c.,
is niet uitvoerig genoeg). Zij zijn bleekbruin, op den rug bruinwit,
en staan aan den wortel dicht bijeen. Geene bijoogen. Oogen vrij
groot, naakt. Aangezicht veel smaller dan de doorsnede der oogen.
Zuiger opgerold. Palpen, evenals bij mitaria, dun, glad beschubd,
maar minder gebogen dan daar, bleekgeel met eene zwarte langslijn
op zijde. Schedel bruingeel met twee bruine dwarslijntjes. Hals-
kraag licht okerbruin. Thorax-rug en achterlijf bruinwit; het laatste
op den rug bruingrijs gemengd.
De vleugels hebben denzelfden vorm als bij mitaria (zie de af-
beelding bij Guenée, Uranides et Phalénites, pl. 18, f. 6), maar
bij het eerste paar is de voorrandswortel nog sterker gebogen.
Hunne grootendeels leemgrauwe bovenzijde is op het wortelderde
der voor- en het wortelzesde der achtervleugels, in de cellen dicht
met bruin geelwitte vlekjes geteekend, die door fijne okerbruine
dwarslijntjes gescheiden worden, zoodat daar de grondkleur wit met
okerbruin netwerk mag heeten. Een breede band van dergelijke, maar
over het geheel meer spadevormige vlekjes loopt van de vleugelpunt
binnenwaarts en houdt bij ader 4 op. Deze band is aan de
vleugelpunt viervoudig, in cel 2 en 3 dubbel, en hij eindigt in
cel 15 met een enkelvoudig vlekje. Bovenaan wordt hij door oker-
bruine stippen en dwarslijntjes gedeeld.
Langs den achterrand der achtervleugels, van ader 6 tot den
EENIGE ANDERE VERWANTE LEPIDOPTERA. 13
staarthoek , loopt eene bruingeelwitte, ruim 4 mm. breede streep,
die door bruine halve maantjes nabij den wortelrand is gedeeld.
Overigens ziet men op de achtervleugels nog twee fijne zwarte
middenpunten en eene donkergrauwe middenlijn, waarbij zich eene
eveneens gekleurde dwarslijn der voorvleugels aansluit, die van
het eind van ader 5 naar twee derden des binnenrands loopt.
Onderzijde vuilwit, ongeteekend. Pooten bruinwit, glad beschubd,
gewoon gespoord. Aderstelsel als bij zitaria.
Java: Sindanglaya (Piepers).
4. Phyllopteryx elongata nov spec.
(BE fo fie 5).
Hoewel ik in het algemeen geen voorstander ben van het vormen
van nieuwe genera, zie ik mij toch genoodzaakt om ten behoeve
der nu te behandelen, onbeschreven Drepanuline, daartoe over te
gaan, want de vorm der achtervleugels wijkt, gelijk uit de af-
beelding te zien is, zoo zeer af van die der overige, mij bekende
soorten der familie, dat zij zelfs in het genus Drapetodes, waarmede
de vorm der voorvleugels nog het meest overeenkomt, slechts
hoogst gedwongen zou kunnen worden gehuisvest.
De achterrand dier vleugels is namelijk onder het midden ge-
broken en steekt met een tand, bijna een kort staartje, uit; de
vorm der achtervleugels doet dus denken aan dien van Papilio
Hector Linn.
Ader 8 der achtervleugels ontspringt overigens uit den vleugel-
wortel; ader 2 en 3 komen, bijna uit één punt en kort voor haar
einde, uit den binnenrand der middencel, 4 en 5 uit den staart-
hoek dier cel. Wat de voorvleugels aangaat, zoo is hunne middencel
kort, met spitsen staarthoek. Ader 2 komt uit twee derden van
haren binnenrand, 3 ontspringt tusschen ader 2 en den staarthoek
der cel, 4 en 5 uit dien hoek. Ader 6 ontspringt iets boven de
helft der dwarsader en op den eenigszins stompen voorrandshoek
der cel zit eene smalle aanhangeel. Uit den achterrand daarvan,
14 CYCLIDIA SUBSTIGMARIA HÜBN. EN
bij de spits, ontspringt ader 7, die onder de vleugelpunt in den
achterrand eindigt, en uit de spits komt de lange steel der aderen
8—10, die in en vóór de vleugelpunt in den voorrand uitloopen
als korte sprankjes. Ader 11 ontspringt uit de middencel, nabij
de aanhangeel, 12 uit den vleugelwortel. De voorrand der vleugels
is aan den wortel niet zoo sterk gebogen als bij Drapetodes en dus
cel 12 aldaar smaller.
De kop is plat, het vlakke aangezicht half zoo breed als de vrij
groote, naakte oogen; de bijoogen ontbreken. Zuiger kort, doch
opgerold. Palpen half zoo lang als de kop, dun, spits, iets ge-
bogen, glad beschubd. Sprieten bij den ¢ iets langer dan de helft
van den voorrand der voorvleugels, bij het 9 nauwelijks half zoo
lang als die rand en smaller, bij beide sexen naakt, draadvormig,
plat, met dicht opeengedrongen leden. Thorax plat-bolrond, met
schubben bekleed.
Het achterlijf is zoo lang als de binnenrand der achtervleugels,
heeft een platten buik en sterk gewelfden rug, en is ongeveer
overal even dik, met korte stompe punt bij het g. De d heeft eene
korte, tweemaal gedeelde staartpluim. Overigens is het achterlijf
glad beschubd, met korte pluimpjes op den rug, en bij het 2 niet
veel dikker.
Pooten kort, glad beschubd, viersporig.
Deze zijn de generieke kenmerken van den vlinder.
De kleinere d heeft eene vlucht van 23—25 mm., het 9 van
31—37 mm. Het aangezicht is roestbruin ; de sprieten zijn bruingeel,
op den rug grijs. Thorax grijs en wit gemengd. Grond der voor-
vleugels bleek geelgrauw, doch deze kleur komt slechts op het
midden van den vleugel zuiver boven. Overigens is zij, vooral
aan den wortel, langs den voorrand tot bijna halfweegs den vleugel ,
en aan de benedenhelft van cel 15 paarsgrijs bestoven. De paarsgrijze
voorrandsbestuiving bereikt de vleugelpunt niet en is over het
geheel op het achterrandsderde, dat met twee rijen donkergrijze
vlekjes is geteekend, het dunste.
Dwarsader met een zwart middenpunt.
Cel 14 der voorvleugels is leemkleurig, met twee witte vlekjes,
EENIGE ANDERE VERWANTE LEPIDOPTERA. 15
aan den wortel en op de helft. Franje ongeveer als de vleugel
met paarsgewijs staande, donkere streepjes, die grauwbruin, tegen
den staarthoek zwartbruin zijn.
Achtervleugels leemkleurig geelbruin, tegen den binnenrand
bleeker, leemgeel gemengd; de tweede , groote vleugelhelft, behalve
aan den achterrand, dicht licht, iets paarsachtig grijs bestoven.
Franje leemgeel met bruine vlekjes.
Onderzijde der vleugels lichtgrijs, op de achtervleugels met geelwit
gemengd, langs den achterrand der voorvleugels met zwartgrijze
vlekjes en zulk eene, bovenaan gebogen dwarslijn, in hunnen
staarthoek met zwartgrijze bestuiving. Ook voor den achterrand
der achtervleugels ziet men eene vlekkige zwartgrijze bestuiving ,
vooral tegenover den tand, die zich aan het eind van ader 3
bevindt.
Buik en pooten onzuiver geelwit. Achterlijfsrug bruinachtig
leemgeel.
Samarang, Batavia, Buitenzorg. Zes mannen en vijf wijfjes.
5. Pseuderosia cristata nov. spec.
(PE "45 fig. 6, 6 a):
Ook deze vlinder, hoewel schijnbaar tot het genus Hrosia Guen.
(Eversmannia Staud.) behoorende, moet om de met ader 4 uit
één punt ontspringende ader 5 der voorvleugels en den toestand van
de aderen 6—8 der achtervleugels, tot de Drepanulina gerekend
worden, waar hij zich van de overige genera zeer onderscheidt
door den vleugelvorm en het bij beide sexen aanwezige schubben-
kammetje der voorvleugels, zooals een enkele blik op de bijgevoegde
afbeelding leert, en om welke reden dus de vorming van een nieuw
genus wel alleszins gewettigd mag gerekend worden. Wat het
aderstelsel aangaat, zoo is dit niet zoo zeer afwijkend, hoewel de
plaats, waar ader 6 der voorvleugels ontspringt, namelijk slechts
weinig boven de helft der flauw binnenwaarts gebogen dwarsader ,
opmerkelijk genoeg mag heeten. Doch in dit opzicht komt Pseud-
16 CICLIDIA SUBSTIGMARIA HÜBN, EN
erosia overeen met de hierboven beschreven Phyllopteryx elongata,
Bij Cyelidia en Drapetodes ontspringt de genoemde ader uit drie
vierden der dwarsader, terwijl zij bij Platypterye, Cilia en Oreta
uit of even boven of onder de spits der middencel komt.
In de voor- en achtervleugels zijn de middencellen iets korter
dan de helft der vleugels, in de voorvleugels vrij regelmatig ge-
vormd, terwijl in de achtervleugels de voorrandshoek stomp is en
de staarthoek eenigszins uitstrekt. In de achtervleugels ontspringen
de aderen 2 en 3 afzonderlijk uit den binnenrand der middencel,
nabij haar eind, 4 en 5 uit één punt uit haren staarthoek, 6
uit den voorrandshoek, 7 uit drie vijfden des voorrands; 8 loopt
zeer nabij 7, doch blijft vrij. In de voorvleugels zijn de aderen
2—5 bijna als in de achtervleugels, 2 iets meer wortelwaarts; 6 is
hoven beschreven. Op de spits der middencel bevindt zich eene
lange aanhangcel, uit wier achterrand, nabij de spits, ader 7 ont-
springt, terwijl aan hare punt de steel der aderen 8—10 wordt
gevonden. Ader 14 komt uit de middencel nabij de aanhangcel
en loopt daar langs.
De kop is minder ingetrokken dan bij P/atypteryx en ook de
naakte oogen zijn grooter, meer uitpuilende; bijoogen zie ik niet.
Het aangezicht is smaller dan de oogen; de zuiger kort, opgerold;
de palpen zijn dun, opgericht, glad beschubd, niet boven den kop
uitstekende. Sprieten iets langer dan de helft van den voorrand
der voorvleugels, bij beide sexen naakt, draadvormig, iets plat,
met dicht opeengedrongen leden, bij den d wat dikker dan bij
het 2. Thorax iets plat gedrukt, met glad gestreken, lange schubben
bekleed. Achterlijf zoo lang als de achtervleugels, iets plat, stomp,
vooral bij den d, glad beschubd, met korte pluimpjes op den rug.
Pooten gewoon gevormd, dun, glad beschubd, de achterschenen
viersporig.
Eene opmerkelijke bijzonderheid is de aanwezigheid bij beide
sexen van een vrij groot schubbenkammetje op de bovenzijde der
voorvleugels, Het wordt langs den achterrand der aanhangcel ge-
vonden en heeft eene spitse punt.
Van dit genus ken ik slechts ééne soort, die eene vlucht heeft
EENIGE ANDERE VERWANTE LEPIDOPTERA. 17
van 28— 29 mm., zijnde het 9 een weinig kleiner dan de 4.
Palpen, sprieten, thorax en voorvleugels zijn bij den d iets on-
zuiver, licht, schorskleurig geelbruin; bij het 9 zijn zij lichter en
veel grijzer. De voorvleugels zijn een weinig fijn donker besprenkeld,
wel zeer uitvoerig geteekend, maar die teekening komt slechts bij
eene gunstige verlichting uit. Men ziet een bruinwit, bijna halve-
maanvormig streepje op drie vierden van den binnenrand, en flauwe
sporen van vele iets donkerder, roestbruine, schuine dwarslijnen.
Van deze is eene dubbele, — die uit de vleugelpunt komt en een
weinig schuiner dan de achterrand loopende, juist achter het
bovenvermelde witte streepje in den binnenrand eindigt, — wat
duidelijker dan de andere, vooral bovenaan, tusschen ader 6 en
de vleugelpunt, alwaar men ook tusschen haar en den achterrand,
drie zwarte stippen op eene uiterst flauwe, getande, donkere,
doeh boven den staarthoek duidelijker en bijna witte golflijn ziet.
Franjelijn fijn bruin; franje als de vleugel, met witte stippen op
de einden der aderen 3—7, onder den tand des achterrands op
ader 3 met bruinwitte wortelheift. Het schubbenkammelje is iets
donkerder schorsbruin dan de vleugel. Bij het g is de hier
beschreven teekening nog veel flauwer uitgedrukt en moeielijk
te zien.
Daarentegen zijn bij beide sexen de achtervleugels genoegzaam
eveneens, donkerder (vooral bij het 2) dan de voorvleugels, iets
onzuiver kaneelbruin, met eenige fijne donkere schubben en eene
zwarte stip onder en boven aan de dwarsader.
Voorbij de helft ziet men verder zeven fijne roestbruine dwars-
lijnen, die nabij elkander, van den voorrand tot ader 7 iets gebogen ,
verder geheel recht naar den binnenrand loopen. Van deze zijn de
twee binnenste flauw half in stippen opgelost en iets gegolfd; de
buitenste vervloeit franjewaarts. Daarachter bevindt zich eene ge-
tande golflijn, die vrij helder wit is, van de vleugelpunt tot ader 6,
daaronder, tot ader 15, zwart, vervolgens tot den staarthoek
bruinwit maar zeer flauw. Franjelijn bruinwit, met flauwe stippen
op de adereinden. |
De onderzijde is paarsgrijs, in den staarthoek der voorvleugels
2
18 CYCLIDIA SUBSTIGMARIA HÜBN. ENZ.
wit en zwartgrijs gemengd, aan de punt der achtervleugels wit,
Langs den achterrand ziet men verder sporen eener zwartgrijze ,
getande golflijn en op de voorvleugels eene flauwe donkergijze
dwarsstreep. Borst, buik en pooten als de vleugels.
Java: Buitenzorg, een 4; Batavia een 9. Overgezonden door
Mr. Piepers, die den 4, met vele andere merkwaardige Lepidoptera,
van Mr. D. H. van Gelder, thans Officier van Justitie te Makassar ,
ontving.
He
EIN KLEINER BEITRAG
ZUR
NIEDERLÄNDISCHEN AMEISENFAUNA,
VON
E. WASMANN, S. J.
Da mir zu einer ausführlicheren Arbeit über die Ameisen von
Holländisch Limburg augenblicklich die nöthige Zeit mangelt, gebe
ich nur in Kürze Kentniss von einigen für unsere Fauna neuen Arten.
Zu Myrmica rugulosa Nyl., Leptothorax acervorum F., und Sole-
nopsis fugax Latr., die Herr Dr. H. Bos bereits in dem Nachtrage
zu seiner früheren Arbeit über die Niederländische Ameisenfauna
als von mir in Holländisch Limburg neu aufgefunden erwähnt
(Tijdschr. XXXI, p. 244), sind noch folgende Arten hinzuzufügen:
Formica truncicola Nyl. 1), 2, è.
Ponera contracta Latr. ?), 2, 8.
Myrmecina Latreillei Curt., 8, 2, 5.
Strongylognathus testaceus Schenk., &, 9, % (als Hilfsameisen:
Tetramorium caespitum %).
Alle diese neuen Arten sind aus der Umgegend von Exaeten
bei Roermond, auch die drei obenerwähnten; Leptothorax acervorum
habe ich ausserdem bei Blijenbeek (bei Afferden Bez. Gennep) im
nördlichen Limburg gefunden. Die Zahl der bisher bekanten Nieder-
ländischen Ameisenarten beträgt hiemit 33. Vgl. Dr. H. Bos,
«Jets over de Nederlandsche Mierenfauna » (Tijdschr. XXX, p. 198)
und « Rectificatie» (XXXI, p. 244).
1) E. André (Spec. d. Hyménopt. II) folgend führe ich éruncicola Nyl. als
Species auf, obgleich Forel’s Ansicht, dass sie als Rasse von rufa L. zu
betrachten sei, sehr wahrscheinlich ist. Die von Herrn H. Bos erwähnte 7.
truncicola ist truncicola Först. = rufa L.
2) Die von Herrn H. Bos ausgesprochene Vermuthung, dass diese Art auch
in Holland sich finden müsse (Z'ijdschr. XXX, p. 192), hat sich somit bestätigt,
DE JAPANSCHE CURCULIONIDEN-FAUNA
VERGELEKEN MET DIE VAN ANDERE LANDEN,
DOOR
W. ROELOES.
De groote eilanden, waaruit de Japansche archipel voornamelijk
is samengesteld, strekken zich van het noorden naar het zuiden uit ,
van ongeveer 45° tot 31° noorderbreedte. Yesso is het noordelijkste »
Nipon het grootste en middelste eiland. Siko ligt in de nabijheid
en Kiusiu ten zuiden van Nipon.
Aan de Europeesche zijde van den Atlantischen oceaan liggen
op dezelfde breedtegraden: Zuid-Frankrijk, Spanje en Marokko
tot aan den Atlas.
Het van noord tot zuid, lang uitgestrekte eiland Sanghalién ,
dat staatkundig niet tot het Japansche Rijk behoort, reikt ten
noorden boven de monden der Amur-rivier; terwijl de lange reeks
der Kurilen-eilanden zich van Yesso tot Kamschatka uitstrekt.
In het zuiden verbinden andere archipels Japan met Formosa,
en dit eiland weder met de Philippijnen en de Oost-Indische
eilanden.
Nabij de kust der Amur-landen, van Corea en China gelegen ,
was het te voorzien dat de fauna van Japan een Europeo-Aziatisch
element zou bezitten, terwijl de schakels van eilanden in het Zuiden ,
op een wellicht vroegeren samenhang met de Oost-Indische eilanden
wijzende, een Indo-Aziatisch element waarschijnlijk maakten.
De Japansche fauna bestaat werkelijk voor een gedeelte uit die
beide bestanddeelen.
Ik zal trachten, wat de familien der Curculioniden, Brenthiden ,
DE JAPANSCHE CURCULIONIDEN-FAUNA. 21
Anthribiden en Bruchiden betreft, een denkbeeld van die fauna
te geven en haar met die van andere landen vergelijken.
Hoewel reeds voor lang Japansche insecten bekend en beschreven
waren, is de fauna, vooral wat Coleoptera betreft „ beter bekend
geworden door de verzamelingen, die de heer G. Lewis gedurende
zijn verblijf in Japan gemaakt heeft.
Uitgenoodigd om de Curculioniden en verwante familien te onder-
zoeken en te beschrijven, — de Cossoniden uitgezonderd, die
door Wollaston zijn bewerkt, — is het vooral de studie der door
Lewis bijeengebrachte insecten, die aan het volgende ten grondslag
heeft gediend 1).
Het zijn vooral de centrale en zuidelijke gedeelten van Nipon,
benevens het eiland Kiusiu, die door Lewis onderzocht zijn, zoodat
hetgeen volgt dan ook vooral op het zuidelijker gedeelte van Japan
toepasselijk is.
De door mij onderzochte soorten van Curculioniden, met
inbegrip der mij niet in natura bekende Cossoniden, zijn 232 in
getal, verdeeld over het, in vergelijking daarmede, groote aantal
van 105 genera. Van deze laatsten zijn meer dan 40 nieuw en,
zoover mij bekend is, elders niet aangetroffen.
Van deze 105 genera kunnen er 37 gerekend worden tot de
Europeo-Aziatische fauna te behooren; velen daarvan komen ook
in Noord-Amerika voor, sommigen zijn cosmopolitisch. Die 37
genera zijn de volgenden: 4. Stones, 2. Chlorophanus, 3. Phyllo-
bius, 4. Molytes, 5. Scytropus, 6. Hypera, 7. Cleonus, 8. Larinus,
9. Liaus, 10. Lepyrus, 14. Hylobius, 12. Pissodes, 13. Dorytomus ,
14. Tanysphyrus, 15. Apion, 16. Apoderus, AT. Puscelus, 18.
Attelabus, 49. Rhynchites, 20. Auletes, 2A. Balaninus, 22. An-
thonomus , 23. Orchestes, 24. Tychius, 25. Nanophyes, 26. Gymne-
1) Aan von Harold heb ik buitendien de kennis te danken gehad van eene
kleine verzameling, door Hiller bijeengebracht, en aan M. L. von Heyden, van
die van den Hoogleeraar Reyn van Marburg. Eindelijk had een Belgisch reiziger,
de heer J. van Volxem, eenige Coleoptera in Japan verzameld. De uitkomsten
van mijn onderzoek dezer collectien zijn verschenen in de Annales de la Soc. Ent.
de Belgique.
22 DE JAPANSCHE CURCULIONIDEN-FAUNA,
tron, 27. Miarus, 28. Acalles, 29. Cryptorrhynehus, 30. Ceutor-
rhynchus, 31. Ceutorrhynchidius, 32. Phytobius, 33. Rhinoneus, 34. |
Baris, 35. Sphenophorus, 36. Calandra, 31. Cossonus.
Van deze reeks bevatten vooral de volgende genera in Japan
een aantal soorten. Van //ylobius, dat in het noordelijk halfrond,
ook in Noord-Amerika, vele soorten telt en ook in den Indischen
archipel goed vertegenwoordigd is, zijn mij 14 soorten uit Japan
bekend, waaronder de Europeesche H. Abietis L. (var.?) *) en
fatuus Rossi. Van Apoderus ken ik 12 Japansche soorten, van
Rhynchites 14, van Balaninus 15. Cryptorrhynchus, waarvan in
Europa slechts ééne soort voorkomt (C. Lapathi L., die ook in
Japan gevonden wordt), telt in dat land nog drie andere species,
en wanneer men de soorten van Coelosternus Schh., — een aan
Cryptorrhynchus verwant en weinig bepaald genus, — er bij rekent,
7 soorten. Baris is door 6 species vertegenwoordigd.
De soorten dezer genera, die in Europa en tevens in Japan
voorkomen, zijn: 1. Scytropus mustela Hrbst., 2. Tanysphyrus
Lemnae Payk. , 3. Phytobius quadricornis Gylh. , 4. Hylobius Abietis L.,
5. H. fatuus Rossi, 6. Cryptorrhynchus Lapathi L., 7. Rhinoneus
bruchoides Hrbst. en 8. À. pericarpius L.
De genera, die in Japan tot de Indo-Aziatische fauna behooren,
maar waarvan velen ook in andere werelddeelen voorkomen
1) Von Harold heeft in het Deutsche Entom. Zeitschr., 1878, Heft I, p. 65
en verder, eenige Japansche Curculioniden van het Berlijnsche Museum beschreven.
De aldaar behandelde Curculioniden zijn: Curculio (Hylobius) Abietis L., C. japonicus
Har., C. perforatus Roel., C. Roelofsi Har., Apoderus tuberculatus Har., Balaninus
Hilgendorfi Har. — Hij beschouwt de Curculionide, door mij als varieteit van
Hylobius Abietis L. aangezien, als specifiek onderscheiden en geeft de punten van
verschil aau, die door hem zijn opgemerkt. De door von Harold opgegeven
kenmerken, waardoor het Japansche insect zich van de Europeesche individuen
van H. Abietis onderscheidt, zijn juist en waren door mij niet onopgemerkt
gebleven; alleen is het de vraag of zij voldoende zijn, om als soortskenmerken
beschouwd te worden. Zooals von Harold opmerkt, zouden exemplaren van H.
Abietis, van Oost-Siberie afkomstig, kunnen uitwijzen, of er overgangen bestaan
tusschen den Europeeschen en den Japanschen vorm:
Hylobius signatipennis Roel., later door mij voor dezelfde soort gehouden als
H. Gebleri Boh. (Ann. Soc. Ent. Belg.) zou werkelijk verschillen en derhalve H.
Gebleri niet in Japan gevonden zijn. De Japansche soorten van dit geslacht
zouden, indien deze beschouwing juist is, alzoo elf in getal zijn,
DE JAPANSCHE CURCULIONIDEN-FAUNA. 23
(meest echter tusschen de keerkringen), zijn: 4. Catapionus 1),
2. Piazomias, 3. Dermatodes, 4. Episomus, 5. Macrocorynus, 6.
Myllocerus, 1. Phytoscaphus, 8. Eugnathus, 9. Echinoenemus, 10.
Txalma, AA. Eugnamptus, 12. Minyrus, 13. Alcides, 14. Acienemis,
15. Hetatorrhinus, 16. Coelosternus, AT. Colobodes, 18. Metialma,
19. Meeismoderus, 20. Otidognathus, 2A. Oxyrrhynchus , 22. Sipalus ,
23. Tetratemnus.
De soorten dezer genera, die in Japan doch ook elders gevonden
worden, zijn: 1. Prazomias velatus Chevr., China; 2. Æpisomus
turritus Lac. , Noord-China; 3. Macrocorynus discoideus Oliv., Bengale ;
4. Echinocnemus squamosus, Canton; 5. Aleides erro Pasc., China;
6. Ketatorrhinus Adamsei Pasc.; 7. Oxyrrhynchus Fortunei Waterh. ,
China; 8. Sipalus granulatus Fabr., Indie, Ceylon, Malacca, Indische
archipel en China.
Van Sphenophorus, dat reeds hierboven is vermeld als in Europa
(Zuid-Europa) door een klein getal soorten vertegenwoordigd, komen
in Japan twee soorten voor: $. carimicollis Gylh., ook van Java,
en 8. glabricollis Gylh., ook van Bengale. Tetratemnus sculpturatus
Woll. (eene Cossonide) wordt mede in China gevonden.
Genera, in Japan en tevens in andere werelddeelen dan Europa
en Azie vertegenwoordigd, zijn: 1. Trigonocolus met eene Japansche
soort, terwijl twee anderen van Afrika (de Kaap en Senegal) af-
komstig zijn ?). 2. Ahyssematus (waarvan ook ééne soort in Japan)
heeft andere soorten in Noord-Amerika, Mexico, Brazilie en Chili.
3. Conotrachelus pilosellus Boh., eene soort van Columbia en Brazilie,
werd in Japan aangetroffen , maar is er zeer waarschijnlijk ingevoerd.
Van de door mij gevormde genera, voor Japansche soorten,
wier kenmerken niet toelieten ze in de reeds bestaande genera te
plaatsen, hebben sommigen te weinig zekere verwantschap met de
elders voorkomenden, om voor de geographische verbreiding van
beteekenis te zijn. Anderen zijn min of meer verwant aan bekende
1) Catapionus is door Schönherr gevormd voor eene soort uit Kaschmir, €.
basilicus Chevr. — Het genus verschilt weinig van Ziophloeus en kan misschien
dus minder dienen om de Indische fauna te kenschetsen.
2) De herkomst van eene der soorten, volgens Schönherr, van Java, is volgens
Lacordaire onjuist,
24 DE JAPANSCHE CURCULIONIDEN-FAUNA.
genera reeds voor soorten van elders gevormd en kunnen dus,
met deze vergeleken, bijdragen om den aard der Japansche fauna
op te helderen.
Onder deze laatsten behooren Amystax Roel. en Coponopachys Roel. ,
beiden verwant aan het Aziatische genus Piazomias. — Hyperstylus
Roel. komt nabij Wyllocerus, dat zeer verbreid, maar vooral in
Zuid-Azie rijk in soorten is. — De nieuwe genera, Canoixus,
Anosimus en Calomycterus, zijn nauw verwant met Cyphicerus van
Bengale. — Arraptogaster Roel. is voor eene Japansche soort ge-
vormd, die in habitus en kenmerken veel op de Pachyrhynchiden
der Philippijnsche eilanden gelijkt, maar nog meer verwant is aan
Siteytes en Celeuthetes van de eilanden in den Stillen oceaan. —
In de groep der Cryptorrhynchiden zijn Monaulax Roel. , Catarrhinus
Roel., Apiophorus Roel. en Podeschrus Roel. verwanten van de
Zuid-Aziatische genera Cyamobolus Schh. , Kuthyrrhinus Schh. ,
srimoda Pasc. en Nyphaeba Pase. — Dryophthoroides Roel. komt
nabij Orthosizus Motsch. en Xerodermus Lacord. , genera van Ceylon.
Een klein getal nieuwe genera zijn nabij de bekende Europeesche
te plaatsen, zooals Trachyphloeops Roel. en Pseudocneorhinus bi)
Trachyphloeus; — Phaeopholus bij Hypera; — Scaphostethus bij
Hylobius; — Orchestoides bij Orchestes.
Nieuwe genera, waarvan de verwantschap met ouderen merk-
waardig is, hetzij uit een geographisch oogpunt of wel door ver-
eeniging van kenmerken van verschillende geslachten, zijn het
zooeven genoemde genus Phacopholus, en voorts Scaphosternus Roel.
en Carcilea Roel.
Phaeopholus bezit wel grootendeels de kenmerken van het Euro-
peesche geslacht Hypera, maar herinnert in zonderlinge mate aan
Chloropholus Capiom. van Madagascar. — Scaphosternus is een der
merkwaardigste vormen in de Japansche fauna: bij den habitus der
Amycteriden van Australie, bezit dit geslacht de kenmerken van
een ander merkwaardig genus van Noord-Amerika, namelijk 7%eco-
sternus, dat overigens, op kleiner schaal, in habitus overeenkomst
heeft met Amycterus. — Carcilia Roel. herinnert in grootere af-
meting aan de Europeesche Magdalinns-soorten, maar heeft met
DE JAPANSCHE CURCULIONIDEN-FAUNA. 25
de kenmerken van dat genus tevens anderen, die in het genus
Laemosaceus Schh. gevonden worden; eene vereeniging van kenmerken
des te meer opmerkelijk, omdat de gemeenschap ervan in zekere
mate in de twee genoemde genera reeds de aandacht getrokken had.
Van de groep der Gossoniden, door Wollaston beschreven,
zijn de 18 Japansche soorten in 43 door hem gevormde genera
geplaatst. Slechts twee van deze worden tevens elders aangetroffen.
Van het eene (Tetratemnus Woll.) zagen wij reeds, dat eene der
soorten, 7. scu/pturatus Woll., ook in China gevonden wordt; het
tweede geslacht , Pentarthrum Woll. , schijnt ver verspreid. Wollaston
doet de bijzonderheid opmerken , dat het hem niet mogelijk geweest
is, het geringe getal Japansche Cossoniden in reeds bestaande genera
te plaatsen, en dat de nieuwe, door hem gevormde genera dus
eene zeer beperkte verspreiding schijnen te hebben. Hetzelfde
verschijnsel had zich voorgedaan bij de door hem verzamelde en
met zooveel zorg beschreven insecten uit dezelfde groep, van de
Atlantische archipels en van St. Helena; maar in Japan is geen
genus, zooals op die eilanden, overheerschend.
Uit al het voorgaande blijkt, dat het getal van oude genera der
Japansche Curculioniden, tot de Europeo-Aziatische fauna be-
hoorende, grooter is dan van die, welke tot de Indo-Aziatische
fauna moeten gebracht worden. Echter moet niet over het hoofd
worden gezien, dat in de eerstgenoemde reeks meer genera ge-
vonden worden dan in de tweede, die als zeer algemeen verspreid
te beschouwen zijn en dus voor geographische verbreiding weinig
beteekenis hebben; maar buitendien leggen de nieuwe genera (en
dat zijn die, welke alleen in Japan gevonden worden) een gewicht
in de schaal, dat deze doet overslaan tot de Zuid-Aziatische fauna.
Japan schijnt dus, ten minste wat de zuidelijker streken aangaat ,
meer tot deze laatste te behooren.
Hetgeen nu volgt betreffende de nevenfamilien der Cureulioniden
schijnt dit denkbeeld te moeten versterken.
Wat toch, in de eerste plaats, de Brenthiden aangaat, zien
wij het volgende. De tot nog toe bekende Japansche soorten van
deze familie zijn zes in getal. De heer Hiller ontdekte de eerste,
26 DE JAPANSCHE CURCULIONIDEN-FAUNA.
door mij onder den naam van Baryrrhynchus Poweri beschreven.
Zij werd later ook door Lewis gevonden en met vijf anderen, tot
evenveel genera behoorende, beschreven en afgebeeld 1). Lewis
doet zijne beschrijvingen van eenige algemeene opmerkingen vooraf-
gaan. Hij wijst terecht op de merkwaardige bijzonderheid, dat de
zes bekende soorten allen tot verschillende genera behooren ?),
waarvan echter drie ook elders voorkomen. «Japan», zegt hi,
«ligt te ver benoorden den evenaar, om een groot aantal soorten
«te doen vermoeden van eene familie, die vooral tusschen de
ckeerkringen verbreid is, en terwijl sommige vormen zich hebben
ckunnen gewennen aan een meer noordelijk klimaat, zooals dat
«van Japan, schijnt hun de kracht ontbroken te hebben, om
«zich, als het ware, in vele soorten uit te breiden. De invloed
«van het klimaat in dit opzicht is waarschijnlijk meer toe te
cschrijven aan de koude winter-periode dan aan gemis van warmte
«gedurende den zomer. Echter laat het warme klimaat van Kiusiu
«en van het tot Nipon behoorende schiereiland, dat door het Kü-
«kanaal bespoeld wordt, toe, dat in die streken een grooter aantal
«van tropische vormen zich hebben ontwikkeld. De Brenthiden
«moeten ook daarbij gerekend worden. De Japansche soorten zijn
callen van genoemde streken afkomstig».
De genera. waartoe de Japansche Brenthiden behooren, — met
uitzondering van /egonius Lewis, — waren allen reeds vroeger
ingesteld voor soorten uit Zuid- en Zuid-Oost-Azie, behalve Zemioses
Pasc., dat door twee soorten uit Zuid-Afrika was vertegenwooordigd.
De noordelijke grenzen voor de verbreiding dezer familie schijnen ,
zoowel in de oude wereld aan de zijde van den Atlantischen en
die van den Stillen oceaan, als in Noord-Amerika, denzelfden
breedtegraad te bereiken. Zoo wordt Amorcephalus coronatus Germ. ,
de eenige Europeesche soort, in Illyrie en Italie aangetroffen, en
Eupsalis minuta Riley is in Noord-Amerika tot aan het bovenmeer
(Lake superior) verbreid. In Californie werden bij kaap St. Lucas
1) Proceedings of the Linnean Society, XVII (1883—84), Zoology.
2) Merkwaardiger nog is het, dat eene dergelijke bijzonderheid door Wollaston
(zooals hierboven vermeld is) bij de Cossoniden werd opgemerkt.
DE JAPANSCHE CURCULIONIDEN-FAUNA. 27
twee soorten van het genus Brenthus gavonden; maar Japan is
rijker in soorten, die nauw aan tropische vormen verwant zijn.
Baryrrhynehus Poweri Roel. is eene sterk ontwikkelde Brenthide,
en de Japansche soorten wijzen duidelijk op de verwantschap der
fauna met die van tropische gewesten.
Onderstaande lijst van de Japansche Brenthiden geeft, in verband
met het vorenstaande, een overzicht van de geographische ver-
spreiding der genera, waartoe zij behooren:
Zemioses Pasc. , celtis Lew. — Nog 2 soorten in Afrika !).
Cyphagogas Parry, signipes Lew. — Nog 5 soorten in Azie, 1
in Afrika en 1 in Nieuw-Holland.
lonthocerus Lacord., nigripes Lew. — Nog eene soort in Azie,
en eene tweede in Afrika (Zanzibar), teste Lewis.
Higonius Lew., cilo Lew. — Volgens Lewis zou deze soort niet
uitsluitend in Japan voorkomen, maar waarschijnlijk ook
over een groot gedeelte van Zuid-Azie verspreid zijn ?).
Baryrrhychus Roel., Poweri Roel. — Er bestaan nog 3 of 4
andere soorten in Zuid-Azie.
Orychodes Lew., insignis Lew. — Tot dusver alleen uit Japan
bekend.
De mij bekende Japansche Anthribiden zijn vijf in getal,
behoorende tot vier verschillende geslachten. Zij bestaan in eene
nieuwe soort van Phloebius (P. gibbosus Roel.), een Litocerus (L.
rufescens Roel), twee Brachytarsus (B. nigrovariatus Roel. en
sellatus Roel.) en de wijd verspreide Araeocerus fasciculatus de Geer.
Phloebius heeft soorten in Bengale, op Geylon, in den Indischen
archipel en in andere tropische gewesten; de Japansche species is
in de onmiddellijke nabijheid te plaatsen van P. alternans Wiedem.
en longicornis Fabr., beiden Indische soorten
Litocerus is verbreid van Ceylon tot in Nieuw-Caledonie ; sommige
soorten zijn Afrikaansch.
1) Sebasius Deyrollei Lacord. van Madagascar zou, volgens Lewis, tot Zemioses
te brengen zijn.
2) Eene tweede soort is H. erux Sidney Oliff, van Andaman-eiland.
28 DE JAPANSCHE CURCULIONIDEN-FAUNA.
Brachytarsus komt in Europa en Amerika voor.
De Japansche Anthribiden behooren dus meerendeels tot de Indo-
Aziatische fauna.
De drie soorten van Bruchiden eindelijk, tot het genus
Bruchus behoorende en die ik in natura van Japan ken, alsmede
de twee, door von Harold vermeld, zijn voor de geographische
verspreiding van weinig beteekenis. Het zijn 3 bekende species,
die ook elders worden aangetroffen: B. dorsalis Schönh., scutellaris
Fabr. en chinensis L.; voorts eene door von Harold beschreven
B. japonicus en eene andere, door mij als B. fulvipes bekend
gemaakt.
Wanneer men de besproken familien als een geheel beschouwt,
bevat de Japansche fauna, althans in de zuidelijke gewesten van
het land, een groot aantal tropische vormen, grooter, zoo ik mij
niet vergis, dan op dezelfde breedte in het noorder halfrond elders
plaats heeft. Uit het onderzoek van de andere familien van Cole-
optera en van andere insecten-orden zal het moeten blijken, of dit
op de Japansche insecten in het algemeen van toepassing is ').
1) Dr. Sharp zal zich waarschijnlijk belasten met de beschrijving der Curculio-
niden, door den heer Lewis, bij een tweede bezoek in Japan, bijeengebracht.
Dr. Sharp berichtte mij (April 1888), dat hoewel met dit werk nog geen aanvang
gemaakt is, hij veronderstelt dat de nieuwe reeks van insecten geen wijziging
in de vroegere opvatting der fauna zal maken, maar het zich eerder schijnt te
bevestigen, dat de tropische vormen talrijk zijn.
AANTEEKENINGEN
OVER
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA,
DOOR
BELG hn SN BELLE N.
1. »MEOROEEPIDOPTFER At).
Mijne aanteekeningen over onze inlandsche Schubvleugelige In-
secten voortzettende, wilde ik hier eerstens opmerken, dat sedert
de uitgave van het eerste stukje, de Macrolepidoptera behandelende
(zie Tijdschr. v. Entom., XXX (1887), p. 199, enz.) nog twee
voor de Nederlandsche fauna nieuwe soorten van Microlepidoptera
zijn ontdekt, t. w. Nephopterye obductella F.v.R. en Acrolepia
granitella Treits. *), vervolgens dat de uitdrukking op p. xt der
Mierolepidoptera, «de bijoogen of ocellen worden op de gewone plaats
gevonden » niet beteekent, dat die organen bij alle Microlepidoptera
steeds zeer nabij den oogrand staan. Bij de Micropterygina toch
en ook bij het Pyralidinen-genus C/edeohia zijn zij er nog al ver
van verwijderd, zie Microlepidoptera, p. 11 en p. 1061.
Verder had in de Analytische tabel van de Subfamilien der
1) Zie voor het eerste stuk: dit Zijdschrift, XXX, p. 199, enz.
2) De heer Heylaerts bericht mij verder dat hij bij Breda de mede voor onze
fauna nieuwe Platypteryx sicula W.V. heeft ontdekt, terwijl de heer Brants de
rupsen van Eupithecia isogrammaria bij Maastricht aantrof. Men zie voor de ken-
merken dezer soorten: Macrolepidoptera, p. 199 en 686. Het getal der als inlandsch
bekende species van Lepidoptera bedraagt derhalve thans 1674,
30 AANTEEKENINGEN OVER
Pyralidina op p. 10 als hoofdkenmerk voor de Galleridae meer op
den voorgrond moeten komen, dat de binnenrandsader der voor-
vleugels wortelwaarts gevorkt is. Hoewel juist niet gemakkelijk te
constateeren, is dit kenteeken gewichtiger dan de t. a. p. door mij
vermelde; al zijn deze ook ter herkenning van de Europeesche
soorten der genoemde Subfamilie toereikende.
Familie 22. PYRALIDINA Lederer.
Cledeobia punctalis Fabr. — Snellen, II, p. 12.
Bij een’ zeer gaven d, dien ik den 20 Juli 1884 in de duinen
bij ’s Gravenhage ving, ontbreken de witte schrapjes aan den
voorrand der voorvleugels geheel.
Aglossa pinguinalis L. — Snellen, II, p. 14.
De natuurlijke historie dezer soort is nu eindelijk, nadat wij te
dien opzichte meer dan eene eeuw in dwaling hadden verkeerd,
opgehelderd door wijlen den heer W. Buckler, die in deel XX
(1883— 1884) van het Hntomologist’s Monthly Magazine eene uit-
voerige en onderhoudende beschrijving geeft van de rups, hare
leefwijze en voedsel. Daaruit blijkt, dat zij volstrekt niet van vet
leeft, maar wel van drogen, plantaardigen afval. Duidelijk wordt
het hierdoor, hoe de heer VerHuell (zie in Sepp) de rups kon
opvoeden met droge salade-bladeren. Misschien eet zij ook leder,
volgens eene waarneming van Réaumur (zie diens Mémoires pour
servir à l'histoire des Insectes, VII, p. 270); maar alles wat wordt
verhaald van het nuttigen van boter of vet door deze rups, berust
op verkeerde waarnemingen.
Aglossa cuprealis Hiibn. — Snellen, II, p. 15.
Uitvoerige mededeelingen over de eerste toestanden dezer soort
door de heeren Buckler en Hellins, in deel XXI (1884—1885) van
het Entomologist’s Monthly Magazine, bevestigen de waarnemingen
van Ter Meer en Goossens, en maken het ontwijfelbaar dat, evenals
bij pinguinalis, het ware voedsel der rups bestaat uit drogen,
plantaardigen afval,
Jan
i
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 31
Endotricha flammealis W.V. — Snellen, II, p. 22.
De rups en hare leefwijze zijn uitvoerig beschreven door den
heer W. Buckler in het Hunt. Monthly Mag., XIX (1882—1883) ,
p. 149. Uit in Juli gelegde eieren kwamen de rupsen in het begin
van Augustus, werden met bladeren van hazelaars en Lotus gevoed,
overwinterden bijna volwassen en sponnen tegen het eind van Mei
in. De volwassen rups is slank, purperbruin, met zwarten kop
en halsschild.
Eene waarneming van den heer F.J. M. Heylaerts (zie Bull. des
Séances Soc. Ent. Belge, 1882, p. 141) bevestigt de mededeeling
van den heer Buckler.
Scoparia ambigualis Treits. — Snellen, Il, p. 28.
99 Cembrae Haw. — Snellen, II, p. 29.
Ter aangehaalde plaatse was ik zeer geneigd om Cembrae voor
eene varieteit van ambigualis te houden. Het verkrijgen van over-
vloediger materieel heeft mij echter van die meening doen terug
komen. In de eerste plaats moet ik vermelden, dat geen der
exemplaren van ambigualis, die ik na 4 Juli ving, meer gaaf was.
De 18 goede exemplaren van die soort, welke ik thans in mijne
collectie heb, zijn van 28 Mei tot 3 Juli gevangen. De gave voor-
werpen van Cembrae daarentegen, die ik nu bezit, bekwam ik
(evenals mijne meeste ambigualis) bij Rotterdam, maar iets later,
van 14 Juli tot 6 Augustus, toen ik slechts afgevlogen ambigualis
meer aantrof. Vervolgens zie ik bij nauwkeurige vergelijking als stand-
vastige verschilpunten, dat de achtervleugels bij Cembrae vrij effen
grijs zijn, zonder opheldering tegen den wortel, zooals bij ambigualis.
Nog meer effen blauwachtig stofgrijs zijn de voorvleugels van
Cembrae; de bijna zwarte afzetting der nauwelijks lichtere dwars-
lijnen en de zware beschaduwing van het franjeveld, welke men
hij de overigens lichter gekleurde ambigualis. opmerkt, ontbreken.
Vervolgens springt de tweede dwarslijn veel minder uit en is naar
onderen steiler, waardoor dan ook bij Cembrae het middenveld aan
den binnenrand breeder blijft dan het wortelveld. Het omgekeerde
heeft bij de andere soort plaats. Voegt men hierbij, dat de golflijn
32 AANTEEKENINGEN OVER
zeer vervloeid is en de vorm der voorvleugels stomper; dan zijn,
althans voor mij, de soortsrechten van Cembrae niet meer
twijfelachtig.
Subfusca Steph., Wood, met bruinachtig grijze voorvleugels ,
houd ik voor ambigualis var. Teekening en vliegtijd komen met
deze overeen, niet met Cembrae.
Scoparia crataegella Hübn. — Snellen, II, p. 30.
Eene varieteit met geelachtige grondkleur (gaaf exemplaar) ving
de heer Dirk ter Haar den 21 Juli 1886 bij Cuyk.
Scoparia resinea Haw. — Snellen, II, p. 32.
Gelderland. Soerensche bosch bij Apeldoorn, den 19 Juli 1885
(Kallenbach).
Bij deze soort moet ik tevens eene geheel onjuiste bewering
van mij terugnemen. Zaetella Zell. is geen synoniem van resinea.
Twee geheel gave en frissche exemplaren van eerstgenoemde, volgens
opgave uit Zuid-Duitschland, ontving ik van Dr. Staudinger. Zij
onderscheiden zich op het eerste gezicht van resinea door de,
zooals Zeller terecht opmerkt en wat dus bij Herrich-Schäffer niet
verkeerd is voorgesteld, bijna zuiver 8-vormige niervlek, die aan
een zwart voorrandsvlekje hangt en bovendien even ver van de tweede
dwarslijn staat als bij erafaegella; verder door de blauwachtig,
niet krijt witte grondkleur der voorvleugels, de niet bruine maar
koolzwarte bestuiving, de groote zwarte vlek in het midden van
het wortelveld vóór de eerste dwarslijn, de ongebogen, schuine
onderhelft der tweede dwarslijn en de bleekgele zoo goed als on-
geteekende franje. In de achtervleugels zie ik geen verschil,
Von Heinemann noemt de voorvleugels van /aeted/a « milchweiss ».
Wellicht was de melk, die hij gewoonlijk dronk sterk met water
aangelengd en daardoor blauwachtig.
Van Zaetella zijn mij nog geene inlandsche exemplaren in handen
gekomen,
Scoparia pallida Steph. — Snellen, II, p. 33.
Vele gave exemplaren ving ik in 1886 bij Rotterdam en merkte
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTPRRA. 33
op, dat zij eerst zeer laat in den avond, toen het reeds geheel
donker was, begonnen te vliegen.
De flaawe bocht van de tweede dwarslijn der voorvleugels ligt
bijna in het midden, en die lijn is onderaan wortelwaarts geheel
vervloeid, zonder eenige donkere afzetting.
Heliothela atralis Hiibn. -- Snellen, II, p. 34.
Vorden, 5 en 6 Juli (Lodeesen).
Botys octomaculata L. — Snellen, II, p. 41.
Dr. Henri W. de Graaf ving in 1884 een fraai exemplaar in de
provincie Gelderland, dat hij zoo goed was mij te schenken. Het
is mannelijk, en merkwaardig omdat de eerste witte vlek der
voorvleugels — die in cel 15 — zeer gereduceerd is en niet meer
dan een derde der grootte van de vlek op de dwarsader heeft.
Dit exemplaar nadert dus de varieteit seæmaculalis Fologne.
Verder is mij na de voltooiing van mijn werk eene beschrijving
der rups bekend geworden door den heer W. Buckler, in het
Entomologists Monthly Magazine, XVII (1881), p. 57. Zij werd
in het najaar gevonden onder een dun spinsel op de onderzijde der
bladeren van Solidago virgaurea, overwintert ingesponnen en is
doorschijnend geelgroen met twee breede roomkleurige rugstrepen
en bruinen kop.
Botys nigrata Scop. — Snellen, II, p. 42.
Ook van deze soort is de rups door wijlen den heer Buckler in
het Æntomologists Monthly Magazine, XIX (1882), p. 77, be-
schreven. Hij kweekte haar uit eieren , die in het begin van Augustus
op Origanum vulgare en Mentha arvensis waren gelegd en met
welke planten — zoo ook met Thymus serpyllum de rupsen gevoed
werden. De bladeren van het voedsel worden eenigszins bijeen-
gesponnen, en de rups overwintert, waarschijnlijk volwassen en
ingesponnen, verpopt in den voorzomer en levert dan spoedig den
vlinder.
De volwassen rups wordt beschreven als 18 millimeter lang,
met olijfgroenen kop en halsschild en vuil purperbruin, zwart
3
34 AANTBEKENINGEN OVER
gestippeld lijf. Het vel is eenigszins doorschijnend en verraadt den
donkergroenen inhoud van het lichaam.
Van Botys nigrata ving ik verscheidene exemplaren bij Valken-
burg (Limburg), om Origanum vulgare vliegende.
Botys silacealis Hübn. — Snellen, II, p. 49.
De heer Dirk ter Haar vond de rups bij Cuyk in den stengel
van Artemisia vulgaris.
Eene afbeelding en beschrijving dezer soort met de rups door
Robin en Laboulbène vindt men in de Ann. de la Soc. Ent. de Fr. ,
1884, p. 5—16, pl. 1, f 1—4.
Botys hyalinalis Hübn. — Snellen, Il, p. 49.
De eerste toestanden van dezen vlinder zijn mede niet langer
een geheim. Men vindt die beschreven door de heeren Hellins en
Jeffrey in deel XXI van het Hut. Monthl. Mag., p. 99—101.
Een wijfje legde eieren tusschen 30 Juli en 2 Augustus en deze
kwamen den 11 dier maand uit. De rupsen verkozen uit de
voorgelegde gewassen de bladeren van Centaurea nigra, die zij wat
bijeensponnen. Zij overwinterden half volwassen in een dichter
spinsel, begonnen in het voorjaar weder te eten en bereikten haren
vollen groei in het begin van Mei; de verpopping had in Juni
plaats en de vlinders verschenen van 27 Juni tot 13 Juli.
De volwassen rups is wit met zeer flauw groene tint, donker
ruggevat, lichtbruinen kop en zwarte stippen op het lif.
Mesographe forficalis L. — Snellen, II, p. 64.
Ook hier moet ik mijzelf corrigeeren. T. a. pl. verving ik namelijk
den naam, dien Lederer voor het genus had aangenomen, te weten
Pionea Guen., door Mesographe Hübn., omdat deze schrijver, in
zijn bekend Syst. Verzeichniss, p. 354, forfiealis in zijn dusge-
noemd genus heeft. Dat ik dit deed, is verkeerd; vooreerst omdat
de volledige, wetenschappelijke beschrijving van Pionea Led. verre
verheven is boven de onbeduidende karakteristiek van Hübner en
ten tweede, omdat Mesographe Hübn. niet alleen forficalis bevat,
maar een mengelmoes is van soorten, die nu in drie genera van
Lederer zijn verdeeld.
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 35
Het doet mij leed, dat ik tot die naamsverandering ben over-
gegaan. Dergelijk geknutsel is thans meer in de mode en strekt
slechts om de nomenclatuur in verwarring te brengen. Wij hebben
in zulke gevallen met heel iets anders te doen dan met de prioriteits-
rechten van soortsnamen, waarvoor men soms in vroeger verwaar-
loosde afbeeldingen of beschrijvingen eene vaste basis kan aanwijzen ;
maar generieke benamingen verkeeren niet in hetzelfde geval. De
namen, welke in degelijke nieuwere systematische werken voor
familien en genera zijn aangenomen, moeten geëerbiedigd worden.
Het onderhavige genus heet dus Pionea Guen., Lederer, en Meso-
graphe wordt voorloopig weder in het bekende magazijn opgeborgen.
Ik beschouw het overigens niet als eene verontschuldiging voor
mijne naamsverandering, dat wijlen Prof. Zeller mij er in voorging.
Diasemia litterata Scop. — Snellen, II, p. 71.
Deze soort, tot dusverre alleen uit Noord-Brabant en Limburg
bekend, is ook door den heer Joh. de Vries te Nichtevecht, niet
ver van Amsterdam, gevangen. Zie Verslag der 20ste Winter-
vergadering der Ned. Ent. Vereeniging, p. CxI.
Acentropus niveus Oliv. — Snellen, II, p. 79.
Noord-Brabant: Cuyk, 20 Juli een d (Dirk ter Haar).
Crambus pascuellus L. — Snellen, II, p. 97.
Bij Rijen in Noord-Brabant ving ik op 5 Juli 1885 een exem-
plaar, waarbij de witte langsstreep smaller is dan bij eenig ander
der vele voorwerpen die ik bezit. Er is echter niet de minste
toenadering tot sy/ved/us aan te bespeuren.
Crambus uliginosellus Zell. — Snellen, II, p. 97.
Hoewel ik reeds 40 jaren lang bij Rotterdam Lepidoptera ver-
zamel en sedert ik mij met Microlepidoptera bezig houd scherp op
dezen Crambus gelet heb, ontdekte ik hem eerst in 1885 bij de
Hillegersbergsche plassen op natten veengrond. De soort was echter
zeldzaam en vloog in het begin van Juli onder paseuellus in de
verhouding van 1 tot 20,
36 AANTEEKENINGEN OVER
Crambus verellus Zinek. — Snellen, IL, p. 104.
Dordrecht, op 23 Juli een exempiaar (de Joncheere).
Crambus contaminellus Hübn. — Snellen, II, p. 110.
Noord-Brabant: Cuyk, 29 Juli 1887 (Dirk ter Haar).
Melissoblaptes bipunctanus Zell. — Snellen, II,
PLL:
Ik geloof, dat het niet onnoodig is er op te wijzen, dat de heer
E. Ragonot nog niet lang geleden ontdekt heeft, dat anellus Wien.
Verz., Zell., waarvan bipuuctanus Gurt. door velen niet eens specifiek
verschillend geacht werd, inderdaad zoo sterk daarvan in bouw
afwijkt, dat hij voor eerstgenoemde soort zelfs een nieuw genus
Hornigia vormt. Zie Ent. Monthl. Mag., XXII (1885), p. 21.
Anellus ken ik nog niet in natura.
Nephopteryx adelphella Fisch. — v. Rössl., Abbild.,
p. 50, Tab. 29, fig. 2a, en hostilis Snellen, II, p. 131 en 1075.
Adelphella is inderdaad de oudste naam voor deze soort.
Mijne schildering der rups t. a. p. is niet nauwkeurig. Hierbij
eene betere, door mij gemaakte beschrijving. De rups is iets plat ,
vooral de kop en de beide eerste ringen verkeeren in dit geval;
achteraan loopt het lichaam meer spits toe. De kleur is geelgroen,
hetzij geheel of op den rug donkerder; zij is ook wel geheel vuil-
groen. Steeds echter is de rug geteekend met vier vuilpaarse
langslijnen ; twee aan beide zijden van eene donkergroene middenlijn.
Deze lijnen zijn veelal afgebrokeu, het meest bij de exemplaren
met lichtgroenen rug, en vooral de binnenste paarse lijn is zelden
volkomen, terwijl de buitenste tegen den kop breeder wordt. Ge-
wone stippen fijn zwart. Kop vuil bruingeel, roodachtig paars,
soms zeer donker, bijna zwart geteekend.
Nephopteryx palumbella Wien. Verz. — Snellen, II,
p. 132.
Zuid-Holland: ’s Gravenhage, in de duinen op 30 Juli 1884,
een d (Snellen). Palumbella was in Holland nog niet gevangen.
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 37
Nephopteryx janthinella Hiibn. — Snellen, II, p. 135.
De varieteit saltuella Mann — tot dusverre in Nederland niet
waargenomen — ving ik op 29 Juli 4883 bij Rolde in Drenthe
op heide.
Nephopteryx obductella Fisch. v. Rössl., Abbild.,
p. 250, p. 85, fig.a—l. — Zell., Isis, 1846, p. 774; 1848,
p. 747. — Herr.-Schäff., Syst. Bearb., IV, p. 75. — Hein.,
Zünsl., p. 158. — Rössl., Schmett. v. Nassau, p. 178.
Origanella Sehläg., Berichte des Thür. Tauschv., p. 133.
26—28 mm.
Deze voor de fauna van Nederland nieuwe Phycide wordt ge-
plaatst naast en heeft veel overeenkomst met Neph. janthinella;
de vleugelvorm, palpen en sprieten zijn vrij wel eveneens en ook
de kleur en teekening der voorvleugels doen sterk aan die soort
denken, maar zij zijn donkerder van grond, donker kaneelbruin ,
aan den wortel en langs den binnenrand (gaandeweg versmallend )
geelbruin, zonder scherpe begrenzing tegen het donkerbruin. Evenzoo
is ook de voorrand tot een derde der vleugellengte haarfijn, ver-
volgens, tot vier vijfden, ongeveer ter breedte van een millimeter ,
geelbruin, min of meer wit bestoven. Het laatste vijfde van den
voorrand, achter de plaats der tweede dwarslijn, is weder donker.
Aderbeloop donker ijzergrauw, niet scherp. De dwarslijnen zijn
fijn, helderwit en zij bestaan uit min of meer verbonden langs-
lijntjes; de eerste is gebogen, schuin en boven ader 5 niet meer
duidelijk. De middenvlek bestaat, evenals bij janthinella, uit eene
dubbele, bruine stip met eenige grijswitte bestuiving er om heen,
die ook nog op den binnenrand der middencel wordt gevonden.
Achterrand met zwartgrijze stippen en grijswitte bestuiving, die
zich ook over den wortel der ijzergrauwe, roodachtig gepunte franje
uitbreidt.
Achterlyf en achtervleugels donkergrijs, de laatsten met weinig
lichtere franje. Onderzijde mede donkergrijs, min of meer rood-
getint.
Mannelijke bijpalpen met een lang pluimpje.
Deze soort onderscheidt zich dus van janthinella door de donkere
38 AANTEEKENINGEN OVER
kleur der voorvleugels, hun lichteren voor- en binnenrand, de
helderder witte fijne teekening, de ongetande eerste dwarslijn en
de donkere achtervleugels. Verder is de punt der voorvleugels wat
duidelijker.
Juli, Augustus,
Volgens de aangehaalde schrijvers leeft de rups op Mentha arvensis
en Origanum vulgare tusschen de bijeengesponnen eindscheuten. Zij
is einde Mei volwassen.
Een exemplaar van den vlinder werd den 24 Juli 1887 bij
- Valkenburg (Limburg) uit Origanum vulgare opgejaagd door Dr.
F. W. O. Kallenbach.
Myelois suavella Zinck. — Snellen, II, p. 142.
Gelderland: Vorden, 21 Juli 1884 (Lodeesen). — Noord-Brabant ,
Cuyk, in Juli (ter Haar). — Limburg, Bunde en Valkenburg,
24 Juli 1887, uit heggen geklopt (Snellen).
Ilithyia eribrum W.V. — Snellen, II, p. 144.
In Sepp’s Nederlandsche Insecten, 2de serie, IV, p. 147—154,
pl. 29, in alle toestanden beschreven en afgebeeld door Mr. A.
Brants.
Het is nu wel ontwijfelbaar, dat de rups alleen van het zaad
leeft der planten, waarin men haar vindt — behalve distelsoorten
behooren daartoe ook Arctium lappa en Inula helenium — en dat
zij het stengelmerg alleen afknaagt, om zich daarin eene verblijf-
plaats te bereiden, maar het niet eet.
In de beschrijving bij Sepp, op p. 152, wordt als nadere toe-
lichting van hetgeen ik ter a. p. zeg, namelijk, dat de middencel
der achtervleugels ongeveer zoo lang is als de halve vleugel,
opgemerkt dat zij inderdaad korter is dan de helft van den
vleugel. Dit is waar, wanneer men alleen den voorrand dier cel
meet, maar de uitstekende binnenrandshoek komt iets over de
vleugelhelft.
Epischnia Farrella Curt. — Snellen, II, p. 145.
De oudste naam voor deze soort is Boisduvaliella Guen., Index
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 39
Method. Microlepidoptera, p. 81 (1845), zooals Ragonot, die
Guenée’s beschrijving herhaalt, ‘terecht opmerkt (Hat. Monthl.
Mag., XXII, 1885, p. 23). Alle vroegere auteurs, welke over
deze soort handelen, hadden dit over het hoofd gezien.
In de Ann. de la Soc. Ent. de Fr., 6me ser., V, p. 398, be-
schrijft de heer C. Lafaury de rups van Zp. Boisduvaliella, die
hij in de peulen van Ononis, Lotus en Astragalus had gevonden.
Zij is volgens hem volwassen roodachtig groen met flauwe roode
langslijnen.
Nyetegretis ') achatinella Hübn. — Snellen, II,
ENA
Toen ik mijn werk uitgaf, was de rups nog onbekend.
Sedert is zij uit eieren gekweekt door Mr. H. W. de Graaf
en is door hem eene beschrijving, ook der leefwijze, met afbeel-
dingen geleverd in het 7%jdschr. v. Entom., XXIX (1886), p. 235,
De PI
Euzophera pinguis Haw. — Snellen, II, p. 148.
Ook deze soort is in alle toestanden afgebeeld in Sepp, 2de ser. ,
IV, p. 174, pl. 32, door Mr. A. Brants.
Euzophera polyxenella Mill, Jcones, II, p. 285,
pl. 135, fig. 2, 3. — Rag., Ent. Monthl. Mag., XVII (1880),
p. 231.
Dit is de tweede soort van Æuzophera, die in Nederland werd
ontdekt. De vlinder wijkt, wat de generieke kenmerken aangaat,
niet van pinguis af, maar is kleiner (154—18 mm. vlucht) en
zeer goed kenbaar. Palpen buitenwaarts zwartbruin. Sprieten bruin.
Kop en thorax geelbruin, iets verduisterd, als berookt. Voorvleugels
mede geelbruin, maar tot ongeveer twee derden bedekt door eene
dichte dofzwarte bestuiving, die zich van even voorbij den wortel
uitstrekt tot de dwarsader. Onder de middencel reikt zij niet zoo
ver, zoodat het ondereind der zwarte schaduwlijn vrij blijft; ook
1) Niet Nyetegregis, zooals in mijn werk door eene schrijffout staat.
40 AANTEEKENINGEN OVER
bedekt zij den binnenrand niet geheel. In het overblijvende
bruingele gedeelte van den vleugel ziet men eene gewoon gevormde
tweede dwarslijn, wier grooter middengedeelte eene tegen den
achterrand gekeerde bocht vormt tusschen twee zeer stompe
tanden. Zij is van de grondkleur uitgespaard en wordt wortel-
waarts afgezet door eene vrij scherpe, iets getande zwarte lijn,
franjewaarts door eene naar onderen versmalde zwarte schaduw.
Deze schaduw bereikt den met zwarte streepjes of stippen ge-
teekenden achterrand niet.
Franje bruingrijs.
Achtervleugels en onderzijde donkergrijs, ongeteekend. Borst en
pooten zwartbruin. Achterlijf bruingrijs.
Vliegt in Juli.
Van de rups is mij niets bekend.
Noord-Brabant: Breda (Heylaerts '). — Gelderland: Nijmegen
(Dirk ter Haar); Oosterbeek (Lodeesen).
Pempelia ornatella W.V. — Snellen, II, p. 154.
Noord-Brabant: Cuyk, 29 Juli 1887 (Dirk ter Haar).
Homoeosoma nebulella Wien. Verz. (Ed. Illig.), Il
Bd., p. 108, n°. 52. — Hübn., Tin., fig. 157. — Treits.,
IX, 1, p. 169. — Wood, fig. 1451 (te geel). — Zell., Isis,
1848, p. 600. — Staint., Man., II, p. 169. — Hein., p. 196. —
v. Nolek., Fauna v. Livland, p. 336. — Wall., Pyr., p. 1050. —
Snell., Microl., p. 159, Aant. 2.
Deze soort is door mij op de aangehaaide plaats reeds kortelijk
gekarakteriseerd. Zij is de grootste inlandsche van het genus,
slanker gebouwd dan de bijna even groote binaevella, met smallere
voorvleugels en veel lichtere, dunner beschubde achtervleugels;
ook is de eerste donkere stip op ader 4 der voorvleugels nader
1) Euzophera polyxenella is dezelfde soort, die door den heer Heylaerts op de
Wintervergadering 1876 der Ned. Ent. Vereeniging als nieuw voor de fauna onder
den naam Pempelia (?) perfusella Zell. in litteris werd vertoond. Prof. Zeller wilde
de soort beschrijven, doch wachtte op de ontdekking van den &. Daardoor bleef
zij in mijn werk onvermeld, totdat Milliere haar als eene Ephestia beschreef en .
Ragonot aantoonde, dat zij eene Huzophera was.
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 41
bij den vleugelwortel geplaatst dan die op den binnenrand der
middencel. Deze laatste stip staat nog verder achterwaarts dan
bij de veel kleinere ximbel/a met hare varieteiten en eretacella. De
grondkleur der voorvleugels is verder licht, met flauwe roodachtig
gele tint.
Een en ander zal wel toereikende zijn om te voorkomen, dat
men xebulella met de drie andere inlandsche soorten van Homoeosoma
ver warre.
Het door von Heinemann, 1. c. beschrevene, afwijkende 9 be-
hoorde wel tot cretacella Rössl.
Vliegt volgens von Heinemann van Mei tot Augustus.
Daar Zeller de door von Nolcken gekweekte vlinders als zijne
nebulella herkende, is de door laatstgenoemden beschreven rups
wel de echte. Volgens hem leeft zij tusschen de bloemen van
Tanacetum vulgare en is vrij dik, spoelvormig, bruin, met kleinen
zwartbruinen kop en halsschild. Verpopping in het voorjaar.
Van deze soort ving de heer Lodeesen bij zich in huis te
Amsterdam, op 18 Augustus 1884, een’ d. Het exemplaar heb
ik in handen gehad.
Homoeosoma nimbella Zell. — Snellen, II, p. 159.
By de beschrijving van deze soort zeide ik te vermoeden , dat
ik hier ten minste twee, misschien drie verschillende soorten
dooreenmengde. De gegrondheid van dit vermoeden is mij later in
zooverre gegrond gebleken, dat ik nu in staat ben althans de
volgende (cretacella Rössl., Senecionis Pryer), waarvan de rups
in de bloemen van Senecio leeft, af te zonderen. Zij onderscheidt
zich door de onzuiver bleek leemgele grondkleur der aan den staart
hoek meer afgeronde voorvleugels en de zeer schuin loopende
tweede dwarslijn, van andere door mij onder zimbella beschreven
varieteiten. Verder is ader 5 der voorvleugels aanwezig en de
voorrand der voorvleugels even sterk wit bestoven als bij de tweede
en derde varieteit van wimbella, met welke laatste ik cretaced/a in
het bijzonder vermengde.
Van de eerste varieteit ving ik op 41 Juni 1882 nog een’ zeer
42 AANTEEKENINGEN OVER
gaven, grooten man van 20 mm. vlucht bij Rijen. Daarop past
mijne beschrijving goed; cel 15 der voorvleugels is slechts weinig
geelachtig en de tweede dwarslijn zeer flauw. Ader 5 ontbreekt.
Ik weet van de rups dezer varieteit niets.
De tweede varieteit verschilt van deze eerste alleen door sterkere
witte voorrandsbestuiving der voorvleugels en behoort daar wel bij ,
ook om de overeenstemming in het aderstelsel.
Van de derde varieteit eindelijk bezit ik thans 8 gave en frissche
exemplaren van beide sexen, gekweekt uit rupsen, die Mr. H. W.
de Graaf bij den Haag in den herfst in de bloemen van Pieris
hieracioides vond 1). Hij had de goedheid mij die rupsen te zenden,
doch in ingesponnen toestand, zoodat ik er geene beschrijving van
kan geven. De vlinders stemmen met cretacella in de nervuur en
den sterk wit bestoven voorvleugelvoorrand overeen , doch verschillen
door de steilere en flauwe tweede dwarslijn en de grijzere grond-
kleur, die wel iets in tint varieert en bij twee voorwerpen bruin-
achtig is, doch die men nooit, zij het dan ook grauwachtig,
leemgeel kan noemen. Ik houd deze varieteit voor specifiek ver-
schillende van cretacella. Nader onderzoek en beschrijving, maar
vooral afbeelding der rups blijft zeer gewenscht.
Homoeosoma cretacella Rössl., Schmett. v. Nassau,
(1866), p. 179. — Rag., Ent. Monthl. Mag., XXII (1885)
p. 26.
Senecionis Pryer (en Buckler), Ent. Monthl. Mag., VII
(1870), p. 131. — Knaggs, Ent. Ann. for 1871, p. 91, plate
fig. 2.
Na het hierboven reeds vermelde over deze tweede nieuwe in-
landsche soort van Homoeosoma kan ik kort zijn. In grootte en
algemeenen lichaamsbouw merk ik geen verschil van belang met
nimbella, var. 3 op. De zwarte stippen der voorvleugels zijn grover
en die aan de wortelzijde der tweede dwarslijn vormen eene zeer
schuine, vrij volledige rij.
Verder zijn de achtervleugels grijzer en hun achterrand, voor
1) Deze plant is de kleine soort van Mieracium, waarvan ik in mijne be-
schrijving sprak.
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 43
de franjelijn, mist de smalle maar zeer sterke verdonkering van
nimbella. De vlinder is door Rössler niet uitvoerig beschreven, maar
de heer Ragonot zag de typen en ook Engelsche exemplaren van
Senecionis. De rups verschilt zeer. Mr. H. W. de Graaf, aan wiens
welwillendheid ik eenige ingesponnen rupsen te danken heb, waaruit
ik vier fraaie exemplaren kweekte, deelde mij over de eerste toe-
standen het volgende mede:
« Vermits het nu de tijd is om de door u begeerde Senecio-rupsen
te verzamelen, ben ik er een paar dagen op uit geweest, maar
ik heb, helaas, te vergeefs naar Senecio-planten gezocht op alle
plekjes waar deze anders plegen te staan. Het zal wel aan den
drogen zomer liggen, dat het Senecio-kruid vruchteloos gezocht
wordt. Geen planten, dus ook geen rupsen, zoodat een gunstiger
jaar moest worden afgewacht. Wat ik intusschen vroeger heb
opgeteekend, stel ik ter uwer beschikking.
«Eenige jaren geleden, op een mooien September-dag in het
Scheveningsche duin zijnde, vond ik aan verscheidene stevige
planten van Senecio jacobaea het vruchtpluis tot een koek bijeen-
gesponnen. Bij nader onderzoek bleek, dat eene samenstelling van
bloemenoverblijfselen, vruchtpluis en excrementen tot verblijf diende
van een zeker aantal rupsen, die zich schuilhielden in gangen en
holten en geleefd hadden van den bloembodem en van de onderste
deelen der bloem. In 1878 heb ik van 14 tot 29 September
dergelijke rupsen ingezameld op verschillende plaatsen in het duin,
zoodat de dieren alles behalve zeldzaam waren. Hetzelfde was het
geval in 1880. De gevonden rupsen waren voor een deel geheel,
voor een ander deel nagenoeg volwassen en sponnen zich in
tusschen half September en half October. Ik gaf ze de bloemen
van genoemde plant te eten. Geen enkele is bij mij tot ont-
wikkeling gekomen. Toen ik in April 1879 een spinsel open-
knipte, vond ik daarin eene gezonde rups.
«Als de rups zich intrekt, heeft zij eene madevormige gedaante ;
als zij zich uitrekt komt de vorm voor den dag. Het blijkt dan,
dat het lijf, van lid À tot en met 9, langzaam in breedte toeneemt
en dan smaller wordt.
44 AANTEEKENINGEN OVER
«De kleur was vaal zeegroen, de rug vuilpaars met donkerder
middellijn. De kop is veel minder breed dan het nekschild en
heeft eene hartvormige gedaante. Het nekschild, van voren lichter,
is in ’t midden door een fijn lijntje gedeeld.
(Sommige exemplaren hadden eene paarse lijn boven de pooten ,
terwijl bij anderen het geheele lijf zoo goed als paars was. Wratten
bijna niet te onderscheiden, elk met een wit haartje. Stigmata
klein, zwart. Kop, nekschild, voorpooten en een gedeelte van het
anus-schildje zwart, glanzig.
« De cocons zijn langwerpig, glad, slap, ongeveer 15 mm. lang
en 4 mm. breed. De kleur is groenachtig, doch wordt vuilgeel.
«De lengte van de rups heb ik niet opgeteekend. »
Cretacella ken ik nog maar alleen uit de Hollandsche duinstreken.
Ik merk nog op, dat de kleur der voorvleugels bij Mom. sinuella
(zie Snell., Microlepidoptera, p. 159, aant. 1), die mede hier te
lande kon voorkomen en die iets grooter is dan crelacella, nog veel
geler is; ook is de voorrand niet wit maar smal donkergrijs be-
stoven, en de achtervleugels zijn donkergrijs.
Ephestia elutella Hübn. — Snellen, II, p. 162.
Een exemplaar met zeer donkere, zwartgrijze, tegen den binnen-
rand, vooral van het middenveld, sterk bleekrood gemengde voor-
vleugels ontving ik van den heer van den Brandt te Venlo.
Over eenige andere, geïmporteerde soorten van Mphestia, aan
elutella verwant (Aühnvella Zell. , calidella Guen., ficella Dougl.,
Staint. en cakiritella Zell. (passulella Barr.) zie men mijne uit-
voerige aanteekening in het Tjdschr. v. Entom., XXVII, p. 237 —
2515 pl. 8.
Familie 23. TORTRICINA Lederer.
Het eerste, waarmede ik mijne aanteekeningen over deze familie
moet aanvangen, is de mededeeling, dat bij Pilleriana Wien. Verz.
de binnenrand der achtervleugels op de bovenzijde behaard is. Wij
zijn aan Prof. Fernald, een Noord-Amerikaansch Lepidopleroloog ,
deze ontdekking verschuldigd. Deze soort moet dus noodzakelijk
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 45
uit het genus Zorérix worden verwijderd. In geen der genera met
behaarde middenader kan zij echter worden opgenomen. De ge-
steelde aderen 6 en 7 der achtervleugels, de stomp-rechthoekige
punt der voorvleugels, het ontbreken van de schubbendot aan
het eind van den thorax en de eveneens als bij Grapholitha
ontspringende ader 10 der voorvleugels, verbieden eene vereeniging
met Dichrorampha, Rhopobota, Phoxopteryx, Penthina of Lobesia.
Wat Retinia aangaat, zoo wijkt de geheele habitus der vlinders van
dat genus zóó zeer af van Pilleriana, — nog meer dan het wel wat
gezochte kenmerk, aan den oorsprong van ader 5 der voorvleugels
bij Retinia ontleend, — dat de buitengewoon lange palpen der ge-
noemde soort wel als eene geschikte reden tot afscheiding mogen
worden te baat genomen. Die groote lengte der palpen kan ook
gelden als onderscheid van Grapholitha. Zelfs bij de soorten, die
hierin Pilleriana het meest nabij komen — So/andriana en ver-
wanten — zijn zij niet meer dan tweemalen zoo lang als de kop,
terwijl zij bij Pilleriana ruim driemaal die lengte bereiken.
Buitendien zijn zij iets hangende en zeer spits. Ader 3—5 der
achtervleugels ontspringen verder uit één punt, 7 en 8 der voor-
vleugels zijn gesteeld en haar steel komt met ader 6 dier vleugels
uit de spits der middencel. Het nieuwe genus dient den naam te
dragen van Oeneetra Guen. en kan tusschen Phtheochroa en Retinia
worden geplaatst.
Teras Boscana Fabr. — Snellen, II, p. 181.
Op p. 160 van het Ent. Monthl. Mag., XIV, neemt Barrett den
laatsten twijfel aan de specifieke identiteit van Boscana en parisiana
weg door de mededeeling, dat uit eieren, door Boscana in Juli
gelegd, echte parisiuna Guen. (scabrana Wood) werden gekweekt.
Beiden zijn varieteiten van ééne soort. De heer Dirk ter Haar
nam ook geel gekleurde rupsen van Boscana waar.
Teras tristana Hübn. -- Snellen, II, p. 182.
Zeer vele exemplaren kweekte ik in 1885 uit bij Rijen in Noord-
Brabant op Viburnum gevonden rupsen. Zij varieeren sterk, doch
mijne varieteiten I en IV verkreeg ik niet,
46 AANTEEKENINGEN OVER
Teras aspersana Hübn. — Snellen, II, p. 183.
Noord-Brabant: Rijen (Snellen).
Tortrix Podana Scop. — Snellen, II, p. 197.
In mijne beschrijving staat: Rups in Mei en Juli volwassen,
moet zijn: Mei en Juni.
Over eene varieteit van den vlinder zie men bij de volgende soort.
Tortrix decretana Treits. — Snellen, II, p. 1076.
Opnieuw in de nabijheid van den Plasmolen (bij Gennep) door
den heer Dirk ter Haar en mij gevangen, op 26 Juli 1887.
In de systematische lijst der soorten is op p. 1081 bij decretana
eene varieteit vermeld, die bij Podana moet staan.
Tortrix Lafauryana Rag. — Snellen, II, p. 200.
Van deze nog slechts hier en daar in westelijk Europa gevonden
en lang verborgen gebleven soort, is mij behalve de beide reeds
vermelde (Breda, Rijen), nog eene derde Nederlandsche vindplaats
bekend geworden, namelijk de met gagel, enz., ruigbegroeide
veentjes aan den voet van den St. Jansberg, bij Gennep. Aldaar
vingen de heer Dirk ter Haar en ik den 24 Juli 1887 drie mannen.
De vlinders werden in den namiddag en schemeravond, tegelijk
met Tort. decretana uit gagel geklopt. Zij schijnen de gewoonte
te hebben om, gestoord wordende, snel op te vliegen , doch dadelijk
weder den grond te zoeken, waar zij zich spoedig tusschen mos en
lage planten verbergen, met den kop naar beneden. De vliegtijd
begon op de genoemde plaats klaarblijkelijk pas , want de exemplaren
waren gaaf, doch aan de door mijn medgezel opgemerkte eigen-
aardigheid in het vliegen schrijven wij het toe, dat wij niet meer
voorwerpen bemachtigden. Deeretana blijft langer rondvliegen;
van deze vingen wij er dan ook een tiental, doch alleen de wijfjes
waren ten deele nog in goeden toestand.
Tortrix paleana Hübn. — Snellen, II, p. 205.
In 1886 ook bij Rotterdam gevonden. De rups leeft op allerlei
lage planten, breedbladige grassoorten en riet, Zij is met bijzonder
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 47
groote helderwitte stippen geteekend. Bij den mannelijken vlinder
is de staartpluim bijna even lang als bij vihurnana d. Versch uit-
gekomen vlinders hebben zeer levendig gekleurde voorvleugels.
Tortrix viridana L. — Snellen, II, p. 208.
Bij de wijfjes in mijne collectie zijn de achtervleugels niet een-
kleurig donkergrijs, maar vertoonen witachtige vegen in de cellen
tegen den achterrand, vooral bij den staarthoek.
Tortrix rusticana Hübn. — Snellen, II, p. 211.
Gelderland: Groesbeek (Dirk ter Haar).
Tortrix ministrana L. — Snellen, II, p. 217.
Ader 2 der voorvleugels ontspringt bij deze soort zeer ver naar
achteren, bijna uit drie vierden van den binnenrand der middencel.
De grenslijn tusschen Tortrix en Conchylis wordt hierdoor wat
onzeker en dus is het plaatsen van ministrana in eene bijzondere
afdeeling (Zuliu Staint., Man., II, p. 192) wel aanbevelenswaardig ,
ten einde het genoemde kenmerk niet uit het oog te verliezen.
Tortrix angustiorana Haw. — Snellen, II, p. 220.
Door eene schrijffout staat hier en elders: angustoriana.
De achtervleugels zijn bij den man merkbaar donkerder dan bij
het wijfje.
Deze soort vloog op 18 Juli 1885 en een paar volgende dagen
niet zeldzaam in den tuin van het Genootschap Natura Artis Magistra
te Amsterdam, om Taxus-boomen, omstreeks vier ure des middags.
Op dezelfde wijze vliegende, trof Mr. H. W. de Graaf haar ook
in den Haagschen Dierentuin aan, bij Tawus en hulst.
Conchylis Smeathmanniana Fabr. — Snellen, p. 244.
In de systematische lijst der soorten staat verkeerdelijk : « Smeath-
mannia ».
Conchylis badiana Hübn. — Snellen, II, p. 245.
In het 29ste deel van het Berl. Ent. Zeitschrift (1885), geeft
Sorhagen op p. 83 een uitvoerig bericht over de rups. Hij vond
48 AANTEEKENINGEN OVER
haar in September in het zaad eener distelsoort (Cirsiwm oleraceum).
Zij is vóór den winter volwassen en verpopt in het voorjaar. Hij
beschrijft haar als dik, madevormig, bleekgeel, met bruinen kop
en stippen.
Conchylis udana Guen. — Snellen, II, p. 249.
Volgens den heer E. Ragonot is, naar de typen van Guenée,
diens wdana eigenlijk dezelfde als notulana Zell. (= Manniana Fisch. ,
v. Rössl.), die in Mentha leeft. Hij slaat dus voor de in Alisma
levende Conchylis den naam Alismana voor (Zie Ann. de la Soc.
Ent. de Fr., 1883, Bull., p. cxvur).
Phtheochroa rugosana Hübn. — Snellen, II, p. 254.
Zuid-Holland: den Haag, 1 Juni 1883 een gaaf? (Mr. H. W. de
Graaf). Van de nog niet in Nederland ontdekte aeneana teekent
Frey, Matth. Schweiz. Ent. Ges., VII (1886), p. 258 aan, dat
de rups, naar eene betrouwbare mededeeling uit Duitschland, in
den wortel van Senecio jacobaea leeft.
Grapholitha lucivagana Zell. — Snellen, II, p. 287.
Op p. 404 van de Ann. de la Soc. Ent. de Fr., 6me Sér., V
(1885), geeft de heer Lafaury eene beschrijving der rups. Zij
leeft op Melianthemum alyssoïdes en op nog andere lage planten,
js einde April volwassen en dan zwartachtig, iets glanzig, met
lichtere onderzijde.
Grapholitha arcuella Clerck. — Snellen, II, p. 296.
Hierbij behoort als synoniem: |
Tortria Edleriana Cram., Uitl. Kapellen, IV, p. 223, pl. 396 K.
De afbeelding is grof, maar kenbaar Men had Cramer dit
inderdaad vreemd geteekende vlindertje als eene Surinaamsche soort
gegeven.
Grapholitha achatana W.V. — Snellen, II, p. 298.
Ook van deze soort geeft Lafaury in de Ann. de la Soc. Ent.
de Fr., 1885, p. 404 eene rupsbeschrijving. Het dier is roet-
zwart op den rug, valer op het onderlijf en was op Haagdoorn
gevonden. In Mei volwassen.
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 49
Grapholitha granitana HS. — Snellen, II, p. 305.
In Gelderland, bij Nijmegen gevangen , op 29 Juni (Dirk ter Haar).
Grapholitha expallidana Haw. — Snellen, II, p. 306.
Noord-Brabant: Cuyk, 26 Juli 1887, zeer gave exemplaren op
eene dorre weide, waar veel Mieracium groeide. Zij vertoonen
geen overgang op jaceana.
Grapholitha jaceana H.S. — Snellen, II, p. 306.
Noord-Brabant: Cuyk, 18 Juli (Dirk ter Haar).
Grapholitha oppressana Treits. — Snellen, IT, p. 326.
Van de rups dezer soort bevindt zich eene beschrijving in het
Ent. Monthl. Mag., XXI (1885), p. 151, door John H. Wood.
Volgens hem leeft zij in de eindknoppen der twijgen van Populus
nigra, is zij in het begin van Mei volwassen en dan half door-
schijnend, iets vet-glanzig, bleekbruin, met kleinen, zwarten kop.
Hare leefwijze heeft veel overeenkomst met die van Graph. aceriana,
maar het met uitwerpselen bekleede huisje, dat evenals bij die soort
buiten den door de rups bewoonden knop uitsteekt, ligt bij laatst-
genoemde plat, terwijl het bij oppressana rechtop staat. Ook is de
rups van aceriana eerst in Juni volwassen, dus eene maand later.
Grapholitha foenella L. — Snellen, II, p. 327.
Eene varieteit met bruin en grijs bestoven lichte binnenrands-
teekening kweekte de heer Dirk ter Haar te Cuyk.
Grapholitha turbidana Treits., Schmett.v. Europa, X,
3. p. 98. — Herr.-Schäff., S. B. IV, p. 237, Tort., fig. 245
(te scherp). — Dup. Sppl., IV, p. 164, pl. 64, fig. 4. — Wood,
fig. 1798. — Staint., Man., II, p. 212. — Hein., Wickler,
p. 142. — Snell., Microl., 312, noot 1.
De ontdekking dezer vrij groote en ondanks hare eenkleurigheid
zeer kenbare Tortricine, bewijst de juistheid der opmerking van
Mr. Leesberg (zie Verslag 20ste Wintervergadering der Ned. Ent.
Vereen., p. cv), dat men de hoop op nieuwe vangsten, zelfs op
een reeds lang afgejaagd terrein, nooit moet opgeven. Hoewel ik
4
50 AANTEEKENINGEN OVER
zeker sedert 20 jaren aan de in de omstreken van Rotterdam voor-
komende Microlepidoptera mijne aandacht wijd, was mij deze soort
nog niet voorgekomen, totdat ik den vlinder in de eerste dagen
van Juni 1885 op eene zekere, vrij beperkte plek in het Over-
maassche, op eens aantrof, in de namiddaguren, evenals de ver-
wante Brunnichiana, op Tussilago petasites vliegende. De soort
was toen bij Rotterdam zeldzaam en slechts op ééne plek te vinden.
Op vier of vijf tochten naar de vangplaats, werden eerst door mij
alleen en later in gezelschap van de heeren Heylaerts en Kallen-
bach, slechts even zoo vele voorwerpen gevangen. Bij het loopen
door de planten vloog de vlinder wild op, maar zette zich spoedig
op de bovenzijde van een hoefblad, in den vollen zonneschijn neder.
Het kostte moeite hem dan te zien, daar hij zich niet, evenals
Brunnichiana, door zijne donkere kleur en de lichte dorsaalvlek der
voorvleugels verried, Des avonds hield deze soort zich schuil; ik
kon hem dan ten minste niet opjagen.
De heer Dirk ter Haar trof twrbidana omstreeks denzelfden tijd
ook in den Alblasserwaard, bij Giessendam aan. De soort was
daar gemeener en, indien ik mij niet bedrieg, werden wel een
paar dozijn voorwerpen gevangen.
In 1886 of 1887 heb ik van turbidana bij Rotterdam niets
bespeurd.
De vlinder heeft de grootte van Brwunichtana en scutulana en
is ook eveneens gebouwd; alleen zijn de palpen merkbaar langer.
Kop, palpen en thorax zijn onzuiver bruinachtig grijs; de voor-
vleugels, die bij den & een duidelijken, donkerder gekleurden
omslag aan den voorrand hebben, vertoonen een flauwglanzigen
potloodkleurig-grijzen grond. Het wortelveld is alleen tegen den
binnenrand en vooral franjewaarts duidelijk , grauwachtig leembruin ,
dof; de middenband is eveneens gekleurd, van de helft des voor-
rands schuin naar ader 3 loopende en ook tot zoo ver smal, dan
op eens tot eene donkerder, “stomp driekante vlek op den binnen-
rand verbreed. Tusschen den vrij scherp begrensden buitenrand
der onderhelft van het wortelveld en de genoemde driekante donkere
vlek wordt dan eene naar boven vervloeide lichtere binnenrandsvlek
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 51
der grondkleur beperkt, die iets donkerder is gewaterd. Voorrands-
haakjes en een rond vlekje in de vleugelpunt leembruin; uit het
tweede haakje van den wortel af eene gebogene bruine lijn, die ook
den buitenrand van het schild vormt. Dit is ongeveer rond, glanzig
potloodgrijs. donker gestreept. Franje grauwgeel; die der donker-
grijze achtervleugels lichter, bijna vuilwit.
Zoo is de d; bij het 9 zijn de beschreven teekeningen vrij on-
duidelijk, daar de voorvleugels sterk gewaterd zijn met gegolfde
bruine lijntjes, die maar weinig van den grijzen grond vrij laten
en waarvan zich de overige teekening weinig onderscheidt.
De rups moet in den wortel en de stengels van Tussilago petasites
leven. Bijzonderheden nopens haar zijn mij niet bekend.
Ik plaats deze soort tusschen ‚foenella en Brunnichiana.
Grapholitha Brunnichiana W.V. — Snellen, II, p. 328.
In 1885, 1886 en 1887 trof ik deze gewoonlijk zeldzame soort
veel bij Rotterdam aan en wel tot over de helft van Juli in gave
exemplaren, doch alleen overdag kon ik den vlinder, uit Tussilago
petasites en farfara opjagen. Des avonds zag ik hem niet, De
franje der achtervleugels is zelfs bij zeer versche exemplaren toch
nog maar bleek okergeel, tegen den staarthoek soms sterk grijs
getint.
Grapholitha trigeminana Steph — Snellen, I, p. 330.
Een zeer gaaf Russich exemplaar (4), dat ik van deze soort
optving, maakt de grenzen tusschen frigeminana en graphana wat
onzeker. De binnenrandsvlek der voorvleugels is bij het Russische
voorwerp smaller dan bij mijne inlandsche exemplaren, de voor-
rand der vleugels is vlakker, de achterrand korter en daardoor ook
de vleugel smaller. Zeer mogelijk is het, dat beide vormen niet
alleen bijeen behooren, maar ook hepaticana (Treits. , X,3, p. 97; —
Fisch. v. Rössl., Abbild., p. 172, Tab. 63, fig. a—e. — Herr.-
Schäff., S. B. IV, p. 238, f. 223. — Hein., p. 146) als grootere
varieteit met graphana Treits. moet vereenigd worden, zooals ik
t. a. p. reeds te kennen gaf wat ¢rigeminana en hepaticana betreft.
Deze soort zou dus eene dergelijke reeks van varieteiten door-
52 AANTEEKENINGEN OVER
loopen als de verwante scutulana. Kweeking uit de rups kan ook
hier het vereischte licht geven, en nu zij van Zrigeminana bekend
is gemaakt (zij werd beschreven door Barrett, Hat. Monthl. Mag. ,
XX, 1884, p. 269) is er wel kans op de gewenschte opheldering.
Volgens den genoemden Engelschen Entomoloog leeft de rups
van Zrigeminana in den wortelstok van Senecio jacobaea, is zij
tegen den winter volwassen en verlaat dan de plant om op den
grond een spinsel te maken, waarin de verpopping waarschijnlijk
eerst in het voorjaar plaats vindt. Hij beschrijft de rups als rolrond,
middelmatig levendig van aard en wat plomp gebouwd. Op den
rug is zij vrij levendig rood, bleek vleeschkleurig van onderen.
Kop zeer licht bruin; halsschild en staartklep beenkleurig, iets
rood getint.
Van de typische graphana heb ik ook sedert 1882 nog geen
inlandsch exemplaar gezien.
Grapholitha pygmaeana Hübn. — Snellen, II, p. 342.
Door eene bij de correctie niet opgemerkte fout van den zetter
zijn in de analytische tabel op p. 344 bij deze soort in de be-
schrijving der sprieten weggevallen de woorden «lang en». Wat
er nu staat is niets beduidend. De mannelijke sprieten van pyg-
macana hebben eene lange, dunne bewimpering, die 3 of 4 maal
zoo lang is als de breedte van de schaft. Men zou die sprieten
wel fijn gebaard kunnen noemen.
Grapholitha fractifasciana Haw. — Snellen, I,
p. 345.
Een zeer gaaf, groot en scherp geteekend exemplaar ving ik op
9 Augustus 1885 bij Rijen in Noord-Brabant en een zeer donker,
waarop de teekening der voorvleugels slechts moeielijk te onder-
scheiden is, den 18 Juli 1887 bij Winterswijk. Benoorden den
Moerdijk was deze soort vóór laatstgenoemd jaar nog niet gevonden.
Grapholitha roseticolana Zell. — Snellen, II, p. 361.
Noord-Brabant : Middelaar bij Cuyk, 3 Mei 1887, een exemplaar
uit de rups (Dirk ter Haar).
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 53
Grapholitha cosmophorana Treits. — Snellen, II,
p. 364.
Noord-Brabant: Rijen, 19 Juni 1887, gaaf en frisch , des avonds
om Pinus sylvestris vliegende (Heylaerts, Snellen).
Grapholitha Servillana Dup. — Snellen, II, p. 371.
De rups dezer soort en hare leefwijze zijn uitvoerig beschreven
door den heer John H. Wood in het #nt. Monthl. Mag., XX (1884),
p. 245. In hoofdzaak worden de mededeelingen van Brischke be-
vestigd, doch er blijkt uit die van Wood, dat de rups zelve de
oorzaak is van de galmootachtige zwellingen der wilgentwijgen (Sali
caprea) en dat zij vóór de overwintering, in October, volwassen is
en dan lichtgrijs. Na den winter was zij wit met een geel tintje
geworden. Verpopping in de door de rups veroorzaakte zwelling
van het wilgentwijgje.
Grapholitha regiana Zell. — Snellen, II, p. 378.
Gelderland: Nijmegen, 18 Mei 1883 (Dirk ter Haar).
Grapholitha aurantiana Staud. — Snellen, II, p. 379.
Van deze nog zeer zeldzame soort vond ik den 22 Juli 1885
een zeer gaaf en frisch voorwerp in het Haagsche bosch tegen
eenen beuk.
Phoxopteryx geminana Don. — Snellen, II, p. 396.
Het is Werneburg, in zijne Beiträge zur Schmetterlingskunde, die
geminana Don. hier citeert, niet Wocke. Volgens deze stelt Donovan’s
afbeelding Phow. uncana Hübn. voor.
Familie 24. TINEINA.
Omtrent deze familie in het algemeen beb ik niets bijzonders
op te merken. Het getal der inlandsche soorten wordt met 7 ver-
meerderd en bedraagt nu 512. Zeer vele anderen komen stellig
nog in Nederland voor.
Op p. 420 staat: Zelleria hepatariella, lees: hepariella.
94 AANTEEKENINGEN OVER
Blabophanes rusticella Hübn. — Snellen, II, p. 458.
Een zeer gaven en frisschen ¢ ving ik den 11 Mei bij Wassenaar,
een weinig minder goed 9 den 22 Juli in het Haagsche bosch.
Beide vangsten bewijzen den langen duur van den vliegtijd.
Incurvaria morosa Zell. — Snellen, II, p. 480.
Deze tot dusverre alleen bij Arnhem waargenomen soort werd
ook in Noord-Brabant, bij Cuyk gevonden door den heer Dirk ter
Haar, die mij twee mannen, tot de varieteit I behoorende, ter
bezichtiging zond.
Nemotois cupriacella Hübn. — Snellen, II, p. 498.
Het komt mij voor, dat Mem. violella W.V. (violellus Zell. ,
von Hein.) slechts minder sterk geteekende exemplaren derzelfde
soort zijn, waartoe cupriacella Hübn. ook behoort. Is dit juist,
dan zou zij den naam wvolella moeten dragen en cupriacella als
varieteit I worden vermeld. Sedert de uitgave van mijn werk,
heb ik nu zelf ook eenige exemplaren van deze Tineine gevangen,
namelijk in Gelderland bij Winterswijk, den 18 Juli 1886 een
gaaf paartje en in Noord-Brabant bij Rijen op 25 Juli 1885 en
9 Augustus 1886, op twee vliegplaatsen, drie gave mannen en zulk
een wijfje. Een der wijfjes is eene stellige cupriacella, maar de
mannen moet ik naar Zeller’s beschrijving (Zinn. Ent. , VIII, p. 61)
en die van von Heinemann (Motten, p. 84) voor violel/a houden,
want de grondkleur der voorvleugels is minder levendig, bruin-
achtig, zelfs bij twee mannen groenachtig getint, terwijl de
donkere dwarsband niet sterk is uitgedrukt en dun, schaduw-
achtig is. Zeller bestempelt hem bij molellus dan ook zeer juist
met den naam «Schattenbinde». In den vorm der voorvleugels
merk ik eene kleine veranderlijkheid op: zij zijn bij alle exem-
plaren naar achteren niet even sterk verbreed. Niet onvermeld
mag ik ook laten, dat bij mijne gave mannen slechts het
wortelvierde der sprieten eene donkere kleur heeft, terwijl het
overige wit is.
Von Heinemann zegt, dat de rups van wiolella op Gentiana
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 55
asclepia en G. pneumonanthe leeft, eerst van het onrijpe zaad,
later van de bladeren. Althans de laatstgenoemde plant was bij
Rijen op eene der vliegplaatsen niet ongemeen.
Ochsenheimeria vacculella Zell. — Snellen, II, p. 503.
De heer Stainton geeft in het Mt. Monthl. Mag., XXII (1885),
p. 92, zijnen twijfel te kennen, dat de rups van de genoemde
soort, zooals ik t. a. p. vermeld, in de halmen der rogge zou leven
en vermoedt dat veeleer rottend hout het voedsel kon zijn, zooals
de Fre, in de dun. de la Soc. Ent. Belge, Il (1858), p. 114
reeds beweert. Hij merkt op, dat Dr. Wttewaall den vlinder niet
beschrijft, dien hij uit de roggehalmen-rups verkreeg en dat Dr.
Snellen van Vollenhoven hem wrel/a met een? noemt. Dit is waar
en ik kan er nog bijvoegen, dat laatstgenoemde niet eens een
auteur bij den naam wre//a citeert. Hoewel ik nu niet geloof, dat
de Fré gelijk heeft, kan ik toch niet beweren, dat een nader
onderzoek in dit geval overbodig zij en noodig ik dus mijne entomo-
logische vrienden, die daartoe in de gelegenheid mochten zijn, uit,
de kweeking der bedoelde, in de roggehalmen levende rups te
herhalen en hunne waarnemingen dan niet voor zich te houden,
maar die zelf en ook volledig bekend te maken. In het algemeen
ben ik zoo vrij, hier een wenk te geven omtrent het nuttige der
herhaling. en controleering van vroegere waarnemingen. Het opsporen
van nieuwe soorten voor de fauna of van nieuwe vindplaatsen
van zeldzame soorten is ongetwijfeld nuttig, maar het nagaan van
de levensgeschiedenis der dieren niet minder. leder doe dus ook
hier wat zijne hand vindt om te doen en verlange vooral niet
altijd alles van een ander.
De heer Stainton merkt nog op, dat vele opgaven het aantreffen
van den vlinder onder boomschors vermelden, en meent dat dit
pleit voor de juistheid der opgave van de Fré, doch ook Depressarien
vangt men wel eens aldaar en men klopt die vlinders vooral veel
uit rieten daken, zonder dat de laatstgenoemde verblijfplaats der
volkomen insecten daarom tot de gevolgtrekking mag leiden, dat
de rupsen in vermolmend riet leven.
56 AANTEEKENINGEN OVER
Hyponomeuta rorellus Hübn. — Snellen, II, p. 508.
Ook hier moet ik de aandacht vestigen op eene opmerking van
den heer Stainton, in het Put. Monthl. Mag., XX (1883), p. 136,
over de opgaven van VerHuell en de Graaf, dat de rups van rorellus
geen afzonderlijke cocon maakt, welke opgaven met die van Zeller
in strijd zijn. Ik erken dat wij dubbel scherp moeten toezien, eer
wij de woorden van een man van zóó groot gewicht als laatst-
genoemde was, verwerpen, maar daarom is het mij des te aange-
namer, dat ik hier stellig kan verklaren, dat hij dwaalde en
VerHuell en de Graaf gelijk hadden.
Op mijn verzoek zond de heer ter Haar mij vele rupsen der
genoemde stippelmot uit de omstreken van Giessendam, en ik nam
waar, dat zij bij de verpopping inderdaad geen afzonderlijke cocon
maken. 2
Van de pop maakte ik naar de natuur de volgende beschrijving:
Thorax, kop- en vleugelscheeden zoomede het staarteinde zwart ,
het overige helder, bleek groengeel.
Hyponomeuta malinellus Zell. — Snellen, II, p. 509.
Waarnemingen van den heer Ch. G. Barrett, medegedeeld Ant.
Monthl. Mag., XXI (1885), p. 100, hebben opnieuw tot het
resultaat geleid, waartoe ook ik t. a. pl. kwam, namelijk dat er
geen proefhoudend onderscheid bestaat, of althans nog niet is ge-
vonden, tusschen de stippelmot van den appelboom en die van
haagdoorn. Zeer beveel ik iemand, die daartoe in de gelegenheid
mocht zijn, aan, om vlinders van haagdoorn-stippelmotten eieren
te laten leggen op een’ appelboom en daaruit te trachten rupsen
en motten te kweeken, zoomede omgekeerd.
Prays simplicella H.S. — Snellen, II, p. 519.
Utrecht, 24 Augustus (Dr. A. C. Oudemans).
Over deze soort, die de schrijver voor Haworth’s Zweurvaria
rustica (Lepid. Brit., IV, p. 548, « Alis angustis saturate fuscis
immaculatis, apice rotundatis; Zinea rusticella Hübn., Tin. 3, 17)
houdt, bevindt zich eene uitvoerige mededeeling van Dr, Ludwig
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 57
Sorhagen in het Berl. Ent. Zeitschr., 1885, p. 88, welke wel
voor het specifiek verschil van Curtisella en simplicella pleit.
Haworth’s beschrijving is wel wat erg kort; mogelijk is uit
zijne verzameling aan te toonen, dat hij simplieella Herr.-Schäff.
heeft bedoeld, maar het citaat uit Hübner maakt de zaak niet
duidelijker. Zeller bespreekt de aangehaalde figuur bij Tinea misella
en het is zeer mogelijk, dat zij inderdaad slechts eene gebrekkige
afbeelding dier Tinea is. Het beste zal wezen Herrich-Schäffer’s
naam te behouden en Haworth’s rustica in het magazijn der on-
verklaarbare raadsels te deponeeren.
Argyresthia Goedartella L. — Snellen, II, p. 532.
Interessante en uitvoerige mededeelingen over de eerste toestanden
van deze soort en de verwante PBrockeella vindt men in het Ant.
Monthl. Mag., XXI (1885), p. 203, door den heer Alfred Balding.
Het blijkt dat de rups van Goedartella ook op Elzen leeft en het
komt mij voor, dat dennennaalden ten onrechte als voedsel der
Brocheella-rups worden opgegeven.
Acrolepia granitella Treits., IX, 2, p. 265; X, 3,
p. 202. — Fisch. v. Rössl., Abb. p. 11, pl. 8. — Staint.,
Ins. Brit. Tin., p. 171, pl. 5, fig. 11. — Id., Manual, II,
p. 363. — Frey, Tin., p. 171. — Hein., Mott., p. 96. —
Snellen, II, p. 555, aant.
‘De ontdekking dezer soort hier te lande, die ik verwachtte,
heeft inderdaad plaats gehad. Zij is op de excursie der Nederl.
Ent. Vereeniging in Juli 1887 bij Valkenburg in het zuiden van
Limburg als pop op planten van Inula (Pulicaria) dysenterica (niet
dysenteriaea, zooals in mijn werk door eene onopgemerkte drukfout
staat) gevonden door den heer Dirk ter Haar. Eenige voorwerpen
kwamen in de laatste dagen van Juli uit de medegenomen poppen.
De vlinder gelijkt het meest op assecte//a, maar is iets kleiner;
de voorvleugels zijn nog smaller en hunne punt is meer afgerond,
terwijl de achterrand meer gebogen is. Hunne kleur kan een licht
schorsbruin genoemd worden, dat min of meer fijn grijswit is ge-
stippeld; het derde vierde van den wortel af wordt door eene
58 AANTEEKENINGEN OVER
donkerder schaduw verduisterd, terwijl niet, zooals bij assectella,
een stomp-driekant wit vlekje op een derde van den binnenrand
het meest in het oog loopt, maar wel een vierkant, bruin, op een
vierde van dien rand, dat aan beide zijden door eenige fijne, grijs-
witte, bijna ineenvloeiende streepjes wordt afgezet. Franjelijn zwart,
de franje ongeveer als bij assectella.
Onderzijde der vleugels donkergrijs. Palpen korter dan bij assec-
tella. Nleugeladeren als daar.
De vlinder overwintert.
De rups leeft, behalve op de genoemde plant, ook op /nula
helenium en Buphthalmum cordifolium, in Juni en wordt beschreven
als lichtgroen, bijna ongeteekend, met zwarte luchtgaten en glas-
achtigen kop met bruin gebit. Zij mineert in de bladeren.
Chimabache fagella W.V. — Snellen, II, p. 562.
Op p. 563, de zevende regel van boven, staat door eene druk-
fout: «flaauwe», lees: flaauw, Verder merk ik op, dat de roestgele
bijmenging achter den tand der eerste dwarslijn en de stippen
der dwarsader niet altijd aanwezig is.
Semioscopis avellanella Hübn. — Snellen, II, p. 567.
Sedert de uitgave van mijn werk is de nog onbeschreven rups
dezer soort bekend gemaakt door den heer John H. Wood, in het
reeds dikwijls in den loop dezer aanteekeningen aangehaalde Mut.
Monthl. Mag., XX (1883), p. 165. Zij werd door hem van Juli
tot September gevonden op Linden, is slank , vlug, groen gekleurd ,
heeft regelmatig gevormde voorpooten en verpopt in den grond.
Depressaria scopariella Hein. — Snellen, II, p. 584.
Zuid-Holland: ’s Gravenhage, de rups op Spartium scoparium ,
in Juli 1885, de vlinders kwamen van 12—19 Augustus uit.
Depressaria Alstroemeriana Clerck. — Snellen, II,
p. 589.
Zuid-Holland: Rotterdam, in September 1882 vele exemplaren
(Dr. Kallenbach).
pi: r.
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 59
Depressaria chaerophylli Zell. — Snellen, II, p. 600.
Noord-Brabant: Escharen bij Cuyk (Dirk ter Haar).
Depressaria badiella Hübn. — Snellen, IL, p. 601.
De tot dusverre onbekende rups dezer soort is beschreven in
het Ent. Monthl. Mag., XXI (1884), p. 3, door den heer W.
Buckler, met aanteekeningen door de heeren Stainton en Fletcher.
Zij waren door laatstgenoemden gevonden op Mypochaeris radicata.
De rups is in Juli volwassen en dan donkerrood gekleurd, met
donkerbruinen kop, zwarte voorpooten, schilden en stippen. Volgens
Lafaury (dan. de la Soc. Ent. de Fr., 6me sér., V, 1885, p. 411)
leeft zij ook op Leontodon en Hieracium.
2
Psoricoptera gibbosella Zell. — Snellen, II, p. 609.
Deze soort is in Sepp’s Nederl. Insecten, 2de ser., IV, p. 136,
pl. 27, bewerkt door Mr. E. A. de Roo van Westmaas.
Ceratophora lutatella H.S. — Snellen, II, p. 616.
Deze tot dusverre alleen in de duinstreken bij Haarlem gevonden
soort trof ik ook bij ’s Gravenhage aan den duinkant aan.
Ceratophora rufescens Haw. — Snellen, II, p. 616.
Zuid-Holland: Rotterdam, op kleigrond (Snellen).
Gelechia hippophaeélla Schrank, Fauna Boica, U,
p. 115. — Staint., Man., II, p. 330. — Id., Nat. Hist., IX,
p. 34, pl. 1, fig. 3. — Hein., Motten, p. 198. — Snellen,
II, p. 621, aant.
Basipunctella H.S., Syst. Bearb., V, p. 164, fig. 350. —
Basalis Staint., Ius. Brit. Tin., p. 105.
18—20 mm.
De ontdekking dezer soort, die tot de grootste Europeesche van
het genus, met breede achtervleugels, behoort, en nog vóór {wrpella
wordt geplaatst, hoewel tegemoet gezien, omdat het voedsel der
rups in de duinstreken veel groeit en Aippophaeëlla ook in Engeland
voorkomt, heeft lang op zich laten wachten. Meermalen is er te
vergeefs naar gezocht, tot dat Dr. Kallenbach en ik in Juli van
60 AANTEEKENINGEN OVER
het jaar 1885 in zekere duinstreek ten zuiden van ’s Gravenhage
komende en de daar groeiende Hippophaé-planten in het regen-
scherm afkloppende, op eens vele rupsen verkregen, waaruit in
Augustus daaraanvolgende een 30-tal vlinders werden gekweekt. De
rupsen waren tusschen de eindscheuten der takken ingesponnen,
hadden de bleekgroene kleur der Mippophaë-planten en waren op
. den rug overlangs licht gestreept. Wat de vlinders aangaat, zelden
heb ik meer volkomen nachtdieren gezien dan deze: overdag hielden
zij zich zorgvuldig schuil tusschen de dorre bladeren en waren
buitendien door hunne kleur nauwelijks van het zand te onder-
scheiden; eerst wanneer het geheel donker was, vertoonden zij
zich in de flesschen waarin zij waren gekweekt.
Aan mijne beschrijving heb ik nog toe te voegen, dat al mijne
gave, gekweekte exemplaren eene fijne zwarte stip aan den binnen-
randswortel der voorvleugels hebben en dat deze tegen den voorrand
wat oplichten. De middenstippen, op de gewone wijze geplaatst,
verschillen zeer in duidelijkheid, evenals de fijne zwarte rand-
stippen, die vooral om de vleugelpunt te vinden zijn. De hichte
tegenvlekken zijn in de tint der grondkleur, flauw, smal en
vereenigen zich tot eene stomp gebroken dwarsstreep. Achtervleugels
zuiverder grijs dan de voorvleugels, weinig donkerder maar glanziger
en anderhalfmaal zoo breed als zij; franje grijsgeel. Onderzijde der
vleugels grijs, ongeveer als de bovenzijde der achtervleugels, de
voorrand van het voorste en de punt van het achterpaar grijsgeel
bestoven. Achterlijf grijsgeel, de eerste helft van den rug bruin-
achtig. Sprieten grijsgeel, op den rug onregelmatig zwart gestippeld.
Lid 2 der palpen is bij deze soort in het midden het breedst,
half zoo breed als lang.
G. vilella Zell., Snell. (1. c.), is na verwant aan Aippophaeëlla.
De voorvleugels, die bij de mannen der beide soorten breeder zijn
dan bij de wijfjes, kan ik echter bij mijne exemplaren van ve/e/la
niet zooveel smaller vinden, de zwarte stip aan den binnenrands-
wortel is ook bij mijne gekweekte voorwerpen der laatstgenoemde
soort duidelijk, maar het eindlid der palpen is bij vzlella langer
en hun tweede lid smaller, naar boven verbreed.
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 61
De rups van vilella is beschreven in het Mut. Monthl. Mag.,
XXIII (1886), p. 89 door den heer W. Warren. Zij leeft
op Malva.
G. albicans von Hein., Motten, p. 199, naar een paartje van
Weenen beschreven, schijnt later meer gevonden te zijn; ik heb
ten minste een gaaf paar, van Staudinger afkomstig, voor mij,
volgens opgave uit Oostenrijk. Deze soort is mede na aan hippo-
phaeëlla verwant, heeft ook een koolzwarten voorrandswortel der
voorvleugels, maar mist de zwarte stip aan den binnenrandswortel,
en het middenlid der palpen is buitenwaarts onderaan zwart. Verder
zijn de voorwerpen iets kleiner en de voorvleugels meer eenkleurig,
flauwer geteekend; overigens is alles vrij wel eveneens.
De rups van albicans is nog niet beschreven.
Ik gaf verkeerdelijk op, dat de rups onzer nieuwe inlandsche
soort in het najaar op J//ippophaé voorkomt; ik vond haar tot
dusverre alleen in Juli, welke maand ook Stainton en von Heine-
mann vermelden. Wellicht overwintert de vlinder en legt zij eerst
in het voorjaar eieren, zooals de Depressariën.
Gelechia galbanella Zell. — Snellen, II, p. 640.
Gelderland: Soerensche bosch, 20 Juli 1885 (Snellen).
Gelechia scalella Scop. — Snellen, II, p. 649.
Limburg: St. Jansberg bij Gennep, 9 Mei 1886 (Dirk ter Haar).
Gelechia marmorea Haw. — Snellen, II, p. 655.
De rups dezer soort heb ik in de duinen bi den Haag gevonden.
Men kan haar bekomen, door in het voorjaar het zand om de
Cerastium-plantjes uit te zeven. De kokertjes, waarin de rupsen
leven, blijven dan op de zeef liggen.
Gelechia maculiferella Dougl. — Snellen, II, p. 658.
Ik heb altijd vermoed, dat het met deze soort niet richtig was
gesteld en mijne maculiferel/a wellicht een mengsel van twee species
vormde. Vrij waarschijnlijk wordt dit door de beschrijving van
Gelechia semidecandrella in het Ent. Monthl. Mag., XXIII (1887),
62 AANTEEKENINGEN OVER
p. 233, door den heer Stainton. Ook hij vermengde onder zijne
maculiferella twee soorten, waarvan de echte wel op Haagdoorn
leeft en daaromheen vliegt, terwijl de andere op Cerastium semi-
decandrum als rups leeft (zie mijne beschrijving). De kenmerken
der beide species in den vlinderstaat zijn mij echter nog niet recht
duidelijk en door den heer Stainton nog niet uitvoerig genoeg
uiteengezet. Om deze reden, ook vooral omdat ik slechts gevangen
voorwerpen van mijne maculiferella bezit, wil ik er mij nog niet
over uitlaten en voorloopig de aandacht op het onderwerp vestigen.
Zeer waarschijnlijk komen beide species ook in Nederland voor.
Gelechia proximella Hübn. — Snellen, II, p. 662.
Afgebeeld en beschreven in Sepp, 2de ser., p. 141, pl. 28,
door den heer de Roo van Westmaas.
Bij deze soort meende ik bijoogen waar te nemen, doch de heer
Brants kon ze niet ontdekken. Tot eene generieke afscheiding van
Gelechia, afdeeling E 1, als 7Zeleia v. Heinemann zal ik echter
nog miet overgaan.
Xystophora tetragonella Staint., Ent. Monthl. Mag.,
XXII (1885), p. 99. |
Toen ik in 1882 mijn werk over de Nederlandsche Microlepi-
doptera uitgaf, bezat ik deze soort reeds in mijne collectie en
had haar ook als onbeschreven erkend, doch de voorwerpen waren
niet gaaf genoeg, en ik liet ze dus rusten. Sedert is zij door den
heer Stainton t. a. p. bekend gemaakt.
In de eerste plaats moet ik omtrent die bekendmaking opmerken ,
dat de vlinder tot het genus Aystophora v. Hein. behoort om het
aderstelsel der achtervleugels, de palpen en den vorm der voor-
vleugels, en verder tot mijne afdeeling B van dat genus (zie
Microl., p. 685).
Hij is van kleine gestalte (¢ 11, g 10, 101 mm. vlucht). De
sprieten zijn grijs, flauw donker geringd, de palpen grijswit,
buitenwaarts op lid 2 (behalve aan den bovenrand) en tegen de
punt van lid 3 bruingrijs bestoven. De schedel, thorax en voor-
vleugels met franje zijn (bij mijne exemplaren) helder lichtgrijs.
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 63
De laatsten zijn geteekend met 4 zwarte stippen, 2 in de vouw,
als eene bij den wortel, de tweede bijna op de helft, en twee
andere op het midden van den vleugel, namelijk eene (de derde)
iets boven de tweede vouwstip en de vierde halfweegs de derde
en den achterrand. Deze laatste vertoont eenige onduidelijke zwarte
randstipjes. Tegenvlekken zie ik zoo min als de heer Stainton die
. vermeldt. Achtervleugels lichter en glanziger grijs , met iets donkerder
franje. Onderzijde lichtgrijs, ongeteekend.
Volgens den auteur zijn de voorvleugels min of meer donkergrijs
gewolkt, soms geheel donkergrijs. Mijne exemplaren zijn op de
voorvleugels niet gewolkt, doch als boven vermeld, niet gaaf. Hij
vergelijkt tefragonella verder met senectella (Gelechia), die inderdaad
even groot en bijna eveneens geteekend is, doch de voorvleugels
zijn daar leemkleurig grauw, en wat het meeste gewicht in de
schaal legt, het aderstelsel der breedere en anders gevormde achter-
vleugels verschilt geheel.
Mijne (drie) exemplaren heb ik den 8 Juli 1876 bij Bergen-op-
Zoom aan den Schelde-oever gevangen, des avonds.
Op eene dergelijke plaats, om Artemisia maritima, welke indien
ik mij niet bedrieg ook aan de Schelde waar ik de vlinders ving,
groeide, vlogen de Engelsche voorwerpen. X. fefragonella verschilt
zóó duidelijk van de overige inlandsche soorten van het genus, dat
eene nadere uiteenzetting overbodig mag heeten, doch naar de
beschrijving door Staudinger, in de Horae Soc. Ent. Ross. , 1880,
p. 163, moet zijne Doryphora (zegge: Xystophora) punctatella zeer
na verwant zijn. Zij werd slechts naar één exemplaar beschreven ,
en het eenige verschil dat ik opmerk is, dat de soort van Staudinger
twee zwarte stippen aan den voorvleugelwortel meer heeft, De
plaatsing der vier overige komt mij voor dezelfde te zijn.
Dactylota Kinkerella Snell. — Snellen, II, p. 689.
Na al hetgeen door den heer Stainton in het Zzt, Monthi. Mag.,
XXI (1884), p. 70 en door mij in het Tijdschrift, XXVII,
Verslag, p. xxv en deel XXX, Verslag, p. xv, is medegedeeld,
mag men aannemen, dat de natuurlijke geschiedenis dezer soort
64 AANTEEKENINGEN OVER
thans vrij wel bekend is. Om niet te uitvoerig te worden, verwijs
ik naar de aangehaalde plaatsen en merk alleen nog op, dat
Kinkerella ook in de binnenduinen voorkomt, niet alleen op de
zeeduinen. Ik vond de rups in September 1885 bij ’s Gravenhage
en Wassenaar.
Harpella forficella Scop. — Snellen, II, p. 711.
De door mij vermelde, bij Herrich-Schäffer afgebeelde varieteit
heb ik in Noord-Brabant, bij Rijen gevangen.
- Hypatima binotella Thunb. — Snellen, II, p. 736.
Van deze soort gaf Dr. H. J. Veth mij een g, dat den 20 Juli
1866, door den heer W. J. Boogaard bij Haarlem was gevangen.
Butalis Knochella Fabr. Ent. Syst., III, 2, p. 318, n°. 137,
suppl. p. 64. — Zell., Isis, 1839, p.193. — Id., Linn. Ent.,
X, p. 232. — v. Heyd., Stett. Ent. Zeit., 1860, p. 121. —
v. Hein., Motten, p. 456.
Knochiella Herr.-Schäff., Syst. Bearb., V, p. 263, fig. 410.
121—13 mm. vlucht.
Deze nieuwe inlandsche Butalis behoort tot de soorten, welker
voorvleugels licht geteekend zijn, terwijl voor- en achtervleugels
ongeveer dezelfde breedte hebben; bij Anochella is het voorste paar
een klein weinig breeder, maar lang niet zooveel als bij de kleinere
en over het geheel veel smalvleugeliger variella en siccella. Wat
de weinig kleinere, maar merkbaar plompere cicadella betreft, zoo
zijn ook bij deze de achtervleugels in verhouding smaller en vooral
korter, daar zij hoogstens drie malen zoo lang als breed zijn.
Bij Anochella bedraagt de breedte een vierde der lengte, en de
vorm is merkbaar puntiger, daar zij reeds van het midden af
gespitst zijn. Hetzelfde is ook het geval met de voorvleugels.
Palpen een klein weinig boven den schedel uitstekende, duidelijk
gebogen, lid 3 drie vijfden zoo lang als 2. Zij zijn bronskleurig
bruin, aan de binnenzijde tegen den wortel geel. Kop, sprieten
en thorax mede bronskleurig bruin, met eenigen paarsen gloed.
Voorvleugels eveneens bronskleurig, met bruinen gloed, glanziger
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 65
dan bij de andere licht geteekende soorten. Zij vertoonen enkele
lange smalle gele schubben, op het midden der tweede helft eene
ronde witte stip en in de vouw eene witte langslijn. Deze is bij
den man fijn en komt tot de helft van den vleugel; bij het wijfje
is zij breeder, komt tot drie vijfden en is kort gespitst, buitendien
zeer scherp begrensd en helder van tint.
De achtervleugels zijn donker bruingrijs, iets paarsachtig, hunne
aan de inplanting lichtere franje is ruim een derde langer dan de
breedste plaats van de vleugels en iets valer en doffer dan de
vleugels, evenzoo die van het voorste paar.
Onderzijde der vleugels en bovenzijde van het achterlijf donker,
paarsachtig grauwbruin, iets glanzig. Het laatste is overigens kort
en stomp gepunt, bij den man aan het eind niet verdikt. De
buik is bij het wijfje aan den wortel bruingrauw, verder bleekgeel ,
in het midden iets grauw bestoven, tegen het eind helderder en
meer okergeel. Bij den man is de buik slechts in het midden
een klein weinig geelwit, de staartpluim op de onderzijde in het
midden okergeel.
Einde Juni, Juli.
Rups volgens de aangehaalde schrijvers op Cerastium semidecandrum
levende, in Mei of het begin van Juni volwassen.
Een paartje is door Mr. A. H. Maurissen bij Nuth, in het zuiden
van Limburg gevangen.
Coleophora solitariella Zell. — Snellen, II, p. 811 !).
Deze soort is ook afgebeeld in het werk van Sepp, 2de ser.,
III, p. 245, pl. 44, f. 1—10.
1) In de analytische tabel der soorten van Coleophora staat op p.799, regel 11
van boven, aan het eind, „en den”, lees: „en de”. Deze geringe en schijnbaar
onbeduidende drukfout maakt het laatste gedeelte van deze afdeeling (VIII) der
tabel vrij wel onverstaanbaar. Mijne bedoeling was namelijk de plaatsing der 4
lichte langsstrepen te beschrijven, die op de voorvleugels der soorten 30—41
van Coleophora worden gevonden. De bovenste dezer lijnen is de licht gekleurde
voorrand zelf. — Evenzoo is in de analytische tabel van het genus Gracilaria
eene zinstorende verplaatsing van een woord geschied. Op p. 764, regel 32 van
boven, leze men: Voorvleugels hoogstens met eene driekante lichte voorrands-
vlek of met eenige donkere stippen geteekend.
66 AANTEEKENINGEN OVER
Coleophora vitisella Gregson, Zoologist for 1856,
p. 5167. — Staint., Ent. Annual for 1857, p. 106. — Id.,
Man., II, p. 385. — Id., Nat. Hist. V, p. 100, pl. 12, fig. 3. —
Herr.-Schäff., Correspondenz-Blatt für Sammler v. Insecten,
p. 106, 135 en 163. — Hein., Molten, p. 543. — Snellen, II,
p. 794, aant.
Ik heb aan mijne karakteristiek dezer Coleophora, waarvan de
heer Dirk ter Haar, bij Assen in Drenthe, den 34 Juli 1883 op
Vaccinium vitis-idaca een ledig zakje vond, niets wezenlijks toe
te voegen. Dat zij ons land bewoont en wel overal voorkomt,
waar haar voedsel rijkelijk groeit, is door het vinden van den zak
niet meer twijfelachtig. De vorm van het zakje is zeer kenbaar.
Het is dof schorsbruin, met een kort maar sterk omgebogen
boveneinde, onderaan sterk geribt alsof er 8 of 10 zakjes over
elkander waren geschoven.
Coleophora virgatella Zell. — Snellen, II, p. 825.
De heer Heylaerts kweekte twee voorwerpen van den vlinder
uit rupsen door hem bij Breda gevonden.
Laverna propinguella Staint., Suppl. Cat. of Brit. Tin.,
p. 8. — Id., Ins. Brit. Tin., p. 236, pl. 9, fig. 23. — Id.,
Nat. Hist. of Tin., p. 160, pl. 5, fig. 1. — Frey, Tin. d.
Schweiz, p. 278. -— Id., Linn. Ent., XIV, p. 188. — Hein.,
Motten, p. 418.
103—13 mm. vlucht.
Deze nieuw ontdekte inlandsche soort komt in de analytische
tabel van het genus in Afd. I, A, 1, aa, naast subbestrigella, die
echter grooter is en waarvan zij zich door witten kop en thorax
benevens door scherp begrensden witten vleugelwortel dadelijk
onderscheidt. Verder zijn de voorvleugels niet eenkleurig zwartgrijs
maar sterk leemkleurig gemengd en hier en daar glanzig potlood-
kleurig.
De palpen zijn wit en het eindlid heeft soms, niet altijd, een
bruinen ring.
Sprieten grauwbruin. Kop en thorax geheel wit, evenzoo de naar
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 67
onderen verbreede, buitenwaarts schuin afgesneden, scherp be-
grensde voorvleugelwortel, ongeveer ter breedte van een zesde
der vleugellengte. De voorrandswortel is zwartgrijs, evenals een op
het witte veld volgende dof zwartgrijze driehoek, wiens basis aan
den voorrand ongeveer een vierde der vleugellengte heeft en die
met de spits tot ader 4 reikt. Daar ziet men een koolzwart
schubbendotje, waaromheen (ook nog op de spits van den drie-
hoek) de vleugelgrond leembruin is gemengd. Aan den voorrand
volgt nu eene kleinere, stompere driekante zwartere vlek , die slechts
tot het midden van den vleugel komt en min of meer volledig
fijn wit is gerand. Voor en onder deze vlek is de vleugel eerst
potloodkleurig grijs en dan leembruin met een zwart schubbendotje
in de vouw, benevens eenige witte en zwartgrijze schubben. Op
den binnenrand, den voorrand niet bereikende, staat een recht,
fijn blauwwit lijntje, waartegen wortelwaarts een potloodkleurig
streepje staat en franjewaarts, aan den voorrand een vrij groot
geelwit vlekje. Het overige van den vleugel is leembruin, aan de
randen, vooral aan de vleugelpunt, met zwartgrijze schubben
bestrooid.
Franje grauwbruin, ook die der donkergrijze achtervleugels.
Achterlijf en onderzijde zwartgrijs. Pooten wit, met zwartgrijze
ringen.
Vliegt in Juli en Augustus.
De rups mineert in het voorjaar de bladeren van Mp/obium
hirsutum en is volgens de aangehaalde schrijvers bruin, witachtig
gemarmerd, met zwarten kop en halsschild.
Den 12 Augustus 1886 heb ik een exemplaar van den vlinder
bij Rotterdam in het Overmaassche gevangen.
Laverna aurifrontella Hübn. — Snellen, II, p. 859.
De heer Dirk ter Haar kweekte te Cuyk in Noord-Brabant den
21 Mei een exemplaar uit de rups.
Uitvoerige mededeelingen over de eerste toestanden dezer soort
geeft Dr. Ludwig Sorhagen in het Berl. Ent. Zeit., 1885, p. 96.
Daaruit blijkt dat de rups in den zomer en herfst in de jonge
68 AANTEEKENINGEN OVER
twijgen van Crataegus leeft en wellicht nog vóór den winter, in
hare woning verpopt. Twee houtsneden tot opheldering der be-
schrijving vergezellen den tekst.
Chrysoclista Linneella Staint. — Snellen, II, p. 861.
Limburg: Maastricht (Mr. A. H. Maurissen).
Batrachedra pinicolella Zell. -- Snellen, II, p. 864.
De rups is door den heer J. H. Wood beschreven in het Zet.
Monthl. Mag., XXIV (1887), p. 126. Hij vond haar, niet op
eene Pinus-soort, maar op Abies excelsa. Zij komt in het najaar
uit het ei, overwintert klein en is in Mei volwassen. Eerst mineert
zij in eene naald, maar leeft later, evenals £. praeangusta, in een’
gang van bruin, met afknaagsel bekleed spinsel op de twijgjes en
holt de naalden tot de helft uit. Volwassen zijnde maakt zij een
smal, iets plat spinsel op een takje.
De rups is slank, overal even dik, rolrond, roodbruin, met
zwarten kop. Evenzoo is de pop ook slank gebouwd.
Ik merk hier nog op, dat overal in mijn werk in plaats van
Batrachedra, door eene schrijffout, Batachedra staat, hetwelk de
goedgunstige lezer gelieve te verbeteren.
Cosmopteryx Scribaiella Zell. — Snellen, II, p. 868.
Deze schoone Tineine is ook bij Cuyk, aan den zoogenaamden
Plasmolen, onder aan den St. Jansberg, door den heer Dirk ter
Haar aangetroffen. Hij kweekte een aantal exemplaren uit de rups.
Cosmopteryx eximia Haw. — Snellen, II, p. 869.
Limburg: Valkenburg in Juli bij hop (Snellen).
Elachista biatomella Staint. — Snellen, II, p. 890.
Fenige exemplaren van deze soort ving ik den 30 Juli 1884 bij
's Gravenhage, op de duinen, des avonds toen het reeds bijna
geheel donker was. Op de plaats waar zij vlogen, was het helmgras
zeer overvloedig. De voorwerpen verschillen eenigszins in grootte
(zij zijn kleiner) met een 4, dien ik van den heer Heylaerts ont-
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 69
ving en met een & uit Noord-Duitschland, doch anders zie ik
geen verschil.
Het is ber de plaats, om de aandacht te vestigen op eene tot
hiertoe nog onbeschrevene Klachista, aan rhynchosporella en biato-
mella verwant, die de heer Stainton bekend maakt in het Ant.
Month. Mag., XXIII (1886), p. 253, onder den naam ZI. Seirpi.
Hij beschrijft haar als volgt:
«Elachista Scirpi n. sp. Exp. al., d 41 lin.; g 5—6 lin.
«Kop en aangezicht grijs of witgrijs (niet zoo wit als rhyncho-
sporella).
« Voorvleugels wit, sterk grijs gemengd, vooral onder den voor-
«rand en tegen den binnenrand; deze grijze teekening is echter
«niet duidelijk begrensd (daarin van rhynchosporella verschillende),
«maar doet meer aan eene bestuiving denken; een grijs vlekje
«bevindt zich op den binnenrand, bij den wortel, en een tweede
«op het midden van dien rand; boven dit laatste is een zwart
«streepje in de vleugelvouw; voorbij het zwarte streepje vormt
«de donkere bestuiving eene hoekig gebroken dwarsstreep (zeer
«verschillende van dergelijke teekening bij rAynchosporella, die
«meer op eene toegeknepen liggende V gelijkt). Na deze streep
«vindt men meer grijze schubben langs den voorrand en andere
«langs den achterrand; franje lichtgrijs met donkergrijze deelings-
«lin, op, of voor dewelke aan de vleugelpunt eene zwarte stip
«staat (duidelijker dan iets dergelijks bij rhynchosporella).
«Bij rhynchosporella is de voorrand voorbij het midden duidelijker
«en breeder donker gekleurd dan bij Sepi; toch is het niet te
«ontkennen, dat hoewel beide soorten er anders uitzien, het in
«het geheel niet gemakkelijk valt ze scherp te scheiden ».
De vlinder is in Juni en Juli gevangen op «salt-marshes »
(zoute schorren) en aldaar werd de rups ook gevonden van Mei
tot begin Juli, de bladeren van Seirpus maritimus mineerende. De
mijnen zijn kort en breed en bevinden zich gewoonlijk in de boven-
helft der bladeren.
De volwassen rups wordt beschreven als bleek groenachtig geel
met bleekgelen kop.
70 AANTEEKENINGEN OVER
Bedellia somnulentella Zell. — Snellen, II, p. 894.
De heer Dirk ter Haar vindt deze soort niet zeldzaam bij Cuyk
in Noord-Brabant.
Tischeria angusticolella Dup., Suppl., IV, p. 309,
pl. 76. — Herr.-Schiff., Syst. Bearb., V, p. 337. fig. 864. —
Snellen, II, p. 897, aant.
Angusticollella Zell., Linn. Ent., III, p. 339. — Staint.,
Nat. Hist., III, p. 256, Tischeria, pl. 1, fig. 3. — Frey,
Tin., p. 370. — Hein., Mott., p. 700.
Aurifrontella Rag., Ann. Soc. Ent de Fr., 5me sér., IV,
p. 604, pl. 11, fig. 10.
Deze t. a. p. door mij gekarakteriseerde soort is door den heer
Dirk ter Haar in 1886, bij gelegenheid van de excursie der Nederl.
Entom. Vereeniging, bij Winterswijk in Gelderland als rups (in
de bladeren van den rozenstruik) ontdekt. Hij zond mij ter
verificatie zijner determinatie een gekweekt vlindertje. Het is iets
groener bronskleurig van tint dan de Duitsche exemlaren mijner
collectie.
Lithocolletis cavella Zell. — Snellen, I, p. 922.
Noord-Brabant: Cuyk (Dirk ter Haar).
Deze soort schijnt in Nederland zeldzaam te zijn of over het
hoofd gezien te worden. Het is waar, dat een vrij groot getal
Lithocolleten in kleur en teekening met cavella overeenkomen, doch
op berk zijn, behalve cavella, tot dusverre in ons land alleen ge-
vonden: ulmifoliella, corylifoliella en Betulae, die alle drie zeer
verschillend zijn, en wat de meer overeenkomende aangaat ( fayinella ,
Sorbi en dergelijke), zoo bevind ik dat, behalve het in de tabel op-
gegevene, ook nog de witte bezooming aan de voorrandszijde van
het zwarte langsstreepje in de vleugelpunt cavella zeer kenbaar
maakt.
Lithocolletis corylifoliella Hübn. — Snellen, II
p. 924,
L. corylifoliella leeft ook op berken. In Juli 1885 vond ik
mijnen bij Bussum (Gooiland) in Noord-Holland, waaruit ik tegen
NEDERLANDSCHE LEPIDOPTERA. 71
het eind dier maand vlinders kweekte, welke geen verschil op-
leveren met andere, van haagdoorn gekweekte en uit overwinterde
rupsen gekomen. Betulae verschilt dus waarschijnlijk niet specifiek.
Bucculatrix nigricomella Zell. — Snellen, II, p. 956.
De heer Dirk ter Haar vond in April 1886 vele rupsen op
Chrysanthemum leucanthemum bij Cuyk en had de goedheid mij
verscheidene spinsels te zenden, die in Mei een aantal vlinders
opleverden, meest tot den type behoorende.
Trifurcula immundella Zell. — Snellen, II, p. 967.
Zuid-Holland: bij ’s Gravenhage, op Spartium, den 30 Juli 1884
(Snellen).
Platyptilia Bertrami Rössl. — Snellen, II, p. 1017.
De rups dezer soort is beschreven door den heer heer G. T.
Porritt, in het rt. Monthl. Mag., XXII (1885), p. 103. Zooals
ik in mijne beschrijving t. a. pl. reeds mededeelde, komt de
rups in Juli uit het ei; zij overwintert en is in het begin van
den zomer volwassen. Dan is zij lichtgroen, met geelgroenen
kop, twee grijsachtig witte strepen tusschen de groene ruglijn en
de fijne zwarte luchtgaten, en nog eene helderder en duidelijker
witte streep onder deze. Zij leeft in den hoofdstengel van dchi/lea
millefolium en verpopt daar buiten.
De pop is helder lichtgroen, roestbruin, wit en donkergroen
geteekend.
Platyptilia monodactyla Haw. — Snellen, II, p. 1018.
Gelderland: Hattem, 28 Mei 1882, een fraai exemplaar door
den heer K. Bisschop van Tuinen gevangen.
Platyptilia nemoralis Zell. — Snellen, II, p. 1019.
Gelderland: Ubbergen bij Nijmegen (Dirk ter Haar).
Pterophorus plagiodactylus Staint. — Snellen, II,
p. 1037.
Eene verhandeling over deze soort, door Prof. J. van Leeuwen Jr.,
heeft het licht gezien in het werk van Sepp, 2de serie, IV,
p. 188, pl. 34.
72 AANTEEKENINGEN OVER NEDERL. LEPIDOPTERA.
Pterophorus pterodactylus L.— Snellen, II, p. 1040.
In mijne beschrijving zeide ik, dat mij nog geene exemplaren
dezer soort waren voorgekomen, waarvan men den binnenrand
der voorvleugels « fahlröthlich » konde noemen. Sedert echter heb
ik bij Rotterdam, in het Overmaassche, op kleigrond, eenige zeer
gave en frissche exemplaren gevangen, waar dit het geval is.
Deze soort was tot dusverre nog niet bij Rotterdam waargenomen ;
zij vloog des avonds vrij talrijk. langs een dijkje, dat met velerlei
planten begroeid was.
Aciptilia paludum Zell.
Snellen, II, p. 1057.
Deze soort is sedert de uitgave van mijn werk gevangen: in
Gelderland bij Groesbeek, den 10 Juni (Dirk ter Haar), in Noord-
Brabant bij Oirschot door Mr. A H. Maurissen, en in dezelfde
provincie, bij Rijen, op een vochtig heitje, den 9 Augustus 1885,
door mij. Het laatstvermelde exemplaar (een g) was even gaaf en
frisch als twee mannen, die ik op 28 Mei 1881 en 2 Juli 1881,
bij Breda ving.
ENTGEGNUNG
AUF
F. Reitter’s Bemerkungen pag. 316-342 der
Tijdschrift voor Entomologie, XXX (1887),
VON
Dr. L. W. SCHAUFUSS ').
Herr Reitter hat sich genöthigt gefühlt, meine im XXIX. und
XXX. Bande der Tijdschrift enthaltenen Beschreibungen neuer Psela-
phiden mit einer Schmähschrift unter dem Titel « Bemerkungen »
zu commentiren.
Es liegt mir fern, Herrn Reitter ausführlich zu antworten; seine
Arbeit wird so wie so von Entomologen, welche die Sache ge-
wissenhaft nachstudiren, nicht ernst genommen werden können,
da die Absicht Herrn E. Reitter’s: den flüchtigen Leser zu
dupiren, gar bald klar zu Tage tritt. Nur wenige, die gröbsten ,
Unrichtigkeiten will ich im Nachstehenden beleuchten.
Die Reitterschen Auslassungen behandeln sechs Hauptthemata :
4. Gonatocerus, 2. Aplodea, 3. Pyxidicerus, 4. Gamba, 5. Bryaxis
Baumeisteri und deren verwandte und nicht verwandte Arten,
6. Batrisus trifoveolatus und die Reitterschen Synonyme dazu.
1. Gonatocerus.
Ich halte die drei von mir geschiedenen Arten aufrecht, habe
sie aber, um nicht selbst Richter über mich zu sein, einer Auto-
1) Nadat de Redactie van dit Tijdschrift het woord aan den heer Reitter heeft
verleend, meent zij dit nu ook niet aan den heer Schaufuss te mogen weigeren.
Zij wenscht echter hiermede deze polemiek te besluiten.
74 ENTGEGNUNG AUF
rität übersendet, welche über die Artberechtigung von Gon. basalis,
communis, und tertius urtheilen wird.
Auf die Auseinandersetzung des Herrn Reitter ist wenig zu
geben; er citirt als Beschreibungsort meines G. communis: « Schriften
der Soc. Ent. Belg., 1880, p. 506». Ich Babe in den « Schriften
der Soc. Ent. Belg.» nie etwas veröffentlicht.
Wenn Herr E. Reitter kein Tabellenmensch wäre und hinter
seinem Wissen gediegene Studien über Systematik lagen, würde
er nicht solchen Unsinn über die systematische Stellung der Gattung
Gonatocerus m. schwafeln. — Der Name Gonatocerus bleibt
(von meinem Standpunkte aus) fiir den Kafer Gonatocerus so lange
nicht nachgewiesen ist, dass dieser an einen Kafer vergeben
ist, ebenso wie Hriocnemis Kaup. u. a. — Briara, Berlara, Trarlara
und andere korkzieherlockenähnliche Reittersche Namen gehören
an die polnische Grenze, dort mag sie Herr Reitter den jüdischen
Handelsleuten vorsingen, vielleicht erringt er ihren Beifall, um
den er in seiner Mihisucht jedenfalls buhlt.
2. Aplodea.
Auf 121 Seite giftrüsselt Herr Reitter über meine Auflassung
der Aplodeen-Arten. Er «beweist» (nach seinem krankhaften
Begriffe), dass ich seine «gewiss guten Arbeiten» «absichtlich
verdreht » und das Meiste meiner Darlegung « geradezu er-
logen » habe.
«Es ist einfach eine Lüge» sagt er «dass ich A. castanea von
cosmoptera durch Vorhandensein eines Discoidalstreifens unter-
schiede». — Jeder anständige Entomolog würde es für das
ansehen, was es ist, nämlich einen Schreibfehler, wenn ich in
meiner Arbeit I, p. 271, unter vorhergegangenem Hin-
weise auf p. 322 der Deutsch. Ent. Zeitschr., 1885, Il, den
Namen «castanea» mit «valdiviensis» verwechselte; es ist selbst-
verständlich und für jeden denkenden Leser (für andere aber
schreibe ich nicht!) von vornherein klar, dass der Passus heissen
muss: « Weiter unterscheidet Herr Reitter Apl. valdiviensis von
cosmoptera durch Vorhandensein eines Discoidalstreifens; in den
E. REITTER’S BEMERKUNGEN. 75
Originalbeschreibungen ist bei beiden Arten ganz speciell hervor-
gehoben, dass jede Fligeldecken nur einen Streifen hat».
Und wenn Herr Reitter als weiteren « Beweis » für meine « Ver-
drehung und Lüge» schreibt: «Ich habe nirgends gesagt, dass
Blanchard von mehr als einem Flügeldeckenstreif spricht» (dies
habe ich von Herrn Reitter auch nirgends behauptet), und
man daneben seine «gewiss gute» Uebersicht der chilenischen
Aplodeen (Deutsch. Ent. Zeitschr., 1885, p. 322) hält, in welcher
er wörtlich schreibt:
«B. Schwarzlichbraun, Flügeldecken roth.
«a. Flügeldecken mit ganzem Naht- und
halbem Riickenstreifen. . . valdiviensis Blanch.
«5. Fligeldecken nur mit einem Naht-
SL GET (61 1 rH) EE Dalia ao = sE TRS cosmoptera Blanch.»
so weiss man wirklich nicht, was Herr Reitter fiir Gedanken im
Kopfe hatte, als er diesen . . . « Beweis» fabricirte.
Ein fernerer « Beweis» für seine grobe Anschuldigung ist es in
den Augen des Herrn Reitter, dass ich nicht errathen habe,
dass von den Worten der Tabelle (1. c.):
«II. A. Einfarbig, gelbroth, oder nur Kopf und Abdomen etwas
dunkler.
MARNE: elen: zoon BO. e gatas castanea Blanch.
mimolelermer. Coins) ulo: evet, Ka Ever Elsbethae Beitt.»
das erste Wort sich auf «castanea Blanch. », das zweite auf beide
Arten, das dritte bis neunte aber nur auf « Hlsbethae Reitt, »
beziehen soll.
Schliesslich «beweist» Herr Reitter «die Fälschung » auf p. 327
des Pamphlets mit einer Wust von Worten, welchen irgend-
welcher Sinn nicht innewohnt. Meine Tabelle ist nicht die
Reittersche, da unsere Ansichten eben über die Arten ver-
schieden sind, und nie ist es mir eingefallen, meine Tabelle für die
Reittersche, schlechte, auszugeben. Das ist einfach ein Reittersches
Hirngespinnst.
Jedenfalls geht Herrn Reitter das Begriffsvermögen für die Worte
«Lüge», «Verdrehung» etc. ab, wie ich zu seinem Gunsten
76 ENTGEGNUNG AUF
annehmen will. Mit seinen geistreichen « Beweisen » wird er bei
anständigen Menschen und Entomologen von Fach nicht viel
Glück haben.
Habe ich in einer Bestimmung wirklich einen Fehler gemacht,
so werde ich mich nicht scheuen, dies ohne Bedenken einzu-
gestehen. Ohne Irrthum ist kein Mensch !
Gelegentlich der Aplodeen-Angelegenheit lässt sich Herr Reitter
lang und breit über meine schreckliche Unkenntniss sexueller Unter-
schiede aus. Glücklicherweise habe ich in dieser Unkenntniss
sämmtliche Autoren, welche über Pselaphiden schrieben und
schreiben, Herrn Reitter nicht ausgeschlossen, zu
Collegen. Herr Reitter blamirt sich p. 323 z. B. mit der
Randglosse: «das Hörnchen ist wahrscheinlich ein sexueller
Unterschied, was freilich Dr. Schaufuss nicht beurtheilen kann».
Warum denn « wahrscheinlich»? Herr Reitter, der so gross in
der Kenntniss der Geschlechter ist, müsste das doch bestimmt
wissen !
3. Gamba.
Pag. 335 schreibt Herr Reitter über meinen Vergleich von
Gamba brevipennis mit @. Argus Reitt.: «Diese ganze Tirade ist
nichts als eine Verdächtigung, die weder Sinn noch Berechtigung
hat, weil sie eben unwahr ist, denn ich habe nirgends eine Gamba
Argus beschrieben u. s. f., u. s. f.»
Ich habe nicht behauptet, dass Gamba Argus Reitt. be-
schrieben sei; dass aber Herr Reitter « Gamba Argus Reitt. »
versandt hat, ist Thatsache, ich habe sie in zwei Sammlungen
gefunden, Reitter’s Sammlung macht drei, N.B. wenn er in-
zwischen nicht den Namen geändert hat! Da die Art nun eine
gute Art (Jubus) ist und da sie in mehreren Sammlungen ver-
breitet ist, kann nur Herr Reitter in einer Wahnvorstellung von
«Verdächtigung» reden. Er hat sein Geld dafür in der Tasche
und muss nun mit seiner Ehre für den gegebenen Namen stehen ;
da hilft kein Widerstreben, auch kein Leugnen, Verdächtigen
oder Weisswaschversuch.
E. REITTER’S BEMBRKUNGEN. 77
4. Pyxidicerus und
5. Bryaxis Baumeisteri-Gruppe.
Beides kann ich hier übergehen, weil sich die Reitterschen fünf
Seiten nur aus Phrasen zusammensetzen. Wer die Abbildung und
Beschreibung von Pywidieerus Motsch. ernstlich vornimmt, kann
über die Fühlereinlenkung nicht im Zweifel bleiben. A. a. O. habe
ich nachgewiesen, dass Herr Reitter auch Schmidt’s Beschreibung
und Abbildung von Bryavis rufa nicht sorgfältig genug genommen
hat. Daher seine Irrungen betreffend der Synonymie
obenerwähnter Gruppe.
Die p. 338 eingeflossene Bemerkung: «Die Decarthron-Arten
nennt Schaufuss einfach Bryaais» ist dahin zu berichtigen, dass
ich nachgewiesen habe, dass es Bryaxis-Arten (im weiteren Sinne)
giebt, deren verschiedene Geschlechter verschiedengliederige Fühler
haben; die gleiche Beobachtung ist auch in Nordamerika gemacht
worden an « Decarthron» und Bryaxis. Herr Reitter scheint davon
nichts zu wissen.
6. Batrisus trifoveolatus Schauf.
Ein tolles Stück leistet Herr Reitter in der Auseinandersetzung
über Batrisus trifoveolatus m. = Luzerae Reitt. Er schreibt:
Batr. trifoveolatus hat einen «thorace cordato, basi punctis-,
lineaque utrinque foveolata, impressis». Batr. Luzerae und tri-
punctatus Reitt. haben «keine Längslinien an den Seiten
des Halsschildes». «Das sind doch positive Unterschiede ».
Wenn Herr Reitter lesen und verstehen könnte, könnte er
sich nicht so blamiren. Ich habe nichts von «Längslinien an
den Seiten», sondern von einer «Linie an der Basis, jeder-
seits von einer Grube begrenzt,» geschrieben, wie die obigen
Worte aus meiner Diagnose beweisen. Ist das nicht «leicht-
sinnige Oberflächlichkeit» wie sie mir Herr Reitter vorwirft?
Herr Reitter würde hier gewiss von « Fälschung und Lüge »
sprechen.
78 ENTGEGNUNG AUF E. REITTER’S BEMERKUNGEN.
Auf solche Weise dupirt Herr Reitter Diejenigen,
welche seinen Artikel flüchtig lesend, ihnen glau-
ben, ohne vielleicht Zeit zu haben, meine Arbeiten auf Gründlich-
keit zu untersuchen.
Betreffs der Gattung Aybaris scheine ich mich geirrt zu haben,
ebenso wie sich Herr Reitter darin irrt, dass er annimmt, dass
meine Gattung Cylindrembolus mit Xybaris übereinstimmen könnte.
Der Klage, dass es bedauerlich ist, dass ich nicht alle neuen
Gattungen abbilden liess, schliesse ich mich an. Ich habe
in meiner Einsamkeit keinen Zeichner und kann nur das ge-
zeichnet geben, was mir vor zwanzig Jahren mein Freund, Herr
Professor Dr. Vogel, lieferte. Das sind die «Bildchen » meiner
Pselaphiden, wie sie Herr Reitter nennt. Um diese « Bildchen »
nicht durch Herrn Reitter profaniren zu lassen, wird es vielleicht
besser sein, sie bleiben in der Mappe.
MONOGRAPHICAL ESSAY
ON THE
AUSTRALIAN BUPRESTID GENUS ASTRAEUS C, ET 6,
BY
J.R. H. NEERVOORT VAN DE POLL.
Although only two years have elapsed since I published a synopsis
of the genus Astraeus with descriptions of three new species, now
I am already able to treble the number of the known species and
to carry it up to nineteen. This great amount of new material
is partly due to the acquisitions I made successively of the Bu-
prestid collections of Mr. E. W. Janson, Mr. Th. von Demuth
and Dr. F. Baden; each of these collections enriched my set of
Astraeus with interesting novelties. However, for the knowledge of
the greater part of the new species I am indebted to the rich
series of Astraeus my friend Mr. R. Oberthür placed most courte-
ously into my hands for the purpose of this study. The Interior
and the West coast of Australia becoming the more and more
explored, we may still expect the discovery of a good number of
new species. As the great similarity in pattern of the greater part
of the species, makes it very difficult to identify these insects with
certainty (as yet I never received a collection, wherein they were
correctly named), I thought it useful to illustrate this paper with
colored figures of all the species, and I have been fortunate enough
to secure for this laboursome work the able pencil of the well
known Natural History painter Mr. J. Migneaux.
80 MONOGRAPHICAL ESSAY ON THE
History of the Genus.
The genus Astracus has been established in 1837 by Mrs. Laporte
and Gory in behalf of a new insect, which they described under
the name of Astracus flavopictus. This species remained for a long
time the only representative of the genus. In 1857 Mr. Lacordaire
published in his standard work « Genera des Coleopteres» an
excellent generic description, but it was not before 1868 that Mr.
E. Saunders, giving full descriptions of the unrecognizable diagnoses
of the Australian Buprestidae described by the Rev. Hope !), made
known that Stigmodera Samouelli Hope belongs to the genus Astraeus.
The Munich Catalogue (1869) enumerates these two species only,
but the Catalogus Buprestidarum (1871) of Mr. E. Saunders contains
still a third species, viz. Astraeus navarchis Thoms. This species
had been described already in 1856, but Thomson, having over-
looked the existance of a genus Astraeus, placed his insect in the
genus Conognathus and there it remained unrecognized for so long
a period. Two years afterwards (1873) the second volume of
the Trans. of the Ent. Soc. of N. S. Wales contained the
description (N.B. the description was read 4th December 1871) of
Astraeus Mastersi Me L.; this species, however, proves to be merely
a variety of A. Samouelli. In this state I found the genus, as I
attempted two years ago (1886) to contribute to its knowledge by
publishing a synopsis and the descriptions of three new species
and two varieties, viz. Astraeus aberrans, elongatus, pygmaeus
with the var. subfasciatus and the var. dilutipes of A. Samouelli.
There remained some errors in my publication, which were caused
firstly, as I knew A. xavarchis from description only, and secondly
by mistaking a still undescribed species for À. flavopictus, which
might find its excuse in the great similarity of the pattern on the
elytra of both the species and chiefly in the misleading circumstance ,
that Castelnau and Gory designed the elytral sculpture as « élytres
1) After discussion which is reported in Proc. Ent. Soc., 1867, pp. CIX, Cx,
it has been settled, that Mr. Hope’s paper was printed only for private circulation
and therefore it must be regarded as an unpublished tract.
BUPRESTID GENUS ASTRAEUS. 81
striées, ponctuées», whilst in fact the sculpture consists of sharp
ridges. Also having now more specimens of my var. dilutipes, I
have raised it to the rank of a distinct species. Finally no one
will wonder, I suppose, that an arrangement made for six species
proves to be quite inapplicable for nineteen species.
List of Works quoted.
Gemminger, Dr., et Harold, B, de, Catalogus Coleopterorum. Tom.
V (1869).
Hope, F. W., Buprestidae (1836), (printed only for private
circulation).
Lacordaire, J. Th., Suites à Buffon, Coléoptéres, IV (1857).
Laporte, F. L. de, et Gory, H., Histoire Naturelle et Iconographie
des Coléoptéres. Monographie des Buprestides, (1835—41).
Mac Leay, W., Notes on a Collection of Insects from Gayndah.
(Trans. Ent. Soc. of N. 8. Wales, II, 1873).
Poll, J. R. H. Neervoort van de, Description of three new species
and a Synopsis of the Buprestid genus Astraeus C. and G.
(Not. from the Leyd. Mus., VIII, 1886).
Saunders, E., Revision of the Australian Buprestidae described
by the Rev. F. H. Hope.
(Trans. Ent. Soc. of Lond., for the year 1868).
er Catalogus Buprestidarum (1871).
Thomson, J., Description de dix Coléoptères.
(Rev. et Mag. de Zool., VIII, 1856).
Generic Characteristics and Classification.
I have made already allusion to the excellent explanation of the
generic characteristics in Prof. Lacordaire’s classical work, however,
as his description is taken from a single species, some of the
characters are too restricted and ought to become somewhat more
extensive, in order to be not in contradiction with specific diffe-
rences, which a so much larger number of species necessarily
afford.
82 MONOGRAPHICAL ESSAY ON THE
Head plain, generally of moderate size, occasionally large;
epistoma very short, broadly semicircularly emarginated; labrum
transverse, slightly incised; antennary cavities small and rounded ;
eyes large, widely separated on the vertex. Antennae of variable
length and shape, rather long and slender, in some species very
long; sometimes hardly, sometimes distinctly serrated; 1st joint
long, thickened at the top, Qnd very small, obconic, 3rd slightly
longer than the following, the remainder almost of equal length,
flattened, more or less broadened at the apices.
Prothorax transverse, convex, rounded at the sides, narrowed
towards the top, very deeply notched on both sides at the base,
with the median lobe and the hinder angles strongly projecting
and pointed.
Scutellum invisible.
Elytra rather convex, broadly bi-lobated at the base, the lobes
acutely produced and overreaching the base of the thorax, gradually
narrowed towards the top, diverging at the suture; the apex of each
ending in a strong sharp point, formed by a lateral emargination ,
which forms also a strong, rarely an obsolete, lateral tooth; enlarged
below the shoulders, the dilatation sometimes short and rounded,
sometimes long and angular, covering a small part of the breast.
Legs rather robust; tarsi long and slender, the first joint long,
sometimes almost as long as the other joints together.
Metasternum broadly but shallowly emarginated; mesosternum
short; prosternum broad, flat, rarely somewhat convex or concave.
General shape rather convex, gradually narrowed anteriorly and
chiefly posteriorly.
In the memoir, I published two years ago, I have arranged
the few species known at that time in two groups, according to
the shape of the humeral dilatation of the elytra. The knowledge
of a larger number of species proves, however, that this characteristic
is quite unsatisfactory to arrange them according to their true
affinities; although the shape of that humeral dilatation remains
of great interest for specific distinction, it is useless for dividing
BUPRESTID GENUS ASTRAEUS, 83
the species into groups. The great similarity in sculpture, color
and position of the spots, and the absence of well defined peculi-
arities, make the arrangement of the greater part of the species
a very puzzling task, and I have had a good deal of trouble, before
obtaining a somewhat satisfactory tabulation. I have divided the ma-
terial into two principal groups, which I shall indicate as « Astraei
aberrantes» and «Astraei veri»; the former contains only four
species, whilst the latter includes all the remainder. In the group
of the «Astraei. veri» I have included all the species presenting
the typical shape of dstraeus, having the top of the elytra strongly
diverging and ending in a strong sharp point, and also provided
with a strong lateral tooth; the elytral sculpture of all the species
consists in sharp ridges. The group of the « Astraei aberrantes »
has the elytra hardly diverging, ending in short, rather blunt
apical-points, moreover there is hardly any lateral emargination
and consequently no, or, as in one case, only a short lateral tooth;
the elytra are punctate-striate with the interstices punctured or
transversely rugose. This group might be split into two divisions,
each containing two species. The species of the first division bear
a strong resemblance with some Buprestis (Ancylocheira)-species
and chiefly the new Astraeus lineatus could be easily mistaken for
the American Buprestis lineata F. The species of the second division
are more different in outline, as well from the first division as
from the Astraei veri; they are heavy-bodied , parallel-sided and not
much narrowed anteriorly and posteriorly , wanting the characteristic
slender shape of the more typical Astraei. However, these two
species are exactly the connecting links between the first division
of the aberrant Astraei on one side and the true Astraei on the
other side, one of the species having no trace of a lateral tooth,
whilst the other presents a distinct one.
Synopsis of Species.
I. Apices of elytra slightly diverging, without
or with a short lateral tooth. Elytra
punctate-striate: Astraei aberrantes.
84 MONOGRAPHICAL ESSAY ON THE
A. Elytral interstices sparingly punctured.
1. Elytra ornated with large and small
ITEMS DOS EU U Le ute irregularis v. d. Poll.
2. Elytra ornated with four broad
longitudinal stripes... . . . . lineatus v. d. Poll.
B. Elytral interstices strongly transversely
rugose.
3. Elytra ornated with numerous
punctiform spots 98.4". : multinotatus v. d. Poll.
4. Elytra ornated with numerous
slriciform cspots:ti RICE EN. aberrans v. d. Poll.
II. Apices of elytra strongly diverging, with
a strong lateral tooth. Elytra costate:
Astraei veri.
A. Legs unicolor.
a. Broad species.
a. Elytra with a transverse band before
and an other below the middle.
* Elytral costae obsolete.
5. Large species; band before the
middle touching the suture . . zavarchis Thoms.
** Elytral costae sharp. (
6. Small species; band before the
middle not touching the suture. fraterculus v. d. Poll.
7. Elytra with an additional small spot
at the base and an other before
the Taper 4) 020! MEULEN, 9 Badeni v. d. Poll.
8. Elytra with a sutural and a lateral
row of irregular spots.
* Elytral costae sharp.
8. Small species; sutural row of 5,
lateral row of 3 spots; the 4th
sutural and the Srd lateral placed
abreast ul. libel Sgn et Jansoni v. d. Poll.
** Elytral costae obsolete.
BUPRESTID GENUS ASTRAEUS. 85
9. Large species; sutural row of 4 or
5, lateral row of 3 spots; the 3rd
lateral placed between the 3rd
and 4th sutural spot ..... crassus V. d. Poll.
b. Slender species.
«. Head of normal size.
* Apical spots of the sutural and
lateral row strigiform; the lateral
row partly or entirely confluent,
10. Sutural row of 4 spots. Thorax
normal: rollt fu soe Jlavopictus C. and G.
11. Sutural row of 3 spots. Thorax
conically elevated. ....... prothoracicus v.d. Poll.
12. Sutural row of spots confluent,
forming a broad longitudinal
stripe. Thorax normal... . . vittatus v. d. Poll.
*# Apical spots rounded. The lateral
spots widely separated.
13. Each elytron with an oblique fascia
before the middle, one basal and
three postmedian spots . . . . Oberthiiri v. d. Poll.
8. Head unusual large.
44. Elytra with a sutural row of 4 and
- a lateral row of 3 spots. . . . elongatus v. d. Poll.
B. Less partly testaceous.
a. Head without frontal carina.
15. Each elytron with a broad fascia
before and an other below the
middle, a large basal and a very
small-apıcal spot... . +... simulator v. d. Poll.
b. Head with a frontal carina.
16. Each elytron with 4 spots. (Some-
times the subhumeral spot is
confluent with the submedian
spot, var. subfasciatus m.) . . pygmaeus v. d. Poll.
86 MONOGRAPHICAL ESSAY ON THE
17. Each elytron with 5 spots. . . . diluties v. d. Poll.
18. Same pattern as the preceding,
but with an additional small spot
just at the shoulder edge, and
the subhumeral spot evidently
composed of two confluent spots.
(Sometimes the subhumeral spot
is confluent with the submedian
spot, var. Mastersi Mac Leay). Samouelli Saund.
49. Each elytron with a very broad
fascia before and an other below
the middle, a large basal anda
small sapical. ‘spot. =... lvl splendens v. d. Poll.
DESCRIPTION OF SPECIES.
(The numbers of the descriptions correspond with the numbers
of the figures on plate II and III).
1. Astraeus irregularis v. d. Poll. — nov. spec.
Supra niger, nitidus, capite elytrisque cyaneo-internitentibus ; capite
prothoraceque nonnullis maculis parvis, singulis elytris ad basin
maculis parvis, ante medium macula magna subrotundata, apicem
versus macula magna longitudinali et nonnullis maculis parvis, flavis
ornatis. Subtus obscure viridi-aeneus; segmentis omnibus ad latera
gutta, sterno maculis pluribus parvis, flavis notatis; pedibus rubris ,
subaenescentibus. Caput crassum, confertim punctatum. Prothorax
modice convexus, lateribus apicem versus subrotundato-angustatis ;
‚Fortiter denseque punctatus, ad latera rugosus. Elytra striato-
punctata, interstitiis planis, sparsim, lateraliter sat dense punctatis ;
apicibus paullo divergentibus, spinis marginalibus deficientibus. Pars
infera crebre punctata , pubescentia sericea induta ; prosterno subconcavo.
Long. 13 mm., lat. 41 mm.
Habitat: Australia.
Head nitid black, with a dark cyaneous tinge, somewhat greenish
in front, with three yellow spots around each eye, an elongated
BUPRESTID GENUS ASTRAEUS. 87
spot in front and two punctiform spots on the vertex. Prothorax
black, less shining, with two yellow spots at the front-margin ,
below these two other ones before the base and three small spots
along the sides. Elytra black with a dark bluish hue, shining;
each elytron ornated with the following yellow markings, viz.
three irregular small spots at the base, an other small one below
the shoulder, a very large transverse spot before the middle, below
the middle an irregular stripe close to the outer margin and not
reaching the apex, and two small spots near the suture. Underside
dark aeneous green, very shining; the breast with six yellow spots
in the middle and three on each side; all the abdominal segments
with a yellow blotch laterally, these blotches becoming gradually
smaller towards the apex. Legs red with a bronzy tinge.
Head large, swollen, closely punctured, more finely on the
vertex, between the eyes a short glabrous line. Prothorax strongly
and coarsely punctured, towards the sides slightly rugose, the
median lobe with a small impression; slightly convex, the sides
rounded and somewhat narrowed towards the top. Elytra striated,
the striae composed of transversely impressed large shallow oblong
punctures, the interstices plain, sparingly punctured, more strongly
along the sides; rather parallel-sided, strongly narrowed behind
the middle, the apices slightly diverging, each of them ending in
a strong tooth. Beneath coarsely but minutely punctured, the
median portion of the breast with a few scattered punctures only ;
clothed, legs included, with a silvery pubescence, chiefly along
the sides; prosternum somewhat concave.
Variability. The pattern being already different on both the
elytra of the single specimen, I have at my disposal, we may
conclude a great variability of the yellow markings; the basal and
apical spots have a tendency to flow together.
Unique in coll. Oberthür.
2. Astraeus lineatus v. d. Poll. — nov. spec.
Supra niger, mitidus, purpureo- vel viridi-aeneo-internitens ; pro-
thorace lateraliter linea, ad basin maculis duabus singulis, elytris
88 MONOGRAPHICAL ESSAY ON THE
lineis latis irregularibus duabus rubris vel flavis ornatis. Subtus
purpureo-cupreus, sterno segmentisque abdominis lateraliter maculis
rubris motatis, pedibus viridi-aeneis. Omnino pubescentia sericea
obtectus, densissime in abdomine, minutissime in elytris. Caput crebre
rugoso-punctatum, in medio linea glabra. Prothorax subconveaus ,
lateribus rectis, apicem versus angustatis; confertim punctatus, ad
latera rugosus. Blytra striato-punctata ; interstitiis subconveats,
sparsim punctatis , subtilissime transversaliter plicatis ; apicibus paullo
divergentibus, spinis marginalibus deficientibus. Pars infera dense
punctata; prosterno paullisper concavo.
Long. 14—14 mm., lat. 4—5 mm.
Habitat: N. W. Australia.
Uppersurface shining black with a purplish or bronzy-green
reflection, chiefly on the forehead; head with two reddish spots
underneath the eyes, prothorax bordered with a narrow reddish
stripe along the sides and with a spot of the same color on each
side of the median lobe; each of the elytra ornated with two broad
irregular reddish stripes, one close to the suture, originating at
the base and nearly reaching the apex, and the other commencing
below the shoulder, where it touches the margin, then continuing
at some distance along the outer margin, ending close to the sutural
stripe. Undersurface and legs purplish-coppery, the breast marked
laterally with two reddish spots, the abdominal segments with a
spot on each side, these spots becoming very small on the three
last segments. Above sparingly covered with a short silvery pile,
beneath thickly clothed with the silvery pubescence.
Head strongly rugosely punctured, with a short glabrous line
in front. Prothorax slightly convex, sides almost straight, obliquelly
narrowed towards the top, thickly punctured, rugose at the sides.
Elytra with rather prominent shoulders, slightly diverging at the
suture, apices ending in short spines; striate-punctate, the inter-
stices subconvex, sparingly punctured and faintly strigose in a
transverse direction. Beneath closely punctured, the punctures
being coarsest on the prosternum and finest on the abdomen;
prosternum somewhat concave.
BUPRESTID GENUS ASTRAEUS. 89
Variability. In one specimen there is an additional reddish
spot just above the epistoma. The elytral stripes are sometimes
united at the top.
Number of specimens examined: three, in coll. Oberthür.
3. Astraeus multinotatus v. d. Poll. — nov. spec.
Robustus, supra niger subcoeruleo-internitens, capite thoraceque
opacis, elytris nitidis; subtus cum pedibus atro-coeruleus , nitidus.
Omnino maculis perparvis numerosis flavis notatus. Caput fortiter
punctatum, in medio plaga glabra. Prothorax brevis, convexus,
lateribus rotundatis, apicem versus multo angustatis, fortiter
et creberrime punctatus, lateraliter punctis majoribus instructus.
Elytra striata, interstitiis sat converis, sparsim punctatis, trans-
versaliter plicatis; post medium latiora, apicibus paullo diver-
gentibus , spinis lateralibus deficientibus. Pars infera omnino eonfertim
punctata.
Long. 15 mm., lat. 6 mm.
Habitat: N. W. Australia.
Robust; uppersurface black with bluish reflections, elytra shining,
head and thorax rather dull; undersurface and legs cyaneous black ,
very shining. The whole body, thighs included, speckled with very
minute yellow spots, underneath the spots are somewhat larger,
and they are confluent on the abdominal segments.
Head coarsely punctured, with a small glabrous patch above
between the eyes. Prothorax short, convex, sides strongly rounded
and narrowed towards the top, hinder angles slightly bent inwards ;
deeply and closely punctured, strongest at the sides. Elytra broadest
behind the middle, then suddenly narrowed towards the top,
hardly diverging at the suture, apices ending in very short and
blunt points; striated, the interstices rather convex, deeply punc-
tured and sensibly plicated in a transverse direction, the sculpture
being strongest near the apex and along the margins. Beneath
coarsely punctured all over, the punctures at the sides of the
prosternum very large.
The single specimen I have at my disposal, being old and rubbed,
90 MONOGRAPHICAL ESSAY ON THE
is entirely destitute of hairs; judging from analogy, fresh examples
will be clothed partly with silvery pubescence.
Unique in coll. Oberthür.
4. Astraeus aberrans v. d. Poll.
Astraeus aberrans v.d. Poll, Not. from the Leyd. Mus. ,
NIIT (4886). piadvo.
Robustus, supra niger, purpureo-internitens, nitidus, elytris plu-
rimis maculis flavis strigiformibus ornatis. Subtus nitidus, obscure
aeneus vel cupreus, duobus segmentis primis abdominis lateraliter
pustula flava notatis. Omnino pubescentia sericea indutus, in elytris
obsoletissime. Caput fortiter rugoso-punctatum. Prothorax con-
vexus, brevis, lateribus rotundatis, apicem versus subangustatis;
crebre punctatus, ad latera rugosus. Elytra profunde striata, inter-
stitus convexis, valde densissimeque transversaliter rugoso-striata ,
apicibus fere haud divergentibus, spinis suturalibus et marginalıbus
parvis. Pars infera crebre punctata.
var. nov. pieticollis v. d. Poll. A typo differt, prothorace
maculis nonnullis flavis ornato.
Long. 14—18 mm., lat. 6—7 mm.
Habitat: West-Australia, Swan River, Nicol-Bay.
Uppersurface black, with purplish reflections, the forehead and
the sides of the thorax coppery, slightly shining, the elytra with
numerous strigiform yellow spots, viz. a row close to the suture,
an other row along the middle, overreaching the foregoing, one
spot at the base between these rows and two spots above at the
outer margin. Undersurface and legs dark bronzy, purple-brown
or coppery, shining; the first two or three abdominal segments
with a small round yellow spot at each side; rather thickly clothed
with silvery pubescence.
Head strongly rugosely punctured, with a longitudinal glabrous
line in the middle, hairy. Prothorax convex, short, the sides
rounded, slightly narrowed towards the top and somewhat emarginate
before the posterior angles; deeply punctured, rugose at the sides,
hairy. Elytra broadest behind the middle, apices hardly diverging,
BUPRESTID GENUS ASTRAEUS, 91
the sutural and lateral spines very short and obtuse; deeply striated,
the interstices almost equally elevated and rugosely striated in a
transverse direction; covered with a delicate silvery pile. Under-
neath closely punctate, more finely on the abdomen.
Variability. The rows of strigiform spots are sometimes
confluent, forming irregular stripes; in one specimen the yellow
markings even extend on the disc and along the sides of the
thorax (var. picticollis m.), and there are additional small spots
at the margins of the elytra and on the fourth abdominal segment.
Number of specimens examined: nine, in coll. Oberthür and
van de Poll.
5. Astraeus navarchis Thoms.
Conognathus navarchis Thoms. , Rev. et Mag. Zool. , 1856,
pa 4145, plo. wry, fig, 2:
Astraeus navarchis v.d. Poll, Not. from the Leyd. Mus. ,
VIII (1886), p. 180.
Latus, nitidissimus, purpureus; elytris ante medium fascia flava
suturam attingente, post medium fascia suturam haud attingente,
ornatis. Caput rugoso-punctatum, inter oculos leviter excavatum.
Prothorax brevissimus, convexus, lateribus rotundatis, apicem versus
valde angustatis, angulis posticis multo prominulis; fortiter punc-
tatus, densius in lateribus, in medio linea glabra longitudinali.
„Elytra subcostata (costae basin versus indistinetae), interstitüs basin
versus subconvexis, sparsim punctatis; apicibus valde divergentibus,
spinis suturalibus lateralibusque validis, acutis. Pars infera crebre
punctata, subtilius in abdomine; prosterno subconvexo.
Long. 16—17 mm., lat. 6—7 mm.
Habitat: Australia.
Entirely of a bright metallic purple color, head and thorax
rather darker, purple-brown. Each elytron with a slightly curved
yellow band before the middle, touching the suture as well as
the outer margin below the shoulder, its concavity turned towards
the base, and an other somewhat angular band below the middle,
which touches the margin but does not reach the suture.
92 MONOGRAPHICAL ESSAY ON THE
Head rugosely punctured, slightly excavated between the eyes,
with a sharp ridge in front. Prothorax very short and convex,
the sides rounded and strongly narrowed towards the top, the
posterior angles much projecting, narrowly margined along the
front and the sides; deeply punctured, more coarsely at the sides,
with a glabrous line in the middle and a small impression on the
median lobe. Elytra strongly narrowed below the middle, apices
strongly diverging, ending in very long and acute spines, the
lateral spines also large and acute, the humeral fold acutely pro-
duced; subcostate, the costae only distinct near the apex, where
the interstices are plain, whilst they become the more and more
convex towards the base, each of the interstices with a row of
large deeply impressed punctures. Beneath densely punctate, very
finely and closely on the abdomen, clothed with extremely minute
hairs; prosternum slightly convex.
Variability. In one specimen in rather bad condition and
of an obscure aeneous color (perhaps the color is spoiled in bad
alcohol), the yellow band before the middle turns its convexity
instead of its concavity towards the base.
Number of specimens examined: three, in coll. Oberthür.
6. Astraeus fraterculus v. d. Poll. — nov. spec.
Latus, nitidissimus; supra atro-coeruleus, elytris ante medium
et post medium fascia flava suturam hand attingente, ornatis ;
subtus viridi-aeneus, pedibus violaceis. Caput sat dense punctatum,
in medio linea glabra. Prothorax brevissimus, convexus, lateribus
rotundatis, apicem versus valde angustatis, angulis posticis multo
prominentibus ; aequaliter punctatus. Elytra costata , interstitiis plants,
indistincte punctatis et rugosis ; apicibus valde divergentibus, spinis
suturalibus marginalibusque validis, acutis. Pars infera confertim
punctata, subtilius sed densissime in abdomine, prosterno subrugoso ;
pubescentia minutissima sericea induta.
Long. 10-41 mm., lat. 41 —5 mm.
Habitat: Victoria, King George’s Sound.
Uppersurface bluish-black with violaceous or greenish reflections ,
BUPRESTID GENUS ASTRAEUS. 93
very shining, underneath aeneous-green with the legs violaceous,
shining. Each elytron with a curved yellow band before the middle È
touching the outer margin below the shoulder but not reaching the
suture, its concavity turned towards the base, and an other some-
what angular band below the middle, also touching the outer
margin only.
Head regularly punctured, with an elevated line in front. Pro-
thorax very short and convex, the sides strongly rounded and
narrowed towards the top, the posterior angles much projecting ,
narrowly margined along the front and the sides; distinctly but
sparsely punctured on the disc, somewhat more densely at the
sides. Elytra strongly narrowed below the middle, apices strongly
diverging, the sutural and lateral spines very long and acute, the
humeral fold angularly not acutely produced, provided with sharp
ridges, the interstices plain, faintly punctured and transversely
wrinkled. Beneath coarsely punctured, more finely on the ab-
domen, the prosternum rather rugose; clothed with a delicate
silvery pubescence.
This species is closely allied to the preceding, but besides the
great difference in size and color, it may be easily distinguished by
the elytral costae, which are distinct over the whole of their length.
Two specimens in coll. Oberthür. i
7. Astraeus Badeni v. d. Poll. — nov. spec.
~ Latus, mitidus, supra niger, cyaneo- vel purpureo-internitens ;
elytris ante et post medium fascia flava suturam haud attingente ,
ad basin et ante apicem pustula flava, ornatis. Subtus obscure
aeneus. Caput crebre punctatum. Prothorax convexus, lateribus rotun-
datis, apicem versus sat angustatis; fortiter denseque punctatus,
subtilius in disco. Elytra costata, wmterstitus sat fortiter punctatis et
plicatis; apicibus valde divergentibus, spinis suturalibus lateralibusque
validis, acutis. Pars infera densissime punctata, subtilius in abdomine.
Caput, prothorax et pars infera pubescentia minuta sericea obtecta.
1 41
Long. 9—10 mm., lat. 31-41 mm.
Habitat: South Australia, Gawler, Swan River.
94 MONOGRAPHICAL ESSAY ON THE
Shining, head and thorax bronzy-black, the latter with faint
purplish tinges; elytra bluish-black with a violaceous reflection ,
undersurface and legs dark aeneous, more or less mixed with
purplish-brown. Each of the elytra with a yellow spot at the
base, a curved yellow band before the middle, touching the outer
margin below the shoulder and stopping close to the suture, its
concavity turned towards the base, a smaller band, which also
touches the outer margin only, below the middle, and a small spot
before the apex.
Head coarsely punctured, hairy. Prothorax short and convex,
strongly rounded at the sides and narrowed towards the top,
slightly margined along the front and the sides; thickly punctured ,
coarsest laterally, with a faint indication of an impressed median
line, hairy. Elytra strongly narrowed below the middle, apices
much diverging, sutural and marginal spines strong-and acute,
the humeral fold rather large, slightly angularly produced; costate ,
the interstices plain, each of them with a row of large deeply
impressed punctures, moreover slightly wrinkled in a transverse
direction. Underneath very closely punctured, more finely on the
abdomen; clothed with a soft silvery pubescence.
Variability. The basal band is often interrupted in the
middle. In some specimens the apical spots are wanting and in
one example the apical band is also reduced and does not reach
the outer margin.
Number of specimens examined: six, in coll. Oberthür and van
de Poll. Dedicated to Dr. F. Baden.
8. Astraeus Jansoni v. d. Poll. — nov. spec.
Latus, nitidus, supra niger, atro-coeruleo- vel viridi-aeneo- inter-
nitens, singulis elytris octonis maculis flavis ornatis; subtus obscure
viridi-aeneus. Caput dense punctatum. Prothorax conveaus, lateribus
rotundatis, apicem versus sensim angustatis; crebre punctatus, sub-
tılius in disco. Elytra costata, interstitiis planis, indistinete punc-
tatis et rugosis; apicibus valde divergentibus, spinis suturalibus
lateralibusque validis, acutis. Pars infera densissime punctata, sub-
BUPRESTID GENUS ASTRAEUS. 95
tilius in abdomine. Caput, prothorax et pars infera pubescentia
minutissima sericea induta.
1 3
Long. 8—91 mm., lat. 31—4 mm.
Habitat: Adelaide, Gawler, Kangeroo Isl.
Shining, head and thorax bronzy-green, the latter with strong
violaceous reflections, elytra black with a cyaneous, violaceous or
bronzy-green hue; underneath and legs dark bronzy-green. Each
of the elytra ornated with eight yellow spots, viz. a row of five
spots along the suture, the first at the base, the second before
the middle, the third and smallest just in the middle, the fourth
below the middle and the fifth close to the apex, and a row of
three spots at the outer margin, the first occupying the shoulder
edge, the second opposite the interval between the 2nd and 3rd
sutural spot and the third placed abreast with the 4th sutural one.
Head coarsely punctured, hairy. Prothorax convex, rather short,
sides strongly rounded and narrowed towards the top, indistinctly
bordered along the front and lateral margins; deeply punctured ,
the punctures becoming larger and almost confluent at the sides;
hairy. Elytra strongly narrowed below the middle, apices rather
strongly diverging, armed with long and acute sutural and marginal
spines, the humeral fold large, broadly rounded; costate, the
interstices plain, shallowly punctured and transversely wrinkled.
Undersurface closely punctured, very minutely on the abdomen;
clothed with a delicate silvery pile.
= Variability. The central yellow spots of the sutural row have
a tendency to disappear. I have, however, not yet seen a spe-
cimen in which they are entirely absent, but in one specimen
the central spot is present on the right elytron only.
Number of specimens examined: ten, in coll. Oberthür and van
de Poll. Dedicated to Mr. E. W. Janson.
9. Astraeus crassus v. d. Poll.
Astraeus flavopictus v.d. Poll, Not. from the Leyd. Mus, ,
VII (1886), p. 180.
Latus, nitidissimus, supra purpureo-fuscus , subtus dilutius cupreo-
96 MONOGRAPHICAL ESSAY ON THE
nitens; elytris singulis octonis vel novenis maculis flavis ornatis.
Caput rugoso-nunctatum, in medio longitudinaliter carinatum. Pro-
thorax convexus, lateribus rotundatis, apicem versus sensim angus-
tatis; fortiter punctatus et rugosus in lateribus. Elytra subcostata
(costae basin versus indistinctae), interstitiis basin versus subconveris,
parce punctatis; apicibus valde divergentibus, spinis suturalibus
marginalibusque validis, acutis. Pars infera creberrime punctata,
subtilissime in abdomine. Caput, prothoraa et pars infera pubescentia
sericea induta.
Long. 12—17 mm., lat. 41—7 mm.
Habitat: N. S. Wales, Port Denison, Brisbane.
Uppersurface brightly shining purple-brown, the thorax generally
greenish on the disc, underneath and legs of a more brilliant
coppery color. Each of the elytra ornated with eight irregular
yellow spots, viz. a row of five spots close to the suture, gradually
diminishing in size towards the apex, the first at the base, the
second before the middle, the third below the middle, the fourth
about midway between the foregoing and the apex, the fifth just
before the sutural spine, and a row of three spots at the outer
margin, placed opposite to the three intervals between the first
four sutural spots, the subhumeral spot emitting a branch to
the base.
Head rugosely punctured, with an elevated longitudinal line in
front; hairy. Prothorax short and convex, sides strongly rounded
and narrowed towards the top, indistinctly margined along the
front and the sides; very deeply and confluently punctured on the
disc, strongly rugose at the sides; hairy. Elytra suddenly narrowed
below the middle, apices strongly diverging, the sutural and
marginal spines strong and acute, the humeral fold broadly rounded ;
subcostate, the costae only distinct near the apex, according to
the interstices, which become the more and more convex towards
the base, each of the interstices with a row of distant shallow
punctures. Beneath very closely punctate, the punctuation finest
on the abdomen; clothed with a silvery pubescence.
Variability. The small apical spots are as often absent as
BUPRESTID GENUS ASTRAEUS. 97
they are present; the branch which is emitted by the subhumeral
spot is often separated; some specimens show unsymetrical additional
spots, chiefly between the third and fourth sutural spots.
Number of specimens examined: eleven, in coll. Oberthür and
van de Poll.
10. Astraeus flavopictus Cast. et Gory.
Astraeus flavopictus Cast. et Gory, Mon., 1, Astr.,
pe Agop ody, 1 0 Ai
Elongatus , mitidus, supra purpureo-brunneus, elytris singulis
maculis septenis flavis ornatis (maculae apicales strigiformes) ; subtus
cupreo-aureus. Caput creberrime punctatum. Prothorax subconveaus ,
lateribus rotundatis, apicem versus mediocriter angustatis, fortiter
punctatus, in lateribus rubrugosus. Elytra costata, interstitiis planis ,
regulariter punctatis et transversaliter plicatis; apicibus mediocriter
divergentibus , spinis suturalibus lateralibusque sub-obtusis. Pars infera
confertim punetata, in abdomine subtilius densiusque. Caput, pro-
thorax et pars infera pubescentia densa sericea obtecta.
Long. 10-14 mm., lat. 4—51 mm.
Habitat: West Australia.
Uppersurface shining, purple-brown, the elytra more brilliant
with a golden or violaceous reflection, underneath and legs
golden coppery. Each elytron with seven yellow spots, viz. a
row of four spots close to the suture, the first at the base, the
second, a large transverse spot, before the middle, the third and
smallest one just below the middle, the fourth, a strigiform spot,
originating near the foregoing and stopping close to the apex, and
a row of three spots at the outer margin, the first two of which
are placed opposite to the intervals between the first three spots of
the sutural row, the third, an elongated spot, almost abreast with
the last sutural one, but much shorter; the subhumeral spot
emits a branch to the base.
Head very closely punctured; hairy. Prothorax subconvex, the
sides gently rounded and narrowed towards the top; deeply and
7
98 MONOGRAPHICAL ESSAY ON THE
thickly punctured, rugose at the sides; hairy. Elytra gradually
narrowed towards the apex, apices not much divergent, sutural
and lateral spines rather short and obtuse, the humeral fold
moderately developed, angularly produced; costate, interstices
plain, each of them with a row of large punctures, which become
rather confluent near the base, moreover slightly wrinkled in a
transverse direction. Beneath densely punctate, the sculpture
being, however, indistinct according to the close silvery white pile,
which covers the whole of the undersurface, legs included.
Variability. The strigiform sutural spots are often united
with the foregoing spot and the three marginal spots are also
sometimes confluent. There is one specimen with the head and
thorax of an abnormal clear green color.
Number of specimens examined: eleven (including the original
type of Castelnau and Gory, now in Mr. Oberthiir’s possession) ,
in coll. Oberthür and van de Poll.
14. Astraeus prothoracicus v. d. Poll. — nov. spec.
Elongatus, nitidus, supra niger, capite prothoraceque viridi- aeneo- ,
elytris violaceo-internitentibus, singulis elytris maculis ternis (macula
apicalis valde elongata) et linea laterali flavis ornatis. Subtus obscure
viridi-metallicus, pedibus rubris. Caput crebre sed leviter punctatum.
Prothorax in medio ad basin valde conice elevatus, lateribus rotun-
datis, apicem versus tantillum angustatis ; confertim rugoso-punctatus.
Elytra costata, interstitiis planis, regulariter punctatis, sat distincte
transversaliter plicatis; apicibus mediocriter divergentibus, spinis
suturalibus marginalibusque sub-obtusis. Pars infera crebre punctata,
in abdomine subtilissime densissimeque.
Long. 10—11 mm., lat. 31—4 mm.
Habitat: Clarence River, Champion Bay.
Shining, head and thorax dark aeneous green, elytra black
with violaceous reflections, each of them with a flavous border,
originating at the shoulder and occupying two thirds of the
entire length and with three yellow spots along the suture, the
BUPRESTID GENUS ASTRAEUS. 99
first just at the base, the second before the middle and the
third, a large elongate one, midway between the foregoing and
the apex. Beneath dark bronzy-green, shining, legs red.
Head thickly but finely punctured; hairy. Prothorax convex,
in the middle, just before the median lobe, strongly conically
elevated, sides gently rounded and slightly narrowed towards the
top; densely rugosely punctate, strigose on the elevated part;
hairy. Elytra gradually narrowed towards the top, apices not
strongly divergent, sutural and marginal spines rather short and
obtuse, humeral fold rather small, angularly produced; costate,
interstices plain, moderately transversely wrinkled and with a row
of large distant punctures on each. Underneath coarsely punctured ,
the abdomen much more finely and densely; entirely clothed, legs
included, with a dense silvery pubescence.
Two specimens in coll. Oberthiir.
12. Astraeus vittatus v. d. Poll. — nov. spec.
Nitidus , supra niger, capite prothoraceque sub-aenescentibus , elytris
obscure violaceis; singula elytra ad latera vitta flava angusta
et in medio vitta lata irregulari ornata; subtus obscure purpureo-
brunneus, pedibus rubris. Caput confertim punctatum. Prothorax
subconvexus, lateribus apicem versus subrotundato-angustatis ; profunde
punctatus, subtilius in disco. Elytra costata, interstitàs plants,
punctatis, paululum plicatis; apicibus mediocriter divergentibus , spinis
suturalibus marginalibusque brevibus. Pars infera densissime minu-
tissimeque punetata. Caput, thorax et pars infera pubescentia densa
sericea induta.
Long. 10 mm., lat. 4 mm.
Habitat: N. W. Australia.
Shining; head and thorax black with purplish reflections, the
latter bronzy-green in the middle, the elytra dark violaceous, each
of them with a broad, somewhat irregular yellow stripe close to
the suture, originating at the base and stopping near the apex, and
a narrower stripe along the outer margin, being somewhat shorter
100 MONOGRAPHICAL ESSAY ON THE
than the sutural one, and running for its apical third at a little
distance from the outer margin; beneath dark purple-brown,
legs red.
Head closely punctured, with a small narrow ridge in front;
hairy. Prothorax subcunvex, rather short, sides gently rounded,
slightly narrowed towards the top; deeply punctured, rugosely at
the sides, with an irregular glabrous line in the middle; hairy.
Elytra rather short, gradually narrowed towards the top, apices
moderately divergent, sutural and marginal spines rather broad
and short, the humeral fold small, angularly produced; costate,
interstices plain, slightly transversely wrinkled, with a distinct
row of shallow punctures on each. Undersurface very closely and
finely punctured; covered, legs included, with a delicate silvery
pubescence.
Unique in coll. Oberthiir.
13. Astraeus Oberthiiri v. d, Poll. — nov. spec.
Elongatus, mitidus, supra purpureo-brunneus , in elytris fulgentius ;
singula elytra fascia obliqua ab humero ad suturam ante medium ,
macula basali et tribus maculis in parte apicali, flavis notata;
subtus aureo-cupreus. Caput dense punctatum. Prothorax convexus,
lateribus apicem versus modice rotundato-angustatis; fortiter punc-
tatus, creberrime in lateribus. Elytra costata, interstitus planis,
distincte sparsimque punctatis; apicibus sat divergentibus, spinis
suturalibus et marginalibus subacutis. Pars infera confertim punctata,
densissime subtilissimeque in abdomine. Caput, thorax et pars infera
pubescentia sericea tecta, densius subtus.
Long. 9—101 mm., lat. 31—4 mm.
Habitat: Australia.
Shining, uppersurface purple-brown, the elytra more brilliant;
each of the elytra with a flavous spot at the base, a strongly
curved band, originating at the shoulder and extending to the
suture somewhat above the middle, without touching , however, the
suture, its concavity turned towards the base, a row of three
BUPRESTID GENUS ASTRAEUS. 101
spots, of which the first is situated almost in the middle at the
outer margin , the third near the suture at some distance from the
top, the second midway between the first and third, moreover a
very small punctiform spot close to the suture and midway between
the fascia and the apical spot. Underneath and legs golden
coppery.
Head thickly punctured; hairy. Prothorax convex, sides rounded,
moderately narrowed anteriorly; deeply punctured, chiefly at the
sides; hairy, Elytra gradually narrowed towards the top, apices
slightly divergent, apical and marginal spines strong, the humeral
fold angularly produced; costate, interstices plain, faintly plicated,
with a row of distant deep punctures on each. Undersurface closely
punctate, more finely and densely on the abdomen; clothed, legs
included , with a sparse silvery pile.
Variability. The punctiform spots near the suture disappear ,
and the fascia has a tendency to become separated into two spots.
Two specimens in coll. Oberthür. Dedicated to Mr. R. Oberthür.
14. Astraeus elongatus v. d. Poll.
Astraeus elongatus v.d. Poll, Not. from the Leyd. Mus. ,
VIII (1886), p. 177.
Elongatus, parallelus, nitidus. Caput aureo-viride ut et prothorax
in medio cyanescens vel nigrescens; elytra atro-coerulea, violaceo-
internitentia, singula elytra septenis maculis flavis notata ; pars infera
cum pedibus laete viridis, nitidissima. Caput crassum , fronte profunde ,
vertice sparsim punctatum. Prothorax conveaus, lateribus subrotun-
datis, apicem versus fere haud angustatis; fortiter punctatus ,
subtilius in disco. Blytra costata, interstitüs planis, punctis magnis
Jere confluentibus instructis; pro magna parte parallela, apicibus
mediocriter divergentibus , spinis suturalibus lateralibusque acutis. Pars
infera confertim punctata, in abdomine subtilius sed densissime ;
pubescentia minutissima sericea induta.
Long. 94—12 mm., lat. 3—4} mm.
Habitat: Queensland, West Australia, Port Denison, Swan
River.
102 MONOGRAPHICAL ESSAY ON THE
Shining. Head golden-green, the vertex cyaneous or violaceous-
black. Thorax golden-green on the disc, the sides more golden,
the base and the median lobe blackish or purplish. Elytra black
with cyaneous or violaceous reflections, each of them ornated with
a row of four yellow spots along the suture, the first at the base,
the second before the middle, the third below the middle, the
fourth midway between the foregoing and the apex, and a row
of three spots at the outer margin, their position corresponding
with the intervals between the sutural spots, the third one
always at a little distance from the margin. Underneath and legs
golden-green.
Head large, swollen, deeply punctured, more sparsely on the
vertex, which is slightly furrowed; hairy. Prothorax convex, sides
slightly rounded and somewhat narrowed towards the top, the
front-margin slightly produced in the centre, narrowly margined
along the front and the sides; strongly punctured, rugosely
at the sides; hairy. Elytra parallel-sided, suddenly narrowed
below the middle towards the apex, apices moderately divergent,
sutural and marginal spines strong, but short, the humeral fold
rather small, somewhat angularly produced; costate, interstices
plain, slightly wrinkled in a transverse direction, each with a
row of closely set punctures. Beneath densely punctured, the
abdomen very thickly and minutely; clothed with a very delicate
silvery pile.
Variability. This seems to be a pretty constant species,
for although I have seen a good number of specimens, I could not
find any noticeable variety; there is only a tendency of the second
sutural spot to flow together with the humeral spot.
Number of specimens examined: seven, in coll. Oberthür and
van de Poll.
15. Astraeus simulator v. d. Poll. — nov. spec.
Elongatus, mitidus; capite prothoraceque obscure viridi-aeneis ,
purpurascentibus; elytris atro-coeruleis, singulis elytris ad basin
macula magna, ante et post medium fascia lata, ante apicem macula
BUPRESTID GENUS ASTRAEUS. 103
parva, flava ornatis; subtus cum pedibus viridi-aenens; apices
tibiarum et artieuli duo priores tarsorum testacei. Caput dense
punctatum, in medio longitudinaliter leviter impressum. Prothorax
sat brevis, convexus, lateribus rotundato-angustatis apicem versus ;
fortiter punctatus, creberrime in lateribus. Elytra costata, inter-
stitus planis, subtiliter punctatis et plicatis; apicibus valde diver-
gentibus, spinis suturalibus marginalibusque longis, acutis. Pars
infera confertim punctata; caput, prothorax et pars infera pubes-
centia minutissima sericea obtecta.
Long. 7 mm., lat. 24 mm.
Habitat: Peak Downs,
Shining, head bronzy-green in front, purple-brown on the
vertex, prothorax bronzy-green with the sides purple-brown, elytra
cyaneous-black, each with a large yellow spot at the base, a
broad fascia. before the middle, originating below the shoulder
and not quite reaching the suture, an other broad fascia below
the middle, also touching the outer margin only, and a puncti-
form spot close to the apex; underneath metallic green with
violaceous reflections, legs green with the tip of the tibiae and
the two first tarsal joints testaceous.
Head strongly punctured, slightly longitudinally excavated in the
middle; hairy. Prothorax convex, sides rounded and moderately
narrowed towards the top, with a narrow margin along the front
and the sides; coarsely punctured, rugose at the sides; hairy.
Elytra gradually narrowed towards the top, apices rather strongly
divergent, sutural and marginal spines long and acute, the humeral
fold large and very acutely produced; costate, interstices plain ,
slightly transversely plicated, with a row of shallow punctures on
each. Undersurface densely punctured, clothed with a very minute
‘silvery pile.
This species is very nearly allied to A. pygmaeus v.d. Poll var.
subfasciatus mihi, but besides by the presence of the additional
small spot before the apex and the apical fascia, replacing the
apical spot, which does never touche the margin in the latter, it
differs essentially by the following structural characters, viz. the
104 MONOGRAPHICAL ESSAY ON THE
head has no frontal carina, the thorax is less narrowed towards
the top, the humeral fold is more strongly produced.
Unique in my own collection.
16. Astraeus pygmaeus v. d. Poll.
Astraeus pygmaeus v.d. Poll, Not. from the Leyd. Mus. ,
VII (1886), p. 178.
Elongatus, nitidus, supra coeruleus, violaceo-internitens (caput ut
et prothorax interdum viridi-aeneum) , singulis elytris maculis quaternis
flavis ornatis; subtus cum pedibus laete violaceus vel cyaneus, apices
tibiarum et articuli priores tarsorum testacei. Caput fortiter punctatum,
in fronte carina longitudinali. Prothorax convexus, lateribus rotun-
datis et valde angustatis apicem versus, profunde punctatus, densius
ad latera. Elytra costata, interstitiis planis, leviter punctatis et
plicatis; apicibus valde divergentibus, spinis suturalibus lateralibusque
validis, acutis. Pars infera dense punctata. Omnino, elytris exceptis ,
pubescentia minutissima sericea induta.
var. subfasciatus v.d. Poll, a typo differt macula flava post-
humerali cum macula secunda suturali confluente.
Long. 51—7 mm., lat. 2--3 mm.
Habitat: Queensland, Rockhampton, N. S. Wales, Port Denison,
Wide Bay.
Shining, head blue or green in front, purple-brown on the
vertex; prothorax entirely violaceous or blue on the disc and green
at the sides, elytra cyaneous or bronzy-black, each with four
flavous spots, the first at the base, the second close to the suture
before the middle, the third below the shoulder and the fourth
below the middle touching neither the suture nor the outer margin;
beneath and legs cyaneous or violaceous, the tip of the tibiae and
the first joint of the tarsi testaceous.
Head strongly punctured, with a strong longitudinal ridge in
front, which is rather broad above the epistoma and diminishes
gradually near the vertex; hairy. Prothorax convex, sides strongly
rounded and narrowed towards the top, with a narrow margin
along the front and the sides; deeply punctured on the disc, more
BUPRESTID GENUS ASTRAEUS. 105
coarsely at the sides; hairy. Elytra gradually narrowed towards
the top, apices rather strongly divergent, sutural and lateral spines
long and acute, the humeral fold moderately large and acutely
produced; costate, interstices plain, feebly transversely wrinkled ,
each with a row of distant punctures. Underneath coarsely punctate ,
the abdomen more shallowly; clothed with an extremely delicate
silvery pile.
Variability. The second sutural spot is often confluent with
the humeral spot, effecting a transverse band (var. subfasciatus m.).
Number of specimens examined: thirteen, in coll. Oberthür and
van de Poll.
17. Astraeus dilutipes v. d. Poll. — nov. spec.
Astraeus Samouelli Saund., var. dilutipes v. d. Poll, Not.
from the Leyd. Mus., VIII (1886), p. 180 footnote.
Elongatus, nitidus; supra atro-coeruleus, violaceo-internitens,
capite prothoraceque viridi-aenescentibus ; elytris singulis maculs
quintenis flavis ornatis; subtus viridi-aeneus, eyaneo- vel violaceo-
internitens, pedibus prorsus testaceis, tarsis sub-nigrescentibus. Caput
fortiter punctatum, in fronte linea elevata glabra. Prothorax con-
vexus, lateribus apicem versus rotundato-angustatis; fortiter aequa-
literque punctatus, in medio impressione luevi longitudinali. Elytra
costata, interstitiis planis, leviter punctatis et plicatis; apicibus
valde divergentibus, spinis suturalibus marginalibusque validis , acutis.
Pars infera confertim punctata, subtilius in abdomine. Ommino,
elytris exceptis, pubescentia minutissima sericea tecta.
Long. 81-40 mm., lat. 3—4 mm.
Habitat: N. S. Wales, Wide-Bay.
Shining, head aeneous-green with purplish retlections in front
and on the vertex in the female; golden green with the vertex
purple-brown in the male. Prothorax dark aeneous-green mingled
with purplish-brown, chiefly at the sides, in the female; in the
male the thorax is divided in a transverse direction by an angular
AA -shaped line, the greater basal part being obscure bronzy-green ,
the smaller upperpart golden-green, whilst the line of demarcation
106 MONOGRAPHICAL ESSAY ON THE
between the two portions is bright coppery. Elytra cyaneous-black ,
each with a yellow spot just at the base, two spots before the
middle placed abreast, the exterior one below the shoulder, the
other one near the suture, a small band below the middle, touching
the outer margin only and a spot close to the apex. Beneath green
with blue and violaceous tinges; legs entirely testaceous, the last
tarsal joints blackish.
Head very closely punctured, with a rather strong longitudinal
ridge in front; hairy. Antennae very long, chiefly in the male
sex. Prothorax convex, sides rounded and rather strongly narrowed
towards the top, slightly margined along the front and the sides;
deeply and regularly punctured, with a feebly impressed dorsal
line; hairy. Elytra gradually narrowed towards the top, apices
moderately divergent, sutural and marginal spines strong and acute ,
the humeral fold middle-sized, acutely produced; costate, interstices
plain, slightly transversely wrinkled, with a row of closely set
small punctures on each. Undersurface coarsely punctured, the
abdomen more thickly and finely; clothed with a minute silvery
pubescence.
This species is very closely allied to the next following A.
Samouelli Saund., and in my former paper on the genus, when
having but a single specimen at my disposal, I only considered it
a variety of Samouelli with entirely testaceous legs. Disposing now
of a larger material, I find the following principal differences ,
viz. the general shape is more slender; the distribution of the
colors on the thorax in the male is quite different; the humeral
spot is not composed of two confluent spots; there is no punctiform
yellow spot at the base in the shoulder edge.
Variability. The humeral and the second sutural spots have
a tendency to become confluent, but even in the specimen, where
they are almost united, there is no trace of the third spot, which
is always present in Samouelli. The thighs, chiefly of the hinder
legs, are sometimes partly bluish.
Number of specimens examined: four, in coll, Oberthür and
van de Poll.
BUPRESTID GENUS ASTRABUS. 107
18. Astraeus Samouelli Saund.
Stigmodera Samouelli Hope, Buprestidae, (1836), p. 6,
(unpublished tract).
Astraeus Samouelli Saund., Trans. Ent. Soc. Lond., 1868,
pe 410; pl. 4, fig. 12.
Astraeus Samouelli v.d. Poll, Not. from the Leyd. Mus. ,
VIII (1886), p. 180.
Praecedenti valde similis sed praecipue differt: statura robustiore ;
macula perparva in sinu humerali; macula posthumerali duabus
maculis confluentibus composita. Eodem colore ac dilutipes sed
caput prothoracisque latera splendiora cuprea et viridi-aurea; pedes
eyanei, apicibus tibiarum et articulis primis tarsorum testaceis.
var. Mastersi Mc. Leay, A typo differt, macula flava post-
humerali cum macula secunda sub-suturali confluente.
Long. 81—10 mm., lat. 31—41 mm.
Habitat: N. S. Wales.
Shining, head bright green in front and purple-brown on the
vertex; in the female, bright golden with the vertex coppery in the
male; prothorax purple-brown with the sides bright green in the
female, dark coppery with golden green sides and indefinite purple-
brown patches at the base near the median lobe in the male; elytra
black, with cyaneous or purple reflections, each with six yellow
markings, a spot just at the base, an other one before the middle
close to the suture, a very small punctiform spot in the shoulder
edge, a large irregular spot (properly composed of two spots,
which is evident in one of my specimens, where they are separated on
the left elytron) below the shoulder, a small fascia below the middle,
which reaches the outer margin only, and a spot midway between
the apex and the fascia. Underside and legs green, cyaneous or viola-
ceous; tips of the tibiae and the first joint of the tarsi testaceous.
Head closely punctured, with an elevated median line in front;
hairy. Antennae very long, chiefly in the male sex. Prothorax
convex, the front-margin slightly produced in the middle, sides
rounded and rather strongly narrowed towards the top, narrowly
€
108 MONOGRAPHICAL ESSAY ON THE
margined along the front and the sides; deeply but not closely
punctured, the punctures becoming larger at the sides, with a
faintly impressed median line; hairy. Elytra gradually narrowed
towards the apex, apices strongly divergent, sutural and marginal
spines long and acute, the humeral fold large and acutely produced ;
costate, interstices plain, moderately transversely wrinkled, each
with a row of large distant punctures. Undersurface coarsely
punctured, the abdomen more finely; clothed with an extremely
delicate silvery pubescence.
Variability. The irregular spot below the shoulder is often
confluent with the spot near the suture, forming a somewhat
zigzag-shaped band (var. Mastersi Mc. L.); the fascia below the
middle is sometimes interrupted and in some specimens there are
small punctiform additional spots almost in the middle close to
the suture.
Number of specimens examined: four of each sex (all the males
which have come under my notice belong to the var. Mastersi),
in coll. Oberthür and van de Poll.
19. Astraeus splendens v. d. Poll. — nov. spec.
Elongatus, nitidus, caput laete cupreum; prothorax lateraliter
viridis, ad basin atro-purpureus, caeterum laete cupreus; elytra
atro-coerulea, singula elytra ad basin magna, ante medium fascia
lata, post medium fascia breviore et ante apicem macula parva,
Java ornata. Subtus cum pedibus dilute viridi-aureus, apice tibiarum
et articulo primo tarsorum testaceis. Caput crebre punctatum, n
fronte linea elevata glabra. Prothorax convexus, lateribus apicem
versus rotundato-angustatis, crebre punctatus, subtilius in disco, in
medio longitudinaliter paululum impressus. Elytra costata, interstitus
planis, distincte punctatis, leviter plicatis; apicibus valde diver-
gentibus , spinis suturalibus lateralibusque validis, acutis. Pars
mfera confertim punctata, in abdomine subtilius. Omnino, elytris
ewceptis, pubescentia subtilissima sericea induta.
Varietati « Mastersi Me. L.» proxima, sed facile distinguenda
appendice humerali multo longiore et angulatiore.
BUPRESTID GENUS ASTRAEUS, 109
Long. 8—9 mm.,-lat. 3—31 mm.
Habitat: Rockhampton.
Shining, head and thorax brilliant golden-coppery, the latter
with the sides broadly golden-green and with a purple-black heart-
shaped patch on the disc before the median lobe; elytra black
with cyaneous or violaceous reflections, each with a large flavous
spot at the base, a broad fascia before the middle originating at
the shoulder and not quite reaching the suture, an other smaller
fascia below the middle also reaching the outer margin only, and
a spot midway between the band and the apex. Underside and
legs bright bluish-green, in thé middle golden-green; tips of the
tibiae and two first joints of the tarsi testaceous.
Head densely punctured, with an elevated median line in front;
hairy. Antennae very long, chiefly in the male sex. Prothorax
convex, sides rounded and rather strongly narrowed towards the
top, narrowly margined along the sides and the front, which is
slightly prominent in the middle; deeply and closely punctured,
with a faintly impressed line in the centre; hairy. Elytra gradually
narrowed towards the top, apices rather strongly divergent, sutural
and lateral spines long and acute, the humeral fold very long and
strongly acutely produced; costate, interstices plain, slightly trans-
versely wrinkled, each with a row of large shallow punctures.
Underneath coarsely punctured, somewhat more finely on the
abdomen; clothed with a delicate silvery pile.
This species is nearly allied to the var. Mastersi Mc. L. of A.
Samouelli Saund., but differs by its smaller size, more brilliant
color of head and thorax, proportionately broader yellow markings
and much larger humeral fold.
Variability. The spots before the apex disappear.
Number of specimens examined: five, in coll. Oberthür and
van de Poll.
110
Fig.
16.
17.
18.
19.
ON THE BUPRESTID GENUS ASTRAEUS.
EXPLANATION OF PLATE II AND III.
Astraeus
1a. side
Astraeus
2a. side
Astraeus
3a. side
Astraeus
4a. side
Astraeus
5a. side
Astraeus
6a. side
Astraeus
Ta. side
Astraeus
8a. side
Astraeus
irregularis v.d. Poll.
view of the elytron.
lineatus v.d. Poll.
view of the elytron.
multinotatus v.d. Poll.
view of the elytron.
aberrans v.d. Poll.
view of the elytron.
navarchis Thoms.
view of the elytron.
fratereulus v.d. Poll.
view of the elytron.
Badeni v.d. Poll.
view of the elytron.
Jansoni v.d. Poll.
view of the elytron.
crassus v.d. Poll.
9a. side view of the elytron.
Astraeus flavopictus Cast. et Gory.
10a. side view of the elytron.
Astraeus prothoracicus v.d. Poll.
11a. side view of the elytron.
Astraeus vittatus v.d. Poll.
12 a. side view of the elytron.
Astraeus Oberthüri v.d. Poll.
13 a. side view of the elytron.
Astraeus elongatus v.d. Poll.
14a. side view of the elytron.
Astraeus simulator v.d. Poll.
15a. side view of the elytron.
155. detail of the head.
Astraeus pygmaeus v.d. Poll.
16a. side view of the elytron.
16 5. elytron of the var. subfasciatus v.d. Poll.
16c. detail of the head.
Astraeus dilutipes v.d. Poll.
17 a. side view of the elytron.
Astraeus Samouelli Saund.
18 a. side view of the elytron.
18 5. elytron of the var. Mastersi Mac Leay.
Astraeus splendens v.d. Poll.
19a. side view of the elytron.
BOEKAANKONDIGING.
REVISIO SYNONYMICA HETEROPTERORUM PALAE-
ARCTICORUM QUAE DESCRIPSERUNT AUCTORES
VETUSTIORES (Linnaeus 1758 — LATREILLE 1806), door
O. M. REUTER. Helsingfors 1888, 4to, 1, II, 458 bladz.
Het doel van den schrijver van dit werk is, zooals hij zegt,
eene bijdrage te leveren tot de vaststelling der nomenclatuur van
de palaearctische Hemiptera-Heteroptera.
Om de wijze van bewerking is echter de kennisneming niet
alleen voor Hemipterologen van belang, maar allen Entomologen
aan te bevelen.
Het werk bestaat uit twee deelen; in het eerste, algemeene,
deel bespreekt de schrijver de bezwaren aan het «principe de
continuité» en de « loi de préscription » verbonden, en geeft als zijne
overtuiging te kennen, dat het eenige systeem, hetwelk tot zekere
stabiliteit kan leiden, is het prioriteits-principe, wanneer dit met
inachtneming van bepaalde regelen consequent toegepast wordt.
Deze regelen, die de schrijver au fond dezelfde noemt als door
Staudinger in zijn Catalog der Lepidopteren des Europaïschen Faunen-
gebietes gesteld zijn, zijn de volgenden:
4°. De soorten moeten naar het binominale stelsel, door Linnaeus
in de Editie X van het Systema Naturae aangenomen , benoemd zijn.
2°. De namen moeten in het Latijn of gelatiniseerd zijn.
3°. Eenmaal gegeven namen mogen niet verbeterd of gewijzigd
worden.
Niet alleen mag b.v. Plagiognathus arbustorum niet herdoopt
worden, omdat het dier niet leeft op struiken, maar op Umbellaten ,
maar ook mogen taalkundige fouten niet verbeterd worden. Alleen
de auteur mag in hetzelfde werk den naam verbeteren en zelfs
veranderen, in een later werk slechts verbeteren.
112 BOEKAANKONDIGING. REUTER, REVISIO
4°. De naam van den schrijver, die het eerst eene soort volgens
het binominale systeem kenbaar beschreef , moet als auteursnaam
achter de soort genoemd worden, onverschillig of de soort ook later
in een ander geslacht geplaatst wordt.
5°. Men kan de wettelijke auteur eener soort zijn zonder ze
ooit beschreven te hebben. Dit is het geval:
a. als men eene soort, die door iemand op herkenbare wijze
beschreven maar niet benoemd is, een’ naam geeft;
b. als men namen, die niet volgens de regelen sub 1 en 2
bovenvermeld gevormd zijn of om andere redenen niet gelden
kunnen, door andere vervangt ;
c. als men een’ naam verandert, omdat er in hetzelfde geslacht
reeds dezelfde naam voor eene andere soort gebruikt is.
6°. Als auteur van eenen soortnaam kan alleen in aanmerking
komen degeen die de soort op kenbare wijze en door druk heeft
gepubliceerd.
Alle collectie- en catalogus-namen worden dus verworpen, ook
die welke van zoo beknopte beschrijving vergezeld zijn dat de
bedoelde soort niet met zekerheid te herkennen is of de beschrijving
op eene menigte soorten past.
7°. Elke soort moet den naam behouden, waaronder zij het
eerst naar het binominale stelsel van Linnaeus, kenbaar beschreven is.
Alle namen van voor 1758 blijven buiten aanmerking.
8°. Als een schrijver onder eenen soortsnaam twee of meer
soorten verward en beschreven heeft, of de beschrijving op meer
soorten past, moet de door hem gegeven naam aan die soort ge-
schonken worden tot welke de meeste originalia van den beschrij ver
behooren, ten minste als dit later betrouwbaar gedaan wordt of
door den auteur zelf of door een ander, en dan tevens de overige
soorten gescheiden en benoemd worden. Anders en vooral als men
de typen niet kent, moet men bij de splitsing van zulk eene
collectieve soort de eerstvolgende schrijvers raadplegen, wier op-
vatting wellicht toelaten zal de prioriteit uit te maken.
Als een voorbeeld haalt Dr. Reuter Capsus flavomaculatus aan.
Alle typen daarvan heeft hij bij onderzoek bevonden te zijn
SYNONYMICA HETEROPTERORUM PALABARCTICORUM. 113
Globiceps selectus Fieber en niet G. flavomaculatus Fieber. Nu had
Fieber, daar de typen van Fabricius hem niet toegankelijk waren,
de opvatting van den eerstvolgenden schrijver, hier Fallén, behooren
te onderzoeken. Fallén’s beschrijving geeft nu in dezen wel geen
meer licht, maar hij zegt «in floribus pratorum», en dit past
wel op Fieber’s selectus, maar niet op zijn’ flavomaculatus, die op
wilgen leeft. G. selectus F. moet dus heeten Havomaculatus.
Mogelijk zal echter een latere schrijver, die zulk eene «collectieve »
soort scheidt, geen grond vinden om aan een der daaronder begrepen
soorten den ouden naam te geven en allen nieuw benoemen. Is dat
eenmaal geschied, dan moet de oude naam in vergetelheid blijven.
De schrijver merkt hierbij op, dat niet de exemplaren in de
collectie, maar de gepubliceerde beschrijvingen «den Artbegriff
repräsentiren», en deze laatste alleen de prioriteit hebben. Op
dezen grond heeft hij, niet omdat de typen van Fabricius van
Capsus flavomaculatus bij onderzoek bleken te zijn de Globiceps
selectus van Fieber, dezen laatsten naam veranderd, maar omdat
C. flavomaculatus van Fallen, F. Sahlberg e. a. met Fieber’s
selectus identisch is en niet met diens /lavomaculatus.
Blijkt een soortsnaam, die door alle schrijvers gebruikt is, echter
ten onrechte gebaseerd te zijn op de beschrijving van den eersten
auteur (zooals b.v. Capsus campestris L. auct. is eene geheel andere
soort dan de ware campestris L., die gelijk is aan C. Pastinacae Fall),
dan moet zulk een ten onrechte gebruikte naam veranderd worden.
9°. Zijn de twee sexen eener soort onder twee namen be-
schreven, dan geldt voor de soort de naam van den man.
10°. Als eene «collectieve» soort in meer gescheiden is met
behoud van den ouden naam eener soort, dan moet achter den
soortsnaam gevoegd worden de naam van den eersten auteur en
van hem die de soort gesplitst heeft, en als de soort vroeger in
een ander geslacht stond, moet de naam van den een of van
beiden tusschen haakjes geplaatst worden. Bij voorbeeld Peritrechus
nubilus (Fall., Thoms.). Ditzelfde geldt als eene soort door een
lateren schrijver weder haren oorspronkelijk juisten naam verkrijgt,
b.v. Hurydema festivum (Linn.) Reut., in tegenstelling met A.
8
114 BOEKAANKONDIGING. REUTER, REVISIO
r
Festivum (Don.) en Globiceps flavomaculatus (Fabr., Fall.) in
tegenstelling met G. flavomaculatus F.
11°. Eene uitzondering op de voorgaande prioriteits-regelen moet
echter gemaakt worden in het geval dat een naam, die bij toe-
passing dier regelen veranderd zou moeten worden, reeds buiten
de grenzen der Entomologie bekend geworden is «und auch in
andere Gebiete der Wissenschaft, so wie in die allgemeine mensch-
liche Bildung allgemein aufgenommen wurde».
Zoo kennen de landbouwer en bloemist onder den naam van Bruchus,
kevers die voor erwten en boonen schadelijk zijn; doctoren, apo-
thekers en chemici onder den naam van Mylabris, kevers die door
hunne blaartrekkende eigenschappen de Cautharis-soorten vervangen
kunnen. Eene verandering van Bruchus in Mylabris zou dus ver-
warring stichten. Het lagere moet hier voor het hoogere wijken.
Dit komt overeen met Dr. Puton’s « principe du bon sens».
Ik vraag hier of wanneer men dezen regel, hoe juist ik dien acht,
aanneemt, men feitelijk niet het geheele prioriteits-stelsel aan kant
zet, want hoevele soorten zijn er niet, wier namen buiten het gebied
der Entomologie getreden zijn in dat van de anatomie, de biologie,
de geographische distributie e. a.? Zeker het grootste gedeelte, zoo
niet allen der door de oudere schrijvers benoemde soorten. Waar zal
een aanhanger van het prioriteits-systeem de grenzen kunnen trekken ?
12°. Namen, aan larven of nymphen gegeven, blijven buiten
aanmerking.
13°. Belangrijke varieteiten, rassen en locale vormen moeten
afzonderlijk benoemd worden. Het namen-geven aan geringe ver-
schillen in kleur, enz., is af te keuren, en zulke namen moeten
ook als synonyma niet aangenomen worden.
14°. Dezelfde soortsnaam mag niet in hetzelfde geslacht tweemaal
gebruikt worden,
De laatst gegeven naam worde veranderd; ook al wordt eene
soort later weder in een ander geslacht geplaatst, behoudt zij den
nieuwen naam en blijft de eerste buiten aanmerking; en dit geldt
ook voor het geval de oudste soort, die den naam behouden heeft ,
later blijken mocht identiek met eene andere soort te zijn.
SYNONYMICA HETEROPTERUM PALAEARCTICORUM. 115
15°. Wanneer twee soorten, in verschillende geslachten met
denzelfden naam beschreven, later in één geslacht gebracht worden,
moet de later beschreven soort vernoemd worden; worden zij later
echter weder gescheiden, dan herleeft de oude naam. Bij voorbeeld :
Flor vereenigde Phytocoris roseus Fall. en Capsus roseus Fall. in
het geslacht Capsus en veranderde den laatsten naam in aridellus.
Deze soort werd echter later geplaatst in het geslacht Conostethus
en kreeg den vroegeren naam roseus terug.
16°. Eene soortsnaam mag niet veranderd worden op grond dat de
geslachtsnaam eender is. Zoo b.v. heeft Cossus cossus recht van bestaan.
Dezelfde regelen acht de schrijver ook in het algemeen toepasselijk
op de generieke nomenclatuur, waarbij echter eenige andere wetten
in het oog moeten gehouden worden. Hij stelt voorop de zeer
juiste opmerking, dat Linnaeus en andere oude schrijvers van een
eigenlijk generiek type, van eene soort die het type van het
geslacht is, geen idee hadden. Hunne geslachten zijn thans groepen
of familien. Daarom moet in de eerste plaats achter een dergelijk
geslacht niet alleen de naam van den oorspronkelijken auteur
vermeld worden, maar ook of alleen van hem, die dit geslacht
het eerst verdeeld heeft. Het gebruik, dat deze laatste van den
naam gemaakt heeft, is alleen beslissend. Alleen dan wanneer de
oudste auteur bepaald eene soort als type van het geslacht in het
oog heeft gehad (zooals b.v. Fabricius in zijn Systhema Rhyngotorum
en bij de geslachten Coreus, Lygaeus, Miris en Gerris in zijne
Entomologica Systematica) moet voor die soort de door hem gegeven
geslachtsnaam blijven. Bij de verdeeling van een geslacht, moet
de naam voor eene der soorten, die bij het beschrijven van het
geslacht daarin opgenomen werden, behouden worden. Was er
dus oorspronkelijk slechts ééne soort in, dan moet die soort in
elk geval dien geslachtsnaam bewaren.
Worden daarentegen verschillende geslachten tot een samen-
gesmolten, dan moet dit nieuwe geslacht een der oude namen be-
houden; welke, dat staat ter keuze van den schrijver, die deze
operatie bewerkstelligt.
Zeer verkort is hier medegedeeld wat de schrijver in 35 blad-
116 BOEKAANKONDIGING. REUTER, REVISIO, ETC.
zijden met tal van toelichtingen en voorbeelden, vooral aan de
Hemipterologische literatuur ontleend, ontvouwt en toelicht.
Dr. Reuter heeft nu, met inachtneming dezer regelen, de
werken van alle hem toegankelijke schrijvers, van Linnaeus at
(1758) tot 50 jaar later (1806), nauwkeurig en kritisch onderzocht.
De namen dezer schrijvers en van alle anderen, die hij tot verklaring
heeft gebruikt, volgen in het Historisch Overzicht, met opgave van
hunne geschriften en der daarin beschreven soorten van Heteroptera.
Het tweede deel bevat 396 soorten, waarvan de synonymie met
aanhaling van alle schrijvers, uitgewerkt is; voorts 36 soorten
van oudere schrijvers, die niet te determineeren zijn, en eene
optelling der geslachten en der soorten, wier volgens deze regelen
vastgestelde namen verschillen van die in de 2de editie van Dr. Pu-
ton’s Catalogue gebruikt: dat zijn 48 geslachten en 55 soorten !).
Een index der behandelde soorten en geslachten besluit dit tweede deel,
Het geheele werk — een waarlijk even ondankbare als moeitevolle
arbeid — getuigt van de groote studie, kennis en scherpzinnigheid
van den schrijver, die op Hemipterologisch gebied wel bij uitstek
tot beoordeelen bevoegd genoemd mag worden.
Daarom verdient het boek de aandachtige overweging van alle
Entomologen, die zich aan eene oplossing van dit vraagstuk laten
gelegen liggen.
Al moge men het met den schrijver niet eens zijn, het is te wenschen
dat deze Revisie door alle Hemipterologen worde aangenomen, ware
het slechts om eindelijk de zoozeer gewenschte stabiliteit te verkrijgen.
Ik hoop dat deze aankondiging er toe moge bijdragen, om dezen
hoogst gewichtigen arbeid ook in handen van vaderlandsche niet-
Hemipterologen te brengen.
Januari 1889. Mr. A. J. F. FOKKER.
1) Dr. Reuter had de proeven van dit werk aan Dr. Puton in 1886 vóór
het drukken van diens Catalogue medegedeeld. Deze heeft een groot deel dier
synoniemen aangenomen, doch zegt in de voorrede, dat hij meestal „a cru sage
d’appliquer la préscription à ces synonymes douteux ou oubliés depuis près
d'un siècle”,
PROEVE
EENER
BANGSCGHIEEING
IN NEDERLAND VERTEGENWOORDIGDE COLKOPTERA-FAMILIEN,
Jhr. Dr. ED. EVERTS.
(Hiertoe Pl. 4 en 5).
Wanneer wij een parallel trekken tusschen Arthropoden en
Vertebraten, dan blijkt, dat bij de verdeeling der gewervelde
dieren de verschillen in skeletvorming op den voorgrond moeten
gesteld worden, terwijl zulks bij de gelede dieren het geval zal
zijn met de chitinehuid. De vergelijkende studie der skeletdeelen
bij de gewervelde dieren draagt vooral bij tot het leeren kennen
van de natuurlijke verwantschap. Evenzoo is dit bij de gelede
dieren het geval met het huidskelet; en om ons te bepalen tot de
orde der Coleoptera, zoo vestigen de Amerikaansche entomologen
John L. Leconte en George H. Horn, in hun werk over «the
Rhynchophora of America» '), de aandacht op de tweeërlei zeer
verschillende bouwtypen in deze orde.
De pogingen in het werk gesteld om voor de Coleoptera eene
natuurlijke rangschikking in groepen en familien te geven, werden
tot nog toe slechts ten deele met succes bekroond. De door Latreille
1) Proceedings of the American Philosophical Society, vol. XV, n. 96, December
1876, Philadelphia,
118 PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
gegeven verdeeling naar het getal der tarsenleden beantwoordt
geenszins aan het doel; zij is te kunstmatig. Eene rangschikking
moet niet gegrond zijn op een enkel kenmerk, dat zelfs niet eens
steekhoudend blijkt te zijn. Zij behoort de uitdrukking te zijn van
het ware verband tusschen de verschillende vormen !).
Het is daarom, dat Leconte en Horn zeer terecht de aandacht
vestigen op de grootere vastheid der deelen van kop en prothorax
bij een deel der Coleoptera (nl. de Rhynchophora), bevattende de
familien der Curculionidae, Nemonychidae, Platyrrhinidae, Scolytidae
en Platypidae, terwijl bij alle andere Coleoptera (die alsdan als
Coleoptera vera zouden moeten geduid worden) de verschillende
deelen van het tegument van kop en prothorax door verscheidene
naden samenhangen en daardoor een minder vast skelet uitmaken.
Wanneer wij dus de Rhynchophoren mogen beschouwen als een
minder ontwikkelen toestand der Coleoptera ?), zoo kunnen wi,
met behoud van het bovengenoemde essentieele kenmerk, aan-
sluiting aanwijzen met groepen behoorende tot de ware Coleoptera.
Uitgaande van de meest typische Curculioniden, — bij welke de
bovenlip geheel ontbreekt en de tasters rudimentair en onbewegelijk ,
als ook de sprieten gebroken zijn en in een knopje eindigen, —
zoo groepeeren zich daaromheen de Nemonychidae, die met eene
bovenlip en bewegelijke tasters, alsmede door den geheelen habitus
en de elfledige, niet geknikte sprieten, veel overeenkomst ver-
toonen met de Pythidae (Akinosimus). De Brachyrrhinini (Otior-
rhynchini), eene afdeeling der Curculioniden, met breede kin,
alsook de Zuid-Europeesche Brachycerini, eveneens eene afdeeling
der Curculioniden, vertoonen eenige overeenkomst met de Tene-
brionidae, bij welke de mondholte geheel door de kin bedekt is. —
1) Zoo wijzigen zich de ledematen steeds naar gelang der verschillende beweeg-
wijze, terwijl de rompdeelen daarentegen eene meer treffende gelijkvormigheid
kunnen behouden, zelfs bij zeer verschillende levenswijze. Zoo mag b. v. het
rudimentaire vijfde tarsenlid bij de Tetramera van Latreille geenszins over het
hoofd gezien worden, wil de natuurlijke verwantschap duidelijk in het oog vallen.
2) De Rhynchophora staan tot de Coleoptera vera, met betrekking tot het
meer vaste chitine-skelet, als de vogels tot de zoogdieren, met betrekking tot
het meer vaste been-skelet van wege de vergroeiing van vele beenderen.
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN. 119
Door de Hylesininae vertoonen de Scolytidae groote verwantschap
met de Cossonini, alsook eenige aansluiting aan de Cryptorrhynchini.
De Brenthiden staan meer op zich zelf, vertoonen niet die ver-
wantschap, maar duiden op gelijken oorsprong als de Hypoce-
phalidae !), Rhysodidae en Cupesidae 2), ofschoon bij sommige
afwijkende Brenthiden-genera eenige overeenkomstige kenmerken
kunnen worden aangewezen met de Platypidae en beiden door
hunnen habitus meer verwant zijn aan de Colydiidae (Nematidium).
Enkele Scolytiden gelijken in habitus op eenige Platyrrhinidae
(b.v. Choragus), doch de kenmerken der Platyrrhinidae zijn zoo
eigenaardig, dat zij als ’t ware punten van overeenkomst met zeer
verschillende groepen bevatten. Zoo b.v. de vorm van de kin,
zooals die alleen bij de Carnivora (= Adephaga, het Amerikaansche
genus Amphizoa) voorkomt, terwijl het groote sexueel verschil in
sprietlengte, zooals bij Macrocephalus, slechts bij de Cerambyciden
gevonden wordt. De goed ontwikkelde bovenlip, de draadvormige
bewegelijke tasters, de rechte elfledige sprieten en de epipleurae bij
de Platyrrhinidae duiden op eene hoogere organisatie dan bij de
overige Rhynchophora. Indien de Platyrrhinidae meer verwantschap
in bouw van het tegument vertoonden met de ware Coleoptera dan
met de andere Rhynchophora, dan zouden zij, evenals de Bruchidae,
tot eene andere groep in het systeem moeten gebracht worden; hunne
plaats is derhalve die van den hoogsten vorm der Rhynchophora.
Voor de verdere indeeling dezer twee sub-orden maak ik, be-
houdens enkele wijzigingen , gebruik van het uitmuntend overzicht,
door Georg Seidlitz in zijne Fauna Baltica *) gegeven, dat mij
voorkomt de beste en meest natuurlijke rangschikking te zijn, die
tot nu toe gegeven werd. Onder de nieuwere faunistische werken
neemt genoemde arbeid van Seidlitz eene eerste plaats in, daar zij
in alle opzichten een wetenschappelijk karakter draagt en de vrucht
1) Zuid-Amerikaansche Cerambyciden.
2) Eene aan de Lymexylonidae verwante familie, hoofdzakelijk Amerikaansche
soorten bevattende.
3) Dr. Georg Seidlitz, Fauna Baltica, Dorpat 1875, en de tweede „neu
bearbeitete Auflage”, Königsberg 1887, p. XXXVIIL
120 PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
is van algemeen zoologische beschouwingen, vrij van eenzijdige,
veelal onwetenschappelijke opvattingen. De ware systematiek, eene
wetenschap bij uitnemendheid, d. i. het opsporen der natuurlijke
verwantschap bij de tallooze verschillende vormen , vindt in Seydlitz
een der meest gewaardeerde beoefenaars.
Sub-orde I. COLEOPTERA VERA.
Kop gewoon, met een dubbelen vergroeiingsnaad
aan de onderzijde, welke echter ook geheel uitgewischt kan zijn
(fig. 9*), slechts bij uitzondering snuitvormig verlengd !), of met eene
rudimentaire aanduiding daarvan ?). Bovenlip altijd duidelijk
aanwezig. Tasters lang en bewegelijk. Sprieten van
allerlei vorm, doch nimmer zooals bij de Rhynchophora (zie
Sub-orde II). Prothorax met duidelijke naden tusschen het
ruggedeelte (pronotum) en de zijstukken , welke laatsten door eenen
naad van het prosternum afgescheiden zijn (fig. 1**). Gewrichts-
holten der voorpooten aan de achterzijde niet door de takken der
epimeren gesloten, daar deze niet tegen elkander aansluiten
(fig. 1***). Achterlijf met vijf tot negen vrije buik-segmenten,
of wel de drie eersten zijn vergroeid, zeldzamer de vier
eersten onbewegelijk *), of wel de twee eersten van de vijf
buik~segmenten vergroeid +). — Tarsen meestal vijfledig of
schijnbaar vierledig, daar het vierde lid rudimentair en in
het derde verscholen is 5), in welk geval de sprieten draad-,
borstel-, snoervormig, getand, gezaagd of gekamd, naar het uit-
einde meer of min verdikt of gezaagd zijn, of wel met vijf grootere
1) Bij enkele genera van de familien der Cucujidae, Pythidae en Oedeme-
ridae is de kop tot een platten snuit verlengd.
2) Bij de Bruchidae.
3\ Heteroceridae.
4) Buprestidae.
5) Bruchidae, Cerambycidae en Chrysomelidae,
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN. 121
eindleedjes voorzien '). De voortarsen zijn zelden schijnbaar vier-
ledig, met vijfledige achtertarsen (sommige Dyticidae ?), enkele
Staphylinidae *) en bij een enkel Canthariden-genus) 4); of wel
indien voor- en achtertarsen vierledig zijn, dan zijn de achterlijfs-
segmenten geheel chitineus en niet door de dekschilden bedekt
(sommige Staphylinidae), of de sprieten zijn alsdan onregelmatig
(Heteroceridae) of naar het uiteinde verdikt, knopvormig of met
grootere eindleedjes (Georyssidae, Tritomidae, Colydiidae, Cisidae,
Corylophidae, Clambidae *) en eenige Anisotomidae). Ook kunnen
de tarsen schijnbaar drieledig zijn, de beide eerste leedjes aan
de onderzijde viltig, het tweede lid tweelobbig, het uiterst kleine
derde lid benevens de helft van het klauwlid in het tweede inge-
sloten (Endomychidae, Coccinellidae). Bij uitzondering zijn de
voortarsen drie- 5) of tweeledig 7).
Sub-orde IL. RHYNCHOPHORA,
Kop vóór de oogen snuitvormig verlengd *), aan
de onderzijde in het midden met een enkelen ver-
groeiingsnaad (fig. 2*). De bovenlip ontbreekt, behalve
bij enkele Scolytidae, waar zij rudimentair voorkomt, en bij de
Platyrrhinidae en Nemonychidae, waar zij duidelijk ontwikkeld is.
1) Lamprosoma en Prasocuris.
2) De tribus der Hydroporini, bij welke voor- en middeltarsen duidelijk
vierledig zijn, ofschoon nog een zeer klein lid verborgen en daardoor nagenoeg
onzichtbaar is.
3) De genera Autalia, Bolitochara, Homalota en anderen.
4) Het & van het nog niet in Nederland aangetroffen genus Troglops.
5) Bij het genus Calyptomerus zijn de voortarsen vier-, de achtertarsen
drieledig.
6) Bij enkele Staphylinidae (genus Bledius), bijna alle Pselaphidae, Clavi-
geridae, Trichopterygidae en Micropeplidae, bij welke alle tarsen drieledig zijn.
7) Bij het niet inlandsche Pselaphiden-genus Panaphantus en de Sphaeriidae,
bij welke niet in Nederland vertegenwoordigde familie de tarsen onduidelijk
tweeledig of liever schijnbaar eenledig zijn.
8) Bij enkele genera van de familien der Cucujidae, Pythidae en Oedeme-
ridae, tot de ware Coleoptera behoorende, is de kop soms in een platten snuit
verlengd.
122 PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
Tasters kort en stijf, met in grootte afnemende
leedjes (fig. 5); alleen bij de Platyrrhinidae en Nemonychidae zijn
zij als bij de ware Coleoptera slank en buigzaam. Sprieten
duidelijk geknikt '), in een groefje ingeplant, dat
veelal naar achteren verlengd is in den vorm van eene sleuf; het
eerste lid (scapus) meest lang en met de daarop vol-
gende leedjes (funiculus) gewoonlijk een elleboog vor-
mend, aan het uiteinde met eene vaste, onduidelijk
gelede knots ?) (fig. 3). — Prothorax zonder naad
tusschen het ruggedeelte (pronotum) en de zijstukken (fig. 2),
slechts bij uitzondering aan weerszijden van een meer of minder
scherpen rand voorzien (fig. 4*) 3). Gewrichtsholten der
voorpooten aan de achterzijde door de epimeren van
den prothorax gesloten, wier takken tegen elkander
aanstooten en samengegroeid zijn (fig. 2***). Dien-
tengevolge zijn de Rhynchophora derhalve van de ware Coleoptera
onderscheiden, doordat bij het halsschild alsook bij den kop slechts
een enkele vergroeiingsnaad op het midden aan de
onderzijde aanwezig is (fig. 2* en 2**), welke soms geheel
verdwenen is 4). Op de binnenzijde der dekschilden bevindt zich
eene bijzondere groef, waarin de opgaande rand der
epimeren van den metathorax alsook die van de buik-
segmenten passen, waardoor het achtergedeelte van het lichaam
eene groote vastheid en stevigheid verkrijgt; deze groef ontbreekt
zelden 5). — Achterlijf met vijf buik-segmenten, waarvan
de twee eersten veelal vergroeid zijn. De schenen vertoonen zelden
bewegelijke doornen aan het uiteinde en zelden meer dan een
1) Behalve bij Rhamphus en Apion.
2) Behalve bij de (niet in Nederland voorkomende) Brenthidae, bij welke zij
snoervormig zijn.
3) Bij verscheidene Platyrrhinidae, de Derelomini onder de Curculionidae en
eenige Scolytidae (Scolytus).
4) Dit kenmerk komt, behalve bij de Rhynchophora, onder de ware Coleo-
ptera slechts als eenige uitzondering voor bij het niet-Europeesche genus Oos-
syphus, het Amerikaansche genus Nematidium (Colydiidae) en bij Zucnemus
rugicollis Ol. (Lathridiidae).
5) Onder de ware Coleoptera komt deze groef slechts bij enkele Buprestiden voor.
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN. 123
onbewegelijken doorn; bij soorten, bij welke de tarsen zijdelings
nabij den top ingeplant zijn, is deze doorn meestal verlengd en
gebogen; de andere tophoek is dan in eene meer of min vinger-
vormige voortzetting verlengd (fig. 6). Daar waar de achterschenen
aan den top afgeknot en uitgerand zijn, vormen zij eene opper-
vlakte, het «korfje » genaamd, welke glad of geschubd is !). —
Tarsen allen schijnbaar vierledig, daar het vierde lid altijd rudimentair
en slechts zelden zichtbaar is ?). Bij het genus Anoplus verdwijnt
het geheele klauwlid.
De wijfjes hebben veelal een langeren snuit dan de mannetjes,
daar zij dien gebruiken om gaten te boren in plantendeelen, en
de eieren met den weeken ovipositor daarin gelegd, dieper in te
schuiven. Een ander sexueel verschil is een bijkomend klein rug-
segment bij de mannetjes, dat intusschen niet altijd duidelijk
zichtbaar is, wijl het soms geheel teruggetrokken en door het
pygidium bedekt is. In andere gevallen is dit segment alleen aan
de onderzijde zichtbaar en doet zich dan voor als een zesde buik-
segment.
Er komen in deze groep nimmer soorten voor met weeke huid
of met weeke of verkorte dekschilden of zonder deze, dus meer
in larvenvormige gedaante.
Zij voeden zich, evenals hare larven, met plantenkost; alleen
de soorten van het genus Brachytarsus voeden zich met schildluizen.
De Coleoptera vera kunnen, volgens de onderstaande tabel,
in tien groepen verdeeld worden, die elk weder, door middel van
de daaropvolgende analytische tabellen tot het overzicht der familien
leiden.
De Rhynchophora worden dadelijk in familien verdeeld.
1) Bij de ware Coleoptera altijd glad en bij het Braziliaansche Cerambyciden-
genus Aypocephalus dicht behaard.
2) Bij het niet inlandsche genus Dryophthorus,
124 PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
Sub-orde I COLEOPTERA VERA.
1. Voortarsen in den regel vijfledig, zelden
vierledig, in welk geval de achter-
tarsen vijfledig zijn; of wel alle
tarsen duidelijk vierledig, in welk
geval de ringen van het achterlijf
chitineus en niet door de dekschilden
bedekt zijn (sommige Staphylinidae);
of de sprieten zijn onregelmatig (Hete-
roceridae) (fig.7), of naar het uiteinde
verdikt, knopvormig of met groote
eindleedjes; ook kunnen de tarsen
schijnbaar of duidelijk drieledig, ook
bo
wel tweeledig zijn . . . . . . . . 3
Alle tarsen schijnbaar vierledig, daar
het vierde lid rudimentair is en in
het tweelobbige derde lid verscholen
zit; de leedjes zijn aan de onderzijde
met eene breede, borstel- of spons-
achtige zool voorzien. Sprieten draad-,
borstel- of snoervormig, getand,
gezaagd, gekamd, naar het uiteinde
meer of min .verdikt of gezaagd, of
met vijf groote eindleedjes voorzien.
Alle soorten van deze afdeeling
leven als larve en als volkomen insect
van plantenvoedsel en zijn dikwerf
Schadelijk „ce En X. Phytophaga.
2. Achtertarsen vijfledig, of wel zij hebben
even als de voortarsen minder
leedjes '); zelden zijn zij vierledig
1) Onder anderen de Staphylinen-genera Oxytelus , Trogophloeus en Haploderus,
met drie tarsenleedjes, en Hypoeyptus en Oligota, met vier tarsenleedjes, alsook
de Pselaphiden en Clavigeriden met twee of drie tarsenleedjes.
>
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN. 125
bij vijfledige voortarsen, hetgeen dan
alleen bij het 4 het geval is (eenige
Cucujidae 1), Cryptophagidae ?) en
Nitidulidae) 3), of bij het d van
enkele Cisidae, waar een rudimen-
tair vijfde lid aan het uiteinde der
schenen kan worden waargenomen ;
of wel de dekschilden zijn afgeknot
(een enkele Histeride) 4), of wel de
sprieten hebben eene los gelede
knots, terwijl tevens de achter-coxae
tegen elkander aanstooten (eenige
Gleis). Has Ha sila Tee 3.
Achtertarsen vier-, voortarsen vijfledig.
Dekschilden nimmer recht afgeknot ;
sprieten snoer- of borstelvormig,
gezaagd, gekamd, geleidelijk verdikt
of onregelmatig, zelden met eene
los gelede knots bij wijd uiteen-
staande achter-coxae. De tot deze
afdeeling behoorende dieren hebben
de meest uiteenloopende levenswijze
en komen overal voor, behalve in
WALGER Sy jee. d'A. Ne, . «+ + IX, Heteromera.
5. Voorste coxae in den regel kogelvormig
of meer verbreed, door het proster-
num vaneen gescheiden, in de ge-
wrichtsholten ingesloten en daarin
draaibaar; zelden steken zij kegel-
1) Laemophlaeus en Pediacus.
2) Antherophagus, Cryptophagus en Emphylus.
3) Rhizophagus.
4) Acritus.
5) Opilo en Cleroides, bij welke de achtertarsen schijnbaar vierledig zijn,
omdat het zeer kleine eerste lid door het tweede bedekt is,
126 PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
vormig uit en stooten tegen elkander
aan, in welk geval de sprieten korter
zijn dan de tasters (eenige Hydro-
philidae) 1); of wel zij hebben eene
doorbladerde knots (eenige Scara-
baeidae) *), of wel de pooten kunnen
meer of min in groeven ingelegd
worden (enkele Dermestidae) 3). . 4.
De voorste coxae steken meer of min
kegelvormig uit en stooten meestal
tegen elkander aan *); zelden zijn
zij kogelvormig en steken niet uit,
in welk laatste geval de laatste rug-
segmenten chitineus zijn en zich
geen sprietgroeven op de onderzijde
van het halsschild bevinden (eenige
Staphylinidae) 5). Eenige weinige
soorten kunnen het lichaam geheel
tot een kogeltje samenrollen. . . . 9.
4, Er zijn drie paar tasters (twee paar
kaak- 5) en een paar liptasters)
voorhanden ; het eene paar der
kaaktasters is soms rudimentair, in
welk geval de middel- en achter-
pooten tot zwemmen zijn ingericht
1) B. v. Philydrus, Helochares en Helophorus.
2) B. v. Aphodius en Trox.
3) Dermestes.
4) Alleen bij het tot de Clambiden behoorende genus Cybocephalus steken zij
bijna niet uit en zijn zij door eene fijne prosternaal-kiel gescheiden; ook bij de
familie der Cisidae steken zij weinig uit en zijn zij door een even zoo hoog
prosternum gescheiden.
5) Piestini (Siagonium).
6) De buitenste mala der onderkaken is bewegelijk, tweeledig en vormt
daardoor het tweede paar kaaktasters (fig. 8), behalve bij het genus Callistus,
waar dit deel uit één stuk bestaat en de binnenste mala in de rust opneemt. —
De tweede kaaktaster is vierledig.
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN.
(Gyrinidae). Kin uitgerand. Sprieten
10- of 11-ledig. Het achterlijf be-
staat uit 6 tot 8 segmenten, het
eerste niet of ter nauwernood op
het midden zichtbaar. Loop- of
zwempooten. Voorste coxae in de
gewrichtsholten ingesloten, door het
prosternum gescheiden. Alle tarsen
vijfledig, slechts bij eenige Dyti-
cidae !) zijn de voortarsen schijn-
baar vierledig. — De soorten van
deze afdeeling leven, even als hare
larven, van roof ?). De zeer be-
wegelijke langgestrekte larven jagen
haren buit na, hebben enkelvoudige
oogen en tarsen met twee klauwen. I. Carnivora
Er zijn slechts twee paar tasters (een
paar kaak- en een paar liptasters)
aanwezig. Het achterlijf bestaat uit
o: segmenten …. a IU ROBY 4
5. Sprieten zeer kort of onregelmatig en
gewoonlijk met eene drieledige knots,
zelden draadvormig, in welk laatste
geval het klauwlid der tarsen in ’t oog
vallend groot is (eenige Dryopidae) 3).
Achterpooten soms tot zwemmen
ingericht ; tarsen allen vijf- of vier-
ledig. — De soorten van deze afdee-
ling leven in water, slib, modder,
op vochtig zand, enkelen in mest. Il. Hygrophili.
1) De tribus der Hydroporini.
(Adephaga).
127
2) Enkele soorten van de geslachten Amara, Ophonus en Zabrus zijn plane
tenetend.
3) Tribus der Helmini,
128
PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
Sprieten veel langer dan de tasters ,
van verschillenden vorm, doch nim-
mer onregelmatig. Prosternum altijd
chitineus. Zwempooten komen nim-
mer voor. — Landdieren ..... .
6. Sprieten met een zeer groot eerste lid
(scapus), daarop volgende kleinere
leedjes (funiculus) en met eene door-
bladerde knots (fig. 9). De krachtig
ontwikkelde voorpooten tot graven
ingericht, doordat de schenen aan
den buitenrand getand zijn; de
voorste coxae zijn breed, zelden
kegelvormig uitstekend. Tarsen allen
vijfledig ; bij enkele soorten ont-
breken de voortarsen geheel 1).
De larven (engerlingen) zijn dik
en week, bezitten een ronden harden
chitineusen kop, en voeden zich met
plantenkost of mest, waarbij zij altijd,
meestal in den grond, verborgen
leven. De kevers voeden zich met
bovenaardsche plantendeelen en zijn
niet zelden schadelijk . . . . . . .
Sprieten zonder doorbladerde knots
(fig. 10). Voorpooten zelden tot gra-
ven ingericht (Histeridae). . . . .
7. Achterste coxae dicht aaneengesloten,
van dekstukken voorzien, die de
basis der dijen meer of min in de
rust bedekken en zelden ontbreken,
in welk geval de sprieten gezaagd
1) Bij het niet inlandsche geslacht Afeuchus,
VI. Zamellicornia.
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN. 129
zijn (fig. 11) (Cerophytum). Alle
tarsen vijfledig. Dekschilden nimmer
algakmot una. Ap ORO BNL Dori, 8.
Achterste coxae meestal cylindervormig
of rondachtig , in de gewrichtsholten
meer of min bewegelijk ingesloten ,
ver van elkander afstaande, en
waartusschen het eerste buik-seg-
ment breed tegen het metasternum
aanstoot (eenige Colydiidae uitge-
zonderd) '); zonder dekstukken ,
welke bij uitzondering duidelijk
aanwezig zijn, in welk geval de
achter-coxae toch wijd vaneen staan
(Rhysodidae, genus LAysodes) ?).
Sprieten meestal met eene knots of
wel naar het uiteinde verdikt (bij
de Histeridae geknikt), zelden draad-
of snoervormig (enkele Cucujidae) 3).
Tarsen veelal minder dan vijfledig.
Dekschilden niet zelden afgeknot.
De soorten van deze afdeeling hebben
allerlei levenswijze, doch komen
nimmer in het water voor . . . . IV. Clavicornia.
8. Dijen, schenen en tarsen niet inlegbaar
in daartoe bestemde groeven. Pro-
sternum met eene naar achteren
gerichte voortzetting(«borststekel»),
welke in eene uitholling van het
mesosternum ingrijpt (fig. 42), Sprie~
1) Colydiini en Ditomini,
2) Niet inlandsch.
3) Bij Hyliota draadvormig, bij Cueujus snoervormig en bij Psammoechus
geleidelijk naar het uiteinde verdikt.
9
130 PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
ten snoervormig, gezaagd , gekamd,
zeer zelden met drieledige knots
(Throscus). De voorste coxae steken
nimmer kegelvormig uit. Enkel-
voudige oogen komen nimmer
voor. — De larven leven in hout,
de kevers gewoonlijk op planten . VII. Sternowia.
Schenen in daartoe bestemde groeven
aan den onderrand der dijen en
meestal ook de dijen aan de onder-
zijde van het lichaam inlegbaar; een
borststekel komt zelden voor !).
Sprieten naar het uiteinde verdikt
of met eene knots. De voorste coxae
steken soms kegelvormig uit. Enkel-
voudige oogen aanwezig. Larven en
kevers in droge dierlijke stoffen en
MMOS i sarto rellen of EME V. Brachymera.
9. Sprieten draad- of snoervormig, ge-
leidelijk verdikt of met eene niet
platte knots, of wel zij zijn haardun
of onregelmatig. Dekschilden dik-
werf afgeknot en tevens de rug-
segmenten chitineus. Achtertarsen
gewoon en dun; voortarsen zelden
verbreed en behaard ; aan alle tarsen
dikwerf minder dan vijf leedjes. —
Larven en kevers meestal in rottende
SOLO io... aaa III. Necrophagi.
Sprieten borstelvormig, gezaagd, ge-
kamd of met groote, platte eindleden.
Dekschilden nooit recht afgeknot.
Tarsen zelden met minder dan vijf
1) Bij de Dermestidae.
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN. 131
leedjes !). — De soorten van deze af-
deeling leven grootendeels van roof,
eenigen boren in hout of in fungi,
of knagen aan verdroogde dierlijke
stoffen, en worden dan soms scha-
dee hel B : » + + VII. „Malacodermata ?).
Groep I CARNIVORA (ddephaga).
4. Slechts twee oogen. Sprieten gewoon,
draad- of borstelvormig. Middelste
pooten tot gaan ingericht . . . . . 2.
Vier oogen, twee op de bovenzijde en
twee aan de onderzijde van den kop.
Sprieten van afwijkenden vorm, met
een groot oorvormig eerste lid,
waaruit de overige leedjes als eene
kleine spoelvormige knots uitsteken
(fig. 13). Middelpooten even als de
voorste geheel tot zwemmen in-
gericht. — De soorten leven in helder
water en draaien meestal aan de
oppervlakte snel rond. . . . Fam. V. Gyrinidae.
2. Laatste leedjes der sprieten viltig of
behaard. Looppooten...... BTE
Alle sprietleedjes glad. Zwempooten 3). 4.
1) De Cisidae hebben vierledige tarsen, doch bij uitzondering bezitten de
mannetjes eene aanduiding van een vijfde lid aan het uiteinde der schenen.
2) Deze benaming is minder juist, daar een groot aantal genera, welke de
Térediles van Latreille omvatten, eene harde huidbedekking hebben.
3) Dat wil zeggen, pooten die alleen in horizontale richting bewegelijk en
meestal met zwemharen bezet zijn.
132 PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
3. Sprieten op het voorhoofd naar binnen
boven de basis der bovenkaken in-
geplant (fig. 14). Lichaam slank
en krachtig. — De soorten van
deze familie jagen al vliegende en
loopende hare prooi na... Fam. I. Cicindelidae.
Sprieten op de zijden van den kop,
onmiddellijk achter de basis der
bovenkaken ingeplant (fig. 15).
Lichaam in den regel slank en
krachtig. — De soorten van deze
familie leven op den grond van roof ,
weinigen gaan op planten . Fam. II Carabidae.
4. Sprieten tienledig. Achterdijen aan de
basis door twee groote elkander
aanrakende coxaal-platen bedekt
(HO) TETE sv Fam. III. Haliplidae.
Sprieten elfledig. Achterdijen niet
bedekt. Lichaam schijfvormig , meer
of min horizontaal afgeplat. — Even
als die van de vorige familie, kevers,
die in het water van roof leven en
aan de oppervlakte een voorraad
lucht onder de dicht sluitende dek-
schilden medenemen. .... Fam. IV. Dyticidae.
Groep IL° HYGROPHILI.
4. Prosternum en trochanters der voor-
pooten van gewonen vorm..... 2.
Prosternum vliezig, door de plaatvor-
mig verbreede trochanters der voor-
pooten bedekt. Voorste coxae kegel-
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN. 133
vormig tegen elkander aan staande.
Alle tarsen vierledig. — Kleine
ronde kevertjes, die op vochtige
oevers onder aanspoelsel leven. Fam. X. Georyssidae.
2. Laatste tarsenlid en klauwen niet in
aap -vallend Brot... . 7: . 3.
Laatste tarsenlid en klauwen in ’t oog
vallend groot. Alle tarsen vijfledig.
Sprieten hetzij kort en onregelmatig
(fig. 17), of wel draadvormig. —
De soorten van deze familie leven
in water, bezitten eene haarbeklee-
ding welke het water afstoot , en
voeren haren luchtvoorraad als een
luchtbel om het lichaam mede. Fam. IX. Dryopidae.
3. Alle tarsen vijfledig. Voorste coxae
dikwerf kegelvormig uitstekend . . 4.
Alle tarsen vierledig ; de voorpooten
tot graven ingericht, doordat de
schenen plat en breed en aan den
buitenrand met tandjes bezet zijn.
Sprieten zeer kort; de wortelleden
groot, de volgenden eene smalle
gezaagde knots vormende (fig. 7). —
De soorten van deze familie leven
in slib, leem en zand langs oevers,
waar zij dicht aan de oppervlakte
gangen graven. ....... Fam. VILL. Heteroceridae.
4. Eerste tarsenlid korter dan het tweede.
Lichaam langwerpig of ovaal. Ach-
terpooten tot zwemmen of loopen
ingericht. Tasters meestal even lang
of langer dan de knotsvormige sprie-
ten. — De soorten van deze familie
134 PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
leven deels in water, deels in
modder , vochtig zand of slib. . Fam. VI. Hydrophilidae.
Eerste tarsenlid langer dan het tweede.
Lichaam rondachtig of kort eivor-
mig, gewoonlijk hoog gewelfd, Ach-
terpooten even als de anderen tot
graven geschikt, doordat de breede
platte schenen met krachtige door-
nen bezet zijn !). — De soorten
van deze familie leven, op eene
uitzondering na, in mest en in
vette aarde» IT en fe Fam. VII. Sphaeridiidae.
Groep III. NECROPHAGI.
4. Dekschilden niet of slechts een weinig
verkort, hoogstens een paar rug-
segmenten vrijlatend........ 2.
Dekschilden zeer verkort; de rug-seg-
menten van het achterlijf chitineus. 11.
2. Achter-coxae niet kegelvormig uitste-
kende; dekschilden soms een weinig
afgeknot” cot is aval: olet ete 3.
Achter-coxae kegelvormig uitstekende
en van elkander afstaande. Tasters
lang; laatste kaaktasterlid priem-
vormig of geheel ontbrekend. Sprie-
ten op het voorhoofd ingeplant, met
verdikte eindleedjes. Kop meestal
met een steeltje aan het halsschild
1) Bij het geslacht Oyclonotum, hetwelk in het water leeft, zijn de schenen
tijn gedoornd,
VERTEGEN WOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN,
verbonden. Dekschilden het achterlijf
geheel bedekkend. Ongevleugeld.
Tarsen vijfledig. — De meeste soorten
leven tusschen vergane planten en
dorre bladeren, eenigen in rottend
hout, vochtig mos en bij mieren. Fam.
Achter-coxae van elkander verwijderd.
Achter-coxae tegen elkander aan-
LEET TEEGEE
Tarsen drie- of vierledig. Lichaam
Uiterst: leita sais Beene a...
Tarsen duidelijk vijfledig. Dekschilden
aan het uiteinde afgeknot. — De
soorten leven in Fungi . . . Fam.
Pleurae van het metasternum zichtbaar.
Kop meestal door het halsschild
geheel bedekt. Achterlijf vrij lang.
Lichaam gewelfd. — De soorten zijn
kleine, in rottende plantenstoffen
levende kevertjes. . . . . . . Fam.
Pleurae van het metasternum niet
zichtbaar. Kop niet door het hals-
schild bedekt. Tarsen drieledig ,
schijnbaar eenledig, wijl de twee
eerste leedjes zeer klein zijn; tus-
schen de klauwen bevindt zich een
hechtborstel, welke in een klein
bolletje eindigt (fig. 18). Dekschilden
dikwerf afgeknot. Vleugels veder-
vormig (fig.19). Achterlijf zeer kort,
uit drie tot zeven segmenten be-
staande. Achter-coxae dikwerf tot
platen verbreed en de achterpooten
bedekkende. — Tot deze familie
XIII. Seydmaenidae.
4.
XX. Scaphidiidae.
XIX. Corylophidae.
135
136
8.
PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
behooren de kleinsten der bekende
Coleoptera; zij leven in rottende
plantenstoffen en droge mest. Fam. XVIII. Trichopterygidae.
Achter-coxae plaatvormig verbreed, de
achterpooten bedekkend. Tarsen vier-
of drieledig, dikwerf schijnbaar
eenledig. Dekschilden niet verkort.
Tachaamgeer klem: ACC se
Ed EAT ET RRR
Lichaam zonder kogelvermogen. Me-
sosternum en metasternum tot een
groot schild vereenigd. Achterlijf uit
drie segmenten bestaande . . Fam.
Lichaam meestal met kogelvermogen ;
de groote kop alleen en veelal kop
en halsschild kunnen tegen de on-
derzijde van de borst teruggeslagen
worden. Achterlijf uit vijf segmenten
samengesteld. Sprieten met twee
grootere eindleedjes. Schenen zonder
einddoornen. Voorste coxae meer of
minder verbreed.— De soorten leven
in vochtig hout en vergane planten
deelen ., ...2 2, BAUR EI ELI Fam.
Kop gebogen of kan met het halsschild
tegen de borst aangelegd worden.
Prosternum verkort, de voorste
coxae, welke kegelvormig uitsteken,
over hare geheele lengte innemende.
Sprieten in eene uitranding aan de
(Sphaeriidae)
XVII. Clambidae.
1) Alleen bij het Silphiden-genus Æucinetus, dat vijfledige tarsen bezit, zijn
de achter-coxae bladachtig verbreed.
2) De tusschen haakjes vermelde familien zijn niet in Nederland vertegen-
woordigd,
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN. 137
zijden van den kop, vóór de oogen,
ingeplant. Schenen met einddoornen. 9.
Kop schijfvormig uitgebreid, niet ge-
bogen, zonder oogen. Bovenlip hoorn-
achtig, met het voorhoofd vergroeid,
doch door eene rechte dwarsgroef
afgescheiden. Prosternum groot, bij-
zonder ontwikkeld, veel langer dan
de voorste coxae. Sprieten onder
den vlak uitgebreiden zijvand van
den kop ingeplant. Kin groot, den
mond meerendeels bedekkende. . . 10.
9, Episterna van het metasternum breed
en duidelijk. Lichaam zelden on-
beiaard: seta wa tens dus Fam. XV. Silphidae.
Episterna van het metasternum uiterst
smal, lijnvormig of geheel onzicht-
baar. Lichaam meer of min half-
kogelvormig of met volkomen kogel-
vermogen. Bovenzijde nagenoeg altijd
onbehaard, sors ee Lot vene Fam. XVI. Anisotomidae.
10. Sprieten onregelmatig. Prosternum
groot, als eene verheven plaat
uitstekende en de voorste coxae
bedekkende. Middelste coxae van
elkander afstaande. Dekschilden
verkort, vijf rug-segmenten vrijla-
tend. Ongevleugeld. Sprieten , ach-
terhoeken van halsschild, borst en
pooten met lange zwemharen be-
goti. fatelo sad son gita Fam. XIV. Platypsyllidae.
Sprieten draadvormig. Voorste coxae
vrij. Middelste coxae door eene kiel
van het metasternum gescheiden.
Dekschilden niet verkort. Schenen
138 PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
met doorntjes bezet. Lichaam fijn
behaard 27%. 24. PSO Fam. (Leptinidae).
11. Achterlijf uit vijf segmenten samen-
gesteld, welke onbewegelijk of ge-
deeltelijk vergroeid zijn. Tarsen
twee- of drieledig, zelden schijnbaar
FE (EE OT EC A, 12.
Achterlijf uit zes of zeven segmenten
samengesteld , welke onderling vrij
bewegelijk zijn. Tarsen vijf-, vier-
of drieledig, de voorsten soms
verbreed. — De larven en kevers
leven grootendeels van rottende dier-
lijke en plantaardige stoffen; zij
komen overal, behalve in water,
Voor gin kee Ik Fam. XI. Staphylinidae.
12. Sprieten elfledig, zelden tienledig.
Kaaktasters zeer groot, duidelijk
drie- of vierledig, het eindlid met
een klein aanhangsel. Tarsen twee-
of drieledig ir re Fam. XII. Pselaphidae.
Sprieten zesledig, de twee eerste
leedjes zeer klein, het laatste groot
(fig. 20). Kaaktasters zeer klein,
eenledig, ter nauwernood zichtbaar.
Tarsen drieledig (de twee eerste
leedjes zeer klein), met een enkelen
klauwen ot AOL Fam. (Clavigeridae).
Groep IV. GLAVICORNIA.
1. Voorste coxae groot, sterk verbreed,
eylındervormig : Ur NRE 2.
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN. 139
Voorste coxae rondachtig, hetzij ko-
gelvormig of iets verbreed .... 6.
2. Achterste coxae ver van elkander af-
staande, door eene breede voort-
zetting van het eerste buik-segment
PEG ET en a. à 3.
Achterste coxae nagenoeg tegen elkan-
der aanstootende, slechts door eene
smal toegespitste voortzetting van
het eerste buik-segment gescheiden.
Sprieten met drieledige knots. . . 5.
3. Sprieten geknikt (met eenen eind-
knop), welke veelal in daartoe be-
stemde groeven van het halsschild
kunnen ingelegd worden (fig. 21).
Pooten meestal in daarvoor be-
stemde groeven inlegbaar; vooral
de voorpooten tot graven ingericht.
Tarsen vijfledig, soms de achter-
tarsen vierledig, bij uitzondering
(Murmidius) alle tarsen vierledig,
in welk geval het eerste sprietenlid
zeer groot en verbreed en het tweede
lid aan de onderzijde daarvan in-
geplant is. Eerste huik-segment zeer
lang. Dekschilden afgeknot (behalve
bij Murmidius), het pygidium en
propygidium vrijlatend. Lichaam ge-
woonlijk breed en gedrongen , meer
of minder vlak en glad. — De
soorten leven in mest en aas,
eenigen onder boomschors en in
mierennesten, bij uitzondering in
waren cine poe VO: Fam. XXI. Histeridae.
140
4.
PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
Sprieten niet geknikt ........
De sprieten zijn geheel in diepe groe-
ven aan de onderzijde van het
halsschild inlegbaar; de sprietknots
is een ongeleed knopje. Tarsen
drieledig. Dekschilden verkort, de
vier laatste rug-segmenten vrij-
latende (fig. 22) At 2% Fam.
Slechts het eerste sprietenlid kan in
eene groef aan de onderzijde van
den kop opgenomen worden. Spriet-
knots duidelijk drieledig, of wel zij
bestaat uit één lid, dat aan den
top geringd is (Rhizophagini). Tarsen
vijfledig, zelden bij het & de ach-
tertarsen vierledig (Rhizophagini) ,
meestal de eerste leedjes breed en
het vierde lid veel kleiner dan het
derde. — De soorten leven groo-
tendeels op bloemen, eenigen achter
boomschors, in Fungi en op dier-
XXII. Micropeplidae.
lijkensatval! bg. A Gate Fam. XXIII. Nitidnlidae.
5. Tweede en derde tarsenlid breed , aan
de onderzijde lobvormig verbreed;
eerste lid duidelijk, het vierde zeer
klein. Prosternum tusschen de
voorste coxae toegespitst. — Op
MOLmMen END oe Fam.
Tarsen gewoon, het eerste lid klein
en moeielijk zichtbaar ; het klauwlid
groot, met een kleinen bijklauw
tusschen de klauwen. — De soorten
leven achter schors. . . . . Fam.
6. Achterste coxae in ’t midden nagenoeg
XXV. Byturidae.
XXIV, Trogositidae,
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN. 141
tegen elkander aanstootende, slechts
door eene smal toegespitste voort-
zetting van het eerste buik-segment
gescheiden. Achterlijf uit vijf seg-
menten samengesteld, van welke
de eersten nagenoeg even lang en
allen onderling vrij bewegelijk zijn.
Tarsenleedjes gewoon ....... 4:
Achterste coxae meer of minder van
elkander verwijderd en door eene
breede voortzetting van het eerste
buik-segment gescheiden, zelden
dicht aaneenstaande !), in welk
geval echter de drie eerste buik-
segmenten onbewegelijk zijn of het
klauwlid zeer groot is, of wel het
lichaam is lang en vlak. . . . .. 8.
1. Tarsen vierledig, bij het & de voor-
tarsen drieledig; klauwlid veel korter
dan de overigen te zamen. Meta-
sternum tusschen de middelste coxae
diep liggend en smal. Lichaam lang-
werpig , vlak gewelfd; de boven-
zijde meer of min behaard. Sprie-
ten met verdikte eindleedjes. —
De soorten leven hoofdzakelijk in
Fungi en achter boomschors. Fam. XXVI. Tritomidae.
Tarsen vijfledig, het vierde lid klein.
Metasternum tusschen de middelste
coxae eene hooge en breede voort-
zetting vormende. Lichaam eivormig,
hoog gewelfd, de bovenzijde glanzig.
Sprieten met drieledige knots. —
1) Bij eenige Colydiidae en Cucujidae,
142 PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
Kleine, op bloemen levende ke-
VERS zon nn et STORIA Fam. XXVII. Phalacridae.
8. Tarsen vijfledig of vierledig, doch
dan dun en cylindervormig . . . . 9.
Tarsen vierledig, de twee eerste leedjes
zeer breed, aan de onderzijde vilt-
achtig, het derde lid zeer klein, in
het tweede verborgen !). Sprieten
geleidelijk verdikt of met meerledige
ROB Se A CE Er ie ef
9. Achtertarsen smal, cylindervormig,
aan de onderzijde hoogstens met
haren Hezel rn. na u 10.
Alle tarsen vijfledig, de drie eerste
leedjes breed, aan de onderzijde met
eene dichtviltige zool voorzien ?).
Lichaam onbehaard . . . . . Fam. XXXII. Zrotylidae.
40. Voorste coxae kogelvormig, klein.
Tarsen meestal vier- of drieledig,
zelden duidelijk vijfledig. .... 41;
Voorste coxae eenigszins verbreed.
Tarsen gewoon, vijfledig 3); het
derde en vierde lid gewoonlijk weinig
in grootte verschillend, of wel het
vierde lid is kleiner dan de an-
deren 4). Lichaam in den regel
behaard 5). ......... Fam. XXXI. Cryptophagidae.
1) Bij de Mycetaeini zijn alle tarsen gewoon, in welk geval alle buikringen
vrij bewegelijk zijn.
2) Behalve bij Dacne, bij welke alle tarsen gewoon zijn; het onbehaarde
gladde lichaam doet dit genus bij de Erotylidae brengen.
3) Het £ heeft meestal vierledige achtertarsen.
4) Bij de Telmatophilini is het derde lid en dikwijls ook het tweede gelobt,
5) Bij Emphylus dof, bijna niet-, bij EpAistemus onduidelijk behaard.
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN.
11. Tarsen vijfledig, het eerste of het
vierde lid klein, bij het & soms de
achtertarsen vierledig (Cucujini),
zelden de voortarsen met vier, de
achtertarsen met drie leden (Mono-
tomini). Achterlijf uit vijf beweeg-
bare segmenten samengesteld, het
eerste en tweede nagenoeg even lang.
Coxae van elkander afstaande 1),
die der voorpooten kogelvormig.
Lichaam gewoonlijk lang gestrekt
en meestal zeer vlak. Kop zonder
sprietgroeven aan de onderzijde.
Sprieten elfledig, draadvormig of
met drie grootere tot eene knots
vereenigde eindleedjes, zelden tien-
ledig, met een grooten , onduidelijk
geringden eindknop(Monotomini).—
De soorten leven voor het meeren-
deel achter boomschors . . . Fam. XXIX. Cucujidae.
Tarsen vierledig , eylindervormig ;
meestal is het klauwlid even lang
of langer dan de drie eersten te
zamen, welke laatsten onderling
gelijk zijn. Achterlijf uit vijf seg-
menten samengesteld, de drie of
vier eersten veelal onbeweegbaar.
Sprietgroeven komen meestal niet
voor.
De soorten leven onder
boomschors, in Fungi, vermolmd
hout en tusschen plantenoverblijf=
BELENEN ZINE At ia IA a à
1) Bij Psammoechus dicht aaneenstaande,
143
144
PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
12. Sprieten acht- tot elfledig, knotsvormig
eindigende, de knots meestal een-
tot drieledig. Achterlijf uit vijf buik-
segmenten samengesteld. Voorste
coxae kogelvormig, dicht aaneen-
staande of slechts door eene fijne
kiel gescheiden, meer of minder in
de gewrichtsholten ingesloten. Tar-
sen slechts drieledig, zelden de
voortarsen vierledig. Lichaam lang-
werpig. Dekschilden aan het uiteinde
alverond. onee N Fam.
Sprieten tien- of elfledig 1), spoel-
vormig of wel draadvormig met ge-
ringden eindknop of met twee of
drie grootere eindleedjes. Tarsen met
vier gewone leedjes. Buik wit vijf
ringen samengesteld, van welke de
drie of vier eersten onbeweegbaar
zijn. Voorste coxae kogelvormig, die
der achterpooten in de breedte ge-
plaatst”. 5 … EURE HONTE, Fam.
13. Sprieten op het voorhoofd tusschen de
oogen ingeplant, niet terugtrek-
baar. Eindlid der tasters toegespitst.
Lichaam gestrekt en tamelijk vlak ,
met duideljken inham tusschen
halsschild en dekschilden 2). — De
soorten leven in Fungi en achter
vermolmde boomschors. . . . Fam.
Sprieten voor de oogen meestal onder
den zijrand van den clypeus inge-
XXX. Zathridudae.
XXVIII. Colydudae.
XXXII. Zndomychidae.
1) Bi de uitlandsche genera Dechomus en Pleganophorus acht- en vierledig,
2) Zeldzamer meer gewelfd (Mycetaea) of kogelvormig (Alexia).
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN. 145
plant, onder den kop teruglegbaar.
Eindlid der tasters bijlvormig.
Lichaam meestal hooggewelfd , half-
kogelvormig ; het halsschild met
de dekschilden in eene vlucht ge-
welfd. — De soorten leven op planten
en maken jacht op bladluizen; bij
uitzondering zijn zij plantelend. Fam. XXXIV. Coccinellidae.
Groep V. BRACHYMERA.
Voorhoofd met een ocel ; wanneer deze
echter ontbreekt (Dermestes), dan
steken de voorste coxae kegelvormig
uit en stooten nagenoeg tegen elk-
ander aan. Een borststekel is aan-
wezig. Het vermogen om de pooten
in groeven te leggen is weinig ont-
wikkeld (slechts bij dnthrenus meer
ontwikkeld, doch niet voor de tarsen).
Lichaam cylindervormig of eenigs-
zins vlak gedrukt. — De larven
leven in droge dierlijke stoffen en
worden dikwerf schadelijk. . Fam. XXXV. Dermestidae.
Voorhoofd zonder ocel. Voorste coxae
niet uitstekende, door het breede
prosternum gescheiden , dat met
eene breede voortzetting tegen het
mesosternum aanstoot. Het vermo-
gen om de pooten in groeven te
leggen meestal sterk ontwikkeld en
veelal tot de schenen en tarsen
bepaald. Lichaam hooggewelfd. —
10
146 PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
De soorten leven in mos, aanspoelsel
OL Pras B 4 Ne Te OE : Fam. XXXVI. Byrrhidae.
Groep VI. LAMELLICORNIA.
Sprietknots gekamd, uit smalle blaadjes
samengesteld (fig. 94). Sprieten
sterk geknikt, met een slank wortel-
lid. Bovenkaken gewoonlijk sterk
uitstekende. — De soorten leven
op planten en ontwikkelen zich
meestal onder de schors of in molm
van oude boomen ...... Fam. XXXVII. Lucanidae.
Sprietknots knop- of waaiervormig, uit
platte leedjes samengesteld. Sprieten
zwak geknikt, met een dik wortellid
(fig. 9, dc). De bovenkaken steken
weinig of niet over de bovenlip
uit. — De soorten leven op planten
of in mest en ontwikkelen zich vooral
in de aarde ; eenigen zijn als larven
schadelijk aan plantenwortels of ver-
woesten als kevers het loof. Fam. XXXVIII. Scarabaeidae.
Groep VII. STERNOXIA.
1. Halsschild onbewegelijk, met de dek-
schilden in eene vlucht gewelfd. Het
metasternum stoot gewoonlijk met
de voorzijde onmiddellijk tegen de
voortzetting van het prosternum
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN. 147
aan !), zoodat de kever den prothorax
niet benedenwaarts kan bewegen en
daardoor geen springvermogen heeft.
Mesosternum aan weerszijden slechts
voor een smal gedeelte zichtbaar ;
episterna van het metasternum
breed, meestal met driehoekige
epimeren ?). Kop zonder spriet-
groeven of bijaldien deze aanwezig
zijn, is de oppervlakte van het
lichaam metallisch. — De larven
leven in hout, de kevers op planten ,
enkelen onder steenen . . . Fam.
Halsschild in verticale richting be-
wegelijk, gewoonlijk naar de basis
der dekschilden toe afhellend gewelfd.
De voortzetting van het prosternum
kan in eene uitholling van het
mesosternum wegzinken; daardoor
kan de kever den rug krommen
door buiging van den prothorax
tegen den mesothorax. Episterna
van het metasternum smal, zonder
epimeren. Kop soms met spriet-
groeven, zonder dat de oppervlakte
des lichaams metallisch gekleurd is.
2. Kop aan weerszijden naast den cly-
peus met eene groef tot het in-
leggen van het eerste sprietenlid ,
of wel de sprieten bezitten eene
drieledige knots, of aan de achter-
ste coxae ontbreken de trochanters.
XXXIX. Buprestidae,
bo
1) Behalve bij de Zuid-Europeesche genera Julodis en Acmaeodera.
2) De epimeren ontbreken bij CArysobothris en eenige Agrilus-soorten.
148
1:
PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
De inham tusschen het halsschild
en de dekschilden is zwak aan-
geduid of ontbreekt geheel. Het hals-
schild is slechts weinig beweegbaar ,
waardoor het springvermogen ont-
breekt. — De soorten leven grooten-
deels achter boomschors, enkelen
op bladeren sne IR Fam.
Kop zonder sprietgroeven. Sprieten
naast de oogen ingeplant , gezaagd,
gekamd of waaiervormig. De inham
tusschen halsschild en dekschilden
sterk aangeduid, zoodat het midden
van de basis in ééne lijn met de
achterhoeken ligt, waardoor het
halsschild in verticale richting zeer
beweegbaar is; dientengevolge is
het springvermogen bijzonder ont-
wikkeld, daar de kevers, op den
rug liggende, na voorafgegaan strek-
ken, het lichaam plotseling buigen ,
waardoor de voortzetting van het
prosternum met kracht in eene
uitholling van het mesosternum
grijpt. — De larven leven in hout,
de kevers op planten, eenigen on-
der steenen en in aanspoelsel. Fam.
XL. Æucnemidae.
XLI. Hlateridae.
Groep VIII. MALACODERMATA.
Achter-coxae met trochanters voor-
zien. Halsschild niet over den kop
gewelfd. Kop veel kleiner dan het
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN.
halsschild. Dekschilden gewelfd, het
achterlijf tot aan de buik-segmenten
omsluitend. Sprieten op het voor-
hoofd voor den onderrand der
oogen ingeplant. Achterlijf uit vijf
segmenten samengesteld. Tarsen
vijfledig. Lichaam lang of kort
eivormig. — De soorten leven op
planten; eenigen ontwikkelen zich
im, het water. .. "=... sean Fam.
Achter-coxae zonder trochanters , of
wel het halsschild is over den kop
gewelfd. Kop meestal groot . . . .
Achter-coxae kogelvormig uitstekende,
tegen elkander aanstootende, zon-
der trochanters. Dekschilden meestal
dun. Vleugels dikwerf plat op het
achterlgf. hecend st. 5... 2
Achter-coxae niet kegelvormig uit-
stekende, meer of min van elkan-
der verwijderd. Dekschilden hard.
Tarsenleedjes driehoekig of hartvor-
mig. Lichaam meer of min vlak,
of wel verkort; het huidskelet meer
of min week. Tarsen vijfledig ,
zelden bij het 3 de voortarsen
vierledig. — Larven en kevers
leven meestal van roof; de kevers
vliegen meestal goed en leven in
den zonneschijn. ...... Fam.
Tarsenleedjes cylindervormig. Tarsen
zeer lang, vijfledig. Lichaam lang
eylindervormig. Sprieten aan den
zijrand van den kop ingeplant.
Dekschilden aan het uiteinde diver-
XLII. Dascillidae.
19
XLIII.
Cantharidae.
149
150 PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
geerend. — De larven boren in
hout en zijn soms schadelijk. Fam. (Lymeaylonidae).
4. Tarsen aan de onderzijde met vliezige
blaadjes bezet. vier- of vijfledig,
minstens het voorlaatste lid twee-
lobbig. Achter-coxae zonder tro-
chanters. Kop gebogen, niet terug-
trekbaar, de schedel van boven
zichtbaar, Lichaam meestal lang-
harig. — De larven maken in het
hout jacht op andere larven , eenigen
leven in bijennesten, eenigen in
dierenhuiden en in aas . . . Fam. XLIV. Cleridae.
Tarsen zonder vliezige blaadjes aan de
onderzijde. Kop geheel naar onderen
gericht, van boven niet zichtbaar,
meer of min in het halsschild terug-
trekbaar !), Trochanters voorhanden. 5.
5. Dijen tegen kleine trochanters scheef
aangelegd. Tarsen vijfledig; het eerste
lid zeer klein, veelal moeielijk zicht-
baar; het tweede en vijfde het langst;
zeldzamer zijn de tarsen vierledig
(Psoa en Cisidae) ?). Kop klein, meer
of min door het groote halsschild be-
dekt (behalve bij Psoa). Sprieten met
drie grootere eindleedjes. Lichaam
meer of min cylindervormig. . . . 6.
Dijen tegen den recht afgeknotten top
der soms sterk verlengde trochanters
aangelegd. Tarsen duidelijk vijfledig.
1) Behalve bij het niet inlandsche genus Psoa.
2) Bij uitzondering heeft het g van enkele Cisidae eenig spoor van een vijfde
lid aan den top der schenen.
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN. 151
Sprieten draadvormig, gezaagd , ge-
kamd of met drie grootere eind-
leedjes. Kop groot, door het hals-
send overwelldt.. «xt. cue … 7.
6. Tarsen vijfledig; het eerste lid zeer
klein, veelal moeielijk zichtbaar ; het
tweede en vijfde het langst. Kop
verticaal geplaatst, in het halsschild
teruggetrokken (behalve bij het niet
inlandsche genus Psoa, bij hetwelk
de tarsen vierledig zijn). Sprieten
aan de zijden van het voorhoofd
ingeplant. — De larven en kevers
leven in hout, Fungi en waren. Fam. XLVII. Bostrychidae.
Tarsen vierledig, zelden bij het ¢ de
aanduiding van een vijfde lid aan het
uiteinde der schenen. Kop onder het
halsschild verscholen. Sprieten op
den voorrand der oogen ingeplant. —
Larven en kevers in Fungi. . Fam. XLVII. Cisidae.
7. Sprieten ver van elkander verwijderd,
meer of min aan de zijden van het
voorhoofd ingeplant, gezaagd, ge-
kamd of met drie grootere eindleed-
jes, bij uitzondering draadvormig
(Hedobia). Lichaam eylindervormig,
tusschen halsschild en romp niet
ingesnoerd. — Larven en kevers
in hout: . . 2 . 200,0. vn Fam. XLVI, Anobiidae.
Sprieten op het voorhoofd dicht bij
elkander ingeplant, draadvormig.
Lichaam tusschen halsschild en romp
ingesnoerd, gewoonlijk meer of min
eivormig of kogelrond, sterk gewelfd,
152
PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
de mannetjes meestal meer of min
cylindervormig. — Larven en kevers
in hout, waren, leder, drogerijen
ENZ ve IR Make Ram ATEN EIA:
Groep IX. HETEROMERA.
1. Voorste coxae kogelvormig of ovaal,
in de van achteren gesloten ge-
wrichtsholten meer of minder in-
gesloten, nooit verder uitstekende
dan de zich daartusschen bevindende
voortzetting van het prosternum.
Achterste coxae door eene voort-
zetting van het eerste buik-segment
gescheiden, welke in eene uitran-
ding van het metasternum past.
Buik en metasternum in één vlak
gelegen. Tarsklauwen altijd gewoon.
Sprieten onder den zijrand van den
kop ingeplant. — De larven, welke
eenigszins gelijken op die der Ela-
teriden, leven in dierlijke en plant-
aardige stoffen, dikwerf in den
grond; de kevers zijn meestal donker
gekleurd, ongevleugeld en leven op
den grond. (Eene zeer groote familie,
die vooral in het Zuiden van Eu-
ropa vertegenwoordigd is)... Fam.
Voorste coxae nagenoeg altijd tegen
elkander aanstootend en altijd ke-
gelvormig uitstekend, bij uitzonde-
ring door eene voortzetting van het
XLIX. Zenelrionidae.
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIDN,
prosternum gescheiden. Achterste
coxae altijd tegen elkander aan-
staande, zelden door eene voort-
zetting van het gewoonlijk dieper
dan het metasternum gelegen eerste
buik-segment gescheiden. Tars-
klauwen dikwerf getand, kamvormig
of gespleten. Sprieten niet zelden
gezaagd, gekamd of waaiervormig.
Gewrichtsgroeven der voorste coxae
nagenoeg altijd open. ....... 2.
2. Halsschild met scherpe zijranden. . . 3.
Halsschild aan de zijranden, ten minste
van voren, zeer stomp of afgerond. 5.
3. Kop recht vooruitstekend of zwak
gebogen, zelden in het halsschild
sterk teruggetrokken, van achteren
nimmer halsvormig versmald ... 4.
Kop verticaal, met den mond tegen
de voorste coxae aangelegd, met
hooggewelfden schedel, veel breeder
dan de voorzijde van het halsschild
en door eene soort van steel daar-
mede verbonden. Achterste coxae
meestal zeer breed, plaatvormig. —
Kleine, buitengewoon bewegelijke
kevertjes, welke zich gaarne op
bloemen ophouden en zich door
spartelende bewegingen zoeken te
redden . ........... Fam. LVI. Mordellidae.
4. Tarsenklauwen kamvormig getand. —
De soorten leven vooral op blade-
ren en bloemen, eenigen achter
schors ...........+. Fam. L. Cistelidae.
153
154
PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
Tarsenklauwen in den regel gewoon,
zeer zelden aan den top gespleten
of aan den wortel met eenen tand.
Kop tot aan de oogen in het hals-
schild verzonken, veelal door het
halsschild kapvormig bedekt. — De
soorten leven hoofdzakelijk in hout en
achter schors, eenigen in Fungi. Fam.
Kinplaat onmiddellijk op den meer of
minder rechten band van de keel-
uitranding opzittend (fig. 234) . .
Kinplaat op eene kortere of langere
voortzetting in het midden van den
keelrand naar voren opzittend (fig.
LIES PORSI ele
Tarsen gewoon, of het voorlaatste lid
hartvormig of zwak tweelobbig.
Gewrichtsgroeven der voorpooten
van achieren Open Beast
Minstens het voorlaatste lid der ach-
tertarsen breed en aan de onder-
zijde viltig behaard. Sprieten draad-
vormig. Gewrichtsgroeven der voor-
pooten van achteren gesloten . Fam.
Kop naar achteren plotseling versmald ,
door een dunnen steel met het
halsschild verbonden (fig. 24). . .
Kop meer of min snuitvormig verlengd,
van achteren weinig versmald en
door eene breede basis met het
halsschild samenhangend (fig. 25).
Sprieten kort, snoervormig. — Op
bloemen, op hout en achter boom-
LIL. Melandryidae.
LI. Zagrüdae.
schors se Wenn ur Fam. LX. Pythidae.
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN. 155
8. Achterste coxae tegen elkander aan-
staande. Eerste lid der achtertarsen
veel langer dan de volgenden te
zamen ….... he a. lui Fam. LIT. Pedilidae.
Achterste coxae door eene voort-
zetting van het eerste buik-segment
van elkander gescheiden. Eerste lid
der achtertarsen niet langer dan
de volgenden te zamen .. . Fam. LIV, Anthieidae.
9. Tarsklauwen gewoon, getand of slechts
aan den top gespleten . . . . . . 10.
Tarsklauwen volkomen in twee deelen
gespleten, een fijner en een krach-
tiger, veelal getand of gekamd
gedeelte. Kop van achteren sterk
ingesnoerd en tegen het halsschild
aangedrukt ; de schedel meestal hoog
gewelfd. Dekschilden veelal diver-
geerend of verkort. Sprieten ge-
zaagd, snoervormig, met verdikte
leedjes, knotsvormig of onregelmatig
verbreed. — Alle soorten van deze
familie bevatten eene scherpe blaar-
trekkende stof (« Cantharidine ») ;
zij leven deels op planten , dik werf in
groot aantal bijeen, deels op den
grond. De larven leven parasitisch
en doorloopen eene merkwaardige
dubbele metamorphose . . . Fam. LVIII. Meloidae.
10. Sprieten gezaagd, gekamd of waaier-
VOIE nt» ann ae UU,
Sprieten op het voorhoofd ingeplant,
draad- of borstelvormig, zeer zelden
gezaagd, in welk geval echter de
kop niet door een dunnen hals met
156 PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
het halsschild verbonden is. Dek-
schilden smal, dikwerf divergee-
rend. — De soorten leven meestal
op bloemen, vliegen snel in den
zonneschijn; enkelen zijn nacht-
dicren > DE Lega ° .. «+ Fam. LIX. Oedemeridae.
41. Dekschilden veel breeder dan het
korte, breede, aan de zijranden
afgeronde halsschild. Lichaam vlak
en breed. Sprieten vóór eene uit-
randing der oogen ingeplant. —
Kevers onder boomschors en op
bloemen: tss maine Fam. LV. Pyrochroidae.
Dekschilden niet of slechts weinig
breeder dan het naar voren ver-
smalde halsschild. Kop met zeer
hoog gewelfden schedel of op de
onderzijde gebogen. — De larven
leven meestal parasitisch . . Fam. LVII. Rhipiphoridae.
Groep X. PHYTOPHAGA.
1. Kop met rudimentairen snuit, achter
de oogen meestal halsvormig inge-
snoerd (fig. 26). Sprieten op het
voorhoofd in eene uitranding der
oogen ingeplant, gezaagd, gekamd
of geleidelijk verdikt. De dekschil-
den laten het pygidium meestal
onbedekt. Voorste coxae min of
meer kegelvormig en veelal tegen
elkander aanstootende; achter-coxae
breed, met gebogen achterrand.
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN, 157
Achterpooten langer dan de voor-
pooten, met lange tarsen, waarvan
het eerste lid zeer lang en even
als het tweede smal, het derde
tweelobbig is. Dijen veelal getand
of verdikt. — De larven zijn meestal
pootloos en vernielen de vruchten
der Leguminosen; de kevers leven
op bloemen en vliegen snel. Fam. LXI. Bruchidae.
Kop niet snuitvormig verlengd. Voorste
coxae meestal kogelvormig; achter-
coxae smal, van elkander afstaande. 2.
2. Sprieten draad- of snoervormig, of
naar het uiteinde iets verdikt,
meestal korter dan het halve lichaam.
Lichaam meestal kort en gedrongen,
in den regel onbehaard en glan-
zig. — De larven leven meestal
vrij op de planten, hebben pooten
en zijn bont gekleurd ; enkelen leven
in plantendeelen en zijn kleurloos ;
de soorten van deze groote familie
treden dikwerf in massa op en
worden dan schadelijk. . . . Fam. LXII. Chrysomelidae.
Sprieten meestal borstelvormig, d. i.
naar het einde dunner, soms ge-
zaagd of gekamd, meestal langer
dan het halve lichaam, zelden
snoervormig, doch dan in eene
uitranding der oogen ingeplant.
Lichaam meer of minder gestrekt,
gewoonlijk behaard. — De larven
zijn pootloos of hebben zeer kleine
voetstompjes; zij zijn kleurloos en
maken gangen in hout of sten-
158 PROEVE EENER RANGSCHIKKING DER IN NEDERLAND
gels !); de kevers leven op bloemen ,
honig lekkend, of op versch geveld
hout, eenigen op den grond. Fam. LXUI. Cerambycidae.
Sub-orde I. RHYNCHOPHORA.
4. Kaaktasters gewoon, buigzaam. Bo-
venlip duidelijk aanwezig. Sprieten
recht. Pooten niet tot graven ge-
sehikt.. a eme lie LEET Bae 2.
Kaaktasters abnormaal, kegelvormig,
stijf; de leedjes geleidelijk in grootte
afnemende. Bovenlip bij uitzonde-
ring duidelijk, in welk geval de
pooten tot graven zijn geschikt. . 3.
2. Voorste coxae klein, kogelvormig. Py-
gidium meer of minder vrij, on-
bedekt. Sprieten onder den zijrand
van den snuitvormig verlengden kop
ingeplant (behalve bij Choragus) en
van de oogen verwijderd, met los
gelede knots. Snuit meestal breed,
zelden smaller dan de kop. — Achter
boomschors, zelden op bloemen. Fam. LXVI. Platyrrhinidae.
Voorste coxae vrij groot, kegelvormig.
Pygidium door de dekschilden be-
dekt. Sprieten op den snuit inge-
plant, met drie groote eindleedjes.
Snuit veel smaller dan de kop. Fam. LXV. Nemonychidae.
3. Pooten ongeschikt tot graven; de voor-
schenen zonder tandjes langs den
1) Eenigen leven onderaardsch.
VERTEGENWOORDIGDE COLEOPTERA-FAMILIEN. 159
buitenrand. Tarsen met borstel- of
sponsachtige zool en meer of minder
verbreede leedjes, waarvan het derde
tweelobbig is; zelden zijn alle tar-
senleedjes smal, rondachtig of zonder
zool. Snuit duidelijk , van zeer ver-
schillende lengte (fig. 27). — Eene
zeer groote familie, wier soorten veel-
al in massa optreden en dan schade-
lijk zijn; zij leven op planten,
slechts weinigen onder steenen. Fam. LXIV. Cureulionidae.
Pooten tot graven geschikt, platge-
drukt; de voorschenen bijna altijd
aan den buitenrand getand of ge-
karteld (fig. 28). Tarsen zonder zool,
met draadvormige leedjes, waarvan
het derde slechts zelden iets twee-
lobbig of hartvormig is. Snuit ru-
dimentair (fig. 29). Oogen uitgerand
of gedeeld. — Larven en kevers
leven onder schors of in splint van
verschillende boomen, enkelen in
vruchten en zaden. ........ 4
4. Eerste tarsenlid veel korter dan de
drie volgenden te zamen. . . Fam. LXVIL Scolytidae.
Eerste tarsenlid bijna even lang als
de drie volgenden te zamen; het
vierde is duidelijk zichtbaar aan de
basis van het klauwlid. Halsschild
aan weerszijden met een’ indruk ,
ter opneming der voorschenen (fig.
285). Sprieten slechts met zes
leedjes ............ Fam. (Platypidae).
Lr"
160 IN NEDERLAND VERTEGENW. COLEOPTERA-FAMILIEN.
Plaat 4.
Fig.
VERKLARING DER AFBEELDINGEN.
Kop en pronotum van Carabus catenulatus.
Kop en pronotum van Ziparus germanus.
Spriet van Sciaphilus muricatus.
Kop en halsschild van Macrocephalus albidus.
Onderkaak van Sciaphilus muricatus.
Scheen en tars van Juparus germanus.
a. buitenzijde; 4. binnenzijde.
Spriet van Heterocerus.
Onderkaak van Flaphrus.
Sprieten van Lucaniden en Scarabaeiden.
a. Lucanus ; b. Geotrupes; e. Melolontha &.
Sprieten van Mister (a) en Neerophorus (0).
Spriet van Cerophytum.
Onderzijde van Buprestis.
Spriet van Gyrinus.
Kop van Cicindela.
» » Carabus.
Onderzijde van Haliplus.
Spriet van Dryops.
Tars van Trichopteryz.
Vleugel van Trichopteryx.
Spriet van Claviger.
Onderzijde van kop en halsschild van Zuster.
Micropeplus porcatus.
Kinplaat van Pytho (a) en Nacerdes (6).
Kop en halsschild van Anthieus bimaculatus.
Kop van Rhinosimus ruficollis.
Kop van Bruchus.
Snuit van Zepyrus (a), Orobitis (b) en Polydrosus (c).
Kop, halsschild en graafpooten bij Scolytus (a) en
Platypus (0).
Snuit van Hylastes.
LE MUSCLE SPIRAL
ET
LA VESICULE DU PALPE DES ARAIGNEES MALES,
PAR
A. W. M. VAN HASSELT.
(Avec des Annotations et des Figures; Planche 6 et 7).
Depuis plusieurs années j'ai étudié l’anatomie et la physiologie
des palpes (de onderkaak-voelers, — les pattes mâchoires, —
die Kiefer-Tastern) des araignées males.
Quoique le plus souvent leur organisation soit très compliquée et
‚leur fonction assez bizarre, la connaissance, longtemps incomplète,
de l’une et de l’autre, semble maintenant ne laisser pas beaucoup
à désirer. Des observations nombreuses et des recherches plus ou
moins sérieuses de beaucoup d’aranéologues, tant anciens que
modernes, on pourrait même déduire, qu'il n’y reste rien à
ajouter.
C'est à la réfutation d’une telle déduction que je me propose
de faire servir les pages suivantes, surtout en regard d’un organe,
réputé accessoire et qualifié du nom de muscle spiral, dont
les caractères spéciaux me paraissent n’étre connus que bien
imparfaitement.
Mais avant d’entrer en matière, je crois qu'il ne sera pas superflu
de la faire précéder d'un apergu sur la construction des palpes et
sur la copulation en général,
11
162 LE MUSCLE SPIRAL ET LA VESICULE
LA ‘CONSTRUCTION DES%PALPES!
Il se présente ici une anomalie très singuliére dans l’éloignement
du penis, tout à fait séparé des testicules. Ceux-ci sont contenus,
comme partout, au ventre, tandis que la verge s’en trouve isolée
dans les palpes. Une combinaison directe entre eux n’a jamais pu
être constatée. Leur indépendance anatomique ne laisse plus de
doute. C'est cette particularité, qui a fait dire à Mr. Lebert: « Die
« Tasterkolben des Männchens bilden die Ureigenthümlichkeit der
« wahren Spinnen. So viel ich weiss, existirt in der ganzen Natur
«kein gleiches Organ bei Thieren » (1).
L’organisation typique des parties essentielles des palpes, —
bien que modifiée selon les espéces, — se retrouve assez régulière-
ment dans tout cet ordre des Arachnides. D’un autre côté ils offrent
des différences morphologiques énormes, surtout produites par la
présence de certaines pièces appendiculaires solides, d’un aspect
nommé avec raison par Mr. Walckenaer «vraiment protéiforme ».
Ces appendices, — qui pourtant ne se rencontrent pas toujours, —
sont d’une nature chitineuse , dite « cornée », et d’une couleur sombre,
brune ou noire. Ils ne sont pas bornés à l’article tarsal (ou digital),
mais l’environnent du côté de l’article tibial (ou radial), d’où ils
sont originaires pour la plupart. D’une grande utilité pour la
classification, ils ne jouent qu’un rôle secondaire dans la copula-
tion, pendant laquelle ils fonctionnent comme des instruments
d’attachement aux génitaux des femelles, en guise de griffes
(« Haken», — «Halter», — «retinacula » Menge) (2). En glissant
sur leurs modifications, comme sur les variations multiples des
autres parties, je me bornerai à une esquisse des palpes à type.
plus ou moins simple (3).
Au dernier article du palpe, le tarse, on distingue sa lame et
son bulbe.
La lame (lamina Westring) (4) est le support du bulbe, qu'elle
cache ou enveloppe en partie. Ovale, convexe et velue à l'extérieur,
elle est concave et lisse à l'intérieur, plus ou moins creusée en
forme de cuiller ou de nacelle. Cette cavité se nomme le bassin
(alveolus Westring) (5).
DU PALPE DES ARAIGNEES MALES. 163
Le bulbe (bulbus genitalis auctorum) (6) s’attache par sa base
au fond du bassin tarsal au moyen d’un tissu fibreux propre,
connu sous le nom de «muscle spiral»,
Ordinairement le bulbe, — du reste polymorphe, — est tant
soit peu sphérique ou pyriforme, à parois composées de chitine
brunâtres ou noires. Par une forte loupe ou sous le microscope
(sans ou surtout avec l’aide du traitement potassique, pour augmenter
sa transparence) on distingue toujours dans son intérieur l'existence
d'un tube souvent simple, mais généralement assez compliqué.
D'un tégument également de chitine, mais celle-ci plus mince
et flexible, dite membraneuse, ce tube consiste par exception en
un sachet simple, ou pour la plupart en un réservoir cylindroide,
à circonvolutions plus ou moins multiples, terminé, vers sa base
grossie, en cul de sac. Chez les individus adultes il renferme ,
presque toujours, des éléments spermatiques, souvent en trés
grande quantité, d'où il a recu le nom de tube séminifère
ou spermophore (spermophorum Bertkau) (7). En haut il se
rétrécit dans un canal de longueur très variable, qui se prolonge ,
au devant du bulbe, en une apophyse styloide, pareillement d’une
longueur comme d’une épaisseur bien différentes.
Ce canal, — qui doit être considéré comme le conduit ex-
créteur du tube spermophore, — est perforé à son extrémité,
où l’on peut apercevoir, à l'oeil armé, une petite ouverture ronde
ou une fente longitudinale (8). C’est sa saillie styloide, qui remplit
ici, sans aucun doute, le rôle de conjoncteur (penis Lyonet) (9).
Dans son voisinage immédiat, ou aux entours, s’eleve, aussi
en avant du bulbe, une autre apophyse non moins remarquable
quant à sa valeur pour la copulation. Moins pointue, plus lamel-
laire, elle est ou d’une nature solide, à texture chitineuse, ou
d'une consistance plus molle, en entier ou en partie fibro-mem-
braneuse , et montre une construction extrèmement variable, dans
laquelle on observe souvent à la fois ces deux variations chez la
même espèce. Pendant longtemps, quoiqu’a tort, considérée par
Mr. Menge comme un réservoir permanent de la semence (der
Samenträger, spermophorum) (10), elle mérite, avec plus de
164 LE MUSCLE SPIRAL ET LA VESICULE
droit, la dénomination, d'une date antérieure, de conducteur
du penis selon Lyonet, réhabilitée par Mr. Bertkau et par moi,
ou bien, dans ses modifications membraneuses, celle de fourreau
ou de gaine du conjoncteur (vagina penis). (Voir pour celle-ci
le Supplement).
A la fin de cette exposition succincte des diverses parties des
palpes masculins, je dois y ajouter la remarque, qu’il règne ici,
parmi beaucoup d'écrivains, toujours encore une confusion singulière
dans la nomenclature, provenant du manque d’une détermi-
nation conforme, fondée suffisamment sur des notions saines, tant
anatomiques que physiologiques (10 bis).
[ASCO PIET TOINE
‘ Laissant de côté l’utilité tactile et tant soit peu motrice des
palpes, je me bornerai au rôle extraordinaire, qu’ils sont appelés
à remplir dans l'acte du coit. Leur travail particulier, qui avait
attiré fréquemment l'attention des anciens naturalistes, et qui depuis
a été étudié avec soin par plusieurs zoologistes célèbres, pendant plus
d'un siècle, est resté néanmoins bien longtemps très énigmatique.
L’origine de sa connaissance plus exacte date, comme on sait, de
la découverte méritoire de Mr. Menge (1840), constatée par des
observations, toujours rares encore, d’un petit nombre d’autres
aranéologues, comme aussi par moi même (41). Grace a lui, on
sait maintenant, que les palpes commencent leur ouvrage par un
avant-acte bien remarquable, dans lequel ils font office d’instru-
ments de transport (« Uebertrigungs-Organe » selon Mr. Menge),
qui se chargent, avant le coit, d'une quantité suffisante de l’humeur
prolifique. C’est pour cela que le male adulte se prépare une petite
toile spéciale, d'une forme plus ou moins triangulaire, sur
laquelle (12) il décharge une ou plusieurs gouttes spermatiques,
provenant des conduits extérieurs des testicules, situés dans la
portion antérieure du ventre. Pour activer cette besogne, l’araignée
exécute des mouvements alternatifs de va et vient, en frottant et
pressant le ventre contre sa toile, Selon les observations de Mr.
DU PALPE DES ARAIGNEES MALES. 165
Maule Campbell, ils se trouvent des organes auxiliaires,
presque -microscopiques , à l’entour de l’orifice testiculaire, qui prete-
raient leur coöpération dans les détails de cet acte préliminaire (13).
Après son effusion on voit disparaître le sperme tout de suite (14).
Il est recueilli alors par les extrémités des deux palpes, pour sé-
journer plus ou moins longtemps dans ces organes, réservé à |’ usage.
Suivant idée primitive de Mr. Menge, — adoptée encore dans
notre temps par M.M. Lebert et Fickert, — le fluide spermatique,
enlevé, sans doute, par son «spermophore», y resterait
en dépôt, ainsi en dehors du bulbe génital. Dans le coit le
conjoncteur s'en imprégnerait et le pousserait, par des frottements
répétés, comme par un balai, dans les ouvertures génitales des
femelles. Plus tard Mr. Menge a dû quitter cette théorie fautive,
réfutée, comme elle fût, sans réplique, par Mr. Bertkau et quelques
autres, comme par moi même. Le sperme déchargé ne séjourne
point en dehors, mais pénêtre au dedans du bulbe et s’accumule
dans son tube séminifére. C’est celui-ci qui contient ou un amas
de spermatozoïdes libres de forme différente, ou bien des cellules
spermatiques spéciales. Principalement vers sa base ce tube en
peut regorger tellement, qu’il montre, sans, ou mieux encore après
une préparation pour augmenter son transparence, un aspect
granuleux, quasi glandulaire.
Séduit par cette disposition vraiment trompeuse, — comme j'en
ai fait moi-même l'expérience (voir Annot. 7), — Mr. Fickert a
présumé existence d'un «tissu glandulaire» dans ce tube, ana-
logue a la prostata des vertébrés. En combinant sa « découverte »
avec la fonction supposée du spermophore de Menge, il eut l'idée
(erronée), que son «liqueur prostatique » fut nécessaire pour
diluer ou arroser le sperme déposé sur cet organe (Fickert’s
« Befeuchtungs-Theorie ») (15).
D'après cet apercu la copulation des araignées serait un acte
assez simple. Il est vrai qu'on peut décrire la destination des
palpes en peu de mots. Renfermant un conjoncteur isolé, qui
remplace le penis, et un tube spermophore, qui occupe la place
166 LE MUSCLE SPIRAL ET LA VÉSICULE
des vesiculae seminales, ils ne sont ici que des instruments inter-
médiaires, destinés au transport du sperme dans les receptacula
seminis des femelles (16). Mais quand l’on y regarde de plus près,
on devra m’avouer, que le modus quo anatomo-physiologique de ce
«transport » n’est pas encore éclairci avec assez de précision dans
tous ses détails.
Que sait-on, par exemple, du procédé, par lequel la semence
expulsée fait son entrée dans le tube spermophore ? Sa collection
par les palpes, comme je l’ai observée à deux fois chez l’Ocyale
mirabilis Clk., s'exécute avec tant de vitesse, qu’il m'a été im-
possible d'en distinguer les particularités. Tout de suite après
l’éjaculation les bouts des palpes se dirigent en arrière de la toile
spéciale, au lieu précis de l’öpanchement (17). Frémissante d’une
agitation extrême l’araignée semble frapper là dessus alternativement
avec les extrémités des deux palpes, qu’il agite très rapidement
comme les baguettes d'un tambour (18). Dans cet acte la semence,
selon l’explication primitive de Mr. Menge, est ramassée, à l'aide
du conjoncteur et parfois des retinacula, principalement par son
«spermophore», comme dans un cuiller (voir Annot. 10). Encore
de ces jours ci, Mr. Campbell a confirmé cette observation, quand
il dit, pour ses Tégénaires: «It seemed, as if the semen, con-
«tained upon the silken sheet, were being shaken into the
«spoonshaped cavity of the palpi» («spermophorum » Menge)»
(voir Annot. 14, Loc. cit. p. 165). Cependant cet auteur n’em-
brasse pas l’idée ancienne de Menge d'un dépôt permanent
sur le «spermophore». Il me parait, qu'il le considère avec moi,
à droit, comme un lieu de halte temporaire. Du moins à la
phrase citée il fait suivre: «previous to its collection by the
«embolos (le penis), the concave spatulated opening of which is
«well adapted for the entrance», d'où je conclus, qu'il suit aussi
la doctrine de nos jours sur l'entrée de la semence au dedans du
bulbe. Mais ni chez lui, ni chez d’autres observateurs, on n’ap-
prend rien du tout sur le mécanisme de cette introduction.
Une seule indication passagère là dessus est parvenue à ma connais-
sance, donnée par Mr. Bertkau. Quoique en bien peu de mots
DU PALPE DES ARAIGNEES MALES. 167
il ouvre ici un point de vue positif, sur lequel je reviendrai dans
le Supplément a cette étude.
Quant à la manière de laquelle la semence fait sa sortie du
tube spermophore on croit étre instruit beaucoup mieux. J’y souscris
en entier pour les procédés visibles, mais non sans réserve pour
leur travail intime. Ces procédés extérieurs ont été observés
par un nombre considérable de naturalistes, chez maintes et maintes
espéces. L’on retrouve chez eux presque partout les mémes descriptions
avec plus ou moins de details (19). En voici un résumé collectif :
Après un second « avant-acte », un prélude, dans lequel on observe
des tàtonnements réciproques et des caresses répétées avec les palpes
et les pattes antérieures, et chez quelques espéces une vraie em-
brassade bien solide, faite par les crochets mandibulaires entrelacés,
le bout de l'un des palpes se dirige en avant, avec un effort soudain,
comme s’il entrait en érection. Son «tarse s’ouvre» pour ainsi
dire, comme par ressort. Sa lame s’éloigne du bulbe, qui sort
ainsi entièrement du bassin. Ces mouvements se font sous influence
des muscles striés ou volontaires, qui se trouvent en abondance
dans l’article tibial (ou radial) des palpes jusqu'au lieu de son
insertion sur l’article tarsal, comme je m'en suis assuré à plusieurs
occasions. Simultanément on apercoit trés souvent une torsion ou
une rotation du bulbe sur son axe, d’un 3me à un 2me. Ce mouve-
ment accessoire est attribué généralement à l’élasticité des demi-
cercles chitineux A la base du bulbe et à celle de l’appareil fibreux
du «muscle spiral». Par la résultante de ces deux forces, le penis,
avec ou à l’aide de son conducteur, est poussé, en manière de
vis ou de vrille, dans un des orifices génitaux de la femelle.
Cet acte s’accomplit fréquemment en cherchant et non sans peine,
d’autres fois il va tout droit au but, avec des secousses directes,
plus ou moins fortes.
Au commencement de ces manoeuvres on est frappé par un
autre phénomène beaucoup plus curieux. En bas et aux côtés de
la base du bulbe on voit s’élever tout d'un coup une vésicule
assez volumineuse, pour laquelle je propose le nom de vesieula
copulatrix. Parfois avec des déplacements de la lame tarsale et des
168 LE MUSCLE SPIRAL ET LA VESICULE
retinacula, le plus souvent sans étre accompagnée distinctement de
ces mouvements simultanés, cette vésicule montre trés ostensible-
ment des coarctations et des dilatations alternatives,
rhythmiques, assez lentes (20). Bientôt celles-ci diminuent de plus
en plus, jusqu'à ce que la vésicule s’épanouit en entier. A ce
moment l’araignée retire le conjoncteur en action, pour l’intro-
duire, après quelques secondes, — ou celui de l’autre côté, — dans
le même, ou dans le correspondant receptaculum. Tout de suite la
vésicule reparait, pour renouveler son travail. Avec des intermissions
dans ces gonflements et dégonflements , de plus ou moins de durée,
ce tableau se continue souvent à l’incroyable, même pendant des
heures entières. A la fin des fins le penis se porte en arrière et
la vésicule disparait pour tout de bon, tandis que la base du bulbe
rentre dans le bassin tarsal, ou, suivant une expression reçue,
«le tarse se ferme».
Quand on se propose, que ce travail remarquable et important
soit connu depuis plus d’un demi siècle (21), on doit s'étonner,
que sa nature essentielle n’ait pas encore été examinée avec plus
d’accuratesse. Du moins, autant que je säche, la structure de la
vésicule n’est étudiée jusqu’ici que superficiellement, sa vraie texture
qu'en passant, et quant à sa fonction, c'est de nouveau Mr. Bertkau
seul, qui s'est occupé sérieusement d'en donner une explication
physiologique (22), à mentionner plus loin. Mais à cause de la liaison
étroite de la vésicule avec «le muscle spiral», maintenant je fais
précéder l’histoire spéciale de celui-ci.
BEE MUSCHERSPITRAFT:
Le « muscle» spiral (der spiralig gewundene oder schraubenför-
mige Muskel de Mr. Menge) a été décrit sous plusieurs autres noms,
tous plus ou moins significatifs. On le trouve désigné comme «appareil
spiral» (Lyonet), — «ligament spiral» (E. Simon), — « muskel-
ähnlicher Membran» (Fickert) (23), — «das elastische Polster »
ou «pulvinar elasticum » (Lebert), — «der eichelförmige Körper »
(Treviranus), — «der Palp-Knorpel» (Oken) (24), — «der
DU PALPE DES ARAIGNEES MALES. 169
Grundtheil des Trägers» (Bertkau), — «pars basalis bulbi »
(Kulkzynski) (25), — «the basal Sack » (Emerton) (26), — «der
Verbindungsmuskel » (Otto Herman).
Cet organe (dont j'ai fait déjà ailleurs l’objet d’une petite com-
munication précédente (27), comme étant le générateur de la
vésicule copulatrice) n’est pas visible chez le tarse en repos,
caché comme il est entre la base du bulbe et l’excavation du bassin
tarsal. Tiré de ce lieu et disséqué à l'aide du scalpel et des pinces,
en entier ou en fragments, il montre un amas de fortes fibres le
plus souvent blanchatres, d’un aspect lustré, parfois argenté, plus
ou moins semblable à celui de l’asbest, propre aux tendons des ver-
tébrés. C’est pourquoi que ces fibres sont décrites comme tendineuses
(«sehnig» Menge), ou ligamenteuses (« bandartig» Lebert) (28).
D’accord avec cette qualification, généralement recue, il résulte
de toutes les recherches antérieures, bien que passagéres, que ce
soit disant «muscle» n’est pas musculeux, du moins en autant
qu'il n'offre point les caractères des muscles striés ou volon-
taires. C'est à droit que déjà M.M. Menge et Lebert le désignaient
comme formé «aus glatten, glänzenden, elastischen Fasern, ohne
Querstreifen ». Dans l’examen scrupuleux, que j'en ai fait sur
nombre d’araignées (29), moi aussi je n’ai jamais rencontré ici
des faisceaux striés, et notre membre très estimé et zélé le Docteur
Henri W. de Graaf, — lequel j'ai consulté pour cette étude, comme
éminent zoologiste (30), — ne les a pu trouver non plus. Dans
ma supposition, — entre autres fondée sur le beau travail anato-
mique de Mr. le Professeur Mac Leod à Gand, traitant «de l'appareil
venimeux des Araneides » (31), — que la vésicule du muscle spiral
pourrait être formée en partie de tissu musculaire lisse ou orga-
nique, — comme c'est le cas avec le sac du dit appareil, —
jen ai suppédité à Mr. de Graaf plusieurs de mes spécimens, tant
naturels que préparés par des méthodes différentes (32).
Après toutes ses investigations, répétées pour moi avec beaucoup
de soin et une patience à toute épreuve, il m'a donné enfin l’as-
surance, partagée aussi par notre savant collègue, Mr. le Docteur
R. Horst, de l’absence absolue aussi de muscles lisses (32 bis).
170 LE MUSCLE SPIRAL ET LA VESICULE
Les faisceaux des fragments du muscle spiral et de la vésicule
lui montraient, bien distinctement, une structure fibrillaire,
mais a leurs fibres manquaient toujours les noyaux et les autres
caractéres du tissu musculaire organique. Les fibres de l’organe en
question, dans lesquelles j’avais cru d’avance reconnaitre la présence
du tissu conjonctif-élastique comme son élément prédominant ,
le constituent selon lui tout entier. Suivant ses observations
les faisceaux élastiques les plus fortes du muscle spiral sont
liés, dans leurs intervalles, par une membrane élastique, for-
mant des plis délicats. Il n’y a pu découvrir rien d'autre. Ainsi
Mr. de Graaf n’a pas trouvé une distribution de nerfs dans le
muscle spiral; de même il a gardé le silence sur la présence d’un
tissu vasculaire ou érectile, supposé par Mr. Treviranus dans
sa désignation de cet organe comme «eichelförmig» (semblable
au gland de la verge).
A leur origine de l’excavation alvéolaire de la lame tarsale, et
parfois dans leur trajet ultérieur, les fibres élastiques sont toujours
insérées sur une base de chitine, à laquelle Mr. de Graaf a
reconnu sa matrix adhérente. Cependant les filaments élastiques
ne sont pas exclusivement bornés 4 la partie basale du bulbe.
D’accord avec des observations d’autres aranéologues (33), ils
s'étendent souvent beaucoup plus loin, en revétant plus ou moins
distinctement, en partie ou en entier, la moitié inférieure du bulbe
lui même, et quelquefois plus en avant encore, avec des cercles
concentriques, superposés sur des spiraux de chitine. Alors ils ne
se collent pas seulement aux parois, mais plusieurs fois ils lient
ensemble des sections plus ou moins séparées du bulbe, dans ses
formes moins simples, tandis qu'ils se perdent parfois dans l'intérieur
de sa partie terminale. De même il me semble, que ces fibres,
reconnaissables à leur couleur, leur lustre, et à leur striation quoique
beaucoup moins forte, - envoient souvent des prolongements, d’une
structure membraneuse plus délicate et d’une forme variable, en
dehors du bulbe dans le voisinage du conducteur et du penis.
Néanmoins je dois avouer, qu’il m'a été le plus souvent impossible,
de constater avec sécurité la continuation directe de ces prolon-
DU PALPE DES ARAIGNÉES MÂLES. 171
gements, qui sont peut-être des appendices propres, peu connues
jusqu'ici, ou confondues avec le spermophore de Menge (voir le
Supplément).
Quant à l’intérieur du bulbe, chez quelques formes simples,
desquelles je n'ai pu me procurer la vésicule, surtout chez Segestria
et Dysdera, jai vu des faisceaux de fibres du muscle spiral se
diriger en cône vers le milieu de la base du bulbe, là où Mr.
Bertkau a fait connaitre chez cettes espéces un trou central,
à nommer le foramen Bertkaui, sur lequel je reviendrai plus loin.
Ils avaient l’apparence de pénétrer en dedans du bulbe, où je n’aı
pu les poursuivre. Ce n’est que sur un seul exemplaire d’un Mygale,
a la cavité bulbeuse duquel j'eus enlevé le tube spermophore, que
j'ai cru reconnaître, accolés à la paroi externe de celui-ci, quelques
petits filaments d'un aspect analogue aux fibres du muscle spiral.
La faculté la plus extraordinaire de notre «muscle » consiste ,
comme l’on sait déjà, dans le gonflement subit de son tissu, à un
moment donné de la copulation. Il se change alors en vé-
sicule (34). Les rares auteurs qui, à l’exemple de Mr. Menge,
quoiqu’en passant, ont fait mention de ce rapport direct du
«muscle» spiral avec la vésicule copulatrice ne se sont pas
occupés beaucoup de démontrer leur assertion là dessus d'une
maniére bien précise. D’autres n’ont point reconnu la vraie origine
de la vésicule (35), ou même l'ont méconnu tout-à-fait (36).
Dans le but de pouvoir l’étudier à mon aise, ce qui n'est pas
possible pendant son apparition temporaire et souvent fugace durante
copuld, je me suis donné beaucoup de peine à m'en procurer des
fac-similé’s plus ou moins constants. Après des essais multiples
et maintes déceptions, j'ai enfin réussi à merveille, bien au dessus
de mon attente (voir la Planche 6). Déjà j'ai collectionné plus
qu'une douzaine de beaux exemplaires de vésicules artifi-
cielles différentes, conservés dans l’alcohol dilué (37) et plusieurs
autres sur des verres à objectif (38).
Je les dois aux trois sources suivantes :
4°. A la découverte accidentelle de quelques individus males dans
les duplicata de ma collection, dont la vésicule s'était développée
è
172 LE MUSCLE SPIRAL ET LA VESICULE
au moment de la mort par submersion, une fois dans l’eau,
deux fois dans la glycérine et plusieurs fois dans l’alcohol (39).
2°. A la méthode préconisée par Mr. Treviranus, de tuer les
araignées instantanément par l’action de l’eau bouillante (40).
3°. Surtout au procédé potassique de Mr. le Professeur
Lebert, — utilisé par lui pour donner de la transparence au
squelette chitinisé des Arachnoïdes (41), — appliqué par moi sur le
muscle spiral, en favorisant le gonflement de la vésicule , ainsi produit,
par un séjour consécutif, plus ou moins long, dans de l’eau distillée.
Sans me revendiquer ici une vraie découverte, jose bien déclarer,
que cette manipulation de fixer la vésicule a contribué beaucoup
à faire mieux connaître sa nature, assez obscure jusqu'ici. Ces
imitations de la vésicule deviennent souvent très trompeuses en
les soumettant, entre deux verres d'objectif, chargés d'une goutte
de glycérine, à une douce pression et un déplacement prudent de
la verre supérieure. Sous le microscope on la voit alors se mouvoir
en entier à l’entour de la partie basale du bulbe génital.
Les caractères extérieurs des vésicules, tant artificielles que
naturelles, à quelques modifications près, sont assez conformes.
Elles se présentent en général sous la forme d’un ballon, à con-
tours circulaires, ovales, pyriformes ou cylindriques, qui par exception
se divise en deux ou trois lobes plissés ou juxtaposés. Le plus
souvent d’une couleur blanchatre, elles sont parfois, — in vivo, —
jaunâtres, brunàtres ou rougeàtres et bien rarement verdâtres.
Leurs parois à demi transparentes et d’une surface tant soit peu
reluisante, montrent des stries multiples fines et régulières, et
parfois, à l'inspection verticale, un rebord plus ou moins crénélé,
en guise de dentelle. Les stries de leurs fibres, tout-à-fait sem-
blables à celles des fragments isolés du muscle spiral, possèdent gé-
néralement une direction parallèle, en lignes très voisines, parfois
plus ou moins ondulées. Quelquefois ces stries semblent diverger
un peu, et plus rarement encore se croiser en sens contraire, en
formant un réseau. Cette dernière configuration proviendrait , selon
Mr. de Graaf, de ce que les plis de la «membrane » élastique ont
souvent une direction verticalement opposée à celle des « faisceaux »
DU PALPE DES ARAIGNEES MALES. 173
élastiques longitudinales. Encore a-t-il fait la remarque, que, par
un grossissement insuffisant, cette disposition donne parfois l’appa-
rence trompeuse des muscles à stries transverses.
Sur l’intérieur, sur le contenu des vésicules je n'ai fait
qu'une seule observation directe. Surtout dans cet organe en action,
mais aussi dans ses fac-simile’s on aperçoit presque toujours, au
milieu des sachets, une tige solide, se dirigeant du bassin
tarsal vers le milieu du bulbe. J'ai reconnu qu’elle est formée
d'une barre de chitine, de couleur brunatre, plus ou moins épaisse.
Souvent droite ou un peu oblique, d'autres fois elle finit, en haut,
par deux ou trois cercles ou spirales, entourant la base du bulbe.
Comme je l’ai constaté plus d’une fois, au commencement de la
copulation, ce support du bulbe s’érige ou s’étend à la manière
d’un ressort, pour rentrer, à sa fin, dans le bassin alvéolaire.
Pendant le coit elle montre des mouvements, qui me semblent
passifs, subordonnés à ceux de la vésicule (42).
La vésicule naturelle renferme-’t-elle aussi un contenu liquide?
Bien que Mr. Herman l'a doté, — sans preuve aucune, — du
nom de Sperma-Blase (libr. cit.), je puis assurer, de n'y
avoir jamais rencontré des éléments de la semence. Pourtant à
plusieurs occasions il m’a paru, quelle fut remplie d’un fluide
quelconque, comme de son còté mon ami Ritsema l’avait supposé
de même pour sa Walckenaera en copulation (43). Une occasion
heureuse, qui s'est offerte à Mr. Bertkau, parle hautement en
faveur de cette supposition, Après avoir fait une piqüre d’aiguille
au sac vésiculaire gonflé, qui s’était détaché par accident du palpe
d'un Sparassus virescens en copulation, il se dégonflait tout de suite,
en laissant suinter une goutte de sang de couleur verte (44)!
Malgré l’objection qui se présente ici, que ce suintement aurait
pu provenir aussi de la blessure des parois de la vésicule, la
conclusion de ce célébre zoologiste, que cet organe en action
renferme un liquide sanguinolent, me semble très pro-
blable, d’autant plus qu’elle s’accorde avec mes observations, faites
sur les vésicules artificielles. Celles-ci du moins m'ont appris,
qu’elles aussi sont distendues par un fluide, en autant qu’elles
174 LE MUSCLE SPIRAL ET LA VESICULE
montrent une grande sensibilité osmotigue pour les grades de
concentration variables des diverses liqueurs de conservation (45).
Plus haut j'ai donné déjà un apercu sur le travail connu de
la vésicule pendant le coit (page 167), ainsi je n’y ai à ajouter ici
que quelques mots encore. Aussi souvent et chaque fois que je
Pai observé (voir Annot. 19), avec toute patience et attention
possibles, à l'oeil nu et à la loupe, je fus frappé sans exception
et toujours de nouveau, de la manière d’agir comme de la puissance
et de la persévérance des mouvements vésiculaires, d’ex-
pansion et de rétraction, vraiment admirables et infatigables. Ils se
suivent au commencement avec une grande régularité et avec la
méme intensité. Aprés un laps de temps différent on s’apercoit
qu'ils s’affaiblissent graduellement. De petit en petit la vésicule
perd de volume et à l’improviste elle se dégonfle tout-à-fait.
Des données précédentes on peut déduire aisément, que la phy-
siologie du muscle spiral soit assez compliquée. Longtemps considéré
comme simple organe secondaire, son importance sur l'ensemble
de la copulation est, au contraire, très essentielle. Il remplit les
fonctions suivantes:
4°. La partie basale du bulbe génital est fixée par lui, d’une
manière bien solide, au bassin tarsal (46).
20. Dans l’accouplement il concourt à communiquer au bulbe les
mouvements, décrits plus haut, de propulsion et de torsion, destinés
a pousser le conjoncteur en avant et le diriger vers les orifices
génitaux des femelles (47).
30, Au même moment, transformé en vésicule, celle-ci favorise
par ses contractions l'introduction du conjoncteur.
40, Après l’entrée de cet organe il coöpere aux mouvements
répétés de va et vient, qui chaque fois le font pénétrer jusqu’au
fond des receptacula seminis. Ces mouvements rhytmiques, —
comme ceux de la lame tarsale, qui peuvent l’accompagner, —
selon mes observations sont toujours isochrones avec les expansions
et les rétractions vésiculaires (48). *
50. Par l'intermédiaire de son changement en vé-
sicule, il constitue le moteur principal, présidant
DU PALPE DES ARAIGNEES MALES. 175
x
à l’expulsion du sperme, accumulé dans le tube
séminifère.
C’est dans cette fonction que repose la clef de l’accouplement.
Sans elle ni l'introduction du conjoncteur, ni ses efforts décrits
ne méneraient au but. Quand on consulte les auteurs, on verra,
qu'ils sont d'accord, sans exception, sur la nécessité d'une «ex-
pression» ou d'une «injection» de la semence, mais qu’ils
se bornent à ces termes générales. Ils ne se donnent pas la peine
de chercher l’explication de l’effet nécessaire mentionné (49). Entre
eux c'est Mr. Emerton qui, dans peu de mots, touche ici à la
vérité, en disant: « The soft part (notre muscle spiral) at the
«hbase of the organ (notre bulbe) swells up and presses in the
« discharge-tube (notre tube spermophore) and probably forces
«out the contents of the bulb into the spermathecae» (50). Rien
que par l'intuition du jeu vèsiculaire moi-même j'étais venu depuis
longtemps à la même conclusion. Mr. Bertkau y est arrivé aussi,
par le raisonnement anatomique. Il remarque, que la faculté ex-
pultrice, ne résidant pas au dedans du bulbe génital, — puisqu’il
ne renferme pas des muscles (51), — doit bien se trouver en dehors
de cet organe, 4 savoir dans la vésicule. Entrant plus en avant dans
cette question, il a été le premier qui a taché de donner aussi une
explication de ce travail. D'après son expériment cité, il attribue
l'origine de la vésicule à un afflux de sang (51 bis), assez
considérable pour exercer une pression directe sur le bulbe, — à la
base duquel il a observé existence d'une ouverture circulaire
(52), — et, selon lui, à cause de cette communication, aussi sur
les parois flexibles du tube spermophore, suffisante à l’expulsion de
la semence (53).
En consentant volontiers qu'il se fait ainsi, — comme partout
ailleurs dans l'acte copulatoire, — une congestion ou même une
espèce d’érection (53bis) du tarse en entier et du muscle spiral
en particulier, je ne saurais partager son opinion, qu'elle suffirait
à lui seule, ou qu'elle serait la cause unique de l’évacuation
du tube séminifére. S'il est avéré que le système circulatoire soit
relativement très bien développé dans les araignées, elles appar-
176 LE MUSCLE SPIRAL ET LA VÉSICULE
tiennent aux animaux à sang froid, chez lesquels je ne puis me
figurer une activité et une intensité aussi extraordinaires et durables
de la circulation, qu’elle serait en état d’entretenir dans la vésicule
gonflée une espéce de flux et de reflux du sang, 4 un haut degré
de pression élevée, souvent pendant des heures successives. Ce
doute s’agrandit encore par la considération de la forte résistance ,
qui doit étre vaincue ici, tant des parois chitineuses du bulbe et
de son tube, que surtout de l’amas des éléments spermatiques ,
souvent d’une densité excessive, dans celui-ci, difficultés augmentées
non rarement par des circonvolutions multiples du tube spermophore
et par la longueur et l’étroitesse de son canal éjaculateur.
Quoiqu’il en soit de la force circulatoire, pour sûr, elle n’est
pas «seule» en cause. Excepté le secours possible de la lame
tarsale, supposé par Mr. de Graaf (Annot. 48), il faut surtout
tenir compte d’un autre factor, dérivant de la texture de la
vésicule elle méme. Au commencement de mes études j’avais cru
qu’elle possédait un tissu musculaire quelconque, aux contractions
duquel on pourrait attribuer une pression énergique sur le bulbe
en entier et sur son contenu. Le résultat des investigations de
Mr. de Graaf fut contraire a cette opinion. Maintenant, acceptant,
avec lui, l’impulsion du liqueur sanguinolent comme la cause
initiale de l’expansion de la vésicule, selon la découverte de Mr.
Bertkau, nous attachons en outre une valeur pas moindre a la
réaction puissante des fibres élastiques du sac vési-
culaire lui-méme, qui explique les rétractions de ses parois,
nécessaire à l’évacuation du bulbe par leur action consécutive (54).
Par la proposition de cette théorie combinée je ne veux pourtant
pas déclarer, qu’elle me satisfait en entier:
4°. puisqu’elle néglige tout-à-fait l’explication fonctionnelle des
autres fibres du muscle spiral, qui, sans prendre part à
l'expansion vésiculaire, entourent souvent les parties sui-
vantes du bulbe génital avec des fortes bandes et montent parfois
jusqu’à son extrémité supérieure (voir page 170); et
2°. puisqu’elle suppose une passivité absolue de l’organe
en question, qui me parait incompatible avec l'inspection de
: DU PALPE DES ARAIGNEES MALES. nk 67
son travail, comme il à été décrit plus haut. Celui-ci m’a
toujours donné l’impression profonde d'une activité propre,
presque impossible à méconnaitre, plus ou moins analogue A
celle des intestins dans leurs mouvements vermiculaires, dits
péristaltiques.
Mr. Lebert aussi a émis des doutes sur le rôle passif du muscle
spiral, en ces termes: « Vielleicht hätten wir hier ein interessantes
«Mittelgewebe zwisschen Muskeln und Bändern ». Dans un
autre lieu il demande: «Ob dieser der Muskel-Structur entbeh-
«rende Substanz, bis zu einen gewissen Grade, Muskel-F unction
«üben kann, lasse ich dahingestellt», et plus loin: « Vielleicht
«komt dem elastischen Polster eine gewisse Contractilitàt
«unter dem Einflüsse des Nervensystems zu» (55). Je ne puis pas
embrasser cette hypothèse ; la loi physiologique, que le tissu élas-
tique n’est pas placé sous la dépendance du système nerveux, ne
permettant point des exceptions. Néanmoins elle me conduit au
raisonnement suivant: L'expérience de Mr. Bertkau nous a démontré,
que le muscle spiral reçoit du sang dans sa vésicule. Là où il
y a du sang ils se trouvent des vaisseaux, et là où l’on ren-
contre des vaisseaux, on peut présumer l'existence de leurs nerfs
homonymes. Mais cette idée aussi ne nous mène pas plus loin,
à défaut de la découverte d’un tissu contractile.
CONCLUSIONS.
1°. Le «muscle spiral» de Menge n’est pas musculeux; du
moins jusqu'ici on n’y a pas trouvé des traces du tissu musculaire,
ni volontaire, ni organique.
2°. Sa texture semble bien simple et n'être composée que du
tissu conjonctif-élastique, tant fibrillaire que membraneux ,
inséré sur une base de chitine d'une consistance variable.
3°. Au contraire, sa structure est assez compliquée, en autant que
pendant le repos de l’organe, il se montre sous la forme de filaments
ligamenteux simples, et que pendant l’accouplement il prend
un aspect vésiculaire.
12
178 LE MUSCLE SPIRAL ET LA VÉSICULE
4°. Cette vésicule, ayant une influence incontestable sur l’éva-
cuation du sperme, mérite le nom de vesicula copulatrix.
5°. Comme dans cette métamorphose il exerce une pression
puissante sur le contenu du bulbe, on pourrait ajouter aux autres
dénominations du muscle spiral celle de compressor bulbi.
6°. Le mécanisme de cette compression parait reposer sur l’action
combinée de la force circulatoire et de la réaction élas-
tique des parois de la vésicule.
7°. L’étude de la fonction du muscle spiral l’a fait connaître
comme un organe propre, sui generis, bien extraordinaire.
8°. Ainsi la comparaison faite de son travail avec celui d’une
pompe foulante, bien qu’assez plausible au premier abord,
n’est qu’apparente. Pour être juste, il faudrait que le contenu de
la vésicule pourrait pénétrer lui-méme dans le tube spermophore,
chose impossible, parce-que celui-ci se trouve dépourvu de toute
ouverture à sa base.
9°. A cause de ce manque de communication et plus encore puisque
la vésicule ne renferme point des élements spermatiques, c’est aussi
à tort, qu’on l’a indiquée sous le nom de Sperma-Blase.
40°. Par la méme raison elle ne saurait étre comparée non plus
aux vesiculae seminales (56) des Vertébrés.
SUPPLEMENT.
Je ne puis finir cet essai, sans y ajouter quelques mots sur la
question beaucoup plus obscure et difficile que la précédente :
Comment se fait le passage du sperme éjaculé, son entrée,
dans le tube séminifère ? (Voir page 166).
A vrai dire, l’on n’en sait que bien peu. Ce fluide est enlevé
par le bout des palpes (57), avec une rapidité telle, que
les détails de son enlèvement échappent à l’observation (57bis).
Abstraction faite d'un secours trop problématique des retinacula,
dont parle Mr. Menge (58), je n'ai trouvé sur l’absorption de la
semence, qu'une note passagère de la main érudite de Mr. Bertkau,
DU PALPE DES ARAIGNENS MALES. 179
qui avait l'intention d’expliquer davantage aussi cette phase de la
copulation (59). Dans un seul cas et chez une seule espèce il « eroit »
avoir reconnu, pendant l'enlèvement du sperme : «qu'ils se faisaient
«des mouvements spéciaux au tube spermophore (der Samenbehälter),
«comme s'il s’ouvrit et se fermait alternativement» (60).
Le bout extérieur de ce tube, d'où sort le conjoncteur, n'étant
pas bivalve et ce dernier non plus, la vraie nature de ces mouve-
ments ne m'est pas devenue bien claire. Je présume, qu’ils auront
consistés dans des approchements simultanés entre le conjoncteur et
le conducteur (le «spermophore » de Menge), avec leurs dépendances,
Ainsi expliquée, l’observation remarquable de Mr. Bertkau vient
en aide non seulement à l’idée originale de Mr. Menge, que son
spermophore sert à l’enlèvement préalable du sperme, mais
elle nous apprend en outre, que toute la partie terminale à l’avant
du bulbe entre alors en action à la fin d’effectuer aussi ’absorp-
tion de la semence enlevée. Une activité dans cette direction,
négligée par la théorie de Mr. Menge, ne peut pas être douteuse,
L’accumulation, souvent extraordinaire, d'éléments spermatiques au
dedans du tube séminifère ne saurait se faire sans des efforts
physiques notables des organes proéminents du bulbe, en accord
avec ceux de ses parois et du tube lui-même.
A défaut de connaissances suflisantes pour ceux-ci, je dois me
borner ici à l'induction tirée de anatomie des parties extérieures.
La supposition ancienne de Mr. Dugès, — suivie, entre autres,
par Mr. Cambridge (Annot. 49) et par Mr. Campbell (page 11 de sa
Mémoire citée), — d’une simple «imbibition» , exercée par l orifice
du conjoncteur à lui seul (61), n’a pu me contenter. En
considération de la ténuité et souvent de la longueur excessives de
son canal, du moins chez la plupart des espèces (62), la coöpé-
ration du conducteur (et de ses dépendances décrites par
Mr. Menge sous le nom collectif de « spermophore», à l'oeuvre en
question est plus que vraisemblable. A cet égard sa position dans le
voisinage immédiat du conjoncteur et sa structure spéciale sont ici
d'une importance réelle. Quoique cette position et ses parties chi-
tineuses solides soient déjà en relation directe avec sa fonclion
180 LE MUSCLE SPIRAL ET LA VESICULE
mécanique de soutenir le bout du penis dans son trajet vers les
receptacula, il joue en outre un rôle dynamique ou organique
dans l'enlèvement et l’absorption de la semence éjaculée.
C’est l'intermédiaire de ces dépendances, d'une nature fibro-
membraneuse, qui à échappé à l'attention , dans la question
sur l'implétion du tube spermophore. Jusqu'ici on n'a pas regardé
d’assez prés ces accessoires externes, et n’a point fait la distinction
nécessaire entre les divers prolongements du bulbe. Parmi eux
on doit distinguer pourtant, dans le voisinage des deux organes
principaux, du moins trés souvent, une troisiéme apophyse
d’une nature spéciale.
Il est vrai, que, dans son grand ouvrage (Pr. Sp.) Mr. Menge
en a donné des descriptions passagères, avec des dessins, tels quels,
pour plusieurs espèces (63), mais il a trop confondu ces dépendances
avec notre conducteur , en les identifiant avec celui-là sous les
dénominations de « Neben-Träger » et de « Neben-Theile » De même
Mr. Lebert, tout en suivant 4 la lettre les indications de Mr. Menge,
a fait mention de quelques unes d’entre elles sous le nom de
« Gefranzte Organe» (64). D’après l’opinion de ces auteurs elles
seraient destinées exclusivement à se charger de la semence
pour la transporter dans les receptacula.
Pour le moment je n'ai pu diriger mon attention sur cettes
parties, qu’en passant, et qu'en donnant quelques figures de leur
configuration et de leur structure (voir l’Explication de la Planche 7),
mais il me parait, qu’elles méritent d’être étudiées plus sérieusement.
Ces appendices fibro-membraneuses du conducteur, — et parfois
du conjoncteur, — se présentent sous des formes très différentes
comme d’une spatule ou d’une languette, d’un cuiller, ou bien d’un
tube ou d’une gouttière conique, etc. Quelques unes sont munies
d’une belle bordure frangée ou ciliée ; d’autres ressemblent à des
pinceaux, ou bien elles sont pourvues en avant de pointes ou
d'épines. A l'oeil armé elles offrent le plus souvent, en entier
ou en partie, une structure mince, délicate et demi-transparente,
quasi hyaline, qui échappe facilement à l’observation ; d’autres fois
elles sont plus distinctes par leur structure mixte, à demi chitineuse.
DU PALPE DES ARAIGNEES MALES. 181
Leur nature histologique m’est encore inconnue ; pourtant leur
striation, bien qu’en général plus fine et moins apparente, leur
couleur blanchâtre, leur aspect plus ou moins luisant me font
soupconner quelque analogie avec la texture du muscle spiral. L’un
de ces jours ce soupcon s'est presque changé en certitude. En
revoyant pour la derniére fois mes exemplaires des palpes 4 vési-
cules artificielles, je me suis apercue sur la Steatoda bipunctata L.,
qu’au lieu commun des appendices membraneuses, entre l’origine
du conducteur et la sortie du penis, il se trouvait dans cette espéce
un petit ballon transparent, échappé jusqu'ici à mes obser-
vations. Chez les deux spécimina que j’en posséde il offre une
forme et un aspect tout-à-fait semblables 4 ceux de la vésicule
copulatrice, en miniature (65).
Quoiqu'il en soit, l'appareil fibro-membraneux au devant
du bulbe génital, — formé par des apophyses flexibles, libres, ou
environnant les rebords du penis et du conducteur eux mémes, —
ne doit pas être considéré comme étant destiné uniquement à
Venlèvement primitif de la semence et plus tard à son tran s-
port dans le receptacula (Menge, Lebert, alii), mais il me parait
être pas moins propre à coöpérer avec les organes principaux à
l'introduction définitive de ce fluide dans le tube séminifère.
Les membranes appendiculaires, en se collant ensemble à l’entour
du conjoncteur, comme un fourreau ou un tuyau, ou même en
guise de ballon, peuvent remplir une des conditions réquirées au
travail de suction, en tout cas indispensable à l’impletion de
ce tube. Je puis me figurer ainsi la naissance temporaire d’un
siphon oud’une pompe aspirante, dans laquelle le penis, par
des rétractions successives, pourrait jouer peut-étre le ròle de piston.
Mes recherches sur la conformation et la construction du con-
ducteur, en rapport avec celles du conjoncteur, surtout comme
on les trouve chez la Heteropoda venatoria L. (voir Annot. 10, in
fine, et les Planches 6 et 7, fig. 4et 10), m’ont confirmé dans cette
supposition, et cela plus encore après avoir remarqué depuis, dans
quelques cas, que les fibres du dit conducteur se perdent à sa base
dans les parois du bout antérieur du tube séminifére.
182 LE MUSCLE SPIRAL ET LA VESICULE
Mais je m’apercois que je viens d’entrer trop dans le champ des
hypothèses. Il nous manque ici l'élément le plus essentiel, la con-
naissance des tissus contractiles (dont, par raisonnement,
je soupconne toujours, qu’on découvrira un jour l'existence de
quelques traces cachées), nécessaires aux mouvements indiqués
et à la formation d’un vacuum en dedans du bulbe, tissus, qui
ne sont pas trouvés jusqu'ici, ni dans l’intérieur de cet organe
(Bertkau), ni dans ses fibres externes (de Graaf).
Quant à l’idée de celui-ci, à propos de l’implétion du tube par
l’action élastique de la vésicule copulatrice dans
une direction opposée, contraire à celle reconnue par nous
pour l'évacuation du sperme (66), elle ne peut suffire à l'explication
désirée, vu l'absence du jeu vésiculaire dans l'acte
de l’imbibition. Tous les auteurs, qui ont observé l’ejaculation
et l’enlövement de la semence, n'en ont fait aucune mention, et
de même je puis assurer, que dans cette phase préliminaire de
la copulation chez l Ocyale (Annot. 11), la vésicule ordinaire ne s’est
montrée point du tout. Cependant je conviens, que si, par hasard,
son apparition à cette occasion, fut constatée encore, la supposition
de Mr. de Graaf devrait être prise en considération. Du moins elle
reçoit déjà quelque appui par mon observation, faite dernièrement
chez la Steatoda bipunctata, sur la transformation possible des fibres
antérieurs du muscle spiral en une petite vésicule seconda
au bout extérieur du bulbe. Alors l’on pourrait comparer le travai.
vésiculaire du muscle spiral avec celui de la boule d’un elysoir
élastique, à double effet, produisant ici l’aspiration et plus
tard l'expression du fluide prolifique.
Il ne me reste maintenant, que d'offrir de nouveau des remer-
ciments sincères à mes chers collégues, MM. les Docteurs Ed. Everts
et Henri W. de Graaf, pour laide aussi zélée que scientifique,
qu'ils m'ont voulu prêter dans ces études pas trop faciles.
DU PALPE DES ARAIGNEES MALES. 183
EXPLICATION DES PLANCHES,
PLAN CH ENG:
Vésicules copulatrices, sorties par le traitement potassique; beaucoup grossies.
Dessinées par Mr. le Dr. Ed. Everts.
Fig. 1. Chez l’Amaurobius ferox WIk.
n 2. „ la Marpessa muscosa Clk.
„3. » Neriene longipalpis Sud.
n 4 n» 4 Heteropoda venatoria L.
Les faisceaux des fibres du muscle spiral, qui entourent les parois
chitineuses de la base du bulbe génital, sont un peu moins nombreux,
mais plus larges, que dans la figure.
» 5. Chez la Tarentula andrenivora WIk.
La vésicule se divise ici en deux compartiments, dont le supérieur
offrait aspect bombé d’une coquille.
» 6. Chez la Pachygnatha Clerckii Snd.
La couleur jaune-brunätre du bulbe s’est noircie sous le traitement
potassique.
N.B. A remarquer pour ces figures, que plusieurs parties chitineuses ont été
coloriées par notre lithographe en brun rougeâtre, au lieu du brun-
foncé des dessins originaux.
"PLANCHE 7.
Quelques details sur la structure et la texture des palpes masculins,
‘beaucoup grossis.
Les figures 2 et 12 sont dessinées par Mr. le Dr. Henri W. de Graaf, les
autres par Mr. le Dr. Ed. Everts.
Fig. 2. Patte mâchoire de \' Amaurobius feror Wlk. d.
D'après un exemplaire , duquel la vésicule copulatrice s'était développée
d'elle-même (sans traitement potassique), dans l’agonie de l’araignée,
morte par submersion accidentelle.
A. Mächoire. 1. Article coxal (axillaire); 2. Article fémoral (humeral),
3. Article patellaire (cubital); 4. Article tibial (radial); 5. Article
tarsal (digital); celui-là est la lame farsale, supportant le bulle
génital.
184
Fig.
"Hs
11.
10.
12.
LE MUSCLE SPIRAL ET LA VESICULE
. Muscle spiral, dans son expansion vésiculaire, comme elle se présente
pendant le temps de la copulation; a. sa Zige chitineuse interne, se
terminant dans
par des spiraua de chitine, qui se perdent dans les parois de
le bulbe génital, renfermant: 5. le tube séminifère (spermophorum;
Spermaschlauch; Bertkau), ici, — par exception, — réniforme; avec
c. son conduit excréteur (ductus ejaculatorius), situé au milieu de
. le conjoncteur (penis);
. le conducteur du penis;
. Petit appendice, ou apophyse, membraneuse entre ceux-ci.
Cette appendice (H), d'après un autre exemplaire de l’espèce précédente.
(Traitement potassique. Grossissement d’environ x 200. Compres-
sion faible).
Appendice membraneuse chez l’Amaurobius fenestralis Stm.
Ut supra pour fig. 1.
. Appendice semi-membraneuse, en guise de cuiller, chez la Tegenaria
Derhamii Sep.
. Linyphia pusilla Snd.
a. Penis; 4. conducteur solide; c. appendice membraneuse, légèrement
frangée au rebord supérieur. („Gefranztes Organ” Lebert).
Linyphia luteola Blw. |
Appendice membraneuse spatuliforme à la base du conductor penis.
Neriene rufa Wd.
Deux appendices du conducteur chitineux, l’une épineuse, l’autre en
pinceau.
Tegenaria atrica C.K.
a. Penis; 5. conducteur- chitineux; c. appendice semi-membraneuse.
Heteropoda venatoria L.
Conducteur fibro-membraneux du penis. (L’entrecroissement en spirale
des fibres et l’indice d’ane fente terminale ont &chappes a l’accuratesse
ordinaire de notre graveur).
Marpessa muscosa Clk.
Texture du muscle spiral et de sa vésicule. (Traitement potassique.
Grossissement d’environ X 400).
Amaurobius ferox Wk.
Ut supra pour fig. 7.
Heteropoda venatoria L.
Ut supra (sans traitement potassique. Hartnack Ocul. 3 Object. 5).
DU PALPE DES ARAIGNÉES MALES. 185
KN NO T ARTON A
(1). Voir Mr. Lebert (Spinnen der Schweiz, 1877, S. 20). — Déjà
(2).
(3).
Mr. C. Clerck avait fait une semblable remarque, encore plus
caractéristique, savoir: que les » mares araneorum sua ge nitalia
„habent in brachiis» (Aranei Suecici, 1757, p. 1). — Plusieurs
zoologistes distingués ont hésité longtemps a reconnaitre cette
séparation des parties sexuelles mâles. Même dans notre temps
Mr. Otto Herman a encore défendu leur liaison directe, par l’inter-
médiaire d’un tube, parcourant les articles du palpe et du
cephalothorax, surtout d’après ses recherches „ Ueber das sexual
Organ der Zpeira quadrata Wik.» etc., (dans IV Band des Sieben-
bürgischen Mus. Ver. in Klausenburg, 1867 et November 1868). —
Aujourd’hui il n'existe plus de doute là-dessus. Des investigations
scrupuleuses de Mr. A. Dugès il est constaté suffisamment: ” qu'il
"n'y a nulle communication entre ces organes et ceux que l’on
„trouve dans l'abdomen. De quelle manière qu’on procède à la
» dissection, on ne voit dans les autres parties du palpe aucun
canal dirigé vers le tronc (7 Observations sur les Aranéides v , dans
Ann. d. Sc. nat. Zool., 2 Série, T. VI (I?), p. 184, etc.
Retinacula. — Ils sont nommés aussi /apophyses”, „pro-
cessus”, /proCursus/, » Haft-organey, » Haftspitzen”, etc. La
dénomination Allemande indique le mieux leur fonction principale.
En outre on a observé, et je m’en suis aperçu moi-même, qu'ils
peuvent exercer, chez quelques espèces, une pression latérale
sur le bulbe génital, pendant l’acte de la copulation. Mr. Lebert
présume, qu’ils peuvent servir aussi comme dilatateurs (» Er-
weiterungs-organe /) des orifices de l’épigyne (Liór. cit., S. 22). —
Leur forme très variable, comme étant dentata, tuberculata,
lobata, calcarata, spinosa, uncinata, hamata, bifida,
trifida, ete., est d'une haute valeur systématique pour la distine-
tion des genres et des espèces, acceptée par tous les aranéologues
célèbres de notre temps.
La configuration des palpes masculins la plus simple se trouve
chez les Theraphosoidae, les Dysderoidae, les Scyto-
doïdae et exceptionellement chez quelques espèces des Dicty-
noïdae (Dictyna, Lethia), des Theri dioïdae, (Pachygnatha,
186
(4).
(5).
(6).
LE MUSCLE SPIRAL ET LA VÉSICULE
etc.) et même des Epeiroidae (Tetragnatha, Nephila, ete).
La grande famille des Theridoidae contient au contraire aussi
beaucoup d’especes a formes très compliquées, p. e. dans les
Linyphia’s et d’autres Erigonini. Des palpes très volumineuses se
trouvent, entre autres, chez la Clubiona coerulescens L. K., et
O. brevipes Blw., chez la Neriene rubens Blw., le Nesticus cellulanus
Clk., chez la Meta fusca Wlk., chez |’ Zpisinus truncatus Wlk.,
etc. etc. Entre eux je ne dois pas omettre, dans la famille des
Agelenoidae, la curieuse Cicurina impudica E. S. (= Cryphoeca
arietina Thor.). Mr. Simon, — qui m’a fait le précieux cadeau
d'un mâle adulte, — en écrit: que la conformation de sa patte-
„mâchoire est peut-être la plus singulière de toutes les
varaignées.” (Arachnid. d. France, T. II, p. 25). Elle est
alliée à la Cryphoeca mirabilis Thor., dont Mr. Bertkau nous a
donné de si belles figures (Entomol. Miszellen, dans Verh. d.
N. V. Jahrg. 41.) Une construction des plus anormales se
rencontre chez la petite famille des Pholcoidae. Les détails
de leurs palpes sont bien difficiles à expliquer; même après
avoir consulté les descriptions et les figures de Mr. Bertkau
(Versuch einer natürlichen Anordnung d. Spinnen, dans 7roschel’s
Archiv, 1878, Taf. XII, Fig. 4) et de Mr. Lebert (Zibr. cit.
Taf. V, fig. 37), je n’ai pù les reconnaître tout a fait sur mes
exemplaires. Mr. Bertkau, qui a eu la bonne fortune d’observer
la copulation du Pholeus opilionoides Schr., n’a pù pareillement
distinguer que peu ou presque rien de l'usage respectif des
diverses parties du palpe de cette araignée (Beiträge z. Kenntniss
der Spinnen-Fauna der Rhein-Provinz, dans Verhandl. d. N. V.
Jahrg. XL, S. 214).
Lamina. — Le couvercle (Lyonet), la calotte (Walckenaer), das
Schiffehen und Nebenschiffehen = cymbium et paracymbium (Menge,
ut et Lebert et alii), der Deekschüppen (Bertkau et Herman). Elle
peut être considérée comme l'instrument protecteur de l’organe
externe de la copulation, ayant en partie une lointaine analogie
fonctionnelle avec le praeputium, ou avecles paupières des
vertébrés.
Alveolus. — La cavité membraneuse (Lyonet), das Becken (Menge),
le cuilleron, la cupule, la capsule (de Walckenaer et d’autres
écrivains Francais).
Bulbus genitalis (Westring, ut et Bertkau, Cambridge,
Emerton, Simon et alii). — Ou seul, ou avec sa lame, il a recu
plusieurs autres dénominations: clava, — stema, — der Keulen, —
der Kolben, — der Uebertriger, — le bouton, etc.
(1).
(8).
(9.
DU PALPE DES ARAIGNEES MALES. 187
Spermophorum (Bertkau). — Son Spermaschlauch (dénoté aussi
sous le nom moins propre ” der Träger »), — der Ausführungskanal
(Fickert), — der Samenbehalter (Herman et alii).
Ne pas confondre son spermophore (dans l’intérieur) avec
celui de Mr. Menge (à l'extérieur). Voir Annot. 10.
Comme chacun le sait maintenant et s’en peut convaincre fa-
cilement, le vrai réservoir du sperme ejaculé est un tube
au dedans du bulbe. Mr. Blanchard est le premier, qui l'a dé-
montré pour les Dysderoïdes (Comptes-rendus de U Acad. d.
Sciences de Paris, 1860, T. L., p. 727 et ailleurs. Après lui
Mr. Bertkau l'a décrit et figuré avec beaucoup d’aceuratesse pour
le genre Segestria (Ueber den Generationsapparat der Araneiden ,
dans Zroschel’s Archiv, XLI, 1876; à conférer aussi son Versuch
einer natürlichen Anordnung d. Spinnen, 1878, S. 406). Presqu’en
même temps je m'en suis assuré pour beaucoup d’especes, surtout
pour les Mygalides (Proces-Verbaal der gewone Vergadering van
de Afd. Natuurk. d. Kon. Akademie v. Wet., n°. 9, 25 Maart
1876.) [Par la découverte d’une immense quantité de grandes
cellules séminiféres primitives dans ce tube, semblables aux
»Mutter-celleny, j'ai été alors induit en erreur dans la sup-
position, que le bulbe génital ferait ici ” peut-être” la fonction de
testicule. Mr. Bertkau m’a converti depuis, en nous apprenant,
que ces mémes cellules, simulant des spermatophores, — aux-
quels il a donné ici le nom de »Coenospermiény, — se
retrouvent dans les testicules vraies du ventre].
Mr. Lebert (Libr. cit. S. 20) et Mr. Fickert (Ueber ein Ausfüh-
rungs-canal der männlichen Copulationsorgane bei den Araneiden,
dans Entomologische Miscellen (Verein f. Schles. Insectenkunde ,
1874) semblent s’approprier la »découvertey d’un canal dans
le bulbe génital et d’une perforation du conjoncteur, méconnues
par Mr. Treviranus et d’autres auteurs anciens. C’est une erreur
assez grave. Cette organisation était connue déjà à Mr. Lyonet,
annotant pour le bulbe: On aperçoit, que son extrémité antérieure
rest percée, et qu'elle est en dedans pourvue d’un conduit
nmembraneux” (Recherches sur l'anatomie de différentes espèces
d'insectes, 1832, p. 79). Plusieurs naturalistes en ont donné aussi,
avant et après eux, des descriptions analogues ou des figures dis-
tinctes. A comparer, entre autres: Cuvier (/Æègne animal, Arach-
nides); — Carus (Zcones zootomicae wirbelloser Thiere; Arachniden); —
Burnett (Proceed o. t. Boston Soc. o. Nat. History, Vol. IV); —
Dugès (Ann. d. Sc. Nat. Zool. 2 Ser. T. VI).
Pour cet organe j'ai préféré, en Francais, le nom de conjoncteur
selon Savigny et, en Latin, celui de penis, proposé par Lyonet,
188
(10).
LE MUSCLE SPIRAL ET LA VESICULE
adopté depuis par Mr. Siebold (Lehrbuch d. Vergleichenden Anatomie)
et Leydig (Lehrbuch der Histologie, où il est désigné comme
„der Rutheny et „das Begattungsglied/. On l’a doté richement
de beaucoup d’autres dénominations, tant bonnes que mauvaises,
à savoir: appendice excitateur (Treviranus) ; — dard masculin (Ly-
onet) ; — Hindringer ou Embolus (Menge) ; — Einbringer (Bertkau)
(Mr. Lebert donne aussi quelquefois ce nom au spermophore de
Menge] ; — stylum (E. Simon); — Befeuchter (Fickert); — irrigator
(Lebert); — inductor (O. Herman); — Oeffner(?). Avec celui de
nstylen (Simon), les noms de wspinen ou spina (Cambridge,
Thorell) et de „setan (Westring) sont le plus en usage pour les
descriptions systématiques.
[Je n'ai pu croire mes yeux en lisant, sur cet organe, chez
Mr. le Professeur Lebert: » Ein Penis fehlt den wahren
Spinnen» et »Möglicherweise(?) dient der » Eindringer »
bisweilen „auch als Reiz- und Wollust-organy (Libr. citat.
S. 20 et 23)].
Spermophorum Menge (non Bertkau. Ann. 7). — La projection
du palpe décrite sous ce nom par Mr. Menge (Preussische Spinnen,
S. 25) a été, longtemps après, désignée par lui, avec raison, aussi
comme „der Hülle» ou das Hüllblättchen des Eindringers »
(ibidem, S. 459). — En général plus ou moins long et concave
cet organe présente des formes et des variations bien différentes,
comme d’une rainure ou d’une fente, d’une spatule, d’un cuiller,
d’un tube, d’un crochet (simple ou même double), d’une valve,
d’un feuillet, d’une languette, etc. En partie solide, chitineux,
d’autres fois presque en entier membraneux (voir le Supplement)
on y distingue souvent, dans sa moitié antérieure, des aspérités,
qui ont fait dire à Mr. Lebert, — en faveur de la théorie pri-
mitive de Mr. Menge, — qu'elles favorisent „das Haften der
„Samenfaden in ihre Fürchen und Rinnenv. (dir. cit. S. 21). En
étudiant de près sa conformation souvent bizarre, on doit pourtant
reconnaître, que Mr. Menge a trouvé plusieurs fois l’occasion de
comparer l'enlèvement de la semence par cet organe avec l’action
d'un cuiller ou d’un pinceau, destinés „zum Auslöffeln,
Aufschôpfen oder Auftüpfen des Samens » (voir notre Planche 7).
Au contraire cet auteur n’a presque pas fait attention à une
autre fonction de son spermophore, d’une utilité non moins grande,
savoir de fixer et d’entourer le bout du penis et de faciliter ainsi
son entrée dans le génital féminin, faculté indiquée déjà par
Mr. Lyonet (Zër. cit. p. 78) par sa dénomination de conducteur”
du penis. Récemment, dans ses recherches microscopiques sur
cette partie du bulbe, très allongée et tortueuse, et sur les recep-
DU PALPE DES ARAIGNEES MALES. 189
tacula seminis, d’une structure analogue, chez la Oryphoeca mi-
rabilis Thor., Mr. Bertkau a démontré, de nouveau, qu’il fonc-
tionne vraiment de cette sorte. » Er hat die Bedeutung den Träger
„den Weg zu bahnen» (Zur Kenntniss der Funktion der einzelnen
Theile an den Tastern der Spinnen-männchen. Entomologische Mis-
zellen. Dans Verhandl. d. N. V. Jahrg. XLI, S. 359, et Versuch
einer nat. Anordn. d. Sp. 1878, S. 396, è propos de la Scytodes
thoracica Ltr.). Quant è moi, du commencement de mes études
des pattes-mâchoires, je l’ai toujours considéré comme étant à la
fois et la gaine ou le fourreau et le condueteur du penis. La-
dessus on peut s’assurer le mieux sur le soi disant „ spermophorum #
de la Heteropoda venatoria L. (voir notre Planche 7, fig. 10).
Chez cette araignée le conducteur conique et pointu, è fibres croisées
en spirale, consiste en une gouttière ou un tube allongé, avec une
fente apicale. Plusieurs fois j'ai constaté, que la pointe du penis
se dirigeait vers sa base, d’autres fois qu’elle y fut avancée en
partie et chez quelques exemplaires, que le conjoncteur était tout
à fait emboité dans sa gaine, comme dans un fourreau (Tijdschr.
v. Entom., XXIX, Verslag, blz. xxmr, 1885). [Plus bas j’aurai
occasion de revenir sur cet organe en traitant de l’entrée du
sperme dans le tube séminifère).
(10 bis). Il ne me serait pas difficile, de démontrer la justesse de cette
(11).
remarque par un extrait des écrits de plusieurs aranéologues mo-
dernes. Je me bornerai à la citation d’un des exemples les plus
récents, donné par Mr. Adolf Lendl dans ses observations » Ueber
die Begattung und die Copulationsorgane von Zrochosa infernalis
Motsch.” (Naturhistorische Hefte, Vol. XI, n°. 1, Publ. VII,
30, 1887, Buda-Pest). D’une part son travail, du reste méritoire ,
contient, pour la femelle, ses observations très interessantes sur
l'appareil glanduleux à l’entour des receptacula seminis, mais
de l’autre côté on doit s’étonner, à l'égard des palpes masculins,
de son étymologie obscure et défectueuse, dans ses descriptions
tant organiques que physiologiques.
Voir les travaux suivants:
Menge. — Schriften der Naturforschenden Gesellschaft in Danzig,
1840, 1843 et Neue Folge, 1866, 1875, et Preussische Spinnen,
1866. L’éjaculation préliminaire a été observée par lui principale-
ment sur Agelena labyrinthica Clk., Agelena similis Keys., Liny-
phia triangularis et Lin. montana Clk., Micrommata virescens Clk. ,
Clubiona trivialis C.K. et Cl. clandestina M., Tapinopa longidens
Wid. et d’autres.
Ausserer. — Ferdinandeum, 3 F. XIII, Heft 97, 1867; —
sur Zinyphia triangularis Clk. et Dictyna benigna Wik.
190
(12).
(13).
(14).
(15).
LE MUSCLE SPIRAL ET LA VESICULE
Bertkau. — Archif f. Naturgeschichte, Jahrg. I, 1875, ete.; —
sur Philoica domestica Clk. et Linyphia montana Clk.
Van Hasselt. — Tijdschr. v. lntom., XX, Verslag, blz. xvi,
1877; — sur Ocyale mirabilis Clk.
M. Cook. — Proceed. Acad. Nat. Sc., Philadelphia, 1879; —
sur Linyphia marginata C.K.
Maule Campbell. — Linnean Soc. Journ. Zool., Vol. XVII,
1883; — sur Tegenaria Guyonii Grn.
Par exception le sperme peut être déchargé aussi sur une feuille,
une pierre ou quelqu’autre objet serviable. — Vu l’extrème
rareté des observations de cet acte préliminaire , l’idée m’est souvent
venue, que dans quelques espéces les palpes pourraient aussi
puiser peut-être la semence directement de Vorifice testicu-
laire. Mr. Cambridge partage cette supposition, en ces termes:
„In some instances the male spider probably imbibes the fecunda-
„ting fluid directly from the secreting vessels, — but this
„has not yet been actually observed.» (Dorset spiders; Intro-
duction, p. XI).
Dans son Traité méritoire „On the pairing of Tegenaria Guyonii
Grn., dans Linnean Soc. Journ, Zool., 1883, Vol. XVII, p. 171,
Mr. Maule Campbell a décrit et figuré des Tubular spines»
et des Erectile papillae, situés a l’entour des orifices
testiculaires. Il les considère comme fonctionnant tant dans la
confection de la toile spéciale, que dans l’émission du fluide
prolifique. Quoique j'ai pu constater, du moins en partie,
l'existence de ces organes chez les espèces citées par l’auteur,
je n’ose pas encore me prononcer sur leur destination physiolo-
gique, avant qu'elle n’ait été confirmée et éclaircie par d’autres
zoologistes.
Afin de m’assurer, avant sa disparition, que ce fluide fût réelle-
ment du sperme (et point du liqueur prostatique selon l’hy-
pothèse de Mr. Fickert, Ann. 15), j'ai essayé, chez mon Ocyale
en action, de soumettre le fragment de la toile, ou il fut
déposé, à un examen microscopique, mais sans y réussir à souhait.
Mr. Campbell a été plus heureux pour son Zegenaria, et y
a pu distinguer infailliblement la présence des spermatozoides
(Loc. citat., p. 164).
Dans les » Entomologische Miscellen », supra citat (Ann. 8), S. 64,
Mr. Fickert annonce, d’avoir distingué deux glandes dans l’inté-
rieur du tube séminifére! Es zeigt sich sowohl in der Nähe der
Ausführungs-Stelle des Canals ein drüsiger Gebilde, dessen
(16).
DU PALPE DES ARAIGNEES MALES. 191
Zusammenhang mit dem Canal jedoch nicht nachzuweisen war,
als auch ein, in der Mitte des Taster-Bulbus gelegenes, zweites
drüsiges Organ aus welchem der Canal entspringt.» (Il en a
donné une figure peu distincte pour „l’Zpeira diademata Clk. ),
„Beide Driisen dürften ein dem der Prostata entsprechendes Secret
absondern, welches zur Befeuchtung des auf die gerippte Platte
des Tasters (Spermophor Menge) aufgetragenen Spermatozoën dienen
mag ”. Dans ses » Myriopoden und Araneiden v. Kamme des Riesen-
gebirgesn, Breslau, 1875, S. 10, ete., il affirme de nouveau,
qu’en dedans du bulbe génital il se trouve „ein mit Cylinder-
Epithel ausgekleidete Schlauch-Driise, der Prostata der
Wirbelthiere entsprechend». De son côté Mr. Lebert embrasse
cette opinion sans réserve (Libr. citat., S. 21). Mr. Bertkau
présume, que l’erreur de Mr. Fickert s’explique peut-être par ses
recherches sur des individus immatures, desquels il a pû
regarder les cellules chitinogénes du bulbe pour des cellules
„glandulaires/. Voir la réfutation de Mr. Bertkau dans ses travaux:
„Ueber die Veberträgungs-Organe und die Spermatozoén der
Spinnen», (Sitzungsberichte der Niederrheinischen Gesellschaft in
Bonn, 19 Febr. 1877), et » Versuch einer natürlichen Anordnung
der Spinnen» (Zroschel's Archiv, Jan, 1878, S. 406).
[J'ai observé, avec M.M. Menge, Ausserer (Locis eitat.), Bertkau
(Natürl. Anordn. u. s. w. S. 372) et d'autres aranéologues, une
tout autre manière de »Befeuchtung» ou @humectation
des palpes miles. On la peut observer très souvent, comme
simple moyen de propreté. Parfois aussi elle se fait plus intensive-
ment, pendant les intervalles de l'acte du coit. Alors on voit
Varaignée porter ses palpes vers la bouche, comme pour les nettoyer
par ses crochets mandibulaires, entre lesquels elle les tire et retire
lentement. Plus d’une fois, et très décidément sur l’Agalena
labyrinthica Olk., j'ai yu alors sortir une grosse goutte d’un fluide
limpide (salive), avec laquelle elle semblait laver et lubréfier
les bouts des palpes, Mr. Bertkau a observé un autre effet de
cet acte, qu'il nomme das Einspeicheln des Samensw chez
une Segestria et une Dysdera. "Aus der Mundöflnung ergoss
„sich eine helle Flussigkeit, die die ganze Gegend um die Genital-
„spalte herum benetzte. 7)
Cette anomalie de l’acte de la copulation n’est pourtant pas sans
quelque analogie chez d'autres invertébrés. Ainsi on veut
avoir observé l’émission préliminaire du sperme chez quelques
Libellulides et Myriapodes, et son transport, à l’aide des pieds
ou des bras, chez quelques Crustacés et Mollusques. Voir,
entre autre, Fabre, dans Ann. d. Sc. Nat. Zool., +. - ILE:
192
(1):
(18).
(19).
(20).
(21).
LE MUSCLE SPIRAL ET LA VESICULE
Brocchi, ibidem, T. VI et Harting, Leerboek der Dierkunde,
Insekten, blz. 149.
Mr. Menge a précisé ce lieu dans les mots „Von unten herr;
Mr. Maule Campbell dit de même: # The palpi are placed un der
„the silken sheet” (Loc. citat. , p. 165). Dans mon observation
sur l’Ocyale, où la toile spéciale avait une direction verticale,
jai du le définir ven arrière de la toile.
Mr. M. Campbell donne une autre description de ces mouve-
ments, chez son Zegenaria: » Their movements were like those
„of a hand under a network, striving to secure any sub-
„stance, which was there, by causing it to fall through the
„meshes» (Lbidem, p. 165).
Entre plusieurs autres les auteurs suivants sont à citer ici: Aus-
serer, — Bertkau, — Blackwall, — Brandt et Ratzeburg, —
Maule Campbell, — Clerck, — Dugés, — Doumerc, — Emer-
ton, — de Geer, — Herman (Otto), — Lister, — Lyonet, —
Lesser, — Menge, — Treviranus, — Walckenaer. Moi-méme
j'ai observé la copulation, une seule fois avec ’éjaculation
préliminaire (!) et dans onze espèces avec le travail de la vésicule(*),
chez Dysdera Cambridgei Th., — Agroeca chrysea L.K., — Dictyna
arundinacea Li. (*), — Dictyna viridissima Wk. (*), — Lethia
humilis Blw. (*), — Argyroneta aquatica Clk., — Tegenaria
atrica CK., — Agelena labyrinthica Clk. (*), — Scytodes thora-
cica Ltr. — Theridion bimaculatum L., — Steatoda bipunctata
L. (*), — Neriene fuscipalpis C.K. (*), — Walckenaera alti-
frons Cbr. (*), — Linyphia triangularis Clk. (*), — Tetragnatha
extensa L., — Tetragnatha dearmata Th., — Zilla x-notata
Clk. (*), — Zpeira diademata Clk., — Epeira sclopetaria Clk. , —
Philodromus aureolus Clk., — Ocyale mirabilis Clk. (! et *), —
Heliophanus cupreus Wlk., — Marpessa muscosa Clk. (*).
En général ces contractions ne se font pas avec une lenteur de
„3 fois dans la minute, citée par Mr. Menge, pour le Micrommata
virescens Clk. Je regrette maintenant, de ne les avoir pas
compté avec prévision, mais je crois pouvoir les évaluer à 20
à 30 fois dans la minute environ pour quelques espèces observées
par moi.
Je dois faire remarquer, que l’apparition et le travail de la
vésicule, comme je les ai décrit, ne peuvent pas être reconnus
toujours. Entre plusieurs autres je ne les ai jamais pù constater
chez la copulation (très agitée) de l’Epeira diademata Clk.
Une des meilleures descriptions de cet acte fùt donnée déjà par
(22).
(23).
(24).
(25).
DU PALPE DES ARAIGNEES MALES. 193
Mr. Walckenaer pour son Z%eridion (Dictyna) benignum, dans
l'Histoire naturelle des Arancides, 1806, Fasc. 5, Texte de la
Planche 8. Presque en tous points je puis souscrire ces lignes
pour la Dictyna viridissina Wlk., dont j'ai épié, comme lui, la
copulation plusieurs années ensuite dans mon jardin à la Haye.
Plus d’une fois il m’est réussi, ayant placé une couple adulte
entre deux verres d’horloge, sur un petit morceau d’une feuille
de ma vigne, où elle eut son domicile, de démontrer à quelques
uns de mes amis entomologiques, les contractions de la vésicule
copulatrice. Même chez des espèces plus petites encore je les ai
observé pendant longtemps, de la même manière, entre autres sur
la Neriene fuscipalpis (s. rurestris) C.K. Voir mon „Waarneming
der copulatie bij eene der kleinste spin-soorten, dans 7ijdschr. v.
Entom., XVI (1873), blz. 61.7 Mon ami Ritsema avait dirigé
mon attention sur cette groupe par son observation analogue, —
sur laquelle j'aurai occasion de revenir, — chez la Walckenaera
acuminata Wid., laquelle j'avais méconnue alors pour le Miery-
phantes inaequalis C.K. (Ibidem, XV (1872) Verslag, blz. xxvrr).
Aussi souvent que l’action de la vésicule est » décrite”, aussi
rarement elle est /dessinéen qua talis. Pour moi je n’en connais
que deux figures; l’une de Mr. Otto Herman, pour la Liny-
phia montana Clk. in copula (Libr. citat., Bd. 1, Tab. III, fig. 65),
l'autre, grossie, de Mr. Doumere pour I’ Zpeira calophylla WIk.
(v Mémoire sur l’accouplement de cette espèce fig. 10; publication
sans date ni origine; celle-ci me semble la même que du
„ Magasin de Zoologien). Elles ne valent pas beaucoup, surtout la
seconde, comme on s'en peut convaincre par comparaison avec
notre Planche 6.
„Zur Kenntniss der Funktion der einzelnen Theile an den Tastern
„der Spinnen-Männchen. » Entomologische Miszellen. Dans Verh,
d. N. V., Jg. XLI, S. 361, et „Ueber die mechanische
„Kraft, die das Sperma bei der Begattung aus dem den Samen
„enthaltenden Schlauch heraustreibt ». Dans Sitzungsberichte der
Niederrheinischer Gesells. f. Nat. u. Heilkunde, 2 Dee. 1878,
Separat-Abdruck, S. 2.
Sous ce nom Mr. Fickert a donné des figures exactes du
muscle spiral, même un peu dans sa transformation en vésicule ,
pour deux espèces de Linyphia (Myriopoden, etc. jam citat.,
Annot. 15).
Voir Medizin. Zoologie de Brandt et Ratzeburg, Bd. II, S. 91 (note).
Dans son Symbola ad Faunam Arachnoïdarum Tyrolensem, Krakow ,
1887, Tab. VI, on trouve des belles figures de cette „partie
13
194
(26).
(21).
(28).
(29).
(30).
LE MUSCLE SPIRAL ET LA VÉSIOULE
basale», entre autres pour la Neriene livida Blw. et la N. trun-
corum L.K. Dans cettes espèces il a noté deux ”anfractus ” pour
les »spiraux . — De semblables dessins se rencontrent aussi chez
Mr. Lebert (Libr. cit. p. e. Taf. IV, fig. 23 et Taf. V, fig. 31),
chez Mr. Emerton (New England Spiders o. t. F. Therididae, 1882,
PI. XVII, fig. 1, PI. XX, fig.1, etc.) et d'autres. Parmi les auteurs
anciens on doit citer avant tous les gravures de Mr. Lyonet (Libr.
citat., Annot. 8, Pl. 19 (8), fig. 8 et Pl. 20 (9), fig. 3 et 7),
et de méme les Planches de Mr. Treviranus dans son oeuvre
classique, Innern Bau der Arachniden, Tab. 4, fig. 35 et 36,
toutes ayant rapport au muscle spiral, mais sans indication
positive de la vésicule typique.
De son ”Sacv à la base du bulbe, plus ou moins strié, Mr.
Emerton a donné des figures de peu de valeur, pour 1’Epeira
vulgaris Hentz, la Linyphia vulgaris Hentz et une espèce de
Mygale, sans se prononcer sur sa texture (On the structure o. t.
Palpal Organs of Male Spiders», dans Proceed. o. t. Boston Soc.
o. Nat. Hist., Vol. XVII, Part. IV, April 1875). Plus tard,
il l’a figuré beaucoup mieux, mais sans avoir distingué que son
„internal sac” ne fut point la base du bulbe, comme il
le suppose, puisqu’il en fait sortir des circonvolutions du tube
séminifère (sous-jacentes), mais notre vésicule du muscle
spiral. (Zhe structure and habits of Spiders, 1883, fig. 47 et
page 91).
Voir Tüjdschr. v. Entom., XXXI, 1887—88, Verslag, blz. LxxxvI.
Mr. Menge dit du muscle spiral, qu’il „besteht nur aus sehnigen
„Fasern/, Mr. Lebert: qu'il est un » Convolut gewundener Elas.
„tischer Bänder», Mr. Bertkau: » die in der Grube geborgene Basis
„des Trägers besitzt eine dehnbare Wandung von einer streifiger
„Naturw (Locis jam eitatis). Sur la structure dela vésicule je
nai pu trouver chez eux d’autres indications; seulement celle
du Pholeus opilionoides a été décrite par Mr. Bertkau comme un
„glänzende, kugelige Körper». (Beiträge z. Fauna der Rhein-
proving, S, 214).
Sur plus de 30 espèces Européennes et Tropiques j'ai extrait, avec
des aiguilles à préparation, les fibres du muscle spiral en entier
ou en fragments, du bassin tarsal. En vain j'ai essayé la méthode
de Mr. Lyonet, pour faciliter cette opération (voir Ann. 47). Leur
aspect est assez uniforme à l’oeil nu.
Mr. de Graaf est adjoint de Mr. le Professeur Hoffmann à Leyde.
Il est renommé, entre autres, par son savant ouvrage couronné
(31),
(32).
DU PALPE DES ARAIGNEES MALES. 195
„sur la construction des organes génitaux des Phalangiens u
(Leyde, 1882), (conf. aussi mon extrait dans Tijdschr, v. Entom. ,
XXVI, 1883, blz. 104), et par sa Dissertation classique sur le
„Bouw en ontwikkeling der apophyse bij Amphibien en Reptilien»
(Leyde, 1886). 7
Voir son » Notice» sur tet appareil, dans Archives de Biologie,
Vol. I, 1880, p. 573 et pl. xxrv, fig.2 et 3. Ce sac venimeux
avec ses fibres en spirale m’a semblé avoir une asssez grande
conformité extérieure avec notre vésicule. Il montre aussi une
striation très prononcée et régulière. Selon lui, ses fibres consistent
en grande partie de tissu musculaire lisse, limité par du
tissu connectif. Pour les fibres de la tunique de ce sac il
ajoute encore: / qu’ils rappellent l’aspect, que présente un petit
„tendon de mammifère ” p. 576; (c'est aussi le cas avec ceux du
muscle spiral). Il ne mentionne, au contraire, pas nos fibres
élastiques.
Dans le commencement de nos recherches j'avais envoyé à Mr. de
Graaf des exemplaires provenant d’araignées conservées dans l’aleohol
et dans la glycerine, en partie traités par l’hydrate potassique.
Plus tard j’y ai ajouté, a sa demande, des spécimens fraiches,
sans préparation aucune, surtout quelques uns de mes
plus beaux, provenant de Amaurobius ferox WIk., de la Neriene
longipalpis Snd. et de la Marpessa muscosa Clk., desquels,
comme de beaucoup des antérieurs, il a eu la grande bonté d’ap-
prêter pour moi plusieurs objects microscopiques en carmin, tous
témoignants d’un traitement supérieur. La texture ne lui semblait
pas varier dans tous les cas.
(32 bis). Mr. Lebert (7 Bereitung des Chitinskeletes » , voir notre Ann. 41)
(33).
(34).
aflirme également: „In den spiralig gewundenen Muskel ver ge-
„blieh gesucht zu haben nach organischen Muskelfasern sowie
„auch nach Vebergangen zwischen den quergestreiften Muskel-
» fasern und den organischen Muskelzellen, die ich sonst bei niederen
„Thieren mehrfach gefunden und beschrieben habe. 7
„ Dieser Muskel zieht sich, durch den ganzen Ueberträger hin-
„durch, zu den beweglichen Theilen desselben hin» (Menge).
» Dieses Convolut elastischer Bänder schickt zu allen Theilen
„des Uebertrigers bandartige Theile » (Lebert). Libris eitatis. (sic).
Mr. Treviranus déjà a fait la remarque: „dass der eichelförmiger
„Körper bei der Paarung anschwellt». Mr. Menge et Lebert
disent: » Bei der Begattung kann der spiralig gewundene Muskel
» bedeutend anschwellen, so dass er wie aufgeblasen erscheint 7.
196
(35).
(36).
(37).
LE MUSCLE SPIRAL ET LA VÉSICULE
(Libr. citat.). Mr. Bertkau en donne une description semblable
mais mieux précisée: „Der untere Theil, oder der elastische
„Grundtheil, des Trägers, tritt bei der Paarung wie eine prall an-
„gefüllte Blase hervor» (Gen. apparat. d. Aran., S. 257, etc.).
Bien qu’il y ajoute, d’avoir observé aussi: » dass die Blase mehrere
„Male zusammensank oder fiel, und wieder anschwoll», il me
semble n’avoir donné que pen d’attention aux contractions
apparentes de la vésicule, entre ces deux phases de gonflement et
de dégonflement.
Dans plusieurs descriptions de la copulation on considére l’ap-
parition de la vésicule comme un phénoméne accessoire, sans
liaison directe avec le muscle spiral. Mr. Otto Herman, entre
autres, laisse son „Sperma-blaser „aus dem Bulbus genitalis
» hervordrängen ”! (lür. cit., S. 81). Mr. Adolf Lendl s’éloigne
encore plus de la vérité, Étant, comme il parait, partisan de la
doctrine ancienne de Menge et de la 7 Befeuchtungs-Theorien de
Mr. Fickert (Ann. 15), il soupçonne, que la vésicule servirait à
diluer la semence! „Die Verdünnung des Spermas geschieht
„vielleicht durch das Hervorschnellen und Einziehen der Blase. »
(Ann. 10 bis, 7. c., p. 55).
Mr. Lebert, qui a fait quelques études sur l’anatomie du ” Muscle
spiral”, me semble avoir moins de notions physiologiques sur son
rôle de „vesicule» dans la copulation. Il se peut, que je ne l’ai
pas bien compris, mais la description de l’action de son » Polster »
pourrait faire naître la supposition, qu’il le fait entrer lui-même
dans les parties génitales de la femelle. En tout cas il ne s’ex-
plique là-dessus que d’une manière assez obscure. » Das Polster
„kann, gerade durch die Elastieität, beim Acte des Eindringens
vin die Genital-Spalte, im Raume sehr verkleinert werden, um
„sich nach deren Findringen, wieder auszudehnen, und sich die
„Theile des Kolbens, denen der Vagina und Samentaschen anzu-
n passen » (LP). (Libr. eit., S. 21). L’explication, qu'il a donné
de la fonction de son -elastisches Bänder-Polster » (Bereitung des
Chitin-Skeletes; cité dans Ann. 41; S. 619) ne me parait pas ap-
porter plus de lumière sur cette question. — D’une façon analogue
Mr. Doumere avait méconnu, avant lui, l’action vésiculaire, en
écrivant: le palpe est terminé par un gland, qui se gonfle
„pendant l’accouplement, et qui distend les parties génitales de
„la femelle y (loc. cit. Ann. 21).
J'ai préparé des vésicules artificielles très distinctes de la
Micaria pulicaria Snd., — de l’Amaurobius ferox: WIk., — de
la Zegenaria atrica C.K. et de la Zeg. Guyonii Grn., — de la
DU PALPE DES ARAIGNEES MALES. 197
© Neriene longipalpis Snd. et de la Ner. rufa Wd., — de la Pachy-
(38).
(39).
(40).
(41).
gnatha Olerckii Snd. et de la Pach. Listeri Snd., — de la Steatoda
bipunctata L., — du Theridion bimaculatum L., — de la Meta
Menardi Ltr., -- de la Zilla x-notata Clk., — de | Heteropoda
venatoria L., -— de la Micrommata virescens Clk., — del Ocyale
mirabilis Clk., — de la Tarentula andrenivora Wlk., — et de la
Marpessa muscosa Clk.; — il m’est réussi aussi, de les faire
paraitre, quoique moins @videntes, chez deux espèces de Mygale
et encore d’autres espèces.
Sur des verres à objectif, je possède, outre maints fragments du
muscle spiral étirés du bassin, les vésicules des espèces citées
(Ann. 37), et encore d’autres, p.-e. de la Dictyna arundinacea L. ,
et viridissina Wlk., — de la Linyphia montana Clk. et triangularis
Clk. — de la Linyphia bucculenta Clk. et de la Linyphia luteola
Blw., — de l’Epeira cornuta Clk. et sclopetaria Clk., — de la
Nephila maculata Fbr. (celle-ci pas assez gonflée) et du Dolomedes
unifasciatus Dol., etc.
En considération de Vaction spéciale du chloroforme sur la
sortie des génitaux chez les Coléoptères et d’autres insectes, mon
ami Everts m’a conseillé d'en faire l'essai, mais jusqu'ici, du
moins pour trois espèces, sans résultat.
Libr. cit., S. 37. Il en faisait usage pour produire l'érection du
palpe, sans qu’il connaissait encore l’évolution de la vésicule.
L'effet, quant à l’apparition de celle-ci, est cependant presque
insensible.
Citée par Mr. Fickert (Loc. supra cit.), Mr. Lebert aurait décrit
cette méthode dans son » Traité sur les Hydrachnides du Lac Leman n
(sans autres indications). Ne connaissant pas cet original, je me
suis procuré une copie d’un autre ouvrage de ce Professeur » Ueber
„den Werth und die Bereitung des Chitinskeletes der Arachniden
„für mikroskopische Studien » dans Sitz. Berichte d. K. Akad. d.
W. math. naturw. Cl, LXIX Bd. 1 Abth. 1874. Sur le page 610
il apprend: v ich habe eine fiinfzehnprocentige Kali-lösung als
„die weitaus geeignetste befunden. Avant de savoir cette particu-
larité, j'avais tàtonné tant soit peu pour reconnaître moi-même le
grade nécessaire de la dilution du Aydras kalicus et de la durée
de l’immersion de mes exemplaires. Le plus souvent j'ai fait usage
de 1 partie de kali (Aydras kalicus des laboratoires) sur 5 à 10
d’aqua destillata, mais plusieurs fois une relation plus forte était
indispensable pour faire paraître les vésicules. Le temps de l’immer-
sion différait aussi selon les espèces et leur volume. Chez quelques
198
(42).
(43).
(44).
(45).
(46).
(47).
(48).
LE MUSCLE SPIRAL ET LA VESICULE
unes 2 heures m’ont parfois réussies, chez d’autres 24 et plus ont
/1/ 7 . VARE: . . z 5 B FA
été nécessaires. La vésicule ainsi formée s’agrandit, généralement,
par l’exposition à l’eau distillée pendant 24 heures.
J’ai observé distinctement ces mouvements de la tige vésiculaire
chez Ocyale mirabilis Clk. et Agelena labyrinthica Clk. Ils furent
surtout trés prononcés aux moments des introductions répetées du
conjoncteur dans les receptacula.
Loc. cit., Ann. 21. Mr. Ritsema veut avoir observé: dat het
„heldere blaasje van tid tot tid sterker met een kleurloos.
„vocht werd gevuld y.
Loe. cit., Ann. 22.
J'ai essayé pour conserver mes vésicules artificielles l’alcohol, la
glycerine, de l’eau salée, de l’eau sucrée et autres; elles y subissent
des changements de volume notables et se dégonflent généralement
presqu’en entier à mesure que ces fluides sont plus concentrés.
Elles restent dans un assez bon état d'expansion, en les plaçant
dans 1 partie d’alcohol de 30° sur 3 parties d’aqua destillata.
Pour les étudier, je les replace dans l’eau distillée seule, puis-
quwalors elles deviennent souvent plus volumineuses après une
couple d’heures. Avec le temps elles perdent cependant cette
faculté.
Déjà MM. Lyonet et Treviranus le connaissaient comme tel (Libris
citatis). Mr. Otto Herman (Ungarn’s Spinnenfauna) le désigne du
nom „der Verbindungs-Muskels. Mr. Simon dit de même:
„le ligament spiral sert à insertion du bulbe” (Arachn. d.
Fr., I, p. 1). M.M. Menge, Lebert et Fickert sont d'accord en
ce qu'il attache le »Stema (le bulbe) au » Tasterdecker ou
au »Grund des Schiffchensr (Libris citatis).
MM. Menge et Lebert ont décrits ces mouvements comme il suit:
„Der Spiral Muskel schnellt den Uebertriger aus dem Becken
„heraus und dreht ihn, durch Aufrollung, in einem Kreise um »
(Libris citatis). Avant eux Mr. Lyonet a démontré cette ma-
noeuvre, qu'il faisait exécuter aux palpes, à son gré, par une
pression mécanique sur le bassin du tarse. A la cessation de
celle-ci il voyait rentrer le bulbe, comme par ressort, de même
avec un mouvement en spirale, mais en sens contraire. (Zabr. cit. ,
p. 79 et 85).
Ce travail du penis fut noté, entre autres, par Mr. Walckenaer
(Libr. cit., p. 340). A cette observation il ajoute, qu’il peut
être accompagné d’une y contraction répétée de la lame tarsale.
(49).
(50).
(51).
DU PALPE DES ARAIGNEES MALES. 199
A propos de celle-ci Mr. de Graaf m’a remarqué, en passant,
que peut-être cette partie du tarse pourrait ainsi coöpérer a
la pression vésieulaire (dont il sera question dans la suite),
par l’action des muscles volontaires dans les articles voisins du
palpe. Au premier abord cette idée me plaisait beaucoup, à con-
dition qu'auparavant le penis fut fixé dans lorgane de la femelle,
car sans un point d’appui, l’effet supposé se ferait attendre. Si
ces mouvements de la cupule du tarse dépendaient vraiment de
la cause supposée, leur concours à l’expression du sperme ne
saurait être revoqué en doute. Il me faut avouer, que je n’ai pas
regardé d’assez près à ces mouvements. Je crois, qu’ils ne se
montrent pas constamment. Mais de plus, chaque fois, que je les
ai vu, ils m’ont paru être secondaires, c’est à dire consécutifs
aux changements isochrones de la vésicule elle-même. Une recherche
ultérieure me semble ici à désirer.
Voir, par exemple, Menge, Pr. Sp., S. 458. » Das Sperma wird
„vor der Begattung in den Schlauch gebracht, und während der
„Begattung ausgepresstr; et Mr. Cambridge, Sp. 0. Dorset,
introduction, p. xt. » The male spider then imbibes or draws the
„ejaculated fluid into the bulbous organ, by means of an appro-
„priate duct, whose orifice is situated at the end of the prominent
„processes; through this it is again subsequently injected into
„the female organs. »
The Structure and Habits of Spiders, by J. H. Emerton. Boston,
1883. » Use of the palpal organs; page 94.
A comparer Entomolog. Misz. cit., S. 360. Ausser den Zellen
„der Matrix der beiderseitigen Kuticula, sind keine andere Gewebs-
„ elemente im Bulbus vorhanden, namentlich auch keine Muskeln,
„durch deren Thätigkeit der Inhalt des Spermophors ausgepresst
„werden könnte. Il s’agit ici de la ew/ieula de la paroi interne
du bulbe et de celle du tube spermophore. Mr. Bertkau la
décrit comme formée d’une substance chitineuse, plus ou moins
cornée (»verhornt”). Dans la matrix il a rencontré des cellules
épitheliales cylindriques et des cellules chitinogénes, avec
leurs canaux poreux.
(51 bis). Mr. Bertkau a développé ses idées là-dessus, en quelques mots
(52).
dans ses deux Traités, cités Ann. 22.
Au lieu de l’insertion du muscle spiral à la base du bulbe,
vers son milieu, Mr. Bertkau a découvert, chez les Dysderoides
(surtout chez la Segestria), » eine ringförmige Stelle» (Ueb.
d, Gen. App, d. Aran. S. 241 et ailleurs, Zocis citatis). Il croit,
200 LE MUSCLE SPIRAL ET LA VESICULE
qu’on peut présumer, que la pression indiquée se communique par
cette ouverture au plasma des cellules de la Matrix au dedans
du bulbe. Bien que je l’ai constaté sur le genre cité, l'existence
de ce trou me semble loin d’étre générale.
(53). Voici textuellement ce qu’il en a écrit:
„Da nun die Wandung des den Samen aufnehmenden Schlauches
„zum Theil elastisch ist, so sind die Bedingungen gegeben, dass
„der Druck des Blutes auf den elastischen Theil der Wandung
„den Inhalt heraustreibt.» (Separ. Abdr. a.d. Sitz Ber. d. Nieder-
rhein. Gesells. f. Nat. u. Heilk., 2 Dec. 1878, S. 2). Et ensuite:
„Bei der Begattung, also bei dem Austreiben der Samens, wirkt
- der Blutzufluss in erster Linie” (Versuch e. natürl. Anordn.
d. Spinnen, Arch. f. Naturg. XLIV, Jg. I. 1878, S. 368).
„Einzig und allein die bei der Begattung eintretende Blut-
„flüssigkeit übt zunächst auf die Matrix und durch dieselbe
„auf das Spermophor einen Druck, der die Samenelemente
„ heraustreibt.» (Entomolog. Miszellen, Verh. d. Nat. Ver. Jahrg.
XLI, 5 Folge, S. 361).
(53 bis). Trés souvent j’ai observé une Grection du palpe en entier,
par une douce pression, faite avec la tête d’une grosse épingle
sur le cephalothorax. Cette observation me semble confirmer la
théorie de Mr. Bertkau. Longtemps avant moi, Mr. Otto Herman
a produit le même résultat par une compression de abdomen.
„Der leiseste Druck , — dit il, — „ welchen wir auf den Hinterleib
„(von Sparassus ornatus oder Dysdera erythrina, 3), dicht vor
„Beginn des Coitus, oder im Verlaufe (?) desselben, ausüben,
„bewirket eine förmliche Erection des Palpus, so zwar, dass selbst
„das complieirte Organ an der Spitze desselben hervortritt (voir
son Traité sur l’Æpeira quadrata cité dans notre Ann. 1). Dans
sa supposition erroneuse d’une communication directe du
penis avec les testicules, il y ajoute: Diese Erection kann nur
„dem Einströmen des Sperma (aus den im Hinterleibe
gelegenen Samenbehältern) in den Palpus zugeschrieben werden.»
Je n’y vois qu’une simple congestion de sang artificielle.
»
(54). A propos du concours nécessaire de ces deux médiateurs de l’ex-
pression du sperme, Mr. de Graaf m’a communiqué son idée,
dans l’exposition suivante: „Hier kan alleen de in het blaasje
wintredende lichaamsvloeistof (het bloed, Bertkau) de factor
zijn voor deszelfs uitzetting, terwijl, bij terugvloeting van die
„vloeistof, de elasticiteit der geplooide chitine deszelfs sa me n-
„trekking te weeg brengt.» — Et ensuite: / Uit alles wat ik nu
„van den onderkaaksvoeler der mannelijke spin gezien en geleerd
(55).
(56).
(51).
DU PALPE DES ARAIGNEES MALES. 201
vheb, berust de werking van dit orgaan niet op contractie en
„relaxatie van spieren, die in den wand van de palpblaas zouden
„kunnen voorkomen, aangezien deze bij alle door mij onderzochte
„vormen ontbraken. Het kan alleen de lichaamsvloeistof zijn, die,
„geregeld door de hartbeweging, den voeler in- en uitstroomende,
„het palpblaasje doet uitzetten en inkrimpen. Bij eene instrooming
„van het lichaamsvocht zullen de overlangsloopende plooien van
»deszelfs elastischen wand uit elkander gedreven worden,
„waardoor eene drukking ontstaat op een ander inwendig
„blaasje (hier wordt de spermophoor van Bertkau bedoeld),
„die het uitperst, en alzoo de ejaculatie veroorzaakt. v
„Bereitung des Chitinsheletesn (Ann. 41), S. 619 et Libr. cit.
p. 21 et 23. Mr. Lebert en parlant ici d’un » tissu intermédiaire »
est d'accord avec l’idée bien intéressante , que Mr. Menge lui a com-
muniquée là-dessus dans une lettre, en ces termes: 7 Ich möchte
„das ganze System dieser glatten, glänzenden Muskeln bei den
v Spinnen mit den elastischen Fasern des Unterhautzellgewebes
„der Penis, der Tunica dartos, der Brustwarzen und der Haarbälge
„vergleichen, und bin der Meinung, dass seine Bewegung mehr
„auf einer allgemeinen Nerven-erregung, als einer ört-
‚lichen Willens-Einwirkung beruht. 7
Cette qualification, proposée par Mr. von Siebold (Zehrburch d.
vergl. Anatomie, 13 Buch, S. 550), pourrait s’appliquer avec plus
de raison au tube spermophore, si l’absence de fibres musculaires
dans ses parois ne s’y opposait.
Mr. Menge (Lidr. cit., p. 25) n’en a dit rien d’autre; il déclare
d’avoir vu chez Linyphia, Agelena et Lycosa: » das Aufnehmen
„des Samens durch den Ueberträger.” Il n’indique ainsi que
le fait, constaté par d’autres auteurs et moi-même (voir Ann. 11),
de l'enlèvement du fluide séminal par le bout des palpes.
Cette observation suffisait à Mr. Menge, dans sa croyance d'alors,
que le sperme resterait déposé sur son » spermophore.
(57 bis). Mr. Adolf Lendl, qui a eu l’occasion heureuse d'observer à
(58).
plusieurs reprises la copulation chez une des plus grandes es-
pèces Européennes, la Zrockosa infernalis Motsch., confirme cette
difficulté. » Wie das Sperma auf (in) die Copulationsorgane des
„Männchens gelangt, könnte ich leider nicht beobachten. Voir
Ann. 10 bis; 2. c., p. 55.
Mr. Menge (Lir. eit., p. 393) dit, qu’il a observé sur Linyphia
montana Clk., „dass die am Taster befindlichen Häkchen sich
„bewegen können und auch Samen aufnehmen (?)», — et chez
202
(59).
(60).
(61).
(62).
(63).
(64).
LE MUSCLE SPIRAL ET LA VESICULE
Micrommata virescens Clk.: „bei der Auftrigung des Samens
v scheint der untere Haken (?) behiilflich zu sein. »
„Eine weitere Frage bleibt nun noch die, durch welche Kraft und
„auf welche Weise das Aufsteigen des Samens in der oft sehr
„enge Spermophor bewirkt wird. Diese Frage hoffe ich im kom-
‚menden Sommer zu beantworten» (Sitzungsberichte, jam citat.
Ann. 22; 8. 3).
A l’occasion de la copulation chez Linyphia montana Clk. , à propos
„von das Verfahren um das Samentrôpfchen auf zu nehmen»,
il ajoute: » Bei dieser Spinne glaube ich ein Auf- und Zu-
„klappen an dem Samenbehälter wahrgenommen zu haben.
(Gener. App. d. Aran., jam cit., S. 254).
Mr. Dugès se demande: „Le conjoncteur ferait il alterna-
v tivement l’office de Siphon absorbant et d’organe éjaculateur ?y
(Observations sur les Araneides, citées dans notre Ann. 1).
Ici je dois faire la remarque, qu’il faut en excepter les Dys-
deroides, les Mygale’s, les Nephila’s et plusieurs espéces d’autres
genres, p. e. Drassus, Pachygnatha, Tetragnatha, Atypus, Scytodes,
Teratodes, ete. Tant pour cette partie de mon Essai, que pour la
P ] ESD
précédente, je prie le lecteur de vouloir se rappeler les variations
incroyables dans l’organisation des dépendances tarsales et
quelquefois aussi du tube spermophore et de son canal
n 5 à È 3
excréteur, dont il est impossible de tenir compte dans un
aperçu au point de vue général. C’est cette variabilité morpholo-
gique, surtout du conjoncteur et du conducteur, qui fait naitre
des difficultés très grandes pour une explication générale du
5 P te)
modus quo de l’imbibition.
A comparer, entre autres, quelques specimina de Linyphia, Ba-
thyphantes, Leptyphantes, Platyopis, Erigone, Agroeca, Clubiona,
Drassus, Philodromus, Euophrys, ete. On trouvera un des plus
beaux exemples (dont les figures sont bien souvent d’une exécution
obscure ou confuse) dans le dessin du Bathyphantes brevipalpus
M. chez Menge; ddr. cit. Tab. 47.
Voir ses Spinnen d. Schweiz, et surtout son Bereitung d. Chitin-
skeletes page 629, cités plus haut. Mr. Lebert en fait mention, non
seulement pour le Bathyphantes cité (63), mais aussi pour deux
autres espèces de ce genre, son B. gracilis et B. Charpentieri.
A propos du B. brevipalpus il s’explique ainsi: » Der Einbringer
„besteht aus einem wahrscheinlich doppelten Spermophorn et plus
loin: „Menge beschreibt den Samenträger als stielförmig, am Ende in
„ein rundliches, am Rande zierlich gefranztes Blatt er-
DU PALPE DES ARAIGNEES MÂLES. 203
„ weitert.» Et encore: 7 Ich habe dieses gefranzte Organ vergrössert
„dargestellt; ich kann mich aber kaum denken, dass dieses dünne
„ blattartige, durchaus nicht hornige Organ, der Hau p t-Samen-
„träger sei, eher könnte es, in dieser Beziehung, ein H ilfs-
„organ sein für Samenüberträgung (c'est à dire vun
„organe auxiliaire pour le transport du sperme dans les recep-
„tacular). On voit, qu'il n'a pas la moindre idée d’une coöpéra-
tion éventuelle de ces membranes è l'introduction du sperme dans
le tube séminifère.
(65). Il est dommage, que cette conformation intéressante n’ait pû être
figurée aussi, la gravure étant achevée déjà.
(66). Mr. de Graaf m’a proposé cette supposition, sans cependant y
attacher beaucoup d’importance, en ces termes: 7 Wanneer de
„spin het uiteinde van den penis doopt in den droppel semen
ven de lichaamsvloeistof (het bloed) vloeit gelijktijdig
„terug, dan zal zich, eerstens het blaasje, door vermindering
„van den druk, samentrekken, vervolgens de zaadbuis, door
„de elasticiteit van haren wand, zich uitzetten, en zouden alzoo
„de spermatozoiden dáárin kunnen worden opgezogen.
SYNONYMISCHE AANTEEKENINGEN,
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
de
Von Heinemann heeft in het jaar 1870, in zijne Schmetterlinge
Deutschlands und der Schweiz, 2te Abth., Band II, Heft I, p. 330.
Gelechia dimidiella W.V. en Gel. gerronella Zell. afgescheiden van
het genus Gelechia Zell. en voor deze Tineinen een nieuw gevormd
onder den naam Cladodes. Het was hem zeker onbekend, dat er
reeds een Coleopteren (Lampyriden)-genus van dien naam was be-
schreven door Solier, in Gay, Chile, Vol. IV (1849—51), hetwelk
door Lacordaire in diens Genera des Coléopteres is geadopteerd.
Onder voorbehoud van verbetering sla ik in plaats van Cladodes
von Hein. voor: Zudodacles.
2.
Het vlinder-genus, door Treitschke (Schmett. von Europa, IX,
2, p. 108) onder den naam Butalis s. gevormd, is algemeen aan-
genomen, ook door Zeller, die zijne Monographie daarover in de
Linnaea Entomologica, X (1855), publiceerde, en de naam schijnt
mede geen bezwaar te hebben ontmoet. Ik vind echter aangeteekend ,
dat die naam reeds in 1826 door Boie voor een vogel-genus was
gebezigd. Geldt dit nog, dan moet voor het vlinder-genus een’
nieuwe naam worden gezocht. Misschien ware Galanthia Hübn.
(Verzeichniss, p. 447) te bezigen. De drie eerste soorten althans
zijn zuivere Butaliden Zell., en zoo kon het « Namen-Magazin »
ons nog weder eens van nut zijn.
SYNONYMISCHE AANTEBKENINGEN. 205
3.
Abraxas interruptaria Feld. , Wiener Ent. Monatschrift, NI, p. 39
(1862); Id., Novara, II, 2, pl. 129, f. 29 (1874), is dezelfde
soort als Jalthia Eurypile Ménétriés, Bull. de St. Pétersbourg,
XVII, p. 247; Id, Voyage de Schrenck, p. 47, pl. w, f. 3
(1859). Een tweede synoniem is volgens Ballion, Stett. Ent.
Zeitung, 1868, p. 168, Halthia Burymede Motsch. , Bull. de Moscou,
I (1866).
Dr. Staudinger zegt in zijn bekenden Catalogus (1871), p. 154,
bij deze Abraxas «non hujus generis»: Het is waar, dat de lange,
smalle vleugels en het lange, dunne achterlijf eene afwijking vormen;
ook ontspringen ader 6 en 7 der achtervleugels verwijderd van
elkander; maar de andere soorten van Abraxas, 1. c., zelfs na
verwijdering van flavomarginaria Bremer (eene Rhyparia) en flavipes
Ménétriés, eene Cidaria (Larentia), zijn ook ten opzichte der nervuur
niet homogeen, en stellig scheid ik adustata Wien. Verz. , als genus
Zerene Treits. af (zie Vlinders van Nederland, Macrolepidoptera,
p. 512, 514, 613).
4.
In mijne aanteekeningen over £phestia Kühniella Zell. en ver-
wante soorten (Tüjdschr. v. Entom., XXVII), zeide ik op p. 248,
dat Zphestia Gnidiella Mill., naar een van Baron von Nolcken
ontvangen exemplaar te oordeelen, wel eene Cryptoblabes Zell. kon
zijn, doch dat de heer von Nolcken niet ten volle overtuigd was
van de identiteit zijner Gnidiella met die van Millière. Bij de
groote overeenkomst in kleur en teekening tusschen de vele, generiek
zeer verschillende Phycideën, moet men inderdaad ook zeer be-
hoedzaam zijn bij vraagstukken van dezen aard. Sedert heb ik
evenwel een paar echte Gridie/la door tusschenkomst van Dr.
Staudinger ontvangen, en deze bevestigen mijn vermoeden ten
volle. De soort is eene echte Cryptoblabes, en bistriga Haw. staat
dus niet meer alleen.
206 SYNONYMISCHE AANTEEKENINGEN.
5.
Op dezelfde plaats, p. 249, teekende ik aan, dat Zphestia Lug-
duniella Mill. mij onbekend was. Later heeft de heer Ragonot
(Ent. Monthl. Mag., XXII, 1885, p. 29) medegedeeld, dat zij
synoniem is met Cryptoblabes bistriga Haw.
Ephestia passulella Barrett (Ent. Monthl. Mag. , XI, 1875, p. 271)
is volgens Ragonot (1. c., p. 24) E. cahiritella Zell. (Stett. Ent.
Zeit., 1867, p. 384). Dit schijnt Zeller zelf niet te hebben ver-
moed, anders had hij het (Stett. Ent. Zeit., 1879, p. 468) wel
medegedeeld. Ik geloof intusschen dat Ragonot gelijk heeft. Ik
heb deze cosmopolitische soort, die uit Siberie, Chili (Ragonot) ,
Java, Celebes (Piepers), Egypte (Zeller) en verschillende landen
van Europa bekend is, ook een paar malen te Rotterdam in huis
gevangen.
Eindelijk deelt dezelfde Entomoloog ons op de aangehaalde plaats
nog mede, dat ph. ficella Staint. Snell. (7%dschr. v. Entom.,
XXVIII, p. 243) reeds in 1845 door Guenée, in diens Z#dex Method.
Microlepid., p. 82, beschreven is als Ephestia calidella, en hij her-
haalt ten overvloede Guenée’s beschrijving, waaruit dit blijkt.
AANTEEKENING
OVER
CIDARIA PROCELLATA WIEN. VERZ,
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
Bij het onderzoeken van bovenvermelde soort heb ik eene, naar
het schijnt nog door niemand opgemerkte bijzonderheid waar-
genomen, welke ik hier bekend meen te moeten maken, daar
zij althans een niet verwerpelijk soortskenmerk oplevert , een
voordeel, dat in het zoo soortenrijke genus Cidaria gewis van
belang is.
Reeds bij eene vluchtige beschouwing trof mij de grootte van
den vlinderkop en dien nader bezichtigende, zag ik dat het aan-
gezicht inderdaad bijzonder sterk ontwikkeld is. Het heeft bijna
de breedte van de doorsnede der oogen, die de normale grootte
bezitten, en wel bovenaan zoo goed als van onderen. Daarbij puilt
het sterk uit, is het zeer glad en fijn beschubd en draagt geene
kegelvormige schubbenkuif zooals bij vele verwante soorten. Bij de
in kleur en teekening na verwante C. alpicolaria Herr.-Schaff. en
bieolorata Hufn. is het aangezicht smaller dan de oogen, grof en
vrij dik beschubd, maar puilt zelf niet uit. Ook bij geene andere
mij bekende Cidaria der Palaearctische fauna, met gedeelde aan-
hangeel der voorvleugels, komt iets dergelijks in zoo sterke mate
voor. Beide sexen van den vlinder zijn in den bouw van het
voorhoofd gelijkvormig.
De palpen, hoewel niet bijzonder smal, zijn bij procellata verder
208 AANTEEKENING OVER
zeer kort, steken bijna rechtuit, maar komen niet voorbij het
uitpuilende aangezicht, wat mede vrij opmerkelijk is.
In bovenstaande fig. 4 heb ik getracht eene voorstelling te geven
van het door mij waargenomen kenmerk, terwijl fig. 2 eene af-
beelding van den kop van Cidaria bicolorata is.
Overigens heb ik aan procellata geene bijzondere kenmerken
gevonden. Het is waar, dat zich op het schildje eene dikke dot
van schubben bevindt, die bovendien door hare zwartbruine kleur
de aandacht trekt, doch iets dergelijks komt bij vele Cidarién
voor, o. a. bij de twee bovenvermelde soorten, waar wij echter
geene bijzondere kleur opmerken.
De nervuur der voorvleugels is normaal, en wat de achtervleugels
aangaat, zoo is de middencel korter dan de halve vleugel, met
vrij regelmatig holgebogen achterrand; ader 2 ontspringt uit drie-
vierden van haren binnenrand, 3 en 4 bijna uit één punt uit
haren staarthoek, terwijl ader 5 boven de helft der dwarsader
ontspringt. Bij vele andere soorten van het genus is de middencel
of althans hare onderhelft duidelijk langer dan de halve vleugel,
achteraan afgerond, en ontspringen de aderen 2—5 bijna even
ver van elkander, 5 uit of zelfs onder de breuk der dwarsader.
Deze vormen gaan evenwel, zooals ik reeds in de /Ziders van
Nederland, Maerolepidoptera, p. 628 opmerkte, zeer geleidelijk
in elkander over, en dit verschil in de nervuur kan, hoe
opmerkelijk ook, dus hoogstens als soortskenmerk dienst doen; de
ook variëerende oorsprong van de aderen 6 en 7 der voorvleugels
zelfs niet eens als zoodanig, daar hij niet eens bij de individuen
bestendig is.
Indien iemand van de bijzondere kopvorming van procellata ge-
bruik wilde maken tot generieke afscheiding, zou ik, aangezien
CIDARIA PROCELLATA W. V. 209
zij bij beide sexen voorkomt, daartegen geen bezwaar hebben,
evenmin voor die van comitata als Pelurga Hübn., Guen. (zie
ook Snellen, /Zinders van Nederland, Microlepidoptera, p. 1181).
In het bekende magazijn voor generieke namen, Hübner’s /er-
zeichniss, vinden wij dan voor procellata den naam Plemyria.
Onder de soorten van Cidaria, met gedeelde aanhangcel der voor-
vleugels, puilt het voorhoofd ook bij vespertata Hübn., rupestrata
W.V., nebulata Treits., aqueata Hübn. en misschien nog wel bij
andere verwante soorten, die ik niet bezit, rond uit; doch het is
smaller dan bij procellata. Deze soorten behooren overigens, wat
het aderstelsel aangaat, tot die met eene verlengde onderhelft van
de middencel der achtervleugels en bijna even ver van elkander
ontspringende aderen 2—5.
Wat nu de Cidarien met ongedeelde aanhangcel der voorvleugels
betreft, waartoe van de mij bekende soorten der Palaearctische
fauna, behalve rwbiginata Hufn. en cambrica Curt. volgens Schilde ,
Stett. Ent. Zeit., 1874, p. 74, ook serraria Zell. behoort (welke
opgave ik bij eigen onderzoek van een exemplaar juist heb be-
vonden), zoo puilt bij cambrica het breede voorhoofd bijna even
sterk uit als bij procellata, terwijl de palpen ook zeer kort zijn.
In de Nieuw-Zeelandsche fauna schijnen de soorten van Cidaria
met ongedeelde aanhangcel der voorvleugels en met onze Europeesche
overeenkomende achtervleugels talrijker te zijn. Meyrick vermeldt
er ten minste in zijne beschrijving der Geometrina van Nieuw-
Zeeland (Trans. of the New Zeal. Institute, 1883) elf soorten van,
die hij in 10 genera verdeelt, gegrond op het beloop van ader 14
der voorvleugels (in ader 12 uitloopende of niet) en verder op de
bekleeding der mannelijke sprieten en den oorsprong der aderen 6,
7 en 41, waarbij echter de nervuur der achtervleugels geheel
buiten beschouwing is gelaten en de genera ook overigens niet
met verwante Europeesche vergeleken worden. De kenteekenen,
ontleend aan de mannelijke sprieten en den oorsprong der aderen
6 en 7, hebben echter voor mij als generieke weinig waarde, het
eerste als slechts sexueel, het tweede als onstandvastig. Bij rubigi-
nata ontspringt ader 11 uit den voorrand der aanhangcel en de
14
210 AANTEEKENING OVER CIDARIA PROCELLATA W. V.
palpen zijn vrij lang, doch de mannelijke sprieten kort behaard;
zij zou dus naar Meyrick’s classificatie weder een nieuw genus
vereischen, evenals cambrica, waar ader 11 uit den steel van 7—10
komt, doch de palpen zeer kort zijn en het sterk uitpuilende voor-
hoofd geene schubbenkuif draagt, maar glad beschubd is , en serraria,
waar ader 44 uit den voorrand der aanhangcel komt, de mannelijke
sprieten gebaard zijn en de palpen dun, iets langer dan het niet
uitpuilende aangezicht. Geene dezer drie soorten past geheel in
een der Meyrick’sche genera.
Lederer zegt in zijne bewerking der Europeesche Geometrinen
(Ferhandl. zool.-bot. Gesellschaft, 1853, p. 253), dat bij alle
soorten van zijn genus Cidaria «Saum und Franzen der Hinter-
flügel ganzrändig » zijn, doch zag over het hoofd dat de achterrand
der achtervleugels bij bilineata en scripturata vrij sterk is gegolfd
en bij vele andere soorten flauw.
Ik hoop, dat deze opmerkingen mogen leiden tot verder onder-
zoek en vergelijking der kenmerken, vooral bij zeer soortenrijke
genera, ten einde het overzicht gemakkelijker te maken, zonder
dat men daarom al te veel nieuwe genera gaat vormen en het
geheugen der Lepidopterologen met nieuwe namen bezwaart.
OE AL O0 UE
RAISONNE ET SYNONYMIQUE
DES
NEYROPTERES,
observés dans les Pays-Bas et dans les Pays limitrophes,
PAR
HERMAN ALBARDA.
PREFACE.
La plupart des Névroptéres ont leurs premiers états aquatiques.
Il est done probable que les Pays-Bas, avec leurs nombreux
marais, fossés, canaux, flaques d’eau et lacs et les embouchures
du Rhin, de la Meuse et de l’Escaut, hébergeront un grand nombre
de ces insectes.
Ceci regarde surtout les espèces dont les larves et les nymphes
vivent dans la vase ou dans les eaux dormantes ou peu vives;
car, à défaut de montagnes avec leurs rapides, torrents et cas-
cades, on ne peut pas s’attendre à y trouver un grand nombre
des espèces qui ont besoin pour leur développement d’une eau
contenant beaucoup d'air atmosphérique.
Jusqu'ici on a fait très peu pour savoir si cette présomption
est fondée.
Nos compatriotes, quoiqu’ils aient occupé en tout temps une
place honorable parmi les entomologistes, ont entièrement négligé
Pétude de cet ordre d’insectes.
Ce fait n'est pas exceptionnel. Il se présente partout. En tout
pays les Névroptéristes sont clair semés.
C’est que les entomologistes sortent presque toujours des rangs
de la nombreuse cohorte des collectionneurs.
212 CATALOGUE DES
Or les Névroptères n’ont pas les brillantes couleurs des Lépido-
ptères qui attirent les regards de la jeunesse, et sont moins faciles
à préparer et à conserver que les Coléoptères.
De là qu’on voit rarement quelqu'un s'appliquer dès sa jeunesse
à l'étude de cet ordre. Ceux qui l’etudient se sont occupés presque
toujours quelque temps d’un autre ordre et ont appris à apprécier
plus les différences de formé et de structure que celles du dessin
et des couleurs.
Néanmoins, un apercu de ce qui se trouve dans les écrits de nos
auteurs peut, au point de vue faunistique, être d’un certain intérêt.
Le plus ancien de ces auteurs est Clutius qui, en 1634 1), donna
une description de la plus grande Éphéméride de ce pays (Palingenia
longicauda Ol.) accompagnée de figures assez bonnes pour cette époque.
Page 90 il mentionne encore une autre espèce, observée par J.
Dortman, sur le canal d’Utrecht et sur l’Yssel, près de Zutphen; mais
la description que celui-ci en donne est peu précise, et les figures
qui l’accompagnent sont si mauvaises que Swammerdam les nomme :
«les produits d’une mémoire affaiblie ou simplement de fantaisie ?). »
Goedaert 3) n’a décrit et figuré que deux Névroptères: une
Chrysopa 4) et un Agrionide 5).
Je n'ai pas réussi à constater quelles sont les espèces qu'il avait
en vue. Les mots: «il avait deux yeux dorés, et les ailes étaient
«luisantes comme du nacre. Le corps était d’un vert pâle, un peu
cbleuâtre» s'appliquent assez bien à la Chrysopa perla L. Aussi la
figure a-t-elle été citée par Linné parmi les synonymes de son //eme-
robius perla. Mais en ce cas l’insecte parfait est figuré trop grand.
La larve et la nymphe de l’Agrionide semblent indiquer une
espèce de Calopleryx, et l’auteur dit aussi que l’insecte parfait
avait les ailes bleues, mais la figure est celle d'une Zestes.
1) A. Clutius. De Hemerobio sive Ephemero insecto et Majali verme. Amstero-
dami, 1604, in 40,
2) Uyt eene swakke memorie of inbeeldinge geteekent.
3) Goedaert. Metamorphosis naturalis. Medioburghi, 1652—1669, 3 vol., in 8°.
4) Vol. II, 14e Ondervindinge, p. 41.
5) Vol, III (publie par J. de Mey), 17e Ondervindinge, p. 32.
NEVROPTERES. 213
Dans son supplément à Vouvrage de Goedaert J. de Mey a inséré
un extrait de celui de Clutius, accompagné d’une planche, qui
n’est malheureusement qu’une copie, un peu modifiée, de celle de
Dortman. Ce qu’il dit à la fin de son traité, qu’il a vu, le 23 juillet
(juin?) sur la Meuse, prés de Dordrecht, «un grand nombre de
petits animaux ayant à peu près «la longueur d’un doigt, entière-
«ment blanes, avec deux soies caudales, quatre ailes et six pattes
«et changeant de peau comme des vers à soie», indique qu'il a
été témoin de la grande éclosion de Palingenia longicauda Ol.
Jean Swammerdam traita, en 1669 1) en detail la métamorphose
d'une Libellulide.
Les figures I—VI de la planche VIII sont celles d’une femelle de
la Libellula fulva Müll.
Dans sa «Bible de la Nature» ?), publiée par le célébre médecin
Boerhave, ces mémes figures sont reproduites sur la planche XII.
Seulement l’abdomen de l’insecte parfait a été remplacé par celui
d'un male, et ce qui est assez singulier, point de la même espèce,
mais d'une deschna mixta Latr.
L’auteur dit encore qu’il possède six espèces de larves de Libel-
lulides. Il en décrit quatre, p. 226—228, et les figure sur la
même planche, fig. IV—VII.
Quoiqu’il soit impossible de déterminer les espèces auxquelles
ces larves appartiennent, les figures indiquent suffisamment des
larves des genres deschna, Libellula, Calopteryx et Agrion, ce qui
prouve que les différences de structure n'ont pas échappé à cet
excellent observateur.
Sur les pages 234—270 on trouve, sous le titre de Historia
naturalis Hemerobii sive Diariae dicti Insecti, le traité sur ’Ephe-
mère, paru en 1675 sous celui de Zphemerae vila 3), «étant
1) Historia generalis insectorum ofte Algemeene Verhandeling van de Bloede-
looze Dierkens. Utrecht, 1669, in 4°. a
2) Bybel der Natuure of Historie der insekten. Leiden, 1737, 2 vol., in fol.
3) Ephemerae vita of Afbeelding van ’s Menschen leven vertoont in de wonder-
baarlycke en nooyt gehoorde Historie van het vliegend ende een-dagh-levent Haft
of Oeveraas. Amsterdam, 1675, in 8°,
214 CATALOGUE DES
«omises toutefois les innombrables méditations pieuses et admoni-
«tions au devoir, ajoutées et insérées par l’auteur et qui semblent
«n’avoir aucun rapport avec le but de ce traité d’histoire naturelle.»
Les planches XIII—XV font partie de ce traité.
L'espèce traitée avec tant de soin et de sagacité est celle que
Latreille nomma, en 1805, Swammerdiana et Shaw, en 1806,
Swammerdammiana, pour y attacher le nom du grand observateur ;
mais, malheureusement, Olivier l’avait déjà baptisée en 1791 du
nom de longicauda, qui, par conséquent, a la priorité.
Quoique l’auteur dise plusieurs fois qu’il y a différentes espèces
d’Ephémérides, il ne parle spécialement que d’une seule, observée
par lui en grand nombre, au mois de juin, dans le village de
Sloten, près d'Amsterdam. Ce qu’il en dit rend probable que
c'était une espèce de Caenis.
Blankaart traita, dans le chapitre 32 de son ouvrage !), égale-
ment la métamorphose de la Palingenia longicauda Ol. et suivit
en tout sens Swammerdam. Les figures des larves, A—D de sa
XIIme planche, ne sont que des copies de celles du dit auteur,
quoiqu’elles soient arrangées un peu autrement.
La figure F, qui doit représenter l’insecte parfait est très infé-
rieure à celle de Swammerdam. L'espèce figurée sous la lettre G,
et qui, selon l’auteur, est originaire de France, est une Lphemera
vulgata L., mais le spécimen qui a servi de modèle avait probable-
ment perdu une de ses soies caudales.
Page 118 l’auteur fait encore mention d’une « plus petite Éphé-
«mère, qui vole sur la Meuse et le Lek, mais qui est plus blanche
«et plus pâle» et page 119, d’une autre «qui vole en été, dans
«l'intérieur du pays, sur les canaux et les fossés et semble être
«la plus petite de toutes, son corps n'étant pas plus grand que
«celui d’une petite mouche, mais ayant des ailes plus larges et
«des soies caudales minces et longues. »
Tl nous semble qu'il a observé la Polymitarcys virgo Ol. et la
Caenis dimidiata Steph.
1) S. Blankaart. Schouburg der Rupsen, Wormen, Maden en Vliegende Dier-
kens, daar uit voortkomende. Amsterdam, 1688, in 8°,
NEVROPTERES. 215
Page 120 il deerit des larves de Libellulides, dont il croit avoir
observé six espèces.
Mais il les a confondues avec celles d’autres insectes, Ainsi sa
sixième espèce est celle d’une Ephéméride (Cloëon dipterum L.).
Ge qu'il dit, page 123, d'un «ver qui construit sa demeure
«avec une matière composée de fibres minces, molle à l’intérieur
«et couverte à l'extérieur de très petites coquilles, réunies par
«des fibres plus fortes», prouve qu'il a observé la larve d’un
Trichoptère, probablement celle de Zimnophilus flavicornis Fab.
Le Chapitre XLIV traite du Pow du bois, qui est figurée sur
la planche XIV et qui, selon le Dr. Hagen !), est la Clothilla
pulsatoria L.
En 1742 Lyonet donna, dans ses annotations sur l’ouvrage de
Lesser 2), page 156, une description de la larve et de l’insecte
parfait d’une Libellule. Dans la belle figure (VI) que ce dessina-
leur et graveur habile y a ajoutée, on reconnaît au premier abord
une Diplar, et quoique quelques espèces de ce genre soient extrême-
ment voisines, les termes de la description 3) rendent très probable
que le spécimen figuré est une femelle de Diplax sanguinea Müll.
Dans son oeuvre posthume, publiée par les soins de M. de Haan *)
l’auteur a donné encore (Pl. 18, fig. 8—16) de belles figures de
la métamorphose et des détails dela Leucorrhinia pectoralis Charp. ,
dont il avait trouvé des larves prés de La Haye.
Houttuin traita dans la 12me partie du vol. I de son livre,
1) Beiträge zur Monographie der Psociden (Steff. Ent. Zeit., 1883, p. 329).
2) Théologie des insectes, ou démonstration des perfections de Dieu dans
tout ce qui concerne les insectes, traduit de l’Allemand de M. Lesser avec re-
marques de M. P. Lyonet, La Haye, 1742, 2 vol. in 8°.
3) „Le dessus des yeux, de son corcelet et de son corps” (abdomen) „est
s feuille-morte; le reste des yeux et de presque tout son corcelet est d’un jaune
, clair; le dessous de son corps est noiràtre; les jambes sont de la même couleur,
„excepté vers leur origine, où elles tirent sur le jaune, Son corps et son corcelet
„sont marqués de traces noires et chacune de ses ailcs d'une tache ” (ptérostigma)
» Opaque et brune.”
4) Recherches sur l’anatomie et les métamorphoses de différentes espèces d’in-
sectes. Ouvrage posthume de Pierre Lyonet, publié par M. W. de Haan. Paris
1832, in 40,
216 CATALOGUE DES
publiée en 1768 1) des Névroptères ?). Il y consacre 104 pages
et deux planches.
La 10me édition du système de la Nature, publiée en 1758 et
la 2me édition de la Faune de Suéde, de 1761, lui servirent de
base; mais il utilisa en méme temps les travaux de Geoffroy et
de Scopoli, publiés en 1762 et 1763.
Les figures qui accompagnent son ouvrage sont en partie origi-
nales, comme l’a déjà fait remarquer le Dr. Hagen 3).
La plupart des espèces lui étaient inconnues, et ses diagnoses
et descriptions de celles-ci ne sont que des traductions littérales.
Mais dans son livre on trouve plusieurs observations sur la
manière de vivre, la métamorphose et habitat des espèces indi-
gènes, faites par lui-même ou par ses compatriotes, lesquelles sont
d’un certain intérêt pour la connaissance de notre faune.
Comme espèces indigénes il cite: des Odonates 4), Libellula
quadrimaculata L. (Pl. XCII, fig. 2), Z. depressa L., Aeschna
grandis L., Calopterye splendens Harr. et C. virgo L. — des
Éphémérides 5), Ephemera vulgata L. (Pl. XCIV, fig. 1) observée
près d’Utrecht et Palingenia longicauda Ol. 6) (fig. 2 et 3).
Il parle bien encore de plusieurs autres espèces, observées dans
ce pays, qui est riche sous ce rapport, mais il confond tellement
les espèces de Linné qu'il estsimpossible d'en rien conclure. La
plus claire de ses descriptions est sans doute celle qu'il donne,
p. 53, d’une espèce «qui n’a que deux lignes (4,3 mm.) de lon-
«gueur, des ailes blanches avec leur côte noire et l’abdomen
«cendré, annulé de blanc, par laquelle les vitres et les habits de
«ceux qui voyagent en bateau ou se promènent le soir le long
1) Natuurlijke historie of uitvoerige beschrijving der Dieren, Planten en Mine-
ralen, volgens het Samenstel van den heer Linnaeus. Amsterdam, 1761—1785,
3 tom. en 37 parties, in 80,
2) Peesvleugelige insecten.
3) Proceedings of the Boston Society of Natural History. Vol. XXIII, 1886
p. 251.
4) Jufferen of Libellen.
5) Haften, Oeveraas.
6) Het groot haft,
NEVROPTERES. 247
«des canaux sont si souvent saupoudrés, parce que ces insectes »
(en état de subimago) «s’y posent dessus pour se dépouiller de
«leur pellicule», car elle designe suffisamment une Caenis et
probablement la C. dimidiata Steph. Seulement il ne lui donne
que deux soies caudales, au lieu de trois.
Les Trichoptères !) sont traités sur les pages 55—76. Les
figures 4 et 5 représentent le fourreau et la larve d'un Limnophilus ,
probablement Z. flavicornis Fab. Le spécimen qu'il figure sous le
nom de Phryganea (limnophilus) grisea L. est une Phryganea varia
Fab., dont il dit avoir trouvé une grande quantité, se reposant
contre les parois d'une grange, entre Muiden et Muiderberg. La
Phryganea grandis (fig. 7), dont il décrit la métamorphose, est
figurée d’après un exemplaire pris près d'Amsterdam.
Du genre Hemerobius L. ?) l’auteur parait n’avoir connu que
peu d’espèces. La figure de Chrysopa perla L. (fig. 8) est tout-à-fait
manquée. Celles de la larve et de l’insecte parfait du Myrmeleon
formicaleo L. (formicarius auct.), fig. 10 et 14, dont il a observé
la métamorphose sur des larves originaires des terrains sablonneux
de la province d’Utrecht, sont assez bonnes.
L’exemplaire de Panorpa (fig. 12) est une P. vulgaris Imhoff.
Slabber a décrit, en 1768 *), en détail la métamorphose de la
Chrysopa perla L., élevée par lui de l’oeuf. Ses figures des oeufs et
de la larve sont très bonnes; celle de l’insecte parfait est insuffisante.
La description de celui-ci est au contraire si excellente qu'elle
ne laisse aucun doute. Sa figure 15 représente encore une autre
espéce, qu’il dit avoir prise, mais pas élevée. On reconnait sans
peine la Chrysopa vittata Wesm.
Vers la fin du XVIIIme siècle l'intérêt dans l'étude de l’histoire
naturelle se perdait tout-à-fait. Les publications splendides, comme
celles des œuvres de Knorr, Mérian, L’Admiral, Nozeman et Sepp,
1) Wateruiltjes, Schietvlieger.
2) Gaasvliegen of Land-Libellen.
3) M. Slabber. Waarneming van den Oorspronk der Paarelworm met de daaruit
voortkomende Goud-oogige Stinkvlieg (Actes de la Soc. holland, des sc. de Harlem.
Tom. X, 2e part., p. 387. Harlem, 1768, in 8e),
218 CATALOGUE DES
Roesel et d’autres, qui avaient tant contribué a faire naitre le
goût des collections et qui par cela-méme avaient mené à l’étude,
devinrent impossibles, faute d’acquéreurs. Les évènements politiques
et les nombreuses guerres firent négliger toute étude de ce genre.
Ce ne fut qu'après la restauration qu’on la reprit. Les descriptions
des faunes et flores locales, auxquelles l'introduction du système
binominal de Linné avait donné l’élan, se succédérent de nouveau.
En 1820 la Société des sciences de Harlem, désirant faire avancer
la connaissance de la faune du pays, mit au concours une liste
des animaux indigènes et courronna, en 1824, un traité de MM.
Bennet et Olivier !).
S'il faut juger du mérite de ce travail d’après ce qu’il contient,
p. 365
ni ceux qui ont décerné le prix n’étaient à la hauteur du sujet.
377, sur les Névroptères, on dirait que ni les auteurs,
On n’y trouve qu'une simple énumération de noms d’espèces,
composée sans aucun jugement et sans aucune indication des lieux
d’observation, ni des noms des observateurs; de sorte qu’elle est
sans aucune utilite.
Mais cette liste provoqua d’autres publications qui avaient pour
but de la compléter.
Ainsi le Professeur J. van der Hoeven publia, en 1826 ?), une
Description systématique de quelques insectes des Pays-Bas septen-
trionaux 3).
Nous y trouvons deschna grandis L., Hemerobius (Chrysopa)
albus L., H. (Osmylus) chrysops L. et Psoeus quadripunctatus Fab.
(Stenopsocus cruciatus L.) tous observés à Rotterdam et Semblis
(Sialis) lutarius L. observé à Heikop, près de Vianen.
La Liste des animaux observés dans la province de Groningue,
publiée la même année, ne contient aucun Névroptère.
Dans les cing listes d'insectes Néerlandais, observés pour la plupart
1) Actes, Vol. XIV. Harlem, 1835, in 8°.
2) Bijdragen tot de Natuurkundige Wetenschappen, Vol. I, p. 333—351,
431—449. Amsterdam, 1826, in 40.
3) Dénomination usitée pour désigner les Pays-Bas actuels, sans le duché de
Limbourg, quand ils étaient réunis a la Belgique.
NEVROPTERES. 219
dans les environs de Harlem, par N. Anslijn, publiées de 1827 a
1830 1), on a fait mention pour la première fois de Libellula
(Leucorrhinia) rubicunda Latr., Aeschna forcipata Latr. (Gomphus
vulgatissimus L.), Ephemera bioculata Panz. (Heptagenia sulphurea
Müll.), Memerobius lutescens Latr. (H. micans 01.2), Phryganea
pilosa Latr. (Goéra pilosa Fab.), P. flava Latr. (Limnophilus
centralis Curt.?), P. venosa Latr. (Leptocerus nigro-venosus Retz.)
et P. variegata Latr. (probablement P. varia Fab.).
Dans son Manuel de Zoologie *) le Professeur van der Hoeven
nomma comme indigènes Phryganea (Mystacides) nigra L., P.
(Limnophilus) rhombica L. Panorpa communis L., P. germanica
L., Chrysopa reticulata Leach (C. perla L.), Libellula (Cordulia)
aenea L., Agrion furcatum Charp. (A. puella L.), Psocus pulsato-
rius L. (Atropos divinatorius Müll.).
M. de Selys-Longchamps, qui visita notre pays et ses collections
avant la publication de sa Revue des Odonates, en 1850, nomme,
hormis les espèces qui se trouvent partout dans l’Europe occi-
dentale, comme habitant les Pays-Bas: Leucorrhinia caudalis Charp. ,
Aeschna viridis Eversm., Lestes sponsa Hansem. , Agrion (Pyrrhosoma)
minium Harr., A. (Ischnura) elegans v.d. Lind. et A. pulchellum
v. d. Lind.
En 1851 le Dr. J. A. Herklots fit une nouvelle tentative pour
faire avancer la connaissance de notre faune, en fondant un re-
cueil 3), destiné A recevoir des listes d’animaux indigènes avec
indication exacte des auteurs d’après lesquels ils avaient été
déterminés, des lieux où ils étaient observés et des noms des
observateurs.
Cette entreprise fut couronnée d’un plein succès.
Des animaux de diverses classes on composa des listes qui, après
avoir été successivement complétées et remaniées, sont devenues
J) Natuurkundige verhandelingen van de Hollandsche Maatschappij van Weten-
schappen, Vol. XV (1826), p. 288—320; Vol. XVI (1828), p. 126—133 , 293—300;
Vol. XVII (1829), p. 145—149; Vol. XVIII (1830), p. 401—407.
2) Handboek der Dierkunde, 2° el. Amsterdam, 1849, 2 vol., in 8°.
3) Bouwstoffen voor eene Fauna van Nederland. Leide, 1851—1866 , 3 vol., in 8°,
220 CATALOGUE DES
les précurseurs d’une description détaillée de notre faune, dont
des parties ont été déjà élaborées par MM. Schlegel, Snellen, van
der Wulp, Snellen van Vollenhoven et Piaget.
Dans ce recueil se trouve !) une Première notice des Odonates
indigenes du Dr. Herklots lui-même, qui comprend 11 Libellulines,
5 Aeschnines et 15 Agrionines.
Sont nommés pour la première fois comme indigènes: Libellula
cancellata L., L. (Diplax) depressiuscula de Selys, Fonscolombi
de Selys, striolata Charp. et scotica Don., deschna rufescens v. d. L.
Lestes viridis v.d. L., nympha de Selys, virens Charp., barbara
Fab. et fusca v. d. L., Agrion (Erythromma) najas Hansem., A.
(Enallagma) cyathigerum Charp. et A. hastulatum Charp.
Pour la composition de cette liste l’auteur s’était servi principale-
ment d’une collection de MM. de Graaf à Leide.
Ayant eu, par la bienveillance de M. H. W. de Graaf, l’occasion
d’examiner ces exemplaires (à l'exception toutefois des sept espèces
d'Agrion qui n'étaient plus trouvables) j'ai pu constater qu’ils
étaient bien déterminés. La Diplax Fonscolombu seule était une
D. vulgata L,
En 1861 parut la seconde partie de la Revue des animaux arti-
culés des Pays-Bas par M. S. C. Snellen van Vollenhoven ?).
L’auteur se plaint de ce qu’on a encore fait très peu pour con-
naitre les Névroptères de ce pays. Il nous faut attribuer sans
doute à cette cause, qu’il n’a pas traité cet ordre avec autant de
soin que les autres.
Sa Perla bicaudata L., p. 306, pl. XXI, fig. 3 (une copie de
celle de Panzer) est Dictyopteryx microcephala Pictet. Comme Psocus
1) Vol. I, p. 119.
2) Cette revue fait partie de l'ouvrage intitulé Natuurlijke historie van Neder-
land. Harlem, Kruseman 1856—1863, 16 vol., in 8°. Le projet de ce livre qui
est de décrire la nature des Pays-Bas, fut exécuté très différemment quant à ses
parties. Le climat, le sol, la flore y sont traités avec soin, ainsi que les ani-
maux supérieurs dont chaque espèce est décrite et figurée; mais pour les animaux
inférieurs on s’est borné à donner un exposé succinct des caractères des familles
et à ne décrire que quelques espèces, en ajoutant par ci par là une note sur leur
métamorphose et leur manière de vivre. Ainsi l’ordre entier des Névroptères est
traité en 20 pages d’une impression peu serrée avec 11 figures.
NEVROPTERES, 221
strigosus Curt. il décrit Ps. strigosus Burm., qui est Stenopsocus
immaculatus Steph.; Ps. variegatus Fab., fig. 4, est Ps. fasciatus
Fab.; Panorpa communis L., p. 308, fig. 5, est P. vulgaris Imh. ;
Chrysopa perla L., p. 310, fig. 7, est, d’après la description, C.
vulgaris Schneid. La figure est beaucoup trop grande. PAilopotamus
Jlavomaculatus Pictet, que Vauteur dit avoir observé près de La
Haye, est Polycentropus flavomaculatus Pictet.
Pour ceux qui font usage de son livre, il peut y avoir
quelque intérét de savoir qu’il a suivi en tout le Manuel du Dr.
Burmeister.
En 1864 !) le même auteur ajouta à la liste des Odonates in-
digénes les Leucorrhinia dubia v. d. Lind. et Z. rubicunda L.
En 1869 ?) M. G. Ritsema donna une description détaillée de
la métamorphose d’#noieyla pusilla Burm., accompagnée de très
bonnes figures, laquelle il compléta en 1871 *), en y ajoutant
~
plusieurs noms de lieux où cette espèce avait été observée.
Dans les comptes-rendus de la Société entomologique se trouvent
encore quelques notices sur des espèces observées dans le pays.
Pour la première fois on y trouve mentionnés Platycnemis pen-
nipes Pall. , observé à Elten 4), Agrion tenellum Vill., Hemerobius pini
Steph. , Zimnophilus marmoratus Curt., L. stigma Curt., L. politus
Mac Lachl., tous observés à Bréda et à Galderen *) (Platyenemis
acutipennis de Selys, est noté par erreur), Chrysopa aspersa Wesm. ,
à Velsen 6), Libellula vulgata L., dans l’île de Texel, Zimnophilus
affinis Curt., dans Vile d’Ameland 7) et Z. griseus L. près de
Zandvoort 8).
1) Bouwstoffen, Vol. III, p. 188.
2) Tijdschr. v. Entom., Vol. XIII, p. 111.
3) Ibidem, Vol. XV, p. Lx.
4) Ibidem, Vol. XIV, p. 30.
5) Ibidem, p. 150,
6) Ibidem, Vol. XV, p xxiv.
7) Ibidem, Vol. XVI, p. xxvii.
8) Ibidem, p. 249,
222 CATALOGUE DES
Lorsque je me décidai, en 1869, a étudier plus spécialement
les Névroptéres de mon pays, je fis de mon mieux pour examiner
tout ce qui se trouvait déja dans les collections.
Par la bienveillance de MM. Snellen van Vollenhoven et Ritsema ,
je fus à même d’étudier les collections du Musée de Leide et de
la Société Entomologique 1). Je me procurai par achat une collec-
tion assez interessante, formée par M. C. Fransen a Rotterdam.
Jai déjà parlé de celle de MM. de Graaf à Leide. Quelques autres,
plus petites, me furent cédées par leurs possesseurs. Enfin les
membres de la Société Entomologique se sont empressés de me
faire parvenir les produits de leurs chasses.
C'est par ces moyens, et en profitant de chaque occasion
favorable qui se présentait, que j'ai pu acquérir une collection
assez complète, et que depuis bientôt vingt ans à peu près,
tout ce qui a été pris de Névroptères dans le pays a passé par
mes mains.
Tous ceux qui m’ont assisté ont droit à ma profonde recon-
naissance,
En faisant les notes dont est composé ce catalogue j'ai procédé
avec scrupule.
Je n'ai enregistré aucune localité sans en être bien sûr; je n'ai
noté aucune espèce sans avoir examiné les spécimens.
Au moindre doute. j'ai demandé le secours des spécialistes. Ce
sont d’abord M. R. Mac Lachlan, de Londres, pour les Trichoptères
et les Névroptères proprement dits et Mr. Edm. Baron de Selys-
Longchamps de Liége, pour les Odonates, qui m’ont donné leurs
conseils et qui, pour ainsi dire, ont guidé mes premiers pas dans
cette science.
Vinrent ensuite le Révérend A. E. Eaton, pour les Ephémérides
et M. H. J. Kolbe, de Berlin, pour les Psocides, et tant d’autres
avec lesquels j’ai eu des relations plus ou moins fréquentes et dont
. . LA Là . LI [4 [4 Là 4 2
1) Cette collection, considérablement augmentée depuis, a été cédée à l'École
Nee ; ; , È
d'Agriculture de Wageningen, dont le Directeur m’a procuré l'occasion de l’exa-
miner encore une fois, en 1886,
NEVROPTERES. 223
je tiens à nommer spécialement MM. A. Meyer-Dür de Burgdorff
et M. Rostock de Gaussig en Saxe.
Je leur dois à tous une vive gratitude pour leur cordiale assistance.
Quoique les Pays-Bas ne soient qu'un petit pays, ils s’étendent
pourtant sous trois degrés de latitude, et les terrains cultivés, les
bruyéres, les dunes, les bois, les collines de la Gueldre, le pays
montueux du Limbourg, les marais, les eaux et les rivières qui
coulent à travers leur centre en s’y ramifiant, y causent une assez
grande diversité de sol qui n'est pas sans influence sur la distri-
bution des insectes.
C'est pourquoi j'ai noté auprès de chaque espèce, même la plus
commune, tous les lieux d'observation qui me sont connus. De
la sorte un jour, quand ce catalogue sera complété et que toutes
les provinces seront également bien explorées, un coup d’œil suffira
pour juger de la distribution et de Vabondance ou de la rareté de
chaque espéce.
Mais ce pays n’a que des frontiéres politiques qui ne coincident
point avec des changements notables dans la nature du terrain.
Une partie du Limbourg est séparée de la Belgique par la Meuse,
qui pour certaines espèces d'insectes peut former une barrière,
mais, pour le reste, il n’y a aucun indice qu’on sort du pays,
si ce n'est les bornes et les douanes.
On peut donc s’attendre à ce que les espèces d’insectes, qu’on
a observées au delà des frontières, aussi loin que le terrain ne
change pas notablement de nature, se trouveront également en
deca, et réciproquement.
Eu égard à cette circonstance, j'ai inséré dans ce catalogue,
toutefois sans leur donner un numéro, les espèces qui n’ont encore
été observées que dans les pays limitrophes.
M. de Selys-Longchamps me donna ') une liste des espèces de
1) C'était avant la publication récente de son Catalogue raisonné des Orthoptères
et Névroptères de Belgique (Ann. de la Soc. ent. de Belg., Tom. XXXII, 1888).
224 CATALOGUE DES
son pays. M. Bertkau a eu l’obligeance de me confier les Névro-
ptéres de la Prusse rhénane conservés dans le Musée de Bonn.
A M. Kolbe je dois des renseignements sur les espéces observées
en Westphalie, qui, quoique incomplétes, me sont d’autant plus
précieuses que cet entomologiste demeurait auparavant à Oeding ,
c'est-à-dire 4 deux pas de nos frontières.
J’aurais vivement souhaité de connaître aussi les espèces, qui
se trouvent dans l’Ost-Frise, mais, à mon grand regret, je n’y
connais personne qui s’occupe de l’étude de cet ordre ou en
possède une collection.
L’insertion de ces espèces des pays limitrophes peut encore être
utile à l’étudiant qui voudrait se servir de ce catalogue pour ar-
ranger sa collection, puisque, s’il les acquiert, il n’aura plus de
.
doute sur la place qu’il devra leur assigner.
Enfin un mot sur le système que j'ai adopté.
L’ordre des Névroptères dans le sens de Linné a été nommé
un ordre de résidu. Et à juste titre. Il est composé de groupes
dinsectes trés différents et qui n’ont que peu de rapports entre
eux, faute de formes intermédiaires.
De là qu’on a parfois proposé de le dissoudre. Déjà en 1815
Kirby 1) en sépara les Phryganides et en créa un ordre à part,
sous le nom de 7richoptères.
Les auteurs anglais lont suivi, mais sur le continent on ne
céda qu'à contre-cœur, et ce n'est que dans le dernier temps
qu'on consent à donner à cette famille le rang d’un sous-ordre.
En 1839 Erichson 2) démontra que les Névroptères à méta-
morphose incomplete, les Psocides, Termitides, Perlides , Epheme-
rides et Odonates, doivent être réunis aux Orthoptères, à cause de
la structure des parties de la bouche.
1) An Introduction to Entomology. London, 1815, 4 vol., in 8°.
2) Beiträge zu einer Monographie von Mantispa mit einleitende Bemerkungen
über die Ordnung der Orthopteren und Neuropteren (Germar’s Zeitschr. für die
Entomologie, Bd. I, p. 147).
NEVROPTERES. 225
Apres que Löw !) eut confirmé cette thèse par l'exposition de
détails d’anatomie intérieure, elle ne fut plus sérieusement com-
battue.
Depuis J. Muhr ?) et A. Gerstäcker %) lont encore plus
développée.
Mais la manière dont elle est mise en pratique est très différente.
Quelques auteurs ajoutent hardiment ces familles aux Orthoptères,
tantôt sans dénomination spéciale, tantôt sous celles de Pseudor-
thoptères ou Orthoptères amphibiotiques, mais la plupart, craignant de
trop démembrer l’ordre des Névroptères, ne les en séparent pas, mais
en font une division de celui-ci, sous le nom de Pseudonévropteres ,
de Névroptères biomorphiotiques ou de Névroptères amphibiotiques.
Étant obligé, d’accord avec mes collègues qui travaillent à la
faune entomologique de ce pays, de prendre cet ordre dans l’éten-
due que Linné lui a donnée, je le divise en trois sous-ordres:
Pseudonevropteres, Névroptères proprement dits et Trichopteres.
Il est sans doute difficile de faire suivre les groupes hétérogènes
dont cet ordre est composé dans une série qui satisfasse , et d’autant
plus, quand il s’agit d'une faune locale dans laquelle plusieurs
familles — les Mmbides, les Termitides, les Ascalaphides, les
Nemopterides, les Mantispides et les Dilarides — n'ont point de
représentants.
J’adopte l’arrangement du catalogue de MM. Mac Lachlan et
Eaton *) qui me paraìt être assez juste, parce que les Corrodants
y sont immédiatement suivis des Perlides, qui ont le plus d’affinité
avec eux et que les Odonates, qui sont si distincts des autres
familles, qu’ils devraient former un ordre séparé, sont placés à la
fin des Pseudo-Névroptères.
A Finstar de ces auteurs, je mets à la tête des Névroptères
1) Bemerkungen über die anatomischen Verhältnisse der Neuropteren (Ibidem,
Bd. IV, p. 423, 1843).
2) Ueber die Mundtheile der Orthopteren. Prag, 1877, in 8°.
3) Zur Morphologie der Orthoptera amphibiotica.
4) R. Mac Lachlan et A. E. Eaton. A Catalogue of the British Neuroptera.
London, 1870, in 80,
226 CATALOGUE DES
proprement dits les Sialides, les Raphidiides et les Osmylides, qui
ont pour la plupart leurs premiers états aquatiques; mais je fais
commencer la série des //émérobiides (dans un sens général) par
les Myrmeleontides, lesquels je fais suivre des Chrysopides et puis
des Hémérobiides, en ajoutant à ceux-ci le genre Psectra, qui me
semble avoir plus d’affinité avec cette famille qu’avec les Osmylides
ou les Dilarides.
Pour la synonymie des Kphémérides et des Trichoptères je me
suis borné à renvoyer le lecteur aux belles monographies récentes
de MM. Eaton ') et Mac Lachlan ?) qui la traitent avec un soin
extrême. Pour celle des Odonates je renvoie 4 la Revue de MM.
de Selys et Hagen *), la nomenclature de cette famille étant si
fixée qu’elle n’a subi que trés peu de changements pendant la
dernière trentaine.
Jaurais pu agir de la même manière par rapport à la synonymie
des Psocides et renvoyer à la monographie de M. Kolbe 4), si
cet auteur n’avait récemment *) changé plusieurs noms, qu'il
avait adopté dans ce travail, sans renouveler la synonymie, et
que d’ailleurs je ne partage pas toujours son opinion sur les
genres et les espèces. Cependant j'ai cru pouvoir me borner a
citer le nom de l’auteur et l’année de la publication de son livre,
et à donner, à la fin de ce travail, une liste des ouvrages cités.
De la synonymie des Perlides et des Névroptères proprement dits
je ne donne que ce qui me semble assez certain.
Leewwarden , Janvier 1889.
1) Revisional Monograph of recent Ephemeridae (Trans. Linn. Soc. of Lond.,
Vol. III, 1881—1888, in 4°.).
2) A Monographic Revision and Synopsis of the Trichoptera of the European
Fauna. London et Berlin, 1871—1880. First additional supplement. (Ibidem ,
1881, in 89.).
3) Revue des Odonates ou Libellules d'Europe. Bruxelles, 1850, in 8°.
4) Monographie der deutschen Psociden. (Jahresb. d. zool. Sect. des Westf.
Ver. f. Wissensch. u. Kunst, 1879—1880).
5) Psocidae. Anhang zu Rostock’s Neuroptera germanica. (Jakresb. d. Verh. f.
Naturk, zu Zwickau, 1887, 1888, in 80.).
NEVROPTERES. 227
Ordre des NEVROPTERES.
Sous-Ordre I PSEUDONEVROPTERES, Erichson, 1840.
Tribu I. CORRODANTS, Burmeister, 1839.
Famille PSOCIDES, Leach, 1815.
Sous-Famille I. STENOPSOCINES, Kolbe, 1880.
Genre STENOPSOCUS, Hagen, 1866.
Sous-genre 1. GRAPHOPSOCUS, Kolbe, 1880.
1. Stenopsocus cruciatus, L.
Hemerobius cruciatus, L., 1767.
IT. quadrimaculatus, Fab., 1787, 1793.
Psocus quadripunctatus, Fab., 1798; Latreille, 1794, 1805; Latreille-
Coquebert, 1799; Panzer, 1805; Stephens, 1836; Burmeister, 1839;
Rambur, 1842.
Ps. subocellatus, Stephens, 1836; Hagen, 1861.
Ps. costalis, Stephens, 1836.
Ps. cruciatus, Brauer et Löw, 1857.
Stenopsocus cruciatus, Hagen, 1866; Mac Lachlan, 1867; Meyer-Diir,
1874; Spângberg, 1878; Rostock, 1878, 1888.
Graphopsocus cruciatus, Kolbe, 1880, 1888.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen).
Brabant sept. — Ulvenhout, Ginneken, Chaam (H. A).
Zélande. — Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — Wassenaar (de Graaf), La Haye (v. Vollenhoven,
Six), Warmond (Ritsema),
Hollande sept. — Harlem (Ritsema), Velsen (Jaspers), Valkenveen
(Mac Lachlan), Vlieland (Ritsema).
Utrecht. — De Bilt (Piaget), Utrecht (Six),
Gueldre, — Nimègue (Ter Haar).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Tietjerk, Suawoude, Driesum, Veen-
klooster, Oudwoude (H. A.).
228 CATALOGUE DES
Groningue. — Ter-Apel (H. A.).
Excessivement commun. De juillet è octobre, sur divers arbres et
arbustes.
Sous-genre 2. STENOPSOCUS s. str., Kolbe, 1880.
2. Stenopsocus immaculatus, Stephens.
Psocus immaculatus, Stephens, 1836; Hagen, 1861.
Ps. rufescens, flavescens et venosus, Stephens, 1836.
Ps. strigosus, Burmeister, 1839; Brauer et Löw, 1857; v. Vollen-
hoven, 1361.
Ps. subfumigatus (8) et flavicans (9), Zetterstedt, 1840.
Stenopsocus immaculatus, Hagen, 1866; Mac Lachlan, 1867; Meyer-Dür,
1874; Rostock, 1878, 1888: Spängberg, 1878; Kolbe, 1880, 1888,
Psocus saltatrix (L.), Wallengren, 1879.
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout (H. A), Prinsenhagen (Piaget).
Hollande mér. — La Haye (v. Vollenhoven).
Frise. — Leeuwarden, Veenklooster, Oldeberkoop, Driesum (H. A.).
Commun. De mai è octobre, sur divers arbres et arbustes.
3. Stenopsocus Lachlani, Kolbe.
Stenopsocus Lachlani, Kolbe, 1880, 1888; Rostock, 1888,
Frise. — Leeuwarden (H. A).
Rare. En août.
4. Stenopsocus stigmaticus, Imhoff.
Psocus stigmaticus, Imhoff et Labram, 1845.
Stenopsocus striatulus (Fab.), Hagen, 1866; Kolbe, 1880.
St. stigmaticus, Meyer-Dür, 1874; Rostock, 1878, 1880; Kolbe, 1888.
Zélande. — Walcheren (Herklots).
Hollande mér. — Rotterdam (de Graaf), Leiden (Ritsema), La Haye
(Six), Schéveningue (v. Vollenhoven).
Hollande sept. — Valkenveen (Mac Lachlan).
Utrecht. — Wikkenburg (v. Vollenhoven).
Frise. — Leeuwarden, Driesum (H. A.).
Commun. En juin et en septembre, sur les feuilles de divers arbustes ,
surtout sur celles de l’érable sycomore (Acer pseudoplatanus, L.).
NEVROPTERES. 229
Sous-Famille II. PSOCINES, Kolbe, 1880,
Genre PSOCUS, Latreille, 1794,
Sous-genre 1. AMPHIGERONTIA, Kolbe, 1880,
l. Psoeus bifasciatus, Latreille.
Psocus bifasciatus, Latreille-Coquebert, 1799; Latreille, 1805 ; Stephens,
1836; Burmeister, 1839; Hagen, 1861, 1866; Mac Lachlan, 1867;
Girard, 1876; Rostock, 1878, 1888.
Ps. contaminatus et megastigmus, Stephens, 1836.
Ps. subnebulosus, Stephens, 1836; Hagen, 1861, 1866; Mac Lachlan ,
1867; Rostock, 1878, 1888.
Ps. subfasciatus, Zetterstedt, 1840.
Amphigerontia bifasciata, Kolbe, 1880, 1888.
Amph. subnebulosa, Kolbe, 1880.
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout (H. A.), Oorschot (Maurissen).
Hollande mér. — La Haye (Snellen, Six), Schéveningue (v. d. Wulp),
Wassenaar (Piaget), Leide (Périn).
Hollande sept. — Vogelenzang (Ritsema).
Utrecht. — Driebergen (Six), De Bilt (Piaget), Amersfoort (v.
Vollenhoven).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Worth-Rheden (v, Vollen-
hoven), Velp (Ritsema), Empe (v.d. Wulp).
Frise. — Leeuwarden, Tietjerk (H. A.).
Commun. De juin jusqu’en octobre, sur les chênes. Dans les dunes
sur l’Aippophaë rhamnoides, L.
2. Psocus fasciatus, Fab.
Hemerobius fasciatus, Fab., 1787, 1796.
Psocus fasciatus, Fab., 1798; Panzer, 1804; Stephens, 1836; Zetterstedt,
1840; Mac Lachlan, 1867; Meyer-Dir, 1874; Rostock, 1878,
1888; Spangberg, 1878.
Ps. pilicornis, Burmeister, 1839 (nec Latreille).
Ps. variegatus, Vollenhoven, 1861 (nee Fab.).
Amphigerontia fasciata, Kolbe, 1880, 1888.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen).
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout, Prinsenhagen (H. A),
830 CATALOGUE DES
Hollande mér. — La Haye (v. d. Wulp), Scheveningue, Nootdorp (Six).
Hollande sept. — Harlem (v. Vollenhoven), Overveen (Ritsema),
Velsen (Jaspers).
Gueldre, — Arnhem (v. Med, de Rooy), Velp (Ritsema).
Frise. — Huizum, Beetsterzwaag (H. A).
Peu commun. En juin et en juillet. Vit surtout sur les pins.
3. Psocus variegatus, Fab.
Hemerobius variegatus, Fab., 1193.
Psocus pilicornis, Latreille-Coquebert, 1799; Latreille, 1805.
Ps, variegatus, Latreille, 1805; Stephens, 1836; Burmeister, 1839;
Rambur, 1842; Brauer et Löw, 1857; Hagen, 1861, 1866; Mac
Lachlan, 1867; Meyer-Dür, 1874; Girard, 1876; Spangberg, 1878;
Rostock, 1878, 1888.
Ps, atomarius et picicornis, Stephens, 1836,
Amphigerontia variegata, Kolbe, 1880, 1888,
Limbourg. — Venloo (v.d, Brandt).
Brabant sept. — Ulvenhout, Prinsenhagen, Ginneken (H. A).
Hollande mér, — La Haye (v. d. Wulp), Rotterdam (Fransen),
Schéveningue (Piaget).
Hollande sept. — Vogelenzang (v. Vollenhoven), Bloemendaal
(Ritsema),
Utrecht. — Driebergen (Six).
Gueldre, Arnhem (v. Med. de Rooy), Velp (Snellen), Beekhuizen
(Ritsema), Renkum (Burger).
Frise, — Leeuwarden, Huizum, Driesum (H. A).
Jommun. De juin a août, sur les troncs d’arbres, notamment des
hetres, chênes et pommiers,
Sous-genre 2, Psocus s. str., Kolbe, 1880.
4. Psocus longicornis, Fab.
Hemerobius longicornis, Fab., 1776, 1781, 1787, 1793; Müller, 1776.
Psocus longicornis, Fab., 1798; Panzer, 1804; Rambur, 1842; Mac
Lachlan, 1867; Meyer-Diir, 1874; Girard, 1876; Spängberg, 1878;
Rostock, 1878, 1888; Kolbe, 1888.
NEVROPTERES, wat
Psocus lineatus, Latreille-Coquebert, 1799; Latreille, 1805; Stephens, 1856;
Burmeister, 1839; Rambur, 1842 (d); Brauer et Löw, 1857;
Hagen, 1861.
Ps. saltatrix (L.), Kolbe, 1880,
Limbourg. — Maestricht, Nuth (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt),
Brabant. sept. — Ginneken, Ulvenhout (H. A.).
Zélande. — Dombourg (W. Albarda).
Hollande mér. — La Haye (v.d. Wulp), Schéveningue (Piaget),
Wassenaar (Six).
Hollande sept. — Harlem (Ritsema), Valkenveen (Mac Lachlan),
Utrecht. — Sterkenburg (v. Vollenhoven), Utrecht (Six).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Oosterbeek (Burger), Brummen
(v. Vollenhoven), Voorst (Wttewaal). :
Frise. — Leeuwarden (H. A).
Commun. De juin jusqu’en août, sur les chénes, hêtres, peupliers,
tilleuls et aubépines. On voit souvent sur les trones des arbres et les
bornes dans les bois des agglomérations de nymphes et insectes parfaits,
d’un décimètre en diamètre,
5. Psocus nebulosus, Stephens.
Psocus nebulosus, Stephens, 1836; Burmeister, 1839; Hagen, 1861, 1866;
Mac Lachlan, 1867; Meyer-Dür, 1874; Spangberg, 1878; Rostock,
1878, 1888; Kolbe, 1888.
Ps. similis, Stephens, 1836; Brauer et Löw, 1857.
Ps. variegatus, Curtis, 1837 (nec Fab.).
Ps. subfumipennis, Zetterstedt, 1840.
Ps. infuscatus (9) et affinis (4), Rambur, 1842,
Ps. nebuloso-similis, Kolbe, 1880.
Limbourg. — Venloo (v.d, Brandt).
Brabant sept. — Oisterwijk (v. Vollenhoven).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen).
Hollande sept. — Valkenveen (Mac Lachlan).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Oosterbeek , Renkum (Burger),
Montferland (de Graaf).
Frise. — Leeuwarden, Driesum (H. A.).
Groningue. — Ter-Apel (H. A),
De juin è septembre. Sur les chênes, frênes et aubépines,
232 CATALOGUE DES
6. Psocus sexpunetatus, L.
Hemerobius sexpunetatus , L., 1758, 1761, 1767; Houttuin, 1768 ; Müller,
1776; Bab., 1781, 1787, 1793; Nullers. 4789; Olivier; 31792.
Phryganea sexpunctata, Fourcroy, 1785.
Psocus sexpunctatus, Latreille, 1794, 1805; Latreille-Coquebert, 1799;
Fab., 1798; Walkenaar, 1802; Burmeister, 1839; Mac Lachlan,
1867; Kolbe, 1880, 1888; Rostock, 1888.
Ps, maculatus, Stephens, 1836.
Ps. subfasciatus, Stephens, 1836; Hagen, 1861; Meyer-Dir, 1874;
Spangberg, 1878; Rostock, 1878.
Brabant sept. — Ginneken (H. A.).
Frise. — Leeuwarden (H. A.).
En juillet et en août. Sur les mousses qui couvrent les troncs des tilleuls.
7. Psocus bipunetatus, L.
Hemerobius bipunctatus, L., 1761; Fab., 1775, 1781, 1787; Villers,
1789; Schrank, 1802.
Psylla lapidum, Fourcroy, 1785.
Psocus bipunctatus, Latreille, 1794, 1805; Latreille-Coquebert, 1799;
Fab., 1798; Walkenaar, 1802; Panzer, 1804; Burmeister, 1839;
Rambur, 1842; Brauer et Löw, 1857; E. Pictet, 1865; Mac Lachlan,
1867; Meyer-Dür, 1874; Girard, 1876; Spangberg, 1878; Rostock,
1878, 1888; Kolbe, 1880, 1888.
Hollande mér. — Leide (Périn), Schéveningue (Piaget).
Rare. En aoùt.
8. Psocus quadrimaculatus, Latreille.
Psocus quadrimaculatus, Latreille, 1794, 1805 ; Latreille-Coquebert, 1799;
Walkenaar, 1802; Burmeister, 1839; Hagen, 1866; Mac Lachlan,
1867; Spangberg, 1878; Rostock, 1878, 1888; Kolbe, 1880, 1888.
Ps. maculipennis, Stephens, 1836; Hagen, 1861, 1866.
Ps. conspurcatus, Rambur, 1842.
Frise. — Leeuwarden (H. A).
Très rare. En juillet sur les feuilles du Peuplier d'Italie (Populus
pyramidalis , Roz.).
NEVROPTERES. 233
9. Psocus morio, Latreille.
Psoeus morio, Latreille, 1794, 1805; Latreille-Coquebert, 1799; Walke-
naar, 1802; Burmeister, 1839; Hagen, 1861, 1866; Mac Lachlan,
1867; Rostock, 1878, 1888; Kolbe, 1880, 1888.
Gueldre. — Zutphen (Snellen, Ritsema).
Très rare. En juillet, sur les chênes.
Genre NEOPSOCUS, Kolbe, 1882.
Neopsocus rhenanus, Kolbe.
Neopsocus rhenanus, Kolbe, 1882, 1888; Mac Lachlan, 1883.
En Prusse rhénane. Sous des pierres (Bertkau).
Sous-Famille III CAECILIINES, Kolbe, 1880.
Genre ELIPSOCUS, Hagen, 1866.
Sous-genre 1. Mesorsocus, Kolbe, 1880,
1. Elipsocus unipunetatus, Müller.
Hemerobius unipunctatus, Müller, 1764, 1776.
H. aphidioides, Schrank, 1781; Villers, 1789.
Psoeus longicornis,-Stephens, 1836 (nec Fab.); Burmeister, 1839.
Ps. immunis, Stephens, 1836; Hagen, 1861.
Caecilius vitripennis, Curtis, 1837.
Psocus obliteratus, Zetterstedt, 1840.
Ps, naso, Rambur, 1842,
Elipsocus aphidioides, Hagen, 1866.
E. unipunctatus, Mac Lachlan, 1867; Spangberg, 1878; Rostock, 1878, 1888,
Mesopsocus unipunctatus, Kolbe, 1880, 1888.
Hollande mér. — Leide (v. Vollenhoven), La Haye (Six).
Hollande sept. Harlem (Ritsema).
Utrecht. — Utrecht (Wttewaal).
Gueldre. — Arnhem, Velp (v. Med. de Rooy).
Frise. — Leeuwarden (H. A.), Hardegarijp (Burger).
Assez commun. De juin a septembre sur divers arbres, surtout sur
les trones des ormes.
234 CATALOGUE DES
Sous-genre 2. ELIPSOCUS s. str., Kolbe, 1880.
2. Elipsocus Westwoodii, Mac Lachlan,
Psocus quadrimaculatus, Westwood, 1840 (nec Latreille).
Elipsocus Westwoodii, Mac Lachlan, 1867; Rostock, 1878, 1888; Kolbe,
1880, 1888.
Hollande sept. —- Harlem, Bloemendaal (Ritsema), Velsen (Jaspers).
Utrecht. — Driebergen (Six).
Gueldre. — Brummen (Ritsema).
Peu commun. En juin et en octobre.
>
3. Elipsocus hyalinus, Stephens.
Psocus hyalinus, Stephens, 1836; Hagen, 1861.
Ps. bipunctatus et sexpunctatus, Stephens, 1836 (nec L.).
Caecilius hyalinus, Hagen, 1866.
Elipsocus hyalinus, Mac Lachlan, 1867 ; Rostock, 1878, 1888 ; Kolbe, 1888.
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout (H. <A).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen), Wassenaar (Piaget).
Utrecht. — Amersfoort (Six).
Gueldre. — Arnhem (Snellen).
Frise. — Leeuwarden, Tietjerk (H. A).
Assez commun. De juin jusqu’en septembre, sur divers arbres.
Elipsocus abietis, Kolbe.
Elipsocus hyalinus, Kolbe, 1880 (nec Stephens).
E. abietis, Kolbe, 1880, 1888.
En Westphalie. Sur les pins et les sapins (Kolbe). Dans la Prusse
rhénane (Bertkau).
Elipsocus cyanops, Rostock.
Elipsocus cyanops, Rost., 1878, 1888; Kolbe, 1888.
En Westphalie, Sur des pins et des mélèzes. Assez rare (Kolbe) !).
1) Je n’enumere pas l’Elipsocus laticeps, Kolbe, 1880, que cet auteur dit avoir —
observé en Westphalie, parce que l’espece me paraît douteuse,
NEVROPTERES. 235
Genre PHILOTARSUS, Kolbe, 1880.
l. Philotarsus flaviceps, Stephens.
Psocus flaviceps, Stephens, 1836 ; Hagen, 1861.
Ps. striatulus, Stephens, 1856.
Caecilius irroratus, Curtis, 1837.
Psocus lasiopterus, Burmeister, 1839.
Elipsocus flaviceps, Hagen, 1866 ; Mac Lachlan, 1867; Rostock, 1878, 1888.
E. lasiopterus et flaviceps, Meyer-Diir, 1874.
Philotarsus picicornis (Fab.), Kolbe, 1880.
Ph. flaviceps, Kolbe, 1888.
Brabant sept. — Ulvenhout, Ginneken, Prinsenhagen (H. A).
Hollande mér. — La Haye (v. Vollenhoven, Six), Schéveningue
(Piaget).
Hollande sept. Valkenveen (Mac Lachlan).
Utrecht. — Driebergen, Amersfoort (Six).
Gueldre. — Zutphen (Snellen, Ritsema).
Leeuwarden (H. A).
Frise.
De juin à octobre sur divers arbres et arbustes. Commun !).
Genre CAECILIUS, Curtis, 1837.
Sous-genre 1. PTERODELA, Kolbe, 1880.
1. Caecilius pedicularius, L.
Hemerobius flavicans, L., 1758, 1761, 1767; Müller, 1764; Houttuin,
1768; Fab., 1775, 1781.
H. pedicularius , L., 1758, 1761, 1767; Houttuin, 1768; Schrank, 1781;
Villers, 1789.
H. abdominalis, Fab., 1787, 1793; Schrank, 1798.
Psocus pedicularius, Latreille, 1794, 1803; Latreille-Coquebert, 1799.
Ps. flavicans, Fab., 1798; Burmeister, 1839.
Ps. nigricans et dubius, Stephens, 1836.
1) Dans ce genre, séparé par M. Kolbe de Caecilius, a cause de la formation
remarquable des deux articles terminaux des antennes des femelles, doit étre
également placé le Caecilius Dalii, Mac Lachlan, 1867, espèce qui jusqu'ici n’a été
observée qu'en Angleterre,
236 CATALOGUE DES
Psocus domesticus, Burmeister, 1839; Brauer et Low, 1857.
Ps. binotatus et lucifugus (larve), Rambur, 1842.
Caecilius pedicularius, Hagen, 1866; Mac Lachlan, 1867; Meyer-Dür,
1874; Spangberg, 1878; Rostock, 1878, 1888; Kolbe, 1880,
Elipsocus flaviceps, Hagen, 1866.
Pterodela pedicularia, Kolbe, 1888.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Hollande mér. — La Haye (Six), Leide (v. Vollenhoven), Katwijk
(de Graaf).
Hollande sept. — Vogelenzang (Piaget).
Frise. — Leeuwarden (H. A).
Commun. De la mi-août à novembre sur divers arbres et plantes.
Souvent dans les habitations.
M. de Graaf observa, un après-midi en septembre, à Katwijk, que
les carottes sauvages (Daucus carota, L.) étaient couvertes de nymphes
de cette espéce et que des essaims d’insectes parfaits dansaient dans les
rayons du soleil.
Caecilius quercus, Kolbe.
Caecilius quercus, Kolbe, 1880.
Pterodela quercus, Kolbe, 1888.
En Westphalie. Sur les chénes. Trés rare (Kolbe).
Sous-genre 2. CAECILIUS s, str., Kolbe, 1880.
2. Caecilius Burmeisteri, Brauer.
Psocus pedicularius, Burmeister, 1839 (nec L., nec Latreille).
Caecilius Burmeisteri , Brauer, 1876; Rostock, 1878, 1888; Kolbe, 1880,
1888; Mac Lachlan, 1883.
Hollande mér. — La Haye (v. Vollenhoven).
Assez rare. En septembre, sur des pins.
Caecilius perlatus, Kolbe.
Caecilius obsoletus, var. perlatus, Kolbe, 1880.
C. perlatus, Kolbe, 1882, 1888; Mac Lachlan, 1883; Rostock, 1888.
En Westphalie, sur des pins (Kolbe).
NÉVROPTÈRES. 237
3. Caecilius obsoletus, Stephens.
. Psocus obsoletus, Stephens, 1836.
Caecilius obsoletus, Mac Lachlan, 1867, 1883; Meyer-Dür, 1874; Rostock,
1878, 1888; Kolbe, 1880, 1888.
Brabant sept. — Prinsenhage (H. A.).
Hollande mér. — Schéveningue (Piaget, v. Vollenhoven).
Hollande sept. — Valkenveen (Mac Lachlan).
Frise. — Oldeberkoop, Beetsterzwaag (H. A.).
Commun. De juillet à septembre, sur les pins et les sapins.
4. Caecilius flavidus, Stephens.
Psocus flavidus, Stephens, 1836; Rambur, 1842; Braueret Löw, 1857;
Hagen, 1861.
Ps. ochropterus, flavicans et subpunctatus, Stephens, 1836.
Caecilius strigosus, Curtis, 1837.
Psocus striatus et boreellus, Zetterstedt, 1840.
Caecilius flavidus, Hagen, 1866; Mac Lachlan, 1867; Mever-Dür, 1874;
Rostock, 1878, 1888; Kolbe, 1880, 1888,
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout (H. A.).
Zélande, — Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — La Haye (Six), Schéveningue (Piaget), Leide,
Wassenaar (v. Vollenhoven).
Hollande sept. — Vogelenzang (v. Vollenhoven), Velsen (Jaspers).
Utrecht. -- Driebergen (Six), Amersfoort (v. Vollenhoven).
Gueldre. — Brummen (v. Vollenhoven), Beekhuizen (Ritsema),
Arnhem (v. Med. de Rooy).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Jelsum, Tietjerk, Beetsterzwaag ,
Wijnjeterp, Olterterp, Driesum (H. A).
Groningue. — Ter-Apel (H. A).
Extrèmement commun. De juillet à décembre, sur divers arbres et
arbustes.
5. Caecilius atricornis, Mac Lachlan.
Caecilius atricornis, Mac Lachlan, 1869; Kolbe, 1880, 1888; Rostock, 1888.
Hollande mér. — Leide (Ritsema).
Un seul exemplaire, en septembre,
238 CATALOGUE DES
6. Caecilius fuscopterus, Latreille.
Psocus fuscopterus, Latreille-Coquebert, 1799; Latreille, 1805.
Ps. vittatus, Dalman, 1823; Stephens, 1836; Zetterstedt, 1840;
Hagen, 1861.
Caecilius fenestratus, Curtis, 1837.
C. fuscopterus, Hagen, 1866; Mac Lachlan, 1867; Kolbe, 1880, 1888;
Rostock, 1888.
C. vittatus, Rostock, 1878.
Utrecht. — Sterkenburg (v. Vollenhoven), Utrecht (Six).
Gueldre. — Empe (v.d. Wulp).
Assez rare. En août et en septembre, sur les chénes.
Genre KOLBIA, Bertkau, 1885.
Kolbia quisquiliarum, Bertkau.
Kollia quisquiliarum, Bertkau, 1883; Kolbe, 1884, 1888.
En Prusse rhénane. De juillet & octobre, sous des pierres et parmi
des herbes.
Sous-Famille IV. PERIPSOCINES, Kolbe, 1880.
Genre PERIPSOCUS, Hagen, 1866.
1. Peripsocus phaeopterus, Stephens.
Psocus phaeopterus , Stephens, 1836 ; Brauer et Low, 1857; Hagen, 1861.
Ps. nigricans, Stephens, 1836.
Peripsocus phaeopterus, Hagen, 1866; Mac Lachlan, 1867; Meyer-Dür,
1874; Rostock, 1878, 1888; Spängberg, 1878; Kolbe, 1880, 1888.
Limbourg. — Bunde (Maurissen).
Hollande mér. — La Haye (Six).
Hollande sept. — Valkenveen (Mac Lachlan).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
Frise, — Leeuwarden, Lekkum, Jelsum (H. A.).
De juillet è septembre. Sur les ormes et aunes. Pas commun.
Peripsocus parvulus, Kolbe.
Peripsocus alboguttatus, var. parvulus, Kolbe, 1880,
NEVROPTERES. 239
Peripsoeus parvulus, Kolbe, 1883, 1888,
En Westphalie près de Münster, Un seul exemplaire (Kolbe).
‘2. Peripsoeus alboguttatus, Dalman.
Psocus alboguttatus, Dalman, 1823.
Ps. striatulus, Stephens, 1836 p. p. (nee Fab.).
Ps. pupillatus (Dale), Walker, 1853; Hagen, 1861, 1865; Kolbe, 1882.
Peripsocus alboguttatus, Hagen, 1866; Mac Lachlan, 1867 p. p., 1883;
Spangberg, 1878.
Gueldre. — Zelhem (Snellen),
Un seul exemplaire, le 3 août.
3. Peripsocus subpupillatus, Mac Lachlan.
Psocus quadrimaculatus , Stephens, 1836 p. p. (nec Latreille).
Ps. subfasciatus, Rambur, 1842 (nec Stephens, nec Zetterstedt).
Peripsocus alboguttatus, Mac Lachlan, 1867, p. p. (nec Dalman); Mever-
Diir, 1874; Rostock, 1878; Kolbe, 1880.
P. subpupillatus, Mac Lachlan, 1883; Rostock, 1888; Kolbe, 1888.
Hollande mér. — La Haye (Six).
Gueldre. — Zelhem (Snellen).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Jelsum (H. A.).
En juillet et en août. Sur divers arbres et arbustes !).
Sous-Famille V. CLOTHILLINES.
ATROPINES, Kolbe, 1888.
Genre CEROBASIS, Kolbe, 1882.
Cerobasis muraria, Kolbe.
Cerobasis muraria, Kolbe, 1888.
în Westphalie, è Oeding, sur des murs (Kolbe).
1) En Prusse rhénane a encore été observée une espèce, à laquelle M. Kolbe
a donné le nom de Bertkauia prisca et en Westphalie une autre, nommée par lui
Pseudopsocus Rostockii. Je laisse de côté ces deux espèces, parce que, leurs
femelles étant seulement connues, la place qu'on doit leur assigner est encore
incertaine.
240 CATALOGUE DES
Genre TICHOBIA '), Kolbe, 1882.
Tichobia alternans, Kolbe.
Tichobia alternans, Kolbe, 1882, 1888.
En Westphalie, à Oeding, sur des murs (Kolbe).
Genre HYPERETES, kolbe, 1880.
1. Hyperetes guestphalieus, Kolbe.
Hyperetes guestphalicus, Kolbe, 1880, 1888.
? Hyperetes tessulatus, Hagen, 1885.
Frise. — Leeuwarden (H. A.).
En août et en septembre. Sur des troncs des bouleaux et des müriers.
Genre CLOTHILLA, Westwood, 1841.
Atropos (Leach), Kolbe, 1880.
1. Clothilla pulsatoria, L.
Termes pulsatorium, L., 1758, 1761, 1767.
T. lignaria, de Geer, 1778.
Psocus pulsatorius, Fab., 1798; Latreille-Coquebert, 1799 (exc. fig.);
Latreille, 1805.
Termes fatidicus, Stephens, 1836.
Troctes pulsatorius, Burmeister, 1839.
Clothilla studiosa, Westwood, 1841.
C. pulsatoria, Hagen, 1866, 1883; Mac Lachlan, 1867; Rostock, 1878.
Atropos pulsatoria, Kolbe, 1880, 1888; Rostock, 1888.
Commune. Sur les cloisons, dans les pavillons, les tonnelles, ete.
2. Clothilla annulata, Hagen.
Clothilla annulata, Hagen, 1865, 1885; Rostock, 1878.
Atropos annulata, Kolbe, 1880, 1888; Rostock, 1888.
1) Le nom de ce genre devra être changé. Le nom de Tichobia ou Teichobia
a été donné déjà par le Dr. Herrich-Schäffer à un genre de Microlépidoptères,
dont l'unique représentant, 7. Verhuellella, Stainton, vit sur l'Aplenium ruta-
muraria, L. et le Scolopendrium vulgare, Swartz, deux fougères qu’on trouve sur
des murs.
NÉVROPTÈRES. 241
Frise. — Leeuwarden (H. A.).
Très rare. Dans les habitations.
Clothilla distincta, Kolbe.
Atropos distincta, Kolbe, 1888.
En Westphalie. Dans les habitations (Kolbe).
Sous-Famille VI. ATROPINES, Kolbe, 1880 p. p.
Trocrını, Kolbe, 1888.
Genre ATROPOS, Leach, 1815.
Troctes, Burmeister, 1839; Kolbe 1), 1880.
1. Atropos divinatorius, Müller.
Termes divinatorius, Müller, 1776; O. Fabricius, 1780; Gmelin, 1788.
Psocus pulsatorius, Fab., 1798; Latreille-Coquebert, 1799.
Atropos pulsatorius, Stephens, 1836; Westwood, 1840; v. Vollen-
hoven, 1861.
Troctes fatidicus, Burmeister, 1839.
Liposcelis museorum, Motschulsky, 1853.
Atropos pulsatoria, Hagen, 1861.
A. divinatoria, Hagen, 1866, 1883; Mae Lachlan, 1867; Meyer-Diir,
1874; Rostock, 1878.
Troctes divinatorius, Kolbe, 1880, 1888; Rostock, 1888.
Commun. Dans les habitations, dans les collections d’insectes et de
plantes et dans de vieux livres.
1) M. Kolbe a substitué le nom de Zroctes, Burmeister à celui d’AZropos,
Leach et a donné celui-ci au genre Clothilla, Westwood, mais il me semble,
que le Dr. Hagen a démontré clairement (Stett. Ent. Zeitung, 1883, S. 288) que
c'est & tort.
16
242 CATALOGUE DES
Tribu I. PLECOPTERES, Burmeister, 1839.
Famille unique. PERLIDES, Leach, 1815. 1)
Sous-Famille I PERLINES.
Genre DICTYOPTERYX, Pictet, 1841.
1. Dietyopteryx microcephala, Pictet.
Semblis bicaudata, Panzer, Faun. germ., fasc. 71 (1799).
Perla bicaudata, Stephens, Ill. p. 136, n°, 3 (1836). — Zetterstedt,
Ins. Lapp., p. 1058, n°. 2 (1840). — v. Vollenhoven, Gel. Dier.,
p: 306, pl. xa, fie, Sa 1861):
P. microcephala, Pictet, Ann. d. sc. nat., Tom. XXVIII, p. 59, pl. vi,
fig. 4 et 5 (1833). — Burmeister, Handb. II, p. 878, n°. 4 (1839).
P. cymodoce, Newman, Charlesworth’s Mag. of nat. hist., Tom. IIT,
p. 37 (1839).
P. (Dictyopteryx) microcephala, Pictet, Perlides, p. 155, pl. vit, fig.
9— 12 et pl. va, fig. 12 (1841).
P. dispar, Rambur, Névropt., p. 451, n°. 3 (4) (1842).
Dictyopteryx microcephala, Schneider, Arb. Schles. Gesellsch. f. 1847,
p. 112, n°. 2 (1848). — Brauer et Lòw, Neur. austr., p. 27
(1857). — Ausserer, Neur. Tirol. , p. 138 (1869). — Girard, Traité
d’entom. II, p. 321 (1876). — Rostock, Neur. germ., p. 162 (1888).
Limbourg. — Maestricht, Limmel (Maurissen).
En avril, sur les rivières et les ruisseaux d’eau vive.
Genre ISOGENUS, Newman, 1833.
1. Isogenus nubecula, Newman.
(Schaffer, Icon., pl. xxxvir, fig. 4 et 5, 1766].
Perla bicaudata (Geoffroy), Fourcroy, Ent. Par., p. 349, n°. 1 (1785). —
1) L'impression de ce Catalogue ayant été retardée, j'ai encore pu faire usage
pour la synonymie des Perlides des résultats d’une étude récente des types de
Burmeister, Rambur, F. J. Pictet et E. Pictet, qui seront bientòt publiés dans
les Annales de la Soc. Ent. Belge. N’ayant pu examiner les types de Stephens,
ni me procurer Charlesworth’s Magazine of natural history, je me fie pour les
citations de Stephens et de Newman au Catalogue of British Neuroptera de R.
Mac Lachlan et A. E. Eaton. Londres, 1870,
= NEVROPTERES. 243
Latreille, Hist. nat., Tom. XIII, p. 49 (1805). — Curtis, Brit. Entom.,
pl. 190, Texte (1827). — Pictet, Ann. d. sc. nat., Tom. XXVIII,
p. 58, pl. vr, fig. 6 et 7 (1833). — Burmeister, Handb., II, p. 878,
n°. 3 (1839).
Isogenus nubecula, Newman, Ent. Mag., I, p. 415 (1833), Charlesworth’s
Mag. of nat. hist., Tom. III, p. 84 (1839). -— Stephens, IL,
p. 137, n°. 1, pl. xxr, fig. 2 (nec fig. 4). (1836). — Rostock,
Neur. germ., p. 162 (1888).
Perla (Nephelion) nubecula, Pictet, Perlides, p. 170, pl. 1x, fig. 1—6
(1841). — Schneider, Arb. Schles. Gesellsch. f. 1847, p. 112,
n°. 3 (1848).
P. parisina, Rambur, Névropt., p. 450, n°. 1 (1842). — Girard,
Traité d’entom. II, p. 321 (1876).
P. nubecula, Brauer et Löw, Neur. austr., p. 28 (1857). — Ausserer,
Neur. Tirol., p. 138 (1869).
var. provima, Rambur, L 1. p. 451, n°. 2 (1842).
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Wolfhesen (Backer), Nimègue
(ter Haar).
Assez commun en avril et en mai, sur les rivières et les ruisseaux.
Genre PERLA, Geoftroy, 1762.
Perla maxima, Scopoli.
Phryganea maxima, Scopoli, Ent. carn., p. 269, n°. 705 (1762).
Perla grandis, Curtis, Brit. Ent., pl. 190, Texte (1827). — Rambur,
Névropt., p. 154, n°. 9 (1842).
P. bipunctata, Pictet, Ann. d. sc. nat., Tom. XXVIII, p. 55, pl. v,
fig. 12—14 (1833); Perlides, p. 187, pl. xr et xm (1841). —
Girard, Traité d’entom. IL, p. 319 (1876).
P. bicaudata, Newman, Charlesworth’s Mag. of nat. hist., Tom. III,
p. 36 (1839). — Dufour, Mém. de div. sav. de l’Institut, Tom.
VII, p. 609, fig. 198, 204 (1841). — Brauer et Low, Neur.
austr., p. 28 (1857). — Ausserer, Neur. Tirol., p. 139 (1869).
P. cephalotes, Burmeister, Handb. II, p. 880 (nec Curtis) (1839).
P. maxima, Mac Lachlan, Ent. Mo. Mag., Vol. VI, p. 265 (1870). —
Meyer-Diir, Neur. d. Schweiz, p. 293 (1874). — Rostock, Neur.
germ., p. 163 (1888).
244 CATALOGUE DES
2
Observée en Belgique (de Selys), en Prusse rhénane et en West-
phalie (Kolbe).
1. Perla cephalotes, Curtis.
Phryganea bicaudata, Sülzer, Abgek. Gesch. d. Ins., p. 173, pl. xxiv,
fig. 8 (1776). — Roemer, Gen. insect., p. 24, pl. xxiv,
fig. 8 (1789).
P. cephalotes, Curtis, Brit. Ent., pl. 190 (1827). — Pictet, Ann. d. sc.
nat., Tom. XXVIII, p. 56, pl. vr, fig. 1—3 (1833); Perlides, p. 196,
pl. xıv et xv (1841). — Stephens, Ill., p. 136, n°. 2 (1836). —
Schneider, Arb. d. Schles. Gesellsch. f. 1847, p. 113, n°. 4 (1848). —
Brauer et Low, Neur. austr., p. 29 (1857). — Ausserer, Neur.
Tirol., p. 140 (1869). — Meyer-Diir, Neur. d. Schweiz., p. 294
(1874). — Girard, Traité d’entom. II, p. 320 (1876). — Rostock,
Neur. germ., p. 163 (1388).
P. baetica, Rambur, Névropt., p. 455, n°. 12 (1842). — E. Pictet,
Névr. d’Esp., p. 14, pl. 1, fig. 1—3 (1865).
Limbourg. — Venloo (v.d. Brandt), Maestricht, Bunde (Maurissen).
Près des rivières, en mai et en juillet.
Perla marginata, Panzer.
? Semblis marginata, Fab., Ent. syst., II, p. 73, n°. 7 (1793).
Perla marginata, Panzer, Faun. germ., fasc. 71(1799). — Curtis, Brit.
Ent., pl. 190, texte (1827). — Pictet, Ann. d. sc. nat., Tom.
XXVIII, p. 53, pl. v, fig. 1—3 (1833); Perlides, p. 201, pl.
XVI, fig. 1—4 (1841). — Stephens, Ill., p. 135, n°. 1 (1836). —
Newman, Charlesworth’s Mag. of nat. hist., III, p. 36 (1839). —
Westwood, Introd, II, p. 21, fig. 60 (1840). — Brauer et Löw,
Neur. austr., p. 28, fig. 13 (1857). — Ausserer, Neur. Tirol.,
p. 139 (1869). — Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 294 (1874). —
Girard, Traité d’entom. II, p. 320 (1876). — Rostock, Neur.
germ., p. 163 (1888).
? P. barcinonensis, Rambur, Névropt., p. 454, n°. 10 (1842).
P. matritensis, Rambur, 1.1., p. 454, n°. 11 (1842). — E. Pictet, Névr.
d’Esp., p. 14, pl.1, fig. 1—3 (1865). (Race dont le mâle est microptère).
P. Hagenü, E. Pictet, 11. p. 12, pl. 1, fig. 1—3 (1865). (Race
méridionale).
En Belgique en juillet. Assez commune sur les ruisseaux et les riviéres
NEVROPTERES. 245
(de Selys). En Westphalie et en Prusse rhénane (Kolbe). Se trouvera
sans doute en Limbourg, prés de la Meuse.
2. Perla abdominalis, Burmeister.
(Schäffer, Icon., Tab. 160, fig. 2 et 3, 1769).
Perla abdominalis, Burmeister, Handb. II, p. 881, n°, 14 (1839). —
Pictet, Perlides, p. 204, pl, xvr, fig. 5—7 (1841). — Brauer et
Löw, Neur. austr., p. 28, fig. 11 et 12 (1857). -— Meyer-Dür,
Neur. d. Schweiz, p. 293 (1874). — Rostock, Neur. germ.,
p. 162 (1888).
P. marginata, Burmeister, Handb. II, p. 880, n°. 11 (2) (1839). —
Pictet, Perlides, pl. xvir, fig. 1 et 2 (1841).
P. dubia, Rambur, Névropt., p. 453, n°. 6 (1842).
Limbourg. — Maestricht (Maurissen).
En Avril,
3. Perla Selysii, Pictet.
Perla Selysii, Pictet, Perlides, p. 208, pl. xv, fig. 5 (1841). — E.
Pictet, Névr. d’Espagne, p. 16 (1865). — Mac Lachlan, Ann. Soc.
ent. de Belgique, Tom. XX, p. Lv (1877) et Tom. XXV, comptes-
rendus (1881).
Limbourg. — Bunde, St. Pierre (Maurissen), Venloo (v.d. Brandt).
Perla bicolor, Burmeister.
Perla bicolor, Burmeister, Handb. II, p. 880, n°.9 (1839). — Pictet,
Perlides, p. 226, pl. xx, fig. 3 et 4 (1841).
P. vitripennis, Burmeister, 1.1., n°. 10. — Pictet, 1.1., pl. xx, fig. let 2.
P. angustata, Rambur, Névropt., p. 453, n°. 8 (1842).
P. bicolor (4) et vitripennis (2), Schneider, Arb. d. Schles. Gesellsch.
f. 1847, p. 113, n°. 6 (1848). — Rostock, Neur. germ., p. 162 (1888).
Observée en Westphalie (Kolbe). ,
Genre CHLOROPERLA, Newman, 1839.
Chloroperla rivulorum, Pictet.
Perla (Chloroperla) rivulorum, Pictet, Perlides, p. 284, pl. xxxm (1841).
P. viridella, Rambur, Névropt., p. 456, n°. 14 (1842).
Chloroperla rivulorum, Schneider, Arb. d. Schles. Gesellsch. f. 1847,
p. 114, n°. 7 (1848). — Brauer et Low, Neur. austr., p. 29
246 CATALOGUE DES
(1857). — Ausserer, Neur. Tirol., p. 140 (1869). — Meyer-Diir, Neur,
d. Schweiz, p. 295 (1874). — Rostock, Neur.germ., p. 161 (1888).
En Belgique, Les Tailles (Albarda). En Westphalie (Kolbe).
1. Chloroperla grammatica, Poda.
Phryganea grammatica, Poda, Mus. Graec., p. 99 (1761). — Scopoli,
Ent. carn., p. 269, n°. 703 (1762). — Schrank, Enum., p. 305,
n°. 608 (1781). — Villers, Entom., III, p. 26, n°. 3 (1789).
Perla virescens, Pictet, Ann. se. nat., Tom. XXVIII, p.60 (1833). —
Burmeister, Handb. II, p. 878, n°. 2 (1839).
Chloroperla fuscipennis, lateralis, media, et venosa 1), Stephens, Ill,
p. 138, 139, n°. 1—4 (1836).
C. grammatica, Newman, Charlesworth’s Mag. of nat. hist. Tom. III,
p. 87 (1839). — Brauer et Löw, Neur. austr., p. 29 (1857). —
Ausserer, Neur. Tirol., p. 141 (1869). — Meyer-Diir, Neur. d.
Schweiz, p. 296 (1874). — Rostock, Neur. germ., p. 161 (1888).
Perla virens, Zetterstedt, Ins. Lapp., p. 1059, n°. 5 (1840).
P. (Chloroperla) virescens, Pictet, Perlides, p. 288, pl. xxxurr et XXx1V,
fig. 1—6 (1841).
P. chlorella, Rambur, Névropt., p. 457, n°. 15 (1842). — E. Pictet,
Névr. d’Espagne, p. 17 (1865).
Semblis grammatica, Imhoff et Labram, Ins. d. Schweiz, Bd. V (1865).
Ohloroperla virescens, Schneider, Arb. d. Schles. Gesellsch. f. 1847,
p. 113, n°. 8 (1848). — Girard, Traité d’entom. II, p. 321 (1876).
var. a. rufescens, Stephens.
Chloroperla rufescens, Stephens, Ill., p. 139, n°. 5 (1836). — Pictet,
Perlides, p. 295, pl. xxxrv, fig. 7 (1841).
var. rufescens, Mac Lachlan et Eaton, Catal. of Brit. Neur., p. 5
(1870). — Meyer-Diir, Neur. d. Schweiz, p. 296 (1874).
1) Je cite ici sur l'autorité de MM. Mac Lachnan et Eaton qui ont examiné
les types et ont constaté que toutes ces formes ne sont que des variétés de couleur.
Mais il me semble qu’on ait décidé un peu prématurement que les espéces aux-
quelles Pictet a donné les mémes noms ne sont également que des variétés. Cet
auteur a cru reconnaître dans les exemplaires suisses et allemands qu'il a décrits
les espèces de Stephens, mais, comme il n’avait pas vu les types, rien ne prouve
qu'il ne se soit trompé, et en jugeant d’après les exemplaires de sa collection,
sa rufescens n'est en effet qu'une variété de la grammatica, mais sa venosa est
une bonne espèce, qui se distingue au premier abord par son prothorax beaucoup
plus étroit,
NEVROPTERES. 247
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v.d. Brandt).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. d. Rooy), Beek (Lewe), Nimègue
(ter Haar).
var. rufescens.
Hollande mér. — Leide (Wttewaal).
2. Chloroperla griseipennis, Pictet.
Perla (Chloroperla) griseipennis, Pictet, Perlides, p. 299, pl. xxxv,
fig. 4—7 (1841).
Chloroperla griseipennis, Brauer et Löw, Neur. austr., p. 29 (1857). —
Ausserer, Neur. Tirol., p. 141 (1869). — Rostock, Neur. germ. ,
p. 161 (1888).
Perla tenella, Rambur, Névropt., p. 457, n®. 16 (1842).
P. grammatica, gen. verna, Meyer-Dur, Neur. d. Schweiz, p. 296
(1874) 1).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
Genre ISOPTERYX, Pictet, 1841.
l. Isopteryx serricornis, Pictet.
Perla (Isopteryx) serricornis, Pictet, Perlides, p. 303, pl. xxxvr,
fig. 1—3 (1841).
Tsopteryx serricornis, Schneider, Arb. d. Schles. Gesellsch. f. 1847,
p. 113, n°. 9 (1848). — Rostock, Neur. germ., p. 160 (1888).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
En mai; assez rare.
1) M. Meyer-Dür, ayant observé, qu’au printemps les griseipennis se montrent
les premières dans les mémes localités où se trouvent plus tard, quand la tempé-
rature est plus élevée, des grammatica ordinaires, en conclut que celles-là ne sont
que des individus qui n’ont pas encore leurs couleurs. Un moment j’ai adopté
cette opinion; mais maintenant je la rejette.
Je fais observer en passant, que ce que M. Meyer-Dür a observé, aurait égale-
ment lieu s’il y eut deux espèces distinctes, dont l’apparition se fit à des époques
successives.
Mais la griseipennis est beaucoup plus petite et plus grêle que la grammatica,
son prothorax est beaucoup plus étroit et les anneaux de ses soies caudales sont
plus longs, de sorte qu’il soit impossible qu’elle change jamais en une grammatica.
Des exemplaires reçus de M. Meyer-Dür me font supposer qu'il aura pris des
grammatica nouvellement écloses pour des griseipennis.
248 CATALOGUE DES
2. Isopteryx Burmeisteri, Pictet.
Perla viridis, Burmeister, Handb. II, p. 878, n°.1 (nec Fab.) (1839).
P. (Isopteryx) Burmeisteri, Pictet, Perlides, p. 311, pl. xxxvır, fig.
7 et 8 (1841).
Leptomeres rufeola, Rambur, Névropt., p. 457, n°. 1 (1842).
Isopteryx Burmeisteri, Schneider, Arb. d. Schles. Gesellsch. f. 1847,
p. 114, n°. 12 (1848). — Rostock, Neur. germ., p. 160 (1888).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
En mai, près des eaux vives.
3. Isopteryx torrentium, Pictet.
Perla (Isopteryx) torrentium, Pictet, Perlides, p. 307, pl. xxxvur,
fig. 1—4 (1841).
Isopteryx torrentium, Schneider, Arb. d. Schles. Gesellsch. f. 1847, p. 114,
n°, 11 (1848). — Brauer et Löw, Neur. austr., p. 29 (1857). —
Ausserer, Neur. Tirol., p. 141 (1869). — Meyer-Dür, Neur. d.
Schweiz, p. 297 (1874). — Rostock, Neur. germ., p.160 (1888).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
Un seul exemplaire, le 17 mai.
4, Isopteryx tripunetata, Scopoli.
Phryganea tripunctata, Scopoli, Ent. carn., p. 269, n°. 704 (1762). _
Schrank, Enum., p. 306, n°. 609 (1781). — Villers, Entom., III,
p. 26, n°, 5 (1789).
Perla flava, (Geoffroy), Fourcroy, Ent. Par., p. 349, n°. 4 (1785).
Semblis viridis, Fab., Mant., p. 244, n°. 9 (1787); Syst. ent., II, p. 74,
n°. 11 (1793). — Zetterstedt, Ins. Lapp., p. 1059, n°. 6 (1840). —
Imhoff et Labram, Ins. d. Schweiz, Bd. V (1845).
Perla lutea, Latreille, Hist. nat., XIII, p. 49, n°. 1 (1805).
P. viridis, Curtis, Brit. Ent., pl. 190, texte (1827).
Chloroperla flava, Stephens, Ill., p. 139, n°. 6 (1836). — Newman,
Charlesworth’s, Mag. nat. hist., III, p. 88 (1839).
Dodecatoma flava, Dufour, Mém. d. div. sav. de l’Institut, Tom. VIII,
p. 609, note 3 (1841).
Perla (Isopteryx) flava, Pictet, Perlides, p. 313, pl. xxxv, fig. 1
et 2 (1841).
Leptomeres flaveola, Rambur, Névropt., p. 458, n°. 2 (1842).
NÉVROPTÈRES. 249
Tsopteryx flava, Schneider, Arb, d. Schles. Gesellsch. f. 1847, p. 114,
n°. 13 (1848). — Girard, Traité d’entom. II, p. 322 (1876).
Isopteryx tripunctata, Brauer et Löw, Neur. austr., p. 30 (1857). —
Ausserer, Neur. Tirol., p. 142 (1869). — Meyer-Dür, Neur. d,
Schweiz, p. 297 (1874). — Mac Lachlan, Fetschenko’s Reise in
Turkestan, p. 53, n°. 2 (1875). — Rostock, Neur. germ., p. 160(1888).
Limbourg. — Maestricht (Maurissen).
Brabant sept. — Ulvenhout (H. A.).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Nimègue (ter Haar), Ooster-
beek (Ritsema).
En mai et en juin, près des eaux vives.
5. Isopteryx apicalis, Newman.
Chloroperla pallida, Stephens, Ill., p. 139, n°. 7 (1836).
C. apicalis, Newman, Ent. Mag., IV, p. 501 (1837); Charlesworth’s
Mag. nat. hist., III, p. 88 (1839).
Perla (Isopteryx) apicalis, Pictet, Perlides, p. 316, pl. xxxvm, fig.
3—9 (1841). — E. Pictet, Névr. d’Espagne, p. 20 (1865).
Leptomeres pallidella et albella, Rambur, Névropt., p, 458, n° 3 et 4
(1842).
Isopteryx apicalis, Schneider, Arb. d. Schles. Gesellsch. f. 1847, p.114,
n°. 14 (1848). — Brauer et Löw, Neur. austr., p. 30 (1857). —
Ausserer, Neur. Tirol., p. 142 (1869). — Meyer-Dür, Neur. d.
Schweiz, p. 297 (1874). — Rostock, Neur. germ., p. 169 (1888).
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. —- Ginneken (Heylaerts).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Oosterbeek, Westervoort
(Ritsema), Nimègue (ter Haar).
Sous-Famille II. NEMOURINA,
Genre CAPNIA, Pictet, 1841.
Capnia nigra, Pictet.
Perla nigra, Pictet, Ann. d. sc. nat., Tom. XXVIII, p. 61, pl. vr,
fig. 11—13 (1833).
Chloroperla bifrons, Newman, Ent. Mag., VI, p. 501 (1839); Charles-
worth’s Mag. of nat. hist., III, p. 89 (1839).
250 CATALOGUE DES
Capnia nigra, Pictet, Perlides, p. 321, pl. xxxıx (1841). — Brauer
et Low, Neur. austr., p. 30 (1857). — Ausserer, Neur. Tirol.,
p. 142 (1869). — Meyer-Diir, Neur. d. Schweiz, p. 298 (1874). —
Girard, Traité d’entom., II, p. 322 (1876). — Rostock, Neur.
germ., p. 159 (1888).
Observée en Westphalie (Kolbe) et en Prusse rhénane (Bertkau).
Genre TAENIOPTERYX, Pictet, 1841.
Ire Section 1).
1. Taeniopteryx trifasciata, Pictet.
[Sehäffer, Ic., pl. xxxvIr, fig. 2 et 3, 1766].
Nemoura trifasciata, Pictet, Ann. d. sc. nat., XXVI, p. 379, pl. 15,
fig. 4—10 (1832); Mém. Soc. phys., VII p. 178 (1836). —
Girard, Traité d’entom. II, p. 325. (1876).
N. variegata, Stephens, [l., p. 144, n°. 15, pl. xxxr, fig. 3 (nec fig.
2; nec Olivier) (1836).
N. putata, Newman, Ent, Mag., VI, p. 401 d (1839).
Semblis nebulosa, Burmeister, Handb. II, p. 875, n°. 4, p. p. (1839).
Nemoura (Taeniopterya) trifasciata, Pictet, Perlides, p. 351, pl. xLIV
et pl. xLv, fig. 1—5 (1841).
Nemura nebulosa, Rambur, Névropt., p. 459, p. p. (1842).
Taeniopteryx trifasciata, Brauer et Löw, Neur. austr., p. 30 (1857). —
Ausserer, Neur. Tirol., p. 143 (1869). — Meyer-Dür, Neur. d.
Schweiz, p. 298 (1874). — Rostock, Neur. germ., p. 157 (1888).
Limbourg. — Maestricht, St. Pierre (Maurissen).
Brabant sept. — Cuyk (ter Haar).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. d. Rooy), Nimègue (ter Haar).
En mars et en avril, près des rivières.
Taeniopteryx monilicornis, Pictet.
Nemoura (Taeniopteryx) monilicornis, Pictet, Perlides, p. 357, pl. XLVI ,
fig. 1—3 (1841).
1) Je divise ce genre en deux. sections. Chez les espèces de la première la
branche supérieure du cubitus émet trois nervures vers la marge extérieure, et
la sous-costale aboutit à la costale; chez celles de la seconde le cubitus n’émet
qu’une seule nervure et la sous-costale aboutit au radius.
NEVROPTERES. 251
Taeniopteryx monilicornis, Brauer et Low, Neur. austr., p. 30 (1857).
Ausserer, Neur. Tirol., p. 143 (1869). — Meyer-Dür, Neur. d.
Schweiz, p. 299 (1874). — Rostock, Neur. germ., p. 157 (1888).
Observée en Westphalie (Kolbe) et en Prusse rhénane (Bertkau).
2de Section.
2. Taeniopteryx nebulosa, L.
Phryganea nebulosa, L., Syst. nat. ed., X, p. 549, n°. 15 (1758);
Faun. Suec. ed., II, p. 381, n°. 1499 (1761); Syst. nat. ed., XII,
p. 903, n°. 2 (1767). — Schrank, Enum., p. 306, n°, 610
(1781). — Villers, Entom., III, p. 25, n°. 2 (1789).
Semblis nebulosa, Fab., Syst. ent., p. 305, n°. 3 (1775); Spec. ins.,
p. 387, n°. 7 (1781). — Mant., p. 244, n°. 7 (1787); Ent. syst.,
p. 74, n°. 9 (1793). — Burmeister, Handb. II, p. 875, n. 4,
p. p. (1839).
Nemoura nebulosa, Olivier, Enc. méth., VIII, p. 186, n°. 1 (1811). —
Pictet, Mém. Soc. phys., VII, p. 178 (1836). — Girard, Traité
d’entom., II, p. 325 (1876).
Semblis praetexta, Burmeister, Handb. II, p. 875, n°. 5 (8).
N. (Taeniopteryx) nebulosa, Pictet, Perlides, p. 347, pl. xLItI (1841).
Nemura nebulosa, Rambur, Névropt., p. 459, n°. 1, p. p. (1842).
N. minuta, idem, p. 460, n°. 2 (le d' microptere).
N. socia, id. 1. 1. n°. 3 (le d).
Taeniopteryx nebulosa, Brauer et Löw, Neur. austr., p. 30 (1857). —
Ausserer, Neur. Tirol., p. 144 (1869). — Meyer-Dür, Neur. d.
Schweiz, p. 299 (1874). — Rostock, Neur. germ., p. 158 (1888).
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v.d. Brandt).
Brabant sept. — Cuyk (ter Haar).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy, J. v. Bemmelen).
De février jusqu’en avril, près des eaux courantes.
3. Taeniopteryx Loewii, Albarda.
Taeniopteryx praeterta, Brauer et Low, Neur. austr., p. 30 (1857) (nec
Burmeister). — Ausserer, Neur. Tirol., p. 143 (1869). — Rostock,
Neur. germ., p. 158 (1888).
252 CATALOGUE DES
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy, J. v. Bemmelen), Oosterbeek
(Backer).
En février et en mars, pas commune 1).
Genre LEUCTRA, Stephens, 1336.
Leuctra cylindrica, (de Geer), Pictet.
Nemoura cylindrica, Olivier, Enc. méth., VIII, p. 186, n° 4 (1811).
_ Pictet, Mém. Soc. phys., VII, p. 188, fig. 15 (1836).
N. (Leuctra) cylindrica, Pictet, Perlides, p. 366, pl. xuvir, fig. 1—5
(1841).
Leuctra cylindrica, Brauer et Low, Neur. austr., p. 31 (1851). —
Ausserer, Neur. Tirol., p. 144 (1869). — Meyer-Dür, Neur. d.
Schweiz, p. 300 (1874). — Rostock, Neur. germ., p. 158 (1888).
Observée en Prusse rhénane (Bertkau).
1. Leuctra fusciventris, Stephens.
? Perla cylindrica, de Geer, Mém., VII, p. 599, pl. xııv, fig. 17—19
(1788).
Leuctra fusciventris, Stephens, Ill, p. 145, n°. 2 (1836).
L. abdominalis, idem, |. 1., n°. 3 (9).
Nemoura cylindrica, Pictet, Ann. sc. nat., XXVI, p. 385, pl. xv,
fig. 2 et 3 (1832); Mém. Soc. phys., VIL, p. 188, fig. 15 (1836). —
Zetterstedt, Ins. Lapp., p. 1057, n°. 5 (1840).
N. (Leuctra) fusciventris, Pictet, p. 370, pl. xLvIII (1841).
Limbourg. — Maestricht (Maurissen).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda).
En aoùt et en novembre, assez rare.
2 Leuctra geniculata, Stephens.
Leuctra geniculata, Stephens, Il, p. 145, n°. 1, pl. xxxI, fig. 4 (nec
fig. 3) (1836). — Rostock, Neur. germ., p. 158 (1888).
Nemura Fonscolombii, Rambur, Névropt., p. 462, n°. 7 (1842).
1) Il y a encore une troisième espèce, la 7. neglecta Albarda = Nemoura (T.)
praetextata, Pictet et Meyer-Dür. Je donnerai prochainement les descriptions de
ces especes dans les Annales de la Soc. ent. Belge.
NEVROPTERES. 253
Brabant sept. — Ginneken (H. A.).
En août, septembre et octobre abondante près de la rivière Le Mark.
Genre NEMOURA, Latreille, 1796.
1. Nemoura variegata, Olivier.
[De Geer, Mém., Tom. II, 2e part., p. 730, pl. xxur,
fig. 16 et 17 et pl. xxrv, fig. 1 et 2, 1771).
? Perla nebulosa (Geoffroy), Fourcroy, Ent. Par. II, p. 349, n°. 3 (1785).
Nemoura variegata, Olivier, Enc. méth., VIII, p. 186, n°. 3 (1811), —
Pictet, Ann. sc. nat., XXVI, p. 377 (1832); Mém. Soc. phys.,
VII, p. 179, fig. 2 (1836); Perlides, p. 386, pl. L (1841). —
Zetterstedt, Ins. Lapp., p. 1056, n°. 3 (1840). — Meyer-Dür,
Neur. d. Schweiz, p. 301 (1874). —- Mac Lachlan, Fetschenko’s
Reise in Turkestan, p. 55, n°. 1 (1875). — Girard, Traité
d’entom. Il, p. 324 (1876).
N. macrophtalma, Pictet, Mém. Soc. phys., VII, p. 185, fig. 11
(1836).
N. nebulosa, Stephens, Ill., p. 140, n°, 1 (1836) (nec L.).
N, fuliginosa, pallida, cruciata et affinis, idem’, p. 141, n°. 2—5.
N. pusilla, annulata et luteicornis, idem, p. 142, n°. 6, 7 et 9,
Semblis pallipes, Burmeister, Handb. II, p. 875, n°. 3 (1839).
Nemura lunata, Rambur, Névropt., p. 461, n°. 4 (1842).
N. variegata, Brauer et Löw, Neur. austr,, p.31 (1857). — Ausserer,
Neur. Tirol., p. 145 (1869). — Rostock, Neur. germ., p. 158
(1888),
Limbourg. — Maestricht, Bunde, Limmel (Maurissen), Venloo (v.
d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Ulvenhout, Prinsenhage
(H. A.), Breda (Piaget).
Hollande mér. — Rotterdam (Piaget), Leide (Ritsema), La Haye
(ved. Wulp).
Hollande sept. — Vogelenzang (Weyenbergh), Harlem (Ritsema),
Zandpoort (Piaget), Arenderhout (Ritsema), Velsen (Jaspers),
Utrecht. — Driebergen (Six).
Gueldre. — Arnhem, Nijkerk (v. Med. de Rooy), Velp (v.d. Wulp),
Beekhuizen (Ritsema), Wageningen (Ritzema Bos).
254 CATALOGUE DES
Frise. — Driesum, Oudwoude (H. A.).
En deux générations, d’avril jusqu’en septembre, pres des eaux
dormantes.
2. Nemoura lateralis, Pictet.
Nemoura nitida, Pictet, Mém. Soc. phys., VII p. 179, n°. 5, fig. 3
(1836); Perlides, p. 392, pl. LI, fig. 4—8 (1841). — Meyer-Dür,
Neur. d. Schweiz, p. 302 (1874).
Nemura nitida, Brauer et Löw, Neur. austr., p. 31 (1857). — Ausserer,
Neur. Tirol., p. 145 (1869).
N. lateralis, Pictet, Mém. Soc. phys., VII p. 180, n°. 6, fig. 4(1836);
Perlides, p. 395, pl. LII, fig. 1—3 (1841). — Meyer-Dür, Neur.
d. Schweiz, p. 303 (1874).
Nemoura nebulosa, Zetterstedt, Ins. Lapp. p. 1056, n°. 1 (1840).
Nemura lateralis, Brauer et Low, l. c. — Ausserer, l. c.
N. lateralis 3, nitida 9, Gerstäcker, Zeitschr. f. wissensch. Zoologie,
Bd. XXIV, p. 218 (1873). — Brauer, Die Neur. Europa's, p. 8
et 33 (1876). — Rostock, Neur. germ., p. 159 (1888).
Limbourg. — Maestricht (Maurissen).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Beek (v. Vollenhoven).
En avril, en mai et d’aoüt à octobre, près des eaux courantes.
Nemoura marginata, Pictet.
Nemoura marginata, Pictet, Mém. Soc. phys., VIL p. 181, n°. 7 fig. 5
(1836); Perlides, p. 307, pl. rr, fig. 4—6 (1841). — Meyer-
Dir, Neur. d. Schweiz, p. 303 (1874).
Nemura marginata, Brauer et Löw, Neur. austr., p. 31 (1851). —
Ausserer, Neur. Tirol., p. 146 (1869). — Rostock, Neur, germ.,
p. 159 (1888).
En Westphalie (Kolbe).
Nemoura humeralis, Pictet.
Nemoura humeralis, Pictet, Mém. Soc. phys., VII p.184, n°. 11, fig. 9
(1836); Perlides, p. 399, pl. ir, fig. 1—9 (1841). — Meyer-
Dür, Neur. d. Schweiz, p. 303 (1874).
NEVROPTERES. . 255
Nemura humeralis, Brauer et Löw, Neur. austr., p. 31 (1857). —
Ausserer, Neur. Tirol., p. 145 (1869). — Rostock, Neur. germ.,
p. 159 (1888).
Observée en Belgique, en juin, en août et en octobre (de Selys).
3. Nemoura cinerea, Olivier.
Nemoura cinerea, Olivier, Enc. méth., VIII, p. 186, n°. 2 (1811). —
Pictet, Ann. sc. nat., XXVI, p. 372, n°. 1, pl. xıv (1832);
Mém. Soc. phys., VII p. 178, n°. 3, fig. 1 (1836); Perlides,
p. 401, pl. riti, fig. 1—10 (1841). — Zetterstedt, Ins. Lapp.,
p. 1057, n°. 4 (1840). — Meyer-Diir, Neur. d. Schweiz, p. 303
(1874).
N. pallicornis, Stephens, Ill, p. 143, n°. 10 (1836).
N. picea et brevicollis, Pictet, Mém. Soc. phys., VII p. 186, n°. 14,
fig. 12 et p. 187, fig. 13 (1836).
Semblis cinerea, Burmeister, Handb. II, p. 876, n°. 7 (1839).
Nemura Genei, Rambur, Névropt., p. 461, n°. 5 (1842).
N. cinerea, Brauer et Löw, Neur. austr., p. 31 (1857). — Ausserer,
Neur. Tirol., p. 145 (1861). — Girard, Traité d’entom., II, p. 324
(1876). — Rostock, Neur. germ., p. 159 (1888).
Limbourg. — Bunde (Maurissen).
Brabant sept. — Ginneken (Ritsema).
En mai et en juin, probablement aussi d’aoùt jusqu’en octobre.
Nemoura inconspicua, Pictet.
Nemoura inconspicua, Pictet, Mém. Soc. phys., VII p. 185, n°. 12,
fig. 10 (1836); Perlides p. 404, pl. zııı, fig. 10—13 (1841). —
Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 304 (1874).
N. pallipes, Stephens, Ill., p. 142, n°. 8 (1836).
En Belgique. Un exemplaire è Halloy en septembre (de Selys).
256 CATALOGUE DES
Tribu III. AGNATHES, Cuvier.
Famille unique. EPHEMERIDES, Leach, 1815.
Sous-Famille I. PALINGENIINES.
Genre. PALINGENIA, Burmeister, 1839.
1. Palingenia longicauda, Olivier, 1791.
Rev. Mon., p. 24, pl. I. !).
Brabant sept. — Moerdijk (Schepman).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen, Snellen, Piaget).
Gueldre. — Arnhem (Piepers), Oosterbeek (Backer).
En nombres immenses en juin. Selon les années du 10 au 23.
Genre OLIGONEURIA, Pictet, 1845.
1. Oligoneuria rhenana, Pictet, 1843/45.
Rev. Mon., p. 31, pl. III, XXVI.
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
Très rare; à la fin de juillet.
Genre POLYMITARCYS, Eaton, 1868.
1. Polymitarcys virgo, Olivier, 1791.
Rev. Mon., p. 45, pl. VI, XXVIII.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts).
Hollande mér. — Rotterdam (v. Walcheren).
Gueldre. — Arnhem (Brants), Huissen (v. Med. de Rooy).
De la mi-juillet jusqu’en août.
1) A. E. Eaton. A Revisional Monograph of recent Ephemeridae (Transactions
of the Linnean Society of London, 24, Ser., Vol. III. London, 1883—1888, 4°.),
NEVROPTERES. 257
Genre EPHEMERA, L., 1746.
1. Ephemera vulgata, L., 1758.
Rev. Mon., p. 59, pl. VIII, xxx.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d, Brandt), Ottersum
(v. d, Wulp).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (W. Albarda), Prinsen-
hage (H. A.).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Renkum (Heeringa), Ooster-
beek (Backer), Brummen (v. Vollenhoven), Apeldoorn (de Graaf,
v. d. Wulp).
En mai et en juin, Commune près des rivières.
2. Ephemera danica, Müller, 1764 = vulgata, Pictet.
Rev. Mon., p. 61, pl. vir.
Limbourg. -- Maestricht, Meerssen, St. Pierre (Maurissen).
Gueldre.
En juillet et en aoùt.
Arnhem (v. Med. v. Rooy), Renkum (v. Vollenhoven).
3. Ephemera lineata, Eaton, 1870 (= danica, Pictet).
Rev. Mon., p. 60.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt), Fauquemont (Piaget).
Gueldre. — Arnhem (Brants, v. Med, de Rooy).
En juin et en juillet.
4, Ephemera glaucops, Pictet, 1845/45.
Rev. Mon., p. 64, pl. VIII.
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
Très rare et accidentellement, è la fin de juillet.
Sous-Famille IL. POTAMANTHINES.
Genre POTAMANTHUS, Pictet, 1843.
1. Potamanthus luteus, L., 1767.
Rev... Mons: pi..79, pl IX, EXEL
Limbourg. — Maestricht, Bunde, Limmel (Maurissen), Venloo
(v. d. Brandt).
17
258 CATALOGUE DES
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen).
En juillet.
Genre LEPTOPHLEBIA, Westwood, 1840.
1. Leptophlebia marginata, L., 1767,
Rev. Mon., p.293; pl. xi.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (H. A.), Ulvenhout
(Piaget).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. d. Rooy), Brummen (vy, Vollenhoven),
Hatert (ter Haar).
Groningue (de Gavere).
Groningue.
De mai a juillet.
2. Leptophlebia submarginata, Stephens, 1835.
Rev. Mon., p. 94, pl. xxxII.
Limbourg. — Maestricht, Oud Vroenhoven (Maurissen), Venloo (v.
d. Brandt), Ottersum (ter Haar).
Brabant sept, — Breda (Heylaerts), Ginneken (H. A.). °
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen).
Gueldre. — Wolfhezen (Backer), Arnhem (v. Med. de Rooy).
De mai a août.
3. Leptophlebia Meyeri, Eaton, 1884,
Rev. Mon., p. 95, pl. xr.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant se pt. — Breda (Heylaerts), Ginneken {Ritsema).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen).
Gueldre. — Arnhem, Wolfhezen (v. Med. de Rooy).
De mai à la mi-juillet.
Genre CHOROTERPES, Eaton, 1881,
1. Choroterpes Picteti, Eaton, 1871.
Rev. Mon., p. 105, pl. xIr, XxxIv.
Limbourg. — Meerssen, St. Pierre (Maurissen).
NEVROPTERES. 259
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
En juillet et en aoüt.
Genre HABROPHLEBIA, Eaton, 1881.
Habrophlebia lauta, Eaton, 1884.
Rev. Mon., p. 120.
En Belgique, à Bouillon, en juillet (Me Lachlan),
Genre EPHEMERELLA, Walsh, 1862.
1. Ephemerella ignita, Poda, 1761,
Rev. Mon., p. 126, pl. XIV, XXXVII.
Limbourg. —- Maestricht, Meerssen (Maurissen), Fauquemont (Piaget),
En juillet et en août,
Genre CAENIS, Stephens, 1835,
1. Caenis dimidiata, Stephens, 1835.
Rev. Mon., p. 142, pl. xv.
Limbourg. — Maestricht, Limmel (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ulvenhout (Ritsema).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Leide (v. Vollenhoven),
Warmond (Ritsema).
Gueldre. — Arnhem, Huissen, Apeldoorn (vy. Med. de Rooy), Worth-
Rheden (v. Vollenhoven).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Huizum, Rijperkerk (H. A.), Akkrum,
Sneek (Burger).
Très commune, de juin à août, près des eaux courantes et dormantes.
Souvent en nombres immenses l’après-midi et le soir.
2. Caenis halterata, Fab., 1776.
Rev, Mon., p. 144, pl. XV, XLII,
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt), Limmel (Maurissen).
Hollande mét. — La Haye (ve d. Wulp).
Gueldre, — Arnhem (v. Med, de Rooy), Oosterbeek (Ritsema),
De juin jusqu’en septembre,
260 CATALOGUE DES
3. Caenis robusta, Eaton, 1884.
Rev. Mon., p. 145.
Hollande mér. — Gouda (Eaton).
En juillet.
Genre PROSOPISTOMA, Latreille, 1833.
Prosopistoma foliaceum, Fourcroy, 1785.
Rey. Mansep. 150, pl. xv, zu.
Observé dans la Prusse rhénane (Eaton).
Genre BAETIS, Leach, 1815.
1. Baétis binoculatus, L., 1758.
Rev. Mon., p. 158, pl. xvi.
Limbourg. — Maestricht, Oud Vroenhoven (Maurissen), Venloo
(v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout (H. A).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
De mai jusqu’en octobre.
2. Baëtis scambus, Eaton, 1870.
Rev. Mon., p. 160, pl. ıxıv.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt), Fauquemont, Geulem (Piaget).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
De juin è septembre.
3. Baétis vernus, Curtis, 1834. = B.phaeops, Eaton, 1870.
Rev. Mon., p. 161, pl. xvi.
Limbourg. — Maestricht, Oud Vroenhoven (Maurissen), Venloo
(v. d. Brandt).
En avril et en octobre.
4. Baétis Rhodani, Pictet, 1843/45.
Rev. Mon., p. 161, pl. xvI, LXIV.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen).
En avril et en juin. Assez rare.
NEVROPTERES. 261
5. Baëtis pumilus, Burmeister, 1839.
Rev. Mon., p. 166, pl. xvI, XLIV.
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
En aoüt.
6. Baétis niger, L., 1761.
Rev. Mon., p. 167, pl. xvI.
Limbourg. — Meerssen (Maurissen).
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout (H. A.).
De juin jusqu’à la fin d’aoüt.
Genre CENTROPTILUM, Eaton, 1869.
l. Centroptilum luteolum, Müller, 1776.
Rev. Mon., p. 175, pl. XVII, XLVI.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout, Prinsenhage (H. A).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
De juin à septembre. Commun.
2. Centroptilum pennulatum, Eaton, 1870.
Rev. Mon., p. 176, pl. xvı.
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
En juin et en juillet. Rare.
3. Centroptilum tenellum, Albarda, 1878.
Kev. Mons, ‘ps 118, pl. EVE
Gueldre. —- Arnhem (v. Med. de Rooy, Eaton).
A la fin de juillet et en septembre.
Genre CLOEON, Leach, 1815.
1, Cloéon dipterum, L., 1761.
Rev. Mon., p. 182, pl. xvII, XVIII.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt), Ottersum
(v. d. Wulp).
262 CATALOGUE DES
Brabant sept. Breda (Heylaerts), Ginneken, Ulvenhout, Chaam ,
Prinsenhage, Zundert (H. A).
Zélande. — Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — La Haye (v. d. Wulp), Schéveningue (Piaget),
Rotterdam (Snellen) , Rhoon (Schepman), Leide, Warmond (Ritsema),
Wassenaar , Noordwijk (de Graaf).
Hollande sept. — Overveen, Terschelling (Ritsema), Velsen (Jaspers).
Utrecht. — Huis ter Heide (Piaget).
Gueldre. — Arnhem, Velp (v. Med. de Rooy), Oosterbeek (Backer).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Oldeberkoop, Driesum, Zwaagwest-
einde, Veenklooster (H. A.).
Groningue. — Haren (de Gavere).
Très commun, même dans les jardins, de juin jusqu’en septembre.
2. Cloéon simile, Eaton, 1870.
Rev. Mon., p. 136, pl. XVII, XLVII.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Gueldre. — Nimègue (ter Haar).
Frise. — Tietjerk, Hardegarijp, Suawoude (H. A).
Commun dans les prairies humides, en juillet, en septembre et en
octobre.
3. Cloéon rufulum, Müller, 1776.
Rev. Mon., pe 188, pl. xVII, XLVII.
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (H. A).
Hollande mér. — Gouda (Eaton), Rotterdam (Fransen).
Abondant en juin et en juillet.
Sous-Famille II. SIPHLURINES.
Genre CHIROTONETES, Eaton, 1881.
1. Chirotonetes ignotus, Walker, 1853.
Rev. Mon., p. 205, pl. xIx.
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Oosterbeek (Backer).
De mai jusqu’en septembre,
NEVROPTERES. 263
Genre SIPHLURUS, Eaton, 1868.
Aucune des espéces Européennes décrites (S. flavidus, E. Pictet,
lacustris, Eaton, armatus, Eaton) n’a été observée jusqu'ici dans les
Pays-Bas; mais une espèce non décrite, peut-être la même dont Roesel
a donné nne figure (Mon. Insekten-Bel., Th. II, Taf. xIII, fig. 4—6),
a été prise à Maestricht par M. Maurissen, à Zaandam par M. J. M.
Smit et à Arnhem par M. van Medenbach de Rooy.
Genre AMETROPUS, Albarda, 1878.
1. Ametropus fragilis, Albarda, 1878.
Rev. Mon., p. 231, pl. xxıı.
Hollande mér. — Rotterdam (v. Walcheren, Fransen).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Oosterbeek (Backer).
En juin et en juillet.
Genre EPEORUS, Eaton, 1881.
Epeorus assimilis, Eaton, 1885.
Rev. Mon., p. 239.
Observé en Belgique (Eaton).
Genre RHITHROGENA, Eaton, 1881.
1. Rhithrogena semicolorata, Curtis, 1834. = semi-
tincta, Pictet.
Rev. Mon., p. 256, pl. xxIII, XXIV, XLIV.
Limbourg. — Maestricht, Limmel, Bunde (Maurissen).
En juin et en août.
var. I. semicolorata, Pictet, (nec Curtis).
Limbourg. — Bunde (Maurissen).
2. Rhithrogena aurantiaca, Burmeister, 1839.
Rev. Mon., p. 259, pl. XLIV, LXv.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen).
Gueldre. -— Arnhem (v. Med, de Rooy).
En juin et en septembre.
264 CATALOGUE DES
Genre HEPTAGENIA, Walsh, 1863.
l. Heptagenia sulphurea, Müller, 1776. = Baëtis elegans,
Curtis.
Rev. Mon., p. 268, pl. xxIv.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen , de Graaf), La Haye (Everts).
Utrecht. — de Bilt (de Graaf),
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Oosterbeek, Velp (de Graaf),
Zutphen (H. A.), Renkum (Burger), Hatert (ter Haar).
De juin à septembre.
2. Heptagenia caerulans, Rostock, 1877.
Rev. Mon., p. 210 = H. gallica, Eaton, ibid.,
p. 272, pl. xxIII, XXIV, LX (vide p. 325).
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Gueldre. -- Arnhem (v. Med. de Rooy, Eaton).
De juillet jusqu’en septembre.
3. Heptagenia flava, Rostock, 1877.
Rev. Mon., p. 270.
Hollande mér. — Rotterdam (de Graaf).
Gueldre, — Arnhem (v. Med. de Rooy, Eaton), Oosterbeek (Ritsema),
Renkum (Burger), Nimègue (ter Haar).
De juin à septembre.
4. Heptagenia flavipennis, Dufour, 1841.
Rev. Mon., p. 273.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen).
En mai. Rare.
Genre ECDYURUS, Eaton, 1868.
l. Ecdyurus venosus, Fab., 1775.
Rey: Mon... py 283, pl. xx, xxIv, LI.
Limbourg. — St. Pierre (Maurissen).
Gueldre. — Wolfhezen (Backer).
En mai et en juillet. Peu commun.
OT
NEVROPTERES. 26
2. Eedyurus insignis, Eaton, 1870.
Rev. Mon., p. 288, pl. xxIv.
Limbourg. — Maestricht, St. Pierre, Oud Vroenhoven (Maurissen),
Venloo (v. d. Brandt).
En mai, en juin et en août.
3. Eedyurus fluminum, Pictet, 1843/45.
Rev. Mon., p. 289, pl. LXII.
Limbourg. — Venloo, Fauquemont (vy. d. Brandt), Maestricht, St.
Pierre, Limmel, Meerssen (Maurissen).
Hollande mér. — (v. Walcheren).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
De mai à juillet et en octobre.
4. Eedyurus volitans, Eaton, 1870.
Rev. Mon., p. 291.
Brabant sept. — Ginneken (Piaget, H. A.).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
En mai et en juin.
5. Eedyurus affinis, Eaton, 1887.
Rev. Mon., p. 298, pl. xxiv.
Limbourg. — Maestricht, Canne (Maurissen), Venloo (v.d. Brandt).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy, Eaton), Renkum (Burger),
Oosterbeek (Backer).
En mai et en juillet.
Ecdyurus lateralis, Curtis, 1834.
Rev. Mon., p. 294.
En Belgique, en juillet. Rare (Mc Lachlan).
266 CATALOGUE DES
Tribu IV. ODONATES, Fab., 1793.
Division I ANISOPTERES, Selys, 1854.
Famille I LIBELLULIDES, Selys, 1840.
Sous-Famille I LIBELLULINES, Selys, 1837.
Genre LEUCORRHINIA, Brittinger, 1850.
l. Leucorrhinia pectoralis, Charpentier, 1825.
Bev.,.p:,06, pl. 13 fig. 32),
Limbourg. — Mook (Ritsema).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (H. A).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen).
Gueldre. — Nijkerk (v. Med. de Rooy), Wageningen (Ritzema Bos).
Da mai à juillet, sur les marais, Peu commune et locale.
2. Leucorrhinia dubia, v. d. Linden, 1825.
Rev. p. 60, pix, fig. 1.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo , Sevenum (v. d. Brandt),
Mook (Ritsema).
Brabant sept. — Breda (Maurissen, Everts), Galderen, Ginneken
(HAI
Utrecht. — Driebergen (v. Bemmelen).
Gueldre. — Brummen (v. Walcheren), Wageningen (Ritzema Jos).
Commune, de la fin de mai jusqu’a la fin de juillet, sur les marais
et les bruyéres marécageuses.
3. Leucorrhinia rubicunda, L., 1761.
Revs: Ps 00; pl. 15 fig. 42.
Limbourg. — Haeren (Maurissen), Mook (ter Haar), Venloo (v. d.
Brandt).
1) Revue des Odonates ou Libellules d'Europe, par Edm. de Selys-Longchamps,
avec collaboration du docteur H. A. Hagen. Bruxelles, Leipzig et Paris, 1850 , 8°.
NEVROPTERES. 267
Brabant sept. — Ginneken, Galderen (H. A.).
Utrecht. — Driebergen (Six).
Gueldre, — Brummen (v. Walcheren), Groesbeek (v. Med. de Rooy).
Overijssel, — Steenwijk (Jaspers).
Très locale et assez rare, de mai à juillet,
4, Leucorrhinia caudalis, Charpentier, 1846,
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Trés rare, en juin, sur les étangs,
Genre DIPLAX, Charpentier, 1840,
1. Diplax vulgata, L. 1768.
Rev., p. 46.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Ulvenhout, Chaam,
Zundert (H. A.), Breda (Heylaerts), Oorschot (Ritsema , Maurissen).
Zélande. — Middelbourg (de Man).
Hollande mér. — La Haye (v. d. Wulp), Wassenaar, Noordwijk
(de Graaf), Rotterdam (Fransen).
Hollande sept. — Velsen (Jaspers).
Utrecht. — Huis ter Heide (Piaget), Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem, Nijkerk (v. Med. de Rooy), Wolfhezen (Backer),
Wageningen (Ritzema Bos).
Drenthe, — Roswinkel (H. A).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Suawoude, Driesum , Kollum , Beetgum,
Harlingen (H. A.).
Groningue, — Groningue (de Gavere), Ter-Apel (H. A.).
Commune, de la fin de juillet jusqu’en octobre.
2. Diplax striolata, Charpentier, 1840.
Rev., p. 40, 483.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Prinsenhage, Chaam,
Zundert, Galderen (H. A.).
Zélande, — Dombourg (ter Haar),
268 CATALOGUE DES
Hollande mér. — Rotterdam (Piaget), La Haye (Everts), Schéveningue
(Fransen), Voorhout, Noordwijk (de Graaf), Wassenaar (v. d. Wulp),
Katwijk (Ritsema).
Hollande sept. — Zandvoort, Velsen (Jaspers) , Valkenveen (de Selys).
Utrecht. — Driebergen, Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Oosterbeek (Backer), Apeldoorn (v. Med. de Rooy),
Wageningen (Heeringa).
Drenthe. — Zuidlaren, Onnen (de Gavere).
Frise. — Leeuwarden, Tietjerk, Suawoude, Kuikhorne, Veenklooster,
Oudwoude, Driesum, Harlingen (H. A.).
Groningue. — Groningue (de Gavere), Ter-Apel (H. A).
Très commune, de juillet jusqu’en novembre.
Diplax meridionalis, Selys, 1841.
Rev., p. 39, 383.
Observée en Belgique, dans les provinces de Liége, de Limbourg et
d'Anvers, en août et en septembre (de Selys).
Diplax Fonscolombii, Selys, 1840.
Rev., p. 37, 383:
En Belgique, de la mi-juillet jusqu’à la mi-août. Locale, mais très
répandue (de Selys). En Westphalie, prés de Miinster (Kolbe). En
Prusse rhénane (Bertkau).
Cette espèce a été énumerée par M. le docteur Herklots parmi les
Odonates indigènes. L’examen du spécimen de la collection de MM.
de Graaf, auquel il avait donné ce nom, m’a appris que c’était une
femelle nouvellement éclose de la D. vulgata, L.
Pourtant Fonscolombüi se trouvera très probablement dans nos provinces
méridionales.
3. Diplax flaveola, L., 1768.
Rev., p. 33, 383.
Limbourg. — Maestricht, Ruremonde (Maurissen), Venloo (v. d.
Brandt).
Brabant sept. — Ginneken, Bergen op Zoom (W. Albarda), Prinsen-
hage, Zundert, Chaam, Teteringen (H. A.).
NÉVROPTÈRES. 269
Zélande. — Zierikzee (Fokker). |
Hollande mér. — Rotterdam, Kralingen (Fransen), La Haye (v.d.
Wulp), Wassenaar, Noordwijk (de Graaf).
Hollande sept. — Overveen (Ritsema).
Utrecht. — Huis ter Heide (Piaget), Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Huissen, Wolfhezen (v. Med. de Rooy).
Frise. — Leeuwarden, Tietjerk, Driesum, Harlingen (H. A.).
Commune. De juin à octobre.
4. Diplax sanguinea, Müller, 1764,
Heys, p. od.
Limbourg. — Nuth (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Ulvenhout, Prinsenhage ,
Zundert, Chaam (H. A.).
Zélande. — Middelbourg (de Man).
Hollande mér. — Rotterdam, Kralingen (Fransen), La Haye (v. d.
Wulp), Wassenaar (de Graaf).
Hollande sept. — Overveen (Piaget), Velsen (Jaspers).
Utrecht. — Maarsbergen (Piaget).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Heteren, Huissen (Backer),
Wageningen (Heeringa).
Overijssel. — Zwolle (de Man).
Frise. — Leeuwarden, Oldeberkoop, Oranjewoud, Beetsterzwaag,
Tietjerk, Suawoude, Driesum (H. A).
Groningue. — Ter-Apel (H. A).
Très commune dans les marais, de juillet à septembre.
5. Diplax depressiuscula, Selys, 1841,
Rev., p. 30, 383.
Limbourg. — Reuven (Maurissen).
Brabant sept. — Oisterwijk (v. Vollenhoven).
Très rare. En juillet et en août, sur les étangs.
Diplax pedemontana, Allioni, 1766.
Rev., p. 28.
En Belgique. En septembre, très rare et locale,
270 CATALOGUE DES
6. Diplax seotiea, Donovan, 1811.
Rev., p. 48.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout, Galderen, Prinsenhage,
Zundert (H. A).
Zélande, — Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — Rotterdam, Kralingen (Fransen), La Haye (v. d.
Wulp), Noordwijk, Wassenaar, Katwijk (de Graaf), Schéveningue
(Piaget).
Utrecht. — Utrecht (Six), Doorn (de Graaf), Driebergen, Loosdrecht
(Jaspers).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
Drenthe. — Roswinkel (H. A.).
Frise. — Leeuwarden, Tietjerk, Suawoude, Oldeberkoop, Har-
lingen (H. A).
Groningue. — Ter-Apel (H, A.).
Très commune. De juin jusqu’en septembre, dans les marais et les
tourbières.
Genre LIBELLULA, L., 1785.
Sous-genre 1. LIBELLA, Brauer, 1868.
1. Libellula cancellata, L., 1768.
Rev., p. 12, 381.
Zélande. — Middelbourg (de Man).
Hollande mér. — La Haye (v. d. Wulp, Everts), Schéveningue
(Piaget), Wassenaar, Leide (de Graaf), Rotterdam (Fransen).
Hollande sept. — Zijpe (Jaspers).
Utrecht. — Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Oosterbeek (Backer), Apeldoorn (Jaspers).
De mai à juillet, près des eaux, Peu commune,
2. Libellula brunnea, Fonscolombe, 1837.
Rev., p. 18.
Limbourg — Venloo (v. d, Brandt).
NEVROPTERES. Zeit
Trés rare. En juin.
3. Libellula caerulescens, Fab., 1798.
Rev., p. 22, 382.
Limbourg. — Reuven (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Zundert (H. A.).
Utrecht. — Nigtevecht (Jaspers).
En juillet, sur les bruyéres marécageuses. Locale et peu commune.
Sous-genre 2. PLATHEMIS, Hagen, 1861.
4, Libellula depressa, L., 1758.
Rev., p. 8.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Ulvenhout, Prinsenhage,
Zundert (H. A.).
Zélande. — Middelbourg (de Man).
Hollande mér, — Rotterdam (Fransen), Wassenaar, Noordwijk ,
Voorschoten (de Graaf).
Hollande sept, — Harlem (H. A.), Muiderberg (Piaget), Velsen
(Jaspers).
Utrecht. — Driebergen (Six).
Gueldre. Oosterbeek (Backer), Apeldoorn (Jaspers), Nijkerk (Y.
Med. de Rooy).
Overijssel. — Zwolle (v. Tuinen).
Frise. — Tietjerk, Suawoude, Driesum, Oldeberkoop, Kuikhorne (H. A.).
Très commune. De mai è la fin de juillet, dans les marais et les
prairies humides.
Sous-genre 8. LIBELLULA, s. str., Hagen, 1861.
5. Libellula fulva, Miiller, 1767.
Rev., p. 9, 385.
Brabant sept. — Ginneken, Prinsenhage, Zundert (H. 2%
Hollande mér. — Leide (v. d. Hoeven), Rotterdam (Fransen), Vianen
(Everts).
272 CATALOGUE DES
Gueldre. — Brummen (v. Vollenhoven).
Overijssel. — Steenwijk (Jaspers).
De mai à juillet. Locale.
6, Libellula quadrimaculata, L., 1758.
Rev. p. 7,
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken, Galderen (H. A.), Prinsenhage (W.
Albarda).
Zélande. — Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Wassenaar (de Graaf), La
Haye, Noordwijk (Piaget).
Hollande sept. — ’s Graveland, Muiderberg, Velsen (Jaspers).
Utrecht. -- Driebergen (Six), Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Wolfhezen, Gildenberg (Backer), Beek (Lewe)
Overijssel. — Steenwijk (Jaspers).
Frise. — Leeuwarden, Jelsum, Hardegarijp, Suawoude (H. A.).
var. a. de Selys, 1840.
Limbourg. — Mook (ter Haar).
Brabant sept. — Ginneken (H. A).
Hollande mér, — Rotterdam (Fransen), Wassenaar (de Graaf).
Frise, — Leeuwarden (H. A).
var. b. praenubila, Newman, 1833,
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout (H. A).
Hollande mér. — Rotterdam, Wassenaar (de Graaf).
Gueldre. — Groesbeek (v. Med. de Rooy).
Frise, — Leeuwarden, Hardegarijp, Jelsum (H. A.).
De mai jusqu’en août, commune dans les marais. Quelques fois des
nombres immenses en migration.
Genre CROCOTHEMIS, Brauer, 1868.
Crocothemis erythraea, Brullé, 1832.
Rev., p. 24, 382.
En Belgique. Accidentellement. En juin et en juillet (de Selys).
NEVROPTERES. 273
Sous-Famille IL CORDULINES.
Genre SOMATOCHLORA, Selys, 1874.
1. Somatochlora metallica, v. d. Linden, 1825.
Rev., p. 69.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda).
Utrecht. — Driebergen (Six).
Gueldre. — Arnhem (Piepers, J. v. Bemmelen, v. Med. de Rooy),
Oosterbeek (Backer).
En juin, dans les bois. Locale et peu commune.
Somatochlora arctica, Zetterstedt, 1840.
Rew pe IP PL IE, fig 1.
En Belgique. Observée près d’Arlon et de Spa. Rare (de Selys).
2. Somatochlora flavomaculata, v. d. Linden, 1825.
Rey., p. 73.
Limbourg. — Ruremonde (de Selys), Venloo (v. d. Brandt),
Gueldre. — Arnhem (Piepers).
De mai a juillet. Trés rare.
Genre EPITHECA, Charpentier, 1840.
1. Epitheca bimaculata, Charpentier, 1825.
Rev., p. 66.
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
Une femelle, le 8 juin.
Genre CORDULIA, Leach, 1815.
1. Cordulia aenea, L., 1758.
Rev., p. 75.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen, Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (Piaget), Ulvenhout, Prinsenhage (H. A.).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Wassenaar (v. Vollenhoven),
Noordwijk (de Graaf).
18
274 CATALOGUE DES
Hollande sept. — Weesp (Jaspers).
Gueldre. — Brummen (v. Walcheren), Hatert (v. Vollenhoven), Nijkerk
(v. Med. de Rooy), Wageningen (Heeringa).
Overijssel. — Zwolle (v. Tuinen), Steenwijk (Jaspers).
Frise. — Tietjerk, Suawoude (H. A.).
Commune de mai à août.
Famille IL. AESCHNIDES.
Sous-Famille I GOMPHINES.
Genre ONYCHOGOMPHUS, Selys, 1854,
1. Onychogomphus forcipatus, L., 1758.
Rev., p. 98.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen).
Genre OPHIOGOMPHUS, Selys, 1854.
1. Ophiogomphus serpentinus, Charpentier, 1825.
| Rev., p. 93. |
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
Genre GOMPHUS, Leach, 1815.
1. Gomphus vulgatissimus, L., 1767.
Rev., p. 82.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Utrecht. — Driebergen (Six).
Gueldre. — Arnhem (J. v. Bemmelen), Wolfhezen (v. Med. de Rooy),
Zutphen (v. Eyndhoven), Velp (Fransen).
En mai et en juin. Assez commun, dans les prairies marécageuses.
Gomphus simillimus, Selys, 1840.
Rev., p. 89.
. Un seul exemplaire fut pris, le 3 juillet, à Rouge-Cloître, près de
Bruxelles (de Selys).
:NEVROPTERES. 275
2. Gomphus flavipes, Charpentier, 1825.
Rev., p. 85.
Limbourg. — Mook (Fransen).
Gueldre. — Arnhem (Fransen), Brummen (v. Walcheren, v, Vollen-
hoven), Wolfhezen (Backer).
De la fin de juin jusqu’en août. Assez rare,
3. Gomphus pulchellus, Selys, 1840,
Rev., p. 91.
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Ulvenhout (Ritsema),
Galderen, Prinsenhage, Chaam (H. A.).
Hollande mér. — Woerden (de Graaf).
Utrecht. — Driebergen (Six), Amersfoort (Piepers).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Hatert (v. Vollenhoven).
Commun, en mai et en juin, sur les bruyères marécageuses.
Genre CORDULEGASTER, Leach, 1815,
Cordulegaster annulatus, Latreille, 1805.
Rev., p. 104, pl.-1r, fig. 7:
En Belgique, dans la Campine (de Selys). En Prusse rhénane (Bertkau)
et en Westphalie (Kolbe).
Cordulegaster bidentatus, Selys, 1843.
Rev.; p. 107, pl. zr, fig. 6.
En Belgique, dans les bois montagneux, près de Liége (de Selys),
Dans la Prusse rhénane (Bertkau).
Sous-Famille IL. AESCHNINES.
Genre ANAX, Leach, 1815.
1. Anax formosus, v. d. Linden, 1823.
Rey., p. 110.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Galderen, Ginneken (H. A.).
276 CATALOGUE DES
Utrecht. — Driebergen (Six).
Local. De juin à août, sur les rivières et les flaques d’eau.
Anax parthenope, Selys, 1840.
Rev., p. 111.
Observé une seule fois, le 22 août, à Ixelles en Belgique (de Selys).
Genre HEMIANAX, Selys, 1883.
Hemianax ephippigerus, Burmeister, 1839.
En Belgique. Un seul exemplaire fut pris, le 4 juin, dans les rues
de Bruxelles (de Selys).
Genre BRACHYTRON, Evans, 1845.
l. Brachytron pratense, Müller, 1764.
Rev., p. 113.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt), Mook (Ritsema).
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout (H. A.).
Zélande. — Middelbourg (de Man).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Leide (Périn), Wassenaar ,
3 Katwijk (de Graaf), Vianen (Everts).
Hollande sept. — Amsterdam, Velsen (Jaspers), Texel (Ritsema).
Utrecht. — Huis ter Heide (Piaget), Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem, Nijkerk (v. Med. de Rooy), Oosterbeek, Wolfhezen
(Backer), Nimègue (ter Haar), Wageningen (Heeringa).
Overijssel. — Zwolle (v. Tuinen), Steenwijk (Jaspers).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Kuikhorne, Veenklooster, Oudwoude,
Driesum (H. A.).
De mai jusqu’en juillet. Trés commun.
Genre AESCHNA, Fab., 1775.
1. Aeschna cyanea, Müller, 1764.
Rev., p. 115.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt), Maestricht (Maurissen).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Prinsenhage, Zundert ,
Ulvenhout, Chaam (H. A.).
NÉVROPTÈRES. 277
Zélande. — Middelbourg (de Man).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen).
Utrecht. — Baarn (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem (J. v. Bemmelen), Nijkerk, Apeldoorn (v. Med.
de Rooy), Brummen (v. Vollenhoven), Empe (v. d. Wulp), Wage-
ningen (Heeringa), Laag Soeren (de Graaf).
Overijssel. — Zwolle (v. Tuinen).
Frise. — Leeuwarden, Tietjerk, Suawoude, Kuikhorne, Driesum (H. A.).
De juillet è octobre. Très commune.
2. Aeschna juncea, L., 1758.
Bev., p. 116; pl ne, fig. 1.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt), Ruremonde (de Selys).
Utrecht. — Doorn (de Graaf).
Rare. En août.
3. Aeschna mixta, Latreille, 1805.
Rev., p. 122.
Brabant sept. — Ginneken (H. A.) , Oorschot (Ritsema), Cuyk (Everts).
Zélande. — Middelbourg (de Man), Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — Leide, Schéveningue (de Graaf), Rotterdam
(Fransen), Delft (Everts), Noordwijk (v. d. Wulp).
Hollande sept. — Velsen (Jaspers).
Utrecht. — Darthuizerberg , Doorn (de Graaf), Huis ter Heide (Piaget),
Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem, Apeldoorn (v. Med. de Rooy), Oosterbeek
(Backer), Wageningen (Heeringa), Berg en Dal (de Graaf).
Overijssel. — Steenwijk (Jaspers).
Drenthe. — Roswinkel (H. A).
Frise. — Leeuwarden, Tietjerk, Veenklooster (H. A.).
Groningue. — Ter-Apel (H. A.).
Très commune, de juillet jusqu’en septembre, même dans les villes.
Souvent en grand nombre au bord de la mer.
Aeschna affinis, v. d. Linden, 1820.
Rev., p. 124.
En Belgique. Très rare, en juillet et en août (de Selys),
278 CATALOGUE DES
4, Aeschna viridis, Eversman, 1836.
Rev., p. 127, 386, pl. mr, fig, 2.
Gueldre. — Arnhem (J. v. Bemmelen).
Frise. — Tietjerk, Suawoude, Kuikhorne, Bergum, Oostermeer
Driesum (H.A).
Pas rare, mais très locale, dans les marais. Vole encore longtemps
après le coucher du soleil.
5. Aeschna grandis, L. 1758.
Rev., p. 131.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), ‘Geulem (Piaget), Venloo (v. d.
Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Zundert, Galderen, Chaam,
Oisterwijk (H. A). j
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), La Haye (Piaget), Leide,
Wassenaar (de Graaf). |
Utrecht. — Zeist (de Graaf), Hwis ter Heide (Piaget), Abcoude,
Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Oosterbeek (Backer), Wage-
ningen (Heeringa).
Frise, — Leeuwarden, Tietjerk, Suawoude, Hardegarijp, Oudwoude,
Driesum (H. A).
Groningue. — Ter-Apel (H. A).
Très commune, de juin à septembre. Dans les marais et les bois
humides et sur les chemins.
6. Aeschna rufescens, v. d. Linden, 1825.
Rev., p. 129.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout (H. A.).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Leide (v. Vollenhoven),
Wassenaar (de Graaf).
Hollande sept. — Valkenveen (de Selys).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Heteren (Backer), Wageningen
(Heeringa).
Overijssel. — Steenwijk (Jaspers).
De la fin de mai jusqu’en août. Très locale.
NÉVROPTÈRES. 279
Division I. ZYGOPTERES, Selys, 1854.
Famille IL. AGRIONIDES.
Sous-Famille I. CALOPTERYGINES.
Genre CALOPTERYX, Leach, 1815.
1. Calopteryx splendens, Harris, 1776.
Rev., p. 138.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Beek (W. Albarda), Venloo
(v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (W. Albarda), Ulven-
hout (Piaget), Bergen op Zoom (Jaspers), Zundert, Prinsenhage
CHE).
Hollande mér. — Rotterdam (v. Vollenhoven).
Utrecht. — Driebergen (v. Bemmelen).
Gueldre. — Arnhem, Velp, Nijkerk (v. Med. de Rooy), Ooster-
beek (Backer), Renkum, Wolfhezen (Burger), Voorst (v. d.
Wulp), Beek (Lewe), Udelermeer (Henri de Graaf), Apeldoorn
(Jaspers). .
Overijssel. — Spoolde, près de Zwolle (H. A.).
Drenthe. — Assen (ter Haar).
Frise. — Zandhuizen, Oldeberkoop (H. A.).
Commune de juin à septembre, près des eaux courantes.
2. Calopteryx virgo, L., 1758.
Rev., p. 134,
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Beek (W. Albarda), Venloo
(v. d. Brandt).
Brabant sept. — Galderen (Heylaerts), Ginneken, Chaam, Ulvenhout,
Prinsenhage, Zundert (H. A.), Houtum (Maurissen).
Gueldre. — Brummen (v. Vollenhoven), Wolfhezen (Backer), Renkum
(Burger), Winterswijk (Everts), Wageningen (Heeringa), Hattem
(v. Tuinen).
Commune de mai à août, sur les eaux courantes, surtout sur la
lisière de bois, sur les ruisseaux demi-ombragés,
. 280 CATALOGUE DES
Sons-Famille II. AGRIONINES.
Genre LESTES, Leach, 1815.
1. Lestes viridis, v. d. Linden, 1825.
Rev., p. 148, pl. rv, fig. 1.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Prinsenhage, Ulvenhout
(ESA:
Zélande. — Middelbourg (de Man), Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), La Haye (v. d. Wulp, Everts),
Leide, Noordwijk (v. Vollenhoven), Wassenaar (de Graaf).
Hollande sept. — Harlem (Ritsema).
Utrecht. — Driebergen (Six).
Gueldre. — Arnhem, Apeldoorn (v. Med. de Rooy), Brummen (v.
Bemmelen).
Overijssel. — Zwolle (de Man).
Frise. — Oldeberkoop, Makkinga (H. A.).
Groningue. — Groningue (de Gavere).
Très commune, de juillet à octobre.
2. Lestes nympha, Selys, 1840.
Bev.,.p: 1650, pl. ‘aw ig. 5.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen).
Brabant sept. — Ginneken (v. d. Wulp, Ritsema), Ulvenhout, Chaam,
Prinsenhage (H. A.), Oorschot (Maurissen).
Hollande mér. -- Wassenaar (de Graaf).
Utrecht. — Driebergen (v. Bemmelen, Six), Doorn (de Graaf), de
Bilt (Piaget).
Gueldre. — Arnhem (Piepers), Groesbeek (v. Med. de Rooy).
De mai à octobre, dans les marais et dans les bois de jeunes pins.
Un peu locale.
3. Lestes sponsa, Hansemann, 1823,
Rev., p. 154, pl. rv, fig. 4.
Limbourg. — Maestricht, Fauquemont (Maurissen), Venloo (v. d.
Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Galderen, Rijsbergen,
NEVROPTERES. 281
Zundert, Chaam, Oosterhout (H. A.), Prinsenhage (Ritsema), Oor-
schot (Maurissen).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen, Piaget), Hoek van Holland
(v. Bemmelen), Leide (Herklots), La Haye (Everts), Noordwijk
(v. Vollenhoven), Wassenaar (de Graaf).
Hollande sept. — Velsen (Jaspers).
Utrecht. — Driebergen (Six), Doorn, Darthuizerberg (de Graaf),
Maarsbergen (Piaget), Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem, Apeldoorn (v. Med. de Rooy), Velp, Udelermeer (v.
Vollenhoven) , Oosterbeek, Heteren (Backer), Wageningen (Heeringa).
Drenthe. — Diever (de Graaf).
Frise. — Oldeberkoop, Suawoude, Driesum (H. A.), Heerenveen (Jaspers).
Groningue. — Middelhorst (de Gavere).
La plus commune de ce genre, dans les lieux humides et dans les
bois. De juin à septembre.
4, Lestes virens, Charpentier, 1825.
Rev., p. 156, pl. rv, fig. 2.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken, Galderen (H. A.), Oorschot (Maurissen).
Hollande mér. — Rotterdam (Piaget), La Haye (Everts), Warmond
(v. Bemmelen), Noordwijk (de Graaf).
Utrecht. — Driebergen (Jaspers), Darthuizerberg (de Graaf).
Gueldre. — Oosterbeek (v. Bemmelen), Kemperberg (Backer), Empe
(v. d. Wulp), Apeldoorn (Henri de Graaf).
De juin jusqu’en octobre, sur les bruyéres marécageuses et dans les
bois de pins. Locale,
5. Lestes barbara, Fab., 1798.
Rev., p. 159, pl. rv, fig. 6.
Brabant sept. — Ginneken (H. A.).
Zélande. — Middelbourg (de Man), Dombourg (ter Haar).
Hollande mér. — Noordwijk (de Graaf), Katwijk (Ritsema), Leide
(Périn), La Haye (v. d. Wulp).
Gueldre. Empe (v. d. Wulp), Wolfhezen (de Graaf).
Très locale. En juillet et en août, dans les dunes et dans les bois
humides.
282 CATALOGUE DES
Genre SYMPYCNA, Charpentier, 1840.
l. Sympycna fusca, v. d. Linden. 1823.
Rev., p. 161, pl av, he. 5.
Limbourg. — Maestricht, Bunde (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt),
Ottersum (de Graaf).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Ulvenhout (H. A.).
Hollande mér. — La Haye, Schéveningue (v. d. Wulp).
Utrecht. — Driebergen (Six), de Bilt, Doorn, Darthuizerberg (de
Graaf), Huis ter Heide (Piaget), Amersfoort (v. Vollenhoven),
Abcoude, Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem, Empe (v. d. Wulp), Nijkerk, Apeldoorn,
Oosterbeek (v. Med. de Rooy).
Frise. — Leeuwarden, Tietjerk, Suawoude, Bergum, Driesum (H. A.).
Groningue. — Ter-Apel (H. A).
Commune de juillet jusqu’en octobre. Quelquefois en mars et en avril
des individus qui ont hiverné.
Genre PLACTYCNEMIS, Charpentier, 1840.
1. Plactycnemis pennipes, Pallas, 1771.
Rev.,,p.,148, pl. v, fig. 4.
Limbourg. — Maestricht, Nuth (Maurissen).
Brabant sept. — Ginneken (Ritsema), Zundert, Prinsenhage, Galderen
(EL A).
Hollande mér. — Schéveningue (Piaget).
Utrecht. — Amersfoort (Piepers).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Oosterbeek (Backer), Beek
(Lewe), Elten (H. A.).
Drenthe. — Paterswolde (de Gavere).
Groningue, — Haren (de Gavere).
Commune, mais locale. De juin jusqu’en septembre, sur les prairies
et bruyères humides, le long des cours d’eau et dans les bois, dans les
clairières et les carrefours.
M. de Selys-Longchamps a observé que la variété albidella, Villers
est plus fréquente au printemps qu’en été,
NEVROPTERES, 283
Genre ISCHNURA, Charpentier, 1825.
Ischnura pumilio, Charpentier, 1825.
Rev., p. 182, pl. xr, fig. 3.
En Belgique (de Selys) et dans la Prusse rhénane (Kolbe). Assez
commune de juin jusqu’à la fin d’aoüt, sur les étangs et Jes flaques d’eau.
L’espèce qui fut observée près de nos frontières, à Maaseyck et près
de Hasselt, se trouve sans doute aussi en Limbourg.
l. Ischnura elegans, v. d. Linden, 1823.
Rev p. S83 ple: vre fies le
Limbourg. — Maestricht, Nuth (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken, Zundert, Prinsenhage (H. A.), Bergen
op Zoom (W. Albarda). .
Zélande. — Middelbourg (de Man, Gerth v. Wijk), Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — Rotterdam, Kralingen (Fransen), La Haye (v. d.
_ Wulp), Nootdorp (Everts), Leide (Ritsema), Wassenaar (de Man).
Hollande sept. — Amsterdam, Diemen, Velsen (Jaspers), Ter
Schelling (Veth), Texel (Ritsema), Valkenveen (de Selys), Overmeer
(Piaget), Heemstede (v. Vollenhoven).
Utrecht. — Driebergen (Six), Maarsbergen (Piaget).
Gueldre. — Arnhem (Piepers), Wageningen (Heeringa), Oosterbeek,
Wolfhezen (Backer), Nijkerk (v. Med. de Rooy).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Tietjerk, Suawoude, Driesum , Zwaag-
westeinde, Oldeberkoop (H. A.), Heerenveen (Jaspers).
Groningue. — Haren (de Gavere).
La plus commune de ce genre. De mai à septembre.
Genre ENALLAGMA, Charpentier, 1840.
l. Enallagma cyathigerum, Charpentier, 1840.
Rey., p. 205, pl. x, fig. 2.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt), Ottersum (de Graaf).
Brabant sept. — Ginneken (v. d. Wulp), Ulvenhout, Rijsbergen,
Zundert, Prinsenhage, Galderen (H. A.), Oorschot (Ritsema),
Oisterwijk (v. Vollenhoven).
284 CATALOGUE DES
Hollande mér. — La Haye (Everts).
Hollande sept. — Ter Schelling (Veth, Ritsema).
Utrecht. — Driebergen (Six, Jaspers).
Gueldre. — Oosterbeek (Backer), Winterswijk (Everts).
Frise. — Lekkum, Tietjerk, Suawoude, Driesum (H. A.).
Très commune, mais un peu locale, sur les prairies humides et les
marais, de juin a la fin d’aoùt.
Une variété remarquable, prise sur les bruyéres de Galderen, a été
décrite par M. de Selys-Longchamps (Synopsis des Agrionines, 5me Légion,
Agrion, Suite, p. 91, 1876).
Genre AGRION, s. str., Selys, 1850.
l. Agrion pulchellum, v. d. Linden, 1823.
Rev., p. 197, pl. vi, fig. 1.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken, Zundert, Prinsenhage, Ulvenhout (H. A.).
Hollande mér. — Rotterdam, Kralingen (Fransen), La Haye (v. de
Wulp), Wassenaar (Piaget), Leide (de Man), Delft (de Graaf),
Nootdorp (Everts), Rhoon (Schepman).
Hollande sept. — Amsterdam, Harlem, Overveen (Jaspers), Heem-
stede (v. Vollenhoven).
Utrecht. — Driebergen (Six), de Bilt (de Graaf), Abcoude, Nigtevecht
(Jaspers).
Gueldre. — Arnhem (Piepers), Nimègue (ter Haar).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Hardegarijp, Kuikhorne, Driesum,
Oudwoude (H. A.).
Groningue. — Haren (de Gavere).
Très commun. De mai jusqu’en août, sur les prairies humides et
les bords des eaux. On reconnait le mâle au premier abord à la teinte
violacée de son thorax.
2. Agrion puella, (L., 1758), v. d. Linden, 1823.
Rev., p. 200, pl. xr, fig. 2.
Limbourg. — Maestricht, Nuth (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout, Chaam, Prinsenhage, Zundert
(H. A.), Oorschot (Ritsema).
NÉVROPTÈRES. 285
Hollande mér. — La Haye (v. d. Wulp), Leide (Périn).
Hollande sept. — Velsen (Jaspers).
Utrecht. — Driebergen (Six), Doorn (de Graaf).
Gueldre. — Oosterbeek (v. Vollenhoven), Renkum (Backer), Wage-
ningen (Heeringa).
Frise. — Oldeberkoop (H. A.).
Groningue. — Haren (de Gavere).
Do mai à septembre dans les lieux humides. Pas commune dans les
provinces septentrionales.
3. Agrion hastulatum, Charpentier, 1825.
Rev., p. 209, pl. xr, fig. 1.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen).
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout, Galderen (H. A.).
Assez rare et très locale. En juin et en juillet, sur les bruyères
marécageuses.
4 Agrion lunulatum, Charpentier, 1840.
Rev., p. 212, pl. x, fig. 1.
Brabant sept. — Ginneken, Galderen (H. A.).
Très rare. Observé en même temps et dans les mêmes lieux que l’4.
hastulatum.
5. Agrion ornatum, (Heyer Mss.), Selys, 1850.
Rev., p. 203, pl. vIII, fig. 2.
Limbourg. — Mook (Fransen).
Une seule femelle.
Agrion armatum, Charpentier, 1840.
Rev., p. 193, pl. vIII, fig. 3.
Observé en Westphalie, à Oeding, tout près des frontières Néerlan-
daises (Kolbe).
Agrion scitulum, Rambur, 1842.
Rev., p. 211, pl. 1x, fig. 1.
En Belgique, de juin à août. Observé dans la province d’Anvers,
à Calmphout, près de nos frontières (de Selys).
286 CATALOGUE DES
Agrion mereuriale, Charpentier, 1840.
Rev., p. 221, pl. Ix, fig. 3.
Espèce locale. Observée en Belgique, dans la Campine (de Selys) et
en Prusse rhénane (Bertkau).
6. Agrion Lindenii, Selys, 1840.
Rev., p. 225, pl. x, fig. 3.
Brabant sept. — Ginneken (H. A.).
En juillet et en août, sur les bords de la petite rivière le Mark.
Genre ERYTHROMMA, Charpentier, 1840.
1. Erythromma najas, Hansemann, 1823.
Rev., p. 177, pl. vr, fig. 2.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken, Galderen (H. A.).
Hollande mér. — La Haye (Everts, v.d. Wulp), Lokhorst (Piaget),
Rotterdam (Fransen), Delft, Voorhout (de Graaf).
Hollande sept. — Heemstede (v. Vollenhoven), Amsterdam (Jaspers).
Gueldre, — Velp (v. Med. de Rooy).
De mai jusqu’en août, sur les plaques d'eau et les étangs, sur les
feuilles des nénufars et autres plantes aquatiques.
Erythromma viridulum, Charpentier, 1840.
Rev., p. 175. 289, pl. vr, fig. 3.
Observé en juin, juillet et août en Belgique, en Campine, a Genck
et près de Hasselt (de Selys). En Prusse rhénane et en Westphalie
(Kolbe).
Genre PYRRHOSOMA, Charpentier, 1840.
l. Pyrrhosoma minium, | Harris, 1776.
Rey. , p. 148, pl. vis fig. 4.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt), Ottersum
(ter Haar). 1454
Brabant sept. — Ginneken (v. d.‘Wulp), Prinsenhage, Ulvenhout,
Chaam (H. A.), Rijen (Piaget), Oisterwijk (v. Vollenhoven).
Hollande mér. — Leide (de Man), Rotterdam (Piaget).
‘NEV ROPTÈRES. 287
Hollande sept. — Harlem (de Man), Heemstede (v. Vollenhoven),
Bussum (Jaspers).
Utrecht. — Driebergen (Six), de Vuursche (Piaget).
Gueldre. — Arnhem (Piepers), Oosterbeek (Backer), Wolfhezen (v.
Med. de Rooy), Beek (Lewe), Wageningen (Ritzema Bos).
Frise. — Tietjerk, Driesum, Hardegarijp, Beetsterzwaag , Oldeberkoop
(H. A.), Heerenveen (Jaspers).
Très commun.
2. Phyrrosoma tenellum, Villers, 1789.
Rev., p. 180, pl. xr, fig. 4.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (v.d. Wulp, Everts), Zundert, Prinsen-
hage, Galderen (H. A.), Oorschot (Maurissen).
Utrecht. — Driebergen, Maarsbergen (Jaspers).
De juin à août, sur les bruyères marécageuses.
Espèce méridionale qui semble s’étendre graduellement ‘vers le nord.
En 1850 elle n’était pas encore observée en Belgique, où elle est
maintenant assez commune dans les Campines. En 1857 or ne l’avait
observée en Angleterre que dans le sud, en Dorsetshire, En 1871 elle
fut trouvée dans le forét d’Epping.
En 1873 j’observais quelques exemplaires dans le Brabant septentrional,
ou elle est maintenant aussi fréquente que le P. minium. En 1881 elle
fut prise dans la province d’Utrecht.
Genre NEHALENNIA, Selys, 1850.
Nehalennia speciosa, Charpentier, 1840.
Rev., p. 173, pl. vr, fig. 1.
En Belgique. Assez commune, en juin et enjuillet, dans la Campine
Limbourgeoise (Vogelsanck, Genck, Maaseyck), tout près de nos fron-
tières. Sans doute elle se trouvera également dans la province de
Limbourg.
288 CATALOGUE DES
Sous-Ordre IL NEVROPTERES, proprement dits.
Planipennes, Latreille.
Famille I SIALIDES, Burmeister, 1839.
Genre SIALIS, Latreille, 1803.
1. Sialis lutaria, L.
[Rösel, Insektenb., II, 2, tab. 13, 1749].
Hemerobius lutarius, L., Syst. nat., ed. X, p. 550, n°. 11 (1758);
Faun. Suec. ed. II, p. 384, n°, 1513 (1763); Syst. nat., ed.
XII, p. 913, n°. 14 (1767). — Müller, Faun. Friedr., p. 65,
n°, 576 (1764); Prodr., p. 146, n°. 1684 (1770). — Olivier, Enc.
méth., VII, p. 62, n°. 16 (1762).
Semblis lutarius, Fab., Syst. ent., p. 305, n°. 4 (1775); Spec. ins.,
p. 387, n°. 8 (1781); Mant., p. 244, n°. 8 (1787); Ent. syst.,
p. 74, n°.10(1793). — Zetterstedt, Ins. Lapp., p. 1051 (1840). —
Rambur, Névropt., p. 447 (1842).
Sialis niger, Latreille, Hist. nat., XIII, p. 44 (1805); Gen. Insect.,
III, p. 200 (1807).
S. lutarius (a), Stephens, Ill., p. 134 (1836). — Pictet, Ann. sc. nat., V,
pl. ur, fig. 1—4 (1836). — Burmeister, Handb. II, p. 947,
(1839). -- Imhoff et Labram, Ins. d. Schweiz, V, p. 447
(1845). — Brauer, Verh. zool. bot. Ver. Wien, Tom. VI, p. 397
(1856). — Brauer et Low, Neur. austr., p. 53 (1857). — Hagen,
Brit. planip., p. 30, n°. 33 (1858). — Wallengren, Oefvers. Akad.
Forh. f. 1863, p. 16; Skand. Neur. planip., p. 58 (1871). — E.
Pictet, Névropt. d’Esp., p. 51 (1865). -— Mac Lachlan, Mon. ot
Brit. planip., p.152, pl. vu, fig. 1 (1868). — Meyer-Dür, Neur.
d. Schweiz, p. 355 (1875). — Girard, Traité d’entom., II, p. 521
(1876). — Rostock, Neur. germ., p. 112 (1888).
Limbourg. — Maestricht, Limmel (Maurissen).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Rijen (Piaget).
Zélande. — Middelbourg (de Man).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen), Giessendam (ter Haar), Woerden
(de Graaf), La Haye (Leesberg), Leide (v. Vollenhoven), Wassenaar
(Ritsema).
NEVROPTERES, 289
Hollande sept. — Harlem, Overmeer, Arenderhout (Ritsema),
Heemstede (v. Vollenhoven), Amsterdam, Velsen, Weesp, Naarden,
Bussum, Diemerbrug (Jaspers), Sloten (Grebner).
Utrecht. — Abcoude (Jaspers), Utrecht (Ritsema).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Oosterbeek (Backer), Nimègue
(ter Haar), Wageningen (Heeringa).
Overijssel, — Steenwijk (Jaspers).
Frise. — Lekkum, Hardegarijp, Suawoude, Kuikhorne, Driesum (H. A.).
Très commune. De la fin d’avril jusqu’en juin, sur les bords des eaux.
2. Sialis fuliginosa, Pictet.
Sialis fuliginosa (us), Pictet, Ann. d. sc. nat., V, p. 79, pl. mr, fig. 5
et 6 (1836). —- Burmeister, Handb. II, p. 947, (1839). —
Brauer, Verh. zool. bot. Ver. Wien, Tom. VI, p. 397 (1856). —
Brauer et Low, Neur. austr,, p. 52 (1857). — Mac Lachlan,
Mon. Brit. planip., p. 152, pl. vir, fig. 2 (1868). — Wallengren ,
Oefvers. Akad. Förh. 1870, p. 152; Skand. Neur. planip., p. 59
(1871). — Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz , p. 353 (1875). — Girard,
Traité d’entom. II, p. 521 (1876). — Rostock, Neur. germ., p. 113
(1888).
S. nigripes, E, Pictet, Névropt. d’Esp., p. 52, pl. rv, fig. 1—5
(1865).
Limbourg. — Ottersum (ter Haar).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Bergen op Zoom (Ritsema).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), La Haye (v. d. Wulp),
Leide (Ritsema), Wassenaar (v. Vollenhoven).
Hollande sept. — Heemstede (v. Vollenhoven), Weesp (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
En juin et en juillet, sur les bords des eaux courantes. Moins commune
que la Zutaria,
Famille I. RAPHIDIIDES, Mae Lachlan, 1868.
Genre BAPHIDIA, L., 1735.
Raphidia ophiopsis, Schummel.
[De Geer, Mém., II, pl. xxv, fig. 4—-9, 1771].
Raphidia ophiopsis, Schummel, Vers., p. 10, fig. 1 a—d (1832). —
5
19
290 CATALOGUE DES
Burmeister, Handb. II, p. 963 (1839). — Rambur, Névropt.,
p. 439, n°. 5 (1842). — Schneider, Mon. Raph., p. 68, pl. n
(1843); Stett. ent Zeit. 1845, p. 255. — Ratzeburg, Forstins., IIT,
p. 253, n°. 1 (1844). — Hagen, Stett. ent. Zeit. 1844, p. 183;
Trans. ent. Soc. Lond., Ser. 3, vol. V, p. 494 (1867). — Girard,
Ann. Soc. ent. de France, 1864, Vol. IV, p. 669; Traité d’entom.,
p. 504 (1876). — Wallengren, Oefvers. Akad. Förh. 1865, p. 143;
Skand. Neur. planip., p. 68 (1871). — Rostock, Neur. germ.,
p. 114 (1888).
En Belgique. Un seul exemplaire à Virton, province de Luxembourg,
vers la mi-juillet (de Selys).
1. Raphidia notata, Fab.
Raphidia notata, Fab., Spec. ins., p. 402 (1781). — Schummel, Vers.,
p.13, fig. 3 (1832). — Rambur, Névropt., p. 406, n°. 1 (1842). —
Mac Lachlan, Mon. of Brit. planip., p. 155, pl. var, fig. 3 (1868). —
Wallengren, Skand. Neur. planip., p. 61 (1871). — Rostock, Neur.
germ., p. 113 (1888).
R. ophiopsis, Curtis, Brit. Ent., pl. 37 (1824) (nec. L.). — Zetterstedt,
Ins. Lapp., p. 1054 (1840).
R. megacephala, Stephens, Ill., p. 130 (1836). — Hagen, Brit. planip. ,
p. 31 (1858).
R. media, Burmeister, Handb. IL, p. 964 (1839). — Schneider, Mon.
Raphid., p. 76, pl. rv, fig. a—f (1843); Stett. ent. Zeit, 1845,
pe 252. — Ratzeburg, Forstins., p. 254, n°.3 (1844). — Brauer
et Low, Neur. austr., p. 53, fig. 101 (1867). — Wallengren,
Oefvers. Akad. Förh. 1863 , p.16. — Hagen, Stett. ent. Zeit. 1844,
p. 183; Trans. ent. Soc. Lond., Ser. 3, Vol. V, p. 495 (1867). —
Girard, Ann Soc. ent. de France 1864, Vol. IV, p. 669; Traité
d’entom. IT, p. 505 (1876). — Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 355
(1875).
R. angustata, Ratzeburg, 1. 1.
Gueldre. — Beek (v. Med. de Rooy), Groesbeek (Lewe).
Assez rare, en juin.
Raphidia major, Burmeister.
Raphidia major, Burmeister, Handb. IL, p. 964, n°. 4 (1839). —
NEVROPTERES. 291
Schneider, Mon. Raphid., p. 79, pl. rv, fig. g—i (1843). — Hagen,
Trans. ent. Soc. Lond., Ser. 3, Tom. V, p. 498 (1867).
En Belgique. Une femelle a Neufchâteau, dans la province de Luxem-
bourg (de Selys).
2. Raphidia laticeps, Wallengren.
Raphidia notata, Percheron, Mag. d. Zool., pl. 66, fig. 2 (1833) (nec
Fab.).— Schneider, Mon. Raphid., p. 80, pl. v (1843). — Ratzeburg,
Forstins., p. 254, n°. 5 (1844). — Brauer et Low, Neur. austr.,
p. 53, fig. 100 (1857). — Wallengren, Oefvers. Akad. Förh. 1863,
p. 16. — Hagen, Trans. ent. Soc. Lond., Ser. 3, Vol. V, p. 496
(1867). — Girard, Traité d’entom. II, p. 505 (1876).
R. major, Ratzeburg, 1. 1. n°. 4 (nec Burmeister).
R. laticeps, Wallengren, Skand. Neur. planip. , p. 62 (1871). — Rostock,
_Neur. germ., p. 114 (1888).
Gueldre. — Beek (Lewe).
Trés rare, en juin.
3. Raphidia xanthostigma, Schummel.
Raphidia vanthostigma, Schummel, Vers., p. 12, fig. 2, a,b (1832). —
Burmeister, Handb. IL, p. 963 (1839). — Schneider, Mon. Raphid. ,
p. 71, pl. 111, fig. a—c (1843); Stett. ent. Zeit. 1845, p. 254. —
Brauer et Low, Neur. austr., p. 53 (1857). — Hagen, Brit. planip.,
p. 31 (1858); Trans. ent. Soc. Lond., Ser. 3, vol. V, p. 495 (1867). —
Wallengren, Oefvers. Akad. Förh. 1863, p. 3; Skand. Neur. planip.,
p. 64 (1871). — Girard, Ann. Soc. ent. de France 1864, Vol. IV,
p. 669; Traité d’entom. II, p. 504 (1876). — Mae Lachlan, Mon.
of Brit. planip., p. 157, pl. viti, fig. 4 (1868). — Meyer-Diir,
Neur. d. Schweiz, p. 356 (1875). — Rostock, Neur. germ., p. 114
(1888).
R. Londinensis, Stephens, Il, p. 130 (1836).
At. chalybocephala, Ratzeburg, Forstins., p. 254 (1844).
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. -- Ulvenhout (Piaget), Ginneken (W. Albarda), Cuyk
(ter Haar).
Hollande sept. -— Amsterdam (Kinker).
Utrecht. — Driebergen (Six), Utrecht (Verloren).
299 CATALOGUE DES
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy, Snellen), Kemperberg (Backer)
Frise. — Beetsterzwaag, Oldeberkoop (H. A).
En mai et en juin. La plus commune de toutes.
4, Raphidia cognata, Rambur.
Raphidia cognata, Rambur, Névropt., p. 438, n°. 3 (1842). — E.
Pictet, Névr. d’Esp., p. 53, pl. v, fig. 7—9 (1865). — Hagen,
Trans. ent. Soc. Lond., Ser. 3, Vol. V, p. 497 (1867). — Mac
Lachlan, Mon. of Brit. planip., p. 159, pl. 1x, fig. 1 (1868). —
Meyer-Diir, Neur. d. Schweiz, p. 356 (1875).
R. ophiopsis, Percheron, Mag. de Zool., pl. 66, fig. 1, b (1833) (mec
Schummel).
Limbou rg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (W. Albarda), Ulven-
hout (Piaget).
En mai; pas rare.
5. Raphidia maculicollis, Stephens.
Raphidia maculicollis, Stephens, IL, p. 131 (1836). — Mae Lachlan,
Mon. of Brit. planip., p. 160, pl. 1x, fig. 2 (1868).
R. affinis, Stephens, 1. 1.
R. hispanica, Rambur, Névropt., p. 438 (1842). — Schneider, Stett.
ent. Zeit. 1845, p. 255. — E. Pictet, Névr. d’Esp., p. 52, pl. v,
fig. 1—6 (1865). — Hagen, Trans. ent. Soc. Lond., Ser. 3, Vol. V,
p. 496 (1867).
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (W. Albarda), Ulven-
hout (Piaget), Prinsenhage, Chaam (H. A).
Hollande mér. — Rotterdam (Smit, Piaget).
En mai et en juin. Assez commune.
Famille II. OSMYLIDAE, Newman, 1853.
Genre OSMYLUS, Latreille, 1803.
1. Osmylus chrysops, L.
[Rösel, Ins., III, pl. xxI, fig. 3, 1755].
Hemerobius chrysops, L., Syst. nat., ed. X, p. 559, n°. 2(1758); Faun.
NEVROPTERES. 293
Suec., ed. II, n°. 1505 (1761); Syst. nat., ed, XII, p.912, n°. 4
(1767). (Schiffer, Ic., pl. cvit, fig. 1, 17681. — Sulzer, Abgek.
Gesch., p. 175, pl. xxv, fig. 2 (1776). — Roemer, Gen. ins., p. 24,
pl. xxv, fig. 1 (1789). — Schrank, Faun. Boic., II, p. 188 (1798).
Hemerobius fulvicephalus, Scopoli, Ent. carn. , p. 270, n°. 706 (1763). —
Schrank, Enum., p. 311 (1781). — Villers, Entom., IMI, p. 55,
pl. vir, fig. 7 (1739).
H maculatus, Fab., Mant., p. 247 (1787); Ent. Syst., p. 83 (1793). —
Olivier, Enc. méth., VII, p. 61, n°. 9 (1792).
Osmylus maculatus, Latreille, Hist. nat., XIII, p. 39 (1805); Gen. III,
p. 197 (1807). — Stephens, IL, p. 99 (1836). — Burmeister,
Handb. II, p. 983 (1839). — Rambur, Névropt., p. 415 (1842). —
Brauer, Wiegmann’s Archiv, XVII, p. 255, pl. ur, fig. 1 (1851). —
Costa, Faun. Nap. Emerob., p. 3, pl. x, fig. 1 (1855). — E. Pictet,
Névr. d’Esp., p. 73 (1865). — Mac Lachlan et Eaton, Cat. (1870). —
Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 362 (1875). — Rostock, Neur.
germ., p. 106 (1888).
O. chrysops, Wesmael, Bull. Acad. Brux., VIII, p. 220 (1841). —
Brauer, Verh. zool. bot. Ver. Wien, III, fig. 1 (1851); Idem, V,
p. 724 (1855). — Brauer et Low, Neur. austr., p. 55 (1857). —
Hagen, Linn. ent., VII, p. 368, pl. 1 et 2 (1851); Brit. planip. ,
p. 20 (1858). — Wallengren, Oefvers. Akad. Förh. 1864; Skand.
Neur. planip., p. 29 (1871). — Girard, Traité d’entom. II, p. 443,
pl. 68, fig. 2 (1876).
O. fulvicephalus, Mac Lachlan, Mon. of Brit. planip., p. 165 (1868).
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ulvenhout (Heylaerts), Ginneken (W. Albarda),
Prinsenhage (H. A).
Utrecht. — Utrecht (v. Vollenhoven).
Gueldre. — Renkum (Burger), Wolfhezen, Oosterbeek (Backer),
Beekhuizen (Ritsema), Velp (de Graaf, v. d. Wulp), Beek (v.
Vollenhoven).
De juin à la mi-aoùt. Près des eaux vives. Pas rare, mais local,
Genre SISYRA, Burmeister, 1839,
l. Sisyra fuscata, Fab.
Hemerobius fuscatus, Fab., Ent. syst., p. 84 (1793). — Walkenaar ,
294 CATALOGUE DES
Faun., par. IL, p. 17 (1802). — Latreille, Hist. nat., XIII, p. 38
(1805). — Stephens, Ill., p. 114, pl. xxx, fig. 4 (1836).
Hemerobius nitidulus, (nec Fabr.) et confinis, Stephens, I. 1.
Sisyra fuscata, Burmeister, Handb. II, p. 976 (1839). — Wesmael,
Bull. Acad. Brux., VIII, p. 213 (1841). — Rambur, Névropt.,
p. 416 (1842). — Brauer et Löw, Neur. austr., p. 55 (1857). —
Hagen, Brit. planip., p. 25 (1858). — Wallengren, Oefvers.
Akad. Förh. 1864, p 18; Skand. Neur. planip., p. 26 (1871). —
Mac Lachlan, Mon. Brit. planip., p. 167 (1868). — Girard, Traité
d’entom. II, p. 456 (1876). — Rostock, Neur. germ., p. 106 (1888).
Hemerobius paucinervis, Zetterstedt, Ins. Lapp., p. 1050 (1840).
Sisyra nigripennis, Wesmael, Bull. Acad. Brux., VIII, p. 213 (1841).
Branchiotoma spongillae, Westwood, Trans. ent. Soc. Lond. 1842, Tom.
III, p. 105; Gardeners Chronicle 1848, n°. 34, p. 557.
Hemerobius fumatus, Motschulsky, Etud. entom., I, p. 20 (1853).
Limbourg. — Maestricht, St. Pierre, Nuth (Maurissen), Venloo
(v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout (H. A.).
Zélande. — Dombourg (ter Haar).
Hollande mér. — La Haye (Everts), Gouda (ter Haar), Rhoon
(Schepman), Rotterdam (Snellen), Delft (de Graaf), Leide (Ritsema),
Wassenaar (v. Vollenhoven), Leiderdorp (Ritsema).
Hollande sept. — Harlem, Overveen (Ritsema), Heemstede (v.
Vollenhoven).
Utrecht. — Driebergen (Six), Utrecht (Wttewaal).
Gueldre. — Arnhem, Velp (v. Med. de Rooy).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Suawoude (H. A.).
De mai jusqu’en août. Très commune près des eaux.
2. Sisyra Dalii, Mac Lachlan.
Hemerobius nitidulus, Walker, Catal., p. 296 (1853), (nec Fab.).
Sisyra Dalii, Mac Lachlan, Ent. Mo. Mag., II, p. 268 (1866); Mon.
Brit. planip., p. 168 (1868). — Rostock, Neur. germ., p. 106 (1888).
S. nitidula, Wallengren, Skand. Neur. planip., p. 27 (1871).
Brabant sept. — Ginneken (H. A.).
Hollande mér. — Gouda (ter Haar).
En aotit. Peu commune.
NEVROPTERES. 295
3. Sisyra terminalis, Curtis.
Sisyra terminalis, Curtis, Trans. ent. Soc, Lond., Ser. 2, Tom. III,
p- 56 (1854). — Hagen, Brit. planip., p. 25 (1858). — Mac
Lachlan, Mon. Brit. planip., p. 169 (1868). — Wallengren, Skand.
Neur. planip., p. 27 (1871). — Rostock, Neur. germ., p. 106 (1888).
Limbourg. — Maestricht (de Selys).
Brabant sept. — Ginneken (H. A.).
De juin à août. Près des rivières. Rare.
Famille IV. MYRMELEONTIDES, Newman, 1853.
Genre MYRMELEON, L., 1767.
l. Myrmeleon formicaleo, L.
[Vallisnieri, Opere fisico-mediche, I, p. 77, pl. m (1733). —
Réaumur, Mém., IV, pl. xr, fig. 3 (1738). — Rosel, -
Insektenb., III, tab. 17—20, 1755].
Hemerobius formicaleo, L., Syst. nat., ed. X, p. 550, n°. 4 (1758, nec
L., 1767). — Poda, Ins. Mus. Graec., pl 1, fig. 8 (1761). —
(Sulzer, Kennz. d. Ins., pl. xvir, fig. 105, 1761. --- Geoffroy, II,
p. 258, pl. xiv, fig. 1, 1762]. — Müller, Faun. Friedr., p. 65,
n°. 574 (1764). — Houttuin, Tom. I, 12me part., p. 89, pl. xcrv,
fig. 10 et 11 (1768).
Myrmeleon formicarium (us), Fab., Syst. Ent., p. 312, n°. 2 (1775);
Spec. ins., p. 398, n°. 3 (1781); Mant., p. 249, n°. 5 (1787);
Ent. syst., p. 93. n°. 5 (1793). — Panzer, fasc. 95, 11 (1801). —
Walkenaar, Faun. Paris., II, p. 22, pl. 111, fig. 3 (1802). —
Latreille, Hist. nat., XIII, p. 50, n°. 3, pl. xCvITI, fig. 3 (1805);
Gen. ins., III, p. 191 (1807). — Olivier, Enc. méth., VIII,
p. 122, n°. 11 (1811). — Stephens, Ill., p. 99 (1836). — West-
wood, Intr., II, p. 41, fig. 63 (1840). — Zetterstedt, Ins. Lapp.,
p. 1048 (1840). — Rambur, Névropt., p. 400 (1842). — Brauer et
Löw, Neur. austr., p. 64 (1857). — v. Vollenhoven, Gel. Dier. v.
Nederl., p. 310, pl. 21, fig. 6 (1861). — Hagen, Stett. ent. Zeit.
1866, p. 439. — Mae Lachlan, Linn. Soc, journ., IX, p. 278 (1868);
Trans. ent. Soc. Lond. 1871, p. 441. — Meyer-Diir, Neur. d.
Schweiz, p. 375 (1875). — Girard, Traité d’entom. II, p. 423 (1876).
296 CATALOGUE DES
Myrmecoleon formicarius, Burmeister, Handb. II, p. 996 (1839).
Myrmeleon europaeus, Mac Lachlan, Stett. ent. Zeit. 1875, p. 451. —
Rostock, Neur. germ., p. 99 (1888).
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Teteringen (Heylaerts), Galderen , Ginneken, Ulven-
hout (H. A.).
Utrecht. — Utrecht, Huis ter Heide (v. Vollenhoven), Soest (Lodeesen).
Gueldre. — Kemperberg (Backer), Renkum (Burger), Velp (v. Med.
de Rooy), Beekhuizen (Ritsema).
En juillet et en août.
2. Myrmeleon formicarius, L.
[Rösel, Insektenb., III, tab. 21, 1755].
Hemerobius formicaleo, L., Faun. Suec., ed. Il, p. 383, n°. 1509 (1761)
(nec L. 1758). — Müller, Faun. Friedr., p. 65, n°. 574 (1764). —
(Schiffer, Elem., pl. 65, 1766; Icon., pl.xxıı, fig. Let 2, 1766).
Myrmeleon formicarium (us), L., Syst. nat. , ed p. 914, ni. 3
(1767). — Müller, Prodr., p. 147, n°. 1695 (1776). — Schrank,
Enum, p. 315, n°. 631 (1781). — Wallengren, Oefvers. Akad.
Förh. 1868; Skand. Neur. planip., p. 7 (1871). — Mac Lachlan,
Trans. ent. Soc. Lond. 1871, p. 444. — Rostock, Neur. germ.,
p. 99 (1888).
M. formicalynx, Olivier, Enc. méth., VIII, p. 124, n°. 16 (1811),
(nec L.). — Imhoff et Labram, V, n°. 400 (1845). — Brauer et
Löw, Neur. austr., p. 64 (1857). — Hagen, Stett. ent. Zeit. 1866,
p. 439. — Mac Lachlan, Linn. Soc. Journ., IX, p. 279 (1868). —
Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 377 (1875). — Girard, Traité
d’entom. IT, p. 424 (1876).
Myrmecoleon formicalynx, Burmeister, Handb. II, p. 994 (1839).
Myrmeleon innotatus , Rambur, Névropt., p. 406 (1842).
M. neutrum, Fischer, Entomogr., IV, p. 51, pl. 11, fig. 6 (1846).
Myrmaecelurus innotatus, Costa, Faun. Nap. Myrm., p. 14, pl. rx,
fig. 2 (1855).
Gueldre. — Beekhuizen (Ritsema).
En juillet. Très rare, mais probablement peu remarqué par ce qu’on
observe rarement Vinsecte parfait au vol.
NÉVROPTÈRES. 297
Famille V. CHRYSOPIDES, Newman, 1853.
Genro NOTOCHRYSA, Mac Lachlan, 1868.
1. Notochrysa fulviceps, Stephens.
Chrysopa fulviceps, Stephens, Ill., p. 101, pl. xxx, fig. 2 (1836). —
Schneider, Chrys., p. 146, pl. 53 (1851). — Hagen, Brit. planip. ,
p. 24 (1858).
C. capitata, Wesmael, Bull. Acad. Brux., VIII, p. 212 (1841).
Hemerobius erythrocephalus, Rambur, Névropt., p. 428, pl. rx, fig. 5
(1842).
Notochrysa fulviceps, Mac Lachlan, Mon. Brit. planip., p. 207 (1868). —
Wallengren, Oefvers. Akad. Förh. 1870, p. 153; Skand. Neur.
planip., p. 13 (1871). — Rostock, Neur. germ., p. 105 (1888).
Wassenaar (de Graaf), La Haye (v. d. Wulp),
Schéveningue (Piaget).
Hollande. mér.
Hollande sept. — Harlem (Weyenbergh), Vogelenzang (Kinker),
Bloemendaal (Ritsema), Velsen (Jaspers).
Utrecht. --- Driebergen (Six).
Gueldre. — Arnhem (v. Med de Rooy), Velp (Ritsema), Oosterbeek
(Backer).
Frise. — Oldeberkoop, Beetsterzwaag, Driesum (H. A.).
Groningue. — Groningue, Haren (de Gavere).
En juin et en juillet. Pas rare, mais locale.
2. Notochrysa capitata, Fab.
Hemerobius capitatus, Fab., Ent. syst., p. 82 (1793).
Chrysopa capitata, Stephens, Ill., p. 102 (1836). — Schneider, Chrys. ,
p. 144, pl. 52 (1851). — Brauer et Low, Neur. austr., p. 59
(1857). Hagen, Brit. planip., p. 23 (1858). — Girard, Traité
d’entom. II, p. 480 (1876).
Notochrysa capitata, Mac Lachlan, Mon. Brit. planip., p. 207 (1868). —
Wallengren, Skand. Neur. planip., p. 13 (1871). — Rostock, Neur.
germ., p. 105 (1888).
Hollande mér. — Noordwijk (de Graaf), La Haye (v. d. Wulp), Schéve-
ningue (Snellen).
Hollande sept. — Harlem (Six), Bloemendaal (Ritsema), Vogelenzang
(Kinker).
298 CATALOGUE DES
Utrecht. — Baarn (Ritsema).
Gueldre. — Oosterbeek (Ritsema), Wageningen (Heeringa).
Frise. — Driesum, Beetsterzwaag (H. A.).
En mai, juin et août. Pas commune.
Genre HYPOCHRYSA, Hagen, 1866.
l. Hypochrysa nobilis, (Heyden), Schneider.
Chrysopa elegans, Burmeister, Handb. II, p. 981 (1839).
Hemerobius elegans, Rambur, Névropt., p. 427 (1842), (nec Stephens).
Chrysopa nobilis, (Heyden), Schneider, Chrys., p. 142, pl. 51 (1851). --
Brauer et Low, Neur. austr., p. 58 (1857).
Hypochrysa nobilis, Hagen, Stett. ent. Zeit. 1866, p. 423. — Rostock,
Neur. germ , p. 105 (1888).
Gueldre. — Arnhem, Wolfhezen (v. Med. de Rooy).
Au commencement de mai. Très rare,
Genre CHRYSOPA, Leach, 1815.
l. Chrysopa flava, Scopoli,
Hemerobius flavus, Scopoli, Ent. carn., p. 270, n°. 707 (1763). —
Villers, Entom. III, p. 55, n°. 21 (1789).
Chrysopa subfalcata, Stephens, Il, p. 105 (1836).
C. alba, Brauer, Haid. Abh., IV, p. 3 (1850), (nec L.).
C. vittata, Schneider, Chrys , p. 65, pl. 7 (nec Wesmael). — Brauer
et Low, Neur. austr., p. 60 (1857). — E. Pictet, Névr. d’Esp.,
p. 59 (1865). — Wallengren, Oefvers. Akad. Förh. 1863, p. 24.
C. flava, Hagen, Brit. planip., p. 21 (1858). — Mac Lachlan, Mon.
Brit. Neur. planip., p. 198 (1868). — Wallengren, Skand. Neur.
planip., p. 20 (1871). — Rostock, Neur. germ., p. 104 (1888).
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Prinsenhage, Ulvenhout (H. A).
Hollande m£r. -— Rotterdam (v. d. Wulp), Leide, Wassenaar, Woerden,
Delft (de Graaf), Schéveningue (Piaget), Rhoon (Schepman).
Hollande sept. — Harlem (Wttewaal, Weyenbergh), Amsterdam,
Velsen (Jaspers), Valkenveen (Mac Lachlan).
Utrecht. — Utrecht (v. Hasselt), Nigtevecht (Jaspers).
NÉVROPTÈRES. 299
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Putten (de Graaf), Oosterbeek
(Backer).
Frise. — Leeuwarden, Oldeberkoop, Driesum (H. A.)
Groningue. — Groningue, Haren (de Gavere).
De mai à août. Très commune.
2. Chrysopa vittata, Wesmael.
Hemerobius albus, Fab., Syst. ent., p. 309 (1775), (nec L.). — Olivier,
Enc. méth., VII, p. 60, n°. 7 (1792). — Panzer, fasc. 87, 14
(1805).
Chrysopa perla, Stephens, Ul, p. 105 (1836).
C. alba, Burmeister, Handb. II, p. 981 (1839). — v. Vollenhoven,
Gel. Dier. v. Nederl., p. 310 (1861).
C. vittata, Wesmael, Bull, Acad. Brux., VIII, p. 211 (1841). — Hagen,
Brit. planip., p. 21 (1858). — Mac Lachlan, Mon. Brit. Neur.
planip., p. 198 (1868). — Wallengren, Skand. Neur. planip , p. 21
(1871). — Rostock, Neur. germ., p. 104 (1888).
Hemerobius provimus, Rambur, Névropt., p. 425 (1842).
Chrysopa integra, Hagen, Stett. ent. Zeit., XII, p. 40 (1852). —
Brauer et Löw, Neur. austr , p. 61 (1857). — Wallengren , Oefvers.
| Akad. Förh. 1863, p. 24. — Meyer-Diir, Neur. d. Schweiz, p. 370
(1875). — Girard, Traité d’entom. II, p. 476 (1876).
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda).
Hollande mér. — Leide, Wassenaar, den Deyl (de Graaf), La Haye
(Everts), Schéveningue (v. Vollenhoven), Rotterdam (Snellen).
Hollande sept. — Heemstede (v. Vollenhoven), Velsen, Overveen
(Jaspers).
Gueldre. — Geldermalsen (de Graaf), Wageningen (Ritzema Bos).
Frise. — Leeuwarden, Jelsum, Lekkum (H. A.).
Groningue. — Groningue, Haren (de Gavere).
De juin jusqu’en août. Très commune.
3. Chrysopa alba, L.
Hemerobius albus, L., Syst. nat., ed. X, p. 551, n°. 13 (1758); Faun.
Suec., ed. II, p. 382, n°. 1506 (1761); Syst. nat., ed. XII,
p. 911, n°. 3 (1767). — Miiller, Faun. Friedr., p. 65, n°. 573
300 CATALOGUE DES
(1764). — Prodr., p. 146, n°. 1682 (1776). — Schrank, Enum.,
p. 312, n°. 624 (1781). — Villers, Entom. III, p. 2 (1789).
Chrysopa alba, Stephens, TIL, p. 104 (1836). — Schneider, Chrys.,
p- 77, pl. 12 (1851). — Brauer et Low, Neur. austr., p. 60 (1857). —
Hagen, Brit. planip., p. 22 (1858) — Mac Lachlan, Mon. Brit.
Neur. planip, p. 198 (1868). — Wallengren, Skand. Neur. planip.,
p. 21 (1871). — Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 369 (1875). —
Rostock, Neur. germ., p. 104 (1888).
C. ciliata, Wesmael, Bull. Acad. Brux., VIII, p. 212 (1841).
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. -- Ginneken (W. Albarda).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Leide (de Graaf), Schéve-
ningue (Piaget).
Hollande sept. — Velsen (Jaspers).
Utrecht. — Amersfoort (v. Vollenhoven).
Frise. — Oldeberkoop (H. A).
De mai jusqu’en août. Assez rare.
4, Chrysopa flavifrons, Brauer.
Chrysopa flavifrons, Brauer, Haid. Abh., IV, p. 6, pl 1, fig. 2 (1850). —
Brauer et Löw, Neur. austr., p. 60 (1857). — Hagen, Brit. planip.,
p. 22 (1858). — Mac Lachlan, Mon Neur. planip., p. 199 (1868). —
Wallengren, Oefvers. Akad. Förh. 1870, p. 153; Skand. Neur.
planip., p. 22 (1871). — Meyer-Diir, Neur. d. Schweiz, p. 370
(1875). — Rostock, Neur. germ., p. 104 (1888).
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt), Fauquemont (Piaget).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Ulvenhout (H. A.).
Hollande sept. — Valkenveen (Mac Lachlan).
Gueldre. — Grebbe (Burger).
En juin et en juillet. Peu commune, dans les bois.
5. Chrysopa vulgaris, Schneider.
Hemerobius perla, Fab., Syst. Ent., p. 309, n°. 2 (1775); Ent. syst. ,
p. 82 (1798), (nec L.). — Seopoli, Ent. carn., p. 271, n°. 709
(1763). — Schrank, Enum., p.311(1781); Faun. Boic., II, p. 189
(1798). — Villers, Entom, III, p. 46 (1789). — Rossi, Faun.
Etr., p. 13 (1790). — Olivier, Enc. méth:; VII, pi 59, n°. 5
NEVROPTERES. 301
(1792). — Walkenaar, Faun. Paris., IT, p. 17 (1802). — Latreille,
Hist. nat. XIII, p. 37 (1805). — Panzer, fase. 87, 13 (1805). —
Ratzeburg, Forstins., ILL, p. 247, pl. 16, fig. 6 (1844). — Imhoff
et Labram, V, p. 424 (1845). — Rambur, Névropt. , p. 424 (1842). —
Costa, Faun. Nap. Emerob., p. 13, pl. xr, fig. 1 (1855).
Chrysopa carnea, Stephens, Ill., p. 103 (1836).
C. perla, Burmeister, Handb. IL, p. 980 (1839). — Wesmael , Bull. Acad.
Brux., VIII, p. 207 (1841). — Brauer, Haid. Abh., TV; Pi 6, puts
fig. 1 (1850). — v. Vollenhoven, Gel. Dier, v. Nederl., p. 310 (1861),
C. primaveria, incarnata et rubropunctata, Brauer, Haid. Abh., IV, p. 5,
var. a—c (1850), (des individus qui hivernent).
C. vulgaris, Schneider, Chrys., p. 68, pl. 6, fig. 2 et pl. 8 (1851). —
Brauer et Löw, Neur. austr., p. 59 (1857). — Hagen, Brit. planip.,
p. 21 (1858). — Wallengren, Oefvers. Akad. Förh. 1863, p. 23;
Skand. Neur. planip., p. 23 (1871). — E. Pictet, Nevr. d’Esp.,
p. 59 (1865). — Mac Lachlan, Mon. Brit. Neur. planip., p. 200
(1868). — Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 369 (1875). — Girard ,
Traité d’entom. II, p. 477 (1876). — Rostock, Neur. germ., p.
(1888).
Limbourg. — Maestricht, Oud Vroenhoven (Maurissen), Venloo (v.
d. Brandt), Mook (ter Haar).
Brabant. sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken(W. Albarda), Ulven-
hout, Prinsenhage, Galderen (H. A.).
Zélande. — Dombourg (ter Haar).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen), La Haye (v.d. Wulp), Leide
(v. Vollenhoven), Katwijk (Ritsema), Noordwijk (de Graaf),
Staalduin, ’s Gravezande (v. Vollenhoven).
Hollande sept. — Harlem, Beverwijk (Ritsema), Velsen (Jaspers),
Heemstede (v. Vollenhoven), Valkenveen (Mac Lachlan).
Utrecht. — Driebergen (Six).
Gueldre. — Arnhem, Nijkerk (v. Med, d. Rooy), Oosterbeek (Backer),
Nimègue (ter Haar).
Frise. — Leeuwarden, Tietjerk, Suawoude, Oudwoude, Driesum,
Oldeberkoop (H. A.), Heerenveen (Jaspers).
Groningue. — Groningue, Haren (de Gavere).
Très commune à peu-près toute. l’année. Un petit nombre hiverne
et prend une teinte plus ou moins rougeätre,
302 CATALOGUE DES
6. Chrysopa tenella, Schneider.
Chrysopa tenella, Schneider, Chrys., p. 94, pl. 25 (1851). — Brauer
et Löw, Neur. austr., p. 60 (1857). — Hagen, Brit. planip., p. 22
(1858). — Wallengren, Oefvers. Akad. Förh. 1865, p. 143; Skand.
Neur. planip., p. 22 (1871). — Rostock, Neur. germ., p. 105
(1888).
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (H. A.).
Zélande. — Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen), Leide (v. Vollenhoven), La
Haye (Everts), Rhoon (Schepman).
Hollande sept. — Harlem (Weyenbergh), Amsterdam, Velsen (Jaspers).
Utrecht. — Driebergen (Six).
Gueldre. — Nimègue (ter Haar).
Frise. — Leeuwarden (H. A.).
A
De mai à septembre. Assez commune, mais un peu locale,
7. Chrysopa septempunetata, Wesmael.
Chrysopa septempunctata, Wesmael, Bull. Acad. Brux., VIII, p. 210
(1841). — Schneider, Chrys., p. 101, pl. 30 (1851). — Brauer
et Löw, Neur. austr., p. 61 (1857). — Hagen, Brit. planip., p. 28
(1858). — Wallengren, Oefvers. Akad. Förh. 1863, p. 25; Skand.
Neur. planip. , p. 19 (1871). — E. Pictet, Névr. d’Esp., p. 64
(1865). — Mae Lachlan, Mon. Brit. Neur. planip. , p. 201 (1868). —
Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 370 (1875). — Girard, Traité
d’entom. II, p. 478 (1875). — Rostock, Neur. germ., p. 103 (1888).
Chrysopa angustipennis, Stephens, Ill. p. 104 (1836).
Hemerobius Mauricianus et palleus, Rambur, Névropt., p. 425 (1842).
Chrysopa nobilis, Brauer, Haid. Abh., IV, p. 7 pl. 1, fig. 4 et pl. mr,
fig. 13 (1850) (nec Schneider).
C. palleus, Schneider, Chrys., p. 104, pl. 32 (1851).
Limbourg. -- Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Prinsenhage, Ulvenhout
CHL. AL).
Zélande. — Middelbourg (de Man), Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. -— Leide (Herklots), Rotterdam (Piaget), La Haye
(Everts), Rhoon (Schepman).
NEVROPTERES. 303
Hollande sept. -~ Harlem (Ritsema), Vogelenzang (Piaget), Heem-
stede (v. Vollenhoven), Velsen (Jaspers), Valkenveen (Mac Lachlan).
Utrecht, — Soesterheide (Fransen), Amersfoort, Doorn (de Graaf),
Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Oosterbeek (Backer), Lent
(ter Haar), Soeren (Henri de Graaf).
Drenthe. — Paterswolde (de Gavere).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Jelsum, Driesum (H. A.).
De mai à septembre, Très commune.
8. Chrysopa aspersa, Wesmael !).
Chrysopa aspersa, Wesmael, Bull. Acad. Brux., VIII, p. 210 (1841). —
Schneider, Chrys., p. 112, pl. 37 (1851). — Hagen, Brit,
planip., p. 23 (1858). — E. Pictet, Névr. d’Esp., p. 66 (1865). —
Mac Lachlan , Mon. Brit. Neur. planip. , p. 202 (1868). — Wallengren,
Skand. Neur. planip. , p. 18 (1871). — Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz,
p. 371 (1875). — Girard, Traité d’entom. II, p. 478 (1876).
Hemerobius prasinus, Rambur, Névropt. , p. 424 (1842), (nec Burmeister).
Chrysopa coerulea, Brauer, Haid. Abh., IV, p. 7, pl. 11, fig. 1 (1850)
Hemerobius Ramburii, Costa, Fn. Nap. Emerob., p. 14 (1855).
Chrysopa prasina, Brauer et Löw, Neur. austr., p. 61 (1857). —
Wallengren, Oefvers. Akad. Forh. 1865, p. 144. — Rostock, Neur.
germ., p. 103 (1888).
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Ulvenhout, Galderen,
Prinsenhage (H. A.), Helenaveen (Snellen).
Zélande. — Dombourg (ter Haar).
Hollande mér. — Noordwijk, Wassenaar (de Graaf), La Haye (v.
d. Wulp), Leide (v. Vollenhoven), Rotterdam (Snellen), Rhoon
(Schepman).
Hollande sept. — Heemstede (v. Vollenhoven), Hilversum (Ritsema) ,
Valkenveen (Mac Lachlan).
1) M. Mac Lachlan a mis sur le tapis (Ent. Mo. Mag., XXIII, p. 33) l’hypo-
thèse que les Chrysopa prasina, Burmeister, C. aspersa, Wesmael, C. abdominalis,
Brauer, C. Zelleri, Schneider et C. ventralis, Curtis, pourraient bien n’étre que
des formes différentes d'une seule espèce. Il se peut très bien que des recherches
ultérieures prouvent que cette supposition soit fondée, mais, en attendant, il me
semble prudent de traiter ces formes comme des espèces, surtout dans un catalogue
qui a pour but d'enrégistrer les lieux et le temps des captures,
304 CATALOGUE DES
Utrecht. — Driebergen (Six), Maarsbergen (Piaget).
Gueldre. — Oosterbeek (Burger), Renkum (v. Vollenhoven), Arnhem
(v. Med. de Rooy), Nimègue (ter Haar).
Frise. — Leeuwarden, Oldeberkoop (H. A.).
De juin a septembre. Très commune.
9. Chrysopa abdominalis, Brauer.
Chrysopa abdominepunctata, Brauer, Haid. Abh., IV, p. 7, pl. 1r, fig. 7
(1850).
C. abdominalis, Brauer et Low, Neur. austr., p. 61 (1851). — Wallengren,
Oefvers. Akad. Förh. 1865, p. 144; Skand. Neur. planip., p. 19
(1871). -— Rostock, Neur. germ., p. 103 (1888).
Hollande sept. — Valkenveen (Mac Lachlan).
En juillet. Très rare.
10. Chrysopa ventralis, Curtis.
Chrysopa ventralis, Curtis, Brit. Ent., pl. 570 texte (1834). — Stephens,
Il, p. 104 (1836). — Brauer et Low, p. 61 (1857). — Hagen,
Brit. planip., p. 181 (1858). — Mac Lachlan, Mon. Brit. Neur.
planip., p. 203 (1868). — Wallengren, Oefvers. Akad. Förh. 1870,
p. 153; Skand. Neur. planip., p. 18 (1871). — Rostock, Neur.
germ., p. 103 (1888).
C. aspersa, var. 7, Schneider, Chrys., p. 112 (1851). — E, Pictet,
Névr. d'Esp., p. 67 (1865).
Brabant sept. — Ginneken, Zundert, Ulvenhout (H. A.).
Hollande mér. — Noordwijk (de Graaf), Rotterdam, Schéveningue
(Snellen), La Haye (Everts).
Hollande sept. — Hilversum (Ritsema), Valkenveen (Mac Lachlan).
Utrecht. — Driebergen (Six).
De juin jusqu’en août. Dans les bois. Peu commune et locale.
11. Chrysopa abbreviata, Curtis.
Chrysopa abbreviata, Curtis, Brit. Ent., pl. 570 (1834). — Stephens,
Ill., p. 108, p. p. (1836). — Wesmael, Bull. Acad. Brux., VIII,
p. 209 (1841). — Schneider, Chrys., p. 119, pl. 41 (1851). —
Brauer et Löw, Neur. austr.', p. 62 (1857). — Hagen, Brit. planip.,
p. 24 (1858). — Mac Lachlan , Mon. Brit. planip., p. 203 (1868). —
NEVROPTERES. 305
Wallengren, Oefvers. Akad. Förh. 1863, p. 25; Skand. Neur. planip. ,
p. 17 (1871). — Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 372 (1875). —
Girard, Traité d’entom. IL, p. 478 (1876). — Rostock, Neur. germ. ,
p. 103 (1888).
Chrysopa immaculata, Stephens, Ill., p. 103 (1836).
Hemerobius chlorophanes, Ratzeburg, Forstins., Ill, p. 248 (1844).
Brabant sept. — Ulvenhout (H. A).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen, Piaget), La Haye (Six), Noordwijk
(de Graaf), Wassenaar (v. Vollenhoven), Schéveningue, Katwijk
(Ritsema), Leide (Périn), Voorburg (Schepman).
Hollande sept. — Velsen (v. Vollenhoven), Overveen (Jaspers),
Valkenveen (Mac Lachlan), Texel (Ritsema), Ter Schelling (Veth).
Utrecht. — Driebergen (Six), Soesterheide (Fransen).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Roov), Renkum (Burger), Ooster-
beek (Backer), Wageningen (Heeringa).
De mai à août. Commune dans les bois et dans les dunes.
12. Chrysopa phyllochroma, Wesmael.
Chrysopa abbreviata, Stephens, Ill., p. 103 p. p. (1836) (nec Curtis). —
Schneider, Chrys., p. 119, p. p. (1851).
C. phyllochroma, Wesmael, Bull. Acad. Brux., VIII, p. 209 (1841). —
Brauer et Löw, Neur. austr., p. 61 (1857). — Hagen, Brit. planip.,
p. 24 (1858). — Wallengren, Oefvers. Akad. Förh. 1863, p. 26;
Skand. Neur. planip., p. 16 (1871). — Mac Lachlan, Mon. Brit.
planip., p. 205 (1868). — Mever-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 370
(1875). — Rostock, Neur. germ., p. 103 (1888).
C, pusilla et tenella, Brauer, Haid. Abh., IV, p. 5 et 8, pl.rr, fig. 4
et 5 (1850).
Brabant sept. — Ulvenhout (H. A.), Ginneken (Piaget).
Zélande. — Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — Leide (Wttewaal), Noordwijk, Den Deyl (de Graaf).
Hollande sept. — Velsen (W. Albarda), Ter Schelling (Veth).
Utrecht. — Huis ter heide (Piaget).
Gueldre. — Renkum (Burger), Arnhem (v. Bemmelen), Nimègue
(ter Haar).
Frise. — Oldeberkoop, Beetsterzwaag (H. A.).
De juin è septembre.
306 CATALOGUE DES
13. Chrysopa dorsalis, Burmeister.
Chrysopa dorsalis, Burmeister, Handb. II, p. 981 (1839). — Schneider,
Chrys., p. 140, pl. 50 (1851). — Wallengren, Skand. Neur. planip. ,
p. 15 (1871). — Rostock, Neur. germ., p. 102 (1888).
C. pini, Brauer, Haid. Abh., IV, p. 9, pl. rr, fig. 2 (1850). -- Brauer
et Low, Neur. austr., p. 59 (1857). — Wallengren, Oefvers. Akad.
Förh. 1865, p. 144.
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Galderen (H A.).
Hollande sept. — Velsen (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
De juin à août, dans les bois. Assez rare,
14. Chrysopa perla, L.
Hemerobius perla, L., Syst. nat., ed. X, p. 549, n°. 1 (1758); Fn.
Suec., ed. II, p. 385, n°. 1504 (1761); Syst. nat., ed. XII, p. 911
n2.-2:(1767).
H. chrysops, Scopoli, Entom. carn., p. 271, n°. 708 (1763). — Müller,
Faun. Friedr., p. 65, n°. 572 (1764); Prodr., p. 146, n°. 1681
(1776). — Fab., Syst. ent., p. 309 (1775); Ent. syst., p. 83
(1793). — Schrank, Enum., p. 312 (1781). — Villers, Ent., III,
p. 47, n°. 3 (1798). — Olivier, Enc. méth., VII, p. 60, n°. 8
(1792). — Latreille, Hist. nat., XIII, p. 37 (1805). — Zetterstedt,
Ins. Lapp., p. 1048 (1840). — Rambur, Névropt., p. 427 (1842). —
Costa, Fn. Nap. Emerob., p. 17, pl. xr, fig. 4 (1855).
H. cancellatus, Schrank, Fn. Boic., IL, p. 189 (1798).
Chrysopa reticulata, Stephens, IL, p. 102 (1836). — Burmeister, Handb.
II, p. 980 (1839). — Brauer, Haid. Abh. IV, p. 8, pl. ur, fig.
6 (1850).
C. cancellata, Wesmael, Bull. Acad. Brux., VIII, p. 208 (1841).
Hemerobius reticulatus, Ratzeb. Forstins., III, p. 247 (1844).
Chrysopa perla, Schneider, Chrys., p. 136, pl. 6, fig. 4 et pl. 49 (1851). —
Brauer et Löw, Neur. austr., p. 61 (1857). — Hagen, Brit. planip.,
p. 24 (1858). — Wallengren, Oefvers Akad. Förhandl. 1863, p.
25, Skand. Neur. planip., p. 15 (1871). — Mac Lachlan, Monogr.
Brit planip., p. 205 (1869). — Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz,
p. 372 (1875). — Rostock, Neur. germ., p. 103 (1888).
C. chrysops, Girard, Traité d’entom. II, p. 479 (1876).
NEVROPTERES. 307
Limbourg. — Maestricht, Bunde (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (W. Albarda), Ulven-
hout, Prinsenhage (H. A.), Rijen (ter Haar),
Zélande. — Middelbourg (Gerth v. Wijk).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen), den Deyl, Wassenaar , Lisse,
Linschoten, Noordwijk, Delft (de Graaf), La Have (Six), Sché-
veningue (v. d. Wulp), Rhoon (Schepman).
Hollande sept. — Heemstede (v. Vollenhoven), Harlem, Velsen
(Jaspers), Amsterdam (Grebner), Overmeer (Piaget), Arenderhout
(Ritsema), Valkenveen (Mac Lachlan).
Utrecht. — Driebergen (Six).
Gueldre, — Arnhem (v. Med. de Rooy), Oosterbeek (Backer), Hat-
tem (Ritsema), Ruurlo (Piaget), Nimègue (ter Haar), Ede (Jaspers),
Wageningen (Ritzema Bos).
Drenthe. — Paterswolde (de Gavere).
Frise. — Leeuwarden, Driesum, Oldeberkoop, Beetsterzwaag (H. A),
Heerenveen (Jaspers).
Groningue. — Haren (de Gavere).
De mai jusqu’en août. Très commune.
Famille VL. HEMEROBIIDES, Westw., 1839.
Genre DREPANOPTERYX, Leach, 1815.
l, Drepanopteryx phalaenoides, L.
‚Réaumur, Mem. III, p. 390, pl. 32, fig. 8, 1737).
Hemerobius phalaenoides, L. Syst. nat. ed. X, p. 550 (1758); Fn. Succ.
ed. II, p. 383 (1761); Syst. nat. ed. XII, p. 912 (1767). —
Schäffer, Icon., tab. III, fig. 10, 12, 1766; de Geer, Mém. III,
p- 714, tab. 22, fig. 12, 13, 1771]. — Fab., Syst. ent., p. 310,
n°. 5 (1775); Spec. ins. p. 393, n°. 5 (1781); Mant., p. 247,
n°. 7 (1787); Ent. Syst., p. 83, n°. 8 (1793). — Sulzer, Abgek.
Gesch., p. 175, tab. 25, fig. 2 (1776). —- Schrank, Enum. p. 313
(1781); Fn. Boic., p. 190 (1802). — Villers, Entom., III, p. 48
(1789). — Olivier, Enc. méth., VII, p. 61, n°. 11 (1792). —
Roemer, Gen. ins., tab. 25, fig. 2 (1798). — Panzer, fase. 87,
n°. 15 (1805). — Zetterstedt, Ins. Lapp., p. 1048 (1840).
Osmylus phalaenoides, Latreille, Hist. nat , XIII, p. 39 (1805).
308 CATALOGUE DES
Drepanepteryx phalaenoides (Leach), Stephens, Ill. p. 100, pl. xxxr,
fig. 1 (1836). — Mac Lachlan, Monogr. Brit. Neur. planip., p.
190 (1868). — Wallengren, Skand. Neur. planip., p. 33 (1871).
Drepanopteryx phalaenoides, Burmeister, Handb. II, p. 975 (1839). —
Wesmael, Bull. Acad. Brux., VIII, p. 219 (1841). — Brauer et Low,
Neur. austr., p. 55 (1857). — Hagen, Brit. planip., p. 29 (1858). —
Wallengren, Oefvers. Akad. Förhandl., 1864, p. 9. — Meyer-Diir ,
Neur. d. Schweiz, p. 362 (1875). — Girard, Traité d’entom. II,
p. 460 (1876). — Rostock, Neur. germ., p. 108 (1888).
Megalomus phalaenoides, Rambur, Névropt., p. 418 (1842).
Zélande. — Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — La Haye, (Six, v. Vollenhoven).
Hollande sept. — Amsterdam (Smit), Bloemendaal (Ritsema).
En mai et en juin, dans les bois. Rare.
Genro MEGALOMUS, Rambur, 1842.
lL Megalomus hirtus, L.
Hemerobius hirtus, L., Fn. Suec., ed. II, p.382, n°. 1507 (1761); Syst.
nat. ed. XII, p. 912, n°. 6 (1767). — Fab. Syst. ent., p. 310,
n 36 (1776); Spec.slns., p. 3935 n. 160781); Manis ps 247,
n°. 9 (1787); Ent. syst., p. 84, n°.10(1798). — Villers, Entom.,
III, 48, n°. 5 (1789). — Olivier, Enc. méth., VII, 61, n°. 13
(1792). — Zetterstedt, Ins. Lapp, p. 1049 (1840). — Wesmael,
Bull. Acad. Brux., VIII, p. 218 (1841). — Brauer et Low, Neur.
austr., p. 56 (1857). — Hagen, Brit. planip., p. 28 (1858). —
Wallengren, Oefvers. Akad. Forhandl., 1863, p. 20; Skand. Neur.
planip., p. 36 (1871). — Girard, Traité d’entom. IT, p. 461(1876).
Hemerobius fimbriatus, Curtis, Brit. Eutom., pl. 202 (1828). — Stephens,
Il., p. 113 (1836).
Megalomus tortricoides, Rambur, Névropt., p. 419 (1842).
Drepanopteryx tortricoïdes, Costa, Fn. Nap. Emerob., p. 6, pl.x., fig.
3 (1855).
Megalomus hirtus, Mac Lachlan, Monogr, Brit. planip., p. 189 (1868). —
Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz , p. 364 (1875). — Rostock, Neur.
germ., p. 108 (1888).
Brabant sepi. — Ginneken (H. A.).
Un seul exemplaire, en juin.
NEVROPTERES. 309
Genre HEMEROBIUS, L., 1740.
I. Hemerobius concinnus, Stephens.
Hemerobius concinnus, Stephens, Ill., p. 106, pl. xxx, fig. 3 (1836). —
Hagen, Brit. planip., p. 28 (1858). — Mac Lachlan, Monogr.
Brit. planip., p. 188 (1868). — Wallengren, Skand. Neur. planip.,
p. 35 (1871). — Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 364 (1875). —
Rostock, Neur. germ., p. 109 (1888).
H. hirtus, Burmeister, Handb. II, p. 975 (1839) (nec L.) — v. Vol-
lenhoven, Gel. Dier. v. Nederl., p. 311 (1861).
H. cylindripes, Wesmael, Bull. Acad. Brux., VIII, p. 218 (1841). —
Brauer et Low, Neur. austr., p. 56 (1857). — Wallengren,
Oefvers. Akad. Förhandl., 1863, p. 20.
H. atomarius, Göszy, Sitzb. Akad. Wissensch. Wien, 1852, p. 346.
Brabant sept. — Ginneken (Piaget, Ritsema).
Gueldre. — Zeddam (Snellen), Arnhem (Piepers), Wolfhezen (v. Med.
de Rooy).
Frise. — Leeuwarden, Jelsum (H. A.).
De juin è aoùt. Peu commune.
2. Hemerobius nervosus, Fab.
Hemerobius nervosus, Fab., Ent. Syst., p. 85 (1793). — Wesmael, Bull.
Acad. Brux. VIII, p. 217 (1841).
p. 56 (1857). — Hagen, Brit. planip., p. 28 (1858). — Wallen-
gren, Oefvers Akad. Förhandl. 1863, p. 22; Skand. Neur. planip.,
p. 37 (1871). — E. Pictet, Névr. d’Esp., p. 56 (1865). — Mac
Lachlan, Monogr. Brit. planip., p. 187 (1868). — Meyer-Dür,
Neur. d. Schweiz, p. 366 (1875). — Girard, Traité d’entom. II,
p- 462 (1876). — Rostock, Neur. germ., p. 109 (1888).
H. nebulosus, Stephens, Ill., p. 107, p. p. (1836).
H. conspersus, Burmeister, Handb. IL, p. 974 (1839).
Mucropalpus distinctus, Rambur, Névropt., p. 421; — Costa, Fn. Nap.
Brauer et Low, Neur. austr.,
Emerob., p. 9, pl. x, fig. 6 (1855).
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt),
Brabant sept. — Ginneken (H. A).
Zélande. — Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Leide, Schéveningue (de
Graaf), ’s Gravezande (v. Vollenhoven).
310 CATALOGUE DES
Hollande sept. — Heemstede (v. Vollenhoven), Velsen (Jaspers).
Utrecht. — Zeist, Soest (Snellen).
Gueldre. — Arnhem (v. Med, de Rooy), Velp (de Graaf), Nimègue
(ter Haar).
Drenthe, — Assen (ter Haar).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Driesum (H. A.).
D’avril jusqu’en octobre. Très commun.
3. Hemerobius subnebulosus, Stephens.
Hemerobius subnebulosus, Stephens, Il, p. 107 (1836). — Mac Lachlan,
Monogr. Brit. planip., p. 185 (1868). — Wallengren, Oefvers.
Akad. Förhandl., 1870, p. 154; Skand. Neur. planip., p, 36 (1871). —
Rostock, Neur, germ., p. 109 (1888).
H. fuscus, obscurus et nervosus, Stephens, Ill, p. 107, 108 (1836).
Var. perelegans, id., L 1., p. 109.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (H. A.), St. Michiels Gestel (Snellen).
Hollande mér. — La Haye (Weyenbergh), Rotterdam (Snellen), Leide
(de Graaf). :
Hollande sept. — Harlem (Weyenbergh).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Driesum (H. A).
De mars à juillet. Pas commun.
4. Hemerobius fasciatus, Göszy.
Hemerobius fasciatus, Göszy, Sitzb, Akad. Wissensch. Wien, 1852, p.
346. — Brauer et Low, Neur. austr., p. 57 (1857). — Wallen-
gren, Skand. Neur. planip. p. 46 (1871).
Gueldre. — Arnhem, Oosterbeek (v. Med. de Rooy).
En mars et en juin. Très rare.
”-
5. Hemerobius strigosus, Zetterstedt.
Hemerobius subfasciatus, irroratus et stigma, Stephens, Il, p. 111,
112 (1836).
H. strigosus, Zetterstedt, Ins. Lapp., p. 1049 (1840). — Wallengren,
Skand. Neur planip., p. 44 (1871). — Rostock, Neur. germ. , p. 110
(1888).
II. limbatus, Wesmael, Bull. Acad. Brux., VIII, p. 215 (1841). —
Brauer et Löw, Neur. austr., p. 57 (1857). — Wallengren,
NEVROPTERES. 311
Oefvers. Akad. Förhandl. 1863, p. 21. — Mac Lachlan, Monogr.
Brit. planip., p. 152 (1868). — Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz,
p. 366 (1875).
Limbourg — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout, Prinsenhage (H. A.),
Oorschot (Maurissen).
Zélande. — Dombourg (ter Haar).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Rhoon (Schepman), Noord-
wijk (de Graaf), La Haye (Six).
Hollande sept. — Harlem (Weyenbergh), Velsen (Jaspers).
Utrecht. — Driebergen (Six), Vuursche (v. Vollenhoven).
Gueldre. — Arnhem, Wolfhezen (v. Med. de Rooy), Oosterbeek
(Backer), Loenen (Snellen), Hatert, Ubbergen, Groesbeek (ter Haar).
Frise. — Leeuwarden, Driesum, Oldeberkoop, Beetsterzwaag (H. A.).
De mars jusqwen septembre. Commun, surtout sur les pins et les
sapins.
Hemerobius atrifrons, Mac Lachlan.
Hemerobius linbatellus, Wallengren, Oefvers. Akad. Förhandl. 1863,
p. 20 (nec Zetterstedt).
H. atrifrons, Mae Lachlan, Monogr. Brit. planip., p. 176 (1868). —
Wallengren, Skand. Neur. planip., p. 45 (1871).
En Westphalie (Kolbe); en Belgique, un seul exemplaire à Barraque
Michel, le 9 juillet (de Selys).
6. Hemerobius limbatellus, Zetterstedt.
Hemerobius limbatellus, Zetterstedt, Ins. Lapp., p. 1050 (1840). —
Wallengren, Skand. Neur. planip., p. 43 (1871). — Rostock,
Neur. germ., p. 110 (1888).
H. punctatus, Göszy, Sitzb. Akad. Wissensch. Wien, 1852, p, 346. —
Brauer et Low, Neur. austr., p. 57 (1857).
H. variegatus, Wallengren, Oefvers. Akad. Förhandl. 1863, p. 21,
(nec Fab.).
Hollande mér. — La Haye (Six), Noordwijk (v. d. Wulp).
Hollande sept. — Valkenveen (Mac Lachlan).
Utrecht. — Vuursche (v. Vollenhoven).
Gueldre. — Oosterbeek (v. Med. de Rooy, Ritsema).
En juin et en juillet. Assez rare.
312 CATALOGUE DES
7. Hemerobius humuli, L.
Hemerobius humuli, L., Syst. nat., ed. X, p. 550, n°. 8 (1758);
Fn. Suec., ed. II, p. 383, n°. 1510 (1761); Syst. nat., ed. XII,
p--918, n°. 10 (1767). — Fab. yet tent, p. 310, 09.711775):
Spec: Ans... p:.999, n°. 8 (1781). Ment. p: 247, DIO
Ent. Syst., p. 84, n°. 10 (1793). — Schrank, Enum., p. 313,
n°, 626 (1781); Fn. Boic., p. 191 (1798). — Villers, Ent.,
ILL, <p. 49, 00.6 (1789). — Olivier, (Enc.-méth., VII, m. 62,
n°. 14 (1792). — Latreille, Hist. nat., XIII, p. 38 (1805). —
Burmeister, Handb. II, p. 974 (1839). — Zetterstedt, p. 1050
(1840). — Wesmael, Bull. Acad. Brux., VIII, p. 215 (1841). —
Brauer et Low, Neur. austr., p. 57 (1857). — Hagen, Brit. planip. ,
p. 27 (1868). — Wallengren, Oefvers. Akad. Fordhandl. 1863,
p. 20; Skand. Neur. planip., p. 41 (1871). — Mac Lachlan,
Monogr. Brit. planip., p. 180 (1868). — Meyer-Diir, Neur. d.
Schweiz, p. 365 (1875). — Girard, Traité d’entom. II, p. 462
(1876). — Rostock, Neur. germ., p. 111 (1888).
H. lutescens (nec Fab.), affinis, paganus (nec L.) et apicalis, Stephens,
Ill. 109, 110 (1836).
H. maculatus et affinis, Wesmael, Bull. Acad. Brux., VIII, p. 215
(1841).
Mucropalpus lutescens, Rambur, Névropt., p. 420 (1842).
Limbourg. — Maestricht, Bunde (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt),
Ottersum (Ritsema).
Brabant sept — Oorschot (Maurissen), Cuyk (ter Haar), Ginneken,
Ulvenhout, Prinsenhage, Chaam (H. A.).
Zélande. — Middelbourg (de Man), Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen), La Haye (Six), Leide, Was-
senaar (de Graaf), Warmond (Ritsema), Rhoon (Schepman).
Hollande sept. — Harlem, Bloemendaal, Texel (Ritsema), Velsen
(Jaspers).
Utrecht, — Driebergen (Six), Houten (Wttewaal), Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem, Apeldoorn, Wolfhezen (v. Med. de Rooy),
Zutphen (Ritsema).
Drenthe. — Paterswolde (de Gavere).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Suawoude, Kuikhorne, Oudwoude,
Driesum, Oldeberkoop, Beetsterzwaag (H. A.).
NEV ROPTERES. 313
Groningue. — Groningue, Haren (de Gavere), Ter-Apel (H. A).
Du commencement (avril jusqu’en octobre. Très commun.
8. Hemerobius orotypus, Wallengren.
Hemerobius orotypus, Wallengren, Oefvers. Akad. Förhandl., 1870, p.
155; Skand. Neur. planip., p. 41 (1871). — Rostock, Neur. germ.,
p. 111 (1888).
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (H. A.), Ulvenhout (Ritsema).
“Hollande mér. — La Haye (Six, Everts), Staalduin (v. Vollenhoven),
Waalsdorp (de Graaf), Wassenaar (Ritsema), Rotterdam (Piaget),
Rhoon (Schepman).
Utrecht. — Utrecht (v. Hasselt).
Gueldre — Arnhem, Wolfhezen (v. Med. de Rooy), Zelhem (Snellen).
Frise. — Oldeberkoop, Beetsterzwaag (H. A.).
De mars à septembre. Assez commun.
9. Hemerobius micans, Olivier.
Hemerobius micans, Olivier, Enc, méth. VII, p. 63 (1792). — Wesmael ,
Bull. Acad. Brux., VIII, p. 216 (1841); — Brauer et Low, Neur.
austr., p. 56 (1857). — Hagen, Brit. planip., p. 27 (1858). —
Wallengren, Oefvers. Akad. Förhandl., 1863, p. 21; Skand. Neur.
planip., p. 39 (1871); — Mac Lachlan, Monogr. Brit. planip., p.
179 (1868). — Meyer-Diir, Neur. d, Schweiz, p. 365 (1875). —
Rostock, Neur. germ., p. 110 (1888).
H. punctatus et pallidus, Stephens, Ill., p. 111 et 112 (1836).
H. lutescens, Burmeister, Handb. II, p. 974 (1839).
Mucropalpus irroratus, Costa, Fn. Nap. Emerob., p. 11, pl. x, fig. 7
pat) ) I DIE P
(1855).
Var. fuscinervis, Schneider, Stett. ent. Zeit. 1845, p. 344. — Mac
Lachlan, 1. L — Wallengren, 1. 1.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (H. A.), Cuyk
(ter Haar).
Zélande. — Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), La Haye (Six), Schéve-
ningue (Piaget), Waalsdorp, Noordwijk, Leide (de Graaf).
Hollande sept. — Bloemendaal (Ritsema), Valkenveen (Mac Lachlan):
314 CATALOGUE DES
Utrecht. — Driebergen (Six), Schothorst pres d’Amersfoort (v. Vol-
lenhoven).
Gueldre. — Arnhem, Velp, Wolfhezen (v. Med. de Rooy), Loenen
(Snellen).
Frise. — Beetsterzwaag, Oldeberkoop (H. A.).
D’avril jusqu’en septembre. Très commun.
Var. Un seul exemplaire à Rotterdam (Fransen).
Hemerobius marginatus, Stephens.
Hemerobius marginatus, Stephens, Ill, p. 109 (1836). — Mae Lachlan, *
Monogr. Brit. planip., p. 181 (1868). — Wallengren , Skand. planip.,
p. 42 (1871). — Rostock, Neur. germ., p. 111 (1888).
H. flevuosus, Hagen, Brit. planip., p. 131 (1858).
H. lutescens, Zetterstedt, Ins. Lapp., p. 1050 (1840).
En Westphalie (Kolbe).
10. Hemerobius nitidulus, Fab.
Hemerobius nitidulus, Fab., Gen. ins., p. 244 (1776); Spec. ins. , p. 393,
n°. 6 (1781); Mant., p. 247, n°. 8 (1787); Ent. syst., p. 83,
n°. 9 (1793). — Villers, Entom. III, p. 53, n°. 13 (1789). —
Olivier, Ene. méth. VII, p. 61, n°. 12 (1792). — Latreille, Hist.
nat. XIII, p. 38 (1805). — Hagen, Brit. planip., p. 27 (1858). —
Mac Lachlan, Monogr. Brit. planip., p. 178 (1868). — Wallengren ,
Skand. Neur. planip., p. 40 (1871). — Meyer-Diir, Neur. d.
Schweiz, p. 365 (1875). — Rostock, Neur. germ., p. 110 (1888).
H. ochraceus, Wesmael, Bull. Acad. Brux. VIII, p. 217 (1841). —
Brauer et Löw, Neur. austr., p. 57 (1857). — Wallengren,
Oefvers. Akad. Fördhandl. 1863, p. 21.
Mucropalpus obscurus, Rambur, Névropt., p. 423 (1842).
Hemerobius rufesceus, Göszy, Sitzb. Akad. Wissensch. Wien, VIII, p. 346
(1852).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken, Ulvenhout (H. A.),
Oorschot (Maurissen).
Hollande sept. — Vogelenzang (Piaget).
Utrecht. — Driebergen (Six).
Gueldre. -— Arnhem (v. Med. de Rooy), Loenen (Snellen), Ooster-
beek (Ritsema), Nimègue (ter Haar).
De mai à août. Sur les pins et les sapins. Commun.
NÉVROPTÈRES. 315
ll. Hemerobius inconspicuus, Mac Lachlan.
Hemerobius inconspicuus, Mac Lachlan, Monogr. Brit. planip., p- bil
(1868). — Rostock, Neur. germ., p. 109 (1888).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
En juin, Rare.
Hemerobius pellucidus, Walker.
Hemerobius pellucidus, Walker, Catal. II, p. 284 (1853). — Mae Lachlan,
Ent. Mo. Mag. IT, p. 269 (1866); Monogr. Brit. planip., p. 177
(1868). — Wallengren , Skand. Neur. planip., p. 38 (1871). —
Rostock, Neur. germ., p. 109 (1888).
H. fuscescens, Wallengren , Oefvers. Akad. Förhandl. 1863, p. 22.
En Westphalie (Kolbe).
12. Hemerobius elegans, Stephens.
Hemerobius elegans, Stephens, IL, p. 113 (1836). -— Mac Lachlan,
Monogr. Brit. planip., p. 176 (1868). — Wallengren, Skand.
Neur. planip., p. 46 os a Meyer-Diir, Neur. d. Schweiz,
p. 367 (1875). — Rostock, Neur. germ., p. 109 (1888).
H. Marshami, Stephens, |. L, p. 114.
H. paucinervis, Zetterstedt, Ins. Lapp., p. 1050 (1840).
Mucropalpus pygmaeus, Rambur, Névropt., p. 442 (1842).
Hemerobius pygmacus, Brauer et Low, Neur. austr., p. 56 (1857). —
Hagen, Brit. planip., p. 56 (1858). — Wallengren , Oefvers. Akad.
Förhandl. 1863, p. 22. — E. Pictet, Névr. d’Esp., p. 56 (1865).
Var. (Mucropalpus) parvulus, Rambur, Névropt, p. 422 (1842). —
Costa, Fn. Nap. Emerob., p. 11, pl. x, fig. 8 (1855).
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Hollande mér. — La Haye (Snellen).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
Frise. — Leeuwarden (H. A.).
En avril, en mai et en août. Assez rare.
Geure MICROMUS, Rambur, 1842.
1. Micromus variegatus, Fab.
Hemerobius variegatus, Fab. Ent. syst., p. 35 (1793). — Stephens,
U, p. 113 (1836). — Burmeister, Handb. II, p. 974 (1839). —
Wesmael, Bull., Acad. Brux. VIII, p. 214 (1841).
316 CATALOGUE DES
Micromus variegatus, Rambur, Névropt., p. 417 (1842). — Costa,
Fn. Nap. Emerob., p. 4, pl. x, fig. 2 (1855). — Brauer et Low,
Neur. austr., p. 58 (1857). — Hagen, Brit. planip., p. 26,
(1858); Monogr. of Hemerob., part II, p. 182 (1886). —
Mac Lachlan, Monogr. Brit. planip., p. 172 (1368). — Wallen-
gren, Skand. Neur. planip., p. 50 (1871). — Meyer-Diir, Neur.
d. Schweiz, p. 363 (1875). — Girard, Traité d’entom. II, p. 463
(1876). — Rostock, Neur. germ., p. 107 (1888).
Brabant sept. — Ginneken (Piaget), Ulvenhout (H. A.), Loon (Everts).
Zélande. — Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. -- Rotterdam (Fransen), La Haye (Six), Schéve-
ningue (Piaget), Katwijk (Périn), Leide, Wassenaar (de Graaf),
Lisse (Piaget).
Hollande sept. — Harlem, Overveen (Ritsema), Velsen (Jaspers),
Heemstede (v. Vollenhoven).
Utrecht. — Driebergen (Six).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
De juin jusqu’en août. Assez commun.
Micromus paganus, L.
Hemerobius paganus, L., Syst. nat., ed. XII, p. 912, n°. 11 (1767).
H. nemoralis, Stephens, IL, p. 110 (1836).
Micromus lineosus, Rambur, Névropt., p. 416 (1842).
Hemerobius elegans, Göszy, Sitzb. Akad. Wissensch. Wien, VIII,
p. 346 (1852).
Micromus paganus, Brauer et Low, Neur. austr., p. 58 (1857). —
Hagen, Brit. planip., p. 26 (1858); Monogr. of the Hemerobidae ,
part IL, p. 278 (1886). — Wallengren, Oefvers. Akad. Förhandl. ,
1863, p. 23; Skand. Neur. planip., p. 48 (1871). — Mac Lachlan,
Monogr. Brit. planip., p. 173 (1868). — Girard, Traité d’entom.
II, p. 463 (1875). — Rostock, Neur. germ., p. 107 (1888).
En Belgique. Un exemplaire è Viel-Salm, en juillet (de Selys).
2. Micromus angulatus, Stephens.
Hemerobius aphidivorus, Olivier, Enc. méth., VII, p. 62, n°. 15
(1792) (nec Schrank).
H. angulatus, Stephens, Ul, p. 106 (1836).
H. villosus, Zetterstedt, Ins. Lapp., p. 1050 (1840).
NÉVROPTÈRPS. 317
Hemerobius intricatus ‚ Wesmael, Bull. Acad. Brux., VIII, p. 214 (1841).
Micromus tendinosus, Rambur, Névropt., p. 417 (1842).
M. intricatus, Schneider, Stett. ent. Zeit., 1845, p. 343; Arb. Schles.
Gesellsch. 1846, p. 1. — Hagen, Brit. planip., p. 26 (1858). —
Wallengren, Oefvers. Akad. Förhandl. 1863, p. 23.
Hemerobius lineatus, Göszy, Sitzb. Akad. Wissensch. Wien, VIII,
p, 346 (1852).
Micromus villosus, Brauer et Löw, Neur. austr., p. 58 (1857). —
Meyer-Diir, Neur. d. Schweiz, p. 364 (1875).
M. aphidivorus, Hagen, Ent. Mo. Mag., II, p. 59 (1865). — Mac
Lachlan, Monogr. Brit. planip., p. 172 (1868). — Wallengren,
Skand. Neur. planip., p. 49 (1871). — Girard, Traité d’entom.
II, p. 463 (1876). -— Rostock, Neur. germ., p. 107 (1888).
M. angulatus, Hagen, Monogr. of the Hemerob., part IT, p. 280 (1886).
Limbourg. — Maestricht, Bunde (Maurissen), Fauquemont (Piaget).
Hollande mér. — La Haye (Six, Everts), Wassenaar (de Graaf),
Schéveningue (v. Vollenhoven), Leide (Périn).
Hollande sept. -- Alkmaar (Jaspers).
Utrecht. — Doorn (de Graaf), Driebergen (Six).
Gueldre. — Arnhem, Oosterbeek (v. Med. de Rooy).
En avril et en mai et d’aoüt è octobre. Dans les dunes et sur les
bruyères.
Genre PSECTRA, Hagen, 1866.
1. Pseetra diptera, Burmeister.
Hemerobius dipterus, Burmeister, Handb. IL, p. 973 (1839). — Mac
Lachlan, Ent. Mo. Mag. IL, p. 269 (1866).
Micromus dipterus, Hagen, Stett. ent. Zeit., 1855, p. 130.
Psectra diptera, Hagen, Stett. ent. Zeit., 1866, p. 458; Entom.
Americana, vol. II, n°. 2, p. 21 (1886). — Mac Lachlan, Monogr.
Brit. planip., p. 170 (1868). — Wallengren, Oefvers. Akad. Förhandl.
1870, p. 154; Skand, Neur planip., p. 52 (1871). — Albarda,
Tijdschr. v. Entom. XVII, Comptes-rendus, p. 15 (1874). — Rostock,
Neur. germ. p. 108 (1888).
Hollande mér. — La Haye (Six), Staalduin (v. Vollenhoven).
Utrecht. — Driebergen (Six), Utrecht (v. Hasselt).
En juillet et aoùt. Excessivement rare, surtout les femelles,
318
CATALOGUE DES
Famille VII CONIOPTERYGIDES, Burmeister, 1839.
Genre CONIOPTERYX, Haliday, 1834.
1. Coniopteryx psociformis, Curtis.
Coniopterya psociformis, Curtis, Brit. Ent., pl. 528, fig. 9 (1834). —
Stephens, Ill., p. 117 (1836). — Burmeister, Handb. II, p. 772
(1839). — Rambur, Névropt., p. 316 (1842). — Hagen, Brit.
planip., p. 30 (1858). — Mac Lachlan, Monogr. Brit. planip., p.
192 (1868). — Wallengren, Skand. Neur. planip., p. 55 (1871). —
Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 361 (1875). — (Girard, Traité
d’Entom. II, p. 482 (1876). — Brauer, Neur. Eur., p. 15 et 30
(1876). — Löw, Sitzb. Akad. Wissensch. Wien, Bd, XCI, p. 12
(1885). — Rostock, Neur. germ., p. 112 (1888).
C. aphidiformis, Rambur, Névropt., p. 316 (1842).
Brabant sept. — Ginneken (H. A.)
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy, de Graaf).
De juillet à septembre. Très rare.
2. Coniopteryx aleyrodiformis, Stephens.
Coniopteryx tineiformis, Curtis, Brit. Ent., pl. 528, p. p. fig. 9 (1834).
O. aleyrodiformis , Stephens, Ill., p. 116 (1836). — Hagen, Brit. planip.,
p- 29 (1858). — Mac Lachlan, Monogr. Brit. planip., p. 193
(1868). — Wallengren, Skand. Neur. planip., p. 55 (1871). —
Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz., p. 361 (1875). — Brauer, Neur.
Europ., p. 15 et 30 (1876). — Löw, Sitzb. Akad. Wissensch.
Wien, XCI, p. 11 (1885). — Rostock, Neur. germ., p. 112(1888).
Brabant sept. — Ginneken (H. A.). |
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
En mai et en juin. Rare,
3. Coniopteryx lactea, Wesmael, 1841.
Contopteryx tineiformis, Curtis, Brit. Ent., pl. 528 p. p. (1834). —
Stephens, IL, p. 116 (1836). — Burmeister, Handb. IL, p. 771
(1839). — Rambur, Névropt., p. 316 (1842). — Brauer et Löw,
Neur. austr., p. 55 (1857). — Hagen, Brit. planip., p. 29 (1858). —
Wallengren, Oefvers. Akad. Förhandl., 1863, p. 18 (1863); Skand.
Neur. planip., p. 54 (1871). — Mac Lachlan , Monogr. Brit. planip.,
NÉVROPTÈRES. 319
p. 192 (1868). — Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 361 (1875). —
Girard, Traité d’entom. IT, p. 482 (1876). — Brauer, Neur. Eur.,
p. 15 et 31 (1876).
Malacomyza lactea, Wesmael, Bull. Acad. Brux, III, p. 166 et 244,
pl. 6, fig. 3 et pl. 7, fig. 2 (1836).
Sciodes lacteus et fuscus, Zetterstedt, Ins. Lapp., p. 1050 et 1051 (1840).
Coniortes tineiformis, Westwood, Introd. II, p. 49 (1840).
Coniopteryx lactea, Löw, Sitzb. Akad. Wissensch. Wien, XCI, p. 14
(1885). — Rostock, Neur. germ., p. 112 (1888).
Limbourg. — Maestricht (Maurissen).
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout, Prinsenhage (H. A.).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen), Leide (v. Vollenhoven).
Hollande sept. — Harlem (Ritsema).
Utrecht. — Maarsbergen (Piaget).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Renkum, Worth-Rhede,
Voorst (v. Vollenhoven), Velp (Ritsema), Empe (v. Eyndhoven).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Tietjerk, Driesum, Oldeberkoop,
Beetsterzwaag (H. A.).
En avril et de juin jusqu’en août. Très commune.
Famille VII. PANORPIDES, Mac Lachlan, 1868.
Genre BITTACUS, Latreille, 1807.
Bittacus tipularius, Fab.
Panorpa tipularia, Fab., Syst. ent., p. 314 (1775); Spee. ins., p. 401,
n°. 4 (1781); Maut., p. 251, n°. 4 (1787); Ent. syst., p. 98,
n°, 6 (1793). — Sulzer, Abgek. Gesch., p. 177, pl. 25, fig. 7 et 8
(1776). — Villers, Ent. III, p. 66, pl. vir, fig. 11 (1789). —
Roemer, Gen. Ins., pl. 25, fig. 7 et 8 (1798).
P. tipuloides, Schrank, Beitr., p. 82 (1776); Enum., p. 317 (1781).
Bittacus tipularius, Latreille, Hist. nat. XIII, p. 20 (1805); Gen. III,
p. 189 (1807). — Burmeister, Handb. II, p. 956 (1839). —
Rambur, Névropt., p. 326 (1842). — Brauer, Verh. zool. bot.
Ver. Wien, Bd. V, p. 707 (1855). — Brauer et Löw, Neur. austr.,
p- 36 (1857). — Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 360 (1875). —
Girard, Traité d’entom. II, p. 407 (1876). — Rostock, Neur. germ.
p. 116 (1888).
B, italicus, Klug, Panorpat., p. 97 (1836).
2
320 CATALOGUE DES
En Belgique. Près de Bruxelles et è Fallais sur la Méhaigne, en juin
(de Selys).
Bittacus Hageni, Brauer.
Bittacus Hageni, Brauer, Verh. zool. bot. Ver. Wien, X, p. 691
(1860). — Rostock, Neur. germ., p. 116 (1888).
En Belgique. Un seul exemplaire, près de Ronquières, le 19 juillet
(de Selys).
Genre PANORPA, L. 1758.
l. Panorpa alpina, Rambur.
Panorpa alpina, Rambur, Névropt, p. 330 (1842). — Mac Lachlan,
Trans. ent Soc. Lond. 1869, p. 62, pl. rv, fig. 1. — Wallengren ,
Skand. Neur. planip., p. 72 (1871). — Girard, Traité d’entom. II,
p. 406 (1876). — Rostock, Neur. germ. p. 115 (1888).
P. variabilis, Brauer et Löw, Neur. austr., p. 35 (1857). — Meyer-
Dür, Neur. d. Schweiz, p. 358 (1875).
Limbourg. — St. Pierre (Maurissen).
2 Panorpa communis, L.
Panorpa communis, L. Syst. nat. ed. X, p. 551, n°. 1 (1758); Fn. Succ.
ed. Al, p. 884), n'a 1516 (761); Syst nat. ed. XII, p- 916, a! I
(1767). — [Schäffer, Elem., pl. xeıı (1766); Ic. pl. Lxxxvm,
fig. 6 et 7 (1768); de Geer, Mém. II, p. 86, tab. 24, fig. 3 et tab.
25, fig. 1—3 1771]. — Müller, Prodr., p. 147, n°. 1696 (1776). -—
Sulzer, Abgek. Gesch., pl. 25, fig. 5 et 6 (1776). — Schrank,
Enum., p. 316 (1781). — Villers, Ent. III, p. 64 (1789). —
Roemer; Gen. Ins, pl. 25, fie. 5 et 6 (1789). — Fab. Ent.
Syst., p. 97 (1793). — Panzer, fasc. 40, 10 (1798). — Olivier,
Ene, meth. VIII, p. 714, n°. 1 (1811). — Curtis, Brit. Ent. pl. 696
(1834). — Stephens, Ill., p. 52 (1835). — Zetterstedt, Ins. Lapp.
p. 1047 var. a (1840). — Rambur, Névropt, p. 328 (1842), —
Brauer, Sizb. Akad. Wien. VII, p. 408 (1851). — Brauer et Löw,
Neur. austr., p. 36 (1857). — Hagen, Brit. planip., p. 32 (1858). —
Mac Lachlan, Monogr. Brit. planip., p. 214 (1858); Trans. ent.
Soc. Lond., 1869, p. 63. — Wallengren, Skand. Neur. planip.,
p. 69 (1871). — Mever-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 359 (1875). —
Girard, Traité d’entom. IL, p. 405 (1876). — Rostock, Neur.
germ., p. 116 (1888).
Ze
9,
NÉVROPTÈRES. 321
Limbourg. — Maestricht, Nuth, Haeren, St. Pierre, Bunde
(Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (H. A.), Ulvenhout (Ritsema), Oorschot
(Maurissen).
Zélande. — Middelbourg (de Man).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen), Leide (de Graaf), La Haye
(Everts).
Hollande sept. — Heemstede (v. Vollenhoven), Bussum, Velsen,
Ouderkerk (Jaspers), Overmeer (Piaget), Arenderhout (Ritsema).
Utrecht. — Baarn, Nigtevecht (Jaspers), Huis ter Heide, Maarsbergen
(Piaget), Loenen (Lodeesen).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Wageningen (Ritzema Bos),
Oosterbeek (Backer), Empe (v. d. Wulp), Winterswijk (Everts),
Loenen (Snellen), Renkum (Burger).
Drenthe. — Paterswolde (de Gavere), Veenhuizen (de Man).
Frise. — Oldeberkoop, Beetsterzwaag, Driesum, Oudwoude, Kuikhorne,
(H. A.), Heerenveen (Jaspers).
Groningue. — Haren (de Gavere).
De mai à août. Très commune,
3. Panorpa vulgaris, Imhoff et Labram.
Panorpa vulgaris, Imhoff et Labram, V, p. 321 (1845). — Meyer-Dür,
Neur. d. Schweiz, p. 359 (1875). — Rostock, Neur, germ., p. 116
(1888).
P. communis, Panzer, fasc. 50 (1798). — v. Vollenhoven, Gel. Dier. v.
Nederl., p. 308, pl. 21, fig. 5 (1861).
P. communis var. diffinis , Mac Lachlan, Trans. ent. Soc. Lond. 1869, p. 63.
Limbourg. — Haeren (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt), Geulem
(Piaget), Ottersum (Ritsema).
Brabant sept. — Ginneken, Chaam, Ulvenhout (H. A.).
Zélande, — Middelbourg (de Man).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen), Rhoon (Schepman), La
Haye, Leide (de Graaf), Schéveningue (Piaget), Nootdorp (Everts).
Hollande sept. — Heemstede (v. Vollenhoven), Velsen (Jaspers),
Overmeer (Piaget), Arenderhout (Ritsema).
Utrecht. — Huis ter Heide, Maarsbergen (Piaget), Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Loenen (Snellen), Empe
(v. d. Wulp), Oosterbeek (Backer), Wageningen (Heeringa).
21
322 CATALOGUE DES
Overijssel. — Steenwijk (Jaspers).
Drenthe. — Veenhuizen (de Man).
Frise, — Oldeberkoop, Beetsterzwaag, Kuikhorne (H. A.).
Groningue. — Groningue (de Gavere).
De mai jusqu’en août. Très commune.
4, Panorpa germanica, L.
Panorpa germanica, L., Syst. nat., ed. X, p. 551, n°. 2 (1758);
ed. XII, p. 915, n°. 2 (1767). — Schrank, Enum., p. 316,
n°. 634 (1781). — Villers, Ent., III, p. 65 (1789). — Fab.,
Ent. syst., p. 97 (1793). — Olivier, Ent. méth., VIII, p. 714,
n°. 2 (1811). — Curtis, Brit. Ent., pl. 696, (1834). — Rambur,
Névropt., p. 329 (1842). — Hagen, Brit. planip., p. 32 (1858). — Mac
Lachlan, Monogr. Brit. planip. , p. 215 (1868); Trans. ent. Soc. Lond.
1869, p. 69. — Wallengren, Skand. Neur. planip., p. 70(1871). —
Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 358 (1875). — Girard, Traité
d’entom. IT, p. 405 (1876). — Rostock, Neur. germ. , p. 116 (1888).
P. affinis, Leach, Zool. Misc. II, p. 98, pl. 94, fig. 2 (1815). —
Stephens, IÌl., p. 52 (1835).
P. apicalis, Stephens, Ill., p. 52 (1835). — Hagen, Brit. planip., p. 33
(1858).
P. montana, Brauer et Löw, Neur. austr., p. 36 (1857).
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt), Geulem (Piaget), Ottersum
(Ritsema).
Brabant sept. — Ulvenhout (Ritsema), Galderen (H. A.).
Hollande mér. — Rotterdam, Woerden (de Graaf).
Hollande sept. — Harlem (Jaspers), Arenderhout (Ritsema).
Utrecht. — Houten (Wttewaal).
Gueidre. — Arnhem (v. Bemmelen), Nijkerk (v. Med. de Rooy),
Empe (v. d. Wulp), Beek (v. Vollenhoven), Ede (Jaspers), Win-
terswijk (Everts), Nimègue (ter Haar), Wageningen (Ritzema Bos).
De mai jusqu’en septembre. Commune.
5. Panorpa cognata, Rambur.
Panorpa cognata, Rambur, Névropt., p. 330 (1842). — Mac Lachlan,
Monogr. Brit. planip., p. 216 (1868); Trans. ent. Soc. Lond.
1869, p. 65. — Wallengren, Skand. Neur. planip., p. 61 (1871). —
Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 358 (1875). — Girard, Traité
d’entom, IT, p. 406 (1876). — Rostock, Neur. germ., p. 115 (1888).
NEVROPTERES.
Panorpa germanica, Stephens, Ill., p. 53 (1835). — Brauer et Löw,
Neur. austr., p. 35 (1857).
P. alpina, Hagen, Brit. planip., p. 32 (1858).
Limbourg. — Maestricht, Bunde (Maurissen).
Brabant sept. — Ginneken (Ritsema), Oorschot (Maurissen).
Hollande sept. — Arenderhout (Ritsema).
Utrecht. — Houten (Wttewaal), Huis ter Heide (Piaget).
Gueldre. — Arnhem (v. Bemmelen), Beek (v. Vollenhoven), Velp
(Ritsema), Wageningen (Ritzema Bos), Winterswijk (Everts).
De mai à septembre. Peu commune,
Famille IX. BOREIDES, Stephens, 1835.
Genre BOREUS, Latreille, 1825,
Boreus hyemalis, L.
Panorpa hyemalis, L. Syst. nat. ed. XII, p. 915, n°. 3 (1767). — Fab,,
Syst. ent., p. 314 (1775); Spec. ins., p. 401, n° 3 (1781), Mant.,
p. 251, n°. 3 (1787); Ent. Syst., p. 98 (1793). — Villers, Entom.
III, p. 65 (1789) — Olivier, Enc. méth. VIII, p. 715, n°. 7 (1811).
Gryllus proboscideus, Panzer, fasc. 27, 18 (1796).
Bittacus hyemalis, Latreille, Hist. nat. XIII, p. 20 (1805).
Ateleptera hyemalis, Dalman, Anal., p. 34 (1823).
Boreus hyemalis, Latreille, Cuv. Règne animal V, 247 (1825). — Curtis,
Brit. Ent., pl. 118 (1826). — Klug, Panorp., p. 27 (1836). —
Stephens, Ill., p. 51 (1835). — Burmeister, Handb. II, p. 955
(1839). — Zetterstedt, Ins. Lapp., p. 1047 (1840). — Rambur,
Névropt., p. 328 (1842). — Imhoff et Labram, V, 321 (1845). —
Brauer, Verh. zool. bot. Ver. Wien, V, p. 710 (1855). —
Brauer et Low, Neur. austr., p. 35 (1857). — Mac Lachlan,
Monogr. Brit. planip, p. 219 (1868); Trans. ent. Soc. Lond.
1869, p.399. — Wallengren, Skand. Neur. planip., p. 73 (1871). —
Meyer-Dür, Neur. d. Schweiz, p. 360 (1875) — Girard, Traité
d’entom. II, p. 411 (1876). — Rostock, Neur. germ., p. 117 (1888).
En Westphalie et en Prusse rhénane (Kolbe). En Belgique, près de
Bruxelles et à Chaud-fontaine. En mars et à la fin de l’automne (de Selys).
324 CATALOGUE DES
Sous-Ordre II. TRICHOPTERES, Kirby, 1815.
Famille unique. PHRYGANEIDES, Westwood, 1839.
Division I INEQUIPALPES.
Inaequipalpidae, Kolenati, 1858.
Sous-Famille I PHRYGANEINES,
Pryganidae, Stephens, 1829.
Genre NEURONIA, Leach, 1815.
Sous-genre 1. NEURONIA, s. str., Wallengren, 1880,
1. Neuronia rufierus, Scopoli, 1763.
Rev. and Syn. 1), p. 15, vii, pl. 11.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (W. Albarda).!
Hollande mér. — Leide (Wttewaal), Rotterdam (Fransen).
Hollande sept. — Harlem (Weyenbergh).
Utrecht. — Driebergen (v. Bemmelen), Utrecht (Six).
Gueldre. — Brummen (v. Vollenhoven), Wolfhezen, Beek (v. Med.
de Rooy), Oosterbeek (Backer), Hatert (ter Haar).
Frise. — Leeuwarden, Oranjewoud , Oldeberkoop (H. A.).
Groningue. — Groningue (de Gavere).
Commune en mai et en juin.
Sous-genre 2, OLicoromis, Kolenati, 1848.
s. str., Wallengren, 1880.
2, Neuronia reticulata, L., 1761.
Rev. and. Syn., p. 17, pl. 11.
Gueldre. — Arnhem (van Med. de Rooy).
Trés rare, en mai.
1) R. Mac Lachlan, A Monographic Revision and Synopsis of the Trichoptera
of the European Fauna. London, 1874—1880, 8vo, First additional supplement.
Ibidem, 1884,
NEV ROPTÈRES. 325
4, Neuronia clathrata, Kolenati, 1848.
Rev. and Syn., p. 18, pl. IT.
Brabant sept. — Ulvenhout (Snellen, Heylaerts), Ginneken (W.
Albarda), Oorschot (de Man).
Gueldre. — Beek (v. Med. de Rooy), Wageningen (Heeringa).
Peu commune, en mai et en juin, dans les bois,
Genre PHRYGANEA, L., 1740.
Sous-genre 1. PHRYGANEA, s. str., Wallengren, 1880.
l. Phryganea grandis, L., 1761.
Rev. and Syn., p. 21, pl. III.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken, Ulvenhout, Prinsen-
hage (H. A.).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Leide (Ritsema), Wassenaar
(de Gavere), La Haye (Leesberg), Warmond (de Graaf), Giessendam
(ter Haar), Vianen, Rhoon (Schepman).
Hollande sept. — Harlem (Weyenbergh), Amsterdam (Jaspers).
Utrecht. — Utrecht (v. Hasselt), Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem, Nijkerk (v. Med. de Rooy), Oosterbeek (Backer),
Renkum (Burger), Nimègue (ter Haar).
Overijssel. — Steenwijk (Jaspers.)
Frise. Leeuwarden, Lekkum, Hardegarijp, Kuikhorne, Oranje-
woud, Driesum (H. A.), Heerenveen (Jaspers).
Groningue. — Haren (de Gavere).
Très commune, de mai à juillet.
2. Phryganea striata, L., 1761.
Rev. and Syn., p. 23, pl. m1.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ulvenhout (H. A.).
Zélande. — Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — Rotterdam (Piaget), Rhoon (Schepman), Woerden
(de Graaf), Leide (de Man), Warmond (Ritsema).
Hollande sept. — Velsen (Jaspers).
326 CATALOGUE DES
Utrecht. — Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Oosterbeek (Backer), Nimègue (ter Haar), Wageningen
(Ritzema Bos).
Overijssel. — Zwolle (van Tuinen).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Kuikhorne (H. A.).
Groningue. — Groningue, Haren (de Gavere).
Commune de mai jusqu’à Ja fin de juillet.
Sous-genre 2. DasysTEGrA, Wallengren, 1880.
3. Phryganea varia, Fab., 1793.
Rev. and Syn., p. 24, pl. mm.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d, Brandt).
Brabant sept. — Ginneken, Breda (Ritsema), Ulvenhout, Prinsen-
hage, Zundert (H. A.), Rijen (ter Haar), Cuyk (Piaget).
Hollande mér. — Rotterdam, Kralingen (Fransen), La Haye (v.
Vollenhoven), Leide, Wassenaar, Woerden (de Graaf), Voorburg
(Schepman), Gouda (Everts), Giessendam (ter Haar).
Hollande sept. — Harlem (Weyenbergh) , Valkenveen (Mac Lachlan).
Utrecht. — Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem, Nijkerk (v. Med. de Rooy), Oosterbeek , Huissen
(Backer).
Drenthe. — Paterswolde (de Gavere).
Frise. — Heerenveen (Jaspers), Beetsterzwaag, Langezwaag, Knijpe
(41.729.
Groningue. — Haren (de Gavere).
Tres commune, en juin et juillet.
Phryganea obsoleta, Mac Lachlan, 1865.
Rev. and Syn., p. 26, pl. zr.
En Belgique, en Campine, à Genck, en août (de Selys).
Sous-genre 3. TRICHOSTEGIA, Kolenati, 1848.
s. str., Wallengren, 1880.
4 Phryganea minor, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 27, pl. rr.
Limbourg. —. Maestricht (Maurissen),
NÉVROPTÈRES. 327
Brabant sept. — Ginneken (Piaget), Ulvenhout, Prinsenhage (H. A.),
Vegchel (Snellen), Oorschot (Maurissen).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), La Haye (Six), Noordwijk ,
den Deyl (de Graaf), Rhoon (Schepman).
Utrecht. — Zeist (Fransen).
Gueldre. — Arnhem, Nijkerk (v. Med. de Rooy).
Overijssel. — Zwolle (v. Tuinen).
Frise. — Hardegarijp (Burger), Kuikhorne, Oldeberkoop, Beetster-
zwaag, Olterterp (H. A.).
Commune en juin et en juillet. Pendant le jour sur les troncs des
arbres, surtout des chènes et des hêtres.
Genre AGRYPNIA, Curtis, 1835.
l. Agrypnia pagetana, Curtis, 1835.
Rev. and Syn., p. 29, pl. rv.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt), Mook (ter Haar).
Brabant sept. — Ginneken (H. A.), Bergen op Zoom (Ritsema).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Dordrecht, Giessendam (ter
Haar), Leide (de Graaf), Wassenaar (Périn), Warmond (Ritsema),
Rhoon (Schepman).
Utrecht. — Schalkwijk (Weyenbergh).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Wageningen (Ritzema Bos).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Hardegarijp (H. A.).
Groningue. — Groningue, Haren (de Gavere).
En avril, mai et août. Commune sur les bords des eaux et dans les
marais. Les femelles sont assez rares.
Sous-Famille II LIMNOPHILINES.
Limnophilidae, Kolenati, 1858.
Genre COLPOTAULIUS, Kolenati, 1848.
1. Colpotaulius incisus, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 35, pl. rv.
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (H. A.).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Rhoon, Voorburg (Schep-
man), Leide (de Graaf),
328 CATALOGUE DES
Hollande sept. — Texel (Ritsema).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum (H. A.), Huizum (Burger).
Groningue. — Haren (de Gavere).
Commun de juin jusqu’en août, sur les prairies humides.
Genre GRAMMOTAULIUS, Kolenati, 1848.
1. Grammotaulius nitidus, Müller, 1766.
Rev. and Syn., p. 38, pl. v.
Zélande. — Middelbourg (de Man).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Rhoon (Schepman), La
Haye (Leesberg).
Hollande sept. — Harlem (Weyenbergh).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Renkum (Burger), Ooster-
beek (Backer).
Frise. — Leeuwarden, Tietjerk, Suawoude, Driesum, Zwaagwesteinde,
Knijpe (H. A).
De juin à septembre. Dans les prairies et les bois humides. Commun.
2. Grammotaulius atomarius, Fab., 1793.
Rev. and Syn., p. 29, pl. v.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (W. Albarda).
Zélande. — Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen), La Haye (Six), Leide
(Wttewaal),
Hollande sept. — Velsen (Jaspers).
Utrecht. — Utrecht (Wttewaal), Driebergen (Six).
Gueldre. — Arnhem, Wolfhezen, Nijkerk (v. Med. de Rooy), Oos-
terbeek (Backer).
Frise. — Leeuwarden, Kuikhorne, Driesum, Beetsterzwaag (H. A.).
Groningue, — Ter-Apel (H. A).
x
De mai à octobre. Commun.
Genre GLYPHOTAELIUS, Stephens, 1837.
1. Glyphotaelius pellucidus, Retzius, 1783.
Rev. and Syn., p. 44, pl. Iv.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
NEVROPTERES. 329
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (W. Albarda), Ulven-
hout (Piaget), Chaam, Zundert, Prinsenhage (H. A.), Oorschot
(Maurissen), Oisterwijk (Snellen),
Zélande — Middelbourg (de Man).
Hollande mér. — La Haye (v. d. Wulp), Rotterdam (Fransen),
Rhoon (Schepman), Giessendam (ter Haar), Leide, Wassenaar
(de Graaf).
Hollande sept. — Harlem (Ritsema), Overveen (Weyenbergh),
Amsterdam, Velsen (Jaspers).
Utrecht. — Driebergen (Six).
Gueldre. — Arnhem, Nijkerk, Apeldoorn (v. Med. de Rooy), Oos-
terbeek (Snellen), Wolf hezen, Driel (Backer), Empe (v. d. Wulp),
Ubbergen (ter Haar), Wageningen (Heeringa).
Overijssel. — Zwolle (v. Tuinen).
Drenthe. — Paterswolde (de Gavere).
Frise, — Jelsum (Burger), Driesum, Beetsterzwaag, Oldeberkoop (H. A.).
Groningue. — Ter-Apel (H. A).
Très commun. De juin à octobre, dans les taillis et les bois, sur-
tout sur les pins et les sapins.
Genre LIMNOPHILUS, Leach, 1815.
1. Limnophilus rhombieus, L. 1759.
Rev. and Syn., p. 48, pl. v.
Limbourg. -- Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt), Mook
(ter Haar).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (W. Albarda), Ulven-
hout (v. d. Wulp), Loon (Everts), Zundert (H. A.).
Hollande mér. —- Rotterdam (Fransen), La Haye (Six), Wassenaar
(Ritsema), Rhoon, Beierland (Schepman), Schéveningue (v. d. Wulp),
Leide (Périn).
Hollande sept. — Harlem (Ritsema), Overveen (Weyenbergh), Val-
kenveen (Mac Lachlan).
Utrecht. — Driebergen (Six), Maarsbergen (Piaget).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Oosterbeek (Backer), Loe-
nen (de Graaf).
Overijssel. — Zwolle (v. Tuinen).
Frise. — Oldeberkoop, Beetsterzwaag (H. A.).
330 CATALOGUE DES
Groningue. — Ter-Apel (H. A.).
Commun. De mai à septembre, dans les bois et les taillis. Moins
fréquent dans les provinces septentrionales.
2. Limnophilus subcentralis, Brauer, 1857.
Rev. and Syn., p. 64, pl. VIII, XVIII.
Brabant sept. — Oorschot (Maurissen).
Très rare, en aoùt.
3. Limnophilus flavicornis, Fab. 1787.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Ulvenhout, Prinsenhage
(H. A.), Oisterwijk (v. Vollenhoven).
Zélande. — Middelbourg (de Man).
Hollande mér. — La Haye (v. d. Wulp), Se (Piaget),
Wassenaar (v. Vollenhoven), Leide, Leiderdorp (Ritsema), Rotter-
dam (Fransen), Giessendam (ter Haar), Rhoon (Schepman).
Hollande sept. — Amsterdam, Velsen (Jaspers), Overveen (Herr
bergh), Valkenveen (Mac Lachlan).
Utrecht. — Driebergen (v. Bemmelen), Huis ter Heide, de Bilt
(Piaget), Rhenen, Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem, Nijkerk, Apeldoorn (v. Med. de Rooy), Ooster-
beek (Backer), Beekhuizen (Ritsema), Wageningen (Ritzema Bos),
Doesburg (de Graaf).
Frise. — Leeuwarden, Tietjerk, Suawoude, Driesum, Oudwoude,
Beetsterzwaag, Oldeberkoop (H. A.), Heerenveen (Jaspers).
Groningue. -- Haren (de Gavere), Ter-Apel (H. A).
De la fin d’avril jusqu’en octobre. Très commun.
Limnophilus decipieus, Kolenati, 1848.
Rev. and Syn., p. 53, pl. vr.
Observé en Wesphalie par M. A. Meyer.
4, Limnophilus marmoratus, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 54, pl. vi.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt), Mook
(ter Haar).
NÉVROPTÈRES. 331
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (v. Vollenhoven),
Ulvenhout (H. A.), Oorschot (Maurissen).
Zélande. — Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — La Haye, Schéveningue, Leide, Delft (v. d. Wulp),
Noordwijk (de Graaf), Overmeer (Piaget), Rotterdam (Fransen),
Giessendam (ter Haar), Rhoon (Schepman).
Hollande sept. — Harlem (Ritsema), Overveen (Weyenbergh),
Amsterdam, Velsen (Jaspers) ,’ Hilversum (v. d. Wulp), Valkenveen
(Mac Lachlan), Vlieland, Texel (Ritsema).
Utrecht. — Utrecht (v. Hasselt), Maarsbergen, Huis ter Heide
(Piaget), Zoest (Fransen), Baarn, Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre, — Arnhem, Apeldoorn (v. Med. de Rooy),
Overijssel. — Zwolle (v. Tuinen), Steenwijk (Jaspers).
Drenthe. — Assen (ter Haar).
Frise. — Leeuwarden, Hardegarijp, Kuikhorne, Driesum, Oudwoude,
Beetsterzwaag, Oldeberkoop, Wolvega (H. A.).
Groningue. — Haren (de Gavere), Ter-Apel (H. A).
Très commun, de mai jusqu’en octobre. Aime à se reposer pendant
le jour dans les fleurs, surtout dans celles de rosiers.
5. Limnophilus stigma, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 57, XVII, pl. vr.
Maestricht (Maurissen).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Rhoon (Schepman), Leide
Limbourg.
de Graaf), Wassenaar (v. Vollenhoven).
Hollande sept. — Harlem (Weyenbergh), Amsterdam, Velsen
(Jaspers).
Utrecht. — Maarsbergen (Piaget), Driebergen (Six).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Renkum, Ede (Burger),
Oosterbeek (Backer), Hatert (ter Haar).
Frise, — Leeuwarden, Driesum, Oranjewoud, Beetsterzwaag (H. A.).
De mai jusqu’en septembre. Un peu local.
6. Limnophilus xanthodes, Mac Lachlan, 1861.
Rev. and Syn., p. 60, pl. vr.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Bergen op Zoom (Ritsema).
332 CATALOGUE DES
Hollande mér. — Rotterdam, Schéveningue (Piaget), Rhoon (Schep-
man), Wassenaar (de Gavere).
Hollande sept. — Overmeer (Piaget).
Gueldre. — Nimègue (v. Med. de Rooy), Hatert (ter Haar).
Frise. — Leeuwarden, Knijpe, Lippenhuizen (H. A.), Hardegarijp
(Burger).
Répandu, mais peu commun. De mai è juillet.
7. Limnophilus lunatus, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 61, vr, pl. vin.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Prinsenhage (H. A.).
Hollande mér. — Wassenaar (Périn), Noordwijk (de Graaf).
Hollande sept. — Overveen (v. Vollenhoven), Velsen (Jaspers)
Utrecht. — Driebergen (Six).
Gueldre. — Arnhem, Velp (v. Med. de Rooy), Winterswijk (Everts),
Loenen (de Graaf).
Drenthe. — Assen (ter Haar).
Frise. — Tietjerk, Oldeberkoop, Beetsterzwaag (H. A.).
En juin et en juillet et de septembre jusqu’en novembre, sur les bords
des eaux et dans les bois humides.
8. Limnophilus elegans, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 66, pl. vr.
Brabant sept. — Ginneken, Galderen (H. A.).
Assez rare et très local. En juin et en juillet, sur les bruyères
marécageuses.
Limnophilus submaculatus, Rambur, 1842.
Rev. and Syn., p. 67, XIX, pl. VII, LIM.
Observé, en juin et en juillet, en Belgique, è la Barraque Michel
et près de Hockai, et en Prusse rhénane (de Selys, Mac Lachlan).
9. Limnophilus politus, Mac Lachlan, 1865.
Rev. and Syn., p. 68, pl. vr.
Hollande mér. — La Haye (v. d. Wulp), Rotterdam (Fransen),
Leide (de Graaf), Wassenaar, Soeterwoude (Ritsema).
NEVROPTERES. 333
Hollande sept. — Overmeer (v. Vollenhoven).
Frise. — Leeuwarden (H. A.), Hardegarijp (Burger).
Très peu répandu. En juin et juillet et en septembre et octobre,
Limnophilus ignavus, (Hagen), Mac Lachlan, 1865.
Rev. and Syn., p. 76, pl. vu.
Observé en Belgique, à Rouge-Cloître, près de Bruxelles, du 23
août au 1 octobre (de Selys).
10. Limnophilus nigriceps, Zetterstedt, 1840.
Rev. and Syn., p. 77, XXI, pl. VIT, Lim.
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda).
Hollande mér. — Leide (v. Vollenhoven), Wassenaar (de Graaf).
Frise. — Tietjerk, Hardegarijp, Suawoude, Bergum, Oostermeer
(H. A).
Abondant, mais local, En septembre et en octobre, dans les marais.
Les femelles sont assez rares dans les collections. Elles vivent très
cachées. Quand on observe un essaim de ces insectes qui voltigent
autour d’un buisson, on peut être sûr que ce sont tous des mâles et
qu'une femelle s’y tient cachée.
11. Limnophilus centralis, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 79, pl. vu.
Limbourg. --. Maestricht (Maurissen).
Brabant sept. — Ulvenhout (H. A.).
Hollande mér. — Rotterdam, Leide (de Graaf).
Hollande sept. — Valkenveen (Mac Lachlan).
Utrecht. — Maarsbergen (Piaget).
Gueldre. — Arnhem, Apeldoorn (v. Med. de Rooy), Groesbeek
(ter Haar).
Overijssel, — Zwolle (v. Tuinen).
Frise. — Suawoude, Kuikhorne, Beetsterzwaag, Oldeberkoop (H. A.).
Groningue. — Ter-Apel (H. A.).
De mai à septembre. Plus abondant dans les provinces septentrionales
que dans le sud.
334 CATALOGUE DES
12. Limnophilus vittatus, Fab., 1798.
Rev. and Syn., p. 81, pl. vo,
Limbourg. — Maestricht, Nuth (Maurissen).
Brabant sept. — Prinsenhage (H. A.).
Zélande. — Dombourg (W. Albarda).
Hollande sept. — Ter Schelling (Veth), Texel (Ritsema).
Gueldre. — Arnhem, Wolfhezen, Velp (v. Med. de Rooy).
Frise. — Leeuwarden, Bergum, Suawoude (H. A.).
Groningue. — Ter-Apel (H. A).
Er juin et juillet et en septembre et octobre.
13. Limnophilus affinis, Curtis, 1834,
Rev. and Syn., p. 82, pl. 1x.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt), Oud Vroenhoven (Maurissen).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Ulvenhout (H. A.).
Zélande. -— Zierikzee (Fokker), Middelbourg (de Man), Dombourg _
(Ritsema).
Hollande mér. — La Haye, Schéveningue (v. d. Wulp), Leide (de
Graaf), Rotterdam (Snellen), Rhoon, Charlois (Schepman), Wassenaar,
Rockanje (Piaget), Warmond, Marendijk (Ritsema), Noordwijk
(v. Vollenhoven).
Hollande sept. — Amsterdam, Velsen, Bussum (Jaspers), Harlem
(Weyenbergh), Bloemendaal, Texel, Vlieland, Ter Schelling (Ritsema),
Valkenveen (Mac Lachlan).
Utrecht. — Driebergen (Six), Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem, Nijkerk, Beek (v. Med. de Rooy), Beekhuizen
(Ritsema).
Overijssel. — Zwolle (v. Tuinen).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Driesum , Oldeberkoop , Beetsterzwaag
(H. A.), Hardegarijp (Burger).
Groningue. — Ter-Apel (H. A).
De mai jusqu’en novembre. Dans les bois, les taillis, les jardins,
etc. La plus commune de toutes les espéces de ce genre.
14. Limnophilus auricula, Curtis, 1834,
Rev. and Syn., p. 84, pl. 1x.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt),
NEVROPTERES. 335
Brabant sept. -- Breda (Ritsema), Ginneken (W. Albarda), Ulven-
hout, Prinsenhage (H. A.), Helmond (Snellen).
Zélande, — Zierikzee (Fokker), Middelbourg (de Man).
Hollande mér. — Rotterdam (Piaget), Leide (Périn), Rijnsburg
(v. Vollenhoven), Rhoon (Schepman).
Hollande sept. — Valkenveen (Mac Lachlan).
Utrecht. — Driebergen (Six), Maarsbergen (Piaget).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Velp (Ritsema), Brummen
(v. Vollenhoven), Nimègue, Groesbeek (ter Haar), Empe (v. d.
Wulp).
Frise. — Leeuwarden, Kuikhorne, Oldeberkoop (H. A.).
Commun. De mai jusqu’en octobre. Dans les taillis.
15. Limnophilus griseus, L., 1758.
Rev. and Syn., p. 85, pl. 1x.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Hollande sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (W. Albarda),
Ulvenhout (Piaget).
Zélande. — Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), La Haye (v. d. Wulp),
Voorhout, Leide (de Graaf), Wassenaar (v. Vollenhoven), Noord-
wijk (Ritsema), Rhoon (Schepman).
Utrecht. — Zeist (de Graaf).
Gueldre. — Arnhem, Nijkerk (v. Med. de Rooy), Oosterbeek (Backer),
Nimègue (ter Haar).
Frise. — Leeuwarden, Driesum, Beetsterzwaag (H. A.).
Groningue. — Groningue, Haren (de Gavere).
De la mi-avril à juillet et de septembre à novembre. Répandu, mais
beaucoup moins fréquent que L. affinis, Curtis.
16. Limnophilus bipunctatus, Curtis, 1834,
Rev. and Syn., p. 87, xxI, pl. 1x.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Hollande mér. — Noordwijk (de Graaf).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Wolfhezen (Backer).
Frise. — Leeuwarden, Kuikhorne (H. A.).
En mai et juin et en septembre. Peu commun,
336 CATALOGUE DES
17. Limnophilus extricatus, Mac Lachlan, 1865.
Rev. and Syn., p. 91, pl. x.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt), Mook (ter Haar).
Brabant sept. — Ginneken (W. Albarda), Ulvenhout (Piaget).
Hollande sept. — Velsen (Piaget).
Gueldre. — Beek (v. Med. de Rooy).
En mai, en juin et en octobre. Peu commun.
18. Limnophilus hirsutus, Pictet, 1834.
Rev. and Syn., p. 92, pl. x.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Zélande. — Dombourg (ter Haar).
Assez rare. En mai.
19. Limnophilus luridus, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 93, pl. x.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Très rare. En juin.
20. Limnophilus sparsus, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 94, pl. x.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken, Prinsenhage (H. A.),
Ulvenhout (Snellen).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Leide (de Graaf).
Utrecht. — Zeist (de Graaf).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Velp (Ritsema).
Frise. — Oldeberkoop, Beetsterzwaag (H. A.).
De mai à juillet et en septembre, surtout dans les bois de pins
et de sapins. Moins fréquent dans les provinces septentrionales. Espèce
trés variable.
21. Limnophilus fuscicornis, Rambur, 1842.
Rev. and Syn., p. 99, pl. xt.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
NÉVROPTÈRES. 337
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (H. A.), Ulvenhout
(Piaget).
Hollande mér. -— Rotterdam (Fransen), Rhoon (Schepman).
Hollande sept. — Harlem (Ritsema).
Utrecht. — Utrecht (v. Hasselt), Driebergen (Six).
Gueldre. — Nimègue (ter Haar).
Overijssel. — Zwolle (v. Tuinen), Steenwijk (Jaspers).
Groningue. — Ter-Apel (H. A).
De mai à octobre. Assez commun, mais un peu local.
Genre ANABOLIA, Stephens, 1837.
1. Anabolia nervosa (Leach), Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 103, pl. xz.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (W. Albarda).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Rhoon (Schepman), Leide
(v. Vollenhoven), den Deyl (de Graaf), La Haye (v. d. Wulp),
Soeterwoude, Leiderdorp (Ritsema).
Hollande sept. — Harlem (Ritsema), Velsen (Jaspers).
Utrecht. — Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem, Velp (v. Med. de Rooy), Wageningen (Rit-
zema Bos).
Frise. — Leeuwarden, Hardegarijp, Suawoude, Zwaagwesteinde,
Driesum, Oldeberkoop (H. A).
Groningue. — Ter-Apel (H. A.).
De septembre jusqu’en novembre. Excessivement commune sur les
bords des eaux et dans les marais.
Genre PHACOPTERYX, Kolenati, 1848,
1. Phacopteryx brevipennis, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 106, pl. x1.
Brabant sept. — Breda (Heylaerts).
Hollande mér. — La Haye (Leesberg), Vianen (Everts).
Utrecht. — Utrecht (v. Hasselt), Driebergen (Six).
Gueldre. — Velp (v. Med. de Rooy).
Assez rare. De juillet à septembre.
22
338 CATALOGUE DES
Genre ANYSARCHUS, Mac Lachlan, 1876.
Anysarchus coenosus, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., Suppl. , p. xxxI, pl. XII, cf. p. 117.
En Belgique, à la Barraque Michel (de Selys).
Genre STENOPHYLAX, Kolenati, 1848.
Stenophylax alpestris, Kolenati, 1848.
Rev and-Syu., p. 119, ql are,
Observé en Belgique, dans la province de Liége, en juin et en juillet
(de Selys).
1. Stenophylax picicornis, Pictet, 1834,
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
En mars et en avril. Pas rare, mais très local.
Stenophylax infumatus, Mac Lachlan, 1865.
Rev. and Syn., p. 124, pl. xIII.
En Belgique, selon le Dr. Hagen (Mac Lachlan).
2. Stenophylax rotundipennis, Brauer, 1857.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Gueldre. — Apeldoorn (v. Med. de Rooy).
Très rare. En août et en septembre.
Stenophylax nigricornis, Pictet, 1834.
Rev. and Syn., p. 127, pl. xrv.
Observé en Belgique, a Rouge-Cloitre, près de Bruxelles, à la fin
de juillet, par M. A. de Bormans.
3. Stenophylax stellatus, Curtis, 1834,
Rev. and Syn., p. 128, pl. xiv.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Très rare. Un d, le 7 octobre.
Stenophylax latipennis, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 130, pl. xrv.
Observé en Belgique (Mac Lachlan).
NEVROPTERES. 339
Stenophylax luctuosus, Piller et Mitterpacher, 1783.
Rev. and Syn., p. 130, pl. xrv.
En Belgique, à Hockai (de Selys) et près du lac de Gilippe (Mac
Lachlan), et dans la Prusse rhénane, près de Bonn (Bertkau).
4. Stenophylax concentricus, Zetterstedt, 1840.
Rev. and Syn., p. 134, pl. xiv.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (W. Albarda).
Zélande. — Zierikzee (Fokker).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), La Haye (de Graaf), Leide
(Ritsema).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
En mai et en juin et de septembre à novembre.
5. Stenophylax speluncarum, Mac Lachlan, 1875.
Rev. and Syn., p. 136, pl. xiv.
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
Un seul exemplaire, le 8 mai.
Genre MICROPTERNA, Stein, 1874.
1. Micropterna sequax, Mac Lachlan, 1875.
Rey. and Syn., p. 141, pl. xIv.
Limbourg. — Mook (Piaget).
Brabant sept. — Cuyk (ter Haar).
Rare. En août.
Micropterna lateralis, Stephens, 1837.
Rev. and Syn., p. 142, pl. xv.
En Belgique. Un seul exemplaire, à Rouge-Cloître, près de Bruxelles,
le 11 septembre (de Selys).
Genre HALESUS, Stephens, 1836.
Halesus interpunctatus, Zetterstedt, 1840.
Rev. and Syn., p. xxxvir, pl. Lv, et ZH. radiatus,
p. p. L c. p. 148, pl. xvı.
Observé en Belgique, en septembre et en octobre, à Halloy, en
Campine, et une fois à Longchamps (de Selys).
340 CATALOGUE DES
1. Halesus tessellatus, Mac Lachlan, 1876.
Rev. and Syn., p. 150, xxxvIII, pl. XVI.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen).
Un seul exemplaire, le 4 septembre.
2. Halesus digitatus, Schrank, 1781.
Rev. and Syn., p. 150, pl. xvI.
Limbourg. —- Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (W. Albarda).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Oosterbeek (Ritsema).
N
De septembre à novembre. Assez commun.
Halesus guttatipennis, Mac Lachlan, 1865.
Rev. and Syn., p. XXXIX, pl. XVII.
H. mucoreus, \. c., p. 161.
En Belgique, à Halloy, le 15 octobre (de Selys).
Genre DRUSUS, Stephens, 1837.
Drusus annulatus, Stephens, 1837.
Rev. and Syn., p. 106, pl. xvii.
En Belgique, à Dinant, à la mi-juillet (Mac Lachlan).
Genre ECCLISOPTERYX, Kolenati, 1848.
Ecclisopteryx guttulata, Pictet, 1834.
Rev. and Syn., p. 185, pl. Xx.
Observée en Belgique (Mac Lachlan) et en Westphalie (Kolbe).
Genre CHAETOPTERYX, Stephens, 1837.
1. Chaetopteryx villosa, Fab,, 1798.
Rev. and Syn., p. 193, pl. xxt.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Gueldre. — Arnhem, Velp, Oosterbeek (v. Med. de Rooy).
Commune, mais locale. Dans les bois, en octobre et en novembre,
NÉVROPTÈRES. 341
Genre ENOICYLA, Rambur, 1842.
1. Enoicyla pusilla, Burmeister, 1839.
Rev. and Syn., p. 207, pl. xxII.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt), Mook
(ter Haar).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ulvenhout (Piaget).
Hollande mér. — La Haye (Six), Schéveningue (Snellen), Noord-
wijk, Endegeest, Poelgeest, Noordwijkerhout (Ritsema), Wassenaar
(Piaget), Leide (de Graaf).
Hollande sept. — Harlem, Bloemendaal, Schooten, Schapenduinen
(Ritsema), Alkmaar (Jaspers).
Utrecht, — Driebergen (Six).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Velp, Oosterbeek (Ritsema).
Frise. — Oldeberkoop, Beetsterzwaag (H. A.).
Groningue. — Ter-Apel (H. A).
Très commune, en septembre et en octobre, sur la mousse humide,
dans les bois,
Sous-Famille III. SERICOSTOMATINES.
Genre SERICOSTOMA, Latreille, 1825.
l. Sericostoma personatum, Kirby, 1826.
Rev. and Syn., p. 226, pl. xxv.
Limbourg. — Maestricht, Oud-Vroenhoven (Maurissen), Venloo (v.
d. Brandt), Fauquemont (Piaget).
Gueldre. — Oosterbeek (Backer), Velp (v. Med. de Rooy).
En juin, juillet et août.
Sericostoma turbatum, Mac Lachlan, 1876.
Rey. and Syn., p. 231, pl. xxv.
Observé en Belgique, en juin et en juillet, dans les Ardennes et le
Condroz (de Selys).
Genre OECISMUS, Mac Lachlan, 1876.
Oecismus monedula, Hagen, 1859.
Rev. and Syn., p. 237, pl. xLIX, Lv.
En Belgique, à Bouillon, le 10 juillet (Mac Lachlan).
342 CATALOGUE DES
Genre NOTIDOBIA, Stephens, 1836.
1. Notidobia ciliaris, L., 1761.
Rev. and Syn., p. 238, pl. xxvI.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt), Mook
(ter Haar).
Brabant sept, — Breda (Heylaerts), Ulvenhout (Piaget).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Leide (de Graaf), Giessen-
dam (ter Haar), La Haye (Leesberg), Voorschoten (Ritsema),
Wassenaar (v. d. Wulp).
Hollande sept. — Overveen (Ritsema), Naarden, Bussum (Jaspers),
Overmeer (Piaget).
Utrecht. — Utrecht (v. Hasselt), Nigtevecht (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
De la mi-avril jusqu’en juin. Commune sur les bords des eaux.
Genre GOERA, Leach, 1815.
l. Goëra pilosa, Fab. 1775.
Rev. and Syn., p. 241, pl. Xxv1.
Limbourg. — Maestricht, Bunde, Limmel (Maurissen), Venloo
(v. d. Brandt).
Hollande sept. -— Velsen (Piaget).
Gueldre. — Groesbeek (v. Med. de Rooy).
En juin et en juillet.
Genre SILO, Curtis, 1838.
l. Silo pallipes, Fab., 1781.
Rev. and Syn., p. 244, pl. xxv.
Limbourg. — Bunde, Meerssen (Maurissen),
Gueldre. — Beek (v. Vollenhoven).
De juin à août.
2. Silo piceus, Brauer, 1857.
Rev. and Syn., p. 247, pl. XXVII.
Limbourg. — Geulem, Fauquemont (Piaget),
En juillet et en août.
NÉVROPTÈRES, 343
3. Silo nigricornis, Pictet, 1834,
Rev. and Syn., p. 249, pl. xxvII.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen),
Gueldre. — Arnhem (Piepers).
En mai et en juillet,
Genre OLIGOPLECTRUM, Mac Lachlan, 1868.
1. Oligoplectrum maculatum, Fourcroy, 1785.
Rev. and Syn., p. 258, pl. XXVIII.
Limbourg. — Geulem (Piaget).
De juin à août.
Genre CRUNOECIA, Mac Lachlan, 1876.
l. Crunoecia irrorata, Curtis, 1834,
Rev. and Syn., p. 271, pl. xxIx.
Limbourg. — Venloo (v: d. Brandt).
En aoùt. Très rare.
Genre LEPIDOSTOMA, Rambur, 1842.
l. Lepidostoma hirtum, Fab., 1781.
Rev. and Syn., p. 274, pl. xxx.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. d. Rooy).
En juillet et en septembre.
Genre LASIOCEPHALA, Costa, 1857.
1. Lasiocephala basalis, Kolenati, 1848.
Rev. and Syn., p. 277, pl. xxx.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Fauquemont, Geulem (Piaget),
St. Pierre (v. d. Brandt).
Commune, mais très locale. De mai jusqu’en août.
344 CATALOGUE DES
Division I. EQUIPALPES.
Aequipalpidae, Kolenati, 1858.
Sous-Famille IV. LEPTOCERINES.
Genre BERAEA, Stephens, 1836.
1. Beraea pullata, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 493, ıxım, pl. LI, LI.
Limbourg. — Maestricht, Bunde, Nuth, Fauquemont (Maurissen),
Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Piaget), Ulvenhout, Prinsenhage (H. A.),
Rijen (Snellen).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Rhoon (Schepman).
Gueldre. — Beekhuizen (Ritsema), Wolfhezen (v. Med. de Rooy).
Assez commune, mais un peu locale. Dans les bois et les taillis, de
mai à août.
Beraea maurus, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 496, pl. ur.
En Belgique, à Coo, à Bouillon et à Laeken, près de Bruxelles.
Assez commune, dans les mousses et sur les très petits ruisseaux, vers
le 10 juillet (Mac Lachlan).
Genre BERAEODES, Eaton, 1867.
1. Beraeodes minuta, L., 1761.
Rev. and Syn., p. 500, pl. LIL
Hollande mér.
Rotterdam (Snellen), Rhoon (Schepman).
Rare. En juin.
Genre MOLANNA, Curtis, 1834.
1. Molanna angustata, Curtis, 1834,
Rev. and Syn., p. 284, pl. xxxI.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout, Prinsenhage (H. A).
Hollande mér.-— Rotterdam (Fransen), Rhoon (Schepman), Warmond
(Ritsema).
NEVROPTERES. 345
Hollande sept. — Overveen (Ritsema).
Gueldre. — Arnhem (vy. Med. de Rooy), Beekhuizen (Ritsema),
Oosterbeek, Renkum (Backer), Wolfhezen (Ritsema).
Très commune. De juin à septembre, près des eaux courantes. La
position qu’assume l’insecte parfait en se reposant rappelle celle des
Microlépidoptéres du genre Argyresthia, Hübner.
Genre ODONTOCERUM, Leach, 1815.
1. Odontocerum albicorne, Scopoli, 1762.
Rev. and Syn., p. 292, pl. XXXII.
Limbourg. — Meerssen, Fauquemont, Geulem (Piaget).
De juillet jusqu’en septembre. Peu commun.
Genre LEPTOCERUS, Leach, 1815.
1. Leptocerus nigronervosus, Retzius, 1783.
Rev. and Syn., p. 296, pl. xxXII.
Limbourg. — St. Pierre (de Selys).
Brabant sept. — Ginneken (Piaget), Ulvenhout (H. A.).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
En mai, sur les bords des rivières.
2. Leptocerus fulvus, Rambur, 1842.
Rev. and Syn., p. 293, pl. XxxII.
Brabant sept. — Breda (Heylaerts).
Hollande mér. — Rotterdam (Piaget), Wassenaar (Grebner).
De juin à août, près des eaux stagnantes. Très local et peu commun.
3. Leptocerus senilis, Burmeister, 1839.
Rev. and Syn., p. 299, pl. xxxII.
Limbourg. — Meerssen (Maurissen).
Hollande mér. — Rotterdam, Woerden (de Graaf), Rhoon (Schep-
man), Warmond (H. A.), Wassenaar (Grebner).
Hollande sept. — Overveen (Weyenbergh).
Gueldre. — Keppel (Snellen).
Frise. — Lekkum (H. A.)
De mai a août, sur les bords des eaux. Assez commun,
346 CATALOGUE DES
4 Leptocerus alboguttatus, Hagen, 1860.
Rey. and Syn., p. 300, pl. XXxIIL
Hollande m&r. — Rhoon (Schepman).
Gueldre. — Arnhem (v. Med, de Rooy).
De juin à septembre, près des rivières.
5. Leptocerus annulicornis, Stephens, 1836.
Rev. and Syn., p. 301, pl. xXxIII.
Limbourg. — St. Pierre, Venloo (Maurissen).
Brabant sept. — Helmond (Snellen).
En mai et en juin, sur les bords des rivières. Peu commun.
6. Leptocerus aterrimus, Stephens, 1836.
Rev. and Syn., p. 302, pl. xxxIII.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken, Prinsenhage (H. A).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Giessendam (ter Haar),
Rhoon (Schepman), La Haye (Leesberg), Nootdorp (Everts), War-
mond, Wassenaar (Ritsema).
Hollande sept.
veen (Weyenbergh), Velsen (Jaspers).
Utrecht. -- Utrecht (v. Hasselt).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Velp (v. d. Wulp), Renkum
(Backer), Beekhuizen (Ritsema).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Suawoude, Huizum, Driesum (H. A),
Amsterdam (Grebner), Overmeer (Piaget), Over-
Heerenveen (Jaspers).
De mai a juillet. Très commun près des eaux, Les exemplaires d’un
brun rougeâtre, perfuscus Stephens, paraissent en même temps que les
exemplaires typiques.
7 Leptocerus cinereus, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 304, pl. xxXIII.
Limbourg. — Maestricht, St. Pierre, Limmel, Nuth (Maurissen).
Brabant sept. -- Ginneken, Prinsenhage (H. A.), Zundert (v. Vol-
lenhoven).
Hollande mér. — Leide, Warmond (Ritsema), Noordwijk (v. Vol-
lenhoven), Wassenaar (v. d. Wulp), Delft (de Graaf).
NÉVROPTÈRES. 347
Hollande sept. — Velsen (Piaget). |
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Keppel (Snellen).
n
De juin à août. Très commun sur les rivières. Le matin et l’après-
midi, quelquefois, quand le ciel est couvert, pendant toute la journée,
des troupes innombrables exécutent, en voltigeant au-dessus de la surface
des eaux, un jeu qui précède l’accouplement.
8. Leptocerus albifrons, L., 1759.
Rev. and Syn., p. 307, pl. XXxIII.
Limbourg. — Maestricht, Bunde (Maurissen) , Fauquemont, Geulem
(Piaget), Venloo, St. Pierre (v. d. Brandt).
En juin et juillet. Sur les bords des rivières. Peu commun.
Leptocerus commutatus, Mac Lachlan, 1877.
Rev. and Syn., p. 308, pl. xxxIII. Suppl. p. 35.
En Belgique. Sur la Salm, près de Coo, le 18 juillet (de Selys).
Leptocerus interjectus, Mac Lachlan, 1881.
Rev. and Syn., Suppl., p. 35, pl. Iv.
En Belgique, 4 Bouillon, en juillet (Mac Lachlan),
Leptocerus bilineatus, L., 1759.
Rev. and Syn., p. 308, pl, xXXIII.
En Belgique, à Spa et à Bouillon, du 10 au 20 juillet (de Selys).
9. Leptocerus dissimilis, Stephens, 1836.
Rev. and Syn., p. 311, pl. xxxIV.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (Heylaerts, H. A.).
Hollande mér. — Rotterdam (Schepman).
Gueldre. — Arnhem, Oosterbeek (v. Med. de Rooy), Renkum (v.
Vollenhoven).
De juin à août, près des rivières.
10. Leptocerus riparius, Albarda, 1874,
Rev. and Syn., p. 312, pl. xxxIv.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen).
348 CATALOGUE DES
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Oosterbeek (Backer),
Nimègue (ter Haar).
De juin à septembre. Sur les bords de rivières, Local.
Genre MYSTACIDES, Latreille, 1825.
l. Mystacides nigra, L., 1759.
Rev. and Syn., p. 314, pl. xxxIv.
Limbourg. — Maestricht, Nuth (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept, — Breda (Heylaerts), Ginneken, Prinsenhage (H. A.).
Hollande mér. — Rotterdam (Piaget), Rhoon (Schepman), La Haye
(Leesberg), Warmond (H. A.).
Hollande sept. — Amsterdam (Kinker), Overveen (Ritsema), Over-
meer (Piaget).
Gueldre. — Oosterbeek (v. Med. de Rooy), Renkum (Backer).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Marssum (H. A.), Akkrum, Sneek
(Burger). .
De mai jusqu’en septembre. Très commune près des eaux.
2. Mystacides azurea, L., 1761.
Rev. and Syn., p. 315, pl. xxxIv.
Limbourg. — Maestricht, Meerssen, Nuth, Bunde, Limmel (Mau-
rissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. —. Breda (Heylaerts), Ginneken (H. A.), Oorschot
(Maurissen).
Hollande mér. — Warmond, Leiderdorp (Ritsema), Giessendam
(ter Haar).
Hollande sept. — Velsen (Jaspers), Ter Schelling (Veth), Valken-
veen (Mac Lachlan).
Gueldre. — Arnhem, Apeldoorn (v. Med. de Rooy), Velp (Ritsema).
De juin à septembre. Commune sur les eaux courantes.
3. Mystacides longicornis, L., 1759.
Rev. and Syn., p. 316, pl. xxxIv.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (H. A).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen), Rhoon (Schepman), Voor-
schoten, Warmond (Ritsema), Schéveningue (Piaget), Nootdorp
(Everts), Leide, Marendijk, Dordrecht (de Graaf).
NEVROPTERES. 349
Hollande sept. — Overveen (Ritsema), Harlem (Weyenbergh),
Overmeer (Piaget).
Gueldre. — Velp, Beek, Apeldoorn (v. Med. de Rooy), Renkum
(Ritsema), Nimégue (ter Haar),
Overijssel. — Raalte (Snellen).
Frise. — Akkrum (Burger), Tietjerk, Suawoude, Driesum, Beetster-
zwaag (H. A.).
De juin à septembre. Très commune.
Genre HOMILIA, Mac Lachlan, 1877.
1. Homilia leucophaea, Rambur, 1842.
Rev. and Syn., p. 318, pl. xxxv.
Limbourg. — Limmel (Maurissen).
Très rare. En juin et en juillet, sur la Meuse.
Genre TRIAENODES, Mac Lachlan, 1865.
l.» Triaenodes bicolor, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 320, pl. xxxv.
Limbourg. — Maestricht, Nuth (Maurissen), Venloo (v d. Brandt),
Fauquemont (Piaget).
Brabant. sept. — Ginneken, Prinsenhage (H. A.), Ulvenhout (Ritsema).
Zélande. — Middelbourg (de Man).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Leide, den Deyl (de Graaf),
Voorschoten (Ritsema), Rhoon (Schepman).
Hollande sept. — Overmeer (Piaget), Overveen, Texel (Ritsema).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy). |
Frise. — Lekkum, Suawoude (H. A).
>
De mai à septembre. Sur les eaux stagnantes.
2. Triaenodes conspersa, Rambur, 1842,
Rev. and Syn., p. 223, pl. XXXIV.
Gueldre. — Arnhem (v. Med, de Rooy).
Un seul exemplaire, en juillet,
350 CATALOGUE DES
Genre ADICELLA, Mac Lachlan, 1877.
Adicella reducta, Mac Lachlan, 1877.
Rev. and Syn., p. 327, pl. xxxv.
En Belgique, à Spa et à Dinant, sur les petits ruisseaux, du 10 au
18 juillet (de Selys).
Adicella filicornis, Pictet, 1834.
Rev. and Syn., p. 328, pl. xxxv.
En Belgique, à Wolferdange et en Campine. En juin (de Selys).
Genre OECETIS, Mac Lachlan, 1877.
1. Oecetis ochracea, Curtis, 1825.
Rev. and Syn., p. 331, pl. xxxvi.
Brabant sept. — Breda (Heylaerts).
Rotterdam (Snellen), Leide (de Graaf).
Hollande sept. — Ter Schelling (Ritsema).
Utrecht. — Driebergen (Six).
Gueldre. — Apeldoorn (v. Med. de Rooy).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum (Burger).
Hollande mér.
De juin a septembre. Sur les bords des eaux stagnantes ou peu vives.
Pas commune.
2. Oecetis fulva, Rambur, 1842.
Rev. and Syn., p. 332, pl. XXXVI.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen).
Brabant sept. — Bergen op Zoom (Ritsema).
Hollande mér. — Warmond (Ritsema), Rhoon (Schepman).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
Frise. — Leeuwarden, Huizum, Lekkum (H. A.).
De mai jusqu’en août, sur les bords des eaux.
8. Oecetis lacustris, Pictet, 1834.
Rev. and Syn., p. 333, pl. XXXVI.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Zélande, — Dombourg (ter Haar).
NEVROPTERES. 351
Hollande mér. — Rotterdam (Schepman).
Hollande sept. — Overmeer (Piaget).
Frise. -- Lekkum (H. A).
De mai à août.
4. Oecetis notata, Rambur, 1842.
Rey. and Syn., p. 335, pl. XXXvI.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Cuyk (ter Haar).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen).
Hollande sept. — Harlem (v. d. Wulp).
Gueldre. -— Arnhem, Oosterbeek (v. Med. de Rooy), Renkum (Burger),
Nimègue (ter Haar).
De juin à septembre. Sur les bords des eaux courantes.
5. Oecetis testacea, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 336, pl. XXXVI.
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout (H. A.).
Frise. — Driesum, Veenklooster (H. A.).
En mai et en juillet, près de la petite rivière le Mark.
6. Oecetis tripunctata, Fab., 1793.
Rey. and Syn., p. 337, pl. XXXVI.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt), Ottersum ((v. d. Wulp).
Brabant sept. — Cuyk (ter Haar).
Hollande mér. — Giessendam (ter Haar).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Rheden (Lodeesen), Nimègue
(ter Haar).
De juin jusqu’en août. Prés des rivières.
Genre SETODES, Rambur, 1842.
1. Setodes tineiformis, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 340, pl. XXXVII.
Limbourg. — Ottersum (v. d. Wulp).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (H. A).
Zélande. — Krabbendijke, Dombourg (W. Albarda).
352 CATALOGUE DES
Hollande mér. — Rotterdam (Piaget), Wassenaar (de Graaf), War-
mond (Snellen), Rhoon (Schepman).
Hollande sept. — Halfweg (H. A.), Amstelveen (Ritsema), Valken-
veen (Mac Lachlan), Velsen (Jaspers).
Gueldre. — Arnhem (de Graaf), Huissen (v. Med. de Rooy).
Frise. — Lekkum, Suawoude (H. A.).
De juin jusqu’en août. Très commune.
Setodes interrupta, Fab., 1775.
Rev. and Syn., p. 340, pl. XxxvII.
En Belgique. Près de Liége. En juin et en juillet (Mac Lachlan).
Setodes argentipunectella, Mac Lachlan, 1877.
Rev. and Syn., p. LXVIII, pl. LVII.
En Belgique, à Bouillon, sur la Semois, vers la mi-juillet (Mac Lachlan).
2. Setodes punctata, Fab., 1793.
Rev. and Syn., p, 343, pl. XXXVII.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt), Gennep (v. Vollenhoven).
Brabant sept. — Cuyk (ter Haar).
Gueldre. — Arnhem, Oosterbeek (v. Med. de Rooy), Velp (de
Graaf), Renkum (v. Vollenhoven), Nimègue (ter Haar).
De juin à août. Sur les bords des rivières.
3. Setodes viridis, Fourcroy, 1785.
Rev. and. Syn., p. 344, pl. XXXVII
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt), Gennep (de Graaf).
Gueldre. — Arnhem, Oosterbeek (v. Med. de Rooy), Velp (de Graaf),
Renkum (Burger).
De juin è août, pres des rivieres. Souvent en grand nombre.
Sous-Famille VV HYDROPSYCHINES.
Genre HYDROPSYCHE, Pictet, 1834.
1. Hydropsyche pellucidula, Curtis, 1834.
” Rev. and Syn., p. 358, pl. xXxVIII.
Limbourg. — Maestricht, Canne, Houthem, St. Pierre (Maurissen).
De mai à juillet, Pròs des rivières.
NEVROPTERES. 353
Hydropsyche fulvipes, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 360, pl. XXXVIIL.
Observée en Belgique, è Spa et è Bouillon, en juillet (Mac Lachlan).
2. Hydropsyche angustipennis, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 361, pl. xxxIx.
Limbourg. — Maestricht, Meerssen, St. Pierre (Maurissen), Venloo
(v. d. Brandt).
Hollande mér. — Rotterdam (Piaget).
Hollande sept. — Overmeer (Piaget).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Keppel (Snellen).
De mai à juillet et en septembre, près des grandes rivières,
3. Hydropsyche ornatula, Mac Lachlan, 1878.
atomaria, Pictet (nec Gmelin).
Rev. and Syn., p. 363, pl. xxxIx.
Limbourg. — Maestricht; Meerssen, Limmel, St. Pierre (Maurissen),
Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (Everts).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Gorinchem (Everts).
Gueldre. — Arnhem, Wolfhezen (v. Med. de Rooy), Doorwerth
(Burger), Velp (de Graaf), Driel (Backer), Meerwijk, Beek (v.
Vollenhoven), Nimègue (ter Haar), Wageningen (Ritzema Bos),
Oosterbeek (Ritsema).
Très commune, de mai jusqu’en septembre, sur les bords des
rivieres,
4. Hydropsyche guttata, Pictet, 1834.
Rev. and Syn., p. 364, pl. xxxIx.
Limbourg. — Maestricht, Nuth (Maurissen), Ottersum (Ritsema).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen), Giessendam (ter Haar),
Dordrecht, Woerden (de Graaf), Rhoon (Schepman), La Hayc
(v. d. Wulp), Wassenaar (v. Vollenhoven).
Gueldre, Arnhem (vy. Med. de Rooy).
De mai jusqu’en septembre. Commune.
23
354 CATALOGUE DES
5. Hydropsyche instabilis, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 365, pl. XXXIX.
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
Assez rare, à la fin de juillet.
6. Hydropsyche exocellata, Dufour, 1841.
Rev. and Syn., p. 367, pl. xxxIx.
Limbourg. — Bunde, Meerssen (Maurissen).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
Peu commune. En juillet et en septembre.
7. Hydropsyche lepida, Pictet, 1843.
Rev. and Syn., p. 371, pl. xn.
Limbourg. — Maestricht, Meerssen, St. Pierre (Maurissen).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
De mai jusqu’en août. Très commune près des grandes rivières.
Genre PHILOPOTAMUS, Leach, 1815.
Philopotamus ludificatus, Mac Lachlan, 1878.
Rev. and Syn., p. 381, pl. xt.
En Belgique, prés de Spa, prés de Bouillon et sur la route entre
Poix et Libin, en juillet (de Selys et Mac Lachlan),
Philopotamus montanus, Donovan, 1813.
Rev. and Syn., p. 382, pl. xLI.
En Belgique, en juillet et en septembre (Mac Lachlan et de Selys).
Philopotamus variegatus, Scopoli, 1763.
Rey. and Syn., p. 385, pl. XLI.
En Belgique, à Bouillon, vers le 10 juillet. Rare (Mac Lachlan).
Genre WORMALDIA, Mac Lachlan, 1865.
Wormaldia occipitalis, Pictet, 1884.
Rev. and Syn., p. 389, pl. xLI.
Observée en Belgique, à Bouillon, du 10 au 20 juillet, et à Dinant
(Mac Lachlan).
NÉVROPTÈRES. 355
l. Wormaldia subnigra, Mac Lachlan, 1865.
Rev. and Syn., p. 391, pl. XLI.
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
Le 10 juillet. Rare.
Genre NEURECLIPSIS, Mac Lachlan, 1864.
1. Neureclipsis bimaculata, L., 1758.
Rey. and Syn., p. 392, pl. XLII.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ginneken (H. A.), Ulvenhout (Piaget).
Hollande mér. — Rotterdam (de Graaf).
Utrecht. — Driebergen (Six).
Gueldre, — Brakel (Snellen), Renkum, Oosterbeek (v. Med. de Rooy),
de i
Nimègue (ter Haar).
De mai jusqu’en août, Commune.
Genre PLECTROCNEMIA, Stephens, 1836.
1. Plectrocnemia conspersa, Curtis, 1834.
| Rev. and Syn., p. 394, pl. XLII.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt), Maestricht (Maurissen).
Gueldre. — Beekhuizen (Ritsema), Doorwerth (Burger).
De la fin d’avril jusqu’en septembre. Locale.
Plectrocnemia geniculata, Mac Lachlan, 1871.
Rev. and Syn., p. 396, pl. xLI.
Observée en Belgique, par M. Weyers, à la Hulpe, le 3 mai (de Selys).
Genre POLYCENTROPUS, Curtis, 1835.
1. Polycentropus flavomaculatus, Pictet, 1834,
Rev. and Syn., p. 398, pl. XLII.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt), Maestricht (Maurissen).
Brabant sept. — Ginneken (H. A.), Oisterwijk (v. Vollenhoven).
Hollande mér. — Leide (Périn), La Haye (v. d. Wulp).
Gueldre, — Arnhem (v. Med, de Rooy), Oosterbeek (Ritsema).
356 CATALOGUE DES
Frise. — Lekkum, Suawoude, Driesum, Oldeberkoop, Beetsterzwaag
= (EAs);
De la mi-avril a la fin d’aoùt. Commun.
2. Polycentropus multiguttatus, Curtis, 1835.
Rev. and Syn., p. 399, pl. xLII.
Brabant sept. — Ginneken, Ulvenhout (H. A.).
Gueldre. — Arnhem, Oosterbeek (v. Med. de Rooy).
En juin et en août. Peu commun et local.
Genre HOLOCENTROPUS, Mac Lachlan, 1878.
l. Holocentropus dubius, Rambur, 1842. :
Rev. and Syn., p. 401, pl. xLIII.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Dordrecht (de Graaf), Pernis
(Schepman), Warmond (Ritsema).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Tietjerk, Suawoude, Huizum (H.A.),
Hardegarijp (Burger).
En mai et en juin, et en août et en septembre. Commun.
2. Holocentropus picicornis, Stephens, 1836,
Rev. and Syn., p. 402, pl. XLII.
Limbourg. — Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Ulvenhout (Piaget).
Hollande mér. — Rotterdam (Fransen), Rhoon (Schepman), Leide
(v. Vollenhoven).
Hollande sept. — Amsterdam (Kinker), Overmeer (Piaget).
Utrecht. — Utrecht, Driebergen (Six).
Gueldre. -- Arnhem (v. Med. de Rooy).
Frise. — Leeuwarden, Lekkum, Kuikhorne (H. A).
De juin à août. Commun.
3. Holocentropus auratus, Kolenati, 1858.
Rey. and Syn., p. 403.
Hollande mér. — Warmond (Ritsema).
NÉVROPTÈRES. 357
Hollande sept. — Overmeer (Piaget).
En mai et en juin. Espéce très locale.
4 Holocentropus stagnalis, Albarda, 1874,
Rev. and Syn., p. 404, pl. XLIII.
Brabant sept. — Ginneken (H. A.), Ulvenhout (Piaget), Bergen
op Zoom (Ritsema).
Frise. Lekkum (H. A.).
En mai et en juin. Très local.
Genre CYRNUS, Stephens, 1836.
1. Cyrnus trimaculatus, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 406, pl. xLIII.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen), Venloo (v. d. Brandt).
Brabant sept. — Breda (Piaget), Ginneken (H. A.), Cuyk (ter Haar).
Zélande. — Dombourg (ter Haar).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen), Wassenaar (Ritsema).
Hollande sept. — Overveen (Ritsema).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Nimègue (ter Haar).
Commun. De juin jusqu’en septembre.
2. Cyrnus flavidus, Mac Lachlan, 1864.
.
Rev. and Syn., p. 407, pl. XLIII.
Hollande mér. — Warmond (Ritsema).
Hollande sept. — Overveen (Weyenbergh).
Rare et local. En mai.
3. Cyrnus crenaticornis, Kolenati, 1858.
Rev. and Syn., p. 407, pl. xLIII.
Limbourg. — Mook (v. Vollenhoven).
Brabant sept. — Cuyk (ter Haar).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen).
Hollande sept. — Overveen (Ritsema).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
De mai jusqu’en août. Assez rare,
358 CATALOGUE DES
Genre ECNOMUS, Mac ‘Lachlan, 1864,
1. Ecnomus tenellus, Rambur, 1842.
Rev. and Syn., p. 410, pl. XLIII.
Brabant sept. — Ginneken (H. A.).
Hollande mér. — Rotterdam (Schepman), Leide (Ritsema), Giessen-
dam (ter Haar).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy), Harderwijk (H. A.).
Frise. — Beetsterzwaag, Oldeberkoop (H. A.).
Très commun. En juillet et en août.
Ecnomus deceptor, Mac Lachlan, 1884
Rev. and Syn., Suppl., p. 55,*pl. vr.
En Belgique à Bouillon et à Dinant, du 9 au 12 juillet (Mac Lachlan).
Genre TINODES, Leach, 1815.
1. Tinodes Waeneri, L., 1758.
Rev. and Syn., p. 413, pl. xLIII.
Limbourg. — Limmel (Maurissen).
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (H. A.).
Zélande. — Dombourg (ter Haar).
Hollande sept. — Overveen (Ritsema).
Utrecht. — Utrecht (v. Hasselt).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
Commune. De mai jusqu’en septembre, sur les bords des eaux.
Tinodes unicolor, Pictet, 1834.
Rev. and Syn., p. 418, pl. XLIV.
En Belgique. Très abondante près de Dinant, au milieu de juillet
(Mac Lachlan).
Genre LYPE, Mac Lachlan, 1878.
1. Lype phaeopa, Stephens, 1836.
Rev. and Syn., p. 423, pl. xLv.
Limbourg. — Meerssen (Maurissen), Geulem (Piaget).
Brabant sept. — Ginneken (H. A.), Oisterwijk (v. Vollenhoven).
NEV ROPTÈRES. 359
Hollande mér. — Rotterdam (de Graaf), Rhoon (Schepman).
Hollande sept, — Overveen (Ritsema).
Utrecht, — Utrecht (v. Hasselt).
Gueldre. — Arnhem (v. Med, de Rooy), Oosterbeek (Ritsema),
Nimègue (ter Haar).
Lype redueta, Hagen, 1868.
Rev. and Syn., p. 424, pl. xLv.
Observée en Prusse rhénane (Bertkau).
Genre PSYCHOMYIA, Latreille, 1829.
l. Psychomyia pusilla, Fab., 1781.
Rev. and Syn., p. 426, pl. xv.
Limbourg. — Maestricht, St. Pierre, Limmel (Maurissen), Venloo
(v. d. Brandt).
Brabant sept. — Cuyk (ter Haar).
Gueldre, — Arnhem (v. Med. de Rooy), Beekhuizen (Ritsema).
De mai jusqu’en août. Commune près des rivières.
Sous-Famille RH YACOPHILINES,
Genre CHIMARRA, Leach, 1815.
l. Chimarra marginata, L., 1767.
Rev. and Syn., p. 431, pl. xv.
Limbourg. — Maestricht (Maurissen).
En juillet. Très locale. Prés des eaux vives.
Genre RHYACOPHILA, Pictet, 1834.
1. Rhyacophila dorsalis, Curtis, 1834,
Rev. and Syn., p. 439, pl. xzv.
Limbourg. — Meerssen (Maurissen), Fauquemont (v. d. Brandt).
En juillet et en août, près des ruisseaux.
Rhyacophila nubila, Zetterstedt, 1840.
Rev. and Syn., p. 441, pl. XLVI.
Observée en Prusse rhénane (Mac Lachlan).
360 CATALOGUE DES
Rhyacophila fasciata, Hagen, 1859.
Rev. and Syn., p. 443, pl. XLVI.
En Prusse rhénane (Mac Lachlan).
Rhyacophila septentrionis, Mac Lachlan, 1865.
Rev. and Syn., p. 444, pl. XLVI.
En Belgique, en juillet. Au lac de la Gilippe, à Viel Salm et à
Dinant (de Selys).
Rhyacophila obliterata, Mac Lachlan, 1863.
Rev. and Syn , p. 445, pl. XLVII.
En Belgique, à Spa, le 3 juillet (de Selys).
Rhyacophila praemorsa, Mac Lachlan, 1879.
Rev. and Syn., p. 447, pl. XLVII.
En Belgique, à Spa, le 5 juillet (Mac Lachlan).
Rhyacophila Pascoei, Mac Lachlan, 1879.
Rev. and Syn., p. 451, pl. xLVIII.
En Prusse rhénane (Bertkau).
Rhyacophila tristis, Pictet, 1834.
Rev. and Syn., p. 456, pl. xLVIII.
En Belgique. Assez commune è Dinant (Mac Lachlan).
Rhyacophila pubescens, Pictet, 1834.
Rev. and Syn., p. 458, pl. xLVIII.
En Belgique, à Dinant, en juillet (Mac Lachlan).
Genre GLOSSOSOMA, Curtis, 1834.
Glossosoma Boltoni, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 471, pl. XLIX.
En Prusse rhénane (Bertkau).
Glossosoma vernale, Pictet, 1834.
Rev. and Syn., p. 472, pl. 1.
En Belgique. Un seul exemplaire, à Coo, le 18 juillet (Mac Lachlan),
NEVROPTERES. 361
Genre AGAPETUS, Curtis, 1834.
1. Agapetus fuscipes, Curtis, 1834,
Rev. and Syn., p. 477, pl. 1.
Gueldre. — Arnhem (v. Med, de Rooy).
En juin et en août. Très rare.
Agapetus comatus, Pictet, 1834.
Rev. and Syn., p. 479, pl. 1.
En Belgique (sans localité spéciale) (de Selys).
2. Agapetus laniger, Pictet, 1834.
Rev. and Syn., p. 480, pl. 1.
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
Un seul exemplaire, le 8 août.
Genre PTILOCOLEPUS, Kolenati, 1848.
Ptilocolepus granulatus, Pictet, 1834.
Rev. and Syn., p. 490, pl. LI.
En Belgique, à Bouillon, le 10 juillet (Mac Lachlan).
Sous-Famille HYDROPTILIDES.
Genre AGRAYLEA, Curtis, 1834.
1. Agraylea multipunctata, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 506, pl. xvII.
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen, Eaton), La Haye, Voor-
schoten (v. Vollenhoven), Rhoon (Schepman).
Hollande sept. — Overmeer (Piaget).
Frise. — Leeuwarden (H. A.).
En juin et en aoùt.
Genre HYDROPTILA, Dalman, 1819.
1. Hydroptila sparsa, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 511, pl. LVII.
Brabant sept. — Prinsenhage (H. A.).
Hollande mér. — Rotterdam (Schepman, Snellen).
362 CATALOGUE DES
Hollande sept. — Overmeer (Weyenbergh).
Gueldre. — Arnhem (v. Med. de Rooy).
De mai jusqu’en septembre.
Genre ORTHOTRICHIA, Eaton, 1873.
1. Orthotrichia angustella, Mac Lachlan, 1865.
Rev. and Syn., p. 519, pl. LIX.
Limbourg. — Ottersum (ter Haar).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen, Schepman).
De mai a août.
Genre OXYETHIRA, Eaton, 1873.
1. Oxyethira costalis, Curtis, 1834.
Rev. and Syn., p. 521, pl. ix.
Brabant sept. — Breda (Heylaerts), Ginneken (H. A.).
Hollande mér. — Rotterdam (Snellen), Leide (Burger).
Gueldre. — Huissen (v. Med. de Rooy).
En mai et en août.
_NÉVROPTÈRES. 363
NOMS DES OBSERVATEURS.
IE. AR
W. Albarda.
Backer.
vy. Bemmelen.
J. v. Bemmelen.
Bertkau.
Ritzema Bos.
v. d. Brandt.
Brants.
Burger.
Eaton.
Everts.
v. Eyndhoven.
Fokker.
Fransen.
de Gavere.
Gerth van Wijk.
de Graaf.
Henri de Graaf.
Grebner.
ter Haar.
v. Hasselt.
Heeringa.
Herklots.
Heylaerts.
v. d. Hoeven.
Jaspers,
Kinker.
Kolbe.
Mac Lachlan.
MM. J. Herman Albarda, à Leeuwarden.
„
W. Albarda, à Ginneken.
J. Backer, à Oosterbeek. +
A. A. van Bemmelen, à Rotterdam.
J. van Bemmelen, à Leide.
Ph. Bertkau, à Bonn.
J. Ritzema Bos, à Wageningen.
A. van den Brandt, 4 Venloo.
A. Brants, à Arnhem.
D. Burger, a Leide. +
A. E. Eaton, Shepton Montague, Castle Cary.
Ed. J. G. Everts, à La Haye.
A. J. van Eyndhoven, à Zutphen. +
A. J, F. Fokker, à Zierikzee,
C. Fransen, à Rotterdam. +
C. de Gavere, à Groningue. +
H. L. Gerth van Wijk, è Middelbourg.
H. W. de Graaf, a La Haye.
Henri W. de Graaf, a Leide.
G. W. Grebner, à Amsterdam. +
D. ter Haar, à Cuyk.
A. W. M. van Hasselt, à La Haye.
J. C. Heeringa, à Wageningen.
J.. A. Herklots, a Leide. +
F. J. M. Heylaerts, a Breda.
J. van der Hoeven, a Leide. +
J. Jaspers, a Velsen.
J. Kinker, à Amsterdam.
H. J. Kolbe, a Berlin.
R. Mae Lachlan, Westview, Clarendon-Road ,
Lewisham , Londres,
364
Leesberg.
Lewe.
Lodeesen.
de Man.
Maurissen.
Périn.
Piaget.
Piepers.
Ritsema.
v. Med. de Rooy.
Schepman.
de Selys.
Six.
Smit.
Snellen.
v. Tuinen,
Verloren.
Veth.
v. Vollenhoven.
v. Walcheren.
Weyenbergh.
Wttewaal.
v. d. Wulp.
CATALOGUE DES
MM. A. F. A. Leesberg, à La Haye.
H. Lewe van Middelstum, 4 Beek. f.
J. W. Lodeesen, à Amsterdam.
J. G. de Man, a Middelbourg.
A. H. Maurissen, a Maestricht.
J. Périn, è Leide. +
E. Piaget, aux Bayards, Neuchâtel en Suisse,
auparavant à Rotterdam.
M.C. Piepers, à Batavia, auparavant à Arnhem.
C. Ritsema, à Leide.
A. B. van Medenbach de Rooy, à Arnhem. +
H. H. Schepman, à Rhoon.
Edm. de Selys Longchamps, à Liége.
G. A. Six, à la Haye.
J. M. Smit, à Rotterdam. +
P. C. T. Snellen, à Rotterdam.
K. Bisschop van Tuinen, à Zwolle.
M. C. Verloren van Themaat, à Schothorst,
près d’ Amersfoort.
H. J. Veth, à Rotterdam.
S. C. Snellen van Vollenhoven, a Leide. +
J. A. C. van Walcheren, à Brummen. +
H. Weyenbergh, a Cordova, auparavant a
Harlem. +
J. Wttewaal, à Utrecht. +
F. M. van der Wulp, à La Haye.
NEVROPTERES. 365
DART EAP es’ B'É TI QUE
DES AUTEURS CITES.
(Les livres que l'auteur n’a pu consulter sont marqués d'un astérisque).
Albarda, 1874.
——, 1878.
Allioni, 1766.
Ausserer, 1869.
Bertkau, 1883.
Brauer, 1850.
sap sis
——, 1851.
——, 1856.
Herman Albarda, Deua nouvelles espèces de Tricho-
ptères d'Europe. (Tijdschr. v. Entom., XVII,
1874, p. 229—234).
——, Descriptions of three new European Ephe-
meridae (The Ent. Mo. Mag., XV, 1878, p. 128).
* ©, Allioni, Manipulus Insectorum Taurinensium.
(Mél. de la Soc. roy. de Turin, 1766, Tom. III,
p. 185).
C. Ausserer, Neurotteri Tirolesi. Modena, 1869,
in 8vo,
Ph. Bertkau, Ueber Kolbia quisquiliarum. (Herbst-
Versammlung des Naturh. Ver. in Bonn, am
1 October 1882).
F. Brauer, Beschreibung und Beobachtung der
Oesterreichischen Arten der Gattung Chrysopa.
(Haidinger’s Naturw. Abh. 1850, Bd. IV, Abth.
4, p. 1-12).
—— , Verwandlungsgeschichte des Osmylus macu-
latus. (Wiegmann’s Archiv, 1851, Tom. XVII,
p 255—258).
——, Entwickelungsgeschichte der Panorpa com-
munis, L. (Sitzber. der mathem. Naturw. Classe
der Kais. Akad. der Wissensch. in Wien, Tom.
VII, 1851, p. 408, pl.).
‚ Vergleichende Beschreibung der Sialis fuli-
ginosa, Pictet und lutaria, L. (Verhandl. zool.
bot, Ver. in Wien, 1856, Tom. VI, p. 397).
366 CATALOGUE DES
Brauer, 1868. F. Brauer, Verzeichniss der bis jetzt bekannten
Neuropteren im Sinne Linnés. (Verhandl. zool.
bot. Ver. in Wien, 1868, Bd. XVII).
—— , 1876. ——, Die Neuropteren Europa’s und insbesondere
Oesterreichs, Wien, 1876, in 4to.
Brauer et Löw, 1857. Brauer und Löw, Neuroptera Austriaca. Wien,
1857, in 8vo.
Brittinger, 1850. C. Brittinger, Die Libelluliden des Keiserreichs
Oesterreich. (Sitzb. d. Mathem. Naturw. Classe
der Kais. Akad. der Wissensch. in Wien, Tom.
IV, p. 328).
Brullé, 1832. A. Brullé, Zwpédition scientifique de Morée, — Les
insectes. Paris, 1832, in fol.
Burmeister, 1839. H. C. U. Burmeister, Handbuch der Entomologie.
Berlin, 1832—55, 5 vols., in 8vo. (Tom. IL,
2me Div., 2me part., p. 737—1050, Les Né-
vroptères).
Charpentier, 1825. T. de Charpentier, Horae entomologicae. Wratisl.,
1825, in 8vo.
——, 1840, ——, Libellulinae Europaeae., Lipsiae, 1840,
in 4to.
Costa, 1855. A. Costa, Fauna del Regno di Napoli, Neurotteri.
Napoli, 1855 et 1870, in 4to.
LB Bi
, De quibusdam novis insectorum generibus
descriptis iconibusque illustratis. (Mem. Acad.
sc. Napoli, 1857, Tom. II, p, 219, tab.).
Curtis, 1823—1840. J. Curtis, British Entomology. London, 1823—
1840, 16 vol., in 8vo.
——, 1834.
» Descriptions of nondescript British Species
of Mayflies or Anglers. (Philos. Mag,, Series 3,
1834, p. 120—125, 212—218).
——, 1854 ——, Descriptions of two Species of the genus
Hemerobius of Linnaeus. (Trans. ent. Soc. London,
Series 2, 1854, Tom. III, p. 56—60).
Dalman, 1819. J. W. Dalman, Analecta Entomologica. Holmiae,
1823, in 4to.
Donovan, 1811.
Dufour, 1835.
Eaton, 1869.
——, 1870.
—--, 1871.
“sa 9 1873.
——, 1883—1888.
Erichson, 1840.
Evans, 1845.
Eversmann, 1836.
Fabricius, 1775.
—, 1776.
——, 1781.
—— , 1787.
—— , 1793.
ET:
NEVROPTERES. 367
E. Donovan, Zhe natural history of British Insects.
London, 1792—1813, 16 vol., in 8vo.
L. Dufour, Recherches anatomiques et physiologiques
sur les Orthopteres, les Hymenopteres et les
Névroptères. (Ann. d. Sciences nat., Ser. 2,
1835, Tom. IV, p. 238—243).
A. E. Eaton, On Centroptilum, a new genus of
Lphemeridae. (Ent. Mo. Mag., VI, p. 132, 1869).
——, On some new British species of Ephemeridae.
(Trans. ent. Soc. Lond. 1870, p. 1--8).
——, A Monograph on the Ephemeridae. (Trans,
ent. Soc. Lond. 1871, part I, p. 1-—164).
, On Hydroptilidae, a family of the Tricho-
ptera. (Trans. ent. Soc. Lond. 1873, Part II,
p. 125—151).
——, À Revisional Monograph of the recent Ephe-
meridae. (Trans. of the Linn. Soc. of London,
2 ser., Vol, III, London, 1883—1888).
W. F. Erichson, Æntomographien, Heft I, Berlin,
1840, in 8vo,
W. F. Evans, British Libellulinae or Dragonflies.
London, 1845, in 8vo.
E. Eversmann, Libellulinae Wolgam fluvium inter
et montes uralenses observatae et descriptio spec.
nov. (Bull. Acad. Moscou, 1836, Tom. IX,
p. 223—248).
J. C. Fabricius, Systema Entomologiae. Flensburg
et Lips., 1775, in 8vo.
——, Genera insectorum. Chilonii; 1776, in 8vo,
—— , Species insectorum. Hamburgi, 1781, in 8vo.
--— , Mantissa insectorum. Hafniae, 1787, in 8vo.
——, Entomologia systematica. Hafniae, 1792—
1794, 4 vol., in 8vo,
— —, Supplementum Entomologiae systematicae,
Hafniae, 1798, in Svo,
368
O. Fabricius, 1780.
Fischer, 1846.
Fourcroy, 1785.
De Geer, 1771, 1778.
Geoffroy, 1762.
Girard, 1876.
Gmelin, 1788.
Goeszy, 1852.
Hagen, 1858.
——, 1859—61.
sett l Bele
— —, 1865.
——, 1866.
rt 1866.
CATALOGUE DES
O. Fabricius, Fauna Groenlandica. Hafniae et
Lipsiae, 1780, in 8vo.
G. Fischer von Waldheim, Æntomographia Imperii
Russici, 1820—1849, 4 Tom., in 4to.
A. F. Fourcroy, Entomologia parisiensis. Paris,
1785, 2 vol., in 12mo.
C. de Geer, Mémoires pour servir à l’histoire des
Insectes. Stockholm, 1752—1778, 7 vol., in 4to.
E. L. Geoffroy, Histoire abrégde des insectes qui
se trouvent aux environs de Paris. Paris, 1762,
2 vol., in 4to.
M. Girard, Traité élémentaire d'entomologie, Tom.
IT, fasc. 1. Névroptères, p. 260—570. Paris,
1876, in 8vo.
J. F. Gmelin, C. Linné Systema naturae, ed. XIII.
Lipsiae, 1788, 3 Tom. en 10 vol., in 8vo.
*G. v. Goeszy, Beobachtung der Verwandlungsge-
schichte und Beschreibung einiger Arten der
Gattung Hemerobius, Leach. (Sitzb. Akad. Wis-
sensch. in Wien, 1852, Tom. VIII, p. 344--348).
H. A. Hagen, Synopsis of the British Planipennes.
(Entom. Annual for 1858, p. 17—33).
——, Synopsis of the British Phryganidae. (Entom.
Annual for 1859, p. 55—108, 1860, p. 66—85
et 1861, p. 1—16).
——, Synopsis of the British Psocidae. (Entom.
Annual for 1861, p. 18—32).
—— , Synopsis of the Psocina without ocelli.
(Ent. Mo. Mag. II, 1865, p. 121).
—, Psocinorum et Embidinorum Synopsis syno-
nymica. (Verh. zool. bot. Ver. in Wien, Tom.
XVI, 1866, p. 201).
——, Hemerobidarum Synopsis synonymica. (Stett.
ent. Zeit., Tom. 27, 1866, p. 369—462).
NEVROPTERES. 369
Hagen, 1867. H. A. Hagen, Notes on the genus Raphidia,
translated by R. Mac Lachlan. (Trans. ent. Soc.
Lond., 3 ser., vol. V, p. 6, 1867, p. 493— 499).
——, 1882, 1883. ——, Beiträge zur Monographie der Psociden.
(Stett. ent. Zeit, Th. 43, 1882, p. 265—300;
Th. 44, 1883, p. 285—322).
——, 1886. ——, On Hemerobius (Psectra) dipterus, Burmeister
and H. delicatulus, A. Fitch, (Entom. Americana,
vol. II, n°. 2, 1886).
——, 1886. ——, Monograph of the Hemerobidae, Part 2,
Micromus. (Proc. Boston Soc. of nat. hist., vol.
23, 1886, p. 276—292),
Hansemann, 1823. J. W. A. Hansemann, Anfang einer Auseinander-
setzung der deutschen Arten der Gattung Agrion F.
(Wiedemann’s Magaz. 1823, Tom. III, p. 148—
161).
Harris, 1776. M. Harris, An Exposition of English Insects.
London, 1776, in 4to.
Houttuin, 1768. M. Houttuin, Natuurlijke historie of uitvoerige
beschrijving der Dieren, Planten en Mineraalen,
volgens het samenstel van den Heer Linnaeus.
Amsterdam, 1761—1785, 3 tom, en 37 part,
in 89. Tom. I, part. 14, p. 1—104 (Névro-
ptöres). 1768.
Imhoff et Labram, L. Imhoff et J. D. Labram, Zusecten der Schweiz.
1845. Basel, 1835—1845, 100 Hefte in Svo.
Klug, 1836. J. C. F. Klug, Versuch einer systematischen Fest-
stellung der Insektenfamilie Panorpatae. (Abh.
der Königl. Akad. d. Wissensch, zu Berlin,
1836, p. 81—108).
Kolbe, 1880. H. J. Kolbe, Monographie der deutschen Psociden
mit besonderer Berücksichtigung der Fauna West-
falens. (Jahresb. d. Zool. Sect. d. Westf. Ver.
f. Wissensch. u. Kunst, 1879—1880).
——, 1882, ——, Neue Psociden der palacarctischen Region.
(Entom, Nachr, 1882, n°. 15, p. 207—212).
24
370
Kolbe, 1888.
Kolenati, 1848,
lep.
Latreille, 1796.
ziee 1805:
==, 1809,
= 806,
Latreille-Coquebert ,
1790;
Leach, 1815.
Linden (v. d.), 1820.
u 1695.
me, 1826,
Linné, 1735.
=, 1758,
Eb.
ae) 1767.
CATALOGUE DES
H. J. Kolbe, Psosidae. Anhang zu Rostock’s Neu-
roptera germanica, Zwickau, 1888.
F. A. Kolenati, Genera et species Trichopterorum ,
Pars prior, Heteropalpoidea, Pragae, 1848,
in 4to.
—-—, Idem, Pars posterior. (Nouv. Mém. Soc.
Imp. de Moscou, 1859, Tom. XVII, in 4to).
P. A. Latreille, Preeis des caractères génériques
des insectes, disposés dans un ordre naturel.
Bourdeaux, 1796, in 8vo.
——, Histoire naturelle, générale et particulière
des Crustacés et des Insectes. Paris, 1802—1805,
14 vol., in 8vo. — Vol. XIII, Névroptères, 1805.
——, Genera crustaceorum et insectorum. Parisiis,
1806—1809, 4 vol. in 8vo.
——, Familles naturelles du regne animal. Paris,
1825, in 8vo.
——, Le genre Psocus, dans Coguebert, Illustr.
Iconogr. (Decas I, p. 8—14). Paris, 1799, in 4to.
W. E. Leach, Entomology. (Brewster, Edinb.
Encycl., vol. IX, Edinburg, 1815, in 8vo.
P. L. van der Linden, Æeschnae Bononienses
descriptae. Bononiae, 1820, in 8vo.
, Agriones Bononienses descriptae. (Opusculi
scientif., 1823, Tom. IV, p. 101—106).
——, Monographiae Libellulinarum Europaearum
specimen. Brux., 1825, in 8vo.
*C, A, Linné, Systema naturae, Lugd. Bat., 17 35,
in fol.
—— , Systema naturae, ed. X. Holmiae, 1758—
1759, 2 vol., in 8vo,
——, Faunae Suecicae, ed. altera. Holmiae,
1761, in 8vo.
——, Systema naturae, ed, XII, Holmiae, 1767—
1768, 3 vol.; in 4 partes, in 8vo,
Mac Lachlan, 1865.
——, 1867.
——, 1868.
——, 1869,
——, 1869.
——, 1874—1880,
——, 1883.
——, 1884.
Mac Lachlan et Eaton,
1870.
Meyer-Diir, 1874—
1875.
Motschulsky, 1853.
Müller, 1764,
——, 1776.
NEVROPTERES. 371
R. Mac Lachlan, Zrichoptera Britannica. (Trans.
ent. Soc. of London, Série 3, vol. V, lre part.
1865).
--—, A Monograph of the British Psocidae.
(Ent. Mo. Mag. III, 1867, p. 177—181, 194—
197, 226—230, 241—245, 270—276).
——, A. Monograph of the British Neuroptera-
Planipennia. (Trans. ent. Soc, of London, 1868,
part 2, p. 145—224).
——, Description of a new species of Psocidae,
(Caecilius atricornis) inhabiting Britain. (Ent.
Mo. Mag. V, 1869, p. 196).
——, Synopsis of the Species of Panorpa occurring
in Europe and the adjoining countries. (Trans,
ent. Soc. of London for 1869, p. 59—70).
——, A Monographic Revision and Synopsis of the
Trichoptera of the European Fauna. London,
1874—1880, in 8vo.
—— , Remarks on certain Psocidae, chiefly British,
(Ent. Mo. Mag. XIX, 1883, p. 181).
— —, First additional Supplement to the Mono-
graphic Revision ‘of the Trichoptera of the
European Fauna, London, 1884, in 8vo.
R. Mac Lachlan et A. E. Eaton, 4 Catalogue of
British Neuroptera. London, 1870, in 8vo.
L. R. Meyer-Dür, Die Neuropteren-Fauna der
Schweiz, bis auf heutige Erfahrung (Mittheil.
der Schweiz. entom. Gesellsch. Bd. IV, n°, 6,
p. 281—352, 1874; n°. 7, p. 344—364, 1875),
V. von Motschulsky, Etudes entomologiques. Hel-
singfors, 1853—1861, 10 vol., in 8vo.
O. F. Müller, Fauna insectorum Fridrichsdalina.
Hafniae, 1764, in Svo.
, Zoologiae Danicae prodromus.
1776, in Svo,
Hafniae ,
312
Newman, 1833,
——, 1839.
Olivier, 1791, 1792,
1811.
Pallas, 1772.
Panzer, 1793— 1813.
E. Pictet, 1865.
Pictet, 1832.
Sit ro ggg)
gran 1894.
Ze seh,
==, 1841,
——, 1843—1845,
CATALOGUE DES
E. Newman, Entomological Notes. (Entomol.
Magazin, Tom. I, p. 415 (1833).
* ——, On the synonymy of the Perlites together
with brief characters of the old and a few new
species. (Charlesworth’s Mag. of nat. hist., Tom.
III, p. 32—37, p. 84—90, 1839).
A.G. Olivier, Encyclopédie méthodique, dictionnaire
des insectes. Paris, 1798—1825, 10 vol., in 4to.
(Tom. VI, 1791, Ephémérides et Phryganides,
Tom. VII, 1792, Hémérobides, Libellulides;
Tom. VIII, 1811, Myrméléontides, Némoura).
P. S. Pallas, Spicilegia zoologica. Berolini, 2
Tom. en 14 fasc., in 4to. (fasc. 9, 1772,
Insectes).
GW. Panzer,
initia oder Deutschlands insecten.
1790—1813, 109 Hefte, in 8vo.
Ed. Pictet, Synopsis des Nevropteres d'Espagne.
Genève, 1865, in 8vo.
Faunae insectorum Germaniae
Nürnberg,
F. J. Pictet, Mémoire sur les larves des Nemoures.
(Ann. d, Sc. nat., Tom. XXVI, p.369—391,
1832).
——, Mémoire sur la métamorphose des Perles, (Ann.
d. Sc. nat., Tom. XXVIII, p.44—65 (1833).
——, Recherches pour servir à l’histoire et à
l’anatomie des Phryganides. Genève, 1834; in 4to.
——, Description de quelques nouvelles espèces
d’insectes du bassin du Leman. (Mém. de la Soc.
de Phys. et d’Hist. nat. de Genève, Tom. VII,
p. 173—191, 1836).
——, Histoire naturelle générale et particulière
des insectes Nevropteres. — Premiere Monogra-
phie, Famille der Perlides. Genève, 1841—42,
in 8vo.
—-—, Seconde Monographie, Famille des Ephe-
mérines. Genève, 1843—45, in 8vo,
Rambur, 1842.
Ratzeburg, 1844,
Réaumur, 1738.
Retzius, 1783.
Roemer, 1789.
Roesel, 1749, 1755.
Rossi, 1790,
Rostock, 1878.
und:
Schäffer, 1766.
—— , 1766— 17179.
Schneider, 1843.
el 1846.
NEVROPTERES. 373
J. P. Rambur, Histoire naturelle des insectes
Nevropteres. — Suites & Buffon. Paris, Roret,
1842, in Svo.
J. T. C. Ratzeburg, Die Forstinsekten. Berlin,
1837—1844, 3 vol., in 4to. (Vol III, 1844,
Névroptères).
R. A. F. de Réaumur, Mémoires pour servir a
l’histoire des insectes. Paris, 1734—1742, 6
vol., in 4to.
A. J. Retzius, C. de Geer genera et species insecto-
rum. Lipsiae, 1783, in 8vo.
J. J. Roemer, Genera insectorum Linnei et Fabricii
iconibus illustrata. Vitoduri, 1789, in 4to.
A. J. Roesel, Monatlich herausgegebene Insekten-
Belustigung. Nürnberg, 1746—1761, 4 vol.
in 4to.
P. Rossi, Fauna Etrusca. Liburni, 1790, 2 vol.,
in 4to.
M. Rostock, Die Ephemeriden und Psociden Sachsens
mit Berücksichtigung der meisten übrigen deutschen
Arten. (Jahresb. d. Ver. f. Naturk. in Zwickau,
1878).
——, Neuroptera germanica. Die Netzflüger
Deutschlands mit Berücksichtigung auch einiger
ausser-deutschen Arten. (Jahresb. d. Ver. f.
Naturk. in Zwickau, 1887, Sep. 1888, in 8vo).
J. C. Schäffer, Llementa entomologica. Ratisbonae ,
1766, in 4to.
——, Icones insectorum circa Ratisbonam indigeno-
rum. Ratisbonae, 1766—1779. 3 vol., in Mo.
W. G. Schneider , Monographia generis Rhaphidiae
Linnaei. Vratislaviae, 1843, in 4to.
——, Ueber den Schlesischen Hemerobius- Arten.
(Arb. u. Veränd. der Schles. Gesellsch. f. Vaterl.
Kultur im Jahre 1846, p. 100—102).
374
Schneider, 1848,
——, 1851,
Schrank, 1776.
SAS ay
Ns
Schummel, 1832.
Scopoli, 1763.
Selys, 1840.
——, 1841.
——, 1843.
=), 1864
——, 1874.
——, 1883.
Selys et Hagen, 1850.
Spangberg, 1878.
CATALOGUE DES
W. G. Schneider, Die in Schlesien vorkommenden
Arten der Gattung Perla Geoffroy. (Arb. u.
Veränd. d. Schles. Gesellsch. f. Vaterl. Kultur
im Jahre. 1847, p. 111114, 1848).
—— , Symbolae ad Monographiam generis Chysopae
Leach. Vratislaviae, 1851, ed major, in 8vo.
* F.v. Paula Schrank, Beiträge zur Naturgeschichte.
Leipzig, 1776, in 8vo.
—— , Enumeratio insectorum Austriae indigenorum ,
Aug. Vind., 1781, in 8vo.
* —— , Fauna Boica. Nürnberg, 1798—1804,
3 Tom., in 6 vol., in 8vo.
T. E. Schummel, Versuch einer genauen Beschrei-
bung der in Schlesien einheimischen Arten der
Gattung Raphidia, Linné. Breslau, 1832, in 8vo.
J, A. Scopoli, Entomologica Carniolica. Vindobonae,
1763, in 8vo.
Edm. de Selys-Longchamps, Monographie des
Libellulidees @ Europe. Paris, 1840, in 8vo.
—— , Nouvelles Libellulidees d Europe. (Rev. Zool.,
1841, Tom. IV, p. 243—246).
—— , Notes sur quelques Libellules d’ Europe. (Ann.
Soc. ent. d. France, Série 2, 1843, p. 107--109).
——, Synopsis des Gomphines. (Bull. Acad. de
Brux., 1854, Tom. XXI, part 2, p. 23—114).
—— , Additions au Synopsis des Cordulines. (Bull.
Acad. de Brux., 1874, Tom. XXVII).
——, Synopsis des Aeschnines, Première partie,
Classification. (Bull. Acad. de Brux., 1883,
3me Série, Tom. V).
Edm. de Selys-Longchamps et H. A. Hagen, Revue
des Odonates ou Libellules d’ Europe. (M&m. de
la Soc, sc. de Liege, 1850, Tom. VI).
J. Spangberg, Psocina Sueciae et Fenniae. (Oefvers.
af Kongl. Vetenskaps-Akad. Förhandl. , 1878,
Da. 2);
Stein, 1874.
NEVROPTERES. 375
J. P. E. Fr. Stein, Beitrag zur Kenntniss der
Phryganeiden des Allvaders und einiger anderer.
(Stett. ent. Zeit., 35 Jahrg., 1874, p. 244— 253).
Stephens, 1835--1837. J.F, Stephens, J2/ustration of British Entomology.
Sulzer, 1761.
—, 1766.
Vallisnieri, 1733.
Villes, 1789.
Vollenhoven, 1861.
Walkenaar, 1802.
Walker , 1852, 1853.
Wallengren, 1863,
1870.
——, 1865.
—-—, 1871.
London, 1827—1846, in 8vo. (Mandibulata,
Tom. V, 1835—1837).
J.H. Sulzer, Die Kennzeichen der Insekten. Zurich,
1761, in 4to.
—— , Abgekirzte Geschichte der Insekten nach
dem Linneischen System. Winterthur, 1766,
in 4to.
* A. Vallisnieri, Opere fisico-mediche. Venezia,
1733, 3 vol}, me fol
C. J. de Villers, Caroli Linnaei entomologica ,
faunae suecicae descriptionibus aucta. Lugduni,
1789, 4 vol., in Svo.
S. C. Snellen van Vollenhoven, De dieren van
Nederland, — Gelede dieren. Haarlem, 1860,
1861, 2 deelen, in 8vo.
C. A. de Walkenaar, Faune Parisienne. Histoire
abrégée des insectes des environs de Paris, 1802,
2 vol., in 4to.
F. Walker, Catalogue of the specimens of Neuro-
pterous insects in the collection of the British
Museum. London, 1852, 1853, 4 parts, in 8vo.
H. D, J. Wallengren, Anteckningar i Entomologi.
(Oefvers. af Kongl. Vetenskaps-Akad. Förhandl. ,
1863 et 1870).
——, Ytterligare bidrag till kännedom af Sveriges
Neuroptera. (Oefvers. af Kongl. Vetenskaps-Akad.
Förhandl., 1865).
——, Skandinaviens Neuroptera. Förste Afdelnin-
gen, Neuroptera planipennia. (Kongl. Svenska
Vetenskaps-Akad. Handlingar, Bd. IX, n°. 8,
1871, in 4to.
376
Wallengren, 1879.
Wesmael, 1841.
Westwood, 1839,
1840,
Zetterstedt, 1840.
CATALOGUE DES NEVROPTERES.
H. D. J. Wallengren, Om Skandinaviens arten
af familjen Phryganeidae. (Ent. Tidskrift utgif-
ven of Jac. Spängberg, Bd. I, Haft 2, 1880.
C. Wesmael, Notice sur les Hemerobides de Bel-
gique. (Bull. Acad. de Brux., Tom. VII, 1840,
p. I, p. 203—221).
J. O. Westwood, An Introduction to the modern
classification of insects. London, 1839, 1840,
2 vol., in 8vo.
J. W. Zetterstedt, Insecta Lapponica descripta.
Lipsiae, 1839, 1840 (Sectio 5, Newroptera,
1840) in 4to.
AANTEEKENINGEN
OVER
LEPIDOPTERA VAN NIEUW-GUINEA,
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
(P1::8, 9 en 40).
In het jaar 1887 ontving ik van Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts te
’s Gravenhage eene kleine collectie Lepidoptera in papillotten, ver-
zameld door den heer H. P. Netscher, Luitenant ter zee, bij ge-
legenheid dat laatstgenoemde, als deel uitmakende van den Staf
van Z. M. oorlogschip Tromp, met dat schip een tocht maakte
naar het Nederlandsch gedeelte van Nieuw-Guinea. De heer Netscher
had deze vlinders aan Dr. Everts ter hand gesteld, met den wensch
dat zij zouden worden uitgezet en gedetermineerd, en dat de eventueel
daarbij zijnde nieuwe soorten beschreven zouden worden. Op verzoek
van mijn geachten collega deze taak op mij hebbende genomen,
wil ik hieronder de verzamelde soorten opnoemen, met bijvoeging
van mijne aanteekeningen. Vooraf echter moet ik (en ik mag mij
wel veroorloven uit naam van alle Entomologen in Nederland te
spreken) den heer Netscher openlijk dank betuigen wegens de door
hem betoonde belangstelling in onze wetenschap, en den wensch
uiten, dat hij onder onze landgenooten in Ned. Indie in dit opzicht
wat meer navolgers moge vinden. Die belangstelling heeft het mij
dan ook ten plicht gemaakt, het door den heer Netscher verzamelde
zoo zorgvuldig mogelijk te bewerken en de uitkomsten van mijn
378 AANTEEKENINGEN OVER
onderzoek in haar geheel en zoo spoedig mogelijk bekend te maken,
Maar al te vaak toch verneemt hij, die de moeite heeft genomen
dergelijke collectien bijeen te brengen, er nooit meer iets van. De
voorwerpen worden geprepareerd, benoemd, bewonderd, in eene
verzameling opgeborgen en — vergeten of door Anthrenen op-
gepeuzeld. Mijns inziens moesten die collectien steeds dadelijk be-
werkt worden en de resultaten bekend gemaakt. Dit werkt aan-
moedigend, meer dan eene bloote dankbetuiging kan doen en stellig
ook nuttiger,
Voorts is het voor mij een aangename plicht, den heer Everts
dank te zeggen voor het verlof, mij verleend , — waartoe hij bevoegd-
heid had — om uit de collectie de voorwerpen te behouden waarin
ik belang mogt stellen. Ik maakte hiervan gaarne gebruik en des
te eer omdat de vlinders goed behandeld waren — ook een punt
dat niet onvermeld mag blijven.
Wat onbeschreven soorten aangaat, zoo ontdekte ik er in de
collectie aanvankelijk slechts ééne, en wel eene Lycaenide. Van deze
was één mannetje door den heer Netscher gevangen, doch de heer
Ritsema, die mij met zijne gewone bereidwilligheid in het deter-
mineeren dezer Nieuw-Guineesche vlinders behulpzaam was, toonde
mij nog een onbenoemden man en twee wijfjes op ’s Rijks Museum
van Natuurlijke Historie te Leiden. Ik beschreef om deze reden de
soort, onder den naam van Pseudodipsas Helena, in de « Notes
from the Leyden Museum, vol. IX, p. 217 (April 1887). Later
merkte ik onder de Nieuw-Guineesche vlinders nog eene tweede
soort op, die mij nieuw voorkomt en welke ik hier zal be-
schrijven.
De punten, waar verzameld werd, zijn volgens opgave van Dr.
Everts de volgende:
Ansoes — een eilandje aan de zuidwestkust van het groote eiland
Jobi of Joppen in de Geelvinksbaai,
Roon — een eilandje tegen de zuidkust dier baai,
Andai — een punt op den vasten wal van Nieuw-Guinea
bij Doreh.
LEPIDOPTERA VAN NIEUW-GUINEA. 379
In beschouwingen over de vlinderfauna van Nieuw-Guinea zal
ik niet treden; daartoe is de door den heer Netscher bijeenge-
brachte verzameling niet uitgebreid genoeg en de bezochte punten
van dat groote eiland te weinig in getal. Alleen blijkt ook uit de
door den heer Netscher verzamelde Lepidoptera weder, dat de soorten
op Nieuw-Guinea meestal minder ontwikkeld zijn dan op Celebes
en in de Molukken 1).
RHOPALOCERA Boisd. ?).
Familie Heliconina Herr.-Sch.
Genus EUPLOEA Fabr., Herr.-Sch.
Van dit in de zoogenaamde Indo-Australische fauna zoo rijk
vertegenwoordigde genus werden vier soorten verzameld. De deter-
minatie daarvan heeft mij nog al moeite gekost, doch van groot
nut was mij hierbij de monographische bewerking van Huploea
door den heer Fred.- Moore, in de Proceedings of the Zoological
Society of London 1883, p. 253 enz. Meer dan bij eenige voor-
gaande bewerking van het genus is hierin voor onderscheid en
rangschikking der soorten zorgvuldig partij getrokken van de ken-
merken, die de mannelijke vlinders opleveren en die vooral door
de oudere schrijvers geregeld over het hoofd werden gezien,
zoodat dan ook de stellige herkenning van vele vroeger alleen
beschreven en niet afgebeelde soorten meestal onmogelijk wordt. Het
kan echter mijn bijval niet vinden, dat de heer Moore het genus
Euploca als eene zelfstandige familie der Rhopalocera beschouwt
en de onderafdeelingen, waarin hij het genus splitst, als afzonder-
lijke genera. Zuploea is wel een der natuurlijkste en meest homogene
vlinder-genera die wij kennen, en dus eene nadere verdeeling in
genera overbodig. Vervolgens zijn die welke de heer Moore aan-
1) Een vermeldenswaardig opstel over de Lepidoptera van Nieuw-Guinea
publiceerde de heer Th. Kirsch, in de Mittheilungen des Zool. Museum zu Dresden,
1877, p. 103—134, pl. v—vit.
2) Volgens Herrich-Schiiffer’s Prodromus.
380 AANTEEKENINGEN OVER
neemt uitsluitend gegrond op kenmerken aan de mannelijke insecten
ontleend en reeds daarom verwerpelijk. Wat de aangenomen soorten
betreft, waarbij vele nieuwe, zoo zijn ook deze laatsten bijna door-
gaande gegrond op hoogst onbeduidende kenmerken, die bij Huploea
geene waarde bezitten (een paar lichte stipjes min of meer, geringe
verschillen in grootte en kleur).
Het is waar dat de heer Moore nergens sterk te velde trekt om
de specifieke rechten zijner nieuwe Æuploea’s te verdedigen; het is
alsof hij onder den invloed van Darwin's leer over het ontstaan
der soorten — die ik overigens niet wil bestrijden — ze eigenlijk
beschouwt als varieteiten, die naderhand, wanneer alles medeloopt,
goede soorten kunnen worden. Zij vormen dus een nieuw begrip
in de Zoologie, de « Zukunft-Species » — (evenals wij reeds de
« Zukunft-Musik » hebben) — waarvoor dan op eene niet on-
handige wijze vooruit de prioriteit wordt besproken. Ik ben over-
tuigd, dat geheele reeksen van door Moore aangenomen Zuploea-
soorten niet anders zijn dan onbeduidende varieteiten, niet eens
waard dat wij ons geheugen met hare benoeming bezwaren.
lets anders is het met de karakteristiek der groepen, die de
Engelsche Entomoloog aanneemt. Hieraan dient streng de hand te
worden gehouden en zoo mogelijk moet zij nog scherper worden
gemaakt. Ik maak daarvan tot aanduiding mijner vier soorten
gebruik.
I. Mannelijke voorvleugels zonder matglanzige of lichtblauwe
langsstreep in cel 10.
A. Mannelijke achtervleugels zonder dik beschubde, doffe (lichte)
plek in de middencel.
1. Binnenrand der mannelijke voorvleugels recht.
a. \oorvleugelpunt afgerond, de achterrand niet gegolfd.
Euploea confusa Butl., Proc. Zool. Soc., 1866, p. 285,
fig.3, p: (289: — PhS) ie. a:
Gray Feld. , Novara II., p. 346.
Een gaaf paar.
LEPIDOPTERA VAN NIEUW-GUINEA, 381
E. confusa van Nieuw-Guinea en #. Gray van de Aroe-eilanden
verschillen niet specifiek. Bij de eerste zijn de achtervleugels lichter
omberbruin, waardoor de zwartbruine vlek bij den binnenrand,
die cel de tot twee derden en cel 2 tot de helft beslaat, meer
uitkomt.
Men kan dus Gray: Felder slechts als eene kleine, locale varieteit
beschouwen. Bij mijne exemplaren is op de onderzijde der achter-
vleugels slechts in cel 3 een van de zes door den heer Butler
afgebeelde lichte (blauwe) stipjes te zien. Verder moet ik opmer-
ken dat de benaming: « roseo-pallida », voor de breede lichte streep
in cel 15 en 2 der voorvleugels onjuist is. Ik zou haar bruingeel,
buitenwaarts in bruinwit overgaande noemen.
De dwarsader der voorvleugels is bij deze soort boven de helft
gebroken, en ader 5 ontspringt iets onder de breuk. Verder is de
voorrand van cel 8 der achtervleugels slechts tweemaal zoo lang
als de achterrand van cel 7. Ader 1 der voorvleugels is recht.
Aangezien de heer Butler van deze vlindersoort alleen eene
afbeelding der onderzijde in houtsnede geeft, achtte ik het niet
onnoodig om van deze gelegenheid gebruik te maken tot het leve-
ren eener gekleurde bovenzijde.
De juiste plaats waar het eene exemplaar gevangen werd is niet
aangeduid, het andere is op Roon gevonden.
2. Binnenrand der mannelijke voorvleugels gebogen.
a. Die binnenrand flauw en gelijkmatig, op de tweede helft niet
sterker, gebogen en cel 14 weinig of niet breeder dan
de helft van cel 14; ader 1 recht, in den staarthoek
uitloopende.
* De geheele voorrandshelft der mannelijke achtervleugels vaal.
Euploea melancholica Butl., Proc. Zool. Soc., 1866,
p. 285. — var. dethiops Butl., 1. c., p. 285 d. —
PI. 8, fig. 2 (4).
Latreillei Kirsch, Mitth. Zool. Mus. zu Dresden, 1877,
p. 145.
382 AANTEEKENINGEN OVER
Drie mannen, die geheel met Butler’s beschrijving zijner Æuploea
dethiops overeenstemmen; alleen moet ik opmerken, dat de achter-
rand der voor- en de staarthoek der achtervleugels (bovenzijde) niet
in tint verschillen, zooals men wellicht naar Butler’s bewoordingen
zou meenen. #. Latreillei van Kirsch, van ongeveer dezelfde loca-
liteit als mijne exemplaren, is volkomen dezelfde als #. Aethiops,
die overigens slechts eene varieteit van #. melancholica Butl. is. Deze
is grooter en heeft langs den achterrand der achtervleugels twee
rijen geelwitte vlekjes. #. occulta Butl., Proc. Zool. Soc., 1877, p.
467, met lichte stippen bij den staarthoek der achtervleugels, ook
van Nieuw-Guinea, verbindt beiden. De typische melancholica bezit
ik van Amboina.
Ader 5 der voorvleugels is zooals bij #. confusa, ader 8 der
achtervleugels is langer, en daardoor heeft cel 8 aan den voorrand
driemaal de lengte van cel 7 aan den achterrand.
Eiland Roon, Geelvinksbaai.
II. Mannelijke voorvleugels met ééne lichtblauwe of blauw-
witte, soms sterk gereduceerde langsstreep in cel 15 (op
de bovenzijde), de binnenrand in het midden sterk ge-
bogen; achtervleugels tegen den voorrand lichtgrijs.
A. Mannelijke achtervleugels met eene scherp begrensde, licht
leemgele, dik beschubde doffe plek tegen den voorrand
der middencel. Ader 1 der voorvleugels gebogen, in den
achterrand uitloopende; cel 14 smaller dan cel 19. Dwars-
ader der voorvleugels gebogen (het bovengedeelte sterker) ,
ader 5 uit haar midden, onder de bocht; ader 11 vrij
in den voorrand.
2, Leemgele, dik beschubde plek in de middencel der mannelijke
achtervleugels drie vierden harer breedte beslaande, lang
en spits. Op de onderzijde der voorvleugels de lichte
binnenrand de middencel niet bereikende, weinig verder
dan halfweegs cel 15 komende en geen donker gerand
langwerpig licht vlekje insluitende; voorrand der achter-
vleugels in het midden niet vlak, maar gebogen.
LEPIDOPTERA VAN NIEUW-GUINEA. 383
Euploea Mesocala Snell. v. Voll., Tiydschr. v. Entom., XVI
(1873), p. 244, pl. 11, fig. 1, 2.
Drie mannen met in verschillende mate minder uitgebreide licht-
blauwe teekening en bestuiving op voor- en achtervleugels dan
bij de echte Mesocala (van Waigiou). De afbeelding in het Tijd-
schrift is wat hard, doch stemt goed met de origineelen op het
Leidsch Museum overeen en vertoont alle wezenlijke kenmerken
dezer soort.
Het is niet onmogelijk, dat deze vlinder de Muploea Callithoé
van Boisduval, Voyage de Astrolabe, p. 93 is, doch de beschrij-
ving welke, evenals alle andere vlinderbeschrijvingen in dat werk,
hoogst vluchtig en eigenlijk onbruikbaar is, zal altijd een beletsel
zijn, om Callithoë met volkomen zekerheid te indentifiëeren, wat
met Mesocala niet het geval is. Alle verwijzingen naar en vermel-
dingen van Callithoé zijn en blijven dus twijfelachtig, daarom
houd ik mij liever aan Dr. Snellen van Vollenhoven’s zooal
niet geheel volmaakte, dan toch consciencieuse beschrijving en
afbeelding.
Intusschen is Mesocala ten slotte misschien wel niets anders dan
eene locale varieteit van Euploea Phaenareta Schall. (Midamus
Cram. (nec Linn.), Alea Hübn., Prothoë God.) van Amboina en
Ceram. Typische exemplaren, die ik van Saparoea voor mij heb,
verschillen juist op dezelfde wijze van Mesocala als Moluksche
voorwerpen der verwante #. Leucostictos Gmelin (Lunice God.),
van Javaansche verschillen, namelijk door bruinere bovenzijde met
minder sterken blauwen gloed en meer paarsachtig witte dan
blauwe stippen. Buitendien is de blauwe band der voorvleugels
van Mesocala bij Phaenareta tot eenige stippen verminderd.
Vleugelvorm, plaatsing, grootte en vorm der leemgele viltvlek
op de mannelijke achtervleugels en onderzijde zijn bij beiden
eveneens.
Moore plaatst Mesocala in dezelfde afdeeling als Lewcostictos
(Salpina), doch dit is onjuist; zij behoort bij Phaenareta in zijne
afdeeling (zoogenaamd genus) Huploea. Beide afdeelingen zijn althans
384 AANTEEKENINGEN OVER
in de mannelijke sexe vrij scherp gescheiden door de leemgele viltvlek
der achtervleugels, die bij Sa/pinx twee vijfden der vleugellengte en
drie vijfden van de breedte der middencel heeft — bij Zup/oez bijna
de helft der vleugellengte en drie vierden van de breedte der midden-
cel. Verder is de binnenrand der voorvleugels bij Sa/pinx op de
onderzijde, althans in de wortelhelft van cel 14 tot de middencel
en verder tot ader 2, vuil geelwit en vaal, zoodat het zoogenaamde
sexueele kenteeken (op de bovenzijde een blauw vlekje of streepje)
binnen het vale komt te staan. Op de onderzijde der voorvleugels
van Muploea (Phaenareta en Mesocala) is de binnenrand slechts
tot even over de helft van cel 15 geelwit en vaal en bereikt nergens
de middencel of ader 2. Ik heb bevonden, dat op verschillende
punten de karakteristiek der Moore’sche soortengroepen in het
genus Huploea verbeterd en verscherpt kan worden.
Eiland Roon, Geelvinksbaai.
III. Mannelijke voorvleugels in cel 15 met ééne, vale, mat-
glanzige langsstreep.
B. Mannelijke achtervleugels zonder dikbeschubde lichte plek
in de middencel.
2. Matglanzige langsstreep in cel 15 der mannelijke voorvleugels
op de helft daarvan beginnende en zoo lang als twee
derden harer franjehelft, boven haar midden gelegen,
nabij ader 2.
Euploea Netscheri nov. spec. — Pl. 8, fig. 3 d.
Twee gave en frissche mannen van 64 en 67 mm. vlucht.
Na lang zoeken heb ik de hoop moeten opgeven, voor deze wel
is waar zeer somber gekleurde maar toch door de plaatsing der
matglanzige langsstreep vrij kenbare soort eenen naam te vinden
en beschrijf haar dus als nieuw. Misschien is zij reeds bekend
gemaakt , doch dan zal de afbeelding, aanvullende wat aan
de beschrijving mocht ontbreken, kunnen dienen om haar te
identifiëeren,
LEPIDOPTERA VAN NIEUW-GUINEA. 385
Zooals ik opmerk, is de plaatsing der matglanzige langsstreep
zeer buitengewoon. Zij ligt ver naar achteren en naar boven. Alleen
bij Æuploca Lapeyrousei Boisduval, indien ik ten minste deze ook
weder zeer vluchtige soortbeschrijving (Voyage de U Astrolabe, p. 97)
juist interpreteer, wordt zij evenzeer ver achterwaarts gevonden,
doch is daar de helft korter. Aangezien nu volgens Moore zijne
afdeeling Chirdsa, waarin hij Lapeyrousei plaatst (Proc. Zool. Soc.,
1883, p. 284), zich kenmerkt door lange, smalle voorvleugels met
schuinen achterrand, iets wat bij Netscheri niet wordt gevonden,
zoo dient laatstgenoemde tevens in ‘eene afzonderlijke afdeeling te
worden geplaatst, welke in ieder geval onmiddellijk voorafgaat aan
Chirosa of er op volgt. Zij kenmerkt zich, in de mannelijke sexe,
door eenigszins driekante voorvleugels, met steilen, effenen achter-
rand, sterk afgeronden staarthoek en vrij regelmatig (voorbij het
midden iets sterker) gebogenen binnenrand; cel 4a is op de breedste
plaats nauwelijks half zoo breed als cel 19. De achtervleugels zijn
ook eenigszins driekant, met vrij duidelijke punt en bovenaan wat
vlakken achterrand, Ader 4 der voorvleugels loopt genoegzaam
geheel recht, hunne dwarsader is regelmatig en slechts zeer weinig
boven het midden gebogen; op dezelfde plaats ontspringt ader 5
en achter haar ziet men een terugloopend adersprankje in de mid-
dencel. Ader 8 der achtervleugels is niet lang en daardoor cel 8
slechts tweemaal zoo lang aan den voorrand als cel 7. In den bouw
der palpen, pooten of sprieten zie ik niets bijzonders.
Palpen zwartbruin met eene witte stip op lid 1. Sprieten aan
den wortel zwartbruin, welke kleur tegen het eind in kaneelbruin
overgaat. Thorax zwartbruin, het achterlijf op den rug donker
grauwbruin, tegen den wortel meer zwartbruin, de buik lichter,
vaal grauwbruin. Voorvleugels zwartbruin, zonder eenigen blauwen
gloed, de buitenranden lichter, duidelijk doch niet scherp begrensd ;
de voorrand is ter breedte van 3—4 mm. kaneelbruin, de achter-
rand ter breedte van ongeveer 6 mm. meer grauwbruin. De mat-
glanzige langsstreep in cel 1% is ongeveer 2 mm. breed, heeft een
vlak afgeronden voorrand en is bij het eene exemplaar 9, bij het
andere 10 mm. lang en ook iets breeder. De hoofdkleur der ach=
25
386 AANTEEKENINGEN OVER
tervleugels kan als grauwbruin (licht, grauwachtig tabaksbruin)
worden beschouwd; op het staarthoek-vierde is zij wat warmer en
iets glanzig, aan de vleugelpunt grauwer. Cel 8, door cel 1a der
voorvleugels bedekt, is vuilwit, iets glanzig en van daaraf tot de
helft der middencel wordt de kleur binnenwaarts (behalve aan de
vleugelpunt) steeds donkerder grauw, terwijl de binnenrandshelft
der middencel en de wortels der cellen 1c, 2 en 3 even donker
zwartbruin zijn als het middengedeelte der voorvleugels, vervloeiende
in de warmere tabakskleur van het staarthoek-vierde.
Op de onderzijde is de grondkleur merkbaar valer en lichter dan
boven, vooral op de achtervleugels; het midden der vleugels is even
als boven vervloeiend zwartbruin, op de voorvleugels minder, op
de achtervleugels meer uitgebreid dan boven. Cel 14 der voorvleu-
gels is witgrijs, iets glanzig, cel 15 muisgrauw, achteraan lichter,
met witgrijze onder- en bruinachtige bovenhelft. De voorrand dier
cel is, vooral wortelwaarts der ook hier zichtbare, dikbeschubde ,
donkergrijze, smal donkergerande langsstreep, gekleurd door het
zwartbruin van het middengedeelte der vleugels. In cel 2, binnen
het zwartbruin, ziet men een wit langsstreepje, bij den wortel van
cel 3 eene paarswitte stip, daarboven in cel 4 eene zeer kleine
en in de middencel, bij de dwarsader, heeft het eene voorwerp
een paarswit, stomp kepertje, het andere eene paarswitte stip.
Achtervleugels met zes paarswitte stippen, namelijk eene tegen het
eind der middencel en vijf andere daarachter bij den wortel der
cellen 2—6. Daarvan zijn de twee bovenste, vooral die in cel 5,
grooter en ook langwerpiger dan de drie onderste. Borst en pooten
zwartbruin.
De juiste plaats waar deze vlinders gevangen werden is niet
vermeld.
Genus HESTIA Hübn., Herr.-Sch.
Hestia d’Urvillei Boisd., Voyage de U Astrolabe, Entomologie,
p.107, pl... 3, fig. 4
Een typisch voorwerp (9), dat dus van /dea Clerck, Cramer, II,
LEPIDOPTERA VAN NIEUW-GUINEA. 387
pl. 193 AB duidelijk verschilt door zwarten, met ronde witte
vlekjes versierden achterrand der vleugels, de bijna geheel zwarte
middencel der voorvleugels en den breeden zwarten dwarsband dier
vleugels; ook is de vlucht veel minder. Niettemin vermoed ik dat
@ Urvillei slechts eene varieteit van Jdea is; cen voorwerp van
Batjan, hoewel ik het tot eerstgenoemde moet rekenen, toont
reeds veel toenadering tot d’Urvillei. Het is ook een wijfje en
nog iets kleiner dan het Nieuw-Guineesche stuk.
Andai.
DANAINA Herr.-Sch.
Genus DANAIS God., Herr.-Sch,
Danais gloriola Butl., Proc. Zool. Soc. 1866, p. 56,
Gaby 2 fie. 3, 4
Citrina Feld., Novara, II, p. 350, Tab. 42, fig. 5—7.
Een 8. |
Bij deze soort loopt ader 11 der voorvleugels vrij in den voor-
rand uit evenals bij Chrysippus, maar ader 5 der achtervleugels
ontspringt merkbaar nader bij 4 dan bij 6. Het omgekeerde vindt
bij Chrysippus plaats en mede bij similis. Bij deze beiden is ook
de middencel der achtervleugels veel spitser dan bij gloriola.
Ik merk op dat de zwartbruine dwarsband der voorvleugels,
die volgens Butler’s beschrijving tot den achterrand moet doorloopen
en dit bij een voorwerp van de Aroe-eilanden in mijne collectie
ook inderdaad doet, bij het Nieuw-Guineesche stuk reeds aan den
wortel van cel 4 ophoudt.
Andai.
Danais Genutia Cram., var. Mytilene Feld., Wien. Ent.
Mon., IV, p. 232. — Pl. 9, fig. 1 (3).
Danais pullata Butl., Proc. Zool. Soc. 1866, p. 47 cum fig.
Twee mannen, de een nog iets minder wit gestippeld dan op
Butler’s houtsnee-figuur, de andere iets meer,
388 AANTEEKENINGEN OVER
Ik betwijfel niet dat Mytilene slechts eene, zij het dan ook be-
langrijke varieteit van Genutia is, doch daar er nog geene goede
afbeelding van bestaat, geef ik er hierbij eene naar het best ge-
conserveerde exemplaar der twee. Het heeft eenige witte stipjes
meer dan het andere.
Eiland Roon, Geelvinksbaai.
Danais purpurata Butl., Proc. Zool. Soc. 1866, p. 52
cum fig. — Kirsch, Mittheil., p. 114.
Meganira Boisd., Voyage de U’ Astrolabe, Entomologie, p. 104
(nec Godart).
Een g, dat goed met Butler’s beschrijving en afbeelding overeen-
komt, zoomede met Meganira Boisd. Meganira God., volgens hem
van Java, kan wel similis Linn. zijn.
Overigens vermoed ik dat D. purpurata slechts eene varieteit is
van À). Juventa. Ik heb haar ook van Amboina, met minder
uitgebreide groenwitte vlekken.
Eiland Roon.
Danais sobrina Boisd., Voyage de? Astrolabe , Entomologie,
p. 103.
Een slecht geconserveerd wijfje.
Andai.
NYMPHALINA Herr.-Sch.
Genus NEPTIS Fabr., Herr.Sch.
Neptis consimilis Boisd., Voyage de U’ Astrolabe, Entomo-
logie, p. 133. — PL 9, fig. 2. — Kirsch, Mittheilungen ,
p. 125.
Een exemplaar, waarnaar de bijgaande afbeelding gemaakt is,
daar er van deze soort nog geene bestaat.
Neptis affinis Feld., Novara, Lepidoptera, III, p. 426, n°, 672,
van de Aroe-eilanden, is stellig niets anders dan eene kleinere,
insulaire varieteit van consimilis. Volgens Felder is de bovenzijde
LEPIDOPTERA VAN NIEUW-GUINEA. 389
bij affinis zooals bij consimilis, maar de dwarsband en de voorrands-
vlek ruim zoo breed; de onderzijde is onduidelijker geteekend en
de twee witachtige randlijnen veel minder gegolfd en veel smaller
roestbruin afgezet. Verder zegt hij, dat de vlinder « bedeutend »
kleiner dan consimilis is. — Volgens Kirsch, 1. c. varieert consimilis
reeds op Nieuw-Guinea belangrijk in grootte en in de breedte van
den dwarsband der bovenzijde, die soms met de voorrandsvlek
geheel ineengevloeid is.
Eiland Roon.
Genus TENARIS Hübn., Herr.-Sch.
Drusilla Swains., Snell. v. Voll.
Drusilla Artemis Snell. v. Voll., Tijdschr. v. Entom., IM,
poss; Bab. T fies 1772,
De questie geheel onaangeroerd latende van specifieke rechten,
waartegen veel te zeggen zou zijn, wil ik alleen constateeren
dat de heer Netscher een wijfje overzond, dat zeer goed met de
aangehaalde afbeelding overeenstemt. Het heeft echter 6 mm.
meer vlucht.
Ik merk hierbij nog op, dat Drusilla Onolaus Kirsch, Mitth.,
p. 123, pl. vi, f. 7, volgens hem «eine recht gut characterisirte
Art», door overgangen in mijne collectie aanwezig ook al blijkt
niet vaster op de beenen te staan dan de meeste anderen van
het genus.
Genus DIADEMA Boisd. , Herr.-Sch.
Diadema Bolina Linn. — Iphigenia Cram., I, pl. 67
DE (9).
Een paar; het 2 sprekend /phigenia Cram.; alleen is de roest-
bruine veeg der voorvleugels beperkt tot eene vlek van erwten-
grootte in cel 15 en is het voorwerp grooter dan Cramer’s
afbeelding.
Eiland Roon (4). — Andai (9).
390 AANTEEKENINGEN OVER
Genus MINETRA Boisd., Herr-Sch.
Minetra Sylvia Cram., I, pl. 43 F.G. — Boisd. , Voyage
de U’ Astrolabe , Entomologie, p. 127. — PI. 9, fig. 3 (var.).
Een paar, behoorende tot de varieteit, die Boisduval t. a. p. be-
schrijft en die er door de oker- in plaats van omberbruine grond-
kleur, het bijna geheel ontbreken van de witte vlekken der voor-
en achtervleugels en de vervloeide zwartbruine teekening der tweede
vleugelhelft zeer afwijkend uitziet, om welke reden ik hierbij eene
afbeelding geef. Meer dan eene varieteit is deze vorm stellig niet.
Hij is kleiner dan de exemplaren van Celebes en de Molukken. De
d is zeer goed, het 9 afgevlogen.
Andai.
Genus DOLESCHALLIA Feld., Herr.-Sch.
Doleschallia Bisaltide Cram. II, pl. 120 C. D. —
Kirsch, Mitth., p. 124.
var. Nacar (Amathusia) Boisd., Voyage de l’ Astrolabe, Ento-
mologie, p. 128. — PI. 10, fig. 1 (8).
Een paar. Aangezien ook van deze varieteit nog geene afbeelding
bestaat, geef ik er hierbij eene. — Zij onderscheidt zich van den
type door dat het oranje-bruingele wortelveld der bovenzijde op
de voorvleugels niet ten volle de wortelhelft inneemt en franje-
waarts schuin, in de richting van den staarthoek is begrensd,
zoodat het aan den binnenrand breeder is. Op de achtervleugels
neemt het hoogstens een derde van den vleugel in, is afgerond,
slecht begrensd en bruiner. Verder zijn van de zes lichte stippen
bij de voorvleugelpunt de twee onderste blauw , de vier bovenste wit.
De onderzijde, die bij Disaltide zeer varieert, is ook bij deze exem-
plaren niet gelijk, doch verschilt niet wezenlijk van den type. Ik
laat haar daarom onbeschreven en merk alleen op, dat zij bij het
tweede, niet afgebeelde voorwerp buitenwaarts lichter is dan bij
het andere en witte vlekken op de donkerder wortelhelft heeft,
Andai,
LEPIDOPTERA VAN NIEUW-GUINEA. 391
LYCAENINA HS.
Genus CUPIDO Schrank, Kirby.
Cupido Danis Cram., I, pl. 70 E. F. — Kirsch, Mittheil. ,
p. 126.
Damis Sebae Boisd., Voyage de l’ Astrolabe, Entomologie, p. 346
Een mannetje van 42 mm. vlucht. Het is grooter dan voorwer-
pen van Ceram (36, 37 mm.), Amboina (38 mm.) en Saparoea
(35, 38 mm.). Het witte middenveld der achtervleugels is even
smal als op Cramer’s afbeelding en neemt dus twee derden der
wortelhelft in, terwijl het vooral bij de Ceramsche exemplaren
merkbaar breeder is. Het driekante witte veld der voorvleugels is
gelijk aan dat van Cramer’s afbeelding, ook bij de Ceramsche
voorwerpen, terwijl het bij die van Amboina en Saparoea veel
kleiner en sterk blauw bestoven is.
Op de onderzijde verschillen mijne 5 exemplaren, die ik allen
voor mannen houd, niet merkbaar van elkander.
Eiland Roon.
Genus PSEUDODIPSAS Feld.
(Hewitson, Zr. Ent. Soc. of London, 1874, p. 343),
Pseudodipsas Helena Snell., Notes from the Leyden Museum ,
IX (4987), p. 247. Pl 40, fig..2 (¢);, fie. 3, (2);
Een man van 28 mm.
Dit voorwerp is, ofschoon niet onbruikbaar, toch niet voldoende
geconserveerd, en ik zou het dus onvermeld hebben gelaten, ware
het niet dat ik op het Leidsch Museum nog een beter mannetje
en twee wijfjes had gevonden, die mij in staat stelden deze nieuwe
soort t. a. pl. bekend te maken.
De man is op de bovenzijde zwartbruin, maar met vrij gelijk-
matig donker paarsblauwen weerschijn, die echter iets dof is.
Alleen de achterrand der vleugels, ter breedte van bijna een milli-
meter, aan de punt der voorvleugels iets breeder, is er vrij van,
392 f AANTEEKENINGEN OVER
hoewel zonder scherpe afscheiding. De franje der iets getande ach-
tervleugels is wit, op de adereinden fijn zwart, die der ongetande
voorvleugels zwartbruin, van ader 3 naar den staarthoek echter in
toenemende mate wit wordende. Onderzijde eenkleurig grijs zonder
eenige teekening. Franje als boven, doch op de achtervleugels van
af ader 6 met eene eerst zeer flauwe, naar onderen verbreede,
op de adereinden tot stippen verdikte zwarte franjelijn. Het wijfje
is iets grooter dan de man, met wat breeder, meer afgeronde
vleugels, het achterpaar iets sterker getand. De bovenzijde is zeer
donker aardbruin, iets grauwachtig, met een dun, langwerpig
rond wolkje van blauwe schubben op het midden van de binnen-
randshelft der voorvleugels, boven ader 1, dat eenige schubben
naar den vleugelwortel uitzendt. Franje blauwwit, op de voor-
vleugels op de adereinden, naar de vleugelpunt in toenemende mate
grauwbruin. Onderzijde lichter dan bij den man, grijswit, de
franjelijn ook op de voorvleugels zwart, op de achtervleugels dik-
ker, sterker vlekkig op de adereinden.
Bovenzijde van het lyf grauwbruin, de borst en het midden
van den buik grijswit. Pooten gewoon gevormd, glad beschubd,
de achter- en midden-schenen met een paar zeer korte sporen.
Hunne kleur is grauwbruin, wit geteekend. Aangezicht zwart,
met fijn witten zijrand. Oogen smal, onder en boven spits, naakt.
Palpen smal, opgericht, glad beschubd, met spits eindlid, bij den
man bijna geheel zwart, bij het wijfje blauwwit met zwarte spits.
Sprieten zwart, fijn wit geringd, het knopje langwerpig.
In de achtervleugels komt ader 2 uit twee derden van den bin-
€
nenrand der middencel, 3 ontspringt iets voor, 4 uit den staarthoek
dier cel, 5 iets boven het midden der fijne rechte dwarsader, 6
komt uit de spits der middencel, die half zoo lang is als de vleugel,
7 uit twee derden van haren voorrand; 8 is geheel aan de basis
met den voorrand der middencel vergroeid, dan gebogen, verder
bijna horizontaal, iets rechter dan de voorrand van den vleugel.
Wat de voorvleugels aangaat, zoo bezitten deze 11 aderen; 2
komt uit drie vierden van den binnenrand der middencel, die een
weinig langer is dan de voorvleugels, 3 en 4 komen uit en even
LEPIDOPTERA VAN NIEUW-GUINEA. 393
boven haren staarthoek, 5 uit het midden der dwarsader, 6 uit
de spits van deze; 7 moet als niet aanwezig worden beschouwd;
de lange steel van 8 en 9 ontspringt bijna aan het eind van den
voorrand der middencel, 10 en 11 komen uit vijf zesden en twee
derden van dien voorrand, 12 uit den vleugelwortel.
Eiland Roon, een man (Netscher); Waigeoe, een man, Morotai ,
een wijfje, Ternate, een wijfje (Bernstein).
Zooals ik ter aang. pl. opmerkte, is Pseudodipsas innotatus Miskin ,
Ent. Mo. Mag., XI (1874—75), p. 165, vooral op de onderzijde
na verwant, doch deze is witter en vertoont twee zwarte stippen
bij den binnenrand der achtervleugels. Op de bovenzijde is de wor-
telhelft der voorvleugels vrij glanzig licht paarsblauw, het overige
vaalzwart, scherp begrensd, en zijn de achtervleugels licht paars-
blauw met een duidelijk begrensden vaalzwarten rand van ongeveer
2 mm. breed. Aderstelsel als van Melena. Het Leidsch Museum bezit
een gaven man, door Bernstein op Ternate gevangen. Ps. innotatus
verschilt door de bovenzijde sterk van Melena, hoewel de onderzijde
zeer nadert. Het wijfje van innotatus ken ik niet in natura.
PIERIDINA Herr.-Sch.
Genus CALLIDRYAS Boisd., H. S.
Callidryas Pomona Fabr., Syst. Ent., p. 479.
Alcmeone Snell. v. Voll., Mon. des Piérides, p. 60.
Hilaria ibid. ibid. rm 09:
Twee wijfjes, gelijk aan Jugurtha Cram., II, pl. 187 E. F. Een
niet merkbaar verschillend heb ik ook van Celebes en dergelijke,
slechts kleinere, van Java.
Eiland Roon.
Genus TERIAS Swains., Herr.-Sch.
Terias Hecabe Linn. — Cram. II, 124 B, C. — Snell.
v. Voll., Monogr. d. Pierides, p. 66.
Twee gewone, typische mannen. De onderzijde bij beiden zeer
weinig geteekend.
Eiland Roon.
394 AANTEEKENINGEN OVER
EQUITINA Herr.-Sch.
Genus PAPILIO L., Herr.-Sch.
Papilio Priamus Linn., Syst. Nat., ed. XII, p. 744, n°.
1. — Cram. I, pl. 23 A, B. — Boisd., Spec., I. p. 173.
Pegasus Kirsch, Mittheil., p. 110.
Twee mannen; zij behooren tot de zeer onbeduidende varieteit
Cronius Feld., Verh. zool. bot. Vereins, XIV, p. 290, die zich van
den type onderscheidt door mindere grootte, door een getakt groen
langslijntje over een gedeelte van den binnenrand van de middencel
der voorvleugels en het ontbreken van de twee onderste zwarte
vlekjes der achtervleugels. De oranjegele vlekjes in cel 5 en 6
der achtervleugels zijn namelijk ook bij den typischen Priamus van
Amboina niet altijd aanwezig.
P. Arruana Feld., van de Aroe-eilanden, staat tusschen den type
en P. Cronius in, en heeft dus nog minder beteekenis.
Eiland Ansoes.
Papilio Ambrax Boisd., Voyage de U Astrolabe, Entomologie ,
p. 40; Idem, Species I, p. 218. — de Haan, 7erà.,
p. 32, Tab: 7 tie 2.
Een wijfje van 80 mm. vlucht.
Varieert in de hoeveelheid der witte bestuiving van de bovenzijde,
zooals aan verschillende exemplaren op het Leidsch Museum, van
Nieuw-Guinea, Waigeoe, Salawatti en Doreh te zien is.
Andai.
Papilio Polytes Linn. — Cram., II, pl. 265 A—C.
Een wijfje. Het heeft 87 millimeters vlucht, is ongestaart en
de witte vlek op de achtervleugels is zeer duidelijk, daar het ader-
beloop daarin slechts fijn donker beschubd is. Verder is de staart-
hoek sterk roestrood gekleurd en zijn slechts de drie onderste,
overigens vrij groote randmanen duidelijk.
Andai.
LEPIDOPTERA VAN NIEUW-GUINEA. 395
Papilio Gambrisius Cram., II, pl. 157 A, B. — Boisd.,
Spec., I, p. 213.
2 = Drusius Cram., III, pl. 229 A; pl. 230 A. — Boisd.,
Belen pi 218.
var. Ormenus Guér., Voyage de la Coquille, pl. 14, fig. 3. —
Boisd., Spec., I, p. 214. — Kirsch, Mittheil., p. 112.
Acht exemplaren van beide sexen, twee mannen en zes wijfjes.
De eersten zijn ongeveer gelijk aan elkander en komen met de
beschrijving van Boisduval overeen, behalve dat de voorvleugels
geheel ongeteekend zijn; de wijfjes varieeren. Drie naderen Drusius
Cram. en verschillen door 10 mm. minder vlucht , bovenaan breederen,
witteren middenband en roodgele randmanen der achtervleugels, en
meer vervloeid, donkerder bestoven wit der voorvleugels; één wijfje
is naar de beschrijving van Boisduval Pap. Amanga, 1. c., p. 216,
slechts verschillende door rijkelijk grijs bestoven voorvleugels; en
twee behooren tot de varieteit Onesimus Hew., Exot. Butt. IL, Pap.,
Tab. 3, fig. 8.
Waarschijnlijk verschillen ook Pap. degeus Don. en Tydeus Feld.
niet specifiek, zoo min als Amphitryon Cram., I, Tab. 7, A, B,
in welk geval de laatstvermelde naam de oudste voor de geheele
soort is. Op het Leidsch Museum bevinden zich een aantal exem-
plaren der vermelde vormen, en hoe meer men er ziet, des te
onzekerder worden de kenmerken die hen scheiden.
Andai, eiland Roon.
Papilio Euchenor Guér., Voyage de la Coquille, Tab. 13,
fig. 3.
Awion Boisd., Voyage de l Astrolabe, Entomologie, p. 41. —
Idem, Spec., p. 219.
Twee exemplaren van dezen grooten en zeer kenbaren vlinder.
Eiland Roon.
Papilio Ulysses Linn. — Cram., II, pl. 121, fig. A, B.
Telegonus Feld., Wien. Ent. Mon., IV, p. 226. — Novara,
p. 116, pl. 19, fig. a—c. — Kirsch, Mitth., p. 113.
Een wannelijk exemplaar, dat kleiner is dan een man van Saparoea
396 AANTEEKENINGEN OVER
(Molukken), doch anders niet dan in onbeduidende kleinigheden
daarvan verschilt.
Andaï.
HETEROCERA.
LITHOSINA Herr.-Sch.
Genus NYCTEMERA Hübn.
Nyctemera latistriga Snell., Zöüdschr. v. Entom., XXII
(1879), p. 72, pl. 6, fig. 5—28 (1885), p. 38. —
Pagenstecher, Jahrb. des Nass. Vereins für Naturkunde,
XXXIX (1886), p. 120.
Een wijfje. Het is donkerder dan de exemplaren van Celebes,
waarnaar de aangehaalde afbeelding is gemaakt, en de onderzijde
van het achterlijf is geheel okergeel. Op de bedoelde afbeelding is
het aderbeloop der voorvleugels te dik en de lichte langslijnen
hunner wortelhelft niet helder genoeg gekleurd, terwijl de grond-
kleur van de vleugels ook aldaar te licht is. Zij is even donker
als die van het gedeelte voorbij den witten dwarsband.
N. latistriga onderscheidt zich van éripunctaria Linn. , die afgebeeld
is bij Cramer, I, pl. 22, fig. E, door minder schuin loopenden
witten dwarsband der voorvleugels, door het ontbreken van de
witte langsstreep op de wortelhelft hunner cel 15, welke hier door
eene fijne geelwitte langslijn is vervangen, door den tand van
den ook buitendien verschillend gevormden zwarten achterrand
der achtervleugels op ader 2, en door de zwarte dwarslijntjes op
den achterlijfsrug (bij éripunctaria vindt men zwarte stippen). Deze
verschilpunten zijn niet de eenige , maar de meest in het oogloopende.
Ook Zacticinia Cram., II, pl. 128 E, is eene andere soort.
Volgens den heer Meyrick is mijne Zatistriga niet die van Walker,
om welke reden hij haar verdoopte als Nyct. tertiana Meyr. (Ent.
Mo. Mag., XXIII (1886—87), p. 15). Later bevond hij, dat zij
ook de Crescens van Walker is. Misschien is zij door Walker nog
wel onder een dozijn andere namen beschreven.
LEPIDOPTERA VAN NIEUW-GUINEA. 397
Ik stel mij voor, op deze questie nader terug te komen.
Eiland Roon.
NOCTUINA Herr.-Sch.
Genus PHYLLODES Boisd.
Phyllodes conspicillator Boisd., Voyage de U Astrolabe,
Entomologie, p. 246.
„Een wijfje dat in de volgende opzichten van Boisduval's be-
schrijving afwijkt. De niervlek heeft geene witte stip aan ieder
der beide uiteinden, en de achterrand der achtervleugels is met
eene reeks van 8 in grootte afnemende paarswitte vlekken geteekend.
Ph. inspicillator Guen., noot III, p. 121, is niet dezelfde als de con-
spicillator van Boisduval, hoewel hij dit beweert; want Guenée
zegt, dat de niervlek der voorvleugels geene witte stippen aan de
uiteinden heeft en dat de lichte anaalvlek der achtervleugels grooten-
deels wit is; beide zaken zijn in strijd met Boisduval’s beschrijving.
Het komt mij voor, dat er geen specifiek verschil bestaat tusschen
conspicillator Cram., I, pl. 97, fig. A, Fabricius, Boisduval,
perspicillator Guen., inspicillator Guen. en Verhuelliù Snell. v.
Voll., Tijdschr. v. Entom., I, p. 159, pl. 8, maar alle citaten
tot ééne, varieerende soort behooren, die conspieillator Gram. moet
heeten.
Andai.
URANINA(D A) Herr.-Sch.
Genus NYCTALEMON Dalman.
(Lyssidia Westw.)
Nyctalemon Patroclus Linn. — Guen., Uranid. et Phalen.,
I, pe to.
Dit genus bevat stellig slechts ééne varieerende soort.
Een reusachtig wijfje van 122 mm. vlucht,
Eiland Roon,
398 AANTEEKENINGEN OVER
GEOMETRINA Led.
Genus MICRONIA Guen.
Micronia Pannata Feld. en Rog., Novara II, 2, pl. 128,
fig. 39.
Een gave man, die iets grooter is dan Felder’s afbeeldingen,
bijna zoo groot als Phantasma Feld. en Rog., l.c. fig. 40. Verder
is de zwarte voorrand der voorvleugels op de wortelhelft licht ge-
schrapt, aan de vleugelpunt smaller en ook de witte achterrand
der achtervleugels even smal als bij Phantasma, hoewel de zwarte
rand er vóór even breed is als bij Pannata. Daar nu het exemplaar
op de achtervleugels een duidelijk spoor heeft van de bruine dwars-
streep van Geminia Cramer, II, pl. 133 C, en Phantasma Feld.
geheel Geminia is, zonder dwarsstrepen, zoo geloof ik niet ver mis
te tasten, wanneer ik vermoed dat Pannata en Phantasma®Feld.,
zoomede bifasciata Butl. en clarissima Butl., Proc. Zool. Soc. of
London 1879, p. 165 en 166 allen varieteiten zijn van Geminia.
Felder zegt dat zijne Phantasma van Gebeh, Java is. Het laatste
is stellig onjuist; zij zal van het eiland Gebeh zijn. Overigens is
deze Phantasma reeds vroeger (in 1832) beschreven door Boisduval ,
in de Voyage de ? Astrolabe, I, p. 255 als Urapterya caudiferaria.
Men is gewoon het genus Micronia als een Geometrinen-genus
te beschouwen, doch ik merk op, dat het aderstelsel geheel is zooals
bij Nyctalemon, Cydimon en Urania en ook het vleugelhaakje ont-
breekt. Een en ander is mede het geval bij Zrosia en de door mij
als eene Geometrine beschreven Nedusia luctiferata van Celebes, en
daar nu de rups van Zrosia is gebleken 16-pootig te zijn, terwijl
Mr. Piepers die van Zuctiferata in een’ brief aan mij beschrijft
als ook 16-pootig, groen met vijf gele langslijnen, zoo is het dui-
delijk, dat wij hier met geene Geometrinen te doen hebben, maar
de overeenstemming met bovenvermelde genera de verwantschap
met de Uranina bewijst, gelijk er nog velen mogen schuilen onder
tot dusverre voor Geometrinen gehouden vlinders.
Van Micronia is de metamorphose nog onbekend.
LEPIDOPTERA VAN NIEUW-GUINEA. 399
Genus MILIONIA Walk.
(Snellen, Midden-Sumatra, Lepidoptera, p. 58).
Milionia flammula Snell. van Voll., Tijdschr. v. Entom.,
VI, p. 134, pl. 9, fig. 2 (1863).
Een man.
Evenals Milionia glauca Cram., Zonea Moore en fulgida Snell.
v. Voll., behoort ook deze soort tot de Geometrina. De vleugeladeren
met alle andere hoofdkenmerken verwijzen Milionia tot die familie,
en Mr. Piepers kweekte fulgida op Java uit echte spanrupsen.
Het vleugelhaakje is aanwezig, zooals bij de overige bovengenoemde
soorten.
Intusschen is flammula waarschijnlijk niet de oudste naam voor
deze Milionia. Wanneer ik mag afgaan op de vertaling in Thon’s
Entomologisches Archiv, 1, p. 126, dan bevind ik, dat zij reeds in
1824 is bekend gemaakt in de Voyage autour du monde par Louis
Freycinet, door Quoy et Gamard, op p. 358, pl. 83 fig. 6 als Callı-
morpha Rawakensis. Die vertaling luidt als volgt:
«Misst etwas über 24 Zoll in der Breite. Die Flügel sind tief-
«schwarz, violett schillernd. Auf der Oberseite der Vorderflügel
«steht am Anfange des Innenrandes ein scharlachrother Längs-
«fleck und in der Mitte eine dergleiche Querbinde. Die Unterseite
« weicht von der obern nur darin ab, dass der rothe Wurzelfleck
«durch glänzendes Blau vertreten wird. Die hinteren sind auf
«beiden Seiten von einer breiten, orangefarbenen Binde begränzt,
«an deren äusserer Seite 6 schwarze Punkte angereiht sind, von
«denen, von oben gerechnet, der 3te und 6ste grösser ist. Aus-
«serdem zeigt die Basis der Hinterflügel auf der unteren Seite
«blasse, glänzende Strahlen. Körper schwarz, blau überlaufen , die
«Mitte des Brustschildes und der After röthlich. Die Fühler sind
«schwarz. Ein Mann von der Insel Rawak. »
De bijgevoegde latijnsche diagnose luidt :
« Callimorpha alis integerrimis, atris, violaceo submicantibus;
«antieis supra macula baseos, fasciaque media coccineis; posticis
« utrinque extimo aurantiis punctorum nigrorum serie. »
400 AANT. OVER LEPIDOPTERA VAN NIEUW-GUINEA.
De grondkleur der bovenzijde is niet zwart, zooals Dr. Snellen
van Vollenhoven zegt, maar zeer donker blauw, met een paar
lazuurblauwe stralen op de wortelhelft der achtervleugels. Bij mijn
voorwerp dat mannelijk is, heeft de staartpluim eene gele kleur
en loopt de oranjegele achterrand der achtervleugels tot den voor-
rand door, bovenaan eene vlek der grondkleur insluitende.
Eiland Roon.
EEN NIEUWE VIJAND ONZER ZEEWERINGEN,
DOOR
Mr. A. J. F. FOKKER,
Voorzitter van het Bestuur van het waterschap Schouwen.
Ter gelegenheid van een in het najaar van 1888 ingesteld
onderzoek naar het voorkomen der Limnoria lignorum in de zee-
weringen van het waterschap Schouwen, werd op zeer enkele
plaatsen de ontdekking gedaan, dat sommige perkoenpalen ongeveer
ter hoogte van den bodem geheel rot en verteerd waren en zich
daarin eene soort van « wormen» bevonden.
Van deze «wormen» werden mij eenige exemplaren toegezonden,
die ik herkende als zonder twijfel te zijn larven van eenen kever,
waarvan echter de juiste naam niet met zekerheid te zeggen was
voordat het volwassen insect zijne verschijning gemaakt had. Ik
vermoedde destijds dat het Nacerdes (Anoncodes) melanura L. was !).
Daar het bevreemdend scheen dat deze larven slechts op
enkele plaatsen zouden voorkomen, te meer omdat zij daar zeer
talrijk en schadelijk genoemd werden, stelde ik alle dijkbazen van
het waterschap met deze ontdekking in kennis en verzocht hen
nogmaals een nauwkeurig onderzoek in te stellen naar deze zoo-
genaamde witte wormen.
Het resultaat van dit onderzoek is even verrassend als bedenkelijk
geweest; immers daaruit bleek dat in alle districten genoemde
larven zich vertoonen en overal in de perkoenpalen niet geringe
verwoestingen aanrichten, zoo zelfs dat zij gerekend mogen worden
in schadelijkheid voor de Limnoria niet onder te doen en, gaan zij
voort zich aldus te verspreiden , den paalworm naar de kroon te steken.
1) Deze gissing bleek later juist te zijn.
26
402 EEN NIEUWE VIJAND
Ik acht het daarom van belang, hier zoowel den aard dier ver-
nielingen als het insect zelf eenigszins uitvoerig te behandelen.
De larven komen uitsluitend voor boven hoogwater. Uiterlijk
is aan de perkoenpalen, zoo lang ze in de glooiing staan, niets te
bespeuren; hoogstens ziet men eenige gaatjes of iets dat naar ver-
rotting gelijkt, dicht bij den grond.
Met weinig krachtsinspanning, zooals ik bij ondervinding weet,
kunnen echter zulke uiterlijk geheel gave palen worden omgetrokken.
Zij breken dan altijd juist bij den grond af.
Worden zij met het daartoe dienend werktuig uitgetrokken , en zijn
zij nog niet zoo erg aangetast, dat ze onder die bewerking bezwijken,
dan is de aanwezigheid der larven in den paal dadelijk te bespeuren:
men ziet dan ongeveer in het midden van den perkoen, juist waar
deze uit den grond in de buitenlucht komt, òf eene gave oppervlakte
met eenige kleine openingen, òf in de ergste gevallen dat het hout
geheel is verrot en weggevreten en tot op eenige dikte verteerd.
In den kop der perkoenen treft men de larven nimmer aan, evenmin
in het onderste gedeelte; hare meest geliefkoosde woonplaats schijnt
te wezen tusschen water en wind d. w. z. iets boven den grond.
Als algemeenen regel mag men stellen, dat zij huizen in de
palen ongeveer 10 cM. in en 30 cM. boven den grond, wat
natuurlijk niet wegneemt dat ook daarboven en daaronder wel eens
larven worden aangetroffen. Zoo vond de dijkbaas van het district
Zuidhoek er aldaar nog 60 cM. beneden den beganen grond. Dat
is echter eene uitzondering en zal alleen voorkomen bij zeer talrijk
en reeds sedert langen tijd bezette en dus zeer vergane palen.
Het behoeft geen betoog dat van alle plaatsen waar de larve kon
voorkomen, juist deze de schadelijkste is, want juist daar waar de
perkoenen uit den grond komen, dienen zij bij stormen en hooge
vloeden den grootsten weerstand tegen den golfslag uit te oefenen.
De aangetaste perkoenen zijn evenwel zoo doorboord en plaatselijk
verzwakt, dat zij dien weerstand niet kunnen uitoefenen en nood-
wendig afknappen.
Zooals hierboven reeds gezegd is, komen de larven uitsluitend
ONZER ZEEWERINGEN. 403
voor boven hoogwater; de perkoenrijen, die dagelijks door het zee-
water bespoeld worden, zijn allen vrij van dit kwaad bevonden ,
zoo ook die welke wel niet dagelijks, maar toch meermalen om-
spoeld worden; herhaalde kennismaking met zeewater schijnt doodelijk
voor haar te zijn, zoodat hare natuurlijke grens dan ook niet is
de hoogwaterlijn maar nog vrij wat hooger.
De beide hoogste perkoenrijen zijn derhalve alleen aan hare
aanvallen blootgesteld; in lagere rijen zijn zij nergens gevonden en
ook in de tweede rij slechts hier en daar.
Bij het instellen” van een onderzoek naar hare al- of niet aan-
wezigheid doet men daarom het best zich te beperken tot de bovenste
rij, die het gemakkelijkst na te zien is.
Trouwens alleen daar waar de werken zeer hoog boven peil zijn
opgetrokken, zullen zij voor de tweede perkoenrij schadelijk kun-
nen wezen.
De hoogte boven gewoon hoogwater, waarop de aangetaste per-
koenen staan, is zeer verschillend en bedraagt :
in het district Flaauwers van 0.70 M. + H. W. af 1);
in het district Zuidhoek, waar de werken zeer hoog gelegen
zijn, van: 1.05 M: tot 2.20 M. + H. W. 2).
in het district Borrendamme van 0.90 tot 2 M. + H.W. 3);
in het district Koudekerke, gemiddeld 1 meter + H.W.
Aan de Noordzijde vindt men ze, in het district Scharendijke
van 1 tot 3 M. + H.W. #), in het district Langendijk van 0.70
tot 2.50 M. + H.W., en in het district Brouwershaven van 0.50
tot 4.50 M. + H.W.
Waar de golfverheffing het minst is, zal men hen op het
laagste peil aantreffen.
Lager dan 0.50 M. + H. W. mag men aannemen dat zij niet
voorkomen, daar die plaatsen, ofschoon niet dagelijks, toch te
1) In dit en de drie volgende districten is hoogwaterpeil 143 + AGB.
2) In dit district waren ook de perkoenen der tweede rij sterk aangetast, doch
deze staan aldaar 1.05 tot 1.85 M. boven hoogwater.
3) In de bovenrij, op ééne plaats in de tweede, doch daar 1.70 boven hoogwater,
4) Aan de Noordzijde 1,19 + A.P.
404 EEN NIEUWE VIJAND
dikwijls door zeewater bespoeld worden om de larven ongestoord
zich te doen ontwikkelen.
Op deze hoogten nu tasten zij niet alleen de perkoenen aan,
maar verschoonen ook de andere houtwerken en palen niet, die
daar gebezigd worden. De eenige staketwerken, die het waterschap
Schouwen onderhoudt, zijn in Scharendijke en in Langendijk; in
eerstgenoemd district worden de larven aangetroffen in de bovenste
paalrij van het staket; aan den Langendijk is deze zwaar aange-
tast, zelfs in oude palen die + 50 c.M. in en boven den grond
verkoold zijn. In Scharendijke vond de dijkbaas ze bovendien in
de masten, wilgen en elzen staken van de aldaar gelegen rijshoofden.
Ofschoon zij overal voorkomen, welke ook de grond zij waarin
de palen staan, schijnt het wel dat in drogen, schralen grond
zij nog weliger tieren, talrijker en grooter zijn, dan op kleigrond,
Wat de houtsoort betreft, waarin zij voorkomen, de meeste be-
schadigde perkoenen zijn masten; de eiken zijn veel minder aangetast.
Toch is het voorzichtig hier niet al te veel waarde aan te
hechten, door daaruit de conclusie te trekken dat de larven
dennenhout bepaald prefereeren.
Sinds vele jaren is aan de kust van Schouwen de gewoonte
gevolgd om de nieuwe masten perkoenen in de bovenste rijen,
de oude masten in de onderste te verwerken, terwijl na 1871
geen nieuwe eiken verwerkt zijn, en de oude eiken, voor zooveel
nog voorhanden en bruikbaar, tusschen de masten door in de
bovenrijen worden gebezigd.
De bovenste perkoenrij bevat dus voor het overgrootste gedeelte
masten perkoenen, terwijl de eiken, die er staan, zeer oud en
hard !) zijn.
= Ofschoon het nu zeer wel mogelijk is dat de larven, tusschen
eiken en dennenhout van gelijken ouderdom te kiezen hebbende,
aan het laatste, als zachter van vezel, de voorkeur zullen geven,
mag men uit de volgende bijzonderheden dezelfde conclusie niet
trekken, daar de mindere vatbaarheid der onderzochte palen even
1) Want die van mindere qualiteit zijn reeds lang verteerd en opgeruimd.
ONZER ZEEWERINGEN. 405
goed aan den hoogeren ouderdom (en dientengevolge onsmakelijk-
heid en verlies van voedende bestanddeelen) als aan de hardere
houtsoort toegeschreven kan worden.
Ik houd het er voor, dat de ondervinding leeren zal dat alle
houtsoorten, zij het ook in meerdere of mindere mate, door de
larven worden genuttigd.
Creosoteeren schijnt in het algemeen aan de larven geen afkeer
in te boezemen.
Eerst sinds 1887 zijn perkoenen in gebruik, die met 300 liter
per M.5 zijn bereid: in deze zijn nog wel geen aangetaste gevon-
den, doch eerst over eenige jaren zal men kunnen beoordeelen of
deze hoeveelheid een voldoend voorbehoedmiddel is 1). De overige
gecreosoteerde perkoenen zijn allen bereid met 180 liter per M.3,
en deze zijn alom aangetast. Alle gecreosoteerde perkoenen zijn
masten; eiken gecreosoteerde zijn niet in gebruik.
Sommige gecreosoteerde perkoenen hebben blijkbaar veel creosoot
opgenomen en zien er van buiten als gekoolteerd uit. In deze
werden geene larven ontdekt. Ook niet in die welke in 1869 aan
het waterschap geleverd zijn en volgens opgave van den fabriekant
436 liter per M. hadden opgenomen, op hoogst enkele uitzonde-
ringen na.
Toch zijn die met 180 liter per M.* bereide palen goed gecreo-
soteerd te noemen; bij het doorzagen is de creosoot nog zeer goed
te zien en te ruiken; meermalen kon ik juist op eene plaats waar
de larven in aantal huisden, nog creosootreuk waarnemen.
Het is wellicht niet zonder belang, uit de verschillende districten
eenige opgaven hieromtrent te doen volgen, waaruit blijkt, dat
zij in eiken palen minder in aantal en minder schadelijk aange-
troffen worden dan in gecreosoteerde. Ik geef dit echter als een
bloot feit, zonder om bovengenoemde reden daaruit eenige con-
clusie af te leiden.
1) Onder het afdrukken echter werd in het district Zuidhoek een perkoenpaal
aangetroffen, die in Juni 1888 eerst was aangevoerd, toen niet gebruikt en op
den dijk was blijven liggen; en daarin huisden, even onder de oppervlakte, reeds
eenige kleine larven. De paal was bereid met 300 liter per M.* en zeer goed ge-
creosoteerd. Moet men hieruit besluiten, dat creosoot tegen haar totaal werkeloos is?
406 EEN NIEUWE VIJAND
De dijkbaas van Borrendamme stelde op zeven verschillende plaat-
sen een onderzoek in; op ééne waren de eiken palen aangetast,
op de zes anderen waren de beschadigde perkoenen gecreosoteerde
dennen, die verwerkt waren in de jaren 1874 tot 1880. De eiken
waren zeer oud, en jaar van verwerking daarvan onbekend.
De dijkbaas van den Zuidhoek onderzocht de perkoenen op 22 ver-
schillende plaatsen langs de kust van zijn geheele district. Overal
trof hij de larven aan, zoowel in eiken als in gecreosoteerde dennen
palen, die verwerkt waren in de jaren 1880/81, 1879, 1878,
1874, 1871, 1870, 1869 en vroeger. Voor verreweg het grootste
gedeelte waren de aangevallen palen gecreosoteerde dennen. Hij
maakt daarbij de opmerking, dat de larven, die in de eiken palen
en in de tweede perkoenrij voorkomen, veel kleiner van stuk
zijn, wat ik ook elders waarnam, en zooals wij later zien zullen,
zeer wel mogelijk en goed verklaarbaar is.
In gecreosoteerde perkoenen vond hij de larven op ééne plaats
tot 0.50 M. beneden den beganen grond en in eiken 0.60 M.
onder den grond.
Hetzelfde resultaat deelt de dijkbaas van Flaauwers mede. Ook
deze verklaart, dat zij bij voorkeur gecreosoteerde dennen schijnen
te bezoeken, en dat hij zelfs in nieuwe perkoenen van 1885, waarin
de creosoot nog volop aanwezig was, hare aanwezigheid moest
constateeren |).
Uit Koudekerke ontbreken mij dienaangaande juiste inlichtingen.
De dijkbaas van Scharendijke rapporteert, dat in zijn district zoo-
wel de eiken als de gecreosoteerde dennen, van alle jaren, de
nieuwste van 1885, met larven bezet zijn, die hij aantrof in alle
houtsoorten ; al riekten zij nog zoo naar creosoot, en voorts onge-
veer overal waar hij onderzocht in de bovenrij, en op enkele
plaatsen in de tweede rij, doch ook in masten meer dan in eiken.
Aan den Langendijk en in Brouwershaven werd een zeer nauw-
keurig en omstandig onderzoek gedaan, waarom ik het verslag van
dezen dijkbaas hier in extenso opneem.
1) Hij vond ze verder in perkoenen van 1874, 76, 79, 80, 81 en 82,
407
ONZER ZEEWERINGEN.
‘ANS ueA 30013 revu [UJUEB UL [99A JOIU UOAIUT ‘PI ‘PI "PI “ 0L'0 CEP *
‘uliz 94 ueepoñuee
gotu JO SIUIOM 1997 uayalq “uoyyomesym uliz
9} wu azap Suoyed uayle ausAaıpadur Sumnoo]3 ap
yam xli]a3 30) ua opSeezo8je opno Sou yoo ueegs
uouuop op uoyossny, “yseyoduve yasoys uliz ozacy “uouuop op199}08091095) ‘PI ‘PI “ 010 Pa LS #
“uojjejueg oulojy Ul qoop ‘[UIA() ‘Wayla 9P199708091998$ JOIN PI “SUTIOO[S 2UO9SPIOOAIIA| = 020 E51 OW
‘ayeur 9801128 ur uo uored afoquo uey “PI “PI "PI “ 085 0Z—cI «
“uoj[eaoduee IEBMZ ‘OST UVA UIU20Y104 “uauuap aplo930S091095) ‘PI "Zunoofsfezesg | » 09% cI-FH ”
“UoAIET 919 A PI PI ‘PI | * SLT Pan ee
"uapuıA 97 100$ uoag “Mayle 9P192705001098 JOIN “PI “Bumoojd aqaspiooartA! « ORT EO *
“qsejosuee opo
ufz P19940809.1033 goru TAXI or “uouuwoYzopuo 97
uliz yseqjaSuve zeeAz spe pmnoyosaq Boo a400]q 394 ‘maya ua
jour orp uounop 9P199408091093 alu SANS ZG uouuop 9P199708001908 got | ogsuoAog *Y10.MJ9NEIS ‘N SLI FIE ‘oN
“frxreed "NEA M "1978M 300 “paryosa8 st
NHS NIACNIAHAT ‘LUOOSLOOH È Me waa LOOMS uaAog | Burwoureea op uo]edylip
TPM ININVNAIA 94300 H 2X[OM 099880],
"ACIGNHOINV'I PLISIq
EEN NIEUWE VIJAND
408
District BROUWERSHAVEN.
Tusschen welke
dijkpalen de waarneming| boven gewoon!
Hoogte
is geschied. hoogwater.
No. 0-1 1.50 M.
Id. 1.00 «
» 1-2 1.50 »
Id. 1.00 »
»n 3-4 1.50 »
m 4-5 1.50 tot 2.00
» 6-7 1.25 M.
„ 1-8 1.25 »
Christoffelnol. 1.25 »
No. 8—14 Oxo»
» 14—15 125 »
n 15—16 1.25 »
Id. 0.75 u
» 17-18 1.00 :
e 18—19 1.00 »
„ 19—20 1.00 »
» 20—22 1.00 »
» 22—23 0.50 »
» 23—26 0.50 »
» 26—27 0.50 »
» 27—28 0.50 -
» 28—29 1.00 »
Vogelnol. 1.00 »
BEVINDINGEN.
BENAMING Welke
DER ann HO URS OO RL:
WERKEN. Pee
Vilvoordsche glooiing.| Bovenrij Gecreosoteerde dennen.
Id. 2de rij Id.
Id. Bovenrij Td.
Id. 2de ri) | Niet gecreosoteerde eiken.
Id. Bovenrij Gecreosoteerde dennen.
Id. Id. Jo:
Id. Id. Niet gecreosoteerde eiken.
Id. Id. Gecreosoteerde dennen.
Id. Il | ld.
Id. Id. ‚Id. en niet gecreosoteerde eiken
Id. Td. Gecreosoteerde dennen.
Id. Id. Id
Id. 2de rij | Niet gecreosoteerde eiken.
Id. Bovenrij Gecreosoteerde dennen.
Id. ” Id.
Id. ” Td.
Id. . Id.
Id. ” Niet gecreosoteerde eiken.
Id. ” Gecreosoteerde dennen.
Td. — —
Id. — —
Id. Bovenrij | Niet gecreosoteerde eiken.
Id. Id. Gecreosoteerde dennen.
Sterk aangetast.
Als voren.
Aangetast doeh minder dan de volgende.
Zeer sterk aangetast.
Als voren.
Als voren.
Zeer weinig aangetast.
Meer dan de vorigen.
Als voren.
Niet aangetast Vermoedelijk omdat zij lager staan
en meer door zeewater bespoeld worden.
Enkele palen aangetast.
Veel meer aangetast.
Als voren.
Als voren.
Als voren.
Rotte palen doch geen larven gevonden *).
Verscheidene palen in sterke mate bezet.
Als voren.
Palen van de laatste jaren onaangetast.
Hier staan geen perkoenen in de glooïing.
Als voren.
Weinig en klein van stuk.
Vooral op den kop van den nol in grooten getale
en groot van stuk.
*) Zullen er toch wel zijn, want de rotting is een gevolg van de aanwezigheid der larven.
ONZER ZEEWERINGEN. 409
Men houde bij het beoordeelen dezer verschillende onderzoekingen
in het oog, dat ter gelegenheid van een vorig onderzoek naar de
Limnoria lignorum, hetwelk zich in het bijzonder over de lagere
perkoenrijen uitstrekte, gebleken is dat in de lagere rijen onder de
hoogwaterlijn en even daarboven, deze keverlarven niet voorkomen.
De vijanden onzer zeeweringen hebben zich dus over de verdee-
ling. van hun gebied vriendschappelijk met elkander verstaan; de
paalworm bewoont de laagste rijen onder laagwater, de Limnoria
de middelste 1), zoowel onder als boven laagwater , terwijl eindelijk
in de hoogste rijen deze keverlarve onverdeeld heerscher is.
Zoowel omdat zij alle, ook bereide, houtsoorten aantasten als
wijl zij grooter en vraatzuchtiger zijn, spannen de keverlarven de
kroon, zoo al niet boven den paalworm, dan toch boven de
Limnoria.
Zij leven gezellig bijeen; wel heeft iedere larve haren eigen gang,
doch steeds zijn velen te zamen in een’ perkoen. Verscheidene
dijkbazen zeiden mij 30 tot 50 stuks uit één perkoen geteld te
hebben. Wanneer men echter bedenkt dat de larven, vooral de
jonge, vrij moeilijk te vinden zijn, en het bijna ondoenlijk is uit
een’ perkoen allen te halen, die er zich in bevinden, dan mag men
veilig aannemen dat 30 stuks per perkoen eer een minimum dan
een maximum is.
Ik zelf onderzocht nauwkeurig één stuk perkoen ter lengte van
40 c.M. ongeveer, en daaruit alleen haalde ik 94 gave larven van
diverse grootte, ongerekend die welke bij het onderzoek verpletterd
werden.
De larven boren door de geheele dikte der perkoenen heen,
gewoonlijk in de lengte, naar boven, en vernielen deze geheel;
hoe ouder en grooter de larven zijn, hoe meer zij naar binnen
doordringen, zelfs tot in het hart van het hout toe.
Dit geldt echter alleen van de gecreosoteerde dennen perkoenen.
1) Aan Schouwen althans gaat deze verdeeling op, ofschoon elders soms de
paalworm tot halverwege eb en vloed gevonden wordt en de Limnoria zeer
Jaag voorkomt.
410 EEN NIEUWE VIJAND
Ten opzichte van de eiken palen werd in onderscheidene districten
de opmerking gemaakt, dat deze meer aan den buiten- of spintkant
en niet in het midden zijn vernield.
Ook dit kan zoowel worden aangenomen als een bewijs dat in
het algemeen het eikenhout minder in den smaak valt en grooteren
weerstand biedt, als verklaard worden uit den ouderdom dezer
palen; in welk laatste geval het natuurlijk niets bewijst voor of
tegen nieuwe eiken perkoenen.
Dat de aangerichte schade groot is, volgt als van zelf uit het
hierboven medegedeelde, en springt nog meer in het oog, wanneer
men nagaat dat de dijkbaas van Langendijk en Brouwershaven,
door wien wel het nauwkeurigst onderzoek ingesteld werd, globaal
berekent dat in zijne beide districten van de perkoenen, die boven
hoogwaterpeil staan, door de larven zeker drie vierden aangetast
zijn, en over alle de perkoenen van al de werken minstens een
zesde deel van de geheele hoeveelheid aangetast is.
Men mag die cijfers zonder overdrijving als eene ook voor de
overige districten geldende berekening aannemen, hetgeen volkomen
gerechtvaardigd wordt door de thans bekende resultaten !) der on-
derzoekingen, in verband met het feit dat eerst in dit jaar aange-
taste, dus met zeer jonge larven bezette perkoenen, zelfs bij onderzoek
veel kans hebben gaaf gekeurd te worden, want, zooals ik bij
ondervinding weet, is de tegenwoordigheid van zulke zeer jonge
individuen in het hout bezwaarlijk te onderkennen. Eerst wanneer
zij grooter worden, verder doordringen en dientengevolge door
medewerking der buitenlucht, het hout begint te rotten, blijkt
het kwaad en is de larve gemakkelijk te vinden. Zeer wel mogelijk
en zelfs waarschijnlijk is dus, dat wat nu nog gaaf geoordeeld
wordt, toch in het volgend jaar blijken zal reeds besmet te zijn
geweest.
1) De dijkbaas van den Zuidhoek schat de perkoenen van de bovenrij op ééne
plaats als voor drie vierden vernield, op eene andere totaal, en die van de andere
plaatsen voor de helft of minder; die van Flaauwers schat dat de palen van
1876/79 en 1880 voor het grootste gedeelte zijn verteerd en dat die van de
overige jaren van 1873 af voor een derde zijn bezet.
ONZER ZEEWERINGEN. 411
Wellicht rijst bij iemand de vraag of deze insecten nimmer
vroeger de perkoenen hebben aangevallen en of zij eerst sinds een
paar jaren zoo eensklaps uit de lucht zijn komen vallen?
Men moet hier echter onderscheiden.
Dat wij niet met een nieuw, vroeger onbekend insect te doen
hebben, spreekt van zelf; dat van die larven ook vroeger wel
eenigen of velen hier en daar in een perkoen zullen hebben ge-
leefd, is eveneens hoogst waarschijnlijk, doch zeker is dat een
dergelijk overal en in massa optreden als thans het geval is, een
eerst van den allerlaatsten tijd dagteekenend verschijnsel is.
Ware dat zoo niet, dan zou de schade reeds vroeger ontdekt
moeten zijn, te meer omdat het aan de opmerkzaamheid van
sommige dijkbazen vroeger niet is ontsnapt, dat zich soms maar zelden,
een witte worm in de perkoenen bevond, die zij nu verklaren dat
hetzelfde dier was als deze larve.
Zoo zeide de dijkbaas van Flaauwers mij, dat hij in 1884 zulk
eene larve eens aangetroffen heeft tusschen dijkpaal 31 en 32
van zijn district op 1.40. M. + P., en die van den Zuidhoek dat
hij ze in 4886 voor het eerst aantrof op twee plaatsen van
zijn district. De dijkbaas van Langendijk en Brouwershaven einde-
lijk herinnerde zich ze jaren geleden in de bovenrij palen van het
staket en soms ook in perkoenen gevonden te hebben, echter
zeldzaam en niet zoo in menigte als heden.
De overige dijkbazen, bijna allen van veeljarige ondervinding,
zagen de larven vroeger nimmer.
Bewijst dus het voorgaande dat wij hier niet een geheel nieuw
verschijnsel hebben, aan de andere zijde volgt daaruit dat de
vermenigvuldiging van dit insect in de laatste jaren verbazend is
toegenomen.
Welke de oorzaken daarvan zijn, is moeilijk aan te geven. Dit
geval vermeerdert weder de reeks van reeds bekende feiten, hoe
van de lagere dieren voorheen vrij schaarsche of zeldzame soorten
plotseling in menigte optreden, tengevolge van hare ontwikkeling
begunstigende invloeden, waaronder zeker de weersgesteldheid en
de afwezigheid van parasieten en vijandelijke dieren groote factoren
412 EEN NIEUWE VIJAND
zijn. Even plotseling heeft men dan soms, o. a. ter gelegenheid
van het in massa optreden der hoogst schadelijke dennenrups, ge-
zien dat een vijandelijk dier, toen eene in die rups levende sluip-
wesp, zich ook in ontzettende aantallen begon te vertoonen, en
in dier voege het evenwicht der natuur, dat dreigde verbroken
te worden, hersteld werd. Eene dergelijke hulp is echter ten
opzichte dezer in het hout en dus meer beschermd levende larven,
zeer onwaarschijnlijk, zoodat het te bezien staat dat zij, zoo er niet
krachtig handelend tegen haar opgetreden wordt, zich steeds meer
en meer zullen verbreiden, te meer omdat er althans ééne aanne-
melijke oorzaak genoemd kan worden die hare verspreiding onge-
twijfeld zeer bevorderd heeft, namelijk de omstandigheid dat vele
zeeweringwerken van Schouwen in de latere jaren 1 à 1.50 M.
hooger dan vroeger opgetrokken zijn.
Nu worden de larven het laagst op 0.50 M. boven hoog waterpeil
aangetroffen; in perkoenen, die dagelijks of min of meer geregeld
door het zeewater worden bespoeld, nergens. Zij zijn derhalve tegen
den invloed van het zeewater niet bestand !).
Het spreekt nu van zelf dat door het optrekken der werken een
ruim terrein voor ongestoorde ontwikkeling aan deze insecten aan-
geboden is, terwijl zij vroeger, toen de werken zooveel lager waren ,
beperkt bleven tot die enkele plaatsen, welke toevallig vrij hoog
gelegen waren en vrij van zeewater bleven. Overschrijding van dit
gebied bracht haar een zekeren ondergang.
Thans echter is dat beletsel opgeheven, en zeer goed mogelijk
1) De hevige storm met hooge vloeden en zeer hooge ebstanden op 9 Februari
1889 hebben dit ook bewezen. Toen hadden de perkoenen, ook der hoogste rijen, bijna
een etmaal onder water gestaan, en was ik nieuwsgierig te weten hoe de larven
het in dat onwillig bad gemaakt hadden. Een paar dagen later kreeg ik van den
dijkbaas van Brouwershaven bericht, dat hij op een paar plaatsen onderzocht
had en al de larven dood waren, ten bewijze waarvan hij er eenige zond, die
toen ik ze ontving, echter door de warmte van den brenger weer tot zich zelve
gekomen waren en later geheel herstelden. Twee weken daarna verzocht ik hem
nogmaals te onderzoeken. Hij rapporteerde toen dat er wel dood waren maar
velen weer bekwamen. Bij de toen gezondene waren er die werkelijk dood waren,
doch hoogstens een vierde. In elk geval is het een bewijs dat zeewater hoogst
verderfelijk op haar werkt en bij eenigszins geregelde en herhaalde onderdom-
peling zonder twijfel haren ondergang tengevolge heeft.
ONZER ZEEWERINGEN. 413
is het dat hierdoor die snelle vermeerdering is voorbereid en de
medewerking van een paar, voor de ontwikkeling der larven en de
propagatie van het volwassen insect, gunstige zomers of winters
voldoende is geweest, tot zulk eene levée en masse als thans.
Daarbij kan nog een andere factor van grooten invloed geweest
zijn, namelijk het feit, dat er in de laatste jaren weinig hooge
vloeden zijn geweest en sinds 1882 de hoogste golfverheffing
ongeveer een meter gebleven is beneden de hoogte in vooraf-
gaande jaren bereikt !).
Dat in de eiken palen der eerste rij en in alle perkoenen der
tweede rij, de larven in het algemeen veel kleiner van stuk zijn,
mag wel gelden als een bewijs, dat eerst de groote vermeerdering
haar noopte zich tot deze vroeger onaangeroerd gelatene en minder
geliefde eiken palen en tot deze voor hare ontwikkeling minder
gunstige plaats uit te breiden.
Zoo duidt ook het voorkomen der larven in eiken palen, meer
aan den buitenkant, en niet in het hart, ontwijfelbaar op de om-
standigheid dat de eiken perkoenen later dan de anderen, en eerst
sinds kort, zijn aangetast ?).
Wat de middelen betreft, die tot bestrijding aangewend kunnen
worden, is zeker het meest probaat doch om de kostbaarheid niet
te gebruiken middel, om alle perkoenen die aangetast zijn, en
die in de nabijheid van aangetaste staan, te verwijderen en te
verbranden.
Men kan echter, dunkt mij, met hoop op succes het volgende
beproeven: de zwaar aangetaste palen, die reeds aan het rotten
1) Toch komen er altijd wel vloeden voor, waarbij ook de bovenste rij perkoenen
en staket door zeewater bespoeld worden, zooals bij eenigen wind op de wind-
streek bijna altijd het geval is, wanneer het water omtrent aan H. W. is. Alleen
echter bij zeer hooge vloeden als bovenbedoeld, mag men rekenen dat de palen
zoo lang onder water zijn en daarvan zoo doordrongen worden, dat het voor de
keverlarven verderfelijk wordt.
2) Hoe veel tijd de larven behoeven om haren vollen wasdom te bereiken, is
alleen door kweeking uit het ei te constateeren. Zeker bereiken zij dien niet in
één seizoen, en zullen zij, gelijk zoovele andere larven en rupsen die in hout
leven, slechts langzaam groeien en stellig twee jaren in larvenstaat doorbrengen.
Bij de beoordeeling van het voorgaand mag men dit niet vergeten.
414 EEN NIEUWE VIJAND
zijn, verbrande men, of is er nog iets bruikbaar aan, legge men
gedurende geruimen tijd in het water; al de andere perkoenen van
de eerste rij, en daar waar ook in de tweede rij larven gevonden
zijn, mede van de tweede, worden tot gelijk met de glooiing
ingedreven. |
Hierdoor verkrijgt men dat de zich daarin bevindende larven
ongeveer van een halven meter tot over een meter diep in den
grond komen; misschien kunnen zij dan toch wel in het hout
blijven leven, doch zeker zullen zij zich niet geheel naar de opper-
vlakte van den grond kunnen werken !). Het volwassen insect
kan dit in elk geval niet, en moet wanneer het zoo diep in den
grond zich ontwikkelt, daar omkomen , zoodat op deze wijze verdere
voortplanting verhinderd wordt. De koppen der perkoenen die boven
den grond tot aan de glooiing reiken, blijven nu wel aan aanvallen
blootgesteld, doch kunnen meer verduren wijl zij vrij wat minder
weerstand hebben uit te oefenen.
Een voordeel van deze wijze van handelen is bovendien dat de
meeste perkoenen zoo nog te gebruiken zijn. Als van zelf aange-
wezen is voorts het betrachten van de meest mogelijke zuinigheid in
het gebruik van perkoenen in het algemeen, en in casu boven hoog-
water. Voor ‘de gevallen dat men ze gebruiken moet, neme men
in de hoogste rij alleen sterk gecreosoteerde perkoenen; die
welke zoogenaamd door en door zijn gecreosoteerd, en die welke
met 450 liter per M.* zijn bereid, zijn zoo goed als zeker afdoende
beschermd; of dit ook het geval is ten aanzien van perkoenen
waarin 300 liter per M.3 is ingeperst, zal althans aan Schouwen’s
kust, de ondervinding nog moeten leeren.
Wegens de hoogere prijzen dezer op eerstgenoemde wijzen ge-
prepareerde perkoenen, zal men in Schouwen dit jaar echter eene
proef nemen met niet gecreosoteerde eiken perkoenen op de hoogste rij
te gebruiken, en ter vervanging van aangetaste palen te bezigen,
1) Men moet hierbij in het oog houden dat het bovendeel der perkoenen,
zooals die nu staan, niet aangetast is en de larven zich, ter lengte van minstens
een halven meter, door gaaf hout hebben heen te werken alvorens gelijk met den
grond te komen,
ONZER ZEEWERINGEN. 415
dewijl de conclusie uit de plaats gehad hebbende onderzoekingen
te trekken, schoon die niet zeker te noemen is, in elk geval voor
eiken palen niet ongunstig is.
Ik ga thans over tot de beschrijving der insecten zelven.
Larve.
De kleur der larven is geelachtig wit. Het lichaam , dat van voren
naar achteren allengs dikker wordt, bestaat uit 12 segmenten,
behalve het kop-segment; het laatste achterlijf-segment is het kleinst
en eenigszins omgebogen naar de onderzijde; de laatste 8 segmenten
zijn rond, in het midden het dikst en kraalvormig, de voorste zijn
smal en platter; eerste thorax-segment zeer groot en breed.
Kop even forsch ontwikkeld en breed als het eerste thorax-seg-
ment, iets geler van kleur dan het overig lichaam; monddeelen
van boven gezien, helder bruin; bovenkaken groot en sterk ge-
bouwd, bruin met het einde zwart, onderlip en onderkaken geel-
achtig wit. Zeer in het oog vallend zijn de antennen, aan weers-
zijden van den kop ingeplant, recht en de monddeelen in lengte
een weinig overtreffend. Zij bestaan uit vier geledingen; het Aste
lid is zeer dik en kort, het 2e ongeveer 34 maal langer dan het
eerste, minder dik, met enkele stijve haren aan het einde bezet,
het 3e ongeveer zoo lang als het tweede doch veel dunner, met
eenige stijve haren en met een sterken doorn aan het einde, het
vierde nog korter dan het eerste, zeer dun met 4 à 5 haren,
waaronder een zeer lange, aan het einde,
Oogen kan ik niet bespeuren, wellicht zijn dit twee langwerpige
vlekken, juist boven de basis der bovenkaken gelegen.
De bovenzijde van het lichaam is spaarzaam bezet met lange
bruine zijdeachtige haren; over elk segment loopt bovendien in de
breedte een krans van zeer regelmatig staande dergelijke haren.
Onderzijde met enkele lange haren; de zes pooten elk met een forschen
zwarten nagel, Aan de onderzijde van het 3e en 4e segment
van het achterlijf bevinden zich twee knobbels, die eenigermate
416 EEN NIEUWE VIJAND
doen denken aan twee paar rudimentaire rupsen-achterpooten ;
met 10 x vergrooting beschouwd zijn deze knobbels, zoo mede
de binnenzijde der pooten met bruine puistjes bezet. Deze puistjes,
met 100 x vergrooting gezien, zijn witte verhevenheden, afgeknot-
kegelvormig en op het afgeknotte vlak bruin gekleurd. Aan de
binnenzijde der pooten zijn die puistjes meerendeels niet afgeknot,
maar gaan allengs over en loopen uit in een stevigen doorn.
Dergelijke puistjes zijn ook in aantal op de bovenzijde der
thorax-segmenten en het le en 2e achterlijf-segment: zij gaan
daar echter niet in doornen over en zien er meer uit als harde
knobbeltjes. Deze eigenaardige puistjes, zoomede de vier groote
knobbels aan het 3° en 4e segment, dienen zonder twijfel aan de
larven om zich in het hout vast te houden en voort te bewegen;
de inrichting aan de pooten vooral is zeer opmerkelijk.
Lengte der volwassen larve 25 à 30 mm.; grootste breedte
(aan den kop) 3 à 4 mm. 1)
1) Het voorafgaande was reeds gesteld, toen ik kennis kreeg van eene beschrij-
ving en afbeelding der larve van Anoncodes melanura door Dr. J. A. Herklots
in Tijdschrift voor Entomologie IV, p. 164, pl. 11.
Deze beschrijving en afbeeldingen laten mij geen twijfel over of wij hebben
hier eveneens met Nacerdes- (= Anoncodes)-larven te doen.
De monddeelen zijn door Herklots zeer nauwkeurig afgebeeld; de knobbels
aan de onderzijde van het 3e en 4e segment zijn in werkelijkheid grooter, dan
zijne figuur 8 zou doen vermoeden. Zijne beschrijving is overigens juist, behalve
die der sprieten, welke niet met mijne waarneming overeenkomt, terwijl eveneens
onjuist is dat de achterlijf-segmenten even lang of iets langer zijn dan de beide
laatste thorax-segmenten samen (integendeel veel langer!) en dat het lichaam
eenigszins platgedrukt is (wat feitelijk alleen voor de thorax-segmenten geldt). Van
de zoo eigenaardige puisten en doornen maakt hij geen melding.
Ik vermoed dat hij een niet volwassen exemplaar voor zijne beschrijving ge-
bruikt heeft.
Dr. Herklots publiceerde deze beschrijving naar aanleiding van een door hem
in de vergadering der Entomologische Vereeniging van 12 Augustus 1857 (Hande-
lingen 1e deel pag. 62) gedane mededeeling omtrent eene larve, welke toen voor
twee jaren gezegd werd het paalwerk in het IJ met verwoesting te bedreigen,
en zegt daarover slechts dat zij leeft in oud vochtig hout en hij in palen, uit
het IJ afkomstig, hare gangen heeft gevonden, die tusschen water en wind ge-
graven waren.
Het is jammer dat er omtrent het optreden dezer larven aan het IJ geene
nadere berichten bekend zijn en evenmin òf en wat er tegen gedaan is. In elk
geval was het daar een meer locaal kwaad, dan hier het geval is.
ONZER ZEEWERINGEN. 417
Pop.
Den 4 Mei 1889 werden de eerste poppen gevonden. Deze zijn
13 mm. lang, geheel geelachtig wit, op den kop met lange wit-
achtige zijdeachtige haren, en op het overig lichaam , vooral krings-
wijze op elk segment, met korter en donkerder haren bezet. De
pop slaat, zoodra zij aangeroerd wordt, zeer levendig met het
achterlijf heen en weer.
De larven verpoppen in eene daartoe door haar gemaakte holte
in den perkoen. Ik vond medio Juni nog geheel ongekleurde poppen.
Deze omstandigheid, dat zij, om die verandering te ondergaan,
zich niet in den grond begeven maar in den paal blijven, maakt
hare bestrijding zooveel gemakkelijker en het middel om de
aangetaste palen te verbranden of in het water te leggen, te
afdoender.
Eene nauwkeuriger beschrijving laat ik weg, daar de pop geene
bijzonderheden aanbiedt, en in uiterlijken vorm van lichaam,
sprieten en pooten reeds duidelijk het volwassen insect laat
onderkennen.
Naar de voortreffelijke teekening wordt verder, zooveel noodig
verwezen.
Volwassen insect, (Nacerdes melanura).
Dit is welbekend, zoodat alleen voor niet-entomologen vermeld
wordt, dat de kever heeft kop en borststuk roodachtig geel,
de dekschilden geelachtig, met twee kleine zwarte vlekken aan
het uiteinde. Men zij indachtig, dat deze kever zeer varieert in
kleur. De afbeelding is gemaakt naar een zeer licht gekleurd wijfje.
De mannetjes zijn doorgaans veel donkerder. Het borststuk en de
dekschilden verschillen echter altijd in kleur. Het eerste varieert
van geel, oranje, rood tot steenrood, de dekschilden van geel tot
bruin. Onderzijde zwartachtig.
Grootte zeer verschillend; de kleinste exemplaren zijn 8 à 9 mm,
lang, grootere 13 à 14 mm.
?
De eerste kevers verschenen op 30 Mei; zij kwamen uit een
perkoen, die in eene warme kamer overwinterd had. Uit een’
perkoen, die in den tuin overwinterd had, kreeg ik half Juni den
27
418 EEN NIEUWE VIJAND
eersten kever, en in denzelfden tijd vond ik ze ook aan den zeedijk.
In Juli en Augustus komen de volwassen kevers het meest voor
in de vrije natuur. Dit jaar zag ik er aan de dijken zeer vele, en
de warme zomer zal zeker niet weinig bevorderlijk zijn aan hunne
meerdere verspreiding.
Ik maak van deze gelegenheid gebruik om nog een anderen
paalbewoner te vermelden, wiens aanwezigheid bij het zeer
nauwkeurig onderzoek, waaraan de perkoen- en andere palen
voor de larven van Nacerdes melanura onderworpen. werden,
ontdekt is.
Bij deze nasporingen vond de dijkbaas van Borrendamme, aan de
steigerpalen van het Westhavenhoofd in zijn district, een zeer
klein larfje, en daarbij een kleinen kever. De palen waarin zij
zich bevonden, waren niet-gecreosoteerde dennenhouten en slechts
enkele palen waren aangetast; de gevonden larven hielden zich
op, even onder den buitenkant van het hout; eveneens de
kevers. Daar de palen niet zijn doorgezaagd, is het niet te zeggen
of de larven den geheelen paal doorknagen en ook in het midden
huizen.
Juist dezelfde larf en kever vond de dijkbaas van Flaauwers in
enkele eikenhouten perkoenpalen van zijn district.
Naar aanleiding daarvan stelde ik persoonlijk aan den Noordkant
een onderzoek in, en vond in district Scharendijke oude eiken
perkoenen, die eveneens vol van dezelfde larven zaten; in district
Langendijk was een eiken staketpaal geheel vernield en vermolmd
en zaten de larven tot in het hart van het hout; ook in het
district Brouwershaven waren enkele eiken perkoenen er door aan-
getast, doch niet zoo erg als in Scharendijke.
Eigenaardig is het, dat de woonplaats van deze kevers en larven
zooveel met die van de Nacerdes verschilt.
ONZER ZEEWERINGEN. 419
Terwijl de laatsten alleen op plaatsen gevonden worden waar zij
tegen het zeewater beschermd zijn, schijnt dit op de eersten zonder
nadeeligen invloed te zijn.
Immers, zooals de dijkbaas van Borrendamme eerst berichtte en
later bij een persoonlijk nauwkeuriger onderzoek mij bleek , komen
deze larven in de steigerpalen voor van 5 c.M. + hoogwater tot
20 c.M. beneden hoogwater. De dijkbaas van Flaauwers vond
ze het laagst even boven hoogwater. In Scharendijke en Brouwers-
haven vond ik ze in de tweede en derde perkoenrij ongeveer
juist op de hoogwaterlijn; alleen aan den Langendijk was de aan-
getaste staketpaal van de eerste rij en dus ver boven hoogwater.
Ofschoon er in gecreosoteerde dennen palen speciaal naar gezocht
is, was daarin geen enkele te ontdekken. Deze larven schijnen dus
bepaald in eikenhout te leven, en door gecreosoteerd hout van
welke sterkte ook afgeschrikt te worden 1).
Op al deze plaatsen bevonden wij, dat zij de palen bewonen
boven de glooiing tot aan en in den kop ?).
De aangetaste perkoenpalen zijn gemakkelijk te herkennen; zij
zijn vol kleine gaatjes en zien er zoo te zeggen vermijterd uit.
Één paal herbergt zeer vele larven; wegens de kleinte is het
vinden echter niet gemakkelijk en vereischt de noodige om-
zichtigheid.
Dit onderzoek had plaats in de maand Januari; zooals ik reeds
zeide, werden toen tevens met de larven de volwassen kevers in
het hout aangetroffen, die kennelijk eerst pas uitgekomen waren,
want de meesten waren nog onuitgekleurd. Zijn zij uitgekleurd,
dan hebben zij precies de kleur van het oud hout, waarin zij
leven en zijn, daar ze zeer traag zijn en zich bijna niet bewegen,
nog moeilijker te ontdekken dan de larven.
1) Na het schrijven van voorgaand werden te Flaauwers deze larven gevonden
in een gecreosoteerden masten paal van 1874. Dat hout was echter slecht gecreo-
soteerd, en rot ten gevolge der verwoestingen van de Nacerdes-larven, zoodat
het vermoeden niet ongegrond is dat Codiosoma alleen daarom en bij uitzonde-
ring dezen paal heeft aangetast.
2) Van den staketpaal was juist de kop verteerd.
420 EEN NIEUWE VIJAND
De aanwezigheid van het volwassen insect maakte het mogelijk
deze insecten terstond te herkennen als Codiosoma spadix Hrbst.
Beschrijving der larve.
Lichaam wit van kleur, breed en dik. Kop dik en geel; mond-
deelen bruin; pooten ontbreken. Lijf bezet met enkele lange zijde-
achtige haren, het dichtst aan kop en achtereind. Bij sterke ver-
grooting gezien, is de huid als °t ware bestippeld , met vele kleine
putjes, waarin zeer vele korte stijve witte haartjes, die vermoedelijk
tot voortbeweging dienen.
Lengte 3 à 4 mm.
De kever is geheel donkerbruin, lengte 3 mm.
Het blijkt dat de kevers reeds in December en Januari
uitkomen, doch dan in het hout blijven. Tegen het voorjaar
zoeken zij den buitenkant van het hout, paren daar in een der
scheuren ot gaten en sterven, zoodat zij vermoedelijk nooit de
palen verlaten.
Ik leid dit af niet alleen uit de langzame bewegingen van
den kever, maar ook uit de omstandigheid dat ofschoon de
kever in zijne woonplaats gemeen is, ik hem nimmer vroeger
elders heb aangetroffen, zelfs niet aan den buitenberm der zee-
dijken. Opmerkelijk mag het wel genoemd worden, dat zoowel
kever als larve leven op plaatsen, die, zooals bovengenoemde
steigerpalen , dagelijks eenige uren door het zeewater worden
bespoeld.
Gelijk men uit het voorgaande ziet, is er een aanmerkelijk ver-
schil tusschen de levenswijze der Codiosoma- en Nacerdes-larven.
Ook wat de aangerichte schade betreft, is er tusschen beiden geen
vergelijking.
Niet slechts omdat de Codiosoma-larven veel kleiner zijn, op
veel minder plaatsen gevonden worden en gecreosoteerd hout niet
aantasten, maar ook omdat zij alleen in oude eikenpalen voorge-
komen zijn, mag men betwijfelen of zij althans nu, schadelijk
voor de zeeweringen genoemd kunnen worden en of zij niet veeleer
ONZER ZEEWERINGEN. 421
gevolg dan oorzaak zijn m. a. w. of zij niet alleen dat hout aan-
tasten hetwelk reeds vermolmd is. 1)
De Nacerdes-larven daarentegen zijn oorzaak van het bederf van
het hout en vernielen dit totaal.
Melding verdient eindelijk nog, dat ik bij het bewaren van een
paar stukken aangetast hout, bemerkte dat ook de kever het
hout aantast en eet. Nacerdes melanura doet dit niet.
Terwijl Nacerdes een overal in Nederland voorkomende kever
is, is Codiosoma een zeer zeldzaam insect, dat slechts op 4 of 5
plaatsen van ons vaderland in enkele exemplaren gevangen is,
behalve, merkwaardig genoeg, bij Termunten aan den Dollart,
waar de kevers op dezelfde wijze in massa gevonden werden
door Dr. P. P. C. Hoek (volgens zijne mededeeling in de
Koninkl. Academie van Wetenschappen) op aldaar staand paal-
werk. Ook daar meende men nog geene bepaalde schade te mogen
constateeren.
De uitstekende afbeeldingen zijn vervaardigd door de kunst-
vaardige stift van mijnen vriend Jhr. Dr. Ed. Everts, die mij
met zijne gewone bereidwilligheid daardoor op nieuw ten zeerste
verplichtte.
1) De volgende jaren zullen hierop het antwoord geven, en als het bericht, van
den dijkbaas van Flaauwers ontvangen, nadat bovenstaand geschreven was, en
behelzende dat hij den bruinen kever en larf (i. e. Codiosoma) in enkele gecreoso-
teerde perkoenen, doch die volgens hem slecht bereid waren, aangetroffen heeft, —
door andere waarnemingen bevestigd wordt, — wat ik niet geloof van goed ge-
creosoteerde palen, — dan is het te voorzien, dat ook dit insect bij verdere ver-
spreiding bepaald schadelijk optreden zal.
Bij staket en dergelijke groote palen, is een herhaald teeren van Maart tot
Mei aanbevelingswaardig. De kevers worden daardoor gedood of belet naar buiten
te komen en zich voort te planten.
422 EEN NIEUWE VIJAND ONZER ZEEWERINGEN.
VERKLARING DER PLAAT,
1. Larve van Nacerdes melanura L. (vergroot).
Dezelfde, eenigszins uitgerekt en van ter zijde gezien.
3. Dezelfde, » » » » onderen gezien.
a end, pop van N. melanura van boven en van onderen gezien.
Nacerdes melanura L. 9.
Larve van Codiosoma spadix van boven en van ter zijde
gezien (vergroot).
a En
Codiosoma spadix Herbst.
OPMERKINGEN
BETREFFENDE
NEDERLANDSCHE MICROLEPIDOPTERA,
DOOR
F. J. M. HEYLAERTS.
Bij het lezen van des heeren Snellen jongste geschrift over Neder-
landsche Microlepidoptera (in het loopende deel van dit Tijdschrift,
blz. 29 en volg.), maakte ik enkele opmerkingen, die hier hare
plaats mogen vinden.
1. Aglossa pinguinalis L. — Van de eeuw, waarin wij in
dwaling verkeerden omtrent de natuurlijke historie van deze
soort, zal wel een twintigtal jaren moeten worden afge-
trokken. Immers op een der eerste vergaderingen, die ik
als lid onzer Vereeniging bijwoonde, heb ik de vrij groote
bruinachtige rups beschreven. Ik vond deze, zeide ik toen,
in zeker aantal in eene doos met oude vlinders, en
zich voedende met de lichamen dier insecten. Aangezien
zich vrij groote corpora adiposa in de abdomina der Lepido-
ptera bevinden, vind ik hierin het bewijs, dat onze oud-
vaderen nog zooverre niet in dwaling verkeerden.
2. Endotricha flammealis Schiff. (waarom W.V.?).
De heer Snellen maakt hier een anachronisme. Niet Buckler’s
waarneming wordt door de mijne bevestigd. Integendeel de
mijne wordt door Buckler gesteund. Immers ik publi-
ceerde de natuurhistorie, van af het ei tot de imago, reeds
vroeger, en was het resultaat den 7 October 1882 (zie
Comptes-Rendus de la Séance de la Soc. ent. Belge) gepu-
424
OPMERKINGEN BETREFF. NED. MICROLEPIDOPTERA,
bliceerd; terwijl eerst in het December-nummer van dat jaar
in het « Entomologist’s Monthly Magazine » Buckler’s obser-
vatie is opgenomen. De Redactie van dat tijdschrift was
eerlijk en plaatste onder Buckler’s stuk het volgende:
(loco cit., pag. 154). «The mystery surrounding the trans-
«formations of Endotricha flammealis has been simultaneously
« dispelled by the independent observations of investigators
«of different nationality. At the meeting of the « Société
«entomologique de Belgique» held on the 7th October 1882,
« Heylaerts read a description of the larva and its habits,
«as observed by him in Holland; it is not so detailed as Mr.
« Buckler’s, and there are certain small discrepancies between
«the two, but the results are practically the same.» Eds.
3. Tortrix favillaceana Hibn.
P. GC. T. Snellen, Vdinders van Nederland ; Microlepidoptera,
p. 223.
Hiervan wordt dáár ter plaatse opgegeven: Rups onbekend.
In diezelfde séance (zie boven) werd door mij beschreven en
gepubliceerd de geheele huishouding dezer soort, door mij
uit het ei gekweekt.
Waarom wordt deze ook hier niet opgegeven ? Trouwens mijne
geachte medeleden kunnen mijne waarnemingen lezen, daar
én de geheele Annales en de Comptes-Rendus in onze biblio-
theek zijn, én ik daarenboven er voor zorg, dat mijne over-
drukken, die vrij talrijk zijn, daarheen gezonden worden.
4. Gelechia terrella Hübn. — Ik kweekte ook deze soort
van het ei af, en is vooral de eigenaardige levenswijze der
rups, waarvan mijne beschrijving afwijkt van die van den
heer Snellen, door mij aangegeven. Ook deze observatie
wordt in dezelfde Comptes-Rendus aangetroffen. — Bij antici-
patie, want de opgaven gaan slechts tot en met Grapholitha,
geef ik deze soort aan, omdat ik vermoed, dat mijne observatie
wellicht niet zal geciteerd worden.
THERMOPHILA FURNORUM ROVELLI,
VON
Dr. ECOL DEM A WS
AMSTERDAM.
(Hierzu Taf. 12).
Bis jetzt wurde in den Niederlanden nur eine Art aus der
Familie der Lepismidae beobachtet, und zwar die Lepisma
saccharina L. Vor einigen Monaten jedoch fand Herr K. N.
Swierstra eine zweite Art, welche er mir freundlichst überliess.
Mein erstes Bestreben war, das Thier zu determiniren, was bei
den sehr kurzen Diagnosen und wenig zahlreichen Abbildungen ,
welche es bis jetzt von Lepismiden giebt , keine leichte Aufgabe war.
Nachdem ich die Literatur ausführlich durchstudirt hatte, meinte
ich daraus schliessen zu dürfen , „dass ich Thermophila furnorum Rov.
vor mir hatte. Zu dieser Annahme wurde ich auch durch den
Umstand bestärkt, dass mir als der hauptsächliche Aufenthaltsort
des Thieres die Oberfliche der Bäckeröfen bekannt worden war.
Die einzige Lepismide nun, welche bisher an solchen Stellen
angetroffen wurde, ist die soeben genannte Art, welche davon
426 THERMOPHILA FURNORUM ROV.
auch ihren Namen erhalten hat. Um jedoch volle Sicherheit zu
bekommen, wendete ich mich an den Autor der Art selbst, Dr.
Giuseppe Rovelli in Como, der mir freundlichst einige seiner Exem-
plare schickte, durch welche ich die Richtigkeit meiner Bestimmung
bestätigt fand.
Thermophila furnorum wurde von Rovelli, und zwar in
Como, entdeckt. Er beschrieb sie als neue Art in einer
Arbeit: «Alcune ricerche sul tubo digerente degli Atteri,
Ortotteri e Pseudoneurotteri. — Una nuova specie di
Lepismide. Como, 1884.» Der Unterschied von den bekannten
Arten der Gattung Zepisma führte den Autor dazu, ein eigenes
Genus dafür aufzustellen, ohne jedoch schon einen Namen dafür
zu wählen.
In jener Arbeit ist also noch von Lepisma ‚furnorum die
Rede. Der Hauptgrund, welcher Rovelli zur Aufstellung einer
neuen Gattung bewog, war das Vorkommen von zehn oder mehr
Coeca am Vorderende des Mitteldarmes. Als es sich später aber
zeigte, dass derartige Coeca, wenn auch in kleinerer Anzahl, sich
auch bei anderen Lepismiden finden , welche durchaus im Genus
Lepisma beizubehalten sind, wurde dieser Unterschied hinfällig.
Später wurden als gutes Unterscheidungsmerkmal die Maxillartaster ,
welche bei Z%ermophila sechs, bei Lepisma nur fünf Glieder
haben, hervorgehoben, und zwar von Grassi !), welcher das Sub-
genus Thermophila damit begründete. Dieser Autor, welcher den
ganzen inneren Bau dieses Thieres untersuchte und beschrieb,
nennt auch zuerst den Namen Zhermophila (schreibt aber
Termophila) mit der Angabe, dass derselbe dem Thiere von
Rovelli «in una Memoria in preparazione per le stampe» zu-
erkannt sei.
Bis jetzt wurde von Thermophila furnorum keine Abbil-
dung gegeben; ebenso waren die Beschreibungen der äusseren
Erscheinung, besonders in Hinsicht auf die Farbe, wenig
1) B. Grassi: I progenitori dei Miriapodi e degli Insetti. Altre ricerche sui
Tisanuri (Bull. della Soc. Ent. Ital., XIX, 1887).
THERMOPHILA FURNORUM ROV. 427
ausführlich. Ich habe mich jetzt bestrebt eine gute Abbildung
nach frischen Stücken anzufertigen.
Das erste Erforderniss war, saubere Exemplare zu bekommen.
Da nun beim Einfangen immer viele Schuppen verloren gehen,
musste ich Exemplare zu bekommen suchen, welche sich soeben
gehäutet hatten (wie bekannt häuten sich auch die erwachsenen
Thysanura von Zeit zu Zeit). Da die zu diesem Zweck bei
gewöhnlicher Zimmertemperatur gefangen gehaltenen Thiere aber
bald starben, ohne sich gehäutet zu haben, stellte ich mehrere
Exemplare in kleinen Glasbehältern, mit Mehl und Brot als
Futter, in einen sogenannten Einbettungsofen, in welchem die
Temperatur mittels eines Thermoregulators constant auf 30° C.
erhalten und die Luft durch ein Stück täglich befeuchteten
Schwammes gegen Austrocknen geschützt wurde. Innerhalb drei
Wochen hatten sich mehrere Exemplare gehäutet und da konnte
man erst deutlich erkennen, wie schön das Thier in seinem intacten
Schuppenkleide aussieht (vergl. die Abbildung).
Eine besondere Beschreibung der Stellen, wo sich gelbe und
wo sich schwarze Schuppen finden, wird durch die Abbildung
wohl überflüssig gemacht, wenn ich noch mittheile, dass diese auf
dem Rücken gebildeten dunkelen Stellen auf hellerem Grunde nur
wenig variiren; nur können die gelben Stellen mit schwarzen
Schuppen untermischt sein. Die Bauchfläche ist mit silberglän-
zenden Schuppen bedeckt. Auf dem Kopf stehen die Schuppen nach
vorn gerichtet, auf Thorax und Abdomen nach hinten. Die An-
tennen haben eine schwach-röthlichgelbe Farbe. Röthliche Haare
finden sich auf der Frontalseite des Kopfes, über den Augen, in
der Halsgegend, auf dem Rücken und an den Seiten des Thieres.
Die meisten Haare stehen in Büscheln zusammen und viele sind
nach vorn gerichtet; zum grössten Theil sind sie von zackiger
Form und am Ende zweispitzig.
Die Maxillartaster sind sechsgliedrig, die Labialtaster dreiglie-
drig; von diesen drei ist aber das basale Glied dorsal von einer
Falte versehen, welche leicht zu einer irrthümlichen Annahme
eines vierten Gliedes leiden könnte,
428 THERMOPHILA FURNORUM ROV.
Die Antennen sind sehr lang (vergl. Fig. 1) und haben, wenn
sie intact sind, ungefähr
\ 5
die doppelte Länge des
Körpers. Dies ist jedoch
selten der Fall, denn
meistens sind sowohl An-
tennen als Cerci verletzt.
Diese Laesion ist nicht im-
mer an der Spitze selbst
zu erkennen, da solch eine
Wundfliche bei jeder Häu-
tung vernarbt. Die im
Verhältniss zum Körper
längsten Antennen sah ich
bei einem Exemplare von
10 mm. Länge, wo sie
mehr als doppelt so lang
waren wie der Körper und
20.5 mm. erreichten.
Die Augen werden, ganz
wie bei Lepisma saccharina,
jederseits von zwölf Omma-
tidien gebildet. Die Fest-
stellung dieser Zahl gelang mir mittels Isolirung der Chitinhaut
der Augengegend und Behandlung mit Kali causticum. Es waren
dann die zwölf Cornealinsen recht deutlich zu sehen.
Die Beine haben dreigliedrige Tarsen.
Die drei Cerci sind recht lang. Die seitlichen stehen beinahe sen-
krecht zur Längsaxe des Körpers und sind nach vorn gekrümmt (vergl.
Fig. 1.). Sie sind ungefähr eben so lang wie der Körper; bei zwei
Exemplare von 10 mm. war die Länge 10.5 und 11 mm. Der
Mittelcercus ist wenig länger; so mass er bei den ebengenannten
Exemplaren 14.5 mm.
Ventrale, abdominale griffelfirmige Anhänge können sich am
siebenten, achten und neunten Bauchschilde finden. An allen den
drei genannten Schilden kommen sie aber erst bei den grösseren
THERMOPHILA FURNORUM ROV. 429
Thieren vor. Die kleinsten Exemplare, welche ich gesehen, und
an welchen das Geschlecht noch nicht durch äussern Kennzeichen
zu bestimmen war, hatten nur ein Paar Griffel, und zwar
das hinterste (am 9. Bauchschilde). Später bekommen sie
das zweite Paar (am 8. Bauchschilde) und zuletzt das
dritte (am 7. Bauchschilde). Diese Beobachtung beweist, dass
die Griffel keine rudimentäre Organe sind und also mit
wirklichen, urspriinglichen Beinen nichts zu thun haben. Vielleicht
wird dies auch für andere Thysanura bestätigt werden, was an
jungen Thieren leicht zu beobachten ware. Ich lege auf diesen
Umstand besonders deshalb Gewicht, weil die ventralen, abdomi-
nalen Anhänge der Thysanura fast immer als die Reste von wahren
Beinen angesehen worden sind, wie auch N. Cholodkovsky 1)
sie in einem vor Kurzem erschienenem Aufsatze betrachtet, wenn
er p. 98 schreibt: «Die scheinbar echt-secundiren Bauchanhinge
der vollendeten Insekten sind ebenfalls von ganz gleicher morpholo-
gischer Bedeutung und müssen für wahre Homologa der übrigen
Extremitäten gehalten werden.» Soweit mir bekannt, hat nur
Erich Haase seit längerer Zeit die entgegengesetzte Meinung ver-
theidigt 7). Ein direkter Beweis für die Richtigkeit seiner Auf-
fassung ist hiermit geliefert; denn wenn diese Anhänge wirklich
Rudimente von wahren Extremitäten waren, würden sie sich wahr-
scheinlich fast gleichzeitig, von vorn nach hinten, niemals aber
nach einander von hinten nach vorn entwickeln und auch nicht
zum Theile so spät hervorsprossen. — Um eine Idee davon zu
geben, wie gross die Thiere schon sind, wenn das zweite und das
dritte Paar zum Vorschein kommen, lasse ich eine Aufzählung von
einigen Exemplaren mit Angabe ihrer Länge (ohne Antennen und
Cerci) und der Zahl ihrer Griffelpaare folgen:
1) N. Cholodkovsky, Studien zur Entwicklungsgesch. der Insekten (Zeitschr
J. wiss. Zoologie, 1889, p. 89—100).
2) Tageblatt d. 59. Vers. deutscher Naturforscher u. Aerzte. Berlin, 1886, p. 303;
vgl. Abhandl. d. naturw. Ges. Isis". Dresden, 1886, p. 88; Sitzungsber. d.
Gesellsch. naturforsch. Freunde, Berlin, 1889, p. 24.
430 THERMOPHILA FURNORUM ROV.
Körperlänge. Griffelpaare.
2.64 mm. 1
2.86 y Il
8.04 y nl
3.85 4 1
IN 1
4.29 y 1
d 5.54 y 2
d 0.357 2
d 643 u 2
d 6.96 y» 2
dr MOB 7 2
01:86 >, 2
d 8.40 7 9
d 8.93 y» 2
d 9.82 y» 2
d 10.00 # 2
d 10.80 y 3
$11.00 » 8
QUE OT y 9
2 5.80 » 2
© 6.07: » 3
9 8.04 » 3
008,5 1007 3
2 9.04 u 3
2710.36 1% 3
2° 11.807 7 3
9 13.00 y a
Man sieht also, dass sowohl beim Männchen als beim Weibchen
drei Paar Griffel zur Entwicklung kommen. Dies scheint aber
beim Weibchen früher zu geschehen, da von den Thieren mit
drei Paar Anhängen die kleinsten sich mir immer als Weibchen
zeigten, wiewohl die Weibchen überhaupt grösser werden als die
Männchen. Damit stimmt es auch, dass man unter den grösseren
Thieren meist Männchen mit zwei und Weibchen mit drei Paar
Griffel findet. Unter achtundzwanzig 5 bis 11 mm. langen Exem-
plaren gab es 16 Männchen mit 2, 2 Männchen mit 3, 2 Weibchen
mit 2, 8 Weibchen mit 3 Paar Griffel.
Die hinteren Griffel sind immer länger als die vorderen.
Die Gestalt der Bauchschilde, an welchen sich die Griffel finden ,
THERMOPHILA FURNORUM ROV. A31
ist beim Männchen und Weibchen verschieden, wie dies die Fig, 2—7
zeigen.
Griffel , wel-
che verloren
ig
gegangen sind,
regeneriren
sich allmählig
(vgl. Fig. 8).
Hier könnte
Ventral-Hälfte
man, weil es der Legeröhre.
das vordere
Paar ist, mei-
nen, dass es anfängt zum
Vorschein zu kommen,
nicht dass es eine Rege-
neration ist. Das Auf-
treten der Griffel wird ! __ |}-------------- _Dorsal-Hälfte der Legeröhre.
aber wohl rechts und
links zugleich anfangen.
Ausserdem habe ich die
Regeneration selbst an
einem grossem Weib-
; ‘ig. 2. Si hschild ei ä s.
chen, bei welchem das Fig. 2. Siebenter Bauchschild eines Männchens
„ 3. Achter 1 2 i
mittlere Paar verloren ge- 4 Neunter È ; 5
gangen war, beobachtet. „ 5. Siebenter A » Weibchens.
Sie haben sich volkom- n 6. Achter si = ci
men regenerirt. ale oa 4 i £ |
» 8. Siebenter È 4 in Dif
Die Geschlechter sind einem in Regeneration begriffenem
bei den gròsseren Thieren Griffel.
sofort zu unterscheiden, da die Weibchen eine Legeròhre haben,
deren Scheidentheile, wie gewöhnlich, dem achten und neunten
Bauchschilde angehòren.
Die grössten Exemplare der Thermophila furnorum, welche ich
gesehen, waren 13 mm. lang.
Die ersten Exemplare, welche Herr Swierstra, der mir später
noch mehrmals Material verschafite, beobachtete, fanden sich nicht
432 THERMOPHILA FURNORUM ROV.
an einem Ofen, sondern in einem Hause, in der Nähe einer
Bäckerei. Durch Ritzen in den Mauern waren sie dahin gewandert.
Es ist also nicht undenkbar, dass sich die Thiere auch weiter
verbreiten werden, wiewohl die höhe Temperatur, deren sie zu
ihrem Wohlsein bedürfen, sie wohl auf besonders warme Oertlich-
keiten beschränken wird. Ihre Nahrung würde ihrer weiteren
Verbreitung weniger im Wege stehen, da sie nicht nur Mehl,
sondern auch Brot und wahrscheinlich noch mehrere andere vege-
tabilische Speisen zu sich nehmen. Auch thierische Kost verschmähen
sie nicht, was ich erst daraus erfuhr, dass sie ihre todte Art-
genossen auffrassen. Viel Schaden werden sie jedenfalls wohl nicht
anrichten.
Wiewohl dieses Thier, wie Grassi angiebt. bis jetzt nur in der
Lombardei gefunden wurde, und jetzt in den Niederlanden, so
glaube ich doch behaupten zu können, dass es in einem grossen
Theile Europa’s vorkommen wird. In allen Backereien in Amsterdam,
welche ich untersuchte, waren die Thiere häufig. Mann nennte
sie dort « Snijders» (Schneider) oder « Ovenvogeltjes » (Ofen-
vögelchen).
Eine Eigenthümlichkeit, welche ich noch nicht bei anderen
Thysanuren beobachtete, ist, dass sie oft grössere Stücken Futter
fortschleppen. Dabei wird der Bissen nur mit den Mundtheilen
festgehalten.
Viele interessante Eigenthümlichkeiten sind an diesen Thieren,
wie an anderen Thysanuren, gewiss noch zu erforschen. Wenn
es mir vielleicht gelingen sollte neue Beobachtungen darüber
zu machen, hoffe ich dieselben später an geeigneter Stelle zu
publiciren.
Amsterdam, Mai 1889.
REGISTER.
COLEOPTERA.
Abdera quadrifasciata Curt. xxXVIII.
triguttata Gylh. xxVI, XXXVIII.
Acalles echinatus Germ. xxxVII.
= turbatus Boh. xxxVII.
Agonum versutum St. xxxIx.
Alcides erro Pasc. 23.
Aleochara cuniculorum Kr. Xxx1v.
Alexia pilifera Mill. xxvr, xxxvi.
Alphitophagus quadripustulatus Steph.
XXXVI.
Amalus albicinctus Gylh. xxxvir.
Comari Hrbst. xxxIx.
velaris Gylh. xxxıx.
Amara equestris Dfts. xxvr.
| montivaga St. xxxXII.
® praetermissa Sahlb. xxvI.
= strenua Zimm, xxxIII.
Amorcephalus coronatus Germ. 26, 27.
Anisotoma badia St. xxxv.
Anoncodes melanura L. 401.
Anophthalmus sp. cxıx.
Anthicus flavipes Panz. XXXVII.
= luteicornis Schmdt. xxxvIn.
Anthobium limbatum Er. xxxv.
Aphodius depressus Kug. xxxVI.
id. var. atramentarius. XXxVI.
x nitidulus F. xxxIx.
È pictus St. xxxVI.
Aphrodisium Thoms. xIx.
* Albardae Rits. xxxI.
zn Cantori Hope. xxxI.
Li Griffithii Hope. xxIX, XXXI.
= Hardwickianum White. xxxI.
= neoxenum White. xxxI.
~ de la Touchii Fairm. xxxI,
XXXII.
Apion basicorne Ill. xxxIx.
5 columbinum Germ. XXxIX.
E confluens Kirby. xxxIx.
Li cyaneum de G. xxxIx.
. difficile Hrbst. xxxvit.
n Roelofsi Ev. xxxıx.
5 Spencei Kirby. xxxIx.
= stolidum Germ. xxxIx.
Aplodea castanea Blanch. 75.
Aplodea cosmoptera Blanch. 75.
A Elsbethae Reitt. 75
5 valdiviensis Blanch. 75.
Apoderus tuberculatus Har. 22.
Apogonia gemellata Kirby. Xvrrr.
Araeocerus fasciculatus de G. 27.
Asenum striatum L. xxvI.
Aspidiphorus orbiculatus Gylh. xxvr.
Astraeus aberrans v.d.Poll. 84, 90.
n Badeni v.d.Poll. 84, 93.
= crassus v.d.Poll. 85, 95.
= dilutipes v.d.Poll. 86, 105.
H elongatus v.d.Poll. 85, 101.
= flavopictus C. et G. 85, 97.
5 fraterculus v.d.Poll. 84, 92.
È irregularis v.d.Poll. 84, 86.
= Jansoni v.d.Poll. 84, 94,
ze lineatus v.d.Poll. 84, 87.
8 multinotatus v.d.Poll. 84, 89.
% navarchis Thoms. 84, 91.
n Oberthiiri v.d.Poll. 85, 100.
= prothoraeicus v.d.Poll. 85, 98.
en pygmaeus v.d.Poll. 85, 104.
- Samouelli Saund. 86, 107.
= simulator v.d.Poll. 85, 102.
= splendens v.d.Poll. 86, 108.
vittatus v.d.Poll. 85, 99.
Atemeles emarginatus Gray. var, XXXIV.
n inflatus Kr. xxxıv.
x paradoxus Grav. var. XXXIV.
pubicollis Bris. xXXIV.
Atomaria ornata Heer. CXIX,
versicolor Er. cxıx.
Attelabus curculionoides L. var. atri-
cornis. XXXVII.
Bagous clandicans Boh. xxxvII.
= frit Bris. Xxx VII.
2 longitarsis Thoms. xxxVIt.
Balaninus Hilgendorfi Har. 22.
Baptolinus affinis Payk. xxvr.
Baryrrhynchus Poweri Roel. 26, 27.
Batrisus formicarius Aubé, xxxv.
= Luzerae Reitt. 77.
È trifoveolatus Schauf. 77.
: tripunctatus Reitt. 77.
5 venustus Reich. xxxv.
Bembidium humerale St. cxvıır.
4 octomaculatum Goeze. XXXIII.
28
434
Bembidium Sturmi Panz. xXXIII.
Blaps mortisaga L. XXXVII.
Blemus areolatus Creutz. XXXIII.
Brachytarsus nigrovariatus Roel. 27.
A sellatus Roel. 27.
Bradycellus cognatus Gylh. xxxIm.
5 Deutschi Sahlb. xxx.
Bruchus chinensis L. 28.
= dorsalis Schönh. 28.
È fulvipes Roel. 28.
er japonicus Har. 28.
A scutellaris F. 28.
Bryaxis. 77.
impressa Panz. xxXv.
Bythinus Curtisi Denny. xXXIX.
x puncticollis Denny. xxxv.
Callichroma bimaculatum White. XXIX.
È Devidis H. Deyr. XXIX.
È Faldermanni Saund. xxxt.
Calodera nigrita Mann. xxxIV.
riparia Er. xXXIv.
Cartodere Beloni Reitt. XXXVII.
à elegans Aubé. XxXVIII.
# elongata Curt. xXXVI.
Cerambyx populnea Schröt. xxx.
Cerylon ferrugineum Steph. xXXvI.
Ceutorrhynchidius pumilio Gylh. var.
osthumus. XXXVII.
Ceutorrchynchus Achilleae Gylh. xxxIx.
n Cardui Hrbst. xxXVII.
à floralis Payk. xxxIx.
È molitor Gylh. xxxIx.
i, nigrinus Mrhs. xxxIx.
“i pulvinatus Gylh. xxxIx.
È pumilio Gylh. xxxVII.
à id. var. posthumus. XXVI.
A rugulosus Hrbst. xxxıx.
Urticae Boh. xxxVII.
Cicindela campestris L. var. XXXIII.
Cis bidentatus Ol. xxxvI.
: festivus Panz. XXXVI.
Cistela ceramboides L. xxvI. *
Clerus nigripes Say. XII.
Clytus arcuatus L. xXVI.
id. var. Colbeani. XXxVII.
Codiosoma spadix Hrbst. cxıx, 419.
Coenoscelis ferruginea Sahlb. xxxvI.
Colon calcaratum Er. xxxv.
Compsocerus violaceus White. xII.
Coninomus constrictus Humm, xXXVI.
Conognathus navarchis Thoms. 91.
Conotrachelus pilosellus Boh. 23.
Conurus bipunctatns Gray. XXXIv.
Corticaria bella Redt xxxvi.
= fenestralis L. xxxvI.
Corticeus linearis F. cxIx.
Corymbites cinctus Payk. XXXVI.
Cryptarcha imperialis F. xxv.
Cryptohypnus minutissimus Germ. XXXVI.
Cryptophagus villosus Heer. xXxVI.
Cryptorrhynchus Lapathi L. 22.
Crypturgus pusillus Gylh. xxxvit
Curculio japonicus Har. 22.
REGIS TE RB.
Curculio perforatus Roel. 22.
= Roelofsi Har. 22.
Curculioniden-fauna van Japan. XIX.
Cychramus fungicola Heer. xxXV.
En luteus F. xxxv.
Cylindrembolus. 78,
Cyphagogas signipes Lew. 27.
Cyrtotriplax bipustulata F. xxvı.
Dorytomus affinis Payk. XXXVII.
È Dejeani Faust. XXXVII.
- flavipes Boh. XXXVII, XXXVIII.
à hirtipennis Bedel. xxxvII.
3 longimanus Férst. XXXVIII.
n macropus Redt. xXXVIII.
en majalis Payk. xxxVIII.
ñ occalescens Gylh. xxXVIII.
fn salicinus Gylh. xxxVHI.
5 suratus Seidl. xxxVIl.
taeniatus Gylh. xxxvII.
Dyticus circumcinctus Ahr. var. dubius.
XXXIV.
È circumflexus F, var. perplexus.
XXXVIII.
Eburia sp. xII.
Echinocnemus squamosus. 23.
Ectatorhinus Adamsei Pasc. 23.
Elater praeustus F. xxxXVI.
Episomus turritus Lac. 23.
Euchroa dimidiata Guér. xxx.
Euplectus Aubenus Reitt. xxxv.
Euryusa laticollis Heer. xxxIV.
Evaesthetus laeviusculus Mann. XXXV.
n ruficapillus. xxxIx.
Exocentrus adspersus Muls. xxxVIl.
Gamba Argus Reitt. 76.
Gastrallus laevigatus Ol. xxxvi.
Glaptoderes asperatus Gylh. xxxIx.
granulatus Ratz. xxxIx.
Gonatocerus basalis Schauf. 74.
= communis Schauf. 74.
A tertius Schauf. 74.
Graphoderes zonatus Hoppe, var. inter-
jectus. XXXIV.
Gymnetron pascuorum Gylh. xxXVII,
n stimulosum Germ. xL.
Harpalus laevicollis Dfts. Xxx.
Helophorus affinis Mrs. cxvIu.
= dorsalis Er. CxVII.
5 Erichsoni Bach. cxvIIl.
Helota. CxxxvI.
Higonius cilo Lew. 27.
E erux Sidn. Oll. 27.
Hister bimaculatus L. var. morio. XXXV.
Homalium gracilicorne Fairm. xxxv.
Homalota oblongiuscula Sharp. xxxIv.
= pagana Er. xxxIv.
E pilicornis Thoms. xxxIv.
Hoplia farinosa L. xxxvi.
squamosa F. xxxVI.
Hydraena pulchella Germ. xxxIV.
Hydrobius fuscipes L. var. Rottenbergi.
XXXIV.
= strigosus Schmdt. xxxv.
REGIS TH Ro
Hydronomus clandicans Boh. xxxvil.
„ frit Bris. xXxVII.
È glabrirostris Hrbst. xxxvIt.
n longitarsis Thoms. XXXVII.
nigritarsis Thoms. xxxVII.
Hylobius abietis L. 22.
és fatuus Rossi. 22.
n Gebleri Boh. 22.
È signatipennis Roel. 22.
Hypera alternans Steph. xxxVIII.
3 Julinii Sahlb. xxxVIII.
n trilineata Mrsh. xL.
Tonthocerus nigripes Lew. 27.
Larinus Carlinae Ol. xxxVIII.
È planus F. xxxVIII.
Lebia crux-minor L. xxxIIt.
Leistus ferrugineus L. xxxIx.
si rufomarginatus Dfts. CXVIII.
n spinilabris Panz. xxxIx.
Leptura sp. XII.
Lepyrus binotatus Payk. xL.
È colon L. xL.
Limnobius truncatulus Thoms, CxVIII.
Liodes humeralis Kug. var. globosa.
XXVI, XXXV.
Liophloeus Herbsti Gylh. xxxVIII.
= pulverulentus Gylh. xxxVIII.
Litocerus rufescens Roel. 27.
Lochmaea suturalis Thoms. xxv1.
Macrocorynus discoideus Ol. 23.
Macronota egregia G. et P. CXxxVI.
Mecinus collaris Germ. xL.
Medon brunneus Er. xxxv.
n dilutus Er. xxxv.
5 piceus Er. xxxV.
Meligethes Brassicae Scop. var. coeruleus,
XXXV.
er hebes L. xxxv.
Molops piceus Panz. xxXIII.
= terricola F. xxxHI.
Monotoma brevicollis Aubé. xxxXVIII.
=. punctaticollis Aubé, xxxvIII.
Mycetoporus forticornis Fauv. CXVIII.
Myrmedonia lugens Gr. XL.
> similis Mark. cxvIu.
Nacerdes melanura L. CxIx, 401.
Neuraphes elongatulus Müll. xxxv.
Niptus crenatus F. cxxxv.
n hololeucus Pall, Cxxxv.
Notothecta confusa Mark, xxxrv.
Odontaeus armiger Scop. XXVI.
Odontogethes hebes L. xxxv.
Orychodes insignis Lew. 27.
Oxypoda praecellens Eppelsh. xxxIV.
7 sericea Heer. XXXIV.
Oxyrrhynchus Fortunei Waterh. 23.
Pachyteria, xix.
4 affinis Rits. xxxI.
basalis Waterh. xxx.
bicolor Parry. xxx.
Borrei Rits. xXxI.
collaris Har. xxxI.
dimidiata Westw, xxx,
3 3 3 3 3
435
Pachyteria equestris Newm. xxx.
5 Evertsi Rits. xxxI.
fasciata F. xxx.
a Hageni Rits. xxx.
= Hügeli Dist. xxxI.
ss insignita Pasc. xxx.
2 javana Bat. xxxI.
n Lambii Pasc. xxx.
n Oberthiri Rits. xxxI.
ochracea Waterh. xxx.
n
= parallela Rits. xxxI.
polychroma Har. xxx.
È Pryeri Rits. xxxI.
"i puncticollis Rits. xxxI.
x ruficollis Waterh. xxxI.
» „rugosicollis Rits. xxxI.
pa Scheepmakeri Rits. xxxI.
5 speciosa Pasc. xxx.
spinicollis Pasc. xxx.
strumosa Pasc. xxx.
superba Gestr. xxxI.
tricolor Newm. xxx.
virescens Pasc. XXXI.
= voluptuosa Thoms. xxx.
zonopteroides Fleut. xxix,
XXXI,
Philematium femorale Ol. xrr.
Philontus astutus Er. xxxv.
intermedius Lac. xxxIx.
Phloebius alternans Wied. 27.
a gibbosus Roel. 27.
longicornis F. 27.
Phyllobius Artemisiae Desbr. xxxVIII.
: Piri L. XXXVII.
Phytobius quadricornis Gylh. 22,
— Wei Ri VSS |
=
-Piazomias velatus Cheyr. 23.
Pissodes notatus F. xxxVIII.
validirostris Gylh. xxxVII.
Placusa pumilio Grav. xxxIV.
Plateumaris consimilis Schr. xxVI.
» sericea L. var. micans. XXXVII.
2 id. var. tenebricosa. xxxVII.
Platycerus caraboides L. xxvI.
Platysoma angustatum Hoffm. xxxv.
Plinthus caliginosus F. xxxvil.
Polydrosus chrysomela Ol. xxxvII.
2 picus F. xxxvIm.
> salicicola Fairm. XXXVII.
Psammodius vulneratus St. xxxvi.
Pterostichus aterrimus Payk. xxxIx.
Purpuricenus rubripennis Hope. xxIx.
Pyxidicerus. 77.
Quedius auricomus. xxxIx.
lateralis Gray. XXVI.
n ochripennis Mén. var. concolor.
XXXIV.
Rhinocyllus antiodontalgieus Gerb.
XXXVII.
x conicus Fröl. xxxVII.
~ latirostris Latr. XXXVII.
” Olivieri Gylh. xxxVII.
Rhinoncus albicinctus Gylh. xxxVII.
m bruchoides Hrbst. 22.
436
Rhinoncus pericarpius L. 22.
Rhynchites sericeus Hrbst. xxvr.
Salpingus aeneus Steph. xxvi.
Scaphidium quadrimaculatum Ol. xxvr.
Scopaeus gracilis Sperk. xxxv.
Scymnus arcuatus Rossi. xxXVI.
Scytropus mustela Hrbst. 22.
Sebasius Deyrollei Lac. 27.
Silpha opaca L. xII.
Silvanus bidentatus F. xxxvI.
x similis Er. Cxix.
n unidentatus Ol. xxxIx.
Sipalus granulatus F. 23.
Sitaris muralis Forst. xxi.
Sitones Waterhousei Walt. xr.
Sphenophorus carinicollis Gylh. 23.
5 glabricollis Gylh. 33.
Sphindus dubius Gylh. xxVI, xxxvI.
Staphylinus fuscatus Grav. xxxV.
Stenocares Cardui Hrbst. xxxVII.
Stenocorus inquisitor. XXVI.
È mordax de G. xxVI.
5 id. F. XXVI.
= sycophanta Schr. xxVI.
Stenus providus Er. CXVIII.
Stigmodera Samouelli Hope. 107.
Strophosomus capitatus Bedel. xxxvr.
5 curvipes Thoms. xxVI.
= rufipes Steph. xxxVI.
Sunius immaculatus Steph. xxxv.
ñ intermedius Er. xxxv.
Syncalypta spinosa Rossi. XXXVI.
Tachinus scapularis Steph. xxxIV.
Tachyporus ruficornis Gray. XXXIV.
Tanysphyrus Lemnae Payk. 22.
Tetratemnus sculpturatus Woll. 23, 25.
Tetropium luridum L. var. fulcratum.
CXIX.
Thiasophila angulata Er. xxxIx.
x inquilina Mark. xxxIV.
Tomicus acuminatus Gylh. xxxıx.
amitinus Eichh. xxxIx.
Trachyphloeus digitalis Gylh. xxxVIII.
x laticollis Schönh. xxxVIII.
= scabriculus L. xxxVIII.
Tychius haemantopus Gylh. xxxVIII.
5 junceus Boh. xXxXVIII.
à lineatulus Germ. xxxVIII.
Velleius dilatatus F. xxxrv.
Xybaris. 78.
Xyleborus eryptographus Ratz. xxxIx.
Xyletinus laticollis Dfts. xxvr.
Xylocleptes bispinus Dfts. xxxIx.
Zemioses celtis Lew. 27.
Zonopterus. xIX.
n consanguineus Rits. xxIx.
= flavitarsis Hope. XXIX.
à grandis Thoms. xxIx.
n suspectus Rits. xxıx.
HEMIPTERA.
Capsus campestris L. 113.
REGIS TER.
Capsus Pastinacae Fall. 113.
n roseus Fall. 115.
Eurydema festivum L. 113.
Gerris gibbifera Schumm. xxvI.
Globiceps flavomaculatus Fieb. 113.
= selectus Fieb. 113.
Microphysa pselaphiformis Curt. xxv.
Monanthia costata Fieb. xxvr.
Orthocephalus parallelus M.D. xxv.
Peritrechus nubilus Fall. 113.
Piezostethus cursitans Fall, xxvi.
Phytocoris roseus Fall. 115.
NEUROPTERA.
Adicella filicornis Pict. 350.
reducta M. Lachl. 350.
Aeschna affinis v.d.L. 277.
n cyanea Miill. 276.
È forcipata Latr. 219.
5 grandis L. 216, 218, 278.
5 juncea L. 277.
mixta Latr. 213, 277.
5 rufescens v.d.L. 220, 278.
viridis Eversm. 219, 278.
Agapetus comatus Pict. 361.
N fuscipes Curt. 361.
laniger Pict. 361.
Agraylea multipunctata Curt. 361.
Agrion armatum Charp. 285.
on Charp. 220.
5 elegans v.d.L. 219.
= furcatum Charp. 219.
5 hastulatum Charp. 220, 285.
= Lindenii Sel. 286.
; lunulatum Charp. 285.
x mercuriale Charp. 286.
= minium Harr. 219.
5 najas Hansem. 220.
5 ornatnm Sel. 285.
5 puella L. 219, 284.
pulchellum v.d.L. 219, 284.
+ scitulum Ramb. 285.
tenellum Vill. 221.
Agrypnia pagetana Curt. 327.
Ametropus fragilis Alb. 263.
Amphigerontia bifasciata Kolbe. 229.
= fasciata Kolbe. 229.
à subnebulosa Kolbe. 229.
= variegata Kolbe. 230.
Anabolia nervosa Leach. 337.
Anax formosus v.d.L. 275.
5 Parthenope Sol. 276.
Anysarchus coenosus Curt. 338.
Ateleptera hyemalis Dalm. 323.
Atropos annulata Kolbe. 240.
je distincta Kolbe. 241.
= divinatoria Müll. 219, 241.
5 pulsatoria Steph. 240, 241.
Baétis binoculatus L. 260.
. elegans Curt. 264.
5 niger L. 261.
en phaeops Eat. 260.
REGISTER
Baétis pumilus Burm. 261.
je Rhodani Pict. 260.
» Scambus Eat. 260.
n vernus Curt. 260.
Beraea maurus Curt. 344. .
3 pullata Curt. 344.
Beraeodes minuta L. 344.
Bertkauia prisca Kolbe. 239.
Bittacus Hageni Brauer. 320.
Ee hyemalis Latr. 323.
tipularius F. 319.
Boreus hyemalis L. 323.
Brachytron pratense Müll. 276.
Branchyotoma Spongillae Westw. 294.
Caacilius atricornis M. Lachl. 237.
Burmeisteri Brauer. 236.
Dalii M. Lachl. 235.
dubius Steph. 235.
fenestratus Curt. 238.
flavicans F. 235.
flavidus Steph. 237.
fuscopterus Latr. 238.
hyalinus Hag. 235.
irroratus Curt. 235.
nigricans Steph. 235.
obsoletus Steph. 237.
pedicularius L. 235.
perlatus Kolbe. 236.
quercus Kolbe. 236.
strigosus Curt. 237.
vitripennis Curt. 233. -
vittatus Rost. 238.
13.3 313 3
~~
3
33 3 33 3 3 3 3
Caenis dimidiata Steph. 214, 217, 259.
halterata F. 259.
= robusta Eat. 259.
Calopteryx splendens Harr. 215, 279.
= virgo L. 216, 279.
Capnia nigra Pict. 249.
Centroptilum luteolum Müll. 261.
+ pennulatum Eat. 261.
= tenellum Alb. 261.
Cerobasis muraria Kolbe. 239.
Chaetopteryx villosa F. 340.
Chimarra marginata L. 359.
Chirotonetes ignotus Walk. 262.
Chloroperla apicalis Newm. 249.
bifrons Newm. 249.
fuscipennis Steph. 246.
grammatica Poda. 246.
griseipennis Pict. 247.
lateralis Steph. 246.
media Steph. 246.
pallida Steph. 249.
rivulorum Pict. 245.
rufescens Steph. 246.
venosa Steph. 246.
virescens Pict. 246.
Choroterpes Picteti Eat. 258.
Chrysopa abbreviata Curt. 304.
s id. Steph. 305.
> abdominalis Brauer. 304.
= alba L. 218, 299.
È id. Brauer. 298.
st333333533
437
Chrysopa angustipennis Steph. 302.
aspersa Wesm. 303.
cancellata Wesm. 306.
capitata Steph. 297.
carnea Steph. 301.
ciliata Wesm. 300.
coerulea Brawer. 303.
dorsalis Burm. 306.
elegans Burm. 298.
flava Scop. 298.
flavifrons Brauer. 300.
immaculata Steph. 305.
incarnata Brauer. 301.
integra Hagen. 299,
nobilis Heyd. 298, 302.
pallens Schneid. 302.
perla L. 212, 217, 219, 221,
306.
id. Steph. 299.
phyllochroma Wesm. 305.
Pini Brauer. 306.
prasina Brauer. 303.
primaveria Brauer. 301.
pusilla Brauer. 305.
reticulata Leach. 219, 306.
rubropunctata Brauer. 301.
septempunctata Wesm. 302.
subfalcata Steph. 298.
tenella Schneid. 302.
id. Brauer. 305.
ventralis Curt. 304.
vittata Westw. 217.
id. Wesm. 299.
= id. Schneid. 298.
- vulgaris Schneid.
301.
Zelleri Schneid. 303.
Cloëlon dipterum L. 215, 261.
rufulum Müll. 262,
simile Eat. 262.
Clothilla annulata Hag. 240.
DI distincta Kolbe. 241.
Di pulsatoria L. 215, 240.
5 studiosa Westw. 240.
Colpotaulius incisus Curt. 327.
Coniopteryx aleyrodiformis Steph. 318.
= aphidiformis Ramb. 318.
n lactea Wesm. 318.
= psociformis Curt. 318.
DS tineiformis Curt. 318.
Coniortes tineiformis Westw. 319.
Cordulegaster annulatus Latr. 275.
= bidentatus Sel. 275.
Cordulia aenea L. 219, 273.
Crocothemis erythraea Brull. 272.
Crunoecia irrorata Curt. 343.
Cyrnus crenaticornis Kolen. 357.
= flavidus M. Lachl. 357.
= trimaculatus Curt. 357.
Dictyopteryx microcephala Pict. 320, 242,
Diplax depressiuscula Sel. 220, 269,
E flaveola L. 268.
È Fonscolombii Sel. 268,
221, 300,
”
438
Diplax meridionalis Sel. 268.
> pedemontana Allion. 269.
5 sanguinea Mill. 215, 269.
5 scotica Don. 270.
5 striolata Charp. 267.
vulgata L. 267.
Dodecatoma flava Pict. 248.
Drepanopteryx phalaenoides L. 307.
> tortricoides Costa. 308.
Drusus annulatus Steph. 340.
Ecclisopteryx guttulata Pict. 340,
Eedyurus affinis Eat. 265.
5 fluminum Pict. 265.
a insignis Hat. 265.
= lateralis Curt. 265.
= venosus F. 264.
s volitans Eat. 265.
Ecnomus deceptor M. Lachl. 358.
A tenellus Ramb. 358.
Elipsocus abietis Kolbe. 234, 235.
à aphidioides Hag. 233.
- cyanops Rost. 234.
N flaviceps Hag. 236.
5 hyalinus Steph. 234.
7 id. Kolbe. 235.
E unipunctatus Mill. 233.
Westwoodii M. Lachl. 234.
Enallagma cyathigerum Charp. 220, 283.
Enoicyla pusilla Burm. 221, 341.
Epeorus assimilis Eat. 263.”
Ephemera bioculata Panz. 219.
= danica Müll. 257.
E glaucops Pict. 257.
5 lineata Eat. 257.
5 vulgata L. 214, 216, 257.
Ephemerella ignita Poda. 259.
Epitheca bimaculata Charp. 273.
Erythromma najas Hansem. 220, 286.
es viridulum Charp. 286.
Glossosoma Boltoni Curt. 360.
5 vernale Pict. 360.
Glyphotaelius pellucidus Retz. 328.
Goéra pilosa F. 219, 342.
Gomphus flavipes Charp. 275.
x pulchellus Sel. 275.
= simillimus Sel. 274.
N vulgatissimus L. 219, 274.
Grammotaulius atomarius F. 328.
È nitidus Mull. 328.
Graphopsocus cruciatus Kolbe. 227.
Gryllus proboscideus Panz. 323.
Habrophlebia lauta Eat. 259.
Halesus digitatus Schr. 340.
n guttatipennis M. Lachl. 340.
= interpunctatus Zett. 339.
È tessellatus M. Lachl. 340.
Hemerobius affinis Wesm. 312.
2 id. Steph. 312.
se albus L. 218.
4 10.8.0299
5 angulatus Steph. 316.
s aphidioides Schr. 233.
si aphidivorus Ol. 316.
REGIS TER.
Hemerobius apicalis Steph. 312.
atomarius Göszy. 309.
atrifrons M. Lachl. 311.
bipunctatus L. 232.
cancellatus Schr. 306.
capitatus F. 297.
chlorophanes Ratz. 305.
chrysops L. 218, 292.
id. Scop. 306.
concinnus Steph. 309.
confinis Steph. 294.
conspersus Burm. 309,
eruciatus L. 227.
cylindripes Wesm. 309.
dipterus Burm. 317.
elegans Steph. 315.
id. Ramb. 298.
id. Göszy. 316.
erythrocephalus Ramb. 297.
fasciatus F. 229,
id. Göszy. 310.
fimbriatus Curt. 308.
flavicans L. 235.
flavus Scop. 298.
flexuosus Hag. 314.
formicaleo L. 295.
fulvicephalus Scop. 293.
fumatus Motsch. 294.
fuscatus F. 293.
fuscescens Wallgr. 315.
fuscus Steph. 310.
hirtus L. 308.
id. Burm. 309.
Humuli L. 312.
inconspicuus M. Lachl. 315.
intricatus Wesm. 317.
irroratus Steph. 310.
limbatellus Zett. 311.
id. Wallgr. 311.
limbatus Wesm. 310.
lineatus Göszy. 317.
longicornis F. 230.
lutarius L. 288.
lutescens Latr. 219.
id. Steph. 312.
id. Burm. 313.
id. Zett. 314.
maculatus F. 293.
id. Wesm. 312.
marginatus Steph. 314.
Marshami Steph. 315.
mauricianus Ramb. 302.
micans Ol. 219, 313.
id. var. fuscinervis Schneid.
313.
nebulosus Steph. 309.
nemoralis Steph. 316.
nervosus F. 309.
id. Steph. 310.
nitidulus F. 314.
id. Steph. 294.
id. Walk. 294.
obscurus Steph. 310.
REGISTER. 439
Hemerobius ochraceus Wesm. 314.
n orotypus Wallgr. 313.
n paganus L. 316.
n id. Steph. 312.
È pallens Ramb. 302.
pe pallidus Steph. 313.
5 paucinervis Zett. 294, 315.
pedicularius L. 235.
È pellucidus Walk. 315.
n perelegans Steph. 310.
= perla L. 306.
È id. F. 300.
5 phalaenoides L. 307.
n Pini Steph. 221.
7 prasinus Ramb. 303.
= proximus Ramb. 299.
- punctatus Steph. 313.
n id. Göszy. 311.
5 pygmaeus Br. et Löw. 315.
‘i quadrimaculatus F. 227,
Ramburii Costa. 303.
n reticulatus Ratz. 306.
n rufescens Göszy. 314.
+ sexpunctatus L. 232.
, stigma Steph. 310.
5 strigosus Zett. 310.
- subfasciatus Steph. 310.
- subnebulosus Steph. 310.
n unipunctatus Müll. 233.
~ variegatus F. 315.
= id. Wallgr. 311.
villosus Zett. 316.
Hemianax ephippigerus Burm. 276.
Heptagenia caerulans Rost. 264,
5 flava Rost. 264.
= flavipennis Duf. 264.
= gallica Hat. 264.
5 sulphurea Mill. 219, 264,
Holocentropus auratus Kolen. 356.
5 dubius Ramb. 356.
= pieicornis Steph. 356.
5 stagnalis Alb. 357.
Homilia leucophaea Ramb. 349.
Hydropsyche angustipennis Curt. 353.
= exocellata Duf. 354.
fulvipes Curt. 353.
= guttata Pict. 353.
sn instabilis Curt. 354.
A lepida Pict. 354.
n ornatula M. Lachl. 353.
pellucidula Curt. 352.
Hydroptila sparsa Curt. 361.
Hyperetes guestphalicus Kolbe. 240.
en tessulatus Hag. 240.
Hypochrysa nobilis Heyd. 298.
Ischnura elegans v.d.L. 219, 283.
= pumilio Charp. 283.
Isogenus nubecula Newm. 242.
Isopteryx apicalis Newm. 249.
a Burmeisteri Pict. 248.
ze flava Schneid. 249.
È serricornis Pict. 247.
5 torrentium Pict, 248,
Isopteryx tripunctata Scop. 248.
id. Br. et Löw. 249.
Kolbia quisquiliarum Bertk. 238.
Lasiocephala basalis Kolen. 343.
Lepidostoma hirtum F. 343.
Leptocerus albifrons L. 347.
alboguttatus Hag. 346.
annulicornis Steph. 346.
aterrimus Steph. 346.
bilineatus L. 347.
cinereus Curt. 346.
commutatus M. Lachl, 347.
dissimilis Steph. 347.
fulvus Ramb. 345.
= interjectus M. Lachl. 347.
nigrovenosus Ratz. 219, 345.
È perfuscus Steph. 346.
n riparius Alb. 347.
senilis Burm. 345.
Leptomeres albella Ramb. 249.
= flaveola Ramb. 248.
x pallidella Ramb. 249.
5 rufeola Ramb. 248.
Leptophlebia marginata L. 258.
= Meyeri Hat. 258.
submarginata Steph. 258.
Lestes barbara F. 220, 281.
fusca v.d.L. 220.
n nympha Sel. 220, 280.
n sponsa Hansem. 219, 280.
= virens Charp. 220, 281.
viridis v.d.L. 220, 280.
Leuctra cylindrica de G. 252.
fusciventris Steph. 252.
5 geniculata Steph. 252.
Leuccorrhinia caudalis Charp. 219, 267.
” dubia v.d.L. 221, 266.
= pectoralis Charp. 215, 266.
rubicunda v.d.L. 221, 266.
Libellula aenea L. 219.
brunnea Fonsc. 270.
2 caerulescens F. 271.
cancellata L. 220, 270.
depressa L. 216, 271.
- depressiuscula Sel. 220.
= Fonscolombii Sel. 220.
n fulva Müll. 213, 271.
n praenubila Newm. 272.
quadrimaculata L. 216, 272.
scotica Don. 220.
striolata Charp. 220.
vulgata L. 221.
Limnophilus affinis Curt. 221, 334,
auricula Curt. 334.
bipunctatus Curt. 335.
centralis Curt. 219, 335.
decipiens Kolen. 330.
elegans Curt. 332.
extricatus M. Lachl. 336.
flavicornis F. 215, 217.
fuscicornis Ramb. 336.
griseus L. 217, 221, 335.
hirsutus Pict, 336.
”
33 3 3 3
mes DU SNS SES) 10}
440
Limnophilus ignavus Hag. 333.
lunatus Curt. 332.
A luridus Curt. 336.
ci marmoratus Curt. 221, 330.
= nigriceps Zett. 333.
- politus M. Lachl. 221, 332.
+ rhombicus L. 219, 329.
5 sparsus Curt. 336.
n stigma Curt. 221, 331.
= subcentralis F. 330.
E submaculatus Ramb. 332.
= vittatus F. 334.
xanthodes M. Lachl. 331.
Liposcelis museorum Motsch. 241.
Lype phaeopa Steph. 358.
5 reducta Hag. 359.
Malacomyza lactea Wesm. 319.
Megalomus hirtus L. 308.
= phalaenoides Ramb. 308.
se tortricoides Ramb. 308.
Mesopsocus unipunctatus Kolbe. 233.
Micromus angulatus Hag. 317.
> aphidivorus Hag. 317.
5 dipterus Hag. 317.
E intricatus Schneid. 317.
n lineosus Ramb. 316.
si paganus L. 316.
E tendinosus Ramb. 317.
5 variegatus F. 315.
villosus Br. et Löw. 317.
Micropterna lateralis Steph. 339.
Rn sequax M. Lachl. 339.
Molanna angustata Curt. 344.
Mucropalpus distinctus Ramb. 309.
s irroratus Costa. 313.
A lutescens Ramb. 312.
53 obscurus Ramb. 314.
5 parvulus Ramb. 315.
en pygmaeus Ramb. 315.
Myrmecaelurus innotatus Costa. 296.
Myrmeleon europaeus M. Lachl. 296.
à formicaleo L. 217. 295.
À formicalynx Ol. 296.
= formicarius L. 296.
a innotatus Ramb. 296.
| neutrum Fisch. 296.
Mystacides azurea L. 348.
co longicornis L. 348.
4 nigra L. 219, 348.
Nehalennia speciosa Charp. 287.
Nemoura affinis Steph. 253.
5 annulata Steph. 253.
. brevicollis Pict. 255.
= cinerea Ol. 255.
n cruciata Steph. 253.
co cylindrica Ol. 252.
> Fonscolombii Ramb. 252.
È, fuliginosa Steph. 253.
pi fusciventris Pict. 252.
DI Genei Ramb. 255.
"i humeralis Pict. 254.
> inconspicua Pici. 255.
5 lateralis Pict. 254.
== mm 1 _ E nn rr... IA
REGISTE R.
Nemoura lunata Steph. 253.
pa luteicornis Steph. 253.
5 macrophthalma Pict. 253.
5 marginata Pict. 254.
En minuta Ramb. 251.
5 monilicornis Pict. 250.
~ nebulosa Ol. 251.
id. Steph. 253.
5 id. Zett. 254.
5 id. Ramb. 250.
nitida Pict. 254.
= pallicornis Steph. 255.
5 pallida Steph. 253.
È pallipes Steph. 255.
5 picea Pict. 255.
7 praetextata Pict. 252.
5 pusilla Steph. 253.
5 putata Newm. 250.
so socia Ramb. 251.
DO trifasciata Pict. 250.
5 variegata Ol. 253.
id. Steph. 250.
Neopsocus rhenanus Kolbe. 233.
Nephelion nubecula Pict. 243.
Neureclipsis bimaculatum L. 355.
Neuronia clathrata Kolen. 325.
5 reticulata L. 324.
ruficrus Scop. 324.
Notidobia ciliaris L. 342.
Notochrysa capitata F. 297.
= fulviceps Steph. 297.
Odontocerum albicorne Scop. 345.
Oecetis fulva Ramb. 350.
= lacustris Pict. 350.
n notata Ramb. 351.
= ochracea Curt. 350.
” testacea Curt. 351.
tripunctata F. 351.
Oecismus monedula Hag. 341.
Oligoneuria rhenana Pict. 256.
Oligoplectrum maculatum Fourcr. 343.
Onychogomphus forcipatus L. 274.
En serpentinus Charp. 274.
Orthotrichia angustella M. Lachl. 362.
Osmylus chrysops L. 218, 292,
5 fulvicephalus M. Lach]. 293.
= maculatus Latr. 293.
= phalaenoides Latr. 307.
Oxyethira costalis Curt. 362.
Palingenia longicauda Ol. 212, 216, 256.
Panorpa affinis Leach. 322.
5 alpina Hag. 323.
5 id. Ramb. 320.
n apicalis Schäff. 322.
n cognata Ramb. 322.
= communis L. 219, 221, 320.
5 id. var. diffinis M. Lachl. 321.
germanica L. 219, 322.
n hyemalis L. 323.
> montana Br. et Löw. 322.
4 tipularia F. 319.
= tipuloides Schr. 319.
sì variabilis Br. et Löw. 320.
REGISTER.
Panorpa vulgaris Imh. 217, 221, 321.
Peripsocus alboguttatus Dalm. 239.
parvulus Kolbe. 238.
phaeopterus Steph. 238.
d subpupillatus M. Lach]. 239.
Perla abdominalis Burm. 245.
augustata Ramb. 245.
apicalis Pict. 249.
barcinonensis Ramb. 244,
bicaudata L. 220.
id. Newm. 243.
id. Steph. 242.
bicolor Burm. 245.
bipunctata Pict. 243.
Burmeisteri Pict. 248.
cephalotes Curt. 244.
id. Burm. 243.
chlorella Ramb. 246.
cymodoce Newm. 242,
dispar Ramb. 242.
dubia Ramb. 245.
flava Geoffr. 248.
grammatica, var. verna. 247.
grandis Curt. 243.
griseipennis Pict. 247.
Hagenii E. Pict. 244.
lutea Latr. 248.
marginata Panz. 244.
id. Burm. 245.
matritensis Ramb. 244.
maxima Scop. 243. -
microcephala Pict. 242.
nebulosa Geoffr.? 253.
nigra Pict. 249.
nubecula Pict. 243.
parisina Ramb. 243.
rivulorum Pict. 245.
Selysii Pict. 245.
serricornis Pict. 247,
tenella Ramb. 247.
torrentium Pict. 248.
virens Zett. 246.
virescens Pict. 246.
viridella Ramb. 245.
viridis Curt. 248.
id. Burm. 248.
n vitripennis Burm. 245.
Phaeopteryx brevipennis Curt. 337.
Philopotamus flavomaculatus Pict. 221.
= ludificatus M. Lachl. 354.
De montanus Don. 354.
n variegatus Scop. 354.
Philotarsus flaviceps Steph. 235.
7 picicornis F. 235.
Phryganea baetica Ramb. 244.
2. bicaudata Sülz. 244,
cephalotes Curt. 244.
flava Latr. 219.
grammatica Poda. 246.
grandis L. 217, 325.
grisea L. 217.
maxima Scop. 243.
nebulosa L. 251.
n
n
S35 32 3e3 3 23 SS ss SS Ses SS NM SNS e ni.
=
3
— D Ss SSA se Ss OS |
3333333
441
Phryganea minor Curt. 326.
nigra L. 219.
obsoleta M. Lachl. 326.
pilosa Latr. 219.
rhombica L. 219.
sexpunctata Fourer. 232.
striata L. 325.
tripunctata Scop. 248.
varia F. 217, 326.
id. Latr. 219.
variegata Latr. 219.
venosa Latr. 219.
Platycnemis aspersa Wesm. 221.
" pennipes Pall. 221, 282.
Plectrocnemia conspersa Curt. 355.
geniculata M. Lachl. 355.
Polycentropus flavomaculatus Pict. 221,
355.
n multiguttatus Curt. 356.
Polymitareys virgo Ol. 214, 256.
Potamanthus luteus L. 257.
Prosopistoma foliaceum Fourcr. 260.
Psectra diptera Burm. 317.
Pseudopsocus Rostocki Kolbe. 239.
Psocus alboguttatus Dalm. 239.
affinis Ramb. 231.
atomarius Steph. 230.
bifasciatus Latr. 229.
binotatus Ramb. 236.
bipunctatus L. 232.
id. Steph. 235.
boreellus Zett. 237.
conspurcatus Ramb. 232.
contaminatus Steph. 229.
costalis Steph. 227.
cruciatus Br. et Löw. 227.
domesticus Burm. 236.
fasciatus F. 221, 229.
flavescens Steph. 228.
flavicans Steph. 237.
id. Zett. 228.
flaviceps Steph. 235.
flavidus Steph. 237.
fuscopterus Latr. 238.
hyalinus Steph. 235.
immaculatus Steph. 228.
immunis Steph. 233.
infuscatus Ramb. 231.
lasiopterus Burm. 235.
lineatus Latr. 231.
longicornis F. 230.
id. Steph. 233.
lucifugus Ramb. 236.
maculatus Steph. 232.
maculipennis Steph. 232.
megastigmus Steph. 229.
morio Latr. 233.
naso Ramb. 233.
nebuloso-similis Kolbe. 231.
nebulosus Steph. 231.
nigricans Steph. 238.
obliteratus Zett. 233.
obsoletus Steph. 237.
n
n
”
n
3.333333
Ss 323 SSS FS ON SOS 3S FO SL
er
3
33233333
442
Psocus ochropterus Steph. 237.
È pedicularius Burm. 236.
à phaeopterus Steph. 238.
3 picicornis Steph. 230.
5 pilicornis Latr. 230.
x id. Burm. 229.
> pulsatorius L. 219.
5) id. F. 240.
5 pupillatus Dale. 239.
= quadrimaculatus Latr, 232,
= id. Westw. 235.
A id. Steph. 239.
si quadripunctatus F. 218, 227.
È rufescens Steph. 228.
à saltatrix L. 228, 281.
n sexpunctatus L. 232.
5 id. Steph. 235.
# similis Steph. 231.
5 stigmaticus Imh. 228.
5 striatulus Steph. 235, 239.
5 striatus Zett. 237.
= strigosus Curt. 221.
5; id. Burm. 221, 228.
5 subfasciatus Zett. 229,
n id. Steph. 232.
N id. Ramb. 239.
a subfumigatus Zett. 228,
5 subfumipennis Zett. 231.
subnebulosus Steph. 229,
‘5 subocellatus Steph. 227.
5 subpunctatus Steph. 237,
ñ variegatus F. 221, 230,
En id. Curt. 231.
A id. Voll. 229.
= venosus Steph. 228.
vittatus Dalm. 238.
Psychomyia pusilla F. 359.
Psylla lapidum Fourcr. 232.
Pterodela pedicularia Kolbe. 236.
9) quercus Kolbe. 236.
Ptilocolepus granulatus Pict. 361.
Pyrrhosoma minium Harr. 219, 286.
tenellum Vill. 287.
Raphidia affinis Steph. 292.
ds angustata Ratz. 290.
= chalybocephala Ratz. 291.
> cognata Ramb. 292.
> hispanica Ramb. 292.
= laticeps Wallgr. 291.
> Londinensis Steph. 291.
n maculicollis Steph. 292.
E major Burm. 290.
5 media Burm. 290.
n megacephala Steph. 290.
n notata F. 290.
5 ophiopsis Schumm. 289.
= id. Perch. 292.
xanthostigma Schumm. 291.
Rhithrogena aurantiaca Burm. 263.
5 semicolorata Curt. 263.
semitincta Pict. 263.
Rhyacophila dorsalis Pict. 359.
fasciata Hag. 360.
REGISTER.
Rhyacophila nubila Zett. 359.
5 obliterata M. Lachl. 360.
È Pascoei M. Lachl. 360.
È paaemorsa M. Lachl. 360.
5 pubescens Pict. 360.
5 septentrionalis M. Lachl. 360.
tristis Pict. 360.
Sciodes fuscus Zeit. 319.
n lacteus Zett. 319.
Semblis bicaudata Panz. 242.
5 cinerea Burm. 255.
n grammatica Imh. 246.
m lutaria L. 218.
È id. F. 288.
” nebulosa F. 251.
a id. Burm. 250.
È pallipes Burm. 253.
3, praetexta Burm. 251.
viridis F. 248.
Sericostoma personatum Kirby. 341.
= turbatum M. Lachl. 341.
Setodes argentipunctella M. Lachl. 352.
n interrupta F. 352.
x punctata F. 352.
A tineiformis Curt. 351.
viridis Fourcr. 352.
Sialis fuliginosa Pict. 289.
= lutaria L. 218, 288.
= nigra Latr. 288.
5 nigripes E. Pict. 289.
Silo nigricornis Pict. 343.
= pallipes F. 342.
a piceus Brauer. 342.
Siphlurus armatus Eat. 263.
a flavidus E. Pict. 263.
= lacustris Eat. 263.
Sisyra Dalii M. Lachl. 294.
n fuscata F. 293.
n nigripennis Wesm. 294.
De nitidula Wallgr. 294,
È terminalis Curt. 295.
Somatochlora arctica Zett. 273.
- flavomaculata v.d.L. 273.
7 metallica v.d.L. 273.
Stenophylax alpestris Kolen. 338.
= concentricus Zett. 339. |
n infumatus M. Lachl. 338.
- latipennis Curt. 338.
a luctuosus Pill. 339.
È nigricornis Pict. 338.
= picicornis Pict. 338.
= rotundipennis Brauer. 338.
n speluncarum M. Lachl. 339.
stellatus Curt. 338.
Stenopsocus cruciatus L. 218, 227.
n immaculatus Steph. 221, 228.
a Lachlani Kolbe. 228.
; stigmaticus Imh. 228.
co striatulus F. 228.
Sympycna fusca v.d.L. 282.
Taenioptera neglecta Alb. 252.
Taeniopteryx Loewii Alb. 251.
n monilicornis Pict. 250,
REGIS TT E Re
Taeniopteryx nebulosa L. 251.
= praetexta Br. et Löw. 251.
n trifasciata Pict. 250.
Termes divinatorius Miill. 291.
n fatidicus Steph. 240.
> lignaria de G. 240.
= pulsatorium L. 240.
Tichobia alternans Kolbe. 240.
Tinodes unicolor Pict. 358.
Waeneri L. 358.
Triaenodes bicolor Curt. 349.
= conspersa Ramb. 349.
Troctes divinatorius Kolbe. 241.
- fatidicus Burm. 241.
= pulsatorius Burm. 240,
Wormaldia occipitalis Pict. 354.
n subnigra M. Lachl. 355.
HYMENOPTERA.
Andrena parvula Kirby. xxvit.
Anthophora parietina F. xx.
Formica truncicola Nyl. 19.
Halictus zonulus Smith. xxVII.
Leptothorax acervorum F. 19.
Mutilla europaea F. xxVII.
Myrmecina Latreillei Curt. 19.
Nomada ochrostoma Kirby. xxVII.
n sexfasciata Panz. XXVII.
È similis Mor. xxvII.
Panurgus ater Panz. xXVII.
Ponera contracta Latr. 19.
Prosopis confusa Nyl. var. genalis, XXVII.
Pterochilus phaleratus Panz. xxvii.
Strongylognathus testaceus Schenk, 19.
Tenthredo cingulata F. xxv.
LEPIDOPTERA.
Abraxas adustata W.V. 205.
si flavipes Ménétr. 205.
È flavomarginaria Brem. 205.
DI interruptaria Feld. 205.
Acentropus niveus Ol. 35.
Acherontia Styx Westw. CXXII, CXXVI.
Aciptilia paludum Zell. 72.
Acrolepia granitella Treits. 29, 57.
Aglossa cuprealis Hbn. 30.
> pinguinalis L. 30, 423.
Agrotis Lidia Cr. xx.
Amathusia Nacar Boisd. 390.
Argyresthia Goedartella L. 57.
Azazia australina Guen. 2.
2 Henricae Snell. 2.
lineola Guen. 2.
Myrtea Drury. 2.
navigatorum Feld. 2.
rufitibia Feld. 2.
Thermesioides. 2.
Batrachedra pinicolella Zell. 68.
Bedellia somnulentella Zell. 70.
Belenoptera Phyllula H.S. 2.
Blabophanes rusticella Hbn. 54.
3 3 3 3
443
Bombyx Waringi Teysm. CxxVII,
Botys hyalinalis Hbn. 34.
i nigrata Scop. 33.
si octomaculata L. 33.
= sexmaculalis Fol. 33
È silacealis Hbn. 34.
Bucculatrix ld Zell. 71,
Butalis Knochella F.
Callidryas Alcmeone Voll. 393.
A Hilaria Voll. 393.
n Jugurtha Cr. 393.
Pomona F. 393.
Callimorpha rawakensis Q. et G. 399,
Calymnia Panopus Cr. CxxVI.
Catocala Fraxini. CXXXVI.
5 nupta. CXXXVI.
= promissa. CXXXVI.
si Rama Moore. CxXXVI.
n sponsa. CXXXVI.
A Urtica Montrouz. Cxxxvl.
Cephonodes Hylas L. CxxVI.
Ceratophora lutatella H.S. 59,
rufescens Haw. 59.
Chaerocampa Acteus Cr. CxxIV, CXXVI.
= Alecto L. CxxI.
n Celerio L. cxxI.
È Clotho Drury. CXXVI.
= Elpenor L. CxxIv.
= equestris F. Cxxvi.
n Eson Cr. Cxxvi.
2 Euphorbiae L. CXXVI.
DI Hypotheus Cr, CxXII.
~ Lucasii Boisd. cxxVI.
- Nerii L. Cxxvi.
= Oldenlandiae F. Cxxv, CxxVI.
È Phoenix H.S. Cxxvil.
A Porcellus L. CXXV, CXXVI.
= silhetensis Butl. Cxxv.
4 Thyelia L. cxxv.
Chimabache fagella W.V. 58.
Chrysoclista Linneella Staint. 68.
Cidaria alpicolaria H.S. 207.
co aqueata Hbn. 209.
È bicolorata Hufn. 207.
È cambrica Curt. 209.
A nebulata Treits. 209.
~ procellata W.V. 207.
ni rubiginata Hufn. 209.
5 rupestrata W.V. 209
PI serraria Zell. 209.
n vespertata Hbn. 209,
Cledeobia acuminalis. xVII.
» punctalis F. 30.
Coenonympha Arcanius L. xXVII.
Coleophora solitariella Zell. 65.
virgatella Zell. 66.
n vitisella Gregs. 66.
Conchylis badiana Hbn. 47.
> Smeathmanniana F. 47.
a udana Guen. 48.
Cosmopteryx eximia Haw. 68.
n Scribaiella Zell. 68.
Crambus contaminellus Hbn. 36,
444 REGISTER.
Crambus pascuellus L. 35.
5 uliginosellus Zell. 35.
à verellus Zinck. 36.
Cricula trifenestrata Helf. cxxrr.
Cryptoblabes bistriga Haw. 206.
5 Gnidiella Mill. 205.
Cupido Danis Cr. 391.
Cyclidia fabiolaria Oberth. 7.
5 substigmaria Hbn. 5,
Dactylota Kinkerella Sn. 63.
Damis Sebae Boisd. 391.
Danais citrina Feld. 387.
5 gloriola Butl. 387.
= Genutia Cr. var. Mytilene. 387.
n Juventa. 388.
È Meganira Boisd. 388.
n pullata Butl. 387.
> purpurata Butl. 388.
sobrina Boisd. 388.
Deilephila Celerio L. CXXI, CxxIv.
Depressaria Alstroemiana Clerck. 58.
. badiella Hbn. 59.
5 Chaerophylli Zell. 59.
scopariella Hein. 58.
Diadema Bolina L. 389.
È Iphigenia Cr. 389.
Diasemia litterata Scop. 35.
Diludia discistriga Walk. cxxvr.
Doleschallia Bisaltide Cr. CxxII.
5 id. var. Nacar. 390.
Draconia oleigutta Feld. 2.
Periphete Cr. 2.
Drapetodes fratercula Moore. 11.
Ps matulata Feld. 11.
in mitaria Guen. 11.
nummularia Sn. 11.
Drusilla Artemis Voll. 389.
Onolaus Kirsch. 389.
Elachista biatomella Staint. 68.
È Scirpi Staint. 69.
Elibia Dolichus Westw. CxXV, CxxVI.
Endotricha flammealis W.V 31, 423.
Ephestia cahiritella Zell. 206.
È calidella Guen. 206.
5 elutella Hbn. 44.
È ficella Staint. 206.
= Gnidiella Mill. 205.
È, Kühniella Zell. 205.
= Lugduniella Mill. 206.
passulella Barr. 206.
Epischnia Farrella Curt. 38.
Euchera Agnes Butl. 7.
3 Cenis Cr. 8.
> Cunina Cr. 8.
5 fabiolaria rs n
Hesperia Cr.
Eudodacles Sn. 204.
Eupithecia isogrammaria. 29.
Euploea Alea Hbn. 383.
5 Callithoè Boisd. 383.
= confusa Butl. 380.
n Eunice God. 383.
= Grayi Feld, 380.
Euploea Lapeyrousei Boisd. 385.
Latreillei Kirsch. 381.
Leucostictos Gm. 383.
ops. 381.
Mesocala Voll. 383.
Midamus Cr. 383.
Netscheri Sn. 384.
occulta Butl. 382.
Phaenareta Schall. 383.
Prothoé God. 383.
Euzophera pinguis Haw. 39.
5 polyxenella Mill. 39.
Galanthia Hbn. 204.
Gelechia albicans Hein. 61.
basalis Staint. 59.
basipunctella H.S. 59.
dimidiella W.V. 204.
galbanella Zell. 61.
gerronella Zell. 204.
hippophaeélla Schr. 59.
maculiferella Dougl. 61.
marmorea Haw. 61.
5 proximella Hbn. 62.
È scalella Scop. 61.
semidecandrella Dougl. 61.
terrella Hbn. 424.
vilella Zell. 60.
Grapholitha achatana W.V. 48.
arcuella Clerck. 48.
aurantiana Staud. 53.
Brunnichiana. 50, 51.
cosmophorana Treits. 53.
expallidana Haw. 49.
4 foenella L. 49.
fractifasciana Hbn. 52.
granitana H.S. 49.
hepaticana Treits. 51.
jaceana H.S. 49.
lucivagana Zell. 48.
oppressana Treits. 49.
pygmaeana Hbn. 52.
regiana Zell. 53.
roseticolana Zell. 52.
scutulana. 50.
Servillana Dup. 53.
n trigeminana Steph. 51.
turbidana Treits. 49.
Halthia Eurymede Motsch. 205.
= Eurypile Ménétr. 205.
Harpella forficella Scop. 64.
Heliothela atralis Hbn. 33.
Hemodes Thermesioides Sn. 1.
Hesperia lineola Ochs. xxvii.
Thaumas Hufn. xxVII.
Hestia Idea Clerck. 387.
A d'Urvillei Boisd. 386.
Homoeosoma cretacella Rössl. 42.
n nebulella W.V. 40.
n nimbella Zell. 41.
Senecionis Pryer. 42.
Hypatima binotella Thunb. 64.
Hypenodes albistrigalis Haw. XVI
n
n
n
melancholica Butl. var. Aethi-
CRE Et ME 445
Hypenodes costaestrigalis Steph. xvi.
Hyponomeuta malinellus Zell. 56.
n rorellus Hbn. 56.
Ilythia cribrum W.V. 38.
Incurvaria morosa Zell. 54.
x rustica Haw. 56.
Iphias Vossii Maitl. xVIII.
Laverna aurifrontella Hbn. 67.
propinquella Staint. 66.
Lithocolletis cavella Zell. 70.
ci corylifoliella Hbn. 70.
Macroglossa insipida Butl. cxxvr.
proxima Butl. cxxvr.
> Stellatarum L. cxxvi.
n taxicolor Moore. CxxVI.
Mamestra leucophaea W.V. xxVII.
splendens Hbn. CxxxVII.
Melissoblaptes bipunctanus Zell. 36.
Mesographe forficalis L. 34.
Micronia bifasciata Butl. 398.
a clarissima Butl. 398.
a Geminia Cr. 398.
À Pannata Feld. 398.
> Phantasma Feld. 398.
Milionia flammula Voll. 399.
= fulgida Voll. 399.
= glauca Cr. 399.
= Zonea Moore. 399.
Minetra Sylvia Cr. 390.
Myelois suavella Zinck. 38.
Nedusia luctiferata Sn. 398.
Nemetois cupriacella Hbn. 54:
= violella W.V. 54.
Nephopteryx adelphella Fisch. 36.
” hostilis Sn. 36.
= janthinella Hbn. 37.
= obductella Fisch. 29, 37.
n origanella Schlig. 37.
palumbella W.V. 36.
Neptis affinis Feld. 388.
= consimilis Boisd. 388.
Nyctalemon Patroclus L. 397.
Nyctegretis achatinella Hbn. 39.
Nyctemera crescens Walk. 396.
> Lactieinia Cr. 396.
= latistriga Sn. 396.
5 tertiana Meyr. 396.
n tripunctaria L. 396.
Ochsenheimeria vacculella Zell. 55.
Ornithoptera Amphrysus Cr. CxxII.
n Darsius Gray. CxxIII.
Pompeus Cr. CxxIII.
Oxydia praeditaria H.S. 6.
Panacra scapularis H.S. CxxIv.
vagans Butl. CxxIV.
Papilio Aegens Don. 395.
n Agamemnon L. CxXII.
Amanga Boisd. 395.
Ambrax Boisd. 394.
Amphytron Cr. 395.
Antiphates L. CxxIII.
Arruanus Feld. 394.
Axion Boisd. 395.
3 333393
Papilio Cronius Feld. 394.
A Drusius Cr. 395.
= Euchenor Guér. 395.
+ Gambrisius Cr. 395.
: Onesimus Hew. 395.
= Ormenus Guér. 395.
n Pegasus Kirsch. 394.
3 Polytes L. 394.
= Priamus L. 394.
5 Telegonus Feld. 395.
‘ Tydeus Feld. 395.
È Ulysses L. 395.
Pempelia ornatella W.V. 40.
perfusella Zell. 40.
Phoxopteryx geminana Don. 53.
Phtheochrana rugosana Hbn. 48,
Phyllodes conspicillator Boisd, 397.
: inspicillator Guen. 397.
È perspicillator Guen. 397.
Verhuellii Voll. 397.
Phyllopteryx elongata Sn. 13.
Pieris Brassicae L. Cxx.
Platydonta coriaria Sn. CXXVII.
Platypteryx argentilinea Sn. 8.
> eilicoides Sn. 9.
- cultraria F. 6.
= sicula W.V. 29.
Platyptilia Bertrami Rössl. 71.
pe monodactyla Haw. 71.
a nemoralis Zell. 71.
Plemyria Hbn. 207.
Plusia C-aureum Knoch. CxxxVII.
È moneta F. xx, xxIV.
Prays simplicella H.S. 56.
Pseuderosia cristata Sn. 15.
Pseudodipsas Helena Sn. 378, 391.
~ innotatus Misk. 393.
Psoricoptera gibbosella Zell. 59.
Pterogon Oenotherae W.V. cxxv.
Pterophorus plagiodactylus Staint. 71.
4 pterodactylus L. 72.
Scoparia ambigualis Treits. 31.
n Cembrae Haw. 31.
5 crataegella Hbn. 32.
n pallida Steph. 32.
Dn resinea Haw. 32.
Semioscopis avellanella Hbn. 58.
Smerinthus Populi L. Cxxvi.
= Tiliae L. CXXxVI.
Sonagara vialis Moore. 2.
Sphinx Convolvuli, CxxI, CxxVI.
7 Ligustri L. CxxVI.
n pinastri L. Cxxvi.
Striglina scallula Guen. 2.
Tenaris Artemis Voll. 389.
Teras aspersana Hbn. 46.
+ Boscana F. 45.
5 parisiana Guen. 45.
5 scabrana Wood. 45.
A tristana Hbn. 45.
Terias Hecabe L. 393.
Thermesia? fenestrina Feld. 2.
„ reticulata Walk. 1,
446
Tischeria angusticolella Dup. 70.
» anrifrontella Rag. 70.
Tortrix angustiorana Haw. 47.
5 decretana Treits. 46.
a Elleriana Cr. 48.
È favillaceana Hbn. 424.
à Lafauryana Rag. 46.
; ministrana L. 47.
pe paleana Hbn. 46.
È Podana Scop. 46.
= rusticana Hbn. 47.
viridana L. 47.
Trifurcula immundella Zell. 71.
Urapteryx caudiferaria Boisd. 398.
Vanessa Cardui L. cxx1.
Xystophora punctatella Staud. 63.
Fi tetragonella Staint. 62.
DIPTERA.
Dexia diadema Wied. xxrr.
5 gracilis Wied. xxII.
Exoprosopa capucina F. xxvii.
Homoneura picea v.d.W. xxIII.
Laphria gilva L. xxVII.
Leptoda elegans v.d.W. xxII.
gracilis Wied. xxII.
Myobia diadema Wied. xxrr.
= inanis Fall. xxII.
Olfersia Ardeae Macq. cxvI.
Paralimna sp. XXIII.
Tabanus tropicus L. var. xxVII.
Tachina mellea Wied. xxIII.
THYSANURA.
Thermophila furnorum Roy, CxVII, 425.
ARANEIDEA.
Agelena labyrinthica Clk. 189,191, 192,
198.
n similis Keys. 189, 191.
Agroeca chrysea L. Koch. 192.
Amaurobius fenestralis Stm. 184.
à ferox Walck. 183, 184, 195,
196.
Anyphaena accentula Walck. xxviii.
Argyope Doleschallii Thor. xiv.
Argyrodes parasita Vins. xv, XVI.
Argyroneta aquatica Clk. 192.
Bathyphantes brevipalpus Menge. 202,
Charpentieri Leb. 202,
fr gracilis Leb. 202.
Cicurina impudica E. Sim. 186.
Clubiona brevipes Blackw. 186.
v clandestina Menge. 189.
= coerulescens L. Koch. 186.
r trivialis C. Koch. 189.
Coelotes atropos Walck. xxvii.
Cryphoeca arietina Thor. 186.
En mirabilis Thor. 186.
Dictyna arundinacea L. 192, 197.
REGIST HR.
Dictyna benigna Walck. 189, 193.
Pe viridissima Walck. 192, 193,
191:
Dolomedes unifasciatus Dol. 197.
Dysdera Cambridgei Thor. 192.
erythrina. 200.
Epeira cornuta Clk. 197.
a diademata Clk. 191, 192.
5 dromedaria Walck. xxviil.
po quadrata. 200.
= sclopetaria CIk. 192, 197.
Episinus truncatus Walck. 186.
Eresus cinnabarinus Ol. xrv.
Gasteracantha roseolimbata Dol. xiv.
Heliophanus cupreus Walck. 192.
Heteropoda venatoria L. 181,183, 184,
197
Lethia humilis Blackw. 192.
Linyphia bucculenta Clk. 197.
a luteola Blackw. 184, 197.
= marginata C. Koch. 190.
A montana Clk. 189, 190,197,
201, 202.
= parasita Vins. xv.
x pusilla Sund. 184.
- triangularis Clk. 189,
197:
vulgaris Hentz. 194.
Marpessa muscosa Clk. 183, 184,192,
195, 197.
Meta celebesiana Walck. xıv.
= fusca Walck. 186.
el Menardi Latr. 197.
Micaria pulicaria Sund. 196.
Micrommata virescens Clk. 189, 197, 202.
Micryphantes inaequalis C. Koch. 193.
Nephila inaurata Walck. xv.
en maculata F. xv, 197,
È nigra Walck. xv.
Neriene fuscipalpis Clk. 192, 193.
5 livida Blackw. 194.
n longipalpis Sund. 183, 195,
197.
192,
5 CR Blackw. 186.
È rufa Wide. 184, 197.
= rurestris. 193.
truncorum L. Koch. 194.
Nesticus cellulanus Clk. 186.
Ocyale mirabilis Clk. 190, 192, 197, 198.
Pachygnatha Clerckii Sund. 184, 197.
5 Listeri Sund. 197.
Philodromus aureolus Clk. 192.
Philoica domestica Clk. 190.
Pholeus opilionoides Schr. 186.
Platythomisus octomaculatus Dol. xIv.
Scytodes thoracica Latr. 192.
Sparassus ornatus. 200.
virescens. 173.
Steatoda bipunctata L. 181, 192, 197.
Tapinopa longidens Wide. 189.
Tarentnla andrenivora Walck. 197,
Tegenaria atrica C. Koch. 184, 192, 196.
5 Durhamii Sund. 184.
REGISTER.
Tegenaria Guyonii Grn. 190, 196,
Tetragnatha dearmata Thor. xxvii, 192.
F extensa L. 192.
Theridion benignum. 193.
bimaculatum L. 192, 197.
Trochusa infernalis Motsch. 201.
Walckenaera albifrons Cambr. 192.
= acuminata Wide. 193.
Zilla x-notata Clk. 192, 197.
MYRIAPODA.
Arthronomalus similis Newp. xxI, XLII.
Atractosoma bohemicum Rosicky. xLIV.
Blanjulus guttulatus Gerv. xLv.
5 venustus Mein. xLv.
Bothriogaster subterraneus Leach. xLIII.
Brachydesmus? superus Latr. CxIx.
Craspedosoma polydermoides Leach. xLIV.
> Rawlinsii Leach. xLv.
Cryptops hortensis Leach. xLII.
Savignyi Leach. x il.
Fontaria gracilis C. Koch. xxr.
Geophilus brevicornis C. Koch. xLII.
n carpophagus Leach, xLII.
> electricus L. xLII.
- hortensis C. Koch. xLII.
- linearis C. Koch. xLII.
1 longicornis Leach. xLII.
proximus C. Koch. xLII.
= simplex Gervais. xLII.
= sodalis Mein. xLII.
5 truncorum Mein. xLII.
Glomeris hexasticha Brandt. xLIv.
ms limbata Ol. xLıv.
n marginata Vill. xLIV.
n pustulata Latr. xLiv.
Isobates varicornis C. Koch. xLIv.
Julus albipes C. Koch. xiv.
” discentrus Latr. cxıx.
= fallax Mein. xLv, CxIx.
= londinensis Leach. xLv.
= longabo C. Koch. xLv.
a luscus Mein. xLv.
= nemorensis C. Koch. xLV.
= punctatus Leach. xLV.
5 pusillus Leach. xLv.
D rugifrons Mein. xLv.
ms sabulosus L. xLv.
n scandinavicus Latr. xLV, CxIx.
~ silvarum Mein. xLv.
È terrestris L. xLV.
Lithobius anodus Latr. Cxix.
bucculentus L. Koch. xLI.
calcaratus C. Koch. xLI.
communis L. Koch. xLI.
crassipes L. Koch. xLI.
curtipes C. Koch. cxIx.
dentatus C. Koch. xLI.
erythrocephalus C. Koch. xLI.
323333333
447
Lithobius forficatus L. xLI.
5 glabratus C. Koch, xLI.
A mutabilis L. Koch. xLI.
“ piceus L. Koch. xLI.
Orphnaeus lividus Mein. xLIII.
Otostigma spinosum Porat. xLII.
Paradesmus gracilis C. Koch. xxI, xLIV.
Polydesmus acutangulus Menge. xLIV.
= complanatus L. xLIV.
> denticulatus C. Koch. xLIV.
Polyxenus lagurus L. XLIII.
Schendyla nemorensis C. Koch. xLIII.
Scolioplanes acuminatus Leach. xLIIT.
À. crassipes C. Koch. xLIII.
Scolopendrella nivea Scop. xLIII.
Scutigera coleoptrata L. xLI.
ALGEMEENE ZAKEN.
Conservatie-methode door heeten alcohol.
CXVII.
Eiernest, waarschijnlijk van eene Cica-
delline. CxVII.
Erdbrink (J. F. G. W.) bedankt als
lid. rv.
Everts (Jhr. Dr. E. J. G.) herbenoemd
als lid der Redactie van het
Tijdschrift. x.
Fokker (Mr. A. J. F.) gekozen als Voor-
zitter voor de Zomerverga-
dering in 1889, xI.
Goedkoop (J. P.) toegetreden als be-
gunstiger. Iv.
Hartogh Heys (H. F.) toegetreden als
lid. Iv.
Hasselt (Dr. A. W. M. van) vóór 50
jaren gepromoveerd. II.
Havelaar (L. W.) toegetreden als lid. Iv.
Herdruk van deel VII van het Tijd-
schrift. VII, Cxxxv.
Kerkhoven (A. E.) overleden. Iv.
Koch (M.) overleden. rv.
Kurk-koek tot bekleeding van insecten-
laden. xVIII.
Nomenclatuur (Rapport der Commissie
betreffende de generieke). ©.
Roelofs (W.) toegetreden als lid. rv.
Sepp (Medewerking gevraagd voor het
werk van). xxIV.
Vos tot Nederveen Cappel (H. A. de)
toegetreden als lid. Iv.
Wasmann (E.) toegetreden als lid. rv.
Wendel (A. J.) hersteld van zijne oog-
ziekte. XII.
Westerman (Dr. G. F.) 50 jaren Directeur
van Natura Artis Magistra.
VIII.
Wulp (F. M. van der) herbenoemd als
lid van het Bestuur en der
Redactie van het Tijdschrift x.
‘+
AI
Blz.
na
t=
x
=
=
q
ac
A
ERRATUM.
95, regel 4 van onderen. Achter Astraeus crassus V. d. Poll
bij te voegen: nov. spec. |
Javaansche Heterocera.
A OMDA Tre
ASTRAEUS
RAE TP
py be | ad
Cr Nt
VUS |
Im ur, hoe
#3 AU Dik" <
richie,
A
BvK hth.
6.
Ed Ev-et HW d Gr del.
A UW. lith
Lepidoptera van Nieuw Guinea
PLS
219
Dr H.W.d.Gr del
Lepidoptera van Nieuw Guinea
EN Gr del Chr
Pl 10
mol.v P W MT
Lepidoptera van Nieuw Guinea
PLIK
E. del.
Ed
Elia,
del.
Thermophila furnorum Rov.
r
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VERBENIGING
DR. A. W. M VAN HASSELT
F. M. VAN DER WULP
EN
Jur. Dr. Ep. J. G. EVERTS
dA
TWEE-EN-DERTIGSTE. RENE
JAARGANG 1888-89
3 | 207 297
È ee im)
| |
AAA AAR AAR nen
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1889
ato
1A fe
A GEENEN
en
TUDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
JE NEDERLANDSCHE BNTOMOLOGISCHE VEREENIGING
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
-F.M. VAN DER WULP
EN
Jur. Dr. Ep. J. G. EVERTS
da
| TWEE-EN-DERTIGSTE DEEL _
JAARGANG 1888 222 #2 EN
| De 21 21 180)
Tweede Aflevering
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NWUOFF
1889
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
F. M. VAN DER WULP
EN
4 Jim. Dr. En. J. G. EVERTS |
È | |
| ‘à
Mes. |
TWEE-EN-DERTIGSTE DEEL |
JAARGANG 1888— 89 | \
I PALAIA ATA,
Derde Mlovering: or FE ss)
'SGRAVENHAGE ©
MARTINUS NIJHOFF
1889
sey xi
0 Wa a +
“AZ vw
HS.
ae ih
ae k
la
AR 5
an
De:
>
va
>
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
= ei
B NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
»
ONDER REDACTIE VAN
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
F. M. VAN DER WULP
EN
Jur. Dr. Ep. J. G. EVERTS
(Sa i
TWEE-EN-DERTIGSTE DEEL |
JAARGANG 1888—89
ER yt
| (kei lago Jierde Aflevering
; 7 ey, FERN ee ENE EA
°SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
| 4889
Ata RG
Kun
ER vf
ar x
et Leh
IN # dI à
u T'ON
“We Saale
9
x re
RE
FR
RUE
haa ant
Wb, hi DI
) Ni
LEM
\ Hi HN A
hr ef
iy i
DIANA
MSN
“i
T
m
|
Il
RIE eee vanta De = à = > * Me = EE Le Per; ne ra PAR rer nd