2 AO VHS
te ©
rage Pio
9 ete +
À =
2
Se
Pibrary of the Museum
or
COMPARATIVE ZOÖLOGY,
AT HARVARD COLLEGE, CAMBRIDGE, MASS.
Founded by private subscription, in 1861.
Deposited by ALEX. AGASSIZ.
No. GO |
MWS [EFF (Wer. 6,1886°
|
|
|
|
A ia
‘ e) È = 3 af o |
| ARR RE CC
RER
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Dr. A. W.M. VAN HASSELT
F. M. VAN DER WULP
EN
Jur. Dr. Ep. J. G. EVERTS
ZEVEN EN TWINTIGSTE DEEL
JAARGANG 1883—84
aie
’SGRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1884
ER
u cv
iN Heo UD
VAN HET
ZEVEN-EN-TWINTIGSTE DEEL.
Bladz.
Verslag van de 38° Zomervergadering der Nederlandsche
Entomologische Vereeniging, gehouden te Assen op 28 Juli
1883 . I
Lijst van de Leden der Nederl. Entomologische Vereeniging
op 28 Juli 1883 . XXIV
Bibliotheken der Nederl. Entomologische Vereeniging. Bijge-
. komen boeken van 1 Augustus 1882 tot 10 October 1883. XXXI
Entomologische inhoud van ontvangen Tijdschriften XLIV
Verslag van de 17° Wintervergadering der Nederl. Entomo-
logische Vereeniging, gehouden te Leiden op 13 Januari
1884 . + LXXVII
J. W. Lopzesen, A la Lanterne . 1
J. T. Oupemaxs, Het prepareeren van rupsen (Pl. 1) 5
Prof. WEYENBERGH, Biologische en systematische beschrij-
ving van vier nieuwe Argentijnsche Psychiden (Pl. 2). 9
Dr. A. W. M. van Hasserr, Studien over de Galeodiden
of Solpugiden en hunne pootaanhangsels 25
P. C. T. SneLLEN (Lepidoptera van Celebes, verzameld door
Mr. M. C. Prepers, met aanteekeningen en beschrijving
der nieuwe soorten door). Heterocera. IV. Pyralidina
(PI 3, 4 en 5). 35
Jhr. Dr. Ep. Everrs, Bijdrage tot de kennis der Lathridiinae 55
P. C. T. SNELLEN, Aanteekening over Hazis Malayanus Guér. 96
Dr. A. W. M. van Hasserr, Studien over de Galeodiden
of Solfugiden en hunne pootaanhangsels (vervolg en slot)
NEIN)
Mr, A. J. F. Fokker, Catalogus der in Nederland voor-
komende Hemiptera (vervolg)
Dirk ter Haar, Aanteekening over eene varieteit van
Lycaena Medon v. Rottb. (Astrarche Brgstr.), met bijschrift
van P. C. T. SNELLEN
Dr. J. G. pe Man, Eene variatie in het aderbeloop der
vleugels eener Mycetophilide (Pl. 7 f. 1 en 2)
F. M. van per Wurp, Ommatius Schlegeliù n. sp. (Pl. 7.
f. 3—12)
Dezelfde, Iets over de Tsetse-vlieg (Glossina) . . + . ©
P. C. T. SweLteN (Nieuwe of weinig bekende Microlepido-
ptera van Noord-Azie, beschreven door), met afbeeldingen
(PI. 8—10) door Dr. J. van LEEUWEN jr.
Dr. A. W. M. van Hassett, Waarnemingen omtrent anomalien
van de geslachtsdrift bij Spinnen-mares
F. M. van per Worp, Nalezing over Amerikaansche Diptera
P. C. T. SyeLLen, Bene varieteit van Catocala nupta L.
(Ab hile se) En
Dezelfde, Aanteekening over twee varieteiten van Oost-Indische
Dagvlinders (Pl. 11. f. 2 en 3)
P. C. T. SneLLEN (Beschrijving van twee Javaansche soorten
van het genus Madopa Steph., Led. door) , met afbeeldingen
(PI. 11 f. 4 en 5) door Dr. J. van LEEUWEN jr. .
F. M. van per Wure, Oost-Indische Psilopus-soorten (Pl. 12)
Mr. A. F. A. Leesgera, Bijdrage tot de kennis der in-
landsche Galerucinen
P. C. T. SnsLLEN, Boekaankondiging: M. SAALMÜLLER,
Lepidopteren von Madagascar. Frankfurt a/M. 1884
Dr. Ep. Everts, Coleoptera door Dr. H, ten KATY jr. in
Noordelijk Lapland aangetroffen . . . 2 2 . . .
Bladz.
99
113
134
209
210
212
217
229
244
249
Bladz.
Dr. A. W. M. van Hasserr, Spinnen door Dr. H. TEN
Kate jr. in Noordelijk Lapland verzameld . . . . . 251
C. RırsemA Cz., Bijdrage tot de kennis der Coleopteren-Fauna
van het eiland Saleijer en van het naburige eilandje
Boeloe-Katelari CA e enna 253
P. C. T. SNELLEN, Coryptilum Triphaenoides . . . . . . 265
LETT TRE DA ES Ed RO IE Megs AT LO
VERSLAG
VAN DE
ACHT-EN-DERTIGSTE ZOMERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE ASSEN
op Zaterdag 28 Juli 1883
des morgens ten 10 ure.
Voorzitter: Dr. A. W. M. van Hasselt.
Verder tegenwoordig de heeren: H. Bos, Mr. A. Brants, Jhr.
Dr. Ed. J. G. Everts, Mr. A. J. F. Fokker, H. W. Groll, Dirk
ter Haar, J. Kinker, J. W. Lodeesen, J. T. Oudemans, C. Ritsema
Cz., Dr. R. H. Saltet, P. C. T. Snellen, K. N. Swierstra, K.
Bisschop van Tuinen, Dr. H. J. Veth en F. M. van der Wulp.
Later werd de vergadering vereerd door de tegenwoordigheid van
den heer Mr. J. van Kuyk, die onlangs als begunstiger tot de
Vereeniging is toegetreden.
Van de heeren Mr. W. Albarda, Dr. J. Ritzema Bos, Henri W.
de Graaf, J. Jaspers jr., Mr. A. F. A. Leesberg, Dr. A. J. van
Rossum en G. A. Six is bericht ingekomen, dat zij verhinderd
zijn de vergadering bij te wonen.
De Voorzitter opent de vergadering met eene korte toespraak,
waarin hij mededeelt, dat de heer Mr, H. Hartogh Heys van Zou-
teveen, aan wien de leiding dezer bijeenkomst was opgedrageii ,
1
II VERSLAG.
tot zijn en zeker tot aller leedwezen, door ongesteldheid buiten
staat is de taak te volbrengen, die hij met bijzondere voorliefde had
op zich genomen; eene teleurstelling des te grooter, omdat het
vooral op den wensch van den heer Hartogh Heys is geweest, dat
ten vorigen jare besloten werd, dezen zomer te Assen bijeen te
komen.
De Voorzitter vraagt, of iemand der aanwezigen ook eenige aan-
merking heeft op de notulen der beide vorige vergaderingen, te
Wageningen op 1 Juli 1882 en te Leiden op 14 Januari 1883,
zoo als die notulen vervat zijn in de gedrukte verslagen, welke aan
de Leden zijn toegezonden. Daar niemand deswege het woord ver-
langt, worden die notulen geacht te zijn goedgekeurd.
De Voorzitter brengt, overeenkomstig art. 17 der wet, het vol-
gende jaarverslag uit:
«Mine Heeren, geachte Medeleden!
«Waar van het verslag geven omtrent den staat eener Vereeniging
sprake moet zijn, gelijk bij de onze volgens de wet, daar komen
wel het eerst en het meest in aanmerking de deelen, die dit
geheel samenstellen, hare Leden.
«De kern van dezen, zoowel onze eigene « vieille» als «jeune
garde», is gelukkig in het afgeloopen jaar ongekrenkt gebleven.
Hun aantal is zelfs toegenomen. De rustelooze dood nochtans liet
ons ook nu wederom niet geheel met rust. Wij hebben het verlies
te betreuren van een onzer beste Correspondeerende Leden, den
Hoogleeraar P. C. Zeller.
«Volgens het zoo bevoegd getuigenis van mijn waarden ambt-
genoot Snellen, die de goedheid had mij in de volgende détails
voor te lichten, was Zeller een even beminnelijk als door en door
kundig man. Den 9den April 1808 te Steinheim aan de Mürr
geboren, en eerst in 1867 tot, correspondeerend lid onzer Vereeni-
Sing gekozen, overleed hij den 27sten Maart jl, te Grünhof bij
Stettin in Pommeren. Ofschoon dus reeds hoog bejaard, nam hij,
VERSLAG. III
tot dien dag nog altijd de functie waar van Secretaris der Stettiner
Entomologische Vereeniging en was zelfs zijn laatste levensstond
nog aan de Entomologie gewijd. Onder de correctie van een weten-
schappelijk artikel, voor de Stettiner Entom. Zeitung bestemd, werd
hij door een, waarschijnlijk apoplectisch, toeval getroffen. Dit
maakte plotseling een einde aan zijn werkzaam leven, zoo ter
gezegde plaatse als vroeger te Glogau in Silezie en te Meseritz in
Pruissisch Polen, in onafgebroken en vruchtbare studie doorgebracht.
« Zeller was een even uitstekend philoloog als paedagoog, maar
zijn grootsten roem heeft hij te danken aan de uitnemende wijze
waarop hij de Entomologie heeft beoefend. Aanvankelijk met zijn’
vriend H. Löw zich op de Diptera toeleggende, heeft hij spoedig
deze studie verwisseld met die der Microlepidoptera. Door onzen
Snellen, — en dit zegt veel, — wordt hij als de «vader» van
het leerstuk der Microlepidoptera beschouwd, daar de gezette wor-
ding van dit onderdeel met zijn optreden als schrijver samenvalt.
Vooral daarin was hij een voorbeeldig leidsman en voorganger. Hij
muntte uit door eene grondige wijze van beschrijven en door een
helder oordeel. Zijne voorschriften nopens de methode van werken
kunnen aanspraak maken op eene hooge mate van nauwkeurigheid.
Bij zijne beoordeeling en vaak waardeering van den arbeid van
anderen nam hij steeds de grootste onpartijdigheid in acht.
«Dat Zeller’s uitgebreide kennis der Microlepidoptera ook in het
buitenland op hoogen prijs werd gesteld, blijkt o. a. daaruit, dat
hij jaren lang een belangrijk aandeel had in het werk over de
Tineiden van ons Eerelid Stainton, die hem daarvoor op de meest
edelmoedige wijze beloonde. Ook jegens onze Vereeniging heeft hij
zich dikwijls verdienstelijk gemaakt; hij beschouwde zijne hoeda-
nigheid van Correspondent geenszins als een bloote eeretitel. Altijd
vond men hem bereid, zijne meesterlijke hulp aan onze medeleden
te verleenen, en gewis zullen de beoefenaars der Lepidopterologie
in ons midden, met ons, ’s mans nagedachtenis in dankbare her-
innering houden.
« Zeller’s belangrijke, deels klassiek te noemen geschriften zijn
zoo menigvuldig, dat ik vermeen daarvoor, hier ter plaatse, te
IV VERSLAG
mogen verwijzen naar de elders reeds gedane opsomming er van,
zooals in de Stett. Entomol. Zeitung, Jaarg. XLIV, 1883 N°. 7—9,
en het Zntomologist’s Monthly Magazine van Juni 1883. Ook ons
Tijdschrift heeft hij met enkele bijdragen van zijne hand verrijkt.
Zijne uitgebreide verzamelingen, die Duitschland verzuimde aan te
koopen, kwamen in goede handen; zij werden het eigendom van
Lord Walsingham, een bekend en grondig Lepidopteroloog, die ze
wel in eere zal houden,
«Uit de reeks onzer binnenlandsche Leden trok zich, tot ons
leedwezen, een der oudsten terug, te weten de heer Dr. J. R. E.
van Laer te Utrecht, die sedert het jaar 1845 aan onze Vereeniging
verbonden was. Met de beste wenschen voor zijn verder leven,
zullen we hem erkentelijk blijven herdenken als een van hare
hooggeachte oprichters.
« Een ander lid onzer «oude garde», — die naar wij hopen, slechts
tijdelijk ons vaderland heeft vaarwel gezegd , — onze waarde en waar-
dige Piaget, heeft desniettegenstaande verkozen , gewoon lid te blijven
en met die keuze onze achting en sympathie nog hooger doen stijgen.
«Een tweetal Leden zijn, onder een anderen titel, in eene ge-
wijzigde verhouding tot de Vereeniging gekomen. De heer Mr. J.
W. van Lansberge, oud Gouverneur-Generaal van Ned. Indie, een
groot voorstander en ijverig beoefenaar der Entomologie, — wier
belangen door hem ook in het verre Oosten met veel vrucht waren
behartigd, — was sinds 1865 Correspondeerend Lid. Thans in het
moederland teruggekeerd, heeft Z. Exc. ons de eer en het voorrecht
geschonken, in de rij onzer Begunstigers te willen plaats nemen. —
Ons voormalig gewoon Lid, Mr. H. Hartogh Heys van Zouteveen , —
als zich op geen onderdeel der Entomologie meer bijzonder toe-
leggende, maar daarin toch blijvend belangstellende, — heeft zich
zeer welwillend insgelijks als Begunstiger laten overschrijven.
«Zagen we alzoo het in de laatste jaren verminderend getal
onzer geëerde Fautores reeds indirect toenemen, bovendien mogen
we ons verheugen over rechtstreeksche toetreding van nog vijf
andere Begunstigers, zijnde de heeren J. Groll, Hoofdingenieur te
Leiden; Jhr. F. G. E. Merkes van Gendt, Lid van de Eerste Kamer
VERSLAG. Vv
der Staten-Generaal te ’s Gravenhage; Dr. C. C. Sepp, Emeritus-
Predikant te Amsterdam, C. L. Roos Vlasman, particulier te
Hilversum; en Mr. J. van Kuyk, Commissaris des Konings in de
provincie Drenthe.
«Het zal wel geen betoog behoeven, dat wij deze buitengewone
blijken van herlevende sympathie hoog waardeeren.
«Dat ook de kleine reeks van onze Buitenlandsche Leden eene
aanwinst heeft verkregen, zult gij zeker mede met genoegen ver-
nemen. In die hoedanigheid heeft zich de heer René Oberthir, te
Rennes in Frankrijk, aan onze Vereeniging aangesloten.
«Niet minder aangenaam is het mij, U te mogen berichten,
dat insgelijks de lijst onzer gewone of werkende Leden in het
afgeloopen jaar met een zevental werd verrijkt, te weten de heeren
L. C. Dudok de Wit te Amsterdam (voorloopig slechts voor één
jaar); Dr. R. H. Saltet te Amsterdam (vroeger reeds lid geweest,
doch tijdelijk bedankt hebbende); D. van der Hoop te Rotterdam;
Dr. J. Bosscha Jz., Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te Breda;
Dr. Max Fürbringer, Hoogleeraar aan de Universiteit te Amsterdam;
H. M. Bruna, Predikant te Wijchen bij Nijmegen; en Dr. R. Horst,
Conservator bij ’s Rijks Museum van natuurlijke historie te Leiden.
« Terwijl we de Vereeniging gelukwenschen met deze zeer op
prijs te stellen nieuwe krachten, roep ik hun allen, hetzij ver of
nabij, toe: Zijt hartelijk welkom in onzen kring, aan vriend-
schappelijke studie-samenwerking gewijd !
«Omtrent den toestand der beide bibliotheken, onder de voor-
treffelijke zorgen van onzen wakkeren Bibliothecaris Ritsema, valt
weinig nieuws op te teekenen. Voor de oorspronkelijke bibliotheek
der Vereeniging werd de gewone uitbreiding verkregen door ruil
tegen ons Tijdschrift, — welke wij dit jaar gemeend hebben
slechts met één, het Noord-Amerikaansch Journaal Papilio, te
mogen vermeerderen, — alsmede door eenige, onder dankbetuiging
aanvaarde geschenken. Deze laatsten gewerden ons, behalve van
de Engelsche Regeering, van de heeren C. Berg, A. Preudhomme
de Borre, Dr. J. Ritzema Bos, F. V. Hayden, O. S. Jensen, R. Mac
Lachlan, Mr. A, F. A, Leesberg, Dr. J, Mac Leod, Dr, J. G, de Man,
vI VERSLAG.
Dr. G. Mayr, A. CG. Oudemans Jsz., F. Plateau, C. Ritsema Cz.,
S. H. Scudder, Baron E. M. de Selys Longchamps, E. Taton, E. R.
von Trautwetter, Prof. H. Weyenbergh, F. M. van der Wulp en
van den verslaggever dezes. |
«De Bibliotheek Hartogh Heys werd, door de nimmer genoeg
te prijzen largesse van onze in naam en daad éénige Begun-
stigster, naar plicht en gewoonte, steeds meer en meer gecom-
pleteerd door. geregelden aankoop van vele, waaronder kostbare,
periodieke vervolgwerken. Tot aanschaffing van nieuwe boeken
echter is ditmaal niet overgegaan , wegens een tijdelijken achterstand
van de bijzondere kas voor deze bibliotheek. Moge die achterstand
eensdeels zijn voortgevloeid uit vroegere buitengewone aankoopen,
die niet mochten worden nagelaten , anderdeels schijnt meer en meer
te blijken, dat het aandeel dezer kas in de huur der bibliotheek-
lokalen, haar, naar evenredigheid der overige benoodigdheden en
vereischten, op den duur wel een te zwaren druk aplegt.
«En hiermede ben ik genaderd tot het veeltijds minder aan-
trekkelijke, doch steeds uiterst gewichtige gedeelte van mijn verslag,
het financieele punt. Straks zal U gelegenheid tot gedach-
tenwisseling daarover worden gegeven, naar aanleiding van de
rekening en verantwoording van onzen even nauwgezetten als
scherpzinnigen Schatbewaarder Lodeesen.
«Uit een voorloopig overzicht zijner cijfers blijkt, dat de alge-
meene kas der Vereeniging, eenerzijds, een minder groot saldo
heeft aan te wijzen dan ten vorige jare, anderzijds eenige stijging
van inkomsten te gemoet gaat door de bijdragen onzer nieuwe
Leden en vooral onzer nieuwe Begunstigers. De tot het verwerven
van laatstgenoemden, door Uwen rapporteur in den loop des jaars
gedane persoonlijke stap zal, naar hij hoopt, Uwe goedkeuring
hebben weggedragen; als dit zoo is, koestert hij het vertrouwen,
dat zijn voorbeeld niet slechts door enkelen onzer, zooals het
geval was, maar door velen Uwer zal worden nagevolgd.
«Intusschen laat het noodzakelijk evenwicht tusschen onze in-
komsten en uitgaven, althans voor de toekomst, nog te wenschen
over, Vooral zal dit uitkomen, wanneer de tijdelijk in de algemeene
VERSTLAG. VII
kas gestorte opbrengst van de insecten-verzameling blijvend moet
worden gekapitaliseerd.
«Het fonds voor de uitgave van het Tijdschrift staat
gunstig, dank zij den machtigen steun der even onwaardeerbare
als onontbeerlijke subsidien, zoo van het Rijk als van het Genoot-
schap Natura Artis Magistra. Dat het zich voor het oogenblik in
een verhoogd kas-saldo mag verheugen, is te danken aan een nog
al ruimen afzet van vorige jaargangen, — o.a. werd een compleet
_stel aangekocht door ons nieuw buitenlandsch Lid, die tevens op
het Tijdschrift heeft ingeteekend, — alsmede aan eene welwillende
schenking van ‚/ 25.— door een onzer Haagsche Leden. Dat boven-
dien het betrachten van een zooveel mogelijk zuinig beheer hierbij
in aanmerking komt, moge blijken uit de kosten voor het laatste
of 25ste deel, welke ruim f 100.— minder hebben bedragen dan
die van het 24ste.
«De bijzondere kas van de bibliotheek B verkeert daaren-
tegen in statu quo van het vorige jaar, d. i. onze Penningmeester
blijft daarop nog altijd in voorschot, niettegenstaande ook hier alle
geoorloofde zuinigheid werd in acht genomen. Gij zult mij toe-
stemmen , dat die abnormale toestand moet worden terechtgebracht ;
en dit kan. Volgens het advies van den heer Lodeesen, — waar-
mede Uw verslaggever zich gaarne vereenigt, — zou daartoe de
tegenwoordige post wegens lokaalhuur voortaan, hetzij geheel hetzij
voor een goed deel, weder ten laste van de algemeene kas kunnen
worden gebracht.
«Aangaande den stand van zaken van het Tijdschrift der
Vereeniging is niets dan gunstigs te vermelden. Voor zijn hoofd-
aandeel in de redactie daarvan blijft onze uitmuntende Secretaris
van der Wulp steeds nieuwen lof en dank verdienen. Dat het in
het buitenland voortdurend, ja zelfs meer en meer, bekend wordt
en gezocht, mag worden opgemaakt uit de herhaalde aanvragen tot
ruil. Daaraan kon evenwel niet altijd worden voldaan, wanneer de
aangeboden litteratuur te weinig belangrijks op het gebied van
Entomologie bleek in te houden.
«Aan de roepstem, in het voorgaande verslag gedaan, om ook-
VIII VERSLAG,
kleinere mededeelingen in te zenden, is, met uitzondering van
enkele stukjes van den Secretaris, door de overige Leden tot dus-
ver nog te weinig of liever geen gevolg gegeven.
«Na lang wachten op de speciale voorschriften, heeft dit jaar
eindelijk de Handleiding voor het verzamelen enz. van uitlandsche
insecten het licht mogen zien en is aan de zich daartoe qualifi- .
ceerenden verzonden. De goede uitvoering van dezen nuttigen arbeid,
waartoe verscheidenen onzer samenwerkten !), zijn wij grootendeels
aan onzen van der Wulp verschuldigd.
«Nog zullen de bezitters van het Tijdschrift bespeurd hebben,
dat door de Redactie voldaan is aan het voorstel van den heer
Fokker op de voorgaande Zomervergadering, waardoor de gelegen-
heid blijft geopend tot plaatsing van aankondigingen op entomolo-
gisch gebied.
«Van het loopende of 26ste deel zijn de twee eerste afleveringen
uitgegeven, waarvan.de laatste wederom met een opstel van Prof.
Westwood mag prijken, betreffende nieuwe soorten van Coleoptera ,
waaronder velen uit ’s Rijks Museum te Leiden. Wij mogen het
als eene eer en groot voorrecht beschouwen, dat de grijze, maar
altijd onvermoeide, beroemde Hoogleeraar, — die onlangs bij het
50-jarig bestaan der Londen’sche Entomologische Vereeniging tot
haren Eerevoorzitter werd benoemd, — ook ons Tijdschrift uit-
kiest, om sommigen zijner geschriften in het licht te geven.
«Het verschijnen der derde aflevering wacht nog slechts op het
kleuren van eene der daarbij behoorende 5 platen, waarvan de
meesten bijzonder bewerkelijk zijn. Zij zal o. a. bevatten: Snellen,
Pyralidina van Celebes; Piaget, Overzicht van het werk van O.
Taschenberg «die Mallophagen»; dezelfde, Quelques Pediculines;
en Prof. Weyenbergh, over Zuid-Amerikaansche Ephemeriden.
1) De opgaven en mededeelingen voor de bijzondere insecten-orden zijn te
danken, voor Coleoptera aan Jhr. Everts, voor Hemiptera aan Mr. A. J. F.
Fokker, voor Orthoptera en Hymenoptera aan den heer Ritsema, voor Lepidoptera
aan den heer Snellen, voor Diptera aan den heer van der Wulp, voor Arachniden
aan Dr. van Hasselt, en voor Acarina aan den heer A. C. Oudemans Jsz. Die
betreffende de Neuroptera zijn ontleend aan een werkje van den heer R. Mac
Lachlan, RAR
VERSLAG. 1x
«Voor de vierde aflevering ligt een uitgebreid stuk gereed van
Snellen, Microlepidoptera van Noord-Azie, dat echter niet geheel
in dezen jaargang zal kunnen worden opgenomen.
« Eindelijk is het wellicht niet onbelangrijk voor sommige Leden,
die daarvan nog onkundig mochten zijn, dat van de afdeeling
Natuurlijke Historie, behoorende bij het prachtwerk Midden-Sumatra,
onder leiding en bezorging van ons hooggeleerd medelid P. J. Veth
bewerkt, thans bereids de volgende onderdeelen zijn verschenen ;
Joh. F. Snelleman, Zoogdieren en Vogels (nog niet compleet);
Dr. A. A. W. Hubrecht, Reptilia, Batrachia, Pisces; M. M. Schep-
man, Mollusca; Dr. J. G. de Man, Crustacea; Mr. J. Herman
Albarda, Neuroptera; P. CG. T. Snellen, Lepidoptera; F. M. van
der Wulp, Diptera; GC. Ritsema Cz., Coleoptera (mede nog niet geheel
volledig); Dr. A. W. M. van Hasselt, Araneae.
«En hiermede zou ik mijn rapport kunnen besluiten, ware het
niet, dat ik, onze aanstaande tafelvreugde vooruitloopende, ook te
dezer plaatse, iz publico, mijn dank wenschte te betuigen voor de
onvolprezen medewerking in het Bestuur en in de Redactie, en
voor de duurzame belangstelling, sympathie en ondersteuning van
al de Leden onzer zoo dierbare Vereeniging. Ofschoon reeds ruim
25 jaren tot haar behoord hebbende, gevoelde ik nog geen enkel
uur berouw tot haar te zijn toegetreden. Zij groeie en bloeie
tot in lengte van dagen!”
Naar aanleiding van hetgeen in vorenstaand verslag omtrent Prof.
Zeller is gezegd, stelt de heer Snellen voor, om in het 7ijdschrift
voor Entomologie het portret van dien uitstekenden geleerde op te
nemen. De vergadering, ofschoon aan den eenen kant zeer geneigd,
om als eerbewijs aan den overledene hieraan gevolg te geven,
meent echter dat hiermede een antecedent zou worden gesteld,
waardoor men later zich niet wel zou kunnen onthouden, hetzelfde
te doen voor andere beroemde buitenlandsche entomologen, die op
eenigerlei wijze aan onze Vereeniging verbonden zijn, iets wat,
hoe wenschelijk ook op zich zelve, te veel kosten zou na zich
slepen. De heer Snellen trekt daarop zijn yoorstel in,
x VERSLAG.
De Penningmeester, de heer Lodeesen, brengt ter tafel zijne
rekening en verantwoording over het jaar 1882/83 en geeft kortelijk
eenige toelichting omtrent de daarin vervatte cijfers. De Voorzitter
verzoekt de heeren Kinker en Groll, die rekening te willen nazien
en van hunne bevinding rapport uit te brengen.
Voorts geeft de Penningmeester eene schets van begrooting voor
het volgende jaar. Ten opzichte van deze maken de heeren Veth
en Brants de opmerking, dat voor de algemeene kas de uit-
gaven hooger zijn geraamd dan de inkomsten; zij meenen dat eene
deugdelijke begrooting behoort te sluiten, en dat er derhalve op
de uitgaven dient te worden bezuinigd.
De heer Lodeesen antwoordt, dat hij de begrooting niet anders
kan opmaken dan volgens den feitelijken toestand; indien hij de
begrooting sluitende had gemaakt, dan zou zij geene waarheid,
maar slechts fictie behelzen. Dat de gewone jaarlijksche uitgaven
de inkomsten te boven gaan, is bekend, en het is juist om het
verbroken evenwicht te herstellen, Gat het Bestuur straks een
voorstel zal doen.
De heer van der Wulp voegt hierbij, dat het in deze geenszins
geldt eene begrooting, die, zooals bij andere administratien, door
de vergadering wordt vastgesteld. Art. 27 der wet wil alleen de
jaarlijksche overlegging van eene schets van begrooting, ten einde
een overzicht te verkrijgen van hetgeen het volgende jaar vermoe-
delijk aan inkomsten zal opleveren en van het bedrag der uitgaven,
die te wachten zijn.
De heeren Veth en Brants, en met hen de overige aanwe-
zenden, nemen met deze uitleggingen genoegen.
De Voorzitter herinnert aan hetgeen ten vorigen jare over den
financieelen toestand der Vereeniging is besproken (zie het verslag
in Tijdschr. v. Ent. di. XXVI blz. 1x). Het bleek toen, dat de
gewone uitgaven hooger zijn dan de gewone inkomsten en dat
die uitgaven alleen worden gedekt door de ontvangst nu en dan
van toevallige baten, waarop niet met zekerheid valt te rekenen,
en meer bijzonder door de nu laatstelijk in de kas gevloeide op-
brengst van de insecten-verzameling tot een bedrag van ‚f 659,—,,
VERSLAG. XI
Reeds bij het Bestuur was in overweging genomen , of die opbrengst
al dan niet, als eene geheel buitengewone inkomst, tot rentegevend
kapitaal moest worden aangelegd; terwijl op de vergadering te
Wageningen de heer Kinker er tegen opgekomen is, dat deze
gelden in de kas zouden blijven, om daarmede een deel van de
gewone uitgaven te bestrijden. De Penningmeester constateerde
toen, dat de volle som van ,f 655.— nog in de kas aanwezig
was (hetgeen ook nu nog het geval is) en verklaarde zich bereid
om die te beleggen, mits het hem niet ontbreke aan de noodige
middelen, om de telken jare terugkeerende uitgaven te dekken.
Die uitgaven zijn te beperkt, dan dat er noemenswaard op bezui-
nigd kan worden; wil men alzoo het denkbeeld van den heer
Kinker verwezenlijken en de 7 655.— beleggen, dan dient er eenig
middel te worden gevonden, om de inkomsten te vermeerderen.
Sedert het vorige jaar is er in den financieelen toestand der Ver-
eeniging geene afdoende verandering gekomen. Wel zijn door het
toetreden van eenige nieuwe Begunstigers en eenige nieuwe Leden
de inkomsten eenigszins vermeerderd, maar niet in die mate, dat
het telken jare terugkeerende te kort geheel wordt weggenomen.
Van niemand der Leden is eenig voorstel ingekomen, om in dien
onvoldoenden toestand te voorzien. In dezen staat van zaken heeft
het Bestuur geen ander middel weten te vinden, ter verkrijging
van evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven, dan een beroep te
doen op de vrijgevigheid der Leden, ten einde door vrijwillige
bijdragen te gemoet te komen in het te kort, dat noodwendig
moet ontstaan, ingeval de opbrengst der collectie als kapitaal wordt
belegd.
De Penningmeester, de heer Lodeesen, zegt ook nu nog vol-
komen bereid te zijn, om de f 655.— te kapitaliseeren, indien
slechts het vooruitzicht besta, dat de noodige uitgaven uit de in-
komsten kunnen worden gevonden. Zoolang dit niet het geval is,
moet hij zich tegen het beleggen dezer gelden verzetten, omdat
die handeling onvermijdelijk tot moeilijkheden leiden zal. Naar zijn
oordeel is het beleggen niet zoo gebiedend noodzakelijk als de heer
Kinker en anderen meenen, aangezien de insecten-collectie vroeger
XII VERSLAG.
van jaar tot jaar uitgaven heeft vereischt, en de verkregen koop-
prijs alzoo kan worden beschouwd als een terugkeeren tot de kas,
van die achtereenvolgens gedane uitgaven. Moest de opbrengst der
collectie als kapitaal worden aangemerkt, dan zou evenmin de van
tijd tot tijd voorkomende opbrengst van vroegere deelen van het
Tijdschrift onder de gewone inkomsten mogen worden opgenomen.
De heer Kinker blijft volhouden, dat de opbrengst der collectie
niet onder de gewone inkomsten behoort; volgens hem was die
collectie eene bezitting, dus kapitaal van de Vereeniging, even als
b. v. de bibliotheek; wilde men deze of een deel er van te gelde
maken, dan zou de opbrengst daarvan evenmin mogen strekken
om de gewone uitgaven te bestrijden. Indien men dat beginsel
prijs geeft, dan moet dit noodwendig tot financieelen achteruitgang
leiden, want niet altijd valt er op toevallige baten te rekenen. _
De heer van der Wulp bestrijdt de meening, dat de opbrengst
van vroegere deelen van het Tijdschrift zou zijn gelijk te stellen
met den koopprijs der collectie en dus evenzeer als kapitaal kan
worden beschouwd. Worden vroegere jaargangen verkocht, dan is
dit eenvoudig debiet van het Tijdschrift. Iets anders ware het, zoo
de geheele oplaag van het Tijdschrift, op dit oogenblik eene be-
zitting der Vereeniging, aan anderen wierd overgedragen.
De Voorzitter acht de vraag of de / 655.— opbrengst der col-
lectie als kapitaal moet worden belegd, thans nog niet vatbaar
voor beslissing. Gelijk hij reeds heeft gezegd, kunnen de uitgaven
weinig of niet worden ingekrompen, en dient dus voorloopig de
genoemde som in de kas te blijven om tegen alle eventualiteiten
gewaarborgd te zijn. Hij hoopt door vrijwillige bijdragen de inkom-
sten vermeerderd te zien, en eerst dan zal men met gerustheid
tot de beoogde kapitaalvorming kunnen overgaan. Om hiertoe te
geraken, doet hij, namens het Bestuur, het voorstel om die bij-
dragen van de Leden te vragen. Voor eenige jaren heeft het toen-
malig Bestuur evenzeer eene poging gedaan tot buitengewone stijving
der kas door vrijwillige bijdragen; aan het aanvankelijk veelbelovend
resultaat is toen feitelijk geen verder gevolg gegeven, omdat de
veranderde omstandigheden (o, a. de toelegging van een Rijks=
VERSLAG, XIII
subsidie) dit minder noodig maakten. Thans schijnt de tijd daar,
om op een dergelijk betoon van «zelfhulp» terug te komen. In
afwijking nochtans van de destijds gevolgde, naar ’t schijnt, minder
doelmatige methode, om alleen aan de ter vergadering aanwezige
Leden eene inteekenlijst ad hoc voor te leggen , wenscht het Bestuur
liever eene circulaire aan al de gewone Leden rond te zenden. Ieder
blijft dan volkomen vrij in het aanbrengen zijner schenking, groot
of klein. Van alle zijden toevloeiende, zullen deze, naar het
Bestuur vertrouwt, weder een nieuw bewijs opleveren voor de
waarheid van het «vis unita fortior» der Ouden, eene spreuk,
die eerst in de moderne maatschappij tot haar volle recht is
gekomen.
De heer Everts, en met hem de heeren Brants en Fokker,
zouden de voorkeur geven aan eene kleine rentelooze leening, die
op gezette tijden zou worden afgelost. Hun wordt echter tegen-
geworpen, dat men op die wijze aan den eenen kant eene schuld
zou vormen, om aan de andere zijde de in de kas aanwezige gelden
te kunnen beleggen; terwijl het bovendien ook zeer twijfelachtig
blijft, of later voor de aflossing der schuld wel de noodige gelden
beschikbaar zullen zijn.
Het voorstel van het Bestuur, om door vrijwillige bijdragen in
de bestaande moeilijkheden te voorzien, wordt in stemming ge-
bracht en met 11 tegen 6 stemmen aangenomen; en tevens besloten,
om die bijdragen voorloopig slechts voor één jaar te vragen, ten
einde te voorkomen, dat daarin het karakter van eene verhoogde
contributie zou kunnen worden gezien.
Inmiddels zijn de heeren Kinker en Groll gereed gekomen met
het onderzoek der rekening en verantwoording ; zij brengen deswege
rapport uit, waarvan de strekking is, dat zij de rekening met de
bescheiden hebben vergeleken en in volmaakte orde bevonden.
De Voorzitter dankt de Commissie voor de door haar aangewende
moeite, en brengt, namens de vergadering, op nieuw hulde aan
den Penningmeester, wegens zijn deugdelijk en nauwgezet beheer
van de geldzaken der Vereeniging, en wegens de vele en tijdroo-
vende werkzaamheden, die hij zich daarvoor getroost. Luide bijvals-
XIV VERSLAG.
betuigingen toonen dat de vergadering geheel instemt met de harte-
lijke woorden, door haren Voorzitter uitgesproken.
Met algemeene stemmen worden vervolgens tot Correspondeerende
Leden benoemd de heeren Dr. O. Taschenberg te Halle en A. W.
Putman Cramer te Brooklyn, Staat New-York, in Noord-Amerika.
De Secretaris neemt op zich, aan de benoemden het diploma te
doen toekomen. |
Als plaats voor de volgende Zomervergadering wordt door den
heer Everts Breda of Bergen op Zoom, door den heer Ritsema
Amersfoort, door den heer Brants Apeldoorn voorgesteld. Bij meer-
derheid van stemmen wordt Breda aangewezen, om den volgenden
zomer bijeen te komen.
De vergadering benoemt hierop met eenparige stemmen den heer
Mr. W. Albarda te Ginneken, om die bijeenkomst als Eerevoorzitter
te leiden. Aan den Secretaris wordt opgedragen den benoemde
hiervan kennis te geven !).
__ Nog vraagt de heer Everts, of het noodzakelijk is de Zomer-
vergadering altijd op een’ Zaterdag te houden. Ofschoon dit niet
op eenige wetsbepaling, maar alleen op eene veeljarige gewoonte
is gegrond, meent de vergadering evenwel, dat er overwegende
redenen bestaan, om zich aan die gewoonte te blijven houden.
De huishoudelijke werkzaamheden hiermede afgeloopen zijnde,
wordt, na eene korte pauze, tot de wetenschappelijke mededee-
lingen overgegaan.
De heer Snellen zegt, dat het hem, door-de ontvangst eener
bezending Zuid-Amerikaansche dagvlinders, voldoende is gebleken,
dat Perrhybris Malenka Hew. inderdaad slechts eene varieteit is
van P. Pyrrha Fabr. Hij zou evenwel deze waarneming niet be-
langrijk genoeg achten, om aan de vergadering mede te deelen,
indien zij hem niet de gelegenheid aanbood om tevens de aandacht
te vestigen op het hoogst merkwaardige sexueele verschil bij deze
Pieride. Terwijl namelijk de man, door vleugelvorm, kleur en tee-
1) De heer Albarda heeft zich de keuze laten welgevallen
VERSLAG. XV
kening, dadelijk den type der familie doet herkennen en sterk aan
onze gewone witjes herinnert (hij is wit met zwarte voorvleugelpunt) ,
heeft het wijfje eene buitengewone overeenkomst met vele Helico-
niden, inzonderheid met Zucides Isabella Cram.; de vleugels zijn
lang, smal, afgerond; de grondkleur is oranje, met zwarte langs-
strepen en eene schuine bleekgele dwarsstreep in de voorvleugel-
punt. Dergelijke gevallen komen bij de dagvlinders meer voor; ten
bewijze hiervan laat Spreker eene doos rondgaan, waarin zich,
behalve de beide sexen der genoemde Pieride, ook die bevinden
van Diadema Misippus L., eene Nymphalide welke in Zuid-Amerika,
Afrika, Azie en Australie voorkomt; van deze is de man zwart
met zes groote witte, blauw gerande vlekken, terwijl het 9 eene
bedriegelijke overeenkomst heeft met Danais Chrysippus L., eene
soort uit eene geheel andere familie der Rhopalocera.
In de tweede plaats bespreekt de heer Snellen, — naar aan-
leiding der aankondiging van zijn werk «De Vlinders van Nederland,
Microlepidoptera», welke ons geacht medelid, Mr. de Roo van
Westmaas, zoo welwillend is geweest in het Tijdschrift voor Ento-
mologie te plaatsen, — eene aldaar (dl. XXVI blz. 83) voorkomende
opmerking. De heer de Roo betreurt het namelijk, dat in genoemd
werk geen afzonderlijke verklaring van de figuren op de platen is
gegeven, waarmede zeker aan de lezers een grooten dienst zou zijn
bewezen, daar deze, bij het beschouwen der afbeeldingen, nu niet
dan na lang zoeken te weten kunnen komen op welken vlinder
deze of gene figuur betrekking heeft. Het achterwege laten van die
verklaring is niet het gevolg van een verzuim, maar is opzettelijk
geschied. De bij het werk gevoegde afbeeldingen toch zijn alleen
bestemd tot verduidelijking der tabellen en beschrijvingen. Deze
laatsten, waaraan zooveel zorg is besteed, wenscht Spreker geraad-
pleegd te zien bij de studie, en daarom is met voordacht de pas
afgesneden aan hen, die liever in de afbeeldingen zoeken dan den
tekst lezen. Uit eigen ondervinding is het hem bekend, dat men
maar al te zeer geneigd is om de vaak inspannende studie van den
tekst te ontgaan bij het gebruik van werken. over Entomologie ,
die tevens afbeeldingen bevatten. Liever zoekt mer dan langs een
XVI VERSLAG
gemakkelijken omweg er te komen, doch bereikt het eigenlijke
doel, eene grondige kennis van het behandelde onderwerp, slechts
ten halve. De door hem gegeven afbeeldingen zijn dus zonder waarde
voor ieder, die van den tekst geen gebruik wenscht te maken.
De heer J. T. Oudemans laat eene doos rondgaan, bevat-
tende een dertigtal geprepareerde rupsen, allen machinaal opge-
blazen, en vertoont daarbij eene schets van den toestel, dien hij
daartoe heeft gebezigd en die ongeveer op de wijze van een’ gashouder
is ingericht. Deze wijze van prepareeren vereenigt verschillende
voordeelen; o. a. blijven de kleuren beter in stand dan bij het
gewone opblazen, waarbij de voorwerpen aan eene hooge temperatuur
moeten worden blootgesteld; ook behoeft men niet voor elk exem-
plaar een half uur of langer zijne longen in te spannen. Het is
wellicht hoofdzakelijk aan deze bezwaren te wijten, dat over ’t
algemeen in de vlinderverzamelingen zoo zelden ook de rupsen
worden aangetroffen.
Met veel belangstelling neemt de vergadering kennis van deze
nieuwe methode om rupsen te prepareeren; zij zou het wenschelijk
achten, indien eene uitvoerige beschrijving van den toestel in het
Tijdschrift kon worden opgenomen, ten einde daaraan in ruimeren
kring bekendheid te geven. De heer Oudemans verklaart zich
gaarne bereid om hieraan gevolg te geven.
In de tweede plaats vertoont de heer Oudemans eene merk-
waardige varieteit van Abraxas grossulariata L., aan de onderzijde
zwart bestoven; voorts eene afwijkend gekleurde rups van Bombyx
Crataegi L., overeenstemmende met de afbeelding op de titelplaat
van deel IV van het werk van Sepp; en eindelijk een wijfje van
Ocneria dispar L., dat zonder sprieten uit de pop is gekomen;
reeds aan de pop was dit gebrek waar te nemen, daar de plaats
der sprieten door een paar diepe groeven was aangeduid.
De heer Bisschop van Tuinen vestigt de aandacht op een -
artikel, voorkomende in the Scientific American van 21 April 1883
p. 248 (overgenomen in het Tijdschrift Die Natur, 1883 p. 302),
VERSLAG. XVII
zameld en op dezelfde wijze gedroogd als planten, voor een her-
barium bestemd; zij moeten dan in goed gesloten bussen worden
bewaard, opdat zij zooveel mogelijk hunne kleur en reuk behouden ,
en als men ze wil gebruiken, moeten ze vooraf een nacht in koud
water worden gelegd. Mandt heeft op die wijze rupsen van Papilio
Cresphontes en Apatura Clyton met gedroogde bladeren tot volkomen
ontwikkeling gebracht. Deze methode kan wellicht met goed gevolg
worden toegepast, wanneer men op bijzondere planten levende
rupsen, uit verwijderde streken wil opkweeken.
De heer Everts laat eenige zeldzame inlandsche Coleoptera
zien, te weten:
Cicindela germanica L., te Ruurloo door den heer Snellen gevangen.
Elaphrus Ulrichi Redt., terzelfde plaatse, door Dr. Veth.
Carabus convexus F., te Nijmegen door een’ leerling der Haagsche
Hoogere Burgerschool.
Brachinus erepitans L., Bergen op Zoom (Heylaerts).
vn explodens Dfts., Doetichem (Gerdes).
Cymindis humeralis F., Oosterbeek (J. Backer jr.).
» macularis Dej., Dieren (Haitink).
Chlaenius sulcicollis Payk., Venloo (v. d. Brandt).
Dytiscus latissimus L., Nijmegen (Maitland).
Staphylinus fulvipes Scop., Baarn (Veth).
Neerodes littoralis L., Wolfheze (v. Medenb. de Rooij).
Necrophorus germanieus L., Oosterbeek (Backer).
Sinodendron eylindrieum L., Amersfoort (Drechsler).
Voorts een paar merkwaardige Europeesche Lamellicornia: Poly-
phylla Ragusae Kraatz d en 2, bij Trapani op Sicilie voorkomende
en van den heer Enrico Ragusa te Palermo ontvangen; en Pro-
pomacrus bimucronatus Pall. ut Syrie van den heer Deyrolle;
laatstgemelde soort komt ook in Turkije voor.
De heer van der Wulp stelt ter bezichtiging een klein
wespennest, in den vorm van eene pas ontloken roos, dat door
ons geacht medelid, den heer Six, in eene gesloten turfschuur in
5)
=
XVIII VERSLAG,
zijnen tuin werd gevonden; het beantwoordt aan eene afbeelding
van Réaumur (Mémoires tom. VI pl. 49 fig. 1 et 2), die door
Lepelletier de S. Fargeau (Hymenopt. I p. 518) aan Vespa rufa L.
wordt toegeschreven. Een paar der cellen waren met een wit
weefsel gesloten, doch het schijnt dat de larven gestorven zijn.
(De heer Ritsema meent, dat het een nest van Vespa holsatica
Fabr. zou kunnen zijn).
Verder vertoont Spreker een zeldzaam torretje, Phosphaenus
hemipterus F, mede door den heer Six in zijnen tuin aangetroffen;
namens dezen stelt hij het ter hand aan den heer Everts, die het
dankbaar voor zijne collectie aanvaardt.
Nog vermeldt de heer van der Wulp, dat hij in zijn laatste
stuk over Amerikaansche Diptera Conops costatus F. uit Argentina
heeft opgenomen. Zijne determinatie van die soort berustte voor-
namelijk op de uitvoerige opgaven van Schiner (Diptera Novara
Reise p. 371), doch het is hem nader gebleken, dat C. costatus
Schin. niet dezelfde is als C. costatus F. De heer von Röder
namelijk heeft gelegenheid gevonden het typische exemplaar van
Fabricius te raadplegen, dat zich nog altijd in de Sehestedt-
Lundsche verzameling te Kopenhagen bevindt, en heeft de uit-
komst van zijn onderzoek aan Spreker medegedeeld. Daarbij is aan het
licht gekomen, dat Schiner’s soort en derhalve ook het Argentijnsche
voorwerp (dat ter bezichtiging rondgaat) dezelfde is als © Segetha
Rond. (Dipterorum species et genera aliqua exotica, Modena 1863):
Het verschil tusschen de beide soorten, die echter na aan elkander
verwant zijn, bestaat vooral in de okergele kleur van de basis en
het begin van den voorrand der vleugels bij C. Segetär, en voorts
in de sprieten, die bij de genoemde soort geheel bruinrood en
alleen aan de onderzijde wat helderder zijn, terwijl by de echte
C. costatus F. het eerste sprietenlid geel, het tweede zwart en het
derde donkerbruin is.
Bij deze gelegenheid laat de heer van der Wulp nog eenige
merkwaardige Noord-Amerikaansche vliegen zien, die deel uit-
maakten van eene belangrijke bezending, die hij onlangs door de
vriendelijkheid van Dr. Williston te New-Haven had ontvangen.
VERSLAG. XIX
Het zijn een drietal Trypetinen, wier fraai geteekende vleugels
niet behoeven onder te doen voor die van menigen vlinder; en
wel: Zutreta sparsa Wied., met hare breede, donkere, fijn geel
gestippelde vleugels, aan welker einde een witte rand scherp is
afgescheiden; Camptoneura picta F., in & bijzonder gekenmerkt
door den diep ingekeepten voorrand; en Straussia longipennis
Wied., in ’t oog vallend door de buitengewoon dikke voorhoofds-
borstels,
De heer van Hasselt stelt ter bezichtiging een paar onderaardsche
nesten van zoogenaamde valdeur- of metsel-spinnen, uit Mentône
en Californie, en knoopt daaraan eenige beschouwingen vast over
de diagnose der soorten, welke zoodanige verblijven vervaardigen,
alles meer uitvoerig behandeld in een opstel, dat nog zal worden
opgenomen onder de «kleine mededeelingen» in het 26ste deel
van het Tijdschrift.
Dezelfde vertoont een, trouwens niet ongewoon, voorbeeld van
het bezet zijn van levende spinnen door betrekkelijk groote para-
sieten. Dit exemplaar nochtans, eene Zilla calophylla C. Koch 2
jun., was merkwaardig door het buitengewoon getal daarvan,
een 7-tal, aan den omtrek der benedenvlakte van den cephalo-
thorax vastgehecht, als ’t ware een’ kraag van roode ovale kralen
vormende. Walckenaer, die dit voorkomen van parasieten, minder
just, zeldzaam noemt, veronderstelt dat zij tot het genus Ixodes
behooren, hetgeen Spreker voor de hier vertoonde soort meent te
mogen tegenspreken; hij heeft echter de dieren, met verzoek van
„nadere determinatie dezer parasieten, in handen gesteld van het’
niet aanwezige lid, den heer A. C. Oudemans Jsz. 1).
Nog laat de heer van Hasselt, in het voorbijgaan, twee gelijk-
soortige vrouwelijke Chelifer’s zien, met hare aan de buikvlakte
bevestigde, groote, witte, platte, circulaire cocons, exemplaartjes,
door hem voor de collectie van ons medelid Ritsema, uit Loos-
duinen medegebracht,
1) Deze herkende z later als larven van het genus Zrombidium, species
hem onbekend.
XX VERSLAG.
Niemand verder het woord verlangende, sluit de Voorzitter,
onder dankzegging aan de verschillende sprekers, deze vergadering.
De volgende dag werd, als gewoonlijk, besteed aan eene geza-
menlijke excursie, waartoe de omstreken van Rolde waren gekozen
en waaraan, behalve door de ter vergadering opgekomen leden ,
ook werd deelgenomen door Dr. J. Ritzema Bos, van Wageningen.
Dat de over ’talgemeen vrij hoog gespannen verwachting, van
in de zoo schaarsch door entomologen bezochte provincie Drenthe
veel nieuws en zeldzaams te vinden, niet in alle opzichten zich
heeft verwezenlijkt, is zeker vooral te wijten aan het ongunstige
en veelal regenachtige weder. Niettemin zijn verscheidene min of
meer Zeldzame soorten buit gemaakt en zelfs enkele, die nog niet
van elders in ons land bekend waren, zoowel op den eigenlijken
excursie-dag, als op de voorafgaande en volgende dagen, toen
sommigen der leden nog in verschillende andere Drentsche streken
entomologische wandelingen hebben gemaakt. Bijzonder vruchtbaar
was o. a. ook een later bezoek van het uitgestrekte en fraaie,
voor insecten-jacht uitnemend geschikte landgoed Witterholt onder
de Smilde, van onzen geachten begunstiger Mr. H. Hartogh Heys
van Zouteveen, die de vriendelijkheid had, ofschoon zelf door
ongesteldheid aan zijne kamer gebonden, het voor de leden open
te stellen en tot een aangenaam verblijf in te richten, waarvoor
hem hier openlijk dank zij gebracht.
De merkwaardigste vangsten in Drenthe worden hieronder
vermeld.
COLEOPTERA.
Carabus cancellatus Ill. Bradycellus harpalinus De).
Amphigynus rotundatus De]. Bembidium Mannerheimii Sahlb.
Platynus sexpunctatus L. F. n. sp., een paar exempla-
Olisthopus rotundatus Payk. ren op moerasbodem.
Amara infima Dfts. Tachypus pallipes Dfts.
Acupalpus flavicollis St. Haliplus fulvus F., verscheidene
» dorsalis F. exemplaren in een’ vijver.
VERSLAG,
Ilybius aenescens Thoms. als voren.
Dytiscus punctulatus F.
Acilius canaliculatus Nic.
Gyrinus opacus Sahlb., gemeen
bij Steenwijk.
Philhydrus marginellus F.
Helophorus obscurus Muls. , ge-
meen.
Autalia impressa Ol, in padde-
stoelen.
Bolitochara lunulata Payk., als
voren.
Stenusa rubra Er., als voren.
Myllaena intermedia Er., op moe-
rasbodem.
Quedius rufipes Grav. F. n. sp.
Megarthrus hemipterus Ill., in
paddestoelen.
Epuraea florea Er., gemeen op
Spiraea ulmaria.
Antherophagus nigricornis F.
Cryptophagus cylindrus Kies., F.
n. Sp.
Agrilus coeruleus Rossi.
Trachys minuta L.
Athous subfuscus Mill.
Agriotes sobrinus Kies.
Helodes minutus L.
Malthinus fasciatus Ol., gemeen
op berken.
Anaspis subtestacea Steph.
Chrysanthia viridis Schmidt, op
Vaccinium.
Polydrosus chrysomela Ol.
XXI
Chlorophanus viridis L.
Larinus Carlinae Ol., op Carduus.
Grypidius brunnirostris F.
Dorytomus affinis Payk.
Magdalis duplicata Germ.
» flavicornis Gyll.
Balaninus cerasorum Hrbst.
Elleschus
wilgen.
Orchestes Jota F.
» erythropus Germ.
bipunctatus L., op
» decoratus Germ.
Rhamphus flavicornis Clairv.
Coeliodes trifasciatus Bach.
Apion simile Kirby.
» columbinum Germ.
Rhynchites germanicus Hrbst.
» aeneovirens Marsh.
Pityophthorus micrographus L.
Strangalia quadrifasciata L.
Donacia versicolora Brahm.
Zeugophora subspinosa F.
Cryptocephalus flavescens Schm.
EDs nat spy
frenatus Laich.
met de varieteit
Cryptocephalus rufipes Goeze.
Adoxus obscurus L.
Phytodecta pallida L.
Crepidodera Salicariae Payk.
Psylliodes cucullatus Ill.
Dibolia Cynoglossi Koch.
Hispa atra L.
Adalia obliterata L.
Coceinella hieroglyphica L.
LEPIDOPTERA.
Lycaena Alcon W. V., in ver-
scheidene exemplaren,
Bembecia Hylaeiformis Lasp.
Acronycta Menyanthidis Esp.
XXII VERSLA Ge
Odontopera bidentata L. Argyresthia aurulentella Staint.
Zerene adustata W. V. » abdominalis Zell,
Scotosia vetulata W. V. Gelechia senectella Zell,
Eupithecia satyrata Hbn., eene » rufescens Haw,
helderder gekleurde en scherper Coleophora vitisella Gragson, F. n.
geteekende varieteit (Callunaria sp. — Het zeer kenbare zakje
Wood, Dbld.) op heide. op Vaccinium Vitis-idaea (D.
Sciaphila osseana Sc, ter Haar).
HYMENOPTERA,
Prosopis confusa Nyl. Halictoides inermis Nyl., in bloe-
Andrena Shawella Kirby, in bloe- men van Campanula.
men van Campanula. Herides campanularum Kirby,
Macropis labiata Panz., op bloe- idem.
men van Lysimachia. ’ Nomada Solidaginis Panz.
Cilissa haemorrhoidalis Fabr., in Epeolus variegatus L.
bloemen van Campanula. Bombus pratorum L.
Panurgus ater Panz. op Compo- » lapidarius L.
sieten. Vespa sylvestris Scop.
DIPTERA.
Mycetophila xanthopyga Winn. Hyetodesia alpina Rond. een 4.
Ogcodes zonatus Er. 195 mu OO
Chrysotoxum festivum L. Mydaea tincta Zett.
Syrphus cinctus Fall. Hydrophoria divisa Meig.
Platychirus podagratus Zett. Anthomyia latitarsis Zett., in
Nemoraea analis Macq., in de verscheidene exemplaren tegen
omstreken van Assen ge- boomstammen zittende.
meen. Coenosia intermedia Fall.
Miltogramma punctata Meig. Tephritis flavipennis Löw.
Degeeria blanda Fall. Sapromyza anisodactyla Löw.
ARANEIDEA.
De heer van Hasselt schrijft daaromtrent, dat de vangst van
Drentsche spinnen, niettegenstaande bereidvaardige medehulp van
de meeste tochtgenooten, beneden zijne verwachting is gebleven.
Intusschen heeft hij toch van verscheidene, echter ook in andere
VERSLAG, XXIII
provincien voorkomende, meer of minder zeldzame spinnen , eenige
fraaie exemplaren voor zijne collectie verkregen. Onder anderen
ontving hij, bij een bezoek op het landgoed Witterholt, hiervoren
gemeld, in gezelschap van de heeren van der Wulp en Groll,
van dezen laatsten een aldaar gevangen, hem nog ontbrekend à
der bij ons zoo zeldzame Mpeira (Miranda) adianta Walck; terwijl
hij zelf daar een drietal kleine soorten opdeed, tot de genera Singa,
Linyphia en Neriene behoorende, die nog nader moeten worden
nagezien, doch hem nieuw toeschijnen voor onze spinnenfauna.
LIJST DER LEDEN
VAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
op 28 Juli 1883,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
DIA
BEGUNSTIGERS.
De heer Mr. J. Kneppelhout, Hemelsche Berg te Oosterbeek. 1867.
Dr. Frangois P. L. Pollen, te Scheveningen. 1867.
Moi Hartogh Heys van de er seb: Snoeck, te ’s Gravenhage. 1868.
De heer Dr. F. J. L. Schmidt, te Rotterdam. 1869.
n
Mr. J. Thiebout, te Zoll 1869.
Het Koninklijk i Genootschap Natura Artis Magistra te
Amsterdam. 1879.
De heer J. Groll te Leiden. 1882.
De heer
n
Mr. J. W. van Lansberge, oud Gouverneur-Generaal van Ned.
Indie, Huize de Rees te Brummen. 1882.
Jhr. F. G. E. Merkes van Gendt, Lid van de iste Kamer
der Staten-Generaal, Koninginnegracht 36, te ’s Gravenhage.
1882.
Dr. C. C. Sepp, Emeritus Predikant, Keizersgracht 428, te
Amsterdam. 1882.
C. L. Roos Vlasman, te Hilversum. 1882.
Mr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Phil. nat. Dr., te
Assen. 1882, |
Mr. J. van Kuyk, Commissaris des Konings in de provincie
Drenthe, te Assen. 1883.
EERELEDEN.
Dr. G. F. Westerman, Directeur van het Koninklijk Zoologisch
Genootschap Natura Artis Magistra, te Amsterdam. 1858.
H. T. Stainton, Esq. Mountsfield, Lewisham bij Londen. 1861.
LIJST DER LEDEN ENZ, XXV
De heer Dr. C. Felder, lid der Kais. L. C. Academie der Naturwis-
De heer
»
»
senschaften en Burgemeester van Weenen. 1861.
Prof. J. O. Westwood, M. A., F. L. 8., Directeur van het
Hopean Museum, te Orford. 1862.
Jhr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort, te Bergen op Zoom. 1864.
Dr. Gustav L. Mayr, Professor aan de Hoogere Burgerschool
te Weenen. 1867.
Dr. H. D. J.Wallengrén, te Farhult, bij Höganäs in Zweden. 1871.
R. Mac Lachlan, F. L. S., te Londen. 1871.
Dr. T. Thorell, voormalig Hoogleeraar in de Zoologie aan de
Hoogeschool te Upsala in Zweden, thans wonende te Genua. 1872.
Dr. C. A. Dohrn, President der Entomologische Vereeniging
te Stettin. 1873.
M. E. Baron de Selys Longchamps, te Luik. 1874.
Dr. V. Signoret, te Clamart (Seine) Frankrijk. 1874.
CORRESPONDEERENDE LEDEN.
Prof. Arn. Förster, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool
te Aken. 1853.
Emil vom Bruck, te Crefeld. 1853.
Frederie Moore, Bestuurder van het Museum der voormalige
Oost-Indische Compagnie te Londen. 1864.
Jhr. J. W. May, Consul-Generaal der Nederlanden te Londen.
1865.
W. Mink, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool te Cre-
feld. 1867.
Dr. H. Weyenbergh, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Cordova
in de Argentijnsche Republiek. 1872.
Dr. W. Marshall, te Weimar. 1872.
A. Fauvel, te Caen. 1874.
Dr. O. Taschenberg, te Halle. 1883.
A. W. Putman Cramer, te Brooklyn, staat New-York, in
Noord-Amerika. 1883.
BUITENLANDSCHE LEDEN.
Henri Vicomte de Bonvouloir, Rue de l’Université 15,
te Parijs. (1867—68).
H. Jekel van Westing, lid der K. Acad. van natuuronderzoe-
kers te Moscou en van verscheidene entomol. genootschappen,
Rue de Dunkerque 62, te Parijs. (1868—69).
J. Lichtenstein, villa la Lironde bij Montpellier. (1878—79).
René Oberthür te Rennes (Ille-et-Villaine) Frankrijk. (1882—83).
XXVI _ LIJST DER LEDEN ENZ,
GEWONE LEDEN.
1845-46,
De heer Dr. J. G. H. Rombouts, te Groesbeek.
F. M, van der Wulp, Prinses Marie-straat 14, te ’s Graven-
hage. — Diptera.
„ Dr. M. C. Ver Loren van Themaat, Huize Schothorst, te
. Hoogland bij Amersfoort. — Algemeene Entomologie.
J. W. Lodeesen, Tulpstraat 6, te ‘Amsterdam. — Lepido»
ptera indigena.
» » Mr. H. Ver Loren van T hant te Utrecht. — Lepidoptera,
n n W.O. Kerkhoven, te Lochem.
n n
1851-52.
De heer R. T. Maitland, Commelinstraat, 17, te Amsterdam. — Alge-
meene Entomologie.
P. C. T. Snellen, Wijnhaven (Noordzijde) 45, te Rotterdam, —
Lepidoptera.
» n Dr. M. Imans, te Utrecht.
Dr. W. A. J. van Geuns, Bezuidenhout 14 k, te ’s Gravenhage.
» n
n
1852-53.
De heer Mr. H. W. de Graaf, Noordeinde 123, te ’s Gravenhage. —
Inl. Lepidoptera, bijzonder Microlepidoptera.
G. M. de Graaf, Heerengracht 55, te Leiden. — Lepidoptera.
” ”
n n G.A.Six, De Ruiterstraat 65, te ’s Gravenhage. — Hymenoptera.
n n Dr. W. Berlin, Hoogleeraar aan de Universiteit, Westeinde
2, te Amsterdam.
1855-56.
De heer A. A. van Bemmelen, Directeur van de Diergaarde te Rot-
terdam. — Algemeene Entomologie.
Mr. E. A. de Roo van Westmaas, Huize Daalhuizen, te Velp. —
‘Lepidoptera.
N »
1856-57.
De heer Mr. J. Herman Albarda, te Leeuwarden. — Inlandsche Lepi-
doptera (bijzonder Microlepidoptera) en Neuroptera.
n n Mr. W. Albarda, te Ginneken. — Lepidoptera en Neuroptera.
„ Dr. A. W. M. van Hasselt, Amsterdamsche Veerkade 15, te
’s Gravenhage. — Araneiden.
1857-58.
De heer Dr. J. W. Schubärt, te Utrecht.
n n W.K. Grothe, te Zeist.
LIJST DER LEDEN ENZ. XXVII
1258-59,
De heer J. C. J. de Joncheere, Voorstraat, D 368, te Dordrecht, —
Lepidoptera.
1860-61,
De heer J. Kinker, Oudezijds-Achterburgwal bij de Oudemanhuispoort ,
223, te Amsterdam. — Lepidoptera en Coleoptera indigena.
» » Dr. E. Piaget, auw Bayards , Neuchatel, Zwitserland, — Diptera
en Parasitica,
1861-62,
Mevrouw de Weduwe Hartogh Heys van de Lier, te ’s Gravenhage,
voor wijlen haren Echtgenoot. i
1563-64.
De heer Mr. R. Th. Bijleveld, Voorhout 88, te ’s Gravenhage. —
Algemeene Entomologie.
» n D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal, F 3471, te Zwolle. —
Lepidoptera.
1864.—65.
De heer Mr. A. H. Maurissen, te Maastricht. — Europeesche insecten.
» » Dr. H. J. Veth, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te
_ Rotterdam. — Algemeene Entomologie.
n » H. W. Groll, te Haarlem. — Coleoptera.
1865-66.
De heer Mr. A. Brants, Builensingel, te Arnhem. — Lepidoptera.
1866-67. |
De heer F. J. M. Heylaerts Jr., St.-Jansstraat, te Breda. — Lepi-
doptera enz.
» n Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Hoogleeraar te Utrecht. — Alge-
meene Zoologie.
» » A. van den Brandt, te Venlo. — Lepidoptera.
1867—63.
De heer C. Ritsema Cz., Conservator bij ’s Rijks Museum van natuur-
lijke historie, Rapenburg 94, te Leiden. — Algemeene Ento-
mologie.
1868-69.
De heer Dr. J. G. de Man, Conservator bij ’s Rijks Museum van natuur-
lijke historie, te Leiden. — Algemeene Entomologie.
XXVIII LIJST DER LEDEN ENZ.
De heer Dr. F. W. O. Kallenbach, te Rotterdam. — Lepidoptera.
» » À. Cankrien, te Kralingen. — Lepidoptera.
» » Mr. C. J. Sickesz, Huize de Cloese bij Lochem.
1869-70.
De heer M. Nijhoff, Nobelstraat 18, te ’s Gravenhage. — Bibliographie.
1870-71.
De heer Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, Leeraar aan de Hoogere Burger-
school, Stationsweg 79, te ’s Gravenhage. — Coleoptera.
» » Mr. M. C. Piepers, Lid der rechterlijke macht in Nederlandsch
Indie. — Lepidoptera.
» » Dr. P. J. Veth, Hoogleeraar te Leiden.
1871-72.
De heer Dr. J. Ritzema Bos, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool
te Wageningen. — Oeconomische Entomologie.
» » J.F. G. W. Erbrink, N. Z. Voorburgwal over de Kolk 62,
te Amsterdam. — Algemeene Entomologie.
» » J.B. van Stolk, Schie 23, te Rotterdam. — Lepidoptera.
» » Mr. A. F. A. Leesberg, Jan-Hendrikstraat 9, te ’s Graven-
hage. — Coleoptera.
» » Dr. H. J. van Ankum, Hoogleeraar te Groningen.
> » M. M. Schepman, te Rhoon. — Neuroptera.
n » Dr. €. K. Hoffmann, Hoogleeraar te Leiden. — Vergelijkende
ontleedkunde.
1872-73.
De heer Dr. A. J. van Rossum, Kastanjelaan, te Arnhem.
1873-74.
De heer Dr. J. van Leeuwen Jr., P. C. Hooftstraat 152, te Amster-
dam. — Lepidoptera.
Mr. M. ’s Gravesande Guicherit, te Delft. — Coleoptera.
1874-75.
32 ”
De heer H. L. Gerth van Wijk, Leeraar aan de Hoogere Burger-
school te Middelburg. — Hymenoptera aculeata.
J. van den Honert, Plantage Muidergracht 32, te Amsterdam.
K. N. Swierstra, Koninkl. Zool. Genootschap Natura Artis
Magistra te Amsterdam. — Algemeene Entomologie.
” n
»
1875-76.
De heer H. Uijen, Priemstraat , te Nijmegen. — Lepidoptera.
n n J.G. Wurfbain, Huize Hewen, te Worth-Rhede.
n A. J. Weytlandt, te Westzaan,
LIJST DER LEDEN ENZ. XXIX
De heer Dr. M. W. Beijerinck, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool
te Wageningen.
» » Vinc. Mar. Aghina, Saer. Ord. Praed., te Schiedam.
» » N.M.La Fontijn, Officier der Infanterie, te Bergen op Zoom.
1976-77.
De heer Mr. P. H. J. J. Ras, Huize Rijnstein, te Arnhem.
» » L. de Bruyn, Officier der Artillerie, te Brielle.
» » W.H. Dreessens, Oudebrugsteeg 5, te Amsterdam.
n n Mr. A. J. F. Fokker, te Zierikzee. — Hemiptera.
» » Emile Seipgens, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te
Leiden. — Coleoptera.
» » A. M. J. Bolsius, Geneesheer der Billiton-maatschappij, op
Billiton (Nederl. Indie).
1877-78.
De heer J. G. van Renthergem, te Bergen op Zoom.
» » Dr. C. Kerbert, Adsistent aan het Zootomisch Laboratorium ,
Reguliersgracht 78, te Amsterdam.
n n G.A.F. Molengraaff, Phil. nat. stud. te Leiden. — Lepidoptera.
1878—79.
De heer A. C. Oudemans Jsz., Phil. nat. stud. te Utrecht. — Acarina.
n » Henri W. de Graaf, Phil. nat. stud. te Leiden.
n n P. T. Sijthoff, Administrateur op de kina-plantage 7jilaki,
nabij Bandong, Preanger regentschappen, Java.
» n J.B. Snellen, te Winterswijk.
n n Dr. F. A. Jentink, Conservator bij ’s Rijks Museum van
natuurlijke historie, Papengracht 22, te Leiden.
1979—SO.
De heer Dirk ter Haar, te Nijmegen. — Lepidoptera.
» » K. Bisschop van Tuinen Hz., Leeraar aan de Hoogere Bur-
gerschool en het Gymnasium te Zwolle. — Lepidoptera.
1880-81.
De heer J. T. Oudemans, Sarphatistraat 78, te Amsterdam. — Macro-
lepidoptera en Hymenoptera.
» » Je Gerard Kruimel, op de koffie-onderneming Kalimanis
(adres: den heer van Haften te Malang), Java.
n n 9. Jaspers Jr., Kerkstraat bij de Spiegelstraat 167, te Amsterdam.
1881 -s2.
De heer H. Bos, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool te Wageningen.
XXX LIJST DER LEDEN ENZ.
1882-83.
De heer L. C. Dudok de Wit, te Amsterdam.
» » Dr. R. H. Saltet, Singel 318, te Amsterdam.
» » D. van der Hoop, Zwidblaak 64, te Rotterdam.
» » Dr. J. Bosscha Jz., Leeraar aan de Hoogere Burgerschool
te Breda.
n n Dr. Max Fürbringer, Hoogleeraar aan Universiteit, Stadhou-
derskade bij de Ferdinand-Bolstraat, 51 m, te Amsterdam.
» » H. M. Bruna, Predikant te Wijchen, bij Nijmegen.
nn Dr. R. Horst, Conservator bij ’s Rijks Museum van natuur-
lijke historie, Hooigracht, te Leiden.
BESTUUR.
President. Dr. A. W. M. van Hasselt.
Vice-President. P. C. T. Snellen.
Secretaris. F. M. van der Wulp.
Bibliothecaris. C. Ritsema Cz.
Penningmeester. J. W. Lodeesen.
COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT.
Dr. A. W. M. van Hasselt.
F. M. van der Wulp.
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts.
PUB Ee POV TIEFEN
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
BIJGEKOMEN BOEKEN VAN À aucusrus 1882
Tor 10 ocroBER 1883.
BIBLIOTHEEK A,
Natuurlijke Historie in het algemeen.
. Linnaeus (C.), Systema Naturae. Ed. 11°. Halae, 1760—70.
3 bdn. 8vo. (Geschenk van den heer A. C. Oudemans Jszn.).
. Mac Leod (Dr. J.), Leiddraad bij het onderwijzen en aanleeren
der Dierkunde. Algemeene Dierkunde. Gent, 1883. Met 1 plaat
en 61 figuren. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Trautvetter (E. R. v.), E. L. Regel, C. J. Maximowiez et K.
J. Winkler, Decas plantarum novarum. Petropoli, 1882. 4to.
(Geschenk van de Schrijvers).
Algemeene Dierkunde.
Bos (Dr. J. Ritzema), Landbouwdierkunde. Nuttige en schadelijke
dieren van Nederland. DI. II, aflev. 4—9. Groningen, 1850—82.
8vo. (Geschenk van den Schrijver).
. Collett (R.), Om to for Norges Fauna nye Dybvandsfiske. Chris-
tiania, 1880. 8vo. (Met de vijf. volgende nommers ten geschenke
van de Acad. v. Wetensch. te Christiania).
6, —— Craniets og Orcaabningernes Bygning hos de nordeuro-
paeiske Arter af Familien Strigidae. Christiania, 1881. 8vo.
7. —— Oreocincla varia Pall. og Aegialitis alexandri inus Linn.,
nye for Norges Fauna. Christiania, 1881. 8vo.
—— Carpodacus erythrinus Pall. og Botaurus stellaris Linus,
nye for Norges Fauna, Christiania, 1882. 8vo.
XXXII BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
10.
JL
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
Collett (R.), Thynnus thunnica Cuv. og Fierasfer dentatus Cuv.,
nye for Norges Fauna. Christiania, 1882. 8vo.
—— Myliobatis aquila Linn., ny for Norges Fauna. Christiania ,
1882. 8vo.
Jensen (O. S.), Turbellaria ad litora Norvegiae occidentalia.
Bergen, 1878. 4to. (Geschenk van den Schrijver).
Man (Dr. J. G. de), Careinological Studies in the Leyden Mu-
seum, N°. 3. Leyden, 1883. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Sars (G. O.), Carcinologiske bidrag til Norges Fauna. I. Mono-
graphi over de ved Norges kyster forekommende Mysider. 3e
Hefte. Christiania, 1879. 4to. (Met de vier volgende nommers ten
geschenke van de Acad. v. Wetensch. te Christiania).
— — Oversigt af Norges Crustaceer med forelobige Bemaerk-
ninger over de nye eller mindre bekjendte Arter. I (Podophthal-
mata, Cumacea, Isipoda, Amphipoda). Christiania, 1882. 8vo.
—— Fortsatte Bidrag til Kundskaben om vore Bardehvaler
„Finhvalen” og „Knolhvalen”. Christiania, 1880. 8vo.
—— Preliminary notices on the Schizopoda of H. M. 8. DRE
lenger” Expedition. Christiania, 1883. 8vo.
Schneider (J. Sparre), En notits om ,Solvkveiten” (Trachypterus
arcticus Brünn.). Christiania, 1882. 8vo.
Selys Longchamps (E. de), Excursion à l’île d’Helgoland en
Septembre 1880. Meulan, 1882, 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Weyenbergh (Dr. H.), Los habitantes del Rio Primero. Monte-
video, 1882. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Algemeene Entomologie.
Bos (Dr. J. Ritzema), Insektenschade op bouw- en weiland,
eene handleiding voor de kennis van de kleine vijanden van
akker- en weidebouw. Groningen, 1883. 8vo. (Geschenk van den
Schrijver).
Sahlberg (J.), Bidrag till det Nordenfjeldske Norges insektfauna. :
Christiania, 1880. 8vo. (Met de vier volgende nommers ten ge
schenke van de Acad. v. Wetensch. te Christiania).
Schneider (J. Sparre), Entomologiske Undersogelser i Sondre
Bergenhus Amt. Christiania, 1879. 8vo.
Schoyen (W. M.), Bemaerkninger til H. Siebke’s Enumeratio
insectorum Norvegicorum , fasc. V, pars I (Hymenoptera phyto-
phaga et aculeata). Christiania, 1880. 8vo.
24.
27.
33.
34.
37.
38.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING, XXXIII
Schoyen (W. M.), Supplement til H. Siebke’s Enumeratio insec-
torum Norvegicorum. Fasc. I-II (Hemiptera, Orthoptera et
Coleoptera). Christiania, 1879. Svo.
. Wallengren (H. D. J.), Ett försök att bestimma en del af de
utaf H. Strom beskrifna Norska Insekter. Christiania, 1880. 8vo.
Bijzondere Entomologie.
A. Coleoptera.
. Borre (A. Preudhomme de), Sur deux variétés de Carabiques
observées en Belgique. Bruxelles, 1882. Svo. (Met de zeven
volgende nommers ten geschenke van den Schrijver).
—— Analyse et résumé d’un mémoire de M. le Dr. G. H. Horn
„On the genera of Carabidae with special reference to the fauna
of Boreal America”. Bruxelles, 1882. 8vo:
. —— Nos Elaphriens. Bruxelles, 1882. Svo.
. —— Matériaux pour la faune entomologique de la province de
Liege. Coléoptéres: Troisieme centurie. Bruxelles, 1883. 8vo.
. —— Matériaux pour la faune entomologique de la province
d'Anvers. Coléoptéres. Deuxiême centurie. Bruxelles, 1882. 8vo.
. —— Matériaux pour la faune entomologique des Flandres.
Coléoptéres. Deuxiéme centurie. Bruxelles, 1882. 8vo.
. —— Matériaux pour la faune entomologique du Hainaut. Co-
leopteres. Première centurie. Bruxelles, 1882. 8vo.
—— Matériaux pour la faune entomologique de la province de
Limbourg. Coléoptères. Première centurie. Tongres, 1882. 8vo.
Leesberg (Mr. A. F. A.), Bijdrage tot de kennis der inlandsche
Halticiden. n°. 2. ’s Gravenhage, 1882. Met eene gekleurde plaat.
Svo. (Geschenk van den Schrijver).
. Ritsema Cz. (C.), On exotie Coleoptera. 2 Parts. Leyden, 1883.
8vo. (Geschenk van den Schrijver).
B. Lepidoptera.
. Berg (C.), Analecta Lepidopterologica. Buenos Aires, 1882. 8vo.
(Met het volgende nommer ten geschenke van den Schrijver).
—— Miscellanea Lepidopterologica. Buenos Aires, 1883. 8vo.
Moore (F.), The Lepidoptera of Ceylon. Part V—VIL With 53
eoloured plates. London, 1882/83. 4to. (Geschenk van de Engel:
sche Regeering).
3
XXXIV BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
39.
40.
41.
42
43.
AA,
45,
Schneider (J. Sparre), Oversigt over de i Nedenaes amt be-
maerkede Lepidoptera. Christiania, 1882. 8vo. (Met het volgende
nommer ten geschenke van de Acad. v. Wetensch. te Christiania).
Schoyen (W. M.), Om nogle for Norges og tildels ogsaa for
Skandinaviens Fauna nye Lepidoptera. Christiania, 1881. 8vo.
Scudder (S. H.), The Pine moth of Nantucket (Retinia frus-
trana). Boston, 1883. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Vollenhoven (Dr. S. C. Snellen van), Beschrijvingen en afbeel-
dingen van Nederlandsche Vlinders. (Vervolg op Sepp, Beschou-
wing der Wonderen Gods, enz.). ’s Gravenhage, 1882. DI. IV,
n°. 21 en 22. Met twee gekleurde platen. 4to.
Weyenbergh (H.), Una nueva especie del género Ceratocampa Harr. 5
C. Vogleri m. Montevideo, 1882. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
. C. Hymenoptera.
André (E.), Species des Hymenopteres d’Europe et d’Algérie.
Fasc. XV—XVII. Beaune, 1882/83. Avec planches. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschrift voor Entomologie).
Kirby (W. F.), List of the Hymenoptera, with descriptions and
figures of the typical specimens in the British Museum. Vol. I. Ten-
thredinidae and Siricidae. London, 1882. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschrift voor Entomologie).
. Mayr (Dr. G.), Die europäischen Arten. der gallenbewohnenden
Cynipiden. Wien, 1882. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
D. Hemiptera.
46. Berg (Dr. C.), Doce Heteromeros nuevos de la Fauna Argentina.
Buenos Aires, 1883. 8vo. (Met het volgende nommer ten geschenke
van den Schrijver).
47. —— Contribuciones al estudio de las Cicadidae de la Republica
_ Argentina y paises limitrofes. Buenos Aires, 1882. 8vo.
48. Lichtenstein (J.), Lettre à M. le Directeur du Messager agricole.
1883. 8vo. (Met het volgende nommer ten geschenke van den Schrijver).
49. —— De l’évolution biologique des pucerons en général et du
Phylloxéra en particulier. Paris et Bordeaux, 1883. 8vo.
E. Neuroptera.
50. Lachlan (R. Mac), A Revised List of British Trichoptera,
brought down to date; compiled with especial regard to the
„Catalogue of British Neuroptera” published by the Society in
1870. London, 1882. 8vo. (Met het volgende nommer ten geschenke
van den Schrijver).
51.
54.
55.
56.
57.
58.
59.
60.
61.
62.
63,
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XXXV
Lachlan (KR. Mac), On a Marine Caddis-fly (Philanisus Walk. =
Anomalostoma Brauer) from New-Zealand. London, 1882. 8vo.
Selys Longehamps (E. de), Sur la distribution des Insectes
Odonates en Afrique. Paris, 1881. 8vo. (Met de drie volgende
rommers ten geschenke van den Schrijver).
. —— Synopsis des Aeschnines. 1re partie: Classification. Bruxelles ,
1883. 8vo.
—— Odonates des Philippines. Madrid, 1882. 8vo.
—— Les Odonates du Japon. Bruxelles, 1883. 8vo.
F. Orthoptera.
Niets bijgekomen.
G. Diptera.
Plancy (V. Collin de), Note sur les Insectes Diptères parasites
des Batraciens. Paris, 1877. 8vo. (Met het volgende nommer
bijeen).
Taton (E.), Sur des Diptères parasites de la Rana esculenta L.
Paris, 1877. Svo. (Met het voorgaande nommer ten geschenke van
den heer E. Taton).
Weyenbergh (Dr. H.), Die Gattung Didymophleps m. Stettin,
1883. Svo. (Met het volgende nommer ten geschenke van den
Schrijver). ‘
—— Trypeta (Icaria) Scudderi n. sp. und ihre eigenthiimliche
Lebensweise. Wien, 1882. 8vo. _
Wulp (F. M. van der), Amerikaansche Diptera. II en III.
’s-Gravenhage, 1882/83. Met 4 gekleurde platen. 8vo. (Geschenk
van den Schrijver).
H. Arachnoidea en Myriapoda.
Hasselt (Dr. A. W. M. van), De Spinnen der Sumatra-Expeditie.
Leiden, 1882. Met 5 platen, waarvan 3 gekleurd. 8vo. (Geschenk
van den Schrijver).
Scudder (S. H.), A new species of Scolopendrella. Boston, 1882.
8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Palacontologie.
Borre (A. Preudhomme de), Sur un travail récent de M. S. H.
Scudder concernant les Myriapodes du Terrain houiller. Bruxelles,
1882. 8vo. (Geschenk van den Senrijver).
XXXVI BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
64.
65.
66.
67.
68.
71.
14.
75.
Seudder (S. H.), Older Fossil Insects West of the Mississippi.
Boston, 1882. 8vo. (Met de beide volgende nommers ten geschenke
van den Schrijver).
—— The tertiary Lake-Basin at Florissant , Colorado. Washington,
1883. 8vo.
—— The Carboniferous Hexapod Insects of Great Britain.
Boston, 1883. 4to.
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Mac Leod (J.), Recherches sur la structure et la signification de
l'appareil respiratoire des Arachnides. Bruxelles, 1882. 8vo. (Met
de beide volgende nommers ten geschenke van den Schrijver).
—— Contribution à Vétude de la structure de l’ovaire des
Mammiferes. Bruxelles, 1881. 8vo.
. —— Recherches sur la structure et le développement de l’ap-
pareil reproducteur femelle des Téléostéens. Bruxelles, 1881. 8vo.
Plateau (F.), Recherches expérimentales sur les mouvements
respiratoires des insectes. Communication préliminaire. Bruxelles,
1882. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Weyenbergh (Dr. H.), Principios Histologicos. 2da ed. Parte
primera. Cordoba, 1882. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Tijdschriften.
. Anales de la Sociedad cientifica Argentina. Buenos Aires, 1882/83.
Tom. XIV, XV y XVI, entr. 1 y 2. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.). i
. Boletin de la Academia Nacional de Ciencias en Cordoba (Repu-
blica Argentina). Buenos Aires, 1883. Tom. V, entr. 3. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Boletin del Instituto Geografico Argentino, publicado bajo la
direccion de su Presidente Dr. D. Estanislaos Zeballos. Buenos
Aires, 1882/83. Tom. III, cuad. 11—20; tom. IV, cuad. 1—6.
8vo. (Geschenk van het Argentünsch Geographisch Instituut).
Bulletin des Séances de la Société Entomologique de France.
Paris, 1882, n°. 9, 1421, 23 et 24; 1883, n°. 115 et 17.
8vo. (In ruil tegen de Verslagen der Ned. Ent. Ver.).
. Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Vol. IV,
n°. 3. Buffalo, 1882. Svo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
77.
78.
81.
82.
83.
84.
85.
86.
87.
88.
ENTOMOLOGISCUE VEREENIGING. XXXVII
Bulletin of the U. S. Geological and Geographical Survey of the
Territories. Vol. VI, n°. 3. Washington, 1882. 8vo. (Geschenk
van den heer F. V. Hayden).
Bullettino della Societa Entomologica Italiana. Anno XIV, trim.
2-4; anno XV, trim. 1. Firenze, 1882/83. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
. Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de
Belgique. Série III, n°. 21—36. Bruxelles, 1882/83. 8vo. (In
ruil tegen de Verslagen der Ned. Ent. Vereen.).
Entomologische Nachrichten, herausgegeben von Dr. F. Katter.
Jahrg. VIII, Heft 15—24; Jahrg. IX, Heft 1—8. Stettin,
1882/83. Svo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Entomologisk Tidskrift, pà föranstaltande af Entomologiska Före-
ningen i Stockholm. Utgifven af J. Spängberg. Arg. III, Häft 4.
Stockholm, 1882. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Entomologist (The). An Illustrated Journal of British Entomology.
Edited by J. T. Carrington. Vol. XV, n°. 231—235; vol. XVI,
n°. 236—245. London, 1882/83. 8vo.
Jahrbücher des Nassauischen Vereins für Naturkunde. Jahrg.
XXXV. Wiesbaden, 1882. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.).
Jahresheft des naturwissenschaftlichen Vereines des Trenesiner
Komitates. Redigirt von A. Pfeiffer. Jahrg. V. Trenesin , 1882. 8vo.
Memoirs of the Boston Society of Natural History. Vol. III,
n°. 4 and 5. Boston, 1882. 4to. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.).
Natura. Maandschrift voor Natuurwetenschappen. Uitgegev. d.h.
natuurk. genootsch. van Gent. Jaarg.I, aflev. 1. Gent, 1883. 8vo.
Naturhistorische Hefte nebst deutsch redigirter Revue, heraus-
gegeben vom ungarischen National-Museum in Budapest. Redigirt
von O. Herman. Band VI. Budapest, 1883. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indie, uitgegev. door
de Kon. Nat. Vereen. in Nederlandsch-Indie. DI. XLI. Batavia
en ’s-Gravenhage, 1882. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.).
Notiser ur Siillskapets pro Fauna et Flora Fennica Förhand-
lingar. Attonde Hiiftet. Helsingfors, 1882. Svo. (In ruil tegen het
Tijdschr, v. Entom.).
XXXVIII BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
90. Papilio. Devoted to Lepidoptera exclusively. Organ of the New-
91.
92.
93.
94.
95.
96.
97.
98.
99.
100.
101.
York Entom. Club. Vol. III, n°. 2—6. New-York, 1883. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Proceedings of the Boston Society of Natural History. Vol. XXI,
Prt. 2 and 3. Boston, 1882. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.).
Proceedings of the Davenport Academy of Natural Sciences.
Vol. III, n°. 1 and 2. Davenport, 1879—1882. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Proceedings of the Linnean Society of New South Wales. Vol. VI,
prt. 4; vol. VII, prt. 1—3. Sydney, 1882. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.).
Proceedings of the Natural History Society of Glasgow. Vol. vu
prt. 1. Glasgow, 1882. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.).
Proceedings of the seientifie Meetings of the Zoological Society
of London for the year 1881, part 4; and for the year 1882,
part 1—3. London, 1882. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.).
Psyche, Organ of the Cambridge Entomological Club. Vol. III,
n°. 90—92, and 97. Cambridge, 1881/82. 8vo. (Geschenk van
den Uitgever).
Report (Annual) of the Board of Regents of the Smithsonian
Institution for the year 1880. Washington, 1881. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Report (Annual) of the Commissioner of Agriculture for the
year 1880. Washington, 1881. 8vo. (Geschenk van het U. S.
Department of Agriculture).
Schriften der physikalisch-ökonomischen Gesellschaft zu Königs-
berg. 23ster Jahrg. Königsberg, 1882. 4to. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.).
Science. Published weekly at Cambridge, Mass. U. S. Vol. I,
n°. 1, 5, 7, 10 and 15. Cambridge, 1883. 8vo.
Transactions of the American Entomological Society, and Pro-
ceedings of the Entomological Section of the Academy of Natural
Sciences. Vol. IX, vol. X n°. 1. Philadelphia, 1881/82. 8vo,
(In ruil tegen het Tijdschr, v. Entom.).
102.
103.
104.
105.
106.
107.
108.
109.
110.
aaa
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XXXIX
Tijdschrift der Nederlandsche Dierkundige Vereeniging. DI. VI,
aflev. 1; Supplement DI. I. Leiden, 1882/83. 8vo. (In rui
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap gevestigd te
Amsterdam. DI. VI, n°. 5; DI. VII, n°. 1—3, benevens de
Bijbladen n°. 10 en 11. Amsterdam en Utrecht, 1882/83. 4to.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederl. Entom.
Vereen. DI. XXV, aflev. 4; dl. XXVI, aflev. 1 en 2. Met
platen. ’s-Gravenhage, 1882/83. Svo.
Verhandlungen des naturforschenden Vereines in Brünn. Bd. XX.
Mit Tfin. Brünn, 1882. Svo. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.).
Verslag van de 37ste Zomervergadering en van de 16de Win-
tervergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging,
gehouden te Wageningen op 1 Juii 1882 en te Leiden op 14
Januari 1883. ’s-Gravenhage, 1883. 8vo.
Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van
Wetenschappen, afdeeling Natuurkunde. 2de Reeks, 18de deel,
en 19de deel, iste stuk. Amsterdam, 1882/83. 8vo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Zeitschrift für Naturwissenschaften. Herausgegeb. vom Natur-
| wissenschaftl. Verein für Sachsen und Thüringen in Halle.
Bd. LV; Bd. LVI, Heft 1 und 2. Berlin und Halle a. &.,
1882/83. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Reizen.
Niets bijgekomen.
Varia.
Boekwerken ter tafel gebracht in de Vergaderingen van de
Directie der Koninklijke Natuurkundige Vereeniging te Batavia
gedurende het jaar 1882. Batavia, 1882. Svo.
Borre (A. Preudhomme de), Notice nécrologique sur Jules
Putzeys, suivie d’une liste de ses ouvrages entomologiques.
Bruxelles, 1882. 8vo. (Met het volgende nommer ten geschenke
van den Schrijver).
—— Rapport sur les Manuscrits de feu J. Putzeys. Bruxelles,
1882, 8vo,
114.
115.
116.
117.
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
. Catalogue des Préparations microscopiques de Franz Richter à
Montpellier. Montpellier, 1883. 8vo.
Congressionnal Directory (Forty-seventh Congress) compiled for
the use of Congress by B. Perley Poore. 2nd Ed. Washington,
1882. 8vo.
Handleiding voor het verzamelen, bewaren en verzenden van
uitlandsche insecten, uitgegeven door de Nederlandsche Ento-
mologische Vereeniging. ’s-Gravenhage, 1882. 8vo.
Informe Decimo anual del Museo Zoologica de la Universidad
nacional en Cordoba. Cordoba, 1882. 8vo. (Geschenk van Prof.
H. Weyenbergh).
List of the Fellows, ete. of the Zoological Society of London,
corrected to June Ist 1882. London, 1882. 8vo.
List of Foreign Correspondents of the Smithsonian Institution ,
corrected to January 1882. Washington , 1882. 8vo.
BIBLIOTHEEK B.
Natuurlijke Historie in het algemeen.
Niets bijgekomen.
Algemeene Dierknnde.
Niets bijgekomen.
Algemeene Entomologie.
. Waterhouse (Ch. O.), Aid to the identification of insects. With
Lithographs bij Edw. Wilson. Part 13—18. London, 1882/83. 8vo
Bijzondere Entomolegie.
A. Coleoptera.
Reitter (Edm.), Naturgeschichte der Insekten Deutschlands
(begonnen von Erichson, fortgesetzt von Schaum u.-A.). 1ste
Abth. Coleoptera. Bd. III, 2te Abth., iste Liefer. Berlin,
1882. 8vo.
. Weise (J.), Naturgeschichte der Insekten Deutschlands (begon-
nen von Erichson, fortgesetzt von Schaum u. A.). iste Abth.
Coleoptera. Bd. VI, 2te Liefer. Berlin, 1882. 8vo.
Westhoff (Fr.), Die Käfer Westfalens. 2te Abtheilung. Bonn,
1882. Svo. (Supplement zu den Verhandl. d. naturh, Vereins
der preuss, Rheinlande und Westfalens).
\
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLI
B. Lepidoptera.
5. Moore (F.), The Lepidoptera of Ceylon. Part V—VII. With 53
coloured plates. London, 1882/83. 4to.
6. Vollenhoven (S. C. Snellen van), Beschrijvingen en afbeeldingen
van Nederlandsche Vlinders (Vervolg op Sepp, Beschouwing der
Wonderen Gods, enz.). ’s Gravenhage; 1883, DI. IV, n°. 21 en
22. Met 2 gekl. platen. 4to.
C. Hymenoptera.
7. Mayr (Dr. G.), Die europäischen Arten der gallenbewohnenden
Cynipiden. Wien, 1882. Svo.
D. Hemiptera.
Niets bijgekomen.
E. Neuroptera.
Niets bijgekomen.
F. Orthoptera.
Niets bijgekomen.
G. Diptera.
Niets bijgekomen.
H. Arachnoidea en Myriapoda.
Niets bijgekomen.
Palaeontologie.
Niets bijgekomen.
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Niets bijgekomen.
Tijdschriften.
8. Album der Natuur. Tijdschrift ter verspreiding van natuurkennis
onder beschaafde lezers van allerlei stand. Jaarg. 1882, afl. 10—12;
1883. Haarlem, 1882/83. 8vo.
_ Wetenschappelijk en alphabetisch zaak- en naamregister op het
Album der Natuur, 1864—1882, bewerkt door ©. Ekama.
Haarlem, 1883. 8vo.
XLII
ah
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
Io
18.
19.
BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
Annales de la Société Entomologique de France. 6me ser. Tom, I.
Paris, 1881/82. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v, Entom.).
Annales des Sciences naturelles. Zoologie et Paléontologie, 6me
ser. Tom. XIII, n°. 2—6; tom. XIV; tom. XV, n°. 1—4.
Paris, 1882/83. 8vo.
Annals and Magazine of Natural History. Conducted by Giinther,
Dallas, Carruthers and Francis. 5th ser. vol. X, n°. 2—6; vol.
XI; vol. XII, n°. 1-4. London, 1882/83. 8vo.
Archiv für Naturgeschichte. Gegrundet von Wiegmann und fort-
gesetzt von Erichson, Troschel und von Martens. Jahre. 45,
Heft 6; Jahrg. 46, Heft 6; Jahrg. 47, Heft 6; Jahrg. 48,
Heft 3—5; Jahrg. 49, Heft 1—4. Berlin, 1879—83. 8vo.
Archives (Nouvelles) du Museum d’Histoire Naturelle de Paris.
2me ser. tom. V. Paris, 1882/83. 4to.
Bericht über die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der
Entomologie während die Jahre 1881 und 1882, von Dr. Ph.
Bertkau. Berlin, 1882/83. 8vo.
Berliner Entomologische Zeitschrift. Herausgegeben von dem En-
tomologischen Verein in Berlin. Redactor: Dr. H.. Dewitz.
Jahrg. XXVI, 2tes Heft, Jahrg. XXVII, istes Heft. Mit Tafin.
Berlin, 1882/83. 8vo. (In rwil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou,
publié sous la direction du Dr. Renard. Année 1881, n°. 4;
Année 1882, n°. 1. Moscou, 1882. 8vo.
Table générale et systématique des matières contenues dans
les 56 volumes (années 1829—1881) du Bulletin, dressée par
E. Ballion. Moscou, 1882. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v.
Entom.).
Deutsche Entomologische Zeitschrift. Herausgegeben von der
Deutschen Entomologischen Gesellschaft. Redactor Dr. G. Kraatz.
Jahrg. XXVI, 2tes Heft; Jahrg. XXVII, 1stes Heft. Mit Tafin.
Berlin, 1882/83. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Entomologische Zeitung. Herausgegeben von dem Entomologischen
Vereine zu Stettin. Jahrg. XLIII. Stettin, 1882. Svo. (In ruil
tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Entomologist’s (I'he) Monthly Magazine. Conducted bij Douglas,
Barrett, Mc. Lachlan a. o. Vol. XIX, n°. 3—12; vol. XX,
n°. 1—5, London, 1882/83, 8vo,
20.
21.
22.
23.
24.
25.
26,
27.
28.
29.
30.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING, XLIII
Horae Societatis Entomologicae Rossicae. Tom. XVI. Av. 15
planches. St. Petersbourg, 1881. 8vo; benevens tom. XI—XIII
van het Russische ‘Tijdschrift. (In ruil tegen het Tijdschr. v
Entom.).
Journal (The) of the Linnean Society of London. Zoology. Vol.
XV, n°. 86—88; vol. XVI, n°. 89—94. London, 1881/82. 8vo.
(In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft.
Redigirt von Dr. G. Stierlin. Vol. VI, Heft 7. Schaffhausen,
1882. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.).
Notes from the Leyden Museum. Edited bij H. Schlegel. Vol.
IV, n°. 4: vol. V. Leyden, 1882/83. 8vo.
Transactions of the Entomological Society of London for the
year 1882, London, 1882. With Plates. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.).
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederl. Entom.
Vereen. DI, XXV, afl. 4; dl. XXVI, aflev. 1 en 2. Met gekl.
platen. ’s Gravenhage, 1882/83. 8vo.
Verhandlungen des naturhistorischen Vereines der preussischen
Rheinlande und Westfalens. Herausgegeben von Dr. C. J. Andrä.
Jahrg. XXXIX, iste Hälfte. Bonn, 1882. 8vo. (In ruil tegen
het Tijdschr. v. Entom.). ‘
Verslag van de 37ste Zomervergadering en van de 16de Winter-
vergadering der Nederl. Entom. Vereen. gehouden te Wageningen
op 1 Juli 1882 en te Leiden op 14 Januari 1883. ’s Graven-
hage, 1883. 8vo.
Wiener Entomologische Zeitung. Herausgegeben und redigirt von
S. Ganglbauer u. A. Jahrg. I, Heft 8—12; Jahrg. II, Heft
1—9. Mit Tafin. Wien, 1882/83. 8vo.
Zoological Record for 1881. London, 1882. 8vo.
Zoologist (The), a Monthly Journal of Natural History, edited
bij J. Harting. 3rd ser. vol. VI, n°. 68—72; vol. VII, n°. 73—82.
London, 1882/83. 8vo.
Reizen.
Niets bijgekomen.
Varia.
Niets bijgekomen.
ENTOMOLOGISCHE INHOUD
VAN
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN.
Augustus 1882.
Entomologist (The), an Illustrated Journal of General Entomology.
Edited by J.T. Carrington. Vol. XV, n°. 231 (August 1882) (a). 1)
External Parasites of Spiders (with Illustration) by E. A. Fitch. —
Natural Localities of British Coleoptera, by the Rev. W. W.
Fowler. — Introductory Papers on Ichneumonidae, by John
B. Bridgman and E. A. Fitch. — Notes on the Season, by R.
South. — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XIX, n°. 219 (Au-
gust 1882) (b).
The Natural History of Rivula sericealis, by W. Buckler. — A
Life-history of Papilio Paeon Roger, by J. J. Walker. — Des- |
criptions of the larvae of Hawaiian Lepidoptera, by the Rev.
T. Blackburn. — On Nyctemera biformis Mab. and two other
forms of Nyctemeridae from Madagascar, by A. G. Butler. —
Notes on British Tortrices, by C. G. Barrett. — Further Tro-
pical Notes, bij W. B. Pryer. — Characters of new genera and
descriptions of new species of Geodephaga from the Hawaiian
Islands, by the Rev. T. Blackburn. — Description of a species
of Psyllidae recently new to Great Britain, by J. Scott. — En-
tomological Notes, Captures, etc. — Reviews.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. X, n°. 56
(August 1882) (6).
1) (4) duidt aan dat het werk tot de oorspronkelijke Bibliotheek der Ned. Ent.
Vereeniging, (2) dat het tot de Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier behoort.
4
ENT. INHOUD VAN ONTV. TIJDSCHRIFTEN. XLV
The Entoniseidae, bij Dr. R. Kossman. — On some new Spiders
of the Genus Coerostris from Madagascar, by A. G. Butler. —
Carcinological Investigations on the Genera Pemphiv, Glyphea
and Araeosternus, by T. C. Winkler. — Descriptions of new
Species of Lepidoptera, chiefly from Duke-of-York Island and
New Britain, by A. G. Butler. — On the Priority of Euploea
Castelnaui of Felder over Euploea Phoebus, bij W. L. Distant. —
On Variation in the Nest-forms of the Furrow-Spider (Epeira
strix), by the Rev. Dr. H. C. Me Cook. — On Segmentation in
the Mites, by P. Kramer.
. Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. 1, Heft 8 (August 1882) (0).
Die Eupithecien Oesterreich-Ungarns (Schluss), von O. Bohatsch. —
Carpophilus bipustulatus Heer und quadrisignatus Erichs., von E.
Reitter. — Orthezia cataphracta Shaw, von F. Löw. — Priorität
oder Continuitiit, von C. R. Osten Sacken. — Ueber die Dipteren-
Gattung Neottiophilum Frauenf., von J. Mik. — Coleopterologi-
sche Notizen, II, von E. Reitter. — Litteratur und Notizen.
Archiv für Naturgeschichte, herausgegeben von Dr. Troschel. Jahrg.
48, Heft 3 (b).
Ueber das Cribellum und Calamistrum. Ein Beitrag zur Histiologie,
Biologie und Systematik der Spinnen, von Dr. Ph. Bertkau. —
Ueber den Duftapparat von Hepialus Hecta L., von Dr. Ph.
Bertkau. — Ueber den Stinkapparat von Lacon murinus L.,
von Dr. Ph. Bertkau. — Ueber Gamasiden, von P. Kramer.
Annales des Sciences Naturelles. Zoologie. 6™ ser. tom. XIII, n°. 2 à 4(b.)
Recherches sur l’organisation des larves des Ephémérines, par M.
Vayssière (suite).
Bullettino della Societa Entomologica Italiana. Anno XIV, trim. 2 (a).
Dott. P. Magretti, Sugli Imenotteri della Lombardia. Memoria
II. — E. Cantoni, Escursione in Calabria; Chernetidi ed Opi-
lionidi. — L. Simonetta, Elenco sistematico dei Pediculini appar-
tenente al Museo Zoologico della R. Universita di Pavia. —
P. Stefanelli, Nuova forma di Biston graecarius Staud. — R.
Latzel, Descrizione di un nuova Litobio italiano (Lithobius
tylopus). — F. Sordelli, Note sopra alcuni insetti fossili di Lom-
bardia. — P. Stefanelli, Osservazioni sui costumi e sullo sviluppo
dell’ Aeschna cyanea Müll. — P. Magretti, Varieta ed anomalie
osservate. in alcune Tentredini. — P. Mayer, Contribuzione
alla storia naturale degli insetti del fico: annunzio. — L. Mac-
| chiati, Aggiunte agli afidi di Sardegna. — Letteratura entomo-
logica italiana. —- Rassegna e bibliografia entomologica. — No-
tizie di entomologia applicata.
XLVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Entomologische Nachrichten. Herausgegeben von Dr. F. Katter.
Jahrg. VIII, Heft 15 und 16 (a).
Neue Psociden der paläarktischen Region, von H. Kolbe. — Ueber
die Gruppe Argus-Aegon des Genus Lycaena, nach W. M.
Schöyen. -— Literatur. — Nekrolog: A. W. Malm und N Wes-
tring. — Baron von Osten Sacken’s Chaetotaxie der Dipteren ,
besprochen von J. Mik. — Sammelbericht, von E. Hallema. —
Literatur. —- Nekrolog: Ph. A. de Rougement. — Ueber die
Unempfindlichkeit der Eristalis-Larven gegen üble Gerüche. —
Apidae Europaeeae. — Tagesordnung der 55ste Versammlung
Deutscher Naturforscher und Aerzte in Eisenach. — Rückschritte
in der Blumentüchtigkeit durch Verlust der Flügel und durch
Zersplitterung der Nahrungserwerbs-Thätigkeit auf verschieden-
artige Bezugsquellen (Ameisen). |
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de Belgi-
que. Sér. III, n°. 21 (a).
M. Lallemand, Note sur la Zygena Hippocrepidis ; note sur la
variété Aestiva de la Lycaena Astrarche; renseignements locaux
sur quelques especes de Lepidopteres rares en Belgique.
Bullettino della Societa Entomologica Italiana. Anno XV, trim. 1 (a).
A Curo e G. Turati, Saggio di un Catalogo dei Lepidotteri
d'Italia, parte VI°. Microlepidotteri.
Bulletin des Séances de la Société Entomologique de France. 1882,
n°. 14 et 15 (a).
Notes sur les Zabrus frangais, par L. Bedel. — Observations sur
divers Lathridiens, par le Rév. Belon. — Notes synonymiques,
par E. Abeille de Perrin. — Description d’une nouvelle espèce
d’Anophthalmus, par le Dr. L. W. Schaufuss. — Diagnoses de
genres et espèces inédits de Syrphides (3° et derniére partie),
par M. F. Bigot. --- Note sur l’Orithyia mamillaris Fabr., par
H. Lucas. — Note sur les genres Eutomus Lacord. et Plagyth-
mysus Motsch., par le Dr. G. Horn. — Capture d’un Névroptère
du genre Biltacus, par le Dr. A. Laboulbéne.
September 1882.
Entomologist (The). Edited bij J. T. Carrington. Vol. XV, n°. 232
(September 1882) (a).
A few Notes on the Larval State of te Pea- weevil (Silones naos
Linn.), by Th. H. Hart. — Captures at Folkestone during
July, by R. E. Salwey. — Natural localities of British Coleo-
ptera, by the Rev. W. W. Fowler. — Coleophora Inulae, by
W. Machin. — Entomological Notes, Captures, etc.
ONTVANGEN TIJDSOHRIFTEN, XLVII
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XIX, n°. 220 (Sep-
tember 1882) (0).
A probable clue to the habits of Chauliodus insecurellus, by H.
T. Stainton. — Description of a new species of Pentatomidae
from Japan, by W. L. Distant. — Natural History of Enny-
chia anguinalis, by W. Buckler. — A contribution to the Life-
history of Spercheus emarginatus, by the Rev. W. W. Fowler. —
Notes on the Neuroptera of Langdale, by J. J. King. — On
the specific identity of Terias Hecabe and T. Mandarina by H.
Pryer. — Hymenoptera and Hemiptera at Deal in July and
August 1882, by E. Saunders. — Entomological Notes, Cap-
_ tures, etc. — Obituary: George Norman.
Annals and Magazine of Natural History. 5th. ser. vol. X, n°. 57
(September 1882) (b).
Descriptions of new species of Lepidoptera, chiefly from Duke-of-
York Island and New-Britain, by A. G. Butler. — Undescribed
Rhopalocera from the Malay Peninsula, by W. L. Distant. —
A Word respecting Mr. Distant’s Notes on Euploea Castelnau,
by A. G. Butler.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. I, Heft 9 (September 1882) (b).
Katalog der Psylliden des paläarktischen Faunen-Gebietes, von
F. Löw. — Zur Biologie von Gonatopus pilosus Thoms., von
J. Mik. — Zwei neue Otiorrhynchus-Arten aus dem Kaukasus,
von E. Reitter. - Note sur la synonymie de quelques Nystus,
par A. Puton. — Die Metamorphose und Lebensweise von Hir-
moneura obscura Meig., einem Vertreter der Dipteren-Familie
Nemestrinidae, von A. Handlirsch. — Ueber Dorcadion graecum
Walil, von L. Ganglbauer. — Literatur.
Album der Natuur. Jaarg. 1882, aflev. 11 (b).
Hoe sluipwespen den vijgenboom (Ficus carica L.) bevruchten ,
door Dr. Th. Cattie.
Psyche, Organ of the Cambridge Entomological Club. Vol. III,
Ms ie (OE
Musca domestica Linn. versus Vespa occidentalis Cresson, by F.
Huttington Snow. — Asymmetry of the nervous system in the
larva of Harpyia, by A. K. Dimmock. — Note on Catogenus
rufus, by G. Dimmock. — Note on Deilephila lineata F., by
H. W. Parker.
Entomologische Nachrichten , herausgegeb. von Dr. F. Katter. Jahrg.
VIII, Heft 17 und 18 (a).
XLVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Riickschritte in der Blumentiichtigkeit durch Verlust der Flügel
und durch Zersplitterung der Nahrungserwerbs-Thätigkeit auf ver-
schiedenartige Bezugsquellen (Schluss). — Ichneumoniden-Studien ,
von J. Kriechbaumer. — Kleine Lepidopterologische Mittheilungen,
von Bieger. — Verschiedenes.
October 1882.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XV, n°. 233
(October 1882) (a).
Observations upon our Plant-mining and Gall-making Diptera and
Hymenoptera in 1882, by P. Inchbald. — Introductory Papers
on Ichneumonidae, by J. B. Bridgman and E. A. Fitch. —
Natural Localities of British Coleoptera, by the Rev. W. W.
Fowler. — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XIX, n°. 221 (October
1882) (0).
On some points in the economy of Zaraea fasciata, be J. A.
Osborne. — Capture of Crabro gonager ¢ in Gloucestershire, by
V. R. Perkins. — On the strange Coleophora reputed to a
on wheat in Russia, by H. T. Stainton. — Natural History of
Ephestia passulella , by W. Buckler. — Notes on certain Micro-
lepidoptera, by A. G. Butler. — Description of a new species
of Pentatomidae from Madagascar, by W. L. Distant. — Re-
discovery of Perla Ferreri Pict., by R. Me Lachlan. — Ento-
mological Notes, Captures ete.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. X, n°. 58
(October 1882) (b).
On the Affinities of Palaeocampa Meek and Worthen, as Evidence
of the wide Diversity of Type in earliest known Myriopods, by
S. H. Scudder. — Carcinological Investigations on the Genera
Pemphix, Glyphea and Araeosternus, by T. C. Winkler. —
List of Lepidoptera recently collected by Lieut. Alfred Carpenter
at Yedo and Oö-Sima, by A. G. Butler. — The Pelagic Fauna
of Freshwater Lakes, by Prof. F. A. Forel.
Zoologist (The). Edited by J. E. Harting. 3rd ser. vol VI, n°. 70
(October 1882) (0).
Notes and Observations on British Stalk-eyed Crustacea, by J.
T. Carrington and E. Lovett.
Notes from the Leyden Museum. Edited by H. Schlegel. Vol. IV,
n°. 4 (October 1882) (b).
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. XLIX
Description d’une espéce nouvelle du genre Afraclocerus, par L.
Fairmaire. — Coléoptères hétéroméres de Sumatra, deerits par
L. Fairmaire.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. I, Heft 10 (October 1882) (b),
Zur Kenntniss der europäischen Anomala-Arten, von L. Gangl-
bauer (Schluss). — Ueber die ersten Stände einiger Syrphiden
und eine neue Myiolepta-Art, von Dr. E. Becher. — Eine neue
Lygaeiden-Art aus Griechenland, von Dr. G. Horväth. — Ueber
die systematische Stellung von Pleganophorus bispinosus Hampe ,
von Edm. Reitter. — Die Puppe von Melandrya caraboides L.,
von Th. Beling. — Literatur. — Notizen.
Tijdschrift voor Entomologie. Deel XXV, aflev. 4 (a en b).
Bijdrage tot de kennis der inlandsche Haltieiden, door Mr. A. F.
A. Leesberg (slot). — Studién over de klank-organen, den zang
en den schreeuw der Cicaden, door Dr. A. W. M. van Hasselt. —
Beschrijving eener nieuwe Javaansche Phycide , Ephestia guttella,
door P. C. T. Snellen. — Aanteekeningen over Afrikaansche
Lepidoptera, door P. C. T. Snellen.
Album der Natuur. Jaarg. 1882, aflev. 12 (b).
Nut van Mieren in den tuinbouw, door P. Harting. — Bevruch-
ting van planten door tusschenkomst van insecten, door D. L.
Entomologische Nachrichten , herausgegeb. von Dr. F. Katter. Jahrg.
VIII, Heft 19 und 20 (a)
Ueber den Kletterapparat der Insekten. — Ueber Aufbewahrung
und Versandt von Käfer-Doubletten. — Chrysis eyanopyga DIb.,
von Lamprecht. — Die Hummeln Steiermarks. Lebensgeschichte
und Beschreibung derselben, von Prof. Dr. Ed. Hoffer bespro-
chen. — Literatur. — Kleinere Mittheilungen. —- Europäische
Futterpflanzen verschiedener exotischer Schmetterlinge. — Die
Sklaven haltenden Ameisen. — Der Mombacher Wald und seine
Lepidopteren. — Die deutschen Clavigeriden, Pselaphiden und
Scydmaeniden. — Biologisches über Ocneria dispar, von H
Gaukler. — Kleinere lepidopterologische Mittheilungen, von H
Gaukler und Anderen. — Literatur.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo XIV, entr. 1 (a).
Contribuciones al estudio de las Cicadidae de la Republica Argentina
y Paises limitrofes, por C. Berg.
Bulletin of the U. 8. Geolog. and Geograph. Survey of the Terri-
tories. Vol. VI, n°. 3 (a).
New Moth, with partial catalogue of Noctuae, bij A. R, Grote. —
4
L ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
New Moths, principally collected bij Mr. Roland Thaxter in
Maine, with notes on noxious species, and remarks on classi-
fication, bij A. R. Grote.
Bulletino della Società Entomologica Italiana. Anno XIV, trim. 3 e 4 (a).
P. Magretti, Sugli Imenotteri della Lombardia. Ila Mem. (cont. e
fine). — T. Catani, La classificazione degli Ortotteri. — P.
Bargagli, Contribuzioni alla biologia dei Lixidi. — A. Targioni
Tozzetti, Sull’organo ventrale del Geophilus Gabrielis. — J. Lich-
tenstein, Les mâles de quelques Coccidiens. — L. Macchiati,
Specie di Afidi che vivono nelle piante della Sardegna. —
A. Berlese, Gamasidi nuovi e poco noti, — Artropodi raccolti
a Lavaiano (provincia di Pisa) da G. Cavanna. — A. Targioni
Tozzetti, Armature genitali maschili degli Ortotteri saltatori.. —
Letteratura Entomologica Italiana. — Rassegna e Bibliografia
entomologica. — Note di entomologia applicata.
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de Belgique.
Ser. III, n°. 23 et 24 (a).
Galles de Compiles par M. van Segvelt. — Hémiptéres de Belgique,
par M. Lethierry. — Description de deux nouvelles espèces de
Psychides, par M. F. J. M. Heylaerts. — Observations relatives
à des chenilles de Microlépidoptères inconnues et inédites, par
M. F. J. M. Heylaerts. — Note sur l’Amara spreta et famelica,
par M. A. Preudhomme de Borre. — Macrophyia albo-annulata ,
. nouvelle pour la Belgique, par M. le Dr. Jacobs.
November 1882.
Entomologist (The). Edited bij J. T. Carrington. Vol XV, n°. 234
(November 1882) (a). i
On the European Species of the Genus Smicra (Chalcididae), with
illustration, bij W. F. Kirby. — Causes of Abundance or otherwise
of Lepidoptera, bij W. F. de Vismes Kane. -- Natural Loca-
lities of British Coleoptera, by the Rev. W. W. Fowler. — The
Macro-Lepidoptera of the Isle of Arran, by J. Jenner Weir. —
Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XIX, n°. 222 (Novem-
ber 1882) (0).
Notes on new British Coleoptera since 1871, etc., by the Rev.
W. W. Fowler. — Natural History of Pionea stramentalis, by
W. Buckler. — A new European Panorpa , by R. Me. Lachlan, —
Notes on Tenthredinidae (continued), by P. Cameron. — Notes
on British Tortrices (continued), by C. G. Barrett. — Synte-
liidae, a family to include Syntelia aud Sphaerites, with a note
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, Li
of a new species, by G. Lewis. — Entomological Notes, Cap-
tures, ete. — Obituary: Dr. G. H. K. Thwaites. — Proceedings
of the Entomological Society.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. X, n°. 59
(November 1882) (0).
Note on Rhacodes inscriptus Koch and Armadillo officinalis Duméril ,
terrestrial Isopoda, by the Rev. A. E. Eaton. — Descriptions
of new species of Lepidoptera from Tenasserim , by A. G. Butler. —
On the species of Ocypoda in the Collection of the British Museum,
by E. J. Miers. — On some apparently undescribed Rhopalocera ,
by W. L. Distant.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. I, Heft 11 (November 1882) (0).
Ueber ein neues Gallinsect aus Nieder-Oesterreich, von J. Mik. —
Beitrag zur Kenntniss der Lebensweise zweier Trypetinen, von
A. Handlirsch. — Zur Kenntniss der Nadelholz-Coceiden, von
Fr. Löw. — Beiträge zur Kenntniss der Biologie, Systematik und
Synonymie der Insecten, von F. A. Wachtl. — Revision der
Eupithecien Treitschke’s, von O. Bohatsch. — Literatur, No-
tizen und Correspondenz.
Album der Natuur. Jaargang 1883, aflev. 1 (b).
. Johannes Florentius Martinet, door Prof. P. Harting. -- Nog iets
over de sluipwespen van den vijgeboom, door Dr. J. Th. Cattie.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo XIV, entr. 3 (a).
Asilides Argentinos (continuacion), por E. Lynch Arribalzaga.
Archiv für Naturgeschichte. Herausgegeb. von Prof. Troschel. Jahrg. 48,
Heft 4 (b).
Bericht über die Leistungen im Gebiete der Anthropoden während
des Jahres 1881, van Ph. Bertkau.
Idem, Jahrg. 49, Heft 1 (0)
Ueber einen auffallenden Geschlechtsdimorphismus bei Psociden -
nebst Beschreibung einiger neuer Gattungen und Arten, von
Dr. Ph. Bertkau.
Entomologische Nachrichten, herausgegeb. von Dr. F. Katter. Jahrg.
VIII, Heft 21 und 22 (a).
Einige neue Hymenoptera, von Dr. Rudow. — Der Mombacher
Wald und seine Lepidopteren (Fortsetzung). — Plusia Beckeri
Stgr., eine südrussische Eule in den höheren Theilen der
Abruzzen entdeckt, von Dr. O. Staudinger besprochen. — Lite-
ratur. — Die Raupe von Eupithecia succenturiata, von Dr. M.
F. Wocke. — Eupithecia succenturiata, von O. Wackerzapp. —
Ctenophora atrata Linné, von G. de Rossi. — Der Mombächer
Lit ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Wald und seine Lepidopteren (Schluss). — Thüringer Entomo-
logen-Verein. — Catalogue voyageur. — Zur Nomenclatur (haupt-
sächlich) der deutschen Tagfalter, insbesondere bezüglich der
Deutschnamen, von Prof. Dr. L. Glaser.
December 1882.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XV, n°. 235
(December 1882) (a).
Natural Localities of British Coleoptera, by the Rev. W. W.
Fowler. — A Day’s Collecting on Ben Tigh, by J. H. Leech. —
The Lepidoptera Hacknay Marshes, by E. Anderson. — Intro-
ductory Papers on Ichneumonidae, by J. B. Bridgman and E.
A. Fitch: — Platymetopius undatus De Geer, bij G. C. Bignell. —
Entomological Notes, Captures, etc. — Obituary: A. W. Hey.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XIX, n°. 223 (December
1882) (0).
Annotated List of British Anthomyidae (continued), by R. H.
Meade. — Natural History of Endotricha flammealis, by W.
Buckler. -— Addition to the British Fauna of a new genus and
species of Hemiptera-Homoptera, by J. Scott. — Contributions to '
a Knowledge of the Rhynchotal Fauna of Sumatra, by W. L.
Distant. — Entomological Notes, Captures, etc. — Notes on
new British Coleoptera since 1871 etc. (continued), by the Rev.
W. W. Fowler.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol X, n°. 60
(December 1882) (0).
Mimiery between Butterflies of Protected Genera, by R. Meldola, --
Descriptions of new species of Sphingidae, chiefly from Africa,
by A. G. Butler. — Descriptions of some new genera and species
of Curculionidae, mostly Asiatic, by F. P. Pascoe. — A new
genus of Anthribidae, by F. P. Pascoe. — Eryoneicus, a new
genus allied to Wallemoesia, by C. Spence Bates. — Note on
Platyarthrus Hoffmannseggii Brandt, and Helleria brevicornis Ebner,
Terrestrial Isopoda, by the Rev. A. E. Eaton. — Norwegian
and Scottish Lepidoptera, by M. W. M. Schöyen.
* Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. I, Heft 12 (December 1882) (b).
Beiträge zur Kenntniss der gallenerzeugenden Insecten Europas,
von F. A Wachtl. — Beiträge zur Kenntniss der Biologie,
Systematik und Synonymie der Insecten, von F. A. Wachtl. —
Ueber einige von Tournier beschriebene Dorcadien, von Dr. G.
Kraatz und L. Ganglbauer. — Ueber die Gattungsnamen Cimex
und Acanthia, von O. M. Reuter. — Eine neue Cimex-Art aus
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LIII
der Wiener-Gegend, beschrieben von 0. M. Reuter. — Revision
der Eupithecien Treitschke’s, von O. Bohatsch (Schluss). —
Literatur, Notizen and Correspondenz der Redaction.
Entomologische Nachrichten, herausgegeb. von Dr. F. Katter. Jahrg.
VIII, Heft 23 und 24 (a).
Zur Nomenclatur (hauptsächlich) der deutschen Tagfalter, insbe-
sondere bez. der Deutschnamen, von L. Glaser (Fortsetzung). —
Beitrag zur Biologie der Andrena pratensis Nyl. (ovina KI.),
von H. Friese. — KEupithecia togala in Chermes-Gallen, von
C. Schmidt. — Schwärmer in Bienenstöcken, von Katter. —
Ein Todtenkopf auf See, von M. Wahnschaffe. — Amphipyra
Tetra, von W. Schmidt. — Eubria palustris 9. — Psyche
Wockei m., von M. Standfuss. — Nekrolog, — Aus der Fauna
des Egerlandes, von H. Gradl. — Nekrolog.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Entom. de Belgique. ser. III,
n°. 25 et 26 (a).
Quelques notes sur les moeurs de l’Aleuchus semipunctatus , par M.
Bergé. — De la présence des larves d’Oestrides et de Muscides
dans le corps de l’homme, par M. le Dr. Jacobs. — Note sur
le genre Gomphomacromia Brauer, par M. de Sélys-Longchamps. —
Nesocordulia Me Lachlan, nouveau sous-genre. de Cordulines de
la légion Cordulia, par M. R. Me. Lachlan.
Berliner Entomologische Zeitschrift. Redactor Dr. H, Dewitz. Bd.
XXVI, Heft 2 (b).
Diptera from the Philippine Islands, by C. R. Osten Sacken
(Fortsetzung). — Einige Hesperiinen-Gattungen und deren
Arten, von ©. Plötz (Schluss). -- Ueber Bau und Thätigkeit
des Verdauungskanals der Larve des Tenebrio molitor mit Be-
rücksichtigung anderer Arthropoden, von Dr. J. Frenzel. —
Kurzer Bericht über die Ergebnisse der Reisen des Herrn Major
a. D. von Mechow in Angola und am Quango-Strom, nebst
Aufzählung der hierbei gesammelten Longicornen, von G. Queden-
feldt. — On Prof. Brauer’s paper: Versuch einer Charakteristik
der Gattungen der Notacanthen, 1882, by C. R. Osten Sacken. —
Drei neue West-Afrikanische Charaxes, von A. von Homeyer
und H. Dewitz. — Ueber einige selten vorkommende Dipteren,
von V. v. Röder. — Zur Synonymie von Ayalomyia aurigera
Egg., von Dems. — Neun neue Coleopteren von Colombo (Cey-
lon), von Dr. F. Karsch. — Ueber Spilosoma Zatima, von H.
Thiele. — Magdalinus asphaltinus Boh., von P. Habelmann. —
Verzeichniss der von Herrn Stabarzt Dr. Falkenstein in West-
afrika (Chinchoxo) gesammelten Chrysomeliden, Endomychiden,
Coccinelliden und Anthothribiden, von Dr. F. Karsch,
LIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Deutsche Entomologische Zeitschrift. Redactor Dr. G. Kraatz. Bd.
XXVI, Heft 2 (b).
Stichopogon Dziedzickii nov. spec., von Dr. J. Schnabl. — Lipoptena
cervi, var. alcis 9, von Dems. — Berichtigung wegen Micro-
cephalus Loewii Schn., von Dems, - Kurze Revision der Ela-
phocera-Arten, von Dr. G. Kraatz. — Neue Pselaphiden und
Scydmaeniden von West-Africa, von E. Reitter. — Dorcadion
cribricolle Kraatz n. sp., von G, Kraatz. — Ueber Carabus:
intricatus und Lefebvrei. Versuch eines kritischen Referates, von
Dr. G. Kraatz. — Ueber die Varietäten von Carabus regalis
und Henningii, von Dr. G. Kraatz. — Synonymische Bemer-
kungen über einige Goliathiden, von Dr. G. Kraatz. — Ueber
die systematische Stellung der Cetoniden-Gattungen Dymusia
Burm. und Gnathocera Kirby, von Dr. G. Kraatz. — Synoptic
Tables of Coleoptera (of the United States), besprochen von Dr.
L. von Heyden. — Ueber die männlichen Genitalien der Bienen-
Gattung Sphecodes, von V. von Hagens. — Ueber die europäischen
Melolontha-Arten, von G. Metzler. — Ueber die Polyphylla-Arten
der Palaearktischen Region, von Dr. G. Kraatz. — Abbildungen
verschiedener Forceps-bildungen von europäischen Melolonthiden
nach Preparaten von Metzler, von Tieffenbach. — Ueber einige
seltene Melolontha-Arten und die männlichen Genitalien dieser
Gattung, von Dr. G. Kraatz. — Neue Tomicinen von der Gold-
küste Afrikas, beschrieben von Schreiner.— Zwei neue deutsche
Cis-Arten, beschrieben von Dr. ©. Flach. — Kleine Mittheilungen,
von Dems. — Synonymische Bemerkungen von v. Heyden,
Kraatz, Sharp. — Rüsselkäfer aus dem Amurgebiet, von J.
Faust. — Bemerkungen an Hernn Maurice de Gozis Synony-
mische Rectificationen mehrerer Genera und Species französischer
Coleopteren (Ann. Soc. Ent. France 1881. III. Bull. cxır), von
E. Reitter. — Käfer um Samarkand , gesammelt von Haberhauer ,
aufgezählt von L. v. Heyden und G. Kraatz.
Journal of the Linnean Society. Zoology Vol. XV, n°. 86-88 (b).
Observations on the Life-histories of Gamasinae, with a view to
assist in more exact Classification, by A. D. Michael. — Obser-
vations on Ants, Bees and Wasps, Part VIII, by Sir John
Lubbock.
Idem, Vol. XVI, n°. 89—94 (0).
Revision of the Idoteidae, a Family of Sessile-eyed Crustacea,
by E. J. Miers. — Observations on Ants, Bees and Wasps,
Part IX, by Sir John Lubbock. — The Neuroptera of Madeira
and the Canary Islands, by R. Me. Lachlan. — On a Marine
Caddis-fly (Philanisus Walker = Anomalostoma Brauer) from
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. IV
New-Zealand, by R. Mc. Lachlan. — Notes on some Habits of
the Scorpions Androctonus funestus Ehr. and Euscorpius italicus
Roes., by E Ray Lankaster. — On the Butterflies collected by
Lord Walsingham in California, by A. G. Butler.
Annales de la Société Entomologique de France. 6"° sér. tom. I
(1881) (b).
Notice nécrologique sur Achille Guenée, et liste de ses ouvrages
et travaux, par P. Mabille. — Diptères nouveaux ou peu connus,
16°, 17° et 18° partie, par J. M. F. Bigot. — Révision du
groupe des Cydnides de la famille des Pentatomides, 1", 2™°,
gme et 4™ partie, par V. Signoret. — Catalogue raisonné des
Formicides provenant du voyage en Orient de M. Abeille de
Perrin et description des espèces nouvelles, par E. André. —
Description de quelques Coléoptéres de Syrie, par L. Fairmaire. —
Cucujides nouveaux ou peu connus, 6° mémoire, par A. Grou-
velle. — Contribution 4 la Faune coléoptérologique d’Europe et
des Pays voisins, par E. Abeille de Perrin. — Description de
deux Curculionites nouveaux du genre Ceulorhynchus (longirostris
et Leprieuri), par C. Brisout de Barneville. —- Essai de classi-
| fication des Blapsides de l’Ancien Monde, 2% partie, par E.
Allard. — Bulletin des séances de Janvier, Février, Mars et
Avril 1881, par E. Desmarest. — Faune des Coléoptéres du
bassin de la Seine et de ses bassins secondaires, 2° sousordre:
Palpicornia, par L. Bedel. — Notice nécrologique sur le Baron
Maximilien de Chaudoir et liste de ses ouvrages, par A. Sallé. —
Sur une nouvelle espéce de Cochenille du genre Aspidiotus (A.
coccineus), par P. Gennadius. — Quelques remarques sur les
Euryades corethrus et Duponcheli, Lepidoptéres Achalinopteres
de la tribu des Papilionides, par H. Lucas. — Des chenilles
urticantes et quelques considérations sur l’utilitè des oeufs pour
la classification, par Th. Goossens. — Description de cing Lu-
canides nouveaux, par H. Deyrolle. — Description d’une nouvelle
espéce de Coléoptére d’Abyssinie (Goliathus (Goliathinus) Pluto), par
A. Raffray. — Essai sur les Coléoptéres des iles Viti (Fidgi), par
L. Fairmaire. — Essai monographique des espèces d'Europe et des
confins de la Méditerranée du genre Corlicaria, par H. Brisout de
Barneville. — Notes Hyménoptérologiques, par E. André. — Obser-
vations sur la manière dont les Mantes construisent leurs oothéques ;
sur la structure des oothéques; sur l’éclosion et la première mue
des larves, par C. Brongniart. — Nouvelle espèce d’Hepialus (H.
alticola) appartenant à la faune française, par C. Oberthiir.
Proceedings of the scientific Meetings of the Zoological Society of
London for the year 1881, Prt. IV (a).
LVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Reports on the Insect-House ,; by M. W. Watkins. — On Butter-
flies from Japan, by A. G. Butler. — On the Butterflies of the
Amurland, North China and Japan, by H. J. Elwes.
Proceedings of the scientific Meetings of the zoological Society of
London for the year 1882. Prt. I—III (a).
Descriptions of new Genera and Species of Phytophagous Coleoptera, :
by M. Jacoby. — On some undescribed Cicadidae from the
Australian and Pacifie Regions, by W. L. Distant. — List of -
the Lepidoptera collected by the Rev. J. J. Hocking, chiefly in
the Kangra District, N. W. Himalaya, with Descriptions of new
Genera and Species. Prt. I, by F. Moore. — On a new Species
of Agrias from the Valley of the Amazons, by F. D. Godman
and O. Salvin. — On some Crustaceans collected at the Mauritius,
by E. J. Miers. — On three new and interesting Species of
Rhopalocera, by Dr. ©. Staudinger. — On a Collection of But-
terflies from Sikkim, by H. J. Elwes. — On new Genera and
Species of Araneidea, by the Rev. O. P. Cambridge. — On
. Crustaceans from the Mauritius, Prt. II, by E. J. Miers.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou. Année
1881. n°. IV (0).
Catalog der Lepidopteren des Moscowischen Gouvernements, be-
arbeitet von L. Albrecht. — Neue Lepidopteren des Amurge-
bietes, von H. Christoph (Fortsetzung).
Idem, Année 1882. n°. I (b).
Neue Lepidopteren des Amurgebietes, von H. Christoph (Fortset- -
zung). — Die Staphyliniden bei Sarepta, von Alex. Becker.
Januari 1883.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XVI, n°. 236
(January 1883) (a).
Callimorpha dominula (variety), by J. T. Conza — On the
Coleopterous genus Holoparamecus Curtis, with Descriptions of
three species occurring in Britain, by A. Shaan Olliff. — Natural
Localities of British Coleoptera, by the Rev. W. W. Fowler. —
Captures and Notes on the season in West Norfolk, by E. A.
Atmore. — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XIX, n°. 224 (January
1883) (0).
Notes on new British Coleoptera since 1871, ete. (continued), by
the Rev. W. W. Fowler. — Hints as to the best means of
rearing larvae of Tortricidae, by Chas. G. Barrett. — On a
small series of Lepidoptera from the Hawaiian Islands, by A.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN LVII
G. Butler. — Remarks on certain Psocidae, chiefly British, by
R. Me. Lachlan. — Entomological Notes, Captures, etc. —
Review. — Obituary: A. Hey, by the Rev. W. W. Fowler.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. XI, n°. 61
(January 1883) (b).
The Theory of Mimicry and Mimicking Theories, by W. L.
Distant. — The Moths of New Mexico, by A. R. Grote. — Des-
cription of a new Species of Anthrenus from India (Coleoptera,
Dermestidae), by Ch. O. Waterhouse. — Description of a new
Species of the Lepidopterous Genus Elymnias, by J. Wood-
Mason. — On the Significance of the Polar Cells of Insects, by
M. Balbiani. — A new Fossil Orthopterous Insect from the
Coal-measures of Commentry, Allier, by M. C. Brongniart.
Proceedings of the Linnean Society of New South Wales. Vol. VI,
Prt. 4 (a).
Description of some new species of Australian Decapoda, by W.
A. Haswell.
Idem, Vol. VII, Prt. 1 (a).
Bevat niets over entomologie.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederl. Entom.
Vereen. Deel XXVI, aflev. 1 (a en b).
Verslag van de 37° Zomervergadering gehouden te Wageningen
den 1°" Juli 1882. — Handleiding voor het verzamelen, be-
waren en verzenden van uitlandsche insecten. — Amerikaansche
Diptera, door F. M. van der Wulp (vervolg).
Notes from the Leyden Museum. Edited by H. Schlegel. Vol. V,
n°. 1 (January 1883) (h).
Two new species of the Coleopterous genus Acanthocerus, described
by Prof. J. O. Westwood. — Two new species of Lampyridae,
described by the Rev. H. S. Gorham. — Description of a new
genus and species of the Coleopterous family Drilidae, by the
Rev. H. S. Gorham. — Remarks about certain species of the
Anthribid genus Aylinades Latr., by C. Ritsema Cz. — Zwei
neue Ost-Indische Coleopteren, beschrieben von E. Reitter. —
Description de trois espèces nouvelles d’Elatérides de l’Archipel
Indo-Néerlandais, par E. Candèze. — Description de trois espèces
nouvelles d’Onthophagus appartenant au: Musée Royal de Leyde,
par J. W: van Lansberge. — Description de quelques Coléoptères
de l’île de Nias (Indes Néerlandaises), par J. W. van Lans-
berge. — Descriptions de Coléoptéres Hétéroméres de l’île de
Saleyer, par L. Fairmaire, — Revision des Onthophagus de
LVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
l’Archipel Indo-Néerlandais, avec description des espèces nou-
velles, par J. W. van Lansberge (avec Supplément I).
+. Entomologische Nachrichten, herausgegeb. von Dr. F. Katter. Jahrg.
IX, Heft 1 und 2 (a). e
Tenthredinologische Studien, von Dr. R. R, von Stein. — Noch-
mals: der Köderfang, von H. L. — Lepidopterologische Beo-
bachtungen, von W. Martini. — Zur Nomenclatur (hauptsäch-
lich) der deutschen Tagfalter, insbesondere bezüglich der Deutsch-
namen, von Prof. Dr. L. Glaser (Schluss). — Eupithecia suc-
centuriata von W. Schmidt. — Abnorme Entwicklungsfälle von
Eulenfaltern, von Dr. Kalender. — Vanessa lo und loides, von
P. Bernard. — Panorpn hybrida Me. Lachl.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. II, Heft 1 (Jänner 1883) (a).
Ein neuer Carabus aus Bosnien, beschrieben von Edm. Reitter. —
Ueber eine neue Nadelholz-Coccide und den Dimorphismus der
Coceiden-Männchen, von Dr. F. Löw. — Ueber Chilaspis Lowi
Wachtl, von Dr. G. Mayr. — Bryaxis Relowski nov. spec.,
beschrieben von Hans Simon. — Eine neue Torymiden-Art aus
Nieder-Oesterreich, von F. A. Wachtl. — Eine neue Hylaia
aus Dalmatien, beschrieben von J. Kaufman. — Die Metamorphose
und Lebensweise von Hirmoneura obscura Meig., einem Ver-
treter der Dipteren-Familie Nemestrinidae, von A. Handlirsch. —
Zur Synonymie der Cicadinen, von P. Löw. — Literatur. —
Notizen.
Horae Societatis Entomologicae Rossicae. Tom. XVI (0).
Speicheldrüsen bei den Odonaten, von N. Poletaiew. — Zur
Frage über den Bau und über die Innervation der Speicheldrüsen
der Blattiden, von N. Cholodkowsky. — Du développement des
muscles d’ailes chez les Odonates, par N. Poletaiew. — Gryllus
frontalis Fieb., auct. N. Arnold. — Beitrag zur Lepidopteren-
Fauna des Amur-Landes, von W. von Hedemann. — Fundorte
russischer Ichneumoniden, von F. W. Woldstedt. — Lepido-
pteren-Fauna Kleinasien’s, von Dr. O. Staudinger. — Diptera
europaea et asiatica nova aut minus cognita. Auct. J. Port-
schinsky. — Paaylloma Cremieri Breb. Auct. N. Arnold. —
Zwei neue Otiorhynchus-Arten aus Sibirien, von Dr. Stierlin. —
Columbische Chiloniden, Crambiden und Phycideen, von F. C.
Zeller. — Beitrag zur Lepidopteren-Fauna des Amur-Landes,
von W. von Hedemann. — Diptera europaea et asiatica nova
aut minus cognita. Pars II, auct. J. Portschinsky. — Beiträge
zur Kenntniss der Käfer des europäischen und asiatischen Russ-
lands mit Einschluss der Küsten des Kaspischen Meeres, von
ONTVANGEN TIJDSCURIFTEN. LIX
J. Faust. — Lepidoptères du district de Kouldjà et des mon-
tagnes environnantes, par S. Alphéraky. — Des museles d’aile
chez les Lépidoptères Rhopalocera, par N. Poletaiew. — Cryp-
tocephalus bitaeniatus nov. spec., par S. Solsky.
Februari 1883.
Entomologist (The). Edited bij J. T. Carrington. Vol. XVI, n°. 237
(February 1883) (a).
Contributions to the history of the British Pterophori, by R. South
(continued). — Notes on oak-galls at Kow, by R. Allen Rolfe. —
Introductory papers on Ichneumonidae, by J. B. Bridgman and
E. A. Fitch (n°. III). — Life-history of Nyctemera annulata, by
G. Vernon Hudson. — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s (The)' Monthly Magazine. Vol. XIX, n°. 225 (February
1883) (0).
On a new species of Mouholia (Scaritidae), by G. Lewis. — Notes
on the Trichoptera of Upper Clydesdale, by K. J. Morton. —
Notes on new British Coleoptera since 1871, by the Rev. W.
W. Fowler. — Cimex or Acanthia, by J. W. Douglas. — Des-
criptions of the larva of Dicycla 00, by W. Buckler. — Ento-
mological Notes, Captures, ete. — Annotated list of British
Anthomyiidae, by R. H. Meade (continued).
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. XI, n°. 62
(February 1883) (0).
Anatomy and Physiology of Haematopinus tenuirostris Burm., by
O. Ströbelt. — On Lepidoptera from Manchuria and the Corea,
by A. G. Butler. — On some new species of Curculionidae from
Ceylon, by F. P. Pascoe. — The Migrations of the Aphis of
the Red Galls of Ulmus campestris (Tetraneura rubra Licht.) ,
“by J. Lichtenstein.
Zoologist (The). A monthly Journal of Natural History , edit. by JE
E. Harting. 3rd. ser. vol. VII, n°. 74 (February 1883) (0).
Notes and Observations on British Stalk-eyed Orustacea, by J. T.
Carrington and E. Lovett.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. II, Heft 2 (Februar 1883) (a).
Ergänzende Bemerkungen zu A. Handlirsch’s Mittheilungen über
Hirmoneura obscura Mg., von Prof. Dr. Fr. Brauer. — Beiträge
zur Kenntniss des Flügelgeäders der Dipteren nach Adolph’s
Theorie, von Prof. Dr. Fr. Brauer. — Ein Beitrag zur Lepi-
dopteren-Fauna Nieder-Oesterreichs, von O. Habich und Hans
Rebel. — Eine neue Torymiden-Art aus Böhmen, von F. A.
Wachtl. — Eine neue Phaenotherion-Art., von J. von Frivaldsky, —
LX ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Zur Synonymie der Cicadinen, II, von P. Löw. — Unzulässig-
keit Geoffroy’scher Gattungsnamen, von L. Ganglbauer. — Di-
pterologische Notizen, I, von J. Mik. — Literatur: Allgemeines ,
Hemiptera, Diptera, Lepidoptera und Hymenoptera. Notiz.
Entomologische Nachrichten. Herausgegeb. v. Dr. F. Katter. Jahrg. IX,
Heft 3 und 4 (a).
Etymologische Bemerkungen zur Nomenelatur der Schwärmer (Sphin-
ges), von Prof. Dr. L. Glaser. — Einige Worte zu Prof. Dr. L.
Glaser ,Nomenclatur der deutschen Tagfalter”, von P. Knüpfer. —
Coleopterologisches. — Ueber die Lebensweise des Metoecus para-
doxus, von E. Hoffer. — Polyommatus var. Estonica, von Hoy-
ningen-Huene. — Coleopterologisches, von von Fricken. —
Phytodecta affinis und Verwandte, von L. von Heyden. —
Phytodecta, Coccinella, Adoxus, von L. von Heyden. — Lepi-
dopterologisches, von W. Martini. — Lepidopterologische Bemer-
kung, von M. Saalmüller. —- Nekrologe.
Comptes-Rendus des Séances de la Société Entomologique de Belgique.
Ber. II 3007 29m):
Deux nouvelles espèces du genre Chauliodus Tr., par M. F. J.
M. Heylaerts.
‘ Verhandlungen des naturhistorischen Vereins der Preuss. Rheinlande
und Westfalens. Jahrg. 39, Heft 1 (b).
Weitere Beobachtungen über Befruchtung der Blumen durch Insek-
ten, von H. Müller.
Proceedings of the Linnean Society of New South Wales. Vol. VII,
Brenne
Descriptions of Australian Micro-Lepidoptera, by E. Meyrick.
n°. 7. — Note on a reputed poysonous Ay of New Caledonia,
by W. Mac Leay.
Entomologisk Tidskrift, utgifven af J. Spängberg. Arg. III, Häft 4 (a):
Hémiptères de la Finlande et de la Scandinavie, par 0. M.
Reuter. — Liste des Ephémérides trouvés jusqu’ici dans la
Peninsule scandinave, par H. D. J. Wallengren. — Contribution
à la connaissance de la vie parasitaire dans les noix de galle et
autres formation de l’espèce, par G. Fr. Möller. — Remarques
synonymiques sur les Col&opteres du Nord boréal et arctique,
par J. Sahlberg. — Communications hémiptérologiques, par O. M.
Reuter. — Bulletin des Séances de la Société entomologique
pendant l’année 1882, par O. Th. Sandahl.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo XIV, entr. 6 (a).
Analecta Lepidopterologica, por el Dr. C. Berg.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LXI
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo XV, entr. 1 (a).
Asilides Argentinos, por D. E. Lynch Arribalzaga.
Jahrbücher des Nassauischen Vereins für Naturkunde. Jahrg. 33
und 34 (a).
Die Schuppenflügler des Reg.-Bez. Wiesbaden und ihre Entwick-
lungsgeschichte, von Dr. A. Rössler. —- Beobachtung über die
Lebensweise und Entwicklungsgeschichte des Thamnurgus Kal-
tenbachi, von Dr. Buddeberg.
Idem, Jahrg. 35 (a).
Die Käfer von Nassau und Frankfurt. 2ter Nachtrag, von Dr.
Buddeberg. — Ueber Zwitterbildungen bei Lepidopteren, von
Dr. A. Pagenstecher.
Annual Report of ‘the Commissioner of Agriculture for the year
1880 (a).
Report of the Entomologist, by J. Henry Comstock.
Proceedings of the Boston Society of Natural History. Vol. XXI,
Prt. 2 and 3 (a).
List of Papers by Dr. T. W. Harris not mentioned in the , Harris
Correspondence”, by Dr. H. A. Hagen. — Note on the aorta of
Lepidopterous Insects, by E. Burgess. — On Lithosialis bohemica ,
by S. H. Scudder. — Structure of the Mouth in the larva of
Dytiscus, by E. Burgess.
Memoirs of the Boston Society of Natural History. Vol. III, n°. 4
and 5 (a).
Archipolypoda, a subordinal Type of spined Myriapods from the
Carboniferous Formation, by S. H. Seudder.
Transactions of the American Entomological Society. Vol. IX (a).
Descriptions of new species of Diurnal Lepidoptera found within
the United States, by W. H. Edwards. — Notes on the species
of Callidryas found within the United States, by W, H. Edwards. —
Synopsis of the Lampyridae of the United States, by John L.
Le Conte. — Revision of the species of Polyphylla of the United
States, by G. H. Horn. — Notes on Elateridae, Cebrionidae,
Rhipiceridae and Dascyllidae, by G. H. Horn. — On the genera
of Carabidae, with special reference to the Fauna of Boreal
America, by G. H. Horn. —- Index to the Coleoptera described
by J. L. Le Conte, by S. Henshaw. — Descriptions of the
species belonging to the genus Nysson inhabiting North America,
by E. T. Cresson. — Descriptions of new Hymenoptera in the
Collection of the American Entomological Society, by E. T.
_ Cresson. — Descriptions of two new species of Desmocerus, by
~
TnT ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
G. H. Horn. — On the Cynipidous Galls of Florida, by W. H.
Ashmead. — Studies on the North American Chalcididae with
descriptions of new species from Florida, by W. H. Ashmead.
Transactions of the American Entomological Society. Vol. X, n°.
1 (a).
A Synonymical Catalogue of the described Tortrieidae of North
America north of Mexico, by C. H. Fernald. — Deseriptions of
new species of Tortrieidae, by ©. H. Fernald. — A Synopsis
of the Mordellidae of the United States, by John B. Smith.
Maart 1883.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XVI, n°. 238
(March 1883) (a).
Notes on the genus Hemimachus, by John B. Bridgman. —
Remarks upon Causes of Scarcity of Lepidoptera, by W. F. de
V. Kane. — Natural Localities of British Coleoptera, by the
Rev. W. W. Fowler. -- Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XIX, n°. 226 (March
1883) (0).
Annotated List of British Anthomyidae (continued), by R. H.
Meade. — Dilar japonicus n. sp., by R. Mc. Lachlan. — Diptera
in Arran, by G. H. Verrall. — Further tropical Notes (con-
tinued), by G. C. Champion. — Notes on new British Coleoptera
since 1871, by the Rev. W. W. Fowler. — Entomological Notes,
Captures, etc. — Descriptions of three new species of Papilio,
by H. G. Smith. — On the species of European Crambi allied
to Crambus pinellus, by G. T. Baker.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. XI, n°. 63
(March 1883) (b).
On Rhynchota from Mergui, by W. L. Distant. — On some
African species of the Homopterous genus Platypleura, by W. L.
Distant. — Description of a new species of Rhopalocera, by W.
L. Distant.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. II, Heft 3 (März 1883) (0).
Hymenopterologisches, von F. F. Kohl. — Ueber die Gattung
Isopogon Löw, von F. Brauer. — Ueber Tipula rufina Meig.,
von V. von Röder. — Hemipterologische Notizen , von P. Löw. —
Biologische Notizen, von M. Rupertsberger. — Ueber das Vor-
kommen von Carabus Weisei Reitt., von J. Gassner. — Dipte-
rologische Notizen, von J. Mik. — Zwei neue Pharus-Arten,
von J. Weise. — Literatur. — Notiz. — Correspondenz.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXIII
Entomologische Nachrichten. Herausgegeben von Dr. F. Katter.
Jahrg. IX, Heft 5 (a).
Einige neue Hymenopteren, von Dr. Rudow. — Zur Lebensweise
der Strepsipteren, von H. Friese. — Sapyga punctata Klug als
Schmarotzer von Osmia aurulenta Pz., von H. Friese. — Ad
Metoecum et Phylodectas, von H. Gradl. — Der Maikäfer auf
der Wanderschaft, von Fr. Westhoff.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Ent. Belge. Sér. III, n°. 30 (a).
Un été & Rouge-Cloître, par M. de Bormans. — Julodis Frey-Gessneri
n. sp., par M. G. Meyer-Darcis. — Note sur une espèce nouvelle
de Carabique de la tribu des Clivinides appartenant au genre
Holoprizus Putz., par R. Oberthiir. — Descriptions de Coléoptères
recueillis par M. le Baron Bonnaire en Algérie, par M. L.
Fairmaire. — Descriptions de deux Psychides, par M. F. J. M.
Heylaerts.
Annales des Sciences naturelles. Zoologie. Tome XVI (U).
Recherches sur l’histologie des Insectes et sur les phénomènes
histogéniques qui accompagnent le développement post-embryon-
naire de ces animaux, par M. Viallanes. — Note sur la structure
du noyau dans les cellules marginales des tubes de Malpighi
chez les Insectes et les Myriapodes, par M. J. Chatin.
April 1883.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XVI, n°. 239
(April 1883) (a).
Contributions to the History of the British Pterophori, by R. South. —
Natural Localities of British Coleoptera, by the Rev. W. W.
Fowler. — Notes on the Season 1882, by W. H. Wright. —
Sallows, by J. T. Carrington. — Entomological Notes, Cap-
tures, etc.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XIX, n°. 227 (April
1883) (0).
On the species of European Crambi allied to Crambus pinellus, by
G. T. Baker. — Description of the larva of Pamphila linea,
by W. Buckler. — A new British species of Crabro (Crabro
Kollari Dablb.), by E. Saunders. — Notes on new British
Coleoptera since 1871 (continued), by the Rev. W. W. Fowler. —
On two of the species of Gelechia which frequent salt marshes,
by H. T. Stainton. — Simulium feeding upon Chrysalids, by
Dr. H. A. Hagen. — On some Australian Phycidae, by E
Meyrick. — Entomological Notes, Captures, etc.
LXIV F ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. XI, n°. 64
(April 1883) (b).
On a small series of Lepidoptera from Corea, by A. G. Butler. —
On the habits of the Ant-Lion, by Dr. Mc. Cook.
Notes from the Leyden Museum. Edited by H. Schlegel. Vol. V,
n°. 2 (April 1883) (b).
Descriptions of some new species of Curculionidae and Lamiidae
from the island of Saleyer, by F. P. Pascoe.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. IT, Heft 4 (April 1883) (b).
Hymenopterologisches, II, von F. F. Kohl. — Eine neue Trioza-Art,
von Dr. F. Löw. — Erklärung, von Prof. Dr. F. Brauer. —
Die Dipterengattung Poeeilobothrus, von J. Mik. — Sind Geof-
froy’sche Gattungsnamen zulässig?, von J. Weise. — Entge-
gnung, von L. Ganglbauer. — Dipteren von den Canarischen
Inseln, von V. von Röder. —- Coleopterologische Notizen, III,
von E. Reiter. — Berichtigung, von J. Weise. — Literatur.
Entomologische Nachrichten. Herausgegeben von Dr. F. Katter.
Jahrg. IX, Heft 6—8 (a).
Etymologie und Deutschnamen der Spinner (Heterocera Bombyces),
von Prof. Dr. Glaser. — Monographie der europäischen Arten
der Gattung Meloé mit besonderer Berücksichtigung der Biologie
dieser Insekten, von Dr. F. Katter.
Mittheilungen der Schweiz. Entom. Gesellsch. Redigirt von Dr. Stierlin.
Vol. VI, Heft 7 (b).
Zweiter Nachtrag zur Lepidopteren-Fauna der Schweiz, von Prof.
H. Frey. — Entomologische Local-Vereine in der Schweiz, von
Dr. G. Schoch. —- Eine Excursion nach Serbien, von von
Schulthess-Rechberg. — Die Typen zu Jurine’s Werk: Nouvelle
Méthode etc. von Frey-Gessner, Kohl und Kriechbaumer. —
Bestimmungstabelle der in Europa und dem Mittelmeerbecken
vorkommenden Sphenophorus-Arten, von Dr. Stierlin.
Deutsche Entomologische Zeitschrift. Redigirt von Dr. G. Kraatz,
Jahrg. XXVII, Heft 1 (0).
Ueber blinde Bembidien, von W. Ehlers. — Beitrag zur Kennt-
niss der Clavigeriden, Pselaphiden und Scydmaeniden von West-
indien, von Edm. Reitter. — Beitrag zur Kenntniss der mit
Carabus Staehlini Adams verwandten Arten, von Edm. Reitter. —
Ueber die Verbreitung des Necrophorus nigricornis, von Edm,
Reitter. — Ueber das Vorkommen von Cartodera elegans Aubé,
von Edm. Reitter. — Uebersicht der bekannten Lifophilus Arten,
von Edm. Reitter. — Neue Zonabris (Mylabris Ol.) aus Turkestan,
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXV
mitgetheilt von Dr. L. von Heyden. — Zur näheren Kenntniss
einiger Carabieinen-Gattungen, von Dr. L. von Heyden. —
Coleopterologische Notizen , von Edm. Reitter. — Ueber Feronia
regularis und die ihr verwandten Arten, von Edm. Reitter. —
Stellung und neue Arten der aatatieeltdn Rüsselkäfergattung
Catapionus, von J. Faust. — Riisselkiifer um Margalan und
Samarkaud, gesammelt von Haberhauer, aufgezählt von J.
Faust. — Neue asiatische Rüsselkäfer, von J. Faust. — Beitrag
zur Metamorphose der Käferfamilie der Elateriden, von Th.
Beling. — Neue Halipliden, beschrieben von E. Wehncke. —
Anthicus blechroides Baudi, n. sp. — Adorelops, eine neue
Rhizotrogiden -Gattung, welche die Gattung Adoretus copirt, von
Dr. G. Kraatz. — Ueber die Melolonthiden-Gattung Lasiopsis,
von Dr. G. Kraatz. — Ueber Carabus Parreyssi var. Gattereri
Géhin, von Dr. G. Kraatz. — Die Sammlungen des Forstraths
Kellner auf dem Museum in Gotha, von Oberlehrer Strübing. —-
Ueber neue Grabwespen des Mediterrangebietes, von F. F,
Kohl. — Neuere Literatur, von Dr. G. Kraatz. — Todes-
Anzeigen: Javet, Schmidt-Goebel, Troschel.
Stettiner Entomologische Zeitung. Jahrg. XLII (0).
Käfer-Larven, beschrieben von Prof. Rosenhauer. -- Beitrag zur
Lepidopteren-Fauna Central-Asiens, von Dr. O. Staudinger. —
Die Hesperiinen-Gattung Eudamus und ihre Arten, von Carl
vittata Bkh.
lignata Hb. ?
Hoffmann. — Exotisches, von Dr. C. A. Dohrn. — Notizen
über südamerikanische Honigbienen, von D. Gronen, — Ein
Lückenbüsser, von C. A. Dohrn. — Papilio Sinon oder Poda-
lirius, von Dr. H. Hagen. — Lepidopterologische Notizen, von
Baron von Nolcken. — Aufzählung der im Jahre 1881 „an
Saft” gefangenen Nachtschmetterlinge, von M. von Hutten-
Klingenstein. — Cymatophora fluctuosa Hb., von O. Wacker-
zapp. — Bemerkungen über das Vorkommen einiger Schmetter-
lingen-Arten in Livland, von C. A. Teich. — Ueber Psociden
in Bernstein, von Dr. H. Hagen. — Dipterologica, von V. von
Röder. — Exotisches, von Dr. C. A. Dohrn. — Ueber eine
Wanderung von Dipteren und Libellen, von Dr. Eimer. —
Beiträge zur Monographie der Psociden, von Dr. H. A. Hagen. —
Silphomorpha africana Schauf. n. sp. — Ein neues ungeflügeltes
Männchen der Coccideen (Acanthococcus aceris Sign.), von J.
Lichtenstein. — Die Honigameise und die westliche Ameise,
von H. C. Mc. Cook. — Exotisches, von Dr. C. A. Dohrn. —
Lepidopterologische Bemerkungen, von Dr. 0. Speyer. — Deux
Blaps nouvelles du Turkestan, décrites par E. Allard. — Das
5
Plötz. — Zur Naturgeschichte von Cidaria | von A.
LXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Präpariren von Raupen, von H. Booch-Arkassy. — Ueber Haar-.
büschel der nord-amerikanische Catocala concumbens, von Dr. J.
S. Bailey. — Drei Sommer in den Pyrenäen, von Dr. O. Struve. —
Ueber Parnassius Apollo, von Dr. H. Hagen. — Russische Rüs-
selkäfer, von J. Faust. — Exotisches, von Dr. C. A. Dohrn. —
Mixta varia, von Dr. C. A. Dohrn. — Euphrasia edit. altera,
von Dr. C. A. Dohrn. — Zusätze und Bemerkungen zu der
Uebersicht der Europäischen Arten des Genus Ichneumon Grav.,
von Tischbein. — Dr. Sharp’s Bemerkungen tiber Dr. Horn’s
Carabidae, von Dr. A. Krieger. — Ein Beitrag zur Lepidopteren-
Fauna des Mangfallgebiets, von C. von Gumppenberg. — Zur
Synonymie einiger Chilenischer Dipteren, von V. von Röder. —
Lepidopterologische Beobachtungen, von G. Stange. — Nachtrag
zu den Lepidopterologischen Notizen S. 173, von Baron von
Nolcken.
Mei 1883.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XVI, n°. 240
(May 1883) (a).
Descriptions of three new species of Coleoptera (Nitidulidae) from
Ceram, by A. Sidney Olliff. — Introduetory Papers on Ichneu-
monidae, by John B. Bridgman and E. A. Fitch. — British
versus European Lepidoptera, by P. Marston. — Entomological
Notes, Captures ete. — Obituary: P. C. Zeller.
Entomolosist (The) Monthly Magazine. Vol. XIX, n°. 228 (May
1883) (b).
On the Synonymy of certain Micro- Lepidoptera by E. Meyrick. —
On the British species of Eremocoris, by J. W. Douglas. — The
British species of the genus Psithyrus Lep. = Apathus Newm.,
by E. Saunders. — Notes on new British Coleoptera since 1871
(eontinued), by W. W. Fowler. — Natural History of Petasia
nubeculosa, by W. Buckler. — Entomological Notes, Captures, etc.
Zoologist (The). Edited by J. E. Harting. 3rd. ser. vol. VII, n°. 77
(May 1883) (0).
Notes and Observations on British Stalk-eyed Crustacea, by John
T. Carrington and E. Lovett.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. II, Heft 5 (Mai 1883) (0).
Die Dipterengattung Poecilobothrus, von J. Mik. — Neue Julodis-
Varietit aus Tekke-Turkmenien, Julodis variolaris Pall. var.
undulata Heyd., von Dr. L. von Heyden. — Beiträge zu einem
Verzeichnisse der Dipteren Böhmens, von F. Kowarz. — Eine
neue Boarmia aus Ungarn, von O. Bohatsch. — Vermileo Degeeri
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LXVII
Macq., von Fr. Brauer. — Zur Lebensgeschichte der Dipteren-
gattung Hirmoneura Meig., von C. R. Osten Sacken. — Eine
neue Coccide, von Dr. F. Löw. — Eine neue Art der Staphy-
linen-Gattung Oedichirus Er., beschrieben von M. Quedenfeldt. —
Zwei neue europäische Pterostichini, von M. von Hopffgarten. —
Tanythrix edura Dej. und marginepunctata Dej., von Dr, L. von
Heyden. — Literatur.
Tijdschrift voor Entomologie. Uitgegev. door de Nederl. Entom.
Vereen. DI. XXVI, aflev. 2 (a en b).
Amerikaansche Diptera (slot), door F. M. van der Wulp. —
Descriptions of some new exotic Coleoptera, by Prof. J. 0.
Westwood. — Boekaankondiging. — Bijdrage tot de kennis der
in Nederland voorkomende Haliplidae, door Jhr. Dr. Ed. Everts. —
Boekaankondiging.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Ent. de Belgique. Ser. III,
n°. 31 et 32 (a).
Description d’Hespéries, par M. P. Mabille. — Note sur le
Notiophilus punctulatus Wesm. et substriatus Waterh., par M.
Dietz. — Corrections et additions au Catalogue des Lépi-
doptéres de Belgique, par Ch. Donckier de Donceel. — Une
application de l’entomologie à la medicine legale, par M.
Megnin. — Description d’une espece nouvelle de Corduline du
sous-genre Syncordulia, par R. Me. Lachlan. — Note sur une
forme remarquable de Zygéne européenne, par L. Candeze. —
Description de deux Psychides, par M. F. J. M. Heylaerts.
Juni 1883.
Entomologist (The). Edited bij J. T. Carrington. Vol. XVI, n°. 241
(June 1883) (a).
Abnormal larva of Melanippe montanata, by E. H. Jones. Intro-
ductory papers on Lepidoptera, by W. F. Kirby. — Report on
the Entomology of certain districts in Ulster, by J. T. Carring-
ton. — Entomological Reminiscences. — Entomological Notes,
Captures, etc.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XX, n°. 229 (June
1883 (0).
P. C. Zeller, by H. T. Stainton. — Lebia turcica in the Hastings
district, by W. H. Bennett. — Annotated List of British Antho-
myiidae (continued), by R. H. Meade. — Reply to Mr. Meyrick’s
observations on the synonymy of certain Micro-Lepidoptera, by A.
G. Butler. — Entomological Notes, Captures, etc. — Some new
species and genera of Coleoptera from New Zealand, by D. Sharp,
LXVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Annals and Magazine of Natural History 5th. ser. vol. XI, n°. 66
(June 1883) (b).
The Lepidoptera colleeted during the recent Expedition of H. M.
8. „Challenger”, by A. G. Butler. — Notes on Coleoptera,
with Deseripiions of New Genera and Species, Part V, by F.
P. Pascoe.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. II, Heft 6 (Juni 1883) (b).
Beiträge zur Biologie der Cynipiden, von J. Paslavszky. — Die
europäischen Podoparién, von Dr. G. von Horvath. — Revision
der europäischen Amblystomus-Arten, von E. Reitter. — Dia-
gnosen neuer Histeriden aus Europa, von E. Reitter. — Ueber
Hyalomyia Bonapartea Rond. und ihre in der Umgebung Meinin-
gens vorkommenden Varietäten, von E. Girschner. — Zur Sy-
nonymie der Cicadinen, von P. Löw. — Noch einmal Geoffroy ,
von J. Weise. -— Literatur.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Ent. de Belgique. Ser. III,
n°. 33 (a).
Hylophila Prasinana, var d Millierei Capr., par M. Capronnier. —
Note sur le sous-genre Coninomus, et description d’une nouvelle
espèce, par M. J. Belon. — Addenda et Corrigeuda à la Liste des
Cérambycides décrits postérieurement au Catalogue de Munich,
par Aug. Lameere.
Verhandlungen des naturforsch. Vereines in Briinn. Band XX (a).
Bestimmungstabellen der europäischen Coleopteren, VI (Colydiidae ,
Rhysodidae, Trogositidae), von E. Reitter. — Versuch einer
systematischen Eintheilung der Clavigeriden und Pselaphiden ,
von E. Reitter.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo XV, entr. 1 y 2 (a).
Asilides Argentinos, por D. E. Lyneh Arribalzaga. — Doce
Heteromeros nuevos de la Fauna Argentina, por el Dr. D. C.
Berg.
Berliner Entomologische Zeitschrift. Redigirt von Dr. H. Dewitz.
Band XXVII, Heft 1 (0).
Beiträge zur Auffindung und Bestimmung der Raupen der Micro-
lepidopteren, von Dr. L. Sorhagen. — Ueber die Lebensweise
und Entwickelung der Anaphe Panda Bsd. und einer neuen
Phycidee, von C. Fromholz. — Neue Coleopteren von West-
Afrika, von H. J. Kolbe. — Die Gattungen der Bienen (An-
thophila), von Prof. E. Taschenberg. — Die Gattung Tolype
Hb., ihre Synonyme und Arten, von Prof. C. Berg. — Ver-
zeichniss der von Herrn Dr. Falkenstein in Chinchoxo (West-
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LXIX
Afrika) gesammelten Longieornen des Berl. Kin. Museum, von
C. Quedenfeldt. — Beschreibung von vier Afrikanischen Longi-
cornen, von ©. Quedenfeldt. — Aufzählung der vom Herrn von
Mechow im Quango-Gebiet afgefundenen Histeriden, von J.
Schmidt. — Beiträge zur Kenntniss der Staphylinen-Fauna
von Siid-Spanien, Portugal und Marokko, von M. Quedenfeldt.
I. Reisebericht. — Drusilla pleiops nov. spec., von Th. Kirsch. —
Ueber die Entstehung der Bienenzellen, von Dr. K. Müllenhoff. —
Ueber Mallota cimbiciformis Fallen, von Dr. W. 8. Williston. —
Neue Literatur.
Juli 1883.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XVI, n°. 242
(July 1883) (a).
Memoranda on Insects in their Relation to Flowers, by R. M.
Christy. — The Macro-Lepidoptera of Epping Forest in July,
by A. J. Rose. — Introductory Papers on Ichneumonidae, by
J. B. Bridgman and E. A. Fitch. — Entomological Notes, Cap-
tures, etc.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XX, n°. 230 (July
1883) (b).
Some new species and genera of Coleoptera from New Zealand,
by D. Sharp. — Stray Notes on the Lepidoptera of Pembrokes-
hire, by C. G. Barrett. — Notes on Hawaian Micro-Lepidoptera,
by E. Meyrick. — Description of a new genus and species of
the family Gerridae, by F. Buchanan White. — Reappearance
of Phosphaenus hemipterus Geoffr. at Lewes, by J. H. A. Jen-
ner. — Entomological Notes, Captures ete. — Notes on new
British Coleoptera since 1871, by W. W. Fowler.
Annals and Magazine of Natural History. 5th. ser. vol. XII, n°. 67
(July 1883) (0).
On a third Collection of Lepidoptera made by Mr. H. E. Hobson
in Formosa, by A. G. Butler. — Notes on the Structure, Post-
embryonic Development and Systematic Position of Scolopen-
drella, by J. Wood Mason.
Notes from the Leyden Museum. Edited by H. Schlegel. Vol. V,
n°. 3 (July 1883) (0).
Supplément à la Revision des Onthophagus de l’Archipel Indo-
Neerlandais, par J. W. van Lansberge. — Careinologieal Studies
in the Leyden Museum, by Dr. J. G. de Man (n°. 3). — On
some new species of Phytophagous Coleoptera from the Island of
Saleyer, by Martin Jacoby. — Deux Elaterides nouveaux des
LXX ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
fles de la Sonde, décrits par E. Candéze. — Elatérides nouveaux
récoltés 4 Serdang (Sumatra oriental) par M. B. Hagen, décrits
par E. Candèze. i
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. II, Heft 7 (Juli 1883) (6).
Die europäischen Podoparien, von Dr. G. von Horvath. — Bei-
träge zu einem Verzeichnisse der Dipteren Böhmens, von F.
Kowarz. — Beiträge zur Biologie der Cynipiden, von J. Pasz-
lavszky. — Ueber Hyalomyia Bonapartea Rond. und ihre in der
Umgebung Meiningens vorkommenden Varietäten, von E. Girsch-
ner. — Coleopterologische Notizen, IV, von Edm. Reitter. —
Ein neuer Saprinus aus Mähren, von Dr. A. Fleischer. —
Ueber Tanythrix Heydeni und Tapinopterus punctatostriatus, von
Edm. Reitter. — Literatur.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Ent. de Belgique. Sér. III,
n°. 34 (a).
Description de quelques Col&opteres Marocains, par L. Fairmaire. —
Description de Coléoptères recueillis par M. Bonnaire en Algérie,
par L. Fairmaire. — Notice sur les travaux Coléoptérologiques
publiés dans les Anales de la Universidad de Chile, par C,
van den Branden.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo XV, entr. 3 y 4 (a)
Miscellanea Lepidopterologica, por C. Berg.
Augustus 1883.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XVI, n°. 243
(August 1883) (a).
Variations in the colour of Lepidoptera, by J. Jenner Weir. —
Memoranda on Insects in their relation to flowers, by R. Miller
Christy. — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XX, n°. 231 (August
1883) (b).
Notes on new British Coleoptera since 1871, by W. W. Fowler
(concluded). — British Species of Dicyphus, by Dr. O. M.
Reuter. — Descriptions of some new species of Lepidoptera ,
chiefly from the island of Nias, by A. G. Butler. — Description
of three new species of Charaxes, by H. Grose Smith. — An-
notated list of British Anthomyiidae (continued), by R. H. Meade. —
Further information as to the migratory habits of the gall-making
Aphides of the elm, by J. Lichtenstein. — Description of the
larva of Meliana flammea, by W. Buckler, — Some new species
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTRN. LXXI
and genera of Coleoptera from New Zealand (concluded), by D.
Sharp. — Entomological Notes, Captures, ete. — Obituary:
Dr. Gustav Flor.
Annals and Magazine of Natural History. 5th. ser. vol. XII, n°. 68
(August 1883) (b).
Descriptions of some new genera and species of Curculionidae ,
mostly Asiatic. Part II, by F. P. Pascoe. — On some Lepi-
doptera from the Victoria Nyanza, by A. G. Butler. — Des-
criptions of two new species of Milionia, a genus of the Lepi-
dopterous Family Euschemidae, by A. G. Butler. — On rudi-
mentary wings in the Coleoptera, by Dr. H. Dewitz. — Jumping
seeds and galls, by C. V. Riley.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. II, Heft 8 (August 1883) (b).
Die Eupithecien Oesterreich-Ungarns, I. Nachtrag, von 0.
Bohatseh. — Beobachtungen über Vorkommen und Lebensweise
verschiedener, besonders Gebirge und Alpen bewohnender Schmet-
terlings-Arten, von G. Höfner. — Ueber die deutschen Anom-
matus Arten, von E. Reitter. — Zur Kenntniss der Limnobina
anomala O. S., von J. Mik. — Literatur.
Comptes-Rendus des Séances de la Soc. Ent. de Belgique. Ser. III,
n°. 35 (a).
Description d’une nouvelle espéce de Buprestide (Philocteanus ritulans),
par M. Kerremans.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo XV, entr. 5 y 6 (a).
Addenda et emendanda ad Hemiptera Argentina. Auctore C.
Berg. — Generos y especies de Aracnidos Argentinos nuevos 0
poco conocidos, por el Dr. E. L. Holmberg. — Una Arana
pescadora, por el Dr. C. Berg.
September 1883.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XVI, n°. 244
(September 1883) (a).
Observations on Insect-life in 1883, by P. Inchbald. — Grapho-
litha caecana Schl., by G. Coverdale. — Notes on the Season,
by E. A. I — Notes from Bournemouth, and Remarks
on the scarcity of Lepidoptera, by W. Me. puts — Notes on
the early part of season 1883, by H. T. Dobson Jun. — En-
tomological Notes, Captures etc.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XX, n°, 232 (Sep-
tember 1883) (0),
LXXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
; Natural History of Endromis versicolor, by W. Buckler. — Natural
History of Bankia bankiana, by W. Buckler. — A new species
of Peltastica Mannh. (Trogositidae), by G. Lewis. — Some friendly
remarks on Mr. Buckton’s standard work on the British Aphides,
by J. Lichtenstein. — Entomological Notes, Captures, etc.
Annals and Magazine of Natural History. 5th. ser. vol. XII, n°. 69
(September 1883) (0).
On the Classification of the Orders of Orthoptera and Neuroptera,
by A. S. Packard. — Descriptions of some new species of
Lepidoptera, by A. G. Butler. — On the Classification of the
Coleoptera of North America by Dr. Le Conte and Dr. Horn,
by the Rev. Matthews.
Wiener Entomologische Zeitung. Jahrg. II, Heft 9 (September 1883) (0).
Eine neue Gallmücke, von J. Mik. — Zur Synonymie der
Saperdiden, von L. Ganglbauer. — Fälschlich für Gallenerzeuger
gehaltene Dipteren, von F. Löw. Beobachtungen über, Vor-
kommen und Lebensweise verschiedener, besonders Gebirge und
Alpen bewohnender Schmetterlings-Arten (Fortsetzung), von
G. Hofner. - Ein neuer Pterostichus aus Montenegro, von E.
Reitter. — Mentraphus (nov. gen. Pselaphidarum), von D. Sharp. —
Zur Synonymie der Hymenopterengattung Tachysphex, von F.
F. Kohl. — Die Eupithecien Oesterreich-Ungarns, I Nach-
trag (Schluss), von O. Bohatsch. — Literatur.
Anales de la Sociedad Cientifica Argentina. Tomo XVI, entr. 1
y 2 (a).
Addenda et emendanda ad Hemiptera Argentina, por el Dr. C. Berg.
Schriften der Physik.-ökon. Gesellschaft zu Königsberg. Jahrg. XXIII (a).
Beobachtugen über die Arten der Blatt-und Holzwespen, von
C. G. A. Brischke und Dr. G. Zaddach.
Proceedings of the Linnean Society of New South Wales. Vol. VII,
Part 3 (a).
Observations on an insect injurious to the vine, by W. Mac Leay.
Naturhistorische Hefte. Redigirt von O. Herman. Band VI (a).
Literatura Hymenopterorum ab A. Mocsäry conscripta. — En-
domychidae in Asia orientali a J. Xantus collectae, enumeravit
J. Frivaldszky. — Coleoptera nova a J. Xantus in insula Borneo
detecta et a J. Frivaldszky descripta. -- Ueber das Vorkommen
der Epitritus argiolus Em. genannten Ameise in Ungarn, von
Dr. G. Mayr. — Hymenoptera nova vel minus cognita a Doctore
J. Kriechbaumer descripta. — Beiträge zur Cynipiden-Fauna
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LXXIIT
Ungarns, von J. Paszlavszky. — Eine neue Myriopodengattung
und Art: Edenlisloma octosulcatum, beschrieben von Dr. E.
Tömösväry.
Zeitschrift für Naturwissenschaften. Band LV (a).
Das Ovarium und die ersten Entwicklungsstadien des Eies der
viviparen Aphiden, von A. Brass. — Die Uebersicht der bis zur
Zeit bekannten mitteleuropäischen Phytoptoceeidien und ihrer
Litteratur, von D. von Schlechtendal.
Idem, Band LVI, Heft 1 und 2 (a).
Beitrag zur Hymenopterenfauna des Saalthales, von Friese. —
Nachträge zur „Uebersicht der bis zur Zeit bekannten Mittel-
europäischen Phytoptocecidien und ihrer Litteratur,” von D. von
Schlechtendal. — Ueber das Nestbauen von Polydesmus compla-
natus de G., von D. von Schlechtendal. — Beiträge zur Fauna
der Insel Sokotra vorzüglich nach dem von Dr. E. Riebeck in
Halle gesammelten Materiale zusammengestellt, von Dr. 0.
Taschenberg.
l'r ansactions of the Entomological Society of London for 1882. (b).
Heterocerous Lepidoptera collected in Chili by Thomas Edmonds,
by A. G. Butler. — On a small collection of Lepidoptera from
the Hawaiian Islands, by A. G. Butler. — Descriptions of the
insects infesting the seeds of Ficus sycomorus and carica, by
J. O. Westwood. —- On the classification of the Adephaga, or
carnivorous series of Coleoptera, by D. Sharp. — On some New
Zealand Coleoptera, by D. Sharp. — Additional notes on Bom-
byces collected in Chili by Mr. Edmonds, by A. G. Butler. —
On the terminal ventral segments of the abdomen in Prosopis
and other Anthophila, by E. Saunders. — Heterocerous Lepi-
doptera collected in Chili by Thomas Edmonds, by A. G.
Butler. — Further additions to Mr. Marshall’s Catalogue of
British Ichneumonidae, by J. B. Bridgman. — Synopsis of
British Hymenoptera Diploptera and Anthophila, part I to end
of Andrenidae, by E. Saunders. — Notes on the Euchaleis
vetusta Dufour (Fam. Chalcididae), and on the terminal segments
of the females in Halticella and its allies, by S. Saunders. —-
On the supposed abnormal habits of certain species of Eury-
tomides, a group of the Hymenopterous family Chalcididae, by
J. O. Westwood. --- A Revised List of British Trichoptera,
brought down to date, compiled with especial regard to the
„Catalogue of British Neuroptera” published by the Society in
1870, by R. Me. Lachlan. — Descriptions of new species anda
new genus of Cicadidae from Madagascar, by W. L. Distant. —
Heterocerous Lepidoptera collected in Chili by Thomas Edmonds,
LXXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
by A. G. Butler. — North American Coleophorae, by Lord
Walsingham. — Description of a new genus and two new species
of Psyllidae from South America, by J. Scott. — On certain
genera and species of the group of Psyllidae in the collection of
the British Museum, by J. Scott. — On a visit to Ceylon and
the relation of Ceylonese beetles to the vegetation there, by G-
Lewis. — On certain temperature forms of Japanese Butterflies,
by H. Pryer. — Descriptions of new Coleoptera from Madagascar
belonging to the Melolonthidae, by C. O. Waterhouse. — A
supplementary note on the specific modifications of Japan Carabi
and some observations on the mechanical action of solar rays in
relation to colour during the evolution of species, by G. Lewis. —
Descriptions of ten new species of Nematus from Britain, by P.
Cameron.
October 1883.
Entomologist (The). Edited by J. T. Carrington. Vol. XVI, n°. 245
(October 1883) (a).
Life-history of Vanessa gonerilla, by G. V. Hudson. — A short
Visit to Dover, by G. Coverdale. — A week at Witherslack,
by A. J. Rose. — Introductory Papers on Ichneumonidae, by
J. B. Bridgman and E. A. Fitch. — Entomological Notes, Cap-
tures, etc.
Entomologist’s (The) Monthly Magazine. Vol. XX, n°. 233 (October
1883) (6).
Natural History of Proeris globulariae, by W. Buckler. — Anno-
tated List of British Anthomyiidae (concluded) , by R. H. Meade. —
Notes on the migration of Aphides, by G. B. Buckton. — The
British species of Idiocerus, by J. Edwards. — Entomological
Notes, Captures, etc. — Obituary. — Reviews.
Annals and Magazine of Natural History. 5th ser. vol. XII, n°. 70
(October 1883) (b).
Neuroptera of the Hawaiian Islands. Part I, Pseudo-neuroptera,
by R. Me. Lachlan. — Contributions to a Knowledge of Ma-
layan Entomology. Part I, by W. L. Distant. — Note on the
Intelligence of the American Turret Spider, by Dr. Mc. Cook. —
Complete biological evolution of the Elm-tree, Aphis ( Tetraneura)
ulmi, by J. Lichtenstein.
Notes from the Leyden Museum. Vol. V, n°. 4 (October 1883) (0).
Carabiques nouveaux récoltés à Serdang (Sumatra oriental) par M.
B. Hagen, décrits par KR. Oberthür. — Dytiscides nouveaux de
ja collection du Musée Royal de Leyde, par M. Régimbart. —
Drei neue Ost-indische Formiciden-Arten, beschrieben von Dr.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXV
Gustav Mayr. — On a new species of the Coleopterous genus
Ichthyurus Westw., by C. Ritsema Cz. — A new subgenus of
the Coleopterous family Drilidae, described by the Rev. H. S.
Gorham. — Description of a new species of the Coleopterous
genus Telephorus, by the Rev. H. S. Gorham. — A new species
of the Clerid genus Callimerus, described by the Rev. H. S.
Gorham. — On the Coleoptera Phytophaga (Cassidae-Coccinellidae)
collected by Mr. Engelhard in Saleyer, by the Rev. H. S. Gorham.
Archiv für Naturgeschichte. Herausgegeben von Dr. Ed. von Martens.
Jahrg. 49, Heft 3 und 4 (b).
- Die Mundtheile der Rhynchoten, von 0. Geise. —- Ueber die
Gattung Argenna Thor. und einige andere Dictyniden, von Dr.
Ph. Bertkau. — Ueber die Madagascarischen Dytisciden des
Königl. entomol. Museums zu Berlin, von H. J. Kolbe. — Ueber
eine noch nicht beschriebene Nothrus-Art, von L. Karpelles. —
Bericht über die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der
Arthropoden während des Jahres 1882, von Ph. Bertkau.
7 % te ve A
n ni ee hae hata hes À
pr L'A
* OT y À
Mit u
Ÿ N Has VAT
RUE,
3
di
VERSLAG
VAN DE
LEVENTIENDE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE LEIDEN
op 13 Januari 1884
des morgens ten 104 ure.
Voorzitter Dr. A. W. M. van Hasselt.
Met den Voorzitter tegenwoordig de heeren A. A. van Bemmelen,
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, Mr. A. J. F. Fokker, Mr. H. W. de
Graaf, H. W. Groll, J. Jaspers Jr., J. Kinker, Mr. A. F. A.
Leesberg, Dr. J: van Leeuwen Jr., J. W. Lodeesen, A. C. Oude-
mans Jsz., J. T. Oudemans, J. H. R. Neervoort van de Poll, C.
Ritsema Cz., Dr. R. H. Sallet, Em. Seipgens, P. C. T. Snellen,
K. N. Swierstra, Prof. P. J. Veth, Dr. H. J. Veth en F. M. van
der Wulp.
Van de heeren Mr. W. Albarda, H. Bos, Mr. A. Brants, Dirk
ter Haar, H. Uijen en Joh. P. Vink is bericht ontvangen, dat zij
verhinderd zijn deze bijeenkomst bij te wonen,
De Voorzitter opent de vergadering met eene korte toespraak ,
waarbij hij de aanwezigen welkom heet en bepaaldelijk ook den heer
Neervoort van de Poll, die als nieuw lid voor het eerst zich in
den kring der Nederlandsche entomologen bevindt. De Voorzitter
neemt wijders deze gelegenheid te baat, om de Lieden der Vereeniging
6
UXXVIIL VERSLAG.
in ’t algemeen dank te zeggen voor de bereidwilligheid, waarmede
zij, in antwoord op de circulaire van het Bestuur '), door huiten-
gewone hijdragen, te zamen meer dan / 300 beloopende, in de
behoefte der kas hehben voorzien. Hierbij komt, dat Teyler’s stich-
ting te Haarlem, die vroeger eene subsidie schonk voor de uitgave
van het Tijdschrift voor Entomologie, maar deze later introk, thans
welwillend als gewoon begunstiger voor eene jaarlijksche contri-
butie van ‚f 25 is toegetreden, en dat zich te ’s-Gravenhage een
nieuwe belangstellende begunstiger, mede voor een jaarlijksch
bedrag van f 25, heeft willen doen inschrijven. Door een en
ander is de financieele toestand der Vereeniging merkelijk gunstiger
geworden dan hij op de jongste Zomervergadering te Assen kon
worden voorgesteld.
De reeks der wetenschappelijke voordrachten en mededeelingen
wordt geopend door den Voorzitter, Dr. A. W. M. van Hasselt.
Deze wijst op de bezwaren, die men ook, of misschien vooral,
in de studie der araneologie, bij het juiste determineeren der spe-
cies kan ondervinden, wanneer de kennis van één der sexen,
voornamelijk van hel mas, blijft ontbreken. Ten voorbeelde beschrijft
hij, onder aanwijzing van verscheidene spiritus-exemplaren, zijne
ervaring ten opzichte van Theridion bimaculatum L. of dorsiger
Hahn. Lange jaren had hij van diens type, in beide geslachten,
in Utrecht en Gelderland, niet zelden representanten aangetroffen
of verkregen, afkomstig van kreupelbosch of laag eiken hakhout.
Sedert, reeds meer dan tien jaren geleden, vond hij telken jare,
nu in Holland, een’ analogen Theridion-vorm, doch dezen op eene
geheel andere vindplaats, namelijk in de duinstreken van Scheve-
ningen, Loosduinen, Katwijk enz., in de nabijheid der zee, altijd
op of dicht bij den grond, onder lage duinplanten, voornamelijk
wilde braamstruiken. Bij groote vorm-overeenkomst met den type,
bestond hier echter niet alleen eenig verschil in grootte en bouw,
als beiden minder krachtig, maar insgelijks eene aanmerkelijke
1) Zie verslag der Zamervergadering van 28 Juli 1883 te Assen, blz, XIII
CERSLAG. LXXIX
afwijking in kleur en teekening. In plaats van de chocolaadbruine
grondkleur van den type, was deze hier wit en waren alleen de
randen van cephalothorax en sternum zeer fijn en fraai roodbruin
geteekend. Jaren lang bepaalde zich Spreker’s vangst ten deze uit-
sluitend tot de feminae, al of niet voorzien van hare betrekkelijk
groote, bolronde, witte coconnetjes, die zij, op de wijze der Lyco-
siden, met zich ronddragen. Voortdurend bleef hij alzoo in twijfel
verkeeren, of hij, niettegenstaande Cambridge zulks niet geloofde,
met eene eigen soort te doen had. Met te meer ijver zocht hij
naar het nog altijd ontbrekende mannetje, om zekerheid te ver-
krijgen, doch steeds zonder gevolg. Het bleek ten slotte, dat zulks,
zooals dikwijls, gelegen heeft aan het jaargetijde. Te voren had hij
in de genoemde streken steeds alleen in de zomermaanden gejaagd.
Het fraaie vroege voorjaar van 1883 lokte hem uit, om bij her-
haling, reeds in Maart en April, zijne nasporingen te doen. En
toen was het hem eindelijk gelukt, de lang begeerde mares, in
vrij groot aantal, te bemachtigen. Het bleek hem thans, dat deze,
ofschoon in den regel iets kleiner en teerder, volkomen met den
type overeenkwamen. Alleen de wijfjes bieden bij deze soort, even
als bij Z%eridion varians Hahn en Koch, eene groote verscheiden-
heid aan. Zeer onlangs vond hij daarvan, in het eerste gedeelte
der bewerking van de Theridionidae door Simon, zelfs tot vijf
hoofd-varieteiten opgeteekend. Eene daarvan, hem tot zoo lang
onbekende, leerde hij in het afgeloopen jaar, op onze excursie in
Drenthe, kennen in twee exemplaren, waarvan één gevangen door
Dr. Veth Jr.; de andere verscheidenheden verkreeg hij grootendeels
weder uit Loosduinen. Dat ook de geheel witte wijfjes-vorm , hier
in hoofdzaak behandeld, met de steeds typische mares copuleert ,
daarvan heeft Spreker zich ten overvloede bij een drietal paartjes
overtuigd.
Dezelfde Spreker deelt vervolgens, zoo voor de genoemde spin,
als voor een drietal andere soorten, enkele curieuse waarnemingen
mede, omtrent afwijkingen in de teeldrift der mannelijke Araneiden,
waarbij hem een geval is voorgekomen, dat eene Agelena &, tot
bereiking van zijn doel, zijne @, door onthouding van voedsel,
LEXX VERSLAG,
tot toenadering noodzaakte, Dit gedeelte zijner bijdragen stelt Spreker
zich voor, afzonderlijk en meer in extenso, onder de «Kleine
Mededeelingen » in het Tijdschrift zelf op te nemen,
Naar aanleiding der belangwekkende mededeelingen van den heer
van Hasselt, over de eigenaardige middelen, door mannelijke Ara-
neïden aangewend, om hunne wijfjes tot liefdesuitingen en paring
te bewegen, zegt de heer van Bemmelen, dat hij zich een
dergelijk geval bij hoogere dieren herinnert. Een paar maraboe-
ooievaars leefden altijd in vrede en het mannetje gunde het wijfje
de toegeworpen visschen, zonder ooit bijzondere teekenen van gul-
zigheid te geven, doch tegen het begin van den paartijd, — dui-
delijk waarneembaar door allerlei liefkozingen, dwaze bewegingen
en geklepper van wege het mannetje, — belette hij zijne weder-
helft te eten, totdat zij eindelijk genegen was zijne tot de paring
voorber:idende handelingen en liefkozingen in ontvang te nemen.
Het is mogelijk, dat de verklaring van dit feit in dezelfde oorzaak
te zoeken is als bij de bedoelde Araneïden; toch wijken bij beide
diersoorten deze handelingen zeer af en zijn zelfs het tegenover-
gestelde van hetgeen gewoonlijk bij de dieren wordt waargenomen.
De heer Snellen brengt in herinnering, dat hij op eene der
vorige vergaderingen een exemplaar had vertoond eener zeer merk-
waardige varieteit van Danais Chrysippus L., door den heer Hey-
laerts van het eiland Poeloe-Bras ontvangen, en welke zich van
den type onderscheidde door eene paarsachtig lichtgrijze, in plaats
van de bekende tabakskleurig gele grondkleur. Thans laat hij ter
bezichtiging rondgaan een exemplaar van eene andere varieteit der
genoemde Danais, mede van Poeloe-Bras. Dit voorwerp, door den
heer W. N. de Graaf, neef van ons medelid Mr. H. W. de Graaf,
gevangen en door laatstgenoemden aan Spreker geschonken, is niet
minder merkwaardig, want het komt vrij wel overeen met de, in
westelijk Afrika niet ongemeene varieteit Alciapus Cramer, die
echter uit tropisch Azie niet bekend is. Dit voorwerp heeft grooten-
deels witte achtervleugels; van de typische varieteit Alcippus ver-
VERSLAG. LXXXI
schilt het alleen door donkerder, minder heldere en tegen den
staarthoek lichtere tabakskleur der voorvleugels; verder zijn de
achtervleugels op de bovenzijde ook aan den wortel wit en is hunne
onderzijde, in plaats van in het midden helderwit te zijn, een-
kleurig vuil bruinachtig geelwit.
Eenige verdere voorbeelden van dergelijke insulaire verscheiden-
heden vond Spreker in eene collectie Lepidoptera van het eiland
Nias, hem door den heer Ribbe te Dresden ter determinatie ge-
zonden. Zij betreffen de volgende soorten:™
1. Buploea Midamus Linn.
Verschilt van typische exemplaren, zooals zij op Java en Sumatra
voorkomen, door zeer flauwe en spaarzame witte stippen der voor-
vleugels.
2. Euploea Rhadamanthus Fabr.
Verschilt van den type door mindere grootte en vooral door het
ontbreken der drie witte streepjes tusschen de middencel en den
binnenrand der achtervleugels.
3. Euploca Bremeri Felder.
Onderscheidt zich van den type door kleinere witte vlekken der
voorvleugels en door het bijna geheel ontbreken van de binnenste
rij witte stippen vöör den achterrand der achtervleugels.
4. Danais Philomela Zincken (Crocea Butler).
Verschilt van den type doordat alle lichte vlekken der voor-
vleugels olieachtig, doorschijnend geel zijn, in plaats van alleen
de groote vlek of streep in cel 14, terwijl de overige bij typische
voorwerpen eene doorschijnend witte kleur vertoonen. Deze Danais
Philomela is echter waarschijnlijk zelve slechts eene varieteit van
Cleona Cramer, die o. a. op Celebes voorkomt en grooter is met
mindere en kleinere lichte vlekken dan PAlomela.
5. Danais Agleoides Felder.
Kenmerkt zich door de zeer spaarzame en meer beperkte groen-
witte strepen en stippen der vleugels. Exemplaren van Sumatra
en Riouw komen geheel met typische van Java overeen. Danais
Agleotdes is geene varieteit van Aglea Cramer, die met haar in
dezelfde streken voorkomt en, zonder overgangen, verschilt door
LXXXII VERSLAG.
meerdere grootte, langere vleugels, donkerder grondkleur, blauw-
achtig- in plaats van groenachtig-witte lichte teekening, en vooral
ook door een kaneelbruin-, bij Agleoides grauwbruin- achterlijf.
6. Limenitis Nefte Cram.
Mannelijke exemplaren dezer soort van Nias onderscheiden zich
van typische Javanen en Sumatranen door niet scherp begrensde,
maar vervloeide blauwachtig witte teekening. Ook het wijfje ver-
schilt, doch daaromtrent heeft Spreker geene aanteekening gemaakt.
7. Miletus Symethus Cram.
Het wijfje van Nias (den man zag Spreker niet) kenmerkt zich
door veel meer verbreide witte kleur der bovenzijde. Zij beslaat
bijna de geheele achtervleugels en neemt ruim twee derden in der
voorvleugels, waar zij franjewaarts ook gelijkmatiger bijgerond is,
zonder in cel 15 en 2 met twee stompe tanden uit te steken,
zooals bij Javaansche voorwerpen.
8. Cathaema Hyparete L.
Bij Niasser exemplaren van den man is de voorvleugelpunt der
bovenzijde alleen op de aderen wit, zonder de sterke zwarte cel-
bestuiving der Javanen. -Bij het wijfje is het wit der bovenzijde
sterk citroengeel getint. Op de onderzijde der achtervleugels ont-
breken de roode randvlekken in cel 4—6 (9) of zijn veel kleiner (2).
Er is dus eenige toenadering tot Cath. Haemorrhoa Snell. v. Voll., die
wellicht slechts eene nog meer afwijkende varieteit van Hyparete is.
9. Hypsa Dama Fabr. 4.
Verschilt van typische voorwerpen, die Spreker van de Philip-
pijnen bezit en van Sumatra (Lampongs, Deli) zag, door het ont-
breken van de witte langsstreep der voorvleugels, door den wortel-
waarts vervloeiden zwartgrijzen rand der achtervleugels en de bijna
geheel eenkleurig zwartgrijze onderzijde.
10. Nyctemera Coleta Cramer.
Niasser exemplaren hebben een van Javaansche zeer afwijkend
voorkomen; vooreerst zijn bijna alle aderen der achtervleugels dik
zwartgrijs beschubd, terwijl hun zwartgrijze rand tot de halve
breedte is verminderd; verder zijn de witte strepen van de wortelhelft
der voorvleugels iets langer, evenzoo de strepen of vlekken van de
VERSLAG. LXXXIIT
dwarsrij der tweede vleugelhelft, maar deze laatsten zijn tevens smaller
en dus door breeder strepen van de grondkleur gescheiden , terwijl
de groote vlek onder den voorrand door eene tweemaal gevorkte
zwartgrijze streep in vieren is gedeeld. Overigens is alles hetzelfde.
11. Hazis Bellonaria Guenée.
Bij voorwerpen van Sumatra (Palembang) (Piepers), loopt de
zwartblauwe streep bij den binnenrandswortel der voorvleugels
schuiner, maar is niet langer dan bij Niasser exemplaren; zij be-
reikt dus de tegenoverliggende schuine voorrandsstreep niet, zooals
bij laatstvermelde.
12. Hazis Doubledayi Snellen (Malayaria Guenée) 1).
Hier bepaalt zich het verschil tusschen exemplaren van Nias en
Sumatra (Deli) (Hagen) alleen tot de gele vlek in den staarthoek
der achtervleugels, die bij eerstgenoemde veel grooter is.
Spreker merkt hier nog op dat, door de ontdekking der rups
van Hazis Militaris Linn. (zie Janson en Wood, Cistula Entomo-
logica II 540 (Zool. Record for 1879), het nu wel uitgemaakt is,
dat Mazis tot de Geometrina behoort, ondanks het Bombyciden-
achtig voorkomen der vlinders, die meer aan Saturniden doen
denken dan aan Spanners.
Vervolgens stelt de heer Snellen ter bezichtiging een exemplaar
van eene zeer merkwaardige varieteit van Catocala Nupta Linn.
Terwijl de type, gelijk bekend is, levendig roode, zwart geban-
deerde achtervleugels heeft, onderscheidt deze varieteit zich door
okergelen grond dier vleugels. Gedurende zijne vijf- en dertigjarige
praktijk is Spreker eene dergelijke varieteit nimmer voorgekomen,
evenmin was dit het geval bij andere ijverige en onder het han-
teeren van het net vergrijsde Lepidopterologen. Ook schijnt deze
varieteit nergens beschreven of afgebeeld te zijn, noch is het bekend
dat eene der beide andere roodgevleugelde inlandsche soorten van
Catocala (Sponsa en Promissa) zulke varieteiten oplevert. Het voor-
werp is gevangen door een Schotsch Lepidopteroloog, den heer
James Galloway en wel te Hees bij Nijmegen, den 16den Augustus
1) Zie over deze soort eene aanteekening van den heer Snellen, die weldra in
dit Tijdschrift het licht zal zien,
LXXXIV VERSLAG.
des vorigen jaars, terwijl hij aldaar met zijne familie logeerde. De heer
Galloway, ofschoon de groote merkwaardigheid zijner vangst erken-
nende, had de welwillendheid het exemplaar aan Spreker voor zijne
collectie af te staan, echter met den wensch dat laatstgenoemde de
varieteit zou beschrijven, zoo mogelijk met bijvoeging eener afbeel-
ding. Spreker nam des te eer het geschenk onder die bedingen
aan, daar ons ijverig medelid, Dr. J. van Leeuwen Jr., zich dadelijk
bereid. verklaarde de gewenschte afbeelding te vervaardigen en
daarin, zooals uit de mede ter bezichtiging rondgaande teekening
blijkt, uitmuntend slaagde.
Eindelijk laat de heer Snellen nog rondgaan een fraai exemplaar
eener zeldzame Phycide, Euzophera Polyvenella Millière, met nog
een ander, minder gaaf, in den afgeloopen zomer bij Nijmegen
uit onbekend gebleven rupsen gekweekt door ons medelid ter Haar.
Deze soort komt niet voor in Spreker’s werk over de Microlepi-
doptera van Nederland, maar was toch reeds vóór de uitgave
daarvan in Nederland waargenomen door den heer Heylaerts, die
op de Wintervergadering van 1876 hare ontdekking bij Breda
vermeldde onder den naam van Pempelia perfusella Zeller «in
litteris ». Zeller is evenwel niet overgegaan tot de beschrijving dezer
soort, waarop Spreker altijd nog was blijven wachten. Later is het
intusschen gebleken, dat zij reeds door Milliere- in de Revue de
Zoologie en in zijne « Icones» onder den naam Æphestia Polyxenella
was bekend gemaakt, doch dat zij zoo min eene Pempelia als eene
Kphestia, maar wel eene Euzophera is. |
De heer Heylaerts is dus de eerste ontdekker dezer soort in
Nederland. Hi heeft na zijne eerste waarneming, in 1877 en in
1881 nog twee mannetjes gevangen, beiden in zijnen tuin te
Breda. Zij werd, behalve in het zuiden van Frankrijk en in
Nederland, ook bij Stettin in Pommeren gevangen en is dus,
ofschoon zeldzaam, toch wijd verbreid.
Betreffende de verschillende mededeelingen van den heer Snellen
merkt in de eerste plaats de heer Swierstra op, dat hij even-
eens exemplaren der grijze varieteit van Danas Chrysippus van het
VERSLAG. LXXXV
eiland Poeloe-Bras voor de collectie van Natura Artis Magistra
heeft ontvangen, wat als een bewijs’mag strekken voor het stand-
vastig voorkomen dier varieteit.
Professor Veth zegt vervolgens, dat de mededeeling van den
heer Snellen over de lokale varieteiten van sommige soorten op
Poeloe-Bras en Nias voorkomende, hem groot genoegen doet , omdat
zij eene bevestiging is van hetgeen hij reeds dikwijls heeft opge-
merkt, namelijk dat het natuurkundig onderzoek van de kleinere
eilanden in den Indischen Archipel tot belangrijke resultaten zal
leiden. Hij beveelt dat onderzoek op verschillend gebied dan ook
op nieuw dringend aan,
Dr. H. J. Veth vraagt of het ook mogelijk kan zijn, dat het
vertoonde voorwerp van Catocala Nupta, bij het dooden of bedwel-
men, blootgesteld was geweest aan de chemische werking van eene
of andere zelfstandigheid, die de oorspronkelijk roode kleur in eene
gele heeft doen veranderen. De heer Ritsema sluit zich bij deze
opmerking aan en brengt het voorbeeld bij van sommige wespen,
wier gele kleur onder den invloed van eyankalium tot eene roode
overgaat.
De heer Snellen, beide laatstgenoemde Sprekers voor hunne
wenken dankende, stelt zich voor nog een nader onderzoek te doen
naar hetgeen met het bewuste voorwerp van Cat. Nupta is voor-
gevallen ').
De heer Ritsema deelt in de eerste plaats mede, dat de door
hem in 1869 onder den naam van Platypsyllus Castoris beschre-
ven parasiet (?) van den Amerikaanschen bever (Castor canadensis) ,
hem destijds door den heer van Bemmelen, Directeur der Rotter-
damsche diergaarde, ter hand gesteld, in den afgeloopen zomer
1) Uit dit nader onderzoek is gebleken, dat aan eene kleurverandering door
chemische werking niet gedacht behoeft te worden, want de heer Galloway deelde
aan den heer D. ter Haar te Nijmegen mede, dat hij reeds bij het vangen de
gele kleur der achtervleugels had opgemerkt. Het voorwerp is wel met cyan-
kalium gedood, maar dit is ook geschied met verscheidene andere in denzelfden
tijd gevangen exemplaren van Cafocala Nupta, zonder dat bij deze de minste
verandering in de kleur der achtervleugels had plaats gegrepen.
LXXXVI VERSLAG.
door den heer A. Bonhoure ook op den Europeeschen bever (Cas-
tor fiber) die de rivier de Rhône bewoont, is aangetroffen. Zelfs
bij nauwkeurige vergelijking kon tusschen de exemplaren van den
Amerikaanschen- en die van den Europeeschen bever (waarvan
de heer Bonhoure welwillend een paartje aan Spreker had afgestaan),
geen verschil worden waargenomen, zoodat ze als tot ééne soort
behoorende moeten worden beschouwd !).
Eene tweede mededeeling van den heer Ritsema betreft eene vogel-
luis, door Dr. H. ten Kate te Guaymas (Mexico) im den keelzak
van pelekanen aangetroffen. Spreker geeft stukjes van den keelzak
met de daaraan vastgehechte parasieten (tot het geslacht Menopon
behoorende) ter bezichtiging rond, benevens een microscopisch
preparaat van de parasiet, en oppert de veronderstelling, dat zij
wellicht na den dood van den vogel naar binnen zouden gekro-
pen zijn ?).
Ten slotte geeft dezelfde Spreker, als reclame voor het gebruik
van spiritus door entomologen in den vreemde, twee dozen ter
bezichtiging, gevuld met Coleoptera, welke door Dr. B. Hagen van
Sumatra in spiritus waren overgezonden en daarin uitmuntend
1) Tot aanvulling en bevestiging hiervan wordt hier nog verwezen naar een
opstel van Edm. Reitter in de Wiener Entom. Zeitung, Jahrg. III blz. 19, ge-
titeld : ,, Platypsylla Castoris Rits. als Vertreter einer neuen europäischen Coleo-
pteren-Familie”. De heer Ritsema merkte daarin enkele onnauwkeurigheden op:
1° de geslachtsnaam is door hem niet met den vrouwelijken, maar met den
mannelijken uitgang gekozen, dus niet Platypsylla, maar wel Platypsyllus (Le
Conte heeft het eerst deze fout begaan); 2° de grootte der door hem beschreven
exemplaren bedroeg 2,5, niet 4 mm.; 3° de beschreven voorwerpen waren niet
uit de Amsterdamsche, maar uit de Rotterdamsche diergaarde afkomstig; 40 de
Aphaniptera behooren niet in de buurt der vacht- of bijtende luizen (Mallophaga)
thuis, maar die naam is synoniem met Suctoria de Geer en Siphonaptera Latr.
(vlooien).
2) Sedert is van den heer ten Kate vernomen, dat de keelzak wel degelijk de
natuurlijke verblijfplaats van deze parasiet is; hij schrijft dienaangaande: „Her-
haaldelijk heb ik pelekanen (Pelecanus erythrorhynchus Gmel.) den bek geopend
onmiddellijk nadat ik ze geschoten had, en vond dan de parasieten in menigte
in den keelzak zitten.” — Ook is van Dr. E. Piaget bericht ontvangen, dat de
soort ontegenzeggeliik nieuw is, en merkwaardig door het aanhangsel aan de
schenen, welk aanhangsel vroeger slechts eenmaal door hem was waargenomen
en dat zou kunnen dienen tot het oprichten van een nieuw ondergeslacht. De
soort zal in het April-nommer der Notes from the Leyden Museum onder den
naam van Menopon consanguineum Piag, beschreven worden,
VERSLAG LXXXVII
bewaard gebleven waren. Men moet zich echter niet van te slappen
spiritus bedienen (te sterk kan hij niet zijn) en dezen, nadat de
insecten er eenigen tijd in vertoefd hebben, ververschen, daar het
water, dat aan de insecten onttrokken wordt, den spiritus natuur-
lyk verslapt.
De beide dozen met insecten, waarvan hier sprake is, maakten
deel uit van de belangrijke entomologische collectie van Dr. Hagen,
die in den afgeloopen zomer op de Koloniale Tentoonstelling te
Amsterdam is te zien geweest. Professor Veth neemt hieruit aan-
leiding, om eenige woorden van lof en erkentelijkheid te uiten
jegens de heeren Ritsema en Snellen, die met de meeste bereid-
willigheid en ijver die collectie hebben geordend op eene wijze,
dat zi) inderdaad een belangrijk sieraad der tentoonstelling is
geworden en niet weinig de aandacht der bezoekers heeft ge-
trokken.
De heer Ritsema, mede namens den heer Snellen voor deze
welwillende woorden dankzeggende, meent dat ook een niet gering
aandeel van den hun toegekenden lof toekomt aan Dr. Veth Jr.,
dien de geachte Hoogleeraar zoo bescheiden is geweest daarbij niet
te noemen.
De heer Fokker deelt mede, dat in het begin van den vorigen
zomer, bij eene wandeling langs een der Zeeuwsche dijken, zijne
opmerkzaamheid getrokken werd door een buitengewoon groot getal
bijen, die op eene bepaalde plek rondvlogen. De dijk was daar, eeuwen
geleden, afgeschoven, zoodat hij loodrecht naar beneden liep; dit
gedeelte nu, verscheidene meters lang en hoog, was zonder eenigen
plantengroei, maar over de geheele oppervlakte als ’t ware bezaaid
met bijen, die daar in- en uitkropen. Dichter bijkomen was niet
mogelijk en bij gebrek aan vangmiddelen gelukte het Spreker ook
niet een der diertjes te bemachtigen. Een paar maanden later, in
Augustus, ging hij er weder heen en vond toen geene enkele bij
meer, slechts een koploozen romp, die door den heer Ritsema her-
kend wordt voor eene Axthophora-soort , waarschijnlijk A. parietina
F. De geheele dijk zat daar echter vol met gaatjes, en bij het
LXXXVIII VERSLA&G
uitsteken van een stuk der klei bleek het, dat deze talrijke cocons
met de larven bevatte, hetgeen over de geheele oppervlakte het
geval was. Eenigen dier cocons gaan ter bezichtiging rond. Deze
Anthophora schijnt dus aldaar in groot aantal voor te komen; zij
was, — indien het werkelijk paretina is, — tot nog toe slechts als
inlandsch bekend uit een enkel exemplaar, door den heer Bakker
te Oosterbeek gevonden. Waren de bijen toen gevlogen, bij onder-
zoek terzelfde plaatse ving Spreker daarentegen ettelijke exemplaren
van Ebaeus thoracicus Fourc., een kevertje, tot dusver alleen door
Mr. Maurissen te St. Pieter gevonden, en waarvan het voorkomen
op zulk een geheel ander terrein nog al merkwaardig is; en voorts
een vijftal wijfjes van Starts muralis Först., eene Meloide nog
niet als inlandsch bekend. Deze laatsten waren allen gravidae,
sommigen in dien toestand gestorven; pogingen, om de anderen
tot eierleggen te bewegen, zijn echter mislukt. Het is aan Spreker
onbekend of er eenig verband bestaat tusschen Sitaris muralis en
Anthophora, maar hij is voornemens, in den aanstaanden zomer
zijne aandacht daarop te vestigen en hoopt dan tevens van beiden
een groot aantal te zullen vangen.
De heer Everts zegt, dat er wel degelijk tusschen de beide
soorten verband bestaat. De jonge S?taris-larven namelijk beklim-
men bloemen en hechten zich, zoodra de gelegenheid zich voor-
doet, met hare klauwen aan de beharing der Anthophora vast;
zoo doende laten zij zich naar de nesten overvoeren, ten einde
aldaar zich te voeden met den inhoud der pas in de cellen gelegde
eieren en met den daarbij gevoegden honig, en vervolgens hare
gecompliceerde gedaantewisseling te doorloopen.
De heer Everts deelt eenige bijzonderheden mede omtrent de
levenswijze van Velleius dilatatus Fabr. en Metoecus paradoxus L.,
welke beide kevers in de nesten van Vespa-soorten wonen en daar-
door veelal aan de aandacht der Coleopterologen ontsnappen. Op-
merkelijk is het dan ook, dat eerstgenoemde, een der grootste
Staphyliniden, nog nergens in Nederland werd waargenomen,
terwijl zij langs de geheele Belgische en Duitsche grenzen, ja zelfs
VERSLAG, LXXX IK
in de onmiddellijke nabijheid van Nederlandsch grondgebied werd
gevonden. Metoecus paradowus L. werd eenmaal door den heer van
den Honert bij Soest gevonden, welk eenig, doch defect exemplaar,
door de goedheid van den heer Swierstra, thans in Spreker’s col-
lectie is opgenomen. Beide soorten, en daaronder het inlandsche
exemplaar van Metoecus, worden ter bezichtiging gesteld.
Velleius dilatatus leeft in de nesten van Vespa Crabro L. Volgens
de waarnemingen van den heer Erné te Mühlhausen, is de soort
voor de wespen een zeer welkome gast, omdat zij jacht maakt op
allerlei voor het wespenbroedsel schadelijke dieren, vooral Myria-
poden, en daardoor het nest schoonhoudt, en bovendien hare sterke
muskuslucht reeds voldoende is, om vele vijanden der wespen op
een’ afstand te houden. Duizendpooten van het genus Geophilus,
welke van plantenvoedsel of rottende stoffen leven, worden niet
aangevallen, doch kleine Scolopenders, die zelf vleeschetend zijn,
met woede verscheurd. Het schijnt dat vooral de nesten in holle
boomen door Velleius bewoond zijn. Daar de ontdekking dezer
keversoort eene belangrijke aanwinst voor de Nederlandsche fauna
zou zijn, noodigt Spreker zijne medeleden uit, die daartoe in de
gelegenheid zijn, om, natuurlijk met de noodige voorzorgen, de
prachtige wespennesten van Vespa Crabro gedurende den broedtijd
te doorzoeken, en zelfs de holle boomen, waarin zich de nesten
bevinden, na te zien, omdat de kevers wel eens de nesten ver-
laten, wijl zij ook in den naasten omtrek hun jachtterrein hebben
en niet zelden zelfs de wespen navliegen.
Metoecus paradoxus L. behoort tot de Rhipiphoridae, na verwant
aan de Mordellidae en Meloidae. Zij leeft in de onderaardsche
nesten van Vespa vulgaris L. en wellicht ook van 7, germanica
Fabr. Volgens Gradl zou zij alleen gevonden worden in de nesten,
welke op beschaduwde plaatsen, b. v. aan boschranden gebouwd zijn;
die op open velden vertoonen geen spoor van het kevertje, even=
min die in huizen of schuren. Gradl begon met het opgraven der
nesten eerst in het laatst van September, nadat de akkerbouw
geheel was afgeloopen, nam de nesten mede naar huis, doorzocht
de cellen en vond toen Metoecus-exemplaren in alle stadiën van
XC VERSLAG.
ontwikkeling. Hij zegt, dat een gymnasiast, door wien hij in dit
werk werd bijgestaan, niet zeer gevoelig scheen voor het steken
der wespen, doch raadt hun, die liever niet met de wespensteken
kennis maken, de volgende methode aan. Wanneer men een nest
ontdekt heeft, worden met een slagnet een zoo groot mogelijk
aantal der om het nest vliegende wespen weggevangen en daarna
het net toegebonden; desnoods kan meer dan één net worden ge-
vuld; het doel is om genoeg arbeiders te behouden voor de voeding.
Daarna worden de andere uit- en invliegende wespen met eene
vliegenschaar weggevangen en gedood. Is het nest op deze wijze
ontvolkt, dan neme men, liefst ’s avonds laat, de raten voorzichtig
er uit, goed toeziende dat er geen reeds uitgekropen Metoecus-
voorwerpen aanwezig zijn, die spoedig wegvliegen. De raten en de
wespen worden 'nu mede naar huis genomen, en dan de eersten
op vochtige aarde in een grooten diepen pot gelegd, waarna de
gevangen arbeiders naar binnen worden gelaten, door voorzichtig
het net boven den pot te openen. Deze wordt vervolgens met eene
losse glasplaat gedekt. Dagelijks moet nu, door de glasplaat even
te verschuiven, een stukje vleesch en een weinig honig naar
binnen worden geworpen, totdat alle of althans de meeste cellen
gesloten zijn. De levende wespen kunnen dan worden vrijgelaten ,
waarna dient te worden toegezien, of niet hier of daar een Metoecus
zijn celdeksel doorbreekt, Gradl vond meermalen tot wel een 40-tal
exemplaren op eens. Hij beweert ze zoowel bij Vespa vulgaris als
bij V. germanica te hebben aangetroffen; doch Hoffer vond ze in
de omstreken van Gratz uitsluitend bij eerstgemelde en nimmer in
de nesten van andere Vespa-soorten. Hoffer gebruikt eene andere
methode: hij giet in het vlieggat zwavel-ether, liefst ’s avonds laat,
sluit dan de opening met een doek en wacht 5—8 minuten de
uitwerking af; daarna graaft hij het nest op, neemt het in een
doek mede naar huis en stelt het daar op eene geschikte plaats,
zoodat de wespen, na weder bijgekomen te zijn, hunnen arbeid
hervatten en zich langzamerhand aan hunnen verpleger gewennen.
Ook volgens hem zou het laatst van September de meest geschikte
tijd zijn, om de kevers te verkrijgen.
VERSLAG. | xoi
Spreker wijst ten slotte ap een paar opstellen in de Mytomol.
Nachrichten van 1879 en 1883, waarin het hier behandelde onder-
werp meer uitvoerig is behandeld. In ’t algemeen kan hij niet
genoeg aanhevelen, om allerlei nesten van Hymenoptera te door-
zoeken, daar zeer vele Coleoptera als gasten dezer gezellig levende
dieren bekend zijn.
Naar aanleiding hiervan vestigt de heer Ritsema nog de aan-
dacht op een blind kevertje, Leptimus testaceus Müll., dat in hom-
melnesten voorkomt en in aangrenzende landen op vele plaatsen,
maar tot dusver niet hij ons gevonden is,
De heer van Bemmelen wenschte eenige mededeelingen te
doen over het trekken van insecten, een onderwerp waarmede hij
zich in vroegere jaren veel heeft bezig gehouden, gelijk de ouderen
onder de Leden zich nog wel zullen herinneren !). Tot zijn leed-
wezen echter heeft hij op dit oogenblik zijne vele aanteekeningen
hierover niet bij zich en kan hij dus niet in bijzonderheden treden.
Alleen dit kan hij zeggen, dat hij de vroeger als zeker aangenomen
feiten op nieuw bevestigd zag en dat hij meent, ten opzichte der
destijds geopperde stellingen, weder een’ stap nader tot de waar-
heid gekomen te zijn. Vooral acht hij merkwaardig een door hem
waargenomen trek van Libelluliden in Juni 1880 in de Rotter-
damsche diergaarde, en die in Zuid-Beierland en elders is kunnen
vervolgd worden; en voorts een van Pieris door Belgie, Nederland
en Duitschland. Hij verklaart zich bereid, om de gedane waarne-
mingen tot een geheel te bewerken, in de hoop dat zij van ge-
noegzaam belang zullen worden geacht om eene plaats in het
Tijdschrift voor Entomologie in te nemen.
De Voorzitter geeft hem de verzekering, dat de Redactie van
het Tijdschrift gaarne hieraan gevolg zal geven.
De heer van der Wulp vestigt de aandacht op de vergiftige
Tsetse-vlieg in centraal Afrika. Hij kreeg daartoe aanleiding, omdat
1) Zie Konst- en Letterbode van 3 November 1855; Handelingen der Ned. Entomol.
Vereeniging blz. 80 en volg.; en Tijdschrift voor Entom. dl. V blz, 24,
XOTE VERSLAG,
zich in eene kleine bezending Diptera van het Brusselsche museum,
hem tijdelijk ten onderzoek toevertrouwd, een exemplaar van deze
beruchte vlieg bevindt. Een ander exemplaar vond hij in het
museum te Leiden. Het exemplaar uit het Belgische museum
(Glossina morsitans Westw.) is slecht geconserveerd en, zooals hij
van den heer Preudhomme de Borre vernam, het eenige daar
aanwezig, Dat van het Leidsche museum (Glossina longipalpis Wied.)
is daar indertijd ten geschenke ontvangen van Prof, Westwood;
het is ook wel oud, maar toch nog zeer kenbaar. Over ’t algemeen
zijn deze dieren zeer schaars in de collectiën vertegenwoordigd,
hoewel zij in sommige gedeelten van Afrika in onnoemelijke hoe-
veelheden moeten voorkomen. Spreker laat beide deze voorwerpen
ter bezichtiging rondgaan, in de veronderstelling dat zijne mede-
leden wel veel van de kwaadaardige eigenschappen dezer vlieg
zullen hebben gehoord of gelezen, maar zeker niet allen het diertje
zelf zullen hebben gezien. Hij vermeldt in het kort wat, zoowel
op entomologisch als op biologisch gebied, geschreven is over dit
insect, dat, naar beweerd wordt, geheele streken onbewoonbaar
zou maken, wijl door zijn vergiftig steken het vee, vooral paarden
en runderen, onfeilbaar worden gedood.
- Daar Spreker zich voorstelt, zijne mededeelingen in een klein
opstel in het Tijdschrift samen te vatten, kan hier worden vol-
staan met daarnaar te verwijzen.
Niemand verder het woord verlangende, sluit de Voorzitter,
onder dankzegging aan de verschillende Sprekers, deze vergadering.
VERBETERING.
In het Verslag der Zomervergadering te Assen op 28 Juli 1883
zijn, door eene vergissing, aan het slot van blz. xvi de beide
volgende regels uitgevallen:
waarin het feit vermeld wordt, dat rupsen met gedroogde bladeren
kunnen worden gevoed. De bladeren worden voor dat doel ver-
MEAN LANTERN
Vrij algemeen bekend onder Lepidoplerologen of verzamelaars
van Lepidoptera is de vangwijze, waarbij tegen het vallen van
den avond een 25-tal boomstammen over eene oppervlakte van
ongeveer 2 decimeter worden bestreken met stroop of honig, ver-
mengd met eene kleine hoeveelheid rum, cognac of bier, en wel
zooveel als noodig is om het mengsel tamelijk vloeibaar te maken,
hetwelk bij het aanwenden van bier allicht te veel wordt verdund.
In den regel kiezen ervaren stroopers voor hun doel boomen
met eene ongelijke schorsbekleeding, zoo als eiken, wilgen, popu-
lieren enz.; Pinus sylvestris is ook niet af te keuren. Minder
geschikt schijnen mij de eigenlijke dennen (Abies), wegens den
sterken geur hunner hars; in elk geval kieze men boomen,
die aan den rand van meer of minder groote bosschen staan en
in de nabijheid van allerlei hout- en struikgewas.
Zoodra het duister genoeg is, wordt er eene kleine helder
licht-gevende lantaarn ontstoken en begint de ronde langs de aldus
tot lokaas toegeruste stammen.
De vlinders, die door den geur zijn aangelokt, blijven meestal,
ondanks het licht van de lantaarn, rustig op den stam zitten en
worden gemakkelijk buit gemaakt, door een vangnet onder de
bestreken plek te houden en ze dan zooveel mogelijk elk afzon-
derlijk, met een lichten tik van den vinger in het net te stooten,
waaruit ze vervolgens door middel van een doosje met glazen
bodem of deksel worden opgevangen.
Het aansteken toch, op den stam zelf, mislukt meestal ; ook het
vangen enkel met een doosje, zonder gebruik te maken van het net,
1
2 À LA LANTERNE !
is tamelijk onzeker, daar vele vlinders zich op het beslissende
oogenblik laten vallen en dan spoorloos verdwijnen.
Eenmaal in de doosjes opgesloten zijnde, blijven de dieren bijna
altijd onbewegelijk zitten en kunnen, zonder gevaar dat zij zich
beschadigen, mede naar huis worden genomen ter verdere behan-
deling.
Sommige verzamelaars bezigen, in plaats van doosjes, eene groote
vangflesch, met cyankalium voorzien, in welke de geheele vangst
wordt bijeengedaan; deze, door eenigen hunner met ophef aange-
prezene, doch m. i. ruwe manier, heb ik hen zien aanwenden
met erbarmelijk gevolg, daar de doode vlinders bij elke beweging
van den jager op en over elkander rollen en bij die voortdurende
omwentelingen allen zweem van frischheid verliezen.
Wel kan eene kleine flesch met cyankalium goede diensten
doen, mits iedere vlinder, na bedwelmd en gedood te zijn, uit
de flesch genomen en aangestoken worde; deze bewerking levert
evenwel in de open lucht en bij het onzekere lantaarnlicht vrij
ernstige bezwaren op.
Geheel af te keuren is het gebruik van een zoogenaamd druk-
netje, omdat uit den aard der zaak tusschen den stam en het
netje bijna altijd voor de dieren genoegzame ruimte overblijft om
zich te bewegen en geweldig te beschadigen, voor dat ze op den
boom zijn vastgestoken.
Op welke wijze dan ook uitgeoefend, blijft de uitslag van zulk
eene nachtelijke jacht, die het beste door twee personen wordt
ten uitvoer gebracht, altijd zeer wisselvallig, en levert zij sterk
uiteenloopende uitkomsten op, zoowel met betrekking tot het aantal
soorten en exemplaren die worden buit gemaakt, alsook ten
opzichte van het vroeger of later op den avond verschijnen van
de begeerde vlinders.
In den regel zijn, in den zomer althans, zoele en regenachtige
avonden het meest productief, waaruit evenwel volstrekt niet volgt
dat koude en drooge avonden als ongeschikt moeten worden be=
schouwd. In beide gevallen is maar al te dikwijls teleurstelling
het loon voor stroop en rum, geduld en volharding.
GI
À LA LANTERNE | 3
Somtijds echter is de vangst inderdaad verrassend, ten bewijze
waarvan ik hierbij mededeel 36 soorten, die door Dr. J. van
Leeuwen Jr. en mij in dezelfde localiteit, zijnde eene laan in de
nabjjheid van Vorden, gevangen en gevonden zijn op de avonden
van 30, 31 Juli en 1 Augustus van dit jaar, waarvan alleen op
31 Juli 26 species, onder medewerking van onzen vriend den
heer P. C. T. Snellen.
Wij vingen op 30 Juli: Agrotis Pronuba L.
Luperina Lateritia Hfn. » Baja W. V.
Amphiphyra Pyramidea L. » Triangulum Hfn.
Catocala Nupta L. y= Plecta I.
Agrotis Festiva W. V. Drie:
» Segetum W, V.
Op 31 Juli: i 3
Caradrina Alsines Br.
Lithosia Griseola Hbn.
Acronycta Rumicis L. en var.
» Megacephala W. V.
Craniophora Ligustri W. V.
Lampetia Arcuosa Haw.
Amphipyra Tragopogonis Cl.
Euplexia Lucipara L.
Acrobasis Tumidella Zck.
Calymnia Trapezina L. Myelois Consociella Hbn.
Trachea Atriplicis L.
Hadena Chenopodii W. V.
» Cucubali W. V.
Charaeas Graminis L.
Op 31 Augustus:
Luperina Lithoxylea W. V.
Agrotis Subsequa Esp.
Luperina Monoglypha Hfn.
_ » Didyma Esp. en var.
» Ophiogramma Esp.
Helotropha Nictitans L. en var.
Leucania Lithargyrea Esp.
Scoliopteryx Libatrix L.
Cidaria Chenopodiata L.
» Ferrugata I.
Grapholitha Solandriana var. Se-
mimaculana Hhn.
Tot recht verstand voeg ik nog hierbij, dat de op 30 Juli en
4 Augustus vermelde soorten ziet op den 34 Juli voorkwamen;
terwijl eenige van de meest gewone soorten onder de vangst van
81 Juli, zich oof op 30 Juli en 1 Augustus vertoonden.
Na onderlinge bespreking van deze opmerkelijke vangsten, is
het ons wenschelijk voorgekomen ook anderen daarvan in kennis
te stellen, al ware het alleen tot aanmoediging van minder be-
4 À LA LANTERNE
voorrechten of tot bekeering van hen, die deze vang-methode als
weinig loonend afkeuren en veroordeelen.
J. W. LODEESEN.
Nadat dit opstel ter inzending was gereed gemaakt, hielden wij
den 9 Augustus, dus ruim 8 dagen later, op nieuw een’ stroop-
tocht in dezelfde localiteit, bij welke gelegenheid wij zelfs 32
soorten buit maakten, en wel 16 soorten reeds op de vorige data
vermeld, en 16 species die we vroeger nog niet hadden waarge-
nomen, als:
Lithosia Muscerda Hfn. Timandra Amataria L.
Dipterygia Scabriuscula Cl. Zonosoma Punctaria L.
Luperina Basilinea W. V. Cabera Pusaria L.
Agrotis Xanthographa W. V. Cidaria Biriviata Bkh.
» Umbrosa W. V. » Bilineata L.
» Rubi View. Crambus Culmellus L.
» GC. Nigrum L. Asopia Glaucinalis L.
Caradrina Clavipalpis Se. Eudorea Crataegella Hbn.
Amsterdam, Augustus 1883.
HET PREPAREEREN VAN RUPSEN,
DOOR
JDN ONU DE MA NIS:
Vele verzamelaars van Lepidoptera stellen er prijs op, in hunne
collectien niet alleen de volkomen insecten, maar ook de poppen
en rupsen bijeen te brengen. Het prepareeren van rupsen door
opblazen is eene reeds lang bekende methode, die echter weinig
wordt toegepast, ten eerste om de niet geringe inspanning der
longen, en ten tweede wegens de zelden uitblijvende verkleurin-
gen, vooral bij naakte rupsen. Dit laatste ongerief is grootendeels
toe te schrijven aan de hitte, waaraan zij worden blootgesteld,
als men ze, na uitpersing en bevestiging aan eene glazen buis,
eenvoudig met den mond opblaast en boven eene glimmende kool
vuur droogt. Dat men de rupsen zoo dicht mogelijk bij het vuur
houdt, ten einde door sneller droging zich minder te moeten
inspannen, behoeft wel geen betoog.
Na lang zoeken en verbeteren heb ik eindelijk eene andere
methode gevonden, die zeer goede uitkomsten oplevert. Ik gebruik
den op plaat 1 afgebeelden toestel met mechanischen luchtdruk
en zonder verwarming. De machine bestaat uit twee zinken cylin-
ders (A en B), die, ieder aan één uiteinde open, in elkander
zijn gezet, zoodanig dat de buitenste met den open kant naar
boven, de binnenste met den open kant naar onder staat. De
tusschenruimte wordt met water gevuld. De lucht in den binnen-
sten cylinder wordt hierdoor saamgeperst en tracht te ontsnappen,
doch vindt geen anderen uitweg dan door de in den bovenwand
6 HET PREPAREEREN VAN RUPSEN.
des cylinders vastgesoldeerde buis D. Van hier gaat de geleiding
door de gutta-percha buis E naar eene glazen buis met dwars-
armen (F, GG). Aan elk dezer armen zijn weder gutta-percha
buisjes bevestigd, alsook aan het uiteinde der buis (G’). In deze
gutta-percha buisjes worden nu de glazen buisjes (I I) bevestigd,
waaraan de rupsen (LL) zijn vastgehecht. Die welke tijdelijk
niet gebruikt worden, kunnen gemakkelijk worden afgesloten met
toegesmolten stukjes buis (KK, M). Op deze wijze wordt ook de
opening H gesloten, welke dient om, zoo noodig, eene tweede
buis met dwarsarmen te bevestigen. Er is nog een stevig ijzerdraad
(C) door den buitensten cylinder gestoken, ten einde aan den
binnensten cylinder het opstijgen te beletten. Dit ijzerdraad, van
boven gezien, doet zich voor als afgebeeld bij Q. De binnenste
cylinder is van onder uitgeschulpt, ten einde aan het water toe-
gang te verleenen.
Men ziet uit dit alles, dat de lucht in den toestel overal van
de buitenlucht is afgesloten, en daar zij onder grooten druk staat
(als de machine vol water is, wordt de verhouding ongeveer 1:
1!/,,), drukt de lucht overal tegen den wand en dus ook tegen
de binnenzijde der rupsen, die daardoor den natuurlijken vorm
weder aannemen. Ook hier vindt de lucht geen uitweg, want
mondopening en stigmata zijn bij de uitpersing reeds verstopt.
Wanneer men een of meer rupsen wil opblazen, begint men met
de-rups langzaam tusschen duim en wijsvinger te drukken bij den
tienden ring, zoodat de endeldarm naar buiten komt en hoe langs
zoo meer wordt uitgestulpt. Daarna neemt men de rups in het
midden en drukt weêr, en zoo vervolgens naar den kop toe, steeds
voorzichtig den inhoud door den endeldarm heen verwijderende,
totdat de rups geheel ledig is. Men moet echter nooit sterk druk-
ken, daar hierdoor, vooral bij naakte rupsen, dikwijls vlekken
in de huid ontstaan. Nu blijft dus alleen de huid en een stuk
endeldarm van een paar millimeter lengte over; hierin wordt eene
fijn uitgetrokken glazen buis (N, O, P) gestoken en daarna de
endeldarm met eenen draad omwoeld, zoodat de rups stevig is
bevestigd (R). Het buisje moet minstens 2 mm. ver in het lichaam
HET PREPAREEREN VAN RUPSEN. 7
van de rups reiken. Nu behoeft men de aldus behandelde rups
slechts met het buisje te bevestigen aan een gutta-percha buisje
van den toestel, en de lucht wordt er in geperst. Na korter of
langer tijd zijn de rupsen droog, hetgeen afwisselt tusschen een
en vier dagen; waarna men den draad afwikkelt, met een mesje
den endeldarm wegschrapt en tegelijk de gedroogde rups van de
buis verwijdert. Is dit alles geschied, dan moet de rups nog zoo
behandeld worden, dat ze in de collectie kan worden geplaatst.
Het beste is daarvoor te gebruiken zeer dunne takjes, desnoods
bladstelen, iets langer dan de rups. Men steekt op korten afstand
van het ééne uiteinde eene speld, steekt het andere in de rups,
zoo ver mogelijk, en kan dan de plaats, waar het glazen buisje
bevestigd is geweest, met wat gom aan het takje hechten (zie
fig. S). Dunne houtjes zijn minder geschikt, daar zij bij het door-
steken met de speld dikwijls splijten. Zijn de rupsen gekromd of
is de opening te klein om het takje er door te steken, dan kan
men de rups er eenvoudig op lijmen.
Ten slotte nog eenige opmerkingen.
Wat het dooden der rupsen betreft, hiervoor heb ik nog geen
in alle opzichten voldoend middel kunnen vinden. Indompeling in
eenig vocht is geheel verwerpelijk, wegens verkleuring en wegens
het aaneenkleven der haren; terwijl bij het dooden door een of
anderen damp, vochten uit den mond vloeien en veelal vlekken
op het lichaam veroorzaken. Het beste middel is nog, de rups te
werpen in eene flesch, gevuld met zeer fijn geknipt wollig vloei-
papier, en dan daarbij, of op een watje aan den stop, eenige
druppels zwavelkoolstof, benzine, aether of andere vluchtige doo-
dings-vloeistof te gieten; laten de rupsen dan vochten los, dan
worden deze door het vloei ingezogen.
Men onderzoekt of de rups droog is, door haar met buisje en
al van den toestel te nemen en even aan het buisje te zuigen;
de rups mag dan niet meer inkrimpen.
Groene, naakte rupsen moeten niet te sterk worden uitgeperst,
daar anders de groene kleur, die bij het drogen toch reeds veel
van haar schoon verliest, geheel verdwijnt. Men neme de rupsen
8 HET PREPARFEREN VAN RUPSEN.
een paar dagen vóór ze geheel volwassen zijn, dan blijft de kleur
het beste.
De toestel kan ook voor andere larven dan die van Lepidoptera ,
gebruikt worden; ik bekwam onder anderen goede uitkomsten bij
Oryctes nasicornis, Melolontha vulgaris, Ocypus olens, Tenebrio
molitor enz. en bij Libelludiden-larven.
Voldoende afmetingen zijn voor den buitencylinder: hoogte 60
cm., middellijn 20 em.; voor den binnencylinder: hoogte 55 cm.;
middellijn 15 cm. Van de overige deelen zijn de afmetingen naar
verkiezing te regelen; het is echter gemakkelijk, de buis E ten
minste een meter lang te nemen, daar alsdan gelegenheid bestaat
om de cylinders op den grond te plaatsen en de glazen buis met
dwarsarmen op den rand eener tafel, zoodat de rupsen verticaal
naar beneden hangen.
Is de lucht op eene of andere wijze uit den toestel geraakt,
dan maakt men de buis bij F. los en blaast met niet bijzonder
veel inspanning de lucht er weder in.
Ik sluit met den wensch dat ik hiermede, zoo niet vele, dan
toch enkele entomologen gebaat heb.
BIOLOGISCHE EN SYSTEMATISCHE BESCHRIJVING
VAN
VIER NIEUWE ARGENTIINSCHE PSYCHIDEN,
DOOR
Prof. WEYENBERGH.
Reeds gedurende vele jaren heb ik de soorten, welker beschrij-
ving ik hier volgen laat, leeren kennen, maar de talrijke parasieten
(hoofdzakelijk Pteromalinen) verhinderden mij steeds om, door
kweeking, omtrent de verschillende toestanden en de levensge-
schiedenis tot dien graad van kennis te geraken, die voor het
opstellen van eene eenigszins volledige beschrijving noodzakelijk is.
In den laatsten zomer was ik gelukkiger, vooral door de zorg die,
gedurende mijne afwezigheid door eene reis naar de noordelijke
provincien, mijne echtgenoote voor de kweekelingen droeg.
PSYCHE CASSIAE m.
(Pl. 2 Fig. 1—6).
In de maand November vindt men aan de planten, die hier den
naam van «barba de indis» (indianenbaard) voeren (Cassia
Aphyllis), Psychiden-woningen van verschillende grootte, maar die
allen toch door den zooloog licht als zoodanig herkend worden.
De plant is eene der algemeenste van de flora der centrale pro-
vincien, en door hare eigenaardige bladlooze struiken gelijken de
door haar bekleede vlakten in de verte eenigszins op heide,
10 BIOLOGISCHE EN SYSTEMATISCHE BESCHRIJVING
Ik vond in de woningen steeds tegelijkertijd jonge rupsen van
1 millimeter, en volwassene van 16 millimeter, ja zelfs reeds
enkele poppen. Bij het toenemen in grootte, wordt ook de kleur
donkerder, terwijl eerst dan de witte of heldere teekening op
de drie eerste segmenten duidelijker wordt. Bij geheel jonge rup-
sen toch zijn de schildjes op deze thorax-segmenten bijna geheel
zwart, en de kleur van het overige lichaam bleeker.
Beschrijving der rups (Fig. 1 en 2). De kleur is donker parel-
grijs, met zwartachtig staarteind en grauwwitte buikvlakte. De
lengte der volwassen rups is ongeveer 15 à 16 millimeter, bij 2,5
mill. dikte.
De zwarte teekening, welke de rups op den kop en de drie
volgende segmenten vertoont, stemt geheel overeen met wat men
in ’talgemeen de Psychiden-teekening kan noemen, en die zooveel
onderlinge gelijkheid bij de verschillende soorten oplevert, dat het
vaak moeilijk zijn zou de soorten te bestemmen, zonder de wonin-
gen of de vlinders er bij te hebben. Ik wil echter trachten de
beschrijving zoo nauwkeurig mogelijk te maken.
De kop is aan de zijden, bij de oogvlakten, zwartachtig, maar
niet volkomen zwart, wijl die kleur hier teweeg gebracht wordt
door eene menigte zwarte puntjes, die zich hoogstens tot onre-
gelmatige kleine vlekjes uitbreiden, en tusschen welke zich fijne
witte lijntjes uitstrekken, even als in den gelithographeerden
plattegrond eener stad de witte lijnen de straten beduiden. Midden
op het achterhoofd staat eene breede middenstreep, die niet ver
naar voren doorloopt, maar integendeel zich dra in kleine zwarte
puntjes en stipjes oplost. De bovenlip is licht gekleurd met zwarten
rand en, even als de plaatsen tusschen de vermelde donkere figuren,
een weinig naar het geel trekkend, vooral aan de zijden. De mond-
deelen zijn zwartachtig.
Op den eersten ring achter den kop ziet men twee breede zwarte
banden in overlangsche richting, met slechts een smal wit mid-
denveld er tusschen. De vorm van deze banden is wel vrij
regelmatig, maar toch vloeien zij naar voren wat uit. Aan iedere
zijde staat ook eene zwarte vlek, doch deze vlek heeft niet zulk
VAN VIER NIEUWE ARGENTIJNSCHE PSYCHIDEN. 11
een’ regelmatigen bovenrand, maar eerder een’ hoekigen, onre-
gelmatigen; in de insnijdingen staan eenige zwarte punten.
De teekening van het tweede segment komt met die van het
eerste overeen, met dit verschil, dat de zwarte banden en vlek-
ken grooter zijn, d. w. z. zich verder naar den achterrand van den
vorigen ring uitstrekken, doch zonder dien evenwel te bereiken.
Door al dat zwart zijn de beide eerste segmenten en de kop
donkerder dan bij vele Psyche-rupsen het geval is. De niet zwarte
plaatsen zijn helder sepiakleurig.
Op het derde segment ziet men ook wel een rugschild, maar
dat zich alleen op de achterste helft uitstrekt; de teekening stemt
overigens in het algemeen met die der vorige segmenten overeen;
iets lichter is zij, en ook de sepiakleur der niet door de schilden
bedekte gedeelten der huid is helderder dan tusschen de figuren
der teekening.
Het overige naakte gedeelte der rups is nog lichter en nadert,
zooals ik reeds in den aanvang zeide, het parelgrijs, met uitzon-
dering van het staarteind, dat zwart of althans zeer donker is.
Nog dien ik te vermelden, dat men op het vierde en vijfde
segment, op de rugvlakte, een paar vlekjes ziet; op het vierde
duidelijker dan op het vijfde.
De stigmataal-stippen zijn vrij duidelijk.
De buikpooten zijn, als bij alle Psychiden, rudimentair en
kleine stompjes, de borstpooten daarentegen betrekkelijk krachtig
gebouwd en donker van kleur, met enkele heldere vlekken, die
vooral duidelijk zijn aan het tweede paar en dit bont maken,
zooals ik in figuur 3 voorstel. De klauwtjes dezer voeten zijn
roodachtig bruin.
De jonge rupsen zijn in ’t algemeen iets donkerder, vooral de
schildjes op de eerste segmenten, die, zooals ik reeds boven zeide,
bijna geheel zwart zijn. Eerst na de tweede vervelling beginnen
zich de vlekken en de onregelmatige heldere teekening te vertoonen.
De rupsen groeien vrij snel, nl. als men in aanmerking neemt
dat zij Psychiden zijn, die in ’t algemeen een lang rupsenleven
hebben; in een paar maanden zijn zij volwassen,
12 BIOLOGISCHE EN SYSTEMATISCHE BESCHRIJVING
De woningen. In den eersten tijd, d. i. vóór de eerste vervel-
ling, zijn de huisjes zeer los en slap, saamgesteld uit weeke deelen
van den bast der struiken waarop het dier leeft; eerst na de
derde vervelling worden daartoe stukjes van steviger stengels aan-
gewend. De huisjes zijn vrij regelmatig gebouwd, naar het boven-
en ondereind toe een weinig smaller dan in het midden, waar
zich de langste en dikste takjes bevinden. De langste takstukjes
aan de woning van eene volwassen rups zijn ongeveer 4 à 5 mill.
lang en zelden meer dan 1,5 mill. dik. Deze door de rups zelve
afgebeten stukjes zijn vrij regelmatig in dwarsche richting aan de
buitenzijde der woning vastgehecht, waardoor een min of meer
regelmatigen vierzijdigen vorm ontstaat, die in het midden het
duidelijkst is (zie figuur 4).
De binnenzijde is met eene dikke taaie laag van glanzige zijde
gevoerd. De richting, waarin de woningen aan de takken hangen,
is met het kopeind naar boven, zoodat zij met de takken een
scherpen hoek vormen. De langste woningen meten ongeveer 20
millimeter.
Over den verschillenden vorm bij de verschillende sexen, over
het alleen uit zijde bestaande, buisvormig achteraanhangsel aan de
woning der mannetjes, over de wijze van de woning bij elke ver-
velling en bij de gedaantewisseling vast te spinnen en van boven
te sluiten, over het omkeeren der rupsen vóór de verpopping, —
enz., enz. zal ik hier niet uitweiden, daar dit alles met de
bekende levenswijze der Psychiden in ‘t algemeen overeenstemt, en
men desbelust het opstel van Hoffmann !) kan naslaan.
De rups voedt zich bijna uitsluitend met de schors der takken.
De verpopping vindt in November en December plaats.
De poppen. De vrouwelijke pop is vrij slank en lichtbruin van
kleur. Tengevolge van het ontbreken der spriet-, oog-, vleugel-,
poot-scheeden, enz. is het vooreind bijna niet van het achtereind
te onderscheiden. De lengte is 10 mill., de breedte 2,5 mill. op
1) Hoffmann, Ueber die Naturgeschichte der Psychiden, in Berliner entomol,
Zeitschrift 1860 IV p. 1. È
VAN VIER NIEUWE ARGENTIJNSCHE PSYCHIDEN. 13
het breedst gedeelte. De uiteinden zijn iets minder stomp dan bij
de volgende soort.
De mannelijke pop is wel iets donkerder, maar toch niet zeer
donker bruin, even lang als de vrouwelijke en, over den thorax ,
slechts 2 mill. breed. De thorax is niet zoo sterk gewelfd als bij
de volgende soort en tengevolge daarvan komt de kop meer vöör
den thorax te liggen, terwijl hij bij de volgende soort er meer
onder ligt. Het. staarteind is betrekkelijk stomp en de staartpuntjes
zijn zeer klein. De poot-, vleugel- en sprietscheeden zijn iets donkerder
en de vleugelscheeden vrij lang.
De vlinders. Het mannetje is vaalzwart van kleur, de thorax
en de kop donkerder, meer glimmend zwart dan de vleugels. De
vleugels zijn wel vrij doorschijnend, maar niet zoozeer als dit bij
de derde hieronder beschreven soort het geval is; zij zijn iets
dichter beschubd en daardoor de aderen onduidelijker. De voor-
rand der bovenvleugels is zeer weinig gebogen en de vleugel-
spits stomp, terwijl de onderhoek dier vleugels meer tot een
rechten hoek nadert. De onderrand is recht en bijna zoo lang als
de voorrand; ook de buitenrand is vrij recht en ongeveer half zoo
lang als de voorrand, zoodat de vleugel niet zeer breed is. De
grootste breedte is 5 mill. en de lengte, in het midden des opper-
vlaks gemeten, ongeveer 9 mill. Vlucht 20 mill. In de vaalzwarte
kleur is geene schakeering, zoodat het dier er vrij eentoonig uit-
ziet. De onderzijde der vleugels vertoont dezelfde kleur, nog iets
valer.
De ondervleugels, van dezelfde kleur, zijn betrekkelijk breed en
rond; alleen de bovenhelft van den binnenrand is recht, maar
overigens zijn alle randen en daarmede ook de hoeken afgerond.
De breedte is ongeveer 5,5 mill.
Omtrent de vleugeladeren verwijs ik eenvoudig naar fig. 5.
De fraaie kamvormige sprieten (fig. 6), welker schaft naar de
punt toe korter getand wordt, hebben slechts een vijfde der lengte
van den voorrand der voorvleugels en zijn dus kort; ook zijn zij
iets donkerder dan de vleugels.
De oogen zijn glimmend zwart en zoo dicht nevens elkander
14 BIOLOGISCHE EN SYSTEMATISCHE BESCHRIJVING
geplaatst, dat er slechts eene kleine voorhoofdsruimte overblijft. De
monddeelen zijn eenigszins rudimentair of onvolkomen.
De kop is klein, met dicht dons bezet dat, evenals dat van
den thorax, donkerder is dan de overige kleur van den vlinder;
ook de thorax is klein en weinig gewelfd.
Het achterlijf steekt bijna niet voorbij de vleugels uit en is
slank en ruig, niet zoo donker als de kop en de thorax, maar
meer grauwachtig, soms zelfs iets lichter dan de vleugels.
De pooten zijn vrij donker en niet zoo zwak als wel bij som-
mige andere Psychiden het geval is.
De onderzijde des lichaams is over ’t algemeen iets donkerder
dan de onderzijde van de vleugels, hoewel deze laatsten aan de
onderzijde bij den voorrand ook iets donkerder zijn. De achterrand
der achtervleugels is van franje voorzien.
De lengte des lichaams is 8,5 mill.
De wijfjes zijn kleiner en minder volkomen cylindervormig
dan bij de volgende soort, het kop- en thorax-schild duidelijker en
lichtbruin. Appendiculaire organen ontbreken zoo goed als geheel.
In het midden is het lichaam iets breeder dan aan de uiteinden
en het achterlijf eindigt niet zoo afgeknot, maar spitser. De eilegger
is niet zoo lang en steekt minder uit.
Een smalle en dunne band van korte, geelachtige haren ver-
toont zich aan het achterlijfseinde, maar is niet zoo sterk ont-
wikkeld als bij de volgende soort. Als gewoonlijk bij de Psychiden-
wijfjes, wordt de geelwitte kleur des lichaams in de verzamelingen
spoedig zwartachtig ; ook de vorm gaat ten gevolge der samen-
droging gedeeltelijk verloren. |
De lengte der wijfjes verschilt van 6 tot-4,5 mill.
De eieren zijn kleiner en donkerder dan die der volgende soort
en ietwat ronder.
Deze soort is de algemeenste rondom Cordova.
PsycHE BURMEISTERI m.
(Pl. 2 Fig. 7 en 8).
Ook deze soort leeft op Cassia Aphyllis, maar is evenmin kies-
VAN VIER NIEUWE ARGENTIJNSCHE PSYCHIDEN. 15
keurig als de voorgaande, daar men haar op allerlei andere planten
aantreft.
De rups. De rupsen zijn veel lichter van kleur dan die der
voorgaande soort; de oogvlekken lichtbruin of sepiakleurig, de
drie eerste segmenten grijsachtig met weinig zwarte teekening,
d. w. z. de vlekken zijn betrekkelijk klein en de zwarte stippen
geringer in getal. De borstpooten zijn bont en ook lichter,
tengevolge van den kleineren omvang der vlekken. De overige
segmenten daarentegen zijn donkerder, waardoor ook van de vlek-
ken op het 4de en 5de segment bijna niets te zien is. De grootte
der rups is ongeveer als bij de vorige soort, maar de vorm ietwat
slanker en langer (zie figuur 7).
De woningen. Het verschil in de kokers tusschen deze en de
vorige soort is beduidend. Aan de huisjes van deze soort toch zijn
slechts enkele dunne takjes van de plant bevestigd en niet in
dwarsche maar in overlangsche richting, en zóó zwak er aan
gehecht, dat zij weldra afvallen en dan de geheele koker van
enkel grauwe of verschoten vale zijde gemaakt schijnt. De vorm
der woning is een regelmatige kegel (zie figuur 8).
‘ Het halsgedeelte van dezen koker (basis des kegels) is veel
slapper dan het overige en in plooien om het lichaam van de
rups bevestigd, iets wat ook wel bij de anderen het geval is,
maar niet zoo sterk in het oog springt. Aan dit gedeelte en den
meer stijven voorrand van den kegel ziet men gewoonlijk nog
eenige kleine takjes (de laatst aangehechte) als het eenig spoor
dezer bekleeding. Ik behoef echter niet te verzekeren, dat in dit
opzicht allerlei graden bestaan, ja ik vond er zelfs die vrij regel-
matig bekleed waren; de regel is echter, dat zij er uitzien als
mijne figuur 8, die typisch is. Ook de punt van den kegel, of
de onderopening, is vrij slap. De vooropening, d. i. deszelfs
stijve rand, heeft een betrekkelijk grooten diameter, nl. 6 à 7
mill.
De rups eet niet alleen de schors zooals de vorige, maar meer
de dunne, weeke takspitsen.
De poppen. De mannelijke pop is zeer donker bruin, bijna
16 BIOLOGISCHE EN SYSTEMATISCHE BESCHRIJVING
zwart en klein, niet meer dan 6 à 7 mill. lang. In ’t oog vallend
is de breedte van het voorhoofd en de fijnheid der poot- en spriet-
scheeden. 1
De vleugelscheeden, hoewel hetzelfde karakter vertoonend, zijn,
in verhouding tot die der vorige soort, iets grooter. De staart-
puntjes zijn zeer klein en dicht nevens elkander geplaatst.
De vrouwelijke pop is betrekkelijk slank en verschilt zeer in
grootte. Ik bezit er van 41 mill. lang en 3 mill. breed, op
het breedste gedeelte, en ook van 8 mill. lang bij 2,5 mill.
breed. Gewoonlijk zijn zij een weinig plat en aan de uitein-
den zoo gelijkmatig stomp, dat men het voor- en achtereind
bijna niet onderscheiden kan. De kleur is bruin met iets
donkerder segment-randen, met een individueel verschil van don-
kerbruin tot lichtbruin, zijnde de kleinere gewoonlijk lichter dan
de grootere.
De vlinders. Het mannetje is mij tot nu toe onbekend gebleven,
zoodat deze sexe zeldzaam schijnt te zijn. Ik had slechts één man-
nelijke pop, maar deze is verdroogd. Uit dit verdroogde individu
meen ik echter te mogen opmaken, dat de algemeene kleur een
donker zwart is.
De vrouwelijke vlinder, zonder pooten, sprieten, vleugels en
monddeelen, is voor een Psyche-wijfje slank gebouwd. Het kop-
schild is zeer donker bruin en het lif wit of geelachtig wit, met
een nauwlijks bemerkbaar thorax-schild en een zeer stomp, als
afgesneden achtereind, dat -alzoo eene cirkelvormige achtervlakte
vertoont, in welks middelpunt de lange, gele eilegger uitsteekt.
De rand van deze cirkelvormige achtervlakte, die het dikste ge-
deelte van het dier uitmaakt, is bekleed met een goudgelen , glanzi=
gen, breeden, vollen en vrij langharigen band, ongeveer of het een
pelskraag ware. Vóór dit achtereind is het lichaam soms een weinig
ingesnoerd, maar overigens regelmatig rolrond, De lengte is 9 a”
9,5 mill.
De eieren zijn iets grooter en lichter geel gekleurd dan bij de
vorige soort. | i
Deze soort is niet zoo algemeen in Cordova’s omgeving als de vorige.
VAN VIER NIEUWE ARGENTIINSCHE PSYCHIDEN. 17
Ik benoem deze soort naar Prof. Dr. H. GC. C. Burmeister,
vroeger hoogleeraar te Halle, thans directeur van het Zoologisch
museum te Buenos Aires, den baanbreker der Zoologie in Argen-
tina, tegelijkertijd als eene hulde der dankbaarheid voor den schoo-
nen werkkring dien ik hem te danken heb. Moge ook al later,
bij verschil van inzichten omtrent de wijze van reorganisatie der
universiteit te Cordova, een hevige pennestrijd tusschen ons ge-
voerd zijn en wederzijds harde woorden ons uit de pen zijn
gevloeid, zoo heb ik gemeend dat, nu allengs de kruitdamp is
opgetrokken, het mij als overwinnaar in den strijd en als jongste
van jaren past den gevierden geleerde de hand te reiken en
den tol mijner erkentelijkheid te betalen, vóór de onverbidde-
lijke Parce, wellicht onverwachts, dit verdienstelijk en tot in zoo
hoogen ouderdom volijvrig leven afsnijdt, of ik zelf dit land
verlaat.
PsycHE BERGII m,
Figuur 9—11.
Ook deze soort vindt men op Cassia Aphyllis, maar is nog
meer polyphaag dan de beide vorigen, ja eigenlijk zou het beter
zijn haar niet meer als aan deze plant toebehoorend te beschouwen,
dnar zii op haar in niet grooter getal dan op andere planten wordt
aangetroffen. Hoewel zij niet zeldzaam is, is het toch zeer moeilijk
de soort op te kweeken, wegens de talrijke parasieten, en zoo
verklaart het zich dat ik tien jaren noodig gehad heb om de soort
volkomen te leeren kennen.
De rups is zeer licht bruin, bijna geel van kleur, betrekkelijk
dik en de zwarte Psychiden-teekening op den kop en de volgende
segmenten is donker maar klein.
Hoewel men haar te gelijk met de beide vorigen vindt, is zij
later volwassen, omdat zij zeer langzaam groeit; zeer laat in het
najaar verpopt zij eerst.
‚ De volwassen rups is ruim. 27 mill. lang.
De woning. Deze verschilt zeer van: de beide vorigen en reeds
>
18 BIOLOGISCHE EN SYSTEMATISCHE BESCHRIJVING
in de Anales de la Agricultura Argentina 1) heb ik in 1874 op deze
kokers de aandacht gevestigd.
Deze huisjes zijn geheel en uitsluitend van lichtgrauwe zijde
vervaardigd, zonder bijmenging van takjes of bladen, en zeer
buikig van vorm. |
Met inbegrip der slappe uiteinden is de koker ongeveer 33
mill. lang, het vastere gedeelte, d. i. het buikige gedeelte zonder
de versmalde uiteinden, slechts 23 mill. De grootste breedte,
ongeveer in het midden der lengte, is 8 à 9 mill. De mannelijke
koker is iets dunner en korter.
De poppen. De mannelijke poppen zijn zeer sierlijk gebouwd,
met eenigszins omgekruld staarteind, dat in twee stompe doornen
eindigt. De ry rugdoorntjes op elk segment zijn zeer scherp. De
00g-, poot- en sprietscheeden bijzonder geprononceerd. De thorax
is zeer gewelfd en daardoor komt de kop meer onder dan voor
den thorax te liggen. De thorax is zeer donker kastanjebruin en
dezelfde kleur hebben ook de poot-, spriet- en vleugelscheeden,
welke laatsten betrekkelijk klein zijn. De abdominaal-segmenten zijn
lichter van kleur en naderen in dit opzicht de kleur der vrouwe-
lijke poppen. De vorm is slank, de lengte 13 mill. bij eene breedte,
over den thorax gemeten, van 3,5 mill.
De vrouwelijke poppen zijn kort en dik, zonder vleugel- , spriet-,
noch pootscheeden, met betrekkelijk groote stigmata; het stompe
voor- en achtereinde gelijken zoo zeer op elkander, dat zij bijna
niet te onderscheiden zijn. De lengte der vrouwelijke poppen, die
ik gemeten heb, verschilt van 15 tot 18 mill. en de dikte van 6
tot 7,5 mill. De kleur is bruin, niet zeer donker.
De vlinders. De vlucht der mannelijke vlinders is 27 mill. De
voorrand der vleugels is naar de spits toe een weinig omgebogen,
maar overigens vrij recht, de vleugelpunt zelve vrij spits. Mond-
deelen goed ontwikkeld, de oogen donkerbruin en de kop klein
maar zeer harig en wel van eene rossig bruine kleur.
1) Weyenbergh, Animales dañinos à la agricultura Argentina (met fig.)
No. 8: in Anales de la Agricultura Argentina T. II 1874 p. 226, —
VAN VIER NIEUWE ARGENTIJNSCHE PSYCHIDEN. 19
Over ’t geheel is deze soort zeer ruig van lichaam; lange rood-
bruine haren bekleeden als een dichte vacht den thorax en het
achterlijf, zoowel aan de rug- als aan de buikzijde, hoewel de
buikzijde van het abdomen in dit opzicht iets zwakker is.
De thorax is breed, sterk gebouwd, het acnterlijf zeer spoedig
versmallend, puntig eindigend en 2 à 3 mill. voorbij de achter-
vleugels uitstekend.
De lengte van het geheele lichaam is 12 mill.
De sprieten (fig. 11) zijn betrekkelijk lang, sierlijk kamvormig,
maar het eindgedeelte slechts aan ééne zijde getand en draad-
vormig eindigend. De lengte der sprieten is meer dan een derde
van den voorvleugelvoorrand.
De voorvleugels hebben, op het midden van het vlak gemeten , 8
mill. lengte; de onderhoek is iets stomper dan de bovenhoek. De
onderrand heeft ongeveer 2 van den voorrand, de buitenrand is
eenigszins golfvormig. Doordien de buitenrand meer dan de helft
der lengte des voorrands heeft, is de voorvleugel betrekkelijk
breed (grootste breedte 6 à 6,5 mill.).
De achtervleugels zijn ongeveer even breed, maar de boven=
rand is zeer convex, en ook de buitenrand, hoewijl deze eigenlijk
meer onregelmatig-golfvormig is, terwijl de binnenrand recht is en
vrij kort. Daardoor zijn de ondervleugels ongeveer zoo breed als lang.
De binnenrand is met lange, rossige haren bezet en ook de
vleugelgewrichten vertoonen deze bijzonderheid.
De kleur der vleugels, vrij doorschijnend en dun behaard, is
als zeer gewasschen Oostindische inkt met een flauw bruinachtig
bijmengsel als van sepia, vooral aan de gewrichten. Een zwart
randje, lijnsmal, omgeeft de vleugels en de aderen zijn ook don-
kerder dan het overige van den vleugel; tengevolge van hunne
fijnheid vertoonen zij zich als zwarte lijntjes.
De onderzijde der vleugels mist de vermelde bruine of sepia-
kleurige bijmenging.
De pooten zijn betrekkelijk zwak en weinig gedoornd; de kleur
der pooten en sprieten is zeer donkerbruin.
Wat de vleugeladeren betreft, zoo kan ik volstaan met naar
20 BIOLOGISCHE EN SYSTEMATISCHE BESCHRIJVING
mijne figuur 10 te verwijzen. Wellicht is in dit opzicht het verschil
met Psyche groot genoeg om tot het opstellen van een nieuw
geslacht aanleiding te geven, hetgeen ik echter aan anderen ter
beslissing overlaat.
Het wijfje is breed gebouwd met een eenigszins hoogen rug;
de appendiculaire organen, monddeelen en pooten zijn iets meer
ontwikkeld dan bi de wijfjes van andere soorten het geval is,
maar blijven toch rudimentair.
De kop- en thorax-schilden zijn zeer groot, meer dan de helft
der dikte des diers omvattend, vooral het tweede; de kleur is
bruin (niet donker), en eene flauwe kiel strekt zich longitudinaal
in de middellijn over alle drie uit. Buik en rug overigens vuilgeel.
De donsring om het niet zeer stompe achtereind is geelachtig
en slechts half, daar hij zich alleen aan de buikzijde uitstrekt.
Het dons is ook niet zoo sterk ontwikkeld als bij de vorige soort.
De lengte is 13 mill. (in droogen staat). De eilegger is klein.
De eieren zijn hoog geel en bijna kogelrond.
Deze fraaie soort wijd ik den Heer C. Berg toe die, sedert hij
in 1875 als assistent in het museum te Buenos Aires kwam, met
veel ijver en goeden uitslag de Lepidopteren en Hemipteren des
lands heeft bestudeerd. ig |
OIKETICUS TABACILLUS m.
Figuur 12 en 13.
Over deze soort kan ik kort zijn, daar ik haar reeds elders
uitvoerig beschreven heb !) en ik slechts die vroegere beschrij-
ving door afbeeldingen wensch te completeeren.
In de beschrijving en afbeelding van Oiketieus Kirbi Guild, 2)
1) Weyenbergh, A new and particular species of Psyche, from the Argentin
Republic in: Proceed. Boston Society 1872.
2) Weyenbergh; Een merkwaardig vlindergeslacht uit Zuid- Amerika, in:
Album der Natuur 1875 (met fig.)
Id. Animales dañinos à la agricultura Argentina. No, 8 fea fig). in: Anales
de la Agricultura Argentina T. II 1874 p. 203—226.
VAN VIER NIEUWE ARGENTIJNSCHE PSYCHIDEN. 21
de algemeenste en grootste der Argentijnsche Psychiden, heb ik
eveneens de woning van deze soort reeds vermeld, en daar men
deze kokers hier «sigarillos del campo» noemt, wegens de gelij-
kenis op sigaretten, heb ik haar den naam van Zabacıllus gegeven.
De rups gelijkt zoo zeer op de rups van Oihetieus Kirbu Guild,
door mij in het aangehaalde artikel uitvoerig beschreven, dat men
beiden nauwkeurig moet vergelijken om verschillen te vinden,
welke hoofdzakelijk bestaan in de zwarte teekening op de drie
eerste segmenten en den kop. Ook de lengte is die van 0. Ab.
De kop mist de donkere wangen en de teekening, die ik in de
beschrijving van O. Kirbii «een plattegrond in miniatuur van
eene stad» genoemd heb. Daardoor is de kop veel helderder; elke
wang vertoont slechts eene enkele zwarte vlek en een paar kleine
zwarte punten. Aan de slapen ziet men ook nog eene min of meer
driehoekige vlek. Overigens is de kop geelbruin met eene breede
zwarte voorhoofdslijn, die boven de bovenlip zich in twee vertakt,
op die lip alzoo een helderen, geelachtigen driehoek insluitend.
De kaken zijn donker.
De vlekken op het schild van het eerste segment zijn veel
kleiner dan in O. Kirbii, en ook op het tweede en derde segment
is de ongekleurde ruimte veel grooter. Het resultaat van deze ver-
schillen is dus, dat het geheele voorste gedeelte veel helderder is
dan bij de rups van O. Kirbii. |
De pop. In de vrouwelijke poppen van deze beide soorten kon
ik geen verschil ontdekken, wat bij het ontbreken van al de
scheeden der appendiculaire organen en bij de gelijkvormigheid van
het voor- en achtereinde wel niet te verwonderen is. Misschien
zou men kunnen zeggen dat die van deze soort wat meer gedron-
gen van vorm is dan bij O. Airbii; om dit echter met zekerheid
te kunnen zeggen zou ik meer exemplaren ter vergelijking moeten
hebben dan ik thans voor mij heb.
Id. Ein interessanter Argentinischer Schmetterling (met fig.) in: La Plata-
Monatschrift T. III 1875 p. 17—22.
. Zie ook het belangrijk artikel van C. Berg. El bicho de cesto, in: Bolefin de:
la Acad. Nac. T, II (1875) p. 81 (met een compleet literatuur-overzicht).
22 BIOLOGISCHE EN SYSTEMATISCHE BESCHRIJVING
De mannelijke 1) poppen der beide soorten zijn gemakkelijker van
elkander te onderscheiden, daar die van deze nieuwe soort veel
kleiner en gedrongener is dan die van O. Kirbw. De kleur is lichter
bruin en de vleugel- en pootscheeden zijn betrekkelijk veel langer en
grooter. De lengte is 18 mill., terwijl de kleinste mannelijke pop van |
O. Kirbii, die ik bezit, 27 mill. is. In de pop van O. tabacillus is
daarenboven de kop en het staarteind met eenige borstelige haren
bezet, terwijl deze deelen bij O. Kurbw glad zijn. Bij de laatste is
de hakenkrans op den rug van elk achterlijfs-segment zeer sterk,
bij O. tabacillus daarentegen bijna onzichtbaar.
Het achterlijfseinde van 0. Kirbu vertoont twee kromme, vrij
stevige haakjes, terwijl bij O. Zabacillus deze tot een enkel knob-
beltje zijn saamgesmolten.
De vlinders. Dat het onderscheid tusschen de mannelijke vlin-
ders van beide soorten vrij groot moet zijn, kan men reeds
voldoende opmaken uit het verschil der mannelijke poppen, maar
daarenboven ook uit het betrekkelijk groot verschil der wijfjes.
Daar ik tot heden echter den mannelijken vlinder niet ken,
moet ik mij tot het wijfje bepalen.
Het wijfje is korter en meer cylindrisch van vorm dan dat
van 0. Kirbü. De donsring om het achterlijfseind is helderder,
bijna geel, in geen geval zoo donker bruin als bij O. Kúrbu. In
enkele exemplaren was het zelfs oranje-geel.
De lengte des lichaams is ongeveer 15 à 16 mill. Daar de
voorwerpen des museums zeer ingedroogd zijn, behoud ik mij
omtrent vorm en lengte eenige reserve voor.
Overigens vond ik geen verschil met de wijfjes van O. Kb
en ook de eieren zijn gelijk, hoogstens zijn die van O. tabacillus
iets kleiner.
Reeds vele jaren ken ik de kokers dezer soort, die door hun
eigenaardigen vorm zoozeer de opmerkzaamheid trekken; ik ontving
1) Ik behoef hier wel niet te herinneren, dat de bijvoegelijke naamwoorden
mannelijk en vrouwelijk geplaatst voor de zelfstandige naamwoorden rups, pop of
woning niet in absoluten, maar in relatieven zin moeten verstaan worden, d. i,
met het oog op het later daaruit te verwachten volkomen insect,
VAN VIER NIEUWE ARGENTIJNSCHE PSYCHIDEN. 23
ze toegezonden uit Corrientes en Entrerios en vond zelf eenige
exemplaren in Cordova.
Hoewel de rups polyphaag is, schijnt de soort steeds zeldzaam
te zijn.
NASIGER RT.
Over de paring. Het bovenstaande opstel was reeds ter verzen-
ding gereed, toen ik een paartje van de eerst beschrevene soort
ontving, dat in copulatie gestorven en in die positie gedroogd was.
Bij de paring steekt het mannetje het geheele abdomen in de
woning van het wijfje, door de onderopening, zoodat alleen de
thorax, de kop en de vleugels er buiten blijven; de vleugels
omvatten in deze positie het ondergedeelte van het huisje. Het
mannetje blijft geruimen tijd aldus aan den vrouwelijken koker
hangen, met den kop naar beneden.
Bij het in copulatie gedroogde paartje deed ik de autopsie der
in de woning verborgen deelen. Na de woning verwijderd te heb-
ben, bleef de positie van het mannetje nog dezelfde, daar ook de
poppenhuid van het wijfje het geheele abdomen des mannetjes,
tot aan den thorax toe, omsluit. Ik verwijderde dus ook deze
poppenhuid en vond toen den vrouwelijken vlinder met den kop
naar de onderopening gekeerd. Langs het geheele lichaam van het
wijfje strekt zich het teleskoopvormig uitgerekte abdomen van het
mannetje uit, en eindigt in eene scherpe tweetandige spits, de
gewijzigde genitaalkleppen vertegenwoordigend.
In deze positie is dus het abdomen van het mannetje even
lang als het geheele lichaam van het wijfje en bevindt zich aan
dezes buikzijde, en zoo dicht tegen elkaar gedrongen, dat zij
bijna één lichaam vormen, zijnde de kop van het wijfje ten
deele verborgen in de haren van den thorax van het mannetje.
Om de paring te bewerkstelligen, buigt de eilegger van het
wijfje zich een weinig buikwaarts om, waarbij deze dan echter
ook dadelijk in aanraking komt met het achterlijfseinde van het
24 NIEUWE ARGENTIJNSCHE PSYCHIDEN.
mannetje, als wanneer onmiddellijk de geslachtelijke vereeniging
plaats vindt. |
De heer Berg vond iets dergelijks bij de copulatie van O. Kirbü,
en Hoffmann vermeldt het voor de Psychiden in ’t algemeen.
Het mannelijk geslachtsorgaan dringt dus tusschen de poppenhuid
en de buikvlakte van het wijfje in de hoogte tot het in het
voorste (bovenste) gedeelte van die poppenhuid het vrouwelijk
geslachtsorgaan beroert. |
VERKLARING DER AFBEELDINGEN.
PI. 9. Fig. 1. De kop en drie voorste segmenten der rups van
Psyche Cassiae m., van de rugzijde gezien en vergroot.
. De rups derzelfde soort, bijna niet vergroot en
eenigszins van terzijde gezien.
A
bo
» 3. Een der borstpooten derzelfde rups, zeer vergroot.
SS
De woning van Psyche Cassiae m., iets vergroot.
» 5. De vleugels van het mannetje dezer soort, zeer ver-
groot en alleen den vorm en vleugeladeren in ’t
licht stellend.
» 6. Een spriet van hetzelfde mannetje, vergroot.
» 7. De kop en drie voorste ringen van de rups van
Psyche Burmeisteri m., van de rugzijde gezien en
vergroot.
» 8. D2 woning van dezelfde soort; iets vergroot.
» 9. De woning van Psyche Bergü m.
» 10. De vleugels van het mannetje dezer soort, zeer ver-
groot en alleen den vorm en de vleugeladeren in
’t licht stellend.
» 11. Een spriet van hetzelfde mannetje, vergroot.
» 12. De kop en drie voorste ringen van de rups van
Oiketieus tabacillus m., van de rugzijde gezien en
in dubbele grootte.
» 13. De woning van Oiketicus tabacillus m.; nat. grootte.
STELLAN
OVER DE
GALEODIDEN OF SOLPUGIDEN EN HUNNE POOTAANHANGSELS,
DOOR
Dr. A. W. M. VAN HASSELT.
In de vele toezendingen van Araneiden, mij uit zuidelijk Europa
of uit de tropische gewesten geworden, kwamen meermalen tevens
enkele andere Arachniden, voornamelijk Scorpio-, Telyphonus- of
Phrynus-soorten voor, doch vond ik tot hiertoe nimmer eenig
voorwerp uit de orde der Solifugae.
Behalve uit plaatwerken, kende ik de Galeoden niet dan door
enkele verdroogde exemplaren in verzamelingen.
Voor eenigen tijd echter had ik het voorrecht, er de visu mede
bekend te worden door mijn waarden vriend Ritsema, die er mij
een ter determinatie gaf, aan het Leidsch museum geschonken
door den heer Kruyt uit Djeddah. Het is, naar ik vermeen, een
bijzonder groote en fraaie Galeodes (Rhax) melanus Oliv. d. Daarna
zond hij mij tijdelijk de twee overige exemplaren uit het museum,
in minder ongeschonden toestand verkeerende, zijnde waarschijnlijk
eene Solpuga lethalis C. Koch en een Galeodes araneoides Sav. *),
beide wijfjes, mede uit Afrika afkomstig, ter vergelijking. Verder
kreeg ik nog van ons nieuw medelid dr. J. Bosscha Jz. een vrou-
welijk individu van Galeodes (Gluvia) dorsalis Latr. uit Spanje,
1) Eeu tweede exemplaar heb ik sedert aan de groote welwillendheid van
ons geacht medelid Henri W. de Graaf te danken,
26 STUDIEN OVER DE GALEODIDEN OF SOLPUGIDEN
en van den beroemden Franschen arachnoloog Eugene Simon een
paar achterpooten en palpen van Solpuga flavescens G. Koch (=
Galeodes nigripalpis L. Duf.) uit Algiers, ten geschenke.
Bij die gelegenheid over deze dieren, en vooral over hunne zoo
merkwaardige pootaanhangsels, iets meer in de bijzonderheden
wenschende te weten, bracht ik, niet zonder eenige moeite, de
voornaamste litteratuur over de Galeod(o)idae bijeen, en trof het
mij, niet alleen dat aan die organen minder aandacht was geschon-
ken dan zij mij schijnen te verdienen, maar dat ook de natuurlijke
geschiedenis van deze Articulata in het algemeen veel belangrijker
was dan ik vroeger had gedacht. Het is uit dien hoofde, dat een
partieel overzicht daarvan sommigen lezers. van ons Tijdschrift
misschien niet onwelkom zal zijn, en dat ik in de tweede plaats
gemeend heb, naar mijn vermogen, de gezegde pootaanhangsels
aan een nader onderzoek te moeten onderwerpen.
Te voren had ik de Sodpugae altijd als afzichtelijk leelijke dieren
beschouwd, oppervlakkig als ’t ware met monsterachtige Pediculi
te vergelijken, doch na het bestudeeren van hunnen bouw en
eigenschappen, kwam ik spoedig daarvan terug, inzonderheid na
de lezing van den klassieken arbeid van Léon Dufour 1).
Door diens enthousiaste bewondering van «ces beaux Galéodes » >—
«cettes remarquables Arachnides», — «ces fiers habitants du
désert», — etc. wordt men onwillekeurig medegesleept. Even als de
schorpioen door hem als « le noble chef des Arachnides pulmonaires »
wordt beschouwd, zoo noemt hij de Galeodes «le représentant
éminent des Arachnides trachéennes ».
Zoo bij de beschrijving van sommige hunner organen als bij
’t geen hij zelf, in Spanje, en zijne berichtgevers, in Algiers, van
1) Sur l’anatomie, la physiologie et l’histoire naturelle des Galéodes, in
Mémoires à Vacadémie des sciences de l'Institut de France, tome XVII, 1862 p.
338. — Wijders raadpleegde ik o. a. Paul Gervais, in de Apfères van Walcke-
naer; Guérin de Meneville, bij Cuvier; Lichtenstein u. Herbst, Ungeflügelte
Insekten; Lucas, in Exploration de l'Algérie; Blanchard, in Annales des sciences
naturelles, 3e série, zoologie, töme 8; Eugene Simon, Etudes arachnologiques,
in Annales de la Société entomol. de France, Mémoire 11 et 12; Kittary, Anato-
mische Untersuchungen der Solpuga, in Bulletin de la Société Imp, des natura-
listes de Moscou, töme 21, 2e partie; enz,
EN HUNNE POOTAANHANGSELS. 27
hunne natuurlijke geschiedenis hebben waargenomen of hooren
verhalen, roept Dufour, hier en daar, als in verrukking uit: « qui
nous dira son industrie, ses ruses, sa vie privée?» — «quel
mortel privilégié pourra, en explorant le silencieux désert du
Sahara, surprendre le genre de vie des sauvages Galéodes? » —
«Ah! que ne puis je devenir Arabe pendant une ou deux saisons ,
pour épier toutes ses manoeuvres, pour m’initier à tant de secrets! »
Inderdaad leveren niet alleen de anatomie en physiologie dezer
dieren, maar ook hunne biologie vele belangwekkende gezichts-
punten op. Het is geenszins mijne bedoeling, deze geheel te behan-
delen, doch slechts op eenigen daarvan in het algemeen te wijzen
en daarna meer in het bijzonder de zeldzame appendices hunner
achterste ledematen te bespreken.
Ofschoon «zonvliedende » dieren, Solifugae, genoemd en zoo
door Olivier voor Arabié, als door Hutton voor Bengalen, tot de
nachtelijke roofdieren gebracht, blijkt het uit mededeelingen aan
Dufour, dat althans sommigen ook over dag jagen. Torren, rupsen,
sprinkhanen, kleine hagedissen enz. leveren daarbij hun meest
gewoon voedsel op, doch, gelijk de spinnen, sparen zij ook huns
gelijken niet en worden de mannetjes dikwerf post coitum door de
wijfjes gedood en gegeten. Ten bewijze van hunne vraatzucht wordt
een opmerkelijk voorbeeld aangevoerd. Men heeft namelijk waar-
genomen, dat van acht groote So/pugae te Algiers, onder eene glazen
stolp gezet en elkander daar met woede bevochten hebbende, de
laatst overgeblevene zijne zeven makkers achtervolgens uitzoog!
Ofschoon het uitzuigen van hunne prooi, zooals dit veeltijds ook
bij de Araneïden plaats vindt, regel schijnt, wil Hutton gezien
hebben, dat enkelen ook de vastere deelen kauwen en doorzwelgen.
Van een hagedisje, door zijnen Galeodes vorax bemachtigd, bleven
slechts de huid en een deel van den kop over 1).
1) Köppen gaat hieromtrent waarschijnlijk te ver, waar hij zegt: „Bekannt-
lich saugen die Solpugen ihre Beute zicht aus, wie es die Spinnen thun,
sondern sie zerbeissen und zerkauen dieselbe, nach Art der mit Kauwerkzeugen
versehenen Insekten.” (Ueber in Russland vorkommende giftige Arachniden,
Akademie-verslagen, Petersburg, October 1881, S. 223),
28 STUDIEN OVER DE GALEODIDEN OF SOLPUGIDEN
Ze ‘zijn zeer moedig. Vervolgd wordende keeren zij zich om
tegen hunnen vijand en verheffen zich op de achterpooten, gereed
tot den aanval en ter verdediging, even als de heer Peal dit, in
Britsch Indië, eene groote soort van boschspin had zien doen !).
Gelijk deze, maken zij echter geene eigenaardige nesten noch
onderaardsche holen, maar alleen meer of minder diepe kuiltjes in
het zand, waaruit ze onverwacht te voorschijn springen. Ze zijn
daarbij uiterst vlug in hunne bewegingen; Dufour beschrijft hen
als «agiles coursiers», zelfs als « voltigeurs de profession »! Op
eene andere plaats vergelijkt hij hen met de «gazellen van de
woestijn»; terwijl ze bij de Arabieren, naar ik meen, als « wind-
schorpioenen» bekend staan.
Behooren zij tot de gift-dieren? Hieromtrent bestaat nog
altijd. geen volkomen zekerheid. In den ouden tijd en naar het
nog. voortlevend volksgevoelen zouden ze allen zonder onderscheid
als «uiterst vergiftig» te vreezen zijn. De Kalmukken en andere
volksstammen in Oost- en Zuid-Rusland beweren zelfs, dat niet
alleen de mensch, maar ook grootere dieren, zelfs kameelen (!)
door hen kunnen worden gedood. Voor menschelijke verwonding
echter doet bij verscheidene schrijvers steeds hetzelfde verhaal de
ronde, te weten nopens een, door eene Solpuga in de lies ge-
beten kozak, die er, na drie dagen, onder stuipen , door bezweken
zou zijn. Vooral Pallas is de zegsman hunner toxische eigenschap-
pen; terwijl Lichtenstein en Herbst, Brogiani, Zlabotsky, Gmelin,
Arendt (op getuigen van Steven uit Moscou), Eichwald en anderen
dit gevoelen in meerdere of mindere mate deelen. De laatste onder-
stelt daarbij: «quod ore emittunt venenum» ?). |
Intusschen hebben noch Dufour noch Kittary, na het meest
nauwkeurig anatomisch onderzoek, in of aan de bijttangen en
andere monddeelen, eenig spoor van giftklieren of openingen en
buizen, daarmede in verband staande, vermogen op te sporen.
Enkelen echter twijfelen nog ten deze; zoo vermoeden zij, met
1) Zie daarover: Note on Mygale stridulans van Prof. James Wood-Mason,
in the Transactions of the Entomological Society of London, 1877, Part. IV p. 281,
2) Fauna Caspico-Caycasica, 1841, pag. 240,
EN HUNNE POOTAANHANGSBLS. 29
Eichwald en Herbst, dat door de angelvormige zuigsnuit wellicht
eene giftige vloeistof in de gebeten wond kan worden uitgestort ;
terwijl Dufour zelf de vraag stelt, of misschien het «blaasvor-
mig lichaampje», vóór aan de palp te vinden, «un organe
vénénifère» zou kunnen zijn.
Het staat daarentegen vast, dat de Galeoden, met hunne zeer
krachtig gewapende kaken, beten toebrengen, die op zichzelven
kwaadaardig genoeg kunnen verloopen, wanneer zij op de uit-
wendige slijmvliezen of op teedere huidplaatsen worden aangebracht,
zooals aan den mond, de oogleden of de genitalia, en het is zeer
wel aanneembaar, dat alleen reeds door zoodanige werktuigelijke
beleediging, pijnlijke verzwering of zelfs levensgevaarlijke ver-
sterving, bij voorbeschikte en zwakke individuen, nu en dan
kunnen zijn veroorzaakt. Doch ook dit schijnt eene zeldzaamheid
te wezen. Op zijne uitgestrekte reizen in Arabié en Perzié, waar
deze Arachniden dagelijks werden ontmoet, heeft noch Olivier,
noch iemand zijner reisgenooten van Solpugen-beten te lijden ge-
had. Evenmin vond ik daarvan ergens melding gemaakt tijdens
den oorlog in de Krim, — waar deze dieren mede veelvuldig voor-
komen, — noch in de ziekteverslagen der Engelsche, noch in die
der Fransche officieren van gezondheid.
Hoe het zij, de algemeene uitspraak van Gervais, die men nog
bij vele zoologen terugvindt: «que toutes leurs especes sont repu-
tees vénimeuses», is in ieder geval overdreven. Alleen kan de
mogelijkheid niet worden ontkend, dat, even als bij de Spinnen,
de beet der eene soort gevaarlijker is, dan die van anderen. In
grootte en kracht van de monddeelen toch komen hier hoogst
aanzienlijke soorts-verscheidenheden voor, terwijl hunne genera
veel meer species opleveren dan wel algemeen bekend is, en het
getal daarvan, na C. Koch, reeds door Dufour op 50 a 60 gesteld,
thans, vooral tengevolge der onvermoeide nasporingen van Simon 1),
misschien wel verdubbeld mag worden.
1). In den loop dezes jaars heeft de heer Simon daarvoor tot twee malen
weder eene reis naar Algiers’ ondernomen.
30 STUDIËN OVER DE GALEODIDEN OF SOLPUGIDEN
Wat hunne soorts-bepaling betreft, richt men zich o. a.
naar den vorm van het kopstuk en dien der mandibels, naar de
tand-plaatsing in de laatsten, naar de beharing van den oog-heuvel
op het eerste, naar het getal der tarsaal-leden en het verschil der
poot-doornen, wijders naar de al of niet aanwezigheid van stigma-
kammen, enz. Daarbij heeft vrij langen tijd eenige naamsverwarring
geheerscht, door de vroeger bestaan hebbende moeilijkheid in het
onderscheiden van 2 en d, als gevolg van het gemis, bij beiden,
van uitwendige genitaal-kenmerken, zoodat wel eens, van dezelfde
species, aan het 4 een andere naam werd toegelegd dan aan de
9. Sedert echter is dit bezwaar vervallen, nadat door Savigny en
anderen, ter bepaling der sexe, algemeen bekend is geworden, dat
alleen bij de volwassen mares, — die bovendien kleiner, smal-
ler, zwakker zijn en langere achterpooten bezitten, — karakteris-
tieke uitsteeksels aan de bijttangen worden aangetroffen.
Deze uitsteeksels of aanhangsels, wel eens de minder alge-
meen juiste benaming van «setae» of «soies» dragende (de
cirrhi van Dufour, de flagella van Simon), zijn min of meer
bewegelijke, nu eens zijdeachtige of vliezige draden, veelal hoorn-
achtige, enkele of dubbele stijltjes, altijd op of onder de bovenste
of vastzittende mandibels ingeplant, doch van zeer uiteenloopende
lengte, richting en vorm, als lancet-, haak-, zweep-vormig, enz.
enz. Waartoe ze overigens dienen, is nog geheel onbekend. Dufour
zegt er eenvoudig van: «c’est la livrée du mâle».
De mandibulae zelven worden door de meeste schrijvers,
naar mij toeschijnt juist, «bijt-tangen», «pinces», of «forci-
pules», «chelae» of «chelifera» genoemd, doch, bij uit-
zondering, op theoretische evolutie-gronden, door Blanchard als
gewijzigde antennen» beschouwd, en door Kittary met insecten-
palpen vergeleken. Ze zijn zeer ontwikkeld, steken snavelvormig
voorwaarts uit, ten getale van twee (didactyla), met een vast
boven- en een bewegelijk onderstuk, die beiden, vooral de boven-
kaak, met bijzonder sterke tanden zijn gewapend, waarvan het
aantal, de grootte en de rangschikking groot verschil opleveren,
hetgeen ter onderscheiding der soorten wordt gebezigd. Bij eene
HN HUNNE POOTAANHANGSELS. 31
groote species telde Dufour er precies 32, en deze nog wel te
vergelijken met de dentes incisivi, canini en molares « chez l’espèce
humaine»! Hij voegt daar echter wijselijk bij: «sans qu'il me
soit venu dans l’idée de faire aucun rapprochement » (Darwinien).
Tusschen de veel kleinere, mede dubbele kaken of maxillae,
die aan de binnenvlakte meer of min vijlvormig zijn gegroefd en
in een zeer nauwen !) oesophagus uitloopen, bevindt zich, aan
de basis, eene soort van puntigen of pijlvormigen snavel, met
een’ zuigersnuit te vergelijken en daarom «Stachel-lippe » of
«labium haustelliforme» genaamd. De functie van dit
haustellum schijnt weder onbekend; Kittary beschouwt het als
eene soort van «Fühler», en we zagen dat Herbst het verdenkt
als gift-orgaan. Overigens is de inrichting der monddeelen in het
algemeen niet zonder analogie met die der Phalangiden, en de
« Stachel-lippe in het bijzonder schijnt mij overeen te komen met
het «doornvormig verlengsel», terzelfder plaatse, volgens
de Graaf, bij dezen aanwezig ?).
Even als bij deze Arachniden en de Spinnen-familie der Nopidae
3), wordt ook bij de Galeodiden slechts een enkel paar eenvoudige
oogen aangetroffen. Daarentegen hebben ze geen met deze Orden
overeenkomstigen cephalo-thorax, doch is de kop van het borststuk
gescheiden. Over den kop zegt Dufour: «La tête des Galéodes est
fort originale, elle n’est point le réceptacle du cerveau»! De her-
senen toch zouden zeer klein zijn en, volgens hem, achter het
hemicephale schedelvlak gelegen zijn. Kittary heeft dit later ten
deele tegengesproken.
Voor de respiratie-organen, de tracheën, van wier veel-
1) Het is wel een lapsus calami, waar Dufour het lumen van den slokdarm
bij de Galeoden beschrijft als „plus (??) que capillaire”!
2) Zie plaat VI fig. 31, bij Henri W. de Graaf, Over den bouw der geslachts
organen bij de Phalangiden. Leiden 1882.
3) Ik heb ergens, waar is mij ontgaan, gelezen, dat het geslacht Nops van
Walckenaer niet alleen als twee-oogig, verwant zou zijn aan de Solpugiden,
maar ook door vliezige poot-aanhangsels, die intusschen niet aan het coxaal-,
maar aan het tarsaal-gedeelte zouden voorkomen, en niet aan de achterste , maar
aan de voorste pooten.
32 je STUDIËN OVER DE GALEODIDEN OF SOLPUGIDEN
tijds moeilijk zichtbare stigmata één paar aan den thorax en
twee paren aan de bovenste abdominaal-segmenten worden aange-
troffen 1), is bij enkele soorten, doch alleen in den volwassen
toestand, opmerkelijk, dat ze door mede uiterst kleine, getande,
zijdelingsche kammetjes («peignes stigmatiques») vergezeld
of ten deele verdekt zijn. In hunnen vorm hebben deze, — in minia-
tuur, — eenige uitwendige analogie met de bekende, veel grootere |
en algemeen voorkomende chitine- of hoornachtige pectines bij
de Schorpioenen , waar ze echter hooger, onder aan het borststuk ,
ter zijde van de genitaal-opening, zijn gelegen. Ze zijn ook van
eene meer eenvoudige constructie dan bij Scorpio, volgens de ver-
groote teekeningen van Dufour. Door Kittary worden ze beschreven
als « Schuppen, mit nach hinten gekehrten Nadeln ». Deze schrijver
is de eenige, die eene hypothese geeft over hunne vermoedelijke
functie. Hij is van meening, dat ze kunnen dienen ter bescher-
ming der tracheén-mondingen, om te beletten, dat deze, bij het
slepen van den dikken of zwaren buik over den grond, door zand
of leem verstopt geraken. Om dit te kunnen aannemen, zouden
deze orgaantjes m. i. krachtiger ontwikkeld moeten zijn en alge-
meen, bij alle species, moeten voorkomeu.
Nog grootere afwijkingen vertoonen de uitwendige genitalia
bij de Galeoden. Bij beide sexen, is de buiten-opening daarvan
geplaatst aan de buikvlakte, in ’t midden van het eerste segment.
Deze doet zich eenvoudig voor als eene tweelippige, ovale of ellip-
tische langsspleet, «d’une parfaite conformite de texture et de
configuration», volgens Dufour, zoowel bij de 9, als bij het Ds
bij welk laatste hij eene «absence absolue de penis et d’un etui
copulateur» heeft geconstateerd. Welk eene tegenstelling met den
kolossaal langen penis en penis-scheede bij de Phalangiden (de
Graaf) !
Bij de Scorpioniden is wel is waar ook slechts eene eenvoudige
spleet, zoo bij de femina als het mas geheel overeenkomende, aan
/
1). Kittary wil nog een zevende, ongepaard stigma, iets lager dan dé Dall
vlakte, hebben waargenomen bij Galeodes intrepidus Duf. |
EN HUNNE POOTAANHANGSELS. 33
wezig, doch bij de copulatie treedt toch een zeer kleine, draad-
vormige penis naar buiten. Geschiedt de coitus bij de beide laatste
Ordines alzoo op de algemeene wijze, zoo bestaat bij de Galeodiden,
die, even als de Schorpioenen, buik aan buik paren, — gelijk
Dufour zulks beschrijft: «la fémelle renversée sur le dos et le
mäle sur elle», — geen de minste introductie van het membrum
virile. Bij deze dieren, zegt hij dan ook, kan niets meer plaats
vinden: «qu’une simple confrication mutuelle, semblable à celle
du moineau».
Over de extremiteiten bij de Galeoden bestaat, vreemd
genoeg, een groot verschil van gevoelen onder de schrijvers, zoo
wat hun getal als hunne beteekenis aangaat. Met Simon nemen
de nieuweren aan, dat zij, even als de Scorpiones, Phryni en
Araneae, tot de octopoda behooren, als voorzien van acht
pooten en twee palpen. Dufour echter brengt hen, met Herbst,
tot de hexapoda, daar hij het eerste pootpaar voor « secundaire
palpen» houdt, als missende de twee bijzonder lange tarsaal-
klauwen («griffes») der drie overige eigenlijke pootparen, welke
klauwen hier een, bij de gelede dieren bijna eenigen bouw ver-
toonen, als zijnde tweeledig, d. i. met geärticuleerde,, bewegelijke
nagels voorzien. Kittary eindelijk beschouwt hen als decapoda,
op grond zijner vreemde bewering, dat de mandibels « gewijzigde »
palpen zouden zijn. Den eigenlijken palp, van Latreille, Dufour,
Simon en anderen, rekent hij tot de pooten, waarvan alsdan de
twee voorste paren voor het grijpen, de drie achterste voor het
loopen zouden dienen.
Voor beiden, zoowel voor de pooten als de palpen, zijn ten
slotte nog andere merkwaardige bijzonderheden te vermelden.
De ware palp namelijk vertoont hier werkelijk, nog sterker
dan onder de Spinnen, bij de Mygalidae, den algemeenen poot-
vorm, maar mist elk spoor van tarsaal-haken. In plaats daarvan,
bezit hij aan den top een eigen orgaantje, «un corps vésiculaire
rêtractile» volgens Dufour. Dit wordt verschillend beschreven als
een «sponsachtig knopje», of als een lichter gekleurd kussentje»,
en is dan ook soms moeilijk te zien, als in de haren verborgen.
a
2
34 STUDIEN OVER DE GALEODIDEN OF SOLPUGIDEN.
Bij aangebrachte drukking op het terminale gedeelte nochtans zou
het zich als eene tweelippige valvula verhouden , waaruit een wit
vliesachtig blaasje (eene «cupule») te voorschijn treedt, dat waar-
schijnlijk ook willekeurig naar buiten kan worden bewogen. Vroeger
door Herbst, G. Koch en anderen als reukorgaan aangezien, ver-
moedt Dufour, dat het , bij wijze van een kopwerktuig, of «ventouse»,
dienstig zou zijn ter vasthechting of aankleving, «pour s’accrocher».
Evenwel verkeert hij hieromtrent in twijfel, dewijl hij meer dan
eens zich de vraag stelt, of het wellicht «un organe vénénifère»
zou kunnen zijn? Naar mijn weten is aan dit orgaan door de
histologen sedert geen nader onderzoek gewijd; dit zij hun aanbevolen.
Mijne pogingen zijn tot nog toe met geen voldoend gevolg bekroond.
Alleen bleek mij, mieroskopisch, het achter de bilabiale monding
gelegen palp-blaasje een uiterst fijnen wand te bezitten, als ’t ware
uit een net- of draadwerk van min of meer spiraalsgewijs verloo-
pende bindweefsel- of gladde spier-vezelen gevormd.
Niet minder opmerkingswaardig zijn de pooten der Solpugiden.
Behalve hunne kenmerkende nagels, alsmede hunne verschillende
beharing en bewapening met velerlei vormen van stekels en deels
bewegelijke doornen, aan de tibiae en metatarsi vooral, zijn deze
Articulaten hoogst eigendommelijk uitgerust met terstond in het
oog vallende aanhangsels van het langere, achterste pootpaar.
Ofschoon oppervlakkig vrij algemeen als zoodanig bekend, schijnen
ze mij, zoover mijne nasporingen reiken, nog zeer onvoldoende
onderzocht,
Het is over deze, functioneel eenigermate raadselachtige organen,
dat ik mij voorstel, het resultaat mijner studiën en van mijn
onderzoek in een volgend opstel afzonderlijk mede te deelen,
’s Gravenhage, November 1883,
LEPIDOPTERA VAN CELEBES
VERZAMELD DOOR
Mr MC. PIE PERS,
met aanteekeningen eu beschrijving der nieuwe soorten
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
TWEEDE AFDEELING: HETEROCERA.
IV.
PYRALIDIN A.
(Vervolg van Deel XXVI blz. 119—144).
Gen. 96. HETEROCNEPHES Led.
79. Strangulalis Snell., Tijdschr. v. Ent. XXIII (1880) p. 224. —
Pl. 3, fig. 1 en 1a (kop).
Een man.
In mijne beschrijving zeg ik, dat de grondkleur van de
bovenzijde der vleugels zwart is. /aalzwart ware eene juistere
benaming.
Maros; ook een voorwerp van Java, waarnaar de afbeelding
is gemaakt. Dit exemplaar is iets grooter en bonter dan het
Celebaansche.
Gen. 101. LOMOTROPHA Led.
80. Costiflexalis Guen., Det. et Pyr. p. 343. — Led., Beitr. p.
313, pl. 14 fig. 8.
36
81.
82,
83.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
Eenige exemplaren van de verschillende plaatsen waar ver-
zameld werd.
Schijnt niet zeldzaam.
Gen. 108. COENOSTOLA Led.
Palliventralis Snell., 7jd4s. v. Ent. XXIII (1880) p. 225. - -
PI. 3, fig. 2, 2a (kop) en 25 (voorpoot).
Twee gave mannen.
De palpen zijn bij deze soort niet alleen iets langer, doch
ook iets smaller dan bij Apicalis Lederer, overigens juist even-
eens gevormd.
Takalar.
Pallicostalis Snell, Zijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 226. —
Pl. 3, fig. 3 en 34 (achterlijf 4).
Vele exemplaren.
De palpen zijn bij deze soort juist eveneens gevormd als bij
de voorgaande, doch de pooten missen alle langere beharing.
Het mannelijke achterlijf is slanker dan het vrouwelijke en de
ringen scherp wit gerand, terwijl de beide laatsten op den rug
in het midden zwart zijn.
Van alle lokaliteiten. Schijnt niet zeldzaam.
#
Eromenalis Snell., 7%4s. v. Ent. XXIII (1880) p. 226. —
Pl. 3, fig. 4 en 4a (kop).
Een paar.
Ik moet hier opmerken dat de plaatsing dezer kleine soort
in het genus Coenostola slechts voorloopig kan zijn, ten einde
weder geen nieuw te moeten vormen, want, afgescheiden van
den slankeren bouw en de eenkleurige spits van het achterlijf,
zijn de palpen geheel anders, met lang en grof behaard middenlid
en lang, dun, rolrond eindlid (zie fig. 4a). Het genus Gonocausta
Led. zou trouwens ook nog in aanmerking kunnen komen ter
opname van Zromenalis,
Makassar.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 37
Gen. 109. HEDYLEPTA Led.
84. Vulgalis Guen., Delt. en Pyr. p. 202, pl. 6, fig. 8.
85.
86.
87.
Een afgevlogen man.
Vulgalis is eene zeer verbreide soort. Ik ken haar van Celebes,
Java, Sumatra, Angola, Columbie, St. Martin en Jamaica.
Makassar.
Ustalis Led., Beitr. p. 179. n°. 67 pl. 10 f. 14 (Botys).
Pyraustalis Snell., Midd. Sum. Lepid. p. 71 (Hedylepta).
Mijne Pyraustalis is Ustalis Led., doch behoort niet tot
Botys, waar Lederer haar plaatst.
Hij heeft zijne voorwerpen niet goed onderzocht of zij waren
niet gaaf, want de generieke kenmerken zijn ook bij de wijfjes
te zien, ofschoon niet zoo duidelijk als bij de mannen. Palpen
gevormd als bij Yulgalis, het korte eindlid iets duidelijker.
Bonthain, Balangnipa, Makassar. Ook op Java, Sumatra en
Ceylon.
Gen. 1104. OMIODES Guen. Led.
Analis Snell., Zwjds. v. Ent. XXIII (1880) p. 227. — Pl. 3,
fig. 5 en 5a (kop).
Een gave man.
De palpen zijn bij deze soort zooals bij Humeralis en Leporalis,
doch met wel zoo duidelijk eindlid. Daarentegen zijn de bijpalpen
zeer klein en verborgen.
Takalar. Komt ook op Java voor.
Gen. 1105. PHYCIDICERA Snell.
Midden-Sumatra IV. 1. Lepid. p. 71.
In mijne beschrijving van dit nieuwe genus zeide ik, dat
de bijpalpen ontbreken; dit is onjuist. Zij zijn kort en dun,
doch zigtbaar.
Salebrialis Snell., Zijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 228. —
PI. 3, fig. 6 en 6a (kop).
Twee gave paren.
Bij het ¢ dezer soort is het eindlid der palpen korter, smaller
38
88.
89.
90.
94°
92.
93.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
en spitser dan bij den ¢, waar het aan de voorzijde een weinig
afgerond is.
Bonthain. Komt ook op Java voor.
Manicalis Snell., Midd. Sumatra IV. 4 Lepid. p. 72.
Een exemplaar.
De afbeelding dezer soort heeft het licht nog niet gezien.
Saleyer. Mij buitendien alleen van Sumatra bekend.
Gen. 112. RHIMPHALEA Led.
Fastidialis Snell., -7%jds. v. Ent. XXIII (1880) p. 228. —
Pl. 3, fig: 7 en 7a (kop):
Vier exemplaren.
Maros, Makassar.
Gen. 122. AGATHODES Guen.
(Stenurges Led.)
Het Noctuinen-genus van Guenée, waarvan Lederer spreekt,
heet Achatodes, zoodat er geene reden is om Guenée’s naam voor
het onderhavige, tot de Pyraliden behoorende, te veranderen.
Ostensalis Hübn., Zuträge f. 833, 834.
Makassar. Vliegt ook op Java en Sumatra.
Gen. 126. DIASEMIA Guen., Led.
Ramburialis Dup., Noct. VIII p. 343, pl. 233 fig. 6.
Een zeer gave d.
Maros. Vliegt ook op Java en in Zuid-Europa, zeer waar-
schijnlijk ook in Afrika.
Spilonotalis Snell., Midd. Sum. IV. 4 Lep. p. 73.
Een wijfje.
Makassar. Ook op Java en Sumatra.
Gen. 127. ANTIGASTRA Led.
Catalaunalis Dup., Noct. VIII p. 330, pl. 232 fig. 8.
Een wijfje.
Bonthain,
94.
9.
96.
97.
98.
LEPIDOPTERA VAN OELEBES. 39
Gen. 129. METASIA Guen. Led.
Lilliputalis Snell., Zijds. v. Ent. XXI (1880) p. 229. —
Bear har, 8.
Twee paren.
Makassar, Saleyer. Ook op Java (Heckmeyer, Piepers).
Gen. 133. EUCLASTA Led.
Maceratalis Led., Beitr. p. 189 pl. 15 f. 11.
Vier exemplaren, allen vrouwelijk.
Lederer’s voorwerpen dezer schoone Pyralide waren van
Nieuw-Holland. Die van Celebes komen geheel met zijne af-
beelding overeen.
Makassar, Saleyer, Bonthain.
Gen. 135. SIRIOCAUTA Led.
A.
Testulalis Hübn. Zutr. p. 12 f. 629, 630. — Snell., Zijds.
v. Ent. XV (1872) p. 94.
Een man.
Ik heb deze soort nu reeds van Porto-Rico, Columbie,
Angola, Madagascar, Java, Celebes en Amboina gezien.
Bonthain.
Simialalis Snell., Midd. Sumatra, IV, 1 Lepid. p. 73. —
Pl. 3, fig. 9, Ja (kop) en 9 (achterlijf).
Zes gave exemplaren.
De palpen zijn eenigszins vreemd van vorm, iets smaller dan
de oogen, breed, plat, aan de voorzijde rond uitgesneden
(zie fig. 9a).
Makassar, Bonthain, Takalar. - Ook op Java en Sumatra.
Gen. 1365. NICARIA Snell.
Tijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 229.
Latisquamalis Snell., L c. p. 230. — PI. 3, fig. 10; 10a (kop)
en 105 (voorvleugel).
Een man.
40 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
De palpen zijn gevormd als bij Botys A, a, a, Lederer.
Bonthain.
Gen. 1374. HYMENOPTYCHIS Zell, , Led.
A.
(Ader 2—4 der voorvleugels verwijderd van elkander ontspringende,
5 met 4 uit één punt; hunne binnenrandsader ongebogen).
99. Sordida Zell., Micropt. Caf. p. 65. — Led., Beitr. p. 134,
PAMO 1,
Verscheidene exemplaren,
Makassar, Bonthain, Takalar, Balangnipa.
B.
(Ader 2—5 der voorvleugels digt bijeen ontspringende, bijna
uit één punt; hunne binnenrandsader bogtig).
100. Dentilinealis Snell., Midd. Sumatra IV. 1 Lepid. p. 74.
Vijf exemplaren.
De Celebaansche voorwerpen zijn anders gekleurd dan die van
Sumatra en Java, alwaar deze soort ook voorkomt, namelijk
licht okerbruin, iets grauwachtig, terwijl de Sumatranen en
Javanen, vooral laatstgenoemden, vrij helder okergeel zijn. Ook
is de teekening flaauwer dan bij de exemplaren van Celebes.
Makassar, Takalar.
Gen. 1376. DECTICOGASTER Snell.
Tijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 230.
101. Zonulalis Snell., 1. c. p. 231. — PI. 3, fig. 11, 114 (kop) en
415 (achterlijf d).
Drie exemplaren.
Makassar, Balangnipa.
Gen. 139. PLEONECTUSA Led.
102. Tabidalis Led., Betr. p. 189 n0, 113,
Eenige exemplaren.
Makassar, Takalar, Saleyer,
LEPIDOPTERA VAN CELEBES, 41
Gen. 143. ENTEPHRIA Led.
103. Appensalis nov. sp. — PI. 3, fig. 12 en 12a (kop).
Een paar, de d zeer gaaf, van 17 en 18 mm. vlugt.
Volgens de beschrijving en afbeelding in bouw zeer met
Entephria praeruptalis Led. overeenkomende, de voorvleugels
echter spitser gepunt.
Palpen vuilwit, lid 2 aan de buitenzijde bovenaan donker-
gris. Kop vuilwit. Sprieten grijs, bij den & fijn bewimperd.
Thorax in kleur overeenkomende met den grond van de boven-
zijde der vleugels, die bij den d licht, bij het 2 donker stofgrijs is.
De teekening bestaat uit eene zwarte stip bij den voorrands-
wortel der voorvleugels, die wortelwaarts wit is afgezet, en uit
eene bijna ongebogene, stelle eerste dwarslijn op een vierde,
die aan den voorrand zwart is, naar onderen dunner wordt
en den binnenrand niet ten volle bereikt. Ook deze dwarslijn
is, naar onderen verflaauwend, wortelwaarts wit afgezet.
Dwarsader met een fijn zwart streepje. Eindelijk volgt de
tweede dwarslijn, die in het midden slechts eene korte bogt
maakt, en nu is de grond tusschen de bovenhelft der-dwarslijn
en het zwarte streepje op de dwarsader helderwit, waardoor
eene, als aan den voorrand hangende, boonvormige figuur
ontstaat. Van den voorrand tot ader 2 is de tweede lijn bijna
zwart, de veel flaauwere onderhelft grijs. Achtervleugels met
flaauwe grijze booglijn en middenvlek. Franjelijn dik, donker-
grijs. Over den wortel der witte franje eene grijze lijn. Ach-
terlijfsrug grijs met fijn wit gerande ringen, op ring 4 (van
den wortel af) een wit, door twee zwartgrijze stippen afgezet
vlekje.
Onderzijde grijs, lichter dan boven, tegen de vleugelwortels
witachtig, de teekening der bovenzijde flaauw aangeduid.
Borst, buik en pooten vuilwit.
Maros, een 9; Java (Rembang), een zeer gave en frissche d
(Piepers).
42
104.
105.
106.
107.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES:
Gen. 1444. COPTOBASIS Led.
Sulcialis Walker p. 684.
Twee mannen.
Takalara.
Thyasalis Walker p. 734.
Een 9.
Maros.
Ik neem de gelegenheid waar, hierbij aan te teekenen dat
Lederer’s twijfel, of Qwadrimaculalis Kollar (in von Hügel,
Kaschmir etc. p. 492. — Lederer, Beitr. pl. 16 f. 12), waarvan
hem de d onbekend was, wel in dit genus te huis behoort, ge-
grond is. Beide sexen dezer soort ontving ik onlangs van Dr.
Staudinger en bevind na onderzoek, dat zij eene Botys A, b. Lede-
rer is. De sprietwortel is bij den & geheel regelmatig gevormd.
Evenmin is Tristrialis Bremer (Zepid. Ost-Sibirien’s p. 68
pl. 6 f. 7) eene Coptobasıs, in welk genus Wocke haar in de
2de uitgave van Staudinger en Wocke’s Catalogus plaatst. Zij
behoort eigenlijk in een nieuw genus tusschen Hedylepta Led.
en Omiodes Guen., Led. te komen; des noods kan men haar
in Omiodes plaatsen,
Daarentegen is Zellerı Brem., l.c. p. 70, pl. 6 £ 12 (Brebina
Butler, 4/4.) eene echte Coptobasis.
Gen. 1449. DECELIA Snell.
Tijds. v. Ent. XXI (4880) p. 231.
Terrosalis Snell., 1. c. p. 232. — Pl. 4, fig. 1, Aa (kop)
en 10 (achterpoot d).
Een d.
Komt ook op Java voor.
Takalar.
Gen. 153. AEDIODES Guen., Led.
Trimaculalis Snell., Tijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 232. —
Pl. 4, fig. 2 en 2a (kop).
Een wijfje.
Makassar. Quaternalis vond Piepers op Java.
108.
109.
110.
#11.
112.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 43
Orientalis Snell., Tijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 233. —
Pl. 4, fig. 3, 3a (kop) en 35 (spriet).
Verscheidene gave exemplaren.
De sprietwortel is bij den ¢ vrij groot, stomp kegelvormig,
tweemaal zoo dik als de schaft.
Van alle lokaliteiten. Schijnt gewoon.
Gen. 156. ATHALOESSA Led.
Floridalis Zell., Micropt. Caff. p. 60. — Led., Beitr. pl. 17 f. 2.
Calidalis (Glyphodes) Guen., Delt. et Pyral. p. 294.
Drie exemplaren.
Makassar, Maros, Bonthain.
Gen. 158. LAMPRIDIA Snell.
Tijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 234.
Fuliginalis Snell., l.c. p. 234, — Pl. 4, fig. 4 en 4a (kop).
Negen exemplaren.
Makassar, Maros.
Gen. 159. ZINCKENIA Zell., Led.
Recurvalis Fabr., Syst. Ent. 29.
Fascialis Cram., IV pl. 398 O. — Stoll, pl. 36 f. 13 p. 163.
? Nigrella Linn., Syst. Nat. Ed. XIII. Tom. III, Append.
p. 225.
Verscheidene exemplaren. Zij verschillen niet van Ameri-
kaansche en Afrikaansche. Linnaeus’ naam is misschien de
oudste voor deze soort.
Overal waar verzameld werd. Schijnt gemeen.
Perspectalis Hübn., Samm. Hur. Schmett. Pyr. f. 104. —
Guen., Delt. et Pyr. p. 226.
Verscheidene exemplaren.
Voorwerpen dezer soort van Celebes en Java zijn iets
kleiner, maar zuiverder zwart dan de meeste Amerikaansche,
waar de grondkleur gewoonlijk met bleek leembruin is ge-
mengd. Ook zijn bij eerstvermelde de tandjes aan de bui-
44 LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
tenzijde van de witte dwarsstreep der achtervleugels ondui-
delijker. Dit varieert echter ook bij de Amerikanen.
Schijnt op Celebes even gemeen als Aecurvalıs.
Gen. 161. DIATHRAUSTA Led.
413. Profundalis Led., Ber. p. 146 pl. 17 f. 7.
Een wijfje.
Bonthain. Vliegt ook op Java.
Gen. 166. PYCNARMON Led.
114. Jaguaralis Guen., Delt. et Pyr. p. 283 (2). — Led., Beitr.
p 149 ok 172 de
Een exemplaar.
De bijpalpen zijn bij deze soort wel is waar klein, doch
zij ontbreken niet zooals Lederer beweert.
Maros.
Gen. 167. SPILOMELA Guen., Snell.
Snell., Tijds. v. Ent. XVII (1875) p. 255.
115. Ommatalis Snell., Tijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 235. —
Pl. 4, fig. 5 en 54 (kop).
Drie gave exemplaren.
Ik ken deze soort tot dusverre alleen nog maar van Celebes.
Makassar, Balangnipa.
Gen. 168. CONCHYLODES Guen., Snell.
116. Caberalis Guen., Delt. et Pyr. p. 284.
Verscheidene exemplaren van alle lokaliteiten.
4147. Corycialis Snell, Tds. v. Ent. XXIII (1880) p. 237. —
PIAZZE 210216:
Een paar.
Makassar. Ook op Java.
118. Baptalis Snell., Tijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 238. — Pl. 4, fig. 7.
Twee gave wijfjes.
De franje is bij deze soort (ook bij de twee voorgaande)
bleekbruin, met eene iets donkerder lijn over den wortel,
Takalar. Vliegt ook op Java.
IIC)
121.
LEPIDOPTERA VAN CELFBES. 45
Gen. 170. SYNCLERA Led.
Traductalis Zell., Mier. Caffr. p. 54.
Retinalis Led., Wien. Ant. Mon. Sehr. 1 (1857) p. 101.
Een wijfje.
Eene wijdverbreide soort. Ik ken haar van St. Martin,
Columbie, Zuid-Afrika, Syrie, Java en Celebes.
Bonthain.
. Onychinalis Guen., Delt. et Pyr. p. 205, pl. 6 f. 7 (Asopia/).
Een gave man.
Deze door Lederer nergens vermelde soort behoort tot
dit genus.
Makassar.
Gen. 171. LEPYRODES Guen.
Delt. et Pyr. p. 277.
Geometricalis Guen., 1. c. p. 278, pl. 8 f. 6.
Eenige exemplaren.
Dit genus, dat aan Lederer alleen uit Guenée’s beschrijving
bekend was, ontbreekt in zijne Analytische tabel. Het komt
zoo zeer met Phalangiodes Guen., |. c. p. 278 overeen, dat
beiden wel onder den naam Lepyrodes vereenigd zouden kunnen
worden. Alleen bevind ik dat de palpen wat breeder zijn bij
Lepyrodes dan bij Phanlangiodes en de mannelijke achtervleugels
bij eerstgenoemd genus niet breeder dan de vrouwelijke.
Lep. geometricalis d heeft niets onregelmatigs in het aderstelsel.
Lep. quadrinalis Guen. is mij onbekend. Ik weet dus niet
of zij inderdaad tot hetzelfde genus behoort als Geometricalis.
Evenmin kan ik dit zeggen van Piabilis Wallgr., Astomalis
Feld. en Rog., Bistigmatalis Pryer en Fengwhanalis Pryer —
allen, volgens de auteurs, Lepyroden.
Makassar, Bonthain, Maros.
Gen. 172. PHALANGIODES Guen., Led.
Dit genus, dat Lederer niet volledig beschrijven kon, om=
| dat hij slechts beschadigde exemplaren had (zie in afdeeling
32 zijner Analytische tabel), moet eigenlijk in afdeeling 67
46
122.
123.
124.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
dier tabel komen, want de sprieten zijn bij beide sexen van
Phal. Neptis Cramer (Neptisalis Guen.), bij Phal. Columalis
Snell. (en ook bij Lepyrodes Geometricalis) iets langer dan drie
vierden van den voorrand der voorvleugels. Het heeft zijne
plaats in de genoemde afdeeling naast het genus Modes,
waarvan het zich door kortere sprieten (Phalangiodes 3, Filodes
11 maal zoo lang als de voorvleugels) en door bij beide sexen
aanwezige ader 3 der achtervleugels onderscheidt. Eene lange
beharing der mannelijke voorpooten komt bij beide genera
voor !), evenals bij Lepyrodes, waarmede Phalangiodes zeer
wel vereenigd zou kunnen worden, daar ook de geheele habitus
overeenkomt en er alleen een klein verschil in de breedte der
palpen en in die der mannelijke achtervleugels bestaat.
Palpen bij Phalangiodes als bij Filodes. Sprieten draadvormig,
naakt. Achterlijf, duidelijk langer dan de achtervleugels; deze
vrij breed, vooral bij de mannen, waar voor- en binnenrand
bijna even lang zijn. Ader 8 en 9 der voorvleugels zijn ge-
steeld, niet 8—10 zooals Lederer zegt.
Neptis Cramer, III pl. 264 F.
Neptisalis Guen., Delt. et Pyr. p. 279.
Eenige exemplaren.
Cramer’s afbeelding is niet twijfelachtig.
Makassar, Bonthain. Ik bezit deze soort ook van Java.
Columalis Snell. , Tijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 239. —
Pl. 4, fig. 8 (2).
Zes exemplaren.
Makassar, Bonthain. — Ook op Gebeh.
Gen. 173. SPANISTA Led.
Ornatalis Dup., Noct. VIII p. 207 pl. 223. — Herr. Schäff.
Syst. Bearb. IV p. 10 fig. 52.
1) Zooals ik eerst onlangs bevonden heb, toen ik den 4 van Filodes fulvidorsalis
Hübn. leerde kennen. Bij dezen zijn ook ader 2—5 digter opeengedrongen dan
bij het 2, zoodat dit eveneens als generiek kenmerk vervalt (zie Tijds. o. Ent,
XXIII (1880) p. 238).
125.
126.
127.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 47
Verscheidene exemplaren van alle plaatsen waar verzameld
werd. Schijnt niet zeldzaam en komt, behalve in Zuid-Europa,
ook in Afrika en op Java voor.
Pretiosalis Snell., 7%jds. v. Ent. XXIII (1880) p. 239. —
Pl. 4, fig. 9 en 9a (kop).
Een gave en frissche 4.
Het eindlid der palpen is minder beslist driekant dan bij
Ornatalis, doch overigens zijn zij eveneens gevormd.
Makassar.
Gen. 175. PHYSEMATIA Led.
Pollutalis Snell., Zijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 240. —
Pl. 4, fig. 10 en 10a (kop).
Een paar, de d gaaf.
Lid 1 der smalle, gebogen palpen is eenigszins ruw behaard,
2 en 3 zijn glad beschubd en bij sommige exemplaren de
buitenzijde van lid 2 bovenaan zwart.
Maros. Ook op Java; Ambarawa (Ludeking), Toeban (Piepers).
Gen. 179. ISOPTERYX Guen., Led.
Foedalis Guen., Delt. et Pyr. p. 228 pl. 4 f. 7. — Snell.,
Tijds. v. Ent. XV (1872) p. 96.
? Tenellalis Guen., I. c. p. 228.
Eenige exemplaren.
Ik heb op het oogenblik deze soort voor mij uit de volgende
landen: Angola, Madagascar, Ceylon, Java en Celebes, en wanneer
Tenetlalis hier behoort, komt zij ook in Zuid-Amerika voor.
Maros, Makassar.
Gen. 183. HYDROCAMPA Guen., Led.
. Difflualis Snell., Midd. Sum., IV, Lepid. p. 74.
Vele exemplaren van alle lokaliteiten. Schijnt gemeen, even-
als op Java en Sumatra:
48 LEPIDOPTERA VAN CELDBES.
Gen. 184. PARAPOYNX Hübn., Led.
A.
129. Hebraicalis Snell., 7ijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 240. —
PI. 4, fig. 11 en 41a (kop).
Twee paren.
Makassar. Vliegt ook op Java.
130. Fregonalis Snell., 7%jds. v. Ent. XXIII (1880) p. 24. —
TG Aaa en, “Od,
Vijf exemplaren, ten deele gaaf.
De palpen zijn bij deze soort gevormd als bij Hebraicalis ,
het eindlid iets korter, de bijpalpen even sterk ontwikkeld.
Wortel en voorrand der voorvleugels zijn, meest slechts een
weinig, bij een zeer helderwitten d, dien ik van Sumatra (Padang)
ontving, vrij sterk, donkergrijs bestoven. Vliegt ook op Java.
Makassar, Bonthain.
131. Linealis Guen., Det. en Pyr. p. 271.
Twee exemplaren.
Makassar, Takalar. Ook op Java, Sumatra en in Zuidwest-Afrika.
C.
432. Diminutalis Snell., Tüds. v. Ent. XXII (1880) p. 242. —
I, 8, ae, Al) (@)%
Vier exemplaren.
De palpen zijn iets korter dan bij Hebraicalis en vooral het
eindlid minder ontwikkeld, daarentegen de bijpalpen even sterk.
Makassar; ook op Java.
433. Cuneolalis Snell., Zijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 243. —
PI. 5, fie. 2.
Een d.
Bonthain.
Gen. 1845. OLIGOSTIGMA Guen., Snell.
Tijds. v. Ent. XIX (1875—76) p. 186—209.
L
B.
434. Latifascialis Snell., 1. c. p. 189 en 202, pl. 8 fig. 7, a, b.
135.
136.
137.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES. 49
Een man.
Op de aangehaalde afbeelding in het Tijdschrift is de gele
streep over het midden der achtervleugels te breed (de voor-
rand moest breeder wit zijn); ook is de kleur dier streep te
bruin, evenals die van de zwart gerande smallere langs den
achterrand der voor- en achtervleugels.
Bonthain.
II:
Gibbosalis Guen., Delt. et Pyr., p. 262, pl. 9 f. 12 a—d. —
Snell., 1. c., p. 189 en 207, pl. 9 f. 12 a—e.
Een man.
Ook op de afbeelding dezer soort in het Tijdschrift zijn
verschillende aanmerkingen te maken. O. a. moest de grondkleur
der achtervleugels grijzer zijn en is de kleur van de midden-
streep en van de smallere zwart gezoomde op den achterrand
te roodachtig.
Makassar.
Gen. 185. CYMORIZA Guen. (non Led.).
Montenalis Snell., 7%4s. v. Ent. XXIII (1880) p. 244. — PI. 5,
fig. 3 en 3a (kop).
Een wijfje.
Makassar.
Fulvobasalis Snell., 7ds. v. Ent. XXIII (1880) p. 244, —
Pl. 5, fig. 4 en 4a (kop).
Een gave man.
Sedert de beschrijving dezer soort gedrukt is, heb ik ook
het 9 leeren kennen, waarvan Mr. Piepers een gaaf exem-
plaar op Java vond. Het is grooter dan de ¢ (vlugt 18 mm.),
de palpen zijn dunner en korter; lid 3 is aan de achterzijde
onbehaard. Verder is de grondkleur donkerder en onzuiverder
gris, de wortel der voor- en achtervleugels benevens de voor-
rand der voorvleugels niet helder oranjebruin zooals bij den
d, maar slechts een weinig donkerder en grauwer dan het
4
50
138.
139.
140.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
overige. Eindelijk ontbreken de beide zwarte stippen achter de
eerste dwarslijn der voorvleugels.
Van Cym. irrectalis Guen. vond Piepers mede eenige exem-
plaren op Java. De palpen zijn nog iets korter dan bij Aul-
vobasalis (vooral hun aan de achterzijde onbehaard eindlid), de
bijpalpen even duidelijk (dus niet ctrès-courts et à peine visibles»,
zooals Guenée zegt), de sprieten eveneens, ook het aderstelsel.
Alleen ontbreekt bij mijne beide bovenvermelde soorten van
Celebes het bij /rrectalis & voorkomende indruksel onder den
voorvleugelvoorrand, wat echter m. i. geene aanleiding kan
geven tot generieke afscheiding.
Makassar.
Gen. 186. CATACLYSTA Hübn., Led.
C.
Vestigialis Snell., Midd. Sum., IV Lepid. p. 78.
Verscheidene exemplaren.
Maros. Komt ook op Java en Sumatra voor.
Gen. 1874. MARGAROSTICHA Led.
Bimaculalis Snell., 7e4s. wv. Ent. XXIII (1880) p. 245. —
Pl. 5, fig. 5 en 5a (kop).
Een man en twee wijfjes.
Bij den d zijn de palpen zoo lang als de kop, sikkelvormig
gebogen; lid 3 spits, 2 boven aan de buitenzijde iets ruig be-
haard. Ook het wortellid heeft eene langere beharing, die aan
de voorzijde als een spits baardje regt vooruitsteekt. Bij het
9 zijn de palpen en ook de sprieten dunner dan bij de
andere sexe.
Bonthain, Balangnipa.
Gen. 1875. NYMPHICULA Snell.
Midd. Sumatra, IV Lepid. p. 78.
A,
Stipalis Snell, Midd. Sum., IV. Lep. p. 78.
Twee mannen en een 9,
LEPIDOPTERA VAN OELEBES. 51
De beide eerste zwarte stippen bij den staarthoek der ach-
tervleugels zijn meestal ineengevloeid.
De afbeelding dezer soort heeft het licht nog niet gezien.
Maros, Bonthain en Bantimorong. Ook op Java en Sumatra.
141. Infuscatalis Snell., Zijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 246. —
Bir a, tier 0:
Een 2.
Saleyer.
B.
142. Acuminatalis Snell., Zijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 246. —
21293 her.
Een 4.
Makassar.
Subfamilie C. CRAMBIDAE.
Gen. 193. SCIRPOPHAGA Treits., Zell.
143. Sericea Snell., Midd. Sum., IV. Lepid. p. 79.
Een dozijn wijfjes.
De man dezer soort is mij nog niet met zekerheid bekend.
Seirp. sericea is het uiterst gemeene vlindertje, genaamd:
de Landplaag, bedoeld op bladz. xxır van het verslag der op
24 Julij 1875 gehouden Algemeene Vergadering der Nederl.
Entom. Vereeniging (Piepers).
Overal waar op Celebes werd verzameld.
Gen. 194. SCHOENOBIUS Dup., Zell.
444, Ochraceellus Snell., Midd. Sum., IV. Lepid. p. 79.
Verscheidene paren.
Overal waar verzameld werd. Schijnt op Celebes en ook op
Java gemeen te zijn.
Gen. 196. CALAMOTROPHA Zell.
145. Abjectella Snell., Zijds. v. Ent. XV (1872). p. 101, pl.
8, fig. 4.
Een paar wijfjes gelijk aan het Afrikaansche waarnaar ik
deze soort beschreef. Een waarschijnlijk daarbij behoorende,
52
146.
147.
148.
Pl. 5, fig. 9.
149.
150.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES.
afgevlogen ¢ is kleiner en heeft geelachtig grijswitte voorvleu-
gels. Deze soort is ver verbreid en komt ook op Java voor.
De heer Piepers ving aldaar een zeer gaaf en frisch 2, dat
grooter en ook merkbaar lichter is dan het Afrikaansche en
de beide van Celebes. De kleur der voorvleugels is niet meer
dan grijsgeel en de donkere langsschaduw over het midden
veel duidelijker.
Makassar, Bonthain.
Fuscicostella Snell., Tijds. v. Ent. XXII (1880) p. 247. —
PI. 5, fig. 8.
Een d en twee wijfjes.
Bonthain , Makassar, Maros.
Gen. 197. ANCYLOLOMIA Zell.
Taprobanensis Zell., Horae 1877 p. 23 (Sep.), pl. 1, fig. 8.
Verscheidene exemplaren dezer niet alleen op Ceylon, maar
ook op Java voorkomende soort.
Ik merk in het voorbijgaan op, dat Pulcherrimus Staudinger
(Berl. Ent. Zeits. 1870 p. 194) uit Zuid-Oost-Rusland, geen
Crambus is, maar, volgens het aderbeloop, dat het meeste
gewigt in de schaal legt, eene echte Ancylolomia.
Gen. 199. DIPTYCHOPHORA Zell.
Amoenella Snell, Tijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 247. —
Makassar.
Gen. 201. CRAMBUS Fabr., Zell.
Malacellus Dup., Moet. X p. 64 pl. 270 fig. 4. — Zell. , Chil.
et Cramb. p. AT; id., Stett. Ent. Zeit. A867 p. 390.
Een d, niet verschillende van een Zuid-Europeschen, dien
ik van Dr. Staudinger ontving.
Makassar.
Troglodytellus Snell., Zijds. v. Ent. XV (1872) p. 105,
pl. 8, fig. 6.
Ken 9, dat 15 mm. vlugt heeft en dus merkbaar grooter
#51.
192.
153.
LEPIDOPTERA VAN CELEBES, 53
is dan de beide Afrikaansche, waarnaar ik de soort beschreef.
Deze soort komt ook op Java voor.
Ader 5 der achtervleugels is bij dit g en bij een Javaansch
aanwezig, hoewel zeer kort (gesteeld met 4), doch diezelfde
ader der voorvleugels ontbreekt bij al mijne voorwerpen.
Makassar.
Subfamilie D. GALLERIDAE.
Gen. 203. MELISSOBLAPTES Zell.
Rufovenalis Snell., Tijds. v. Ent. XXIII (1880) p. 248. —
Bl. 5, Nie. 10.
Een d en 3 wijfjes.
Zooals ik reeds mededeelde, komt deze soort ook op Java
voor. De voorrand der voorvleugels is bij het ¢ boven de
middencel en ader 7 soms geheel bleek purperkleurig roodgrijs.
In mijne beschrijving staat, dat de geheel ongeteekende
onderzijde bij den d even donker is als de bovenzijde. Men
voege hierbij: der achtervleugels.
Makassar, Bonthain, Balangnipa.
Gen. 205. GALLERIA Fabr., Zell.
Macroptera Snell., Zjds. v. Ent. XXIH (1880) p. 249. —
Elro soi
Drie wijfjes.
Makassar.
Gen. 207. DOLOËSSA Zell.
Viridis Zell., Isis 1848, p. 859.
Drie exemplaren.
In de achtervleugels zijn ader 3 en 4 gesteeld, ontbreekt
ader 5 en is 7 met 8 verbonden. In de voorvleugels ontsprin-
gen 3 en 4 uit één punt, nabij 5; 7—9 zijn gesteeld, 7
loopt in de vleugelpunt uit en 9 ontspringt vóór 7 uit den
gemeenschappelijken steel; 10 en 11 zijn vrij.
Makassar, Bonthain, Maros.
94
154.
156.
ST,
LEPIDOPTERA VAN CELEBES,
Subfamilie E. PHYCIDAE.
Gen. 211. NEPHOPTERYX Zell.
Anerastica Snell., Midd. Sumatra IV, 1 Lepid. p. 81.
Een afgevlogen 4.
Bonthain. Vliegt behalve op Sumatra en Celebes, ook op Java.
Gen. 220. MYELOIS Zell.
. Stibiella Snell., Ads. v. Ent. XV (1872) p. 104, pl. 8, f. 7, 8.
Twee exemplaren.
Bonthain. Deze soort ken ik van Angola, Madagascar,
Sumatra, Java en Celebes.
Gen. 243. EUZOPHERA Zell.
Subterebrella Snell., Zijds. v. Hut. XXIII (1880) p. 250. —
PI. 5, fig. 12 en 12a (kop).
Een paar.
Makassar.
Gen. 255. EPHESTIA Guen , Zell.
Passulella Barrett, Mutom. Monthly Mag. XI (1875) p. 271.
Maros, Saleyer.
Ik houd deze soort, die mede op Java voorkomt en die ik
ook een paar malen in pakhuizen binnen Rotterdam heb ge-
vangen, voor eene oorspronkelijk exotische, even als Aühniella
Zeller. Zij is duidelijk van de verwante #lutella onderscheiden.
Maros , Saleyer.
BIJDRAGE TOT DE KENNIS
DER
PAS a Ree DIE DA eo
DOOR
Jhr. Dr. Ed. EVERTS.
Deze familie bevat zeer kleine langwerpige of eironde kevertjes,
welke onder rottende plantenstoffen, aan schimmel, onder vuilnis
en boomschors leven. Enkele wonen bij mieren. Sommige soorten
zijn over de gansche aarde verbreid en b. v.. door rijst overal
ingevoerd.
Sprieten 8—11-ledig, knotsvormig eindigend, de knots meestal
1—3-ledig. Bovenkaken aan het uiteinde gewoon of tweetandig.
Kaaktasters 4-ledig; liptasters 3-, zelden 2-ledig. Dekschilden aan
het uiteinde afgerond. Achterlijf met 5 buik-segmenten. Voorste
coxae kogelvormig, dicht bij elkander staande of slechts door een
fijne kiel gescheiden, meer of min in de gewrichtsholten ingesloten.
Tarsen slechts 3-ledig, zelden de voortarsen 4-ledig.
‚_1) Mannerheim, Corticaria et Lathridius. Germ. Ent. Zeits. V. 1844. p.1--112.
Motschulsky, Lathridiens. Bull. nat. Mosc. 1866. p. 225; 1867. p. 39. pl.
Reitter, Revision der europäischen Lathridiidae. Stett. Ent. Zeit. 1875 p. 297.
Reitter, Bestimmungs-Tabellen der europäischen Coleopteren. III. Verh. Zool.
bot. Ges. Wien 1880 p. 46.
Fr. Marie Joseph Belon, Hist. nat. des Coléoptères de France, Fam. des
Lathridiens. Ann. Soc. Linn. de Lyon, 1881, le partie (Vervolg op Mulsant).
Reitter, Kritiek op het werk van Belon, Deutsche Ent, Zeitschr, XXVI. 1882,
Heft 1. p. 161,
56 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
Deze familie maakt deel uit van de groep der Knotssprietkevers
(Clavicornia).
Op het voetspoor van Edmund Reitter, den nauwkeurigen be-
werker der zoo moeielijke Micro-Coleoptera, laat ik het onderstaande
tabellarisch overzicht der groepen en genera volgen.
4. Voorhoofd tusschen de sprieten met eene fijne
dwars geplaatste halfeirkelvormige lijn; sprie-
ten 8—10-ledig, zeer zelden 11-ledig, met
1- of D-ledige knots.) cron
Voorhoofd van den clypeus niet door eene ge-
bogen lijn afgescheiden, op verschillende
wijze onregelmatig geteekend; sprieten bijna
altijd 11-ledig !), en met een 2- of 3-ledige
knols a). na RO I IR
IO)
Voorste coxae meer of min door het verlengde
uiteinde van het prosternum van elkander
gescheiden. Kop nagenoeg altijd gegroefd.
Halsschild aan de zijden gaafrandig. Lichaam
glad of slechts met rijen van korte borstels
beetle SELOR
Voorste coxae tegen elkander aanstaande, Kop
niet gegroefd. Halsschild aan de zijden getand
of fijn gekerfd. Lichaam nagenoeg altijd
behaard vignet © ME USL) i Corea e
A. Merophysini.
Sprieten boven op het voorhoofd aan de zijden
ingeplant; dekschilden met parallele zijden
en met sippelugens Or CS ENE Anommatus.
Sprieten vóór de oogen onder den zijrand van
den kop ingeplant; dekschilden eivormig of
elliptisch, zonder stippelrijen . . . . .IL Holoparamecus.
1) Bij de Zuid-Europeesche genera Migneauxia en Metophthalmus 10-ledig.
2) Slechts Metophthalmus en eenige Coninomus-soorten hebben een tweeledige
knots,
DER LATHRIDIIDAE, 57
B. Lathriduni.
Halsschild op het midden met twee fijne kiel-
vormig verheven langslijnen
Halsschild zonder deze langslijnen
Sprietknots weinig van het overige der sprieten
afgescheiden, hare leedjes geleidelijk ver-
breed. Wangen (de onder de oogen zich
bevindende zijdeelen van den kop) zeer klein
olgonziehubaan. ain endet varen Le Hate ls
Sprietknots duidelijk afgescheiden. Wangen
lamamenirootsn i Rat a ae. ren . IV. Commomus:
Halsschild in ’t midden met eene meer of min
duidelijke langsgroef; leedjes der sprietknots
geleidelijk. verbreed, … ... ....). 1 1. V. Zmicomus.
Halsschild zonder langsgroef; de twee eerste
leedjes der sprietknots even breed . . . VI. Cartodere.
C. Corticarini.
Sprieten lang, haarvormig; de 4 laatste leedjes
aan het uiteinde kogelvormig verdikt; hals-
schild en dekschilden met bultig verheven
GUDDE Pers le sesh O e DANN ay corse
Sprieten draadvormig, met 3-ledige knots;
halsschild en dekschilden zonder bultig ver-
heventsrbhenkt et: ve ann he Are MICRO
Achterlijf bij g uit 5, bij d uit 6 segmenten
gevormd; metasternum met eene langsgroef
in’t midden; lichaam meer of min gestrekt,
van tamelijk gelijke breedte . . . . .VIH. Corticaria.
Achterlijf in beide sexen uit 6 segmenten
samengesteld; metasternum zonder langs-
groef; lichaam kort, gedrongen . . . .IX. Corticarina.
58 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
I. ANOMMATUS Wesmael, Bull. acad. Bruxelles, 1836 p. 388.
Bovenlip van voren recht afgesneden. Bovenkaken niet uitste-
kend, met vorksgewijs gedeelde spits, aan de basis met een groot
maalvlak. Onderkaken met twee smalle, tamelijk lange. malae,
de buitenste aan het uiteinde lang behaard, de binnenste smaller,
met drie lange doornen en fijne haartjes naar het uiteinde. Eindlid
der kaaktasters langer dan de voorafgaande leedjes, met afgeknot
uiteinde. Eindlid der liptasters veel dikker dan het voorlaatste lid,
geleidelijk toegespitst en aan het uiteinde stomp. Tong klein,
hoornachtig, aan het uiteinde vliezig, bewimperd. Sprieten 10-ledig,
met eene groote, dikke, kogelronde, eenledige knots, die vöör het
uiteinde geringd is. Geen oogen. Prosternum vóór de voorste coxae
halfeirkelvormig uitgerand. Coxae der voorpooten tegen elkander
aan staande. Halsschild eenigszins vierhoekig, langer dan breed.
Schildje verborgen. Dekschilden met grove stippelrijen. Ongevleugeld.
Lichaam langwerpig, met parallele zijden, de bovenzijde is schijn-
baar glad, doch van terzijde gezien, vertoont zich uit elke stip
een fijn, kort, opgericht borsteltje.
De soorten van dit genus leven in de aarde, hetzij onder rot-
tend hout of onder groote, ın vochtigen vetten leem- of kleibodem
diep verzonken steenen.
In Europa komen 6 soorten voor, waarvan eene in Nederland,
Halsschild vlak tegen den achterrand met eene
smalle, doch niet diepe dwarsgroef, in welke
meer of min duidelijke stippels staan; de
achterrand zelf daardoor als een zeer smallen
kant een weinig opgericht. Kop aan de basis
(bij krachtige vergrooting bezien) sterk
schubachtig netsgewijs geteekend en zeer
fijn verspreid bestippeld. . . . . . . 14. duodeeimstri-
atus Müll.
Halsschild tegen den achterrand zonder dwars-
groef, alleen met meer of min in eene dwarsrij
geplaatste, diepe stippels. Kop verspreid,
doch altijd krachtig bestippeld. . . . . 2, pusillus Schauf,
DER LATHRIDIIDAE, 59
I. Anommatus duodecimstriatus Müll.
Müller, Germ. Mag. IV. p. 190 (Lyctus). — Erichs. Nat. Ins.
Ill. p. 286. — Reitt. Xev. p, 311. — Belon, 1. c. p. 76. —
Redtenb. #n. austr, 3de ed, p. 411. — Gemm. en Har. Cat. Ill.
p. 892.
Syn. Zerricola Wesm. Bull. ac. Brux. II p. 339. t. 4.
Roodachtig of geelachtig rood, glanzig. Kop aan de basis (bij
zeer krachtige vergrooting bezien) sterk schubachtig netsgewijs ge-
teekend en zeer fijn verspreid bestippeld. Halsschild iets langer dan
breed, naar achteren duidelijk versmald, op het midden met eene
breede, onbestippelde langsbult, overigens met groote, verspreid
staande stippels; vlak tegen den achterrand met eene smalle, doch
niet diepe dwarsgroef, in welke meer of min duidelijke stippels
staan; de achterrand zelf is daardoor als een zeer smallen kant
een weinig opgericht. Dekschilden tamelijk vlak, aan de basis gaaf-
randig, elk met 6 rijen grootere diepe stippels, welke vóór het
uiteinde verdwijnen.
Lengte 1,5—2 mm.
In Nederland nog niet aangetroffen.
Bij Chenée nabij Luik in Belgie werd zij meermalen op weilan-
landen gevonden, onder planken, welke op plaatsen lagen, waar
het gras was weggenomen.
2. Anommatus pusillus Schauf.
Schaufuss, Sitz. Ges. Isis 1861 p. 49. — Reitt. l.c. p. 311. —
Belon, |. c. p. 79. — Gemm. en Harold, Cat. III. p. 892.
Deze soort gelijkt zeer op de vorige; het halsschild is echter
nagenoeg even lang als breed, het onbestippelde gedeelte op het
midden niet opgericht en de basis door diepe, dicht in den rand
geplaatste stippels duidelijker gekerfd. Basis der dekschilden nabij
de schouders met twee door stipvormige uitrandingen gevormde
tandjes. Kop (bij zeer sterke vergrooting bezien) aan de zijden met
fijne langsstreepjes, overigens verspreid doch krachtig bestippeld.
Roestkleurig rood of geelrood.
Lengte 1,5—1,7 mm.
Eenmaal bij Zierikzee, in September, onder een rotten appel
(Mr. Fokker).
60 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
II. HOLOPARAMECUS Gurt.
Curtis, Æntom. Mag. I. 1833. p. 186.
Bovenlip afgerond. Bovenkaken met tweetandig uiteinde en daar-
achter onduidelijk gekerfd. Onderkaken met twee malae; de bin-
nenste korter en zeer dun, aan het uiteinde en daarachter behaard;
de buitenste breeder en langer, aan het uiteinde gebaard. Kaak-
tasters dik; het derde lid korter dan het tweede, doch even dik;
het eindlid kort, stomp toegespitst. Tong vliezig, van voren
afgerond. Liptasters zeer kort en dik, ter nauwernood langer dan de
tong, 3-ledig; het eerste lid ter nauwernood zichtbaar, het tweede
zeer dik, kort eirond; het derde veel kleiner, stomp toegespitst.
Sprieten vóór de duidelijke oogen, onder den zijrand van den kop
ingeplant, 9—11-ledig, met tweeledige knots; eindlid niet afgeknot.
Halsschild hartvormig, aan de basis op verschillende wijzen inge-
drukt. Schildje verbreed, afgerond. Dekschilden langwerpig eirond,
zelden elliptisch, nagenoeg altijd met eene verdiepte streep naast den
naad. Dijen naar het uiteinde knotsachtig verdikt. Bovenzijde des
lichaams uiterst fijn, moeielijk zichtbaar bestippeld en behaard.
Kleine, meestal roodgele kevertjes, welke leven onder rottende
plantenstoffen, in rijst en onder steenen, die door het zeewater
bespoeld worden.
Van dit genus komen 8 soorten in Europa voor, van welke 2
in Nederland bekend zijn; deze laatsten behooren beiden tot het
subgenus Calyptobium Villa.
a. Dekschilden lang gestrekt, ter nauwernood
breeder dan de voorrand van het halsschild,
duidelijker dan het halsschild bestippeld. . 4.
Dekschilden breed, kort eirond, veel breeder
dan het veel sterker bestippelde halsschild. 3. Ragusae Reitt.
4. Halsschild in ’t midden zonder aanduiding van
een langsgroefje, even breed als lang of
slechts iets breeder . . . . . . . „1. singularıs Beck.
Halsschild in ’t midden met een zeer duidelijk
langsgroefje, iets breeder dan lang . . .2. Aunzei Aubé.
DER LATHRIDIIDAE. 61
1. Holoparamecus singularis Beck.
Beck. Beitr. Baer. Ins. 1817 p. 14 t. 3 f. 15 (Sylvanus), —
Motsch. Rev. Zool. 1844 p. 442. — Redt. fn. austr. 3e ed. p.
413. — Reitt. L c. p. 308. — Belon, I. c. p. 60. — Gemm. en
Har. Cat. NI. p. 895.
Syn. depressus Gurt. Ent. Mag. I. p. 186; Brit. Ent. TIL. t. 614.
Sprieten bij & 9-, bij g 10-ledig. Halsschild even lang als breed
of slechts weinig breeder, vóór den achterrand met twee verdiepte,
door twee duidelijke langsgroeven begrensde dwarslijnen. Lichaam
licht roodgeel, moeielijk zichtbaar bestippeld. Dekschilden lang ge-
strekt, nauwelijks breeder dan de voorrand van het halsschild, in
het voorste derdegedeelte het breedst, naar het uiteinde iets ver-
smald; de naadlijn uiterst fijn aangeduid.
Lengte 1,1 mm.
Door den heer Heylaerts te Breda in rijst aangetroffen. Zou ook
voorkomen in oud stroo en mesthoopen.
2. Holoparamecus Kunzei Aubé.
Aubé, Mon. Ann. soc. ent. Fr. 1843. p. 245 t. 10 f. 4. — Allibert,
Rev. Zool. 1847 p. 18. — Belon 1. c. p. 57. — Gemm. en Har.
Cat. III. p. 895. — De larve beschreven door Coquerel, Ann.
soc. ent. Fr. 1848. p. 181 t. 7 n°. 4, f. 5 a—d.
Sprieten bij d 9-, bij 2 10-ledig. Licht roodgeel; bovenzijde
uiterst fijn, weinig zichtbaar bestippeld. Halsschild iets breeder dan
lang, de zijrand in ’t midden gebogen en naar de achterhoeken
sterk ingetrokken, daardoor eenigszins hartvormig, vöör den ach-
terrand met twee verdiepte, aan weerszijden door eene diepe langs-
groef begrensde dwarslijn, in ’t midden met een zeer duidelijk
langsgroefje. Dekschilden lang gestrekt, in het voorste derde ge-
deelte het breedst, met zeer duidelijke naadlijn.
Lengte 1,25 mm.
Door wijlen Mr. Snellen van Vollenhoven in rijst aangetroffen ;
ook te Rotterdam in waren (Dr. Veth). Werd ook in het buiten-
land gevonden in chocolade:tabletten, waarin de larve leefde,
62 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
3. Holoparamecus Ragusae Reitt.
Reitter, 1. c. p. 309. ns Belon, |. c. p. 54.
Onderscheiden door de korte, eivormige, gewelfde gedaante,
waardoor zij in habitus eenigszins op een’ Scydmaenus gelijkt.
Sprieten iets langer dan bij Singularıs. Dekschilden aan de basis
aanmerkelijk breeder dan het halsschild. Halsschild als bij Sirgularis
gevormd, iets breeder dan lang, naar achteren recht versmald;
vóór de rechte achterhoeken is de zijrand niet gebogen; het midden
vóór den achterrand met twee oppervlakkige dwarsgroeven, welke
aan weerszijden door eene diepe langsstreep begrensd worden.
Lengte ruim 1 mm.
Deze soort komt volgens Edmund Reitter in Belgie voor; zij
werd op Sicilie ontdekt en door mij bij Napels onder dorre blade-
ren aangetroffen.
III LATHRIDIUS Herbst.
Herbst, Kay N. 1493, 93:
Bovenlip kort, doch zeer breed, van voren recht afgeknot, met
afgeronde zijhoeken. Bovenkaken eenigszins vliezig, met fijnen top,
aan den binnenrand met een fijnen, aan den rand bewimperden
zoom. Onderkaken uit eene enkele mala bestaande; de binnenste
is niet ontwikkeld of slechts als een langen haarbundel zichtbaar;
de buitenste is kort, breed, van buiten hoornachtig, van binnen
vliezig, aan het uiteinde zeer lang-, aan den binnenrand korter
behaard. Kaaktasters 4-ledig; lid 4 zeer klein; lid 2 groot, dik en
van buiten sterk gebogen; lid 3 iets kleiner en korter; eindlid
nagenoeg even lang als de beide voorafgaande te zamen, kegel-
vormig toegespitst, aan het uiteinde zelf scheef afgeknot. Tong
hoornachtig, ter nauwernood van de kin onderscheiden en daarmede
eene hoornachtige plaat vormende, welke van den achterrand äf,
zich naar het midden geleidelijk verbreedt en daarna zich sterk
naar voren versmalt; de voorrand is door een vliezigen zoom be-
grensd; de hoeken zijn vliezig en bewimperd. De liptasters schijnen
slechts tweeledig te zijn; het eerste lid is namelijk zeer klein, het
tweede zeer groot, kort eirond, aan het einde afgeknot en
vrij lang bewimperd. Sprieten 10-ledig, aan de voorhoeken van
den kop ingeplänt, met weinig afgescheiden, 3-ledige sprietknots,
DER LATHRIDIIDAE. 63
wier leedjes geleidelijk breeder worden. Kop eenigszins driehoekig,
met zeer kleine of nauwelijks zichtbare wangen, met eene middel-
groef. Halsschild smaller dan de dekschilden, met twee fijne kiel-
vormig verheven langslijnen op het midden. Schildje klein, verbreed.
Dekschilden in strepen of rijen bestippeld. Tarsen 3-ledig.
De soorten van dit genus varieeren sterk in de betrekkelijke
lengte van het halsschild, in de meerdere of mindere uitranding
van den zijrand en in de sculptuur der dekschilden, zoodat som-
rige soorten in verschillende varieteiten voorkomen. Zij leven onder
vuilnis, tusschen beschimmelde plantenstoffen, onder boomschors,
in dood riet, en soms bij mieren.
In Europa komen 10 soorten voor, van welke tot dusver slechts
twee in Nederland zijn aangetroffen.
a. Dekschilden aan het uiteinde te zamen spits
mitgetrokken tit u. 00 Paes et. Zardarius de.G.
Dekschilden aan het uiteinde niet te zamen
taemesputsthnnikas dew Mi tel OUEN Os
6. Dekschilden met rijen van fijne witachtige bor-
steltjes bezet, welke met een gewone loupe
bij goed licht zichtbaar zijn . . . . . 2. angulatus
Marsh.
Dekschilden geheel glad, zonder borstelrijen. c.
c. De afwisselende tusschenruimten der dekschil-
den niet of slechts weinig meer verheven
dan, de anderen . 2 ...: ci ute ver vo anguaticolhs
Humm.
De afwisselende tusschenruimten der dekschil-
den scherp kielvormig verheven. . . .d.
d. Halsschild even lang als van voren breed; de
zijden gebogen en onmiddellijk achter het
midden ingesnoerd . . . , . . . .4,alternansMann.
Halsschild quadratisch, met parallele, niet ge-
bogen of ingesnoerde zijden . . . : .5. rugicollis Oliv.
64 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
4. Lathridius lardarius de G.
De Geer, Mem. Ins. NV. p. 45 t. 2 f. 25—31 (Tenebrio). —
Mannerh. Mon. p. 68. — Thomson, 1. ce. V. 216. — Reitt. 1. c.
p. 317. — Belon, l. c. p. 112. — Redt. Fu. austr. 3e ed. p.
416. — Gemm. en Har. Cat. III p. 897.
Syn.: acuminatus Payk. Faun. Suec. I. p. 299.
De larve beschreven door Westwood, Zutrod. 1839. I. p. 155 f. 13.
De grootste soort van het genus en gekenmerkt door de toege-
spitste dekschilden. Roodachtig geelbruin. Kop en halsschild zeer
grof bestippeld. Halsschild nagenoeg vierkant, weinig of niet langer
dan breed; de zijden nu eens meer, dan eens minder duidelijk
gebogen en uitgerand. Dekschilden aan de basis dubbel zoo breed
als de basis van het halsschild, met eenigszins lobvormig uitstekende
schouderhoeken, krachtige stippelrijen en breede, niet bestippelde,
veelal iets verheven tusschenruimten.
Bij het d zijn de schenen licht-, de vier voorste sterker gebogen,
kort vóór het uiteinde aan de binnenzijde met een klein doch
duidelijk tandje, vóór hetwelk bij de twee voorschenen nog eenige
kleinere tandjes op eene rij zichtbaar zijn.
Lengte 2—3 mm.
Vrij gemeen onder dorre bladeren en dood riet.
2. Lathridius angulatus Mann.
Mannerh. Mon. p. 74. — Motsch. Mon. p. 241. — Reitt. L c.
p. 318. — Belon, L. c. p. 118. — Redt. Fn. aust. 3e ed. p. 419. —
Gemm. en Har. Cat. III. p. 896.
Te herkennen aan de rijen van fijne korte opstaande witte
borstels der dekschilden en het lange smalle halsschild, dat in den
regel anderhalfmaal zoo lang als breed en naar de basis iets ver-
smald is, de zijden tweemaal gebogen, van welke de onderste
bocht de grootste is; de voorhoeken als eene stomp afgeronde lob
naar buiten uitstekend. De afwisselende tusschenruimten der strepen
op de dekschilden nu eens meer, dan eens minder verheven, doch
nimmer zoo kielvormig als bij alternans of rugicollis. Kleur roodbruin.
Lengte 2 mm.
DER LATHRIDIIDÀR: 65
Gemeen bij Delft onder dorre bladeren (Everts en Leesberg) ;
Vorden (Groll); Middelburg (Leesberg); Rotterdam (Snellen en
Veth); Valkenburg (Maurissen).
3. Lathridius angusticollis Humm.
Hummel, Mss. Entom. IV p. 5. — Mannerh. Mon. p. 72. —
Thoms. 1. c. V. 216. — Reitt. L c. p. 320. — Belon ‚1. c. p. 124. —
Redt. fn, austr. 3e ed. p. 416. — Gemm. en Har. Cat. III. p. 896.
- Deze soort houdt het midden tusschen /ardarius en angulatus.
Van eerstgenoemde onderscheidt zij zich door iets mindere grootte,
hooger halsschild, met meer lobvormig uitstekende voorhoeken en
naar achteren meer versmalde en in ’t midden dieper uitgebogen
zijden, en eindelijk door de aan het uiteinde stomp afgeronde
dekschilden, wier tusschenruimten der stippellijnen aan de basis
sterker verheven zijn. Van angulatus verschilt zij door het ont-
breken der borstelrijen op de dekschilden, het kortere, vlakkere,
naar achteren duidelijker versmalde halsschild en den krachtiger
ontwikkelden lichaamsvorm. Kleur roodbruin.
Lengte 2—2,2 mm.
In Nederland nog niet aangetroffen. Komt in Belgie en in de
Rijnprovincie voor.
4, Lathridius alternans Mann.
Mannerh. Mon. p. 76. — Reitt. I. c. p. 321. — Belon, |. c. p.
131. — Redt. I. c. p. 417. — Gemm. en Har. Cat. II. p. 896.
Nagenoeg even groot als /ardarius; gekenmerkt door het onge-
veer quadratische halsschild, waarvan de zijden sterk gerand en
achter het midden duidelijk ingesnoerd zijn; de voorhoeken als
afgeronde lobben, doch zeer weinig uitstekend. Dekschilden elk
met drie sterk verheven ribben en een verheven naad, waarvan
de twee eersten bet uiteinde nagenoeg geheel bereiken, de derde
achter het midden ophoudt. Het 9de sprietenlid is slechts weinig
grooter dan het 8ste en veel smaller dan het 10de, waardoor de
sprietknots tweeledig schijnt.
Bij het 4 zijn de voorschenen zwak-, de middelschenen daaren-
tegen veel sterker gebogen.
Lengte 2,5 mm.
Deze soort schijnt achter eikenschors voor te komen; zij is in
geheel Duitschland, doch nog niet in Nederland aangetroffen.
5
66 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
5. Lathridius rugicollis Oliv.
Olivier, Mut. II. 18 p. 13 t. 3 f. 19 a—b (Ips). — Mannerh.
Mon. p. 77. — Thoms. L c. V. p. 217. — Reitt. 1. c. p. 321. —
Belon, 1. c. p. 128. — Redt. I. c. p. 447. — Gemm. en Har. Cat.
III. p. 898.
Verwant aan alternans, doch veel kleiner. Halsschild aan de
zijden nagenoeg recht, de voorhoeken in ronde lobben naar buiten
verbreed. Dekschilden korter en meer gedrongen; de afwisselende
tusschenruimten der stippellijnen als bij alternans sterk verheven.
Kleur roodbruin.
Lengte 2 mm.
Edmund Reitter vond deze soort in het schimmelende hout-
zaagsel van afgevallen pijnappels, die door Ærnobius mollis bewoond
waren. Zij komt in geheel Duitschland voor, doch is in Nederland
nog niet aangetroffen.
IV. GONINOMUS Thors.
Thoms. Shand. Col. V. p. 217 1).
Dit genus onderscheidt zich van Zathridius door de duidelijk
afgescheiden, gewoonlijk slechts 2-ledige sprietknots en den lan-
geren kop, waarop de oogen veel meer van den voorrand van het
halsschild verwijderd staan. De zijden van het halsschild slechts
achter het midden, doch hier zeer diep ingesnoerd; het midden
van het halsschild met twee fijne, kielvormige langslijnen. Meso-
sternum in de lengte ingedrukt. Dijen aan den wortel dun, naar
het uiteinde iets knotsvormig verdikt; de twee eerste tarsenleedjes
nagenoeg even lang. De sculptuur der oppervlakte is zeer verschil-
lend naar gelang der soorten.
In Europa komen 3 soorten voor, van welke één in Nederland.
Sprietknots 2-ledig. Dekschilden zonder bultjes;
de afwisselende tusschenruimten der stippel=
lijnen iets meer verheven dan de anderen,
slechts bij zeer kleine exemplaren. nagenoeg
aan de anderen gelijk, Kleur roodachtig. ‘. 1. constrictus
Humm.
1) Kraatz, Ueber Deutsche Coninomus-Arten, Berl, Enti Zeitschr, 1869.
DER LATHRIDIIDAR. 67
Sprietknots 3-ledig. De verheven ribben der
dekschilden vormen tamelijk groote bultjes;
dekschilden tweemaal dwars ingedrukt; de
afwisselende tusschenruimten der stippellij-
nen meer verheven dan de anderen. Kleur
awastbrdinehnloilté ten! adele ole ve Da modifier West.
4. Coninomus constrictus Humm.
Hummel, Ess. Ent. IV. 1824 p. 13 (Lathridius). — Gyll. Ins.
suec. IV. 1827 p. 138 (Lathridius). — Reitt. L c. p. 324 --
Thoms. 1. c. V. 218. — Belon, L c. p. 137 (Lathridius). —
Redt. 1. c. p. 416 (Lathridius). — Gemm. en Har. Cat. III. p.
896 (Lathridius).
Syn.: carinatus Gyll. 1. c. IV. p. 187 (Lathr.). — Mannerh.
Mon. p. 79. — Reitt. 1. c. p. 323. — Thoms. 1. c. V. 218, —
Gemm. en Har. Cat. III p. 896 (Lathr.).
Syn.: Zimbatus Först. Verh. Preuss. Rheinl. VII p. 38.
Lang gestrekt, rood- of geelbruin, onbehaard, eenigszins glanzig,
Halsschild langwerpig, iets achter het midden zeer sterk ingesnoerd ,
van voren met eene afgeknotte langsgroef en aan weerszijden
daarvan met een fijnen langskuil. Dekschilden met diepe stippel-
rijen; de afwisselende tusschenruimten iets meer verheven dan de
anderen (bij zeer kleine exemplaren alle tusschenruimten nagenoeg
even sterk verheven). Sprietknots 2-ledig.
Lengte 1,5—1,7 mm.
De exemplaren met sterk afwisselende tusschenruimten op de
dekschilden werden door Gyllenhal als carinatus beschreven. Volgens
Reitter vormen carinatus en constrictus slechts ééne, zeer varia-
bele soort.
In Noord- en Middel-Europa onder schors van doode boomen
en op versch gezaagde planken, Komt o. a. in de Rijnprovincie voor,
2. Coninomus nodifer Westw.
Westwood, Introd: Class. Ins. I. p. 155. t. 13 f. 23 (Zathridius). —
Steph. Man. Brit. Col. p.129 (Lathr.). — Reitt. 1. c. p. 324. — Belon,
Le. p. 134 (Lathr.). — Gemm. en Har. Cat. III. p. 898 (Lathr.).
Syn. : nodulosus Motsch. Mon. p. 261 (Aridius). — Gemm. en
Har. 1. c. p. 898 (Lathridius).
‘68 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
Langwerpig, glanzig zwartbruin; sprieten en pooten roodbruin.
Halsschild langwerpig, met twee duidelijke, kielvormig verheven
langslijnen in ’t midden, achter het midden sterk ingesnoerd. Dek-
schilden tweemaal dwars ingedrukt; de afwisselende tusschenruimten
der stippelrijen meer verheven dan de anderen, de eerste iets
achter het midden, de volgende vóór het uiteinde sterker verheven
en bultig afgebroken. Sprietknots 3-ledig.
Lengte 2 mm.
Niet zeldzaam door het gansche land, tusschen afgevallen blade-
ren, achter boomschors en in mos.
V. ENICMUS Thoms.
Thomson, Skand. Col. V. p. 223.
Dit genus onderscheidt zich van Lathridıus en Coninomus door
het ontbreken der verheven langslijnen op het midden van het
halsschild. Kop en sprieten als bij Zathridius, doch de oogen veel
grooter. Halsschild gewoonlijk met eene langsgroef, welke menig-
maal in twee langsgroefjes opgelost schijnt; aan de zijden noch
gebogen noch achter het midden ingesnoerd, dikwijls hartvormig.
Dekschilden met stippellijnen of stippelrijen; de 7e tusschenruimte
altijd verheven. Prosternum tamelijk smal, dikwerf gekield. Meta-
sternum aan weerszijden onder de middelste coxae met eene diepe
ronde groef. Pooten gewoon, dijen nauwelijks verdikt. Sprietknots
3-ledig.
Levenswijze als bij Zathridius.
In Europa komen 41 soorten voor, van welke 4 in Nederland.
a. Prosternum tusschen de voorste coxae niet kiel-
vormig verheven. Derde sprietenlid nagenoeg
altijd korter dan het vierde. Dekschilden met
stippellijnen; de tweede tusschenruimte aan
de basis iets meer verheven dan de anderen
(subgen. Conithassa Thoms.) . . . . . d
Prosternum tusschen de voorste coxae kielvor-
mig verheven. Derde sprietenlid gewoonlijk
DER LATHRIDIIDAF. 69
van de nabijzijnden in lengte nauwelijks
verschillend. Dekschilden in rijen gewoonlijk
zwak bestippeld, zeer zelden verdiept; alle
tusschenruimten meestal gelijkmatig effen ,
op het midden tegen de basis met een dui-
delijken scheven indruk (Eniemus i. sp.) . e.
b. Dekschilden met rijen van opstaande haren. 1. hirtus Gyll.
Dekschilden onbehaard. . . 2 2.2.2.6
e. Voorhoeken van het halsschild zijdelings ver-
breed, stomp afgerond of scheef afgestompt ,
zeldzamer nauwelijks zichtbaar verbreed;
zijden van het halsschild naar de basis in
eene rechte lijn iets versmald. Dekschilden
met diepe langsstrepen, wier stippen meer
of min breed-quadratisch zijn; tusschen-
ruimten smal, de afwisselende meer verhe-
ven dan de anderen. . . …… … . .2. minutusL.
Voorhoeken van het halsschild niet uitstekend ;
de zijden parallel of meer of min afgerond.
Dekschilden met gewone stippellijnen; tus-
schenruimten gelijkmatig effen, slechts de
tweede of menigmaal ook de vierde iets meer
verheven dan de anderen. . „td
d. Halsschild iets breeder dan lang; zelden even
lang als breed; de zijden òf evenwijdig en
recht, òf wel iets afgerond, niet hartvormig.
Dekschilden langwerpig ovaal, dubbel zoo
lang als in ’t midden te zamen breed . .3.consimilisMann.
Halsschild sterk verbreed, menigmaal dubbel
zoo breed als lang, meer of min naar de
basis versmald, daardoor van voren het
breedst. Dekschilden kort en zeer breed
eivormig, naar het uiteinde gewelfd, met
70 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
stomp uiteinde, hoogstens anderhalfmaal zoo
lang als aan de basis breed . . . . . 4. brevicollis
Thoms.
e. Sprieten slank, de leedjes der sprietknots niet
sterk afgescheiden, geleidelijk verbreed, op
gewone wijs aaneengevoegd . . . . . f.
Sprieten kort, de leedjes der sprietknots scherp
afgescheiden, van gelijke breedte, aan eene
zijde aaneengevoegd , zoodat zij aan de andere
zijde als gezaagd schijnen . . . . . . 4. brevicornis
Mann.
f. Halsschild quadratisch of iets breeder dan lang,
nimmer hartvormig; de zijden menigmaal iets
afgerond. Dekschilden met zeer duidelijke,
dikwerf opeengedrongen en tot aan het uit-
einde nog zichtbare stippelrijen; tusschen-
ruimten gewoonlijk zeer smal en iets ver-
heven. .. PRIOR N SOE ALTE PR TGS VENLO INE
Halsschild nagenoeg altijd sterk verbreed, naar
de basis meer of min hartvormig versmald.
Dekschilden met fijne stippelrijen, welke naar
het uiteinde nagenoeg uitgewischt zijn; tus-
schenruimten breed, effen. … . 2... .g.
g. Halsschild zwak hartvormig, met bijna niet
fijn gekerfde zijranden 2 = nn. 2m.
Halsschild zeer sterk hartvormig, met fijn ge-
kerfde zijranden! . voti 0 i 01 «05. testaceus Steph.
h. Eenkleurig zwart; sprieten en pooten rood . 6. rugosus Herbst.
Zwart; dekschilden even als de sprieten en
pooten roodbruin; zeer zelden de geheele
kever roestrood "na Ware DE Re ungen
Thoms.
1. Enicmus hirtus Gyll.
Gyll. Ins. succ. IV. p. 139 (Lathridius). — Mannerh. Mon. p.
89 (Lathrid.). — Reitt, l.c. p. 327. — Belon, 1. ep: 194. —
DER LATHRIDIIDAF. 71
Thoms. I. e. V. 221 (Conithassa). — Redt. |. c. p. 418 (Lathridius). —
Gemm. en Har. Cat. III. p. 897 (Lathridius).
De larve beschreven door Blisson, Ann. soc. ent. Fr. A849 p.
alot OHT,
Langwerpig, zwart, dof; de dekschilden duidelijk in rijen op-
staande behaard. Halsschild nagenoeg quadratisch, met diepe mid-
delgroef; de zijranden nagenoeg recht en sterk opgericht, aan de
basis aan weerszijden met eene diepe groef, zeer dicht rimpelig
bestippeld. Dekschilden aan de basis de helft breeder dan het
halsschild, eenigszins glanzig, met stippelrijen.
~ Lengte 1,6—2,2 mm.
Deze soort komt in Belgie en in de Rijnprovincie voor, in
boleten en zwammen.
2. Eniemus minutus L.
Linn. Syst. nat. II. p. 675 (Tenebrio). — Mannerh. Mon. p. 96
(Lathridius). — Thoms. 1. c. V. 221 (Conithassa). — Reitt. 1. c.
p. 327. — Belon, I. c. p. 186. — Redt, 1. c. p. 418. — Gemm.
en Har. Cat. III p. 897 (Lathridius). .
Syn.: porcatus Panz. Faun. germ. 23. 9 (Lathrid.). — Herbst,
Käf. N. p. 6. t. 44 £ 4 D (Lathrid.)
De larve beschreven door Perris, Ann. soc. ent. Fr. 1852 p.
581. t. 14 III. f. 16—20.
Eene in kleur, grootte en vorm zeer veranderlijke soort. Zwart,
zwartbruin, bruin, roodbruin of geelachtig (onuitgekleurd); sprieten
en pooten roodachtig geelbruin. Lichaam onbehaard. Halsschild
verschillend in lengte, met zijdelings verbreede, stomp afgeronde
of scheef afgeknotte voorhoeken; de zijrand, van af het voorste
derde gedeelte naar de basis, in eene rechte lijn iets versmald;
het midden met oppervlakkige langsgroefjes of eene zwakke langs-
groef. Dekschilden met diepe strepen, wier stippels meer of min
breed quadratisch zijn; tusschenruimten smal, de afwisselende
meer verheven dan de anderen.
Lengte 1,2—2,4 mm.
Gemeen aan schimmel in kelders, aan witte muren, tusschen
plantenafval, in stallen enz.
72 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
3. Enicmus consimilis Mann.
Mannerh. Mon. p. 99 (Lathridius). — Reitt. 1. c. p. 328. —
Belon, 1. c. p. 190. — Redt. L c. p. 419 (Lathrid.) — Gemm.
en Har. Cat. III. p. 896 (Lathrid.)
Deze soort gelijkt zeer op minutus; het halsschild is echter na-
genoeg quadratisch, zeer weinig breeder dan lang, met gerande
zijden; de voorhoeken niet naar buiten lobvormig verbreed; de
middelgroef slechts even aangeduid. Dekschilden meer verlengd,
niet zeer sterk in rijen bestippeld; tusschenruimten tamelijk breed,
gelijkmatig iets verheven. Kleur matzwart of zwartbruin, dekschil-
den menigmaal lichter.
Lengte 2—2,2 mm.
Aan beukenzwammen. In de Rijnprovincie.
4. Enicmus brevicollis Thoms.
Thoms. Skandin. Col. X. 56. A (Conithassa). — Reitt. 1. c.
p. 329. — Belon, IL. c. p. 183.
Na verwant aan consimilis; het halsschild is echter korter,
even als bij rugosus gevormd, vóór het midden het breedst, menig-
maal dubbel zoo breed als lang; de zijden naar de basis meer of
min hartvormig versmald. Dekschilden iets sterker bestippeld, meer
glanzig. Kleur zwart, eenigszins dof; sprieten en pooten lichter,
roestrood; dikwijls ziin de dekschilden licht gekleurd.
Lengte 1,5 -1,6 mm.
In de bergstreken van Noord- en Middel-Europa, aan beuken-
zwammen. In Nederland nog niet aangetroffen, doch wellicht in de
omstreken van Maastricht te vinden.
5. Enicmus testaceus Steph.
Steph. 1/7. Brit. Ent. III p. 114 t. 18 f. 3 (Lathridius). — Waterh.
Trans. ent. soc. V. 1859 p. 175 (Lathrid.). — Reitt. L c. p. 330. —
Belon, 1. c. p. 180. — Gemm. en Har. Cat. III. p. 898 (Lathrid.).
Syn.: cordaticollis Aubé, Ann. soc. ent. Fr. 1850 p. 332 (Lathrid.)
Gekenmerkt door het breede, regelmatig hartvormige halsschild,
met zeer fijn gekerfde zijden; doch overigens veranderlijk in grootte,
kleur en ontwikkeling der stippelrijen op de dekschilden. Lichaam
(bij sterke vergrooting gezien) duidelijk netsgewijze geäderd, geheel
mat, roestrood of licht roodbruin. Dekschilden kort en breed ovaal,
DER LATHRIDIIDAE. 73
weinig gewelfd, met zeer fijne wijd uiteenstaande stippelrijen en
breede effen tusschenruimten.
Lengte 1,6—2 mm,
Komt in Noord-Frankrijk voor.
6. Enicmus rugosus Herbst.
Herbst, Käf. V. p. 6 t. 44 f. 3 G (Lathridius). — Mannerh.
Mon. p. 90 (Lathrid.). — Thoms. 1 c. V. 223. — Reitt. 1. c. p.
330. — Belon, 1. c. p. 172. — Redt. ]. c. p. 419 (Lathrid.). —
Gemm. en Har. Cat. III. p. 898 (Lathrid.).
Syn. : planatus Mannerh. Mon. p. 93 (Lathrid.). — Redt. 1. c.
p. 418 (Lathrid.).
Eenkleurig zwart; mond, sprieten en pooten rood. Van de vorige
soorten onderscheiden door minder hartvormig en minder breed
halsschild , waarvan de zijden minder regelmatig afgerond en breed af-
gezet zijn; van fungicola, behalve door de kleur, ook door de diepere
middengroef op het halsschild; van brevicornis bovendien door minder
parallelen vorm, meer glans, het breedere halsschild en de langere
sprieten. Het halsschild is nu eens iets breeder (planatus), dan
eens nagenoeg dubbel zoo breed als lang, hetzij vóór of in ’t midden
het breedst.
Lengte 1—-1,8 mm.
Eenmaal door Dr. Veth in Mei bij Doorn aangetroffen. Schijnt
achter boomschors te leven.
7. Enicmus fungicola Thoms. -
| Thoms. Shand. Col. X. 336. — Reitt. I. c. p. 331. — Belon,
lesa) OS 170:
Het naast verwant aan rugosus. Onderscheidt zich door meerdere
grootte. Het halsschild is vóór het midden eenigszins afgerond ver-
breed en heeft daar de grootste breedte. Dekschilden altijd rood-
bruin, doch als bij rugosus gestreept; overigens het lichaam zwart-
achtig, zeer zelden eenkleurig roestrood; pooten en sprieten rood.
Lengte 2—2,2 mm.
Ik bezit een enkel voorwerp, door een mijner leerlingen te
Zutphen gevangen,
74 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
8. Enicmus transversus Oliv.
Oliv. Ent. II. 18 p. 14 t. 3 f. 20 a—b (ips). — Mannerh.
Mon. p. 94 (Lathridius). — Thoms. 1. c. V. 223. — Redt. Zw.
3e ed. p. 419 (Lathrid.) — Reitt. 1. c. p. 332. — Belon, 1. c.p.
177. — Gemm. en Har. Cat. Ill. p. 898 (Lathrid.).
Een der meest veranderlijke soorten van dit genus. Roestrood of
bruingeel, tamelijk glanzig. Halsschild quadratisch of iets verbreed,
de zijden menigmaal iets afgerond, nimmer duidelijk hartvormig,
op het midden met de aanduiding van eene langslijn, aan de basis
dwars ingedrukt, overigens dicht rimpelig bestippeld. Dekschilden
langwerpig ovaal, in ’t midden of kort vóór het midden het breedst,
met zeer duidelijke, menigmaal gedrongen stippelrijen, welke tot
aan het uiteinde duidelijk zichtbaar zijn; tusschenruimten dikwijls
zeer smal en iets verheven.
Lengte 1,6—2,4 mm.
Zeer gemeen onder dorre bladeren, op lage planten, gras en
tusschen beschimmelde plantenoverblijfselen.
9. Enicmus brevicornis Mann.
Mannerh. Mon. p. 102 (Lathridius). — Reitt. 1. c. p. 332. —
Belon, I. c. p. 168. — Redt. 1. c. p. 419 (Lathrid.). — Gemm.
en Har. Cat. III. p. 896 (Lathrid.).
Lang gestrekt, met tamelijk parallele zijden, dofzwart. De korte,
slechts tot aan het midden van het halsschild reikende sprieten ,
benevens de pooten roestrood. Leedjes der sprietknots sterk afge-
scheiden, van gelijke breedte, aan ééne zijde aaneengevoegd,
waardoor zij naar de andere zijde als gezaagd schijnen. Halsschild
iets hartvormig, dicht rimpelig bestippeld, met eene vrij diepe,
afgekorte middengroef. Dekschilden zeer lang ovaal, met zeer fijne
stippelrijen en breede effen tusschenruimten.
Lengte 1,8—2 mm.
Komt in de Rijnprovincie voor.
VI. CARTODERE Thoms.
Thoms. Stand. Col. V p. 219.
Kop langer dan breed, met kleine ronde oogen en eene opper-
vlakkige middengroef op het voorhoofd. Sprieten met 3-ledige,
DER LATHRIDIIDAR. 75
scherp afgescheiden knots. Halsschild zonder langsgroef over het
midden, slechts vöör de basis met een dwarsindruk, welke ge-
woonlijk nabij de achterhoeken meer verdiept schijnt en zelden
ontbreekt; menigmaal de schijf van het halsschild aan weerszijden
langs den zijrand zwak in de lengte gestreept. Dekschilden zeer
lang, met uiterst grove stippelrijen , welke uit dicht bijeengeplaatste,
groote, groefvormige stippels bestaan. Het prosternum is tusschen
de dicht tegen elkander geplaatste voor-coxae onduidelijk afgebro-
ken, zet zich intusschen achter deze weder als een opgericht kort
rudiment voort. Metasternum onder de iets van elkander afstaande
middel-coxae en vóór de achter-coxae, alsook de basis van elken
afzonderlijken buikring diep in de breedte ingedrukt. Pooten fijn;
dijen naar het uiteinde verdikt; schenen licht-, bij het ¢ iets
sterker gebogen.
In schimmel, tusschen dorre bladeren, achter boomschors, zelfs
in sigaren aangetroffen.
In Europa komen 11 soorten voor, van welke 3 in Nederland.
a. Halsschild van voren veel smaller dan de dek-
Schulden. hlesuunlaad. namen ois ue “bobs
Halsschild breed, hartvormig, van voren nau-
welijks of weinig smaller dan de dekschilden. 4. filüformis Gyll.
- 6. De afwisselende tusschenruimten der dekschil-
den veel meer verheven dan de anderen,
scherp! kielvormigs „u Coolen us AUDE:
De naad, de 5e tusschenruimte der dekschilden,
benevens de 4e aan den wortel kielvormig
Verheven nen 22 I ME ND COMO EM LULL:
Alle tusschenruimten der dekschilden gelijk-
Malic Selene eee. muncollıs Marsh.
4. Cartodere elegans Aubé.
Aubé, Ann. soc. ent. Fr. 1850 p. 334 (Lathridius). — Reitt.
l. c. p. 335. — Belon, 1. c. p. 150. — Gemm. en Har. Cat. III
p. 897 (Lathrid.).
76 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
Lang en smal, vlak, roodachtig bruin. Halsschild hartvormig,
diep rimpelig bestippeld, duidelijk smaller dan de dekschilden, met
fijne opgerichte zijranden, vóór den achterrand ingesnoerd, met
een’ dwarsindruk en eene oppervlakkige middengroef, Dekschilden
met diepe stippelrijen; de naad en de afwisselende tusschenruimten
scherp kielvormig opgericht; uiterst onduidelijk en verspreid grijs
behaard. Tweede sprietenlid klein, rond; lid 4 en 5 gestrekt, veel
langer, nagenoeg dubbel zoo lang als breed.
Lengte 1,2—-1,3 mm.
Volgens Reitter in Belgie. De heer Leesberg trof ze in sigaren aan.
2. Cartodere elongata Curt.
Curtis, Brit. Ent. VII. t. 344. 7 (Lathridius). — Mannerh. Mon.
p. 83. — Reitt. 1. c. p. 335. — Belon, L c. p. 151. — Gemm.
en Har. Cat. Ill. p. 897 (Lathrid.).
Syn. : angustatus Steph. Cat. p. 94 n°. 1005 (Lathrid.).
Var.: clathratus Mannerh. Mon. 84. 20 (Lathrid.). — Redt, 1.
c. p. 447 (Lathrid.).
Geheel eenkleurig roodgeel, zelden roestrood of roodbruin. Kop
en halsschild grof en diep, rimpelig bestippeld. Halsschild veel
smaller dan de dekschilden, langer dan breed, met soms ondui-
delijk gerande zijden, vöör de basis meer of minder ingesnoerd en
daardoor soms hartvormig, vóór de basis iets ingedrukt. Dekschil-
den lang elliptisch, sterk en diep in rijen bestippeld, met
zeer smalle tusschenruimten, waarvan de vierde aan de basis,
gewoonlijk tot nabij het midden, en de vijfde geheel sterk kiel-
vormig verheven zijn.
Lengte 1,3—1,8 mm.
Komt overal in Europa voor, doch is tot dusver miet in Neder-
land aangetroffen.
3. Cartodere ruficollis Marsh.
Marsham, Mut. Brit. I. p. 141 (Lathridius). — Steph. IU. Brit.
III. p. 114 (Lathrid.) — Waterh. Trans. Ent. Soc. V. 1859. p.
175 (Lathrid.). — Reitt. L c. p. 336. — Belon, I. c. p. 155. —
Gemm. en Har. Cat. II. p. 898 (Lathrid.).
Syn.: Ziliputanus Villa, Cat. Col. Eur. dupl. 1833 p. 36
(Lathrid.). — Redt. |. c. p. 417 (Lathrid.),
DER LATHRIDIIDAR. at
Var.: concinnus Mannerh. Mon. 88.25 (Lathrid.). — Redt L. c.
p. 419 (Lathrid.). — Gemm. en Har. Cat. II. p. 896 (Lathrid.).
Syn.: nanulus Mannerh. Mon. 87.24 (Lathrid.). — Redt. 1. c.
p. 417 (Lathrid.).
Eene zeer veranderlijke soort. Helder roestrood, met meer of
min donkere of zwartachtige dekschilden. Halsschild gewoonlijk even
lang als breed, zelden langer, veel meer korter dan breed, meer
of min hartvormig; de insnoering vóór de basis nu eens sterk,
dan weder slechts zwak aangeduid. Dekschilden met grove, dicht
bijeenstaande stippellijnen ; alle tusschenruimten gelijkmatig effen.
Lengte 1,2 mm.
De varieteit concinnus is eenkleurig roestrood.
Bij Amsterdam door den heer Swierstra in groot aantal aangetroffen ;
ook bij den Haag (Everts) en bij Brummen (Sn. v. Vollenhoven).
4. Cartodere filiformis Gyll.
Gyllenh. Jus. suec. IV. p. 143 (Lathridius). — Mannerh. Mon.
p. 104 (Lathrid.). — Thoms. V. p. 249 (Lathrid.). — Reitt. 1.
c.p. 337. — Belon, 1. c. p. 158. — Redt, 1. c. p. 418 (Zathrid.) —
Gemm. en Har. Cat. III. p. 897 (Lathrid.).
Syn. : parallela Mannerh. Mon. 106. 45 (Lathrid.).
Syn. : Zantillus Mannerh. |. c. 46 (Zathrid.). — Redt. 1. c. p.
419 (Lathrid.).
Deze soort is gekenmerkt door het hartvormige halsschild, dat van
voren ongeveer even breed is als de dekschilden; de schouderhoeken
der dekschilden steken meer of min scherp uit of zijn recht; de
zijden zijn nagenoeg parallel en het uiteinde is gemeenschappelijk
afgerond. Lichaam zeer verlengd, smal, zeer plat, geelachtig bruin.
Lengte 1,3 mm.
Ik ving eenmaal twee exemplaren in Juni in den Haag op
schimmel aan een’ muur.
VII. DASYCERUS Brogn.
Brogniart, Bull. soe. Philom. 1799. IL p. 445.
Bovenlip breed, van voren uiterst zwak uitgerand. Bovenkaken
78 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
hoornachtig, met gewonen top, aan den binnenrand met eene smalle
bewimperde huid. Onderkaken met twee malae; de buitenste half
hoornachtig, vóór het uiteinde gebogen, iets langer dan de bin-
nenste, aan het uiteinde en aan den binnenrand lang behaard;
de binnenste mala hoornachtig, breed, met een dik, scheef op-
zittend, geriggeld, lang eivormig vlak aan het uiteinde. Kaaktasters
zeer lang, 4-ledig; lid 1 kort kegelvormig; 2 lang, gebogen, aan
het uiteinde peervormig verdikt; 3 langer en aanmerkelijk dikker,
peervormig; eindlid even zoo lang, doch zeer dun en priemvormig
toegespitst. Tong van voren vliezig, afgerond en met eenige lange
borstelharen bezet. Liptasters 3-ledig; lid 1 het dikst, even lang
als breed, op eene langwerpige, lidvormige voortzetting van het
vlak der onderlip zittend; lid 2 korter en dunner, lid 3 langer
dan de twee voorafgaande te zamen, zeer dun, draadvormig en
spits. Sprieten op het voorhoofd ingeplant, 11-ledig, met 4 grootere
eindleedjes; de eerste 2 leedjes zeer groot, kogelvormig; de volgende
5 zeer lang, haarvormig, aan het uiteinde iets verdikt; de 4
laatste korter, aan het einde kogelvormig verdikt en lang behaard.
Halsschild met twee sterk kielvormige verhevenheden. Dekschilden
eivormig, bultig opgericht, met verscheidene kielvormige verheven-
heden. Achterlijf uit 5 segmenten samengesteld. Zijden van het
lichaam bewimperd. Tarsen 3-ledig; de eerste 2 leedjes kort, het
klauwlid zeer lang.
In Europa komen 4 soorten voor, van welke een in Nederland
zou kunnen worden gevonden.
Dasycerus sulcatus Brogn.
Brogniart, 1. c. p. 115 t. 7. f. 5 A. — Müller, Germ. Mag. IL
p. 274. — Redt. 1. c. p. 425. — Gemm. en Har. Cat. III. p. 904.
Bruin, geelbruin of geel. Kop driehoekig, aan weerszijden met
eene groote oorvormige verhevenheid. Halsschild veel breeder dan
lang, aan de zijden lobvormig verbreed, van boven met twee sterk
verheven afgebroken langsribben, welke als zes bultjes toeschijnen.
Schildje niet zichtbaar. Dekschilden kort, gedrongen, 14 tot 14
maal zoo lang als te zamen breed, de tophoek dikwerf met eene
duidelijke kleine driehoekige uitranding; elk der dekschilden met
drie langsribben; de eerste is aan de basis hooger verheven, dik-
DER LATHRIDIIDAR. 79
wijls nagenoeg bultig opgericht; zij mondt uit aan het uiteinde in
den buitensten naadhoek; de tweede bereikt den achterrand geheel
en loopt evenwijdig aan de eerste; de derde is zwakker ontwik-
keld, doch altijd voorhanden.
Lengte 2 mm.
In vochtige, beschaduwde bosschen onder mos en in molm van
oude boomstronken. De soort komt o. a. voor op de Lüneburger
heide aan de wortels van beuken, tusschen drooge bladeren. In
Nederland is zij nog niet aangetroffen.
VIII. CORTICARIA Marsh.
Marsham, Zut. Brit. I. 1802 p. 106.
Bovenlip zeer kort, van voren uitgerand, aan de zijden afgerond.
Bovenkaken hoornachtig, met tweetandige spits en daarachter fijn
gekerfd. Onderkaken met eene enkele mala, daar de binnenste niet
ontwikkeld is en slechts als een haarbundel naar binnen uitsteekt;
de buitenste mala ter nauwernood langer dan breed, van buiten
hoornachtig, naar binnen vliezig, aan het uiteinde zeer lang-, aan
den binnenrand korter behaard. Kaaktasters 4-ledig; lid 1 zeer
klein; 2 het dikst, dikwerf kort eirond; 3 iets dunner en
korter ; eindlid kogelvormig toegespitst, de spits zelve afgestompt. .
Tong hoornachtig, nauwelijks van de kin onderscheiden en daar-
mede eene hoornachtige plaat vormende, welke zich vöör den
achterrand in twee afgeronde hoeken sterk verbreedt en van daar
naar het uiteinde zich versmalt; de voorrand is recht; de hoeken
zijn vliezig. Liptasters 2-ledig; het eerste lid zeer klein, het tweede
zeer groot, kort eirond, aan het uiteinde afgeknot en bewim-
perd. Sprieten 11-ledig, aan de voorhoeken van den kop inge-
plant, met 3 grootere, tot eene knots vereenigde eindleedjes. Lichaam
langwerpig, met tamelijk parallele zijden. Halsschild aan de zijden
meer of min gekerfd; de oppervlakte bestippeld, vóór het schildje
met een rond groefje, dat zelden ontbreekt. Metasternum in de
lengte ingedrukt. Achterlijf uit 5 segmenten samengesteld; bij het
d nog een klein 6de buik-segment zichtbaar. Tarsen 3-ledig.
De soorten van dit genus leven onder vuilnis, tusschen schim-
80 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
melende plantenstoffen en achter boomschors. Ook worden zij dik-
werf van lage planten en gras gesleept.
In Europa komen 33 soorten voor, waarvan 6 in Nederland.
a. Dekschilden met zeer dicht naast elkander
staande stippelrijen, zoodat geen duidelijke
tusschenruimten overblijven . . . . .0.
Dekschilden met duidelijke stippellijnen of stip-
pelrijen en duidelijke tusschenruimten . . c.
6. Halsschild in zijne grootste breedte nog altijd
veel smaller dan de dekschilden. Alle leedjes
der sprietknots langer dan breed. . . .4. pubescens Gyll.
Halsschild in zijne grootste breedte even breed
of slechts iets smaller dan de dekschilden.
De twee eerste leedjes der sprietknots nage-
noeg even lang als breed . . . . . «2. erenulata Gyll.
e. Dekschilden met lange opstaande beharing of
wel fijn behaard en daartusschen met lan-
gere, in rijen geplaatste haren . . . .3. fulva Com.
Dekschilden fijn neêrliggend gelijkmatig be-
haard, menigmaal met zeer korte fijne, overal
gelijkmatig geplaatste opstaande borstels in
rijen bezet; de afwisselende tusschenruimten
zonder langere opstaande haarrijen . . . d.
d. Lichaam cilindervormig, lang gestrekt, gewelfd.
Dekschilden met regelmatige rijen van fijne
witte opstaande borstels. . . . . . .4. umbilicataBeck.
Lichaam niet volkomen cilindervormig, aan
de zijden meer afgerond, fijn néerliggend
behaard. Dekschilden zonder fijne witte op-
staande borstelrjen 1. verde Ce
e. Prosternum vóór de voor-coxae zonder sterker
behaarde dwarsstreep. Halsschild eenigszins
DER LATHRIDIIDAE. 81
breed vierhoekig, of wel de dekschilden tot
aan het uiteinde in rijen bestippeld. . .f.
Prosternum vóór de voor-coxae met eene
dwarse, verdiepte, sterker en dichter be-
haarde streep. Halsschild breed vierhoekig ,
van voren weinig of niet smaller dan de
dekschilden , öf wel breed, rondachtig en veel
smaller dan de dekschilden, in welk geval de
stippelrijen reeds achter ’t midden verdwijnen. 72.
:f. Kop onder de oogen met een zeer klein, doch
duidelijk uitstekend, meer of min scherp,
aan het uiteinde langer behaard bultje. .y.
Kop zonder eenig spoor van dit bultje; wangen
in ’t geheel niet aangeduid. . . . . . 4,
9. Dekschilden met duidelijk verdiepte, sterke
stippelrijen; de tusschenruimten tamelijk
breed en eenigszins kantig opgericht, allen
met eene veel fijnere stippelrij en niet door
dwarsrimpels onduidelijk . . . . . A.
Dekschilden meer of min sterk in rijen be-
stippeld, zelden verdiept ; tusschenruimten
geenszins breed en ribachtig opgericht, doch
slechts smal en zwak kielvormig verheven,
dikwerf dwarsrimpelig, waardoor de tusschen-
ruimten. verdwinen:« blemmor.eiel att 2
h. Halsschild veel breeder dan lang, afgerond
hartvormig, met zeer duidelijk en fijn getande
zijden. Stippellijnen der dekschilden vóór het
uiteinde afgekort.: ... . sn. -O.denticulataGyll.
Halsschild iets breeder dan lang, afgerond
hartvormig, de zijden nauwelijks merkbaar
gekerfd. Stippelrijen der dekschilden tot aan
het uiteinde duidelijk . . . . . . 6. vmpressa Oliv.
6
82
Me
BIJDRAGE TOT DE KENNIS
Halsschild in zijne grootste breedte nog altijd
aanmerkelijk smaller dan de dekschilden . 4.
Halsschild in zijne grootste breedte even breed
of nagenoeg even breed als de basis der
dekschilden 25, Gs) an aa ne ON Von gica
Het 6de en 7de sprietenlid duidelijk langer dan
breed, het 8ste rondachtig. Kop weinig
smaller dan het halsschild. Dekschilden achter
het midden het breedst. Roestrood . . .7. Mannerheim :
Reitt.
Het 6de sprietenlid ter nauwernood langer dan |
breed, het 7de en 8ste rondachtig. Kop
duidelijk smaller dan het halsschild. Dek-
schilden in ’t midden het breedst. Zwartbruin. 8. Zinearis Payk.
Lichaam meer of min gewelfd. Dekschilden
ovaal; tusschenruimten der stippelrijen met
eene fijnere stippelrij . +. . . . . .10. serrata Payk.
Lichaam van boven meer of min neérgedrukt,
met tamelijk parallele zijden. Dekschilden
met fijne stippelrijen en in de breede tus-
schenruimten met eene rij even groote stip-
pels, zoodat zij eigenlijk stippelrijen zonder
tusschenrijen vertoonen. . … . . … . 11. obscura Bris.
Halsschild sterk verbreed, nagenoeg vierhoekig,
naar de basis iets versmald, van voren
nauwelijks of zeer weinig smaller dan de basis
der dekschilden. Stippelrijen der dekschilden
tot aan het einde zichtbaar . . . . . 12. elongata
Humm.
Halsschild iets breeder dan lang, aan de zijden
sterk afgerond, naar de basis iets meer ver-
smald, van voren veel smaller dan de basis
der dekschilden. Stippelrijen der dekschilden
dicht achter het midden uitgewischt. . .13. /enestralis L.
DER LATHRIDIIDAR. 83
1. Corticaria pubescens Gyll.
Gyllenh. Jus. Succ. IV. p. 123 (Lathridius). — Waterh. Trans.
Ent. soc. 1859 p. 134. — Panz. Fn. 23. 10. — Thoms. ]. c. V.
225. — Reitt. l. c. p. 417. — Redt. Mm. austr. 3de ed. p. 420. —
Gemm. en Har. Cat. III. p. 902.
Syn.: peligera Mannerh. Mon. p. 19. — Gemm. en Har. L c.
De larve beschreven door Perris, Ann. soc. ent. Fr. 1852 p.
585. t. 14 IV fig. 24—23.
_ Lichaam langwerpig, lichter of donkerder bruin, vrij lang geel-
achtig behaard. Sprieten en pooten lichter gekleurd. Halsschild in
zijne grootste breedte nog altijd veel smaller dan de dekschilden,
in lengte veranderlijk, even als de kop zeer krachtig bestippeld,
naar de basis sterk versmald, vóór het schildje met eene breede
groef, aan de zijden onregelmatig gekerfd en niet gerand. Dek-
schilden elliptisch, in dicht naast elkander staande onduidelijke
rijen bestippeld; alle stippels nagenoeg even groot; veelal op het
midden de tint iets donkerder. Exemplaren met een zeer kort
halsschild vormen peligera.
Lengte 2,5—3 mm.
Gemeen onder dorre bladeren, stroo, mos en in dood riet.
2. Corticaria crenulata Gyll.
Gyllenh. Zus. Suec. IV. p. 125 (Lathridius). — Mannerh. Mon.
p- 22. — Thoms. 1. c. V. 226. — Reitt. L c. p. 418. — Redt.
l. c. p. 422. — Gemm. en Har. Cat. III. p. 900.
Var.: timcta Mannerh. Mon. p. 26.
Deze soort heeft den habitus van pubescens, doch is kleiner en
‚vooral onderscheiden, doordat het halsschild in zijne grootste breedte
even breed of slechts weinig smaller is dan de dekschilden; ook
zijn de twee eerste leedjes der sprietknots nauwelijks langer dan
breed, terwijl bij pubescens al deze leedjes langer dan breed zijn.
Lichaam roodbruin tot zwart; dekschilden gelijkmatig fijn behaard;
de haartjes iets neérgebogen. Halsschild aan de zijden onduidelijk
84 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
gekerfd, diep en dicht bestippeld, met eene ronde groef vóór het
schildje.
Lengte 2,2 mm.
Eenmaal door Dr. Veth op Terschelling aangetroffen.
3. Corticaria fulva Com.
Comolli, Col. Novoc. p. 39 (Lathridius). — Mannerh. Mon. p.
42. — Redt. 1. c. p. 421. — Reitt. 1. c. p. 421. — Gemm. en
Har. Cat. III. p. 901.
Syn.: Zirtella Thoms. Skand. Col. V. 232.
Eenkleurig roodgeel, veel fijner, korter en minder afstaande be-
haard dan de vorige soorten; het lichaam veel minder gewelfd.
Halsschild aanmerkelijk smaller dan de dekschilden, gewoonlijk
hartvormig, aan de zijden onduidelijk gekerfd, dicht bestippeld,
met een tamelijk diep groefje vóór het schildje. Van de licht ge-
kleurde varieteit van tmpressa gemakkelijk te onderscheiden door
de fijnere stippelrijen der dekschilden; eene rij in de tusschen-
ruimten is niet duidelijk waar te nemen; bij twmpressa daarentegen
zijn de stippelrijen diep en duidelijk, de tusschenruimten tamelijk
breed, met eene fijne stippelrij.
Lengte 1,5—2,4 mm.
Ik vond deze soort in vele exemplaren tegen wit gekalkte
muren en tusschen keldervuil in den Haag.
4. Corticaria umbilicata Beck.
Becker, Beitr. Bayer. Ins. p. 13 t. 3 f. 13. — Gemm. en Har.
Cat. III. p. 904.
Syn. : umbilicifera Mannerh. Mon. p. 37. — Reitt. I. c. p. 422.
» cylindrica Mannerh. Mon. p. 35. — Thoms. L. c. V. 229. —
Reitt. 1. c. p. 422. — Redt. 1. c. p. 421. — Gemm.
en Har. Eep. 900:
» borealis Wollast. Zoolog. 1855. App. p. 206.
Eene door de cilindervormige gedaante zeer gemakkelijk te her-
kennen, doch in sculptuur der bovenzijde en vorm van enkele
lichaamsdeelen zeer veranderlijke soort. Gewelfd. Kop, halsschild en
dekschilden nagenoeg van dezelfde breedte. Dekschilden met regel-
DER LATHRIDIIDAD. 85
matige rijen fijne, witte, opstaande borstels. De twee eerste leedjes
der sprietknots iets langer dan breed. Lichaam roodgeel of rood-
bruin, menigmaal de naad en de zijden der dekschilden , zeldzamer
het midden van het halsschild donkerder. Dekschilden met sterke
dicht opeengedrongen stippelrijen en duidelijk gerimpelde, zeer
smalle tusschenruimten.
Lengte 2—2,2 mm.
Deze soort, welke in Noord-Duitschland voorkomt, is in Neder-
land nog niet aangetroffen.
5. Corticaria denticulata Gyll.
Gyllenh. Ins. Suec. IV p. 126 (Lathridius). — Mannerh Mon.
p. 23. — Thoms. L ce. V. 226. — Reitt. I. c. p. 422. — Redt.
l..c. p. 422, — Gemm. en Har. Cat. III. p. 900.
Roestrood of bruinrood, kort en spaarzaam behaard. Halsschild
veel breeder dan lang, afgerond hartvormig; de zijden zeer duidelijk
en fijn getand, met eene kleine duidelijke groef vóór het schildje.
Dekschilden matig gewelfd, met duidelijke verdiepte sterke stippel-
rijen, welke vóór het uiteinde afgeknot zijn; de tusschenruimten
tamelijk breed, iets ribachtig opgeheven, allen met eene veel fijnere
stippelrij en niet door dwarsrimpels onduidelijk.
Lengte 2,2 mm.
Deze soort, welke in Noord-Duitschland voorkomt, is in Neder-
land nog niet aangetroffen.
6. Corticaria impressa Oliv.
Oliv. Ent. Il. 18 p. 14 t. 3 f. 21 a—b (Ips.). — Latr. Gen.
Crust. et Insect. XI. p. 243. — Mannerh. Mon. p. 25. — Redt.
JL c. p. 421. — Reitt. L c. p. 423. — Gemm. en Har. III. p. 901.
Syn.: longicornis Herbst, Käf. V. 4 t. 44 f 1 A. — Thoms,
bees V.,227.
Veranderlijk in kleur, van geelrood tot diepzwart, glanzig, vrij
kort behaard; sprieten en pooten geelbruin. Halsschild iets breeder
dan lang, afgerond hartvormig; de zijden nauwelijks merkbaar
gekerfd en daardoor van andere soorten zeer onderscheiden. Dek-
schilden als bij denticulata; de stippelrijen zijn echter tot aan het
uiteinde duidelijk.
Lengte 2—2,2 mm. |
86 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
Niet zeldzaam bij den Haag onder dorre bladeren (Everts en
Leesberg); Amsterdam (Kinker); Haarlem (Groll); Leiden (Perrin).
7. Corticaria Mannerheimi Reitt.
Reitter, L c. p. 427.
_ Syn.: longicollis, Mannerh. Mon. p. 43. — Gemm. en Har.
Cat. III. p. 902.
Lichaam roestrood, glanzig. Het 6de en 7de sprietlid duidelijk
langer dan breed, het 8ste rondachtig. Kop weinig smaller dan
het halsschild. Halsschild vóór het midden het breedst, fijn en
verspreid bestippeld, met een groefje vóór het schildje. Dekschilden
veel breeder dan het halsschild, achter het midden het breedst,
met nagenoeg rechthoekige schouders, met duidelijke schouderbuilen ,
in dichte en krachtige rijen bestippeld; de tusschenruimten niet
verheven , meer of min dwarsrimpelig, met eene veel fijnere stippelrjj.
Lengte 1,8—2,1 mm.
Komt in Noord-Duitschland voor, doch is in Nederland nog niet
aangetroffen.
8. Corticaria linearis Payk.
Payk. Haun. Suec. I. p. 302 (Dermestes). — Mannerh. Mou. p.
UO. — Thoms. I. c. V 931. Reitt, cp. 498.2 Gemme
en Har. Cat. III p. 902.
Zwartbruin, iets gewelfd, fijn behaard; sprieten en pooten rood-
bruin. Halsschild veel smaller dan de dekschilden, aan de zijden
fijn gekerfd, vrij dicht en diep bestippeld, met een groefje vóór
het schildje. Dekschilden in ’t midden het breedst, in dichte en
krachtige ryen bestippeld; tusschenruimten gelijkmatig zeer zwak
gewelfd, meer of min dwarsrimpelig, met eene veel fijnere stippelrij.
Lengte 2 mm.
In Noord-Duitschland, doch in Nederland nog niet aangetroffen.
9. Corticaria longicollis Zett.
Zetterst. Ins. Lapp. 200. 14 (Lathridius). — Mannerh. Mon. p.
43. — Thoms. |. c. V. 230. — Reitt. l. c. p. 425. — Redt. 1.
c. p. 422. — Gemm. en Har. Cat. III p. 902.
Syn.: formicetorum Mannerh. Bull. Mose. 1843. 1 p. 85. —
Redt. 1. c. p. 422. È » fighi
DER LATHRIDIIDAF. 87
Donker roestrood, glanzig, gewelfd, fijn en kort behaard. Hals-
schild nauwelijks of weinig breeder dan lang, hartvormig, in zijne
grootste breedte even breed als de dekschilden aan de basis, dicht
bestippeld, vóór het schildje met een groot rond groefje, aan de
zijden fijn getand. Dekschilden ovaal, gewelfd, in ’t midden duidelijk
afgerond; de dicht opeengedrongen stippelrijen grof; de stippels
dicht opeengeplaatst; tusschenruimten smal, iets verheven, duide-
lijk dwarsrimpelig en met eene veel fijnere stippelrij.
Lengte 1,5 mm.
Gewoonlijk bij mieren, in geheel Europa. In Nederland nog niet
aangetroffen.
10. Corticaria serrata Payk.
Payk. Haun. Suec. I p. 300 (Dermestes). — Mannerh. Mon. p.
28. — Thoms. 1. ce. V. 230. — Reitt. I. c. p. 425. — Redt. 1.
c. p. 420. — Gemm. en Har. Cat. III p. 903.
Syn. : laticollis Mannerh. Mon. p. 29.
Roestrood, de dekschilden, behalve de schouders, zwartachtig;
of de dekschilden geheel donker; of wel eenkleurig bruinachtig
roestrood, zeldzamer roodgeel. Lichaam meer of min gewelfd, fijn
en neérliggend behaard. Halsschild nu eens meer, dan eens minder
breed, tamelijk hartvormig, aan de zijden sterk getand, dicht en
sterk, eenigszins rimpelig bestippeld, vóór het schildje met een
tamelijk diep groefje, nagenoeg dof. Dekschilden lang ovaal; tus-
schenruimten der dichte stippellijnen met eene fijnere stippelrij.
Lengte 1,6—2,1 mm. i
Den Haag (Everts en Leesberg); Breda (Leesberg en Heylaerts);
Rotterdam (Veth); Doetichem (Gerdes); Ruurlo (Everts); Wolfhe-
zen, in groot aantal uit een Polyporus (Everts)..
11. Corticaria obscura Bris.
Brisout, Cat. Gren. 1863 p. 73. — Reitt. 1. c. p. 429. —
Gemm. en Har. Cut. III. 902.
Deze soort onderscheidt zich van serrata door het meer of min-
der vlakgedrukte lichaam, met tamelijk parallele zijden, de don-
kerder kleur, het minder afgeronde, minder dicht bestippelde hals-
schild, de langere dekschilden, met fijner bestippelde lijnen en de
finer donkerder beharing. De tusschenruimten zijn breed, allen
88 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
gelijk en met eene rij van evenzoo groote stippels als die der
stippellijnen; daardoor schijnt het alsof er geene stippelrijen in de
tusschenruimten voorkwamen. Kop met de oogen veel smaller dan
het halsschild. Kleur meer of min zwart of donker roodbruin;
sprieten en pooten bruingeel.
Lengte 1,6—1,9 mm.
Komt in Duitschland en Frankrijk voor, doch is in Nederland
nog niet aangetroffen.
12. Corticaria elongata Humm.
Hummel, £ss. Ent. IV. p. 5. — Mannerh. Mon. p. 44. — Thoms.
l. c. V. 233. — Redt. L c. p. 422. — Reitt. L c. p. 429. —
Gemm. en Har. Cat. III. p. 900. |
- Lichaam tamelijk parallel, zeer weinig gewelfd, licht roodgeel,
soms nabij het schildje iets donkerder, vrij lang geelachtig behaard.
Halsschild nagenoeg de helft breeder dan lang, met bijna rechte,
zeer fijn gekerfde zijranden, slechts nabij de achterhoeken met eenige
grootere tandjes, dof, zeer fijn bestippeld, met een duidelijk groefje
vóór het schildje. Dekschilden met duidelijke, tot aan het uiteinde _
zichtbare stippelrijen en tamelijk breede, met eene veel fijnere
stippelrij voorziene tusschenruimten.
Lengte 1,5—1,8 mm.
Zeer gemeen onder dood stroo en dorre bladeren.
13. Corticaria fenestralis Linn.
Linn. Faun. Succ. n°. 423 (Dermestes). — Reitt. L c. p. 430. —
Gemm. en Har. Cat. III. p. 901.
Syn.: ferruguiea Marsh. Ent. Brit. I. p. 111. — Mannerh. Mon.
p. 45: — Redt. I. c. p. 422.
» d nigricollis Zetterst. Ins. Lapp. p. 199.
Var.: rufula Zett. 1. c. p. 199.
Van elongata onderscheiden door minder parallel, meer gewelfd
lichaam, ovale dekschilden, wier stippelrijen achter het midden
verdwijnen en wier tusschenruimten nauwelijks in rijen bestippeld
zijn. Kleur veranderlijk, gewoonlijk roodbruin met donkeren kop,
menigmaal ook het halsschild zwartachtig, of wel de geheele kever
bruinrood of zwartbruin. Halsschild iets breeder dan lang, aan
DER LATHRIDIIDAE. 89
de zijden sterk afgerond, naar de basis iets meer versmald, van
voren nog veel smaller dan de basis der dekschilden, met dieper
basaal-groefje.
Lengte 1,5—1,8 mm.
Eene mij onbekende soort, welke volgens Reitter in Europa en
Amerika voorkomt.
IX. CORTICARINA Reitt.
… Reitter, Bestimmungs-Tabellen europ. Gol. III. Verh. k.k. Zool.
bot. Ges. Wien. 1880. 68.
Dit genus onderscheidt zich van Corticaria door den niet getanden
of gekerfden zijrand van het halsschild, door dunnere en iets langere
sprieten, het niet gegroefde metasternum, de nimmer met lange
haren bezette bovenzijde en het in beide sexen uit 6 buikringen |
bestaande achterlijf.
In Europa komen 10 soorten voor, van welke 6 in Nederland.
a. Basis van het halsschild met eene ondiepe dwars-
groef, welke aan weerszijden gewoonlijk ster-
ker verdiept is, of wel met twee oppervlakkige
dwarsgroefjes, welke door een’ dwarsindruk
verbonden zijn; zonder groefje vóór het
schildje; of zeer zelden zonder zichtbare
dwarsgroef. Halsschild altijd veel smaller dan
de dekschilden, aan de zijden weinig afge-
rond, menigmaal hoekig; de achterhoeken
niet als spitse tandjes uitstekende (subgen.
Melanophthalma Motsch. Bull. Mose. 1866). 6.
Basis van het halsschild met een meer of min
duidelijk breed ovaal groefje, dikwerf ook
aan weerszijden nog met een ander groefje.
Halsschild meestal weinig smaller dan de
dekschilden, aan de zijden regelmatig en sterk
afgerond, met als spitse tandjes uitstekende
achterhoeken (subgen. Corticaria i. sp.). . d.
90 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
b. Oogen nagenoeg den voorrand van het hals-
schild aanrakende. Halsschild smal, onge-
veer even lang als breed, zelden breeder
dan lang, met eene gebogen dwarsgroef vöör
de basis. Dekschilden kort en breed ovaal,
nagenoeg in ’t midden het breedst, met
stippelrijen, wier stippels aan de basis diep en
dicht opeenstaan , in ’t midden fijner en vóór
’t uiteinde zeer oppervlakkig aangeduid zijn. 1. gibbosa Herbst.
Oogen van den voorrand van het halsschild
een weinig afstaande. Halsschild altijd breeder
dan lang, dikwerf sterk verbreed, met eene
in ’t midden zwakker verdiepte, dikwerf
onduidelijke dwarsgroef, of aan weerszijden
met een oppervlakkig dwarsgroefje. Dekschil-
den langwerpig eirond, steeds ver over het
midden het breedst, met zeer fijne stippel-
rijen, wier stippels niet zeer dicht staan . c.
c. Zijden van het halsschild nabij het midden meer
of min hoekig. Lichaam vrij lang wit behaard. 3. distinguenda
Com.
Zijden van het halsschild in ’t midden niet
duidelijk hoekig, doch recht of wel meer
of min afgerond. Lichaam kort grauw- of
witachtig schubbig behaard. . . . . . 2. transversalis
d. Halsschild aan de zijden licht afgerond en slechts i
weinig breeder dan lang. Dekschilden aan
den wortel met zeer duidelijk kielvormig
verheven, smalle tusschenruimten . . . 4. similata Gyll.
Halsschild sterk verbreed, aan de zijden sterk
afgerond. Dekschilden met gelijkmatig of
onduidelijk verheven, zeer zelden nagenoeg
in de geheele lengte iets verheven tusschen-
ruimten: Vo are DO SEARS IR
DER LATHRIDIIDAF. 91
e. Halsschild in ’t midden niet geheel dubbel zoo
breed als lang. Meer of min donkerbruin.
Dekschilden voor het midden veel breeder dan
het halsschild, langwerpig ovaal of eirond. 5. /useula Humm.
Halsschild duidelijk dubbel zoo breed als lang.
Dekschilden kort ovaal. …. 2.7
f. Eenkleurig roodgeel. Halsschild in ’t midden
ongeveer even breed als de dekschilden in
hunne grootste breedte. . … . . . . 6. Zruzcatella
Mann.
Eenkleurig geelbruin of bleek roestrood, de
dekschilden menigmaal meer of min donker-
der. Halsschild in ’t midden veel smaller dan
de dekschilden in hunne grootste breedte. 7. fulvipes Com.
1. Corticarina gibbosa Herbst.
Herbst, Kf. V. p. 5. t. 44 f. 2 B (Lathridius). — Payk. Faun.
Suec. I. p. 301. — Mannerh. Mon p. 49. — Thoms, 1. c. V. 235
(Corticaria). — Reitt. 1. c. p. 433. — Redt. Fr. austr. 3de ed.
p. 423 (Corticaria). — Gemm. en Har. Cat. III. p. 901.
Syn.: impressa Marsh. Ent. Brit. I. 110. 11.
Var.: cylindricollis Motsch. Mon. p. 288.
Deze soort is vooral van alle anderen te onderscheiden , doordat
het halsschild weinig of niet breeder dan de kop is, doch meer
dan de helft smaller dan de kort ovale, gewelfde dekschilden; het is
lets breeder dan lang, achter het midden met een dwarsgeplaatsten,
gebogen, aan beide zijden dieperen indruk. Dekschilden nagenoeg
in ’t midden het breedst, met stippelrijen, wier stippels aan de
“basis. dieper zijn en dicht opeenstaan, in ’t midden fijner worden
en vóór het uiteinde zeer oppervlakkig zijn; de tusschenruimten
-duidelijk dicht en diep bestippeld.
Lengte 1,3 mm. |
©. cylindrieollıs Motsch. is eene varieteit, bij welke de dek-
schilden tamelijk parallel schijnen, daar de zijden bijna in ’t geheel
niet afgerond zijn,
92 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
Volgens Reitter zijn type en varieteit zeer gemeen onder allerla
rottende plantenstoffen.
De typische vorm is bij ons overal zeer gemeen; de varieteit
cylindricollis zag ik nimmer uit Nederland.
2. Corticarina transversalis Gyll.
Gyll. Ins. Suee. IV. p. 133 (Lathridius). — Mannerh. Mon. p.
51. — Thoms. 1. c. V. 235 (Corticaria). — Reitt. L. c.p. 436. —
Redt. Le. p. 423 (Corticaria). — Gemm. en Har. Cat. III. iù 904.
Var. brevicollis-Mannerh: Mon. 52. 44.
» hortensis Mannerh. Mon. 52. 45.
» Wollastoni Waterh. Trans. Ent. soc. Lond. VIII. 1859.
» suturalis Mannerh. Mon. 58. 52.
» crocata Mannerh. Mon. p. 53. — Redt. |. c. p. 424. — Gemm.
en HA Ib @ jd, O0:
» pallens Mannerh. Mon. p. 53.
Zwartbruin tot geelrood, de dekschilden veelal lichter, zeldzamer
met donkeren naad en iets donkerder zijrand. Halsschild kort, veel
smaller dan de dekschilden, met nu eens meer dan weder minder
duidelijk rechte achterhoeken. Dekschilden met nagenoeg tot aan
het uiteinde doorloopende fijne stippelrijen.
Deze soort is niet alleen zeer veranderlijk in kleur, doch ook in
grootte, zoodat verscheidene varieteiten beschreven zijn. De type is
zwartbruin en tamelijk klein. De var. brevicollis is zwartbruin, met
iets dichter bestippeld halsschild en duidelijk rimpelige dekschilden.
De var. hortensis is grooter, donker gekleurd, met lichtere dek-
schilden en eenigszins donkerder naad. De var. Wollastoni grooter,
donker; dekschilden lichter, met donkeren naad en iets donkerder
zijrand. De var. suturalis bestaat uit licht gekleurde grootere exem-
plaren, met iets donkerder naad der dekschilden; de indruk van
het halsschild vóór het schildje met de aanduiding van een groefje.
Var. crocata: eenkleurig lichte, bruinachtig roestroode exemplaren.
Var. pallens: lichte exemplaren, nagenoeg zonder indruk voor de
basis van het halsschild.
Lengte 1,6— ruim 2 mm.
DER LATHRIDIIDAE. 93
Vrij gemeen in: allerlei varieteiten, onder dorre bladeren, dood
riet en in gras.
3. Corticarina distinguenda Com.
Comolli, Col. Novoc. p. 38 (Lathridius). — Mannerh. Mon. 61.
57 (Corticaria). — Reitt. 1. c. p. 439. — Redt. 1. c. p. 424
(Corticaria). — Gemm. en Har. Cat. III p. 900.
Var. angulosa Motsch. Bull. Mose. 1849. III. 90; Mon. 1866
p. 47 (Melanophthalma).
Te herkennen aan de gestrekte gedaante en de grijze, menigmaal
geheel witte, tamelijk lange beharing. Geheel roestrood, of wel de
dekschilden donkerbruin of zwartachtig. Halsschild aan de zijden nabij
het midden meer of min hoekig, met vrij diepen indruk aan de basis.
De var. angulosa is eenkleurig roodgeel.
Lengte 1,5 —2 mm.
Ofschoon deze soort over de geheele aarde verbreid is en o. a.
in de Rijnprovincie voorkomt, is zij in Nederland nog niet aan-
getroffen.
4. Corticarina similata Gyll.
Gyll. Ins. Succ. IV p. 134 (Lathridius). — Mannerh. Mon. p. 56
(Corticaria). — Thoms. 1. c. V. p. 236 (Corticaria). — Reitt. 1. c.
p. 440. — Redt. 1. c. p. 424 (Corticaria). — Gemm. en Har.
Cat. III. p. 903.
Var. : parvula Manneth. Mon. 54. 47.
» subtilis Mannerh. Mon. 57. 51.
Te herkennen aan het hooge halsschild, dat veel smaller is dan
de kort ovale dekschilden, met gelijkmatig afgeronde zijden, spitse
achterhoeken, een duidelijk groefje aan de basis en gewoonlijk een
tweede kleiner langwerpig groefje nabij den zijrand (var. subtilis).
Dekschilden aan de basis met zeer duidelijk kielvormig verheven
smalle tusschenruimten. Roodbruin. à
Lengte 1,5 mm.
Bij de var. parvula zijn de achterhoeken van het halsschild
minder duidelijk.
Zeldzaam -onder dorre bladeren. Ik bezit slechts een enkel voor-
„werp uit Rotterdam, Maart (Dr. Veth).
94 BIJDRAGE TOT DE KENNIS
5. Corticarina fuscula Humm.
Hummel, Ess. Ent. UL. p. 25 (Lathridius). — Mannerh. Mon.
p. 55 (Corticaria). — Thoms. 1. c. V. 236 (Corticaria). — Redt.
l. c. p. 423 (Corticaria). — Reitt. L. c. p. 441. — Gemm. en
Har. Cat. IM. p. 901.
Var. trifoveolata Redt. Yn. austr. I. p. 211; II. p. 493,
» latipennis Sahlb. Not. Fenn. XI. n0. 3. 8 Haft, p. 359.
Grooter dan similata, met breeder halsschild en langere dek-
schilden, wier tusschenruimten der matig fijne stippelrijen veel
onduidelijker verheven zijn. Meer of min donker bruin. Halsschild
in ’t midden niet geheel dubbel zoo breed als lang, aan de zijden sterk
afgerond, met een duidelijk groefje vóór de basis en met spitse
achterhoeken. Dekschilden vóór het midden veel breeder dan het
halsschild. Menigmaal vertoont het halsschild ook aan weerszijden een
diep groefje (var. trifoveolata). Bij de var. latipennis vertoonen de
dekschilden tot aan het uiteinde diepe, nagenoeg gegroefde stippel-
rijen en daardoor duidelijk verheven tusschenruimten.
Lengte 1,8—2 mm.
Gemeen met de varieteiten.
6. Corticarina truncatella Mann.
Mannerh. Mon. p. 59. — Redt. L c. p. 423. — Reitt. 1. c. p.
443. — Gemm. en Har. Cat. III. p. 904.
Eenkleurig roodgeel. Halsschild in ’t midden nagenoeg even breed
als de grootste breedte der dekschilden, met sterk afgeronde zijden,
vóór de basis met een groefje. Dekschilden kort ovaal, met iets
gewelfde tusschenruimten der stippelrijen. 4
Lengte 1,5 mm.
Zeer gemeen, vooral in duinstreken op het zand en tusschen
afgevallen bladeren, in gezelschap met transversalis.
7. Corticarina fulvipes Com.
Comolli, Col. Novoc. p. 39. — Mannh. Mon. p. 60. — Motsch.
Villa, Cat. Col. Lomb. p. 65, — Gemm. en Har. Cat. III p. 901.
DER LATHRIDIIDAF. 95
Syn. : fuscipennis Motsch. Mon. 1867 p. 62.
» preipennis Motsch. Mon. p. 63.
» curta Wollast. Zus. Mader. p. 187.
» meridionalis Reitt. 1. c. p. 442.
Iets kleiner dan ¢runcatel/a, eenkleurig geelbruin of roestrood ,
de dekschilden dikwerf meer of min donkerder. Halsschild in ’t
midden veel smaller dan de dekschilden in hunne grootste breedte,
dubbel zoo breed als lang, aan de zijden sterk afgerond, met spitse
achterhoeken, een diep groefje aan de basis en gewoonlijk nog een
tweede groefje nabij den zijrand. Dekschilden kort ovaal, met
tamelijk diepe stippelrijen en daardoor iets gewelfde tusschenruimten.
Lengte 1—1,2 mm.
Deze Zuid-Europeesche soort komt in Belgie voor en zou dus
ook in Nederland kunnen worden aangetroffen.
AANTEEKENING
OVER
HAZIS MALAYANUS Guerin,
DOOR
P. C. T. SNELLEN,
Guenée zegt bij zijne beschrijving van Hazis Malayaria (sic),
Uran. et Phal. 2 p. 189: «Je n’ai pas vu les exemplaires rap-
portes par Mr.. Délessert, mais je pense qu’ils ne sont pas différents
des miens». Ik geloof, dat hij zich niet eens de moeite heeft
gegeven van de afbeelding en beschrijving in de Souvenirs d'un
voyage dans lInde, Histoire Naturelle p. 89 pl. 23 f. 2 te raad-
plegen, want anders zou hij, dunkt mij, even als ik, toen dit
werk mij onlangs in handen kwam, hebben moeten bemerken,
dat aldaar van een geheel ander dier sprake is dan hij beschrijft.
Guenée toch vergelijkt zijne Malayaria met Militaria L., afgebeeld
bij Roesel, Jusect. Belust. IV p. 51 pl. VI f. 3 en in het werk
van Cramer I pl. 29 B, en zegt dat de vleugelvorm is zoo als bij
die soort, terwijl Guérin zeer terecht opmerkt dat zijn Malayanus
«ressemble tout-à-fait au Bombyx Palmyra Stoll, p. 159 pl. 36 f. 1»
en dat hij zelfs geneigd was beiden voor dezelfde soort te houden,
doch dat de gele vlek, die Malayanus aan den binnenrand der
achtervleugels bij den staarthoek heeft !) en die men niet op
1) Zoo wordt in de beschrijving gezegd; op de afbeelding is de geheele
binnenrand der achtervleugels smal geel.
AANTEERENING OVER HAZIS MALAYANUS, 97
Stoll’s afbeelding ziet, hem belette hen te vereenigen. Inderdaad,
wanneer men Stoll’s en Guérin’s aangehaalde afbeeldingen verge-
ljkt, bemerkt men dadeljk, dat men hier, zoo niet met ééne
soort, dan toch met twee zeer na verwante dieren te doen heeft,
wier afgeronde, breede voorvleugels intusschen niets overeenkomstigs
hebben met de, zelfs bij de wijfjes, smalle en iets puntige van
Militaria en van Bellonaria Guenée, die ook denzelfden vleugelvorm
heeft. Malayaria Guénée en Malayanus Guérin hebben alleen onge-
veer de kleuren gemeen waarmede zi) versierd zijn, maar verschillen
specifiek. De teekening is ook anders en wel al dadelijk aan den
wortel der voorvleugels, waar Malayanus Guér. in de middencel
drie donkerblauwe strepen en vlekken op eene langsrij heeft, met
eene blauwe figuur daaronder, die eenigszins op eene liggende Y
gelijkt. Malayaria Guenée heeft daarentegen aan den wortel der
voorvleugels, even als Bellonaria, eene op ader 2 zeer scherp ye-
broken donkerblauwe dwarsstreep, waarbij zich twee uit den vleu-
gelwortel komende donkerblauwe langsstrepen aansluiten, over den
vleugelvoorrand en den binnenrand der middencel loopende, en dan
nog eene blauwe middenvlek, die den vierkanten vorm nadert.
Guenée’s soort moet dus verdoopt worden; ik stel voor haar
Doubledayi te noemen naar den entomoloog, van wien hij zijne
exemplaren ontving.
Of nu Malayanus Guérin en Palmyra Stoll ééne soort uitmaken
of wel twee, durf ik niet beslissen. Ik bezit een voorwerp (vader-
land onbekend), dat juist overeenkomt met Malayanus en dus ook
van Stoll’s afbeelding verschilt door in vlekken verdeelden, niet
onafgebroken blauwen achterrand der voorvleugels, dunner blauwe
wortelteekening, ronde, niet winkelhaakvormige middenvlek der
achtervleugels en door de gele vlek bij hunnen staarthoek. !) Stoll’s
1) Bi) een voorwerp van Sumatra (Lampongs, v. Hasselt), dat ik na het
schrijven van dit stukje leerde kennen, ontbreekt, even als op Stoll’s afbeelding ,
de gele vlek bij den staarthoek der achtervleugels geheel. Overigens stemt het
met Malayanus Guérin overeen. Ook merkte ik naar dit vrij frissche voorwerp
op, dat de grondkleur bleeker grijsblauw is dan bij Doubledayi en de blauwe
vlekken scherper begrensd zijn. De bochtige streep der achtervleugels staat bij
Doubledayi op drie vierden der vleugellengte, bij Malayanus op twee derden.
7
98 AANTEEKENING OVER HAZIS MALAYANDS,
afbeelding is kennelijk wat lomp en ik zag nog geen daarmede
overeenkomend exemplaar, doch de opgenoemde verschillen hebben
mij, zoo lang ik mijn voorwerp bezit (evenals Guérin) belet om
aan te nemen, dat ik werkelijk de Palmyra van Stoll bezat.
Voorloopig is het dus raadzaam Malayanus en Palmyra nog niet
te vereenigen.
Mijne Hazis Malayanus van Nias (zie Verslag Wintervergadering
4884 der Ned. Ent. Vereeniging b}z. Lxxxm) is Guenée’s soort,
niet die van Guérin.
SH MOND ENE
OVER
DE GALEODIDEN OF SOLPUGIDEN, enz.
DOOR
Dr. A. W. M. VAN HASSELT.
al
DE POOT-AANHANGSELS.
(Hiertoe behoort Pl. 6).
Het is van algemeene bekendheid, dat deze onderorde der Arach-
niden, onder anderen, zeer opvallend gekenmerkt wordt door de
bereids, sub I, ter loops vermelde, gesteelde poot-appendices.
Deze komen, niet, zooals door enkele zoologen, waarschijnlijk
onnadenkend, wordt gezegd, aan «de» pooten dezer dieren, —
dus aan «allen», — voor, maar worden uitsluitend gevonden aan
het laatste of achterste pootpaar.
Hieraan zijn zij, naar het schijnt, bij alle species onveranderlyk,
op de ondervlakte der heupgeledingen ingeplant, ter weêrszijde ten
getale van vijf, te weten twee aan de eigenlijk gezegde coxa, twee
aan het eerste en een aan het tweede trochanter-lid (zie fig. 1 en 2).
Bijzondere opmerking verdient daarbij, dat zij, voor zoover mij
bekend, geheel overeenkomende, terzelfder plaatse, bij beide
sexen, worden aangetroffen.
Vooral bij de Fransche dierkundigen, die er nog het meest over
schijnen te hebben geschreven, ontvingen zij onderscheidene namen,
100 STUDIEN OVER DE GALEODIDEN
als van lamelles (Savigny), écailles (Gervais), papilles
(Lucas), maar vooral van appendices (Dufour, Simon e. a.).
Alhoewel hun vorm, volgens mijne zeer beperkte kennis, ten
minste voor het wezenlijke daarvan, bij de verschillende soorten niet
zoo bijzonder sterk üiteenloopt en Dufour onder anderen voor
Galeodes barbarus Luc. en melanus Sav. eene « volkomen gelijke »
vormelijke overeenkomst aangeeft, zou men uit de vele vergelijkingen
daarover door de schrijvers gemaakt, allicht tot een tegenovergesteld
vermoeden kunnen geraken. Zoo toch vindt men deze aanhangsels
omschreven als « fächer-ähnlich » of waaiervormig (Herbst), — als
«spatelvormig» (Harting), — als «trianguliformes » (Lucas), —
« champignon-vormig » (Gervais), — als € malleiformes » of hamer-
vormig (Simon), — als «sécuriformes» of bijlvormig (idem), —
eindelijk als «raketvormig » (Dufour). Laatstgenoemde heeft des-
wegens de «appendices trochantero-coxales » kortheidshalve «ra-
quettes coxales» genoemd, waarin ik hem verder zal volgen.
Naar de soorten worden zij gezegd nog al belangrijke ver-
schillen op te leveren, in grootte, eenigermate ook in kleur,
ofschoon deze meestal, — lichter of donkerder, — wit-, geel- of bruin-
achtig schijnt te zijn. Insgelijks ontmoet men variatién in den
onderlingen stand, als veelal geheel op zich zelve staande of soms
ook meer of minder op of over elkander hellende (imbriqués), en
niet minder in de lengte, zijnde zij in den regel vrij lang, doch
bij uitzondering ook korter gesteeld, soms zelfs zeer kort (sub-
sessiles). Zie fig. 3, 4 en 2.
Aan de heup-raketten zijn blijkbaar twee gedeelten te onder-
scheiden, waarvan wij, met Dufour, aan het staafvormige basale
deel de benaming van steel («le pétiole»), aan de waaiervormige
uitbreiding die van palet («la palette») zullen toeleggen.
De steel schijnt in den regel rechtstreeks uit de poothuid te
ontspruiten. Van eene geleding dáár ter plaatse met de coxae,
waarvan Dufour ter loops gewaagt, heb ik, in mijne voorwerpen,
geen spoor kunnen ontdekken. Nochtans blijkt die bij sommige
kortgesteelde soorten te kunnen voorkomen, alwaar de basis van
den steel op eene ringvormige papil, als op een bekertje of kom-
OF SOLPUGIDEN, ENZ. 101
metje der poothuid, is ingeplant ; zie fig. 2 en 2a !). Eene andere meer
duidelijke aanwijzing eener articulatie wordt daarentegen veel alge-
meener aangetroffen op de tegenovergestelde plaats, waar de steel
in de palet overgaat; zie fig. 6.
De palet wordt, in den natuurlijken toestand, — mij, uit
spiritus-praeparaten, niet door aanschouwing bekend, — door Dufour
omschreven als een fijn, dun, onbehaard, meer papier- dan vlies-
achtig lichaam, met eene gladde, als ’t ware verniste oppervlakte,
soms met een parelmoerachtigen glans schitterende, welke eigen-
schappen dan ook aan velen mijner specimina konden worden
herkend. Alleen waar hij zegt: «les palettes sont planes comme
une lame», kan ik mij niet met hem vereenigen. Ten minste bij
meerderen heb ik duidelijk eene meer of minder uitgedrukte wel-
ving kunnen constateeren, waardoor de palet dan zelfs eene schelp-
of mossel-vormige gedaante verkrijgt.
Uitwendig morphologisch alzoo door onzen schrijver, alsmede door
Guérin, bij Cuvier, door de Gervais, bij Walckenaer, door Kittary
en anderen, juist genoeg beschreven en afgebeeld, schijnt echter , voor
zoover ik te weten kwam, de kennis van de inwendige structuur,
de histologie dezer orgaantjes nog veel te wenschen over te laten.
Wat daarover door Dufour wordt medegedeeld , — bij anderen heb ik
er niets over kunnen vinden, — komt op het volgende neder :
Over den steel zegt hij alleen, dat die vleezig («charnu ») is,
dus vermoedelijk «de nature musculeuse». Dit vermoeden grondt
hij echter slechts op de meer dan waarschijnlijke bewegingen,
waarvoor de raketten blijkbaar zijn ingericht. Bij levende exem-
plaren, door hem in Spanje verkregen en in gevangen staat ad hoc
waargenomen , heeft hij evenwel niet kunnen ontdekken, op welke
wijze deze orgaantjes worden bewogen ?).
1) Deze afbeeldingen der raketten zijn ontleend aan de atlas der Apfères van
Walckenaer en aldaar door Paul de Gervais op zijne beurt overgenomen uit
het beroemde werk „over Egypte” van Savigny, dat ik tot mijn leedwezen niet
in het origineel heb kunnen raadplegen.
2) In eene vroeger door hem uitgegeven verhandeling over het onderwerp schrijft
hij voor zijnen G. intrepidus (volgens Simon = Gluvia dorsalis Latr.) daarover:
„Je n'ai pù y saisir le moindre mouvement (Zie Ann. Soc. Ent. de France, 1853).
102 STUDIEN OVER DE GALEODIDEN
De palet, aan welke hij over het algemeen te recht «une
finesse de texture toute speciale» toekent, beschouwt hij, — in
tegenspraak met dit gezegde, — als eenvoudig te bestaan uit eene
verdubbeling van een glasachtig vlies (« une membrane hyaline »),
binnen welke eene gelei-achtige vloeistof is besloten, welke laatste
in spiritus-exemplaren ondoorschijnend en korrelig wordt en de
oorzaakt schijnt, dat de palet in het midden en overdwars eene
meer donkere kleurschakeering vertoont !). Overigens vermocht hij
in de palet noch eenig spoor van vezelweefsel noch van huid-
textuur te herkennen ?).
Hoe voortreffelijk voor het overige de anatomie der Galeodiden
door Dufour is behandeld, lieten deze zijne oppervlakkige mede-
deelingen over de structuur der poot-appendices mij onbevredigd.
Vooropstellende, dat een nader microscopisch onderzoek daarvan
eigenlijk behoort te geschieden aan versche voorwerpen, die niet
onderhevig zijn geweest aan de inwerking van alcohol 3), alzoo
toegevende, dat mijn arbeid in die richting, als op spiritus-exem-
plaren verricht, uit den aard der zaak niet dan onvolledig kan
zijn, heb ik vooral met het oog op hare hypothetische verrichting,
dien toch ondernomen. Een aantal praeparaten gemaakt hebbende,
zoo van de heup-raketten in hun geheel, als van doorsneden aan
steel en palet, in verschillende richting, zonder en met behandeling
door slappe potaschoplossing, zonder en met kleuring door karmijn,
heb ik deze aan eene 50- à 300-malige vergrooting onderworpen.
Onder herhaalde dankbetuiging aan de vrienden en bekenden,
die mij door hun, bij ons zeldzaam, materiaal hiertoe in de gele-
genheid hebben gesteld 4), en in het bijzonder aan ons hooggeacht
1) Deze vloeistof noemt hij op de eene plaats „une humeur lubrifiante”, op
anderen „une pulpe subgelatineuse’”.
2) In de aangehaalde Memoires ontkent Dufour „la moindre apparence de
fibres dans la double membrane de la palette”, en in de geciteerde Annales leest
men voor G. barbarus Luc.: „Ces lamelles n’ont rien de la texture tégumentaire”.
3) Daartoe kan ik de oorspronkelijke bewaring er van in glycerine, uit
ervaring aan spinnen opgedaan, aanbevelen aan de histologen „vom Fach”, die
alsdan ongetwijfeld meer volledige resultaten zullen verkrijgen.
4) Deze werden reeds bij name in het eerste gedeelte mijner Studién vermeld
(zie blz, 25 hiervoren).
OF SOLPUGIDEN, ENZ. 103
medelid, den Hoogleeraar Hoffmann te Leiden, die mij in het
duiden der hier aanwezige weefsel-elementen , zoo uit de micros-
copische voorwerpen zelve, als uit mijne schetsteekeningen daar-
van, met zijne geleerde voorlichting welwillend heeft ter zijde
gestaan, — meen ik te mogen beweeren, dat wij daardoor eene
schrede verder zijn gekomen in de kennis van de ware organisatie
dezer aanhangsels.
1°. De steel dan der heup-raketten blijkt niet «geheel »
vleeschachtig («charnu» Duf.) te zijn, maar is een, over zijne ge-
heele lengte holle, vliezige cilinder, gevormd door eene vrij dikke,
eenvoudige chitine-huid, die aan de microscopische voorwerpen zich
als een wit doorschijnend randje voordoet, welk randje zich ook
voortzet langs den geheelen buitenomtrek der palet zelve. De holte
er van is, zoo aan de losgescheurde of afgeknipte basis van inplan-
ting, als aan schuine en dwarse doorsneden, duidelijk waarneembaar.
Bij uitgetrokken specimina vertoonen zich meermalen vrij uitste-
kende vezelbundels. Deze kunnen door den geheelen steel worden
vervolgd. Naarmate van den meerderen of minderen graad van
verweeking of ontbinding der exemplaren, zijn daarin, meer of
minder duidelijk, nevens bindweefseldraden en gladde spiervezelen ,
parallel loopende bundels van dwarsgestreept spierweefsel !)
en soms betrekkelijk groote tracheën-stammen waar te nemen.
Zenuwen , vermoedelijk aanwezig, konden, in mijne spiritus-
praeparaten, niet worden geconstateerd.
Wat betreft de, reeds ter loops aangegeven en ook door onzen
schrijver opgemerkte, zoogenaamde «geleding» van den steel
met de palet, en waarvan in zijne en in vroegere schetsteekeningen
bijna overal oppervlakkige aanwijzingen zijn gegeven, zoo is het
onbetwistbaar, dat ter plaatse van hunne vereeniging eene scherpe
afscheiding der beide onderdeelen van den raket bestaat, die blijk-
baar aldaar een hoogen graad van bewegelijkheid toelaat. Intusschen
is het mij niet duidelijk gebleken, dat hier eene, volgens meerdere
1) Het door Dufour slechts losweg uitgesproken vermoeden eener „nature
musculeuse du petiole” heeft zich derhalve thans bevestigd.
104 STUDIEN OVER DE GALEODIDEN
praeparaten, hetzij door rechte, hetzij door boog- of halvemaan-
vormige scheidingslijnen (zie vooral fig. 6), oogenschijnlijk, bene-
denwaarts, blinddarmvormig afgeslotene gewrichts-
holte voorkomt. Integendeel wil het mij toeschijnen, dat men hier
slechts eene plooivorming, ten gevolge der herhaalde bewegingen
tusschen steel en palet, voor zich heeft, alzoo meer eene soort van
« pseudo-articulatie ». Immers kan in tal van praeparaten worden
aangewezen, dat de in den steel voorkomende vorm-elementen, —
binnen de gemeenschappelijke uitwendige chitine-laag, — rechtstreeks
en onafgebroken tot ver in de palet doorloopen (zie fig. 7).
2%. Voor de palet zelve moet ik alzoo al dadelijk de uitspraak
van Dufour, dat daarin «geene» vezelen en «geen» spoor van
huid-structuur worden gevonden, ten stelligste weêrspreken, zooals
de gegeven teekeningen reeds op zich zelven bewijzen (zie fig. 6,
7 en 8). De uit den steel voortkomende spierbundel verdeelt zich
en verloopt, soms in drie takken, naar het midden en de beide
zijden van het ondoorschijnend gedeelte. De evenzoo uit den petiolus
doorloopende, gesplitste tracheën-stammen kunnen meermalen, in
steeds fijnere vertakkingen, verder naar beneden, zelfs soms tot
in de nabijheid van den palet-rand, worden vervolgd. Deze echter
heb ik, evenmin als de spieren, minder noodig geacht op de
bijgevoegde plaat af te beelden, zoo wegens ontbrekende ruimte
voor meer teekeningen, als omdat hunne kenmerken algemeen
bekend en bovendien door Prof. Hoffmann met zekerheid voor mij
bevestigd waren. Ik bepaalde mij, in fig. 8, alleen tot eenesterkere
vergrooting van het benedenstuk der palet en haren rand. Ofschoon
de bouw daarvan, —- volgens het oordeel van mijn’ raadsman,
geheel overeenkomende met de type der huid bij de Arthropoden , —
naar de soorten kan verschillen in de détails, is daarin nu
eens meer dan minder duidelijk, het voorkomen van som-
tijds zeer fraaie chitinogene lagen, — matrix-weefsel, — pig-
. ment, — en eene reeks van fijn gestreepte, verticale, poren-
kanaaltjes te onderscheiden. De laatsten vormen veeltijds een’
tusschenzoom tusschen de plooivormige papillen, met hare vreemde,
draad- en lis-vormige aanhangsels, en den uitersten glasachtig
OF SOLTUGIDEN, ENZ. 105
doorschijnenden limbus. Het geheel daarvan doet zich als het
ware als een gefestonneerd borduursel voor (zie fig. 7 en 8).
Op sommige praeparaten kwam het mij voor, dat de limbus ot
mantel-zoom gespleten was in eene vrije of afzonderlijke voorste
en achterste chitine-plaat, tusschen welken ik een verschil in
Focus meende te bespeuren. Te meer had ik daarop de aandacht
gevestigd, dewijl Latreille ter loops van eene eindiging in den
vorm van een’ trechter of «entonnoir» had gesproken. Bij eene zeer
kleine, slecht geconserveerde en mij niet bekende soort van Gluvia,
de eenige Galeodes van mij zelven, scheen mij insgelijks, doch
niet duidelijk, het uiteinde van den palet-rand klokvormig te zijn.
Wellicht echter ontstaat de schijn van een en ander slechts door-
dien de uiterste mantelrand der palet een min of meer schuinsch
verloop heeft. Dufour noemde hem «taillé en biseau». Ook zegt
hij uitdrukkelyk in zijne Mémoire: «la palette est fermée a sa
limbe»; en in zijn vroeger opstel in de geciteerde Annales
schrijft hij hierover nog sterker: «mes efforts pour y découvrir
«une composition bilamellaire, qui leur permet de s’en-
«trouvrir, ont été sans résultat ».
Dit komt dan trouwens overeen met zijne, ook door mij ge-
deelde, meening, dat de palet, waarschijnlijk, althans in het
midden uit eene verdubbeling der chitine-huid bestaande, aldaar
eene kleinere of grootere, gesloten tusschenruimte of
holte, bevat. Ter plaatse, namelijk, waar zij een sterker gepig-
menteerd, of althans donkerder, meer ondoorschijnend ge-
deelte 1), ook onder de loupe of den microscoop, vertoont , en waar
aan haar, reeds met het bloote oog, meermalen eene half bolvormige
oppervlakte is waar te nemen, heb ik, tot tweemalen toe, bij
het maken van dwarse doorsneden, een dropje melkachtig
wit, korrelig vocht zien uitvloeien. Het scheen mij eene
eiwit-houdende vloeistof, die in het spiritus-exemplaar door den
1) De bedoelde donkere plaats (zie fig. 6 en 7) ontbreekt bij sommige speci-
mina in de palet, die ik dan, eensluidend met de bevinding van Dufour, soms
ook te dier plaatse „tout à fait diaphane” heb bevonden, volgens zijne uitdruk-
king: „comme si la pulpe avait disparu”.
106 STUDIEN OVER DE GALEODIDEN
alcohol was gestremd. Een duidelijken cel-vorm vermocht ik er niet
in te onderscheiden. De « veronderstelling» van Dufour, dat bin-
nen de palet eene eigene «pulpe of humeur» is besloten,
schijnt mij toe, hierdoor eenige bevestiging te vinden 1).
39. De verrichting der heup-raketten. — Zoover mij bekend,
is het nog aan niemand gelukt, bij levende Solpugiden de functie
te bespieden der raketten, naar ik meen evenmin als die der in
structuur verschillende, doch in zitplaats overeenkomende, kam-
men (pectines, peignes, combs) der Scorpionidae. Als aan de onder-
vlakte van het lichaam voorkomende, vindt men beiden nergens als
zoogenaamde «sieraad-organen » beschouwd. Wel werd, zoo voor
dezen als voor genen, ter loops gewaagd van hunne bestemming
als borstels» voor het schoonmaken van sommige lichaamsdee-
len, — of ook als «steunsels» voor het lijf of de pooten bij het
loopen op gladde voorwerpen, — of, zooals voor de Schorpioenen,
zelfs als « Ton-apparate » of geluids-organen, gelijk aan die welke
bij vele insecten en sommige Araneiden worden aangetroffen 7).
Deze losse denkbeelden, vooral het laatste, verdienen geene ernstige
wederlegging, even weinig als nog een vierde geopperd vermoeden
omtrent hunne hulpverleening bij het «barings-proces» dezer
ovo-vivipara. Immers zouden zij in dit geval wel uitsluitend tot
de vrouwelijke individuen zijn beperkt 5).
Velen vergenoegden zich met zoowel de raketten als de kammen
«raadselachtige » orgaantjes te noemen, anderen met de uitspraak ,
1) Men zou een en ander wellicht slechts als een gevolg kunnen aanmer-
ken van het indringen van het bewaringsvocht; doch ik meen, dat de chitine-
bekleeding geene osmotische processen toelaat.
2) Landois (Thierstimmen S. 22) neemt ook Scorpio onder zijne musicale
Articulaten op, ongedachtig aan de anomalie, dat dan hier de wijfjes van
dezelfde instrumenten zouden zijn voorzien als de mannetjes. Hoe geringe be-
teekenis de Hoogleeraar zelf aan zijne, geheel uit de lucht gegrepen, hypothese
over deze kammen hecht, moge onder anderen blijken uit het feit, dat hij
niet alleen de laatsten niet afbeeldt, zooals voor zijne andere muziekanten,
maar zich vergenoegt met de teekening der rug-vlakte van een schorpioen,
terwijl het van algemeene bekendheid is, dat hunne kammen aan de buikzijde
worden gevonden !
3) Van de overige schrijvers door wie, of de plaatsen waar de bovengenoemde
veronderstellingen zijn gemaakt, verzuimde ik aanteekening te houden.
OF SOLPUGIDEN, ENZ. 107
dat hunne verrichting «onbekend » is of «nagenoeg in het duister
gelegen ». Nochtans werd sedert lang, door Pallas, Treviranus,
Latreille en anderen, — uit overweging dat de So/puga-raketten
en de Scorpio-kammen bij beide sexen voorkomen in de onmiddel-
lijke nabijheid der, mede voor mas en femina, grootendeels gelijk-
vormige en oppervlakkige, uitwendige genitaal-openingen, — ver-
ondersteld, dat tusschen hen eene nauwe functioneele ana-
logie bestaat, en dat zij beide in eenig, hoewel onzeker, verband
staan tot de geslachts-verrichting. In dien geest spreken
0. a, onder de nieuwere schrijvers, Simon, Thorell en Becker,
in de hoofdzaak vrij gelijkluidend, over de «schorpioen-kammen»,
hierop neérkomende: «que l’on en ignore le véritable usage, mais
«que tout fait croire, qu’ils servent à la réproduction» 1). De
over de natuur dezer organen zwevende onzekerheid vloeit voort
uit de moeielijke waarneming van den waren modus quo der copu-
latie, als in tegenstelling met dien der Araneiden, Phalangiden
en anderen, — waar die direct door aanschouwing is te consta-
teeren, — wegens de wederkeerige buikligging, in het verborgen
plaats vindende. De algemeene twijfel derhalve ten volle gewettigd
achtende, komt het mij toch voor, dat men de bijzondere verdiensten
van Dufour voor dit vraagstuk niet genoeg heeft erkend. Deze
scherpzinnige natuuronderzoeker is hier, bij het ontbreken van
positief bewijs, door inductie, ontleend aan ontleedkundige gege-
vens, reeds in staat gesteld geweest, zoowel voor Galeodes (loc.
cit.),
duisternis te ontsteken.
als vroeger nog meer voor Scorpio ?), eenig licht in deze
Voor beiden, geloof ik, met hem, eene tweeledige betee-
kenis voor de gezegde verrichting aan deze aanhangsels te mogen
toekennen, deels meer in den zin van gevoels-, deels bepaald in
dien van bewegings-orgaantjes.
1) Zie hunne, echter voornamelijk systematische, „Etudes sur les Scorpions
en Etudes scorpiologiques, respectievelijk in 1872, 1877 en 1880 gepubliceerd.
2) Men vergelijke daarover zijne klassieke Histoire anatomique et physiolo-
gique des Scorpions, in de Memoires de l’academie des sc. math. et phys. Tom.
XIV, 1856, p. 561.
108 STUDIEN OVER DE GALEODIDEN
Vooreerst namelijk mogen zij, zonder groote tegenspraak ,
reeds uit den aard hunner zitplaats en inrichting, beschouwd
worden, eene gelijksoortige functie uit te oefenen als de palpen
der Spinnen, t. w. tot het voorspel van den coitus. Bij de
eerste samenvoeging, ventre contra ventrem, kunnen zij zich, tot
opwekking, er onderling mede streelen. Reeds vóór Dufour echter
werd deze akte, voor Scorpio, zeer plastisch door Treviranus !)
volgenderwijze voorgesteld; «Mir ist es wahrscheinlich, dass diese
« Kämme eine Art Palpen sind, vermittelst welcher sich Männ-
«chen und Weibchen, bei der Begattung, durch wechsel-
«seitiges Streicheln, wollüstige Empfindungen erregen ».
Dufour meent daarvan, in zijne nadere anatomische nasporingen, niet
alleen voor de « peignes », maar ook voor de «raquettes» voldoende
overtuiging te hebben gekregen. Beiden noemt hij bepaald «des
organes tactiles» of «des organes de volupté», in de eerste
plaats bestemd ter «titillation réciproque».
Ten tweede heeft onze schrijver, naar ik meen oorspronkelijk ,
het eerst voor de Scorpioniden, eenige jaren later voor de Galeo-
diden, op zeer aanneembare gronden, uiteengezet, dat deze appen-
dices nog een ander, veel gewichtiger, mechanisch aandeel aan de
copulatie kunnen nemen, t. w. als grijjp-organen, als zooge-
naamde «organes prehensifs». De tanden der kammen meer be-
paaldelyk , maar ook de paletten der raketten van de mannetjes en
wijfjes zouden onderling ineengrijpen (s’engrener) en door hunne
«engrenage réciproque» eene nauwere verbinding tusschen beide
geslachten bewerken dan die, welke overigens ook hier door het
gewone vasthouden met de pooten gevormd wordt. Tot juist begrip
van de beteekenis eener hier exceptioneel meer noodzakelijke,
wederkeerige directe aaneensluiting der beide genitaal-spleeten,
vergelijke men hetgeen in het eerste gedeelte dezer Studiën over de
hoogst eenvoudige inrichting van de uitwendige sexuaal-organen
bij de Solpugae, — in de hoofdzaak overeenkomstig met die bij
de Scorpiones, — is vermeld. Alleen-op de gezegde wijze kan bij
1) Ueber den inrern Bau der Arachniden, 1812. S. 11.
OF SOLPUGIDEN, ENZ, 109
deze dieren het, tot vruchtbaren coitus gevorderd, innig plaatselijk
contact hunner geslachts-openingen in de boven abdominaal-streek ,
naar vereischte tot stand komen. Daartoe kunnen de besproken
aanhangsels zeer geschikt als hulp-organen !) optreden, naar
de uitdrukking van Dufour, strekkende zoo tot « maintien de la
posture difficile dans l’accouplement », als ter bevordering «de
l’intromission difficultueuse du sperme ».
Van groot aanbelang voor de juistheid eener zoodanige beschou-
wingswijze is het voorkomen van een gelijksoortig auxiliair-toestel
voor de copulatie onder analoge bezwarende omstandigheden (spleet-
vorm der voortplantingswerktuigen in de beide sexen, bij ontbre-
kende of zeer onvolkomen roede) nog in eene andere orde der
Arachniden, t. w. de Acarina. Voor dezen heeft ons geacht medelid
A. C. Oudemans Jsz. ?) gewezen op waarnemingen hieromtrent,
hoezeer bij wijze van uitzondering voor een paar hunner groepen,
namelijk bij verscheidene Hydrachniden en Trombididen. Ook hier
bevinden zich, nog meer blijkbaar ter betere onderlinge aanhechting
der genitalia externa bij de mares en feminae, eigene kolfvormige
zuig-napjes 3) ter weérszijden daarvan, die slechts bij den
coitus als « Haft-Organe» in werkdadigheid schijnen te komen.
Onder andere anatomische gronden voor eene zoodanige bestem-
ming der tand-kammen bij-de Schorpioenen 4), mag ik met
1) Als zoodanig oppert Dufour ook nog het vermoeden , dat de knotsvormige
papillen en kromme doornen aan de poot-tarsen van Galeodes barbarus Luc. en
misschien andere soorten, mede dienstig kunnen zijn tot bevordering van het
hier bedoeld onderling verband.
2) Zie Tijdschr. voor Entom. dl. XXVI, Verslag, blz. cxLvın.
3) Schetsteekeningen daarvan en van hunne genitalia externa had Oudemans
later de goedheid, mij op mijn verzoek toe te zenden voor Hygrobates longipalpis
Herm. 4 et 2, ontleend aan Haller, Arten und Gattungen Schweizer Hydrach-
niden, in Miftheil. der naturf. Gesellsch. in Bern, n°. 1020 (1882) Taf. I,
fig. 9 u. 10.
4) Dufour geeft in zijne aangehaalde „Histoire etc.” geen oorspronkelijke
teekeningen van de „peignes”, doch verwijst daarvoor naar de eenvoudige
afbeeldingen van Savigny. Zelf beschrijft hij die, als te bestaan uit „des
dents mobiles”, verticaal geplaatst op evenveel „bulbes ou tuber-
cules”, welke zich in de daaronder liggende (horizontale) , baguettes
articulées” bevinden. Desgelijks zonder teekening worden de kammen (in
het Engelsch ,combs” genaamd) later door Thorell, volgens mijne verge-
110 STUDIEN OVER DE GALEODIDEN
Dufour wijzen op de gladde oppervlakte van dezen, op hunnen
vorm, gekenmerkt, ook volgens mijne eigene waarneming, door
de schuin toeloopende, als mesvormig scherpe zijden hunner tanden
en op de, voor samengestelde bewegingen zeer eigenaardig inge-
richte basaal-lagen, waarop zij zijn ingeplant. In hunne lamellae
dorsuales heb ik, met Thorell, duidelijk bundels van wille-
keurige of dwarsgestreepte spieren zien verloopen, terwijl Dufour
eene afzonderlijke zenuw voor de pectines heeft ontdekt. Volgens
een en ander leenen deze zich, naar zijne uitdrukking, « admira-
blement à cette délicate manoeuvre », waarvan hierboven sprake was.
Voor de raketten der Galeodiden , — bij welken de aanhangsels
niet aan het onderborststuk, maar aan de achterpooten bevestigd
zijn, — moet, tot verklaring der mogelijkheid hunner actieve mede-
werking door vaststrengeling bij de copulatie, vooral acht worden
gegeven op hunnen opgerichten stand en op de plaats hunner
inplanting op de heupen. Immers wanneer men de achterpooten
der Solpugae benedenwaarts uitstrekt en alsdan naar elkander toe
beweegt, zal men waarnemen, dat de paletten juist den geheelen
omtrek der ovalaire genitaal-spleet omvatten!
Mocht al het ineenschuiven van de kam-tanden der Schorpioenen ,
bij hunne meerdere vastheid en grooter aantal, gemakkelijker tot
stand komen dan de aanhechting van de heup-raketten der Ga-
leoden, toch laat zich ook de laatste zeer wel verklaren. Hunne
sterk gespierde steel mag ten deze vergeleken worden met de
gespierde dorsaal-lamelle der kammen, en hun bewegelijk ge-
lijking nauwkeuriger, beschreven, als, — behalve uit de kam-tanden, de ,dentes”
of „teeth”, — gevormd uit de onmiddellijk daaronder aanwezige „fulcra den-
tium” of ,lamellae fulcientes”, die op eene meer of minder aanzienlijke
laag van „lamellae intermediae rusten en deze op hare beurt op eene
meer stevige, onder- of basaal-laag, die der balkvormige „lamellae dorsu-
ales”, welke ter weérszijden onder aan den zijrand van het sternum ontspringen
(On the Classification of Scorpions in Ann. and Magaz. of Natur. History,
Januari 1876). — De inwendige bouw en samenstelling dezer organen, vooral
die van hunne hoogst eigenaardige , bulbes” of ,fulcra”, — die mij toeschijnen
eene soort van katrol-werking tusschen de basis der tanden en hunne deels
spierachtige onderlagen te kunnen uitoefenen, — verdienen m. i. de hooge
aandacht der histologen. De genoemde onderdeelen der kammen laten zich
overigens reeds zeer goed met de loupe onderscheiden.
OF SOLPUGIDEN , ENZ. 111
ledingspunt met dat van de fulcra der tanden ; terwijl de palet zelve,
bij hare min of meer hoekige gedaante en afgeplatte chitine-randen ,
evenzeer tot eene tijdelijke samenvoeging met die van een tegen-
overgestelden raket in staat schijnt te zijn.
Desniettemin zou de opmerking kunnen worden gemaakt, dat
de fijnere en meer teedere bouw der paletten twijfel doet rijzen,
of zij, even goed als de meer hoornachtige kammen, als grijp- of
« Haft-Organe » kunnen werken. Hoe gegrond zulks ook schijnt,
moet niet uit het oog worden verloren, dat de palet-werking recht-
streekschen steun ontvangt van de heup- en trochanter-pootleden
zelven, die daarentegen aan de kam-werking geen aandeel hebben.
Maar bovendien is het vermoeden gewettigd, dat de palet, onder
den invloed van den aestus venereus, eene meerdere vastheid kan
aannemen, door hierbij in opzwelling te geraken. Of Dufour
recht heeft, de laatste als eene «turgescense érectile» te quali-
ficeeren, zou ik niet durven onderschrijven, zoo op grond van
het ontbreken van bloedvaten, als wegens mijne onbekendheid met
de histologische kenmerken van het zoogenaamde erectiele weefsel ,
en ook omdat Prof. Hoffmann däärvan, voor mijne door hem
onderzochte praeparaten, geene melding heeft gemaakt. Alzoo
afziende van dit denkbeeld eener bepaalde «erectie» van de palet,
is het toch niet ondenkbaar, dat deze, tijdens de copulatie, langs
een anderen weg een grooter weerstandsvermogen kan verkrijgen,
immers indien Dufour’s meening, door mij ten deele bevestigd
gevonden, juist is, dat binnen de verdubbeling der palet, eene,
hetzij met eenig «gelei-achtig» (?), hetzij met eenig «eiwit-
houdend» vocht, gevulde holte bestaat.
In dat geval zou, eenvoudig door spiersamentrekking binnen
den raket, de steel verkort, — de palet opgetrokken of in hare
geleding omgekanteld, — hare tusschenruimte verkleind, — de
daarin besloten vloeistof onder verhoogde drukking gebracht —
kunnen worden, en alzoo het geheele orgaantje tijdelijk in stevigheid
kunnen toenemen.
En hiermede vertrouw ik, het vermoeden » omtrent de functie
van de heup-raketten der Galeodiden, zoo door anatomisch en
112 STUDIËN OVER DE GALEODIDER.
histologisch, als door vergelijkend-ontleedkundig onderzoek met die
der kamtanden van de Scorpioniden, alsmede door hunne analogie
met de zuignapjes van sommige Acarinen, tot iets hoogere «waar-
schijnlijkheid» te hebben gebracht. De eventueele bevestiging hiervan.
door meer bevoegden zal echter m. i. eerst dan ten volle worden
verkregen, wanneer het dezen of genen natuuronderzoeker, op
het terrein zelf der Zuid-Europeesche of tropische gewesten, waar
zij leven, eenmaal mocht gegeven zijn, den bij herhaling en
vurig uitgesproken hartewensch van Dufour te kunnen vervullen:
«de devenir témoin oculaire des ébats amoureux de ces fiers
Arachnides du desert ».
VERKLARING DER AFBEELDINGEN
op Plaat 6.
Fig. 1. Raketten, natuurlijke grootte, in situ, van Galeodes
intrepidus Duf. (naar Kittary).
» 2. Id. id., en 2a vergroot, van G. melanus Oliv. (naar
Savigny).
» 3. Id. id. id. van G. xigripalpis Duf. (naar Dufour).
=
Id. id. id. van @. barbarus Luc. (naar Dufour).
» ©. Raketten van G. araneoides Pall. (?) en 5a, varietas,
vergroot (naar Savigny).
» 6. Raket van G. araneoides Pall., bij 50 à 100-malige
vergrooting.
» 7. Raket van G. wigripalpis Duf., bij 50 à 150-malige
vergrooting.
» 8. Palet-rand van denzelfden, bij 300-malige vergrooting.
Er ie Oe oie
DER
IN NEDERLAND VOORKOMENDE KEMIPTERA.
EERSTE GEDEELTE.
HEMIPTERA HETEROPTERA.
DOOR
Mr- A. J. F. FOKKER.
N°. 2. (Vervolg van deel XXVI, blz. 234).
Addenda tet n°. 1.
Carpocoris baccarum L. Fn. nov. sp. — Een exemplaar
te Maastricht door Mr. Maurissen gevangen.
Fam. IV. LYGAEIiDAE.
Lygaeus F.
equestris L. — Eodem nomine bij S. v. V., p. 91. — Zeer
zeldzaam. Vele jaren geleden ving de heer Gerlach in
Friesland een 9. In eene inlandsche colleetie van den heer
Groll vond ik een paartje zonder nadere aanwijzing der
localiteit.
+ saxatilis Scop. Fn. nov. sp. — Een ex. te Maastricht door
Mr. Maurissen 1).
1) In Belgie bovendien Z. venustus Boek. , apwans Rossi, puretatoguttatus F.
en Arocatus Roeselii Sehml.
8
114 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
Nysius Dall.
Thymi Wolff. — Cymus Ericae Schill. bij S. v. V., p. 131. —
Gevangen in Holland, Utrecht en Gelderland, soms hier en
daar in aantal; ook ving ik een paar te Steenwijk 7.
Senecionis Schill. Fn. nov. sp. — Hiervan bezit ik een drietal
exemplaren, door den heer Groll te Haarlem 8 gevonden.
Zal wel meer in ons land voorkomen, doch verward zijn
met de vorige.
+ Jacobeae Schill. Fn. nov. sp. — Een ex. in de collectie van
Vollenhoven op ’s Rijks museum; gevangen Duin 8, S. v. V.
Cymus Hahn.
glandicolor Hahn. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 132. —
Breda 10, Heylaerts; gemeen op eiken te Driebergen,
Six; Scheveningen 6 en Voorschoten 7, S. v. V.; Haar-
lem 7 en 8, Texel 6 en Vorden 7, Groll; Wageningen 7
en Assen 7, Fokker.
claviculus Fall. — Eodem nomine by S. v. V. p. 131. —
Gemeen bij Utrecht, Six; voorts gevangen bij Wassenaar
en te Groningen, door Dr. Piaget bij den Haag, door den
heer Groll te Ruurlo 7, en door mij te Zierikzee 9 en te
. Renesse 8.
Ischnorhynchus Fieb.
Resedae Panz. (didymus Zett.). — Cymus Resedae Pz. bij S. v. V.
p. 129. — Verspreid in alle provincien.
Ischnodemus Fieb.
Sabuleti Fall. — Micropus decurtatus H. S. bij S. v. V. p.
125. — De forma brachyptera te Vlissingen, de Man,
2 ex. en la Fontijn; de forma macroptera te Rhoon door
den heer Schepman.
Geocoris Fall.
grylloides L, — Eodem nomine bij S. v. V. p. 133. — Niet
zeldzaanı bij de Bilt, 7 en 8, Six; Utrecht, Dr. van
Hasselt; den Haag 7, verscheidene ex., S. v. V. en Piaget;
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 115
Scheveningen 7, Ritsema; Haarlem 8, Groll; Renesse 8,
Fokker.
+ siculus Fieb. Fn. nov. sp. — Twee ex. bij Vlissingen door
ater
Luitenant La Fontijn. Ten onrechte zijn deze door S. v. V.
bestemd als pallidipennis Costa. De heer La Fontijn deelde
mij met de meeste bereidwilligheid een ex. ter bezichtiging
mede en dit is zeker siculus; pallidipennis is eene meer
zuidelijke soort.
F. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 134. — Een 9, te
Driebergen 7 door den heer Six gevangen, is in mijn
bezit; ook moet volgens mijne aanteekening een voorwerp
van dezelfde localiteit in de collectie van v. Vollenhoven
staan.
Heterogaster Schill.
Urticae F. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 127. — In alle
provincien gevangen. i
Plociomerus Say, Fieb.
fracticollis Schill. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 95. —
Een ex. den Haag 10, Leesberg; een te Arnhem 5, v.
M. de Rooij; en 2 ex. Breda 5, Heylaerts 1).
Plinthisus Westw.
pusillus Scholtz. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 113. — Is
zeer zeldzaam. Ik bezit een voorwerp, gevangen te Wasse-
naar 4 door S. v. V.; ook heeft de heer Heylaerts haar
bij Breda gevangen.
brevipennis Latr. — S. v. V. noemt p. 122 twee soorten,
PI. brevipennis Latr. en bidentulus H. S. De laatste is
eigenlijk de macroptere vorm van de eerste. Alle voor-
werpen echter, door hem als didentulus gedetermineerd,
zijn ook brachypter en behooren tot drevipenuis; alleen zijn
‘ de elytra minder donker en roodachtig, wat waarschijnlijk
1) In Belgie ook P7. /wridus Hahn,
116 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
komt doordat de voorwerpen nog niet goed uitgekleurd
waren. Deze immature exemplaren zag hij derhalve, naar
het schijnt, aan voor bedentulus H. S.
Pl. brevipennis werd gevangen in aantal te Breda 9,
Heylaerts; Scheveningen 6, Driebergen en bij Utrecht,
Six; 2 ex. op Vlieland, Ritsema; Wassenaar 6, S. v. V.;
in Nederland, Groll.
De macroptere vorm (bidentulus H. S.) is nog niet in
ons land aangetroffen.
Ptertometus Am. Serv.
staphylinoides Burm. Fn. nov. sp. — Een enkel voorwerp,
Wolfheze 7, Fokker 1).
Macrodema Fieb.
micropterum Gurt. Fn. nov. sp. — S. v. V. p. 120 noemt
deze soort verkeerdelijk Z/schnocoris hemipterus Schill. ,
welke, voor zooveel mij bekend, nog niet in ons land
gevangen is, doch misschien wel in inlandsche collectien
gevonden wordt, daar deze Staphylinus-achtige Lygaeiden ,
allen brachypter en zwart met bruine elytra, zeer sterk
op elkaar gelijken. Daarom kan ik ook als zekere vind-
plaatsen alleen opgeven een ex. Utrecht, Six, en een
Steenwijk 7, Fokker.
Pionosomus Fieb.
varius Wolff. — Drymus varius bij S. v. V. p. 109. — Is in
de duinen gemeen en aldaar (volgens S. v. V.) des zomers
te vinden aan de wortels van Jasone montana. Ook op de
heide,
Rhyparochromus Curt.
praetextatus H. S. — Drymus praetextatus bi S. v. V. p,
114. — Is niet zoo zeldzaam als v. V. 1. c. zegt. De
heer Ritsema ving een zestal op Vlieland 5; voorts te
1) In Belgie ook Tropistethus holosericeus Scholtz en Ischnocoris punctulatus
Fieb,
VOORKOMENDE IHEMIPLHIRA. 117
Velzen 6, Everts; Loosduinen 5, Leesberg; den Haag 4,
S. v. V; en Haarlem 6 en 7, Groll.
dilatatus HA. S. — Drymus dilatatus bij S. v. V. p. 141. —
Als vertrouwbare inlandsche vindplaats noem ik alleen
Breda 3, Heylaerts.
chiragra F. — Drymus chiragra bij S. v. V. p. 113. — Ook
niet zoo zeldzaam als S. v. V. zegt. In Holland en bij den
Haag, S. v. V.; Arnhem 9 en 5, v. M. de Rooij; de
Bilt 4, Six; Groningen, de Gavere; en Haarlem, Groll.
sabulicola Thoms. Fn. nov. sp. — Twee exemplaren in mijne
collectie; het eene is gevangen door den heer Groll te
Haarlem 4, het andere door Jhr. Dr. Everts, den Haag 5. !)
Acompus Fieb.
rufipes Wolff. -— Eodem nomine by S. v. V. p. 124. —
Utrecht 5, Six; Harmelen, Leesberg; allen brachypter.
De macroptere vorm te Vorden 6, Groll en te Breda, Hey-
laerts.
Stygnus.
rusticus Fall. Fn. nov. sp. — Is niet de Peritrechus rusticus
Fall. bj S. v. V. p. 117. De door hem zoo genoemde
voorwerpen behooren allen tot de volgende soort, Hoe hij
tot deze verwarring komen kon, is mij niet recht duidelijk;
rusticus immers is brachypter (ten minste op hoogst zeldzame
uitzonderingen na), arenarius daarentegen steeds macropter.
Rusticus werd alleen gevangen te Renesse 8 en een
zestal te Zierikzee 9, door mij zelven, en te Vorden 7,
door den heer Groll. — Van de zeer zeldzame forma macroptera
(incanus Fieb.), die enkele malen in Engeland en Finland,
maar nog niet in Frankrijk gevonden is, ving ik een
exemplaar te Zierikzee 8.
1) In Belgie ook Rhyparochromus antennatus Schill, en Lasiosomus enervis H.S.
118 CATALOGUS DER IN NEGERLAND
arenarius Hahn, Fn. nov. sp. — De Peritrechus rusticus van
S. v. V. — Verspreid. Zal wel in alle provincien op drooge
gronden voorkomen.
sabulosus Schill. — Peritrechus sabulosus bij S. v. V. p. 118. —
Op verschillende plaatsen gevangen.
Peritrechus Fieb.
geniculatus Hahn, Fn. nov. sp. — S. v. V. p. 116 noemt
verkeerdelijk deze soort wubilus. Hij spreekt in zijne be-
schrijving van de zeer uitpuilende oogen», terwijl juist
een groot verschil van de eigenlijke nubilus met geniewlatus
hierin bestaat, dat de eerste geen sterk uitpuilende oogen
heeft, de laatste wel. De soort werd gevonden bij Haarlem
door den heer Buse; te Breda 4, Heylaerts; den Haag 6,
van der Wulp; Brummen 8, S. v. V.; en Utrecht, Piaget.
nubilus Fall. Fn. nov. sp. — Vorden 7 en Apeldoorn 8, Groll.
luniger Schill. — Eodem nomine bi S. v. V. p. 115. —
Arnhem 4, v. M. de Rooij; Middelburg 10, Gerth v. Wijk;
Breda 4, Heylaerts; Haarlem 7, Groll.
Trapezonotus Fieb.
nebulosus Fall. — Peritrechus nebulosus bij S. v. V. p. 117. —
Den Haag, Six; en 3 stuks te Scheveningen 4, van Has-
Selten Sven;
agrestis Fall — Drymus agrestis bij S. v. V. p. 106. — Op
de duinen, heide en drooge gronden niet ongemeen.
Merkwaardig is de vondst door Generaal van Hasselt in
den vorigen zomer te Rolde 7 van een brachypter 2, daar,
volgens Dr. Puton, deze vorm, die wel een membraan
heeft doch een korter dan het abdomen, alleen gevonden
werd bij exemplaren van de Alpen en Pyreneén.
dispar Stäl Fn. nov. sp. — In de collectie der Entom. Vereeni-
ging stond een d dezer soort (Leiden 4, v. Voll.) als varie-
teit der vorige, waarop dispar dan ook zeer gelijkt. Zij
zal wel meer daarmede verward zijn in de collecties. !)
1) Im Belgie ook Zr, distinguendus Flor en Microtoma carbonaria Rossi.
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 119
Pachymerus Lep. Serv.
+ Rolandri L. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 102. — Een
enkel exemplaar in de collectie van v. Vollenhoven, gevan-
gen te Arnhem door den heer van Medenbach de Roojj.
lynceus F. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 100. — Duinen
van Holland door verschillenden, ook te Breda 4, Heylaerts;
en te Haarlem 5 en 7, Groll.
Pini L. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 98. — Niet zeldzaam
in Utrecht en Gelderland; ook te Venlo (van den Brandt).
phaenicius Rossi. — Eodem nomine bij S. v. V. in 7%jdschr.
v. Entom. dl. XXII p. 228. — In Gelderland door ver-
scheidenen; te Rolde 7, Fokker; Delft, Leesberg; en Hil-
Vversum i S..v. V.
+ quadratus F. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 101. —
Is volgens hem gevangen in 2 ex. op de duinen bij den
Haag 7, door de heeren Six en Snellen v. Vollenhoven. ')
Beosus Am. Serv.
luscus F. — Pachymerus luscus bij S. v. V. p. 102. — Katwijk,
Perin; Scheveningen 7 en Rozendaal 3, Ritsema; eveneens
Scheveningen 10, Six; Oosterbeek 7, van Hasselt; en
Haarlem 5 en 8, Groll.
Emblethis Fieb.
+ Verbasci F. Fn. nov. sp. — Verkeerdelijk beschreven door
S. v. V. p. 96 onder den naam van Pachymerus (Emblethis)
griseus Wolff. Emblethis griseus Wolff is niet inlandsch.
De heer La Fontijn zond mij zijn ex. ter bezichtiging.
Verbasei is alleen gevangen in 2 exemplaren op Walcheren
8, door den heer La Fontijn.
Gonianotus Fieb.
marginepunctatus Wolff. — Pachymerus marginepunctatus
bij S. v. V. p. 97. — Gevangen in Utrecht, Gelderland
1) Im Belgie bovendien P. adspersus M. et R., vulgaris Schill. en pedestris
Panz.
120 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
en Zuidholland, soms in aantal cp de duinen onder
Galvum.
Eremocoris Fieb.
erraticus F. — Pachymerus erratieus bij S. v. V. p. 105. —
Arnhem 9, v. M. de Rooij; Utrecht, v. Hasselt; Breda 7,
Heylaerts; op Walcheren, La Fontijn.
plebejus Fall. — Pachymerus plebejus by S. ve V. p. 106. —
De vindplaatsen, door S. v. V. opgegeven, zijn niet allen
vertrouwbaar, daar hij de soort wel eens verwarde met
Rhyparochromus chiragra; als zeker geef ik slechis op:
Endegeest 8, Ritsema; Utrecht, Six; Arnhem 4, v. M.
de Rooij; en Haarlem 10, Groll. 1).
Drymus Fieb.
sylvaticus F. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 110. —
Gevangen in Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en
Brabant, doch niet gemeen.
brunneus Sahlb. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 111. —
Door verscheidenen aan den Hollandschen duinkant ge-
vangen. Drymus notatus Fieb., bij S. v. V. p. 142 als
afzonderlijke soort opgegeven, naar een exemplaar door den
heer Ritsema bij Warmond gevangen, is synoniem met
brunneus, en het bedoelde voorwerp is een immature brunneus.
pilicornis M. et R., Fn. nov. sp. — Een tweetal exem-
plaren door den heer Groll bij Haarlem 9.
Scolopostethus Fieb.
pictus Schill. — Pachymerus pictus bij S. v. V. p. 103. —
In Utrecht, Six; in Holland, Fransen.
decoratus Hahn, Fn. nov. sp. — Zal wel overal voorkomen.
1) In Belgie ook E. alpinus Garb. var. icaunensis Pop.
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 124
affinis Schill. Fn. nov. sp. — (Deze en de vorige soort werden
door S. v. V. beschouwd als verscheidenheden van pictus).
Gemeen.
Van den macropteren vorm bezit ik een ex. door den
heer Groll bij Vorden 10 gevangen.
adjunctus Dgl. & Sc. Fn. nov. sp. — Een tweetal ex. te
Haarlem 9 door den heer Groll.
Notochilus Fieb.
contractus H.S. — Pachymerus contractus bij S. v. V. p. 104. —
Utrecht, Six; Breda 3, Heylaerts; op Walcheren, Gerth
v. Wijk; Haarlem 4, Groll; en Zierikzee, 4, 8 en 9,
Fokker.
Gastrodes Westw.
Abietis L. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 93. — Heem-
stede 3, in aantal, S. v. V.; in Holland, Groll; Brum-
men, van Walcheren; Ruurlo 6, Leesberg; Utrecht 9, A.
C. Oudemans; en Kloetinge, Fokker.
ferrugineus L. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 93. — Is
gemeener dan de vorige en in de meeste provincien aan-
getroffen.
Pyrrhocoris Fieb.
apterus L. — Eodem nomine bi S. v. V. p. 86. — Niet
zeldzaam.
Fam. V. TINGITIDAE.
Piesma Lep. et S.
quadrata F. — Zosmenus quadratus bij S. v. V. p. 139. —
Op Walcheren, La Fontijn; Zierikzee 3, 5, 7 en 8,
Fokker.
capitata Wolff. — Zosmenus capitatus Wolff bij S. v. V. p.
137. — Driebergen 6, Six; Haarlem 8 en Vorden 7
Groll.
maculata Lap. — Zosmenus Laportei Fieb. bij S. v. V. p. 138. —
122 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
Gevangen in Utrecht, Zeeland, Drenthe, Gelderland,
Brabant en Holland.
Serenthia Spin.
laeta Fall — Agramma laetum bij S. v. V. p. 285. — Den
Haag, Six; Breda 4, Heylaerts; den Haag 9 en Noordwijk
6, Everts; Haarlem, Groll; Renesse 8 en Zierikzee 5, 7.
en 9 (een paar malen in ontzettende hoeveelheid), Fokker.
Campylostira Fieb.
verna Fall. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 282. — Zeldzaam;
slechts door den heer Six bij Utrecht gevangen.
Orthostira Fieb.
De soorten van dit geslacht zijn niet gemakkelijk te de-
termineeren , door het verschil der brachyptere en macroptere
vormen, en vooral door hunne zeldzaamheid en dientenge-
volge het gering getal van beschikbare exemplaren. S. v. V.
combineerde dit geslacht met Monanthia. Gelijk men hier-
onder zal zien, zijn ongeveer alle soorten bij hem verkeerd
gedetermineerd.
cervina Germ. — Monanthia cervina bij S. v. V. p. 270. —
Een paar voorwerpen door den heer Six bij Driebergen.
? platychila F. Fn. nov. sp. — Ik bezit twee exemplaren ,.
gevangen door den heer Six te Utrecht 7 en door S. v. V.
p. 277 als Monanthia nigrina beschreven, die waarschijnlijk
tot de forma macroptera van platychila behooren. De ma-
croptere vorm der soorten van dit geslacht is echter zoo
zeldzaam, dat zelfs Dr. Puton, wien ik de ex. mededeelde ,
niet met zekerheid ze bestemmen kon, daar hij van deze
soorten geene macropteren bezat. Deze vangst van den
heer Six is dus hoogst merkwaardig.
nigrina Fall. Fn. nov. sp. — Wel beschrijft S. v. V. p. 277
eene Monanthia nigrina en geeft als localiteit op: Utrecht,
Six en Heemstede, S. v. V., doch de voorwerpen van den
VOORKOMENDE HEMIPTERA, 123
heer Six waren bovengenoemde / platychila en dat van S.
v. V. zelven was de macroptere vorm van 0. parvula.
Hij beschrijft echter p. 280 eene Monanthia carınata Panz ,
en wat hij daarvoor hield, is de eigenlijke negra Fall.
Alleen een paar exemplaren zijn door den heer Six bij
Driebergen 7 gevangen.
macrophthalma F. Fn. nov. sp. — Eenige ex. door den heer
Six bij Driebergen.
parvula Fall. — Omtrent deze soort heerscht groote verwarring
bij S. v. V. Hij beschrijft namelijk p. 278 eene M. parvula
Fall. en p. 281 J. obscura H. S. Die soorten zijn evenwel
synoniem. Alle voorwerpen van obscura H. S., S. v. V.
behoorden tot parvula; daarentegen vond ik onder zijne
parvula Fall. allerlei soorten door elkander, o. a. de voor-
gaande macrophthalma. Dat er van dit geslacht macroptere
vormen bestaan, schijnt aan den heer van Vollenhoven
onbekend te zijn geweest, hetgeen niet weinig tot deze
verwarringen heeft bijgedragen.
De heer Ritsema deelde mij alle inlandsche exemplaren
van het museum te Leiden en van de collectie S. v. V.
mede.
De forma brachyptera werd gevangen: den Haag, Glip- _
hoeve, Velzen 6 en Loosduinen 5, door S. v. V.; den
Haag, Six; Haarlem 8, Groll; en Breda 4, Heylaerts.
De forma macroptera, die zeer zeldzaam is, werd bij
ons te lande in verscheidene ex. gevangen, als twee stuks
op de Gliphoeve, door S. v. V.; een den Haag, Six (allen
op ’s Rijks museum); een te Driebergen, Six; en een te
Bussum. 1)
Dictyonota Curt.
crassicornis Fall. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 268. —
1)
- Driebergen, Six; Gorinchem, Everts; en Wageningen 7, Fokker.
In Belgie is een enkele maal gevangen O. brunnea Germ.
124 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
var. erythrophthalma Germ. (pilicornis H. S.) een ex. Drie-
bergen, Six; een Wageningen 7, Groll; en een Zierikzee
9, Fokker.
fuliginosa Costa, Fn. nov. sp. — Een tweetal exemplaren den
vorigen zomer te Rolde 7, Fokker. _
strichnocera Fieb. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 269. —
Een exempk te Venlo (v. d. Brandt); en twee te Vorden,
6, Groll.
Derephysia Spin.
folvacea Fall. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 284. — Drie-
bergen en Utrecht, niet zeldzaam, Six; Leiden, Perin; in
het duin van Waalsdorp, Six en S. v. V.; Haarlem 8,
Groll.
Galeatus Curt.
maculatus H. S. Fn. nov. sp. — Een enkel voorwerp, te
Wageningen gevangen, ontving ik van Dr. Ritzema Bos.
Tingis F.
Oberti Kol. Fn. nov. sp. — Eene zeer merkwaardige soort, die
nog slechts aangetroffen is in Lijfland, Finland, Zweden
en onlangs ook in Oostenrijk. Op onze excursie den vorigen
zomer te Assen 7 werden daar een veertigtal exemplaren
gevangen in het Asser bosch op Vaccinium vitis-idaea.
Monanthia Lepel.
Cardui L. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 272. — Gemeen.
+ ciliata Fieb. — Eodem nomine bij 8. v. V. Z%jdschr. v. Entom.
dl. XXII, p. 230. — Een enkel exemplaar werd gevonden
door den heer Ritsema in het duin bij Bloemendaal 7 (in
de collectie v. Vollenh.).
costata Fieb. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 272. — Mid-
delburg 6, Leesberg; Arnhem 4, v. M. de Rooij; Breda
5, 6, Heylaerts en Leesberg.
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 125
dumetorum H. S., Fn. nov. sp. — Is de soort, door S. v. V.
p. 276 quadrimaculata Wolff genoemd. Wat hij aldaar
zegt omtrent het door elkander op denzelfden. boom voor-
komen van guadrimaculata en dumetorum, die volgens hem
slechts varieteiten van dezelfde soort zijn, is bepaald eene
onjuistheid. Daar dwmetorum zeer varieert in kleur en
teekening, hield hij lichtere voorwerpen voor quadrimacu-
lata, de sterker geteekende voor dumetorum. De eigenlijke
quadrimaculata, die nog niet in Nederland is aangetroffen,
onderscheidt zich van dumetorum, doordat de eerste heeft
den rand der elytra met drie rijen cellen aan de basis ,
vier in het midden en twee aan het einde, en bij de tweede
de geheele rand twee rijen cellen heeft en aan het laatste
gedeelte ééne rij.
M. dumetorum komt in alle provincien voor, op en onder
boomschors, vooral van oude pereboomen, soms in grooten
getale en in allerlei kleurverscheidenheden. 1)
Wolffii Fieb. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 275. — Velzen
6, Everts en Piaget; Middenduin bij Overveen 3, Ritsema ;
Haarlem 6, 9, op Æchium in vele ex. Groll; Wassenaar,
Six; Valkenburg (Limburg) 7, Fokker.
Humuli F. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 274. — Gevonden
in Holland door verscheidenen (door den heer Groll op
Myosotis); de soort schijnt daar niet zeldzaam ; overigens
is zij nog alleen in Utrecht gevangen door den heer Six.
vesiculifera Fieb. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 276. —
Bij Rotterdam op Symph. officinale, Snellen; in Holland,
Fransen; Breda, Heylaerts; en den Haag, Everts.
Fam. VI. PHYMATIDAE.
Phymata crassipes is tot nog toe niet in ons land gevonden,
_ evenmin in Belgie en het département du Nord.
i) In Belgie is op eene enkele plaats nóg gevangen M. simplex H. Si
(scapularis Fieb.).
126 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
Fam. VII. ARADIDAE.
Aradus FE.
cinnamoneus Panz. — A. leptopterus Germ. bij S. v. V.
p. 262. — De forma brachyptera te Beek 6 en te Drie-
bergen 9, Six; Breda 12, Heylaerts; — de forma ma-
croptera: Wolfhezen 8, Snellen; den Haag 8, Sterkenburg
8 en Soestdijk 8, S. v. V.; Bunde 8, Maurissen; Breda
12, Heylaerts; Middelburg 8, 9, de Man; Vorden 6, 7
en Apeldoorn 8, Groll. — Alle voorwerpen die ik zag,
zijn wijfjes.
depressus F. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 261. — Op
verscheidene plaatsen in Holland, Utrecht en Gelderland
gevangen; ook te Breda (Heylaerts 2); en te Zierikzee 3,
Fokker.
Aneurus Curt.
laevis F. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 264. — Breda,
Heylaerts; en een 4 te Voorst, 6, S. v. V.
Fam. VIII. HEBRIDAE.
Hebrus Curt.
pusillus Fall, — Eodem nomine bi S. v. V. p. 288. — Van
deze soort werden op kroos eenige ex. gevangen bij Drie-
bergen door den heer Six; Leiden 4, door Perin; en een
zestal door mij bij Zierikzee in brak water.
Fam. IX. HYDROMETRIDAE.
Hydrometra Latr. !) .
stagnorum Latr. — Limnobates stagnorum bij S. v. V. p. 323. —
Gemeen.
Microvelia Westw.
pygmaea Duf. ?). — Eodem nomine bij S. v. V. p. 336. —
Schijnt zeer zeldzaam. Driebergen 9, Six; in de collectie
1) In Belgie ook Mesovelia furcata M. et R.
2) In Belgie Mierovelia Schneideri Scholta.
VOORKOMENDE HEMIPTERA. VAT
v. Vollenh. is ook eene larve dezer soort, met etiquet den
Haag 4, Everts.
Velia Latr.
currens F. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 335. — Gevan-
gen in Holland, Utrecht, Gelderland en Brabant, op ver-
schillende plaatsen; ook in Limburg (Amby) door Mr.
Maurissen; en in Drenthe (Assen) 7, Fokker.
Inlandsche macroptere exemplaren heb ik nog niet gezien.
S. v. V. zegt: «de gevleugelde voorwerpen zijn zeldzaam » ,
waaruit men zou moeten opmaken, dat hij wel inlandsche
gezien heeft, doch ik acht dit onwaarschijnlijk, daar de
macroptere vorm bijzonder zeldzaam is en zeer gelijkt op
V. rivulorum. 1)
Gerris F.
rufoscutellata Latr. — Hydrometra rufoscutellata bij S. v. V.
p. 328. — Nijkerk, v. M. de Rooij; de Bilt 7, Fokker;
Wassenaar, de Graaf; Heemstede 6, 7, gemeen en Sterken-
burg, S. v. V.; Breda, Heylaerts.
paludum F. — Hydrometra paludum bij S. v. V. p. 326. —
Drie voorwerpen op ’s Rijks museum te Leiden , met etiquet
Holland, Calkoen; een te Vorden 7, Groll.
najas de Geer. — Hydrometra aptera bij S. v. V. p. 327. —
In Holland, Gelderland, Utrecht, Limburg en Noordbrabant.
thoracica Schumm. — Hydrometra thoracica bij S. v. V. p.
330. — Gemeen.
gibbifera Schumm. — Hydrometra gibbifera bij S. v. V. p.
331. — Ik bezit het eenig bekende inlandsche voorwerp,
een d, door den heer Snellen v. Vollenhoven ‘op Schothorst
bij Amersfoort in Juli gevangen.
1) In Belgie is ook 7, rivulorum F. aangetroffen,
128 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
lacustris L. — Hydrometra lacustris bij S. v. V. p. 332. — Komt
in alle provincien voor, gewoonlijk macropter. De brachy-
ptere vorm te Baarn 8 en Wageningen 7, beiden d, en
te Zierikzee 3, een d door mij; voorts in Holland door de
heeren Groll en Mr. H. W. de Graaf.
+ odontogaster Zett. — Hydrometra odontogaster bij S. v. V.
p. 390. — Is volgens S. v. V. gevangen door Mr. H. W.
de Graaf bij Wassenaar 4. Ik zag het exemplaar niet, ook
niet in zijne collectie.
argentata Schumm. — Mydrometra. argentata by S. v. V. p.
333. — Den Haag 4, onder dorre bladeren, Snellen, en
7, van der Wulp; Leiden 4, S. v. V.; Haarlem, Weyen-
bergh; Oirschot, Maurissen; Breda, Heylaerts en Leesberg.
Fam. X. REDUVIDAE.
Ploiaria Scop.
vagabunda L. — Eodem nomine by S. v. V. p. 319. Hy
schijnt echter de var. pilosa niet gekend te hebben. — Op
den stam van een hazelaar, Rhoon 10, door den heer
Schepman.
var. pilosa Fieb. — Leeuwarden 3, door den heer Herman
Albarda; in Holland, Fransen; Haarlem 8, S. v. V.;
Zierikzee 6, Fokker.
culiciformis de Geer. — PI. erratica bij S. v. V. p. 320 —
In Holland door verscheidenen, verder in Utrecht, Gel-
derland, Friesland en Brabant.
Reduvius F.
personatus L, — Eodem nomine bij S. v. V. p. 317. — Overal
vooral op zolders. Is nuttig door het verdelgen van onge=
dierte 1).
1) In Belgie nog Pygolampts bidentata Kourcr;
VOORKOMENDE HEMIPTERÀ, 129
Coranus Curt.
subapterus de G. — Harpactor pedestris Wolff bij S. v. V. p.
309. — In Holland, Utrecht, Gelderland, Noordbrabant
en Zeeland (Domburg); hier en daar niet ongemeen. De
macroptere vorm is gevangen door Perin.
Harpactor Lap.
+ annulatus L. — Fodem nomine bij S. v. V. p. 310. —
Eenige exemplaren in het Ulvenhoutsche bosch bij Breda,
door den heer Heylaerts.
Prostemma Lap.
+ guttula F. — Eodem nomine bi S v. V. p. 305. — Vol-
gens hem zijn twee brachyptere exemplaren gevangen door
Luitenant La Fontijn op Walcheren. Ik zag ze niet.
Nabis Latr.
brevipennis Hahn. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 312. —
Komt in alle provincien voor.
lativentris Boh. — N. apterus bij S. v. V. p. 313. — Is
gemeener dan de vorige soort.
De forma macroptera te Arnhem, v. M. de Roojj.
major Costa, Fn. nov. sp. — Hoe het mogelijk is, dat S. v. V.
deze soort, geheel verkeerd, bestemd heeft ‘en beschrijft
p. 314 als flavomarginatus Scholtz, begrijp ik niet. De
een is ongeveer altijd nıacropter, de andere brachypter. —
N. major werd gevangen te Arnhem 11, v. M. de Rooij;
Middelburg 8, de Man; Domburg, D. ter Haar; Utrecht
en. Loosduinen, Gen. van Hasselt; Haarlem 8, Groll;
Zierikzee 9 en niet ongemeen op de duinen te Renesse 8,
Fokker.
Deze soort komt meestal in macropteren vorm voor:
de brachyptere voorwerpen zijn zeer zeldzaam en werden
slechts in Denemarken aangetroffen. Zeer merkwaardig is
9
130 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
dus zulk een brachypter exemplaar in mijn bezit, door
den heer Groll te Apeldoorn gevangen.
flavomarginatus Scholtz, Fn. nov. sp. — Een brachypter ex.
te Assen 7, Fokker 1).
limbatus Dahlb., Fn. nov. sp. — Leiderdorp 9, Ritsema; Dom-
burg, ter Haar; Apeldoorn 8, Groll; Zierikzee, Fokker;
allen brachypter.
Deze en de vorige soort zullen wel meer in ons land
gevangen zijn, doch voor larven zijn gehouden.
ferus L. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 315; hij verwart echter
deze en de drie volgende soorten met elkander. — Komt
in alle provincien voor, vooral op drooge gronden en de
duinen. Altijd macropter.
rugosus L. Fn. nov. sp. — Is de Nabis brevis Scholtz van S.
v. V. p. 316. — Zoo van deze als van de volgende soorten
geef ik slechts die localiteiten op, waarvan ik zelf voor-
werpen zag. — Ruurlo, Leesberg; Rhedersteeg 8, Ritsema;
duinen van Holland 4, Snellen; Domburg, D. ter Haar;
den Haag, van der Wulp; Loosduinen, Generaal van Has-
selt; Renesse 8, Fokker. Allen brachypter.
Van den macropteren vorm, die zeer zelden voorkomt
en o. a. in Frankrijk nog niet gevonden is, ving ik een
exemplaar te Steenwijk 7.
Ericetorum Scholtz, Fn. nov. sp. — De Nabis dorsalis van S.
v. V. p. 317. — De synonymie van deze en de beide vol-
gende soorten is:
1. rugosus L. = dorsalis Duf.
2. brevis Scholtz = minor Reut. fuminervis Dahlb.
3. Ericetorum Scholtz.
De heer van Vollenhoven evenwel bedoelt met breve
1) In Belgie nog N. lineatus. Dalilb.
VOORKOMENDE HEMIPTERA. 131
rugosus; dorsalis noemt hij synoniem met Zricetorum, ter-
wijl hij de eigenlijke brevis Scholtz = minor Reut. niet
schijnt gekend te hebben.
Breda 12, Heylaerts en 5, Snellen; Driebergen, Six;
Arnhem 9, v. M. de Rooij; Vorden 10, Groll; Ulven-
houtsche bosch 6, Ritsema; Wolfhezen 7 en Wageningen
7, Fokker. Allen brachypter.
brevis Scholtz, Fn. nov. sp. — Vier voorwerpen breng ik tot
deze soort, die lastig te onderscheiden is van de voorgaan-
den. Ik ben van deze determinatie dan ook niet zeker.
Misschien behooren ze tot rugosus. N. brevis komt evenwel
stellig in ons land voor.
Loosduinen, van Hasselt; en een drietal te Renesse 8,
Fokker.
Fam. XI. SALDIDAE.
Salda F.
littoralis L. — S&S. Zosterae bij S. v. V. p. 292. — Vlieland
en Terschelling 6, duinen achter Overveen en Schooten 6,
Ritsema; den Haag 6, Leesberg; Galdersche heide 6%
Heylaerts; Assen 8, Groll; Zierikzee 8 niet zeldzaam,
Fokker; ook te Bergen op Zoom 5, Heylaerts. Dit laatste
voorwerp, berustende in S. v. V.’s collectie, is door hem
als S flavipes F. op p. 293 beschreven. Door de vriende-
lijkheid van den heer Ritsema ontving ik het ter bezich-
tiging. Het is zonder eenigen twijfel /i¢toralis , zoodat flavipes
als inlandsch moet vervallen.
scotica Curt., Fn. nov. sp. — Een enkel ex. dezer soort, die
eigenlijk op de bergen te huis behoort, werd gevangen te
Limnel 7, door Mr. Maurissen.
melanoscela Fieb., Fn. nov. sp. — Twee exemplaren te
Vorden 7, door den heer Groll.
Saltatoria L. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 294 —
Gemeen.
133 CATALOGUS DER IN NEDERLAND
pallipes F. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 295. — Wor-
kum 4, Everts; Haarlem 4, Ritsema; Arnhem 10, v. M.
de Rooij; Renesse 8 en gemeen te Zierikzee aan de oevers
van weelen, 4, 5, 6, 8, 9, Fokker.
var. pilosella Thoms, — Á. pilosella S. v. V. Tijdschr. v.
Entom., dl. XXII, p. 231. — Drie ex. bij den Haag 8, v.
d. Wulp; Zierikzee 4, 8, even gemeen en op dezelfde
plaatsen als de type, Fokker.
var. dimidiata Curt. — Zierikzee 8, Fokker.
pilosa Fall — Eodem nomine bij S. v. V. p. 296. — Ter-
schelling 6, Ritsema; aan de Schelde bij Bergen op Zoom
5, Heylaerts; op Walcheren, Gerth van Wijk; niet zelden
te Zierikzee, 6—9, Fokker.
lateralis Fall. — Eodem nomine bij S. v. V. p. 298. —
Terschelling 6, Ritsema; Bergen op Zoom 5, Heylaerts;
Zierikzee 8, Fokker.
var. eburnea Fieb. — Eodem nomine als afzonderlijke soort
by S. v. V. p. 297. — Terschelling 6, Ritsema; Wal-
cheren, Gerth van Wijk; Zierikzee 8, 9, Fokker.
var. pulchella Curt. — Eodem nomine als afzonderlijke
soort bij S. v. V. p. 299. — Terschelling 6, Ritsema; op
schorren bij Bergen op Zoom 5, Heylaerts, en 8, Snel-
len; Zierikzee 8, 9, Fokker.
Cocksii Curt., Fn. nov. sp. — Dit is de soort, die S. v. V.
p. 299 noemt S. geminata Costa. Geminata is echter eene
zuidelijke varieteit van Coc4su, en v. Vollenhoven’s voor-
werpen behooren tot de type Cocksu.
Schijnt hier zeldzaam. Twee exemplaren Hilversum 7, door
den heer Ritsema; een te Zierikzee 9, Fokker; een te
Rijnsburg 5, Perin; en een den Haag 5, Leesberg.
eineta H. S., Fn. nov. sp. — Een ex. aan de plassen te
VOORKOMENDE HEMIPTERA, 133
Rotterdam 4, door den heer Snellen gevangen (het stond
in de collectie der Entom. Vereeniging als sa/tatoria/).
S. cineta is nieuw voor de inlandsche fauna. S. v. V.
p. 300 geeft haar als inlandsch op naar twee exemplaren;
doch het eene daarvan, te Rijnsburg door Perin gevangen,
behoort tot de voorgaande soort, het andere en nog een
derde, beiden van den heer Six afkomstig en uit de
vroegere collectie der Vereeniging in de mijne overge-
gaan, met het etiquet cincta H. S., zijn zeker niet cincta.
Ongelukkig zijn ze beiden zeer oud en in slechten staat.
Cincta moest dus als inlandsche soort vervallen, indien de
heer Snellen haar niet had gevangen.
Le beide bovengenoemde voorwerpen van den heer Six
zond ik tot onderzoek aan Dr. Puton, volgens wien zij
misschien eene varieteit zijn van marginalis Fall. , eene
soort die in ’t hooge Noorden voorkomt. Zij zijn echter te
beschadigd om met zekerheid bestemd te worden. Daarom
geef ik marginalis niet als inlandsch op voor dat het voor-
komen hier te lande door nadere ontdekkingen is bewezen. !)
(Wordt vervolgd).
1) In Belgie nog Salda orthochila Fieb., riparia Fall. (conspicua Dgl. & Sc.),
opacula Zett., arenicola Scholtz, morio Zett. en Leptopus boopis Fourc.
AANTEEKENING OVER EENE VARIETEIT
VAN
LYCAENA MEDON v. Rotth, (ASTRARCHE Brestr.
DOOR
DIRK TER HAAR.
In the Zntomologist’s Monthly Magazine vol V. pag. 107
gewaagde de heer Zeller van eene varieteit van Lycaena Medon ,
waarbij de zwarte halvemaanvlek op de voorvleugels wortel-
waarts wit begrensd is, welke grens gewoonlijk door slechts
weinige witte schubben wordt gevormd. Hij heeft deze witte schub-
ben echter alleen bij exemplaren uit Zuid-Europa en Klein-Azie
gezien.
Den 24sten Augustus 1883 te Domburg (Zeeland) zijnde, ving
ik in de duinen een dergelijk exemplaar. De witte rand omzoomt
echter niet de geheele wortelwaarts gekeerde zijde, maar slechts
de benedenhelft en de basis. De rand is hier zoo breed, dat hij
mij reeds in de vlucht in het oog viel. De bovenhelft en de franje-
waarts gekeerde zijde vertoonen echter geen spoor van witte schubben.
Wellicht dat deze varieteit, die men zeer gevoegelijk een’ over-
gangsvorm tot de varieteit Sa/macis Stephens zou kunnen noemen,
in de duinen meer voorkomt en dat onze kust zoodoende de brug
vormt van Zuid-Europa tot de Britsche eilanden.
AANTEEKENING OVER EENE VAR. V. LYCAENA MEDON, 135
BIISCHRIET TOT BOVENSTAANDE AANTEEKENING,
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
Aansluitende bij de mededeeling van den heer ter Haar, wil ik
hier tevens de beschrijving geven eener andere varieteit der ge-
noemde Lycaena, waarvan ik sedert lang in mijne collectie een g
bezit, afkomstig uit de verzameling van wijlen ons medelid J. M.
Smit. Ik heb daarvan in mijn werk over de Vlinders van Neder-
land geene melding gemaakt, omdat de vangplaats van het exem-
plaar aan den heer Smit onbekend was en hij mij zeide het mis-
schien uit de door hem gekochte collectie Gijsberti Hodenpijl te
hebben verkregen. Dit voorwerp, op de onderzijde geheel gelijk
aan de in Mei vliegende gewone exemplaren van Medon, die aldaar
helder lichtgrijs zijn (bij de in den zomer voorkomende is die
onderzijde soms iets bruinachtig), onderscheidt zich op de bovenzijde
doordat de drie bovenste roode randvlekken van iederen voorvleugel
eene lichtblauw beschubde buitenhelft hebben. Nooit heb ik een
tweede dergelijk voorwerp gezien. De gedachte aan eene mogelijke
varieteit van Jcarus wordt buitengesloten door de teekening van
de onderzijde der achtervleugels, door de onbehaarde oogen en door
de bruin gevlekte wortelhelft der franje.
Dat Artaxerxes Fabr. geene bijzondere soort uitmaakt , is thans
door de onderzoekingen der Britsche Entomologen wel voldoende
bewezen. Wij kennen nu van Medon Hufn. (Staudinger geeft aan
den naam Astrarche Bergsträsser de voorkeur, omdat Linnaeus
vóór Hufnagel reeds eene exotische Papilio Medon had beschreven)
de volgende varieteiten :
1. Onderzijde grijs, met duidelijk zwart gekernde oogen en rand-
stippen; de bovenzijde met roode randvlekken en met zwarte
middenvlek der voorvleugels (type).
136 AANTEEKENING OVER EENE VAR. V. LYCAENA MEDON.
2. als 1, maar de bovenzijde ;
met witte randvlekken . var. Graaft VerHuell.
3. als 1, maar de bovenzijde
geheel zonder randvlekken: » Allous Hübner.
4. als 1, maar de onderzijde :
bruin (uit Zuid-Europa) . » destwa Zeller (Calda Bellier).
5. als 1, maar de oogen en
randstippen der onderzijde
bijna of geheel zonder zwarte
kernen en de bovenzijde der
voorvleugels met sneeuw-
witte middenvlek (uit Schot-
land) man DEE. MD AntaserzessNabn.
6. als 1, maar de zwarte mid-
denvlek van de bovenzijde
der voorvleugels wit gekernd
(uit Noord-Engeland) . . » Sadmacis Stephens.
en dan de beide door den heer ter Haar en mij beschrevene,
misschien slechts hoogst zeldzaam voorkomende.
Idas Rambur is wellicht ook slechts eene varieteit van Medon
met bruinere onderzijde en zonder randvlekken der bovenzijde
(zie Herrich-Schäffer, Syst. Bearb. der Schmett. von Europa). ij
komt op bergtoppen in Andaluzie voor.
EENE VARIATIE
IN HET
ADERBELOOP DER VLEUGELS EENER MYCETOPHILIDE,
DOOR
DEMI Ge DE NEN.
((Zile" Plaats 7, fie,@AMWen! 2)
Dat onze vaderlandsche insectenfauna nog geenszins volledig
bekend is, werd onlangs wederom bewezen door de omstandigheid,
dat onder de door mij gedurende den vorigen zomer en het ge-
passeerde najaar gevangen Tweevleugeligen, verschillende merk-
waardige en zeldzame vormen aangetroffen werden, ja dat er zich
zelfs twee voor de wetenschap geheel nieuwe soorten onder be-
vonden, eene Mydaea en eene Scatella, die onze bekwame Dipte-
roloog, de heer van der Wulp, zonder twijfel te eeniger tijd
door eene nauwgezette beschrijving wereldkundig zal maken.
Onder deze merkwaardige soorten bevindt zich ook een mannetje
eener, naar het schijnt, overal zeer zeldzame Mycetophilide,
namelijk van Polylepta leptogaster Winn., dat in de maand
October jl. te Middelburg door mij gevangen werd. Winnertz,
die deze soort vóór 21 jaren bekend maakte, vond zelf slechts een
enkel wijfje in de maand Augustus, Schiner spoedig daarop een
enkel mannetje bij Gmünden in Oostenrijk, terwijl in ons land
tot dusverre evenzeer slechts een voorwerp, wederom een wijfje,
138 EENE VARIATIE IN HET ADERBELOOP
door den heer Snellen van Vollenhoven bemachtigd werd , dat thans
in ’s Rijks museum te Leiden berust.
Terwijl dus de vangst eener zoo zeldzame mug reeds daarom
van gewicht is, wordt mijn voorwerp evenwel nog belangrijker,
omdat de beide vleugels niet hetzelfde aderbeloop vertoonen, maar
het aderstelsel van den rechtervleugel anders verloopt als dat van
den linker. Gelijk bij zoovele insecten , worden ook de talrijke ge-
slachten en zelfs de soorten der Mycetophiliden vooral door het
aderbeloop gekenschetst. Het is alzoo niet van belang ontbloot,
het door mij waargenomen geval bekend te maken, zoowel om
daardoor eene bijdrage te leveren tot de kennis van de verander-
lijkheid in het aderbeloop dezer dieren, als om aan te toonen, hoe
er nieuwe vormen in de groep der Mycetophiliden zouden kunnen
ontstaan, wanneer namelijk deze variatie in beide vleugels optrad
en zich daarna in opvolgende geslachten, ten gevolge van de
wetten der overerving, herhaalde, om ten slotte constant te wor-
den. — Geenszins toch zou het mij verwonderd hebben, wanneer
de dipterologen thans reeds op mijn voorwerp, zoo al niet een
nieuw genus, dan toch eene nieuwe soort gegrondvest nadden ,
wanneer de eigenaardigheid in het aderbeloop in beide vleugels
gelijkelijk ware voorgekomen !
En thans de beschrijving, waarbij ik mij van de nomenclatuur
in de Diptera Neerlandica bedienen zal. Het genus Polylepta
behoort tot de afdeeling der Sciophilinen, die zich van die der
Mycetophilinen hoofdzakelijk daardoor onderscheidt, dat de uit de
subcostaal-ader ontspruitende cubitaal-ader, spoedig na hare ver-
eeniging met de middeldwarsader, zich in twee takken deelt,
waarvan de eene zeer kort is en zich weder naar de subcostaal-
ader begeeft, terwijl de andere naar voren loopt en in den
vleugelrand uitmondt. Deze korte tak vormt met het wortelstuk
der cubitaal-ader eene kleine vierhoekige cel, die voor de
afdeeling der Sciophilinen kenmerkend is. Terwijl nu de linker-
vleugel geheel het aderbeloop van Polylepta leptogaster vertoont ,
ontbreekt in den rechtervleugel de bedoelde korte
tak van de cubitaal-ader, daar deze zich niet vertakt:
DER VLEUGELS EENER MYCETOPHILIDE. 139
het karakteristieke vierhoekige celletje ontbreekt
dan ook geheel en al.
Dat nu het ontbreken van dit colletje van zooveel gewicht is,
wordt daardoor bewezen, dat het aderbeloop in den rechtervleugel,
wat zijne wezenlijke generieke kenmerken aangaat, thans geheel
overeenstemt met het genus Docosia Winn., daar men het golvend
beloop der cubitaal-ader (die bij Docosta bijna recht is) wel als
soortskenmerk zou kunnen beschouwen. Ook tot de geslachten
Trichonta Winn. en Dynatosoma Winn. vertoont de rechtervleugel
thans eenige toenadering, daar deze genera zich bijna alleen
daardoor onderscheiden, dat de randader bij de uitmonding der
eubitaal-ader ophoudt, terwijl zij bij Polylepta een weinig voorbij
die uitmonding voortloopt.
Onze vleugel wijkt verder nog daardoor af, dat de bovenarm
van de vork der discoidaal-ader afgebroken is en niet tot den
vleugelrand doorloopt: ook dit verschil is niet zonder belang,
wanneer men bedenkt, dat het geslacht Zei Meig. alsmede de
soorten van Cordyla Meig. juist daardoor onderscheiden worden,
dat de armen der vorkeellen slechts gedeeltelijk aanwezig zijn,
daar bij Leia Meig. het wortelstuk van de bovenarmen der beide
vorkcellen ontbreekt, terwijl bij sommige Cordyla-soorten de
onderarm van de bovenste vorkcel afgebroken is.
Voor het overige stemt het aderbeloop bij het door mij gevonden
mannetje geheel met de beschrijving en de afbeelding overeen,
die Winnertz van Polylepta leptogaster gegeven heeft.
OMMATIUS SCHLEGELII Nov. Sp.
DOOR
F. M VAN DER WULP.
(Plaat 7, fig. 3—12).
In de Notes from the Leyden Museum, vol VI, p. 84, heb ik
bovenstaande nieuwe soort beschreven, die door haren teederen
lichaamsbouw, het smalle voorhoofd en aangezicht, den bijzonderen
vorm der tarsen en de ongewone buiging der langsaderen aan het
einde der vleugels, zoozeer van alle andere soorten van het ge-
slacht Ommatius afwijkt, dat zij waarschijnlijk later wel generiek
daarvan zal worden afgescheiden.
Ik had destijds tevens de.soort met hare meest kenmerkende
deelen afgebeeld en wil nu van het Tijdschrift voor Entomologie
gebruik maken, om die afbeeldingen het licht te doen zien , daarbij
de vroeger gegeven beschrijving herhalende.
Ommatius Schlegelii n. sp. — Tener, pallide rufus; abdominis
segmentis ultimis fuscescentibus; facie fronteque angustis, argenteis;
femoribus anticis extrinsecus pilis binis longis nigris, mediis
spinula unica nigra munitis; tarsis anterioribus subtus nigro-notatis,
anticorum articulo secundo primo sublongiori, intermediorum arti-
culis 2, 3 et 4 brevibus, subdilatatis, externe nigro-plumatis ;
alis hyalinis, apice cinereo; nervis apicalibus flexuosis. — d long.
12 mm.
Kop (fig. 4 en 5) vrij grool, breeder dan de thorax, bijna
geheel door de oogen ingenomen; voorhoofd en aangezicht zeer
smal, zilverachtig wit; voorhoofd met een langsgroefje; schedel
OMMATIUS SCHLEGELII NOV. SP. 141
klein, diep weggezonken in eene nauwe spleet tusschen de oogen ;
aangezicht van boven met een langsgroefje, van onderen een weinig
vooruitspringend en langzamerhand iets verbreed naar de mond-
opening. Knevelbaard niet voorbij het midden des gezichts reikende
en uit eenige weinige lange, deels gele, deels witte haren bestaande;
kinbaard wit. Oogen groot, ter wederzijde beneden den mondrand
afdalende; de middelste facetten grooter dan de buitenste. Achter-
hoofd ingedrukt. Sprieten (fig. 6) kort; de leden ongeveer van
dezelfde lengte; de beide eerste leden bleekgeel; het derde bruin-
geel, spits toeloopend; sprietborstel meer dan dubbel zoo lang als
de sprieten, van onderen met ongeveer zes haren. Zuigsnuit
zwartbruin, ledergeel aan de basis; palpen zeer kort, geelachtig.
Thorax eenkleurig bleek geelrood, in de zijden en vóór het
schildje met enkele gele borstels.
Achterlijf slank, geelrood; de achterrand van de derde en vierde
ringen bruinachtig; de volgende ringen geheel van die kleur en
een weinig glanzig; onder de tweede en volgende ringen eene
vrij lange, dichte, grootendeels gele beharing; genitalia klein; de
onderste aanhangsels cilindrisch, met het einde naar elkander
toegekeerd en een lang borstelhaar aan den wortel.
Pooten matig lang en stevig, bleekgeel. Achterste dijen met
een paar bruine stipjes aan het einde. Het tweede lid der voor-
tarsen (fig. 8) verlengd, zelfs iets langer dan het eerste, beiden
van onderen (fig. 11 en 12) met eene zwarte stip aan het einde.
Eerste lid der middeltarsen (fig. 9) zoo lang als de volgende leden
te zamen, aan het einde gebruind en buitenwaarts met eene dot
van zwarte haren gevederd; de drie volgende leden bruinachtig,
in ’toog vallend kort en breed, en op gelijke wijze gevederd als
het einde van het eerste lid; dit eerste en het tweede lid hebben
van onderen eene zwarte stip (fig. 12). Aan de achtertarsen (fig. 10)
is het eerste lid eveneens ongeveer even lang als de volgende
leden te zamen, maar deze laatsten zijn niet zoo kort en breed
als die der middeltarsen en hebben evenmin de zwarte bevedering;
alleen zijn ze aan het einde iets gebruind. Voetballen en klauwen
geel, de laatsten met eene zwarte spits.
142 OMMATIUS SCHLEGELII NOV. SP,
Borstels en beharing der pooten over ’t algemeen geel; voor-
heupen aan het onderste gedeelte met dichte witte beharing. Dijen
van onderen met eenige matig lange borstels; de voordijen aan de
buitenzijde, niet ver van den wortel, met een paar lange, zwarte,
gebogen haren (fig. 8); middeldijen nagenoeg op dezelfde plaats,
maar iets lager, met een enkelen zwarten borstel (fig. 9). Voor-
tarsen aan de buiten- en onderzijde met vrij lange borstels.
Kolfjes bleekgeel.
Vleugels (fig. 7) vrij smal, glasachtig met grauwe spits; aderen
zwartachtig; de ruimte tusschen de randader en de subcostaal-ader
is, op de tweede helft van den vleugel, eenigszins donker inge-
vuld. De beide langsaderen uit de schijfcel ontspruitende, alsmede
de onderste arm van de buitenste submarginaal-cel, zijn sterk
gebogen; middeldwarsader op ongeveer twee derden van de schijfcel
‘ geplaatst; deze cel vrij lang en smal; vierde achtercel gesloten en
zoowel aan hare basis als aan haar uiteinde gesteeld.
Een enkel mannelijk exemplaar van het eiland Waigioe (Bern-
stein) in het Leidsch museum.
Deze kenbare soort is gewijd aan de nagedachtenis van wijlen
den Hoogleeraar H. Schlegel, die gedurende vele jaren als Direc-
teur aan het hoofd stond van genoemd museum.
IBTS OVER DE TSETSE VLIEG (GLOSSINA),
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
Op de jongste wintervergadering van 13 Januari 1884 (zie
verslag blz. xcr) heb ik er op gewezen, dat de zoo beruchte Tsetse-
vlieg zoowel in onze publieke als in particuliere insecten-verzame-
lingen eene zeldzaamheid is, niettegenstaande zij in sommige
streken van Afrika in verbazend aantal schijnt voor te komen.
Beide exemplaren, die ik toen liet zien (Glossina morsitans Westw.
uit het Brusselsche- en @/. longipalpis Wied. uit het Leidsche
museum), waren unica. Later vond ik onder de ongedetermineerde
Diptera te Leiden een tweede exemplaar, afkomstig van de Goud-
kust, dat echter veel slechter bewaard is gebleven en waarschijnlijk
als Gl. morsitans Westw. moet worden gedetermineerd. Zooveel ik
kan nagaan, zijn dit de eenige exemplaren in ons land; in het
museum althans van Natura Artis Magistra is, volgens mededeeling
van den heer Swierstra, het geslacht Glossina niet aanwezig.
Dat deze dieren weinig in de collectien voorkomen, blijkt ook
uit een schrijven van den heer V. von Röder, waarin hij mij
meldt, dat het hem, niettegenstaande zijne vele relatien, in de
20 jaren tijds, die hij reeds aan de studie der exotische Diptera
besteed heeft, slechts eenmaal gelukt is een enkel exemplaar
machtig te worden. De heer Bigot, wiens uitgebreide verzameling
van Diptera eene meer dan Europeesche vermaardheid heeft, bezit
enkelen dezer vliegen. Ook in de collectie van wijlen Professor
Löw (thans het eigendom van het Berlijnsche museum) moeten
er zijn.
Het eerst is dit insect in 1830 door Wiedemann (Ausereur,
144 IETS OVER DE TSETSE-VLIEG (GLOSSINA).
Zweiflügler II p. 254 pl. IX f. 10) beschreven en afgebeeld onder
den naam van Glossina longipalpis, naar een voorwerp, dat reeds
lang te voren door Afzelius !) van Sierra Leone was medegebracht.
Wiedemann plaatste dit nieuwe genus terecht in de onmiddellijke
nabijheid van het geslacht Stomoxys, ofschoon hij in dit laatste,
op het voetspoor van Meigen, vele soorten had opgenomen, die er
niet in thuis hoorden.
Ongeveer tegelijk met Wiedemann, beschreef Robineau Desvoidy
(Essai sur les Myodaires p. 390) dezelfde soort onder den naam
van Nemorhina palpalis.
Macquart vermeldde in 1835 Glossina longipalpis Wied. in de
Suites à Buffon, Diptères Vol. II. p. 245, pl. 16 / 8, en wel
naar exemplaren van Senegal en de Congo-rivier; en in 1843
nogmaals in zijne Dipteres exotiques vol. Il, 3e partie, p. 113,
pl. 14, 7 1. Beide schrijvers (Robineau Desvoidy en Macquart)
rangschikken mede het geslacht in dezelfde groep met Stomouys.
Het geslacht G/ossina behoort tot de groote familie der Muscidae
en wel tot de groep der eigenlijke vliegen (Muscinae), gekenmerkt
door de aanwezigheid der spitsdwarsader, door den meestal ge-
vederden sprietborstel, het eironde achterlijf, dat wel kort behaard,
maar niet, zooals bij de Tachinen, Dexinen en Sarcophaginen ,
met krachtige borstels (macrocheten) bezet is. Werkelijk is het
verwant met het geslacht Stomoxys, waarmede het o. a. in den
langen, recht vooruitstekenden zuigsnuit en den alleen van boven
gevederden sprietborstel overeenkomt. Het is echter daarvan on-
derscheiden door de lange, dunne, plat tegen den snuit aanliggende
palpen en door een eigenaardig aderbeloop der vleugels; de discoidaal-
ader is namelijk vóór hare verbinding met de middeld warsader sterk
ingebogen, waardoor de wortelhelft der schijfcel veel nauwer is
dan de eindhelft; voorts is de schijfdwarsader aan de discoidaal-
ader gehecht juist in het punt waar deze zich naar boven ombuigt
1) Adam Afzelius was een Zweedsch natuuronderzoeker, die zich in 1792
naar de Engelsche kolonie Sierra Leone in Afrika begaf en twee jaren later
van daar terugkeerde, nadat hij bij de plundering der kolonie Lu de Fran-
schen, nagenoeg alles wat hij verzamelde, had verloren.
IETS OVER DE TSETSE-VLIEG (GLOSSINA). 145
om de spitsdwarsader te vormen. Deze beide bijzonderheden geven
aan den vleugel van Glossina zulk een eigendommelijk karakter,
dat men, zonder het dier te zien, reeds uit den vleugel alleen
met volle zekerheid het genus zou kunnen bepalen.
Ofschoon dus de Tsetse-vlieg reeds geruimen tijd bij de ento-
mologen bekend en wetenschappelijk beschreven was, scheen
niemand hunner iets te weten van hare kwaadaardige en doodelijke
eigenschappen. Macquart gaat in zijn laatst aangehaalde werk
(Dipt. exot.) zelfs zoo ver, van te veronderstellen, dat zij geen
bloed zou zuigen als Stomoxys, maar alleen van plantensappen
zou leven. Hij grondt deze zijne meening op den fijneren bouw
der monddeelen, die, volgens hem, niet zou toelaten de huid te
doorboren. Deze veronderstelling, en vooral de grond waarop zij
rust, wekt te meer bevreemding, omdat, bij vergelijking, de zuig-
snuit van Glossina volstrekt niet zwakker blijkt te zijn dan die
van Stomorys of andere bloedzuigende insecten.
Intusschen zouden, naar beweerd wordt, reeds in 1837 door
Harris op eene kaart van Afrika de woorden zijn geschreven:
«Land met vele voor het vee verderfelijke vliegen». Meer bepaal-
delijk is voor het eerst in 1850 melding gemaakt van de doodende
eigenschappen dezer insecten in het werk van Gordon Cumming:
Five years of a hunters life in South Africa II p. 220-227; hij
verhaalt daar namelijk, dat toen hij verder naar de Limpopo wilde
doordringen, de inlanders hem van zijn voornemen poogden af te
houden, omdat hij anders zijne paarden door de «Tsetse» zou
verliezen. Cumming sloeg die waarschuwing in den wind en waagde
het in de aangeduide richting voort te gaan, maar reeds des
anderen daags werd een zijner paarden door de vliegen aangetast,
waarvan het gevolg was, dat de kop van het dier zoo sterk
opzwol dat het niet meer zien kon, en het weldra bezweek.
Omstreeks denzelfden tijd (1850) ontving Professor Westwood
van kapitein Frank Vardon een aantal Tsetse-vliegen, die hij
herkende als tot het geslacht Glossa Wied. te behooren. Het
bleek daarbij tevens, dat G/. longipalpis niet de eenige soort van
het genus was, want in de toegezonden voorwerpen kon Westwood
10
146 IETS OVER DE TSETSE-VLIEG (GLOSSINA).
nog wel drie andere soorten onderscheiden, die hij in de Procee-
dings of the Zool. Soc. vol. XVII beschreef en afbeeldde onder
de namen G/. morsitans, tachinoides en tabaniformis.
Vardon, die ongeveer te gelijk met Cumming in Afrika reisde,
berichtte aan Westwood, dat de Tsetse-vlieg alleen in bergachtige
streken en niet ten zuiden van den kreeftskeerkring voorkwam ;
ook hij verloor een paard, dat naar zijne meening slechts door een
12-tal vliegen gestoken was en na een lijden van 20 dagen aan
de gevolgen omkwam.
Later vermeldde Oswell, een ander reiziger in Afrika, dat het
voorkomen der vlieg aan zeer bepaalde plekken gebonden was,
alsmede dat zij alleen bij dag en bij groote hitte steekt, zoodat
de inboorlingen met volle gerustheid des nachts hun vee door het
vliegenland drijven. Hij rekende 3 of 4 vliegen voldoende om een?
os te dooden, en beweert verder dat het steken der vlieg voor
menschen, geiten, zuigende kalveren, zoo ook voor alle wilde
dieren, zonder eenig gevaar zou zijn.
Livingstone gewaagt in zijne Missionary Travell’s herhaaldelijk
van de vlieg. Volgens hem zou haar steken ook voor den ezel
onschadelijk zijn, maar zouden daarentegen honden, die van de
melk eener gestokene koe drinken, dit met den dood bekoopen.
Livingstone verloor eens niet minder dan 13 ossen door de Tsetse
en meent, dat slechts een 20-tal vliegen deze schromelijke uit-
werking hadden.
Bij gelegenheid der Zambesi-expeditie werd de Tsetse door Kirk
op verschillende plaatsen in ontzettende menigte aangetroffen.
Volgens hem zou zij zich het meest in boschrijke oorden ophouden,
en daarentegen in de grasvlakten ontbreken. Vooral bij regen-
achtig en zoel weder komt zij in grooten getale te voorschijn;
des morgens als de dauw nog aan de grashalmen hangt, is zij
traag en gemakkelijk te vangen, maar bij toenemende hitte wordt
zij, ook voor den mensch, uiterst lastig, daar zij zich telkens op
het gezicht of de handen van den reiziger nederzet en elken slag
om haar te verwijderen behendig weet te ontwijken, om op de
meest brutale wijze weder de plaats in te nemen van waar zij is
IETS OVER DE TSHTSH-VLIEG (GLOSSINA). 147
verjaagd. Als men haar laat begaan, zuigt zij in korten tijd zooveel
bloed op, dat zij slechts met moeite weder kan opvliegen. Volgens
Kirk heeft het steken der Tsetse bij den mensch ongeveer dezelfde
uitwerking als dat van de Culiciden.
In één punt komen de boven aangehaalde reizigers allen overeen ,
dat namelijk de Tsetse-vlieg voor het vee hoogst verderfelijk is,
zoodanig zelfs dat de streken, waar zij in grooten getale voorkomt,
door hare aanwezigheid onbewoonbaar worden.
Onder de Tweevleugelige insecten zijn er niet weinigen, die
bloed zuigen. Men denke slechts aan de Tabaniden, de Culiciden
en de kleine kriebelmugjes (Simulia), ook aan onze Stomoxynen,
waarvan de meest bekende soort, Stomoxys calcitrans, ons op
onweersdagen zoo vaak in de beenen steekt. Al deze dieren kun-
nen inderdaad ons zelven en ons vee niet weinig last veroorzaken;
ik zelf heb het wel eens ondervonden, dat ik bij eene entomo-
logische wandeling genoodzaakt was een overigens zeer vruchtbaar
jachtterrein te verlaten, alleen wegens de tallooze menigte van
een onzer kleinere Tabaniden (Haematopota pluvialis L.). Al de
genoemde insecten storten, als zij bloed zuigen, tevens eenig ver-
gif uit; maar dit vergif is niet zeer gevaarlijk en heeft ge-
woonlijk slechts eene plaatselijke opzwelling en geringe ont-
steking ten gevolge, welke in de meeste gevallen spoedig weder
verdwijnen. |
Onwillekeurig rijst hieruit de vraag, of er ook in de verhalen
der reizigers in Afrika eenige overdrijving zou kunnen heerschen.
Als men evenwel in aanmerking neemt, dat het hier niet enkel
de gegevens zijn, van inboorlingen verkregen, maar dat zij, die
ons met de zaak in kennis stellen, meest allen feiten opnoemen,
die zij zelven ondervonden hebben, dan moet wel alle twijfel
wegvallen. Het is dus aan te nemen, dat het vergif der Afri-
kaansche Tsetse veel meer intensiteit bezit en daardoor krachtiger
werkt dan dat van onze Europeesche bloedzuigende Diptera. Het
blijft echter nog altijd moeielijk te verklaren, waarom de uit-
werking van het steken der Tsetse op sommige groote dieren,
als paarden en runderen, zoo hevig en doodelijk is, terwijl de
148 IETS OVER DE TSETSE-VLIEG (GLOSSINA).
gevolgen bij anderen en met name bij den mensch niet veel meer
zijn dan die eener gewone muggebeet.
Eene andere vraag is, of alleen de wijfjes der Tsetse-vlieg
bloeddorstig en gevaarlijk zijn. Bij de Culiciden, Tabaniden en
Stomoxys toch zijn alleen de wijfjes als zoodanig te vreezen, en
het gevolg daarvan is, dat in den regel veel meer wijfjes dan
mannetjes worden gevangen, omdat de eersten ons en onze
huisdieren opzoeken. In de beschrijvingen der tot dusver bekende
Glossina-soorten vind ik nergens eene aanduiding van sexueele
verschillen noch opgave van de sexe der beschreven voorwerpen.
Waarschijnlijk zijn het allen wijfjes geweest, die de schrijvers
voor zich hadden; althans de weinige exemplaren, die ik gezien
heb, zijn allen wijfjes. Het laat zich hieruit wel vermoeden, dat
ook bij de Tsetse-vlieg de kwaadaardige eigenschappen alleen tot
de vrouwelijke sexe beperkt zijn.
Dat van de eerste toestanden der Tsetse nog niets bekend is
geworden, valt, na het voorafgaande, gemakkelijk te begrijpen.
Onze kennis ten opzichte van dit zoo beruchte vliegengeslacht
is derhalve nog altijd zeer onvolledig. Aan hen, die ontdekkings-
tochten in de binnenlanden van Afrika mochten ondernemen, zij
daarom aanbevolen, hunne aandacht op dit insect te vestigen.
Tot nog zeer kort geleden werd het geslacht. Glossina geacht
als uitsluitend tot de fauna van centraal Afrika te behooren. Eerst
sinds de laatste twee jaren is men tot de ontdekking gekomen,
dat het ook in Australie vertegenwoordigd is.
Hieronder volgt eene opsomming van hetgeen , behalve de hier-
voren reeds aangehaalde werken van Wiedemann, Robineau
Desvoidy en Macquart, op entomologisch gebied over de Tsetse-
vlieg geschreven is.
J. O. Westwood, Observations of the destructive species of dipte-
rous insects, known in Africa under the names of Tsetse,
Zimb and Tsatsalya (Proceedings of the Zool. Society a
London, XVII 1850 p. 261).
Dezelfde, Memoir on the Tsetse and other destructive species ol
IETS OVER DE TSETSE-VLIEG (GLOSSINA). 149
Flies found in tropical Africa (Annals and Magaz. of natur.
- history, 24 series X. 1850).
A. Roquette, Sur une mouche vénimeuse de l’ Afrique méridionale
(Glossina morsitans). (L’Institut XX, 1852).
Transactions of the Entomological Society of London, new ser. II
(1853) Proceedings p. 96. Bevat eene mededeeling van den
heer Spence, namens William Oswell, over (Glossina mor-
sitans Westw.
Schaum, Berichte über die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete
© der Entomologie, 1851 S. 132 en 1852 S. 128.
L. de Castelneau, Sur la Tsetse (Glossina morsitans) de V Afrique
australe (Comptes rendus XLVI n°. 24, 1858).
J. ©. Westwood, Upon the distinction of the Tsetse from Oestrus
(Transact. of the Entom. soc. of London, new series, IV.
1858 p. 89).
Coquerel, in de Annales de la soc. Entom. de France, 1858,
Bulletin p. ccxxvi).
F. Walker, List of the dipterous insects of the British museum,
part III. p. 682, alwaar onder den naam van Stomouys fuscus
eene nieuwe soort van Glossina, zonder opgave van vader-
land, wordt beschreven.
F. Jaennicke, een artikel in de Argänzungsblätter zur Kenntniss
der Gegenwart, Band Ill, 1868, S. 680.
J. R. Schiner, Diptera der Novara-keise, p. 311, waar van een
exemplaar van Glossina longipalpis wordt melding gemaakt.
John Kirk, On the «Tsetse» Fly of tropical Africa (Glossina mor-
tisans Westw.), in Proceedings of the Linnean Society of
London, vol. VIII, p. 149.
J. O. Westwood, Matabele Land and the Victoria Falls from the
letters and journals of the late Frank Oates. Appendix IV.
Entomology (1882), waarin iets over de «Tsetse», met af-
beeldingen, voorkomt.
W. MacLeay, Note on a reputed poisonous Fly of New Caledonia,
in Proceedings of the Linnean society of New South Wales,
vol. VII (1882) p. 202. — Deze vlieg wordt gezegd een
150 IETS OVER DE TSETSE-VLIEG (GLOSSINA).
Stomoxys te zijn, in Nieuw Caledonie bekend onder de
namen van «Mouche charbonneuse» en «poisonous or pes-
- tilential Fly». Waarschijnlijk is hier te denken aan eene
Glossina-soort, die evenwel niet nader wordt beschreven.
J. Bigot, Bulletin des séances de la société entomologique de France,
1883, p. 146. Bevat de aankondiging van eene nader te
publiceeren «Mémoire» van den heer Bigot, waarin eene
synopsis van de tot dusver bekende soorten van het geslacht
Glossina wordt gegeven. — De heer Bigot, wien ik over de
Tsetse schreef, was zoo vriendelijk mij een volledig afschrift
van deze «Mémoire» te zenden. Daarin wordt, onder den
naam van Glossina ventricosa, eene nieuwe soort uit Australie
beschreven, die zich door een sterk opgezwollen buik zou
onderscheiden, terwijl voorts alle vroeger beschreven soorten
(vier uit Afrika en een, waarvan het vaderland onbekend
is) elk met hare kenmerken vermeld worden.
NIEUWE OF WEINIG BEKENDE
MTEROTETTDOPTERAX
VAN NOORD-AZIE,
BESCHREVEN DOOR
P. C. T SNELLEN,
met afbeeldingen (Plaat 8, 9 en 10)
DOOR
Dr. J VAN LEEUWEN Jr.
TWEEDE GEDEELTE !):
Tineina en Pterophorina.
1. Nemophora minutella nov. sp. — PI. 8, fig. 1.
‘ Vier wijfjes van 13—14 mm. vlugt.
Onder de mij bekende soorten is deze nieuwe de kleinste, ter-
wijl verder Dorsiguttella Ers. van haar verschilt door de beide
onzuiver witte binnenrandsvlekjes der voorvleugels. Panzerella
Fabr., Zell. en Annulatella Ragonot — indien deze laatste inder-
daad specifiek verschilt van Panzerella — onderscheiden zich door
donker en licht geringde sprieten en donkergrijze achtervleugelfranje ;
Schwarziella Zell., Sericinella Zell. en Pilulella Hübn. verschillen
door spitse voorvleugels en ook door donkergrijze achtervleugelfranje;
Swammerdammella Linn. door veel aanzienlijker grootte (20—22
mm.), zeer duidelijk met donker netwerk overtogen voorvleugels
‘ 1) Zie voor het eerste gedeelte (Tortricina) Zijds. v. Ent. dl. XXVI,
p. 181 enz.
152 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
en beslist gele achtervleugelfranje. Er blijven dus nog over Aeau-
murella Peyerimhof, Pilella W. NV. en Metaxella Hübn. Eerst-
genoemde soort is mij alleen uit de beschrijving bekend, zij zou
zoo groot zijn als Swammerdammella, maar niet gereticuleerde,
grijsblonde, iets breedere voorvleugels hebben, met een donker
vlekje op de dwarsader en bleekgele achtervleugelfranje. Pilella is
slechts weinig grooter dan Minutella, doch de voorvleugels zijn
vrij donker leemkleurig, licht gevlekt en de franje der achter-
vleugels is grijs; terwijl bij Metavella, die evenveel vlugt heeft
als Pilella, de franje der achtervleugels wel geel is, maar de voor-
vleugels zijn merkbaar breeder en stomper dan bij Minutella ,
donkerder geel, zigtbaar ofschoon niet sterk licht gevlekt en met
een duidelijk donker middenvlekje geteekend. Van Pseudopilella
Peyerimhof kan ik mij naar de beschrijving geene duidelijke voor-
stelling maken en ik vermeld haar dus slechts «pro memorie”.
Aangezigt en palpen grijswit. Sprieten twee en een halfmaal
zoo lang als de voorvleugels, op de onderzijde van ieder der
23—25 eerste leden met een bruin langsstreepje, overigens onder
en boven wit, vrij helder en zonder eenig spoor van donkere
ringen. Schedelbeharing bleekgeel, even licht als bij mijne exem-
plaren van Pilulella, nog iets lichter dan bij de lichtst behaarde
voorwerpen van Metawella. Thorax gekleurd als de voorvleugels.
Deze zijn smal, naar achteren zeer weinig verbreed; de achterrand
is niet ten volle zoo lang als de helft van den in het midden
vlakken voorrand, doch duidelijk gebogen, en de punt is stomp,
hoewel minder dan bij Metaxella. Grondkleur der voorvleugels een
vrij zuiver, zeer bleek glanzig geel, met eene flaauwe groen-
achtige tint, herinnerende aan de kleur van Swammerdammella ,
maar nog lichter en zonder spoor van donker netwerk of midden-
punt. Tegen den wortel der binnenrandshelft is het geel iets
grauwer, langs de tweede helft des voorrands, maar zeer smal,
iets levendiger. Wortelhelft der franje als de vleugel, de tweede
grijs, vrij duidelijk afgescheiden.
Achtervleugels grijs, als bij Swammerdammella, de franje merk-
baar lichter, geelgrijs, aan den wortel haarfijn geler. Zij is dus
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 153
als bij sommige lichte wijfjes van Pilella. Achterlijf grijs, onder
en boven. Onderzijde der voorvleugels donkergrijs, de snede van
den voorrand en bestuiving langs den achterrand blond. Achter-
vleugels als boven, ook de franje. Borst en pooten geelgrijs.
Amoer, 19 en 16 Junij.
2. Adela nobilis Christ., Bull. de Mose. 1884 (sep. p. 201)
n°, 136. — Pl. 8 fig. 2 en 2.
Drie exemplaren; een d van 17, twee wijfjes van 16 mm. vlugt.
Bij deze soort is het ligchaam plomp gebouwd, de kop is vrij
dik behaard, de behaarde palpen en de oogen zijn bij den d
grooter dan bij het 9, en zijne sprieten, die op een groot, dik
kegelvormig behaard grondstuk staan, zijn langer dan bij de
andere sexe, waar zij tot ongeveer twee vijfden door beschubbing
zijn verdikt. Verder zijn de achterscheenen vrij lang behaard , doch
alleen bij den d; ader 5 en 6 der achtervleugels zijn gesteeld ,
7 ontspringt uit de punt der middencel en de voorvleugeladeren
zijn allen ongesteeld. Zij kan dus worden geplaatst in afdeeling C
van ddela, alwaar hare naaste verwante Viridella is, doch het
aangezicht is bij beide sexen behaard, bij het 9 niet blinkend
beschubd en de voorvleugels zijn met een lichten dwarsband
geteekend. Ook schijnt de beharing van alle ligchaamsdeelen niet
zoo sterk als bij Veridella, wat ten deele door afvliegen kan ver-
oorzaakt zijn. Eigenlijk verbindt zij de afdeelingen B en C van Adela.
Palpen bij den & duidelijk langer dan de kop, zwart be-
haard, evenals de zuigerwortel, het aangezigt, het voorhoofd en
het staalblaauwe wortellid der sprieten, die iets meer dan driemaal
zoo lang zijn als de voorvleugels. Zij zijn verder ongeveer tot een
zevende door bronskleurige beschubbing verdikt en overigens
onzuiver wit. Schedel met eenige grijsachtig blonde haren bezet.
Bij het 2 zijn de palpen iets korter dan de kop en even als deze
blond behaard. Tot twee vijfden zijn de vrouwelijke sprieten (even
als hun kleine wortel) staalblaauw en in afnemende mate, veel
sterker dan bij den 3, door beschubbing verdikt. Zij zijn overigens
154 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
wit en hunne lengte bedraagt anderhalfmaal die der voorvleugels.
Thorax bronsgroen.
Voorvleugels gevormd als bij de bekende Degeerella, dus met
stompere punt, langeren, schuineren, meer gebogen achterrand
en meer afgeronden staarthoek dan bij /iridella. Op twee der-
den ziet men eene 3 millim. breede helderwitte dwarsstreep zonder
metaalglans en tot zoover zijn zij blinkend licht groenbrons be-
schubd, zonder spoor van gele bestuiving of zwarte langslijntjes.
De witte dwarsstreep is eenigszins verschillend. Bij den ¢ staat
zij een weinig binnenwaarts schuin, bij het eene 2 ongeveer
loodregt en bij het andere, waar zij ook iets dunner is, een
weinig buitenwaarts schuin en is dus aldaar aan den binnenrand
iets verder van den wortel dan aan den voorrand. Wortelwaarts
is de streep tot hare volle breedte, franjewaarts tot de dubbele
(aan den voorrand iets verder) purperkleurig-roodkoper afgezet.
Deze afzetting is duidelijk maar niet scherp begrensd; vooral
franjewaarts vervloeit zij eenigszins, het minst in het midden.
Achter de witte dwarsstreep ziet men zeven fijne, uiteenwijkende
purperroode langslijntjes, waarvan de onderste en bovenste niet
duidelijk te onderscheiden zijn van de afzetting der streep. Voor-
randsfranje purperkleurig, de overige bronsgroen, buitenwaarts
purper getint. Achtervleugels onder en boven paarsbruin, de
franje bruingrijs met goudgloed aan den wortel, vooral op de
onderzijde en tegen de vleugelpunt. Onderzijde der voorvleugels
iets donkerder dan die der achtervleugels, met geelwitten dwars-
band en goudgroen beschubden achterrand.
Borst en buik zwartbruin met bronsgloed. Voor- en midden-
dijen en scheenen, benevens de achterscheenen bij den d staal-
blaauw, zijne tarsen en achterscheenen (met de beharing) blond.
Bij het g zijn de pooten staalblaauw en bronskleurig, de achter-
scheenen naakt, de tarsen vervloeijend geel geringd.
Eiland Askold,
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 155
3. Nemotois Raddeellus Christ., Bull. de Moscou 1884
sep. 202 n°. 137. — PI. 8 fig. 3 en 34.
Een zeer gave en frissche d van 14 mm. vlugt.
Oogenschijnlijk behoort deze vlinder tot afdeeling C van Adela
en tot de verwantschap van Viridella en Cuprella, waarmede hij
den vleugelvorm, het korte achterlijf, de korte achterpooten en
de langbehaarde achterscheenen gemeen heeft; doch de groote oogen
staan nog nader bijeen dan bij Cuprella & en raken elkander
bijna op den schedel, terwijl bovendien in de achtervleugels niet
ader 5 en 6 gesteeld zijn, zooals bij de genoemde Adelen, maar
6 en 7. Een en ander geeft mij aanleiding om Impolitellus in het
genus Nemotois te plaatsen. Misschien zal de ontdekking van het 9
later deze plaatsing nader wettigen, doch dit is zeker, dat deze
soort voor mij een nieuw bewijs oplevert, dat Adela en Nemotois
in het vervolg wel vereenigd moeten worden.
Van de mij bekende soorten van Nemotors verschilt deze nieuwe
zeer door de teekening der voorvleugels. Een enkele blik op de
afbeelding doet het afwijkende duidelijk zien.
Palpen anderhalfmaal zoo lang als de kop, dun, spits, opgerigt,
onder en boven zeer lang zwart behaard, het aangezigt geheel
verbergende. Zuiger opgerold. Oogen elkander, als boven gezegd,
op den schedel bijna rakende, het voorhoofd en de achterkop met
eenige lange zwarte haren, ook de zijden van den kop met eenige
dergelijke, in den vorm van bakkebaarden. Wortellid der sprieten
lang, dik kegelvormig, zwart, de schaft dun, onderaan zonder ver-
dikking door beschubbing of haren. Hij is ruim tweemaal zoo
lang als de voorvleugels, geheel onderaan op den rug zwart,
verder wit. Thorax zwart, zonder metaalglans, lang doch jjl
zwart behaard. Dit komt weder meer met Adela cuprella dan
met Nemotois overeen. Voorvleugels naar achteren zeer weinig
verbreed, ongeveer gevormd als bij Adela cuprella en viridella,
met vlakken voorrand, duidelijke, stompe punt, schuinen, flaauw
gebogen achterrand, die zoo lang is als de halve voorrand en als
} van den binnenrand. De staarthoek is onduidelijk,
156 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE,
Grondkleur der voorvleugels dof leemgeel, aan den wortel tot
een zesde zwart, verder tot drie vierden geteekend met 6 paars-
zilveren dwarslijntjes en zwarte, fijne langslijntjes op het aderbeloop
van het laatste vierde. Van die dwarslijntjes zijn de eerste drie,
die na den zwarten wortel ongeveer 2 millim. van elkaar zijn
verwijderd, — zoodat de derde nog iets vóór de helft van den vleugel
komt, — regtstandig, gegolfd, van voor- tot binnenrand reikende,
iets afgebroken. De vierde begint aan den voorrand, 3 mm. van
de derde, is ook gegolfd, doch komt slechts tot 2 der vleugel-
breedte; de vijfde is slechts een kort streepje op de dwarsader en
de zesde, die in den staarthoek staat, is even boven de helft
stomp franjewaarts gebroken. Achter haar ziet men zes uitstralende
fijne zwarte langslijntjes op de aderen 2—7, die van den staart-
hoek naar even boven de vleugelpunt, waar ader 7 uitloopt, in
lengte toenemen. Aan den voorrand, nabij het laatste lijntje,
bevindt zich nog een driekant paarsachtig zwart vlekje, dat eene
gele stip der grondkleur en een paar paarszilveren schubben in-
sluit. Franjeliin dik, donkergrijs. Franje lichtgrijs, ook die der
donkergrijze, iets dun beschubde achtervleugels, die eene duidelijke
punt en een van daar tot ader Ac vrij vlakken achterrand heb-
ben; de staarthoek is stomp.
Achterlijf zwart, aan het eind, vooral op den buik, met eenige
lange zwarte haren, overigens stomp en slechts een zesde langer
dan de achtervleugels.
Op de iets glanzige onderzijde zijn de achtervleugels een weinig
lichter dan boven, de voorvleugels bleek grijsgeel, met donker-
grijze sporen van de teekening der bovenzijde en eenige zwarte
voorrandsstippen bij de punt. Borst, buik, dijen en scheenen zwart,
iets glanzig, de beide eerstgenoemden en de achterscheenen lang
dofzwart behaard, alle tarsen, de binnenzijde der middenscheenen
en de sporen grijsgeel. De achtertarsen zijn zoo lang als de
scheenen en de middenpooten langer dan het achterpaar.
Voorvleugels met aanhangcel en gesteelde ader 8 en 9.
Bekatowa, Amoer, 7 Junij 1877.
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 157
4. Cerostoma leuconotella nov. sp. — PI. 8 fig. 4 en 4a.
Een zeer gaaf en frisch g van 203 mm. vlugt.
Dat deze soort tot de verwantschap van Parenthesella L. en
Radiatella Don. behoort, wordt aangeduid daor den vorm der
voorvleugels, die eene scherpe punt en daaronder vlakken achter-
rand der franje hebben; doch de gedachte aan eene varieteit van
eene dezer soorten wordt buitengesloten, eerstens door de breedere
achtervleugels, wier franje aan den staarthoek nog niet half zoo
lang is als de vleugelbreedte in cel 1e, terwijl zij bij de genoemde,
vooral bij Radiatella, aldaar ruimschoots half zoo lang is; ten
tweede door het ruim een derde langere eindlid der palpen ; en
ten derde doordat alle aderen der voorvleugels ongesteeld zijn. Bij
de beide vermelde soorten zijn ader 7—8 gesteeld of ontspringen
uit een punt. De bijpalpen zijn duidelijk; bijoogen kan ik niet
onderscheiden.
Palpen (met den baard van lid 2, die afgerond is) tweemaal
zoo lang als de kop; middenlid zwartgrijs met witten, buiten-
waarts de helft smalleren bovenrand; eindlid zoo lang als de baard
van lid 2, wit. Bijpalpen zwartgrijs, tweeledig. Kopharen wit,
lets geelachtig. Sprieten wit, de wortel en de eerste leden geheel ;
dan komen ongeveer 35 smalle zwarte ringen. Halskraag op zijde
roetbruin, in het midden, evenals de thorax-rug, breed wit, de
schouderdeksels roetbruin. Voorvleugels iets breeder dan bij de
beide boven besproken soorten; aan den staarthoek, juist bij het
begin der franje, is de breedte 31 millim. en de grootste lengte
van den vleugel bedraagt 93 mm. Ook is de franje aan den
staarthoek meer afgerond en onder de vleugelpunt niet meer
dan vlak.
Tot twee derden, aan den voorrand iets verder dan boven den
staarthoek, is de grondkleur, behalve aan den binnenrand, tot
halfweg cel 15, waar zij wit is, donker roetbruin, het donkerst
tegen den witten binnenrand, naar boven, vooral wortelwaarts,
oplichtende en in zeer donker muisgrauw overgaande, en. zooals
de heer van Leeuwen zeer juist opmerkt, wanneer men er langs
158 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
ziet, tegen het licht in, evenals bij het beoordeelen der kleur van
laken, ligt er een zeer heldere fraaije roodbruine gloed over, die
in de teekening echter niet kan worden weergegeven. De binnen-
randsstreep is in cel 15 iets bogtig, ongeveer zooals bij de
welbekende Plutella Cruciferarum en met eenige zwarte schubben
besmet. Franjewaarts is de bruine kleur scherp begrensd, heeft
aan het eind op den voorrand eene zwarte stip, onderaan, van
ader 6 tot in cel 15, een iets binnenwaarts schuin, onderaan
breeder, wit lijntje. Het overige van den vleugel is fraai grijs,
iets paarsachtig, een weinig zwart bestoven, langs den achterrand
met eene rij zwarte stippen, van welke echter alleen de bovenste
(iets onder de vleugelpunt) en de onderste, geheel aan het eind
van cel 14, duidelijk zijn; van de tusschenliggende ziet men
slechts sporen. Franje een weinig donkerder grijs dan de aan-
grenzende vleugel, met sporen van twee witte, uiterst fijne
deelingslijnen.
Achtervleugels met franje, achterlijfsrug en onderzijde grijs,
iets lichter dan het puntderde der voorvleugels en een weinig
glanzig. Buik, borst, alle dijen en de achterscheenen grijswit, de
voor- en middenscheenen en alle tarsen grijs.
Chingan-gebergte, 22 Julij.
5. Depressaria costaemaculella Christ., Bull. de
Moscou 1881 (sep. p. 212) n°. 147. — PI. 8fig. 5 en 54.
Een gaaf g van 24 mm. vlugt.
Bij deze zeer kenbare soort zijn ader 2 en 3 der voorvleugels
kort gesteeld; de voorrandshoek hunner middencel is verder iets
stomper dan in het algemeen bij Depressaria. Overigens herinnert
zij zeer aan Culcitella H.S., de grondkleur der voorvleugels is
eveneens bleek stroogeel, terwijl kop, thorax en wortelveldje ook
zwart zijn; maar de vlinder is grooter, heeft nog eene, bij Cu/-
eitella ontbrekende groote zwarte vlek aan den voorrand der
voorvleugels, de palpen zijn langer en smaller en ader 5 der
MIOROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 159
achtervleugels is aan den wortel niet gebogen maar regt; zij
ontspringt even ver van ader 6 als van de uit één punt komende
aderen 3 en 4; 7 en 8 der voorvleugels zijn gesteeld.
Middenlid der palpen anderhalfmaal zoo lang als de kop, overal
half zoo breed als de oogen, ongebaard, aan de voorzijde naauwe-
lijks gegleufd, zwart, met smal geel bovenrandje. Het eindlid is
iets korter dan de helft van lid 2, geel, met zwarte schubben.
Kop zwart. Wortellid der sprieten zwart, de schaft geel, op den
rug met bijna ineenvloeijende zwarte stippen. Thorax zwart. Voor-
vleugels breeder en met steiler achterrand dan bij Culcitella; de
achterrand is weinig korter dan de halve voorrand.
De grondkleur der voorvleugels is een bleek stroogeel, zonder
glans, doch evenwel niet zeer dof. Wortelveldje zwart, tot den
voorrand scherp begrensd. Ongeveer het derde vierde van den
voorrand wordt beslagen door eene binnenwaarts geknotte, drie-
kante zwarte vlek, die naar achteren en over het geheel tegen
den voorrand een weinig valer is en den gelen vleugelgrond
eenigszins laat doorschemeren. Op een derde der vleugellengte,
in het midden, ziet men eene zwarte stip, op drie vijfden, tegen
den wortelrand der voorrandsvlek, onderaan eene tweede, fijnere.
Verder bemerkt men eenige zwarte stipjes langs den voorrand,
vóór de vlek en langs de franjelijn eenige flaauwe. Franje als de
vleugel, iets grauwer. Achtervleugels grijs, iets paarsachtig, met
vuil grijswitte franje; zij zijn aan den staarthoek slechts weinig
verbreed, stomp regthoekig. Achterlijf bruingrijs, de staartpluim en
de achterranden der ringen fijn geel.
Onderzijde der voorvleugels bruingrijs met bleekgele franje, die
der achtervleugels met franje geelwit. Pooten bleekgeel, de voor-
en middenscheenen buitenwaarts bijna geheel zwart, de achter-
scheenen slechts met enkele zwarte schubben. Tarsen buitenwaarts
donker gevlekt.
Eiland Askold.
160 MICROLEPIDOPTERA. VAN NOORD-AZIE.
6. Depressaria leucocephala nov. sp. — Pl. 8,
fig. 6 en 6a.
Een gaaf wijfje van 20 mm. vlugt.
Deze soort behoort tot de tweede afdeeling van Depressaria,
waar ader 2 der voorvleugels uit drie vierden van den binnen-
rand der middencel ontspringt, verwijderd van 3. Ader 3 en 4
der achtervleugels zijn kort gesteeld; 5 ontspringt op een vierde
der dwarsader. Verder zijn ader 7 en 8 der voorvleugels gesteeld
en de palpen gewoon gevormd, lid 2 ongebaard, 3 glad beschubd.
De naaste verwante van Leucocephala is, wegens de zeer donkere
kleur der voorvleugels, Badiella Hübn. , doch zij verschilt van deze
doordat de voorvleugelwortel niet helderder is. In dit opzigt stemt
zij met Douglasella en Pulcherrimella overeen, die echter beiden
veel lichter gekleurde voorvleugels hebben. Over het geheel heeft
Leucocephala onder de mij bekende Depressariën der tweede afdee-
ling de donkerste voorvleugels, waartegen de grijswit gekleurde kop
en thorax-rug zeer afsteken.
Palpen iets roodachtig grijswit; lid 2 buitenwaarts met bruin
gewolkte onderhelft, het eindlid met breeden, naar onderen niet
scherp begrensden bruinen ring der tweede helft, de spits grijswit.
Kop grijswit, mede iets roodachtig, langs de oogen met donker-
bruinen rand. Sprieten geheel donker turfbruin. Thorax in het
midden gekleurd als de kop, de schouderdeksels donker turf bruin.
Een even donker bruin is ook de grondkleur der naar achteren
niet verbreede voorvleugels; het is aan den vleugelwortel het
donkerst en heldert naar achteren langzamerhand op. Tot twee
vijfden is de vleugel ongeteekend; dan ziet men eenige grijswitte
bestuiving onder den voorrand, een grijswit middenpunt op de
dwarsader, en eene even als bij de verwante soorten kort ge-
broken grijswitte dwarsstreep, die vrij duidelijk is halfweegs het
middenpunt en den achterrand. Laatstgenoemde is met zwarte,
wortelwaarts een weinig grijswit afgezette randpunten geteekend.
Fijne zwarte langslijntjes op de aderen worden eerst op de tweede
vleugelhelft zichtbaar, doch zijn ook daar niet zeer duidelijk en
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 161
komen niet voorbij de gebroken lichte dwarsstreep. Franje iets
grauwer dan de vleugel.
Achtervleugels donkergrijs, aan den staarthoek duidelijk verbreed ,
tegen den wortel iets lichter. Achterlijfsrug donkergrijs.
Onderzijde der vleugels donkergrijs, de wortelhelft der achter-
vleugels lichter. Buik donkergrijs. Borst en dijen lichter, bijna
witgrijs. Scheenen en tarsen bruingrijs, eerstgenoemde aan de
buitenzijde met een paar onduidelijke, lichtgrijze vlekken.
Suifun.
7. Depressaria erythrella nov. sp. — Pl. 8 fig. 7 en 7a.
Een gaaf paar; de d 26, het 9 24 mm. vlugt.
Oogenschijnlijk is deze Depressaria, waarvan de & vrij groot is,
om de roode kleur der voorvleugels en hun helderwit middenpunt,
verwant aan Applana Fabr, en Cliella Staïint., doch bij nadere
beschouwing ziet men dat het lichte, langs den voorrand uitge-
vloeide en tegen den binnenrand franjewaarts eenigszins donkerder
begrensde wortelveldje der voorvleugels, bij die soorten aanwezig,
hier ontbreekt, terwijl in plaats daarvan een zeer fijn, grijswit,
den voorrand niet bereikend, loodregt dwarslintje bij den vleugel-
wortel is waar tenemen — bijna zooals bij Autana Fabr. — waar
echter‘ de voorvleugels grauwbruin, grijs gemarmerd en met
eenige fijne gele langslijnen geteekend zijn. Verder zijn de palpen
bij: Zrythrella anders gevormd dan bij de drie genoemde soorten,
met naar onderen vrij duidelijk verbreed middenlid. Overigens
behoort zij tot de eerste afdeeling van Depressaria, met gesteelde
aderen 2—3 en 7—8 der voorvleugels. Ader 3 en 4 der achter-
vleugels komen uit één punt, 5 ontspringt nabij 4.
Lid 2 der palpen is aan de binnenzijde licht grijsgeel, buiten-
waarts met bruingrijze en grijsgele schubben bezet, de verbreeding
ook met eenige helder steenroode, Eindlid zoolang als lid 2, grijs-
geel, met twee onduidelijke bruingrijze ringen, de punt grijsgeel.
Onder de oogen; aan beide zijden van, het aangezigt, ziet men
11
162 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
eenige helder lichtroode haren — zooals bij meer Depressarién,
o. a. bij Applana en Ciliella. Sprieten bruingrijs, bij den d vrij
dik, plat. Aangezigt grijsgeel. De schedel en vooral de thorax heb-
ben eene vrij heldere steenroode kleur, overeenkomende met die
der voorvleugels, welke gevormd zijn als bij Cella en Applana,
bij den d iets meer naar achteren verbreed en wat stomper ge-
punt. De grondkleur der voorvleugels is vrij eentoonig; zij zijn
langs den binnen- en voorrand, doch vooral aan laatstgenoemden,
geteekend met roodbruine vlekjes, die door fijne aschgrauwe streepjes
worden afgewisseld. Aschgrauwe, sterk afgebroken langslijntjes
ziet men ook op het aderbeloop der tweede vleugelhelft en eveneens
gekleurde, iets gegolfde dwarsschrapjes, met roodbruine schubben
bestrooid, op het achterrandsderde. Op een derde ziet men twee
schuin staande (+), hier zeer fijne zwarte stippen ‚ waarvan de
onderste uiterst fijn wit geringd is, op de dwarsader eene helder
witte stip, die bij den 4 merkbaar grooter is dan bij het ©, en
tusschen de zwarte stippen en de witte een flaauw, donkerbruin;
wolkje, dat bij het 2 ongeteekend is, doch bij den d eene witte
stip draagt. Vleugelvouw met eene zwarte stip op een derde:
Franjelijn ongeteekend. Franje ongeveer als de vleugel, iets bleeker
doch helderder rood, tegen den staarthoek grijzer.
Achtervleugels aan den staarthoek duidelijk verbreed, grijs ge-
kleurd met grijsgele franje, op de onderzijde iets lichter en geler,
tegen de punt donkergrijs gesprenkeld. Onderzijde der voorvleugels
donkerder grijs, vooral bij het g, waar ook de grijsgele achter- en
voorrand sterker afsteken en de wortelhelft van laatstgenoemden
duidelyker donkergrys gevlekt is.
Achterlijf gekleurd als de achtervleugels, op den buik met
dwarsrijen van fijne zwarte stippen. Pooten licht bruingrijs, de
tarsen grijsgeel geringd.
Chanka-Meer, 4 Sept. (8); Suifun (2).
Depressäria septicella nov. sp. — PI. 8 fig, 8 en 84,
Een goede d van ruim 14 mm: vlugt,
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE, 163
Deze kleine Depressaria is blijkbaar eene verwante van Putri-
della Wien. Verz., doch de grondkleur der voorvleugels is bij
laatstgenoemde anders, onzuiver bruingrijs, de grond om de beide
schuin staande zwarte stippen niet lichter en de donkere plek,
waarop de bij Septicella zeer duidelijke en heldere middenstip
staat, niet als eene streep tot in den staarthoek verlengd. Eindelijk
maken ook de zeer scherpe zwarte streepjes op de adereinden van
het laatste vleugelderde en de lichte franje Septicella zeer kenbaar.
Zij behoort overigens tot de eerste afdeeling van Depressaria, met
gesteelde aderen 2—3 en 7—8 der voorvleugels, terwiji de aderen
3—5 der achtervleugels ongeveer uit één punt komen.
De palpen zijn gewoon gevormd; lid 2 in het midden half zoo
breed als lang, aan de voorzijde gelijkmatig afgerond; lid 3 is
iets korter dan 2. Kleur der palpen bleekgeel, lid 2 buitenwaarts
zwart bestoven, 3 met twee aan de binnenzijde opene zwarte
ringen. Sprieten donkerbruin. Kop en thorax-rug zijn bleekgeel ;
de oogranden en eene stip op ieder der schouderdeksels zwartbruin:
Voorvleugels iets smaller dan bij Putridella, nog iets stomper en
de achterrand een weinig meer afgerond. Hunne grondkleur is
helder bruingeel, het wortelveldje is bleekgeel, dus lichter dan bij
Putridella, door een gebogen, zwartbruin, niet tot den voorrand
reikende en franjewaarts een weinig vervloeid zwart streepje be-
grensd. Het is niet merkbaar langs den voorrand uitgevloeid en
diens wortel met eene zwarte stip geteekend. Op een derde der
vleugellengte ziet men, op eene ronde, niet scherp begrensde,
lichtere, bleekgele plek twee schuin staande scherpe zwarte stip-
pen, waarvan de bovenste de grootste is en onder de tweede, in
de vleugelvouw, een groepje zwartbruine schubben. Dwarsader
iets voorbij het midden van den vleugel, met een zwartbruin
wolkje, in welks onderhelft zich eene vrij groote en scherpe hel=
derwitte stip vertoont. Dit zwartbruine wolkje is, op dezelfde wijze als
bij Depr. Angelicella, tot een, in den staarthoek uitloopend,
gebogen zwartbruin schaduwstreepje verlengd. Boven het donkere
wolkje staat eene zwarte stip aan den voorrand en van daar af is
deze en de achterrand tot in den staarthoek geteekend met tien
164 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
dikke koolzwarte streepjes. Franje bleekgeel met grijze deelingslijn.
Achtervleugels aan den staarthoek verlengd, grijs, de tweede
helft donkerder. Franje geelachtig grijswit. Onderzijde der voor-
vleugels donkergrijs met zwarte, vervloeide stippen om de vleu-
gelpunt en langs den achterrand. Achtervleugels als boven, de
adereinden met vervloeide donkergrijze stippen. Franje bleekgeel.
Borst en buik bleek grijsgeel, laatstgenoemde aan beide zijden met
zwarte, ineenvloeijende vlekjes. Achterlijfsrug grijs. Footen aan de
binnenzijde bleekgeel, van de voorpooten de geheele buitenzijde
zwartbruin, die van het middenpaar aldus gevlekt, en de tarsen
bruin, licht geringd.
Chabarowska, 1 Augustus 1877.
Atabyria nov. gen.
Hoe weinig ik ook een voorstander ben van het vormen van
nieuwe genera onder de Lepidoptera, zoo kan ik dit bij het be-
schrijven der nu volgende nieuwe Tineine niet ontgaan, daar
werkelijk geen mij bekend genus geschikt is tot hare opname. De
sikkelvormige, bijna als bij Depressaria gevormde palpen doen ons
de verwanten dezer nieuwe soort het eerst onder de Gelechiden
zoeken, doch bij vergelijking van het aderstelsel met dat van die
Tineinen, zien wij dat de aderen 5 en 6 der achtervleugels gesteeld
zijn, hetgeen bij de Gelechiden niet voorkomt en meer aan Acro-
lepia herinnert. Misschien is het laatstgenoemde genus inderdaad
het naast verwant aan Atabyria, hoewel bij vergelijking talrijke
punten van verschil in het oog loopen. Ik behoef hiertoe slechts
te wijzen op den gladbeschubden kop, de dunnere lipvoelers, de
stompregthoekige voorvleugelpunt en de gesteelde of uit één punt
komende aderen 3—4 der achtervleugels bij Acrolepia. In de
teekening is eenige overeenkomst met die van het genus Heleys=
togramma Teller (Hor. Soc. Ent. Ross. 1877, p. 367, fig. 126
en 127), maar vorm van vleugels en palpen zijn geheel anders:
Het aderstelsel beschrijft Zeller niet.
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE,. 165
Oogen naakt, onbewimperd; bijoogen kan ik niet onderschei-
den. Kop zeer breed, met eene digte, vooral op den schedel en het
voorhoofd lange, op het aangezigt iets kortere beharing bekleed;
het aangezigt is breeder dan de oogen en even breed als lang.
Zuiger lang, opgerold. Palpen sikkelvormig gebogen, zoo lang als
de kop (met zijne beharing); lid 2 plat, behaard, aan de voorzijde
iets ruw, in het midden het breedst, doch aldaar nog iets smaller
dan de oogen; eindlid iets korter dan lid 2, merkbaar dunner,
stomp-gespitst, glad beschubd. Bijpalpen digt tegen de aangezigts-
beharing aangedrukt. Sprieten zoo lang als drie vijfden der voor-
‘vleugels, vrij dun, met klein wortellid, de schaftleden driekant,
vrij lang bewimperd. Thorax kort, iets smaller dan de dikbehaarde
schedel, iets plat gedrukt, glad beschubd, met korte schouder-
deksels.
Voorvleugels langwerpig, in het midden ruim driemaal zoo lang
als breed, naar achteren weinig verbreed; de voorrand sterk ge-
bogen; de punt zeer afgerond; de achterrand een derde zoo lang
als de voorrand, iets schuin, weinig gebogen ; de staarthoek stomp.
Binnenrand een zesde korter dan de voorrand. Achtervleugels in
het midden een vierde breeder dan de voorvleugels, met regten
voorrand, afgeronde punt, sterk en gelijkmatig gebogen achter-
rand en korten binnenrand, die weinig langer is dan een vierde
van den voorrand. De beschubbing der vleugels is fijn en glad,
de franje kort, vooral die der voorvleugels, die naar onderen niet
verlengd is, terwijl hare lengte aan den staarthoek der achter-
vleugels nog geen derde van de vleugelbreedte in cel 14 bedraagt.
Voorvleugels met 12 aderen, de middencel zoo lang als twee
derden van den vleugel, ongedeeld, met iets gebogen voorrand en
vrij duidelijke hoeken, de dwarsader iets buitenwaarts schuin,
ongebogen. Geene aanhangcel. Ader 2 ontspringt uit vijf zesden
van den binnenrand, 3—4 eenigszins verwijderd om den staart-
hoek, 5 (niet ver van 4) en 6 uit de dwarsader, 7 uit de spits der
eel, 8—9 komen gesteeld uit haren voorrand nabij de spits en
loopen in den voorrand des vleugels uit, 10 is weinig langer dan
6 en ontspringt nabij 8—9, 11 ver wortelwaarts. Achtervleugels
166 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
met 8 aderen; de middencel is driekant en schijnt korter dan de
halve vleugel te zijn. Eene dwarsader kan ik niet onderscheiden.
Ader 2—3 zijn gesteeld, 4 ontspringt ver van 3, 5—6 zijn ge-
steeld en ontspringen nabij 7; ader 8 is lang en loopt in den
voorrand, nabij de vleugelpunt uit.
Pooten lang, vrij dun, glad beschubd, met het gewone getal
vrij lange sporen, de middensporen op de helft der scheenen.
Achterlijf gewelfd, slank, tweemaal zoo lang als de binnenrand
der achtervleugels, met korte stompe staartpluim.
9. Atabyria Bucephala nov. sp. — PI. 9, fig. 1, da
(kop) en 15 (aderbeloop der vleugels).
Twee goede mannen van 17—18 mm. vlugt.
| De binnenzijde van lid 2 der palpen en de uiterste spits van
lid 3 zijn vuilwit; overigens zijn zij bruinzwart als de geheele
vrij groote kop. Sprieten bruingrauw. Voorhelfi van den thorax
zwartbruin, de tweede beenkleurig geelwit. Grondkleur der voor-
vleugels beenkleurig geelwit, iets stroo-glanzig; eene langwerpig
vierkante vlek aan den wortel van den voorrand, dan fijne stippen
op de snede en vervolgens eenige grootere vlekjes tegen de vleu-
gelpunt, benevens eene zeer groote, tegen den voorrand onregelmatig
afgeronde vlek op het midden van den binnenrand, zijn bruinzwart,
scherp begrensd. In de ruimte, begrensd door de voorrandsvlekjes
der vleugelpunt en de groote binnenrandsvlek, ziet men bij één
exemplaar drie zwarte stippen, bij het andere slechts eene, in den
staarthoek, en de grond tusschen en onder de vlekjes aan de
vleugelpunt is min of meer okergeel gewolkt. Franje geelwit, die
der grijze achtervleugels iets lichter dan deze. Achterlijf en pooten
licht bruingeel, de buitenzijde der beide eerste paren bruinzwart.
Onderzijde der vleugels vuil grauwgeel.
Chabarowska, 14 Aug. 1877 (1 3), Suifun (1 dito).
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZID, 167
10. Gelechia pallipalpella nov. sp. — Pl. 9, fig.
2 en 2a.
Twee gave wijfjes van 16 en 17 mm. vlugt.
Na verwant aan de bekende @el. distinetella Hübn., doch zich
onderscheidende door vuil grijswit, aan de basis zwartbruin mid-
denlid der palpen en doordat de zwarte stippen der voorvleugels
(waarvan die op de dwarsader dubbel is) roestgeel geringd zijn.
Bij Distinetella is de buitenzijde van het middenlid der palpen
geheel donkerbruin, terwijl de stippen der voorvleugels wel veelal
wit maar nooit roestgeel zijn afgezet, en die op de dwars-
ader steeds enkelvoudig is. Bij Lentiginosella, die ook roestgeel
geringde stippen op de voorvleugels en eene dubbele op de dwars-
ader heeft, zijn de palpen wel de helft smaller en de kleinere
Flavicomella, waaraan men ook zou kunnen denken, heeft
veel smallere voorvleugels met geelwit voorrandsvlekje boven den
staarthoek.
Middenlid der palpen onderaan bijna half zoo breed als lang,
naar boven iets versmald, het eindlid iets korter dan lid 2, met
vuilwitte en bruine schubben bekleed. Aangezigt en voorhoofd
vuil grijswit, de schedel meer bruingrijs. Sprieten zwartbruin,
naauwelijks merkbaar lichter geringd. Thorax donker bruingrijs.
Voorvleugels gevormd als bij Distinetella 2, naar verhouding
breeder. Hunne grondkleur is een donker, gelijkmatig bruingrijs,
zonder merkbaren glans. Bij een der exemplaren ziet men bij den
vleugelwortel een onduidelijk zwart vlekje, dat bij het andere, iets
donkerder, niet aanwezig is. Vleugelvouw op de helft met eene
enkelvoudige, roestgeel geringde stip; daarboven, op twee vijfden
der vleugellengte, dus iets meer naar achteren, bevindt zich eene
onduidelijk dubbele, mede roestgeel geringde en op de dwarsader
eene dergelijke, mede, maar duidelijk, dubbele. Lichte dwarsstreep
in den staarthoek op de helft gebroken, vuil grauwgeel, aan den
voorrand, bij het lichtere der beide exemplaren iets helderder. Dit
voorwerp heeft ook zwarte randstippen, die vuil bruinachtig grijs
afgezet zijn. Franje bij beiden vuil grijs, zwart beschubd,
168 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZTE.
Achtervleugels een klein weinig breeder dan de voorvleugels,
slechts met korte spits, hunne franje aan den staarthoek zoo lang
als drie vijfden der vleugelbreedte op de helft, aan de vleugelpunt
slechts een vierde zoo lang. Zij zijn donkergrijs met iets lichtere
franje.
Onderzijde der voorvleugels geheel donkergrijs, die der achter-
vleugels lichtgrijs met breed donker bestoven voorrand. Pooten aan
de binnenzijde grijs, buitenwaarts zwartbruin en bruingeel gevlekt
(de tarsen aldus geringd) en de scheenen licht grijsblond behaard.
Borst en buik donkergrijs.
Vleugeladeren geheel als bij Distinctella.
Amoer, zonder nadere aanduiding van vangplaats; op 19 en
26 Junij gevangen.
14. Gelechia psammitella nov. sp. — PI 9 fig. 3 en 3a.
Vijf goede exemplaren van beide sexen; 14—16 mm. vlugt.
Deze geheel typische Gelechia is wel het naast verwant aan
Flavieomella , uithoofde van den vleugelvorm en den gelen kop, doch
verschilt overigens vrij sterk van die soort, zoodat eene nadere ver-
. gelijking naauwelijks noodig is; ik stip alleen het verschil aan in
de kleur der voorvleugels, die bij //avicomella nagenoeg zwart zijn.
Palpen smal, het middenlid op de helft slechts een derde zoo
breed als lang, glad beschubd; hunne kleur bleek okergeel. Sprie-
ten bruingrijs, flaauw donker geringd. Kop helder bleek okergeel.
Thorax gekleurd als de voorvleugels. Deze zijn licht grauwgeel,
zeer fijn en gelijkmatig donker bestoven, slechts met eene flaauwe
donkere middenstip of ook wel geheel zonder teekening, vrij dof.
Franje iets grijzer dan de vleugel.
Achtervleugels met korte punt en daaronder naauwelijks uitge-
sneden, verder rondgebogen achterrand. Zij zijn overigens zoo
breed als de voorvleugels en de lengte hunner franje aan den
staarthoek een weinig korter dan de vleugelbreedte in het midden.
Hunne kleur is donkergrijs, iets glanzig, die der franje bruingrijs
met smal gelen wortel. Onderzijde der voorvleugels bruingrijs, die
MIOROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 169
der achtervleugels ongeveer als boven, iets onzuiverder. Ader 5
van laatstgenoemden is aan den wortel sterk gebogen en ontspringt
bijna uit één punt met 3 en 4; ader 6 en 7 uit één punt.
Achterlijfsrug donkergrijs, de buik bijna witgrijs, de staartpluim
vuil leemgeel als de pooten, die grauwbruin gekleurde sporen en
ringen om de tarsen hebben.
Amoer-rivier, zonder nadere lokaliteit, van 19 tot 25 Junij
gevangen.
42. Recurvaria albidorsella nov. sp. — Pl. 9, fig. 4
en 4a.
Een gave d van 103 mm. vlugt.
Deze aan Zewcatella na verwante Recurvaria onderscheidt zich
van haar: 1°. door mindere grootte, 2°. door geheel witten thorax-
rug, 3°. doordat de witte dwarsband bij den wortel der voor-
vleugels naar boven zeer versmald is, 4°. door het ontbreken der
gewone zwarte middenpunten. Verder zijn de lichte tegenvlekken
boven en in den staarthoek meer driekant en ontbreken zwarte
randstippen langs den voor- en achterrand om de punt der veel
stompere voorvleugels. De achtervleugels zijn lichter grijs en het
eindlid der palpen is van den wortel af regelmatiger verdund dan
bij de reeds genoemde, algemeen bekende soort.
Palpen wit, buitenwaarts aan den wortel zwartbruin. Sprieten
bruingrijs, fijn zwart geringd. Kop wit, ook de rug van den
thorax, het schildje echter zwartbruin. Voorvleugels vaalzwart. Op
een vierde hunner lengte vertoont zich de bovenvermelde dwars-
band, wiens witte kleur, evenals die van palpen, kop en thorax,
eene flaauwe geelachtige tint heeft. Hij is wortelwaarts regt afge-
sneden, franjewaarts schuin en aan den binnenrand weinig smaller
dan de lengte van den wortelrand; aan den voorrand bedraagt de
breedte nog geen halven millimeter. In het ongeveer een derde der
vleugellengte beslaande middenveld van den vleugel ontbreken de
drie, bij Leucatella aanwezige, koolzwarte, soms fijn wit afgezette
gewone stippen. Lichte tegenvlekken op drie vierden der vleugel-
170 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
lengte, dus minder ver naar achteren dan bij de genoemde soort,
waar ook het zwarte middenveld grooter is en twee vijfden der
vleugellengte inneemt. Zij zijn driekant, gelijkzijdig; de onderste
is iets grooter en staat verder naar achteren; ook zijn zij ver ge-
scheiden. Vleugelpunt zwart, ongeteekend. Franje donkergrijs, met
eene vervloeide zwarte deelingsliin en onder de witte vlek in den
staarthoek ook geheel wit gekleurd. Bij Leucatella is de franje ook
daar donkergrijs.
Achtervleugels onder en boven grijs, niet zeer donker, de
franje geelachtig grijs. Achterlijfsrug grijs, de staartpluim geelwit;
buik geheel donkergrijs. Onderzijde der voorvleugels donkergrijs,
de teekening der bovenzijde geelwit doorschemerende. Pooten zwart-
grijs, de middenscheenen buitenwaarts aan het eind, de achter-
scheenen ook in het midden wit. Tarsen wit geringd.
Amoer.
13. Brachmia adumbratella nov. sp. — Pl. 9 fig. 5
en 5a.
Twee gave mannen van 16 mm. vlugt.
De palpen zijn bij deze soort gevormd zooals bij Prauimosella ,
met nog iets korter eindlid. Zij wijken dus nog meer van die van
het genus Gelechia af dan bij de bekende Brachmia Mouffetella.
Verder zijn ader 6—8 der voorvleugels gesteeld, de vleugelvorm
als bij laatstgenoemde soort en dus de achtervleugels iets langer
gepunt dan bij Pruinosella; de vlinder is van beide soorten overi-
gens duidelijk onderscheiden door de bruingrijze, ongeteekende
voorvleugels.
Middenlid der palpen naauwelijks gebogen, tweemaal zoo lang
als de kop, in het midden half zoo breed als lang. Eindlid niet
ten volle half zoo lang als lid 2, in het midden verdikt, fijn ge-
punt. Het middenlid is aan de binnenzijde donkergrijs, buiten-
waarts donkerder, bruingrijs, met grijswitten bovenrand, het eindlid
evenzoo, met vuilwitte spits. Kop donkergrijs, het voorhoofd met
stompe kuif, Sprieten bruingrijs, zwart geringd. Thorax bruingrijs
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 171
als de voorvleugels, Deze zijn op het midden nog niet ten volle
een derde zoo breed als lang, vrij dof, eenkleurig bruingrijs, fijn
zwart bestoven, naar achteren ook een weinig donkergrijs, het
meest tegen de met zwarte schubben geteekende franjelijn. Van
de typische zwarte stippen der Gelechiden, die bij Mouffetella zoo
duidelijk zijn, is niets te zien, daarentegen bij één der beide voor-
werpen van Adumbratella een flaauw spoor eener scherp gebroken
lichtere dwarslijn in den staarthoek. Achtervleugels en lijf donker-
grijs. Franje als de vleugels; die van het achterpaar aan den
wortel haarfijn geelachtig,
Onderzijde der vleugels, horst, buik en pooten donkergrijs, de
voorvleugels tegen de punt, de achtervleugels langs den voorrand
een weinig grauwgeel bestoven, de tarsen aldus geringd.
Aderstelsel der achtervleugels en lengte hunner franje als bij
Mouffetella.
Amoer, 27 en 29 Mei,
14. Nothris albidella nov. sp. — PL 9 fig. 6 en 6a.
Zeven, meest gave mannen van 113—123 mm. vlugt.
Onder de tot de Europesche fauna behoorende soorten van het
niet zeer natuurlijke genus MNotAris (het onderscheidt zich namelijk
van Gelechia hoofdzakelijk alleen door het gebaarde tweede pal-
penlid), is deze door de eenigszins onzuiver witte kleur der voor-
vleugels zoo kenbaar, dat wel geene nadere vergelijking noodig is.
Ik ken namelijk geene beschreven soort, die ook slechts ongeveer
die kleur vertoont. Zij behoort overigens tot de kleinere van het
genus; de franje der achtervleugels is aan den staarthoek zoo lang
als de vleugelbreedte in het midden; de punt der voorvleugels is
stomp; hun staarthoek, ofschoon zeer afgerond, toch aangeduid.
Verder ontspringt ader 2 der voorvleugels uit vijf zesden van den
binnenrand der middencel en 6—7 der achtervleugels zijn gesteeld.
Palpen wit; lid 2 aan de binnenzijde geheel, behalve aan de
punt van den baard; aan de buitenzijde is het zwart met smal
witten bovenrand. Lid 3, dat iets langer is dan 2, wit met be-
172 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
nedenwaarts schuinen zwarten ring even boven de helft. Kop wit,
ook de sprieten, deze aan de tweede helft met naar boven duide-
lijker wordende bruine ringen. Thorax wit, eenigszins onzuiver
(als kop en voorvleugelgrond).
Voorvleugels naar achteren een weinig verbreed, de achterrand
weinig korter dan de helft van den voorrand. Hunne grondkleur
is reeds van af het eerste derde, vooral tegen den binnenrand en
naar achteren in toenemende mate doch altijd dun, bruingrijs be-
stoven. Voorrand met donkere vlekjes. Van deze zijn twee, op 4
en +, koolzwart, een derde, op 2, is bruingrijs en niet scherp.
Vervolgens komen weder twee koolzwarte vlekjes en verder, naar
de vleugelpunt toe, nog drie bruingrijze stippen. Ook de achter-
rand is met zwartbruine stippen geteekend, maar wat het meest
in het oog loopt is een vrij groot, iets langwerpig koolzwart
vlekje op de helft der vouw, terwijl men bovendien nog eene
zwarte stip in den staarthoek ziet en eene, op het tweede vierde
afgebroken langsrij van fijne, mede zwarte, over het midden van
den vleugel. Franje bruingrijs, aan den voorrand met donkerder
vlekjes. Achtervleugels en lijf lichtgrijs, de franje iets lichter en
geler, de vrij lange staartpluim geelwit. Onderzijde der vleugels
lichtgrijs, de buik en binnenzijde der pooten grijswit, hunne bui-
tenzijde bruingrijs met fijne witte ringen om de tarsen.
De achtervleugels zijn kort gepunt, ongeveer zooals bij Marginellus.
Blagowestchenk (Amoer) van 28 Junij tot 14 Julij. Irkutsk 5 Julij.
15. Xystophora tripunctella nov. sp. -— PI. 9 fig.
7 en Ta.
Drie goede wijfjes van 12 en 13 mm. vlugt.
Ader 2 der achtervleugels ontspringt uit twee derden van den
binnenrand der middencel, 3 uit zeven achtsten daarvan, 4 uit
haren staarthoek. Verder zijn de palpen gebogen, langer dan de
kop, het eindlid is zoo lang als lid 2, spits, de middencellen zijn
gesloten en de voorvleugels mesvormig. Er bestaat dus geen be-
zwaar deze nieuwe soort in het genus Xystophora von Heinemann
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 173
op te nemen, hoewel de vorm der palpen van die der meeste soor-
ten afwijkt. Lid 2 is namelijk (evenals bij Palustrella Dougl.)
bovenaan tot het dubbele verbreed, maar meer aan beide zijden.
Overigens is Tripunetella door den breed witachtig bestoven voor-
rand der met drie zwarte stippen geteekende, leemgele voorvleu-
gels zeer kenbaar en verschilt van Palustrella door smallere,
langer gepunte achtervleugels.
Middenlid der palpen aan de binnenzijde geelwit, buitenwaarts
roestbruin, de iets ruige bovenrand bijna wit; evenzoo is de kleur
van het eindlid. Kop geelwit, de oogranden zwartbruin. Sprieten
geelwit, zwart geringd. Thorax bleek leemgeel, niet zoo witachtig
als. de kop. Voorvleugels met iets gebogen, in het midden vlakken
voorrand, aan de punt stomp. De achterrand is zoo lang als de
binnenrand. Grondkleur een dof, licht, vrij helder leemgeel. Voor-
rand aan den wortel smal zwart, verder tot. twee vijfden der
vleugelbreedte en van het midden tot de vleugelpunt in zeer af-
nemende mate dof geelwit bestoven. Bij een der exemplaren, dat
ook de donkerste voorvleugels heeft, is deze witte bestuiving over
het geheel vrij dun, bij het afgebeelde het digst. De teekening
bestaat slechts uit drie fijne koolzwarte stippen. Van deze bevindt
er zich eene op de helft. der vleugelvouw, de tweede, daarboven
en meer achterwaarts, op de helft van de middenlangsas der voor-
vleugels, de derde op de dwarsader, op drie vierden der vleugel-
lengte. Geene franjelijn; franje als de vleugel gekleurd.
Achtervleugels een klein weinig smaller dan de voorvleugels, de
franje aan den. staarthoek anderhalfmaal zoo lang als de vleugel-
breedte. Achterrand op ader 4 vrij scherphoekig gebroken, de punt
vrij lang. De vorm is dus ongeveer zooals bij Servella. Zij zijn
verder onder en boven donkergrijs met iets lichtere, bruinere
franje. Achterlijf donkergrijs met iets geelachtige spits. Onderzijde
der voorvleugels donker bruingrijs, de punt bruingeel. bestoven ;
franje bruingeel. Pooten aan, de binnenzijde grijsgeel, buitenwaarte
‘ donker bruingrijs. Tarsen fijn grijsgeel geringd. Middensporen op
twee derden. der achterscheenen.
De middencel der voorvleugels is zoo lang als drie vierden der
te: MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
vleugellengte, hunne aderen 6—8 zijn gesteeld en omvatten de
vleugelpunt. |
Blagowestchenk (Amoer rivier), 13 Julij.
16. Xystophora rutilella nov. sp. — Pl. 9 fig. 8 en 8a.
Twee gave mannen van 93 en 10 mm. vlugt.
Vleugelvorm en aderstelsel zijn bij deze soort als bij Xystophora
(Monochroa) tenebrella Hübner, doch de palpen zijn dunner en
hun spits eindlid is zoo lang als lid 2; zij komen bijna overeen
met die van Xystophora (Lamprotes v. Hein.) micella W.V. Ruti-
lella versterkt mij dus in mijn gevoelen, dat ik wel deed (zie
Vlinders v. Nederland, Microlepidoptera p. 684), von Heinemann’s
genera Monochroa en Lamprotes met Xystophora te vereenigen.
Palpen sterk gebogen, tweemaal zoo lang als de kop, vrij dun,
glad beschubd; lid 2 weinig dikker dan 3, iets platgedrukt, aan
de voorzijde zonder gleuf. Zij zijn donker hoorngeel, lid 3 1s
tegen de punt, vooral aan de voorzijde, gezwart. Aangezigt geheel
onderaan als de palpen gekleurd, overigens, evenals de schedel,
koperkleurig met rooden gloed. Sprieten bronskleurig zwart; iets
minder dan het puntderde van de vrij sterk getande schaft is
wit met zwarte spits. Thorax als de schedel gekleurd.
De voorvleugels worden slechts tot een zesde hunner lengte
breeder en zijn van daar gespitst; de voorrand blijft echter vrij
regt en is voorbij het midden iets ingedrukt, maar de binnenrand
is flaauw gebogen en gaat zonder staarthoek over in den eveneens
gebogen achterrand. De voorvleugels zijn verder glad beschubd,
dan den wortel glanzig donker violet; dan komt aan den voor=
rand, op een zesde, eene smalle, schuine, groenzilveren dwars=
streep, die tot in de vouw doorloopt. Vervolgens worden zij blinkend
koperkleurig met twee paarszilveren stippen, eene op twee derdert
der vouw en de andere juist op de helft van den vleugel, in de |
middencel, terwijl eindelijk het puntderd& roodkoperkleurig is met
naar de vleugelpunt toenemenden violetten gloed. Franje zwart met
staalblaauwen gloed.
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 175
Achtervleugels tot drie vierden zoo breed als de voorvleugels op
een zesde (ongeveer À millimeter), dan is de achterrand bijna
regthoekig gebogen en gaat vrij steil opwaarts met eene kleine
buitenwaartsche buiging in het midden (evenals bij Tenebrella en
vele andere Gelechiden). Vleugelpunt lang en spits, bijna een vierde
zoo lang als de vleugel. Kleur van dezen zwartgrijs met kopergloed.
Franje aan den staarthoek tweemaal zoo lang als de vleugel, zwartgrijs.
Achterlijfsrug en onderzijde der vleugels zwartgrijs met eenigen
groenen en rooden metaalgloed. Buik en pooten blinkend koper-
kleurig groen en rood; een ring aan het eind der middenscheenen
en twee op de helft en aan het eind der achterscheenen, benevens
de sporen glanzig wit.
Ader 7 en 8 der voorvleugels zijn gesteeld; hunne middencel
iets langer dan drie vierden van den vleugel.
Blagowestchenk (Amoer), 15 en 18 Julij.
17. Xystophora rufulella nov. sp. — PI. 9, fig. 9 en 9.
Twee goede wijfjes van 14 mm. vlugt.
Deze Xystophora behoort tot de eerste afdeeling van von Heine=
mann’s genus (middencel der voorvleugels zoo lang als twee derdon
der vleugels, achterrand der achtervleugels op ader 4 rond gebogen).
De franje der achtervleugels is aan den staarthoek iets langer dan
de vleugelbreedte in cel 1e en de punt dier vleugels langer en
veel duidelijker afgescheiden dan bij Palustrella.
Palpen een en drie vierde maal 200 lang als de kop. lid 3 iets
korter dan het naar boven iets verbreede, glad beschubde mid-
denlid. Zij zijn bleekgeel; lid 2 heeft binnen- en buitenwaarts eene
naar boven verbreede zwarte streep; lid 3 is aan de achterzijde
grootendeels zwart. Aangezigt en sprieten bleekgeel, de schaft van
laatstgenoemden van af ring 4 breed zwartbruin geringd. Schedel
thorax en voorvleugels licht okerbruin. Op de voorvleugels is het
aderbeloop een zweem bleeker, vooral tot twee derden, de dwars=
ader draast eene zeer scherpe, fijn bleek okergeel geringde kool=
zwarte stip. Verder ziet men op een derde van den voorrand eene
176 MICROLEPIDOPTERA VAN. NOORD-AZIE.
uiterst flaauwe, 'schuine, iets donkerder dan ‘de grond gekleurde
dwarslijn, die ongeveer tot den binnenrand der middencel reikt en
boven den staarthoek eene fijne, lang en zeer scherp gebroken,
bijna tot den achterrand reikende lichte dwarslijn, die bleek bruin-
geel is. Franje nog tot een vierde gekleurd als de vleugel, met
flaauwe bleeker gele dwarsvlekjes, verder grijs met eene flaauwe
donkere deelingslijn.
Achtervleugels zoo breed als de voorvleugels, lichtgrijs met rood-
achtig. grauwgele franje. Op de onderzijde zijn zij lichter, de
voorrand roodachtig grauwgeel bestoven als de voorvleugels. Ach-
terlijf boven donkergrijs, de buik grauwgeel als de binnenzijde
der pooten, die buitenwaarts donkergrijs zijn met licht geringde
tarsen; middensporen op de helft der achterscheenen. |
Ader 7 en 8 der voorvleugels loopen gesteeld in den zoon uit.
Irkutzk, 21 en 29 Junij.
18. Lampros Conchylidella nov, sp. — PI. 9 fig. 10 en 10a.
Een paar; het 9 bijna geheel gaaf; 13—14 mm. vlugt.
- Deze soort behoort door vleugelvorm, kleur en teekening (de
laatste herinnert eenigszins aan die van sommige Conchyliden),
tot de verwantschap van Zormosella, Lunaris en Lambdella, doch
onderscheidt zich van deze drie door de bruine, bijna vierkante,
naar boven eenigszins verbreede vlek op den binnenrand der
voorvleugels. /uscofasciata Stainton schijnt mij toe in teekening
en kleur ook op Conchylidella te gelijken, doch Stainton noemt de
sprieten dik, bruin, zoo lang als de voorvleugels, wat al dadelijk
specifiek — misschien zelfs generiek — verschil aanduidt. Bisinuella
Erschoff heeft — volgens de beschrijving — eene donkere vlek
aan den voorrand. der voorvleugels, terwijl nog andere soorten met
goud- of okergele grondkleur verder staan en hier niet in aan-
merking kunnen komen.
_ Palpen dun, gebogen, tweemaal zoo lang als de kop, onzuiver
geel, het eindlid met breeden zwarten ring onder de even zoo ver
witte spits. Kop bij den d grauwbruin, bij het 9 grootendeels
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 177
ontschubd, de overblijvende bekleeding donker okergeel. Sprieten
dun, bij het g zoo lang als twee derden der voorvleugels, bij den
d geen van beiden volledig. Zij zijn verder wit, vrij scherp zwart
geringd, bij den 4 fijn en kort bewimperd. Thorax donker okergeel.
Voorvleugels lang, stomp-lancetvormig, naar achteren weinig
verbreed; zij zijn bijna gevormd als bij Mormosella, doch de punt
is duidelijk meer afgerond, ongeveer zooals bij Schäfferella Linn.
Grondkleur okergeel, beschubbing fijn, glad, doch zonder metaal-
glans. Binnen het door de franje begrensde puntvierde is de kleur
okerbruin wortelwaarts vervloeid, bij den d donkerder dau bij de
andere sexe. Verder ziet men op den binnenrand, iets verder van
den vleugelwortel dan van den door het begin der franje aange-
duiden staarthoek, eene donker oker- of roestbruine vlek, die iets
boven de helft van den vleugel komt, onderaan 1 millimeter breed
is, doch naar boven een weinig verbreedt, doordat de buitenrand
eenigszins schuin en daarbij gebogen is; terwijl de wortelzijde regt
is afgesneden. Tegen den voorrand is deze vlek niet scherp begrensd ,
doch overigens aan beide zijden zeer duidelijk door fijne witte,
binnenwaarts (in de vlek) smal zwartbruin beschaduwde lijnen.
In den staarthoek staat eene ongeveer driekante, niet scherp begrensde
okerbruine vlek, wier stompe punt den voorrandshoek der binnen-
randsvlek raakt, en daartegenover aan den voorrand een, binnenwaarts
schuin en spits , mede niet scherp begrensd, geelwit veegje. Dwarsader
met eene roestbruine stip, die de vlek in den staarthoek raakt. Franje
bruinachtig okergeel, met bleekere spits, de franjelijn ongeteekend.
Achtervleugels iets smaller dan de voorvleugels, in het midden
zoo breed als de lengte der franje aan den staarthoek, met deze,
evenals de achterlijfsrug donker bruingrijs. Onderzijde der vleugels
mede bruingrijs, de voorvleugels met bij het 9 geheel okergele,
bij den d in den staarthoek bruingrijze franje. Borst en buik vuil-
wit, ook de binnenzijde der dijen en scheenen, de buitenzijde van
deze bruingrijs. Tarsen bruingrijs, wit geringd.
Ader 5 der achtervleugels regt, ver van 3—4, deze uit één
punt; 6—7 ongesteeld.
Blagowestchenk (Amoer), 3 Julij (2); 11 Julij (4).
12
178 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
19. Butalis Cassiterella nov. sp. — Pl. 9, fig. 44
en 41a.
Zes exemplaren van beide sexen; meestal zeer gaaf; ¢ 14—15,
9 13 mm. vlugt.
Het naast verwant door grootte en kleur aan Seliniella, Falla-
cella en Fusco-aenea. De ongeveer even groote Subseliniella Staud.
en Ericetella v. Hein. *) hebben duidelijk minder glanzige voor-
vleugels. Selöniella onderscheidt zich verder door merkbaar slankeren
bouw en de ruigharige staartpluim van den d. Fallacella is daar-
entegen veel plomper gebouwd en heeft breedere, stompere achter-
vleugels; terwijl de derde der genoemde naaste verwanten (#usco-
aenea) weder een slanker lijf, veel spitser voorvleugels en, vooral
tegen de punt, veel donkerder achtervleugels heeft. Als het ken-
merkende van Cassiterella, tegenover de drie laatstvermelde soorten,
beschouw ik vooral de lichte, vrij sterk glanzige bronskleur der
voorvleugels. De bouw van het dier komt het meest met dien van
Ericetella overeen, doch de achtervleugels zijn iets smaller en merk-
baar spitser en lichter.
Lid 2 der palpen is aan de binnenzijde witachtig; overigens
vertoonen zij, evenals de kop, de vrij dunne sprieten en de thorax,
de kleur der voorvleugels. Deze hebben, evenals bij Fallacella,
hunne grootste breedte reeds op een zesde der vleugellengte, be-
houden die tot op de helft (tot het begin der binnenrands-franje) ,
en zijn dan toegespitst, korter dan bij Fusco-aenea, maar langer
dan bij Fallacella, ongeveer zooals bij Bricetella. De beschubbing
is fijn en de kleur een licht, zilverachtig, vrij sterk glanzig, iets
bruinachtig bronsgroen, zonder inmenging van smalle, vuilwitte
schubben , ook zonder purper- of kopertint en slechts met gerin-
gen, maar zeer gelijkmatigen bruinen gloed. Teekening ontbreekt
en de kleur wordt naar achteren niet donkerder.
De achtervleugels zijn iets smaller dan de voorvleugels en onder-
1) Deze soort is, volgens Fuchs (Stett. Ent. Zeit. 1881 p. 461), dezelfde als
Tabidella H.S., wat mij evenwel onwaarschijnlijk voorkomt. Ik ken echter Tabi-
della alleen uit beschrijvingen.
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 179
scheiden zich van die der genoemde soorten, behalve van /usco-
aenea, in het oogloopend door hunne spitsheid, zonder echter in
eene zoo lange punt uit te loopen als bij die soort. Alle buikig-
heid van den achterrand ontbreekt namelijk en zij verminderen
van den staarthoek af regelmatig in breedte. De kleur is een effen,
vrij licht, iets metaalglanzig grijs, lichter dan bij al de genoemde
soorten en vooral dan bij Fusco-aenea. Franje aan den staarthoek
ten volle tweemaal zoo lang als de vleugelbreedte; zij is iets glan-
zig (en duidelijk bruinachtig) grijs, ook aan de voorvleugels en
zoowel onder als boven. Onderzijde der vleugels donkergrijs met
flaauwen purpergloed.
Achterlijf onder en boven bz beide sexen ijzergrauw , iets glanzig ,
maar zonder lichte vlekken op den buik. Mannelijke staartpluim
kort maar duidelijk bijeengestreken, gekleurd als het lyf. Even-
zoo is de kleur der pooten.
Amoer; 13, 18, 20 Juni] en 1 Juli.
20. Coleophora strigiferella nov. sp. — Pl. 10 fig. 4
en 1a.
Een d, waaraan de linker spriet ontbreekt, doch dat overigens
gaaf en frisch is, van 18 mm. vlugt.
Deze soort behoort, uithoofde der dof leemgele, gestreepte en
zwart gesprenkelde voorvleugels tot de reeks Coleophoren, die zich
van Millefolii tot Gnaphalii uitstrekt en waartoe ik een veertigtal
soorten reken. Onder deze is zij, m. i., wel het naast verwant
aan Settari Wocke en Mühligiella Wocke, doch onderscheidt zich
van die beiden en van al de mij in natura bekende soorten met
zwart gesprenkelde voorvleugels, vrij scherp door de zeer duidelijke,
vrij dikke zwarte langslijntjes over den wortel der voorrandsfranje,
door de licht en vrij helder leemgele grondkleur der lang- en
spitsgepunte voorvleugels, en doordat ook overigens de zwarte be-
sprenkeling der niet scherpe, maar helder witte langsstrepen hier
en daar den vorm van fijne zwarte langslijntjes aanneemt.
180 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
Palpen 1% maal zoo lang als de kop, het eindlid # zoo lang als
het middenlid , dit naar voren iets verbreed, met een spits baardje,
dat zoo lang is als de helft van lid 2. De palpen zijn verder wit,
met eene donkergrijze langsliin over de buitenzijde van het mid-
den- en eindlid. Kop grijswit, ook de halskraag. Sprietwortel grijs,
ongebaard, weinig breeder dan en zoo lang als de drie eerste
ringen van de schaft. Deze is helderwit, tot aan de punt zeer
scherp bruinzwart geringd; op de onderzijde zijn de vier eerste
ringen eenigszins bruingrauw bestoven. Schouderdeksels wit, aan
den wortel met donkergrijze vlek. Thorax-rug ontschubd.
Voorvleugels van den wortel tot het midden verbreed en daar
ruim een millimeter breed, dan worden zij weder smaller en loopen
in eene lange, spitse, iets naar beneden gebogen punt uit, even-
als bij Apicella Staint. en welke punt, ook evenals bij die soort, nog
meer uitkomt doordat zij in het midden donker grauwbruin is
gekleurd.
Grondkleur der voorvleugels licht en vrij helder leemgeel, dof.
De geheele binnen- en achterrand is haarfijn iets glanzig wit, tot
aan het begin der franje (ongeveer bij een derde der vleugellengte)
iets breeder; van de franje is ook de inplanting zeer fijn wit.
Die witte binnenrand vertoont slechts enkele (5 of 6) fijne kool-
zwarte schubben. Eene tweede, breedere, gelijkmatig gespitste
witte streep loopt door de vleugelvouw, houdt even voor het eind
daarvan aan den achterrand op en is dus zoo lang als de halve
vleugel. Zij heeft bij haren binnenrand eerst twee fijne zwarte
langslijntjes en verder eene reeks van eenige losse zwarte schubben.
Boven die streep, in het midden van den vleugel en op twee
vijfden der lengte, begint eene derde, zeer fijne witte langslijn,
die even voor de punt in den fijn witten achterrand uitloopt en
met eene haarfijne zwarte langslijn en vier of vijf zulke schubben
is geteekend. Tusschen deze derde witte langslijn en den witten
voorrand ziet men nog twee schuine witte lijntjes in de cellen.
Zij zijn niet scherp, beginnen boven de derde witte langslijn en
loopen, iets verbreed, in de witte voorrandsstreep uit. Deze begint
smal, doch wordt bij den aanvang der voorrandsfranje breeder , door-
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZTE. 181
dat zij zich over deze verbreidt. Vöör de donkere vleugelpunt wordt
zij weder haarfijn, aldaar is de franje leemgeel en slechts aan de
uiterste spits wit. Over den binnenrand der witte voorrandsstreep
loopen nu de zwarte langslijntjes, die deze soort vooral kenmerken,
eerst drie zeer fijne en dan twee vrij dikke. Vleugelpunt, als boven
reeds gezegd, grauwbruin, fijn wit gezoomd, de franje daaronder
lichtgrijs, met witachtig buitenderde; evenzoo die der donkergrijze
achtervleugels.
Achterlijf donkergrijs, de staartpluim en het midden van den
buik grijswit. Pooten grijswit, de scheenen met eene donkergrijze
langslijn over het midden der buitenzijde, ook die der sporen tot
voor de spits donkergrijs; de beharing der achterscheenen grijswit ;
de tarsen breed donkergrijs geringd.
Irkutzk; 24 Mei.
21. Bucculatrix lustrella nov. sp. — PI. 10 fig. 2.
Twee gave mannen van 73—8 mm. vlugt.
Deze Buceulatrix behoort door hare witte, okergeel geteekende
voorvleugels tot de groep van soorten, die Va/esiaca, Atagina,
Gnaphaliella en Absynthiella bevat. Van deze onderscheiden Va/e-
siaca en Absynthiella zich — naar de beschrijvingen te oordeelen —
door een bij Zwstrella niet aanwezig geel vlekje in de voorvleugel-
punt; Gnaphaliella verschilt door de vrij donker, vuil geelgrauwe
kopharen, en Atagina — weder volgens de beschrijving — door de
donkere kleur en de zwarte bestuiving der voorvleugels. Kenmer-
kend voor onze nieuwe soort schijnt mij ook de zilverwitte, g/an-
zige voorvleugelgrond.
Sprieten donkergrijs, de schaft aan den wortel met eene kleine
uitsnijding. Oogdeksels wit met een grauwgeel langsstreepje. Aan-
gezigt wit. Kopharen wit, de middenste grauwgeel. Thorax glanzig
wit als de grond der voorvleugels. Deze zijn lang en vrij smal;
de voor- en binnenrand loopen tot het midden evenwijdig; van
daar loopt de vleugel puntig toe, doch is aan de spits door de
182 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
franje afgerond, hoewel niet sterk. Binnenrand zeer fijn okergeel
gezoomd. Door de vouw loopt eene okergele langslijn, die bij twee
derden ophoudt en dus den staarthoek niet bereikt. In dezen,
juist boven het begin der franje, ziet men een eenigszins scheef
naar de vleugelpunt gerigt, stomp gepunt, geel streepje of vlekje,
dat eene zwarte stip bevat. Tusschen het laatste gedeelte der
vouwstreep en den voorrand ziet men eene fijne gele langslijn en
dan, — van vier zevenden des voorrands zeer scheef naar den achter-
rand langs de spits der voormelde langslijn (die iets verder reikt
dan de vouwstreep) loopende, — eene iets bruin bestoven spitse gele
streep. Zij bereikt echter den achterrand niet, maar houdt op, even
vöör een, op het midden van dezen geplaatst geel vlekje, dat met
eene zwarte stip is geteekend, even als het vlekje in den staart-
hoek. Dit vlekje vereenigt zich bij een der beide voorwerpen (het
afgebeelde) met een, niet juist aan den vleugelrand beginnend,
tweede geel voorrandsstreepje, dat eenigszins gebogen is, tot eene
wortelwaarts holle, C-vormige teekening. Bij het andere, iets
minder gave voorwerp, is het achterrandsvlekje vrij van het tweede
voorrandsstreepje en dit iets smaller, regter, een weinig bruin be-
schubd. Onder de vleugelpunt loopt op den achterrand een rest,
en daarachter, over den wortel der franje, een gebogen okergeel,
bruin beschubd lijntje. Voorrandsfranje wit, die langs den achter-
rand eerst wit, dan grijs.
Achtervleugels en achterlijfsrug donkergrijs, de franje en staart-
pluim lichtgrijs. Buik grijswit. Onderzijde der vleugels lichtgrijs,
de franje ongeveer als boven, helderder. Pooten lichtgrijs.
Amoer, 14 Junij.
22. Platyptilia (Amblyptilia) moerens nov. sp. — Pl.
10 fig. 3 en 3a.
Vijf exemplaren van beide sexen, waarvan echter slechts een 9
gaaf; 19—22 mm. vlugt.
Dat deze Platyptilia tot de afdeeling C van het genus (dmbly-
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 183
ptilia Hübn.) behoort, wordt ontwijfelbaar aangeduid: 1°. door de
duidelijk licht gevlekte, donkere achterrandsfranje der voorvleugels;
2°. door den zwarten schubbentand in hunne binnenrandsfranje;
3°. door de lengte der achterscheenen en tarsen, welke (te zamen
genomen) die van het achterlijf met rwi de helft overtreft. Van
de beide Europesche soorten (de drie exotische ken ik alleen uit
afbeeldingen en beschrijvingen en laat die daarom liefst onbespro-
ken) onderscheidt Moerens zich, doordat de grond der voorvleugels
zeer donkergrijs is gekleurd, niet paarsachtig roodbruin (Acantho-
dactyla) of olijfbruin (Cosmodactyla), en de zwartbruine voorrands-
driehoek franjewaarts krijtwit is afgezet en niet oranjebruin of
bleekgeel, zooals bij de twee genoemde soorten. Verder loopt onder
den voorrand der eerste lob een van het witte dwarslijntje uit-
gaand wit langsstreepje naar de vleugelpunt, dat mede bij de beide
„andere soorten der Europesche fauna ontbreekt.
Palpen anderhalfmaal zoo lang als de kop, met witte spits,
zwartgrijs en grijswit beschubd. Voorhoofdskuif eveneens zwartgrijs
en grijswit; oogrand grijswit, niet scherp. Sprieten grauwbruin,
onduidelijk grijswit geringd, draadvormig, bij den ¢ zeer kort be-
„wimperd. Rug zwartgrijs en grijswit gemengd, de tweede helft
der schouderdeksels geheel grijswit, evenals de achterrand van het
schildje.
* .Voorvleugels gevormd als bij Acanthodactyla en dus achteraan
smaller dan bij Cosmodactyla; de punt der bovenste lob, hoewel
evenzeer plotseling geknakt, is minder lang en spits dan bij de
twee genoemden. Hunne grondkleur is een donker, koud, iets
bruinachtig grijs, met eene bestuiving van grijswitte schubben,
veel sterker dan bij Acanthodactyla, maar toch geene duidelijke
vlekjes vormende zooals bij Cosmodactyla. Ook ontbreekt, op een
vierde der vleugellengte, eene bij laatstvermelde soort vrij duidelijke,
doeh ook bij de andere goed zigtbare, vervloeijend donker afge-
zette onderhelft van een lichteren dwarsband. Voorrand flaauw grijs-
wit gestippeld. Zwartbruine driehoek voor de spleet, op twee derden
van den voorrand beginnende en tot drie vierden strekkende,
gevormd als bij dcanthodactyla, haar achterrand sterk uitgesneden.
184 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
Onder deze vlek is de binnenrand iets sterker grijswit bestoven,
en achter haar, aan den voorrand, ziet men een vrij duidelijk
krijtwit vlekje en dan eene fijne witte stip; eene tweede bevindt
zich even voor de vleugelpunt en tusschen beiden loopt over. de
beide lobben het fijne witte dwarslijntje dat, evenals bij de twee
verwanten, wortelwaarts vervloeïjend zwartbruin is afgezet. Op de
‘bovenste lob gaat van dit dwarslijntje een fijn wit langsstreepje
uit, dat in de witte stip bij de vleugelpunt eindigt. Achterrand
eenkleurig donker bruingrijs, ook de franje, die dus geene lichte
buitenhelft heeft zooals bij de andere, meer genoemde soorten; zij
is viermaal wit doorsneden. Franje in de spleet donkergrijs, langs
den binnenrand grijswit met zwarten schubbentand vöör- en drie
zulke vlekjes voorbij de spleet.
Achtervleugels iets bruiner dan de voorvleugels, met een weinig
lichtere franje; die der derde ieder aan den binnenrand met grijs-
achtig witte wortelhelft , welke aanvankelijk met eenige zwarte
schubben, dan met een grooten zwarten schubbentand op het derde
vierde en aan de spits nog met een zwart vlekje is geteekend.
Achterlijf bruingrijs, de wortel op den rug en op zijde grijswit;
het is verder op den rug, op zijde en van onderen grijswit gevlekt.
Pooten bruingrijs, breed grijswit geringd, even als bij de andere
soorten, maar vrij scherp. Onderzijde der vleugels bruingrijs, de
voorvleugels en de eerste veder tegen den achterrand roetbruin
gemengd, eerstgenoemde aldaar met een wit dwarslijntje en twee
witte voorrandsvlekjes, de genoemde veder met een grijswit keper-
vormig vlekje en meer wortelwaarts met grijswitte bestuiving.
Amoer; 6, 14 en 21 Junij. — Het gave exemplaar is den
6den gevangen.
23. Pterophorus (B. Mimaesoptilus Wallgr., afdeeling 4)
Hedemanni nov. sp. — PI. 10 fig. 4 en 4a.
Drie gave en frissche exemplaren; een d van 26, twee wijfjes
van 20 en 24 mm. vlugt.
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 185
Op het eerste gezigt zou men dezen vedervlinder stellig voor
‘eene Platyptilia houden, want niet alleen komen kleur en teeke-
ning der voorvleugels zeer met die van Plat. Gonodactyla overeen ,
maar ook de vorm dier voorvleugels is bij Medemannt bijna dezelfde.
Bij nadere vergelijking der generieke kenmerken mist men echter
den zwarten schubbentand aan den binnenrand der derde achter-
vleugelveder en ziet men dat de pooten dunner en langer zijn.
De plaats dezer soort is dus ontwijfelbaar in het genus Pte-
rophorus, doch geheel vooraan, nog voor Plagiodactylus, waarvan
zij zich overigens reeds door den vleugelvorm duidelijk onderscheidt.
Nader is de verwantschap met de volgende, mede nieuwe soort,
„die ik aanvankelijk slechts voor eene kleinere varieteit hield; zij
onderscheidt zich echter genoegzaam door de teekening der bovenste
Job, de minder spitse punt van deze en den steileren achterrand
der tweede.
Palpen weinig langer dan de schedelkuif; lid 2 iets verbreed, 3
duidelijk. Zij zijn dus niet eigenlijk gezegd driekant, maar smaller
en spitser dan bij Plagiodactylus. Hunne kleur is leemgeel; lid 3
‘is aan de spits witachtig. Voorhoofdskuif en schedel iets grauwer
dan de palpen, de oogrand onduidelijk wit. Sprieten bruingrijs,
eenkleurig. Thorax licht bruinachtig aschgrauw, als de grond der
voorvleugels, die nog iets lichter en geler zijn dan bij gave exem-
plaren van Coprodactylus. Voor- en binnenrand zijn iets donker-
der, de laatste leemkleurig, de eerste bruingrijs. Deze verdonkering
begint haarfijn aan den wortel, om tot aan de spleet langzamerhand
te verbreeden, ongeveer tot een derde der vleugelbreedte. Voorrand
met zeer enkele grijswitte stipjes, het meeste bij het kleinste 2.
Op een vierde der vleugellengte ziet men aan den binnenrand een
kort, schuin, grijsbruin streepje, op twee vijfden, hooger op en
niet duidelijk van den verduisterden voorrand geseheiden, zulk een
„vlekje, en dan tegen de spleet, die weinig verder dan een vierde
der vleugellengte komt, eene tegen den voorrand donker bruin-
grijze, naar onderen zwartbruine, bijna gelijkzijdig driehoekige vlek,
welke aan den voorrand bijna 2 mm. breed is en met de duidelijke
punt binnenwaarts iets beneden de spleet reikt. Haar achterrand
186 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
is iets hol uitgesneden, daarbij zwarter en scherper dan de wortel-
rand, doch tegen den voorrand weder iets vervloeid. Zij is aldaar
lichter, grijsachtig geelwit begrensd. Over de beide lobben, zeer
weinig voorbij de helft (bij Vacillans op twee derden) loopt een
wit dwarslijntje. Het is op de bovenste lob duidelijker en loopt
aldaar merkbaar schuiner dan de achterrand (bij Vacillans en Caesius
niet). Het is niet gebogen zooals bij Plagiodactylus, maar regt,
doch heeft, evenals daar, aan de wortelzijde een den binnenrand
niet bereikend zwart dwarsstreepje, dat naar onderen verbreed is
en door eenige donkere bestuiving verbonden wordt met eene grauw-
bruine verdonkering van den voorrand. Bij Vacillans ziet men in
stede hiervan slechts eene gelijkmatige, niet zeer donkere bruin-
achtige beschaduwing. Achter het witte dwarslijntje is het uiteinde
der lobben eenigszins grijs bestoven, de onderste het minst, waar-
door de kleur ook meer bruinachtig blijft. Franjelijn zwart;
franje witgrijs, langs den achterrand der lobben iets witter dan
in de spleet, en met eene donkere lijn over den geelachtigen
wortel.
De bovenste lob is ongeveer eveneens gevormd als bij Plagio-
dactylus en de beide volgende nieuwe soorten, maar de onderste is
(ook bij Vacillans) geheel anders dan bij Plagiodactylus en Caesius,
namelijk naar achteren verbreed, bijlvormig (ofschoon niet zoo duide-
lijk als bij Platyptilia); de gebogen achterrand is intusschen nog iets
schuiner dan bij de volgende soort. Aan punt en staarthoek der
tweede lob is de franje zwartgrijs, langs den binnenrand der
vleugels grijswit met een zwartgrijs stipje op twee derden en nog
„een fijn donker streepje op vijf zesden.
Achtervleugels met stomp-spatelvormige bovenste veder, bijna
zooals bij Platyptilia, maar toch iets smaller en spitser; tweede
veder met schuin weggesneden achterrand, iets breeder en minder
lang gepunt dan bij Plagiodactylus. Kleur der achtervleugels bruin-
grijs met lichtere franje; alleen over den wortel der achterrands-
franje van de eerste veder eere donkere lijn.
Onderzijde der vleugels licht bruingrijs, de eerste lob met geel-
wit voorrandsstreepje (dat bij den d tot aan het witte dwarslijntje
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZID, 187
reikt), de bovenste veder met een wit vlekje; de franje als boven,
op de achtervleugels met witten wortel.
Pooten dun, vuilwit, de scheenen binnenwaarts bij de sporen
grauwbruin bestoven, buitenwaarts bijna geheel, behalve achter de
middensporen. Tarsen ongeteekend, behalve die der achterpooten.
Van deze is het eerste lid van af een vierde, de overigen aan het
eind donker grijsbruin bestoven.
Achterlijf grauwgeel, met onduidelijke grijswitte streepjes, de
rug aan den wortel witachtig bestoven.
Amoer, 19 Junij. Naar Baron von Hedemann benoemd.
24. Pterophorus (B. Mimaesoptilus Wallgr. afd. 1) vacil-
lans nov. sp. — PI. 10 fig. 5 en da.
Drie gave exemplaren; een d van 21, 2 wijfjes van 19 mm. vlugt.
Na verwant aan de voorgaande, mede nieuwe, Hedemanni, met
bijna eveneens gevormde vleugels en ook in kleur en teekening
veel overeenkomst vertoonende, zou men Jacillans al ligt voor
eene kleinere varieteit houden. Bij nadere vergelijking ziet men
echter , dat de voorvleugels bij laatstgenoemde stomper zijn, de
punt der eerste lob is namelijk niet zoo sterk omgebogen en de
achterrand der tweede steiler dan bij Hedemanni. Bovendien is het
witte dwarslijntje, dat over de beide lobben loopt, bij /acillans
verder naar achteren geplaatst, het loopt evenwijdig met den
achterránd en is wortelwaarts op de eerste lob, gelijkmatig, maar
niet in het oogloopend donker beschaduwd. Reeds deze verschillen
komen mij voor specifiek te zijn; nog andere blijken uit de ver-
gelijking der beschrijvingen.
Palpen weinig langer dan de schedelkuif, naar voren weinig
verbreed, bruingrijs met duidelijken, vuilwitten onder- en boven-
rand. Voorhoofdskuif en schedel licht bruingrijs, met witten zijrand ;
ook langs de bovenzijde der oogen ziet men een witten rand.
Sprieten bruingrijs, op den rug wit gestippeld. Thorax licht asch-
grauw , evenals de grond der voorvleugels, minder geelachtig dan
bij Hedemanni. Voor- en binnenrand smal verdonkerd; de eerste
188 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD AZIE.
bruingrijs, haarfijn beginnend, naar achteren iets verbreed en
een weinig wit gestippeld; de binnenrand leemgeel, meer gelijk-
matig. Op een vierde der vleugellengte ziet men aan den binnen-
rand een donkergrijs vlekje, op twee vijfden, niet duidelijk van
den donkeren voorrand gescheiden, een tweede, donkerder en tegen
de spleet eene driekante donkere vlek, die even duidelijk en even-
eens gevormd is als bij de voorgaande, maar niet zoo zwart. Zij is
namelijk niet meer dan donker bruingrijs en daarbij tegen den
voorrand niet lichter, tegen de spleet niet donkerder, dus vrij
gelijkmatig van kleur. Franjewaarts is zij aan den voorrand wit
afgezet. Over het laatste derde der lobben loopt vervolgens de boven
vermelde witte dwarslijn, die op de onderste flaauwer is en dezelfde
rigting heeft als de achterrand. Ook op de bovenste lob is zij veel
minder helderwit dan bij Hedemanni en wortelwaarts ter breedte
van ruim 13 mm. vrij gelijkmatig en niet zeer donker grauwbruin —
beschaduwd. Achterrandsderde der lobben donkerder en zuiverder
grijs dan het overige der voorvleugels, dun grijswit bestoven;
franjelijn vervloeijend zwartbruin. Punt der bovenste lob scherp
maar kort, achterrand der onderste steiler dan bij Hedemanni,
flaauw gebogen. Franje grijswit, aan punt en staarthoek der lobben
zwartgrijs, langs den binnenrand slechts met enkele zwartgrijze
schubben.
Achtervleugels gevormd zooals bij Hedemanni is beschreven, de
tweede veder evenwel met nog korteren achterrand. Zij zijn don-
kergrijs, vrij zuiver, met iets bruinere franje, wier lichtere wortel
slechts sporen van eene donkere deelingslijn vertoont.
Onderzijde der vleugels donkergrijs, de voorvleugels met een wit
voorrandsvlekje boven de spleet en eene witte dwarslijn over de
lobben, de achtervleugels met eene vrij groote witte vlek op de
bovenste veder. Franje als boven.
Achterlijf grauwgeel, de rug aan den wortel grijswit bestoven,
verder (even als de buik) grijswit gevlekt. Spits grijswit.
Pooten grijswit, stofgrijs bestoven, op dezelfde wijze maar min-
der sterk dan bij Hedemanni.
Amoer, 25 Junij.
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 189
25. Pterophorus (B. Mimaesoptilus Wallgr., afdeeling 1)
caesius nov. sp. — PI 10 fig. 6 en 6a.
Acht exemplaren van beide sexen, waaronder verscheidene
geheel gave en frissche, van 16—17 (g) tot 17—20 (8) mm.
vlugt.
Uithoofde van de vrij breede, Platyptilia-achtige bovenste lob
der voorvleugels behoort ook deze soort tot mijne eerste afdeeling
van Mimaesoptilus (zie Vlinders van Nederland, Microlepidoptera p.
1035), en wel, om de grijze kleur der genoemde vleugels, met de
beide vorigen tot de verwantschap van Plagiodactylus Staint.,
Snellen. Caesius is echter ongelijk veel helderder van tint dan deze
drie, en onderscheidt zich verder van Plagiodactylus door de zeer
duidelijke zwarte driehoekige vlek voor de spleet der voorvleugels,
terwijl het witte dwarslijntje over de eerste lob niet veel schuiner
loopt dan de achterrand, maar evenwijdig daarmede; het is ook
niet gebogen maar regt, en wordt wortelwaarts begrensd door eene,
ook tegen den zwarten driehoek scherp grijswit afgezette zwarte
dwarsstreep. Bij den grooteren Hedemanni is het witte dwars-
lijntje mede schuiner en wat V’ucillans aangaat, zoo onderscheidt
deze zich behalve door de kleur, door den verschillenden vleugel-
vorm.
Palpen driekant, grauwbruin, bijna leembruin, de onderrand
grootendeels, de bovenrand geheel fijn wit en deze laatste zich
aansluitende bij den witten zijrand der even donker, maar grauwer
dan de palpen gekleurde voorhoofdskuif en schedelbekleeding.
Sprieten grauwbruin, de bovenzijde van de schaft wit gestip-
peld. Thorax blaauwgrijs, met grijswitten achterrand, de schou-
derdeksels met eenige grijswitte schubben bestrooid, aan het eind
geelwit.
Grond der voorvleugels, — wier tweede lob volstrekt niet bijlvormig
is, maar een schuinen, gebogen achterrand heeft, — eigenlijk don-
ker bruingrijs, maar zoo sterk met blaauwachtig grijswitte schubben
bestrooid, dat de grondkleur blaauwgrijs schijnt. Deze lichte schub-
ben zijn vooral rijkelijk op het midden van den vleugel te vinden,
190 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
minder op den binnenrand, die buitendien aan zijnen wortel (niet
verder) eenigszins geelwit is. Op een derde ziet men eene vrij
dikke zwarte stip, en tegen de spleet, die naauwelijks tot een derde
der vleugellengte reikt, de bovenvermelde bruinzwarte driehoek ,
die bijna even duidelijk is als bij Gonodactyla, maar niet zoo ver
binnenwaarts reikt (slechts tot twee derden der vleugelbreedte).
Hij is wortelwaarts eenigszins vervloeid, min of meer tot twee
langsstrepen uitgerekt, franjewaarts scherp begrensd, hol uitgesneden,
langs den voorrand een weinig verlengd. Aldaar wordt hij door
een wit lijntje, dat binnenwaarts in eene vrij digte grijswitte be-
stuiving vervloeit, gescheiden van eene bruinzwarte vlek op het
midden der bovenste lob, die onderaan slechts weinig versmald is
en dus bijna hare geheele breedte inneemt. Deze vlek is reeds
wortelwaarts duidelyk begrensd, maar franjewaarts nog scherper
en wel door het reeds boven besproken witte dwarslijntje, dat ook,
ofschoon flaauwer, doorloopt over de tweede lob. Deze is, evenals
de eerste lob achter het witte lijntje, vrij gelijkmatig blaauwachtig
grijswit bestoven. Voorrandsfranje wit, die langs den achterrand
der eerste lob mede wit, aan vleugelpunt en staarthoek donker-
grijs; over haren wortel loopt eene zwarte lijn. In de spleet is de
franje lichtgrijs, voor de afgeronde punt der tweede lob zwartgrijs,
daar omheen wit, verder donkergrijs, mede met eene zwarte lijn
over den wortel, langs den binnenrand bruingrijs.
Achtervleugels gevormd als bij Plagiodactylus, de bovenste veder
achteraan iets minder verbreed; hunne kleur is zeer donker grijs-
bruin, met lichtere, bruinere franje, die aan den wortel langs den
binnen- en achterrand der vederen smal en vervloeijend donker
bruingeel is. Over den wortel der achterrandsfranje van de eerste
en tweede veder loopt eene zwarte lijn.
Onderzijde der vleugels bruingrijs, de voorvleugels met een wit
voorrandsstreepje en eene witte dwarslijn over de lobben, de eerste
en derde veder aschgrauw bestoven, de eerste met een zwart
dwarsstreepje. i ;
Pooten grijswit, buitenwaarts bruingrijs bestoven, vooral tegen
het uiteinde der scheenen en voor de middensporen. Punt der
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 191
sporen bijna zwart. Van de achtertarsen zijn lid 2—5 bijna ge-
heel wit.
Achterlijf licht bruingrijs, het begin van den rug en de manne-
lijke staartpluim grijsgeel, de buik met twee witte langslijnen en
witte schubben aan het eind der ringen.
Irkutsk, 14 Junij tot 8 Julij.
26. Pterophorus (B. Mimaesoptilus Wallengr., afdeeling 1)
luteocinereus nov. sp. — PI. 10 fig. 7 en 7a.
Twee paren; twee gave en frissche mannen van 26 mm., twee
wijfjes (waarvan een gaaf en frisch en het andere iets afgevlogen)
van 24 mm. vlugt.
Ook deze vrij groote nieuwe Pterophorus behoort, evenals de
drie voorgaande nieuwe soorten, tot de verwantschap van Plagio-
dactylus, doch komt, afwijkende van Medemanni en Vacillans, in
vleugelvorm vrij wel met Plagiodactylus overeen. Van deze en van
Caesius onderscheidt Luteocinereus zich duidelijk door grootte en
kleur, door den vorm der donkere vlek of liever dwarsstreep voor
de spleet en door de genoegzaam ongeteekende lobben. De kleur-
mengeling der voorvleugels herinnert namelijk sterk aan die van
Serotinus Zeller , doch deze soort is kleiner, en heeft smaller en spitser
voorvleugels met zwarte stippen (geene onafgebroken zwarte lijn)
over den wortel der achterrandsfranje. Om laatstgenoemde reden
kan ook niet worden gedacht aan Coprodactylus, die wel ongeveer
gelijk gevormde voorvleugels met groote donkere vlek voor de spleet
heeft, maar buitendien geheel anders is gekleurd.
Palpen ruim anderhalfmaal zoo lang als de kop, in het midden
verbreed, roodachtig leemgeel, met witten onder- en bovenrand.
Voorhoofdskuif en schedel iets grijzer dan de palpen, met witten,
langs den bovenkant der oogen doorloopenden zijrand. Halskraag
als de palpen gekleurd. Thorax en schouderdeksels licht aschgrauw ,
met geelachtig grijswit achterrandsderde.
Voorvleugels licht aschgrauw; eene vervloeide, aanvankelijk
192 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
smalle, gaandeweg verbreede en eindelijk de geheele onderlob (doch
niet ten volle tot den achterrand) innemende streep langs den
binnenrand leemgeel, iets roodachtig. De voorrand is tot aan de
spleet bruinachtig, maar flaauw en zeer smal, met eene langsreeks
van fijne zwarte schubben geteekend. Eenige (twee of drie) derge-
lijken ziet men ook verder op ader 1 en op het middenste derde
van den vleugel. Op een vierde der genoemde ader 1 bemerkt men
een bij de mannen zeer fijn, iets schuin grijsbruin streepje, op
een derde, onder den donkeren voorrand en duidelijk daarvan
gescheiden, eene zwarte stip. Voor de spleet is de vleugel getee-
kend met eene vrij groote, gebroken, bijna zwarte dwarsstreep, die,
wel beschouwd, bestaat uit eene zwartgrijze langsstreep op het
tweede derde van den voorrand, — die aan het eind, juist boven de
spleet, iets verbreed is, — uit een iets langwerpig zwart middenlangs-
streepje en uit eene onderste, meer buitenwaarts geplaatste dikke
zwarte stip, waarachter de grond geelachtig grijswit is. Tweede
helft der lobben helderder lichtgrijs dan de eerste en het overige
van den vleugel. Zij zijn bij de mannen slechts met eenige uiterst
flaauwe langsrijen van fijne zwarte schubben geteekend, doch bij
de wijfjes ziet men op de bovenste een spoor van een zeer schuin
grijswit dwarsstreepje, met een grauwbruin langslijntje onder aan
de wortelzijde. Voorrand der eerste lob, iets voorbij de spleet, bij
de wijfjes met een kort wit langslijntje, bij de mannen op die
plaats ongeteekend. Verder loopt bij beide sexen langs den voor-
en achterrand eene genoegzaam onafgebroken zwarte lijn. Uiterste
spits der franje aan den voorrand grijswit; die langs den achter-
rand is aan de bovenste lob licht bruingrijs met grijswitten boven-
wortel, aan den staarthoek bijna zwartgrijs, in de spleet grijs-
wit, langs den achter- en binnenrand donker bruingrijs, bijna
zwartgrijs.
Achtervleugels gevormd als bij P/agiodactylus, dus de bovenste
veder spatelvormig, de tweede mesvormig, met nog sterker weg-
gesneden staarthoek. Hunne kleur en die der franje bruingrijs, de
wortel van laatstgenoemde fijn bruingeel, buitenwaarts door eene
zwartgrijze lijn begrensd.
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE. 193
Onderzijde der vleugels bruingrijs; de tweede helft der lobben ,
de bovenste veder eenigszins en de onderste zeer sterk grijswit
bestoven. Franje als boven. Pooten wit, iets bruinachtig, de bui-
tenzijde der voor- en middenscheenen donker, bruingrijs bestoven ,
die der achterscheenen dunner en lichter bruin. Achterlijf grauw-
geel, de achterranden der ringen en twee langslijnen over den
buik vuilwit.
Amoer; 28 Junij (3 exemplaren) en 14 Julij (het afgevlogen
stuk).
27. Pterophorus (B. Mimaesoptilus Wallgr., afdeeling 3)
emarginatus nov. sp. — PI. 10 fig. 8 en 8a.
Vijftien meest gave exemplaren van beide sexen. Vlugt 24—
26 mm.
Trekt deze vedervlinder door den zwavelgelen achterlijfswortel ,
de bij den d roodachtig, bij het meestal donkerder 2 meer paars-
achtig grijze voorvleugels en de grauwachtig kaneelbruine achter=
vleugels reeds dadelijk de aandacht, bij nader onderzoek ziet men,
dat de onderste lob en de tweede veder zoo eigenaardig gevormd
zijn, dat hij in sectie B van het genus, waarheen de vorm der
bovenste lob hem verwijst, eene bijzondere afdeeling moet uitmaken.
Die tweede lob is namelijk, evenals bij het genus Oxyptilus, sterk
hol uitgesneden en de tweede veder, aan de onderzijde van het
punt, mede eenigszins, ofschoon niet zoo in het oogloopend. Deze
bijzonderheden worden bij geene mij bekende soort van Pterophorus
gevonden en onderscheiden alleen dus Emarginatus duidelijk, afge-
scheiden van de boven vermelde bijzondere kleur en den bouw der
palpen. Laatstgenoemden zijn namelijk zeer dun, lid 2 is gebogen,
3 even lang als en nog dunner dan lid 2, zeer spits, horizontaal.
Hunne kleur is grijs met eene zwarte lijn over de buitenzijde.
Kop zonder voorhoofdskuif, grijs, bij het 2 donkerder, evenzoo de
op den rug zwart gestippelde sprieten. Thorax lichtgrijs (d) of
bruingrijs (2), de tweede helft grijswit.
13
194 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE.
Voorvleugels tot een derde gespleten, de bovenste lob naar
achteren iets verbreed, met gebogen voorrand, spitse, iets ge-
kromde punt en schuinen , wortelwaarts hol uitgesneden achterrand,
de staarthoek vrij scherp. Onderste lob naar achteren naauwelijks
merkbaar breeder, met scherpe, mede iets gekromde punt, stei-
leren maar sterker uitgesneden achterrand en mede zeer scherpen
staarthoek. De kleur der voorvleugels is aan den binnenrand, tot
een derde, spits toeloopend geelachtig witgrijs, bij den d helderder,
op het overige van den vleugel lichtgrijs (6 mannen) of roodgrijs, iets
donkerder (2 mannen, 3 wijfjes) tot vrij donker, iets paarsachtig bruin-
grijs (4 wijfjes) en fijn grijswit bestoven, wat vooral bij de donkere
exemplaren goed uitkomt , verder op de lobben , vooral op de bovenste,
bruiner. Op twee vijfden ziet men eene grijsbruine stip, boven
het midden van den vleugel, tegen de spleet, iets hooger, eene
tweede, waaronder men slechts bij de twee donkerste wijf jes een fijn
grijsbruin langslijntje bemerkt. Lobben ongeteekend, hun achter-
en binnenrand met eene fijne zwarte franjelijn. Voorrandsfranje
lichtgrijs, die langs den achterrand vrij helderwit, met eene zwarte
stip aan den staarthoek der bovenste en aan de spits en den staart-
hoek der onderste lob. De franje in de spleet is grijzer, met
donkere spits, evenzoo de met vier zwartgrijze streepjes geteekende
langs den binnenrand des vleugels.
Bovenste veder der achtervleugels vrij stomp spatelvormig, de
tweede smaller, meer mesvormig, tegen het eind van onderen iets
uitgesneden. Hunne kleur is grauwachtig kaneelbruin, het helderst
bij de lichte exemplaren, de franje donker bruingrijs. met haar-
fijn lichteren wortel.
Onderzijde der vleugels bleek grauwachtig kaneelbruin, de voor-
vleugelvoorrand en dunne bestuiving der lobben en van de tweede
helft der vederen witgrijs, de franje lichter dan boven , eveneens
geteekend.
Pooten vuilwit, de scheenen buitenwaarts iets bruinachtig be=
stoven, de achtersporen vrij lang, nog iets langer dan de helft
van het uiteinde der scheenen of van het eerste tarsenlid, Achter=
lijf grauwgeel, de rug aan het begin bijna zwavelgeel. Verder is
MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZLE. 195
het onder en boven met uiterst fijne bruine langslijnen geteekend ;
de achterranden der ringen zijn witachtig.
Amoer; van 25 tot 30 Junij gevangen.
28. Pterophorus (D) innocens nov. sp. — PI. 10 fig. 9
en 9a.
Een gave en frissche d van ruim 24 mm. vlugt.
Deze vlinder behoort met Zuenigianus, Tephradactylus en Scaro-
dactylus, misschien ook wel met den mij in natura onbekenden
Trimmatodactylus Christ., tot mijne afdeeling D. van Pterophorus
(zie Vlinders van Nederland, Microlep. p. 1035). De eerste lob is
namelijk naar achteren niet verbreed en heeft geen achterrand of
binnenrandshoek, de eerste en tweede veder zijn daarentegen tegen
het eind wel verbreed, beiden eveneens gevormd en de onderste
lob heeft eene ongebogen punt, terwijl de middenscheenen alle
verdikking door schubben missen. Verder onderscheidt Junoeeus
zich door de geheel ongeteekende geelachtig witte voorvleugels, die
zelfs geene donkere stippen of streepjes op de franjelijn vertoonen
of donkere bestuiving bezitten.
Palpen dun en spits, voorhoofd zonder kuif, sprieten zoo lang
als drie vijfden der voorvleugels, zeer kort bewimperd, alles onge-
teekend, bleek bruinachtig wit. Thorax in kleur overeenkomende
met de voorvleugels. Bovenste lob van deze iets smaller en spitser
dan bij Tephradactylus, maar toch niet zoo zeer verlengd als bij
Scarodaetylus; ook de vorm der onderste houdt het midden tus-
schen deze beide soorten. Zooals boven reeds gezegd, zijn zij geheel
eenkleurig, ongeteekend, geelachtig wit; ook de franjelijn en de
franje zijn aldus. Achtervleugels zeer licht grijs, hunne aan den
wortel witachtige franje wordt verderop iets donkerder dan de
vederen en de derde, met hare franje, is tot drie vierden bijna
wit,
Onderzijde der vleugels met franje geheel ongeteekend, iets
bruinachtig wit, de achtervleugels een weinig helderder,
196 MICROLEPIDOPTERA VAN NOORD-AZIE:
Pooten als bij Scarodactylus en dus de sporen iets korter dan
bij de twee andere verwanten, het achterste paar niet ten volle
half zoo lang als het eerste tarsenlid. Zij zijn geelachtig wit,
ongeteekend, alleen de binnenzijde der voor- en middenscheenen
en dijen grijs bestoven. Achterlijfsrug geelachtig wit, de buik iets
bruinachtig.
Irkutzk. Vangtijd niet opgegeven.
WAARNEMINGEN
OMTRENT
ANOMALIEN VAN DE GESLACHTSDRIFT BIJ SPINNEN-MARES,
DOOR
Dr. A. W. M. VAN HASSELT.
Algemeen bekend bij de natuuronderzoekers is de vurige drift,
te recht ardor of aestus genaamd, met welke de mannelijke
Araneiden den coitus, soms uren achtereen, plegen uit te oefenen.
Zoo in het opsporen als in het vervolgen der feminae ontwik-
kelen zij daarbij eene buitengewone vlugheid en eene volharding,
die dikwijls, met het oog op de, in den regel grootere kracht van
de wijfjes, aan roekeloosheid grenst.
Eene voorname oorzaak, weshalve zij zoo menigmalen door deze
worden gedood, is hierin gelegen, dat zij die, na de bevruchting,
dikwerf zonder ophouden blijven lastig vallen met hunne pogingen
tot eene vernieuwde, doch niet meer begeerde copulatie.
Lesgelijks weet men, dat deze akte hier gemeenlijk door een
eigenaardig voorspel wordt ingeleid.
cGemeenlijk» zeg ik, want dit ontbreekt bij sommige soorten.
Zoo zag ik meermalen, geheel onverwacht, dftiden-wijfjes door
de mannetjes als het ware bespringen. Zoo nam ik, onder anderen,
herhaaldelijk Linyphiae- en Tetragnathae-paartjes waar, die eens-
klaps met wijd geopende mandibels op elkaar toeschoten, als tot
een wederzijdschen verwoeden aanval, welke zich echter, na het
198 WAARNEMINGEN OMTRENT ANOMALIEN VAN
krachtig ineengrijpen der mandibel-haken, op eene vreedzame wijze
oploste in de hierop onmiddellijk volgende geslachts-vereeniging.
Bij vele anderen daarentegen, wel de meesten, wordt het ge-
zegde « voorspel» waargenomen, — hunne amoris praeludia te
noemen.
Deze bestaan, eensdeels , in trillende, rijzende of dalende bewe-
gingen van het lichaam, vooral van het abdomen bij beide sexen,
doch, anderdeels en voornamelijk, in het streelen met de voorp ooten
over den kop der feminae en het, onder uiterst snelle afwisseling,
strijken van de mannelijke palpen tegen en langs die van de wijf jes.
Sommige mares, vooral onder de Zpeirae, wagen zich niet aan
de hiertoe onmisbare toenadering, maar verkennen als ’t ware het
terrein op een eerbiedigen afstand. Ze naderen minder of meer be-
schroomd het web van het vrouwtje, daaraan door trekken met
de tarsaal-klauwtjes, telkens kleine rukken of schokken gevende.
Bij onwil wordt het web door het wijfje, in schijnbare drift,
krachtig heen en weer geschud. Als dit zich stil houdt, komt de
mas zachtjes aan nader, zich, na iedere palp-introductie, telkens
snel retireerende.
Strekt laatstgenoemde manoeuvre om zich van een gunstig ge-
hoor te verzekeren, het beschreven palp-voorspel dient niet alleen
ook daartoe, doch tevens om de feminae, na toegestane aannade-
ring, te exciteeren.
Bij aanhoudende weigering van het schoone geslacht is de hard-
nekkigheid schier ongeloofelijk , waarmede de mannetjes, na kortere
of langere tusschenpozen, hunne aanzoeken herhalen.
Bij «vergunning» verhouden de wijfjes zich onder deze « caresses »
bijna altijd oogenschijnlijk passief. Slechts uiterst zelden zag ik die
de vermelde strijkaadjes met de palpen beantwoorden.
Eenmaal onder den invloed geraakt zitten zij, met enkele uit-
zonderingen , doodstil en laten zich soms tijdelijk door de mannetjes,
tot het gemakkelijker inbrengen van den zoogen. palp-cindringer»,
— waarom wordt die toch door de Araneologen niet liever de
penis genaamd ? — naar welgevallen keeren en wenden. Zelfs
heb ik bij herhaling, onder anderen bij Agalena labyrinthica Cl. ,
DE GESTACHTSDRIFT BIJ SPINNEN-MARES, 199
waargenomen, dat het, met ingetrokken pooten afwachtende wijfje
zich, zonder tegenstand, naar eene andere plaats van het web een
eindje liet voortslepen.
Deze normale handelingen, waarover nog veel meer kon wor-
den aangevoerd, alsmede de hier zoo afwijkende modus copu-
lationis, als, sedert Menge, in de hoofdzaken ten volle gecon-
stateerd, verder daarlatende, wensch ik mij thans te bepalen tot
enkele meer zeldzame of minder bekende, abnormale uitingen
of afwijkingen van de teeldrift bij sommige mannelijke spinnen-
soorten , door mij geobserveerd.
1°. LINYPHIA CLATHRATA Sund.
In afwachting van het vangen eeniger feminae, had ik reeds
verscheidene mares in eene groote cilinder-flesch bijeenverzameld.
Toevalligerwijze bleven deze langen tijd ongepaard.
Na in de eerste dagen onderling verwoede gevechten te hebben
geleverd, hield ik er ten slotte vier over, die zich, twee aan twee,
rechts en links, in de flesch op een hangmat-web vestigden.
Ze leefden nu in goede harmonie, die slechts even verstoord
werd, wanneer ze elkaar, letterlijk, eene toegeworpen vlieg trachtten
af te vangen.
Telkens, zoodra de voedering was afgeloopen, plaatsten zij zich,
in hunne onmiddellijke nabijheid, met de koppen tegenover elkander,
Nu eens bij het eene, dan bij het andere dezer ongepaarde
paartjes, bij beiden in volkomen overeenstemming, zag ik hen
tegen elkaar dezelfde manoeuvres met de palpen en
pooten uitvoeren, als welke hun minnespel met de wijfjes vooral-
gaan, zelfs in dier voege, dat ik in den beginne dacht, mij in de
sexe-bepaling te hebben vergist.
Dit geschiedde, in kortere of langere tusschenpozen, bij herha-
ling, zelfs tot vervelens toe, doch zoover ik kon waarnemen, bleef
het steeds hierbij, zonder de anders volgende bewegingen tot het
inbrengen der palpen. Wederkeerig schenen ze zich met deze on-
derlinge, zij het dan vruchtelooze praeludia, bij gebrek van beter,
te vergenoegen.
200 WAARNEMINGEN OMTRENT ANOMALIEN VAN
9°. NERIENE GRAMINICOLA Blackw.
Van deze soort had ik een buitengewoon, doch nog niet volwassen
mas gevangen, dat ik met muggen en kleine vliegjes opkweekte,
ter nadere plaatsing in mijne collectie. Spoedig kwam de laatste
vervelling, onder volkomen ontwikkeling der palpdeelen tot stand.
De uitgetrokken chitine-huid, die meer dan gewoonlijk, met
inbegrip der pooten en palpen in haar geheel was gebleven, was
met eenige ragdraden bevestigd tegen de binnenzijde van het glazen
deksel in het observatie-doosje, daar als het ware eene tweede spin
nabootsende.
Daags daarna vond ik den pas volwassen mas, telkens wanneer
ik er naar zag, onophoudelijk in beweging, alsof hij tusschen het
mos en de drooge blaadjes aan het zoeken was naar prooi of naar
een wijfje zijner gading. Im den namiddag zat hij stil, maar nu
in de nabijheid der plaats, waar zijne den vorigen dag afgestroopte
huid, in situ, na de vervelling was achtergelaten.
Tot mijne verbazing observeerde ik nu, dat hij dit vel zachtjes
naderde, het met de voorpooten betastte en al spoedig aanving met
zijne palpen de gewone streelende manipulatiën, in steeds sneller
rhytmus, te maken tegen die van zijne eigene exuviae!
Intusschen moet ik bekennen, dat deze Narcissus onder de
spinnen, na zijne aanzoeken eenige malen, natuurlijk zonder «Er-
wiederung », te hebben herhaald, daarvan weldra afzag.
Hem den volgenden dag op het mos in blijvende rust vindende,
werd hij voor mijne verzameling bestemd.
3°. OCYALE MIRABILIS Cl.
De uiterst merkwaardige waarneming , aan deze groote spinnensoort
gemaakt, staat reeds vroeger met een enkel woord vermeld in het
Tijdschrift voor Entomologie, dl. XXII (1878/79), Verslag blz. xv,
onder toezegging haar meer in extenso te zullen opteekenen !).
1) In een later Verslag, dat van Januari 1884 (Tijdschr. dl. XXVII blz. LXXIX),
werd bij de voorloopige nadere mededeeling over deze spin, haar geslachtsnaam ,
voor een lapsus calami, verkeerd opgegeven als Agalena,
DE GESLACHTSDRIFT BIJ SPINNEN-MARES, 201
Van deze Lycosiden-species dan, — die ook wegens het nu
volgende met een dubbel recht de «mirabilis» mag worden
geheeten, — heb ik tweemalen bijzonder goed geconserveerde,
groote en fraaie, volwassen paartjes vrij langen tijd in eene ruime
cilinder-flesch in het leven gehouden.
Zij waren verzameld voornamelijk met de bedoeling, om bij den
mas eindelijk ook zelf de ontdekking van Menge te constateeren
omtrent de voorbereidende ejaculatie van het sperma uit de genitaal-
opening aan het abdomen en de daaropvolgende, minder juist dus
genoemde, «oplepeling» daarvan met de palpen.
Nadat mij zulks volkomen gelukt en de volle waarheid van die
altijd hoogst zonderlinge vóór-akte gebleken was, hield ik een van
deze paartjes nog een paar weken in nadere observatie, met het
voornemen, om, bij eventueele herhaling hiervan, te trachten,
nog een questieus punt ten deze te onderzoeken.
Ik wenschte de vloeistof, die vóór de eigenlijke copulatie ex
abdomine wordt uitgestort, alvorens die door de palpen werd
«aufgetüpft», aan een mikroskopisch onderzoek te onderwerpen,
ten einde geheele zekerheid te hebben, dat zij sperma bevat.
De uitstorting er van op het ad hoc gevormde spinrag-laddertje,
eindelijk en bijzonder toevallig, nogmaals in mijne tegenwoordigheid
geschiedende, verjoeg ik de spin, vóór dat deze het vocht had op-
genomen. Bij mijn terstond daarop en wel eenigszins haastig be-
werkstelligde poging, om dit op een objectief-glaasje te verzamelen,
kreeg ik echter zooveel van het nieuw vervaardigde en oude spin-
web tevens daarop, dat het mij niet is mogen gelukken, daar-
onder de vorm-elementen van het sperma met zekerheid te her-
kennen.
Meerdere jaren daarna is de Engelsche zooloog F. Maule Camp-
bell !) op dezelfde gedachte gekomen, doch gelukkiger geweest
1) Zie diens belangwekkende verhandeling: On the pairing of Tegenaria Guyonit
Guér., in Linnean Society's Journal, Zoologie vol. XVII, Febr. 1883. Behalve
boven aangeduide waarneming, beschrijft hij daarin zijne ontleedkundige ontdek-
king van het algemeen voorkomen van eigene hulp-orgaantjes, — „spines
and papillae”, — in de regio sexualis van het abdomen der mannelijke spinnen.
Campbell vermoedt, dat deze in functioneel verband staan tot de voorbereidende
202 WAARNEMINGEN OMTRENT ANOMALIEN VAN
dan ik. In het uit de genitaal-opening uitgedreven vochtdropje,
«deposited on the silken sheet», slaagde hij er in, bij sterke ver-
grooting, duidelijk «spermatozoa» waar te nemen, waarvan hij
zelfs op fig. 19 en 20 de afbeeldingen heeft gegeven.
Tot mijn eigenlijk onderwerp terugkeerende, volge thans de
beschrijving eener andere en niet minder «strange history», die mij
bij deze gelegenheid, voor O. mirabilis d, bekend is geworden.
Vooraf zij opgemerkt, dat mijn exemplaar daarvan bijzonder
groot was en veel vlugger in zijne bewegingen dan zijne 9.
Na herhaalde paring waren enkele dagen verloopen, toen ik de
waarneming maakte, dat de mas een nieuwen sperma-voorraad in
zijne palpbuizen had opgenomen. Onmiddellijk hierop begon hij de
gewone plichtplegingen met zijne palpen vis-à-vis het wijfje. Dit,
waarschijnlijk bevredigend bevrucht zijnde, wilde daarvan niets
meer weten, maar sloeg de aanzoeken telkenmale af. In den regel
zou nu de lastige echtgenoot verslagen zijn geworden, maar in
casu durfde het dezen, als even sterk of sterker, blijkbaar niet
aan, maar ging, bij elke vernieuwde toenadering, voortdurend
voor dezen op de vlucht.
Thans nam de man, ten einde zijn doel te bereiken, eene hoogst
opmerkelijke krijgslist te baat, door zijne wederhelft, eene ge-
dwongen hongerkuur !) te doen ondergaan !
Zie hier de ware toedracht, die ik tot tweemalen, na verloop
van eenige dagen tusschenpoozing, mocht aanschouwen.
Naar gewoonte, vooral om te voorkomen, dat zij elkaar niet uit
gebrek aan voedsel dooden, werden ook dit paartje dagelijks enkele
levende vliegen gegeven. Ofschoon mijn kweekglas eene groote
ruimte aanbood en over de daarin geplaatste Mrica-takjes rijkelijk
van webben was voorzien geworden, gelukte het de femina slechts
akte, waarvan hier sprake is. Zoo bij de genoemde als een paar andere spinnen
heb ik het bestaan der door hem beschreven en op plaat var en VIII afgebeelde
orgaantjes in de hoofdzaak bees gevonden.
1) Eene dergelijke „ kuur”, met overeenkomstige bedoeling, heeft ons geacht
medelid van Bemmelen bij een paar Maraboe-ooievaars waargenomen. Zie verslag
onzer jongste Wintervergadering (13 Januari 1884) blz, LXxx.
DE GESLACHTSDRIFT BIJ SPINNEN-MARES. 203
bij uitzondering, op het laatst in het geheel niet meer, eene of
andere daarvan te bemachtigen. Steeds was de vluggere mas
haar voor.
Eenigen tijd daarna ving hij wederom het eerst de toegeworpen
vlieg. Nu evenwel, zoog hij die, op de gewone wijze, niet uit,
maar omwikkelde haar, verbazend snel, zonder haar te dooden,
met spinsel, in den vorm van een wit balletje. Dit hield hij met
de mandibels vast en liep daarmede rechtstreeks naar de plaats
der 2, die, in het eerst, telkenmale hare wederhelft ontvlood ,
doch eindelijk, bij eene nieuwe aannadering, rustig bleef zitten.
In hare onmiddellijke nabijheid gekomen, met de eenigszins
vooruitstekende prooi tusschen zijne kaakhaken, zag ik haar thans,
na eenige aarzeling, daarop toeschieten en in de vlieg bijten, als
om deze aan den man te ontrukken. Het mannetje echter liet niet
los, maar hield zijnerzijds het balletje stevig vast.
Wat verder geschiedde gaf mij den sleutel tot het raadsel dezer
vreemde manoeuvre. Terwijl, namelijk, de 9 de haar voorgehou-
den vlieg gretig ging uitzuigen, maakte het d van de gunstige
gelegenheid gebruik, om, zonder die los te laten, beurtelings met
zijne lange palpen, zeer omzichtig en langzaam, den coïtus uit te
oefenen, zonder dat het wijfje zich nu daaraan onttrok !
Had ik geen recht, om bij dit schouwspel van verleiding,
bij mij zelven uit te roepen: «Adam et Eva redivivi»!?, hier
echter in de omgekeerde verhouding. —
Bij het nadenken over dit geval en over de beweegoorzaak tot
de laatst beschreven handeling, heeft zich bij mij nog het volgende
vermoeden voorgedaan. Is het voorhouden van het spinsel-balletje,
met eene daarin besloten vlieg, wel eenvoudig te verklaren als een
lokaas voor het hongerige wijfje ? Of had dit nog eene andere
bedoeling, aan den waarnemingsgeest van het mannetje ontleend ?
Bij O. mirabilis toch draagt de 2? haren witten cocon op dezelfde
wijze, als het d, in casu, het daaraan volkomen gelijkvormige
vliegen-balletje droeg. Heeft dus misschien de femina dit eerst voor
een verloren cocon aangezien, dien het mannetje haar kwam terug-
‘brengen en dien zij het wilde ontnemen? Wij weten niet wat
204 WAARNEMINGEN OMTRENT ANOMALIEN VAN
hier in het kleine spinnen-brein schijnt te kunnen omgaan, doch
het eventueele overleg van den mas, bij de veronderstelling van
een dergelijken omweg, zou voorzeker dit vraagstuk nog meer
ingewikkeld maken.
4°. THERIDION BIMACULATUM L.
In de laatste Wintervergadering onzer Vereeniging hield ik,
onder aanwijzing der exemplaren, eene voordracht over de vele
varieteiten, niet bij de mares, maar bij de feminae dezer spinnen-
soort voorkomende 1).
Ter constateering van het bijeen behooren der meest afwijkende
vrouwelijke voorwerpen met denzelfden typischen mas, was het mij
noodig, zulks door de waarneming der sexueele vereeniging uit te
maken.
Bij deze gelegenheid kwam mij een zeldzaam, misschien zelfs
alleen staand geval voor, tot de anomalién in de geslachtsdrift bij
spinnen-mares eene zeer merkwaardige bijdrage leverende.
Onder mijne observatie-paartjes, waarvan het vrouwtje mij later
is gebleken, nog niet tot volle rijpheid gevorderd te zijn, ontvlood
dit, waarschijnlijk dientengevolge, telkenmale de aannadering van
het mannetje, wanneer het de gewone aanvragen tot amplexus
met zijne palpen verrichtte. Dat zulks zijne goede reden had, mag
worden opgemaakt uit eene waarneming van Maule Campbell ?).
Bij een insgelijks nog onrijp wijfje zijner Tegenariae, — het-
seen de copulatie niet was ontweken, — vond hij daarna «the
sexual parts much deranged», terwijl het, mede tengevolge eener
verwonding aan de dijen, reeds een uur na de paring bezweek.
Na verloop van eenige dagen, des morgens, mijne proef-flesschen
naziende , ontwaarde ik, tot mijne verrassing, echter slechts in het
voorbijgaan, dat ook dit paartje nu in coitu verkeerde. Het, in
den namiddag, nogmaals willende gadeslaan, zag ik de ¢ onbewe-
1) Zie het hiervoren aangehaald Verslag blz. LXxVHI,
2) Loco supra citato, p. 168,
DE GESLACHTSDRIFT BIS SPINNEN-MARES. 205
gelijk, met den & in hare onmiddellijke nabijheid, nog steeds op
hetzelfde plekje van de in het glas gesponnen webben zitten.
Dat de wijtjes, onder de copulatie zich veeltijds, met tegen
het lijf gedrukte pooten, stil houden, is, zooals boven reeds werd
bemerkt, regel, maar dat zij ook daarna, zóó lang in dien toe-
stand verbleven, was mij geheel vreemd. Zelfs door schudden of
slaan tegen de flesch, of door met een pincet te trekken aan het
net, volgde geene plaatsverandering.
Toen ik nu dit wijfje van naderbij beschouwde, ook met de
loupe, daar het dicht bij den wand zat, ontdekte ik, dat het,
ofschoon duidelijk teekenen van leven gevende, met luchtig en
oppervlakkig over het achterlijf omsponnen pooten, vrij stevig ter
plaatse was vastgebonden!
Ik vermoed, dat de bij deze soort krachtiger en vlugger mas
eindelijk het jonge wijfje genoegzaam is genaderd, om het met
eenige ragdraden te omwikkelen, ten einde het, om zoo te zeggen,
te kunnen verkrachten.
Ofschoon ik hem dit voorbereidende bedrijf niet heb zien ver-
richten en ook in de vroegte de inwikkeling niet had opgemerkt
moet ik toch veronderstellen, dat het toen reeds geschied is, daar
het vrouwtje van des ochtends af terzelfder plaatse was
verbleven.
Misschien, vraagt men, werd het dáár eerst post festum
door het mannetje omsponnen, ten einde het nader op te eten?
In gevallen van overwegende grootte der mannelijke individuen
bestaan daarvan voorbeelden. Zoo las ik nog onlangs, voor Tegenaria,
by Campbell !): «I have seen two males dismember their spouses
an hour or so after impregnation », terwijl ik hetzelfde, onder
anderen, ook bij Pholeus phalangioides Fuess heb waargenomen.
In casu evenwel schijnt mij dit het geval niet geweest te zijn.
Het spinnetje leefde nog en vertoonde geen spoor van uitwendige
beleediging. Daar het veel zwakker was, had het mannetje däär=
1) Loco citato, p. 169. Hij vermeldt zulks ten bewijze, dat het niet altijd en
olleen de vrouwtjes zijn, die, post coitum, hunne mannetjes verslinden,
206 DE GESLACHTSDRIFT BIJ SPINNEN-MARES.
voor ook niet noodig gehad, het te omspinnen, hetgeen ook met
andere prooi bij deze soort niet geschiedt. Bovendien was er gewoon
voedsel in overvloed in de flesch aanwezig.
Alle bijzondere conjecturen omtrent het eventueel bestaan van
dusgenaamde «hoogere vermogens» ook in de spinnenwereld, —
(zij men de schijnbare uitingen daarvan in de gegeven gevallen
als verstand, schranderheid of overleg moge duiden, — gaarne
aan de bespiegelende wijsgeeren overlatende, wensch ik mij ten
„lotte slechts te bepalen tot eene algemeene opmerking aangaande
de twee laatste observaties.
Even als de bekende, hooge kunstvaardigheid van vele spinnen
in het weven harer nesten zich laat terugbrengen tot het denkbeeld
van individueel zelfbehoud door bemachtiging van het benoodigde
voedsel , zoo ook schijnen mij deze vreemde of zeldzame handelingen
grootendeels te verklaren uit de eenvoudige aandrift tot instand-
houding der soort, ook onder buitengewone omstandigheden.
Hoe dit zij, en ook zonder daaruit gevolgtrekkingen af te leiden,
kwamen mij alle de beschreven waarnemingen opmerkingswaardig
genoeg voor, als voorbeelden van afwijkingen der norma in de
teeldrift der Araneiden, bepaaldelijk bij die der mannelijke sexe.
Zoo zagen wij, dat zij door deze gedreven kunnen worden niet
slechts tot onderlingen moord en doodslag, maar insgelijks tot
het plegen van tegennatuurlijk sexuaal verkeer (Obs. 1 en 2),
ja zelfs tot seductie van bezwangerde (Obs. 3) en viol van
onmondige wijfjes (Obs. 4)!
Staat alzoo de kunstzin der spinnen op eenen hoogen trap, in
« moraliteit» blijken zij laag te kunnen zinken.
NALEZING
OVER
AMERIKAANSCHE DIPTERA '),
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
. Onder een aantal Noord-Amerikaansche vliegen, mij welwillend
toegezonden door Dr. S. W. Williston te New-Haven, zijn er
enkelen, die mij aanleiding geven tot de volgende opmerkingen.
1. Leptogaster flavipes Löw.
Löw, Cent. Il. 15.
Ken ¢ van Massachusetts.
Löw’s beschrijving, die alleen het 2 betreft, past in de voor-
naamste bijzonderheden. Ik teeken hier echter eenige afwijkingen
aan: 1°. niet alleen de eindgriffel der sprieten, maar bijna het
geheele derde lid is zwart; 2°. behalve de gele achterhoeken van
den thorax, zijn ook de schouderknubbels en een smalle band van
daar naar den vleugelwortel roodgeel en glanzig; 3°. aan de ach-
terste pooten vertoonen de knieén eene zwarte stip en zijn de
laatste tarsenleden bruingeel; 4°. de vleugels zijn geheel glasachtig,
zonder den bruingelen voorrand, waarvan Löw spreekt; en de
vorkcel is niet dubbel zoo lang, maar slechts een weinig langer
dan haar steel.
Waarschijnlijk hebben wij hier te doen met eene soort, die nog
al varieert; en zoo zal mijn 2. flavicornis (Tijdschr. v. Ent. X.
136. 9) ook wel als synoniem hierbij behooren, gelijk trouwens
reeds door Löw en Osten Sacken vermoed werd. Het gold daar
ook een d, en dit onderscheidde zich door een bruinen ring op
de achterdijen, waarvan in het bovenbedoelde exemplaar geen
spoor te vinden is.
2. Deromyia Winthemi Wied.
Een 9 van Connecticut.
Het beantwoordt geheel aan Wiedemann’s beschrijving (duss.
Zweifl. 1. 387. 32), uitgenomen dat het achterlijf aan het einde
1) Zie Tijdschr. v, Entom, XXIV blz. 141, XXV blz, 77 en XXVI blz, 1,
208 NALEZING OVER AMERIKAANSCHE DIPTERA.
niet zwart is; het exemplaar komt volkomen overeen met een
ander in mijne collectie (zie Tijdschr. v. Ent. XXV. 93. 4), dat door
Mik met het typische voorwerp in het Weener museum is vergeleken. —
De soort is niet vermeld in Osten Sacken’s Catalogus der Noord-
Amerikaansche Diptera.
3. Deromyia basalis Walk.
Dasypogon basalis, Walk. Dipt. Saund. 95; — Diogmites bili
neatus, Löw, Cent. VII. 40.
Beide sexen van Connecticut. >
Walker beschrijft het 4, Löw het 9; beide beschrijvingen passen
volkomen op mijne exemplaren, die zonder den minsten twijfel
bijeenhooren. Het hypopygium van het & is klein, roestkleurig,
met korte beharing van dezelfde kleur en van achteren met vier
zwarte doornige borstels. |
De soort gelijkt zeer op D. rufescens Macq., doch verschilt door
de meer kastanjebruine kleur van lijf en pooten, door de zwarte
beharing der palpen en door eene uitgebreide bruinachtig asch-
grauwe tint aan de spits en den achterrand der vleugels.
4. Somula decora Macq.
Maca Dipti er supp. 2 an Ep EME
Een d van Connecticut.
Macquart hield het door hem beschreven en afgebeelde exemplaar
voor een ¢, waarschijnlijk omdat de oogen van boven gescheiden
zijn; bij mijn voorwerp is dit ook het geval; toch moet het een
d zijn, want onder de anale opening, die tegen den buik is om-
gebogen, vertoonen zich vrij gecompliceerde genitalien, met een
paar cylindrische of draadvormige organen. = (en
Tot aanvulling van Macquart’s beschrijving diene nog het volgende.
De uitstekende knop aan het voorhoofd, waarop de sprieten zijn
ingeplant, is van voren afgeknot, van boven zwartbruin en met
eene langsgroef; gele vlekken bevinden zich op den tweeden en
derden lijfsring; die van den tweeden ring staan schuin en zijn
smaller en meer van elkander gescheiden; die van den derden ring
zijn grooter en laten slechts eene smalle ruimte van de grond-
kleur over; de vierde ring is geheel geel en de rondachtig opge-
zwollen anus glanzig en meer roodgeel; de heupen en de wortel
der dijen zijn zwart, aan den binnenkant der achterdijen tot bijna
ter halver lengte.
EENE VARIETEIT
VAN
Cray TiO Gk beats NU PT AE,
DOOR
es Cy We SN Pee ENT
De op plaat 11, fig. 1, afgebeelde varieteit van Catocala Nupta
is dezelfde, die door mij vertoond is op de laatste Winterverga-
dering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging !). Zij werd
16 Augustus 1883 te Hees bij Nijmegen gevangen door den heer
James Galloway, een Schotsch Entomoloog, die de goedheid had
mij het merkwaardige voorwerp te schenken. Gaarne voldoe ik
aan zijnen wensch, deze varieteit bekend gemaakt te zien, te eer
nu Dr. van Leeuwen zoo welwillend is geweest er eene uitmun-
tende afbeelding van te vervaardigen.
Het verschil met den type bestaat uitsluitend in de grondkleur
der achtervleugels, waar een vrij levendig okergeel het gewone
flets vermiljoenrood heeft vervangen. Ook op hunne onderzijde is
de grond geel, maar veel bleeker dan boven. Hierdoor komt dan
ook de witte beschubbing der aderen in den lichten middenband
volstrekt niet uit.
Zooals ik op de bovenvermelde Vergadering reeds opmerkte,
is mij van geene onzer Europeesche Catocala-soorten met rooden
achtervleugelgrond eene gele varieteit bekend. Bij enkele Zygaenen
komt het echter wel voor, dat de roode kleur der voorvleugel-
vlekken en der achtervleugels door eene gele wordt vervangen,
terwijl bij de genera Callimorpha en Arctia zulke varieteiten
volstrekt niet zeldzaam zijn.
1) Zie Verslag Vergadering 13 Januari 1884 blz. LXxxIHIL
AVAGNBIZE BEREIT NGG
OVER
TWEE VARIETEITEN VAN OOST-INDISCHE DAGVLINDERN.
DOOR
P. C. T. SNELLEN.
(Blaat 14 „stie. 2 (en 3).
Het bekend maken der varieteit van Cafocala Nupta geeft mij
| aanleiding tot het publiceeren van twee andere merkwaardige af-
wijkingen. Zij betreffen Danais Chrysippus L. en Thestias Aenippe
Cramer. |
Bij eerstgenoemden dagvlinder is de gewone, bruinere of
gelere tabakskleur van den grond, vervangen door een iets paars-
achtig grijs. Deze varieteit werd eenige jaren geleden gevangen op
Poeloe Bras, een klein eiland aan de noordspits van Sumatra gelegen,
en in 4 exemplaren aan den heer Heylaerts te Breda gezonden. Hij
had de goedheid mij een voorwerp te schenken.
Het schijnt wel, dat deze varieteit volstrekt niet toevallig is en
op het bedoelde eiland geregeld voorkomt. Het Genootschap Natura
Artis Magistra te Amsterdam ontving althans ook eenige exem-
plaren ‘aan het afgebeelde gelijk.
De tweede varieteit is die eener Pieride, de Thestias Veniha
van Godart en van Snellen van Vollenhoven (Monographie des Piérides
p- 51), die evenwel den veel ouderen naam Aenippe Cramer moet
dragen. Zij is gevangen in het landschap Kedirie op Java door
Mr. Piepers en wel in eenige vrouwelijke exemplaren. De levendig
zwavelgele typische grondkleur heeft plaats gemaakt voor een nau-
welijks geel getint wit, terwijl de gebogen oranje dwarsband aan de
TWER VARIETTITEN VAN 0.-IND. DAGVLINDERS. 211
wortelzijde van de punthelft der voorvleugels geheel verdwenen is.
Het afgebeelde voorwerp wijkt het meest af; een ander heeft op
de plaats van den oranjegelen band eenige okergele veegjes in de
vleugelcellen en toont dus eenige toenadering tot den type. Mr.
Piepers ving Aenippe op Java, behalve in Kedirie, in het landschap
Rembang en bij Batavia.
Ook deze varieteiten heeft Dr. van Leeuwen voor mij afge-
beeld.
BESCHERENVING
TWR JAVAANSCHE SOORTEN VAN HEP GENUS MADOPA STEPH. LEDERER,
: DOOR
P C. T. SNELLEN,
met afbeeldingen
DOOR
Dr. J. VAN LEEUWEN Jr.
(PI. 41, fig. 4 en 5).
Wanneer ik de beide nu te beschrijven Javaansche Noctuinen
tot het genus Madopa Steph. Led. breng, geloof ik volstrekt geen
waagstuk te ondernemen. Niet alleen word ik bij de generieke
determinatie door middel van Lederer’s Analytische Tabel (zie
Noctuinen Europa’s, Wien 1857) zeer ongedwongen tot het genus
Madopa gebracht, maar gok bij nader onderzoek der kenmerken
vind ik niets afwijkends. De bouw der vlinders en hunne
teekening harmonieeren zeer met die van Madopa Salicalis; veel
meer zouden dan /ngwinata Led. en Mavomaculata Oberthür, die
beiden toch stellig tot dit genus behooren (Platyzona Lederer is
eene Mrastria) afwijken. Het eenige wat minder overeenkomt is |
de kleur, bij Salicalis op de voorvleugels blauwgrijs en bij de
twee Javanen leemgeel. In het voorbijgaan merk ik op dat, wat
de overige tot dit genus gebrachte soorten aangaat, ik Zurmalıs
Guen., Saligna Zell., Personalis Feld. en Rog. benevens Paralle-
lalis Mabille niet in natura ken, dat Quadristrigata Snellen (Tijds.
v. Ent. XX (1876—77) p. 73 pl. 5 f. 7) slechts voorloopig door
mij daarin is gehuisvest en dat er geenerlei reden bestaat om den
naam, dien Lederer voor het genus koos, te verdringen door dien
PWEB JAVAANSCHE MADOPA-SOORTDN, Dire
van Colobochyla, omdat Hübner hem in zijn Verzeiehniss, met
eene bespottelijke karakteristiek, voor Sa/icalis gebruikte. Die
Catalogus kan met Lederer’s werk niet op eene lijn worden ge-
steld en door aldus te handelen zou de grondige classificatie van
den Weener Entomoloog langzamerhand weder in het vergeetboek
raken en wij tot de oude barbaarschheid vervallen. Mijne eigene ver-
vanging van Lederer’s naam Ponca voor het dus door hem betitelde
Pyraliden-genus, door Mesographe Hbn. keur ik dus thans ook af.
Minder duidelijk is het specifiek verschil tusschen de beide hier
beschreven nieuwe soorten. Van de grootere, Mad. Iutealis (lig. 4),
heb ik lang een niet zeer gaaf vrouwelijk voorwerp gehad , door Mr.
Piepers in 1878 op Java gevangen. Later, in 1881, zond hij een
zeer frisch en gaaf mannetje, bij Batavia bemachtigd, dat ik voor de
andere sexe van het vroeger ontvangen, door mij voor wijfje aan-
gezien exemplaar hield, tot er in 1882 weder een frisch en gaaf
Madopa-mannetje aankwam, dat te Sindanglaya was gevonden en
zoo zeer op het eerste voorwerp geleek, dat ik duidelijk erkende,
dat althans het eerste en derde exemplaar bijeen moesten be-
hooren. Bij nader onderzoek vond ik tusschen het kleine en de twee
groote mannetjes een verschil in de palpen, hetwelk mij er toe
leidt, hier stelllig specifiek verschil aan te nemen, niettegenstaande
eene groote overeenstemming in andere (echter niet in alle) opzichten.
Bij Zutealis zijn namelijk de palpen boven aan lid 2 ruimschoots
zoo breed als de oogen en het eindlid is naar boven verdikt (zie
fig. 4a), terwijl by Dilutalıs de, ook iets langere, palpen boven
aan lid 2 goed een derde smaller zijn dan de oogen en het eindlid
langer en dunner is dan bij Zutealis, buitendien volstrekt niet
naar boven verdikt. Verder is bij Zufealis de voorvleugelpunt donker
gedeeld en de middenstip der voorvleugels licht gekernd, terwijl bij
Dilutalis die vleugelpunt ongedeeld en het middenpunt zwart is.
Andere, minder belangrijke verschilpunten zullen uit de vergelijking
der beschrijvingen blijken.
Madopa lutealis nov. spec. — Pl. 11 fig. 4 en 4e.
Twee mannen van 26 mm. vlucht, het eene zeer gaaf en frisch.
214 BESCHRIJVING VAN TWEE JAVAANSCHE SOORTEN
Palpen ter lengte van het iets knopvormige grauwgele eindlid ,
boven den kop uitstekende; het middenlid bovenaan iets breeder
dan de doorsnede der oogen, naar onderen versmald, plat, glad
beschubd, buitenwaarts zeer donker omberbruin, met iets ruigen,
grauwgelen bovenrand. Het eindlid is dus duidelijker dan bij
Salicalis. Noorhoofdskuif korter dan bij die soort, grauwachtig
leemgeel als de glad beschubde thorax-rug en halskraag. Sprieten
srauwgeel, draadvormig, fijn bewimperd, bovendien op ieder lid
met twee langere haartjes, dus zooals bij Salicalis.
Voorvleugels met vlakken voorrand, scherpe, een zweem ge-
kromde punt, eerst vlakken, dan (naar onderen) gebogen achter-
rand en afgeronden staarthoek; de achterrand en franje ongegolfd ;
dus alles ongeveer als bij Salicalis. De achtervleugels zijn kleiner
dan de voorvleugels, hun vorm is bijna driekant, met ongeveer
vlakken achterrand en afgeronde hoeken.
Grondkleur der voorvleugels een dof, grauwachtig leemgeel , met
enkele zwarte stofjes, aan den wortel en langs den voorrand, doch
zonder scherpe begrenzing donkerder. Zij zijn geteekend tot twee
derden met iets schuine, ongebogene, ongegolfde bruingrijze dwars-
strepen, die in de donkerder kleur langs den voorrand te niet
loopen, eerst twee fijne, dan eene breedere , wortelwaarts donkerder ,
dan weder eene fijne, de langste van allen. Tusschen de „tweede
en derde staat in de middencel eene zwarte stip, bij den wortel-
rand der breede of derde, op dezelfde hoogte, eene grijswitte,
fijn zwart gerande. Dan komt aan het begin van het laatste derde,
eene helderder, meer okerachtig dan de grond gekleurde lijn, even
lang en gevormd als de voorgaande bruingrijze. Zij heeft wortel-
waarts een fijn bruinen rand met eenige zwarte stippen, franje-
waarts een fijn zwarten rand, die uitloopt in het zwarte streepje,
dat de vleugelpunt deelt. Hierop volgt eene bovenaan spitse,
overigens ruim 2 millimeter breede, donkere streep , die vóór eene,
even voorbij de helft geplaatste lichte golflijn leembruin, daar achter
paarsgrijs is. Achterrand weder leemkleurig grauwgeef met scherpe
zwarte randstippen.
Achtervleugels merkbaar bleeker dan de voorvleugels, aan den
VAN HET GENUS MADOPA STEPH,, LEDERER. 215
binnenrand met drie smalle en twee breede grijze strepen, die
ongeveer op de hoogte van ader 6 ophouden. Randpunten meer
langwerpig.
Onderzijde der vleugels gekleurd als boven, donkergrijs bestoven,
vooral op de voorvleugels, tegen den achterrand met sporen van
de teekening der bovenzijde.
Franje overal gekleurd als de grond der voorvleugels, met twee
srijze deelingslijnen.
Achterlijf en de gewoon gevormde, glad beschubde pooten
grauwgeel.
Bij het minder gave voorwerp ziet men eene smalle zwarte
langsveeg, die van af en juist boven de !ichte middenstip naar het
midden der breede donkere streep loopt.
Java, Rembang en Sindanglaya.
Madopa dilutalis nov. spec. — PI. 11 fig. 5 en 5a.
Een zeer gaaf en frisch mannetje van 17 mm. vlucht.
Palpen smaller en iets langer dan bij Zutealis, daar reeds het
middenlid, dat naar boven niet sterk verbreed is, boven den kop
uitsteekt. Eindlid dun, stomp gepunt, grijsgeel; de buitenzijde
van lid 4 en 2 okerbruin. Sprieten als bij Lutealis, ook kop
en thorax, maar alles bleeker. Voorvleugels met meer rechten
achterrand en iets duidelijker, ofschoon ook afgeronden staarthoek
dan bij de grootere soort. Achtervleugels gevormd als daar.
Grondkleur der voorvleugels een helderder, bleeker leemgeel dan
bij Zutealis, alleen tegen het midden van den voorrand iets
verdonkerd en zonder zwarte stofjes. Ook hier ziet men tot twee
derden der vleugellenste fijne, iets schuine, ongebogene donkere
(grauwbruine) dwarslijnen, die langer zijn maar toch den voorrand
niet bereiken. Er zijn er echter vijf, hetwelk komt door eene
verdubbeling der derde, weinig dikkere. Tusschen de tweede en
derde benevens tusschen de vierde en vijfde lijn ziet men in de
middencel twee zwarte stippen. Gele lijn op twee derden der voor-
vleugels weinig helderder dan de grond, iets tegen den wortel ge-
bogen, wortelwaarts fijn grauwbruin gerand, franjewaarts begeleid
216 TWEE JAVAANSCHE MADOPA SOORTEN,
door eene warte lijn, die iets vervloeit in eene donkere streep.
Deze is echter hier geheel grauwbruin en de deelende golflijn bij
drie vierden geplaatst. Vleugelpunt zonder zwart streepje.
Achtervleugels bleeker, geteekend als bij Lufealis, maar de
donkere strepen der eerste vleugelhelft zeer flauw , de derde boven-
aan spits en tegen den wortel gebogen, de vierde, kortere en
smallere ook een weinig. Geene der strepen komt hooger dan ader 5.
Franjelijn met zwarte streepjes. Franje niet zoo duidelijk donker
gedeeld als bij Zutealıs.
Onderzijde en pooten als bij de voorgaande soort, de bestuiving
iets bruiner.
Batavia.
00ST-INDISCHE PSILOPUS-SOORTEN,
DOOR
F. M. VAN DER WULP.
Van de Dolichopoden, welke uit den vreemde, met name ook
uit onze Oost-Indische bezittingen, tot ons komen, behooren verre-
weg de meesten tot het geslacht Pse/opus. Dat tropisch Azie
ongemeen rijk is aan soorten van dit genus, kunnen wij veilig
aannemen, want zooveel ik heb kunnen nagaan, zijn er op dit
oogenblik reeds meer dan vijftig van daar beschreven , en niettemin
worden er telkens weder anderen gevonden, die niet tot de be-
staande beschrijvingen zijn terug te brengen.
Fabricius beschreef er twee:
Ps. aeneus (Syst. Antl. 268. 9), van Java; zij komt ook op het
eiland Aroe voor (zie Osten Sacken, Ann. mus. Gen.
XVI. 435).
» witens (Syst. Antl. 270.17), uit Oost-Indie, zonder nadere
aanduiding.
Wiedemann voegde er zeven aan toe:
Ps. vittatus (Zool. Mag. UL. 4. 4), van Java; zij is ook op de
Philippijnsche eilanden gevonden, volgens Osten Sacken
(Berl. Ent. Zeitschr. XXVI, 113).
» leucopogon (Anal. Ent. 40. 60), uit Oost-Indie, volgens
Schiner (Dipt. Novara Reise 215. 17) ook van Ceylon.
» globifer (Auss. Zweifl. II. 221. 16), uit China.
» ermicornis (Anal. Entom. 39. 68), van Java, Sumatra en
_ Amboina. (Syn. Ps. longicornis Dol.)
» rectus (duss. Zweifl. II. 255. 25), van Sumatra.
» /lavicornis (|. c. 227. 31), van Sumatra.
218 OOST-INDISCHE PSILOPUS-SOORTEN.
Ps. apicalis (1. c. 32), van Sumatra en volgens Walker ook
van Borneo.
Macquart maakte nog twee soorten bekend:
Ps. pusillus (Dipt. ex. IL. 2. 117) uit Oost-Indie, zonder nadere
aanduiding.
» conicornis (Dipt. ex. suppl. 1. 120. 20), van Pondichery.
Doleschall beschreef in het Natuurk. Tijdschr. voor Ned. Indie
drie soorten, te weten:
Ps. pusillus (X. 409. 24), van Java, waarvan de naam moet
worden veranderd, als reeds door Macquart gebezigd.
» leiopus (X. 410. 25), mede van Java.
» palmetorum (XVII. 94. 35), van Amboina.
Eene enkele soort, Ps. villipes, van Borneo werd door Rondani
(din. mus. Gen. VII. 445) beschreven, hoewel zoo on-
* volledig, dat zij wel niet zal worden herkend.
Het getal der Zuid-Aziatische soorten werd inzonderheid ver-
meerderd door Fr. Walker. Hij beschreef:
Ps. coelestis (List Dipt. Brit Mus. III. 642).
Cupido (ib. 643).
elegans (Dipt. Saund. IN. 210), allen uit Oost-Indie, en
later nog de volgende soorten in verschillende deelen der
9
SI
Transactions of the Linnean Society of London:
» clarus (I. 15. 49)
» subnotatus (I. 16. 51)
» posticus (I. 16. 52), van Malacca.
van berg Ophir.
» robustus (I. 16. 50) van Singapore, beiden ook op
» tenebrosus (I. 16. 53) |
» allectans (I. 119. 81)
» alliciens (I. 119. 82)
» &liciens (I. 120. 83)
» delectans (I. 120. 84)
» proliciens (1. 120. 85)
» prolectans (I. 120. 86)
» collucens (I. 120. 87)
» derelictus (I. 121. 88)
Borneo gevonden.
van Borneo.
OOST-INDISCHE PSILOPUS-SOORTEN. 219
Ps. spectabilis (IV. 114. 70)
» filifer (IV. 444. 71) |
» aestimatus (IV. 114. 72)
»* abruptus (IV. 115. 73)
» marginalıs (V. 283.54), van Batjan.
van Celebes.
» seticornis (VII. 234. 22), van Ceram.
» subrectus (VII. 209. 39) |
» moderatus (VII. 209. 40) |
» persuadens (V. 149, 26)
» perficiens (V. 150. 27)
» superans (V. 150. 28)
DET DENIS (N. 238. 26) | van Nieuws Guinea
» moderatus (VII. 209. 40)
van Mysol.
van Amboina (superare ook op
Mysol).
van Aroe (ook van Ceram en
Mysol).
van Aroe (ook van Mysol).
» benedictus (III. 91. 55) |
» lucigena (III. M. 56)
2
» termimifer (III. 92. 58)
thie van Aroe.
» orcifer (III. 92. 59) |
» egens (III. 92. 60), van Aroe en Ceram.
Hierbij komen nog twee door mij beschreven soorten, namelijk
Ps. splendidus van Nieuw Guinea (Tijdschr. v. Ent. XI. 111. 14),
en Ps. patellatus van Sumatra (Diptera Sumatra-expeditie 27. 2).
Mocht het mij slechts zelden gelukken, de soorten uit de be-
staande beschrijvingen te herkennen, dan is dit voor een goed
deel daaraan te wijten, dat de beschrijvingen onvolledig zijn.
Vooral is dit het geval met die van Macquart en Doleschall, die
althans zonder de daaraan toegevoegde afbeeldingen zeker weinig
bruikbaar zouden zijn. Aan Rondani’s zeer korte beschrijving van
Ps. villipes ontbreekt alle aanduiding van den vorm der sprieten
en van het aderbeloop der vleugels, juist de kenmerken, welke
hier het meest in aanmerking komen. Ook Walker’s beschrij vingen
lijden, als gewoonlijk, aan vele gebreken, zoodat het niet te ver-
wonderen is, dat ik in geen enkele der mij bekende soorten eene
der zijnen heb kunnen herkennen.
Op dit oogenblik ken ik nog slechts een elftal soorten, waarvan
220 OOST-INDISCHE PSILOPUS-SOORTEN.
ik er vijf kan terugbrengen tot de door Fabricius en Wiedemann
beschreven soorten; twee anderen werden vroeger reeds door mij
beschreven (zie boven); van de vier overigen laat ik de beschrij-
ving hieronder volgen. Allen komen daarin overeen, dat de spriet-
borstel eindstandig is en veel langer dan de altijd rugstandige bij
onze Europeesche soorten. Slechts bij een enkel voorwerp van
Java, wit het Leidsch museum, vond ik een rugstandigen spriet-
borstel; ik kan dit exemplaar echter niet bestemmen en nog
minder beschrijven, omdat het opgeplakt en zeer gebrekkig is. —
Een rugstandigen sprietborstel heeft ook Ps. pusillus Macq., te
oordeelen althans naar de afbeelding, door hem |. c. pl. 21 fig. 7
gegeven. In verreweg de meeste der hiervoren aangehaalde be-
schrijvingen is omtrent de inplanting van den sprietwortel het
stilzwijgen bewaard; de veronderstelling ligt echter voor de hand,
dat die inplanting aan het eind van het spits toeloopende derde
sprietenlid plaats heeft, omdat wij dit bij verreweg de meeste
tropische soorten zoo aantreffen.
Als kenmerken ter onderscheiding der soorten kunnen, behalve
de wijze van inplanting van den sprietborstel, nog in aanmerking
komen de aanwezigheid van purperen langstrepen op den thorax
en van zwarte ringen op het achterlijf; de kleur der sprieten; de
meerdere of mindere lengte van het derde sprietenlid in verhouding
tot de voorafgaande leden; de lengte en somtijds de geknopte vorm
van den sprietborstel; de bruine teekening der vleugels, die bij
vele exotische soorten voorkomt; de buiging der dwarsaderen; de
plaatsing der macrocheten op het achterlijf; de kleur, de borstels
en de beharing der pooten; eindelijk de vorm der mannelijke
genitalien.
De weinige mij bekende soorten laten zich onderscheiden als volgt :
a. Schijfdwarsader duidelijk, soms zeer
stenksebogen damn dM end:
Schijfdwarsader recht of bijna recht. 4.
b. Derde sprietenlid kegelvormig , merke-
lijk langer dan de beide vooraf-
gaande leden (vleugels gevlekt) . 1.-aeneus Fabr.
d.
h.
. Vleugels gelijkmatig gebruind.
. Sprietborstel veel langer dan het
OOST-INDISCHKE PSILOPUS-SOORTEN. 221
Derde sprietenlid hoogstens zoo lang
als de beide voorafgaanden .
. Vleugels gevlekt, d. i. met donker-
Fa
bruine en glasachtige gedeelten
Vleugels gelijkmatig bruinachtig of ge-
heel glasachtig, althans zonder
duidelijke vlekken.
Vleugels met eene groote vierkante
vlek tegen den voorrand.
Vleugels donkerbruin, aan de spits
glasachtig en met lichteren achter-
rand .
Vleugels geheel glasachtig, hoogstens
met een klein schaduwvlekje aan
den voorrand .
lichaam .
19
quadratus n. sp.
. 3. splendidus v. d. W.
4, flavicorns Wied.
5. crinicornis Wied.
Sprietborstel korter dan het lichaam. g
. Sprietborstel aan het eind met een
. 6. patellatus v. d. W.
. 7. leucopogon Wied.
klein knopje
Sprietborstel zonder knopje
Vleugels met donkere teekening .
Vleugels glasachtig
Bovenarm der discoidaal-ader bijna
recht, veel langer dan het laatste
gedeelte der discoidaal-ader .
Bovenarm der discoidaal-ader duidelijk
gebogen, nauwelijks iets langer dan
het laatste gedeelte der discoidaal-
ader:
. Beharing en borstels van lichaam en
| pooten buitengewoon dicht en in ’t
oog vallender 2 nen è.
Beharing en borstels niet meer dan ge-
D
. 8. vittatus Wied.
. 9. obscuratus n. sp.
. 10. pilosulus n. sp.
299 OOST-INDISCHE PSILOPUS-SOORTEN.
woonlijk; (mannelijke genitalien met
een paar lange, behaarde draden). 14. flatus n. sp.
1. Psilopus aeneus Fabr.
Dolichopus aeneus, Fabr. Syst Antl. 268. 9; — Psilopus aeneus,
Wied. Auss. Zweifl. II. 214. 2; Macq. Dipt. ex. 11. 2. 116. 6.
Pl ONES:
Fabricius beschreef deze soort naar een exemplaar uit de col-
lectie van Bosc te Parijs en geeft als vaderland Java aan. Wie-
demann neemt alleen die beschrijving over en schijnt dus de soort
niet gezien te hebben. Macquart geeft eene meer uitvoerige
beschrijving en tevens eene tamelijk kenbare afbeelding naar een
exemplaar, mede van Java, uit het museum te Parijs, wellicht
hetzelfde als dat van Fabricius. Deze laatste noemt de pooten
«nigri, femoribus pallidis», Macquart daarentegen «pieds d’un
jaune pale» zonder meer.
Een exemplaar, op het eiland Waigeoe door Bernstein gevangen
en in het Leidsch museum berustende, is, vooral ook wegens de
teekening der vleugels, als aeneus F. te bestemmen; het mist de
voorpooten, waarvan alleen de heupen zijn overgebleven; deze zijn
geel, in tegenstelling met de achterste heupen, die zwart zijn met
witte bestuiving; de middelpooten zijn geel, met zwartbruine
tarsen, en aan de achterpooten zijn de dijen geel, de schenen en
tarsen zwart.
Kenmerkend voor deze soort zijn overigens, behalve de vleugel-
teekening (Pl. 12 fig. 1)
lid langer en meer kegelvormig is dan bij andere soorten. Het
, de gele sprieten, waarvan het derde
hypopygium van het d (fig. 2) is zoo lang als de beide laatste
lijfsringen; de bovenste aanhangsels hebben den vorm van een
paar haken; de onderste zijn schubvormig, van boven wimper-
achtig- en ook van onderen vrij dicht behaard, aan het eind met
een paar doornen.
2. Psilopus quadratus nov. sp.
Cyaneo-viridis; capite, thorace antice, pleuris et maculis late-
OOST-INDISCHE PSILQPUS-SOORTEN. 223
ralibus in abdomine argenteo-albis; thorace cupreo-vittato; antennis
testaceis, seta apicali longitudine thoracis; pedibus anterioribus
flavis, tarsis nigris; posticis nigris, femorum dimidio basali flavo ; alis
hyalinis, macula magna subquadrata fusca; nervo transverso dis-
coidali undulato. — Long. 210 mm.
Metaalachtig blauwgroen. Voorhoofd en aangezicht met zilver-
witte bestuiving; zuiger geelachtig, aan de spits glanzig zwart;
palpen geel. Sprieten bruingeel, kort; het derde lid niet langer
dan het eerste, met haarvormigen, zwarten eindborstel, die onge-
veer zoo lang als de thorax is. Thorax met koperkleurige langs-
strepen, van voren en in de zijden met zilverwitte bestuiving, op
den rug met op langsrijen geplaatste macrocheten; twee dergelijke
aan den achterrand van het schildje. Achterlijf met zwarte be-
haring en zilverwitte zijvlekken. Voorheupen geel, achterste
heupen zwart, allen met zilverwitten weerschijn; overigens de
voorste pooten geel met zwartbruine tarsen; achterpooten zwart,
met gele wortelhelft der dijen; aan de voorste heupen, onder
aan den wortel der voordijen en aan de achterste schenen
eenige zwarte borstels. Kolfjes geel. Vleugels (fig. 3) glas-
achtig met zwarte aderen; voorbij het midden eene groote,
eenigszins vierkante, zwartbruine vlek, die tegen den voorrand
list maar den achterrand niet bereikt; bovendien een klein donker
vlekje aan de basis der cubitaal- en discoidaal-aderen; de voor-
randcel (tusschen de randader en de subcostaal-ader) geelachtig;
uitmonding der subcostaal-ader nog vóór de halve vleugellengte ;
bovenarm der discoidaal-ader rechthoekig uit den hoofdtak ontsprui-
tende en verder boogvormig; schijfdwarsader dubbel gebogen.
Verscheidene vrouwelijke exemplaren van Morotai en Halmaheira
(Bernstein) in het Leidsch museum.
3. Psilopus splendidus v. d. Wulp.
Tijdschr. voor Ent. X. 111. 14 pl. 4 f. 4.
In het Leidsch museum trof ik onder de ongedetermineerde
Diptera deze soort op nieuw aan, en wel een mannelijk exemplaar
van Waigeoe (Bernstein).
224 OOST-INDISCHE PSILOPUS-SOORTEN.
Zeer verwant schijnt te zijn Ps. lucigena Walk. (Proc. Linn.
Soc. III. 91. 56), mede van Nieuw-Guinea (eiland Aroe); deze
onderscheidt zich echter door zwarte sprieten en doordat de voor-
dijen aan den wortel geel zijn. Wellicht is mijn Ps. splendidus
slechts als eene varieteit van deze soort aan te merken; om hiervan
zekerheid te verkrijgen, zou men echter het typische exemplaar in
het Britsch museum dienen te vergelijken.
A. Psilopus flavicornis Wied.
Wied. Auss Zweifl. IL. 227. 31, v. d. Wulp, Dipt. Sumatra-
HYG ANG Als
Aan mijne aangehaalde beschrijving heb ik niets toe te voegen.
5. Psilopus erinicornis Wied.
Ps. erinicornis, Wied. Anal. Ent. 39. 68; id. Auss. Zweifl. Il.
222. 20; Ost. Sack. Ann. Mus. Gen. XVI. 436; — Ps. longi-
cornis, Dol. Nat. Tijdschr. Ned. Ind. XVII. 94 34.
In het Museum te Leiden bevinden zich 5 mannelijke exem-
plaren van Java (Müller). De sprietborstel is wel 24 maal zoo
lang als het lichaam; aan den voorrand der vleugels is een klein
wegsmeltend schaduwvlekje, waarvan in Wiedemann’s beschrijving
geen melding wordt gemaakt, maar dat ook door Osten Sacken
is opgemerkt.
Ik twijfel niet, of Doleschall’s Ps. longicornis is dezelfde soort ;
wel geeft eene onuitgegeven afbeelding van Doleschall den spriet-
borstel slechts als een weinig langer aan dan het lichaam ; maar
die afbeelding vertoont duidelijk een 9, en daaruit is dus af te
leiden, dat in deze sexe de sprietborstel minder lang is. Hoe het
zij, de naam longicornis Dol. zou toch vervangen moeten worden,
gymdat er reeds een Psilopus longicornis Wied. van Brazilie bestond.
6. Psilopus patellatus v. d. Wulp.
V. d. Wulp, Dept. Sumatra-exped. 27. 2.
Ook ten aanzien van deze soort kan ik volstaan met naar mijne
vroegere beschrijving te verwijzen.
OOST-INDISCHE PSILOPUS-SOORTEN, 225
7. Ps ilopus leucopogon Wied.
Wied. Anal. Entom. 40. 69; id. Auss. Zweifl. II. 220. 15;
Schiner, Dipt. Nov. Reise, 245. 17.
Deze soort wordt door Wiedemann uit Oost-Indie, door Schiner
van Ceylon vermeld. Ik bezit exemplaren van Java, die ik in der
tijd zonder eenigen twijfel als Zeucopogon heb gedetermineerd. Zij
zijn echter niet gaaf genoeg meer, om daaromtrent hier verdere :
aanteekeningen of afbeeldingen te maken.
8. Psilopus vittatus Wied.
Wied. Zool. Mag. III. 4. 4; id. Auss. Zweifl. II. 217. 8; Macq.
Suit. à Buff. Dipt. I. 450. 8; id. Dipt. ex. II. 2 116. 5. pl. 20
f. 6; Dol. Nat. Tijdschr. v. Ned. Ind. X. pl. 9 f. 4; Ost. Sack.
Berl. Ent. Zeitschr. XXVI. 113.
Van deze soort, die op Java gemeen schijnt te zijn, bevinden
zich verscheidene exemplaren in ’s Rijks museum te Leiden en in
mijne collectie.
Wat Osten Sacken zegt van de zwarte dwarsbanden op het
achterlijf, die bij het 4 breeder zouden zijn dan bij het g, vind
ik aan mijne voorwerpen niet bevestigd; die banden vertoonen zich
daar in beide sexen zoo smal, dat ik eer van zwarte insnijdingen
zou spreken. Zouden wellicht de Philippijnsche exemplaren in dat
opzicht van de Javaansche afwijken ?
Op het achterlijf ligt, vooral aan de eersteringen, een zilverwit
waas; de macrocheten zijn op den rug van elken ring duidelijk in
twee dwarsrijen gerangschikt, terwijl zij bij andere soorten minder
regelmatig zijn geplaatst of slechts eene enkele rij dicht bij den
achterrand vormen. Het hypopygium van het 4 (fig. 4) is slechts
weinig langer dan de laatste lijfsring, van boven met een paar
korte, van onderen met een paar langere draadvormige aanhangsels.
De eigenaardige vleugelteekening is te zien uit mijne afbeelding
(fig. 5), die ook den bijzonder langen, zeer weinig gebogen
bovenarm der discoidaal-ader vertoont. ;
Behalve de Javaansche exemplaren bevindt zich in het Leidsch
museum ook een ® van Sumatra (v. Lansberge), dat als eene
15
226 OOST-INDISCHE PSILOPUS-SOORTEN.
varieteit moet worden aangemerkt, Het heeft niet de normale
metaalgroene kleur, maar is prachtig staalblauw; daarentegen zijn
de banden op den thorax, die bij de typische voorwerpen purper=
kleurig zijn, hier smaragdgroen; dezelfde kleur vertoont zich ook
in de zijden des achterlijfs; daarbij is de teekening der vleugels
niet zwartbruin, maar zeer licht bruin, en hierdoor minder duidelijk ,
terwijl de kernen van sommige cellen zelfs nog lichter zijn,
9. Psilopus obscuratus n. sp.
Virido-aeneus; abdomine maris cupreo; antennis nigris, seta
apicali dimidio corporis sublongiori; pedibus halteribusque nigris
vel fuscis; alis fuscis, apice, margine inferiori incisurisque duabus
subhyalinis; nervo transverso discoidali subrecto. — d 2 Long.
6,5 mm.
Voorhoofd staalblauw; aangezicht helder metaalgroen, met witte
bestuiving, die ook boven de sprieten aanwezig is; zuiger glanzig
geelbruin. Sprieten zwart, kort; het derde lid spits toeloopend;
de haarvormige eindborstel ruim ter halve lengte des lichaams.
Thorax en schildje metaalgroen; borstzijden met witte bestuiving.
Achterlijf in 4 koperkleurig, in 9 meer zuiver metaalgroen , met
zwarte insnijdingen; hypopygium van het 4 (fig. 6) zwart, niet
langer dan de laatste lijfsring, met korte draadvormige aanhangsels.
Pooten zwart; de voorste pooten soms meer pekkleurig, de schenen
zelfs tot het geelachtige neigende; onder aan de voorste dijen en aan
de buitenzijde der schenen vrij lange zwarte borstels. Kolfjes zwart.
Vleugels (fig. 7) donkerbruin, aan de spits en den achterrand
lichter en grijsachtig, welke laatste kleur op twee plaatsen eene
diepe insnijding in de grondkleur maakt, eens op een derde der
vleugellengte en nog eens voorbij de schijfdwarsader; de bovenarm
der discoidaal-ader ontspringt met rechten hoek uit den hoofdtak
en is zacht gebogen; spitscel vrij breed geopend; schijfdwarsader
bijna recht.
Beide sexen van Padang in mijne collectie.
10. Psilopus pilosulus n. sp.
Obscure aeneo-viridis, villosus; antennis pedibusque nigris ;
OOST-INDISCHE PSILOPUS-SOORTEN. 927
pedorum anteriorum tibiis et saepius articulo primo tarsorum tes-
taceis; antennarum seta apicali longitudine fere corporis; alis
immaculatis, nervo transverso discoidali subrecto. — d 9 Long, 4,5
mm: (Pl. 41, fig. 8).
Voorhoofd en aangezicht breeder dan de doorsnede der oogen,
zwart, met witte bestuiving; achterhoofd van achteren met ver-
scheidene witte borstels; zuiger en palpen geel of geelbruin.
Sprieten zwart; het tweede lid van boven en van onderen met een
borstel (de onderste bij het 9 langer); derde lid spits toeloopend,
met een haarvormigen eindborstel, die slechts weinig korter dan
het lichaam is. Thorax, schildje en achterlijf donker metaalgroen ,
dicht met lange zwarte borstels bezet; borstzijden wit bestoven;
hypopygium van het 4 (fig. 9) zwart, van boven en van onderen
met een paar spitse punten, in ’t midden met een paar draad-
vormige aanhangsels. Pooten zwart; heupen met witte bestuiving;
aan de beide voorste paren de knieén, de schenen, met uitzondering
der spits, en somtijds het eerste tarsenlid bruingeel; onder aan de
dijen een aantal borstels, op twee rijen geplaatst; aan de buiten-
zijde der schenen 4 of 5 borstels; de schenen en tarsen bovendien
met eene korte, dichte, uitstaande donkere beharing, die vooral
bij het d in ‘toog valt. Al de borstels van lijf en pooten zijn
grof en stomp. Kolfjes zwart, met geelachtigen steel. Vleugels
(fig. 10) grauwachtig; bovenarm der discoidaal-ader gebogen;
schijfdwarsader bijna recht.
Beide sexen van Ambarawa op Java (Ludeking) in ’sRijks
museum te Leiden.
11. Psilopus filatus n. sp.
Laete-viridis; abdominis segmentis ultimis cupreis; antennis pe-
dibusque nigris; antennarum seta apicali longitudine thoracis; alis
subhyalinis; ramo superiori nervi discoidalis cum ramo principali
angulum acutum formante et in medio profunde incurvato; nervo
transverso discoidali subrecto; hypopygio maris filis duabus longis
munito. — & Long. 4 mm.
Glanzig metaalgroen, ook het voorhoofd en het aangezicht; de
228 OOST-INDISCHE PSILOPUS-SOORTEN,
borstzijden doffer en van onderen met witten weerschijn, die zich
ook op de heupen voortzet; de drie laatste achterlijfsringen koper-
kleurig. Boven de sprieten een band van zilverwitte bestuiving.
Zuiger, palpen en sprieten zwart; de sprieten kort; het derde lid
toegespitst; de haarvormige eindborstel zoo lang als de thorax. Op
het voorhoofd en achter de oogen eene borstelige beharing; thorax
en achterlijf matig met borstels bezet; hypopygium van het à
(fig. 11) niet zeer lang; de beide bovenste aanhangsels draadvormig ,
aan ’t einde iets verdikt; de beide onderste aanhangsels lang en
ieder uitloopende in een langen, fijnen, met uitstaande haartjes be-
zetten draad. Pooten zwart; onder aan de dijen eenige beharing
doch overigens de pooten zoo goed als naakt en slechts met entel
onbeduidende borsteltjes. Kolfjes zwart. Vleugels (fig. 12) met
flauwe grijsachtige tint; bovenarm der discoidaal-ader met den hoofd-
tak een scherpen hoek vormende en verder diep ingebogen; de
hoofdtak tot aan den vleugelrand voortgezet; spitscel vrij breed
geopend; schijfdwarsader recht.
Een enkel d van Java (Piepers) in mijne collectie.
Ik zou geneigd zijn deze soort als P/. egens Walk. (Proc. Linn.
Soc. III. 92) te bestemmen, indien de sprietborstel langer ware;
Walker toch noemt dien «much more than half the length of the
body»; daar mijn exemplaar zeer gaaf is en aan beide sprieten de
borstel even lang is, kan ik niet veronderstellen, dat deze gedeeltelijk
is afgebroken.
BIJDRAGE TOT DE KENNIS
DER
INLANDSCHE GALERUCINEN,
DOOR
Mr. A. F. A. LEESBERG.
Nadat door mij in deel XXIV en XXV van dit Tijdschrift de
Halticiden als ondergroep der Galeruciden werden beschreven,
bleef nog, ten einde deze groep te voltooien, de bewerking der
Galerucinen over.
De Galerucinen vormen, gelijk ik reeds in bedoeld opstel ver-
meldde, de eerste groep der Galerucidae, vooral door den vorm
van het prosternum, dat niet verlengd is, en door het gemis
van springvermogen, van de Halticiden onderscheiden.
Daar ik later hoop in de gelegenheid te zijn de overige genera
der inlandsche Chrysomeliden te behandelen, zal ik de verschil-
punten tusschen deze groep en de overige groepen der Chrysome-
lidae thans met stilzwijgen voorbijgaan.
Zoo vlug de Halticiden, dank zij hun springvermogen, zich
bewegen, zoo log en gemakkelijk te vangen zijn de Galerucinen.
Over het algemeen zijn hunne kleuren somber en vaal.
De sprieten zijn draadvormig, soms een weinig meer naar het
einde verdikt, met elf leden, ingeplant tusschen of voor de oogen
(steeds dichter bij elkaar dan de oogen zelf), in eene holte, die
scherp begrensd is, en waarvan de randen eene soort van kiel
vormen, die nu eens door eene voorhoofdskiel gescheiden worden,
dan weder met elkaar vereenigd zijn.
De in het midden verdikte palpen eindigen in eene min of
230 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
meer scherpe punt. De pooten zijn vrij plat, min of meer ver-
breed; de tarsen hebben vier leden, waarvan het derde twee-
lobbig is en het laatste een’ tand in het midden vertoont.
Halsschild altijd breeder dan lang, zelden bijna vierkant , nimmer
met verticale of horizontale insnijdingen, soms met ronde groet
ter wederzijde. Dekschilden gewoonlijk het lichaam bedekkend (bij
bevruchte wijfjes zwelt het abdomen sterk op, zoodat het onbedekt
achter de dekschilden uitsteekt), nu eens sterk verbreed naar het
uiteinde (Adimonia, Agelastica), dan weder parallel, verward
bestippeld, nimmer met stippelrijen of lijnen, soms met eenige
verheven kielen. Achterlijf met vijf ringen. De inlandsche soorten
zijn gevleugeld of ongevleugeld.
De larven der Galeruciden leven op allerlei planten, niet
mineerend, maar aan de oppervlakten !).
Verdeeling der genera.
1. Laatste tarsenlid (klauw) in twee
ongelijke deelen gesplitst; derde
lid der sprieten langer dan het
vaerde) ile over nace ai nen
Laatste tarsenlid aan den wortel in
een driehoekigen tand verbreed ;
derde lid der sprieten korter dan
hettwierdew lo MEAD
2. Dekschilden weinig langer dan breed ,
tegen het einde buikig verbreed,
steeds onbehaard . . . . . . I Adimonsa.
Dekschilden de helft langer dan te
zamen breed, steeds parallel, fijn
behaard 2.000 20 sulle a nca
3. Voorrand van het halsschild uitge-
sneden; dekschilden buikig verbreed. III. Ayelastica.
1) Geraadpleegde werken, behalve de algemeene in mijn vorig stuk aange-
haald, in 'tbijzonder: M. L. de Joannis, Monographie, in Abeille INI. 1866.
p. 1—168; Von Kiesenwetter, in Berliner Entomol. Zeitschr, dl. XVII. 1873
Bl,
INLANDSOHE GALERUCINEN. 231
Voorrand van het halsschild niet uit-
gesneden; dekschilden evenwijdig,
zonder verbreeding . . . . . 4
4. Zijrand der dekschilden niet afgezet
of begrensd; dekschilden met twee
euren Mr nan od M SERIE IV. A Phyl lobraien.
Zijrand der dekschilden duidelijk be-
grensd door twee verheven lijnen,
die zich voorbij het midden ver-
eenigen; dekschilden eenkleurig . V. Luperus.
Genus I. ADIMONIA Laich. 1).
Van adquovia (tristitia).
Laich. Tyr. Ins. I. 191 (1781); Redt. Hawn. Austr. ed. IH.
486; Joan. Mon. p. 8. Syn. Galeruca Geoffr. 1762 (pro parte).
Sprieten voor de oogen ingeplant. Kop klein, voor de helft in
het halsschild teruggetrokken. Oogen uitpuilend. Sprietholten steeds
van elkaar gescheiden. Halsschild veel breeder dan lang, van voren
niet uitgesneden. Dekschilden aan de basis breeder dan het hals-
schild, gewoonlijk naar achteren sterk verbreed, eivormig, dikwijls
met twee of meer verheven kielen. Lichaam onbehaard.
Tabel der soorten.
4. Dekschilden met duidelijke glanzende,
verheven zibbenn da pie e 2
Dekschilden zeer onduidelijk geribt . 3
2. De 4—6 ribben op de dekschilden
zijn onafgebroken en eenkleurig met
de dekschilden. . . . . . . He Pomonae Scop.
1) Ik kan mij niet vereenigen met den veranderden naam der genera in den
nieuwen Catalogus van Stein en Weise, Berlin 1884. Waarom het bekende genus
Adimonia Laich. plaats moet ruimen voor Galeruca Geoffr. en Galeruca zelf weder
gewijzigd wordt in Galerucella Crotch, is mij niet duideljk, evenmin als ik de
noodzakelijkheid inzie, om voor de tweede soort van het genus Agelastica ‚nl. Halensis
L., een nieuw genus Agelasa Mots. te scheppen. De onderverdeelingen van het
oude geslacht Galeruca Geoffr. in Lochmaea Weise, Trirhabda Le Conte en Diorhabda
Weise komen mij voor de Europeesche soorten van twijfelachtig gewicht voor.
Zie Weise, in Deutsche Ent. Zeitschr. XXVII. 1883. p. 315.
232 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
De ribben zijn hier en daar afgebroken
en steeds donkerder dan de dek-
schilden . . À + 2 è» 2 ara ARZOFT AN ORE
3. Achterrand van het halsschild recht;
lichaam weinig gewelfd. . . . 4
Achterrand van het halsschild in het
midden recht, daarna scheef naar
de uiteinden gewelfd. . . . . 5
4. Lichaam geheel zwart, zelden de dek-
schilden bruin. .. . . . . . 83. Tanaceti L.
Lichaam rood, behalve de kop, het
schildje, de sprieten en de onder-
kant met de pooten . . . . . Æ.* melanocephala Ponza
Dl
Dekschilden rood, even als de laatste
ringen van het achterlijf . . . 3. Crataegi Först.
Dekschilden vuilgeel, achterlijf geheel
ANAL Sen I ae es e Arcene
1. Adimonia Pomonae Scop.
Scop. Ent. carn. 1763 p. 83.
Syn. A. rustica Schall. Hall. I. 274. 1783; Fabr. Mant. I. 74.
95; Redt. ed. III. 486. 2; Joan. p. 33.
Grootte 9—10 mill.
Zwart, dicht en duidelijk bestippeld. Dekschilden en halsschild
helderbruin, de eerste buikig naar het einde verbreed, met zes
blinkende ribben , waarvan de 2de, 4de en 6de het duidelijkst zijn; de
ribben niet donkerder dan de grondkleur. Pooten en sprieten zwart.
Verbreid, vooral op lage planten, in Juni en Juli.
Bij eene varieteit is de onderkant geheel bruin.
2. * Adimonia interrupta Oliv.
Oliv. Ent. VI. 620 t. 2. f. 18; Joan. Mon. p. 57; — Rustica
var. Payk. Faun. Suec. II. 88. — Tanaceti var. Geoffr. I. 253.
Grootte 6—8 mill.
+
1) Ook de waarschijnlijk inlandsche soorten zijn in dit overzicht opgenomen en
+
met een * gemerkt.
INLANDSCHE GALERUCINEN. 233
Gelijkt geheel op de vorige; de ribben zijn donkerder dan de
grondkleur en onregelmatig afgebroken ; alleen de zesde is regelmatig.
Komt in de Rijnprovincie voor; in Nederland nog niet waar-
genomen.
3. Adimonia Tanaceti L.
Linn. Syst. Nat. ed. X. 1758 p. 369; Joan. Mon. p. 29.
Syn. A. tristis Scop. Ent. carn. p. 83.
Var. A. dispar Joan. Mon. p. 34.
Grootte 6—9 mill.
_ Deze soort is geheel zwart. Dekschilden verbreed als bij A.
Pomonae, zeer zelden met sporen van ribben; achterrand van het
halsschild bijna recht. Bij immature voorwerpen is de kleur soms
bruin; door het ontbreken van duidelijke ribben zijn zij echter
met zekerheid van Pomonae te onderscheiden.
Overal gemeen, vooral in het voorjaar in de duinstreken.
4. * Adimonia melanocephala Ponza (subgenus Lochmaea Weise).
Ponza, Men. de Turin XII. 1805 p. 57.
Syn. A. haematidea, Germar, Ins. spec. nov. 1824 p. 603.
» A. aptera, Bonell. Mem. Soc. agr. Torin. IX. 1812 p. 159.
13; Joan. Mon. p. 73.
Grootte 4,5—5 mill.
Geheel rood, behalve kop, schildje, sprieten, pooten en onder-
zijde, die zwart zijn. Dekschilden weinig verbreed, zonder sporen
van ribben, fijn bestippeld; achterrand van het halsschild bijna
recht.
Overal zeldzaam; o. a. bij Dusseldorf gevangen; in Nederland
nog niet waargenomen.
3. Adimonia Crataegi Först. (subgenus Lochmaea Weise).
Forst. Cent. I. 28. 28. 1771; Marsh. Ent. Brit. I. p. 228;
Dfts. Faun. austr. III. p. 223.
Syn. 4. sanguinea, Fabr. Syst. Ent. 1775 p. 119; Oliv. Ext.
II. p. 634 t. 3 f. 44; Thomson, Skand. Col. VIII. p. 180; Joan.
Mon. p. 76, 77 (var. pallida Joan.).
Grootte 4,5 mill.
234 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
Geheel rood, behalve de onderkant en de laatste vijf sprieten=
leden, die zwart zijn. Halsschild aan den achterkant duidelijk in
het midden recht, daarna naar het uiteinde scheef toeloopend.
Dekschilden veel breeder dan het halsschild, aan de basis met
duidelijke schouderbuil , rimpelig bestippeld, sterk gewelfd. Soms
vertoonen de dekschilden eene zwarte streep en zwarte schouder-
buil. Dijen soms zwart.
Op vele plaatsen in Nederland waargenomen, o.a. Heemstede
(v. Voll.), Arnhem (Snell), Utrecht (Six), Middelburg (de Man),
de Bildt (Groll), Breda, op Crataegus (Heyl. en Leesb.). In
geheel Europa verbreid.
6. Adimonia Capreae L. (subgenus Lochmaea Weise).
Linn. Syst. Nat. ed. X. 1758 n° 376; Oliv. Ent. VI. p. 638
t. 1 f. 4 a—b; Joan. Mon. p. 78.
Syn. À. femoralis Melsh. Proc. Ac. Phil. IM. p. 161.
» griseo-nitida De Geer, Mem. V. 325.
Grootte 5,5 mill.
Kop klein, zwart even als de onderzijde en de dijen. Halsschild
en dekschilden, benevens de vier eerste sprietenleden vuilgeel;
halsschild met vier zwart gevlekte ronde groeven, twee in het
midden en ter wederzijde nog een; schildje zwart; dekschilden
zwak bestippeld, naad en schouderbuil dikwijls zwart of bruin
gevlekt.
In geheel Europa, ook in Nederland, gemeen , vooral op wilgen
(Saha capraca).
Genus II. GALERUCA Geoffr.
Van yalegos (tranquillus).
Geoffr. Hist. Ins. I. 251 (1762); Redt. Hn. austr. ed. INI. p. 488;
Joan. Mon. p. 80.
Syn. Galerucella Crotch, Proc. de. Phil. 1873. p. 55.
Sprieten voor de oogen ingeplant, met sprietenholten die elkaar
raken. Halsschild tweemaal breeder dan lang, met eene groef ter
weerszijde. Dekschilden bijna parallel, zonder kielen en duidelijk
zijdeachtig behaard.
bo
INLANDSCHE GALERUCINEN. 235
Tabel der soorten.
Dekschilden aan den naad stomp of
afgerond .
Dekschilden aan den naad in een
tand;e verlengd
Bestippeling zeer fijn, bijna onzicht-
baar op halsschild en dekschilden .
Bestippeling duidelijk
Kop boven den wortel der sprieten
met twee zwarte glanzende ver-
hevenheden .
Kop zonder verhevenheden.
Halsschild zonder glans, even dicht
als de dekschilden behaard, overal
duidelijk bestippeld
Halsschild glanzend, bijna kaal, slechts
in de groef ter weerszijde bestippeld.
Dekschilden bruingeel , schouderbuilen
bruinzwart, gewoonlijk ook met
zwarte langsstreep; achter-zijhoeken
van het halsschild niet voorspringend.
Dekschilden roodgeel, meestal een-
kleurig, gewoonlijk met lichteren
zijrand, zelden met zwarte schouder-
vlek of met eene korte zwarte zij-
streep; achter-zijhoeken van het
halsschild duidelijk als een tandje
voorspringend .
Achterhoeken van het halsschild weinig
uitstekend, dijen aan den wortel
veel donkerder gekleurd.
Achterhoeken van het halsschild sterk
uitstekend; dijen weinig of niet
donkerder gekleurd aan den wortel .
. 4
1. Viburn Payk.
„18
. 2. vanthomelaena Schr.
. 3. lineola F.
4. calmariensis L.
. & tenella L.
5
. 6. Nymphaeae L.
©. aquatica Fourer.
236 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
1. Galeruca Viburni Payk. (subgenus Trirhabda Leconte).
Payk. Faun. suec. II. 1799. p. 89; Joan. Mon. p. 82 (genus Pyr-
rhalta Joan.).
De larve beschreven bij Kawall. Corresp. Bl. Nat. Ver. Riga,
1853—54. p. 60.
Grootte 5,5—6 mill.
Geheel grijsbruin, fijn behaard, ineengedrongen, soms met eene
zwarte streep op de dekschilden ; het schildje, eene vlek op den
schedel, de middellijn en de zijden van het halsschild, even als de
schouderbuilen zwartbruin. Dekschilden fijn lederachtig bestippeld ,
ter weerszijde een gedeelte van eene verheven rib aan het einde.
Overal verbreid, op den sneeuwbal (Viburnum opulus).
2. Galeruca xanthomelaena Schr.
Schrank, Enum. Ins. Austr. 1781. p. 78.
De larve bij Heeger, Sitzungsber. Wien. ac. 29. 1858. p. 100.
Syn. G. calmariensis Fabr. Syst. Ent. p. 119; Gyll. Ins. sueco
II. p. 518.
» G. Ulm Fourer. Ent. Par. I. 1785. p. 103.
» G. Crataegi Först. Joan. Mon. p. 84.
Grootte 5—7 mill.
Veel duidelijker dan de vorige bestippeld. Bleekgeel of geelbruin ;
boven den wortel der sprieten op den schedel eene glanzig zwarte
verhevenheid; drie vlekken op het halsschild, eene streep langs
den zijrand der dekschilden en meestal een kort streepje naast het
schildje zwart. Onderkant zwart; de dijen aan het einde zwart
gevlekt, overigens de pooten en de randen der buikringen geelbruin.
In geheel Europa schadelijk als larve aan de jonge olmen. In
Nederland alleen te St. Pieter door den heer Maurissen gevangen.
3. Galeruca lineola Fabr.
Fabr. Spec. Ins. 1781 p. 149; Oliv. Ext. VL. p. 644. t. 3É 52;
Joan. Mon. p. 84.
Syn. @. Capreae Herbst, Fuessl. Arch. IV. p. 66.
» G. grisea Alni 2, De Geer, Mem. Ins. V. p. 325.
Grootte 5,5—6 mill.
INLANDSOHE GATERUCINEN, 237
Duidelijk bestippeld, lichter of donkerder geelbruin. Kop zonder
zwarte verhevenheden; halsschild met zwarte vlek in het midden ;
schedel, schildje en schouderbuilen zwart; soms de dekschilden
met eene zwarte streep van den schouder uitgaande. Onderkant
zwart; uiteinde van den buik en pooten geheel geel.
Overal gemeen.
4. Galeruca calmariensis L.
Linn. Syst. Nat. ed. XII. 1767. p. 600; Joan. Mon. p. 91.
De larve bij Cornel. Stett Ent. Zeit. 1867. p. 213.
Syn. G. aquatica Müll. Zool. Dan. Prodr. 1776. p. 83.
» G. grisea Alni 3 De Geer, Mem. Ins. V. 1775. p. 325
19.2730.
» G. Lythri Gyll. Ins. Suec. II. p. 513.
Grootte 4,5—6 mill.
Deze en de volgende soorten onderscheiden zich van de drie
vorigen vooral doordat de uiteinden der dekschilden aan den naad
niet stomp zijn afgerond, maar als een scherp tandje uitsteken.
Helder of donker geelbruin, diep bestippeld. Dekschilden in de
stippen met een glanzend middelpunt; de schedel, de middellijn
van het halsschild en het schildje zwart. De dekschilden hebben
meestal eene zwarte streep ter weerszijde en eene bruine schouder-
buil. Achterhoeken van het halsschild niet voorspringend.
Gemeen, vooral op vochtige weiden aan de slootkanten.
3. Galeruca tenella L.
Linn. Faun. suec. ed. 2. 1761 p. 171; Joan. Mon. p. 93.
Syn. G. parva Herbst, Fuesst. Arch. IV. 1783. p. 66.
Grootte 3—3,5 mill.
Geheel gelijk de vorige, maar veel kleiner; de kleur is ge-
woonlijk helder geelbruin en de zijrand der dekschilden lichtgeel.
Achterhoeken van het halsschild duidelijk als een tandje vooruit-
springend.
lets zeldzamer dan de vorige, maar toch wijd verbreid.
6. Galeruca Nymphaeae L. |
Linn. Syst. Nat. ed. X. 1758. p. 376; Joan. Mon. p. 86.
938 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
Syn. @. luctuosa Mann. Bull. de Moscou 1852. II. p. 368.
Grootte 6,5— 7 mill.
Zwart, weinig gewelfd; halsschild geelbruin met drie zwarte
vlekken; mond, zijrand der dekschilden en pooten, behalve de
zwarte spits der dijen, geel; dekschilden bruinzwart, soms met
eene smalle gele streep, die van de schouderbuil naar beneden loopt.
Gemeen op Nymphaea aquatica.
#. Galeruca aquatica Fourer.
Fourer. Zus. Par. I. 1785. p. 103.
Syn. @. Sagittariae Gyll. Ins. suec. IN. p. 541; Crataegi Först.
var. Joan. Mon. p. 84.
Grootte 5—5,5 mill.
Gelijkt veel op de vorige, zoodat Gemminger en Harold haar als
varieteit van Nymphaeae beschouwen; maar zij is constant veel
kleiner; de kleur is veel lichter, nimmer zwartbruin, en de dijen
zijn bijna niet donkerder dan het overige gedeelte der pooten; zij
is bovendien veel sterker bestippeld. Vlekken op het halsschild
bijna niet donkerder. Achterhoeken van het halsschild veel duide-
lijker uitstekend dan bij Nymphaeae.
Even als de vorige verbreid, op waterplanten.
Genus III. AGELASTICA Redt.
Van dysAaozıxds (congregatim).
Redt. Faun. aust. 1. 1849. p. 525; Bach, Faun. Prus. UI. 133;
Joan. Mon. p. 107.
Vorm in het algemeen als bij Adimonia. Halsschild tweemaal
breeder dan lang, van voren uitgesneden. Dekschilden sterk naar
het einde verbreed, zonder kielen. Lichaam glanzend, onbehaard.
Twee soorten.
Halsschild en dekschilden eenkleurig . 4. 4/m L.
Halsschild geel; dekschilden groen . . 2. Halensis L.
1. Agelastica Alni L.
Linn. Syst. Nat. ed. X. p. 369; Oliv. Ext. VI. p. 638. t.
1 f. 8; Joan. Mon. p. 108. |
INLANDSCHE GALERUCINEN. 239
Syn. A. violacea Laich. Vere. Tyrol. Ins, I. 1781. p. 193.
Grootte 6—7 mill.
Geheel licht of donker violet-blauw, in vorm veel gelijkend op
eene Adimonia, Pooten, behalve de violette dijen, zwart. Dek-
schilden en halsschild zeer fijn bestippeld.
Overal gemeen en schadelijk aan de elzen (het Elzenhaantje).
2. Agelastica Halensis L. (genus Agelasa Mots.).
Linn. Syst. Nat. ed. XII. p. 589; Joan. Mon. p. 109.
Syn. A. nigricornis Fabr. Syst. Ent. 1775. p. 119; Oliv. Ext. VI.
PRO. tod Mar Te
» A. viridis Fourer. Ent. Par. 1. 1785. p. 104.
Grootte 5—6 mill.
Kop geel, met eene blauwe vlek op den schedel; sprieten zwart.
Halsschild geel; schildje zwart; dekschilden heldergroen, blin-
kend, duidelijk verbreid bestippeld. Onderkant en pooten geel;
tarsen bruin.
Vrij gemeen, vooral in de duinen, op Senecio Jacobeae.
Genus IV. PHYLLOBROTICA Redt.
Van ovllor (folia) en Pgwruxós (devorans).
Redt. Faun. austr. 1. 1849. p. 525; Bach |. c. p. 134; Joan.
Mon. 140.
Sprieten draadvormig, langer dan de helft des lichaams; het
derde lid langer dan het tweede en korter dan het vierde. Kop
bijna zoo breed als het halsschild. Halsschild de helft breeder dan
lang. Dekschilden breeder dan het halsschild, niet sterker naar
achteren verbreed. Pooten eenvoudig.
Twee soorten.
Dekschilden geel, ieder met twee zwarte
vlekken; kop geel met zwarten schedel . Ee quadrimaculata L.
Dekschilden geel, alleen aan het einde
zwart gevlekt; kop geheel geel . . . . 2. * adusta Creutz,
240 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
4. Phyllobrotica quadrimaculata L.
Linn. Syst. Nat. ed. X. 1758. p. 376; Fahr. Gen. Ins. Mant.
p- 220; Joan. Mon. p. 111.
Syn. Ph. bimaculata Fabr. Ent. Syst. IV. p. 54.
Grootte 6 mill.
Geel; kop zwart; dekschilden zeer fijn bestippeld, ieder met
twee zwarte vlekken, de eene nabij het schildje en de andere bij
het uiteinde. Pooten geel. Onderkant zwart, behalve het proster-
num, dat geel is.
Gemeen op Mentha. Bij Vianen, 6 (Ev.); Rotterdam (Sn.);
Breda, 7 (Heyl.); den Haag, 7 (Hait.); Leiden (v. ee Utrecht
(Six); Venlo (v. d. Brandt).
In geheel Europa verbreid.
2. * Phyllobrotica adusta Creutz.
Creutz, Ent. Vers. ATTI. p. 124. t. 2. £ 240; Joan. Mon.
p. 113.
Grootte 5,5 mill.
Bruingeel. Sprieten zwart, de vier eerste leden geel. Schildje
zwart. Dekschilden met eene ovale zwarte vlek aan het uiteinde,
die noch den naad noch het uiteinde raakt. Onderkant zwart,
behalve het prosternum , dat geel is. Voorpooten geel met donkerder
dijen; achterpooten geheel zwart. Dekschilden zeer zwak bestippeld.
In Duitschland op verschillende plaatsen. Zou mogelijk in het
oosten van Nederland kunnen voorkomen.
Genus V. LUPERUS Geoffr.
Van Aunegos (tristis).
Geoffr. Zus. 1762. p. 230; Redt. Faun. austr. ed. III. p. 492;
Joan. Mon. p. 115.
Sprieten draadvormig, bijna even lang als het lichaam bij de
wijfjes, bij de mannetjes nog langer. Kop vooruitstekend, met de
oogen gewoonlijk even breed als het halsschild. Halsschild meestal
breeder dan lang, soms vierkant. Dekschilden breeder dan het
halsschild, tweemaal langer dan breed, afzonderlijk afgerond. Pooten
eenvoudig; tarsen met een scherpen tand tusschen de eindklauwen.
INLANDSCHE GALERUCINEN, 241
Tabel der soorten.
4. Tweede en derde sprietenlid even lang. 2,
Tweede sprietenlid veel korter dan
kebmderden me CA „ln
2. Dekschilden geel, zwart gerand . , 1. nigrofasciatus Goeze.
Dekschilden zwart; halschild meer of
minder bruinrood. . . . . . 2. pimicola Dfts.
3. Pooten geheel geel; dekschilden zwart. 3.* zanthopoda Schr.
Dijen gedeeltelijk zwart gevlekt . . 4.
4. Halsschild en dekschilden zwart . . 4. rufipes Scop.
Halsschild bruin of geel; dekschilden
EN AM PATEL el alt en - ee
5. Halsschild in beide sexen heldergeel ;
dekschilden zwart. . . . . . 5. flavipes L.
Halsschild bij het d bruinzwart, bij
het g bruingeel; dekschilden zwart . 6.* ziger Goeze.
a). Subgenus Calomierus.
4. Luperus nigrofasciatus Goeze.
Goeze, Ent. Beytr. I. 1777. p. 312.
Syn. Z. Brassicae, Panz. l'aun. Germ. 21. 18.
» L. circumfusus, Marsh. Ent. Brit. 1802. p. 227; Joan.
Mon. p. 118.
Grootte 3,5—-4 mill.
Bovenzijde bleekgeel. Kop, achterrand van het halsschild, de
naad op de dekschilden even als de zijrand, sprieten, onderkant
en pooten zwart; sprietwortel en schenen geelbruin.
Verbreid, op Genista sagittaria en tinctoria. In Nederland ge-
vangen bij Bunde, 7 (Maur.) en Goor (Haytink).
2. Luperus pinicola Dfts.
Dfts. Faun. Austr. II. 1825. p. 234; Joan. Mon. p. 126.
Grootte 4 mill.
Zwart of bruinzwart, zeer fijn bestippeld, onbehaard. Spriet-
wortel, uiteinde der dijen, schenen en tarsen geelbruin. Halsschild
gewoonlijk geelbruin, met eene zwarte vlek aan den voorrand.
16
242 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
Verbreid. In Nederland waargenomen te Maastricht (Maur.);
Enschede, 6 (Weytl. en Leesb.) !).
6). Subgenus Zuperus in specie.
3. * Luperus xanthopoda Schr.
Schrank, Erum. Ins. Austr. 1781. p. 93.
Syn. L. rufipes, Fabr. Mant. I. 1787 p. 89; Joan. Mon. p. 141.
Grootte 3—3,5 mm.
Zwart, glanzend. Dekschilden zeer fijn bestippeld. Eerste sprie-
tenleden en pooten geheel geel. Veel breeder en plomper dan
de volgende soorten.
Overal verbreid, maar nog niet in Nederland waargenomen.
Leeft op Acer campestre (Bach). |
4. Luperus rufipes Scop.
Scop. Ent. carn. 1763. p. 73.
Syn. 2. longicornis, Fabr. Mant. I. p. 40.
» L. betulinus, Joan. Mon. p. 143.
Grootte 3—4,5 mill.
Zwart, glanzend. Veel smaller dan de vorige, vooral het 4,
dat den naam l/ongicornis met eere draagt; de sprieten toch zijn
langer dan het geheele lichaam, bij het 2 veel korter. Bestippe-
ling zeer zwak. Dijen alleen aan den wortel zwart gevlekt, overi-
gens de pooten en sprieten geel.
Verbreid in Nederland op berken en andere lage boomgewassen.
5. Luperus flavipes L.
Linn. Syst. Nat. ed. XII. p. 601; v. Kiesenwetter, Berl. Ent.
Zeitschr. 1873. p. 29; Joan. Mon. p. 144.
Grootte 3—4,5 mill.
Zwart, glanzend; wortel der sprieten, halsschild en pooten
geel; wortel der dijen zwart. Halsschild onbestippeld; dekschilden
1) L. zanthopus Dfts., in de Lijst van Dr. Everts vermeld als gevangen te
Maarsbergen (Sn.), is waarschijnlijk Z. wanthopoda Schr., hoewel ik de insecten
niet. zag. De opgegeven exemplaren van den heer Maurissen (Maastricht) zijn
gebleken te zijn L. pinicola Dfts,
INLANDSCHR GALERUOINEN. 243
zeer fijn bestippeld. De sprieten van het 4 zijn even lang als bij
rufipes Scop. en veel langer dan bij het g.
Overal verbreid op berken en elzen. In Nederland in de oostelijke
provincien.
6. * Luperus niger Goeze.
Goeze, Ent. Beytr. I. 1777. p. 324; v. Kiesenw. Berl. Ent.
Zeitschr. 1873. p. 27.
Syn. Z. dispar, Redt. Faun. austr. ed. 3. II. p. 492.
Dy di. rufipes, Goeze, d, l.c. pi 322.
Grootte 3,5 mill.
Gelijkt veel op de vorige, maar het halsschild is nimmer helder-
geel, veelal bruin- of vuilgeel. Bestippeling op de dekschilden veel
duidelijker dan bij flavipes.
Volgens v. Kiesenwetter I. c. zou het d een zwart halsschild
bezitten. Dit blijkt echter noch uit de beschrijving van Redten-
bacher I. c. noch uit de exemplaren, die ik zag en welke allen
een vuilgeel halsschild vertoonen.
Komt in geheel Midden-Europa, hoewel zeldzaam, voor. In
Nederland nog niet waargenomen.
Naschrift. Het is mij aangenaam thans, naar aanleiding van
de noot, op blz. 170, deel XXV van dit Tijdschrift voorkomende,
te kunnen mededeelen, dat het exemplaar, door den heer Hey-
laerts bij Bergen op Zoom gevangen, na onderzoek is gebleken
juist gedetermineerd te zijn, zoodat wij Longitarsis patruelis All.
inlandsch bezitten. Die soort wordt thans beschouwd als eene
varieteit van J. lateralis Il, gelijk ik toen reeds vermoedde,
De drukfout: » Z. lateralis type leeft in Zuidholland» voor
«in Zuid-Europa» worde tevens hiermede hersteld.
BOEKAANKONDIGING,
LEPIDOPTEREN VON MADAGASCAR. Neue und wenig
bekannte Arten zumeist aus der Sammlung der Senc-
kenbergsche naturforschenden Gesellschaft zu Frankfurt
am Main, herausgegeben im Auftrage der Gesellschaft
von M. SAALMÜLLER. Erste Abtheilung, Rhopalocera ,
Heterocera: Sphinges et Bombyces; mit 7 chromolitho-
graphischen Tafeln. Mai 1884. Frankfurt am Main. Im
Selbstverlage der Gesellschaft. 40. p. 1— 246.
In den Indischen Oceaan, op korten afstand van het vasteland
van Afrika, bevindt zich het tot dat werelddeel gerekende groote
eiland Madagascar. Hoewel sedert lang ontdekt en juist niet uit
den weg lisgende, daarbij vruchtbaar en vrij wel bevolkt, waren
zijne voortbrengselen en wel met name de Lepidoptera, tot dusverre
weinig bekend. De oudere, voorname plaatwerken over de exotische
soorten van die orde (ik bedoel die van Cramer, Drury en Stoll)
stellen slechts enkele soorten van daar voor; hetzelfde is het geval
met de beide plaatwerken, die Hübner over exotische vlinders
uitgaf, en eerst in 1833 zag het werkje van Boisduval over de Faune
Entomologique de Madagascar, Bourbon et Maurice, Lépidoptères,
het licht. Daarop volgen, na een ruim dertigjarigen stilstand , de
werken van Vinson, Voyage à Madagascar (1865) en van Pollen
en van Dam, Recherches sur la Faune de Madagascar, Insectes
par Snellen van Vollenhoven et Sélys-Longchamps (1869). Eindelijk ,
toen Madagascar meer bezocht werd, verschenen, vooral in de
Comptes-rendus des Séances de la Société Entomologique Belge
1877, 1880, 1881 en in de Annales de la Société Entomologique
de France van 1877, 1878, 1879 door P. Mabille, zoo mede in
de Annals and Magazine of Natural History 1876, 1878, 1879 en
1880 door A. G. Butler en nog door anderen, eene menigte
BORKAANKONDIGING. 245
artikelen, behalve in de genoemde verstrooid in allerlei Tijdschriften,
in welke artikelen een aanzienlijk getal nieuwe Madagascaarsche
Lepidoptera worden bekend gemaakt. Of de wetenschap wel veel
heeft aan zulke stuksgewijze publicatien waarin, hoofdzakelijk met
het doel om toch maar veel «mihi’s» te maken, meest op eene
vluchtige en onsamenhangende wijze, zonder afbeeldingen een
stortvloed van beschrijvingen ons overstroomt, betwijfel ik zeer.
Naar mijn inzien — en ik mag mij hierin op het gevoelen van
een aantal der meest bevoegde Entomologen beroepen — is zulk
eene wijze van publiceeren van nieuwe soorten eer schadelijk dan
voordeelig en is het een volstrekt vereischte, dat zelfs zeer nauw-
keurige beschrijvingen van nieuwe insecten-soorten door goede af-
beeldingen worden vergezeld, vooral bij de exotische Lepidoptera,
waar, in vele familien, het aantal nietswaardige genera legio kan
heeten en dus eene bloote verwijzing daarnaar volstrekt niet baat.
Verder moet ik publicatien in de zoogenaamde kleine tijdschriften,
waarin ook al Lepidoptera van Madagascar werden beschreven, bij
den overvloed van notabele wetenschappelijke organen, bepaald
afkeuren en zou ik het, met den heer Butler, niet kwalijk kunnen
nemen, wanneer beschrij vingen in zulke blaadjes werden geïgnoreerd.
Komt er aan dergelijke kinderachtigheden geen eind, dan loopen
wij nog gevaar van nieuwe soorten beschreven te zien in dag- of
advertentie-bladen, eindelijk op aanplakbiljetten en de achterzijde
van tooneel-affiches, ten slotte op sigarenzakjes. Dat slag van blaadjes
kon worden gereserveerd voor mededeelingen als b.v. dat Pieris
Brassicae ook bij A of B in Europa «zeer gemeen» is, voor op-
gaven der vangsten van gewone soorten in welbekende streken van
ons werelddeel, die niemand meer belang inboezemen dan den
verzamelaar zelf, voor aanbod of vraag tot ruilen, enz.
De ontvangst van belangrijke toezendingen van Madagascaarsche
Lepidopteren te Frankfort a/M., aan de Senckenbergische natur-
forschende Gesellschaft aldaar, gaf den heer M. Saalmüller aan-
leiding om, na een paar voorloopige artikelen in de Stett. Ent.
Zeitung en de Berichte der Senckenbergische Gesellschaft, eene
andere, meer degelijke bewerking der Lepidoptera van het ge-
246 BOEKAANKONDIGING.
noemde eiland ter hand te nemen, In plaats van op «mihi’s »
jacht te maken, ondernam hij zonder overhaasting een werk, waarin
wel de voor de wetenschap nieuwe soorten zouden worden be-
schreven, maar ook de overige reeds bekend gemaakte Lepidoptera
van Madagascar, voor zoover zij den heer S. in handen waren
gekomen, worden behandeld. Van dat werk ligt de eerste afdeeling,
die onder den aan het hoofd dezes vermelden titel in Mei 1884
verscheen, door de welwillendheid des Auteurs voor mij. Het is
voor mij eene aangename taak, dit werk bij de lezers van ons
Tijdschrift aan te kondigen, want het boek draagt den stempel van
een streven naar degelijkheid, die niet anders dan een gunstigen
indruk kan maken en de overtuiging bij mij heeft gevestigd, dat
dit werk, resumeerende wat tot op het tijdstip der verschijning
over de Vlinders van Madagascar werd bekend gemaakt, voor het
vervolg ook het uitgangspunt moet zijn van verder onderzoek op
dat gebied.
Na eene uitvoerige schildering van het eiland met zijne dieren
en gewassen (p. 3—20), volgt eene opnoeming der werken en
tijdschriftartikelen, waarin iets over de Lepidoptera van Madagascar
en omliggende landstreken of eilanden voorkomt. Deze lijst is uit-
voerig en vrij volledig. Alleen hadden, nu de heer Saalmüller
zijne taak zoo breed heeft opgevat, nog de volgende geschriften
kunnen worden vermeld, daar toch de auteurs bij verschillende
Lepidoptera worden genoemd.
Bertoloni, Illustrazioni dei prodotti natur. del Mozambico. 1851.
Zeller, Microptera Caffraria. 1852.
Wallengrén, Kafferlandets Dagfjärilar. 1857.
» » _ Heterocerfjärilar. 1859.
» Bidrag till södra Africa’s Fjäril-Fauna. 1872.
» Insecta Transvaalensia. 1876.
De vier laatsten in de Verhandelingen der Kon. Zweedsche Acad.
v. Wetenschappen.
Vervolgens komt de opsomming der tot heden op Madagascar —
en op de omliggende kleine eilanden — waargenomen Lepidoptera.
Dit laatste mag wel worden in acht genomen en had op den
BODKAANKONDIGING. 247
titel dienen te worden vermeld. Nu loopt de nummering der
soorten door, maar het ware beter geweest de nog niet op Mada-
gascar gevondene niet van doorloopende nummers te voorzien.
Gaarne had ik ook zien opgegeven , welk systeem bij de rangschik-
king is gevolgd. Om niet wijdloopig te worden, zal ik geen oordeel
over het aangenomene vellen, doch merk alleen op, dat het genus
Problepsis Lederer (Argyris Guen, Caloptera H.S.) in geen geval
anders dan tot de Geometra kan worden gerekend. Hier is het
op p. 218 bij de Drepanulidae gevoegd.
_ Zeer noodig ware het ook geweest, Walker’s genera en soorten
allen op nieuw of beter gezegd, voor het eerst juist, te karak-
teriseeren. Neemt men eenige notitie van dezen Schrijver, dan dient
men ook de noodige verbeteringen in zijn werk aan te brengen. Het
kan ook niet overbodig worden geacht, om al de beschrijvingen van
nieuwe soorten uit de Petites Nouvelles Entomologiques en le Natura-
liste over te nemen. Vele reeds bekende soorten worden overigens
hier op nieuw uitvoerig beschreven en ook afgebeeld, wat uitmuntend
is. Hoogst nuttig, ja onmisbaar, doch te kostbaar ware de afbeel-
ding geweest van alle soorten, waarvan tot dusverre alleen eene
beschrijving bestaat. Daarentegen had iets, wat nu slechts hier en
daar is verricht, wel overal kunnen plaats hebben, namelijk de
opgave der kenmerken, waardoor de insulaire soorten zich van
naverwante van het vasteland van Afrika of Azie onderscheiden ,
b. v. wat betreft het verschil tusschen Papilio Oribazus en Nireus,
tusschen Pap. Phorbanta en Tynderaeus enz. Hetzelfde had ook bij
de hier voor het eerst beschreven soorten dienen te geschieden.
Het karakter der Fauna van Madagascar en omliggende eilanden
is bepaald Afrikaansch. Onder de soorten van. Papilio is geene
Aziatische, onder de Pieriden zijn er slechts enkele. Van de vele
Aziatische soorten van Danais is alleen de wijdverbreide Chrysippus
L. gevonden, van Æuploea slechts de niet in Azie voorkomende
Euphon Fabr. en Goudotii B.— Twee en twintig soorten van deraea
worden opgenoemd — geene daarvan is Aziatisch. Onder de
Nymphalina , Satyrina en Lycaenina zijn ook slechts enkele
Aziatische. Hetzelfde is het geval met de Hesperidina, waar ik
248 BOEKAANKONDIGING.
tot mijne verwondering de wijdverbreide Pamphila Mathias F.
(Thrax Led., non Linn.) mis. — Cyclopides Leucopyga Mabille be-
hoort niet tot dat genus en is een synoniem mijner Goniloba
Cretacea van Neder-Guinea, Tijds. v Ent. XV (1872) p. 27, pl. 2
fig. 4—6.
Ten opzichte der Heterocera zal ik mij van vergelijkingen ont-
houden, om niet te uitvoerig te worden.
De bij de platen aangewende kleurendruk heeft alleen voor
de grootere, bonte soorten tot voldoenden uitslag geleid, niet bij
de kleinere, waarvoor ook vergroote afbeeldingen beter zouden
zijn geweest.
Niet eens ben ik het met den Schrijver, wanneer hij zegt dat
men zonder bezwaar dezelfde generieke namen in de Zoologie en
Botanie kan gebruiken, en ook niet dat deze zienswijze eene alge-
meene is of zal worden. Zij kan niet anders dan tot schromelijke
verwarringen leiden.
Met den wensch dat het eerste deel van dit belangrijke werk
spoedig door het tweede moge worden gevolgd, besluit ik deze
aankondiging.
Rotterdam ,
October 1884.
P. C. T. SNELLEN.
COLE O Pen Rea,
DOOR
Dr. H. TEN KATE jr.
IN
NOORDELIJK LAPLAND AANGETROFFEN.
Onze landgenoot Dr. H. ten Kate jr., die in gezelschap van Prins
Roland Bonaparte dezen zomer eene reis naar Lapland ondernam,
deed mij de vriendelijke belofte, dat ook de entomologie zooveel
doenlijk door hem zou behartigd worden.
Daar bij de afreis het jaargetijde reeds vrij ver gevorderd was en
bovendien de jacht op insecten slechts zeer ter loops kon plaats
hebben, waren de voorwaarden voor een rijken buit geenszins
gunstig te noemen. Niettemin werd mijne verwachting overtroffen ,
en is het mij een genoegen, eene opgave van de medegebrachte
Coleoptera in dit Tijdschrift te plaatsen.
De voorwerpen werden grootendeels gevonden onder steenen en
mos, langs beken. De tijd voor op planten levende soorten was
reeds voorbij, daar ook de vegetatie schraal geworden was. Trouwens
uit de hoog noordelijke streken is wel het meest te verwachten van
hetgeen onder steenen en mos voorkomt. ‘
De Coleoptera bestonden in de navolgende soorten:
Nebria Gyllenhali Schh., met de varieteiten arctica Dej., Balbi
Bon. en Besser: Fisch. ; verscheidene typische exem-
plaren, de varieteiten in één exemplaar.
Pelophila borealis Payk., 2 exemplaren.
Notiophilus aquaticus L., één exemplaar.
250 COLEOPTERA VAN NOORDELIJK LAPLAND.
Patrobus excavatus Payk., verscheidene exemplaren.
» septentrionis Dej., idem.
Amara (Cyrtonotus) alpina Fabr., 3 exemplaren.
Calathus melanocephalus L., in verscheidene exemplaren, met
de var. »ubigena Hal.
Quedius attenuatus Gyll., 2 exemplaren.
Philonthus sordidus Grav., een enkel exemplaar.
Lathrobium fulvipenne Grav., idem.
Cryptohypnus riparius Fabr., eenige exemplaren.
» rivularıs Gyll., verscheidene exemplaren , waaronder
een met het rechter dekschild rood en het linker
zwartbruin.
Otiorhynchus blandus Schönh., in verscheidene exemplaren.
Bij de vermelding van deze uit het hooge noorden afkomstige
soorten, kan ik de klacht niet onderdrukken, dat de jaarlijksche
tochten van de « Willem Barendtz » tot dusver zoo weinig vruchtbaar
voor de entomologie zijn geweest. Ik blijf echter de hoop voeden, dat
een volgende toch ook in die richting eenige bijdragen zal opleveren.
November 1884. Ep. EVERTS.
SP SENDEN,
Dr. H. TEN KATE jr.
IN
NOORDELIJK LAPLAND VERZAMELD.
In aansluiting aan de vorenstaande lijst van Coleoptera, laat ik
hier eene opgave volgen van de Spinnen, door onzen veelbelovenden
reiziger van zijn’ tocht naar Lapland medegebracht.
Ar
ane
4°.
DE
Drie exemplaren van Zycosa amentata Clk., waaronder een
d imm. Zij schijnen mij groote toenadering tot L. Groenlandica
Thor. te vertoonen.
. Een vrouwelijk exemplaar van Lycosa monticola G. Koch, met
een meer donker geteekend abdomen. Is misschien te brengen
tot Z. glacialis Thor.
Neriene rufa Wid. (?), in verscheidene, alle niet geheel vol-
wassen vrouwelijke exemplaren. Deze Micryphantide komt mij
voor, zeer nabij te staan, of wellicht overeen te komen met
Erigone frigida Thor.
Neriene atra Blackw. = Erigone vagabunda Westr. Slechts één
d specimen, hetgeen mogelijk, als eenigszins gewijzigd, tot
Erigone Holmgrenii Thor. nadert. Is waarschijnlijk ook weinig
verschillend van Micryphantes arcticus White.
Neriene longipalpis Sund. Een zeer fraai en groot d, dat in
meer dan één opzicht analogie vertoont met Erigone psychro-
phila van Thorell, en gelijkluidend, doch later, dus benoemd
door Cambridge.
252
6°.
zi
SPINNEN VAN NOORDELIJK LAPLAND.
Een mij volkomen onbekend, zeer klein, Oonops-achtig , vol-
wassen vrouwelijk spinnetje. Het behoort echter niet tot ge-
noemd geslacht, als zijnde geene senoculina. Den oogenstand ,
die trouwens moeielijk is te zien (als zijnde het voorwerp
juist alleen in parte frontali beschadigd) zal ik zoo goed mogelijk
omschrijven.
Diagnosis. Gephalothorace et abdomine ovatis, am-
bobus, ut et sterno, palpis et pedibus, in spiritu, coloris toti
albo-straminei. Cephalothorace leviter nigro-marginato, ab-
domine supra et subter, ut et sterno, brevi nigro-piloso.
Oculis parvis, quatuor medianis in parallelogrammo , postice
aliquot latiori, ceterum sed parum longiore quam latiori; duobus
lateralibus (utrinque) contiguis, amtrorsum obliquis, in medio
positis inter medianos posticos et anticos. Palpis ordina-
rijs, sat longis. Mandibulis subconicis, relative perlongis
et validis, ut et uncis, subfusco-rubris. Sterno cordiformi
triquetro, cum toto cephalothorace subnitido. Pedibus, 4,1,
2, 3, modice longis et validis, parum pilosis. Mamillis valde
brevibus, subfuscis. Vulva rotundata, margine anteriori
infuscato, ante hunc utrinque striolà obliquà nigricante notatà.
Vier exemplaren van eene en dezelfde Opilionide, welwillend
door mijn hooggeachten vriend Eug. Simon als Oligolophus
alpinus Herbst bestemd.
November 1884. Dr. A. W. M. van HASSELT.
BIJDRAGE TOT DE KENNIS
DER
COLEOPTEREN-FAUNA
van het eiland SALEIJER en van het naburige
eilandje POELOE-KATELA.
MEDEGEDEELD DOOR
C. RITSEMA Cz.
In de maand Juli 1882 werden door den heer H. E. D.
Engelhard, Controleur Aste klasse bij het Binnenlandsch Bestuur
buiten Java en Madoera, drie stopflesschen met insecten op
spiritus (voornamelijk Coleoptera), door hem zelven op bovenge-
noemde eilanden verzameld, aan ’s Rijks Museum van natuurlijke
historie te Leiden toegezonden, met verzoek eene systematische
naamlijst van de Coleoptera op te maken, tevens verlof gevende
om alles wat voor het Museum van belang zou blijken te zijn,
voor deze instelling te behouden. Aan het verzoek van den heer
Engelhard werd voldaan, en van het gegeven verlof gebruik
gemaakt.
In het 8ste deel der 4de serie van de «Bijdragen tot de Taal-,
Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indie, » p. 263 en volgg.,
geeft de heer E. « Mededeelingen over het eiland Saleijer » en
voegt op p. 492 en volgg. als Bijlage I de lijst der verzamelde
Coleoptera hieraan toe.
_ Daar men echter in genoemd tijdschrift wel geene onderwerpen
van entomologischen aard zoeken zal, achtte ik het niet van belang
ontbloot, deze lijst ook in het « Tijdschrift voor Entomologie »
op te nemen, te meer daar door den heer Engelhard niet vermeld
is, dat van alle soorten voorwerpen, en van de nieuwe soorten
254 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
en geslachten de typen, in het Leidsch Museum bewaard worden,
terwijl voorts de door mij in deze lijst vermelde citaten der
soorten, beschreven na de uitgave van den « Catalogus Coleopte-
rorum» van Gemminger en von Harold, zijn weggelaten, en er
in de Latijnsche namen enkele drukfouten waren overgebleven.
Ten slotte maak ik van deze gelegenheid gebruik, om de heeren
Oberthùr, Régimbart, de Marseul, Reitter, van Lansberge, Can-
deze, Gorham, Fairmaire, Pascoe en Jacoby dank te zeggen voor
de hulp, my by de bewerking van bovengenoemd materiaal
betoond.
In de lijst beteekent de letter S. dat de soort op het eiland
Saleijer, en de letters P. K. dat de soort op het eilandje Poeloe-
Katela gevangen is, terwijl de maanden waarin de vangst heeft
plaats gehad door cijfers achter deze letters zijn aangegeven.
CICINDELIDAE.
4. Cicindela decemguttata, Fabr. !) (een voorwerp met tamelijk
breede vlekken). S. 3.
2. Cicindela spec. (waarschijnlijk undulata Dej.). S. 1.
CARABICIDAE.
3. Planetes immaculatus, Schaum. S. 12.
4. Pheropsophus fuscicollis, Dej. (een zeer klein voorwerp). S. 11.
5. Styphromerus dichrous, Chaudoir. Ann. Soc. Ent. Belge. Tom.
XIX (1876). p. 92. S. 12. |
6. Plochionus pallens, Fabr. S.
7. Picrus (Pseudozaena) obscurus, Chaud. S. 11.
8. Dischissus longicornis, Schaum; Chaudoir, Ann. Soc. Ent.
Belge. Tom. XXI (1878). p. 153. S. 1.
9. Chlaenius leucops, Wied.; Chaudoir, Ann. Mus. Civ. di
Genova. Vol. VIII (1876). p. 71. S. 8.
10. Oödes spec. (verwant aan Siamensis Chaudoir, Ann. Soc. Ent.
France. 6me ser. tom. II (1882). p. 358, n°. 23. S.
1) Slechts bij die soorten, welke niet in den „Catalogus Coleopterorum” van
Gemminger en von Harold voorkomen, alsmede Thi enkele anderen waar ik dn
noodig achtte, zijn citaten gevoegd.
COLEOPTERA VAN SALEIJER EN POELOE-KATELA. 255
11. Hypharpax Celebensis, Chaudoir, Ann. Mus. Civ. di Genova. Vol.
XII (1878). p. 502. S. 12.
12. Genus (in de buurt van Anisodaetylus en Hypharpax) spec. S.
13. Platymetopus spec. (verwant aan Celebensis Chaud. in litt). S.
14. Colpodes spec. (verwant aan eene nog onbeschreven soort van
Nieuw-Guinea: Fly-river). S. 12.
DYTISCIDEA.
15. Hyphydrus xanthomelas, Regimbart. Ann. Soc. Ent. France.
= Sme ser. tom. VII (1877). p. Lxxx et p. 361. 8.712.
16. Laccophilus flexuosus, Aube. S. 12.
17. Cybister tripunctatus, Oliv. S. 11 en 1.
18. Eretes sticticus, Linn. S. 3.
19. Hydaticus Leander, Rossi, var. rufulus, Aubé; Regimbart,
Ann. Soc. Ent. France. 5me ser., tom. VII (1877). p. 348. S. 4.
20. Hydaticus pacificus, Aube var. S. 3.
HYDROPHILIDAE. 1)
21. Sternolophus spec. S. 1.
22. Philhydrus (div. Helochares) spec. S. 12 en 1.
23. Berosus spec. S. 12.
24. Cyclonotum spec. S. 12.
25. Sphaeridium spec. S.
26. » spec. S. 1 en 3.
27. » spec. S. 1 en 3.
HISTERIDAE.
28. Platysoma cribropygum, Marseul. S.
29. Epierus Beccarii, Marseul. Ann. Soc. Ent. France. 5me ser.,
tom. I (1871). p. 84. S. 9.
NITIDULIDAE.
30. Carpophilus foveicollis, Murray met varieteiten. S. 1.
31. » mutilatus, Erichs. S.
1) Daar de exotische vertegenwoordigers van deze familie door de entomologen
zeer stiefmoederlijk behandeld worden en nog geen specialen beoefenaar gevonden
hebben, heb ik mij tot het vermelden der geslachtsnamen moeten bepalen.
256 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
32. Cryptarcha Wallacei, Reitter. Verhandl. naturf. Vereines in
Brünn. Bd. XII (1875). p. 119. S. 14.
COLYDIDAE.
33. Trachypholis hispida, Weber. S. 1.
DERMESTIDAE.
34. Aethriostoma undulata, Motsch. S. 1.
LUCANIDAE.
(Lucanini).
35. Prosopocoelus nov. spec. 1) S. 1.
36. Figulus laticollis, Eschsch. S. 11 en 1.
(Passalini). i
37. Leptaulax dentatus, Weber. S. 12 en 1.
SCARABAEIDAE.
(Coprini).
38. Onthophagus Gestroi, Harold. Ann. Mus. Civ. di Genova.
Vol > (ler) 195 59 Sl en ©
39. » fraternus, Lansberge, ov. spec. Notes Leyden
Museum. Vol. V (1883). p. 42. S. 3.
40. » Saleyeri, Lansberge, ov. spec. Notes Leyden
Museum. Vol. V (1883). p. 64. S. 1.
44. Aphodius marginellus, Fabr. S. 11 en 1.
42. » urostigma, Harold. Berlin. Ent. Zeitschr. Bd. VI
(1862). p. 170, 403. — Midden-Sumatra. DI. IV,
atd. Oos Pe Se 4120
43. » spec. S. 14 en 12.
44. > spec. S. 12.
45. Phaeochrous emarginatus, Casteln. S. 11.
46. Bolboceras sulcicolle, Wied. S. 11 en 1.
(Melolonthini).
1) De soort is niet voldoende te beschrijven, daar het eenige exemplaar gen
weinig ontwikkeld mannetje is.
38, 39 en 40. In buffelmest aangetroffen (Engelhard).
AT.
48.
49.
50.
65.
66.
67:
COLEOPTERA VAN SALEIJER EN POELOL-KATELA. 257
Apogonia spec. S. 9 en 11.
» spec. S. 12 en 1.
Lachnosterna collaris, Lansberge im litt. S. 9, 10 en 11.
» spec. (aan de voorgaande soort verwant). S. 11,
(Rutelini).
Anomala dichropus, Blanch. S. 10, 11, 1 en 3.
» nov. spec. S. 9 en 11. :
» HOV. spec. S. 10 en 3.
» mov. spec. Ss 11.
Popilia vestita, Cand. met varieteiten. S. 11, 12 en 1.
Parastasia pileus, Voll. S. 10 en 1.
(Dynastini).
Dipelicus z0v. spec. S. 1 en 3.
» nov. spec. S. 11.
Oryctes rhinoceros, Linn. S. 10, 11, 12 en 1.
(Cetonini).
Macronota fraterna, Westw. S. 1.
Glyeyphana Saleyeri, Ritsema, ov. spec. > otes Leyden Museum.
Vol. VI (1884). p. 3. S. 11, 1 en 3.
Protaetia mandarinea, Weber. S. 9.
» pectoralis, Mohnike. Archiv für Naturgesch. Jahrg.
HD 309.57 9 ene 3.
» Engelhardi, Ritsema, wov. spec. Notes Leyden Museum.
Vol. VI (1884). p. 5. S. 11.
BUPRESTIDAE.
Chrysodema smaragdula, Oliv., Gory. S. 1.
Belionota scutellaris, Fabr. S. 11 en 1.
TRIXAGIDAE.
Drapetes spee. S. 12.
49. Leeft onder den grond en vliegt uit na het vallen van den eersten regen
van den west-moesson (Engelhard).
55. In rozen aangetroffen (Engelhard).
59. Doorboort de palmiet der klapperboomen zoodat deze afsterven (Engelhard).
61, 62, 63 en 64. Des avonds in de oksels der bladeren van maisplanten ge-
vonden (Engelhard).
17
258
68.
69.
70.
Ale
12.
73.
74.
BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
ELATERIDAE.
Alaus Engelhardi, Candeze, nov. spec. Notes Leyden Museum.
Vol. V (1883). p. 44. S. 4.
Megapenthes agriotides, Candèze, nov. spec. Notes Leyden
Museum. Vol. V (1883). p. 12. S. 11 en 12.
RHIPIDOCERIDAE.
Callirrhipis Dejeanii, Latr. S. 1.
MALACODERMIDAE.
(Lampyrini).
Eene fraai gekleurde larf, waarschijnlijk van eene Diaphanes-
soort. S. 1.
(Telephorini).
Telephorus Saleyeri, Gorham, zov. spec. Notes Leyden Museum.
Wols VE (ASS) jog Maule Seal
(Prionocerini).
Prionocerus coeruleipennis, Perty. S.
CLERIDAE.
Tenerus binotatus, Chevrl. var. S. 1.
APATIDAE.
Apate Lifuana, Montr. S. 11.
Xylopertha Nicobarica, Redtenb, S. 1.
Rhizopertha bifoveolata, Woll. S. 12.
TENEBRIONIDAE.
Notioscythis (ov. gen.) punctoseriata, Fairmaire, ov. spec.
Notes Leyden Museum. Vol. V (1883). p. 31. S. 12.
. Notocorax (Pseudoblaps) javanus, Wied. P. K. 11; S. 1.
Scleron denticolle, Fairm. Notes Leyden Museum. Vol. IV
(ASS pr ES os ibi n 19,
Scleroides (nov. gen.) pluricostatus, Fairmaire, nov. spec. Notes
Leyden Museum. Vol. V. (1883). p. 32. S. 8.
Brachyidium (zov. gen.) breviusculum, Fairmaire, zow. spec.
„Notes Leyden Museum. Vol. V. (1883). p. 3350S; Adsense
89.
84.
92.
95.
96.
QE
98.
99.
100.
COLEOPTERA VAN SALEIJER EN POELOE-KATELA. 259
Opatrum depressum, Fabr. P. K. 11; S. 11 en 12.
» acutangulum , Fairm. Notes Leyden Museum. Vol. IV
(1882). p. 220. S. 11. i
» moluccanum, Blanch. P.K.11; 8.8, 41 „12 en.
» mustelinum, Fairm. Notes Leyden Museum. Vol. IV
(4882). p. 224. P. K. 11; S. 9, 12 en 3.
Alphitophagus subfascia, Walk. S. 12.
Ceropria dolorosa, Fairmaire, zov. spec. Notes Leyden Museum.
Vol. V (1883). p. 34. S. 1.
Uloma spec. S. 11.
Dee SA
Alphitobius piceus, Oliv. S. 12 en 1.
Toxicum quadricorne, Fabr. S. 11.
» sumatrense, Fairm. Notes Leyden Museum. Vol. IV
(1882). p. 227. S. 11 en 12.
Derosphaerus interstitialis, Fairm. nov. spec. Notes Leyden
Museum. Vol. V (1883). p. 35. S. 10.
Lyprops forticornis, Fairmaire, ov. spec. Notes Leyden
Museum. Vol. V (1883). p. 35. S. 8.
Bradynocerus (wov. gen.) aulacopterus, Fairmaire, »ov. spec.
Notes Leyden Museum. Vol. V (1883). p. 36. P. K. 11;
Sl. |
Dietysus modestus, Fairmaire, ov. spec. Notes Leyden
Museum Vol. V (1883). p. 37. S. 12.
Strongylium erythrocephalum, Fabr. P. K. 11; S. 10,
44 en 1.
_CISTELIDAE.
Cistela densepunctata, Fairmaire, «ov. spec. Notes Leyden
Museum. Vol. V (1883). p. 38. S. 12.
MONOMMIDAE.
Monomma splendidulum, Fairmaire, nov. spec. Notes Leyden
Museum. Vol. V (1883). p. 39. S. 12.
83—86. Onder zand, steenen, hout en puin aangetroffen (Engelhard).
260
BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
LAGRIIDAE.
101. Nemostira crenatostriata, Fairmaire, zov. spec. Notes Leyden
Museum. Vol V (1883). p. 39. S. 12.
CANTHARIDAE.
102. Cissites testacea, Fabr. S. 1.
OEDEMERIDAE.
103. Ananca quadripunctulata, Fairmaire, zov. spec. Notes Leyden
Museum. Vol. V (1883). p. 40. S. 8.
CURCULIONIDAE.
104. Dyscheres (nov. gen.) agrestis, Pascoe, nov. spec. Notes
Leyden Museum. Vol. V (1883). p. 83. S. 4. ~
105. Celebia suturalis, Pascoe, nov. spec. Notes Leyden Museum.
Vol Vi (1esa). p. So 5. 1.
106. Coptorhynchus spec. S. 1.
107. Piezonotus diversus, Pascoe, nov. spec. Notes Leyden Museum.
Vol. V (1883). p. 87. S. 8, 11 en 12. |
108. » nov. spec., of groote varieteit van de voorgaande
soort. S. 1.
109. Phytoscaphus spec. S. 1.
110. Eugnathus spec. S. 12. |
111. Lixus Ritsemae, Pascoe, »ov. spec. Notes Leyden Museum.
Mobo (1855). m Sie Ss De 12 en il.
112. Cylas turcipennis, Schönh. S. 12.
113. Apion lethale, Pascoe, »ov. spec. Notes Leyden Museum.
Vol. V (1883). p. 88. S. 1 en 3.
114. Alcides spec. S. 1.
115. Camptorrhynus tibialis, Sparm. S. 12.
116. Baris virgata, Bohem. S. 9, 12, 1 en 3.
117. Rhynchophorus Schach, Fabr. S. 11.
dis: » spec. S. 11.
119. Sphenophorus spec. S. 1.
111. Voedt zich met jonge maisyruchten (Engelhard).
116. Leeft op inlandsche spinasie of bajem (Engelhard).
117 en 118. Voeden zich met het zoete sap der Arènboomen (Engelhard).
138.
139.
140.
COLEOPTERA VAN SALEIJER EN POELOB-KATBLA. 261
Calandra spec. S. 12.
» spec. S 12.
Cossonus canaliculatus, Fabr. S. 1.
SCOLYTIDAE.
Xyleborus Kraatzii, Eichhoff, var. Philippinensis, Eichhoff.
Ratio, descriptio, emendatio eorum Tomicinorum. p. 374;
n°. 45. S.
ANTHRIBIDAE.
Phloeobius longicornis, Fabr. S. 1.
» curtulus, Jekel a litt. S. 9.
BRUCHIDAE.
Spermophagus spec. S. 11
» spec. S. 12
» spec. S. 12
» spec. S. 12
» spec. S. 12
CERAMBYCIDAE.
(Cerambieini).
Stromatium laticolle, Pascoe. P. K. 11; S. 11.
Examnes idoneus, Pascoe. S. 1.
Ceresium spec. S. 8 en 12.
» spec. S. 8 en 1.
(Lamiini).
Pelargoderus alcanor, Newm. S. 1.
Monohammus fistulator, Germ. S. 1.
Coptops intermissa, Pascoe, »ov. spec. Notes Leyden Museum.
Mor ISS) Ep 89. 5.8.
Philicus (mov. gen.) dialloides, Pascoe, nov. spec. Notes Leyden
Museum. Vol. V (1883). p. 89. S. 12 en 1.
Praonetha uniformis, Pascoe. S. 1.
» torpida, Pascoe. S. 8.
131, 137 en 140. Leven in en ten koste van de bamboe en het minder deugd-
zame hout der inlandsche woningen (Engelhard),
262
141.
142.
149.
144.
145.
146.
147.
148.
149.
150.
151.
BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER
Micracantha insularis, Pascoe. S. 11 en 1.
» spec. S. 8.
» spec. S. 8.
Apomecyna histrio, Fabr. S. 1.
» tigrina, Thoms. S. 1.
CHRYSOMELIDAE.
(Criocerini).
Lema subcylindrica, Jacoby, wov. spec. met varieteit. Notes
Leyden Museum. Vol. V (1883). p. 197. S. 12.
» coromandeliana, Fabr. met varieteit. Notes Leyden
Museum. Vol. V (1883). p. 199. S. 1.
» quinqueplagiata, Jacoby, zov. spec. Notes Leyden
Museum. Vol. V (1883). p. 198. S. 1.
Crioceris impressa, Fabr. S. 11.
(Cryptocephalini).
Cryptocephalus quadriplagiatus, Jacoby, ov. spec. Notes
Leyden Museum. Vol. V (1883). p. 199. S. 1.
(Eumolpini).
Iphimoides (nov. gen.) celebensis, Jacoby, nov. spec. Notes
Leyden Museun. Vol. V (1883). p. 200, 201. S. 11,
A em dl
Scelodonta granulosa, Baly. S. 12 en 1.
Rhyparida limbata, Baly, varieteit. S. 12.
Colasposoma mutabile, Baly, met varieteiten. S. 11 en 1.
(Chrysomelini).
Phyllocharis cyanipes, Baly. S. 7.
(Haltieini).
Graptodera spec. S. 1.
(Galerucini).
Aulacophora melanoptera , Boisd. S. 3.
» unicolor, Jacoby, zov. spec. Notes Leyden Museum.
Vol. V. (1883). pO IS sen ns
155. Leeft op lelien en dergelijke bloemen en verwoest ze geheel en al
(Engelhard).
doge
168.
469.
170.
171.
172.
173.
174.
175.
COLEOPTERA VAN SALELJER EN PORLOE-KATELA. 263
. Aulacophora flavomarginata, Duvivier, zov. spec. Notes Leyden
Museum. Vol. VI (1884). p. 119. — ? Marginata, Chapuis.
Jacoby, Notes Leyden Museum. Vol. V (1883). p. 202. S.
12 en 1.
. Rhaphidopalpa flavipes, Jacoby, ov. spec. Notes Leyden
Museum. Vol. V (1883). p. 202. S. 1.
Luperodes? spec. S. 1.
Emathea spec. S. 12.
. Ochralea flava, Oliv. S. 3.
(Cassidini).
. Aspidomorpha miliaris, Fabr. S. 8 en 3.
» spec. S. 1.
Coptocycla catenata, Bohem. S. 1 en 3.
LANGURIIDAE.
Languria spec. S. 12 en 4.
EROTYLIDAE.
Episcaphula difficilis, Gorham. Proceed. Zool. Soc. London.
1883. p. 82, n°. 16; Notes Leyden Museum.
Vol. V (1883). p. 254. S. 8.
» tetrasticta, Gorham, zov. spec. Notes Leyden
Museum. Vol. V (1883). p. 253. S. 1.
» nov. spec. Gorham, Notes Leyden Museum.
Vol. V (1883). p. 254. S. 12.
Episcapha quadrimacula, Wied. S. 1 en 3.
Tritomidea oblonga, Motsch. S. 1. i
ENDOMYCHIDAE.
Ancylopus melanocephalus, Oliv. S. 8 en 12.
COCCINELLIDAE.
Chilomenes sexmaculata, Fabr. S. 12 en 1.
Psyllobora (Thea) cincta, Fabre Ss: 4.
167. Gevonden in de kolven onder het jonge dekblad van jonge mais (Engelhard).
264
176.
177.
178.
179
180.
ASL,
182.
183.
COLEOPTERA VAN SALEIJER EN POELOE-KATELA,
Goelophora inaequalis, Fabr. Gorham, Notes Leyden Museum.
Vol. V (1883). p. 255, in vier varieteiten,
waaronder de var. novempunctata, Fabr., de
var. psi, Thunb. en de var. partita, Muls. S.
als al Clay Si,
» reniplagiata, Muls. S. 4.
» vidua, Muls. S. 1.
Verania discolor, Fabr. S. 12 en 1.
Exochomus nigromaculatus, Goeze (= auritus, Scriba). S. 4.
Cryptolaemus Engelhardi, Gorham, nov. spec. Notes Leyden
Museum. Vol. V (1883). p. 256. S. 8.
Epilachna pusillanima, Muls. S. 12 en 1.
» vigintioctopunctata, Fabr. S. 12.
Leiden, November 1884.
CORYPTILUM TRIPHAENOIDES SNELL.
nov. spec.
In de opnoeming van de door den heer Snelleman op de reis
door Midden-Sumatra verzamelde Lepidoptera heb ik op p. 84 eene
soort van het Tineinen-genus Coryptilum Zeller, Isis 1839 p. 1;
Snellen, Tijds. v. Ent. XIX (1875—76) p. 51 pl. 2 f. 6 (kop),
vermeld, waarvan één slecht geconserveerd voorwerp was ge-
vangen. Van dat exemplaar was alleen de generieke determinatie
mogelijk. Thans heb ik een beter exemplaar — van Nias — voor
mij, dat wel niet gaaf genoeg ter afbeelding maar toch geschikt
ter beschrijving is.
Vlucht 41 mm.; een voorvleugel 193 mm. (het Sumatraansche
had eene vlucht van 34 mm.). Sprieten ontbreken. Lipvoelers
grof behaard, zwart gelijk de gevouwen bijpalpen. Kop zwart.
Thorax geelachtig menierood beschubd. Vleugels langwerpig, evenals
bij Cor. Klugii Zell., naar achteren weinig verbreed, met zeer
afgeronde punt en achterrand. Op de helft van den voorrand begint
een 4 mm. breede, iets geelachtig witte dwarsband, die in schuine
richting naar den staarthoek loopt, doch dien niet ten volle bereikt
en onderaan afgerond is. De zijranden van dezen band zijn iets
oneven. Vóór dezen band zijn de vleugelwortel en voorrandshelft
geelachtig vermiljoenrood, de binnenrandshelft roetzwart met eenige
staalblauwe schubben. Achter den band is de kleur mede roet-
zwart met eenige staalblauwe schubben. Franje — naar de over-
blijfselen te oordeelen — roetzwart.
Achtervleugels een weinig breeder dan de voorvleugels, mede
langwerpig met gelijkmatig afgeronden achterrand en punt. Zij zijn
zijdeglanzig, vurig oranjegeel, met een zwartbruinen rand, die van
de punt tot ader 2 wortelwaarts duidelijk begrensd is en onderaan
266 CORYPTILUM TRIPHAENOIDES SNELL.
smaller (hij is wortelwaarts ongebogen en schuin afgesneden). Van
ader 2 is de rand niet scherp begrensd en 2 mm. breed.
Franje zwartbruin, aan den staarthoek 13 mm. lang.
Achterlijf, borst en pooten onzuiver donker leemgeel, de tarsen
zwart bestoven.
Onderzijde als boven, maar het zwart valer, het oranje lichter
en de voorrand der voorvleugels smaller geel.
Nias: Collectie van Dr. Pagenstecher te Wiesbaden. — Sumatra :
Leidsch Museum.
Rotterdam, October 1884. P. C. T. SNELLEN
eae Gel STE KR.
COLEOPTERA.
Acilius canaliculatus Nic. XXL.
Acupalpus dorsalis F. xx.
” flavicollis St. xx.
Adalia obliterata L. xxr.
Adimonia aptera Bon. 233.
” Capreae L. 232, 234.
” Crataegi Först. 232, 233.
” id. var. pallida Weise. 233.
” dispar Joan. 233.
7 femoralis Melsh, 234.
” griseo-nitida de G. 234.
” haematidea Germ. 233.
” interrupta Ol. 232.
” melanocephala Ponza. 232, 233
7 Pomonae Scop. 231, 232.
” rustica Schall. 232.
” sanguinea F. 233.
” Tanaceti L. 232, 233.
” tristis Scop. 233.
Adoxus obscurus L. Xxt.
Aethriostoma undulata Motsch. 256,
Agelasa halensis L. 239.
Agelastica Alui L. 238.
” halensis L. 238, 239.
" nigricornis F. 239.
a violacea Laich. 239.
” viridis Fourer. 239.
Agrilus coeruleus Rossi. XXI.
Agriotes sobrinus Kies. xx).
Alaus Engelhardi Cand. 258.
Aleides sp. 260.
Alphitobius piceus Ol. 259.
Alphitophagus subfascia Walk. 259.
Amara alpina. 250.
"infima Dfts. xx.
Amphigynus rotundatus Dej. xx.
Ananea quadripunctulata Fairm. 260.
Anaspis subtestacea Steph. xxI.
Ancylopus melanocephalus Ol. 263.
Anisodactylus sp. ? 255.
Anomala dichropus Blanch. 257.
” sp. 257.
Anommatus duodecimstriatus Miill. 58, 59.
” pusillus Schauf. 58, 59.
” terricola Wesm. 59.
Antherophagus nigricornis F. xxI.
Apate Lifuana Montr. 258.
Aphodius marginellus F. 256.
Aphodius urostigma Har. 256.
” sp. 256.
Apion columbinum Germ. xxl.
» lethale Pasc. 260.
» simile Kirb. xxr.
Apogonia sp. 257.
Apomecyna histrio F. 262.
” tigrina Thoms. 262.
Aridius nodulosus Mots. 67.
Aspidomorpha miliaris F. 263.
7 sp. 263.
Athous subfuscus Müll. xxr.
Aulacophora flavomarginata Duviv. 263.
n? marginata Chap. 263.
” melanoptera Boisd. 262.
” unicolor Jac. 262.
Autalia impressa Ol. xxI.
Balaninus cerasorum Hrbst. xxt.
Baris virgata Boh. 260.
Belionota scutellaris F. 257.
Bembidium Mannerheimii Sahlb. xx.
Berosus sp. 255.
Bolboceras sulcicolle Wied. 256.
Bolitochara lunulata Payk. xxI.
Brachinus crepitans L. xvil.
Brachyidium breviusculum Fairm. 258.
Bradycellus harpalinus Dej. xx.
| Bradynocerus aulacopterus Fairm. 259.
Calandra sp. 261.
Calathus melanocephalus L. 250.
” ” var. nubigena 250.
Callirrhipis Dejeanii Latr. 258.
Calomicrus. 241.
Camptorrhynus tibialis Sparm. 260.
Carabus cancellatus Ill. xx.
» convexus F. XVII.
Carpophilus foveicollis Murr. 255.
” mutilatus Er. 255.
| Cartodere elegans Aub. 75.
” elongata Curt. 75, 76.
” filiformis Gyll. 75, 77.
” ruficollis Marsh. 75, 76.
Celebia suturalis Pasc. 260.
Ceresium sp. 261.
Ceropria dolorosa Fairm. 259.
Chilomenes sexmaculata F. 263.
Chlaenius leucops Wied. 254.
” sulcicollis Payk. xv.
Chlorophanus viridis L. xxt.
Chrysanthia viridis Schmidt. xxr.
268 RE
Chrysodema smaragdula Ol. 257.
Cicindela germanica L. xvit.
” decemguttata F. 254.
” undulata Dej.? 254.
Cissites testacea F. 260.
Cistela densepunctata Fairm. 259.
Coccinella hierogiyphica L. xxI.
Coeliodes trifasciatus Bach xxr.
Coelophora inaequalis F. 264.
” novempunctata I°. 264.
” partita Muls. 264.
” psi Thunb. 264.
” reniplagiata Muls. 264.
” vidua Muls. 264.
Colasposoma mutabile Baly. 262.
Colpodes sp. 255.
Coninomus constrictus Humm. 66.
” limbatus Worst. 67.
” nodifer Westw. 67.
Conithassa brevicollis ‘Vhoms. 72.
” minuta Thoms. 71.
Coptocycla catenata Boh. 263.
Coptops intermissa Pasc. 261.
Coptorhynchus sp. 260.
Corticaria angulosa Mots. 93.
” borealis Woll. 84.
” brevicollis Mann. 92.
” erenulata Gyll. 80, 83.
” crocata Mann. 92.
” eurta Woll. 95.
” cylindrica Mann. 84.
“ eylindricollis Mots. 91.
” denticulata Gyll. 81, 85.
» distinguenda Com. 93.
” elongata Humm. 82, 88.
” fenestralis L. 82, 88.
” ferruginea Marsh. 88.
” formicetorum Mann. 86.
” fulva Com. 80, 84.
” fuscipennis Mots. 95.
” fuseula Humm. 94.
” hirtella Thoms. 84.
” hortensis Mann. 92.
” impressa Ol. 81, 85.
” impressa Marsh. 91.
” laticollis Mann. 86.
” latipennis Salhb. 94.
” linearis Payk. 82, 86.
” longicollis Zett. 82, 86.
” longicollis Mann. 86.
” longicornis Hrbst. 85.
” Mannerheimi Reitt. 82, 86.
” nigricollis Zett. 88.
» obseura Bris. 82, 87.
” pallens Mann. 92.
” parvula Mann. 93.
” picipennis Mots. 95.
” piligera Mann. 83.
7 pubescens Gyll. 80, 83.
” rufnla Zett. 88.
n serrata Payk. 82, 87.
» similata Gyll. 93.
" subtilis Mann. 93.
GIS TER.
Corticaria suturalis Mann. 92.
v tincta Mann. 83.
0 transversalis Gyll. 92.
” trifoveolata Redt. 94.
” umbilicata Beck. 80, 84.
” umbilicifera Mann. 84.
” Wollastoni Waterh. 92.
Corticarina distinguenda Com. 90, 93.
” fulvipes Com. 91, 94.
. fuseula Humm. 91, 94.
” gibbosa Hrbst. 90, 91.
” meridionalis Reitt. 95.
” similata Gyll. 90, 93.
” transversalis Gyll. 90, 92.
” truncatella Mann. 91, 94.
Cossonus canaliculatus F. 261.
Crepidodera Salicariae Payk. xx.
Crioceris impressa F. 262.
Cryptarcha Wallacei Reitt. 256.
Cryptocephalus flavescens Schm. xxr.
7 quadriplagiatus Jac. 262.
” rufipes Goeze. XXT.
Cryptohypuus riparius F. 250.
4 rivularis Gyll. 250.
Cryptolaemus Engelhardi Gorh. 264.
Cryptophagus eylindrieus Kies. XXI.
Cybister tripunetatus Ol. 255.
Cyclonotum sp. 255.
Cylas turcipennis Schh. 260.
Cymindis humeralis F. xvir.
” macularis Dej. xvIt.
Cyrtonotus alpinus F. 250.
Dasycerus sulcatus Brogn. 78.
Dermestes fenestralis L. 88.
” linearis Payk. 86.
u, serratus Payk. 87.
Derosphaerus interstitialis Fairm. 259.
| Diaphanes sp. (larve). 258.
Dibolia Cynoglossi Koch. xxr.
| Dietysus modestus Fairm. 259.
Diorhabda Weise. 231.
Dipelicus sp. 257.
Dischissus longicornis Schaum. 254.
Donacia versicolora Brahm. xxI.
Dorytomus affinis Payk. xxI.
Drapetes sp. 257.
Dyscheres agrestis Pasc. 260.
Dytiscus latissimus L. xvi.
. punctulatus F. xxt.
Ebaeus thoracicus Fourer. LXXXVIIL.
Elaphrus Ulrichii Redt. xvi.
Elleschus bipanctatus Hrbst. XXL.
Emathea sp. 263.
| Knicmus brevicollis Thoms. 70, 72.
7 brevicornis Mann. 70, 74.
” consimilis Mann. 69, 72.
” fungicola Thoms. 70, 73.
7 hirtus Gyll. 69, 70.
7 minutus L. 69, 71.
" rugosus Hrbst. 70, 73.
” testaceus Steph. 70, 72.
" transversalis Ol. 70, 74.
Epierus Beccarii Mars. 255,
ed ated
RE
Epilachna pusillanima Muls. 264.
, vigintioctopunctata I. 264.
Episcapha quadrimacula Wied. 263.
Episcaphula difficilis Gorh. 263.
. tetrasticta Gorh. 263.
” sp. 263.
Epuraea florea Er. xx1.
Eretes sticticus L. 255.
Eugnathus sp. 260.
Examnes idoneus Pasc. 261.
Exochomus auritus Scriba. 264.
” nigromaculatus Goeze. 264.
Figulus laticollis Eschsch. 256.
Saleruca aquatica Fourer. 235, 237.
” aquatica Müll. 237.
calmariensis L. 235, 237.
” calmariensis F. 236.
” Capreae Hrbst. 236.
” Crataegi Forst. 236.
” grisea Alni de G. 236, 237.
” lineola F. 235, 236.
” luctuosa Mann. 238.
” Lythri Gyll. 237.
” Nymphaeae L. 235, 237.
” parva Hrbst. 237.
” Sagittariae Gyll. 238.
” tenella L. 235, 237.
” Ulmi Fourer. 236.
# Viburni Payk. 235, 236.
” xanthomelaena Schr. 235, 236.
Galerucella Crotch. 231, 234.
Glycyphana Saleyeri Rits. 257.
Graptodera sp. 262.
Grypidius brunnirostris F. xx1.
Gyrinus opacus Sahlb. xxr.
Haliplus fulvus F. xx
Helochares sp. 255.
Helodes minutus L. xxI.
Helophorus obscurus Muls. xxI.
Hispa atra L. xx1.
Holoparamecus depressus Curt. 61.
” Kunzei Aub. 60, 61.
” Ragusae Reitt. 60, 62.
” singularis Beck. 60, 61.
Hydaticus Leander Rossi, var. rufulus
Aub. 355.
” pacificus Aub. var. 255.
Hypharpax celebensis Chaud. 255.
” sp. 255.
Hyphydrus xanthomelas Rég. 255.
Illybius aenescens Thoms. xxI.
Iphimoides celebensis Jac. 262.
Ips impressa Ol. 85.
” rugicollis Ol. 66.
” transversa Ol. 74.
Laccophilus flexuosus Aub. 255.
Lachnosterna collaris Lamb. 257.
” sp. 257.
Languria sp. 263.
Larinus Carlinae Ol. xxt.
Lathridius acuminatus Payk. 64.
” alternans Mann. 63, 65.
” angulatus Marsh. 63, 64.
GIS
TER. 269
Lathridius angustatus Steph. 76.
7 angusticollis Humm. 63, 65.
7 brevicornis Mann. 74.
” carinatus Gyll. 67.
” clathratus Mann. 76.
” concinnus Mann. 77.
” consimilis Mann. 72.
” constrictus Humm. 67,
” cordaticollis Aub. 72.
” erenulatus Gyll. 83.
” denticulatus Gyil. 85.
” distinguendus Com. 93.
” elegans Aub. 75.
u elongatus Curt. 76.
7 filiformis Gyll. 77.
” fulvus Com. 84.
7 fusculus Humm. 94.
v gibbosus Hrbst. 91.
2 hirtus Gyll. 70.
” lardarius de G. 63, 64.
” liliputanus Villa. 76.
” longicollis Zett. 86.
” minutus L. 71.
” nanulus Mann. 77.
” nodifer Westw. 67.
” nodulosus Mots. 67.
” parallelus Mann. 77.
” planatus Mann. 75
” poreatus Panz. 71.
” pubescens Gyll. 83.
" ruficollis Marsh. 76.
” rugicollis Ol. 63, 66.
” rugosus Hrbst. 73.
” similatus Gyll. 93.
” tantillus Mann. 77.
” testaceus Steph. 72.
” transversalis Gyll. 92.
” transversus Ol. 74.
Lathrobium fulvipenne Gray. 250.
Lema coromandeliana F. 262.
” quinqueplagiata Jac. 262.
” subeylindrica Jac. 262.
Leptaulax dentatus Web. 256.
Leptinus testaceus Müll xcr.
Lixus Ritsemae Pasc. 260.
Loehmaea Weise. 231, 234.
Longitarsus lateralis Ill. 243.
4 patruelis Ill. 243.
Luperodes (?) sp. 263.
Luperus betulinus Joan. 242.
” Brassicae Panz. 241.
” circumfusus Marsh. 241.
” dispar Redt. 243.
” flavipes L. 241, 242.
” longicornis F. 242.
” niger Goeze. 241, 243.
” nigrofasciatus Goeze. 241.
” pinicola Dfts. 241.
” rufipes Scop. 241, 242.
” rufipes F. 242.
” rufipes Goeze. 243.
” xanthopoda Schr. 241, 242.
” xanthopus Dfts. 242.
270 REGISTER.
Lychus duodecimstriatus Müll. 59.
Lyprops forticornis Fairm. 259.
Macronota fraterna Westw. 257.
Magdalis duplicata Germ. xxI.
” flavicornis Gyll. xxr.
Malthinus fasciatus Ol. xxt.
Megapenthes agriotides Cand. 258.
Megarthrus hemipterus Ill. xx.
Melanophthalme angulosa Mots. 93.
Metoecus paradoxus L. LXXXVII.
Micracantha insularis Pasc. 262.
” sp. 262.
Monohammus fistulator Germ. 261.
Monomma splendidulum Fairm. 259.
Myllaena intermedia Er. xxr.
Nebria arctica Dej. 249.
” Balbii Bon. 249.
7 Besseri Fisch. 249.
” Gyllenhali Schh. 249.
Necrodes littoralis L. Xvm.
Necrophorus germanicus L. xvit.
Nemostira crenatostriata Fairm. 260.
Notiophilus aquaticus L. 249.
Notioseythis punctoseriata Fairm. 258.
Notocorax javanus Wied. 258.
Ochralea flava Ol. 263.
Olistophus rotundatus Payk. xx.
Onthophagus fraternus Lansb. 256.
” Gestroi Har. 256.
” Saleyeri Lansb. 256.
Oödes sp. Siamensi aff. 254.
Opatrum acutangulum Fairm. 259.
” depressum F. 259.
” moluccanum Blanch. 259.
” mustelinum Fairm. 259.
Orchestes decoratus Germ. xxT.
” erythropus Germ. xxI.
” jota F. xxI.
Oryctes rhinoceros L. 257.
Otiorhynchus blandus Schh. 250.
Parastasia pileus Voll. 257.
Patrobus excavatus Payk. 250.
” septentrionis De}. 250.
Pelargoderus alcanor Newm. 261.
Pelophila borealis Payk. 249.
Phaeochrous emarginatus Cast. 256.
Pheropsophus fuscicollis Dej. 254.
Philhydrus marginellus F. xxI.
” sp. 255.
Philicus dialloides Pasc. 261.
Philonthus sordidus Grav. 250.
Phloeobius curtulus Jek. 261.
” longicornis F. 261.
Phosphaenus hemipterus F. xvm.
Phyllobrotica adusta Creutz. 239, 240.
” bimaculata F. 240.
” quadrimacnlata L. 239. 240.
Phyllocharis cyanipes Baly. 262.
Phytodecta pallida L. xxI.
Phytoscaphus sp. 260.
Picrus obscurus Chaud. 254.
Piezonotus diversus Pasc. 260.
n sp. 260.
Pityophthorus micrographus L. xxI.
Planetes immaculatus Schaum. 254.
Platymetopns sp. 255.
Platynus sexpunctatus L. xx.
Platysoma cribropygum Mars. 255.
Plochionus pallens F. 254.
Polydrosus chrysomela Ol. xxt.
Polyphylla Ragusae Kraatz. XVII.
Popilia vestita Cand. 257.
Praonetha torpida Pasc. 261.
” uniformis Pase 261.
Prionocerus coeruleipennis Perty. 258.
Propomacrus bimucronatus Pall. xvm.
Prosopocoelus sp. 256.
Protaetia Engelhardi Rits. 257.
” mandarinea Web. 257.
” pectoralis Mohn. 257.
Pseudoblaps javanus Wied. 258.
Pseudozaena obscura Chaud. 254.
Psylliodes cucullatus Ill. xxr.
Psyllobora cincta F. 263.
Pyrrhalta Joan. 236.
Quedius attenuatus Gyll. 250.
” rufipes Grav. XXI.
Rhamphus flavicornis Clairy. xxI.
Rhaphidopalpa flavipes Jac. 263.
Rhizopertha bifoveolata Woll. 258.
Rhynchites aeneovirens Marsh. xxI.
» germanicus Hrbst. xxI.
Rhynchophorus Schach F. 260.
” sp. 260.
Rhyparida limbata Baly. 262.
Scelodonta granulosa Baly. 262.
Seleroides pluricostatus Fairm. 258.
Scleron dentieolle Fairm. 258.
Sinodendron cylindricum L. xvm.
Sitaris muralis Forst. LX XXVIII.
Spermophagus sp. 261.
Sphaeridium sp. 255.
Sphenophorus sp. 260.
Staphylinus fulvipes Scop. XVII.
Stenusa rubra Er. xxI.
Sternolophus sp. 255.
Strangalia quadrifasciata L. xxr.
Stromatium laticolle Pasc. 261.
Strongylium erythrocephalum F. 259.
Styphromerus dichrous Chaud. 254.
Sylvanus singularis Beck. 61.
Tachypus pallipes Dfts. xx.
Telephorus Saleyeri Gorh. 258.
Tenebrio lardarius de G. 64.
” minutus L. 71.
Tenerus binotatus Chevr. 258.
Thea cincta F. 263.
Toxicum quadricorne F. 259.
” sumatrense Fairm. 259.
Trachypholis hispida Web. 256.
Trachys minuta L. xxI.
Trirhabda Leconte. 231, 236.
Tritomidea oblonga Mots. 263.
Uloma sp. 259.
Velleius dilatatus F. Lxxxvu.
Verania discolor F. 264.
>
REGISTER
Kraatzii Eichh. var.
pinensis Vichh. 261.
Xylopertha nicobarica Redt. 258.
Zeugophora subspinosa F xx1.
HEMIPTERA.
Acompus rufipes Wolff. 117.
Agramma laetum Fall. 122.
Aneurus laevis F. 126.
Aradus cinnamoneus Panz. 126.
” depressus F. 126.
” leptoterus Germ, 126.
Arocatus Roeselii Schill. 113.
Beosus luseus F. 119.
Campylostira verna Fall. 122.
Carpocoris baccarum L. 113.
Coranus subapterus de G. 129.
Cymus claviculus Fall. 114.
” Ericae Schill. 114.
” glandicolor Hahn. 114.
Derephysa foliacea Fall. 124.
Dictyonota crassicornis Fail. 123.
n erythrophthalma Germ.
” fuliginosa Costa. 124.
” pilicornis H. S. 124.
” strichnocera Fieb. 124.
Das agrestis Fall. 118.
brunneus Sahlb. 120.
° chiragra F. 117.
7 dilatatus H. S. 117.
” notatus Fieb 119.
Xyleborus
philip-
124.
” pilicornis M. et R. 120.
” praetextatus H. S. 116.
” sylvaticus F. 120.
” varius Wolff. 116.
Emblethis griseus Wolff. 119.
. Verbasci F. 119.
Eremocoris alpinus Garb. 120.
D erraticus F. 120.
” icaunensis Pop. 120.
” plebejus Fall. 120.
Galeatus maculatus H. S. 124.
Gastrodes abietis L 121.
” ferrugineus L. 121.
Geocoris ater F. 115.
” grylloides L. 114.
” pallidipennis Costa. 115.
” siculus Fieb 115.
Gerris argentata Schum. 128.
” gibbifera Schum. 127.
" lacustris L. 128.
” najas de G. 127.
” odontogaster Zett. 128.
hd paludum F. 127.
” rufoscutellata Latr. 127.
” thoracica Schum. 127.
Gonianotus marginepunctatus Wolff. 119.
Harpactor annulatus L. 129.
” pedestris Wolff. 129.
Hebrus pusillus Fall. 126.
Heterogaster Urticae F. 115.
Hydrometra aptera. 127.
” argentata Schum, 128
| Notochilte contractus H. S.
RFOTOnARE gibbifera Schum. 127.
lacustris L. 128.
” odontogaster Zett. 128.
” paludum F. 127.
” rufoscutellata Latr. 127.
” stagnorum Latr. 126.
” thoracica Schum. 127.
Ischnocoris hemipterus Schill. 116.
” punctulatus Fieb. 116.
Ischnodemus Sabuleti Fall. 114.
Ischnorhyuchus didymus Zett. 114.
” Resedae Panz. 114.
Lasiosomus enervis H. S. 117.
Leptopus boopis Fourer, 133.
Limnobates stagnorum Latr. 126.
Lygaeus apuans Rossi. 113.
7 equestris L. 113.
” punctatoguttatus F. 113.
” saxatilis Scop. 113.
” venustus Bock. 113.
Macrodema micropterum Curt. 116.
Mesovelia furcata M. et R. 126.
Micropus decurtatus H. S. 114.
Microtoma carbonaria Rossi. 118
Microvelia pygmaea Duf. 126.
” Schneideri Scholtz. 126.
Monanthia Cardui L. 124.
” carinata Panz. 123.
” cervina Germ. 122.
” ciliata Fieb. 124.
” costata Fieb. 124.
” dumetorum H. S. 125.
” Humuli F. 125.
” nigrina. 122.
” obscura H. S. 123.
” quadrimaculata Wolff. 125.
” scapularis Fieb. 125.
” simplex H. S. 125.
” vesiculifera Fieb. 125.
” Wolffii Fieb. 125.
apterus. 129.
” brevipennis Hahn. 129.
” brevis Scholtz. 130, 131.
” dorsalis Duf. 130.
” ericetorum Scholtz. 130.
” ferus L. 130.
” flavomarginatus Scholtz. 130.
” fuminervis Dahlb. 130.
” lativentris Boh. 129.
” limbatus Dahlb. 130.
» lineatus Dahlb. 130.
” major Costa. 129.
” minor Reut. 130.
rugosus L. 130.
121.
Nysius Jacobeae Schill. 114.
7 Senecionis Schill. 114.
” Thymi Wolff. 114.
| Orthostira brunnea Germ. 123.
Ù cervina Germ. 122.
” macrophthalma F. 123.
” nigrina Fall. 122.
” parvula Fall. 123.
271
“a
Orthostira ? platychila F. 122.
Pachymerus adspersus M. et R. 119.
” contractus H. S. 120.
7 erraticus F. 119.
” griseus Wolff. 119.
” luscus F. 119.
v lynceus F. 119.
” marginepunctatus Wolff. 119.
” pedestris Panz. 119.
„ phaenieius Rossi. 119.
” pictus Schill. 119.
” Pini L. 119.
” plebejus Fall. 119.
” quadratus F. 119.
” Rolandri L. 119.
” vulgaris Schill. 119.
Peritrechus geniculatus Hahn. 118.
” luniger Schill. 118.
” nebulosus Fall. 118.
” nubilus Fall. 118.
” rusticus Fall. 117.
Phymata crassipes. 125.
Piesma capitata Wolff. 121.
” maculata Lap. 121.
” quadrata F. 121.
Pionosomus varius Wolff. 116.
Plinthisus bidentulus H. S. 115.
” brevipennis Latr. 115.
” pusillus Scholtz. 115.
Ploeiomerus fracticollis Schill. 115.
” luridus Hahn. 115.
Ploiaria culiciformis de G. 128.
” erratica. 128.
7 vagabunda I. 128.
” id. var. pilosa Fieb. 128.
Prostemma guttula F. 129.
Ptertometus staphylinoides Burm. 116.
Pygolampis bidentata Fourer. 128.
Pyrrhocoris apterus L. 121.
Reduvius personatus L. 128.
Rhyparochromus antennatus Schill. 117.
” chiragra F. 117.
” dilatatus HE S. 117.
” praetextatus H. S. 116.
” sabulicola Thoms. 117.
Salda arenicola Scholtz. 133.
” cincta H. S. 132.
” Cocksii Curt. 132.
” conspicua Dgl. et Sc. 133.
7 dimidiata Curt. 132.
7 eburnea Fieb. 132.
” flavipes F. 131.
” geminata Costa. 132.
” lateralis Fall. 132.
” littoralis L. 131.
” melanoscela Fieb. 131.
o morio Zett. 133.
” opacula Zett. 133.
” orthochila Fieb. 133.
” pallipes F. 132.
” pilosa Fall. 132.
” pilosella Thoms. 132,
” pulchella Curt. 132.
972 REGISTER.
Salda riparia Fall. 133.
” saltatoria L. 131.
” scotica Curt. 131.
” Zosterae. 131.
Scolopostethus adjunctus Dgl. et Sc. 121.
” affinis Schill. 121.
7 decoratus Hahn. 120.
” pictus Schill. 120.
Serenthia laeta Fall. 122.
Stygnus arenarius Hahn. 118.
7 rusticus Fall. 117.
” sabulosus Schill. 118.
Tingis Oberti Kol. 124. i
Trapezonotus agrestis Fall. 118.
» dispar Stal. 118.
7 distinguendus Flor. 118.
v nebulosus Fall. 118.
Tropistethus holosericeus Scholtz. 116.
Velia currens F. 127.
” rivulorum I. 127.
Zosmenus capitatus Wolff. 121.
” Laportei Fieb. 121.
” quadratus F. 121.
NEUROPTERA.
Libelluliden (Trekken van). xcI.
HYMENOPTERA.
Andrena Shawella Kirb. xxir.
Anthophora parietina F. LXxxvIl.
Bombus lapidarius L. xx.
7 pratorum L. xXxIL.
Cilissa haemorrhoidalis F. xx.
Epeolus variegatus L. xxII.
Halictoides inermis Nyl. xxm.
Herides campanularum Kirb. xxır.
Macropis labiata, Panz. xxI.
Nomada Solidaginis Panz. XXII.
Panurgus ater Panz. XXII.
| Prosopis confusa Nyl. xxı.
Vespa crabro L. ıxxxıx.
” germanica L. LXXXIX.
” rufa of holsatica (Nest van).
XVII.
” vulgaris L. LXXXIX.
Wespennest in den vorm eener roos. XVII.
LEPIDOPTERA.
Abraxas grossulariata L. var. XVI.
Acrobasis consociella Hbn. 3.
Acronyeta megacephala W. V. 3.
" Monyanthidis Esp. XXI.
” Rumicis L. 3.
Adela cuprella. 155.
” Degeerella. 154.
7 impolitella. 155.
» .mobilis Christ. 153.
” viridella. 153, 155.
Aediodes orientalis Sn. 43.
” quaternalis Sn. 42.
” trimaculalis Sn. 42.
RE GI
Agathodes ostensalis Hbn. 38.
Agrotis baja W. V. 3.
» C nigrum L. 4.
” festiva W. V. 3.
” plecta L. 3.
” pronuba L. 3.
” Rubi View. 4.
7 Segetum W. V. 3.
” subsequa Esp. 3.
” triangulum Hfn. 3.
” Tritici L. 8
” umbrosa W. V. 4.
xanthographa W. V. 4.
Hannie moerens Sn. 182,
Amphipyra pyramidea L. 3.
„ Tragopogonis Cl. 4.
Ancylolonia trapobanensis Zell. 52.
Antigastra Catalaunalis Dup. 38.
Apatura Clyton, gekweekt met gedroogde
bladeren. xvir.
Argyresthia abdominalis Zell. xxır.
” aurulentella Staint. xxıtr.
Argyris Guen. 247.
Asopia glaucinalis L. 4.
Atabyria Sn. n. gen. 164.
” bucephala Sn. 166.
Athaloéssa floridalis Zell. 43.
Bembecia hylaeiformis Lasp. xxr.
Bombyx Crataegi L. (Afwijkend gekleurde
rups van). XVI.
” Palmyra Stoll. 96.
Brachmia adumbratella Sn. 170.
” Moufetella. 170.
» pruinosella. 170.
Bucculatrix absynthiella. 181.
” atagina. 181.
” gnaphaliella. 181.
” lustrella Sn. 181.
” valesiaca. 181.
Butalis cassiterella Sn. 178.
ericetella. 178.
” fallacella. 178.
7 fusco-aenea. 178.
” seliniella. 178.
” tabidella H. S. 178.
Cabera pusaria L. 4.
Calamotropha abjectella Sn. 51.
7 fuscicostella Sn. 52.
Caloptera H. S. 247.
Calymnia trapezina L. 3.
Caradrina Alsines Brahm. 3.
” clavipalpis Scop. 4.
Cataclysta vestigialis Sn. 50.
Cathaemia haemorrhoa Voll. Lxxx11.
” Hyparete L. var. LXXxII.
Catocala nupta L. 3.
„ nupta var. LXXXIII, 209.
a promissa. LXXXIII.
” sponsa. LXXXIII.
Cerostoma leuconotella Sn. 157.
” pareuthesella L. 157.
” radiatella Don. 157.
Chareas graminis L. 3,
STE
R. 273
Cidaria bilineata L. 4.
n birivata Bkh, 4,
” chenopodiata L. 3.
” ferrugata L. 3
Coenostola apicalis Led. 36.
” Eromenalis Sn. 36.
” pallicostalis Sn. 36.
” palliventralis Sn. 36.
Coleophora apicella Staint. 180.
” Mühligiella Wocke. 179.
” Settari Wocke. 179.
” strigiferella Sn. 179.
” vitisella Gregs. XXII.
Conchylodes baptalis Sn. 44.
” caberalis Guen. 44.
” corycialis Sn. 44.
| Coptobasis quadrimaculalis Koll. 42.
7 suleialis Walk. 42.
” tristrialis Brem. 42.
u Thyasalis Walk. 42.
7 Zelleri Brem. 42.
Coryptilum triphaenoides Sn. 265.
Crambus culmellus L. 4.
” malacellus Dup. 52.
” pulcherrimus Staud. 52.
u troglodytellus Sn. 52.
Craniophora Ligustri W. V. 3.
Cyclopides leucopyga Mab. 248.
Cymoriza fulvobasalis Sn. 49.
7 irrectalis Guen. 58.
” monetalis Sn. 49.
Danais Aglea Cram. LXXXI.
Agleoides Feld. var. Lxxxr.
Chrysippus L. xv, 247.
” var. LXXX, LXXXIV, 210.
Crocea Butl. var. Lxxxt.
” Philomele Zinck. var. Lxxx1.
Decelia terrosalis Su. 42.
Decticogaster zonulalis Sn. 40.
Depressaria angelicella. 163.
” applana F. 161.
” badiella Hbn. 160.
” ciliella Staint. 161.
à è a =
” costaemaculella. 158.
” culcitella II. S. 158.
” Douglasella. 160.
7 erythrella Sn. 161.
” leucocephala Sn. 160.
Ù pulcherrimella. 160.
” putridella W. V. 163.
a rutana F. 161.
septicella Sn. 162.
indes Misippus L. xv.
Diasemia Rambarialis Dup. 38.
” spilonotalis Sn. 38.
Diathrausta profundalis Led. 44.
Dipterygia scabriuscula Cl. 4.
Diptychophora amoenella Sn. 52.
| Doloéssa viridis Zell. 53.
Entephria appensalis Sn. 41.
” praeruptalis Led. 41.
Ephestia elutella. 54.
a Kühniella Zell. 54.
(92)
274
Ephestia passulella Barr. 54.
” polyxenella Mill. Lxxxıv.
Erebina Zelleri Brem. 42.
Eucides Isabella Cram. xv.
Euclasta maceratalis Led. 39.
Eudorea crataegella Hbn. 4.
Eupithecia satyrata Hbn. var. XXII
Euplexia lucipara L. 3.
Euploea Bremeri Feld. var. LXXXL.
” Euphon F. 247.
” Goudotii B. 247.
” Midamus L. var. LXXXI.
» Rhadamanthus I. var. LXXXI.
Euzophera polyxenella Mill. Lxxxtv.
” subterebrella Sn. 54.
Filodes fulvidorsalis Hbn. 46.
Galleria macroptera Sn. 53.
Gelechia distinctella Hbn. 167.
” flavicomella. 168.
” lentiginosella. 167.
” pallipalpella Sn. 167.
” psammitella Sn. 168.
7 rufescens Haw. XXII.
senectella Zell. xxrr.
Gi plodes calidalis Guen. 43.
'Goniloba cretacea Sn. 248.
Grapholitha Solandriana, var.
culana Hbn. 3.
Hadena Chenopodii W. V. 3.
” Cucubali W. V. 3.
Hazis Pellonaria Guen. Lxxxm, 97.
” Doubledayi Sn. LXXXIII, 97.
Ù Malayanus Guér. 96.
semima-
Ù Malayaria Guen. LXxxMI, 96.
” Militaris L. uxxxut, 96.
” Palmyra Stoll. 97.
Hedylepta pyraustalis Sn. 37.
” ustalis Led. 37.
” vulgalis Guen. 37.
Helotropha nictitans L. 3.
Heterocnephes strangulalis Sn. 35.
Hydrocampa difflualis Sn. 47.
Hymenoptychis dentilinealis Sn. 40.
” sordida Zell. 40.
Hypsa Dama F. var. LXXXII.
Isopteryx foedalis Guen. 47.
” tenellalis Guen. 47.
Lampetia arcuosa Haw. 3.
Lampridia fuliginalis Sn. 43.
Lampros bisinuella Ersch. 176.
7 conchylidella Sn. 176.
” formosella. 176.
” fuscifasciata Staint. 176.
” lambdella. 176.
n lunaris. 176.
7 Schaefferella. 177.
Lamprotes micella W. V. 174.
Lepyrodes astomalis Feld. 45.
” bistigmatalis Pryer. 45.
” Fengwhanalis Pryer. 45.
n geometricalis Guen. 45, 46.
n piabilis Wallgr. 45.
7 quadrinalis Guen. 45.
REGISTER.
Leucania lithargyrea Esp. 3.
Limenitis Nefte Cram. var. LXxXLIL
Lithosia griseola Hbn, 3.
” muscerda Hfn. 4.
Lomotropha costiflexalis Guen. 35.
Luperina basilinea W. V. 4.
” didyma Hsp. 3.
” lateritia Hfn. 8.
” lithoxylea W. V. 3.
” monoglypha Hfn. 3.
” ophiogramma Esp. 3.
Lycaena aestiva Zett. 136.
” Alcon W. V. xxI.
” Allous Hbn. 136.
” Artaxerxes F. 135, 136.
7 Astrarche Brgstr. 134.
7 calida Bell. 136.
” Graafii VerH. 136.
” Idas Ramb 136.
” Medon Rottb. 134.
” Salmacis Steph. 134, 136.
Madopa dilutalis Sn. 215.
2 lutealis Sn. 213.
Margarosticha bimaculalis Sn. 50.
Melissoblaptes rufovenalis Sn. 53.
Metasia lilliputalis Sn. 39.
Miletus Symethus Cram. var. LXXXII.
Mimaesoptilus caesius Sn. 189.
” emarginatus Sn. 193.
” Hedemanni Sn. 184.
” luteocinereus Sn. 191.
n vacillans Sn. 187.
Monochroa tenebrella Hbn. 174.
Myelois stibiella Sn. 54.
Nemgphera annulatella Rag. 151.
dorsiguttella Ers. 151.
” metaxella Hbn. 152.
" minutella Sn. 151.
” Panzerella F. 151.
” pilella W. V. 152.
” pilulella Hbn. 151.
” Reaumurella Peyer. 152.
” Schwarziella Zell. 151.
7 sericinella Zell. 151.
Swammerdammella. 151.
NOE Raddeellus Christ. 155.
Nephopteryx anerastica Sn. 54.
Nicaria latisquamalis Sn. 39.
Nothris albidella Sn. 171.
Nyctemera Coleta Cram. var. LXXXIL
Nymphicula acuminatalis Sn. 51.
7 infuscatalis Sn. 51.
a stipalis Sn. 50.
Ocneria dispar L. (2 zonder sprieten ge-
boren). XVI.
Odontopera bidentata L. xxu.
Oiketicus Kirbii Guild. 20.
” tabacillus Weyenb. 20.
Olizostigma gibbosalis Guen. 49.
” latifascialis Sn. 48.
Omiodes analis Sn. 37.
7 humeralis. 37.
Ù leporalis. 37.
REGISTER.
Pamphila Mathias F. 248.
” Thrax Led. 248.
Papilio Cresphontes, gekweekt uit drooge
bladeren. xvIt.
” Nireus. 247.
” Oribazus. 247.
” Phorbanta. 247.
” Tynderaeus. 247.
Parapoinx cuneolalis Sn. 48.
Ê diminutalis Sn. 48.
” fregonalis Sn. 48.
” hebraicalis Sn. 48.
” linealis Sn. 48.
Pempelia perfusella Zell. LXxxtv.
Perrhybris Malenka Haw. xtv.
” Pyrrha F. xıv.
Phalaugiodes columalis Sn. 46.
” Neptis Cram. 46.
” Neptisalis Guen. 46.
Phycidicera manicalis Sn. 38.
” salebrialis Sn. 37.
Physematia pollutalis Sn. 47.
Pieris (Trekken eener). xct.
Platyptilia acanthodactyla. 183.
” cosmodactyla. 183.
” gonodactyla. 185.
” moerens Sn. 182.
Pleonectusa tabidalis Led. 40.
Problepsis Led. 247.
Psyche Bergii Weyenb. 17.
” Burmeisteri Weyenb. 14.
” Cassiae Weyenb. 9.
_Pterophorus caesius Sn. 159.
” coprodactylus. 185, 191.
emarginatus Sn. 193.
Hedemanni Sn. 184.
innocens Sn. 195.
Lienigianus. 195.
luteocinereus Sn. 191.
=
scarodactylus. 195.
tephradactylus. 195.
RME TR TES Pat LEUR
” vacillans Sn. 187.
Pycnarmon jaguaralis Guen, 44.
Recurvaria albidorsella Sn. 169.
” leucatella. 169.
Rhymphalea fastidialis Sn. 38.
Schnoenobius ochraceellus Sn. 51.
-Sciaphila osseana Sc. xxıt.
Scirpophaga sericea Sn. 51.
Scoliopteryx libatrix L. 3.
Scotosia vetulata W. V. xxır.
Siriocauta simialalis Sn. 39.
” testulalis Hbn. 39.
Spanista ornatalis Dup. 46.
” pretiosalis Sn. 47.
-Spilomela omnatalis Sn. 44.
Stenurges ostensalis Hbn. 38.
Synelera onychinalis Guen. 45.
» retinalis Led. 45.
D traductalis Zell. 45.
Thestias Aenippe Cr. var. 210.
plagiodactylus Staint. 185 , 189.
trimmatodactylus Christ. 195.
275
Thestias Venilia God. 210
Timandra amataria L. 4.
Trachea Atriplieis L. 3.
Xystophora micella W. V. 174.
” palustrella Dougl. 173, 175.
” rufulella Sn. 174.
” rutilella Sn. 174.
” servella. 173.
” tenebrella Hbn 174.
” tripunctella Sn. 172.
Zerene adustata W. V. xxıı.
Zinckenia fascialis Cram. 43.
” nigrella L. 43.
” perspectalis Hbn. 43.
” recurvalis F. 43.
Zonosoma punctaria L. 4.
DIPTERA.
Anthomyia latitarsis Zett. xxır.
Camptoneura picta F. xıx.
Chrysotoxum festivum. L. xxIt.
Coenosia intermedia Fall. xxr:.
Conops costatus F. xvım.
u Segethi Rond. xvitr.
Degeeria blanda Fall. xxrr.
Deromyia basalis Walk. 208.
” Winthemi Wied. 207.
Diogmites bilineatus Low. 208.
” rufescens Macq. 208.
Eutreta sparsa Wied. xıx.
Glossina longipalpis Wied. xcm, 143.
” morsitans Westw. xcu, 143, 146.
v tachinoides Westw. 146.
” ventricosa Big. 150.
Hydrophoria divisa Meig. xXII.
Hyetodesia alpina Rond. xxi
Leptogaster flavicornis v. d. W. 207.
” flavipes Low. 207.
Miltogramma punctata Meig. XXI.
Mycetophila xanthopyga Winn. XXIL
Mydaea tincta Zett. xxII.
Nemoraea analis Macq. xxII.
Nemorhina palpalis Rob. D. 144.
Ogcodes zonatus Er. xxII.
Ommatius Schlegelii v. d. W. 140.
Platychirus podagratus Zett. XXII.
Polylepta leptogaster Winn. 137.
Psilopus aeneus F. 220, 222.
” crinicornis Wied. 221, 224.
egens Walk. 228.
filatus v. d. W. 222, 227.
flavicornis Wied. 221, 224.
leucopogon Wied. 221, 225.
longicornis Dol. 224.
lucigena Walk. 224.
obseuratus v. d. W. 221, 226.
RE RO Peat TOM siii VX PART JON VO |
LA
patellatus v. d. W. 221, 224.
pilosulus v. d. W. 221, 226.
quadratus v. d. W. 221, 222.
splendidus v. d. W. 221, 223.
vittatus Wied. 221, 225.
Sapromyza anisodactyla Löw. xXu.
276
Somula decora Macq. 208.
Straussia longipennis Wied. xIx.
Syrphus cinctus Fall. xxır.
Tephritis flavipennis Löw. XXII
Tsetse-vlieg. xcı, 143.
SUCTORIA.
Platypsyllus Castoris Rits. LXXxV.
ARACHNIDEA.
Agalena labyrinthica Cl. uxxıx, 198.
Chelifer. xix.
Epeira adianta Walck. xxtıt.
Erigone frigida Thor. 251.
7 Holmgrenii Thor. 251.
” psychrophila Thor. 251.
” vagabunda Thor. 251.
Galeodes araneoides Sav. 25.
” barbarus Luc. 100.
u dorsalis Latr. 25, 101.
» intrepidus Duf. 32, 101.
” melanus Sav. 25, 100.
n nigripalpis Duf. 26.
" vorax Hutton. 27.
Gluvia dorsalis Latr. 25, 101.
Linyphia clathrata Sund. 199.
Lycosa amentata Clk. 251.
a glacialis Thor. 251.
” groeulandica Thor. 251.
” monticola C. Koch. 251.
Metselspinnen. xix.
Micryphantes arcticus White. 251.
Miranda adiante Walck. xx.
Neriene atra Blackw. 251.
” graminicola Blackw. 200.
” longipalpis Sund. 251.
” rufa Wid.? 251.
Ocyale mirabilis Cl. 200.
Oligolophus alpinus Hrbst. 252.
Oonops. aff. 252.
Pholcus phalangioides Fuess. 205.
Rhax melanus Ol. 25.
Solpuga flavescens C. Koch. 26.
” lethalis C. Koch. 25.
Tegenaria Guyonii Guér. 201.
Theridion bimacalatum L. Lxxvitt, 204.
” dorsiger Hahn. LxxYıl.
“ varians Hahn. LxxIx.
REGISTER.
Trombidium sp. xıx.
Valdeurspinnen. xIx.
Zilla calophylla ©. Koch. xix.
PEDICULINAE.
Menopon-soort in den keelzak van Pele--
kanen. LXXXVI.
ALGEMEENE ZAKEN.
Albarda (Mr. W.) benoemd tot Voorzitter
der Zomervergadering in 1884..
XIV.
Bosscha (Dr. J.) Jz. lid geworden. v.
Bruna (H. M.) lid geworden. v..
Cramer (A. W. Putman) tot correspond.
lid benoemd. xtv.
Fürbringer (Dr. Max) lid geworden. v. _
Geldelijke aangelegenheden. vr, x.
Groll (J.) begunstiger geworden. tv. 1
Hartogh Heys v. Zouteveen (Mr. H.):
begunstiger geworden. Iv.
Hoop (D. van der) lid geworden. v.
Horst (Dr. R.) lid geworden. v.
Kuyk (Mr. J. van) begunstiger gewor-
den. v.
Laer (Dr. J. R. E. van) bedankt voor-
*t lidmaatschap. Iv.
Lansberge (Mr. J. W. van) begunstiger
geworden. IV.
Merkes van Gendt (Jhr. F. G. E.) be--
gunstiger geworden. Iv.
Oberthür (R.) buitenl. lid geworden. v.
Rupsen (Prepareeren van). Xvi, 5.
” (Gedroogde bladeren als voedsel:
voor). XVI.
Saltet (Dr. R. H.) lid geworden. v.
Sepp (Dr. C.) begunstiger geworden. v.
Sumatra-expeditie (Werk der). rx. :
Taschenberg (Dr. O.) benoemd tot cor--
respond. lid. xtv.
Vlasman (C. L. Roos) begunstiger ge-
worden. v.
Vlinders van Nederland (Microlepidoptera).
door Snellen. Antikritiek. xv.
Wit (L. C. Dudok de) lid geworden. v.
Zeller (P. C.), correspond. lid, over--
leden. 11, IX.
A
te
DW aie
Bate
| Uk Ox
|
A.J.Wendel sculps.
Prepapeeren van rupsen.
es eee
N :
I È 5
3
\
|]
PL 2.
AJ.Wendel sculps.
Argentijnsche Psychiden.
Weyenb. fec.
21.3:
LEE (te
=
lo
A.W. sculps.
JvLJF_HA_ Hd Gr. & ATW feo.
Pyralidina van Celebes.
PL. 4.
1b.
>
bo
(SETT
ue = da
ao ë a
Dd : fi
hy
‚a
LS
LA
Vr»
> n,
RER ER I
soliti /
JI. F_H4 Gn WJIFWHA& AIN: fec. A.J.W.sculps.
Pyralidina van Celebes.
=
v.
Tec.
ATW
-TEN.&
Jr JE AH.
H.d.Gr
Celebes.
Pvralidina van (
A
“bh
Pio
v.H. del.
A Heer
Au.N.SCUpS.
Galeodidae (pootaanhanssels) :
È
[I
N =
» =
Sta
ci “ee
Pr ‘ . 4
ope
.
Ease
#6.1,2 dM. 3-12 v.dW. del. A.J.Wendel sculps.
1, 2 Polylepta leptogaster Winn. 3-12 Ommatius Schle deli vaw.
EE
J.vL.J del.
Microlepidoptera van Noord-Azie.
Uni LUE del.
Microlepidoptera van Noord-Azie.
PID).
i
È
ELO
Jx-L.J del.
Pit
A.J.W. lith.
J.v.L.Jf del.
1 Catocala Nupta L. var. 2 Danais Chrysippus L.var. 3 Thestias Aenippe Cram.var.
4 Madopa lutealis Snell. 5 Mad. dilutalis Snell.
AS
HET
Ve
v.d.W. del. A.J.W. sculps.
0. Indische Psilopus -soorten.
ore:
È
Y
E
À
TIJDSCHRIFT VOOR ENTONOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
_ ONDER REDACTIE VAN
“Dre AW M VAN HASSELT
F. M. VAN DER WULP
EN
Jur. Dr. En. J. G. EVERTS
ZEWEN EN TWINTIGSTE DEEL
| JAARGANG 1883—84
0 berste Aflevering
RL Ne
’SGRAVENHAGE
i MARTINUS NIJHOFF
| 1884 |
eh
cya
SATTA
CS
N)
SEEN
© TIDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
| F. M. VAN DER WULP
EN .
ASSE er ue EEE CRK
a a Pe
fr >; re ot Er n À x
> Jur. Da. E. J. 6, EVERTS
ZEVEN EN TWINTIGSTE DEEL
| JAARGANG 1883—84
E Tweede Aflevering
NONNEN AAN An
ee | |’SGRAVENHAGE
= MARTINUS NIJHOFF
wi... 4884
RS
ate
I tee
È
SR
“ei
REDE
a
| GETS et \
albe, 1884
_ TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
1 UITGEGEVEN DOOR
DI | NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
F. M. VAN DER WULP
EN
Jun. Dr. En. J. G. EVERTS
ZEVEN EN TWINTIGSTE DEEL
| JAARGANG 1883—84
: Derde e AMlevering
| ?SGRAVENHAGE
_ MARTINUS NIJHOFF
1884
Dh
ARG
as
3
&
13
4
ha
Y
an,
02/5:
1; Mlar.6,1888 7 oe
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Dr. A. W. M. VAN HASSELT
FM. VAN DER WULP
EN |
| Jun, Dr. En. J. G. EVERTS
ZEVEN EN TWINTIGSTE DEEL
SIC 4888-84
Vierde Aflevering
AAA Am:
’S GRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
…_ 1884
4 if
Lea
ER
co
Ik
i
N }
N
N
4
x
li
2
\
A
3 2044 106 297 989